Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 1JAARVERSLAG VAN HET VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER (XI)

Aangeboden 21 mei 2008

Realisaties uitgaven naar beleidsartikelen voor 2007 (bedragen in € 1000)

kst-31444-XI-1-1.gif

Realisaties ontvangsten naar beleidsartikelen voor 2007 (bedragen in € 1000)

kst-31444-XI-1-2.gif

Inhoudsopgave blz.

A.Algemeen6
Aanbieding en dechargeverlening6
Leeswijzer11
   
B.Beleidsverslag14
Beleidsprioriteiten14
Beleidsartikelen40
 Artikel 1. Bevorderen van een goed werkende woningmarkt40
 Artikel 2. Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus50
 Artikel 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt65
 Artikel 4. Optimalisering van de ruimtelijke afweging74
 Artikel 5. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur79
 Artikel 6. Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging88
 Artikel 7. Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem96
 Artikel 8. Verbeteren van de milieukwaliteit in de bebouwde omgeving109
 Artikel 9. Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en ggo’s119
 Artikel 10. Versterken van het (inter)nationale milieubeleid128
 Artikel 11. Vergroten van de externe veiligheid136
 Artikel 12. Handhaving en toezicht143
 Artikel 13. Rijkshuisvesting en architectuur154
 Artikel 16. Integratie160
 Artikel 17. GroteStedenBeleid166
Niet-beleidsartikelen171
 Artikel 14. Algemeen171
 Artikel 15. Nominaal en onvoorzien183
Bedrijfsvoeringsparagraaf184
   
C.Jaarrekening189
De departementale verantwoordingsstaat 2006 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)189
De departementale saldibalans 2007191
Baten-lastendienst: Rijksgebouwendienst207
Balans baten-lastendienst Rgd212
Resultatenrekening Rgd217
Kasstroomoverzicht223
Baten-lastendienst: Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)227
Publicatie Personele Topinkomens231
   
D.Bijlagen232
 Bijlage 1: Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT’s232
 Bijlage 2: Toezeggingen (aanbevelingen) Algemene Rekenkamer235
 Bijlage 3: Overzicht niet financiële informatie over inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externe)238
 Bijlage 4: Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden239
 Bijlage 5: Extra-Comptabel Overzicht Grotestedenbeleid269

A. ALGEMEEN

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan de Voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoeken wij de beide Kamers van de Staten-Generaal decharge te verlenen over het in het jaar 2007 gevoerde financiële beheer met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld van haar bevindingen en haar oordeel met betrekking tot:

• het gevoerde financieel en materieelbeheer;

• de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

• de financiële informatie in de jaarverslagen en jaarrekeningen;

• de departementale saldibalansen;

• de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering

• de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen, naast het onderhavige Jaarverslag en het hierboven genoemde rapport van de Algemene Rekenkamer, de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het financieel jaarverslag van het Rijk over 2007; dit jaarverslag wordt separaat aangeboden;

b. de slotwet van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) over het jaar 2007; de slotwet is als afzonderlijk kamerstuk gepubliceerd.

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen;

c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2007 met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 83 van de Comptabiliteitswet 2001. Dit rapport, dat betrekking heeft op het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk, wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aangeboden.

d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2007 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2007 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2007 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

C. P. Vogelaar

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Opbouw jaarverslag

In 2007 is sprake van één begrotingshoofdstuk voor VROM en WWI gezamenlijk. Daarom hebben de ministers van VROM en voor WWI ervoor gekozen om één gezamenlijk jaarverslag uit te brengen. Het jaarveslag dient een spiegel te zijn van de begroting van het betreffende jaar, vandaar dat de volgorde van de begroting 2007 is aangehouden bij zowel de beleidsprioriteiten als de beleidsartikelen. In 2008 is sprake van twee aparte begrotingshoofdstukken, zodat er ook twee jaarverslagen worden uitgebracht.

Het jaarverslag bestaat uit een algemeen gedeelte, het beleidsverslag, de bedrijfsvoeringsparagraaf, de jaarrekening en enkele bijlagen. In het beleidsverslag staat centraal het gevoerde beleid op de beleidsterreinen van Ruimte & Milieu en Wonen, Wijken & Integratie, en de budgettaire gevolgen van dit beleid. Het beleidsverslag is opgebouwd uit twee delen: de beleidsprioriteiten en de beleids- en niet-beleidsartikelen. De jaarrekening is opgebouwd uit de verantwoordingsstaat van het ministerie van VROM, de departementale saldibalans met toelichting (inclusief topinkomens) en de toelichting baten-lastendiensten (Rijksgebouwendienst en Nederlandse Emissieautoriteit). In de bijlagen zijn opgenomen de toezichtrelaties met ZBO’s/RWT’s en de toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer.

De opbouw van het jaarverslag 2007 volgt de Rijksbegrotingsvoorschriften.

Hieronder volgt een nadere toelichting op enkele onderdelen van het jaarverslag:

Beleidsverslag

Beleidsprioriteiten

In het hoofdstuk over de beleidsprioriteiten wordt verantwoording afgelegd over de bereikte resultaten van de beleidsagenda in de begroting 2007. Deze zijn aangevuld met 3 onderwerpen die niet in de beleidsagenda van de begroting 2007 stonden:

Actieprogramma Inburgering, is afkomstig van de Justitiebegroting;

Deltaplan Inburgering, is afkomstig uit het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven»;

Brandveiligheid rijkshuisvesting is net na de totstandkoming van de ontwerpbegroting 2007 als beleidsprioriteit benoemd.

Behalve over de beleidsprioriteiten uit de begroting 2007, wordt tevens verantwoording afgelegd over de bereikte resultaten inzake de doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» voor zover relevant voor VROM/WWI. Deze doelstellingen en projecten komen op twee plaatsen terug. Als eerste zijn zij waar mogelijk gekoppeld aan de reeds benoemde prioriteiten en in het geval van het Deltaplan Inburgering als nieuwe prioriteit opgenomen. Tevens is er een tabel opgenomen met daarin een overzicht van alle voor VROM/WWI relevante doelstellingen en projecten en een motivering welk maatschappelijk probleem met de doelstelling of het project wordt opgelost.

Er is in 2007 uiteraard hard gewerkt aan de realisatie van deze nieuwe doelstellingen en projecten. Voor de nieuw toegevoegde prestaties (afgeleid van het beleidsprogramma) is aangegeven of ze zijn«gerealiseerd». Waar dit zo kort na de totstandkoming van het beleidsprogramma niet mogelijk is, wordt de «stand van zaken» geschetst.

Invulling van de motie Vendrik geschiedt op de volgende wijze:Na het verslag over de beleidsprioriteiten volgt een tabel met de budgettaire consequenties. De daarin vermelde cijfers zijn niet rechtstreeks te genereren uit de VROM-administratie, aangezien er geen vastleggingen per prioriteit plaatsvinden. De gepresenteerde cijfers zijn verkregen uit extracomptabele administraties en/of betreffen schattingen.

De beleidsmatige conclusie is, in tegenstelling tot voorgaande jaren, steeds apart na iedere prioriteit opgenomen.

Beleids- en niet-beleidsartikelen

Bij de coalitievorming van het Kabinet Balkenende IV is besloten tot herschuiving tussen portefeuilles. Vanuit Justitie is het beleidsterrein Integratie overgeheveld naar WWI. Vanuit BZK is het beleidsterrein Grotestedenbeleid overgeheveld naar WWI. Besloten is de programma- en daarmee samenhangende apparaatsgelden voor 2007 bij de 2e suppletoire begroting 2007, met terugwerkende kracht, formeel over te hevelen van de Justitie- en BZK-begroting naar de VROM-begroting 2007 (artikel 16 Integratie en artikel 17 Grotestedenbeleid). Verantwoording hierover vindt plaats in het jaarverslag 2007 van het ministerie van VROM en dus niet meer in het jaarverslag van respectievelijk Justitie en BZK.

De beleids- en niet-beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van VROM en WWI zijn behaald (Hebben we bereikt wat we hebben beoogd? Hebben we gedaan wat we daarvoor zouden doen?). Tevens zijn hier de budgettaire en financiële consequenties te vinden waarbij de opmerkelijke verschillen, in grote lijnen, tussen de begroting en realisatie worden toegelicht (Heeft het gekost wat we dachten dat het zou kosten?).

Uitgaven ambtelijk personeel

De uitgaven voor ambtelijk personeel zijn verdeeld over de artikelen door middel van een verdeelsleutel. De verdeling vindt plaats op basis van uitgangspunten en jaarplannen die resulteren in verdelingen die niet absoluut juist zijn, maar waarmee een juiste artikelbelasting zo goed mogelijk benaderd wordt, rekening houdend met een doelmatige bedrijfsvoering.

Artikel 13 waarop de inputfinanciering van de Rijksgebouwendienst (Rgd) betrekking heeftDe Rgd wordt jaarlijks bevoorschot. Dit voorschot is niet gerelateerd aan de werkelijke uitgaven van het agentschap. Het gevolg is dat op bepaalde posten te hoog dan wel te laag is bevoorschot. Dit wordt op artikelniveau met het voorschot in het jaar 2007 gecorrigeerd.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

De bedrijfsvoeringsparagraaf bestaat uit vier delen:

1. totstandkoming beleidsinformatie

2. rechtmatigheid

3. financieel beheer en materieel beheer

4. overige aspecten van de bedrijfsvoering

Paragraaf 1 over de totstandkoming van de beleidsinformatie is het verantwoorden over de naleving van de iesen uit de Rijksbegrotingsvoorschriften.

Paragraaf 2 over de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering vloeit voort uit de rapportageeisen uit de Rijksbegrotingsvoorschriften.

Paragraaf 3 over het financieel en materieel beheer bevat de verantwoording van het managementcontrolsysteem.

Paragraaf 4 over de overige aspecten gaat in op incidenten die brede publieke aandacht hebben gekregen.

Jaarrekening

In de Jaarrekening zijn de volgende onderdelen opgenomen:

• De departementale verantwoordingsstaat;

• De departementale saldibalans met toelichting;

• De departementale saldibalans en jaarrekening van de Rijksgebouwendienst (Rgd);

• De departementale saldibalans en jaarrekening van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa);

• De publicatie van de personele topinkomens. De publicatie personele topinkomens is een overzicht van de ten laste van hun begroting uitbetaalde belastbare jaarinkomens (inclusief pensioenafdrachten) van het personeel met een belastbaar jaarloon dat hoger was dan het gemiddelde belastbare jaarloon van de ministers.

Bijlagen

In het onderdeel bijlagen volgt een overzicht van de toezichtrelaties en ZBO’s/RWT’s en een overzicht van de toezeggingen (aanbevelingen) Algemene Rekenkamer. Nieuw is het overzicht van de inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen). Met ingang van het jaarverslag 2007 rapporteert iedere departement daar zelfstandig over. Vanwege de de verschuiving van het beleidsterrein Integratie van Justitie naar WW, wordt met ingang van 2007 in het VROM-jaarverslag 2007 de Horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid en etnische minderheden opgenomen.

B. BELEIDSVERSLAG

BELEIDSPRIORITEITEN

VROM heeft er – met de komst van het nieuwe kabinet in 2007 – nieuwe verantwoordelijkheden bij gekregen. Het gaat in de eerste plaats om het Grotestedenbeleid (GSB) en Integratie & Inburgering (I&I). Daarnaast heeft dit departement een speciale verantwoordelijkheid gekregen in twee van de zes overkoepelende thema’s – de pijlers – waarmee dit kabinet werk maakt van een integrale aanpak.

De minister van VROM coördineert het thema «Duurzame leefomgeving» (pijler 3). De minister voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) coördineert, samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de «Sociale samenhang» (pijler 4) uit het Beleidsprogramma van de regering.

De centrale rol van duurzaamheid in het Beleidsprogramma en de groeiende aandacht voor klimaatverandering zijn in 2007 vooral zichtbaar geworden in het milieu- en ruimtebeleid. De totstandkoming van ambitieuze, internationale klimaatdoelstellingen is hier een sprekend voorbeeld van.

Op basis van het rijksbrede «Nieuwe Energie voor het Klimaat: werkprogramma Schoon & Zuinig» zijn in 2007 belangrijke akkoorden gesloten met gemeenten en het bedrijfsleven. Het nog steeds toenemende verkeer en het energie- en ruimtegebruik, en de groeiende uitstoot als gevolg daarvan, is aangepakt. Onder meer door scherpere milieueisen voor personenauto’s (vaststelling van de euro-5 en -6 normen) en stimulering van het gebruik van biobrandstoffen (verplichte bijmenging van biobrandstof in 2007). Daarnaast is het kabinet verder gegaan met het stimuleren van duurzame productie en consumptie, onder andere via fiscale vergroening en ontwikkeling van duurzaam inkoopbeleid. Met het opstellen van heldere criteria voor duurzaam overheidsinkopen geeft VROM op dat vlak invulling aan de voorbeeldfunctie van het Rijk.

Het Rijk werkt met gemeenten aan een langetermijnvisie en -strategie, wat duidelijkheid biedt over toekomstige rijksinvesteringen op het gebied van ruimtelijke ordening. Hierbij ging in 2007 de aandacht vooral uit naar de toekomst van de Randstad. Om verrommeling van het landschap tegen te gaan zijn het Programma Mooi Nederland en de Samenwerkingsagenda met IPO en VNG uitgewerkt. De 23 gebiedsontwikkelingsprojecten, ondergebracht in pijler 3 van het Beleidsprogramma, geven uitvoering aan de Nota Ruimte en invulling aan integrale gebiedsontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit.

Op 2 november 2007 heeft de Ministerraad de Nationale Adaptatiestrategie goedgekeurd, die de volle breedte van de ruimtelijke gevolgen van klimaatverandering adresseert en de maatschappelijke transitie schetst die dat van de samenleving vergt. Deze interbestuurlijke strategie wordt nader uitgewerkt en vastgelegd in de eerste Nationale Adaptatieagenda Ruimte en Klimaat die eind 2008 zal verschijnen.

In de grote steden is de leefbaarheid verbeterd, en met de wijkaanpak is er naast wonen nu ook nadrukkelijker aandacht voor werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid. Een experiment met een integrale aanpak in het project Nieuwe Coalities voor de Wijk in 13 wijken is succesvol gebleken en vormt mede de basis voor het in 2007 tot stand gekomen Actieplan Krachtwijken, gericht op 40 aandachtswijken. De woningproductie laat net als in voorgaande jaren een stijgende lijn zien, maar is nog niet op het gewenste niveau. Het Actieplan woningproductie is belangrijk voor een extra impuls voor de woningproductie.

Het voor VROM nieuwe beleidsterrein van Integratie & Inburgering vergt forse inspanningen. Sociaal-economische achterstanden van veel niet-westerse migranten en een aanzienlijke sociaal-culturele afstand moeten worden overbrugd. Met het Actieprogramma Integratie en het Deltaplan Inburgering bouwen we aan die brug. De uitvoering in de gemeenten wordt eenvoudiger met de in 2007 ingediende wijziging van de Wet inburgering (Wi).

Ook in 2007 heeft VROM belangrijke stappen gezet om de regelgeving te verminderen en te vereenvoudigen. Hiermee zijn de administratieve rompslomp en de toezichtslast voor burgers, bedrijven en andere overheden verder omlaag gegaan. In 2007 is de basis gelegd voor een forse besparing van € 215 mln per jaar dankzij het Activiteitenbesluit. Bedrijven die onder dit besluit vallen hebben per 1 januari 2008 geen milieuvergunning meer nodig. Wel moeten zij hun activiteiten melden bij de gemeente. Medio september 2007 is het frontoffice nucleair operationeel geworden en is gestart met de inrichting van de frontoffices afval en chemie. Met de frontoffices wordt het toezicht zo gecoördineerd dat bedrijven en instellingen er zo min mogelijk hinder van ondervinden en wordt een vermindering van de toezichtslasten mogelijk.

Er is in 2007 veel bereikt op de beleidsterreinen van VROM en WWI. De nieuwe ambities uit het Beleidsprogramma zijn in 2007 vertaald naar concrete actieplannen voor latere jaren, zoals het reeds genoemde «Nieuwe Energie voor het Klimaat: werkprogramma Schoon & Zuinig», het Actieplan Krachtwijken, het Actieprogramma Integratie en het Deltaplan Inburgering. Met de uitvoering van die actieplannen is in 2007 een aanvang genomen.

A. Realisatie van de Beleidsprioriteiten 2007

Beleidsprioriteit 1. Ruimte voor ontwikkeling

Doel

Uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» vallen de volgende gezamenlijke doelstellingen van VROM, WWI, EZ en LNV onder deze prioriteit:

Doelstelling 23: Het bevorderen van een tijdig en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties en 80 000 tot 100 000 nieuwe woningen per jaar.

Doelstelling 24: In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden.

Doelstelling 26: Klimaatbestendige inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur)

Doelstelling 29: Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis.

Project Urgentieprogramma Randstad.

Project Randstad Urgent heeft tot doel tot besluitvorming te komen voor 35 projecten in de Randstad. Het programma wordt getrokken door V&W. De minister van VROM is verantwoordelijk voor 6 projecten, waaronder de Lange termijn visie (R2040).

VROM maakt in samenwerking met de medeoverheden ruimtelijke ontwikkeling mogelijk voor wonen, werken en recreëren in een duurzame en aantrekkelijke leefomgeving (€ 1 miljard uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES)). Het kabinet richt het Nota Ruimte budget op ondersteuning van complexe integrale gebiedsontwikkelingopgaven die een nationale betekenis hebben en die een aanzienlijke mate van rijksverantwoordelijkheid vragen («centraal wat moet»). Door duidelijkheid te bieden over toekomstige rijksinvesteringen en door nieuw instrumentarium te ontwikkelen (nieuwe WRO) worden andere overheden in staat gesteld om regie te voeren op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in hun gebied.

Een belangrijk thema van het kabinet is duurzaamheid. Als coördinerend ministerie voor pijler 3 vertaalt VROM dit, met de Nota Ruimte als uitgangspunt, in het tegengaan van verrommeling van het landschap en het klimaatbestendig inrichten van Nederland.

Doelbereik

Door uitvoering van 23 reeds eerder geselecteerde gebiedsontwikkelingsprojecten, geeft het kabinet uitvoering aan de Nota Ruimte. Deze projecten worden gefinancierd uit het FES (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 435, nr. 192; Kamerstukken II, 2007–2008, 29 435, nr. 201). Het kabinet heeft in 2007 al aan 3 projecten middelen toegekend.

Dit kabinet heeft de ambitie om van de Randstad een duurzame en concurrerende Europese topregio te maken. In 2007 zijn daartoe verschillende stappen gezet in de richting van een langetermijnvisie en -strategie voor met name de Randstad. Daarmee is een eerste antwoord gegeven op de tweede motie Lemstra (17 januari 2006). Het kabinet heeft besloten tot een miljardeninvestering in wegen in het gebied Schiphol–Amsterdam–Almere en kondigt besluitvorming aan over grote investeringen in het openbaar vervoer in hetzelfde gebied (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 089, nr. 9).

Op 22 juni 2007 heeft het kabinet de Startnotitie Randstad 2040 vastgesteld (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 089, nr. 1). Het project Randstad 2040 is onderdeel van het Urgentieprogramma Randstad («Randstad Urgent») en wordt gecoördineerd door het ministerie van VROM en met de wethouders voor ruimtelijke ordening van de gemeenten Den Haag en Amsterdam.

De Kamer is geïnformeerd over het voornemen om in juni 2008 met iedere provincie afzonderlijk afspraken te maken over de planning en ontwikkeling van nieuwe en te herstructureren bedrijventerrein, de toepassing van de SER ladder (een voorstel van de SER uit 1999 waarbij de verschillende ruimtelijke mogelijkheden zorgvuldiger worden afgewogen) en regionale samenwerking en afstemming (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI en 29 435, nr. 73). Deze afspraken dienen om een evenwichtige verhouding tussen vraag en aanbod te realiseren, zowel kwantitatief als kwalitatief.

Om gedurende deze kabinetsperiode verrommeling tegen te gaan zijn het Programma Mooi Nederland (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800II, nr. 88) en de Samenwerkingsagenda met IPO en VNG vastgesteld (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI, nr. 84).

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel:Artikel 4 (4.2.1), 5 (5.2.2) en 11 (11.2.4)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 1: Ruimte voor ontwikkeling
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
1.1Uitvoering Nota Ruimte en de tweede uitvoeringsagendaGerealiseerdMet 75 van de 94 benoemde rijksacties uit de uitvoeringsagenda Nota Ruimte is conform planning gestart. Negentien acties lopen langer door.
1.2FES-middelen voor integrale gebiedsontwikkelingGerealiseerdVanuit € 1 miljard Nota Ruimte Budget (€ 250 mln 2007–2010, € 750 mln 2011–2014) zijn 23 projecten geselecteerd; aan 3 daarvan zijn nog in 2007 middelen toegekend. De toekenning van middelen aan de andere 20 projecten vindt plaats vanaf 2008.
1.3Nadere invulling van de strategische lange termijn visie op de RandstadGerealiseerdAansluitend op de Startnotitie Randstad 2040 wordt gewerkt aan een toekomstvisie voor de Randstad die richting gaat geven aan investeringsstromen op het gebied van ruimte en infrastructuur voor een duurzame en concurrerende topregio. Dit krijgt vorm binnen het kader Programma Urgentieprogramma Randstad.
1.4– Vaststellen van de nationale adaptatieagenda 2007–2014 voor het klimaatbestendig maken van NederlandGerealiseerdOp 2 november 2007 is de Nationale Adaptatiestrategie door het kabinet vastgesteld en naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 269 en 22 112, nr. 3). In deze strategie staan diverse acties en maatregelen aangekondigd ter bevordering van een meer klimaatbestendige inrichting van Nederland.
 – Het opstellen (met alle betrokken partijen) van een uitvoeringsagendaNiet gerealiseerdDe planning is er op gericht dat deze agenda juni 2008 gereed is.

Beleidsmatige conclusie

In 2007 is veel bereikt binnen de prioriteit Ruimte voor ontwikkeling, dat de komende tijd om verdere uitvoering vraagt. In het Coalitieakkoord en in het Beleidsprogramma heeft het kabinet de ambitie neergezet om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van het overheidsbeleid in de volle breedte te verbeteren. Om dit te bereiken worden in 2008 diverse acties in gang gezet.

Beleidsprioriteit 2. Krachtige Steden

Doel

Uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» valt het project Actieplan Krachtwijken onder deze prioriteit.

VROM wil samen met anderen gericht inzetten op krachtige steden, steden waar het goed wonen, werken en recreëren is en waar deze functies ook goed bereikbaar zijn. Oude stadswijken met een stapeling van problemen krijgen bijzondere aandacht. Met een gebiedsgerichte gebundelde inzet worden de problemen op de terreinen wonen, werken, leren en opgroeien, integreren en veiligheid aangepakt.

Om verbetering van de leefomgeving te bereiken richt het stedelijk beleid zich zowel op de steden als op wijken binnen steden. Het Grotestedenbeleid (GSB) is hiervoor de brede basis. De wijkaanpak uit het Beleidsprogramma van het nieuwe kabinet is hier aan toegevoegd. Doelstelling van de wijkaanpak is om, samen met alle betrokkenen, 40 aandachtswijken om te vormen tot krachtwijken waar mensen graag wonen en zich kunnen ontwikkelen.

Doelbereik

De in de begroting voor het jaar 2007 opgenomen prestaties zijn goeddeels gerealiseerd. Op de 5 afrekenbare doelstellingen van het GSB III laten de steden een lichte verbetering zien, vooral waar het gaat om de woning en de fysieke woonomgeving. Dat wil echter niet zeggen dat de beoogde sociale en maatschappelijke effecten al bereikt zijn. Juist in de wijken met de meest ernstige en hardnekkige problematiek is nog weinig zichtbaar resultaat geboekt. Daarom heeft het kabinet, in aanvulling op GSB III, het initiatief genomen tot een extra impuls in de vorm van een actieve, samenhangende aanpak in 40 aandachtswijken. Daarbij doorbreken we de schotten tussen wonen, werken, leren en opgroeien, integreren en veiligheid.

Grotestedenbeleid

De positie van de grote steden is verbeterd sinds de start van het Grotestedenbeleid in 1994 en de introductie in 2000 van de Wet stedelijke vernieuwing als fysieke pijler daarin. Met de midterm review, een tussenevaluatie van GSB III (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15), is de voortgang van de steden op basis van monitorgegevens gemeten.

Op de gestelde doelen laten steden gemiddeld een licht positieve trend zien tussen 2005 en 2007. Uit de midterm review meting blijkt dat op het gebied van leefbaarheid en veiligheid de vier grote steden (G4) een sterkere verbetering laten zien dan de G27. Mensen voelen zich sinds de start van GSB III veiliger en zijn minder vaak slachtoffer van criminaliteit. Steden blijven ondanks die verbeteringen nog steeds achter bij het landelijk gemiddelde. Dit geldt voor onveiligheidsgevoelens in de eigen buurt en sociale kwaliteit van de woonomgeving in de G31 en de verloedering in de G4. De arbeidsparticipatie in de G27 stijgt, maar is nog altijd lager dan het landelijk gemiddelde. Ook nemen de verschillen tussen kansarme en kansrijken binnen de steden toe. De verhouding midden- en hoge inkomens is vrijwel gelijk gebleven.

Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing en 56-wijken

In de beleidsdoorlichting van de Wet stedelijke vernieuwing (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 983, nr. 2) is aangegeven dat positieve ontwikkelingen aan het beleid zijn toe te rekenen.

Met de 56-wijkenaanpak is in 2002 gestart om de realisatie van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) te versnellen. Uit de evaluatie van ISV-1 (2000–2004) is al zichtbaar dat meer gerealiseerd is dan in 2002 werd verwacht. Volgens de midterm review GSB is het beeld van ISV-2 (2005–2009) ook positief. De verwachting is dat de afrekenbare prestaties met gemeenten in het kader van ISV-2 voor de periode tot 2010 zullen worden gerealiseerd.

In de waardering van de wijk door de bewoners is een positieve ontwikkeling zichtbaar. De extra inzet van VROM, enkel en alleen gericht op versnelling van de fysieke inspanning in de 56-wijken, is daarom niet meer nodig. Dat wil niet zeggen dat alle problemen in die wijken opgelost zijn. Een aantal van die wijken is opgenomen in de selectie van 40 krachtwijken. Uit het GSB blijkt dat het oplossen van fysieke problemen alleen niet genoeg is. Daarom is in de nieuwe krachtwijken-aanpak ook aandacht voor werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid.

40 wijken: Actieplan Krachtwijken

De bredere aanpak van het project Nieuwe Coalities voor de Wijk, om hardnekkige probleemsituaties beter op te lossen, heeft zijn vervolg gekregen in de wijkaanpak. In de periode 26 maart tot en met 27 juni 2007 heeft de minister voor WWI alle 40 aandachtswijken bezocht. De gesprekken en ervaringen uit die wijkentoer én de lessen van zowel de 56-wijkenaanpak als de 13-wijkenaanpak (project Nieuwe Coalities voor de Wijk) hebben de basis gevormd voor het Actieplan Krachtwijken (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 995, nr. 7). Hiermee wordt invulling gegeven aan een hernieuwd partnerschap tussen Rijk en gemeente, waarbij de steden met maatschappelijke partners en bewoners in de eerste plaats aan zet zijn. Het Onderhandelaarsakkoord dat op 17 september 2007 is afgesloten tussen de minister en de voorzitter van Aedes (vereniging van woningcorporaties) is helaas niet bekrachtigd door de leden van Aedes. Ook bleek Aedes niet in staat te zijn om een afspraak uit dit akkoord na te komen waar het ging om het realiseren van extra financiële ruimte van € 750 miljoen bij de corporatie in de 40 wijken voor de activiteiten uit het wijkactieplan. Om die reden zal de minister in 2008 met behulp van een heffing bij de corporaties bijzondere projectsteun voor de corporaties in de 40 wijken ter beschikking stellen voor een bedrag van maximaal € 75 miljoen.

De gemeenten en hun lokale partners zijn in 2007 aan de slag gegaan met het opstellen van wijkactieplannen. Daarnaast zijn door de minister voor WWI voorbereidingen getroffen voor een scala aan activiteiten en initiatieven die bijdragen aan het slagen van de wijkaanpak. Het gaat bijvoorbeeld om de voorbereiding van een monitor om de voortgang in kaart te brengen. Hiermee wordt in 2008 gestart, waarna we kunnen zien of de doelen met deze nieuwe aanpak ook werkelijk worden bereikt.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel:Artikel 2 (2.2.3), 5 (5.2.1), 16 (16.2.1) en 17 (17.2.1)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 2: Krachtige steden
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
2.1Voortzetting investeringen in stedelijke netwerken, stadscentra en oude stadswijken (gelden GSB/ISV, BLS, NSP en BIRK)GerealiseerdDe voorgenomen investeringen hebben plaatsgevonden, waarbij voor de brede doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid (SIV) nieuwe middelen beschikbaar kwamen.
2.2Opzetten experimenten in een aantal wijken met integrale aanpak voor wonen, leren, werken, veiligheid en welzijnGerealiseerdDe experimenten zijn uitgevoerd in het project Nieuwe Coalities voor de Wijk in 13 aandachtswijken (geadopteerd door kabinetsleden).
2.3Uitwerken interdepartementaal programma voor groen in en om de stad als invulling van de intentieverklaring «Groen PartnerschapGerealiseerdUitwerking van het programma heeft opgeleverd dat in 2007 een kennisnetwerk is ingericht dat vanaf 2008 volop gaat draaien.
2.4Samen met diverse partners uitwerken van «interdepartementaal Programma Ruimte voor sport en bewegen»Niet gerealiseerdHet «interdepartementale programma ruimte voor sport en bewegen» is niet tot stand gekomen. Wel zijn diverse acties die met dit programma werden beoogd, geïmplementeerd in diverse activiteitenlijnen. Tot deze acties behoren de uitwerking van een stimuleringsfonds, het ontwikkelen van innovatieve financieringsmechanismen op gemeentelijk niveau en de doorontwikkeling van de Geografisch Informatie Systeem (GIS) toepassing tot een volwaardig adviesinstrument.
   
Voorheen BZK-begroting
2.5Resultaten in de uitgekozen wijken van de uitvoering «plannen van 12 steden» in het kader van de sociale herovering van de wijk: gericht op het tegen gaan van overlast en verloedering, zodat bewoners zich veiliger voelen in de wijkNiet gerealiseerdDit project is opgepakt in samenhang met het project Nieuwe Coalities voor de Wijk. De uiteindelijke resultaten worden meegenomen in de eindverantwoording van de brede doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid in 2010. Derhalve is nu niet vast te stellen of doelen zijn gerealiseerd.
   
Nieuwe prestatie (Beleidsprogramma)
2.6– Opstellen van het Plan van Aanpak «Actieplan Krachtwijken: Van Aandachtswijk naar Krachtwijk»– Vervolgens het Actieplan in uitvoering nemenGerealiseerdHet Actieplan is opgesteld en besproken met de Kamer (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 995, nr. 7).Stand van zakenNog niet alle wijkactieplannen zijn definitief vastgesteld.

Beleidsmatige conclusie

De in de begroting voor het jaar 2007 opgenomen prestaties zijn goeddeels gerealiseerd, maar de beoogde maatschappelijke effecten zijn nog niet bereikt. Daarom is, in aanvulling op GSB III, een actieve, samenhangende aanpak in 40 aandachtswijken gestart.

Beleidsprioriteit 3. Ruimte voor Wonen

Doel

Uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» valt het laatste deel van doelstelling 23: Het bevorderen van een tijdig en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties en 80 000 tot 100 000 nieuwe woningen per jaar onder deze prioriteit. Met de corporaties wil het kabinet afspraken maken over een woningproductie van circa 40 000 woningen per jaar.

Het kabinet streeft naar een woningaanbod waarin alle burgers, waaronder starters, mensen met lagere inkomens en oudere bewoners, meer ruimte hebben om te kiezen voor een betaalbare en kwalitatief passende woning. De doelstelling om het woningtekort terug te dringen tot 1,5 % (op 7 miljoen woningen) in 2010 is bijgesteld, gezien de in 2005 tot en met 2007 opgelopen productieachterstand. Nu wordt, bij een beleidsinzet tot en met 2011 van 80 000 tot 83 000 woningen per jaar, uitgegaan van het halen van 1,5 % woningtekort in 2012 (Actieplan woningproductie, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10).

Doelbereik

De stijgende lijn in de woningproductie is ook in 2007 doorgezet, waardoor burgers meer ruimte krijgen op de woningmarkt. In 2007 zijn landelijk 87 537 woningen gerealiseerd (inclusief toevoegingen anders dan door nieuwbouw). Dat is 10% meer dan in 2006, maar minder dan gewenst volgens de woningbouwafspraken. In de stedelijke regio’s is 86% van de voor 2007 geplande productie gereed gemeld. Gelet op de in de regio’s opgelopen achterstand zullen de voor de covenantsperiode 2005–2010 afgesproken aantallen niet gehaald kunnen worden.

Om de woningproductie te stimuleren is in het najaar van 2007 het Actieplan woningproductie opgesteld. Voor de korte termijn gaat het hier onder andere om aanjagen en wegnemen van belemmeringen via bestuurlijke gesprekken met de woningbouwregio’s.

In 2007 zijn circa 1 100 startersleningen en circa 3 250 koopsubsidies (BEW+) verstrekt. Het aantal startersleningen is daarmee minder dan verwacht (geraamd 2007: 2000 startersleningen). Daarentegen ligt het aantal BEW+ toekenningen fors hoger dan verwacht (geraamd 2007: 500 toekenningen). Hiermee is een bijdrage geleverd aan de toegankelijkheid van de woningmarkt voor starters. De toegankelijkheid blijft echter een punt van zorg, vandaar dat ook fors ingezet wordt op verhoging van de bouwproductie teneinde doorstroming op gang te brengen.

Op basis van het dalen van de netto huurquotes en de stijging van de «netto inkomen na kale huurlasten – index» kan worden geconcludeerd dat de betaalbaarheid voor huurders is verbeterd. Ook heeft het kabinet besloten tot een huurbeleid dat gekoppeld is aan inflatie. Mede hierdoor is de betaalbaarheid verbeterd.

Woningcorporaties zijn en blijven cruciaal bij het realiseren van maatschappelijke opgaven zoals voldoende nieuwbouwproductie, betaalbaar wonen voor met name de zwakkeren op de woningmarkt, en de aanpak en omvorming van aandachtswijken naar krachtwijken. De inrichting van het corporatiestelsel en het aanspreken van de corporatiereserves moet voor die prestaties waarborgen bevatten.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel:Artikel 1 (1.2.1 en 1.2.2), 2 (2.2.1) en 3 (3.2.1 en 3.2.2)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 3: Ruimte voor wonen
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
3.1Monitoring woningbouwafsprakenGerealiseerd
3.2Afronding traject modernisering van het huurbeleidNiet gerealiseerdDe modernisering van het huurbeleid heeft geen doorgang gevonden conform het Coalitieakkoord (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 595, nr. 36 en Kamerstukken I, 2006–2007, 30 595, nr. G). Het kabinet kiest nu voor een huurbeleid dat gekoppeld is aan inflatie om de betaalbaarheid te borgen.
3.3Uitwerken aanvullende maatregelen verbeteren woningmarkt: stimuleren passend wonen door flexibilisering huurcontractenNiet gerealiseerdAls gevolg van het Coalitieakkoord is afgezien van de modernisering van het huurbeleid en van wijzigingen in de fiscale behandeling van de eigen woning. Werkzaamheden die hiermee verband hielden zijn stopgezet. Echter het beleid gericht op het verhogen van de woningproductie en de ondersteunende maatregelen ten behoeve van de betaalbaarheid zorgen samen met de andere wetten en regels voor keuzemogelijkheden op de woningmarkt.
3.4Uitwerken aanvullende maatregelen verbeteren woningmarkt: onderzoek verbeteren mogelijkheden om de huur- en koopmarkten met elkaar te verbindenGerealiseerdDe literatuurstudie «Verhuismobiliteit: een studie naar belemmeringen tot verhuizen» is op 8 februari 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden. Op verzoek van de Kamer is daar bij brief van 17 juli 2007 een kabinetsreactie op gegeven. (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 606 XI, nrs. 2 en 6)

Beleidsmatige conclusie

De woningproductie zal extra worden gestimuleerd door de maatregelen genoemd in het Actieplan woningproductie dat in november 2007 aan de Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200XVIII, nr. 7) is aangeboden. Doel daarbij is een woningproductie van 80 000 tot 83 000 woningen per jaar in de periode tot en met 2011.

Beleidsprioriteit 4. Ontkoppeling en een eco-efficiënte economie

Doel

Het kabinet streeft naar versterkte ontkoppeling van milieudruk en economische groei en naar een verbetering van de milieuvriendelijkheid (eco-efficiëntie) van de economie. Uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» vallen de volgende doelstellingen onder deze prioriteit:

• Doelstelling 8: Actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze internationale klimaatdoelstellingen voor na 2012;

• Project Schoon & Zuinig;

• Doelstelling 21: De overheid wil uiterlijk in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen in haar aankopen;

• Doelstelling 22: Het stimuleren van duurzame consumptie en productie.

VROM bevordert duurzame consumptie en productie met name via stimulering van de Cradle-to-Cradle benadering (het slim ontwerpen van producten met materialen die na gebruik weer teruggebracht kunnen worden in de technische of biologische kringloop), fiscale vergroening en voorkomen van afwenteling op andere landen en volgende generaties.

Doelbereik

De afgelopen jaren is vooruitgang geboekt op het terrein van natuur en milieu. De Milieubalans en de Natuurbalans van 2007 bevestigen dat. De vooruitgang blijkt echter grotendeels te danken aan de inzet van technische maatregelen en minder aan gedragsveranderingen. Dit betekent dat de ontkoppeling van milieudruk en economische groei door het consumptiegedrag van de samenleving onverminderd onder druk blijft staan. Zo nemen het verkeer en het energie- en ruimtegebruik nog steeds toe. Daarom heeft het kabinet in het Coalitieakkoord nieuwe ambities geformuleerd.

Om ook gedragsveranderingen te bewerkstelligen wordt verder gegaan met fiscale vergroening waardoor de vervuiler betaalt. Burgers en bedrijven kunnen hun lastendruk beperken door milieuvriendelijker te handelen. Daarnaast wordt duurzame consumptie gestimuleerd doordat de Rijksoverheid een voorbeeldfunctie vervult door zelf duurzaam in te kopen.

Over de gedragsverandering van de overheid en de versterkte aanpak van het kabinet om dit te bereiken, is de Tweede Kamer per brief (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 196, nr.14) geïnformeerd naar aanleiding van de monitor Duurzame Bedrijfsvoering Overheden 2006. Uit de rapportage blijkt dat overheden duurzamer zijn gaan inkopen, maar dat aanvullende initiatieven nodig zijn.

Nieuwe Energie voor het Klimaat

In 2007 heeft het kabinet het rijksbrede werkprogramma «Nieuwe Energie voor het Klimaat: werkprogramma Schoon & Zuinig» gepresenteerd, waarmee de basis is gelegd om de ambitieuze klimaat- en energiedoelen uit het Beleidsprogramma te realiseren (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1). Het programma richt zich op de invoering van al beschikbare maatregelen en het voorbereiden van nieuwe maatregelen. Onder meer via het doorzetten van de energietransitie als permanente bron van innovaties uit de samenleving, worden verregaande innovaties voor de middellange en lange termijn bereikt. Hierbij moet gedacht worden aan projecten als de energieneutrale woning en het gebruiken van tuinbouwkassen als energiebron. Met ingang van 2008 rapporteert VROM jaarlijks over de voortgang van het werkprogramma.

Het kabinet heeftactief gewerkt aan het verwezenlijken van een aantal belangrijke stappen in de richting van een ambitieus klimaatbeleid na 2012 als vervolg op de Kyotoafspraken. Dit alles uitmondend in het UNFCCC-akkoord van Bali.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel:Artikel 6 (6.2.1 en 6.2.2) en 8 (8.2.2 en 8.2.4)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 4: Ontkoppeling en een eco-efficiënte economie
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
4.1– Begin 2007 wordt een voortgangsrapportage Toekomstagenda Milieu uitgebracht met concreet uitgewerkte voorstellen– Ook wordt per beleidsdoel aangegeven hoe de effectiviteit voortaan jaarlijks wordt gemetenGerealiseerdDe voortgangsrapportage 2007 Toekomstagenda Milieu is op 20 juni 2007 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 535, nr. 7). Niet gerealiseerdDe indicatoren worden verder ontwikkeld. In de tweede voortgangsrapportage 2008 zullen kritische prestatie-indicatoren worden opgenomen. Daarmee kan duidelijker worden of en in welke mate doelen dichterbij zijn gebracht.
4.2Alle betrokken overheden voeren gezamenlijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) uitNiet gerealiseerdDe Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Het NSL heeft hiermee wettelijke grondslag gekregen. De regionale programma’s worden op dit moment beoordeeld en samengevoegd tot het NSL, dat in mei 2008 gereed moet zijn, waarna het NSL wordt uitgevoerd.
4.3In Europees verband zet VROM in op het zo spoedig mogelijk van kracht worden van de euro-6 norm waarmee benzine- en dieselvoertuigen nagenoeg geen luchtverontreinigende stoffen meer uitstotenGerealiseerdDe euro-5 en -6 normen voor personenauto’s, waaraan Nederland in EU-verband hard heeft getrokken, zijn in 2007 gepubliceerd. Deze normen zijn een zeer belangrijk onderdeel van het beleidspakket om tijdig de EU-luchtkwaliteitsdoelen te kunnen halen.
4.4In 2007 moeten alle maatregelen gericht op een duurzame energievoorziening hun eerste vruchten afwerpen. Het aandeel biobrandstoffen in de op de Nederlandse markt gebrachte benzine en diesel stijgt naar 2%GerealiseerdDe verplichting tot bijmenging regelt dat de 2% eind 2007 wordt gehaald. Oliemaatschappijen moeten voor 1 april 2008 aan de VI rapporteren welke hoeveelheid biobrandstoffen ze op de markt hebben gebracht. Deze opgaven worden door de Belastingdienst en de VI steekproefsgewijs gecontroleerd.
Nieuwe prestaties (Beleidsprogramma) 
4.5Er wordt een bestuursakkoord tussen de gemeenten en het Rijk over lokaal klimaat- en energiebesparingsbeleid geslotenGerealiseerdOp 12 november 2007 is het klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007–2011 ondertekend.
4.6Ondertekening Duurzaamheidakkoord met bedrijvenGerealiseerdOp 1 november 2007 is het Duurzaamheidakkoord met het bedrijfsleven ondertekend.
4.7Actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze klimaatdoelstellingen voor de periode na 2012GerealiseerdMede dankzij een actieve voortrekkersrol van Nederland heeft de EU-Voorjaarsraad ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd. Op de klimaatconferentie op Bali zijn afspraken gemaakt over wat de inhoud en het proces zal zijn van de onderhandelingen over klimaatafspraken voor de periode na 2012.
4.8Alle overheden werken samen om te zorgen dat duurzaamheid uiterlijk in 2010 als zwaarwegend criterium wordt meegenomen in alle aankopen van de overheidGerealiseerdDe Tweede Kamer is geïnformeerd over de monitor Duurzame Bedrijfsvoering Overheden 2006 en de versterkte aanpak van dit kabinet om het doel te bereiken (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 196, nr. 14). Er worden voor alle aankopen van de overheid, gebundeld in 80 productgroepen, door de gezamenlijke overheden duurzaamheidcriteria opgesteld. Er is subsidie verleend aan VNG, IPO en UvW voor het uitvoeren van implementatietrajecten.
4.9Duurzame productie en consumptie: met name via stimulering Cradle-to-Cradle benadering, fiscale vergroening en voorkomen van afwenteling op andere landen en volgende generatiesGerealiseerdFiscale vergroening is een belangrijk middel om deze prestatie te bereiken: milieuonvriendelijke activiteiten worden belast (energieverbruik, autogebruik, verpakkingen en vliegtuigticket). Duurzame productie en consumptie worden verder gestimuleerd door duurzaam in te kopen (zie 4.8) en door stimulering van de Cradle-to-Cradle benadering die onder meer tot uiting komt in energiebesparing, gebruik duurzame energie en de ketenaanpak/kringloop van grondstof via productie tot afvalstof en opnieuw tot grondstof (hoogwaardig hergebruik). Daarnaast is het voorkomen van afwenteling bij de winning van grondstoffen een belangrijk aspect bij duurzame productie en consumptie.

Beleidsmatige conclusie

Het beleid is met onverminderd hoge inzet uitgevoerd. De realisatie van een duurzame leefomgeving vormt één van de pijlers van het kabinetsbeleid in het Coalitieakkoord. Het kabinet heeft hiertoe in het Beleidsprogramma 2007–2011 concrete, scherpe ambities geformuleerd.

Beleidsprioriteit 5. Internationale VROM-agenda

Doel

Van het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» valt doelstelling 8: Actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze internationale klimaatdoelstellingen voor na 2012 onder deze prioriteit. Dit is toegelicht bij beleidsprioriteit 4 «ontkoppeling en een eco-efficiënte economie».

Maar ook op andere werkterreinen geeft VROM verdere invulling aan de kabinetsambitie uit het Beleidsprogramma om een actieve mondiale en Europese rol in te nemen (pijler 1). Europese besluitvorming is voor de ontwikkeling van VROM-beleid op vele werkterreinen van groot belang. Daarom zet VROM in Europa in toenemende mate in op het vroegtijdig signaleren van, betrokken zijn bij en sturen van nieuwe Europese doelstellingen. In breder internationaal verband (vooral VN) draagt VROM bij aan het tot stand komen en aanscherpen van multilaterale afspraken in het kader van de bevordering van mondiale duurzame ontwikkeling.

Doelbereik

In EU-verband heeft VROM actief bijgedragen aan de afronding van een aantal milieudossiers, zoals de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit, de verordening kwikexport en de herziening van de Afvalrichtlijn. VROM droeg in 2007 tevens actief bij aan Europese milieubeleidvorming in de vroegste fase over onder meer duurzame consumptie en productie, duurzame industriebeleid en het verantwoord slopen van schepen.

In mondiaal verband springt de bijeenkomst van het Montreal Protocol (ozonlaagaantastende stoffen) er bovenuit. Er is besloten de totale uitbanning van HCFKs (gehalogeniseerde chloorfluor koolwaterstoffen) met 10 jaar te vervroegen naar 2020 voor ontwikkelde landen en 2030 voor ontwikkelingslanden. VROM heeft een actieve rol vervuld in het bereiken van een zeer goed resultaat in het maken van bindende reductieafspraken.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: 5 (5.1.1), 10 (10.2.2) en 12 (12.1.1)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 5: Internationale VROM-agenda
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
5.1Bij de tussentijdse herziening van het zesde Europese Milieuactieprogramma 2002–2012 (6e MAP) inzetten op een evaluatie van de in het 6e MAP geïnitieerde aanpak. Belangrijke elementen van de VROM inzet: scherpe kwaliteitsdoelstellingen vragen scherpe verplichte milieumaatregelen aan de bron (bijv. schonere motoren), heldere kosten baten analyse, grondige studie effecten van milieubeleidGerealiseerdTer voorbereiding op de review heeft Nederland een position paper opgesteld met hiernaast genoemde inzet en deze naar de Commissie gestuurd. De Europese Commissie heeft op 3 mei 2007 de review van het 6e MAP gepresenteerd. Het verslag van de Milieuraad van 28 juni 2007 met daarin de Raadsconclusies is op 20 juli 2007 aan de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II, 2006–2007, 21 501–08, nr. 250).
5.2Bijdragen leveren aan de Ministeriële Milieuconferentie Environment for Europe (10–12 oktober 2007 te Belgrado)GerealiseerdOp de conferentie is de voortgang van de milieusamenwerking met de (Zuid) Oost-Europese buurlanden besproken. Nederland heeft in het bijzonder bijgedragen aan 1. het programma voor biodiversiteit; 2. de financieel-economische advisering via de Taakgroep (Milieu) voor Midden- en Oost-Europa; en 3. de bevordering van milieu-investeringen (infrastructuur) via de Oost-Europabank.
5.3Inzetten op versterking van de milieupijler binnen de VNGerealiseerdOp verzoek van de VN is een verkennende notitie over mogelijke verbeteringen voor de versterking van de internationale milieuarchitectuur opgesteld. In een constructieve reactie, waaraan Nederland actief heeft bijgedragen, heeft de EU de in de notitie voorgestelde terreinen van verbetering onderschreven.

Beleidsmatige conclusie

Het beleid is met onverminderd hoge inzet uitgevoerd, waarmee invulling wordt gegeven aan de ambitie uit het Beleidsprogramma om een actieve mondiale en Europese rol in te nemen.

Beleidsprioriteit 6. Modernisering regelgeving (minder regeldruk)

Doel

Uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» valt Doelstelling 16: Minder regels, minder instrumenten, minder loketten onder deze prioriteit.

Het Meerjarenprogramma modernisering VROM-regelgeving beoogt de wet- en regelgeving van VROM te verminderen, te vereenvoudigen en de effectiviteit ervan te verhogen. Onderdeel hiervan is een reductie van de administratieve lasten voor bedrijven van bijna 30% in de periode 2003–2007. Daarnaast wordt het aantal VROM-regelingen verminderd van 400 in 2002 naar 200 eind 2007.

Doelbereik

Met de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2008 wordt een aanzienlijke besparing (circa € 215 mln/jaar) in administratieve lasten gerealiseerd en een vermindering van het aantal milieuvergunningen met 37 000. Op verschillende andere terreinen, zoals het Besluit bodemkwaliteit (per 1 januari 2008 circa € 15 mln/jaar besparing) en de Omgevingsvergunning, worden de vereenvoudigingen afgerond die in gang zijn gezet onder het Meerjarenprogramma 2002–2007. Gelet op de nieuwe kabinetsdoelstelling met betrekking tot regeldruk is voorts een start gemaakt met het opstellen van een Vervolgprogramma Slimmere regels, Betere uitvoering en Minder lasten (SBM). Voor het jaar 2007 waren echter nog geen concrete resultaten voorzien.

VROM heeft een belangrijk deel van het Meerjarenprogramma modernisering VROM-regelgeving afgerond waarmee de aanwas van regels (vooral vanwege implementatie EU-regels) met circa 200 regelingen is beperkt.

De invoering van de brede doeluitkeringen (BDU’s) in het GSB III heeft een aanzet gegeven voor ontschotting en programmasturing op gemeentelijk niveau. Dit heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het verminderen van de interbestuurlijke administratieve lasten, omdat de verantwoording per BDU loopt en niet per regeling.

Vermindering administratieve lastenBeoogde reductie*In % t.o.v. stand eind 2002 **Gerealiseerd ***Gerealiseerd in % t.o.v. stand eind 2002
2003–2006€ 164,8 mln9,9 %€ 161,1 mln9,7 %
2007€ 354,5 mln21,3 %– € 5,7 mln– 0,3 %
Totaal 2003–2007€ 519,3 mln31,2 %€ 155,4 mln9,3 %

* Begroting 2007.

** Naar aanleiding van nader onderzoek is de nulmeting iets naar beneden bijgesteld. Hierdoor vallen de beoogde percentages iets hoger uit dan in de Begroting 2007.

*** De reductie 2007 is lager uitgevallen omdat een aantal grote reducties in de tijd is doorgeschoven. Per 1 januari 2008 zijn het Activiteitenbesluit, Besluit bodemkwaliteit en het Besluit energieprestatie gebouwen (energielabel, betreft toename) in werking getreden. Dit betekent dat de reductie per 1 januari is gestegen met € 225,5 mln naar € 380,9 mln hetgeen overeenkomt met een totale reductie van 22,9%.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: Artikel 10 (10.2.1) en 17

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 6: Modernisering regelgeving (minder regeldruk)
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat in 2007
6.1Parlementaire behandeling van wetsvoorstel Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, omgevingsvergunning) met bijbehorende uitvoeringsbesluiten en, na goedkeuring, publicatie en eerste stappen implementatieNiet gerealiseerdDe Wabo dient de Eerste Kamer nog te passeren. Daarnaast zijn een invoeringswet en een uit- en invoeringsbesluit in de maak om invoering van het wetsvoorstel op 1 januari 2009 mogelijk te maken. Wel is het wetsvoorstel zelf reeds in de Tweede Kamer vastgesteld (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 844, nrs. 1 t/m 3). Met betrekking tot de implementatie is afgesproken dat het ICT-instrument gereed en werkbaar is op 1 juli 2008.
6.2Afronding Activiteitenbesluit en bijbehorende regeling, met inwerkingtreding 1 januari 2008GerealiseerdHet Activiteitenbesluit is op 6 november 2007 gepubliceerd in Staatsblad nr. 415 en de bijbehorende regeling op 16 november 2007 in de Staatscourant nr. 223. De inwerkingtreding op 1 januari 2008 wordt ondersteund door een uitgebreid voorlichtingstraject en een ICT-module. Bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen hebben per 1 januari 2008 geen milieuvergunning meer nodig. Wel moeten zij hun activiteiten melden bij de gemeente.

Beleidsmatige conclusie

Een belangrijk deel van het Meerjarenprogramma 2002–2007 is nu afgerond. Gebleken is dat er nog ruimte is voor verdere verbetering en mede daarom is in het Beleidsprogramma doelstelling 16: Minder regels, minder instrumenten, minder loketten opgenomen. In het Vervolgprogramma Slimmere regels, Betere uitvoering en Minder lasten (SBM) worden nieuwe wegen gezocht om te komen tot een verdere reductie van de administratieve lasten.

Beleidsprioriteit 7. Betere naleving

Doel

In het Beleidsprogramma wordt de vermindering van de regeldruk, en de positieve doorwerking daarvan op ondernemers, opnieuw onderstreept. VROM streeft naar vermindering van hinder en kosten die bedrijven en instellingen ondervinden van het overheidstoezicht. Dat doen we door krachtig en pro-actief in te zetten op meer samenwerking en selectief toezicht.

Doelbereik

Door in te zetten op selectiever en zoveel mogelijk gebundelde uitvoering van samenhangend toezicht, heeft de VROM-Inspectie (VI) in 2007 de vermindering van de toezichtlast doorgezet. Met de frontoffices brengen we zoveel mogelijk overheidstoezicht voor bedrijven en instellingen samen. Als trekker voor de frontoffices in de domeinen afval, chemie, nucleair en buisleidingen is de VI in 2007 gestart met de inrichting van deze frontoffices. Medio september 2007 is het frontoffice nucleair in Petten operationeel geworden. Bij 12 andere domeinen is de VI ook actief. In de domeinen wordt met alle betrokken toezichthouders samengewerkt.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: Artikel 12

Realisatie prestaties beleidsprioriteit 7: Betere naleving
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat 2007
7.1Toezicht met focus op de naleving en uitvoering van regelgeving met de grootste naleeftekorten en de grootste effecten op gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Met prioriteit wordt in 2007 de naleving bevorderd met betrekking tot de veiligheid van gebouwen, belangrijke afvalstromen en bodemsaneringGerealiseerdDe VI heeft vastgesteld dat toezicht op de kwaliteit van de uitvoering door bouw- en woningtoezicht bij veel (circa 30%) gemeenten onvoldoende tot slecht is. De deskundigheid bij gemeenten op het gebied van constructieve en brandveiligheid vormt een risico. (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 325, nrs. 59 en 57). Op basis van de resultaten is op diverse manieren bij gemeentes geïntervenieerd ter verbetering van de manier van werken, onder meer in samenwerking met de vereniging Bouwtoezicht Nederland.Risicovolle afvalstromen zoals kunststof/papier, non-ferrro, slakken en assen, handelaren en petrochemie zijn gecontroleerd (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 383, nr. 77). Op basis van de resultaten is handhavend opgetreden bij overtreding met name in de kunststofsector. De Kamer zal op korte termijn nader worden geïnformeerd.In 2007 is een interventiestrategie bodemsanering, grondverzet en grondstromen opgesteld en wordt momenteel beproefd in een pilotproject ketentoezicht bodem en grondstromen (Kamerstukken II, 2006–2007, 28 199, nr. 16).
7.2Invoeren van de nieuwe werkwijze in het interbestuurlijk toezichtGerealiseerdDe VI heeft het systeemtoezicht grotendeels ingeruild voor themagericht onderzoek. Door middel van tien pilots is de nieuwe werkwijze in praktijk gebracht. Mede aan de hand van de evaluatie van deze pilots wordt de nieuwe werkwijze in 2008 breed geïmplementeerd.
7.3Inrichten van een frontoffice voor minimaal drie – mogelijk meer – domeinen (Afval, Chemie, Nucleair) met als doelstelling een forse vermindering van de toezichtlastenNiet gerealiseerdDe frontoffices zullen in het 3e kwartaal van 2008 daadwerkelijk van start gaan. In 2007 is in samenspraak met betrokken toezichthouders, branches en bedrijven gestart met de inrichting van de toezichtsdomeinen afval, chemie, nucleair en buisleidingen. De frontoffices afval en chemie zijn in de ontwerpfase, waarbij de websites al online zijn. Medio september 2007 is het frontoffice nucleair in Petten operationeel geworden, maar zal naar verwachting op dit domein de doelstelling om toezichtlasten te verminderen niet worden gehaald, omdat dit gevolgen heeft voor het veiligheidsniveau. Voor buisleidingen is in 2007 vooral gewerkt aan de regelgeving, wat ook in 2008 het geval zal zijn. De verwachting voor inwerkingtreding van deze frontoffice is 2009.
7.4Ontwikkeling van een maatlat voor het optimale schaalniveau van het milieutoezicht door andere overheden op verschillende typen bedrijven om deskundigheid, continuïteit en slagvaardigheid te kunnen borgen en om het uitvoeringsproces efficiënt te laten verlopenGerealiseerd
   
Nieuwe prestatie (het Beleidsprogramma) 
7.5Vier prestaties ter vermindering van de regeldruk:– herziene risicoanalyse op grond van de Nalevingstrategie (NLS)– frontofficesStand van zakenIn 2007 is het thema Minder regeldruk uit het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» bij de VI op vier fronten aangepakt, waaronder de bovengenoemde inrichting van frontoffices. Een herziene risicoanalyse op grond van de NLS, waarbij systematisch het belang van de regelgeving gewogen wordt, staat voor 2008 gepland.
 – professionalisering door bundeling van uitvoering en handhaving– strategische uitvoeringsnotitie handhavingGerealiseerdDaarnaast is ingezet op professionalisering door bundeling van uitvoering en handhaving, een activiteit, die al was gestart in 2006. Ook is de strategische uitvoeringsnotitie handhaving eind 2007 gereedgekomen. Naast de prioritering komen hierin de knelpunten voor een goede taakuitoefening aan de orde.

Beleidsmatige conclusie

In 2008 worden effectiviteit en efficiency verder verbeterd, niet alleen met bovenvermelde strategische uitvoeringsnotitie en de activiteiten rond de frontoffices en interbestuurlijk toezicht, maar vooral ook door de reorganisatie (inclusief efficiëntietaakstelling) en verzelfstandiging, die zijn gepland.

Verder is in 2007 uit onderzoek gebleken, dat de toezichtlast voor een belangrijk deel voortkomt uit toezicht door de lagere overheden en niet door rijksinspecties als de VROM-Inspectie. De in gang gezette activiteiten voor de frontoffices en het interbestuurlijk toezicht zullen daarom met kracht worden voortgezet.

Beleidsprioriteit A. Actieprogramma Integratie

Doel

Voor daadwerkelijke integratie van migranten en hun kinderen is het nodig dat deze hun achterstand in het onderwijs en op de arbeidsmarkt inlopen. Daarnaast moeten ook belemmeringen worden weggenomen die de sociale en culturele integratie in de weg staan. Daarvoor is het nodig de verschillen in cultuur, leefwijze en levensbeschouwing te overbruggen. Betrokkenheid bij de samenleving door gedeeld en actief burgerschap is de kern van het integratiebeleid.

Doelbereik

In het Jaarrapport Integratie 2007 van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP)(Kamerstukken II, 2007–2008, 31 268 XVIII, nrs. 1 en 2), wordt op basis van de meest actuele gegevens en aan de hand van de meest relevante indicatoren de ontwikkeling en stand van de integratie beschreven. Uit het rapport komt een divers beeld van de integratie naar voren. Sommige groepen kenmerken zich door een forse sociaal-economische achterstand en een aanzienlijke sociaal-culturele afstand. Tegelijkertijd blijkt dat de diversiteit tussen en binnen groepen zeer groot is en dat in het onderwijs en op de arbeids- en woningmarkt duidelijk positieve ontwikkelingen gaande zijn. Ook is er een positieve tendens in de onderlinge verhoudingen tussen migranten en autochtonen.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: Artikel 16 (16.2.2)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit A: Actieprogramma Integratie
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat 2007
Voorheen Justitie begroting 
A.1– Gedeeld/actief burgschap: Plan Preventie radicalisering uitwerkenGerealiseerdHet kabinetsbrede Actieplan «Polarisatie en Radicalisering» (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 754, nr. 3) is aan de Tweede Kamer gezonden.
 – Actief burgerschap bij Antilliaanse probleemjongerenNiet gerealiseerdVia arrangementen zijn 21 gemeenten in staat gesteld om afgestemd op hun specifieke lokale situatie projecten en activiteiten op te zetten en uit te voeren. Uit een eerste tussenrapportage blijkt dat de beschikbare middelen vooral zijn ingezet voor van elkaar losstaande en kortlopende initiatieven en projecten, waarbij de gestelde doelen vaak niet zijn bereikt. Om meer samenhang in de projecten aan te brengen en de resultaten te verbeteren is inmiddels een Taskforce geïnstalleerd.
A.2Duurzaam contact bevorderen tussen migranten en autochtonenGerealiseerdNa een moeizame start is het aantal gerealiseerde projecten in de laatste maanden van 2007 sterk aangetrokken en zijn uiteindelijk 100 lokale projecten gefinancierd, die moeten leiden tot meer en langduriger contact en uitwisseling tussen migranten en autochtonen in Nederland. Dit wordt gefinancierd met de regeling Ruimte voor contact, die eind 2006 in werking is getreden ter bevordering van initiatieven voor ontmoeting en contact tussen migranten en autochtonen.
A.3Het netwerk antidiscriminatievoorzieningen («adv’s») uitbreidenGerealiseerdEen wetsvoorstel, waarin gemeenten verplicht worden een «adv» in te richten om te komen tot een landelijk dekkend netwerk, is voor advies naar de Raad van State gezonden. Vooruitlopend daarop zijn met gemeenten en provincies convenanten gesloten voor het uitbreiden en professionalisering van het netwerk van «adv’s».
A.4Eergerelateerd geweld aanpakkenGerealiseerdIn 2007 is een project van ROC’s gestart, gericht op vroegsignalering, kennis en vaardigheden met betrekking tot weerbaarheid en onderzoek. Daarnaast is het meerjarenkaderprogramma van minderhedenorganisaties (Aan de goede kant van de eer) in oktober 2007 gestart (brief 24 september 2007, Kamerstukken II, 2007–2008, 30 880, nr. 21).

Beleidsmatige conclusie

Het SCP-onderzoeksrapport «Jaarrapport integratie 2007» (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 268, nr. 3) beschrijft op basis van de meest actuele gegevens de ontwikkeling en de stand van de integratie en de Integratienota 2007–2011 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 268, nrs. 1–2) geeft beleidsmatige conclusies daarop, te weten dat het kabinet op basis van deze gegevens de hoofdthema’s van het integratiebeleid voor de komende jaren heeft vastgesteld en uitgewerkt in het kabinetsbrede Actieprogramma Integratie. Dit integratieprogramma heeft een specifieke toespitsing in het Actieplan Krachtwijken, waarin integratie een van de hoofdthema’s is.

Beleidsprioriteit B. Deltaplan Inburgering

Doel

Het Deltaplan Inburgering is één van de projecten uit het Beleidsprogramma.

In de begroting voor 2007 was reeds als doel opgenomen: de inwerkingtreding van het nieuwe inburgeringstelsel (inwerkingtreding van de nieuwe Wet inburgering en de regeling vrijwillige inburgering) om een betere beheersing van de Nederlandse taal en betere kennis van de Nederlandse samenleving van nieuw- en oudkomers te bevorderen.

Met het aantreden van het nieuwe kabinet is hier de doelstelling bijgekomen het volume, de kwaliteit en het rendement van de inburgering te verbeteren met een Deltaplan Inburgering, zodat meer mensen hun inburgering afronden op een hoger niveau. Zij zullen daarmee beter in staat zijn economisch, sociaal en cultureel te participeren in de samenleving.

Doelbereik

De nieuwe Wet inburgering (Wi) is per 1 januari 2007 in werking getreden. Het is gebleken dat gemeenten de wet ingewikkeld vinden en dat vertraging is opgetreden bij de inkoop van inburgeringtrajecten en de instroom van cursisten. Vereenvoudiging van de wet- en regelgeving is dan ook een belangrijk onderdeel van het Deltaplan Inburgering. Daarnaast is in het Deltaplan een groot aantal acties geformuleerd die betrekking hebben op verbetering van inburgeringprogramma’s en versterking van de uitvoering. Bij aanvang wordt met name ingezet op kwaliteitsverhoging (2008 en 2009) en in de volgende jaren tevens op volume (beoogd wordt gedurende de kabinetsperiode gemiddeld 60 000 mensen per jaar te laten inburgeren). In het Deltaplan is ook de relatie gelegd met het Actieplan Krachtwijken: de acties uit het Deltaplan zullen bij voorrang hun beslag vinden in de 40 wijken uit het Actieplan Krachtwijken.

Om de uitvoering door gemeenten minder ingewikkeld te maken is een aantal vereenvoudigingen van de Wi versneld ingevoerd. Zo kunnen gemeenten vanaf 1 november 2007 aan iedere inburgeringspichtige een aanbod doen en is het per 1 januari 2008 mogelijk om inburgeraars vanuit de Wi direct op te laten gaan voor het staatsexamen.

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: Artikel 16 (16.2.1)

Realisatie prestaties beleidsprioriteit B: Deltaplan Inburgering
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat 2007
Nieuwe prestaties (het Beleidsprogramma) 
B.1In werking treden nieuwe Wet inburgeringGerealiseerdDe Wet inburgering is per 1 januari 2007 in werking getreden (Staatsblad 2006, 625). In 2007 is ten behoeve van de invoering van het nieuwe stelsel veel gedaan aan voorlichting aan gemeenten. Daarnaast is er een helpdesk operationeel.
B.2Opstellen en in uitvoering nemen «Deltaplan Inburgering»GerealiseerdHet Deltaplan Inburgering is samen met de WWI-begroting 2008 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 143, nr. 1). Uitvoering van de activiteiten vindt plaats conform tijdschema.

Beleidsmatige conclusie

Op 1 januari 2007 is de invoering van het nieuwe stelsel volgens planning in werking getreden. Daarnaast is met het uitbrengen van het Deltaplan Inburgering in september 2007 en de verzending daarvan naar de Tweede Kamer uitvoering gegeven aan het Coalitieakkoord.

Beleidsprioriteit C. Brandveiligheid rijkshuisvesting

Doel

Na de brand in het cellencomplex-Oost op Schiphol eind 2005 is een heel pakket aan acties opgepakt om de brandveiligheid in justitiële inrichtingen en de overige voorraad rijksgebouwen te verbeteren. Deze acties zijn verwoord in de kabinetsreactie van 18 oktober 2006 op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid betreffende de oorzaken en de leerpunten van de brand op het cellencomplex Schiphol-Oost van oktober 2005 (Kamerstukken II, 2006–2007, 24 587, nr. 199). Een deel van die acties heeft betrekking op de Rijksgebouwendienst.

Doelbereik

De meeste acties liggen op schema. Binnen en buiten de Rijksgebouwendienst (Rgd) is zeer hard gewerkt aan het vergroten van de brandveiligheid en aan het brandveiligheidbewustzijn binnen de Rgd. Desondanks konden niet alle bouwtechnische maatregelen in de justitiële inrichtingen worden gerealiseerd. Een aantal ontwikkelingen, waaronder een uitbreiding van de opgave en de beschikbaarheid van advies- en uitvoeringscapaciteit, noopte tot aanpassing van de planning. Voor de periode dat de bouwtechnische maatregelen nog niet zijn genomen, heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen in overleg met Rgd, gemeente en brandweer – waar nodig – compenserende maatregelen genomen, zoals meer personeel of minder gedetineerden. Deze bevindingen en de planning zijn aan de Tweede Kamer gemeld in de tweede gezamenlijke halfjaarlijkse voortgangsrapportage van VROM/Rijksgebouwendienst en Justitie/Dienst Justitiële inrichtingen (Kamerstukken II, 2007–2008, 24 587, nr. 258).

Nadere uitwerking in artikel(en)/operationeel doel: Baten-lastendienst Rijksgebouwendienst

Realisatie prestaties beleidsprioriteit C: Brandveiligheid rijkshuisvesting
 Beoogde prestatie 2007Bereikte resultaat 2007
Nieuwe prestaties (actualiteit) 
C.1Afronden meest urgente bouwtechnische maatregelen unitbouwStand van zakenGerealiseerd met uitzondering van het – aan de actie toegevoegde – aanbrengen van sprinklerinstallaties.
C.2– Brandveiligheidscans overige justitiële inrichtingenGerealiseerd
 – Realiseren meest urgente bouwtechnische maatregelenStand van zakenGaande, zie voortgangsrapportage d.d. 12 februari 2008, Kamerstukken II, 2007–2008, 24 587, nr. 258.
C.3Verbreding brandveiligheidaanpak naar gehele voorraadStand van zakenGaande, zie voortgangsrapportage d.d. 12 februari 2008, Kamerstukken II, 2007–2008, 24 587, nr. 258.
C.4Standaard brandveiligheidscan bij opleveringGerealiseerd
C.5Verstrekken gebruikshandleiding bij elk nieuw op te leveren projectGerealiseerd

Beleidsmatige conclusie

Door een aantal ontwikkelingen, zoals een uitbreiding van de opgave en de beschikbaarheid van advies- en uitvoeringscapaciteit, konden niet alle bouwtechnische maatregelen in de justitiële inrichtingen worden gerealiseerd. De Dienst Justitiële Inrichtingen heeft daarom compenserende maatregelen genomen. In 2008 ligt de nadruk op het realiseren van de bouwtechnische maatregelen die betrekking hebben op de celveiligheid. Diverse actiepunten zijn afgerond; de overige actiepunten zullen conform planning worden uitgevoerd.

B. Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2007

Tabel Budgettaire en financiële gevolgen van de beleidsprioriteiten (x € 1 000)
Beleidsprioriteiten 2007Art. nrOntwerpbegroting 2007Nadere mutaties 2007Realisatie 2007
1. Ruimte voor Ontwikkeling4,5,111 0405001 736
2. Krachtige Steden2,5,16, 171 213 63622 6371 236 273
3. Ruimte voor Wonen1,2,33 931– 2083 723
4. Ontkoppeling en een eco-efficiënte economie *6,8,9,1019 948– 11 7066 460
5. Internationale VROM-agenda5,10,1236036
6. Modernisering regelgeving107 000– 3 0004 500
7. Betere naleving127470559
A. Actieprogramma Integratie1635 967– 39833 356
B. Deltaplan Inburgering* 16000
C. Brandveiligheid rijkshuisvestingBatenlastendienst Rgd0zie toelichting8 340

Bron: VROM, Rgd – administratie.

* Voor het Werkprogramma Schoon & Zuinig en het Deltaplan Inburgering komen pas vanaf 2008 (extra) middelen beschikbaar.

Toelichting op grote verschillen:

Prioriteit 2. Krachtige steden

De nadere mutatie is als volgt tot stand gekomen:

1) Als gevolg van een lagere woningproductie, zowel bij het reguliere programma van het Budget Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS) als bij het programma eigen bouw (particulier opdrachtgeverschap) is in 2007 € 22 mln minder uitgegeven aan BLS-gelden.

2) Bij de Nieuwe Sleutelprojecten (NSP) is in 2007 € 177 mln minder besteed dan oorspronkelijk geraamd. Enerzijds als gevolg van de vertraagde start van het project NSP Zuidas, waar de oprichting van de Zuidas N.V. is verschoven van 2007 naar 2008. Anderzijds hebben de andere NSP projecten vertraging opgelopen daar de onderhandelingen tussen de betrokken gemeenten, NS en het Rijk een langere doorlooptijd hebben dan voorzien.

3) De voor 2007 in het kader van BIRK voorziene uitgaven zijn met € 18 mln achtergebleven, daar enerzijds ook hier bij de uitvoering van de projecten vertragingen zijn opgetreden en anderzijds de planvorming bij diverse projecten meer tijd kosten dan voorzien.

4) Aan de Brede Doeluitkering Sociaal, Integratie en Veiligheid zijn in 2007 nieuwe bijdragen toegevoegd, te weten voor de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg, de Volwasseneneducatie en de Voor- en Vroegschoolse Educatie. Dit heeft geleid tot hogere uitgaven in 2007 van € 224 mln. Daarnaast is er in het kader van de uitvoering van de Wet op de Inburgering (Wi) in 2007 extra € 9 mln aan de gemeenten uitgekeerd.

Prioriteit 4. Ontkoppeling en een eco-efficiënte economie

Bij beleidsprioriteit 4 hebben zich in 2007 grote mutaties voorgedaan, die grotendeels het gevolg zijn van mutaties op het instrument «Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken».

Bij de eerste suppletore begroting 2007 is het kasbudget verlaagd met ruim € 9 mln, voornamelijk ten gevolge van een interne overboeking van de middelen die horen bij het programma Klimaat voor Ruimte. Vervolgens is bij tweede suppletore begroting het budget verder verlaagd door interne overboekingen voor de financiering van de vervangingsinvesteringen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en de «HIER» communicatiecampagne. Daarna heeft een overboeking naar het ministerie van EZ plaatsgevonden, als bijdrage in het haalbaarheidsonderzoek TROPOMI (een innovatief instrument dat beoogt broeikasgassen en andere stoffen in de atmosfeer tot aan het aardoppervlak te meten). Het verschil tussen de hierna ontstane budgetstand en de uiteindelijke realisatie is met name het gevolg van het trager dan oorspronkelijk gepland tot betaling komen van een aantal verplichtingen terzake van onderzoeks- en uitvoeringsopdrachten.

Prioriteit 6. Modernisering regelgeving

Eind 2006 werd verwacht dat ten behoeve van de Omgevingsvergunning (WABO) een forse extra kasinspanning in 2007 nodig zou zijn voor het bouwen aan de Landelijke voorziening Omgevingsvergunning. Om die reden is toen budget voor latere jaren naar voren geschoven. Bij nader inzien blijkt dat er geen versnelling heeft plaatsgevonden en is de kasschuif teruggedraaid.

Prioriteit 7. Betere naleving

De kosten zijn lager door vertragingen in de betaling.

Prioriteit C. Brandveiligheid rijkshuisvesting

Brandveiligheid rijkshuisvesting is net na de totstandkoming van de ontwerpbegroting 2007 als beleidsprioriteit benoemd. Daarom staat er in de ontwerpbegroting 2007 niet expliciet budget voor begroot. Gedurende het jaar zijn meerjarige budgetten toegevoegd ten behoeve van de brandveiligheid: € 10,6 mln bij de 1e suppletore begroting voor brandveiligheidscans en aan het eind van 2007 € 22,7 mln voor apparaatskosten en € 79,9 mln voor onderhoud (zie elders in dit Jaarverslag de toelichting op de balans van de Rgd). In 2007 heeft de Rgd hiervan € 6,9 mln besteed aan apparaat en € 1,4 mln aan scans. Daarnaast zijn diverse investeringsprojecten brandveiligheid uitgevoerd, waarvan de kosten worden doorberekend aan de klanten. Voor het uitvoeren van de resterende werkzaamheden is een planning gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 24 587, nr. 258). De besteding van de resterende budgetten zal in lijn met deze planning zijn.

C. Doelstellingen Beleidsprogramma 2007–2011

Nr.DoelstellingOplossing maatschappelijk probleem en in te zetten instrumentenBeleidsprioriteitRelevant artikel
Pijler 1: Een actieve internationale en Europese rol
8Actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze internationale klimaatdoelstellingen voor na 2012 Deze doelstelling is gericht op het de klimaatverandering. VROM, in samenwerking met andere departementen, bereikt dit door binnen EU- en VN-verband een voortrekkersrol te nemen bij het vaststellen van ambitieuze klimaatdoelstellingen waarbij Nederland het goede voorbeeld geeft door zichzelf aan ambitieuze doelen te conformeren.4 en 56
Pijler 2: Een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie
16Minder regels, minder instrumenten, minder lokettenMet deze doelstelling pakt het kabinet de hoge administratieve- en toezichtlasten en verschillende loketten voor diensten die zich bezighouden met hetzelfde werkterrein aan. Het kabinet lost dit op door het terugdringen van het aantal regels, het vereenvoudigen van de regels, het inrichten van één loket per domein en samenwerking van verschillende inspecties.Alleen in samenspraak met de andere handhavingspartners kan deze doelstelling worden bereikt. In de domeinen afval, chemie en nucleair, waar de VROM Inspectie trekker is, wordt de communicatie met bedrijven verbeterd. De toezichtslast onstaat onder meer door een teveel aan bezoekende toezichtshouders. Door een vergroting van de interne efficiency wordt dit aantal verminderd.62, 10 en 12
ProjectUrgentieprogramma RandstadMet deze doelstelling worden knelpunten aangepakt zoals de bereikbaarheid, kwaliteit van het openbaar vervoer, en het ontbreken van voldoende woongebieden, werklocaties en recreatiemogelijkheden die de concurrentiepositie van de randstad ten opzichte van andere Europese stedelijke regio’s zoals Barcelona, München en Frankfurt aangepakt. Het kabinet lost de knelpunten op door de besluitvorming rond grote projecten te verbeteren, waarbij de nadruk ligt op projecten die een urgent probleem oplossen of die een bijzondere kans bieden. Daarbij betrekt het kabinet betrokken partijen zoals burgers, bedrijven en locale overheden. Hun inbreng wordt meegenomen in het Urgentieprogramma Randstad. Er komt als onderdeel van het Urgentieprogramma en aansluitend op de Nota Ruimte een integrale visie over de Randstad in 2040, die in beeld brengt hoe het kabinet anticipeert op de opgaven voor de lange termijn.15
Pijler 3: Een duurzame leefomgeving
21De overheid wil uiterlijk in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen in al haar aankopenDeze doelstelling is gericht op het uitgeput raken van de natuurlijke hulpbronnen, het tegengaan van milieuverontreiniging, de klimaatverandering en het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en beloning voor werknemers. Het kabinet draagt bij aan de oplossing van dit probleem door voor de Rijksoverheid uiterlijk in 2010 bij alle inkoopbeslissingen duurzaamheid als zwaarwegend criterium te hanteren. Met overige overheden en het bedrijfsleven worden afspraken gemaakt om het aandeel duurzame goederen te verhogen.410
22Het stimuleren van duurzame consumptie en productieDeze doelstelling richt zich op de aanpak van hetzelfde probleem als bij doelstelling 21. Het kabinet draagt bij door zelf duurzaam te gaan inkopen en door fiscale vergroening.42, 6, 7, 8, 9, 10 en 13
23Het bevorderen van een tijdig en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties en 80 000 tot 100 000 nieuwe woningen per jaarDeze doelstelling richt zich op het bieden van ruimte voor de bouw van 80 000 à 83 000 woningen per jaar in de eerstkomende jaren. De locaties en de inrichting daarvan moeten tegemoetkomen aan de wensen van burgers en de desbetreffende ruimtelijke plannen moeten voldoen aan criteria voor duurzame verstedelijking zoals geformuleerd in de Beleidsagenda Ruimte 2008. Hiertoe behoren onder meer bundeling, binnenstedelijk bouwen, tijdige ontsluiting en regionale afstemming en goede ruimtelijke inpassing ter voorkoming van verdere verrommeling van het landschap. Het Rijk werkt hieraan door het in 2009 sluiten van integrale afspraken over verstedelijking en het uitvoeren van de acties uit het Actieplan woningproductie, waaronder het wegnemen van specifieke knelpunten door de inzet van aanjaagteams en verspreiden van kennis en ervaringen uit best-practices.Daarnaast stimuleert het kabinet de herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen wat moet leiden tot een jaarlijkse herstructurering van 1 000 à 1 500 ha bedrijventerrein in 2010 en een meer realistische wijze van ramen en plannen om de behoefte aan nieuwe locaties te verminderen. Daartoe is een taskforce ingesteld die naar de financiering gaat kijken, worden in juni 2008 afspraken gemaakt met IPO en VNG over de behoefteraming voor nieuwe bedrijventerreinen en wordt de SER-ladder (een voorstel van de SER uit 1999 waarbij de verschillende ruimtelijke mogelijkheden zorgvuldiger worden afgewogen) vanaf 2009 verankerd in provinciaal beleid. Daarnaast wordt voor 500 ha bedrijventerrein een kwaliteitsimpuls gegeven. Dit gebeurd onder meer door het opzetten van pilots.1 en 32 en 5
24In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebiedenDeze doelstelling pakt de mindere economische ontwikkeling van het platteland, het gebrek aan groen rond de stad en het onder druk staan van de biodiversiteit aan. Het kabinet werkt aan de oplossing door het inrichten van nieuwe natuurgebieden rond grote steden (16 000 ha.), de uitvoering van het plan «Nederland weer mooier», het saneren van ongewenste bedrijfsactiviteiten, stimuleren van recreatie en streekproducten en het meer betrekken van de landbouw bij natuurbeheer.Het tegengaan van verrommeling van het landschap vraagt niet alleen om het beperken van ongerichte ruimtelijke ontwikkelingen die ten koste gaan van openheid, maar ook om het stimuleren van ruimtelijke functies die bijdragen aan de openheid en het groene landelijke gebied in en rondom verstedelijkte regio’s.15
26Klimaatbestendige inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur)Deze doelstelling is gericht op het opvangen van de gevolgen van de klimaatverandering, met name met betrekking tot waterberging. Het kabinet werkt aan de oplossing van dit probleem door uitgangspunten te ontwikkelen voor klimaatbestendige inrichting op basis van lange termijn onderzoek van de ruimtelijke hoofdstructuur. Bij locatiekeuzes voor grootschalige projecten wordt rekening gehouden met prognoses van het KNMI.In de Nationale Adaptatiestrategie heeft VROM diverse acties en maatregelen aangekondigd ter bevordering van een meer klimaatbestendige inrichting van Nederland (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 269 en 22 112, nr. 3). Een van die acties vormt het opstellen (met alle betrokken partijen) van een uitvoeringsagenda. De planning is er op gericht dat deze agenda juni 2008 gereed is.111
29Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenisMet deze doelstelling richt het kabinet zich op de toenemende druk van de verstedelijking op de natuur, het landschap en de mogelijkheden om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. Het kabinet lost dit probleem op door bij ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met de samenhang tussen stedelijke ontwikkeling, natuur, landschap en klimaatbestendigheid. Dit vindt zijn weerslag in de realisatie van de projecten uit de Nota Ruimte en het realiseren van de Ecologische Hoofdstructuur.14 en 5
ProjectSchoon & ZuinigDit werkprogramma is gericht op het terugdringen van de klimaatverandering als gevolg van energieverbruik door de mens en het in de toekomst schaarser worden van fossiele brandstoffen. Om dit probleem op te lossen zet het kabinet in om energiebesparing te stimuleren (groeiend naar 2% per jaar) en het aandeel van duurzame energiebronnen te verhogen (tot 20%). Daarvoor wordt ingezet op stimuleren op duurzame productie en consumptie, fiscale vergroening en het stimuleren van innovatieve milieutechnologie.4 en 52 en 6
Pijler 4: Sociale samenhang
ProjectDeltaplan InburgeringDit project is gericht op verbetering van de kwaliteit en het rendement van de inburgering. Bij aanvang wordt met name ingezet op kwaliteitsverhoging (2008 en 2009) en in de volgende jaren tevens op volume. Beoogd wordt gedurende deze kabinetsperiode 250 000 mensen te laten inburgeren. Bovendien zal in 2011 80% van de inburgeringsprogramma’s een duaal karakter hebben.B16
ProjectActieplan KrachtwijkenDe centrale doelstelling van het Actieplan Krachtwijken is om, samen met alle betrokkenen, 40 wijken in Nederland die kampen met een cumulatie van problemen om te vormen tot wijken waar mensen kansen hebben en weer graag wonen. Het kabinet lost dit probleem op door samen met gemeenten, locale organisaties en de woningcorporaties te werken aan verbetering van de leefbaarheid in 40 geselecteerde wijken. De verbeteringen zullen niet alleen gericht zijn op verbeteren van de fysieke leefomgeving maar ook op sociaal-economische terrein. De wijkaanpak betekent een extra impuls en komt bovenop het reeds bestaande beleid.22, 5 en 17

BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Bevorderen van een goed werkende woningmarkt

1.1. Algemene beleidsdoelstelling

VROM streeft naar een goed werkende woningmarkt. Het in 2007 aangetreden kabinet Balkenende IV stelt bevordering van sociale stijging en sociale samenhang centraal: de woningmarkt moet mensen een solide basis bieden van waaruit ze zich individueel en maatschappelijk kunnen ontwikkelen. Om dit te bereiken streeft VROM ernaar het aanpassingsvermogen van de woningmarkt te vergroten en de beschikbaarheid van kwalitatief goede en betaalbare woningen in een prettige en veilige woonomgeving te bevorderen. Daarnaast draagt VROM zorg voor een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden evenals de borging van belangen van de partijen op de woningmarkt.

De algemene beleidsdoelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• scheppen van randvoorwaarden voor een goed werkende woningmarkt;

• bevorderen maximale maatschappelijke prestaties van woningcorporaties;

• versterken van de positie van de woonconsument.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2007 heeft het kabinet Balkenende IV stappen gezet om het aanpassingsvermogen van de woningmarkt te vergroten en de beschikbaarheid van kwalitatief goede en betaalbare woningen te bevorderen, zodat de werking van de woningmarkt wordt verbeterd en de individuele en maatschappelijke ontwikkeling van mensen kan worden gestimuleerd. Uit de toelichting bij de operationele doelstellingen, en uit de overige artikelen, blijkt dat dit voor een groot deel ook is gebeurd. Het woningaanbod is verruimd, de betaalbaarheid van huurwoningen wordt geborgd en starters op de koopwoningmarkt hebben meer financiële mogelijkheden gekregen. Er is tevens onderzoek gedaan naar verdere mogelijkheden om de werking van de woningmarkt in de toekomst te verbeteren.

Dynamische en veilige buurten en steden zijn een belangrijke voorwaarde voor een goed functionerende woningmarkt en het stimuleren van sociale stijging en sociale samenhang. Met het actieprogramma Krachtwijken geeft het kabinet een belangrijke impuls en wordt concreet ingezet op krachtige wijken en steden. Het Actieprogramma geeft invulling aan een hernieuwd partnerschap tussen Rijk en gemeente, waarbij de steden met maatschappelijke partners en bewoners in de eerste plaats aan zet zijn. Het resultaat moet zijn dat deze wijken in 8 tot 10 jaar weer vitale woon-, werk, leer-, en leefomgevingen zijn waar het prettig is om te wonen en waarin mensen betrokken zijn bij de samenleving.

Om kennis over de woningmarkt te ontwikkelen en te verspreiden, zijn in 2007 veel activiteiten ondernomen, waaronder de uitvoering van de woningmarktprognoses en de realisatie van belangrijke onderdelen van het Woon Onderzoek Nederland (WoON) 2006.

Met het aantreden van het kabinet Balkenende IV in 2007 heeft de discussie in de Tweede Kamer over het corporatiestelsel een nieuwe impuls gekregen. De beleidsvoornemens zijn nu onderdeel van het overleg met de corporaties over hun maatschappelijke inzet in het kader van de prioriteiten van het nieuwe kabinet, met name op het terrein van sociale stijging en sociale samenhang en de wijkaanpak. Het kabinet wil de sociale rol die corporaties in toenemende mate oppakken bestendigen en versterken.

Het kabinet wil de positie van de huurder verder versterken door de Wet Overleg Huurders Verhuurders zo aan te passen dat de rechten van de huurder op informatie, overleg en advies worden uitgebreid en verduidelijkt. Het voorstel wordt nu behandeld in de Tweede Kamer.

Externe factoren

Beschikbaarheid van gegevens en bestanden van derden; bijvoorbeeld van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (woningcorporaties), het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Belastingdienst (huurtoeslag)

De beschikbaarheid van gegevens en bestanden van het CFV en het CBS is adequaat verlopen. Omdat de Belastingdienst onvoldoende toekenningen heeft gerealiseerd, is nog geen informatie beschikbaar omtrent de huurtoeslag (zie ook de brief van de Staatssecretaris van Financiën hieromtrent, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 066, nr. 20).

Bereidheid van verhuurders/gemeenten om tijdig en serieus in gesprek te gaan met huurders(-organisaties)

Uit de jaarlijkse verantwoording van corporaties komt naar voren dat zij nagenoeg allemaal regelmatig overleg voeren met hun huurders(organisaties). Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen doen zich problemen voor die ook bij de minister gemeld worden.

Bereidheid en capaciteit/professionaliteit van huurders(-organisaties) om op te treden als volwaardige gesprekspartner voor verhuurders en gemeenten.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het overleg huurders verhuurder (verbetering positie en zeggenschap huurders) is in 2007 door de Tweede Kamer behandeld en in januari 2008 goedgekeurd. Daarmee wordt deze succesfactor versterkt.

1.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 1. Bevorderen van een goed werkende woningmarkt(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:11 2786 14016 59612 16018 8478 62110 226
Uitgaven:13 15711 84613 84915 25313 20813 996– 788
Programma:8 8918 87011 99411 0748 67911 958– 3 279
 Scheppen van randvoorwaarden voor een goed werkende woningmarkt:0000000
  Scheppen van randvoorwaarden voor een goed werkende woningmarkt0000000
        
 Bevorderen van maximale maatschappelijke prestaties van wooncorporaties:0000000
  Bevorderen van maximale maatschappelijke prestaties van wooncorporaties0000000
        
 Versterken van de positie van de Woonconsument:1 3711 3861 2831 1491 1251 508– 383
  Subsidies woonconsumentenorganisaties1 3711 3861 2831 1491 1251 508– 383
        
 Overige programmabudgetten:7 5207 48410 7119 9257 55410 450– 2 896
  Onderzoek4 8884 8656 9625 3123 6777 332– 3 655
  Experimenten en kennisoverdracht2 6322 6193 7494 6133 8773 118759
  Nader aan te wijzen0000000
Apparaat:4 2662 9761 8554 1794 5292 0382 491
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 1 (WWI)4 2662 9761 8554 1794 5292 0382 491
Ontvangsten:01430000

Toelichting

Algemeen

Teneinde de begroting te laten aansluiten op de interne jaarplanbudgetten (onderzoek, experimenten, kennisoverdracht en apparaat) is tussen de artikelen van WWI een aantal budgetneutrale mutaties aangebracht, hetgeen op onderdelen bij de artikelen 1, 2, 3 en 14 tot verschillen heeft geleid tussen de oorspronkelijke begroting en de uiteindelijke realisaties.

Verplichtingen (+ € 10,2 mln)

In het kader van de Subsidies Woonconsumentenorganisaties zijn in 2007 meerjarige toezeggingen gedaan en zijn als gevolg van een eerdere herziening van de begrotingsstructuur in 2007 de realisaties voor het onderwerp «woningcorporaties» op onderhavige artikel verantwoord in plaats van artikel 3. Voorts is het gestelde hiervoor onder artikel 14 «Algemeen» ook bij de verplichtingen van kracht.

1.3. Operationele doelstellingen

1.3.1. Scheppen van randvoorwaarden voor een goed functionerende woningmarkt

VROM streeft naar een goede afstemming van vraag en aanbod op de woningmarkt en het creëren van voorwaarden waaronder de woningmarkt kan bijdragen aan individuele en maatschappelijke ontwikkeling. Daarnaast heeft VROM zich tot doel gesteld de uitwisseling van kennis en informatie tussen VROM en partijen op de woningmarkt te bewerkstelligen.

Doelbereiking

In 2007 heeft het kabinet de acties uit de Visie op de Woningmarkt om vraag en aanbod beter af te stemmen uitgevoerd. Er zijn maatregelen genomen om de beschikbaarheid van betaalbare en kwalitatief goede woningen te bevorderen en de mogelijkheden voor individuele en maatschappelijke ontwikkeling te vergroten. Het woningaanbod is verruimd, onder meer door het aanjagen van de woningproductie en maatregelen in het kader van de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening om de flexibiliteit te vergroten. De betaalbaarheid van huurwoningen wordt geborgd via de huurtoeslag en het huurbeleid. De positie van starters is versterkt door het bereik van de Wet Bevordering Eigenwoningbezit te vergroten en bijdragen te leveren aan startersleningen. Deze maatregelen worden onder artikel 2 en 3 verder toegelicht. In 2007 zijn verkenningen gedaan naar mogelijkheden om het functioneren van de woningmarkt te verbeteren, onder andere door belemmeringen voor verhuizen weg te nemen.

Het kabinet heeft werk gemaakt van het ontwikkelen en verspreiden van kennis en praktijkvoorbeelden omtrent de aanpak en werkwijze op het terrein van het stedelijk beleid. Zo is geëxperimenteerd met nieuwe samenwerkingsverbanden tussen partijen op wijkniveau. Deze kennisontwikkeling en experimenten hebben een verdere invulling gekregen in het actieprogramma Krachtwijken, wat verder wordt toegelicht onder artikel 2.

In 2007 is veel kennis over de woningmarkt ontwikkeld en verspreid, onder andere via het WoON 2006 (en het congres en de publicaties hieromtrent), de monitoring van de woningbehoefte en onderzoeken naar investeringsgedrag op de woningmarkt. In internationaal opzicht is de kennisontwikkeling en- verspreiding verbreed mede door deelname in internationale netwerken. In 2007 werden, via de bijdrage aan de Stichting Experimenten Volkshuisvesting (SEV), doorlopend experimenten gestimuleerd om de werking van woningmarkt te verbeteren.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Visie op de woningmarkt: 
Aanjagen van de nieuwbouwproductie (zie artikel 2).Ja. Zie artikel 2.
Implementeren van de acties uit de visie om passend wonen te bevorderen.Nee, deze acties waren geen prioriteit van het Kabinet Balkenende IV
Implementeren van de acties om het aanbod flexibeler te maken.Ja.
Implementeren van acties om koopstarters beter aan bod te laten komen (zie artikel 3).Ja. Zie artikel 3.
Verkennen van mogelijkheden voor vouchers.Ja. Zie artikel 3.
Onderzoek naar de mogelijkheden om belemmeringen voor verhuismobiliteit in relatie tot arbeidsmarktmobiliteit weg te nemen.Ja.
Instrument: Krachtige Steden: 
Het opstellen van een vernieuwingsagenda op basis van de dialoog die in 2006 met de omgeving is gevoerd.Nee. Dit krijgt invulling in de beleidsvorming voor de stedelijke vernieuwing vanaf 2010 (zie deze tabel).
Vormen van nieuwe coalities en werkverbanden die bestaande dilemma’s kunnen aanpakken.Ja.
In kaart brengen van inspirerende praktijkvoorbeelden die als «best practices» actief onder de aandacht worden gebracht.Ja.
In samenwerking met betrokken partijen specifieke kennisvragen destilleren en in samenwerking met de planbureaus en kenniscentra hieraan uitwerking geven.Ja.
Uitvoeren van een nulmeting naar de positie van de steden op de bovenbeschreven onderdelen zodat ontwikkelingen en de resultaten van beleidsinspanningen zijn te volgen.Nee. Aan een dergelijk instrument wordt op dit moment gewerkt.
Instrument: Toekomstig beleid voor de stad: 
Beleidsvorming voor de stedelijke vernieuwing vanaf 2010 zodat op tijd duidelijkheid bestaat over (financiële) middelen en beleid en regelgeving gereed zijn.Ja. Zie de midterm review GSB (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15).
Verwerking inhoudelijke bespreking met de Tweede Kamer van de Beleidsbrief Stedelijke Vernieuwing en Evaluatie ISV1.Nee. Mede in verband met de kabinetswisseling heeft geen bespreking met de Tweede Kamer plaatsgevonden.
Instrument: Kennis als interventie-instrument: 
Kennisoverdracht aan en kennisuitwisseling met partners in het woonveld.Ja.
Samenwerking met partners in het woonveld bij de ontwikkeling van kennis.Ja.
Organisatie van een congres, publicaties in vakbladen, onderhoud van een internetsite en informatiedesk met informatie over wonen.Ja.
Vergaren van kennis van beleid van buitenlandse collega-ministerie, met name in de EU, teneinde het Nederlands beleid internationaal te positioneren en illustreren.Ja.
Vergaren en beschikbaar stellen van voornamelijk Engelstalige informatie over het Nederlands beleid voor buitenlandse professioneel geïnteresseerden.Ja.
Instrument: Kennisinfrastructuur: 
Permanente afstemming en uitwisseling van kennis met de planbureaus, andere departementen, wetenschappelijke wereld, adviesorganen en andere kennisinstitutenJa.
Opstellen meerjarige strategische kennisagenda afgestemd met de externe kennisinfrastructuur.Nee. Een concept kennisagenda is gereed. De definitieve strategische kennisagenda zal in 2008 worden gepresenteerd.
Bijdragen aan de SEV: goedkeuring werkplan en begroting 2007; beoordelen prestaties 2006 aan de hand van prestatieverslag en jaarrekening.Ja.
Deelname aan internationale, officiële netwerken in EU- en VN-verband en in enkele niet gouvernementele internationale instellingen.Ja
Instrument: Onderzoek, monitoring, prognoses: 
Publicaties van het WoON 2006 (Woononderzoek Nederland), de «woningmarktmodule»; organiseren van een congres over het WoON 2006.Ja.
Afronden van de WoON-module «leefomgeving» en publiceren van de resultaten.Ja. Het eerste rapport met resultaten is gepubliceerd; in 2008 wordt het tweede rapport gepubliceerd.
Afronden van de eerste meting van de WoON-module «energie».Ja.
Realiseren van de WoON-module «wonen van ouderen».Ja.
Realiseren van de WoON-module «consumentengedrag» in samenwerking met marktpartijen.Nee. De meetmethode is inmiddels ontwikkeld, de eerste meting vindt in 2008 plaats.
Monitoring van de woningbehoefte door het realiseren van de kwantitatieve (Primos) en kwalitatieve (Socrates) woningmarktprognoses.Ja.
Onderzoek naar actuele en toekomstige ontwikkelingen en processen op het terrein van wonen; in het bijzonder woonlastenontwikkeling, prijs- en waardeontwikkeling van woningen, woningmarktgedrag van aanbieders en consumenten en economische en sociale ontwikkelingen in de stad.Ja, zie rapporten en publicaties (tabel 1.2)

Meetbare gegevens

Tabel 1.2 Kennisoverdracht: streefwaarden aantallen publicaties, presentaties enz.
IndicatorStreefwaarde 2007Realisatie 2007
Rapporten8Evaluatieonderzoek WoON, oktober 2007
  Steekproefstructuur Woononderzoek Nederland, oktober 2007
  Tussen Wens en Werkelijkheid; kwantitatieve en kwalitatieve analyses naar de discrepantie tussen verhuisgeneigdheid en daadwerkelijk verhuisgedrag, juli 2007
  Dynamiek in de derde leeftijd; de consequenties voor het woonbeleid, juli 2007
  Gezondheidsaspecten van woningen in Nederland. Delft: TNO, januari 2008
  Monitor Investeren in de Toekomst. Delft: ABF Research, november 2007
  Energieverbruik en gedragsverandering in de woning. Literatuuronderzoek naar determinanten en interventieprogramma’s, augustus 2007
  Scholieren aan zet, maart 2007
  Bewoners nieuwe woningen, november 2007
  Woningmarktverkenningen Sokrates 2006, april 2007
  Primos prognose 2007, november 2007
  Gas en Electra, januari 2008
  Kiezen voor de stad; een kwalitatief onderzoek naar vestigingmotieven van de allochtone middenklasse, april 2007
  Module consumentengedrag WoON, december 2007
  Aandacht voor de Wijk, Effecten van herstructurering op leefbaarheid en veiligheid, SCP, juli 2007
  Prognosemodel Sociale Huursector 2007, december 2007
  Beweegredenen commerciële partijen op de (huur) woningmarkt, november 2007
  Prognoses Woningbouw 2007–2012, halfjaarlijkse prognose, juli 2007
Publicaties2Wonen op een rijtje, februari 2007
  Bouwen voor de schuifpuzzel, november 2007
  Cijfers over Wonen 2006, mei 2007
Congressen/2WoON naar Wens, april 2007
workshops Workshop Wegwijs in WoON, mei 2007
Presentaties4Tussen wens en werkelijkheid; presentatie op het Congres WoON naar Wens, april 2007
  55+ huishoudens, presentatie i.h.k.v. Beleid met Burgers, november 2007
  WoON en monitoring van beleid van VROM en VWS voor Wonen, Welzijn en Zorg, presentatie voor het Kenniscentrum Wonen en Zorg van Aedes-Actiz, april 2007
  «WoON en monitoring van beleid VROM en VWS» voor de Klankbordgroep Wonen en Zorg, februari 2007 Primos Prognose, presentatie voor IPO werkgroep Bevolking en Wonen, november 2007
  Presentatie op het congres van het International Network on Housing, Ethnicity and Policy, juni 2007
  Presentatie over de Leefbaarometer voor de vereniging voor Statistie en Onderzoek, juni 2007
  Idem, voor de Gemeente Den Haag, augustus 2007
  Presentatie over «Beweegredenen Corporaties» op een expertmeeting voor beleidsmakers, wetenschappers en corporatiebestuurders
Aantal bezoekers internetsite5 00022 000 bezoekers van INFO Wonen37 000 onderwerpen opgevraagd via het Volkshuisvesting Informatie Systeem (VOIS, Windows- en Webversie)

1.3.2. Bevorderen maximale maatschappelijke prestaties van woningcorporaties

Om een vernieuwing van de relatie tussen overheid en corporaties te bewerkstelligen waarin de maatschappelijke prestaties meer dan nu zeker worden gesteld, en waarbij er ruimte is voor corporaties om als maatschappelijke onderneming te functioneren. Daarmee moet een duidelijk kader vanuit het Rijk worden aangegeven en dient een eigentijdse governancestructuur van toepassing te zijn. Een en ander moet gepaard gaan met terugdringing van regelgeving, behoud van het hybride karakter binnen de kaders van een gelijk speelveld, en prestatietoezicht op behoud en inzet van het maatschappelijk gebonden vermogen.

Doelbereiking

De voor 2007 voorziene uitwerking van een duidelijk kader en een eigentijdse governancestructuur voor de woningcorporaties, alsmede de uitwerking van de daaruit voortvloeiende regelgeving, heeft in 2007 nog niet zijn beslag gekregen. Door de kabinetswisseling en de in het Coalitieakkoord vastgelegde verwachtingen ten aanzien van de (onder andere financiële) bijdrage van woningcorporaties aan het realiseren van de doelstellingen van het Coalitieakkoord, is gedurende een deel van 2007 opnieuw met de corporatiesector onderhandeld over de concrete uitgangspunten hierbij. Hierbij vormde ook het «Antwoord aan de samenleving» van de woningcorporatiesector van 31 januari 2007 een uitgangspunt. Dit heeft op 17 september 2007 geresulteerd in een Onderhandelaarsakkoord van het kabinet met Aedes (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 995, nr. 11). Hierin hebben de doelstellingen uit de VROM-begroting 2007, zoals hiervoor verwoord, een plaats gekregen.

In de daarop volgende maanden is zowel door het kabinet met de Tweede Kamer, als door Aedes met de woningcorporaties gesproken over het draagvlak voor de vastgelegde afspraken. In de Kamer bleek dit draagvlak aanwezig, maar eind 2007 bleek dat binnen de woningcorporatiesector onvoldoende draagvlak bestond voor de afspraken. Ook sloot de concretisering van de financiële bijdrage van de woningcorporaties naar het oordeel van het kabinet onvoldoende aan op de gemaakte afspraken in het Onderhandelaarsakoord. Gezien deze constellatie heeft in 2007 geen uitwerking plaatsgevonden van de brief van 12 december 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 453, nr. 30) van het vorige kabinet. Ook is nieuwe regelgeving, gaande de onderhandelingen, tot het minimaal noodzakelijke beperkt. Wel is, vanzelfsprekend, voor alle woningcorporaties een individueel oordeel vastgesteld over het financieel en volkshuisvestelijk presteren en over het rechtmatig handelen, en zijn de gebruikelijke toezichtstaken uitgevoerd.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Woningcorporaties (relatie, regelgeving, toezicht) 
Nadere uitwerking van de beleidsvoornemens ten aanzien van de relatie overheid-woningcorporaties, de sturing op prestaties, de inrichting van de woningcorporaties en de governance bij woningcorporaties, zoals aan de Kamer aangeboden met brief van 12 december 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 453, nr. 30). Op basis van bespreking in 2006 met de Tweede Kamer volgt vertaling in regelgeving en het in procedure brengen van die voorstellen tot regelgeving.Nee. Na de val van het kabinet Balkenende II is deze stelseldiscussie niet meer aan de orde gesteld. In 2007 is hierover een procedurele afspraak gemaakt met Aedes in het Onderhandelaarsakkoord. Ondanks het feit dat dit akkoord niet is bekrachtigd door de leden van Aedes, blijft het streven om voor de zomer van 2008 – met de sector afgestemde – voorstellen op dit punt aan de Tweede Kamer te doen toekomen.
Nadere uitwerking van de inrichting en organisatie van het toezicht op woningcorporaties en het vervolgens, na bespreking met de Tweede Kamer, vertalen in regelgeving en in procedure brengen van die voorstellen tot regelgeving.Nee. Zie hiervoor.
Voorstellen tot regelgeving inzake de transparantie en mogelijk ook normering van (top)inkomens bij woningcorporaties ontwikkelen en in procedure brengen.Nee. Het advies van de commissie Dijkstal over topinkomens in de semi-publieke sector is eerst op 5 september 2007 aangeboden aan het kabinet. Sindsdien is er binnen het kabinet onder leiding van BZK overleg gevoerd over de beleidsreactie op dit advies. Dat heeft in 2007 nog niet tot besluitvorming geleid.
De gerealiseerde prestaties van woningcorporaties volgen en hierover de Tweede Kamer rapporteren in de (jaarlijkse) prestatiebrief woningcorporaties.Ja. Zie Kamerstukken II, 2007–2008, 29 453, nr. 68).
Uitbrengen van het individueel oordeel per corporatie over financiële situatie, rechtmatig handelen en de volkshuisvestelijke prestaties.Ja. Zie Kamerstukken II, 2007–2008, 29 453, nr. 68).
Zonodig uitbrengen van circulaires ter nadere interpretatie van regelgeving of met verzoeken tot medewerking.Ja. Zie Kamerstukken II, 2007–2008, 29 453, nr. 68).
Uitvoeren reguliere toezichttaken bij corporaties: bewaken grens van het werkdomein, ingrijpen bij (bestuurs)crises en onregelmatigheden, beoordelen van fusies, van uitbreiding van het werkgebied en van verkoopconstructies. Ja. Zie Kamerstukken II, 2007–2008, 29 453, nr. 68).
Per 1 januari 2007 de systematiek van het sturen op prestaties van woningcorporaties, zoals voorgesteld in de brief van 12 december 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 453, nr. 30) in werking te laten treden. Nee. Zie de tekst onder «Doelbereik».
Voorstellen tot aanpassing wet- en regelgeving inzake de inrichting van woningcorporaties, de governance bij woningcorporaties en het toezicht op woningcorporaties in de loop van 2007 aan de Tweede Kamer aan te bieden.Nee. Zie hiervoor
Voorstellen tot regelgeving inzake de transparantie en mogelijk ook normering van (top)inkomens in de loop van 2007 aan de Tweede Kamer aan te bieden.Nee. Door het kabinet is het advies van de commissie Dijkstal inzake de semi-publieke sector, waarbij in dit kader ook de woningcorporaties aan de orde komen, afgewacht. Het advies is op 5 september 2007 aangeboden aan het kabinet. Sindsdien wordt gewerkt aan een kabinetsreactie.

Meetbare gegevens

De prestaties van woningcorporaties moeten primair worden afgezet tegen de lokale en regionale opgaven. De bijdrage van woningcorporaties aan de realisatie van doelstellingen ten aanzien van nieuwbouw en herstructurering komt aan de orde in artikel 2. De bijdrage van woningcorporaties aan het waarborgen van de betaalbaarheid van het wonen komt aan de orde in artikel 3. Wat betreft de concrete prestaties in het jaar 2007 kan pas de balans worden opgemaakt in de loop van 2008.

Op de site van VROM zijn in december 2007 de brieven van de minister over het presteren in 2006 van de afzonderlijke corporaties geplaatst. Huurders kunnen zo zien hoe hun corporatie presteert. Ook is de zogenoemde prestatie-index geplaatst. Daaruit komt naar voren hoe corporaties ten opzichte van elkaar presteren op een aantal onderdelen.

In de brief aan de Kamer van 12 december 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 453, nr. 30) is het voornemen opgenomen om aan de hand van een normatieve investeringsdoelstelling te beoordelen of een corporatie voldoende maatschappelijke prestaties levert in relatie tot haar financiële armslag. Wat betreft de uitwerking hiervan, zij verwezen naar de opmerkingen inzake de uitwerking van het kabinetsbeleid onder 1.3.2.

1.3.3. Versterken van de positie van de woonconsument

VROM heeft zich tot doel gesteld de mondigheid en rechtspositie van de woonconsument te versterken.

Doelbereiking

In het voorstel voor de aanpassing van de Wet overleg huurders verhuurders worden de rechten van de huurder op informatie, overleg en advies op een aantal punten uitgebreid en verduidelijkt, zodat de positie van huurders(organisaties) wordt versterkt. De verschillen tussen de sociale en particuliere sector worden weggenomen zonder de verworvenheden die bereikt zijn voor de sociale verhuurder geweld aan te doen. Door de kabinetswisseling is de parlementaire behandeling vertraagd. Het wetsvoorstel is op 22 januari 2008 door de Tweede Kamer aanvaard (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 856, nr. 2).

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Positie huurders en huurderorganisaties 
• Gedurende het jaar 2006 zijn de evaluatievoorstellen uit 2001 herijkt en is de wetgevingsprocedure van start gegaan. In 2007 zal de aangepaste Wet overleg huurders verhuurder (WOHV) in werking treden.Nee. Door de kabinetswisseling is de parlementaire behandeling vertraagd. De behandeling in de Tweede Kamer wordt in januari 2008 afgerond. Het wetsvoorstel is op 22 januari 2008 door de Tweede Kamer aanvaard.

1.4. Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoekOnderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex post1Onderzoek naar tevredenheid van partijen op de woningmarkt over de informatie, onderzoeksrapporten en kennisuitwisseling1.2.120072007In mei 2007 is de «Eindrapportage stakeholder analyse INFO Wonen» uitgebracht.2 De rapportage is op te vragen viainfo.wonenminvrom.nl.
 Investeringsgedrag corporaties1.2.220062007Het onderzoek is afgerond.3 Het onderzoek is te vinden op www.vrom.nl/beweegredenen.
Overig evaluatie-onderzoekCentraal Fonds voor de Volkshuisvesting1.2.22006n.v.t.4
 Tussen gemeenten en betrokken woningcorporaties gemaakte prestatieafspraken1.2.2200720085
 Monitoring effecten en knelpunten Bbsh1.2.2200620076

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

2 In het onderzoek «Eindrapportage stakeholder analyse INFO Wonen» is onderzocht hoe gebruikers INFO Wonen benutten en waarderen. VROM zal deze resultaten gebruiken bij de doorontwikkeling van het instrument. Daarnaast is een evaluatie uitgevoerd naar de oversampling van het WoON 2006, waarin de gebruikswaarde, de bijdrage aan communicatie tussen partijen en kosten/baten zijn onderzocht. De evaluatie is bij VROM beschikbaar.

3 De resultaten van het onderzoek zijn gepresenteerd in een onderzoeksrapport «Opzet functioneel model» en een seminar met beleidsmakers, wetenschappers en corporatiebestuurders. Verder is door KPMG een onderzoek uitgevoerd naar het gedrag van commerciële partijen op de woningmarkt onder de titel «Beweegredenen commerciële partijen op de (huur)woningenmarkt», te vinden op genoemde locatie.

4 De evaluatie is niet uitgeoverd. De evaluatie zou worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en in het kader van de brede discussie over het corporatiestelsel op basis van de brief aan de Kamer van 12 december 2005. Deze stelseldiscussie is niet meer in de Kamer aan de orde gekomen (zie onder 1.3.2).

5 Monitor 2007 is nog niet beschikbaar.

6 De monitoring heeft plaatsgevonden op basis van praktijksignalen en het individueel-oordeeltraject. Eventuele knelpunten worden, zo mogelijk, opgelost via circulaires, passend binnen het BBSH.

Artikel 2. Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus

2.1. Algemene beleidsdoelstelling

Door verhoging van de woningproductie, verbetering bouwtechnische kwaliteit en versnelling van de herstructurering weer voldoende beweging, dan wel doorstroming op de woningmarkt verkrijgen en daarmee:

• het evenwicht tussen vraag en aanbod vergroten en de keuze mogelijkheden van burgers vergroten, met bijzondere aandacht voor senioren en gehandicapten;

• de sociale, economische en culturele vitaliteit van steden borgen en verbeteren, de sociale veiligheid doen toenemen en de woonwens van midden en hoge inkomensgroepen in de steden accommoderen. Door een gerichte wijkaanpak, met een focus op 40 wijken, worden wijken omgevormd tot wijken waar mensen kansen hebben en weer graag wonen;

• de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefomgeving verbeteren en de stad aantrekkelijk maken om in te wonen, werken en recreëren;

• de veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid van woningen en gebouwen duurzaam borgen, energiebesparing realiseren en de milieubelasting van woningen en gebouwen verminderen.

De algemene beleidsdoelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• stimuleren van voldoende woningproductie;

• verruiming van aanbod van geschikte woningen voor senioren en gehandicapten;

• bevorderen van de leefbaarheid van wijken;

• garanderen van de minimum bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen en bevorderen van een hogere kwaliteit daarvan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De stijgende lijn in de woningproductie is in 2007 doorgezet, waardoor burgers meer ruimte krijgen op de woningmarkt. Toch zijn er ook zorgen over de woningproductie, daar de uitvoering van de woningbouwafspraken achter op schema ligt. Gezien de realisaties tot nu toe en de prognoses voor de komende jaren zal de woningbouwopgave van 445 000 woningen in de periode 2005 tot 2010 landelijk gezien voor circa 90% worden gehaald. Uitgaande van de nieuwste woningbehoefteraming (Primos 2007) en een productie van circa 83 000 woningen per jaar in de komende jaren (volgens de VROM-bouwprognoses) zal het woningtekort in 2010 uitkomen op 1,7 %. Een tekort van 1,5% wordt dan bereikt in 2012.

Om de komende jaren een productie van 80 000 tot 83 000 woningen te kunnen vasthouden, heeft de minister voor WWI in november 2007 een Actieplan woningproductie aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10) aangeboden, waarin maatregelen om de productie extra te stimuleren. In dit actieplan wordt ook een aanzet gegeven voor de inzet in de volgende uitvoeringsperiode vanaf 2010 en de maatregelen die worden ondernomen om belemmeringen voor die periode reeds nu aan te pakken.

In 2007 is met de midterm review een tussenevaluatie van GSB III gehouden (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15). Daaruit blijkt dat mensen in de grote steden zich veiliger zijn gaan voelen. Verder laten met name de G4 een verbetering zien van de fysieke kwaliteit van de leefomgeving. De sociale kwaliteit van de samenleving en het aandeel midden- en hoge inkomensgroepen zijn vrijwel gelijk gebleven. Na een jarenlange uittocht van deze groepen uit de steden slagen de steden erin ze vast te houden.

Met de 56-wijkenaanpak is in 2002 gestart om de realisatie van ISV te versnellen. In vrijwel alle wijken is men volop bezig met de realisatie van de plannen en is in de gemiddelde waardering van de wijk door de bewoners, gemeten over alle wijken, een positieve ontwikkeling zichtbaar. In 2007 is het programma «Nieuwe Coalities voor de Wijk» afgerond. Hiermee is in 13 wijken ervaring opgedaan voor een meer integrale wijkaanpak. Als vervolg op deze wijkaanpak is een selectie van 40 (aandachts) wijken gemaakt. De gesprekken en ervaringen uit die wijkentoer én de lessen van zowel de 56-wijkenaanpak als de 13-wijkenaanpak hebben de basis gevormd voor het Actieplan Krachtwijken.

De wijziging op de Woningwet is op 1 april 2007 inwerking getreden. Met deze wijziging wordt bereikt dat de naleving van de bouwregelgeving wordt verbeterd. Tevens heeft wijziging als effect dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijven is verminderd.

In het Coalitieakkoord is prioriteit gegeven aan energiebesparing. In 2007 is het plan «Meer met Minder» en het werkprogramma «Schoon en Zuinig» opgezet. De acties ten behoeve van de reductie van de CO2-emissie in de sector bouw staan in het «sectorplan Gebouwde Omgeving».

Begin 2008 zijn de voorlopige cijfers van de emissie van broeikasgassen in 2006 beschikbaar gekomen. De CO2-emissie voor de gebouwde omgeving in 2006 is uitgekomen op 30 Mton CO2 (emissieplafond in 2010 bedraagt 29 Mton).

2.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 2. Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:163 238774 0001 528 528147 46641 20943 072– 1 863
Uitgaven:579 104801 474550 790451 562416 923433 937– 17 014
Programma:570 159791 156539 759443 267408 370424 140– 15 770
 Stimuleren van voldoende woningproductie:068 71174 066111 305107 831130 277– 22 446
  Budget BLS065 74672 290106 055107 831130 277– 22 446
  Planologische en woningbouwknelpunten VINEX en VINAC02 9651 7760000
  Bijdragen nieuwbouw sociale koopwoningen0000000
  Bijdragen stimulering woningmarkt productie0005 250000
 Verruimen van het aanbod van geschikte woningen voor ouderen en gehandicapten:0000000
  Verruimen van het aanbod van geschikte woningen voor ouderen en gehandicapten0000000
        
 Bevorderen van de leefbaarheid van de woonwijken:448 556579 116426 095304 059272 471271 896575
  Investeringen Stedelijke vernieuwing383 819562 664396 215296 479266 085261 0225 063
  Innovatiebudget Stedelijke vernieuwing61 56113 27626 7044 4046 38610 874– 4 488
  Stedelijke vernieuwing Lelystad3 1763 1763 1763 176000
  Programma Sociale Veiligheid0000000
 Garanderen minimale kwaliteit gebouwen en bevorderen hogere kwaliteit:114 820136 47433 14115 22216 60414 9051 699
  Programma energiebudgetten25 32315 5046 7528 10512 81712 658159
  Subsidies energiebesparing (CO2 reductie) gebouwde omgeving84 744117 80522 4614 9083 0725392 533
  Regeling sanering loden drinkwaterleidingen84875857528163247– 184
  Regeling energiebesparing huishoudens met lagere inkomens1 7667712 2191 5775131 081– 568
  Innovatief bouwen2 1391 6361 134351139380– 241
 Overige programmabudgetten:6 7836 8556 45712 68111 4647 0624 402
  Onderzoek2 6153 1751 8272 6452 2123 651– 1 439
  Kennisoverdracht3 9413 6804 6304 9933 7459112 834
  Kosten uitvoeringsorganisaties   5 0435 5072 5003 007
  Nader aan te wijzen    000
  Compensatie Huurders Enschede*227      
Apparaat:8 71810 31811 0318 2958 5539 797– 1 244
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 2 (WWI)8 71810 31811 0318 2958 5539 797– 1 244
Ontvangsten:4 7674 5486561 5511 884911 793

* Oud instrument dat na 2003 is komen te vervallen.

Toelichting

Budget Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS) (– € 22,4 mln)

Als gevolg van een lagere woningproductie, zowel bij het reguliere BLS-programma als bij het programma eigen bouw (particulier opdrachtgeverschap), is bij het instrument «Budget Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS)» in 2007 ruim € 22 mln minder uitgegeven.

Investeringen Stedelijke Vernieuwing (+ € 5,1 mln)

Een aantal projecten vallend onder de Impulsregeling ISV zijn versneld. Het kasritme is hiertoe bijgesteld, hetgeen voor € 5 mln tot hogere uitgaven in 2007 heeft geleid. Deze extra middelen zijn door middel van een kasschuif uit de jaren 2008 en 2009 naar voren gehaald.

Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (+ € 4,5 mln)

Als gevolg van een wijziging in het tempo van uitvoering van enkele projectplannen zijn de uitgaven lager dan geraamd. Door middel van een intertemporele schuif is deze verlaging verwerkt en doorgeschoven naar latere jaren.

Subsidies energiebesparing (CO2-reductie) gebouwde omgeving (+ € 2,5 mln)

In 2007 is € 3 mln uitbetaald als gevolg van een gerechtelijke uitspraak waarbij de energiemaatschappij NUON in het gelijk is gesteld betreffende haar claim inzake haar de uitvoering van de EnergiePremieRegeling (ERP).

2.3. Operationele doelstellingen

2.3.1. Stimuleren van voldoende woningproductie

VROM stimuleert, faciliteert en monitort de woningproductie. Om de woningmarkt te ontspannen moet de woningproductie met name in de stedelijke regio’s worden verhoogd in overeenstemming met de woningbehoefte.

Doelbereiking

In 2007 zijn landelijk 87 537 woningen gerealiseerd. Ten opzichte van 2006 betekent dit een stijging met 7 837 woningen.

De stijgende lijn van de afgelopen jaren is in 2007 wel doorgezet, maar onvoldoende om de woningbouwafspraken 2005–2010 in alle regio’s te kunnen halen. De woningbouwopgave voor de periode 2005–2010 zal, landelijk gezien voor circa 90% worden gehaald.

Voor het stimuleren van de woningproductie zijn in 2007 de volgende budgetten uitgegeven:

• € 107,80 mln in de vorm van een financiële prikkel aan de regio’s door middel van uitkeringen in het kader van het Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS);

• € 1,66 mln aan apparaatsinzet bij WWI, in de vorm van € 0,87 mln aan inzet aan ambtelijk personeel, € 0,25 mln ten behoeve van de inzet van aanjaagteams en € 0,54 mln voor het doen van onderzoek en het verrichten van kennisoverdracht op het gebied van de woningbouw.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Verhogen woningproductie 
Stimuleren en monitoren uitvoering convenanten woningbouwafspraken 2005 t/m 2009 (inclusief eigenbouw). Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Stimuleren en monitoren investeringen corporaties in nieuwbouw. Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Stimuleren en monitoren streek- en bestemmingsplancapaciteit. Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Inzet van VROM-aanjaagteams om belemmeringen op locaties weg te nemen. Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Onderzoek stimuleringsmogelijkheden collectief opdrachtgeverschap, met de inbreng van burgers in samenwerking met de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV). Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Uitvoering experiment zelfwerkzaamheid bewoners bij ombouw rijkskantoor in samenwerking met SEV. Nee, De start van het experiment is verschoven naar 2008 omdat nog geen geschikt pand voorhanden was.
Bijdragen aan de totstandkoming van een VROM-vergunning en afronding parlementaire behandeling (zie artikel 10). Zie artikel 10.
Ontwikkeling handreiking kosten-batenanalyse als hulpmiddel ten behoeve van de afweging van woningbouwplannen, in samenwerking met gemeenten, provincies en andere departementen. Nee. De resultaten van de maatschappelijke kosten-batenanalyse Integrale Gebiedsontwikkeling vormen de basis voor deze handreiking. En deze komen pas in 2008 beschikbaar.
Instrument: Grondbeleid 
Implementatie Grondexploitatiewet: invoeringsbegeleiding gemeenten en provincies. Nee, De Wet ruimtelijke ordening, waar de Grondexploitatiewet deel van uitmaakt, wordt op 1 juli 2008 ingevoerd. Het implementatietraject start begin februari 2008.
Uitwerking Nota Grondbeleid en uitvoeringsagenda Nota Ruimte. Ja, zie Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI en 29 435, nr. 113 (problematiek rond bedrijventerreinen), Kamerstukken II, 2006–2007, 27 581, nr. 33 (toezeggingen AO Grondbeleid 11 april 2007) en Kamerstukken I, 2007–2008, 30 218, nr. J (Grondexploitatiewet).
Nadere uitwerking kabinetsstandpunt concurrentiebevordering: nulmeting, verantwoordingsplicht en reiswijzer marktselectie en gebiedsontwikkeling. Nee. De Kamer zal medio 2008 worden geïnformeerd over de nulmeting en de verantwoordingsplicht van gemeenten. De in februari 2007 gepubliceerde reiswijzer zal in 2008 worden aangepast aan recente ontwikkelingen.
Modernisering/vereenvoudiging wet voorkeursrecht gemeentenJa. De modernisering en vereenvoudiging van deze wet wordt grotendeels gerealiseerd via de Invoeringswet Wet Ruimtelijke ordening (Wro) en het Wetsvoorstel tot wijziging van de wet voorkeursrecht gemeenten. Beide wetten worden naar verwachting in 2008 ingevoerd.
Kabinetsstandpunt stedelijke herverkaveling en berichtgeving aan Tweede Kamer. Nee. Het Kabinetsstandpunt heeft vertraging opgelopen, mede als gevolg van de Vereniging van Eigenaren (VvE) problematiek bij appartementen (achterstallig onderhoud). De verwachting is dat een kabinetsstandpunt in het tweede kwartaal 2008 kan worden voorbereid.
Stimuleren gebruik handreiking grondprijsbeleid. Ja. «De prijs van kwaliteit, handreiking voor gemeentelijk grondprijsbeleid bij woningbouw» (april 2006), in 2006 gepresenteerd tijdens het congres van de Vereniging van Grondbedrijven, staat op de VROM-website. Het gebruik van de handreiking wordt gestimuleerd door de deelnemende partijen VROM, Nederlandse ProjectOntwikkelings Maatschappijen (NEPROM), VNG en Nederlands Verbond Bouwbedrijven (NVB).
Ontwikkelen transparant grondbeleid woningcorporaties. Ja. In 2007 is gewerkt aan een rijksstandpunt over aanbesteding bij gebiedsontwikkeling met Publiek Private Samenwerking (PPS) en een rechtspersoon. De Kamer wordt hierover in het eerste kwartaal 2008 geïnformeerd.
Anticiperen op en beïnvloeden van EU-grondbeleid, met name staatssteun, aanbesteding en PPS. Ja, zie toelichting hiervoor.
Voorbereiden kabinetsstandpunt inzake regionaal kostenverhaal en verevening.Ja, zie de vijfde voortgangsbrief grondbeleid (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 581, nr. 28).
Herziening onteigeningswet.Nee, Aanbieding van het voorontwerp van wet aan de Ministerraad wordt thans verwacht in de tweede helft van 2008.

Meetbare gegevens

Prestaties (meetbare gegevens): 
Per 1 januari 2010 in elk van de 20 stedelijke regio’s de op regionaal niveau overeengekomen woningproductie 2005 t/m 2009 is gerealiseerd. Het woningtekort wordt daarmee, naar verwachting, teruggebracht tot gemiddeld 1,5% in 2010. De overeengekomen woningproductie zal niet in alle regio’s voor 2010 gerealiseerd worden. Een landelijk woningtekort van 1,5% wordt naar verwachting bereikt in 2012. Zie Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 7.
Per 1 januari 2008 in elk van de 20 stedelijke regio’s de op regionaal niveau overeengekomen woningproductie 2005 t/m 2007 is gerealiseerd.De overeengekomen productie 2005 t/m 2007 is niet in alle regio’s per 1 januari 2008 gerealiseerd.
Woningproductie in 2007 moet substantieel hoger zijn dan afgelopen jaren. Woningproductie bedroeg 7 837 woningen meer dan in 2006.
Nieuwbouw door corporaties moet in de periode 2005–2009 minimaal 111 000 woningen (huur en koop) bedragen. De voornemens inzake de modernisering van het huurbeleid (liberalisatie) van het vorige kabinet, in welk kader deze productieambities zijn vastgelegd (verondersteld werd dat de beoogde liberalisatie de investeringscondities zou verbeteren), hebben geen doorgang gevonden. Inmiddels wordt uitgegaan van een productie van circa 150 000 woningen in de periode 2007 tot en met 2010.
Het aandeel in de jaarlijkse woningproductie van middels eigenbouw gerealiseerde woningen in de stedelijke regio’s in 2010 is verdubbeld ten opzichte van 2000. Is geen doelstelling meer. Zie ook Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr 7.
Toename doorstroming, met name ten behoeve van lagere inkomensgroepen, starters en senioren. Nee. Eerstvolgende meting is in 2009 (WoON2009).
IndicatorRealisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Woningproductie:     
Nieuwbouw 20 stedelijke regio’s50 60056 70058 35075 00064 836
Totale nieuwbouw Nederland71 60074 4007 97083 000287 537
Waarvan overige toevoegingen6 3007 3507 3005 0007 344
 BasiswaardeRealisatie 2005Realisatie 2006StreefrichtingRealisatie 2007
Eigenbouw (basiswaarde 2000):     
% van woningproductie in stedelijke regio’s110%7,4%7,5%Moet toenemen naar 20% in 20107,2%
Woningtekort in % (basiswaarde 2002):2,7% (raming)2,5% (raming)2,4% (raming)Moet afnemen naar 1,5 % in 20102,2% (raming)

Bron basiswaarde: CBS 2008, WoON2006 en Primos 2003, 2005 en 2007.

Bron realisatiegegevens: CBS 2008.

1 Bij het opstellen van de begroting 2008 is vastgesteld dat bij het in de jaarverslagen weergeven van het realisatie % een andere definitie is gehanteerd dan bij de bepaling van de basiswaarde in 2000 van 10%. Vandaar dat het hier voor 2006 weergegeven realisatie % van 7,4 afwijkt van hetgeen in het jaarverslag 2006 is gemeld.

2 In de oorspronkelijke begroting was een streefwaarde opgenomen van 92 000. De delstelling om het woningtekort terug te dringen tot 1,5% (op 7 miljoen woningen) in 2010 is bijgesteld, gezien de in 2005 tot en met 2007 opgelopen productieachterstand. Nu wordt, bij een beleidsinzet tot en met 2011 van 80 000 tot 83 000 woningen per jaar, uitgegaan van het halen van 1,5% woningtekort in 2012 (Actieplan woningproductie, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVII, nr. 10)

Eigenbouw (Particulier Opdrachtgeverschap)

Gebleken is dat, naast de belemmeringen die voldoende woningproductie in de weg staan, de huidige stimuleringsregeling voor de bouw in particulier opdrachtgeverschap (PO) onvoldoende werkt, waardoor de productie in PO achterblijft bij de woningbouw afspraken. Om te komen tot intensivering van de bouw van woningen in PO wordt het Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS) op onderdelen aangepast en worden er in relatie met deze aanpassing van het BLS nog enkele nadere maatregelen genomen (zie daartoe het Actieplan woningproductie; Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10).

2.3.2. Verruiming van aanbod van geschikte woningen voor senioren en gehandicapten

Om senioren en gehandicapten zolang mogelijk zelfstandig te laten wonen dient het aantal geschikte, zelfstandige woningen hiervoor structureel toe te nemen.

Doelbereiking

Er zijn geen gegevens beschikbaar om concreet aan te geven hoeveel geschikte woningen in het verslagjaar extra beschikbaar gekomen zijn voor de doelgroep. De voortgang wordt, vanaf 2006, elke drie jaar gemeten in het WoON. Derhalve zal in 2010 de voortgang vastgesteld kunnen worden.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Uitvoeren van het VROM/VWS actieplan «Investeren in de toekomst»(Kamerstukken II, 2003–2004, 26 631 XI, nr. 99)Ja. In 2007 vooral gericht op het stimuleren van marktpartijen. Verder zijn diverse activiteiten van partijen in het veld mogelijk gemaakt. Tot slot is een nieuw actieplan voorbereid dat in december naar de Kamer is gezonden (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 111)
Instrument: Zorg en dienstenstelsel in relatie tot wonen; vergrijzingproblematiek 
Uitvoering stappenplan scheiden wonen en zorg. Ja. Wat betreft het scheiden van wonen en zorg in bestaande intramurale voorzieningen is met VWS afgesproken verder verkenend onderzoek te doen. De planning is dat in het voorjaar van 2008 besluiten ter zake kunnen worden genomen.

Meetbare gegevens

In de begroting 2007 is in paragraaf 2.2.2. een tabel opgenomen waarin voor het aantal nultredenwoningen, geschikte woningen en slaagkansen voor senioren streefwaarden voor 2010 zijn gesteld op basis van het Woning BehoefteOnderzoek (WBO) 2002 (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI, nr. 2). Deze tabel is in dit jaarverslag niet weergegeven. De reden hiervoor is dat de definitie voor nultredenwoningen is aangescherpt waardoor de waarden uit de begroting 2007 niet vergelijkbaar zijn met de waarden verkregen uit het WoON 2006. De oorspronkelijke definitie van nultredenwoningen bleek vatbaar voor misinterpretatie. Als gevolg hiervan kan geen uitspraak worden gedaan over de ontwikkeling ten opzichte van de in de begroting 2007 opgenomen waarden. Voor de toekomst wordt dit weggenomen met de nieuwe, technisch betere, definitie voor nultredenwoningen. In de WWI-begroting 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 2) is een vergelijkbare tabel opgenomen met basiswaarden voortkomend uit het WoON 2006. In het jaarverslag over 2009 kan dan, met als referentie de nulmeting 2006, de eerste meting van de resultaten opgenomen worden. Met het Actieplan «Beter (t)huis in de wijk» is de Kamer hierover geïnformeerd (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 111).

2.3.3. Bevorderen van de leefbaarheid van wijken

Om de concentratie van lage inkomensgroepen te verminderen, de negatieve effecten van de concentratie van allochtonen op hun integratie tegen te gaan en de gevoelens van verloedering en onveiligheid te verminderen is het noodzakelijk dat oude woonwijken met een grootschalige en eenzijdig samengestelde woningvoorraad worden geherstructureerd en de openbare ruimte wordt aangepast. Die fysieke herstructurering moet ook bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid, ofwel de kwaliteit van het samen leven in wijken en buurten (sociaal-fysieke wijkaanpak). Bewoners moeten in een vroeg stadium worden betrokken bij de wijkaanpak.

VROM faciliteert, stimuleert (in brede allianties) en monitort de herstructurering van buurten en wijken.

Doelbereiking

In de beleidsdoorlichting van de Wet stedelijke vernieuwing is aangegeven dat zichtbare positieve ontwikkelingen aan het beleid zijn toe te rekenen (zie Kamerstukken II, 2006–2007, 30 983, nr. 2). Er hebben zich gedurende de ISV1 periode 2000–2004 verschillende positieve ontwikkelingen in de steden voorgedaan: toename van hoger opgeleiden, stijging van de inkomenspositie, positieve invloed op de migratie (vertreksaldo daalt), verbetering van de sociale en fysieke kwaliteit, toename van het aandeel koopwoningen en stijging van de waarde van de woningvoorraad. Dit betekent een hogere waardering voor de steden. Uit de beleidsdoorlichting blijkt tevens dat het vertrouwen in de buurt alsmede de ervaren cohesie in de periode 2002–2006 zijn gestegen, met name in de 56-wijken. En voorts dat het grootste deel van de procesdoelstellingen van ISV is gehaald: meer integraal en programmatisch werken, meer focus op uitvoering en resultaat(afspraken), meer interactie tussen bestuurslagen en duidelijker gebiedsgericht werken. Dit neemt echter niet weg, dat op het gebied van ontkokering nog belangrijke winst te behalen valt, zowel bij de gemeenten als bij het Rijk.

In de midterm review ISV/GSB blijkt dat het positieve beeld zich ook in de ISV2 periode 2005–2009 voortzet (zie Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15). Voor het merendeel van de met het rijk afgesproken prestaties liggen de steden op koers. Het belangrijkste knelpunt in het ISV ligt bij de voorgenomen woningproductie.

Met de 56-wijkenaanpak is in 2002 gestart om de realisatie van ISV te versnellen. In vrijwel alle wijken is men volop bezig met de realisatie van de plannen. In de waardering van de wijk door de bewoners is een positieve ontwikkeling zichtbaar (WoON 2006). De extra inzet van VROM gericht op de realisatie is dan ook niet meer nodig. Wel kan men gebruik blijven maken van de beschikbare faciliteiten.

In 2007 is het programma «Nieuwe Coalities voor de Wijk» afgerond. Hiermee is in 13 wijken ervaring opgedaan voor een meer integrale wijkaanpak. Als vervolg op deze wijkaanpak is een selectie van 40 (aandachts) wijken gemaakt, die in de periode 26 maart tot en met 27 juni 2007 door de minister zijn bezocht. De gesprekken en ervaringen uit die wijkentoer én de lessen van zowel de 56-wijkenaanpak als de 13-wijkenaanpak hebben de basis gevormd voor het Actieplan Krachtwijken. De gemeenten zijn aan de slag gegaan met het, samen met lokale partners en bewoners, opstellen van wijkactieplannen. In charters worden afspraken tussen Rijk en gemeenten vastgelegd. Voorts zijn voorbereidingen getroffen voor een scala aan activiteiten en initiatieven die bijdragen aan het slagen van de wijkaanpak. Het gaat hierbij onder andere om de vorming van een landelijke alliantie uit het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven, het voorbereiden van een monitor om de voortgang in kaart te brengen, het organiseren van één loket voor de gemeenten waarmee kenniscentra hun expertise ten behoeve van de wijkenaanpak inzetten, het opzetten van een externe visitatie.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: ISV 
Herijking van de overeengekomen prestaties middels stadsgesprekken met de G31-gemeenten.Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15.
Stimuleren en monitoren (inhoudelijk en procesmatig) van de uitvoering van de meerjarenontwikkelingsprogramma’s GSB III/ISV2, 2005 t/m 2009.Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15.
Kennis en informatie overdracht onder meer in samenwerking met het Kennis, Expertise en Innovatiecentrum Stedelijke Vernieuwing.Ja.
Uitvoering geven aan het Actieprogramma Ruimte en Cultuur door middel van de actie naoorlogse wijken.Nee. Het actieprogramma heeft in relatie met de 40 wijken een andere invulling gekregen.
Instrument: Actieprogramma Herstructurering/56 wijken 
Monitoring van voortgang in de uitvoering. De Tweede Kamer wordt de 1e helft 2007 geïnformeerd over resultaten.Ja. (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 983, nr. 2)
Stimuleren van lokale partijen en interventie bij knelpunten (onder andere door middel van de inzet van VROM-impulsteams).Ja.
Stimuleren en agenderen van knelpunten bij de Rijksoverheid.Ja. Door uitvoering te geven aan de 13 wijken, als voorloper van de 40 wijken, waar knelpunten op rijksniveau in de charters zijn/worden opgenomen.
Kennisuitwisseling succesfactoren.Ja. IPSV, Kenniscentrum KEI, NIROV-excursies.
Instrument: Sociaal – fysieke wijkaanpak 
Ontwikkelen gezamenlijke aanpak in samenwerking met gemeenten en onder meer corporaties om (gevoelens van) onveiligheid weg te nemen.Nee. In het Coalitieakkoord is opgenomen dat er extra middelen voor veiligheid door BZK in het gemeentefonds worden gestort.
Uitvoering van het programma «Nieuwe coalities voor de wijk».Ja, het programma is afgerond en de lessen daaruit zijn opgenomen in het actieplan Krachtwijken.
Burgers worden betrokken bij de sociaal-fysieke aanpak door actieve participatie in pilots en onderzoekstrajecten.Ja. Ondersteuning LSA, Pilots «Betrokken Buurten» en in de charters wijkaanpak is vastgelegd dat burgers worden betrokken bij de aanpak van de wijk.
Nieuw instrument: Wijkaanpak 
Actieplan Krachtwijken.Ja, zie kamerstukken II, 2006–2007, 30 995, nr. 7.
Totstandkoming wijkactieplannen en sluiten charter.Nee, de planning is aangepast als gevolg van de late uitkomst van de onderhandelingen met Aedes. Uiterlijk 1 maart 2008 zijn de plannen en de charters gereed.
Opzetten landelijke alliantie.Ja. Bijna 50 maatschappelijke instellingen, organisaties en bedrijven hebben zich aangesloten. De Landelijke Alliantie Krachtwijken heeft zich 10 december 2007 gepresenteerd.
Opzetten Consortium Kenniscentra.Ja. De krachtwijken worden door 11 kenniscentra ondersteund. Er is een kennisportal via de VROM-site waar kennis wordt ontsloten vanuit de betrokken kenniscentra.
Voorbereiden monitoring en bestuurlijk overleg.Ja. In 2007 zijn de voorbereidingen getroffen voor een outputmonitor, externe visitatie en een longitudinaal onderzoek. De outcomemonitor wordt jaarlijks opgeleverd door het CBS.
Instrument: Bijzondere aandachtsgroepen 
Monitoren van de uitvoering van het Plan van aanpak maatschappelijke opvang dak- en thuislozen.Ja. Monitoring is dit jaar gestart. Het ministerie van VWS heeft hiertoe een brede monitorgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de G4, van de relevante maatschappelijke organisaties en van de betrokken ministeries. Voor een verder beeld van de voortgang wordt verwezen naar het jaarverslag van het ministerie van VWS.
Verdere stimulering van corporaties om activiteiten te ontplooien op de onderste sporten van de woonladder.Ja. Dit heeft een plaats gekregen in het onderhandelaarakkoord van 17 september 2007 met Aedes. Daarnaast door middel van het uitschrijven van Prijsvraag De Zilveren Woonladder. Alsmede door de Handreiking «Iedereen onder dak» (voor huisvesting van bijzondere doelgroepen), de financiële ondersteuning voor «Geef Opvang de Ruimte 2007–2008: wijken in beweging» en steun voor het project «Skaeve Huse» via SEV.
Monitoren van de huisvesting van studentenNee. Dit heeft geen prioriteit gekregen. In 2005 is al geconstateerd dat door genomen maatregelen het aanbod van studentenhuisvesting zich positief ontwikkelt. De Koepel van studentenhuisvestende woningcorporaties (Kences) heeft aangegeven dat vrijwel overal de eertijds grote tekorten zijn ingelopen.
Bijdragen aan Breed Initiatief Maatschappelijke BindingJa. Het BIMB is in 2007 beëindigd. Als uitvloeisel van BIMB zijn activiteiten voortgezet in de vorm van bijdragen aan Kan Wel en Kamers met Kansen. Met Kan Wel wordt bewonersparticipatie gestimuleerd. Kamers met Kansen ondersteunt jongeren met een achterstand op het gebied van wonen, leren en werken.
Uitvoering VROM-deel Actieplan Operatie JongJa. Over de uitvoering van de Operatie Jong is de Kamer geïnformeerd bij brief van VWS over De Jeugdagenda (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 284, nr. 22).
Meetbare gegevens
Prestaties (meetbare gegevens): 
Toename middeldure en dure woningen (ten behoeve van midden en hoge inkomens) in bestaand stedelijk gebied in de G-31. Nee. Eerstvolgende meting in 2009 (WoON2009).
Toename van de bijdrage van randgemeenten aan de huisvesting van lage inkomensgroepen. Nee. Eerstvolgende meting in 2009 (WoON2009).
Verbeteren van de kwaliteit van de woning, de directe woonomgeving en de openbare ruimte, met name in oude stadswijken.Ja, zie Kamerstukken II, 2006–2007, 30 607 XI, nr. 3.
Duurzaam en evenwichtig verbeteren van de leefkwaliteit, met name in oude stadswijken.Ja, zie Kamerstukken II, 2006–2007, 30 607 XI, nr. 3.
Adequate huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen (in 2007 in G4 25% minder dak- en thuislozen dan de 10 250in 2005). Nee. Deze gegevens komen beschikbaar via een monitor vanuit het ministerie van VWS.
Terugdringen aantal huisuitzettingen (in 2008 30% minder dan in 2004).Nee. Deze gegevens komen beschikbaar via een monitor vanuit het ministerie van VWS.
Prestatie-indicatoren ambities 56 wijken
IndicatorBasiswaarde jaargemiddelde 2000–2003Realisatie (2005)Streefwaarde jaargemiddeldeRealisatie (2006)PM: Realisatie (2007) PM: eind maart
Nieuwbouw huur9501 5502 4003 3003 500
Nieuwbouw koop1 5501 6005 3503 8003 850
Verkoop huurwoningen1 0001 7501 0001 6011 650
 Basiswaarde (2002) Streefwaarde1  
Aandeel koopwoningen (in % van de woningvoorraad)29%Niet bekend40%32%35%
Aandeel huurwoningen71%Niet bekend60%68%66%

1 De streefwaarden zijn gebaseerd op 55 afgeronde prestatieafspraken van lokale partijen. De afspraken kennen verschillende looptijden.

Bron realisatiegegevens: Syswov.

2.3.4. Garanderen van de minimum bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen en bevorderen van een hogere kwaliteit daarvan

Om alle woningen, gebouwen en overige bouwwerken aan de noodzakelijke bouwtechnische kwaliteitseisen te laten voldoen, stelt VROM wettelijke kaders (Woningwet) en formuleert zij prestatie-eisen voor een minimum bouw- en gebruikstechnische kwaliteit van deze objecten (Bouwbesluit 2003).

Om aansluiting te houden bij technologische, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, stimuleert VROM een hogere kwaliteit van gebouwen en bouwwerken dan wettelijk voorgeschreven. Speciale aandacht gaat uit naar duurzaamheid en realisatie van de CO2-reductiedoelstelling in de bouw.

Doelbereiking

In de afgelopen periode is een start gemaakt met de modernisering en vereenvoudiging van de wet- en regelgeving op het terrein van bouwen. Dit heeft als doel verbetering van de handhaafbaarheid en vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Naast de wijziging op de Woningwet op 1 april 2007 zijn in het afgelopen jaar voorbereidingen getroffen voor het schrappen van overbodige regels en vereenvoudiging van technische bouwvoorschriften in het Bouwbesluit 2003. De praktijkproef Gecertificeerde Bouwbesluittoets is succesvol afgerond. Het ontwikkelde certificaat biedt voldoende kwaliteitsborgen voor uitvoering van de Bouwbesluittoets in de praktijk. De uiteindelijke invoering van het certificaat draagt bij aan de versnelling van de behandeling van de bouwvergunningaanvraag en verlening daarvan.

In 2007 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door de Tweede Kamer behandeld. Voor het bouwen zal in de toekomst een omgevingsvergunning op grond van de Wabo nodig zijn. De omgevingsvergunning maakt het mogelijk 25 vergunningaanvragen terug te brengen tot één aanvraag. De Woningwet zal hierop worden aangepast.

Met betrekking tot de duurzame kwaliteit van woningen en gebouwen is de Praktijkproef milieuprestaties in de bouw succesvol afgerond. Momenteel wordt bestudeerd op welke wijze de milieuprestaties van woningen en gebouwen kunnen worden opgenomen in de regelgeving. In 2007 is in samenwerking met het ministerie van BZK het Actieprogramma brandveiligheid opgezet. De stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het programma is gerapporteerd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 956, nr. 56). Acties uit het actieprogramma hebben tot doel het brandveiligheidsbewustzijn van doelgroepen van beleid te vergroten.

Energiebesparing gebouwde omgeving

In 2007 zijn voorbereidingen getroffen voor uitvoering van de plannen van het kabinet ten aanzien van energiebesparing in de gebouwde omgeving. Met de uitvoering van het werkprogramma «Schoon en Zuinig, sectorplan Gebouwde omgeving» is in 2007 gestart. Een bijdrage is geleverd aan het plan «Meer met Minder», een marktinitiatief voor (financiële) stimulering van energiebesparende maatregelen in de bestaande bouw. Voor energiebesparing in de gebouwde omgeving zijn onderstaande convenanten tussen overheid en marktpartijen opgesteld:

1. Meer met Minder: VROM en WWI, EZ, Bouwend Nederland, Uneto-VNI, energieproducerende bedrijven en energieretail bedrijven;

2. Intentieverklaring consumentenorganisaties;

3. Convenant Energiezuinige nieuwbouw: NEPROM, NVB, Aedes, Bouwend Nederland, WWI en VROM;

4. Voor de sociale huursector is een tripartiet overeenkomst voorbereid: Aedes, Woonbond en WWI;

5. MJA2 (meerjarenafspraak) met dienstensectoren: HBO, WO, Banken en verzekeraars.

Verder is een bijdrage geleverd aan het bestuursakkoord klimaatbeleid tussen rijk en VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten). Tevens zijn er voorbereidingen getroffen voor intensivering van innovatie in energiezuinige bouw. Begin 2008 zal een eerste tender worden gepubliceerd.

In 2007 is ook de landelijke verplichtstelling (per 1 januari 2008) van het energielabel voor gebouwen (EPBD-label) voorbereid. Naar aanleiding van ophef over de invoering van het energielabel zijn 4 verbeteracties opgestart: 1. Verplichte toets voor adviseurs; 2. Steeksproefsgewijze controles; 3. Opzetten van een meer transparantere klachtenregeling en 4. Verstrekken van opnamegegevens aan gebouweigenaren.

De 278 projecten van de laatste tenders van de tijdelijke regeling CO2- en de TELI-regeling zijn allen in uitvoering gebracht. Eveneens het programma «Kompas, Energiebewust Wonen en Werken» (2007) voor kennisoverdracht en ondersteuning van professionele partijen in de bouw.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Garanderen van de minimale bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen 
1. Verbetering en vereenvoudiging bouwvergunningprocedures voor burgers en bedrijven door: 
Invoering en voorlichting wijziging Woningwet (handhavingbeleidsplan). Ja. Naar aanleiding van de wijziging is de Gemeentelijke Handreiking handhaven bouwregelgeving geactualiseerd.
Standpuntbepaling naar aanleiding van evaluatie Woningwet (evaluatie van onder andere het welstandstoezicht en verruiming van het vergunningsvrij bouwen). Nee. In het kader van de Woningwet zijn in 2007 het vernieuwde welstandstoezicht en de regeling voor bouwvergunningvrije bouwwerken geëvalueerd.
Voorbereiding indiening wetsvoorstel wijziging Woningwet bij de Tweede en Eerste Kamer in 2008: wettelijke basis voor het Gebruiksbesluit en verdere deregulering. Nee. In 2007 is een start gemaakt met de voorbereiding indiening wetsvoorstel wijziging Woningwet..
Afronding praktijkproef gecertificeerde Bouwbesluittoets.Ja.
Uitvoering plan van aanpak «Transparantie kwaliteit van Woningen». Nee. Het project «Transparantie kwaliteit van woningen» is in 2007geposterioriseerd in afwachting van de studie fundamentele verkenning van de bouwregelgeving van de commissie Dekker.
Helpdesk bouwregelgeving. Ja (doorlopende activiteit).
2. Vaststellen minimale kwaliteit van woningen en overige gebouwen door: 
Voorbereiding wijziging Bouwbesluit 2003 in verband met deregulering en vereenvoudiging: eerste helft 2007 voor advies naar Raad van State en voorbereiden voorlichting inwerkingtreding per 2008. Nee. Het ontwerpbesluit «Wijziging Bouwbesluit» wordt in april 2008 gepubliceerd. Inwerkingtreding zal plaatsvinden tegelijkertijd met de 2e fase Besluit brandveilig gebruik bouwwerken.
Aanscherping Energie Prestatie Coëfficiënt voor nieuwe utiliteitsgebouwen (EPC-U). Nee. De aanscherping van de EPC-utiliteitsbouw met 20% is ter notificatie toegezonden aan de Europese Commissie..
Voorlichting en inwerkingtreding landelijke uniformering voorschriften brandveilig gebruik bouwwerken uit de bouwverordening in het Gebruiksbesluit. Hiermee wordt het aantal gebruiksvergunningplichtige bouwwerken met 80% gereduceerd (vanaf 1–5–2007). Nee. Het traject van uniformering van gebruiksvoorschriften ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken (Gebruiksbesluit) heeft vertraging opgelopen. Dit is onder andere veroorzaakt door de kabinetswijziging. Een ontwerp van het Gebruiksbesluit is aan de Tweede Kamer toegestuurd en besproken tijdens de AO bouwregelgeving (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 325, nr. 52). De tekst van het besluit wordt begin 2008 toegestuurd aan de Raad van State. Inwerkingtreding van de eerste fase van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken wordt verwacht eind 2008.
Opzetten traject voor de vereenvoudiging van NEN-normen.Ja.
3. Implementatie Europese regelgeving: 
Uitvoering implementatie Europese Normen in Nederlandse regelgeving en implementatie Richtlijn Bouwproducten (CE-markering). Ja (doorlopende activiteit).
Implementatie van de Europese richtlijn Energy Performance Building Directive (EPBD) per 1–1-2007.Nee. De Europese richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) zal per 1 januari 2008 in werking treden. Op 1 januari 2008 zijn er voldoende adviseurs beschikbaar voor afgifte van het energielabel.
4. Bijdragen aan totstandkoming Omgevingsvergunning (zie artikel 10).Ja.
Instrument: Verbeteren van de bouwtechnische kwaliteit van gebouwen en stimuleren van innovatie. 
5. Verbetering (brand-)veiligheidsniveau van gebouwen door: 
Bijdrage update brandveiligheidsconcept cellen en celgebouwen. Ja.
Standpuntbepaling naar aanleiding van resultaten Monitoring veiligheid gas en elektra.Ja.
6. Beperking CO2-emissie in de sector gebouwde omgeving door: 
Uitvoering activiteiten ten behoeve van het programma Energiebewust Wonen en Werken (Kompas-programma 2007); (Evaluatie Klimaatbeleid, brief over het klimaatbeleid voor de gebouwde omgeving, kamerstukken II, 2004–2005, 28 240 XI, nr. 17). Ja.
Uitvoering projecten Tijdelijke Regeling CO2-reductie gebouwde omgeving. Evaluatie klimaatbeleid, brief Tijdelijke regeling energiebesparing in de gebouwde omgeving (kamerstukken II, 2004–2005, 28 240 XI, nr. 33). Ja.
Uitvoering 4e tender Energiebesparing Lagere Inkomens (TELI) (mede naar aanleiding van amendement Samsom).Ja.
Uitvoering motie Spies: uitwerking en implementatie van de voorstellen die worden gedaan in de Tweede Kamer brief over energiebesparing in de gebouwde omgeving (2e helft 2006).Ja.
Energietransitie: de activiteiten van het energietransitie-platform voor de gebouwde omgeving worden gevolgd en ondersteund. Ja.
7. Verhoging gezondheidsniveau in gebouwen: 
Uitvoering beleidsvoornemens naar aanleiding van resultaten onderzoek gezondheidskwaliteit van bepaalde delen van de woningvoorraad. Ja. Beleid en acties zijn gerapporteerd aan de TK (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 535 en 28 325, nr. 14).
Voorbereiding monitoring gezondheid woningen met een aangescherpte EPC (naar aanleiding van motie Vietsch).Ja.
8. Vermindering negatieve milieueffecten bij het bouwen en beheren van gebouwen: 
Uitvoeren resultaten praktijkproef bouwen en milieu. Ja.
Uitvoering advies van Project Bewoners en (Duurzaam) Bouwen. Ja.
Uitvoeren projecten VACpunt Wonen conform de meerjarenafspraak. Ja.
Meetbare gegevens
IndicatorStreefwaarde 2007Realisatie 2007
Garanderen van minimale bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen:  
Verbetering naleving bouwgerelateerde voorschriftenzie 12.2.2 adequate naleving woningwettakenzie 12.2.2 naleving woningwettaken
Administratieve lastenvermindering van de bouwvergunningprocedure voor burgers en bouwpartijen.Vermindering administratieve lasten binnen deze kabinetsperiode (2003–zomer 2007) met 10%. De administratieve lasten verschillen per type bouwaanvraag en de complexiteit (type) van het gebouw. Een nulmeting is in 2003 verricht. Basiswaarde per 31/12/2002 voor DGWWI is € 323 mln.Besparing € 36 mln per jaar als gevolg van omgevingsvergunning conform de Wabo.
Verbeteren van de bouwtechnische kwaliteit van gebouwen en stimuleren van innovatie:  
BrandveiligheidAantal van 38 doden/799 gewonden per jaar bij branden in woningen neemt niet toe (* = excl. Brandweerpersoneel en met betrekking tot referentiejaar 2000 (CBS))Een nieuwe prestatie-indicator is nog niet gedefinieerd.Dit zal mogelijk in 2008 worden gedaan.
Beperking CO2-emissie in de gebouwde omgevingEmissieplafond van 29 Mton in 2010; 1,3% energiebesparingtempo (afhankelijk van EZ brief aan TK). CO2-emissie gebouwde omgeving in 2006 bedraagt 30Mton. De emissie stabiliseert zich de laatste jaren rond het plafond van 29Mton.

Bron realisatiegegevens: VROM-Inspectie (2007), CBS 2007,bronnen MNP.

2.3.5. Overzicht afgeronde onderzoeken

 Onderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBevorderen van leefbaarheid van wijken.2.2.320062007Kamerstukken II, 2006–2207, 30 983, nr. 2.
Effectenonderzoek ex postBLS stimuleringsregeling Particulier opdrachtgeverschap.2.2.120062007Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10.
 Bestuurlijk Overleg uitvoering woningbouwafspraken 2005 t/m 2009.2.2.1200720101
 Particulier opdrachtgeverschap2.2.1200720102
Overig evaluatieonderzoekGeschikte woningen voor senioren en gehandicapten op basis van WoON.2.2.220062007Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 111.
 Mid-term review GSB-III/ ISV-II.2.2.320072007Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15.
 Sociaalfysiek op basis van WoON2.2.320062007www.minvrom.nl.
 Evaluatie Woningwet (bouwvergunningvrij bouwen en welstandstoezicht).2.2.4200720083
 Energiebesparing woningbouw:2.2.4200720074 De onderzoeksrapporten zijn beschikbaar op www.senternovem.nl.
 Evaluatie TELI-regeling2.2.420072007Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI, nr. 83.
 Bouwregelgeving2.2.4200720085
 Twee Themapublicaties «Stedelijke Vernieuwing» op basis van WoON. 2.2.320062007www.minvrom.nl
 Realiseren woonvoorzieningen voor de onderste treden woonladder2.2.3200720086

1 Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVII, nr. 10.

2 Onderzoek wordt afgerond in 2010; zie daartoe Actieplan Woningproductie (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10).

3 De rapporten worden ingebracht in de ministerraad van 29 februari 2008, waarna toezending aan de Eerste en Tweede Kamer plaatsheeft.

4 In het kader van het programma Kompas «Energiebewust wonen en werken» zijn vele onderzoeken uitgevoerd die begrekking hebben op (1) effectmeting of gegevensverzameling, (2) onderbouwde studies voor instrumentontwikkeling of marktbenadering en (3) algemene en beleidsondersteunende studies.

5 Het onderzoek ten behoeve van de monitoring van de bouwregelgeving is, vertraagd, eind 2007 gestart met een verwachte afronding en publicatie meido 2008.

6 Rapport, naar aanleiding van de motie Van der Staaij (Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 VII, nr. 33) wordt in 2008 aan de Kamer gezonden.

Artikel 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt

3.1. Algemene beleidsdoelstelling

VROM heeft zich tot doel gesteld te garanderen dat alle inkomensgroepen in goede en betaalbare woningen kunnen worden gehuisvest en voldoende de keuzevrijheid hebben in de eigen woonsituatie.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• Garanderen van de betaalbaarheid van voldoende huurwoningen en een evenwichtige (en rechtvaardige) verdeling hiervan (aanbodgericht).

• Garanderen van de betaalbaarheid van het wonen voor lage inkomensgroepen (vraaggericht).

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Op basis van het dalen van de netto huurquotes en de stijging van de «netto inkomen na kale huurlastenindex» (NINKI) kan worden geconcludeerd dat de betaalbaarheid voor huurders is verbeterd. Hiermee heeft de huurtoeslag een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de inkomenssituatie. In de koopsector is de toegankelijkheid voor starters verbeterd door de 1100 bijdragen aan startersleningen en verruiming van de Wet Bevordering eigenwoningbezit waar 3 250 aanvragen zijn toegekend.

De behandeltermijnen van huurgeschillen zijn in de loop van 2007 structureel korter geworden. Verder zijn in 2007 voorbereidingen getroffen voor de vorming van één ZBO voor de huurgeschillenbeslechting per 1 januari 2009. De concept wetgeving hiervoor is in 2007 vrijwel afgerond. De Tweede Kamer is hierover in december 2007 geïnformeerd. (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 926, en 28 648, nr. 123).

Externe factoren

Externe factoren hierbij zijn voldoende investeringen in de nieuwbouw (waaronder huurwoningen) en een kwalitatief goede uitvoering van de Wet op de huurtoeslag met tijdige en correcte betaling van de huurtoeslag aan de burger door de Belastingdienst Toeslagen. Daarnaast levert het historisch laag huurverhogingpercentage van 1,1% een succesvolle bijdrage aan de betaalbaarheid van het wonen voor lage inkomensgroepen.

3.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:1 803 8881 809 5582 808 1702 225 8892 366 2432 045 951320 292
Uitgaven:1 736 3641 791 9411 801 1082 223 5352 331 5582 030 164301 394
Programma:1 670 9631 733 9931 742 3442 188 2472 303 8322009 001294 831
 Garanderen betaalbaarheid voldoende huurwoningen en evenwichtige verdeling:0000000
  Garanderen van de betaalbaarheid van voldoende huurwoningen en een evenwichtige verdeling hiervan (aanbodgericht)0000000
 Garanderen betaalbaarheid wonen voor lage inkomensgroepen (vraaggericht):1 670 4881 733 7481 741 9882 187 9782 303 5642006 719296 845
  Huursubsidie en huurtoeslag1 628 7971 669 6671 696 0582 135 7572 302 2482004 793297 455
  Vangnetregeling40 56436 63342 74411 093000
  Eénmalige bijdrage huurbeleid026 5092 07398000
  Kostenvergoeding verhuurders4152360000
  Bevorderen eigenwoningbezit7129161 1071 0301 3161 926– 610
  Bijdrage financiering startersleningen00040 000000
 Overige programmabudgetten:4272453562692682 282– 2 014
  Onderzoek401229290154178737– 559
  Kennisoverdracht261666115904545
  Kosten uitvoeringsorganisaties   001 500– 1 500
  Nader aan te wijzen   00 0
        
  Toegankelijkheid rijkshuisvesting*48     0
Apparaat:65 40157 94858 76435 28827 72521 1636 562
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 3 (WWI)16 90117 74816 82813 97313 50721 163– 7 656
  Uitvoering huursubsidie48 50040 20041 93621 31514 218014 218
Ontvangsten:67 746113 05063 19885 524133 888659 134– 525 246

* Oud instrument dat na 2003 is komen te vervallen

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 320 mln)

In 2007 heeft de uitvoering van de huurtoeslag en de regeling «Bevordering eigen woningbezit – Plus» (BEW-plus) geleid tot hogere verplichtingen van € 280 mln respectievelijk € 40 mln. De achterliggende oorzaak ligt bij de huurtoeslag. Bij BEW-plus ligt de oorzaak vooral in het feit dat de subsidie toekenningen voor 15 jaar worden gedaan (hiermee was in de oorspronkelijke begroting geen rekening mee gehouden) en dat er ruim 2 700 meer aan toekenningen zijn gedaan dan oorspronkelijk geraamd.

Huurtoeslag en huursubsidie (uitgaven + € 297 mln)

De overschrijding is voor het grootste deel het gevolg van hogere uitgaven huurtoeslag.

Apparaat (uitgaven + € 6,6 mln)

De overschrijding is het gevolg van in 2007 gerealiseerde uitgaven voor de uitvoering van de huursubsidie, waarvoor in de ontwerp-begroting geen budget was opgenomen. Dit betreft apparaatsuitgaven voor de afwikkeling van de oude coderegelingen huursubsidie (afhandeling bezwaarschriften, invorderingen en nabetalingen).

Op het instrument «Apparaat artikel 3 (WWI)» is sprake van lagere uitgaven, ondermeer omdat het investeringsbudget voor de herinrichting van de organisatie van de huurgeschillenbeslechting later tot besteding komt dan eerder geraamd.

Ontvangsten (– € 525 mln)

Het wetsvoorstel Interimwet betaalbaarheidsheffing huurwoningen, dat door het vorige kabinet in het najaar 2006 werd aangeboden aan de Eerste Kamer, is door de Eerste Kamer niet meer in behandeling genomen. De ontvangsten die in het kader van het wetsvoorstel waren geraamd (€ 485 mln) komen dan ook te vervallen.

Daarnaast vallen de restituties «huurtoeslag» € 44 mln lager uit, doordat in 2007 minder vorderingen zijn ingesteld door de vertraging van de definitieve vaststellingen toeslagjaar 2006.

Daar tegenover staat dat de restituties «huursubsidie» € 4 mln hoger zijn door een snellere inning van terugvorderingen.

3.3. Operationele doelstellingen

3.3.1. Garanderen van de betaalbaarheid van voldoende huurwoningen en een evenwichtige verdeling hiervan (aanbodgericht)

Doel is het garanderen van de betaalbaarheid van huurwoningen voor alle huishoudens die door hun inkomenssituatie daar niet of onvoldoende zelf in kunnen voorzien en het bewerkstelligen van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse huurwoningen.

Doelbereiking

De gemiddelde huurstijging per 1 juli 2007 is uitgekomen op 1,1% waarmee sprake is van een beheerste huurprijsontwikkeling. Als gevolg van Coalitieakkoord is afgezien van modernisering van het huurbeleid en is de stijging van de huren gekoppeld aan de inflatie. Het wetsvoorstel modernisering huurbeleid is ingetrokken. Werkzaamheden die hiermee in breder kader verband hielden, zijn stopgezet.

Voor huurverhoginggeschillen is opnieuw voldaan aan de doelstelling met betrekking tot de behandeltermijnen. Voor servicekostengeschillen is de doelstelling eveneens gehaald, na een periode waarin dit niet het geval was ten gevolge van een sterk verhoogde instroom. Alleen bij de overige geschillen met betrekking tot de hoogte van de huur is nog sprake van een naijleffect. Hoewel de behandeltermijn van de overige geschillen zich sinds medio 2007 structureel binnen de norm bevindt, is dit net niet voldoende om het gemiddelde over heel 2007 binnen de norm te krijgen.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Modernisering huurbeleid. 
• Met ingang van januari 2007 wordt de marktwerking op de huurwoningmarkt geleidelijk vergroot en wordt de WOZ-waarde bepalend voor een nadere indeling van de huurwoningmarkt in drie segmenten: gereguleerd segment (ca. 75%), overgangssegment (ca. 20%) en geliberaliseerd segment (ca. 5%).• Het woningwaarderingsstelsel (WWS) wordt met ingang van 1 januari 2007 aangepast.• De differentiatiemogelijkheden binnen de huurverhogingpercentages zullen geleidelijk worden verruimd. Nee. Als gevolg van Coalitieakkoord is afgezien van modernisering van het huurbeleid. Het hiermee verband houdende wetsvoorstel modernisering huurbeleid 2007 is ingetrokken (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 595, nr. 36 en Kamerstukken I, 2006–2007, 30 595, G). Werkzaamheden die hiermee in breder kader verband hielden zoals de introductie van de WOZ-waarde in het woningwaarderingsstelsel en de differentiatiemogelijkheden binnen de huurverhogingpercentages, zijn stopgezet. Op het punt van de meetbare gegevens en prestatie-indicatoren is er derhalve ook geen informatie.
Instrument: Herziene Huisvestingswet. 
• In 2007 wordt de herziene Huisvestingswet opgesteld. Deze treedt in 2008 in werking.Nee. Op 26 november 2007 heeft minister Vogelaar de kaderbrief herziening Huisvestingswet (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 624, nr. 3) naar de Kamer gestuurd. In deze brief zijn alle openstaande moties en toezeggingen rondom de Huisvestingswet meegenomen. Naar verwachting zal de inwerkingtreding van de herziene wet, afhankelijk van de parlementaire behandeling, op 1 januari 2010 plaatsvinden.
Instrument: Passend wonen. 
• In 2007 worden de voorstellen uit de visie op de woningmarkt op dit terrein verder onderzocht en samen met de partners op de woningmarkt uitgewerkt. Nee. De visie op de woningmarkt is niet in de Tweede Kamer behandeld.
• Voor het bevorderen van transparantie op de woningmarkt zullen de mogelijkheden voor een huurmakelaar, een wooncoach voor ouderen en landelijk transparante aanbodinformatie worden onderzocht.Nee. Er heeft literatuurstudie plaatsgevonden naar verhuismobiliteit (hierin is het thema invloed overdrachtsbelasting op de doorstroming meegenomen). De literatuurstudie «Verhuismobiliteit: een studie naar belemmeringen tot verhuizen» is op 8 februari 2007 aan de Tweede Kamer aangeboden. Op verzoek van de Kamer is daar bij brief van 17 juli 2007 een kabinetsreactie op gegeven (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 606 XI, nr. 2 en 6). Werkzaamheden die verband houden met het onderzoeken van de mogelijkheden van huurmakelaar en wooncoaches voor ouderen worden later in de tijd uitgevoerd.
• Nader onderzoek naar de invloed van de overdrachtsbelasting op de doorstroming.Ja, zie toelichting hierboven.
Instrument: Huurgeschillenbeslechting. 
• Afhandelen van huurgeschillen met behandeltermijnen als genoemd in de tabel 3.1.Nee, zie toelichting bij de tabel «prestatie-indicatoren huurgeschillenbeslechting».
• Verdere uitvoering geven aan de wijziging van de organisatie van de huurgeschillenbeslechting om te komen tot een ZBO, onder andere door het opstellen van wetgeving hiervoor. In het voorjaar van 2007 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd. Ja, zie Kamerstukken II, 2007–2008, 27 926 en 28 648, nr. 123.
Prestaties: 
• De beleidsvoorstellen van de modernisering van het huurbeleid (huurwetgeving) met betrekking tot het gebruik van de WOZ-waarde ten behoeve van overgangs- en geliberaliseerd segment, alsmede de implementatie van de WOZ-waarde in het woningwaarderingsstelsel (WWS) zullen per 1 januari 2007 in werking treden. De gefaseerde ruimte in de huurverhoging wordt gecontinueerd. Nee, zie toelichting modernisering huurbeleid.
• In 2008 en 2010 zal worden bezien of is voldaan aan de woningproductie conform de woningbouwafspraken (zie 2.2.1), waaraan beëindiging van het overgangssegment voor nieuwe huurders is gekoppeld. De hoogte van de huurstijgingen van het huurprijsplafond zijn daarvan afhankelijk gesteld. Nee, zie toelichting modernisering huurbeleid

Meetbare gegevens

In de begroting 2007 zijn de volgende prestatie-indicatoren opgenomen:

• Gemiddelde jaarlijkse huurstijging, onderscheiden naar sociale en overige verhuurders en de verschillende huurregimes die gelden voor de voorraad;

• Aantallen nieuwbouwwoningen, gekoppeld aan het tempo van de modernisering van het huurbeleid (zie artikel 2, tabel 2.2).

Aangezien ingevolge het Coalitieakkoord is afgezien van modernisering van het huurbeleid is er op het punt van de meetbare gegevens en prestatie-indicatoren derhalve geen informatie.

Maximale toegestane huurstijging

Voor het tijdvak 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008 is het maximale huurverhogingpercentage gelijk aan het inflatiepercentage van 2006 en ligt op 1,1%.

Passend toegewezen woningen in totale voorraad sociale huurders (%)

Van de woningen wordt 90% passend toegewezen volgens streefwaarde. (Bron: Toezichtsverslagen VROM-inspectie)

Tabel 3.1 Prestatie-indicatoren huurgeschillenbeslechting
Tabel Huurgeschillenbeslechting:2006streefwaarde 2007realisatie 2007
80% van de geschillen over huurverhoging binnen 6 maanden afgedaan.Ja, 96%Aantal 6 000, 80% binnen 6 maandenJa, aantal 2 442, 86% binnen 6 maanden
80% van de geschillen over servicekosten binnen 7 maanden afgedaanNee, 69%Aantal 4 000, 80% binnen 7 maandenJa, aantal 4 306, 81% binnen 7 maanden
80% van de overige geschillen binnen 6 maanden afgedaanNee, 69%Aantal 10 000, 80% binnen 6 maandenNee, aantal 7 058, 78% binnen 6 maanden

Bron Huurgeschillenbeslechting (registratiesysteem GBS)

Huurgeschillenbeslechting

Het gerealiseerde aantal huurverhoginguitspraken is net als in 2006 lager dan geraamd. Dit is voornamelijk het gevolg van het lage maximale huurverhogingpercentage. Hierdoor hebben veel minder huurders bezwaar gemaakt tegen het verhogingsvoorstel van hun verhuurder. Ten opzichte van 2006 is de realisatie verbeterd van 69% in 2006 naar 78% in 2007. De norm wordt inmiddels structureel gehaald.

3.3.2. Garanderen van de betaalbaarheid van het wonen voor lage inkomensgroepen (vraaggericht)

Doel is om de betaalbaarheid van het zelfstandig wonen voor alle bevolkingsgroepen te garanderen en het effect van stijgende woonlasten voor specifieke groepen te beperken. Voorts is het doel om het voor huishoudens met een beperkt budget toch mogelijk te maken een eigen woning te kopen.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Wet betaalbaarheidsheffing huurwoningen. 
• Verhuurders leveren een bijdrage aan de betaalbaarheid van het wonen voor de lagere inkomens. De wet treedt in 2006 in werking. Nee. Als gevolg van Coalitieakkoord is afgezien van modernisering van het huurbeleid. Het wetsvoorstel zal worden ingetrokken.
Instrument: Huurprijstoetsingen op verzoek van de belastingdienst. 
• Onderdeel van het M&O-beleid is dat de voorzitters van de Huurcommissie op verzoek van de Belastingdienst de redelijkheid van de huurprijs toetsen. In 2007 wordt uitgegaan van een instroom van 14 000 van dergelijke verzoeken en van een gelijk aantal uit te voeren toetsen. De voorgenomen wijzigingen in het huurbeleid kunnen een bijstelling van het aantal toetsingen tot gevolg hebben. Nee. In 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, evenals in 2006, nauwelijks verzoeken ingediend bij de voorzitters van de huurcommissies tot een toets op de redelijkheid van de huurprijs. Op grond van voorgaande jaren waren 14 000 verzoeken geraamd, dit zijn er 1 248 geworden. Het aantal toetsen ligt lager dan geraamd vanwege andere prioriteitsstelling als gevolg van problemen bij de uitvoering door de Belastingdienst/Toeslagen. In het kader van de vereenvoudiging wordt ook in de toekomst uitgegaan van een lager aantal toetsen (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 066, nr.13).
Instrument: Nationale hypotheekgarantie (NHG). 
• Actualiseren en stroomlijnen van normen en voorwaarden.Ja
• Verhogen van de kostengrens per 1 januari 2007 naar € 260 000.Ja
Instrument: Beperken onderhoudsrisico’s. 
• Een verdiepend onderzoek verrichten naar de condities waaronder Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) goed en minder goed functioneren in bepaalde gemeenten en/of segmenten van de appartementenmarkt.Ja, zie brief over particuliere woningverbetering van 15 november 2007 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 8)
Instrument: Bevorderen eigen woningbezit. 
• Verruiming van de inkomens- een koopsomgrenzen van de Wet bevordering eigenwoningbezit (BEW) per 1 januari 2007.Ja
• Verstrekken van bijdragen voor startersleningen uit het fonds dat is ondergebracht bij het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) ter ondersteuning van lokaal maatwerk door gemeenten.Ja
• Het uitdragen van «good-practices» van verkoopvormen en een of meer modelverkoopcontracten ontwikkelen voor de verkoop onder redelijke voorwaarden.Nee. Ten aanzien van het uitdragen van goede verkoopvormen en het opstellen van model koopcontracten is besloten deze activiteiten in samenhang te bezien met de in 2007 gestarte evaluatie beleid verkoop huurwoningen. Deze evaluatie wordt in 2008 afgerond. Naar aanleiding van de uitkomsten worden de acties rondom de goede verkoopvormen en modelcontracten nader ingevuld.
Prestaties: Aanpassing Wet op de huurtoeslag. 
• Wetswijzigingen aangaande de huurtoeslag voor bewoners van waterwoningen, versoepeling voorwaarden voor huurgrensoverschrijding gehandicapte jongeren en enkele andere technische wijzigingen zullen volgens planning per 1 januari 2007 ingaan.Ja, zie wet van 20 november 2006, Staatsblad 2006, nr. 618.
• De aanpassing van het in deze wet gehanteerde begrip «verwachtte gemiddelde huurprijswijziging» dient per 1 juli 2007 in te gaan. Nee, zie toelichting wet betaalbaarheidsheffing huurwoningen.
• De vervanging van de huidige huurtoeslagtabellen door een formule zal naar verwachting per 1 januari 2008 zijn beslag krijgen. Het wetsvoorstel ter zake wordt uiterlijk begin 2007 ingediend.Ja

Meetbare gegevens

Betaalbaarheid voor de doelgroep garanderen (huurtoeslag)

• Netto-huurquote (tabel 3.2) en NINKI (tabel 3.3) ter bepaling van het effect van de huurtoeslag op de betaalbaarheid van het huren (zie onder kengetallen);

• Huurtoeslagdruk: indicator voor de marginale druk; (tabel 3.4);

• Nationale Hypotheek Garantie (NHG); (tabel 3.5);

• Aandeel eigen woningbezit; (tabel 3.5).

Netto huurquote en NINKI

Met behulp van de ontwikkeling van de waarden van de prestatie-indicatoren netto-huurquote en NINKI wordt het effect van de huurtoeslag op de betaalbaarheid van het huren voor huishoudens met lage inkomens zichtbaar gemaakt. De netto-huurquote geeft aan welk deel van het netto inkomen wordt besteed aan netto huurlasten (huur minus huurtoeslag). De NINKI geeft de ontwikkeling weer van het aantal euro’s dat na aftrek van de netto woonlasten vrij besteedbaar is.

Er is gekozen voor het presenteren van een aantal referentiecases waarbij wordt uitgegaan van standaard inkomenssituaties en een huurniveau gelijk aan de aftoppingsgrens van de huurtoeslag. Hiermee kan de ontwikkeling van de indicatoren in de tijd worden gevolgd.

In de volgende tabellen worden de referentiecases gepresenteerd.

Tabel 3.2 De ontwikkeling van de netto-huurquote*
Huishouden tot 65 jaar  200420052006Begroting 2007Realisatie 2007
BijstandAlleenZonder kind27,1%28,2%27,6%27,8%27,4%
BijstandAlleenMet kind20,7%21,4%20,8%21,0%20,7%
BijstandMeerpersoonsMet kind18,8%19,4%18,8%19,0%18,7%
UitkeringsgerechtigdMeerpersoons-alleenverdienerMet kind19,9%20,4%18,8%18,9%18,7%
MarktloonAlleenZonder kind30,5%31,5%29,0%29,1%28,8%
MarktloonMeerpersoons -alleenverdienerMet kind17,1%17,8%17,7%17,9%17,7%
Huishouden vanaf 65 jaar       
AOWAlleen 25,1%25,8%24,5%24,8%24,4%
AOW+Aanvullend pensioenAlleen 25,2%26,0%22,8%23,0%22,6%
AOWMeerpersoons 18,3%18,7%18,2%18,4%18,0%
AOW+Aanvullend pensioenMeerpersoons 19,6%20,2%16,5%16,7%16,4%

Bron: Huursubsidiewet/Wet op de Huurtoelsag CPB-microtax, Ministerie SZW

* Bij de cases wordt bij de uitkeringsgerechtigden en marktloon uitgegaan van een inkomensniveau van 100% wettelijk minimumloon.

Tabel 3.3 De ontwikkeling van de netto-inkomen na kale woonlasten-index (basisjaar=2001)
Huishouden tot 65 jaar  200420052006Begroting 2007Realisatie 2007
BijstandAlleenZonder kind107,9106,0111,6113,5115,3
BijstandAlleenMet kind112,7112,8119,4121,5123,1
BijstandMeerpersoonsMet kind112,2112,3118,8120,9122,8
UitkeringsgerechtigdMeerpersoons -alleenverdienerMet kind113,4113,1122,0124,0125,8
MarktloonAlleenZonder kind110,2107,4116,1118,3119,9
MarktloonMeerpersoons alleenverdienerMet kind114,4113,1116,4118,3119,3
Huishouden vanaf 65 jaar       
AOWAlleen 110,2110,5120,6122,6124,9
AOW+Aanvullend pensioenAlleen 109,5109,3121,1123,1125,0
AOWMeerpersoons 110,9112,4118,8120,9123,1
AOW+Aanvullend pensioenMeerpersoons 110,8111,2121,8124,0126,0

Bron: Huursubsidiewet/Wet op de Huurtoeslag, CPB-microtax, Ministerie SZW

De gerealiseerde netto-huurquotes in 2007 laten voor alle cases lagere waarden zien dan is geraamd. Dit betekent dat een kleiner deel van het netto-inkomen is besteed aan netto huurlasten. De daling van de huurquotes is een gevolg van een combinatie van een lagere stijging van de netto-huurlasten per 1 juli 2007 dan was verwacht en een sterkere stijging van de netto inkomens.

Om dezelfde redenen laat de NINKI voor alle cases een verbetering zien.

Armoedeval en huurtoeslagdruk

De huurtoeslag is een inkomensafhankelijke subsidie. Als het inkomen stijgt, neemt de subsidie af. De huurtoeslagdruk laat zien welk deel van de netto-inkomensverbetering teniet wordt gedaan door verlies aan huurtoeslag als gevolg van de netto-inkomensverbetering. Voor een aantal standaard cases wordt de huurtoeslagdruk gepresenteerd in tabel 3.4.

Tabel 3.4 Huurtoeslagdruk
HuishoudsituatieInkomenssituatie
 VanNaar200420052006Begroting 2007Realisatie 2007
Alleen, zonder kind.Bijstand100% WML40,0%39,3%32,5%32,3%31,2%
Alleen, zonder kind.Bijstand130% WML48,7%49,1%49,4%48,6%47,8%
Meerpersoons, met kindBijstand100% WML0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%
Meerpersoons, met kind.Bijstand130% WML31,7%30,9%27,0%26,7%28,7%

Bron: Huursubsidiewet/Wet op de Huurtoeslag, CPB-microtax, Ministerie SZW

Voor alleenstaanden zonder kinderen die overgaan van bijstand naar werken tegen 100%- en 130% wettelijk minimumloon (WML) ligt de huurtoeslagdruk respectievelijk 0,9% en 0,8% lager dan de verwachte waarden. Dit is toe te schrijven aan een relatief sterke stijging van de netto inkomens voor 100% WML en 130% WML ten opzichte van de bijstand. Voor meerpersoonshuishoudens met kinderen geldt het omgekeerde. Voor deze groep stijgt juist op bijstandniveau het netto inkomen meer dan verwacht ten opzichte van de stijging bij 130% WML, waardoor voor deze groep de huurtoeslagdruk hoger uitkomt dan verwacht. Voor de overgang van een meerpersoonshuishouden met kinderen van bijstand naar 100% WML geldt een huurtoeslagdruk van 0%. De toename van het inkomen is niet van invloed op de hoogte van de toeslag. Het huishouden behoudt bij verbetering van de inkomenspositie de maximale toeslag.

Tabel 3.5 NHG-garanties, eigen woningbezit, BEW toekenningen en startersleningen.
 20052006Begroting 2007Realisatie 2007
NHG verstrekking121 000113 000100 000120 000
Aandeel eigen woningbezit56,3%57,0%57,7%*
BEW-toekenningen58235003 250
StartersleningenN.v.tN.v.t2 0001 100

Bron: Syswov*, Waarborgfonds Eigen Woningen, Jaarverslag werking wet op de Huurtoeslag, wet BEW, Jaarverslag SVn

* Cijfers voor 2007 zijn pas in juli 2008 beschikbaar.

In 2007 is de toegankelijkheid en betaalbaarheid van een eigen woning vergroot voor lagere inkomens. De belangstelling voor de in 2007 aangepaste koopsubsidie is groter dan verwacht. In 2007 werden circa 3 250 subsidies toegekend, terwijl van zo’n 500 werd uitgegaan. Door de spreiding over het jaar en de lagere gemiddelde bijdrage dan verwacht bleven de uitgaven voor de BEW in 2007 binnen het budgettaire kader.

De rijksbijdrage aan gemeentelijke startersleningen is ook begin 2007 van start gegaan. Met de bijdrage betaalt het Rijk de helft van de kosten van een starterslening die gemeenten kunnen verstrekken (lokaal maatwerk). In 2007 werden via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) zo’n 1 100 startersleningen verstrekt, het merendeel met rijksbijdrage (640 leningen). Dat is iets minder dan de verwachte 2 000, hetgeen komt doordat de verstrekking van startersleningen met rijksbijdrage pas in de tweede helft van 2007 goed op gang kwam. Verwacht wordt dat in 2008 het aantal sterk zal toenemen. Voor zowel de starterslening als de koopsubsidie is Nationale Hypotheek Garantie (NHG) verplicht. Mede daardoor werden er in totaal zo’n 120 000 garanties verstrekt voor de aankoop en/of verbetering van de eigen woning. Het zijn met name starters met lagere en middeninkomens die gebruik maken van het instrument NHG dat de risico’s van het eigen woningbezit beperkt.

3.4. Overzicht afgeronde onderzoeken

Bij de evaluaties wordt naast de inzet van de gebruikelijke evaluatie instrumenten ook zoveel mogelijk gebruik gemaakt van burgerparticipatie.

Soort onderzoekOnderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoek1Particulier opdrachtgeverschap3.2.2200620102
 Bijdrage aan financiering van de huursubsidie (betaalbaarheidsheffing)3.2.2n.v.t.n.v.t.3
 Passend wonen3.2.120072007Kamerstukken II, 2006–2007, 30 606 XI, nrs. 2 en 6
 Investeringen door verhuurders in nieuwbouw3.2.12007n.v.t.4

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

2 Onderzoek wordt afgerond in 2010. Zie daartoe Actieplan Woningproductie (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XVII, nr. 10).

3 Onderzoek niet uitgevoerd, daar als gevolg van het Coalitieakkoord is afgezien van de modernisering van het huurbeleid. Het betreffende wetsvoorstel zal worden ingetrokken.

4 Als gevolg van het Coalitieakkoord niet doorgegaan.

Artikel 4. Optimalisering van de ruimtelijke afweging

4.1. Algemene beleidsdoelstelling

VROM heeft de ruimtelijke afwegingsprocessen gecoördineerd door randvoorwaarden te scheppen ten behoeve van de ruimtelijke inrichting, waarbij rekening wordt gehouden met de Europese kaders. Daardoor zou Nederland zo ingericht en onderhouden moeten worden dat het een leefbaar en aantrekkelijk land is dat zich sociaal en economisch ontwikkelen kan. De algemene doelstelling is uitgewerkt in het operationele doel 4.3.1.: Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De algemene basiskwaliteit is de ondergrens voor alle ruimtelijke plannen, dus datgene waar een ruimtelijk plan minimaal aan moet voldoen. De Nota Ruimte bevat hier generieke regels voor, waaraan alle betrokken partijen zijn gebonden. Op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking gaat het bijvoorbeeld om het bundelingsbeleid, het locatiebeleid, een goede balans tussen rode (stedelijke) en groen/blauwe (natuur en water) functies, milieuwetgeving en veiligheid. Op het gebied van water, natuur en landschap geldt de basiskwaliteit op punten als de watertoets, functiecombinaties met water en het groen in en om de stad.

Het kan gaan om inhoudelijke of procesmatige eisen, maar ook om financiële eisen. Zo geldt bij ruimtelijke afwegingen en nieuwe decentrale plannen en projecten dat negatieve effecten niet mogen worden afgewenteld op het bestaande ruimtegebruik of op functies als water, natuur en infrastructuur. Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer zorgt voor opheffing van veroorzaakte knelpunten («veroorzakersbeginsel») en de rekening niet automatisch bij het Rijk deponeert. Dat is een logische consequentie van het gezonde uitgangspunt om kosten en baten zoveel mogelijk in één hand te houden.

Om Nederland mooi, veilig en vitaal te houden voor toekomstige generaties zullen wonen, werken, mobiliteit, natuur, landschap en veiligheid tegen overstromingen beter op elkaar afgestemd moeten worden. Ook op kortere termijn kunnen op die manier de negatieve gevolgen van klimaatverandering, verstedelijking en mobiliteit beperkt worden. Dat blijkt uit het eerste deel van de tweede Duurzaamheidsverkenning die het Milieu- en Natuurplanbureau heeft uitgebracht. Hierin wordt een eerste voorstel gedaan voor de zo gunstig mogelijke benutting van de beschikbare ruimte voor de komende decennia, om daarmee een duurzaam Nederland op de kaart te zetten.

Externe factoren (Succesfactoren)

Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van de mate waarin andere overheden in staat zijn het nationaal ruimtelijk beleid uit te voeren en de mate waarin ruimtelijke afwegingen integraal en gecoördineerd plaatsvinden. Het nationaal ruimtelijk beleid en de Europese relevante kaders moeten hierbij op elkaar zijn afgestemd.

Onder de titel «Mooi Nederland», hebben IPO, VNG en de Minister van VROM, mede namens haar collega-bewindslieden van LNV en EZ op 6 december jl. samenwerkingsafspraken gemaakt om de verrommeling van het landschap tegen te gaan. De afspraken gaan over de thema’s duurzame verstedelijking, planning, herstructurering/intensivering en kwaliteit van bedrijventerreinen, bescherming en ontwikkeling van nationale landschappen en rijksbufferzones, windenergie, verrommelde bestemmingen en bebouwing in het buitengebied en de inzet van instrumenten van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening. Alle afspraken richten zich op versterking van de onderlinge samenwerking tussen gemeenten in regionaal verband en met de provincies. De gedachte is dat de aanpak van de verrommeling juist door een goede regionale afstemming kan worden bereikt. De afspraken worden in 2008 uitgewerkt en, voor wat betreft de planning van bedrijventerreinen, omgezet in afspraken tussen het Rijk en de afzonderlijke provincies (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200XI, nr. 84), (ikregeer.nl/document/BLG14 488).

4.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 4. Optimalisering van de ruimtelijke afweging(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:16 60042 54215 97716 29319 57514 5645 011
Uitgaven:15 33713 93916 80320 70227 04122 3484 693
Programma:9 4407 55112 39512 32717 28313 5783 705
 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren:9 4407 55112 39512 32717 28313 5783 705
  FES ICES/KIS3 6532 0686 9405 8079 2006 0003 200
  Monitoring Nota Ruimte5124481 3029311 0571 245– 188
  Subsidies algemeen2 1448579361 3268911 095– 204
  Overige instrumenten algemeen3 1314 1783 2174 2636 1355 238897
Apparaat:5 8976 3884 4088 3759 7588 770988
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 4 (DGR)5 8976 3884 4088 3759 7588 770988
Ontvangsten:3 245023 4245 8559 2016 0003 201

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 5,0 mln)

De hogere verplichtingenrealisatie wordt deels verklaard door een andere verdeling van de apparaatskosten over de artikelen. Tevens is vanwege het nieuwe beleidsprogramma een extra onderzoeksinspanning uitgevoerd.

FES ICES/KIS (+ € 3,2 mln)

Het programma «Klimaat voor Ruimte» werd voor een deel onder het klimaatbeleid (artikel 6) en voor een deel onder ruimtelijk beleid (artikel 4) verantwoord. De financiële administratie wordt nu onder één beleidsinstrument gebracht. Inhoudelijk blijft er vanzelfsprekend betrokkenheid vanuit het klimaatbeleid.

Overige instrumenten algemeen (+ € 0,9 mln)

Het verschil tussen de uitgaven in 2006 en 2007 van circa 2 mln heeft betrekking op een aantal kleine deelopdrachten met de daaruit voortvloeiende betalingen.

Ontvangsten (+ € 3,2 mln)

Zie motivatie FES ICES/KIS

4.3. Operationele doelstellingen

4.3.1 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

Doel

VROM heeft zich tot doel gesteld een ruimtelijk instrumentarium te ontwikkelen en te beheren om ervoor te zorgen dat de relevante wet- en regelgeving actueel blijft. Voorts heeft VROM zich tot doel gesteld de ruimtelijke afwegingsprocessen te coördineren en de lagere overheden te ondersteunen bij de uitvoering van ruimtelijk beleid. Tevens wordt door VROM het Nederlandse belang in internationale kaders ingebracht.

Doelbereiking 2007

Het onderhouden van ruimtelijk relevante wet- en regelgeving

Het wetsvoorstel voor de Grondexploitatiewet is op 22 mei 2007 met algemene stemmen aanvaard door de Eerste Kamer. De wet is van toepassing bij de ontwikkeling van bouwlocaties. De wet voorziet in een heldere basis voor contracten tussen de gemeente en de marktpartijen op punten als exploitatiekosten, kostenverdeling en kwaliteitseisen. Bovendien krijgen gemeenten een goede stok achter de deur om free riders aan te pakken .

Het wetsvoorstel biedt daarnaast ook de mogelijkheid om gronden aan te wijzen voor sociale woningbouw en vrije kavels. Het wetsvoorstel is een wijziging van nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De nieuwe WRO inclusief de Grondexploitatiewet zal in 2008 in werking treden, nadat de Eerste Kamer de nieuwe WRO heeft vastgesteld.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet voorkeursrecht gemeenten moet nog door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer worden behandeld. De gewijzigde Wet voorkeursrecht gemeenten treedt naar verwachting in de tweede helft van 2008 in werking.

Het coördineren en optimaliseren van ruimtelijke afwegingsprocessen

Aan VROM is de verantwoordelijkheid gegeven voor het inrichten en onderhouden van het besluitvormingsproces rond het ruimtegebruik in Nederland. Om die besluitvorming in goede banen te leiden, is een wettelijk kader ontwikkeld waarin taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van alle betrokken partijen zijn vastgelegd: de Wet Ruimtelijke Ordening. VROM zorgt er voor dat deze wet regelmatig wordt aangepast aan veranderde maatschappelijke omstandigheden en ziet toe op de naleving ervan.

VROM maakt niet alleen plannen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland (de rijksvisies) maar ondersteunt ook departementen, provincies en gemeenten bij de uitvoering ervan. Dat gebeurt in zijn algemeenheid door generieke regels op te stellen die zorgen voor een basiskwaliteit in heel Nederland en door toe te zien op de naleving daarvan.

De VROM-raad heeft in het advies «Ruimte geven, ruimte nemen» de in de praktijk ervaren knelpunten in de uitvoering van het ruimtelijk beleid geïnventariseerd en is vervolgens nagegaan in hoeverre de nieuwe sturing in de Nota Ruimte oplossingen biedt. De raad constateert dat de sturingsfilosofie goed aansluit op de huidige maatschappelijke context en dat er hard is gewerkt aan een nieuw instrumentarium en nieuwe verantwoordelijkheidsverdelingen. De raad constateert echter ook dat het sturingsprincipe «Centraal wat moet, decentraal wat kan» nog onvoldoende duidelijk maakt wat partijen bij de uitvoering van elkaar mogen of moeten verwachten. In een reactie heeft het kabinet gesteld dat het de andere overheden de tijd gunt om zaken op te pakken. Door voortdurende monitoring en bestuurlijke contacten kunnen eventuele problemen geagendeerd worden.

De Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), die naar verwachting op 1 juli 2008 in werking treedt, vormt één van de belangrijkste instrumenten om ruimtelijke afwegingsprocessen te coördineren en te optimaliseren en om decentrale overheden in staat te stellen ruimtelijk beleid te voeren. Vanaf dat moment moeten ruimtelijke plannen digitaal worden gemaakt, gebruikt in ruimtelijke processen en procedures en volgens bepaalde afspraken en standaarden ter beschikking worden gesteld aan iedereen. Het digitale plan is vanaf dan het authentieke ruimtelijke plan.

Het in staat stellen van de decentrale overheden hun ruimtelijk beleid uit te voeren

De nieuwe WRO stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. Bemoeienis met een andere overheid is alleen mogelijk indien de noodzaak vanuit het eigen ruimtelijke belang kan worden aangetoond. De normstelling die daaruit voortvloeit dient zoveel mogelijk vooraf te geschieden, zodat daarover vooraf duidelijkheid bestaat. Beleid en normstelling zijn gescheiden.

De nieuwe WRO leidt ertoe dat duidelijk is welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte er vervolgens is. Voorts krijgt elke overheidslaag dezelfde adequate instrumenten voor de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het is geen labyrint, maar het nieuwe stelsel leidt tot meer duidelijkheid (Kamerstukken I, 2007–2008, 30 938, C).

Het inbrengen van het Nederlandse belang in Europese kaders die van invloed zijn op de ruimtelijke ordening

De EU-ministers die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke ontwikkeling hebben – onder het Nederlandse EU-voorzitterschap – in 2004 een informele Europese samenwerkingsagenda opgesteld. In dat kader wordt onder meer gewerkt aan een assessment van de «Territorial State and Perspectives of the Union». Mede op basis van analyses van het ruimtelijk EU-onderzoeksprogramma European Spatial Planning Observation Network (ESPON) zal dit assessment Europese stakeholders meer informatie moeten bieden in Europese ruimtelijke structuren en trends, en in de ruimtelijke impact van het EU-beleid. ESPON moet op termijn sturend zijn voor bijdragen aan regionale ontwikkelingen.

Om meer greep te krijgen op de ruimtelijke gevolgen van EU-beleid en- regelgeving, houdt VROM een overzicht bij van nieuwe voorstellen van de Europese Commissie. Met andere ministeries wordt samengewerkt om vroegtijdig ruimtelijk relevante EU-beleidsinitiatieven te signaleren. Bovendien worden contactennetwerken ontwikkeld voor de uitwisseling van informatie tussen de EU-instellingen en het totale werkveld (lagere overheden, consultants, kennisinstellingen e.d.) op het terrein van ruimtelijke ordening.

Instrumenten/activiteiten
Jaar 2007Realisatie
a. Herziening Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO): Wel/niet invoeren WRO. Het organiseren van informatiebijeenkomsten voor decentrale overheden.Het besluit op de ruimtelijke ordening wordt aan de Tweede en Eerste Kamer gestuurd.Nee, de invoering van de WRO is voorzien in 2008 ipv 2007. Reden hiervoor is dat het Besluit RO nog niet door de Eerste Kamer behandeld is
b. Wet grondexploitatie: Wet in het StaatsbladNee, Wet treedt in werking in 2008 gelijktijdig met de nieuwe WRO in werking
c. Wet voorkeursrecht gemeenten: Wet in het StaatsbladNee, Wet treedt in werking in 2008 gelijktijdig met de nieuwe WRO in werking
d. Streekplannen: Het beoordelen van alle streekplannen binnen 5 jaar.Ja, in alle regio’s zijn streekplannen beoordeeld.
e. Subsidie Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking/Kennisinfrastructuur (ICES/KIS): Evaluatie van het programma door Commissie van Wijzen.Ja
f. Programma-aanpak (zie ook Programma-aanpak Nota Ruimte, Kamerstukken II, 2004–2005, 29 435 XI, nr. 16.): De Minister van VROM zorgt voor goede afstemming tussen de programma’s en zorgt ervoor dat het Kabinet en parlement goed op de hoogte blijven van de voortgang en resultaten van de programma’s. Ja, voorheen ging de coördinatie van de programma-aanpak via het 5 directeuren-overleg. Met de introductie van het programma Randstad Urgent gaat deze coördinatie voor de Zuid- en Noordvleugel en het Groene Hart via de organisatiestructuur voor het programma Randstad Urgent. Voor het programma Zuid-oost Brabant Noord Limburg gaat dat nog steeds via het 5 directeurenoverleg. In het 5 directeurenoverleg staat tegenwoordig het Nota Ruimte Budget centraal (voor voortgang zie artikel 5).
g. Gemeenschappelijk ontwikkelingsbedrijf: Het hebben bijgedragen als adviseur en opdrachtgever aan het in kaart brengen van de rijksmogelijkheden in gebiedsontwikkelingen en het hebben besloten over de inzet van het GOB. Ontwikkelde business cases voor een gebied zijnde het financieel sluitende plan dat de instemming van alle partners heeft. De rijksinzet op basis hiervan in een gebiedsontwikkeling en de rijksbetrokkenheid bij de uitvoering.Ja, VROM heeft in zijn rol als voorzitter van het opdrachtgeversberaad de benodigde besluitvorming van de projecten gestimuleerd. In Valkenburg zullen Rijk en regio volgens de planning medio 2008 de businesscase afronden en afspraken maken over de uitvoering. Er is inmiddels een concept Integrale Structuurvisie beschikbaar waarin de gewenste ontwikkeling van het gebied op hoofdlijnen is uitgewerkt.
h. Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen (DURP): Operationeel zijn van het DURP portaal en de vulling hiervan met digitale plannen.Ja, DURP portaal is operationeel
i Agenda gebiedsontwikkeling: Het organiseren van een forum gebiedsontwikkeling. Het instellen van een praktijkleer- stoel aan TU Delft. Het inzetten van experts. Eind 2006 worden concrete afspraken gemaakt met provincies en gemeenten om het gedachtegoed gebiedsontwikkeling goed te verankeren.Ja, VROM heeft de Reiswijzer (praktijkgids bij gebieds-ontwikkeling) uitgebracht i.s.m. Neprom en heeft de rijkscoördinatie van PPS en gebiedsontwikkeling overgenomen van het ministerie van Financiën en een handreiking opgesteld rond burgerparticipatie en gebiedsontwikkeling
Overzicht afgeronde onderzoeken
 Onderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting1    
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie verbreding Wet voorkeursrecht gemeentenAD nr. 4.12008  
 Evaluatie programma aanpak2AD nr 4.1 en 5.1Niet gestart  

1 In 2007 hebben geen beleidsdoorlichtingen op artikel 4 plaatsgevonden.

2 Voldoende informatie reeds uit andere trajecten. Vervolg gekregen in Urgentieprogramma Randstad.

Artikel 5. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur

5.1. Algemene beleidsdoelstelling

Om de internationale concurrentiepositie te versterken, om krachtige steden en vitaal platteland te bevorderen en om (inter)nationale ruimtelijke waarden te borgen en ontwikkelen, stimuleert VROM de ontwikkeling en uitvoering van projecten of beleid in gebieden met een complexe en/of kostbare ruimtelijk opgave. De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen;

• Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur zijn de gebieden en netwerken opgenomen die in belangrijke mate ruimtelijk structurerend zijn voor Nederland, bestuurlijke grenzen overschrijden, een complexe of kostbare opgave met zich meebrengen die rijksbemoeienis noodzakelijk maakt, of die anderszins voor het functioneren van Nederland van grote betekenis zijn. Het Rijk heeft voor de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur dan ook in het algemeen een grotere verantwoordelijkheid dan daarbuiten en hanteert een hoger ambitieniveau. Het Rijk streeft ernaar knelpunten in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur met voorrang aan te pakken.

Het tot uitvoering brengen van complexe ruimtelijke opgaven is een van de concrete middelen die het kabinet inzet om de duurzaamheidsdoelstelling te bereiken. Met geld uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) worden 23 gebiedsontwikkelingsprojecten die het kabinet reeds heeft geselecteerd, krachtig ondersteund en wordt integrale uitvoering mogelijk gemaakt. Deze projecten, ondergebracht in pijler III van het Coalitieakkoord, acht het kabinet als van strategisch belang voor de uitvoering van de Nota Ruimte. Met de collega-bewindslieden actief in het fysiek-ruimtelijke domein (LNV, VenW, EZ en Financiën) wordt daarmee betekenis gegeven aan integrale gebiedsonwikkeling en ruimtelijke kwaliteit en kan hierin samen met de regio het verschil gemaakt worden.

Onder de titel «Mooi Nederland», hebben IPO, VNG en de Minister van VROM, mede namens haar collega-bewindslieden van LNV en EZ op 6 december jl. samenwerkingsafspraken gemaakt om de verrommeling van het landschap tegen te gaan. De afspraken gaan over de thema’s duurzame verstedelijking, planning, herstructurering/intensivering en kwaliteit van bedrijventerreinen, bescherming en ontwikkeling van nationale landschappen en rijksbufferzones, windenergie, verrommelde bestemmingen en bebouwing in het buitengebied en de inzet van instrumenten van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Alle afspraken richten zich op versterking van de onderlinge samenwerking tussen gemeenten in regionaal verband en met de provincies. De gedachte is dat de aanpak van de verrommeling juist door een goede regionale afstemming kan worden bereikt. De afspraken worden in 2008 uitgewerkt en, voor wat betreft de planning van bedrijventerreinen, omgezet in afspraken tussen het Rijk en de afzonderlijke provincies (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI, nr. 84), (ikregeer.nl/document/BLG14 488).

Externe factoren (Succesfactoren)

De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. Bemoeienis met een andere overheid is alleen mogelijk indien de noodzaak vanuit het eigen ruimtelijke belang kan worden aangetoond. De normstelling die daaruit voortvloeit dient zoveel mogelijk vooraf te geschieden, zodat daarover vooraf duidelijkheid bestaat. Beleid en normstelling zijn gescheiden.

De nieuwe WRO leidt ertoe dat duidelijk is welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte er vervolgens is. Voorts krijgt elke overheidslaag dezelfde adequate instrumenten voor de uitvoering van hetruimtelijk beleid. Naar mijn mening is het geen labyrint, maar leidt het nieuwe stelsel tot meer duidelijkheid (Kamerstukken I, 2007–2008, 30 938, C).

5.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 5. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:89 670165 54341 556178 075202 05774 790127 267
Uitgaven:31 67131 468100 47157 17377 154276 729– 199 575
Programma:25 69224 72594 23454 84176 094273 866– 197 772
 Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:13 08217 32486 30652 53033 787228 611– 194 824
  FES BIRK7 0173 97370 08621 22313 30531 990– 18 685
  FES nieuwe sleutelprojecten1 2536 0009 00022 3003 417180 278– 176 861
  Onderzoek stedelijk gebied541022916982128– 46
  Subsidies stedelijk gebied2 0554 4103 6365 12012 90511 7831 122
  Overige instrumenten stedelijk gebied1663747321 3391 5891 5872
  Interreg2 5372 4652 8232 3792 4892 845– 356
 Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:12 6107 4017 9282 31142 30745 255– 2 948
  FES BIRK   0000
  Onderzoek landelijk gebied   0000
  Subsidies landelijk gebied617536453861 266510756
  Overige instrumenten landelijk gebied2 8571 0659308451 256390866
  Bufferzones9 1365 8006 5451 3805 9078 360– 2 453
  Belverdere   002 117– 2 117
  Het Waddenfonds   033 87833 8780
Apparaat:5 9796 7436 2372 3321 0602 863– 1 803
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 5 (DGR)5 9796 7436 2372 3321 0602 863– 1 803
Ontvangsten:10 48712 05262 61243 00716 805214 468– 197 663

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 127,3 mln)

Als gevolg van een rente afspraak, opgenomen in de bestuurlijke overeenkomst van Amsterdam Zuidas, en de vertraagde oprichting van de NV Zuidas is de verplichtingen opgehoogd met de verschuldigde rente, voor een bedrag van € 14,6 mln. De beschikkingen voor NSP Rotterdam (€ 54,5 mln) en NSP Breda (€ 24,9 mln) stonden oorspronkelijk gepland in 2006. Deze beschikkingen zijn echter in 2007 geslagen.

FES BIRK (– € 18,7 mln)

De onderuitputting wordt deels veroorzaakt door vertraging, latere realisatie van projecten, en deels doordat de planvorming bij diverse projecten meer tijd kost dan verwacht. Een exacte inschatting van tevoren is moeilijk te maken.

FES nieuwe sleutelprojecten (– € 176,9 mln)

De oprichting van de NV Zuidas heeft niet in 2007 plaatsgevonden (wat resulteert in onderuitputting van € 129,1 mln). De andere NSP projecten hebben vertragingen opgelopen en worden deels later gerealiseerd (wat resulteert in een onderuitputting van € 4,2 mln voor NSP Breda, € 13,9 mln voor NSP Rotterdam, € 24,5 mln voor NSP Utrecht en € 5,2 mln voor NSP Arnhem). De onderhandelingen tussen de gemeentes, Rijk en NS duren langer dan voorzien.

Bufferzones (– € 2,5 mln)

Als gevolg van gewijzigde inzichten in de ontvangsten uit verkoop van rijksgronden, zijn de ontvangsten en uitgaven gewijzigd.

Belverdere (– € 2,1 mln)

De bijdrage is via de begroting overgeheveld naar het ministerie van OC&W.

Waddenfonds

De meerjarige budgetten voor het Waddenfonds (€ 33,9 mln vanaf 2008) zijn bij de ontwerpbegroting 2008 toegevoegd.

Ontvangsten (– € 197,7 mln)

Zie motivatie uitgaven FES BIRK en FES nieuwe sleutelprojecten.

5.3. Operationele doelstellingen

5.3.1 Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen

Doel

VROM stimuleert de ontwikkeling van stedelijke gebieden om:

• de leefbaarheid in de steden en de sociaal economische positie van steden te verbeteren;

• de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden te versterken;

• de bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond de steden te realiseren;

• de nationale stedelijke netwerken te versterken.

Doelbereiking 2007

Het tot uitvoering brengen van complexe ruimtelijke opgaven is een van de concrete middelen die het kabinet inzet om de duurzaamheids-doelstelling te bereiken. Met geld uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) worden 23 gebiedsontwikkelingsprojecten die het kabinet reeds heeft geselecteerd, krachtig ondersteund en wordt integrale uitvoering mogelijk gemaakt. Deze projecten, ondergebracht in pijler III, acht het kabinet als van strategisch belang voor de uitvoering van de Nota Ruimte. Met de collega-bewindslieden actief in het fysiek-ruimtelijke domein (LNV, VenW, EZ en Financiën) wordt daarmee betekenis gegeven aan integrale gebiedsonwikkeling en ruimtelijke kwaliteit en kan hierin samen met de regio het verschil gemaakt worden.

Het kabinet heeft overeenstemming bereikt over de eerste definitieve bijdragen uit het Nota Ruimtebudget voor de zogenaamde versnellingsprojecten Noordelijke IJ-oevers en Greenports. De in de Nota Ruimte beschreven integrale gebiedsontwikkeling is daarmee in gang gezet.

De bereikte overeenstemming volgt na de optimalisatie van de projecten, mede in het licht van de rijksdoelstellingen, in samenspraak met de regio. Concreet heeft de Ministerraad ingestemd met:

• een bijdrage van € 30 mln uit het Nota Ruimte budget voor het versnellingsproject Noordelijke IJ-oevers;

• een bijdrage van € 27,3 mln voor het versnellingsproject Greenports (Bollenstreek, Westland/Oostland en Boskoop). Dit is inclusief een bijdrage van € 3 mln voor Deurne (zijnde in budgetair opzicht onderdeel van het versnellingsproject Klavertje 4/Venlo);

• een bijdrage van € 35 mln voor de diepe veenweidegebieden (Krimpenerwaard, Wormer- en Jisperveld, Zegveld – Portengen).

Dit kabinet heeft de ambitie om van de Randstad een duurzame en concurrerende Europese topregio te maken. In 2007 zijn daartoe verschillende stappen gezet in de richting van een langetermijnvisie en -strategie voor met name de Randstad. Daarmee is een eerste antwoord gegeven op de tweede motie Lemstra (17 januari 2006). Het kabinet heeft besloten tot een miljardeninvestering in wegen in het gebied Schiphol-Amsterdam-Almere en kondigt besluitvorming aan over grote investeringen in het openbaar vervoer in hetzelfde gebied (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 089, nr. 9).

Op 22 juni 2007 heeft het kabinet de Startnotitie Randstad 2040 vastgesteld (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 089, nr. 1). Het vervolg op deze startnotitie is onderdeel van het Urgentieprogramma Randstad («Randstad Urgent»). De eerste afspraken met de wethouders voor ruimtelijke ordening van de gemeenten Den Haag en Amsterdam zijn gemaakt.

Het verbeteren van de leefbaarheid in de steden en de sociaal-economische positie van steden

De stedelijke ontwikkelingen die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden passen in kwantitatieve termen bij de geformuleerde doelen van de Nota Ruimte. Bundeling van verstedelijking vindt al plaats, centra worden intensiever benut en ook verdichting in bestaand stedelijk gebied is al praktijk. Als er buiten de stad wordt gebouwd is dat vaak aan de rand of in gebundelde vormen verder weg. Voor deze ontwikkelingen wordt geconstateerd dat ze conform de Nota Ruimtedoelstellingen zijn. Uit de ruimtelijke plannen van de in het IBO Verstedelijking betrokken regio’s blijkt dat het streven om het bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten breed gedeeld wordt. Wel hebben de decentrale overheden aangegeven dat binnenstedelijk bouwen een buitengewoon complexe aangelegenheid is.

In het kader van het Grotestedenbeleid (GSB III) zijn voor de periode 2005–2009 met 31 steden afspraken gemaakt. Onlangs is een midterm review (MTR) uitgevoerd, bedoeld om inzicht te geven in de tussenstand van deze afspraken (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128,nr. 15).

Het versterken van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden

Binnen de steden, in de centra, is zichtbaar dat intensivering niet altijd gepaard gaat met grotere diversiteit, iets wat wel belangrijk wordt geacht voor het functioneren van centra. Ook is de stad in de afgelopen jaren niet aantrekkelijker geworden voor midden- en hogere inkomens, ondanks de verbreding in de woningvoorraad die in een aantal steden optreedt. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat luchtkwaliteit en geluidsbelasting (met name door wegverkeer) op een aantal plaatsen grote problemen geven, met name in de stedelijke gebieden in de Randstad, Gelderland en Noord-Brabant. VROM onderzoekt samen met V&W hoe een kwalitatief goede inrichting van de snelwegzones binnen de bundelingsgebieden kan worden bevorderd (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 435, nr. 187).

Het versterken van bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond de steden

Ruimtelijke ontwikkelingen in minder harde functies (groen, water, ruimtelijke kwaliteit en diversiteit) hebben de stroom tegen, mogelijk als gevolg van de ontwikkelingen met betrekking tot intensivering en bundeling. Daarnaast is de (planologische) bescherming van deze gebieden nog niet altijd op orde of worden andere (rode) belangen zwaarder gewogen. De balans tussen rood en groen staat onder druk. De hoeveelheid groen in en om de stad neemt af in relatie tot de vraag (conclusie Monitor Nota Ruimte, de opgave in beeld 2006). In de Uitvoeringsagenda Ruimte 2006 wordt ook geconstateerd dat de balans tussen rode en groene ontwikkelingen niet verder uit evenwicht moet raken en worden hiertoe nieuwe acties aangekondigd (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 647, nr. 2). De duurzame instandhouding van deze groene gebieden rond steden (waaronder de rijksbufferzones) vraagt om nieuwe financieringsmethoden en een stevige planologische bescherming. De ontwikkeling van de mogelijkheden voor dagrecreatie rond de steden zal verder door gezet.

Het versterken van de nationale stedelijke netwerken

Nationale stedelijke netwerken zijn samenwerkingsverbanden van grote(re) en kleinere steden, gescheiden door open ruimten. De samenstellende steden en centra vullen elkaar aan en versterken elkaar, zodat zij samen meer te bieden hebben dan elk afzonderlijk. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de nationale stedelijke netwerken een nieuwe bestuurslaag gaan vormen. De samenwerking tussen de overheden binnen het netwerk is vrijwillig, flexibel en pragmatisch. Het Rijk verwacht dat de gemeenten afspreken hoe ze het bundelingsbeleid zullen vormgeven, in overleg met de provincies en de WGR-plusregio’s (Wet gemeenschappelijke regelingen).

Het project Randstad2040 (R2040) is het eerste deel van het antwoord op de tweede motie Lemstra. Minister Cramer heeft bij haar kennismakingsgesprek met de Eerste Kamer opnieuw toegezegd om – als tweede deel van het antwoord op de motie – voor de overige Nationale Stedelijke Netwerken (NSN) lange termijn visies op te stellen, conform haar aanpak en inzet van de lange termijn visie voor de Randstad. Het werk aan de visies op de overige stedelijke netwerken zal in de loop van 2008 gestart worden.

Jaar 2007Realisatie
a. Subsidies Nieuwe Sleutelprojecten (NSP)Intensiteit en diversiteit ruimtegebruik in de omgeving van NSP.Ja, Basiswaarde intensiteitsindex 27 (2002) Realisatie: waarde intensiteitsindex 28 (2006) (bron: MNP). De index geeft inzicht in de intensiteit van het gebruik in de centra van de Nieuwe Sleutel projecten.
b. Subsidie Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK)Intensiteit en diversiteit ruimtegebruik. Ja, zie NSP.
c. Programma ZuidvleugelVersterking van de economie. Verbetering van de bereikbaarheid. Versterking van het woon- en leefklimaat in de ZuidvleugelJa, het programma Zuidvleugel is opgegaan in Randstad Urgent. De belangrijkste projecten uit de Zuidvleugel hebben daarin hun plek gekregen en een aantal daarvan (Stadshavens, Zuidplaspolder, Den Haag internationale Stad, Hoeksche Waard) zijn ook opgenomen als project in het Nota Ruimtebudget (complexe projecten. Samen met de andere Zuidvleugelprojecten in randstad Urgent dragen zij bij aan versterking van het ruimtelijk-ecomomische profiel van de Zuidvleugel. De resultaten zullen bij de programma’s Randstad Urgent en Nota Ruimte worden toegelicht.
d. Strategische agenda RandstadBegin 2007 zal de visie op de Randstad aan de Eerste kamer en de Tweede Kamer worden aangeboden.Nee, de minister van VROM, de wethouder RO en grondzaken (gem. A’dam) en de wethouder Bouwen en Wonen spannen zich in gezamenlijk voor het zomerreces van 2008 de integrale lange termijnvisie Randstad vast te stellen.
e. Nationale stedelijke netwerkenHet aantal stedelijke netwerken dat een ontwikkelingsagenda heeft opgesteld. Het aantal stedelijke netwerken waarmee het Rijk afspraken heeft gemaakt en het scala van afspraken. Het aantal stedelijke netwerken dat een lange termijn visie en een lange termijn opgave in beeld heeft gebracht. Ja, de afspraken met de stedelijke netwerken zijn per netwerk vastgelegd in een ontwikkelingsagenda. Onderdelen van de agenda zijn al in uitvoering; andere wachten op goedkeuring of financiering. Een deel van de projecten in de stedelijke netwerken hebben al geld ontvangen van het rijk of staan op de lijst van de versneld in uitvoering te nemen Nota Ruimte-projecten of op de lijst van uitvoering na 2010.
f. Kabinetsstandpunt SchipholSchiphol mag groeien indien het stiller wordt.Aantal woningen in het binnengebied (58Lden en 20Ke). Aantal woningen in het buitengebied (48Lden). Het vrijspelen van locaties van de ruimtelijke beperkingen die voortvloeien vanuit het gebruik van Schiphol.Nee, in 2008 zal V&W met de luchthavennota komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 665, nr. 71). In deze nota zet VROM samen met V&W ook de rijksrol bij de ontwikkeling van en de samenhang tussen de Nederlandse luchthavens uiteen. De luchthavennota plaatst het besluit voor de langetermijn ontwikkeling van Schiphol en eventuele overlooplocaties in het bredere perspectief van de ontwikkeling, betekenis en positie van de Nederlandse luchthavens in het algemeen in het accommoderen van de vraag naar luchtvaart en werkt de daarbij opkomende sturingsvragen uit.

5.3.2 Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen

Doel

Nationale landschappen behoren tot de landschappelijke parels in Nederland. Ze verhogen de attractiviteit van Nederland voor zowel de burgers van het land als voor toeristen. Soms gelegen nabij steden, soms ver weg van stedelijke gebieden bieden zij de burgers een uitgelezen gelegenheid voor recreatie en ontspanning en vervullen zij een educatieve functie.

Deze bijzondere landschappelijke en cultuur-historische waarden tracht VROM te borgen en verder te ontwikkelen. Dit doet VROM door:

• bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden te borgen en te ontwikkelen;

• natuurwaarden te borgen en te ontwikkelen;

• bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond de steden te versterken;

• variatie tussen stad en land te versterken.

Doelbereiking 2007

Zie doelbereiking 5.3.1.

Het borgen en ontwikkelen van bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Het Rijk heeft een specifieke verantwoordelijkheid voor de borging en ontwikkeling van gebieden en structuren met zowel internationaal unieke als voor Nederland kenmerkende landschappelijke en cultuurhistorische waarden. In het verlengde hiervan heeft het kabinet een aantal nationale landschappen aangewezen (www.nationalelandschappen.nl). Het beleid voor deze landschappen is gericht op behoud en ontwikkeling van de kernkwaliteiten. De betrokken provincies zijn verantwoordelijk voor de uitwerking van het beleid en stellen daarvoor ontwikkelingsprogramma’s op, die door het Rijk zullen worden ondersteund. In het voorjaar van 2008 zal VROM komen met een analyse over een eventuele herijking van het ruimtelijk beleid voor Nationale Landschappen om de doorwerking beter te borgen, ook in de uitvoering en handhaving. VROM wil de provincies verder ondersteunen bij de uitwerking van de kernkwaliteiten op basis van een effectief ruimtelijk kader (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 253 en 29 435, nr. 2).

Het borgen en ontwikkelen van natuurwaarden

Met het aanwijzen van Natura 2000-gebieden worden internationaal belangrijke natuurwaarden in Nederland beschermd. Nederland mag trots zijn op deze, in nationaal én in Europees opzicht, bijzondere natuur. Vanwege de intrinsieke en biologische waarden, maar niet alleen daarom.

Ook de recreatieve en economische waarden zijn van groot belang en dragen bij aan het welzijn van mensen. Nederland is zuinig op deze natuur en neemt er verantwoordelijkheid voor, onder meer door uitvoering te geven aan de Europese verplichtingen met betrekking tot Natura 2000. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden gebeurt op basis van de bijdrage van het gebied aan het Europese ecologische netwerk (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200XIV, nr. 150).

Het versterken van bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond de steden

De kwantiteit en de kwaliteit van het groen in en om de stad zijn de afgelopen decennia aanzienlijk verminderd. Sportvelden en volkstuincomplexen zijn vaak naar de randen van de stad verplaatst. De beschikbaarheid van bereikbare en toegankelijke sport- en recreatievoorzieningen in en rond de (grote) steden houdt geen gelijke tred met de vergaande verstedelijking van de laatste jaren. Met name in de grote steden van de Randstad (ook rondom de steden) bestaat een groot tekort aan vaar-, fiets-, wandel- en andere «groene» recreatiemogelijkheden. Aanbod van voldoende «rode» én groene ontspanningsmogelijkheden is echter belangrijk voor de leefbaarheid, het welzijn en de gezondheid van bewoners en zelfs voor de economie. In de ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten moet daarom de balans tussen bebouwing en groen integraal worden meegenomen. Het is belangrijk dat provincies en gemeenten voldoende ruimte voor op loop- en fietsafstand liggende en daarmee goed vanuit de stad bereikbare parken, groengebieden, volkstuinen, sportvoorzieningen en recreatiemogelijkheden reserveren in en om de stad (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 269, nr. 1).

Het versterken van de variatie tussen stad en land

Door de kleine afstanden, toenemende verstedelijking en ruimtelijk-economische ontwikkeling zijn verschillende steden in Nederland min of meer aaneen gegroeid. Zo ontstaat enerzijds het beeld van «Nederland als één grote stad» en anderzijds roepen de overwegend lage dichtheden en de eenvormigheid een beeld van ontstedelijking en fragmentatie op. Deze ontwikkeling is niet alleen ongunstig voor het draagvlak voor voorzieningen en de economie, maar heeft ook een negatieve invloed op het culturele erfgoed van Nederland, het historische nederzettingenpatroon en het kenmerkende en gevarieerde ruimtelijke beeld. Vroegtijdige aandacht voor de landschappelijke kwaliteit en het ruimtelijk ontwerp is nodig. Het door de provincies vorm te geven bundelingsbeleid zorgt ervoor dat de vraag naar ruimte van alle aan de verstedelijking verbonden functies (in al hun diversiteit) kan worden geaccommodeerd op basis van integrale, gebiedsgerichte plannen met oog voor landschappelijke kwaliteit en het ruimtelijke ontwerp (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 435, nr. 187).

Instrumenten/activiteiten
Jaar 2007Realisatie
a. Wet grondexploitatie: Oppervlakte groen bij nieuwe woningen: ex-post evaluatie naar of rood en groen worden verevend.Ja, Wet treedt in werking in 2008 gelijktijdig met de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking.
b. Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK): De kwaliteitsdragers uit de monitoringsrapportages van de gemeenten.Ja, BIRK levert een bijdrage aan krachtige steden en een vitaal platteland, voor zover dat te maken heeft met de stedelijke netwerken en de nationale landschappen.In het algemeen geldt dat investeringen in de steden bijdragen aan het openhouden van het landelijk gebied, doordat infrastructuur en voorzieningen beter worden benut, waardoor de verstedelijkingsdruk in het buitengebied afneemt.
c. Belvedere: De opname van doelen en ambities op het gebied van cultuurhistorie in de uitvoeringsprogramma’s van alle 20 nationale landschappen.Ja, deze prestatie maakt deel uit van het Actieprogramma Ruimte en Cultuur (ARC) Min. OCW in samenwerking met LNV, V&W en VROM.
d. Bufferzones: Het oppervlak aangekochte gronden in Rijksbufferzones.Nee, uit de gegevens blijkt dat het overgrote deel van de rijksbufferzones groene functies heeft, maar dat er in de afgelopen jaren wel een verschuiving is opgetreden naar rode functies. De balans tussen rood en groen verschuift dus richting rood en dit gaat vooral ten koste van de landbouw. Recreatiebestemmingen maken maar een klein deel uit van de rijksbufferzones en dit aandeel is stabiel. Vooralsnog is de recreatiefunctie dus naar oppervlakte gemeten niet toegenomen.
e. Permanente bewoning recreatiewoningen: Het aandeel recreatiewoningen dat onrechtmatig permanent wordt bewoond.Ja, realisatie dichterbij gebracht. Middels Nota Ruimte worden nieuwe gevallen voorkomen.De motie Veenendaal is gestand gedaan middels inwerkingtreding van de wijziging van het BRO per 1 juni 2007.
Overzicht afgeronde onderzoeken
 Onderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting1    
EffectenonderzoekBelevingsmonitor Nationale landschappen 20072007www.mnp.nl«Belevingsmonitor Nota Ruimte 2006»
expostEvaluatie regionale afstemming bedrijventerreinen2 Niet gestart  
 Evaluatie verstening landelijk gebied 20072007ruimteforum.vrom.nl
 Monitoringsonderzoek bouwen voor eigen bevolkingsaanwas3 Niet gestart  
 Evaluatie recreatief groen in en om de stad 200720076
 Evaluatie landschappelijke kwaliteit4 Niet gestart  
Overig Monitor Nota RuimteAD nr 5.120072008 
evaluatieonderzoekEvaluatie programma aanpak5AD nr 4.1 en 5.1Niet gestart  

1 In 2007 heeft geen beleidsdoorlichting plaatsgevonden op artikel 5.

2 in overleg tussen rijk en decentrale overheden is besloten om op een andere wijze de informatievraag te beantwoorden. De resultaten van een korte inventariserende ronden langs provincies is meegenomen in een bestuurlijk overleg van minister met gedeputeerden medio 2007.

3 de onderzoeksvraag is meegenomen in de Monitor Nota Ruimte van het Ruimtelijk Planbureau en het Milieu en Natuurplanbureau die in 2008 zal verschijnen.tie naar de kernkwaliteiten van nationale landschappen.

1 Financieel belang, belang voor de burger, (kans op)tolerantie-overschrijding en rechtmatigheid (AR belangstelling) en imago/publicitair risico.

5 Voldoende informatie reeds uit andere trajecten. Vervolg gekregen in Urgentieprogramma Randstad.

6 Nog niet digitaal beschikbaar.

Artikel 6. Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging

6.1. Algemene beleidsdoelstelling

Doel is om klimaatverandering door menselijke beïnvloeding en verzuring en andere milieuschadelijke emissies naar de lucht tegen te gaan.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• realisatie Kyoto-doelstellingen;

• beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken;

• beperken aantasting van de ozonlaag;

• beperken verzuring en grootschalige luchtverontreiniging.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Voor het klimaatbeleid was het jaar 2007 zeer turbulent. Met het uitbrengen van het werkprogramma «Nieuwe energie voor het klimaat» van het project «Schoon en Zuinig» (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1) presenteerde het kabinet vergaande ambities om voor Nederland in 2020 één van de meest efficiënte en schone energie-voorzieningen van Europa te realiseren. In 2010 moet blijken of Nederland voldoende op koers ligt voor het behalen van de nationale ambities voor 2020. In december is op de VN-klimaatconferentie in Bali door 190 landen waaronder de Verenigde Staten, overeenstemming bereikt over een routeschema voor het sluiten een nieuw mondiaal klimaatakkoord in 2009.

Met betrekking tot luchtkwaliteit is eind 2006 aan de EU en de Tweede Kamer over nakoming van de NEC-richtlijn gerapporteerd, dat de daaruit voortvloeiende emissieplafonds met grote inspanningen waarschijnlijk kunnen worden gehaald. In september 2007 is een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met daarin de mogelijke aanvullende maatregelen om de realisatie van de NEC-plafonds in 2010 zeker te stellen ((Kamerstukken II, 2007–2008, 28 240, nr. 88). Uit de Milieubalans 2007 blijkt dat de NEC-doelstellingen voor 2010 gerealiseerd kunnen worden met het aanvullend beleid zoals geformuleerd in de hierbovengenoemde brief.

Externe factoren

Het realiseren van de Kyoto-klimaatdoelstellingen (2008–2012) door Nederland wordt vergemakkelijkt doordat extra beleid wordt ingezet om de doelen voor 2020 te behalen. Er zijn ook akkoorden voor realisatie daarvan afgesloten met het bedrijfsleven en met de VNG. Verder wordt er aan bijgedragen doordat de Europese Commissie een korting van 5 Mton op het emissieplafond voor het Europese emissiehandelssysteem (ETS) heeft opgelegd.

6.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 6. Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:151 873147 558137 69694 26954 67441 66913 005
Uitgaven:37 20245 92759 86868 60355 787101 784– 45 997
Programma:30 83440 02155 13564 08050 73397 356– 46 623
 Realisatie Kyoto klimaatverplichtingen:22 60530 04042 15946 04542 51074 448– 31 938
  Binnenlandse klimaatinstrumenten15 92928 55925 64623 51621 36024 537– 3 177
  Clean Development Mechanism6 6761 48116 51322 52921 15049 911– 28 761
 Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken:2 6934 0009 67512 0472 82415 715– 12 891
  Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken2 6934 0009 67512 0472 82415 715– 12 891
 Beperken aantasting van de ozonlaag:0005788250– 162
  Beperken aantasting van de ozonlaag   5788250– 162
 Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging:5 5365 9813 3015 9315 3116 943– 1 632
  Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging5 5365 9813 3015 9315 3116 943– 1 632
Apparaat:6 3685 9064 7334 5235 0544 428626
 Apparaat:      0
  Apparaat artikel 6 (DGM)6 3685 9064 7334 5235 0544 428626
Ontvangsten:020008 0009 2611 3828 000– 6 618

Toelichting:

Binnenlandse klimaatinstrumenten (– € 3,2 mln)

Bij de eerste suppletore begroting 2007 is het kasbudget verlaagd met ruim € 7 mln, voornamelijk ten behoeve van de VROM-bijdrage aan het Impulsprogramma Zwerfafval. Vervolgens is bij tweede suppletore begroting het budget verhoogd met ruim € 1 mln (een overboeking van ruim € 0,3 mln door het ministerie van EZ als bijdrage in de uitvoeringskosten voor emissiehandel en een interne overboeking binnen VROM ten behoeve van het leveringscontract tussen de Gemeenschappelijke Dienst VROM en de Nederlandse Emissieautoriteit van ruim € 0,7 mln). Het verschil tussen de hierna ontstane budgetstand en de uiteindelijke realisatie is het gevolg van het sneller dan oorspronkelijk gepland tot betaling komen van een aantal verplichtingen op met name de beleidsterreinen Nationaal Klimaatbeleid en Emissiehandel.

CDM (– € 28,8 mln)

Bij de tweede suppletore begroting 2007 is als gevolg van uitvallende en vertraagde CDM-projecten het kasbudget met € 20 mln verlaagd. Uiteindelijk resteert hierdoor een onderschrijding van € 28,7 mln ten opzichte van de vastgestelde begroting 2007.

De uitval werd veroorzaakt doordat bijvoorbeeld projecten waarop werd afgerrekend geen doorgang vonden, omdat onderhandelingen niet succesvol konden worden afgerond. Vertragingen deden zich voor bij het sluiten van de koopcontracten, omdat door gewijzigde marktomstandigheden (meer concurrentie en stijgende prijzen) de onderhandelingen lastiger zijn en langer duren. Ook deed zich in 2007 door de grote hoeveelheid aan potentiële CDM-projecten een capaciteitsknelpunt voor bij de onafhaneklijke validatoren, die de projecten moeten beoordelen alvorens ze voor registratie ingediend kunnen worden.

Teneinde deze risico’s voor het realiseren van de CDM-doelstelling en zo mogelijk negatieve financiële consequenties (vanwege mogelijke verdere prijsstijgingen) te mitigeren, zijn in 2007 de in de jaren 2001–2003 aan de verschillende CDM-uitvoeringsorganisaties beschikbaar gestelde budgetten gerealloceerd. Hierdoor konden nog zoveel mogelijk koopcontracten worden getekend en de voor CDM beschikbaar gestelde financiële middelen zo efficiënt en effectief mogelijk worden ingezet. Deze reallocatie heeft tot gevolg gehad dat het verplichtingenbudget met € 31,5 mln is overschreden. Deze overschrijding is administratief-technisch van aard en heeft geen kasgevolgen.

Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken (– € 12,9 mln)

Bij de eerste suppletore begroting 2007 is het kasbudget verlaagd met ruim € 9 mln, voornamelijk ten gevolge van de overboeking naar artikel 4 van de middelen die horen bij het programma Klimaat voor Ruimte. Vervolgens is bij tweede suppletore begroting het budget verder verlaagd door interne overboekingen van € 1,7 mln en € 0,5 mln voor respectievelijk de financiering van de vervangingsinvesteringen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) en de «HIER» communicatiecampagne. Daarna is het kasbudget nog verlaagd met bijna € 0,35 mln door een overboeking naar het ministerie van EZ, als bijdrage in het haalbaarheidsonderzoek TROPOMI (een innovatief instrument dat beoogt broeikasgassen en andere stoffen in de atmosfeer tot aan het aardoppervlak te meten). Het verschil tussen de hierna ontstane budgetstand en de uiteindelijke realisatie is het gevolg van het trager dan oorspronkelijk gepland tot betaling komen van een aantal verplichtingen terzake van onderzoeks- en uitvoeringsopdrachten.

Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging (– € 1,6 mln)

Na de beperkte bijstelling van het kasbudget bij de eerste suppletore begroting, is dit budget bij de tweede suppletore begroting verhoogd met ruim € 2,3 mln. Hiervan betrof € 1,7 mln een éénmalige bijdrage van het ministerie van VenW aan de VERS-regeling (de subsidieregeling voor schonere binnenvaart) en ruim € 0,6 mln een toegekende prijsbijstelling. Daarna is het kasbudget verlaagd met € 2,5 mln ten behoeve van de tweede tranche ter vergoeding van de vervangingsinvesteringen van het hierboven reeds genoemde LML. Het (beperkte) verschil tussen de hierna ontstane budgetstand en de uiteindelijke realisatie is ter grootte van de hierbovengenoemde bijgeboekte prijsbijstelling. Deze bleek achteraf hier niet noodzakelijk en is de facto ingezet ter compensatie van overschrijdingen elders, met name bij «Binnnenlandse klimaatinstrumenten».

6.3. Operationele doelstellingen

6.3.1 Realisatie Kyoto-klimaatverplichtingen (2008–2012)

Doel

Doel is om klimaatverandering door menselijke beïnvloeding tegen te gaan.

Doelbereiking 2007

Begin 2007 presenteerde het nieuwe kabinet zijn ambities en nam de EU op de Voorjaarstop het bekende dubbelbesluit (30% reductie mits anderen meedoen en 20% sowieso). Daarna volgde de uitwerking van de kabinetsambities in het werkprogramma «Schoon en Zuinig», dat in september 2007 gepubliceerd werd en begin november in de Tweede Kamer instemming op hoofdlijnen opleverde. VROM heeft toegezegd dat de emissie van broeikasgassen deze kabinetsperiode (ijkjaar 2011) niet zal toenemen ten opzichte van 2006. De milieukennis-instituten berekenen dat Nederland haar Kyoto-verplichting voor 2008–2012 zal realiseren.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Jaarlijkse tussentijdse afweging maken om de de voortgang van het klimaatbeleid te bewaken. De TK wordt via een brief over de resultaten van deze afweging geïnformeerdJa.Over de voortgang en de nieuwe ambities is de Kamer geïnformeerd door aanbieding van het werkprogramma «Nieuwe energie voor klimaat» van het project Schoon en Zuinig uitgebracht (Kamerstukken 2007–2008, 31 209, nr. 1).
Opstellen van een beleidsbrief van VROM en EZ aan de TK over instrumentering en aanverwante zaken rond schoon fossiel en CO2-opslagNee.De voorstellen van de Europese Commissie zijn op 23 januari 2008 ontvangen en de beleidsbrief aan de Kamer wordt uiterlijk in april aangeboden.
Reparatie van nationale wet- en regelgeving inzake emissiehandelJa.Eén wet, twee AMvB’s en drie ministeriële regelingen zijn in dit kader in werking getreden:– Aanpassingswet handel in emissierechten (Staatsblad 2006, 611);– Aanpassingsbesluit handel in emissierechten I (Staatsblad 2007, 139);– Aanpassingsbesluit handel in emissierechten II (Staatsblad 2007, 286);– Wijziging regeling monitoring handel in emissierechten (Staatscourant 2007, 92);– Aanpassingsregeling handel in emissierechten I (Staatscourant 2007, 154);– Wijziging aanpassingsregeling handel in emissierechten (Staatscourant 2007, 192).
Nationale evaluatie van emissiehandel en opstellen van een beleidsbrief. Zonodig starten met implementatie van verbeteringen en met de voorbereiding van het ZBO-schap van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)Ja.De beleidsbrief is op 14 januari 2008 naar de Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 565en 30 694, nr 22). Met het uitvoeren van de aanbevelingen (technische wijzigingen, ZBO-schap van de NEa) is inmiddels gestart.
(a) De laatste koopcontracten bij het Clean Development Mechanism (CDM) sluiten en (b) de daadwerkelijke leveringen laten plaatsvinden van de gecontracteerde gecertificeerde emissiereducties (CER’s)(a) Nee. In 2008 zullen i.v.m. uitval van projecten nog koopcontracten worden afgesloten. Tot en met 31 december 2007 is voor 50,7 Mton CO2-equivalenten aan koopcontracten gesloten. Hiermee is de bijgestelde CDM-doelstelling gerealiseerd. Echter zoals in de «Evaluatienota Klimaatbeleid 2005» (VROM, 2005, p. 68–70) en in het rapport van de Algemene Rekenkamer «Europees handelssysteem voor CO2-emissierechten Implementatie in Nederland» (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 252, nrs. 1–2, blz. 47) is aangegeven wijst de praktijk uit dat ongeveer 10 % (tot mogelijk 20%) van de gecontracteerde CO2-equivalenten uiteindelijk niet wordt geleverd. Deze dienen te worden vervangen door nieuwe aankopen. Dit risico van niet leveren wordt gemitigeerd door in 2008 voor 10% aan extra koopcontracten af te sluiten. (b) Ja. In 2007 is voor 3,76 Mton CO2-equivalenten aan CER’s geleverd.

Meetbare gegevens

Begin 2004 is de binnenlandse taakstelling vertaald naar streefwaarden voor de diverse sectoren, waarbij werd uitgegaan van de aankoop van 20 Mton aan CDM/JI-credits per jaar. Hiermee werd helder gemaakt welke inspanning per sector wordt gevraagd. Recente ontwikkelingen, zoals de vaststelling van het emissieplafond van het nationale allocatieplan voor het Europese handelssysteem (ETS), brengen met zich dat de verwachte emissieniveaus rond 2010 voor sommige sectoren nogal afwijken van de streefwaarden, met als gevolg dat het verwachte aantal aan te schaffen CDM/JI rechten naar beneden is bijgesteld tot 15 Mton per jaar (zie begroting 2008). Onderstaande tabel geeft hiervan een beeld.

Tabel Streefwaarden emissies binnenlands klimaatbeleid (2008–2012) en laatste prognose voor 2010
SectorenStreefwaarden 2008–2012 (Mton/jr)Recente prognose ECN 2010 (Mton/jr)
Industrie/energie109,2104,5
Landbouw7,6*8,8
Gebouwde omgeving28,327,4
Verkeer38,739,7
Overige broeikasgassen35,434,9**
Emissies bossen***0,10,1
Totale landelijke emissie219,3215,4

Bron: DGM-interne administratie

* Bij toename van het areaal glastuinbouw tot 11 500 hectare of meer, wordt de CO2-streefwaarde voor de landbouw verhoogd van 7,6 Mton tot maximaal 8,2 Mton.

** Exclusief de effecten van de voorgestelde opt-in voor lachgas in de chemie.

*** Voor bossen is in 2007 ook een streefwaarde toegevoegd.

Voor de periode na 2012 (post-Kyoto) gelden de ambities uit het Coalitieakkoord voor 2020:

• 30% reductie van broeikasgassen (CO2, lachgas, methaan en de fluorgassen) in 2020 ten opzichte van 1990. Dit betekent een overblijvende nationale emissieruimte van 150 Mton CO2-eq. in 2020;

• een toename van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen naar 20% van het nationale energiegebruik in 2020;

• een geleidelijke versnelling van het tempo van energiebesparing naar 2% efficiency-verbetering per jaar.

6.3.2 Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken

Doel is om klimaatverandering door menselijke beïnvloeding ook op lange termijn tegen te gaan.

Doelbereiking 2007

VROM heeft, in uitstekende samenwerking met andere departementen, zowel in EU- als VN-verband actief gewerkt aan het verwezenlijken van een aantal belangrijke stappen in de richting van een ambitieus «post-Kyoto-regime»: de Milieuraad-conclusies van februari 2007, de baanbrekende conclusies van de Europese Voorjaarsraad van maart, de Europese inzet vastgelegd in de Milieuraad van oktober. Dit alles uitmondend in het ondertekenen van het UNFCCC-akkoord van Bali op 14 december 2007 waarbij 190 landen (waar onder de VS) het eens werden over een routeschema naar een nieuw mondiaal klimaatakkoord in 2009 (Kopenhagen).

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Uitbrengen van het kabinetsstandpunt n.a.v. een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) ten beheve van post-Kyoto klimaatbeleid. De opvattingen van burgers zullen hierbij worden gepeildJa.Medio 2007 is het kabinetsstandpunt aan de Kamer aangeboden, die het zonder verdere aanpassingen heeft aanvaard (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 495, nr. 3). Er wordt nu tot uitvoering overgegaan. Opvattingen van burgers zijn niet gepeild in het kader van het kabinetsstandpunt over het IBO-rapport. Dit omdat er geen uitgebreide kabinetsreactie op IBO gegeven is en het IBO-onderzoek deels ook ingehaald bleek door de verkiezingen en nieuwe beleidsontwikkelingen. In plaats daarvan worden burgers gepeild over het nationale klimaatbeleid in het kader van het werkprogramma Schoon en Zuinig.
Inzetten in internationale fora op het in samenhang realiseren van de ambities voor klimaat, energievoorzieningszekerheid, luchtkwaliteit en concurrentieJa. In Bali is een agenda opgesteld om in twee jaar nieuwe klimaatafspraken te maken. In 2009 moet onder meer invulling zijn gegeven aan:• meetbare en verifieerbare acties van rijke landen, inclusief concrete percentages om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, die met elkaar vergelijkbaar zijn;• meetbare en verifieerbare acties van ontwikkelingslanden om klimaatverandering tegen te gaan met technologische en financiële steun van rijke landen;• beleid om ontbossing op grote schaal tegen te gaan;• internationale samenwerking bij maatregelen om de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie) op te vangen en financiering van het Adaptatiefonds;• brede samenwerking aan technologische ontwikkeling voor mitigatie (beperken van klimaatverandering) en adaptatie (aanpassen aan klimaatverandering) en overdragen van technologische kennis aan ontwikkelingslanden.

6.3.3 Beperken aantasting van de ozonlaag

Doel is om gezondheidsproblemen, met name huidkanker, te voorkomen. Er is een nauwe relatie tussen aantasting van de ozonlaag en klimaatverandering door menselijke beïnvloeding.

Doelbereiking 2007

Onder het Montreal Protocol, dat in 2007 zijn twintigste verjaardag vierde, zijn vérgaande afspraken gemaakt over de uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen. Wereldwijd wordt het protocol als één van de meest succesvolle milieuverdragen beschouwd, gegeven de bereikte reducties (> 90%).

In 2007 is onder het Montreal Protocol afgesproken om de uitfasering van de productie en de consumptie van HCFK met 10 jaar te vervroegen naar 2020 voor ontwikkelde landen en naar 2030 voor ontwikkelingslanden. Voor ontwikkelingslanden is ook invulling gegeven aan de tussenliggende stappen in het uitfaseringschema. De ozonlaag zal naar verwachting rond 2050 hersteld zijn, al zal het herstel van het gat boven Antarctica meer tijd vragen (± 2065)1. Het herstel van de ozonlaag zal door de versnelde uitfasering van HCFK ongeveer 3 jaar eerder optreden en de hoeveelheid gereduceerde broeikasgasemissies bedraagt circa 12–15 Gigaton over die periode2. Toch moet er (internationaal) nog veel gebeuren om die verwachting waar te maken.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Jaarlijkse voortgangsrapportage aan de Europese CommissieJa. De rapportage is de Europese Commissie op 26 juni 2007 aangeboden.

6.3.4 Beperken verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

Doel is om verzuring en andere milieuschadelijke emissies door de industrie, het verkeer en de binnenvaart te beperken.

Doelbereiking 2007

In de «NEC-rapportage 2006», die op 27 november 2006 aan de Tweede Kamer is aangeboden, is gesteld, dat met het huidige vastgestelde beleid èn het beleid in voorbereiding de tussendoelen voor 2010 voor verzuring en grootschalige luchtverontreiniging net wel of net niet worden gehaald (Kamerstukken II, 2006–2007, 28 240, nr. 66). Aanvullend hierop heeft de minister van VROM op 12 oktober 2007 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin is aangegeven vast te houden aan de nationale en de sectorplafonds 2010. Ook is aangegeven welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden als het halen van de plafonds in gevaar dreigt te komen (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 240, nr. 88).

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Een goede Nederlandse inzet in de onderhandelingen over de nieuwe NEC-richtlijn (in 2007/2008) met emissieplafonds voor 2020, als vervolg op de EU-evaluatie in 2006. De onderhandelingsinzet komt interdepartementaal tot standNee.De Europese Commissie heeft nog geen voorstel voor herziening NEC-Richtlijn gepresenteerd. Reden hiervoor is dat de Commissie graag de klimaatambitie (-20/-30% reductie CO2) mee wil nemen in de emissiedoelstellingen NEC. Het voorstel wordt nu eind mei 2008 verwacht, waarna de onderhandelingen worden gestart.
Afspraken maken met betrokken sectoren over de realisatie van de NEC-plafondsJa.Met alle stakeholders wordt regelmatig overlegd over de realisatie van de NEC-plafonds.
Begin 2007 aanbieden van het Luchtkwaliteitsplan 2006 aan de TK. Dit plan geeft aan hoe de overschrijdingen in 2006 van de luchtkwaliteit aangepakt wordenNee.In 2007 zijn i.h.k.v. het luchtkwaliteitsplan alleen de jaarcijfers aan de Kamer gerapporteerd. Verplichting tot overlegging van het luchtkwaliteitsplan aan Brussel is eenmaal per vier jaar, tenzij sprake is van ernstige overschrijdingen of van gewijzigd beleid. Het luchtkwaliteitsplan is in 2006 aan de Kamer en aan de Europese Commissie gezonden. Daarnaast is de Kamer in 2007 met grote regelmaat geïnformeerd over de voortgang op het dossier Luchtkwaliteit en de aanpak van de overschrijdingen. Dit gebeurde in het kader van de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de aanpak via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Meetbare gegevens

Voor de middellange termijn (2010) zijn tussendoelen vastgesteld voor luchtkwaliteit en emissies. De NEC-plafonds SO2 en NOx worden volgens het MNP (Milieubalans 2007) met het huidige vastgestelde beleid èn het beleid in voorbereiding waarschijnlijk gehaald. Veel zal afhangen van de uitvoering van het «Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit» (NSL). Er blijven zorgen over het behalen van de sectorplafonds voor NOx.

Tabel Emissies 1990, 2000 en 2005, doelstellingen en prognoses 2010 (Kton/jr)
stof1990200020052010Vastgesteld beleid2010Voorgenomen beleid2010NEC-plafond
SO2191736653 +/- 10%49 +/- 10%50
NOx559402348262 +/- 15%261 +/- 15%260
NH3250152133125 +/- 15%123 +/- 15%128
NMVOS452221171154 +/- 20%154 +/- 20%185
PM1074453838 +/- 15%37 +/- 15%n.v.t.
PM2,54626221817n.v.t.

Bron: Milieubalans MNP 2007, tabel 3.3.1 NB: Excl. zeescheepvaart

Tabel Sectorplafonds van de doelgroepen voor 2010 (Kton)
 SO2NOxNH3VOS
Industrie11,565361
Energie13,5  
Raffinaderijen14,5  
Consumenten112729
HDO* en Bouw17133
Landbouw 5961
Verkeer4158355
Onverdeeld4,513186
Totaal50260128185

Bron: «NEC-Rapportage 2006», uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2006 (bijlage bij Kamerstukken 2005–2006, 28 240 XI, nr. 66).

* HDO = Handel, Diensten en Overheid emissietaakstelling 2010 (Kton/jaar) volgens de NEC-richtlijn.

6.4. Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

TypeOnderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoek1CO2 en NOx emissiehandelOD 6.2.120062007Kamerstukken II, 2007–2008, 29 565 en 30 694, nr. 222
 Streefwaarden IndustrieOD 6.2.120062007Kamerstukken II, 2007–2008, 28 240, nr. 88
 Actualisatie uitstoot broeikasgassen in het SE- en GE-scenarioOD 6.2.120072007www.ecn.nl (ECN-E-07–028)
 Toek. verplichtingen NEC en Gothenborg protocolOD 6.2.420062007Kamerstukken II, 2007–2008, 28 240, nr. 88
 Beleidsgericht onder-zoekprogramma fijnstof (terugdringen onzeker-heden rond fijnstof)OD 6.2.420072008n.v.t.

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting en evaluatieonderzoek ex post gestart of afgerond.

2 het feitelijke onderzoeksrapport (niet meegestuurd met de in dit Kamerstuk vervatte beleidsbrief) is onder de titel «Evaluatie emissiehandel» te vinden bij «publicaties» in het dossier Emissiehandel op de website van VROM, via de volgende link: http://www.vrom.nl/pagina.html?id=2706&sp=2&dn=w1029

Artikel 7. Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem

7.1. Algemene beleidsdoelstelling

Doel is om de verbetering van de milieukwaliteit van water en bodem te bevorderen, alsmede om een duurzame milieukwaliteit van het bodem- en watersysteem te realiseren. En om in samenhang daarmee:

• gebiedsspecifieke rijksmilieudoelen te realiseren;

• een ecologisch duurzame landbouw te realiseren;

• een optimale waterketen veilig te stellen;

• een verantwoord gebruik van de bodem te garanderen;

• een duurzaam gebruik van de biodiversiteit te bevorderen en ecosystemen in te zetten voor het realiseren van milieukwaliteitsdoelen voor bijvoorbeeld de landbouw.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• verbeteren milieukwaliteit bodem;

• saneren van verontreinigde bodems;

• verbeteren milieukwaliteit water;

• bevorderen gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied;

• bevorderen van duurzame landbouw.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het bereiken van de vereiste ecologische condities kent een tijdshorizon van meerdere decennia (zie ook de Milieubalans 2007 van het MNP). In 2007 zijn met name wezenlijke stappen gezet in de verduurzaming van het gebruik van de bodem- en watersystemen; de belangrijkste resultaten hiervan zijn samengevat onder de operationele doelstellingen.

7.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 7. Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:48 07359 916637 11264 12688 717189 779– 101 062
Uitgaven:172 805176 394179 504159 782159 495173 674– 14 179
Programma:167 445171 521174 450155 085154 842169 061– 14 219
 Verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem:2 6701 1541 3603 4262 9882 194794
  Verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem2 6701 1541 3603 4262 9882 194794
 Saneren van verontreinigde bodems:159 170165 527167 647148 214146 567135 76410 803
  Saneren van verontreinigde bodems159 170165 527167 647148 214146 567135 76410 803
 Verbeteren van de milieukwaliteit van water:6975105141 4951 91113 224– 11 313
  Verbeteren van de milieukwaliteit van water6975105141 4951 91113 224– 11 313
 Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijke gebied:8475105149091 22913 102– 11 873
  Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijke gebied8475105149091 22913 102– 11 873
 Bevorderen van duurzame landbouw:4 0613 8204 4151 0412 1474 777– 2 630
  Bevorderen van duurzame landbouw4 0613 8204 4151 0412 1474 777– 2 630
Apparaat:5 3604 8735 0544 6974 6534 61340
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 7 (DGM)5 3604 8735 0544 6974 6534 61340
Ontvangsten:46 72924 80339 14523 82720 47115 1005 371

Toelichting

Saneren van verontreinigende bodems (+ € 10,8 mln)

De belangrijkste oorzaken voor de hogere kasrealisatie zijn de opbrengst ad € 3,7 mln kostenverhaal (opgenomen in 1e suppletore begrotingswet) en de extra middelen die in 2007 beschikbaar zijn gesteld voor het convenant bodemsanering NS (+ € 4,5 mln). De lagere verplichtingenrealisatie op dit instrument wordt veroorzaakt doordat er geen aanspraak is gemaakt op het Besluit borgstelling Midden en Klein Bedrijf (– € 65 mln) en doordat het moment van aangaan van verplichtingen uit de middelen uit het Fonds Economische Structuurversterking voor bodemsanering anders in de tijd gespreid gerealiseerd wordt (– € 20 mln) dan oorspronkelijk voorzien.

De hogere ontvangstenrealisatie wordt veroorzaakt door de in 2007 gerealiseerde kostenverhaalopbrengsten ad € 4,1 miljoen en doordat in de loop van 2007 extra FES middelen aan de begroting zijn toegevoegd voor de sanering van de Groninger pijpleiding. Hiervoor zijn de ontvangsten ook met € 1 miljoen verhoogd.

Verbeteren van de milieukwaliteit van water (– € 11,3 mln)

Vanwege de demissionaire status van het vorige kabinet, zijn destijds bij de ontwerp-begroting 2007 op dit instrument de middelen voor de uitvoering van activiteiten die voortvloeien uit de Toekomstagenda Milieu, opgevoerd. Hiermee is een budget van € 12 mln gemoeid. Besloten is toen de precieze invulling van deze middelen over te laten aan het nieuwe kabinet (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI, nr. 32). Als gevolg hiervan zijn deze middelen pas in de loop van 2007 over de juiste artikelen verdeeld.

Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied (– € 11,9 mln)

Een budget van € 3,5 mln is naar het ministerie van LNV overgeheveld voor verdrogingsbestrijding via het ILG door extensivering van de melkveehouderij op te vernatten landbouwgronden.

Een budget van € 8,3 mln is overgeheveld naar artikel 10, instrument «strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium» voor diverse onderzoeks- en monitoringsprojecten die door het RIVM worden uitgevoerd.

Bevorderen van duurzame landbouw (– € 2,6 mln)

Onderuitputting betreft geplande FES-gelden ten behoeve van gecombineerde luchtwassers.

7.3. Operationele doelstellingen

7.3.1 Verbeteren milieukwaliteit bodem

Doel is de chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit te realiseren, die wenselijk wordt geacht voor het behoud van bodemfuncties en zorg te dragen voor een optimale benutting van de kansen van het bodemsysteem voor maatschappelijke ontwikkelingen.

Doelbereiking 2007

De vorderingen in de actuele bodemkwaliteit worden weergegeven in een landelijk digitaal bodemkwaliteitskaartsysteem. Het ontwerp van dit systeem is in 2007 gereed gekomen. Op 1 januari 2008 is het Besluit Bodemkwaliteit in werking getreden. Met behulp van dit besluit en de bijbehorende instrumenten is het bevoegd gezag in staat de gewenste bodemkwaliteit veilig te stellen en de actuele bodemkwaliteit te verbeteren. Met de inwerkingtreding van het Besluit Bodemkwaliteit op 1 januari 2008 gaat de lastendruk voor het bedrijfsleven omlaag van € 32 mln naar € 17 mln per jaar (besparing van ca € 15 mln per jaar).

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Actualisatie Nederlandse Richtlijn Bodem-bescherming bedrijfsmatige activiteitenNee.Evaluatie is uitgevoerd; actualisatie vindt plaats in 2008.
Oplevering van handreiking met referenties voor een goede bodem-biologische kwaliteit van landbouwgronden en natuurgebieden en maatregelen om die te bereikenNee. In december is het RIVM rapport «Typering van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit» verschenen. Dit rapport is de wetenschappelijke onderlegger voor de uiteindelijke praktijkhandreiking (2008).
Vaststellen contouren digitaal bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaartsysteemJa.Rapportage op www.biells.nl.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2PeriodeRealisatie 2007
Monitoringgegevens bodemkwaliteitHuidige kwaliteit op grond van milieubalans en landsdekkend beeld2006Ten minste standstill2007Ten minste standstill2008Nee1
Aantal, % vastgelegde gebieden op bodem-kwaliteitskaarten0 (0%)200620 (5%)2007100 (25%)2008Ja2

Bron realisatiegegevens: «Bodemkwaliteitskaarten en -beheerplannen in Nederland – een inventarisatie» Project BIELLS, Definitief rapport 9R7701, 15 augustus 2006

1 Systeem nog niet operationeel

2 Informatie op www.bodemplus.nl; circa 65% van de gemeenten heeft t/m 2007 een bodemkwaliteitskaart opgesteld.

7.3.2 Saneren van verontreinigde bodems

Doel is gezondheidsrisico’s weg te nemen of te beheersen en om te voorkomen dat gebruiksbeperkingen moeten worden opgelegd, met als twee concrete doelstellingen:

• uiterlijk in 2015 moet in alle gevallen waar op basis van huidig gebruik de bodem niet voldoet aan de voor feitelijk gebruik gestelde normen met een noodzakelijke sanering zijn begonnen;

• uiterlijk tot in het jaar 2030 draagt het Rijk bij aan de financiering van saneringen die noodzakelijk zijn om gewenst gebruik mogelijk te maken.

Doelbereiking 2007

In 2007 is voortgang geboekt in de uitvoering van de meerjarenprogramma’s bodemsanering door het bevoegd gezag. In het Jaarverslag Bodemsanering 2007 is aan de Tweede Kamer verantwoording afgelegd in termen van «bodemsaneringsprestatie-eenheden (Bpe’s)» (combinatie van aantal m3 en m2 eenheden gesaneerde verontreinigde bodem). In verband met het tijdstip waarop de gegevens over 2007 beschikbaar zijn (maart/april 2008) is het niet mogelijk om deze informatie in de VROM beleidsverantwoording 2007 op te nemen. Over deze gegevens wordt in mei 2008 in het Jaarverslag Bodemsanering 2007 aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

Instrumenten
2007Realisatie
Uitvoeren, onderhouden en ontwikkelen van de Wet bodembescherming en daarop gebaseerde besluiten. In wet- en regelgeving worden instrumenten opgenomen voor een gevals-overstijgende aanpak en voor beheer van de ondergrond met name het grondwaterJa.
Verlenen van subsidies in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing en Investeringsbudget Landelijk Gebied. Verlenen van subsidies aan provincies en gemeenten op grond van de Wet bodembescherming, subsidie-regeling voor de sanering van in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen, convenant met de textielbrancheJa.
Kennisontwikkeling en -overdracht door de Stichting Kennisontwikkeling en- overdracht Bodembeheer (SKB) en kennisoverdracht en ondersteuning aan MKB door het BodemcentrumJa.
Ondersteuning van het Bevoegd Gezag door Bodem+ bij de uitvoering van het bodem-saneringsbeleidJa.
Ondersteunen en faciliteren van lokale overheden bij het invullen van hun (decentrale) bodembeleid door het subsidiëren van de ontwikkeling van een handreiking voor het invullen van lokale bodemambities en de instrumenten voor de implementatie hiervan. Betreft zgn. risicobeoordelingsmethodiekenJa.
Meetbare gegevens
Indicator kennisontwikkeling bodemkwaliteitBasiswaardePeildatumStreefwaarde 1 (2007)Realisatie 2007Streefwaarde 2 (2010)
Percentage informatie-inwinningen over bodem-kwaliteit bij onroerend goed- transacties101–1–200537%73%75%
Aantal geregistreerde gebruikers Richtlijn beheer en herstel (water) bodemkwaliteit201–1–20051 250 (63%)5 5632000

Bron:

1 schatting door adviesbureau voor milieu, ruimte en water

2 opgave Bodem + Bij het «aantal geregistreerde gebruikers Richtlijn beheer en herstel (water) bodemkwaliteit» is het aantal unieke bezoekers 2007 van de website «Richtlijn beheer en herstel (water) bodemkwaliteit» opgenomen. Dit aantal/deze doelgroep is groter dan de oorspronkelijk opgenomen doelgroep van feitelijke gebruikers van de richtlijn. De website wordt bij voorbeeld ook veel door buitenlandse gebruikers (China, USA, Spanje) geraadpleegd.

Prestatie-indicator aantal afgeronde onderzoeken bodemsanering en bodem-saneringen:WerkvoorraadPeildatumStreefwaarde (2007)Realisatie 2007
Oriënterende onderzoeken in stedelijk gebied30 0001–1–20055002 594
Oriënterende onderzoeken in landelijk gebied30 0001–1–2005400301
Oriënterende onderzoeken in eigen beheer100 0001–1–2005600Niet beschikbaar; multiplier circa 2,4
Oriënterende onderzoeken op bedrijventerreinen   865
Nadere onderzoeken in stedelijk gebied7 5001–1–2005130785
Nadere onderzoeken in landelijk gebied7 5001–1–2005100193
Nadere onderzoeken in eigen beheer60 0001–1–20051 100Niet beschikbaar; multiplier circa 2,4
Nadere onderzoeken op bedrijventerreinen   400
Saneringen in stedelijk gebied3 0001–1–2005501 069
Saneringen in landelijk gebied3 0001–1–200530247
Saneringen in eigen beheer54 0001–1–20051 000Niet beschikbaar; multiplier circa 2,4
Saneringen op bedrijventerreinen   329

Bron: Bodem + / RIVM; opgave 15/2/2008

Toelichting:

Er zijn het afgelopen jaar veel meer oriënterende onderzoeken uitgevoerd dan gepland. De verhouding tussen stedelijk en landelijk gebied is echter wel anders dan oorspronkelijk voorzien. De toename van het aantal oriënterende onderzoeken hangt samen met de dynamiek. Deze is in het stedelijk gebied groter dan in het landelijk gebied en dat verklaart waarom de oriënterende onderzoeken in het landelijk gebied lager uitvallen.

Met ingang van 2007 is overgestapt op een ander ordeningsprincipe voor het monitoren van de voortgang van de bodemsanering. In plaats van de categorie «in eigen beheer» wordt nu geregistreerd naar «saneringen op bedrijventerreinen». Dit maakt dat in bovenstaande tabel de kolom «streefwaarde» en de kolom «realisatie 2007» alleen nog op totalen van «soort onderzoek/sanering» vergelijkbaar zijn.

7.3.3 Verbeteren milieukwaliteit water

Doel is om de milieukwaliteit van het water te verbeteren, benaderd vanuit de facetten watersysteem en watergebruik:

Watersysteem

Om de milieukwaliteit van water voor nu en in de toekomst te kunnen waarborgen, is het noodzakelijk dat de gewenste kwaliteit (algemeen of passend bij de functie) van het water bestuurlijk wordt vastgelegd. De vast te stellen doelen vloeien voort uit Europese waterrichtlijnen (Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn, Richtlijn Prioritaire Stoffen, Zwemwaterrichtlijn). De doelstelingen bestaan uit biologische, fysische, chemische en bacteriologische componenten. Tevens moet verontreiniging van het water en ontstaan van afvalwater zo veel als redelijkerwijs mogelijk worden voorkomen.

Watergebruik

Om voor het watergebruik een duurzame veiligstelling van een optimale waterketen (de drinkwater- en industriewatervoorziening, riolering en afvalwaterzuivering) op een transparante wijze te waarborgen tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij dienen de publieke belangen (gezondheid, milieu en bescherming gebonden klanten) eveneens goed te zijn gewaarborgd.

Doelbereiking 2007

Het proces van doelformulering voor de Kaderrichtlijn water en aanverwante richtlijnen is in 2007 uitgemond in vele afspraken met de regio over de wijze waarop in 2008 deze moeten leiden tot waterplannen op nationaal en regionaal niveau die laten zien met welke maatregelen wat bereikt wordt met betrekking tot de waterkwaliteit. De te bereiken milieudoelstellingen die voortvloeien uit de diverse richtlijnen komen vast te liggen in een AMvB die in de eerste helft van 2008 ter visie wordt gelegd.

In 2007 is met alle partijen overeenstemming bereikt over de aanpak van deze AMvB en is een concept voorbereid. Pas in de loop van 2008 wordt duidelijk hoe het doelbereik in de eerste planperiode (tot 2015) ervoor staat, voor welke stoffen dit het einddoel is en voor welke sprake is van fasering in doelbereik waarvoor 2017 en 2021 de peildata zijn.

Adequate monitoring is daarvoor van groot belang. Hierover zijn eind 2007, gebaseerd op een aantal in 2007 verrichte onderzoeken afspraken met de regio gemaakt.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Rapportage uitbrengen over mogelijke impulsen voor anders omgaan met regenwaterJa. Er is een werkwijzer ontwikkeld voor kosten baten toerekening. Op dit moment wordt de werkwijzer in pilots toegepast.
Uitvoeren informatiecampagne ter versterking van het handelingsperspectief van de consument over watergebruikNee.De informatiecampagne is onderdeel geworden van het Bestuursakkoord Waterketen en wordt in de eerste helft 2008 voorbereid.
Integraal uitvoeringsprogramma voor de aanpak van diffuse waterverontreinigingJa.Het uitvoeringsprogramma is in december 2007 naar de Tweede Kamer toegestuurd (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 535, nr. 13).
Inwerkingtreding van het Besluit lozingen niet-inrichtingenNee. Niet eerder dan 1 januari 2009. De regelgeving voor lozingen buiten inrichtingen bestaat uit twee algemene maatregelen van bestuur: het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Besluit algemene regels lozingen buiten inrichtingen.Het Besluit lozing afvalwater huishoudens is per 1–1–2008 in werking getreden.Voor het Besluit algemene regels lozingen buiten inrichtingen wordt toegewerkt naar inwerkingtreding gelijktijdig met de Waterwet.De latere inwerkingtreding van dit besluit heeft te maken met het geven van interne prioriteit aan de afronding an het Besluit algemene regels voor inrichtingen en Besluit lozing afvalwater huishoudens , die beide per 1–1–2008 in werking zijn getreden. Daarnaast is een aansluiting gemaakt bij in voorbereiding zijnde wetgeving (Waterwet), dit om het aantal verandermomenten voor lozers beperkt te houden.
Opstellen rapportage drinkwaterkwaliteit 2006Ja. Rapport drinkwaterkwaliteit 2006 (Kamerstukken II, 2006–2007, 22 343, nr. 184).
Van kracht worden Drinkwaterwet en bijbehorend besluit (ter vervanging van Waterleidingwet en -besluit)Nee.Parlementaire behandeling is nog niet afgerond in verband met bestuurlijk overleg over de regulering van de winsten van drinkwaterbedrijven. Dientengevolge is de in werkingtreding uitgesteld tot 2008.
Juridische implementatie Zwemwaterrichtlijn (Besluit hygiëne en veiligheid baden en zwemgelegenheden (Bhvbz) en Besluit waterkwaliteit)Nee. De implementatie is complexer gebleken dan verwacht, waardoor afronding in 2007 niet is gerealiseerd. De verwachting is dat de prestatie in 2008 wordt gerealiseerd. Verschuiving naar 2008 heeft geen gevolg voor realisatie van de prestatie-indicator, omdat het past in de planning naar 2015.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefwaardePeriodeRealisatie 2007
– Percentage meetresultaten dat voldoet aan de wettelijke normen voor drinkwaterkwaliteit99,9%200499,9%2007n.v.t.1
– Percentage nieuwe materialen en chemicaliën die in contact staan met drinkwater t.o.v. het totaal aantal nieuwe materialen en chemicaliën met erkende kwaliteitsverklaringen 100%2007Nee2
– Mate van voldoen van drinkwaterbedrijven aan basisbeveiligingsniveau50%2003100%2007Nee3
– Gemeten voortgang (o.b.v. een nog te ontwikkelen systematiek) in de samenwerking in de waterketen Nader te bepalen  
– Percentage gesaneerde huishoudelijke lozingen in het buitengebiedca. 5%2002100%2007Nee4
– Aantal oppervlakte- en grondwaterlichamen (in ha) t.o.v. het totaal van oppervlakte- en grondwaterlichamen waarvan de gemeten waarden (ecologische, chemische en kwantitatieve parameters) voldoen aan de geldende normen in KRW en EMSNader te bepalen2015n.v.t.
– Percentage locaties t.o.v. het totaal aantal locaties, waarvan de actuele waterkwaliteit voldoet aan de geldende normen die gesteld zijn aan de gestelde gebruiksfunctie van de locatieNader te bepalen2015n.v.t.
– Percentage zwemlocaties die voldoen aan Zwemwaterrichtlijn92% zoet99% zout20052005100%100%2015201597,3%100%

Bron realisatiegegevens:

1 Rapport RIVM Meetgegevens moeten worden verwerkt in een rapport. Rapportage RIVM wordt ultimo 2008 verwacht.

2 De noodzakelijke uitbreiding van Regeling Materialen en Chemicalien leidingwater kan nog niet worden geeffectueerd door onzekerheden over harmonisatie op Europees niveau.

3 Onderzoek is nog niet afgerond. Rapportage VROM inspectie wordt in 1e kwartaal van 2008 verwacht.

4 Onderzoek Inspectie loopt nog, in 2008 worden de resultaten verwacht.

7.3.4 Bevorderen gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied

Doel is de vereiste milieucondities voor de Ecologische Hoofdstructuur en de waterwingebieden te realiseren. Daarnaast is het doel het gewenste gebruik van biodiversiteit buiten de EHS te behouden ofwel te verkrijgen. Tenslotte is het doel het gewenste gebruik van de bodem en een duurzame productie in de landbouw en andere sectoren te bevorderen.

Doelbereiking 2007

In het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn voor de periode 2007–2013 met de provincies prestatieafspraken gemaakt (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 576, nr. 30). VROM investeert in het ILG op de volgende onderwerpen: milieukwaliteit voor EHS/VHR, duurzaam ondernemen en duurzaam bodemgebruik. Voor de tussenliggende jaren zijn geen tussenprestaties/-doelen afgesproken. In 2010 vindt er een midterm review plaats.

Milieukwaliteit Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/Vogelhabitat Richtlijn (VHR)

Voor het bereiken van de gewenste milieukwaliteit in EHS- en VHR-gebieden heeft VROM ongeveer € 60 mln ter beschikking gesteld voor de periode 2007–2013. Totale rijksbijdrage (inclusief de ministeries van LNV en V&W) voor dit doel is ongeveer € 200 mln. De verdrogingsgelden worden ingezet in een prioriteitenlijst verdroogde gebieden. Met de Rijks- en overige financiële middelen (de Rijksbijdrage is bedoeld als een 50%-bijdrage in de kosten) wordt in de planperiode circa 89 000 ha verdroogd gebied (variërend van 50 tot 100%) hersteld, waarvan 57 000 ha. VHR en 32 000 ha. overig EHS.

Duurzaam ondernemen in land- en tuinbouw

Doel is het bevorderen van een duurzame productie door de land- en tuinbouw door vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, sluiten van mineralen-kringlopen, bevorderen duurzaam bodemgebruik, gebruik van duurzaam geproduceerde grondstoffen, hergebruik van reststoffen en bijdragen aan vergroening van de economie (biobased economy). Voor dit doel is € 10 mln beschikbaar gesteld door VROM voor de eerste ILG-planperiode, gelijkelijk verdeeld over de provincies (elk € 830 000). Ook in dit geval geldt weer een 50%-bijdrage van het Rijk. De provincies gaan voor dit geld pilots duurzame productie, waaronder duurzaam gebruik agrobiodiversiteit (bijvoorbeeld functionele akkerranden) en duurzaam bodemgebruik in de landbouw (bijvoorbeeld stimulering bodemleven), uitvoeren. De pilots zijn bedoeld om praktijkervaring op te doen, om ze bij positieve ervaringen te gebruiken als stimulerende voorbeeldprojecten om elders te doen navolgen en om te bepalen op welke wijze het beleid moet worden ingericht om projecten/initiatieven op het vlak van duurzaam ondernemen te stimuleren. Provincies willen in de planperiode 2007–2013 meer dan 40 pilots uitvoeren. In 2007 zijn met 2 provincies afspraken gemaakt over 5 te starten pilots. Voorts zijn van 4 provincies verschillende voorstellen ontvangen waarover nog overleg gaande is.

Duurzaam bodemgebruik

Doel is dat de (gebruiks)waarde van de bodem behouden moet blijven of moet worden hersteld. Hiervoor moeten alle provincies uiterlijk in 2009 over een bodemvisie beschikken (met geformuleerde bodemambities) én moeten ze een bodeminformatiesysteem operationeel hebben. Voor dit doel is middels het ILG voor elke provincie een Rijksbijdrage toegezegd van € 450 000 (in totaal € 5,4 mln door VROM, ook weer als een 50%-bijdrage). De provincies kunnen deze bijdrage gebruiken voor het opstellen van hun bodemvisie en het uitvoeren van totaal ongeveer 40 pilots, gericht op het gebruik en beschikbaar komen van bodeminformatie in landbouwgebieden en in gebieden voor natuurontwikkeling.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Programma voor een versterking van de onderbouwing en uitvoering van het regionale milieu- en waterbeleid (inclusief verdrogingsbestrijding) voor de EHS en VHR-gebiedenJa. Er is door VROM gezamenlijk met IPO en de ministeries van LNV en VenW gewerkt aan o.a. het in beeld brengen van de kosten van de milieucondities EHS en een systematiek voor natuurkwaliteiten.
Vormgeving van een kennis- en leertraject rondom ILG-pilots duurzaam bodemgebruik en duurzame productie in de landbouw, in samenwerking met LNV en LTOJa. Dit kennis- en leertraject is vormgegeven in een Stimuleringsprogramma Agrobiodiversiteit en Duurzaam Bodembeheer (SPADE). De uitvoeringsinfrastructuur van SPADE is in ontwikkeling en het programma wordt formeel in het eerste kwartaal 2008 gestart.
Opstarten onderzoek- en communicatieprogramma voor de ecobalansJa. In de tweede helft van 2007 zijn onderzoeksvragen rond de Ecobalans uitgezet bij MNP, CREM (i.s.m. Shell) en bij het CE-Delft (gereed februari 2008). Ook is contact gelegd met internationale organisaties (OECD, UNEP, CBD) voor de verdere ontwikkeling van de Ecobalans en gezamenlijke presentatie tijdens CoP-9 CBD (Bonn, mei 2008).
Opstarten programma «Biodiversity & Business»Ja. In het Beleidsprogramma Biodiversiteit, dat begin 2008 naar de Kamer gaat wordt een NL-Business & Biodiversity Initiatief aangekondigd. Daarop vooruitlopend is in 2007 een oriënterende studie gedaan naar bedrijven/sectoren waarmee afspraken kunnen worden gemaakt voor innovatieve partnerschappen.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw 2Periode
Milieukwaliteit EHS/VHRNulmeting door provincies2006Milieukwaliteit in overeenstemming met instandhoudingsdoelstellingen VHR20151Milieukwaliteit in overeenstemming met natuur-doeltypen EHS20271

1 In 2010 vindt een midterm review plaats

7.3.5 Bevorderen van duurzame landbouw

Doel is om een ecologisch duurzaam gebruik en beheer van bodem, water, lucht en overige natuurlijke hulpbronnen door de agrarische sector te bevorderen, met een «juiste» ruimtelijke inpassing in het landelijk gebied en een goede kwaliteit van de leefomgeving.

Doelbereiking 2007

Bestrijdingsmiddelenbeleid

De einddoelstelling van het beleid voor een duurzame gewasbescherming is dat in 2010 een vermindering is gerealiseerd van de milieubelasting met 95% ten opzichte van 1998 en dat de milieukwaliteitsdoelstelling voor het oppervlaktewater is gerealiseerd. Uit de door het MNP uitgevoerde beleidsevaluatie blijkt dat de milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen is gedaald met 86% in 2005 ten opzichte van 1998. Daarmee is de tussendoelstelling voor 2005, 75%, ruimschoots gerealiseerd.

Mineralenbeleid

In het kader van het derde Nitraatactieprogramma zijn met ingang van 2006 aanvullende regels van kracht geworden voor het gebruik van meststoffen (onder meer langs waterlopen) en het vernietigen van grasland. Uit de evaluatie Meststoffenwet 2007 blijkt enerzijds dat Nederland kan voldoen aan de doelen van de Nitraatrichtlijn en anderzijds dat de Europese Commissie Nederland afrekent op de gemiddelde concentratie in het zandgebied in 2015. Op het zuidelijk zandgebied blijft de nitraat-concentratie ver boven de norm, wat deze middeling noodzakelijk maakt. Bij evenwichtsbemesting (fosfaat) wordt gemiddeld voldaan aan de minimumeis van de KRW dat er geen verdere verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit plaatsvindt. Dit betekent nog altijd dat in circa de helft van de wateren deze minimumeis niet wordt gehaald met alleen evenwichtsbemesting. In het voorjaar van 2008 wordt in het kader van de KRW per stroomgebied een concept stroomgebiedsbeheersplan opgeleverd. Hierin zijn de doelen voor water opgenomen en de maatregelen die nodig zijn om deze doelen te halen, ook voor wat betreft fosfaat. Verder is het MNP momenteel bezig met de zogeheten ex-ante evaluatie Kaderrichtlijn Water waarbij de te verwachten effecten van mogelijke nationale en regionale beleidsmaatregelen worden beoordeeld. Vooralsnog heeft het Rijk geen voornemen om naast evenwichtsbemesting van fosfaat nog andere maatregelen aan de landbouw op te leggen om de fosfaatbelasting te verlagen. De concept deelstroomgebieden en de resultaten van de ex-ante evaluatie zullen mogelijk aanleiding geven tot een discussie over de noodzaak tot aanvullend generiek beleid voor fosfaat uit de landbouw.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Verkleining van het areaal natuur waarop de zoneringsmaatregelen van toepassing zijn overeenkomstig het Regeerakkoord 2003Ja. De gewijzigde wet (Wet ammoniak en veehouderij) is 1 mei 2007 in werking getreden.
Modernisering algemene regels voor landbouwbedrijven (in het kader van de modernisering/herijking VROM-regelgeving)Nee. In plaats daarvan is een tussentijdse wijziging Besluit landbouw oude stijl in procedure gebracht. Herstart modernisering eind 2007. Planning in werking 1 januari 2010.
Samenvoegen bestaande AMvB’s en uitbreiden werkingssfeer met belangrijk deel van de intensieve veehouderij (opheffen vergunningplicht voor circa 11 000 (intensieve) veehouderijen)Nee. Wijziging Besluit landbouw is vanwege opnemen intensieve veehouderij reeds eind 2006 voorgepubliceerd, maar in 2007 volledig vastgelopen i.v.m. onduidelijkheid over regelgeving voor fijnstof en i.v.m. wijziging regelgeving MER. Naar een oplossing wordt gezocht en er wordt begin 2008 advies aan RvS gevraagd. Dan gewijzigd besluit medio 2008 in Stb.
Vaststellen van beleidsconclusies n.a.v. de tussenevaluatie van de Nota duurzame gewasbescherming die heeft plaatsgevonden in 2006 en brief terzake aan de TKJa. Kamerstukken II, 2006–2007, 27 858, nr.61.
Evaluatie van de Meststoffenwet en uitbrengen van beleidsconclusies (waaronder concreet: vaststellen van de stikstof-gebruiksnormen voor akkerbouwgewassen voor het zandgebied voor 2008 en 2009)Ja.Kamerstukken II, 2007–2008, 28 385, nr. 93.
In het kader van het Derde Nederlandse Actieprogramma inzake de Nitraatrichtlijn (91/676/EEG) moet Nederland de Europese Commissie uiterlijk 15 juni 2008 rapporteren over de resultaten van het beleid in de periode december 2003 t/m december 2007. In 2007 met de voorbereidingen voor deze rapportage startenJa, Voorbereidingen zijn gestart.
Aan het eind van 2007 zal een bijgewerkte, en zo nodig aangepaste, versie van het Derde Actieprogramma worden uitgebrachtJa.Aanpassing op basis van evaluatie meststoffenwet is op 17 december 2007 gepubliceerd in de staatscourant nr. 243. Aanpassing is op 1 februari 2008 van kracht geworden.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw 2PeriodeRealisatie 2007
– Ammoniak; totale emissie van alle doelgroepen (bron: Milieubalans 2005)130 kiloton2003128 kiloton2010 (Europees)100 kiloton2010 (nationale inspanning NMP-4)n.v.t.1
– Gewasbescher- mingsmiddelen; procentuele vermindering van de milieubelasting t.o.v. 1998 (bron: Nota duurzame gewasbescherming) en realiseren van een milieu-kwaliteit voor oppervlakte-water die een stap verder gaat dan MTR50%200175%200595%2010n.v.t.2
– Meststoffen; nitraatgehalte in het grondwater (bron: Milieu-balans 2005)90 mg/l zandgrond200250 mg/l2009   

1 definitieve vaststelling totale emissie 2007 volgt in 2009 (conform methodiek emissie registratie. Indicatieve schatting 133 kton).

2 geen tussendoelstelling geformuleerd, realisatie 2007 is niet bekend, realisatie 2005 was 86%.

7.4 Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

TypeOnderwerpAlgemeen Doel of Operationeel DoelStartAfgerondVindplaats
Overig evaluatie-onderzoekVerbeteren milieukwaliteit water*OD 7.2.320112011 
 MKBA bodemsaneringOD 7.2.220062007Kamerstukken II, 2006–2007 30015, nr. 14
 Jaarverslag BOSA ’06OD 7.2.220062007Kamerstukken II, 2006–2007 30015, nr. 18
 Bijdr. Meststoffenwet aan duurz. landbouwOD 7.2.520052007Werking van de meststoffenwet 2006, MNP publicatie 500 124 001 (2007)

* de in de begroting 2007 aangekondigde evaluatie-onderzoeken «milieukwaliteit water» en «efficiency en transparantie in de waterketen» zijn beleidsvelden binnen het operationele doel «verbeteren milieukwaliteit water». Gelet op de de definitie van beleidsdoorlichtingen is 2011 het juiste tijdstip.

Artikel 8. Verbeteren van de milieukwaliteit in de bebouwde omgeving

8.1. Algemene beleidsdoelstelling

Doel is de lokale luchtkwaliteit te verbeteren en de overlast door geluid verminderen en te voorkomen, met bijzondere aandacht voor het verkeer.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden;

• verbeteren van de lokale luchtkwaliteit;

• voorkomen en verminderen van geluidhinder;

• bevorderen van duurzame mobiliteit.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Veel inspanningen zijn gericht geweest op het verbeteren van de luchtkwaliteit en op het invoeren van nieuwe wetgeving op het terrein van luchtkwaliteit en geluidhinder. Op basis van de onder de operationele doelstellingen opgenomen geleverde prestaties is de conclusie, dat er in 2007 een verdere bijdrage is geleverd aan het voorkomen en oplossen van lokale milieuproblemen. Zie ook de uitkomsten 2007 bij de lucht- en geluidindicatoren in de tabellen 8.3.2 en 8.3.3.

Externe factoren

De samenwerking met gemeenten en de samenwerkingsverbanden zijn over het algemeen goed verlopen. Adequate normstelling in EU- of UN/ECE-verband voor voertuigen verloopt moeizamer; dat bemoeilijkt het voor Nederland om aan de normstelling voor luchtkwaliteit te voldoen en om de doelstellingen van het geluidbeleid te halen.

8.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 8. Verbeteren milieukwaliteit in de bebouwde omgeving(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:47 99854 01040 86779 342286 411164 214122 197
Uitgaven:65 70548 50047 68382 899263 242170 88892 354
Programma:59 41642 65642 79778 531258 638166 26792 371
 Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden:3 8435 8918 35044 78060 20660 724– 518
  Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden3 8435 8918 35044 78060 20660 724– 518
 Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit:00001690169
  Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit00001690169
 Verminderen van geluidhinder:55 57336 76534 44732 19043 50229 14314 359
  Verminderen van geluidhinder55 57336 76534 44732 19043 50229 14314 359
 Bevorderen van duurzame mobiliteit:0001 561154 76176 40078 361
  Bevorderen van duurzame mobiliteit0001 561154 76176 40078 361
Apparaat:6 2895 8444 8864 3684 6044 621– 17
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 8 (DGM)6 2895 8444 8864 3684 6044 621– 17
Ontvangsten:9712 6673 79740 015197 938127 81470 124

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 122,2 mln)

Verbeteren lokale luchtkwaliteit:

De hogere verplichtingenrealisatie wordt veroorzaakt doordat in de loop van 2007 verplichtingen aan de VROM begroting zijn toegevoegd voor de verbetering van de luchtkwaliteit.

Verminderen geluidhinder (+ € 14,4 mln)

De overschrijding in de uitgaven wordt vooral veroorzaakt doordat de afronding van de regeling industrielawaai in 2008 plaats vindt. Dit heeft tot een stijging van de uitgaven geleid van circa € 10 mln. Deze verhoging van de uitgaven is in de eerste suppletore begrotingswet 2007 toegelicht.

Bevorderen van duurzame mobiliteit (+ € 78,3 mln)

Bij de eerste suppletore begroting 2007 is het kasbudget verhoogd met € 33,3 mln tot € 109,7 mln, ten behoeve van de verkeersmaatregelen ter bevordering van de luchtkwaliteit (zijnde de diverse subsidieregelingen voor het stimuleren van de aanschaf van schonere voertuigen, voor het achteraf inbouwen van roetfilters, etc.). Vooral in het laatste deel van het jaar bleken deze regelingen nog sneller te lopen dan voorzien, waardoor de realisatie (overigens binnen het totaal beschikbare budget) aanzienlijk hoger is uitgevallen. Een deel van deze versnelling, te weten € 15 mln is betaald uit de bijdrage die het ministerie van VenW hiervoor heeft overgeboekt naar VROM. Het restant is, conform de geldende procedures, gedeclareerd bij en ontvangen uit het Fonds Economische Structuurversterking. Dit laatste overigens behoudens een bedrag van afgerond € 2,4 mln aan onterecht uitgekeerde subsidies. Door een (inmiddels herstelde) onvolkomenheid in de automatisering van de registratie van affabriek roetfilters bij de RDW, is in de periode van april 2006 tot en met april 2007 voor ongeveer 6 000 kentekens van bestelwagens onterecht subsidie verstrekt. Deze onterecht uitgekeerde subsidies zullen in 2008 door SenterNovem worden teruggevorderd.

Ontvangsten (€ 70,1 mln)

De uitgaven ten behoeve van de verkeersmaatregelen ter bevordring van de luchtkwaliteit zijn € 110,2 mln hoger dan oorspronkelijk begroot. Deze uitgaven worden gefinancierd vanuit het Fonds Economische Structuurversterking, waardoor de ontvangsten evenredig hoger uitkomen. Met de 1e suppletore wet is het kasbudget reeds verhoogd met € 33,3 mln.

8.3 Operationele doelstellingen

8.3.1 Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden

De belangrijkste doelstelling van het geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden is condities te creëren waarbinnen andere overheden een integraal en gecoördineerd milieubeleid kunnen vormgeven om zodoende een goede milieukwaliteit in de bebouwde omgeving gebiedsgericht te kunnen realiseren en in stand te houden.

Doelbereiking 2007

Er zijn goede resultaten bereikt om de andere overheden in staat te stellen een geïntegreerd milieubeleid te kunnen voeren. De convenanten inzake de tweede periode van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV2) lopen tot 2010. In 2007 is gestart met de vormgeving van de derde periode van ISV. Hier zal in 2008 verder aan worden gewerkt. Ook is verder gewerkt aan het vormgeven van één integrale omgevingstoets en zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over gebieden in transitie.

Instrumenten
2007Realisatie
Wet- en regelgeving opstellen gericht op uitvoering en handhaving van het gebieds-gerichte milieubeleid, bijv. het stroomlijnen van toetsen bij ruimtelijke planvormingJa. In 2008 komt de WEB site over de stroomlijning van toetsen bij ruimtelijke planvorming beschikbaar
Kennisoverdracht en -ontwikkeling verzorgen in de vorm van handreikingen om te komen tot samenhangend gebiedsgericht milieubeleid zoals de actualisatie van de «milieukwaliteit in de leefomgeving» (MILO)Nee. Het MILO project is in oktober 2007 afgesloten. In de evaluatie is gebleken dat het deels succesvol is geweest. Juist op het gebied van verinnerlijking van het samengaan tussen ruimte en milieu blijkt dat dit nog niet een automatisme is binnen gemeenten. Sectorale benaderingen zijn hardnekkig. In het kader van het bestuursakkoord over duurzaamheid met het VNG wordt bezien of de MILO benadering een plek kan krijgen in de uitwerking van duurzaamheid.
Implementeren van de EU-richtlijn InspireNee. In 2009 zal volledige implementatie, juridisch en technisch, gerealiseerd worden.
Leveren van een bijdrage aan een aantal leefbaarheidsprojecten als onderdeel van het Project Mainport Rotterdam ter verbetering van de milieukwaliteit, de ruimtelijke kwaliteit en het aanbod van natuur- en recreatiegebied in de regio RotterdamJa.

8.3.2 Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit

Doel is om de luchtkwaliteit te verbeteren teneinde een bijdrage te leveren aan de verbetering van de gezondheidssituatie en voor het doorgang laten vinden van ruimtelijke en infrastructuurplannen.

Bij dit doel gaat het om het verbeteren van luchtkwaliteit in algemene zin. Bij het doel 8.3.4 (bevorderen van duurzame mobiliteit) gaat het om specifieke maatregelen gericht op het terugdringen van uitstoot door het verkeer.

Doelbereiking 2007

In 2007 is de nieuwe wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit van kracht geworden. Voorts zijn in 2007 financiële middelen aan de provincies beschikbaar gesteld om de lokale luchtkwaliteitsknelpunten aan te pakken. De milieu-effecten van het beleid zullen geleidelijk zichtbaar worden. In tabel 8.3.1 worden de luchtkwaliteitsnormen en realisaties 2006 toegelicht. Betrouwbare actuelere effectgegevens zijn momenteel niet voorhanden; de Milieubalans 2008 zal een nieuw ijkpunt bieden.

Voor een nadere toelichting op de mate waarin het doel is/wordt bereikt, wordt verwezen naar de brief «Realisatie milieudoelen 2008» van het MNP waarin de tabel «Trends in milieudrukmilieukwaliteit en raming voor realisatie van het doel op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid» is opgenomen. Uit deze tabel blijkt of het MNP met het huidige en voorgenomen beleid de geformuleerde milieudoelen haalbaar acht. Deze brief zal gelijktijdig met het VROM-jaarverslag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Instrumenten
2007Realisatie
Het uitvoeren en onderhouden van wet- en regelgeving zoals de Wet luchtkwaliteit en de daaraan gerelateerde onderliggende regelgeving, de Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet luchtvaart, Luchtvaartwet en Europese emissienormstellingJa. Op 15 november 2007 is de desbetreffende wijziging van de Wet milieubeheer van kracht geworden
Uitvoeren en faciliteren van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Als onderdeel hiervan wordt vanuit de in 2006 beschikbaar gestelde FES-middelen, in 2007 een kasbijdrage ad € 51,4 mln beschikbaar gesteld aan lokale overheden, waarmee zij in staat gesteld worden lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit op te stellen en uit te voerenJa. In juli 2007 is circa € 49 miljoen beschikbaar gesteld aan de provincies.
Wijzigen van de Wet luchtkwaliteit ter implementatie van de nieuwe EU-richtlijnNee. Dit zal in 2008 in gang worden gezet. Verwachte aanname van wetswijziging eind 2008/begin 2009. Oorzaak vertraging: later dan geplande vaststelling van de nieuwe EU richtlijn.
Jaarlijks rapporteren over de luchtkwaliteit aan de EUJa. (juli 2007)

Meetbare gegevens

Voor de luchtkwaliteit van NO2 en fijnstof gelden thans de volgende concentratie eisen: NO2 vanaf 2010 jaargemiddeld 40 microgram/m3 en PM10 vanaf 2005 jaargemiddeld 40 microgram/m3 en daggemiddeld 50 microgram/m3 waarbij overschrijding op maximaal 35 dagen per jaar is toegestaan. In de nieuwe Europese Richtlijn luchtkwaliteit waarover in december 2007 politieke overeenstemming is bereikt, wordt de mogelijkheid geboden derogatie aan te vragen: 3 jaar voor PM10 en 5 jaar voor NO2. Een nieuwe normstelling is opgenomen voor PM2,5: een algemeen geldende jaargemiddelde grenswaarde van 25 μg/m3 (te bereiken in 2015) en een blootstellingsconcentratieverplichting van 20 μg/m3 gericht op de landelijk gemiddelde concentratie in de stedelijke achtergrond (2015).

Tabel 8.3.1 Overzicht normen en realisatie EU-Richtlijn luchtkwaliteit
 Huidige normWanneer voldoen aan norm ?Nieuwe EU-Richt-lijn: hoogte normWanneer voldoen aan norm onder nieuwe EU-RichtlijnRealisatie 2006:
PM10Jaargem.40 μg/m3200540 μg/m3Inwerkingtreding Richtlijn (2008)Bij verlening derogatie: 2011Op beperkte schaal lokale overschrijdingen
 Daggem. 50 μg/m3, max. 35 dg overschrijding200550 μg/m3, max. 35 dg overschrijdingBij verlening derogatie: 2011Op brede schaal lokale overschrijdingen
PM2,5n.v.t.n.v.t.Jaargem. 25 μg/jm3 (geldt overal)2010 streefwaarde,2015 grenswaardeNog geen volwaardige rapportage voor PM2,5 beschikbaar.Monitor is in ontwikkeling
   3-jaarsgem. 20 μg/jm3 (stedelijke achtergrond -landelijk gemiddeld)2015 
   Blootstellings- vermin- deringsdoelstelling (gem. stedelijke achtergrond): 15 of 20% (afhankelijk conc. 2010)Vermindering over periode 2010–2020 
NO2Uurgem. 200 μg/m3, max. 18 x p.jr. overschrijding2010Uurgem. 200 μg/m3, max. 18 x p.jr. overschrijding2010, bij verlening derogatie: 2015Op 4 locaties overschrijding berekend
 Jaargem. 40 μg/m3 Jaargem. 40 μg/m3Bij verlening derogatie: 2011Op brede schaal lokale overschrijdingen
SO2Uurgem. 350 μg/m3, max. 24 x pj overschrijding2005Uurgem. 350 μg/jm3, max. 24x per jr. overschrijding2005Overal wordt aan de norm voldaan
 Daggem. 125 μg/m3, max. 3x per jr. overschrijding2005Daggem. 125 μg/m3, max. 3x per jr. overschrijding2005Overal wordt aan de norm voldaan

De PM-2,5 norm die vanaf 2015 als grenswaarde geldt, zal naar verwachting van het MNP geen nieuwe knelpunten opleveren. In de praktijk zal de daggemiddelde grenswaarde voor PM-10 bepalend zijn.

Toelichting:

In 2007 is de balans opgemaakt wat betreft de luchtkwaliteit in 2006 op basis van metingen in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en de rapportages van gemeenten en provincies op basis van modelberekeningen. De trend in de concentraties van 2006 ten opzichte van die in voorgaande jaren is onduidelijk. Mogelijk spelen het weer (de meteorologie) en diverse chemische en fysische processen in de lucht daarin een rol. Het zal naar verwachting niet mogelijk zijn tijdig te voldoen aan de grenswaarden onder de huidige regelgeving. Lokale bronnen, zowel wegen als inrichtingen, leiden lokaal tot de normoverschrijding. In december 2007 is overeenstemming bereikt over de nieuwe Europese Richtlijn luchtkwaliteit. Op basis daarvan zal Nederland derogatie kunnen aanvragen waarmee naar verwachting voor PM10 uitstel zal kunnen worden verkregen tot 2011 en voor NO2 tot 2015. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in 2008 gereed komt voor uitvoering, zal het plan vormen op basis waarvan enerzijds bij de Europese Commissie derogatie kan worden aangevraagd en waarin anderzijds wordt onderbouwd hoe – bij verkregen derogatie – met aanvullend beleid alsnog aan de grenswaarden kan worden voldaan.

8.3.3 Verminderen van geluidhinder

Doel is het voorkomen en verminderen van kansen op gezondheidsschade en hinder als gevolg van overmatige geluidsniveaus.

Doelbereiking 2007

Zoals uit tabel 8.3.2 blijkt, zijn er eind 2007 meer woningen in voorbereiding en meer woningen in uitvoering voor wat betreft het treffen van geluidswerende maatregelen dan geprognostiseerd.

Voor een nadere toelichting op de mate waarin het doel is/wordt bereikt, wordt verwezen naar de brief «Realisatie milieudoelen 2008» van het MNP waarin de tabel «Trends in milieudrukmilieukwaliteit en raming voor realisatie van het doel op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid» is opgenomen. Uit deze tabel blijkt of het MNP met het huidige en voorgenomen beleid de geformuleerde milieudoelen haalbaar acht. Deze brief zal gelijktijdig met het VROM-jaarverslag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Instrumenten
2007Realisatie
Uitvoeren en ontwikkelen van Wet geluidhinder en Wet milieubeheer met onderliggende regelgevingNee. Er is nog geen wetsaanpassing doorgevoerd voor het introduceren van geluidproductieplafonds. Hier is vertraging in opgetreden door noodzakelijk overleg/afstemming met het ministerie van VenW. Dit vergde meer tijd dan voorzien.
Subsidieverlenen voor de sanering verkeerslawaai en voor de toepassing van stille technieken bij laden en lossenJa.
Begeleiden van de andere overheden bij het maken van geluidkaarten ter uitvoering van de EU-richtlijn geluid en bij het opstellen van actieplannen, en op basis hiervan rapporteren aan de EUJa. In 2007 zijn de voorgeschreven geluidbelastingkaarten opgeleverd. De verschillende bevoegde gezagen zijn daarbij ondersteund door het door VROM opgezette «Polkaproject». Bij brief van 14 januari 2008 zijn de geluidbelastingkaarten aan de EU aangeboden.

Meetbare gegevens

Tabel 8.3.2: Prestatie-indicatoren voortgang sanering verkeerslawaai
Prestatie-indicatorRaming aantal woningen1Realisatie aantal Won. Raming ProjectenReal. aantal projecten
VOORBEREIDING    
in voorbereiding eind 20063 8417 4543739
in voorbereiding genomen 20071 045743914 
voorbereiding afgehandeld in 2007/in uitvoering genomen 20072 5671 9613021
totaal in voorbereiding einde 20072 3196 2361 632 
     
UITVOERING    
in uitvoering eind 200610 83010 7664 144 
in uitvoering genomen 20072 5671 9613 021 
afgehandeld 20075 7851 7942212
totaal in uitvoering eind 20077 61210 9334 953 
     
totaal in voorbereiding en uitvoering eind 20079 93117 1696585
afgewezen projecten5 4154 5963 824 

1 een school is als 1 woning geteld

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai

Toelichting:

Dat er meer woningen betrokken zijn bij projecten in voorbereiding, komt doordat in 2006 al veel meer projecten in voorbereiding zijn genomen dan verwacht.

Dat eind 2007 meer woningen in uitvoering zijn dan geprognosticeerd, wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er in 2007 minder is afgehandeld dan verwacht. Enerzijds komt dit doordat projecten zoals bijvoorbeeld Sliedrecht (1 279 woningen) in 2006 al zijn afgehandeld. Anderzijds zijn projecten, zoals bij voorbeeld Tilburg (1 150 woningen) nog niet afgehandeld terwijl dit wel geprognosticeerd was. Dit laatste wordt mede veroorzaakt doordat de subsidieregeling die 1 januari 2007 van kracht is geworden, de subsidieontvanger 3 maanden langer de tijd geeft om het project gereed te melden.

8.3.4 Bevorderen van duurzame mobiliteit

Doel is het wegnemen van schadelijke gezondheidseffecten en het voorkomen dat toekomstige generaties met de milieugevolgen van mobiliteit worden opgezadeld. Dat impliceert met name dat de emissies door verkeer teruggebracht worden tot op het «no-effect level», oftewel het schoon, stil en zuinig maken van het verkeer.

Doelbereiking 2007

2007 is voor het verkeersbeleid een belangrijk jaar geweest. De CO2-reductie voor mobiliteit is opgepakt in het werkprogramma «Nieuwe energie voor klimaat, Schoon & Zuinig». Daarin zijn korte en lange termijn acties geformuleerd die samen met andere departementen en marktpartijen vorm zullen krijgen. Er is intensief samengewerkt met alle relevante maatschappelijke partijen om snel maatregelen in uitvoering te brengen die een bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland. De druk op de verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland heeft ertoe geleid dat Nederland in Europees verband een voortrekkersrol heeft op tal van verkeersdossiers. Ook op het gebied van biobrandstoffen behoort Nederland met haar discussie over duurzaamheid tot de trendsetters in Europa.

Korte termijn doelen

De benutting van de budgetten van de in 2006 gepubliceerde subsidieregelingen ter vermindering van de uitstoot van roet en verzurende stoffen bij dieselauto’s loopt volgens planning. Het gaat hierbij om roetfilters bij nieuwe taxi’s en bestelbusjes, roetfilters bij bestaande personenauto’s en bestaande vrachtauto’s, nieuwe Euro-V vrachtwagens en bussen (omzetting van een fiscale regeling). Op 1 januari 2008 start een nieuwe subsidieregeling voor roetfilters op mobiele machines. In het kader van het Kyoto-protocol is de CO2-differentiatie in de BPM verder aangescherpt en voorzien van een CO2-toeslag voor zeer onzuinige auto’s. De stimulering van hybride voertuigen is gecontinueerd. Er is onderzoek gestart naar de mogelijkheden om hogere dan de reeds verplichte percentages voor bijmenging van biobrandstoffen te introduceren. Samen met marktpartijen en NGO’s is gewerkt aan het tot stand brengen van een rapportageverplichting rondom duurzaamheidsaspecten voor biobrandstoffen om transparantie te bewerkstelligen en certificatie te stimuleren.

Lange termijn doelen

De besprekingen rondom Euro-5 en Euro-6 verordeningen voor personenauto’s zijn succesvol afgerond met een publicatie halverwege 2007. Nederland heeft in de EU aangedrongen op ambitieuze normen en snelle inwerkingtreding van Euro-IV normen voor vrachtwagens en bussen en CO2-normen voor nieuwe personenauto’s. Dit heeft op de valreep bijgedragen aan de publicatie van voorstellen door de Europese Commissie. De onderhandelingen hierover starten begin 2008.

Nederland is samen met Engeland en Duitsland actief om in de EU criteria te ontwikkelen voor de duurzaamheidsaspecten van biobrandstoffen. Naar verwachting zal de Europese Commissie in haar toekomstige regelgeving daar vorm aan geven. VROM is samen met EZ gestart om te bezien wat de mogelijkheden zijn om duurzaamheidsaspecten in wet- en regelgeving vorm te geven of in andere beleidsinstrumenten.

Voor een nadere toelichting op de mate waarin het doel is/wordt bereikt, wordt verwezen naar de brief «Realisatie milieudoelen 2008» van het MNP waarin de tabel «Trends in milieudrukmilieukwaliteit en raming voor realisatie van het doel op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid» is opgenomen. Uit deze tabel blijkt of het MNP met het huidige en voorgenomen beleid de geformuleerde milieudoelen haalbaar acht. Deze brief zal gelijktijdig met het VROM-jaarverslag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Uitvoeren beleid en invoering wetgeving m.b.t. biobrandstoffen (bezien van de mogelijkheden en waar mogelijk implementatie van een certificeringsysteem, regeling betere biobrandstoffen en kansen voor Nederland). Dit beleid moet er toe leiden dat in 2007 2% en in 2010 5,75% van de brandstoffen bestaat uit biobrandstof. In september 2006 is V&W in het kader van het CO2-reductieplan Verkeer en Vervoer gestart met het stimulerings-programma Innovatieve Ontwikkelingen Biobrandstoffen.Ja.Het bijmengen van biobrandstoffen met een oplopend percentage van 2% in 2007 tot 5,75% in 2010 is verplicht gesteld. Onderzoek naar mogelijkheden om hogere percentages te introduceren is gestart. Daarnaast is een subsidieregeling in het leven geroepen om Nederlandse bedrijven te stimuleren om te investeren in biobrandstoffen met een gunstiger CO2-beeld om daarmee een eerste belangrijke stap te zetten in de verduurzaming van de biobrandstoffen. In interdepartementaal verband is samen met marktpartijen en NGO’s gewerkt aan het tot stand brengen van een rapportageverplichting rondom duurzaamheidsaspecten voor biobrandstoffen om transparantie te bewerkstelligen en certificatie te stimuleren.
Uitvoeren maatregelen Nota Verkeersemissies en aanvullend pakket maatregelen (€ 400 mln uit FES voor 2006–2010). Het gaat om subsidies en fiscale maatregelen voor onder meer vervroegde marktintroductie van Euro-V vrachtauto’s, roetfilters op bestaande voer-tuigen (o.a. vrachtauto’s, personenauto’s, bestelauto’s, vuilnisauto’s, binnenvaart-schepen), roetfilters op nieuwe bestelauto’s en taxi’s.Ja. De maatregelen zijn gestart. Verloop van de subsidieregelingen wordt actief gevolgd en bijstelling volgt indien daartoe aanleiding is. Met name de subsidieregeling is, vanuit «bereik»oogpunt, een succes. Eind 2007 is VenW financieel ingesprongen om middelen aan te vullen om de subsidieregeling verder uit te kunnen voeren.
Faciliteren van gemeenten bij flankerend beleid voor stimuleringsmaatregelen schone en stille voertuigen (bijvoorbeeld milieuzones).Ja. Via SenterNovem is centraal meldingspunt milieuzonering ingevoerd.
Onderhandelen in EU over CO2-emissies personenauto’s na 2008, emissie-grenswaarden voor voer- en vaartuigen en klimaatmaatregelen voor luchtvaart.Ja. Nederland heeft een prominente rol gespeeld in de onderhandelingen. Eind 2007 is de Europese Commissie met voorstellen gekomen.
Uitvoeren nationale maatregelen CO2-reductie (o.a. CO2-differentiatie BPM, Het Nieuwe Rijden, snelhedenbeleid)Ja. CO2-differentiatie is verder aangescherpt in het Belastingplan 2008, naast invoering van een CO2-opslag voor zeer onzuinige auto’s. De toeslag bedraagt € 110 per gram CO2-uitstoot boven een bepaalde grens. Voor benzineauto’s is de grens 240 gram per kilometer, voor dieselauto’s 200 gram per kilometer. Bestelauto’s zijn uitgezonderd van deze maatregel.
Vaststellen met VenW van kabinetsbesluiten, Trajectnota/MER’s in het kader van de Tracéwet.Ja. Bijvoorbeeld het tracébesluit 2e Koentunnel is vastgesteld.
Vormgeven met VenW van prijsbeleid wegverkeer.Ja. In december 2007 heeft het kabinet een besluit genomen over de invoering van een naar tijd, plaats en milieukenmerken gedifferentieerde kilometerheffing. In 2011 wordt begonnen met invoering voor het vrachtvervoer, in 2012 volgen de personenauto’s. De kilometerheffing zal een belangrijke bijdrage leveren aan het klimaatdoel voor de sector verkeer zoals vastgelegd in het werkprogramma Schoon en Zuinig, Daarnaast zijn de effecten van de kilometerheffing op de verbetering van de luchtkwaliteit ingeboekt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Uitvoeren met VenW van het kabinetsstandpunt over evaluatie Schiphol.Ja. In dit kader worden de luchthavenbesluiten in concept aangepast.

Meetbare gegevens

Voor de sector verkeer gelden in zijn algemeenheid de emissieniveaus voor broeikasgassen en voor de diverse verzurende en luchtverontreinigende stoffen als indicator; zie hiervoor de effect-indicatoren bij 6.3.1 en 6.3.4, met de toelichtingen.

Wanneer alle verkeersemissies tot het «no-effect level» zijn teruggebracht is er sprake van duurzame mobiliteit. Op weg daar naar toe:

1. worden de gemiddelde geluidemissies van wegverkeervoertuigen, personen- en goederentreinen en vliegtuigen verlaagd. Voor wegverkeer wordt gestreefd naar een reductie met 2 dB(A) in 2010, voor spoorgoederenvervoer naar een reductie van 7 dB(A) in 2010 bij een meerderheid van de wagons, ten opzichte van goederentreinen met gietijzeren remblokken;

2. worden de milieukosten in de prijs van mobiliteit verdisconteerd;

3. wordt vanaf 2010 een absolute ontkoppeling ingezet tussen de groei van het verkeer en de emissie van broeikasgassen, in de transitie naar duurzame mobiliteit;

4. zijn de milieuaspecten in de uitvoering van mobiliteitsbeleid verwerkt;

5. functioneert vanaf 2006 Schiphol binnen de in de wet- en regelgeving vastgelegde milieugrenzen.

IndicatorRealisatie 2007Toelichting
Schiphol functioneert binnen wettelijk vastgestelde milieugrenzen.JaOp basis van het concept Luchthavenverkeersbesluit heeft de Inspectie van Verkeer en Waterstaat gedurende het gebruiksjaar 2007 gehandhaafd.

8.4 Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

TypeOnderwerpAlgemeen Doel of Operationeel DoelStartAfgerondVindplaats
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleid1Nationaal Luchtkwaliteitsplan2OD 8.2.220062008 

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

2 Niet gerealiseerd. Door vertraging in wetgeving vindt het evaluatie-onderzoek ook later plaats.

Artikel 9. Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en ggo’s

9.1. Algemene doelstelling

Doel is de beheersing van risico’s voor mens en milieu bij het omgaan met stoffen, afvalstoffen, radioactieve straling en genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), rekening houdend met sociale en economische factoren.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• veilig gebruik van chemische stoffen;

• reductie van milieubelasting door afvalstoffen;

• bescherming tegen straling;

• verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s).

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Met het realiseren van het grootste deel van de geplande prestaties per operationeel doel is een belangrijke bijdrage geleverd aan het beheersen van de risico’s voor mens en milieu bij het omgaan met stoffen, afvalstoffen, (radioactieve) straling en GGO’s.

Externe factoren

Bij het behalen van de resultaten was medewerking van internationale organisaties van groot belang. Zo werd bijvoorbeeld REACH in EU-verband uitonderhandeld. Bij andere onderdelen was de betrokkenheid van het bedrijfsleven en van de burgers van essentieel belang. Denk hierbij aan het oprichten van de Helpdesk REACH (bedrijfsleven) of het participeren van burgers bij het formuleren van het doel dat nagestreefd moet worden met de ontwikkeling van de Atlas Leefomgeving. Maar ook de regeling tegemoetkoming niet-loondienstgebonden mesothelioom slachtoffers is in overleg met bedrijfsleven, burgers en onderzoekswereld tot stand gekomen.

9.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 9. Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en ggo’s(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:47 954101 08560 36747 35628 04226 2871 755
Uitgaven:35 76588 32534 06044 13232 39141 062– 8 671
Programma:29 09682 38528 80638 99827 12935 887– 8 758
 Veilig gebruik van chemische stoffen:5 8474 1712 77014 9704 11315 015– 10 902
  Veilig gebruik van chemische stoffen5 8474 1712 77014 9704 11315 015– 10 902
 Reductie van milieubelasting door afvalstoffen:20 90164 76323 54321 01118 71514 2514 464
  Reductie van milieubelasting door afvalstoffen20 90164 76323 54321 01118 71514 2514 464
 Bescherming tegen straling:8438141 5412 5372 7373 266– 529
  Bescherming tegen straling8438141 5412 5372 7373 266– 529
 Verantwoorde toepassing van ggo’s:1 50512 6379524801 5643 355– 1 791
  Verantwoorde toepassing van ggo’s1 50512 6379524801 5643 355– 1 791
Apparaat:6 6695 9405 2545 1345 2625 17587
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 9 (DGM)6 6695 9405 2545 1345 2625 17587
Ontvangsten:02 50201 3471 9501 250700

Toelichting:

Veilig gebruik van chemische stoffen (– € 10,9 mln)

De onderuitputting is grotendeels te verklaren uit de vertraagde uitvoering van de sanering van asbestwegen.

Reductie van milieubelasting door afvalstoffen (+ € 4,5 mln)

De overschrijding is het gevolg van extra uitgaven op het gebied van uitvoering van het afvalbeleid. Oorzaken waren extra werkzaamheden op het gebied van de uitvoering, schadevergoedingen en automatiseringsuitgaven.

Bescherming tegen straling (– € 0,5 mln)

Het onderzoeksprogramma elektromagnetische velden is vertraagd op gang gekomen waardoor de kasplanning 2007 niet is gehaald.

Verantwoorde toepassing van GGO’s ( € 1,8 mln)

Enige oorzaak van de ogenschijnlijk achterblijvende uitgavenrealisatie is het feit dat er nog een budgetafboeking van ca. € 1,8 mln is gerealiseerd voor de betalingen aan de COGEM. Middels deze overboeking worden de jaarlijks te maken kosten van de COGEM vergoed.

9.3. Operationele doelstellingen

9.3.1 Veilig gebruik van chemische stoffen

Doel is een situatie te realiseren waarin mens en milieu hooguit verwaarloosbare risico’s lopen als gevolg van de schadelijke effecten van stoffen en andere milieuagentia.

Doelbereiking 2007

De nieuwe Europese verordening Registratie, Autorisatie van Chemicaliën (REACH) is uitonderhandeld en in werking getreden op 1 juni 2007 (gedeeltelijk). De Nederlandse uitvoeringsorganisatie is inmiddels operationeel. REACH heeft tot doel de risico’s van stoffen te beheersen en te beperken.

De sanering van de asbestwegen is voortgezet met het oog op het reduceren en wegnemen van de risico’s die deze wegen veroorzaken bij de mens. Daartoe is de saneringsregeling asbestwegen derde fase in werking getreden (12 april 2007). Op 1 december 2007 is de regeling tegemoetkoming niet-loondienstgebonden mesothelioom slachtoffers in werking getreden.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Invoering Nieuw EU stoffenbeleid (2006–2010): voorbereiden en implementeren van de EU-verordening REACHJa. Op 1 juni is REACH (gefaseerd) in werking getreden.
Uitvoering stoffenbeleid Mondiaal: uitvoeren van de verplichtingen die samenhangen met de internationale strategie chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam, etc.)Ja. Rapportages inzake uitfasering persistant organic pollutants (POPs) zijn ingediend.
Uitvoering huidige EU-regelgeving over nieuwe en bestaande stoffen, EU-verbodsrichtlijnen en de Wet milieugevaarlijke stoffenJa. De door het bedrijfsleven ingediende kennisgevingen zijn conform de regelgeving beoordeeld. De door de EU vastgestelde maatregelen voor beoordeelde stoffen zijn verwerkt in de Nederlandse regelgeving.
Uitvoering stoffenbeleid NL: o.a. monitoren emissiereductie, uitvoeren convenant stoffen, herzien van het asbestverwijderingsbesluit en sanering asbestwegen 2e faseJa. In het kader van de emissiereductie werkt het RIVM in opdracht van VROM aan de opzet van de monitoring van emissies en milieukwaliteit van de Nederlandse prioritaire stoffen (afronding in 2008). Het convenant stoffen is afgerond in verband met het in werking treden van REACH. De saneringsregeling asbestwegen tweede fase is uitgevoerd, de derde fase is op 12 april 2007 in werking getreden en op 1 december 2007 is de regeling tegemoetkoming niet-loondienstgebonden mesothelioom slachtoffers in werking getreden. Daarnaast is ook het asbestverwijderingsbesluit t.b.v. de uitvoering nader toegelicht door het opstellen van een handreiking.
Vormgeven en uitvoeren beleid Nuchter Omgaan met Risico’sJa. Bijvoorbeeld in het beleid rond elektromagnetische velden alsmede het opzetten van de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid waarover de Tweede Kamer maart/april 2008 wordt geïnformeerd.
Uitvoering programma Gezondheid en Milieu 2006–2010Ja. Er is o.a. een Kennis InformatiePunt Gezondheid en Milieu opgericht bij het RIVM. Het programma Atlas Gezonde Leefomgeving is gestart met als doel de burger relevante informatie te geven over zijn directe leefomgeving. De brief over het binnenmilieu van woningen (onderdeel van het programma Milieu en Gezondheid) is breed besproken met maatschappelijke partijen en is in januari 2008 aan de TK aangeboden. Ook de kabinetsvisie binnenmilieu basisscholen wordt in begin 2008 aan de TK aangeboden. De (nieuwe) speerpunten Milieu & Gezondheid zijn in februari 2008 middels de brief Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid aan de Tweede Kamer aangeboden.
Inrichting Expertisecentrum Gezondheid en Milieu (binnenmilieu, stoffen en straling)Ja. In 2007 is het Expertisecentrum Gezondheid en Milieu operationeel geworden en dient o.a. ter ondersteuning van de betrokken ministeries.
Ontwikkelen van beleid m.b.t. risico’s van nanotechnologieJa. Het beleid inzake risico’s van nanotechnologie is volop in ontwikkeling nationaal en internationaal. De tussenresultaten hiervan zijn in februari 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden.

9.3.2 Reductie van milieubelasting door afvalstoffen

Doel is om de stroom afvalstoffen zodanig te verkleinen en lekvrij te beheren, dat de gevolgen voor het milieu aanvaardbaar zijn.

Doelbereiking 2007

Het accent lag in 2007 niet alleen op de Nederlandse inbreng in Europa maar ook op de implementatie van richtlijnen en verordeningen in Nederlandse wetgeving en uitvoering. De richtlijnen ecodesign en batterijen werden geïmplementeerd. De nieuwe EU-verordening grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen is halverwege 2007 van kracht geworden. Daarnaast heeft de EU een groenboek voor het slopen van schepen gepresenteerd, waarop een kabinetsreactie is geformuleerd. Dit gebeurde ook voor het plan van aanpak van de EU voor Sustainable Production and Consumption (SCP).

Het onderzoek naar de neveneffecten van het verantwoordelijk maken van producenten voor inname en hergebruik van afvalstromen leidde tot een aantal afspraken met betrokkenen. Dat is aan de Tweede Kamer gemeld. In 2008 volgt nog de afronding.

Het jaar 2007 stond volop in het teken van het verder ontwikkelen van het ketenbeleid. Dat betekent dat voor de aanpak van milieubelasting niet alleen gekeken wordt naar afvalstoffen, maar ook naar de hele keten van stoffen naar producten naar afvalstoffen. Met de ketenaanpak wordt het hergebruik en nuttige toepassing van afvalstoffen geoptimaliseerd. Het concept van cradle to cradle wordt hierbij als inspriratiebron gebruikt. De reactie van de ministers van VROM en EZ op het SCP is een weerslag van de maatregelen die genomen worden in dit kader.

In 2007 is er grote voortgang gemaakt op het dossier verpakkingen. De verpakkingenbelasting is er gekomen, waardoor een afvalfonds opgezet kan worden (gevoed uit de belastingopbrengst) waaruit gemeenten betaald worden voor de inzameling van verpakkingen uit huishoudens. De taakstellingen voor het hergebruik van kunststofverpakkingen zijn verhoogd. Een en ander is neergelegd in een Raamovereenkomst afgesloten tussen VNG, verpakkende bedrijfsleven en VROM.

In 2007 is in de opmaat naar het opstellen van het tweede Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP 2009–2019) een evaluatie gehouden van het eerste plan en met name de bruikbaarheid ervan voor alle betrokkenen.

In het kader van het project Schoon en Zuinig is in 2007 een overleg met het afvalbedrijfsleven ingesteld, gericht op concrete maatregelen die de bijdrage van het afvalbeheer aan het klimaatbeleid verder moeten versterken en de door het afvalbeheer vermeden CO2-emissies moeten verdubbelen.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Vernieuwen landelijk afvalbeleid: o.a. opstellen van het LAP-II (2008–2018)Ja. Dit loopt door in 2008 en 2009 (planning: maart 2009 van kracht).
Ontwikkelen en vastleggen beleid t.a.v. preventie en nuttige toepassing afval, o.a. vormgeven van het instrument producenten-verantwoordelijkheid, ketenbeleid, beleid t.a.v. energie uit afval en biomassaJa. Er zijn 6 pilots gestart op het gebied van ketenbeleid. Het convenant verpakkingen is afgesloten. Het Stimuleringsprogramma Zwerfafval is gestart. Voor het afvalbeleid gericht op sloopschepen is een strategie en plan van aanpak opgesteld.
Vormgeven van beleid ten aanzien van afvalverwijdering, wat betreft storten en verbrandenJa.Voor afvalverwijdering in de vorm van verbranden is de weg naar de ontwikkeling van een Europese markt mogelijk gemaakt door het openen van de landsgrenzen per 1–1–2007. Voor storten blijven de landsgrenzen gesloten.
Wijzigen en uitvoeren regelgeving afvalbeleid en handhaving daarvan, o.a. implementeren EU-richtlijnen en opstellen algemene regels voor afvalverwerkingJa. Met name de implementatie van de Richtlijn Integrated Prevention Pollution and Control (IPPC) en het opstellen van algemene regels voor ook afvalbeheer.
Vormgeven internationaal beleid (inclusief gelijkwaardig speelveld in Europa), o.a. voorbereiden EU-afvalstrategie en EU-richtlijnenJa. Over de Kaderrichtlijn afval is een politiek akkoord bereikt.
Uitwerken Toekomstagenda Milieu m.b.t. afvalbeleid (pag. 80), o.a. door het ontwikkelen van een actieplan innovatie afvalbeheer i.s.m. de afvalsectorJa.Uitwerking is opgepakt in het project Ketenbeleid (onder meer innovatie) en het programma «Schoon en Zuinig» (onder meer afval en klimaat/energie) en vanaf 2008 ook in de voorbereiding van LAP-II.
Aansturen uitvoeringsorganisaties op het gebied van afvalbeheerJa. In het bijzonder is in 2007 een groot deel van de evaluatie van de opdracht aan SenterNovem uitgevoerd.
Meetbare gegevens
Omschrijving afvalbeheerBeginsituatie (in Mton) 2000Realisatie (in Mton) 2005Doelstelling (in Mton) 2012
Aanbod63,260,271,7
Nuttige toepassing50,950,561,4
Verbranden7,17,17,3
Storten4,82,02,0
Lozen0,40,71,0

Bron: Realisatie Milieudoelen, voortgangsrapport 2007, Milieu en Natuur Planbureau, mei 2007 (pag. 75)

N.B.: De cijfers voor 2000 en 2012 wijken af van de cijfers in het beleidsdocument «Landelijk afvalbeheerplan 2002–2012 (LAP)». Dat komt omdat in 2004/2005 voor de doelgroepen consumenten, industrie en bouw nieuwe inzichten over afvalproductie en gescheiden inzameling zijn ontstaan. Dat heeft er toe geleid dat eerst de beginsituatie (2000) is aangepast en op basis van de nieuwe beginsituatie de prognoses voor de periode 2001 t/m 2012 zijn aangepast.

9.3.3 Bescherming tegen straling

Doel is de situatie te handhaven waarbij mensen en milieu zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, beschermd worden tegen de risico’s van ioniserende en niet-ioniserende straling.

Doelbereiking 2007

In het Coalitieakkoord is vastgelegd dat er gedurende deze kabinetsperiode in Nederland geen nieuwe kerncentrales gebouwd zullen worden. Dat betekent onder meer dat er geen verdere uitwerking heeft plaatsgevonden van de randvoorwaarden voor nieuwe kerncentrales. Zoals uit de hieronder opgenomen tabel blijkt, heeft dit besluit ook gevolgen voor de uitwerking van diverse andere voor 2007 geplande werkzaamheden.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
a) Regelgeving straling en kernenergie aanpassen, implementeren en uitvoeren, inclusief b) afhandelen vergunningaanvragen Kernenergiewet (KEW) en c) aanpassing besluit stralingsbeschermingNee. De parlementaire behandeling van de aanpassing Kernenergiewet in verband met vergunningplicht opwerking, beperking geldigheidsduur vergunningen kerncentrales, vereenvoudiging bevoegd gezag Kew en de financiële zekerheidsstelling ontmantelingkosten, is in afwachting van de in de eerste helft van 2008 te verwachten adviezen van de AER en SER op verzoek van de Minister van VROM uitgesteld.Ja. Voor de nucleaire installaties zijn 5 vergunningswijzigingen afgerond waaronder de revisievergunning van Urenco.Voor transporten en radioactieve bronnen en toestellen is een groot aantal vergunningen verleend en meldingen afgehandeld door Senter Novem.Ja. In 2007 is het onderzoek afgerond naar de mogelijkheden om de administratieve lasten te verlichten met behoud van het gewenste beschermingsniveau. Hierover is een regeringsstandpunt geformuleerd en aan de Tweede Kamer aangeboden. Volgens de planning van het bijbehorende implementatieplan zal de overeenkomstige aanpassing van het Besluit stralingsbescherming in 2010 worden afgerond.
Randvoorwaarden kerncentrales uitwerken en wettelijk vastleggen, en verder ontwikkelen (mogelijk herziening Kernenergiewet)Nee. Op basis van het Coalitieakkoord zijn deze randvoorwaarden niet langer actueel.
Vernieuwen en uitvoeren beveiligingsbeleid met betrekking tot nucleaire inrichtingen en radioactieve bronnen, inclusief transport en opslagJa. Er zijn diverse stappen genomen met betrekking tot de verdere ontwikkeling en implementatie van het beveiligingsbeleid voor nucleaire installaties, CBRN en het transport. In nauw overleg met alle betrokkenen zijn (vertrouwelijke) concepten voor de bedreigingen voor dergelijke handelingen opgesteld. Verder is een aanpassing van de Kernergiewet aan de RvS aangeboden op basis waarvan ministeriële regelingen voor de beveiliging op deze gebieden kunnen worden vastgespeld. Voor nucleaire inrichtingen en transporten is de regeling in een vergevorderd stadium. Begin 2008 wordt deze met de doelgroepen besproken.
Vernieuwen en uitvoeren beleid opslag, opwerking radioactief afval, o.a. directe of uitgestelde ontmanteling nucleaire inrichtingen, wel/niet partitioning, wel/niet opwerken en onderzoek naar eindbergingNee. Zie ook het eerste onderwerp van deze tabel. De verdere beleidsvernieuwing loopt door in 2008.
Uitvoeren en aanpassen van regelgeving m.b.t. radioactieve stoffen (incl. transport, natuurlijke bronnen, sludges, radioactief schroot)Ja. De aangepaste Regeling natuurlijke bronnen van ioniserende straling is eind 2007 gepubliceerd evenals de Regeling ioniserende rookmelders.De ambtelijke voorbereiding voor een vereenvoudiging van het schrootbesluit is eind 2007 afgerond en begin 2008 aan de Ministerraad aangeboden.De implementatie van de Richtlijn overbrenging radioactieve stoffen en bestraalde splijtstoffen is in 2007 in voorbereiding genomen zodat medio 2008 advies aan de RvS kan worden aangevraagd.
Ontwikkelen en implementeren van beleid elektromagnetische velden (in en om woningen, gebruiksartikelen, hoogspanningslijnen), incl. voorlichting en onderzoeksprogrammaJa. In 2007 is het onderzoeksprogramma elektromagnetische velden en gezondheid van start gegaan bij ZON-MW en is het Kennisplatform Elektromagnetische Velden en Gezondheid geïnstalleerd.
Voorbereiden van en deelname aan internationaal beleid: EU, IAEA (Internationaal Atoom Energie Agentschap) en OSPAR (Conventie van Oslo en Parijs)Ja. In 2007 is o.a. actief bijgedragen aan het besluit om een Europese High Level Group on Nuclear Safety and Waste Management op te richten. Verder is Nederland actief betrokken bij de herziening van de Basisnormen van Euratom en de IAEA. Verder is in 2007 een nieuwe rapportage opgesteld in het kader van de Convention on Nuclear Safety. Hierover zal in 2008 een toetsingsconferentie plaatsvinden.

Meetbare gegevens

De volgende vijfjaarlijkse rapportage van het RIVM over de emissies en immissies van ioniserende straling wordt in 2008 afgerond. Er is daarom geen recentere informatie beschikbaar dan die was opgenomen in de begroting 2007.

9.3.4 Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)

Doel is mens en milieu tegen de risico’s van GGO’s te beschermen en de burger waarborgen te geven voor veiligheid, transparantie van de besluitvorming en keuzevrijheid bij de toepassing van GGO’s.

Doelbereiking 2007

Het Virtueel Kenniscentrum Biotechnologie is in 2007 operationeel geworden en is bereikbaar op www.ditisbiotechnologie.nl. In het kader van het ecologisch onderzoeksproject ERGO is de tweede call uitgezet voor onderzoeksprojecten. Mede op aandringen van Nederland is in Brussel besloten een Europese werkgroep op te richten waarin kan worden besproken hoe een aantal (nieuwe) plantenveredelingstechnieken zich verhoudt tot de Europese regels voor GGO’s. Het beleid ten aanzien van de openbaarheid van veldproeflocaties is in 2007 geëvalueerd en aangepast.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Verkennen en ontwikkelen GGO beleid, o.a. biotechnologie als mogelijke oplossing voor milieuproblemen en evaluatie technologische mogelijkhedenJa. De toekenning van overheidsgelden aan het Genomics project (NGI) zal o.a. mogelijke oplossingen voor milieuproblemen opleveren.
Uitvoeren GGO beleid en nationale regelgeving, o.a. afhandelen van vergunningen- en marktaanvragenJa. In 2007 is een (in vergelijking met vorige jaren) groot aantal vergunningaanvragen afgehandeld.
Uitvoeren EU regelgeving t.a.v. GGO’sJa. In 2007 is Nederland actief betrokken geweest bij EU discussies over uitvoering van EU regelgeving. Nederland heeft met succes aangedrongen op het oprichten van een EU- Werkgroep Nieuwe Technieken t.b.v. harmonisatie van EU-regelgeving
Uitvoeren plan van aanpak benutten kansen biotechnologieNee. In 2007 is door herprioritering dit onderwerp naar 2008 verschoven.
Voorbereiden kabinetsstandpunt over de trendanalyse biotechnologie i.s.m. LNVJa. Het kabinetsstandpunt biotechnologie is aan de TK gestuurd en in november 2007 in de TK besproken (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 428, nr. 87).

Prestatie-indicatoren GGO’s

In 2007 hebben zich geen onverwachte effecten op het milieu geopenbaard die gerelateerd zijn aan de handelingen met GGO’s die in het milieu geïntroduceerd zijn of aan handelingen met GGO’s in laboratoria.

9.4. Overzicht afgeronde evaluatieonderzoeken

TypeOnderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex postMonitoring uitvoering stoffenbeleidOD 9.2.120072011Dit wordt meegenomen in de vijfjaarlijkse rapportage over de prioritaire stoffen in 2011 (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 801, nr. 47)
Effectenonderzoek ex post5Tussenevaluatie REACH/SOMSOD 9.2.120072007Kamerstukken II, 2006–2007, 30 600, nrs. 15, A t/m D
Effectenonderzoek ex postTussenevaluatie internationale doelen Omgaan met Risico’sOD 9.2.120072007Kamerstukken II, 2006–007, 28 089, nr. 18Kamerstukken II, 2007–2008, 30 535, nr. 14
Effectenonderzoek ex postLAP I1OD 9.2.220072008 
Effectenonderzoek ex postEvaluatie Hoofdstuk Afvalstoffen Wm2OD 9.2.220072008 
Effectenonderzoek ex postStraling in woning3OD 9.2.320072008 
Effectenonderzoek ex postEvaluatie Commissie COGEM4OD 9.2.420072007 
Overige evaluatie onderzoekenMonitoring LAP II2OD 9.2.220072008 

1 Evaluatierapport wordt in 2008 uitgebracht. De resultaten worden ingebracht bij de vaststelling van LAP

2 Dit wordt meegenomen in de evaluatie LAP-1.

3 Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM. Uit de voorlopige resultaten blijkt een bevestiging van het beleidsstandpunt van stand still van straling in de woning. Afronding van de eerste fase van het onderzoek in 2008.

4 Evaluatie is eind 2007 afgerond en aangeboden aan de minister van VROM. Standpunt van de minister wordt in de eerste helft van 2008 naar de Tweede Kamer gezonden.

5 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

Artikel 10. Versterken van het (inter)nationale milieubeleid

10.1. Algemene beleidsdoelstelling

In aanvulling op de doelen van de artikelen 6 t/m 9 richt het doel van artikel 10 zich op de kaderstellende en gecoördineerde ontwikkeling en toepassing van een milieubreed instrumentarium, om de effectiviteit en de efficiency van en het draagvlak voor het nationale en het internationale milieubeleid zeker te stellen.

De volgende operationele doelstellingen zijn daartoe ingesteld:

• strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium;

• internationaal milieubeleid;

• gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Gezien ook het grotendeels realiseren van de geplande beleidsprestaties, mag geconcludeerd worden dat er in 2007 goede vooruitgang geboekt is bij het versterken van het (inter)nationale milieubeleid.

10.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 10. Versterken van het (inter)nationale milieubeleid(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:99 449110 83089 517163 63798 47175 11723 354
Uitgaven:101 751105 020110 71498 661113 84583 69630 149
Programma:92 98096 744101 52888 853103 17173 74029 431
 Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium:78 57383 01090 35377 73191 74758 44933 298
  Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium78 57383 01090 35377 73191 74758 44933 298
 Internationaal milieubeleid:5 7075 7184 7805 3755 2016 891– 1 690
  Internationaal milieubeleid (HGIS-deel)5 7075 7184 7804 6433 8025 074– 1 272
  Internationaal milieubeleid (niet HGIS-deel)   7321 3991 817– 418
 Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB:8 7008 0166 3955 7476 2238 400– 2 177
  Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB8 7008 0166 3955 7476 2238 400– 2 177
 Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling:0000000
  Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling0000000
Apparaat:8 7718 2769 1869 80810 6749 956718
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 10 (DGM)8 7718 2769 1865 0255 4325 124308
  Apparaat internationale Zaken (IZ)   4 7835 2424 832410
Ontvangsten:5 6158 4285 5177 0396 3416 537– 196

Toelichting:

Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium (+ € 33,3 mln)

Er is sprake van een relatief forse verruiming van de begroting. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de uitbreidingen van het budget voor het RIVM. Op jaarbasis wordt de verstrekte meerjarenopdracht verruimd met aanvullende opdrachten, verstrekt voor specifieke kennisvragen. Ook zijn er aanvullende investeringen verricht voor het landelijk lucht- en mestmeetnet.

Bij de Commissie Mer is de bijdrage van het ministerie van LNV verwerkt en is er aanvullend budget nodig geweest voor de vergoeding van de kosten van alle verstrekte adviezen.

Internationaal Milieubeleid (– € 1,7 mln)

De onderschrijding van het kasbudget van € 1,9 mln komt met name door:

• de overhevelingen bij 1e suppletore begroting 2007 naar het ministerie van BuZa in verband met het VROM aandeel Nederlands Polar Programma (€ 0,370 mln) en de VROM-bijdrage aan het International Reference Centre on Community Watersupply and Sanitation (IRC) te Delft (€ 0,676 mln);

• een aanpassing van de Subsidieregeling Internationale Milieusamenwerking 2007, waardoor gereserveerde betalingen in 2007 (€ 0,5 mln) niet hebben plaatsgevonden en naar begin 2008 zijn doorgeschoven.

Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB (– € 2,2 mln)

Het verschil tussen de vastgestelde begroting en de realisatie is het gevolg van een aantal mutaties van en naar andere artikelen, respectievelijk binnen artikel 10, waardoor per saldo het budget op dit onderdeel is verlaagd. De voornaamste overboeking betreft een bedrag van € 2 mln ten behoeve van de financiering van Infomil (onderdeel van SenterNovem) dat bij eerste suppletore begroting is overgeboekt naar het instrument Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium.

10.3. Operationele doelstellingen

10.3.1 Strategie-ontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium

Om de effectiviteit van het milieubeleid ook in de toekomst te verzekeren, moet het beleid zo goed mogelijk aansluiten bij ontwikkelingen in de samenleving. Daartoe worden verkenningen uitgevoerd en algemene strategieën voor milieubeleid ontwikkeld. Ook worden milieubrede instrumenten ontwikkeld, om het beleid goed uit te laten voeren.

Doelbereiking 2007

Strategieontwikkeling en het ontwikkelen en beheren van een adequaat generiek instrumentarium is een voortdurend proces, waarbij ingespeeld wordt op maatschappelijke omstandigheden en ontwikkelingen. In 2007 is met het uitvoeren van de strategische onderzoeksagenda, de modernise-ring van de regelgeving, het bevorderen van eco-efficiënte economie en het meer betrekken van burgers bij het milieubeleid invulling gegeven aan een actuele strategische visie en een goed inzetbaar instrumentarium voor het milieubeleid.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
De voortgang van de uitvoering van de Toekomstagenda Milieu wordt geëvalueerd met relevante stakeholders zodat er tijdig bijsturing kan plaatsvindenJa. Met relevante stakeholders zijn bijeenkomsten georganiseerd ter verbetering van het functioneren van de overheid in het kader van de uitvoering van de Toekomstagenda Milieu. De eerste Voortgangsrapportage 2007 Toekomstagenda Milieu is op 20 juni 2007 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 535, nr 7).
VROM zal de met advies van de RMNO opgestelde strategische onderzoeksagenda in 2007 uitvoeren, o.a. in de vraagsturing richting TNO en in het werkprogramma van MNP en RIVMNee. Delen van de onderzoeksagenda zijn uitgevoerd. In het voorjaar 2008 komt er een VROM-brede strategische kennisagenda, waarin nog relevante kennisvragen, die nog open staan, een plaats zullen krijgen.
Publicatie (begin 2007) en invoering van de Activiteiten AMvB waarmee bestaande AMvB’s met algemene regels (8.40 AMvB’s) worden samengevoegd en waarmee voor nog zo’n 60 000 bedrijven de vergunningplicht vervalt (waarvan 40 000 landbouwbedrijven die onder een separaat besluit vallen)Ja. Op 6 november is de Activiteitenbesluit gepubliceerd in staatsblad 415. Het Activiteitenbesluit treedt op 1 januari 2008 in werking. De inwerkingtreding wordt vanuit het ministerie door uitgebreide voorlichting en het aanbieden van een ICT-voorziening ondersteund.
ICT-aspecten Omgevingsvergunning: met het Digitaal Omgevingsloket wordt de elektronische dienstverlening rondom de omgevingsvergunning (en watervergunning) landelijk geïmplementeerd. Dienstverlening wordt vanuit het perspectief van de aanvrager (burger en ondernemer) vormgegevenNeeRealisatie in voorbereiding. Politieke toezegging aan de Tweede Kamer: voor 1/10/2008 is instrument klaar, werkt het en zijn overheden aangesloten. Hierop wordt een scan uitgevoerd en de Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd.
Publicatie van het Wetsvoorstel ter implementatie van de EU richtlijn MilieuaansprakelijkheidJa. Kamerstukken I, 2007–2008, 30 920, A.
Publicatie van het Besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. 1994Nee. Deze prestatie betreft de modernisering van het Besluit m.e.r. Dit zou tegelijkertijd in werking moeten treden met de modernisering van de wet. Daar het wetsvoorstel modernisering m.e.r. zelf vertraging heeft opgelopen, is het Besluit m.e.r. ook naar achteren geschoven. Naar verwachting treden wet en besluit eind 2009 in werking.
Begin 2007 stelt het kabinet in overleg met het bedrijfsleven en de planbureaus drie toekomstscenario’s op waarmee inzicht wordt verkregen in de marktontwikkeling, technologieontwikkeling en toekomstig nationaal en internationaal beleid en de effecten daarvanJa. In maart 2007 is het rapport «Environmental images for Dutch industry in 2030» gepubliceerd.
Ontwikkelen van private vergroening. In 2007 wordt in overleg met branches besloten waar private vergroening nader wordt uitgewerktJa. N.a.v. het rapport «private vergroening, een nieuwe benadering voor een duurzame samenleving» (september 2007) zijn hierover afspraken gemaakt.
In 2007 zal de tevredenheid van participanten en burgers inzake het milieubeleid opnieuw worden gemonitord, na de nulmeting in 2006Nee. Het rapport van de nulmeting is in januari 2007 afgerond. Om enige tijd tussen de metingen te hebben zal het volgende tevredenheidsonderzoek medio 2008 plaatsvinden.
In 2007 zullen naar verwachting voor de SMOM-regeling 10 programmasubsidies en circa 75 projectsubsidies worden toegekend. Er wordt gestreefd naar inzet van 15% van het SMOM-budget voor projecten en programma’s met een vernieuwend karakter (bijvoorbeeld naar thema, aanpak, doelgroep, samenwerkingspartners)Ja. Er zijn 8 programmasubsidies en circa 70 projecten toegekend. Hiervan is circa 20% vernieuwend.

Meetbare gegevens

Ten aanzien van het meerjarenprogramme Herijking en Modernisering Regelgeving zijn in 2007 van de beoogde 25 projecten er acht afgerond en hoefden er bij nadere overweging acht niet uitgevoerd te worden. Een aantal projecten heeft vertraging opgelopen of is op grond van gewijzigde politieke keuzen komen te vervallen.

Voor de resultaten van het terugdringen van de administratieve lastendruk wordt verwezen naar de tabel vermindering lastendruk bij beleidsprioriteit nr. 6. Modernisering regelgeving (minder regeldruk).

10.3.2 Internationaal milieubeleid

Om grensoverschrijdende milieuproblemen en nationale beleidstekorten effectief aan te pakken vindt internationale samenwerking plaats. Milieuverbetering is een belangrijke voorwaarde om gezondheid, welzijn, veiligheid en duurzame ontwikkeling (hier en elders) te bereiken.

Doelbereiking 2007

In 2007 heeft VROM, in uitstekende samenwerking met andere departementen, zowel in EU- als VN-verband actief gewerkt bij het effectief aanpakken van de grensoverschrijdende milieuproblemen en nationale beleidstekorten. De inzet van VROM is toegelicht bij de beleidsprioriteiten – internationale VROM-agenda.

Om ook derden, anders dan de direct betrokken overheden, mogelijkheden te bieden een bijdrage te leveren aan de doelen van het internationaal milieubeleid zijn in 2007 financiële middelen o.a. via de Subsidieregeling Internationale Milieusamenwerking 2007 aan (inter-) nationale organisaties en de subsidies op basis van de begroting toegekend.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Financiële participatie in enkele partnerschappen, aansluitend bij afspraken gemaakt tijdens de World Summit on Sustainable Development in Johannesburg 2002Ja.Tijdens de bijeenkomst in juni zijn partnerschappen getekend die gericht zijn op het bereiken van de Millenniumdoelen
Nederland voert een actieve diplomatie, zowel binnen de EU, Pan-Europees binnen het raamwerk van de VN-ECE als ook mondiaalJa.De actieve milieudiplomatie heeft zich met name gericht op het komen tot ambitieuze energie- en kllimaatdoelen
Bestuurlijk overleg, afstemmen van het (inter-) nationale beleid van de diverse overheden. Uitvoeren en actualiseren van de Internatio-nale VROM-agenda (die in het najaar van 2006 aan de Tweede Kamer gezonden wordt)Ja. Er is een interbestuurlijk dossierteam klimaat ingericht. De Internationale VROM-agenda is uitgevoerd en geactualiseerd; op 3 januari 2008 is de geactualiseerde Internationale Leefomgevingsagenda aan de TK aangeboden (Kamerstukken II, 2007–2008, 21 501–08, nr. 263).
Verduurzamen van internationale geldstromen aansluitend bij de thematiek van CSD 14/CSD 15 (industriële ontwikkeling, energie, klimaat en luchtkwaliteit)Ja.Het gedachtegoed van de conferentie Make Markets Works is voortgezet bij de klimaatbijeenkomst in Bali
Versterken van het mondiale milieubestuur door het benutten van de erkenning dat milieu-behoud cruciaal is voor de realisatie van alle Millennium Development Goals en door zowel binnen de VN als op landenniveau meer aandacht te krijgen voor de formulering en implementatie van tijdsgebonden doelstellingenNee. Het proces van de VN-hervormingen is nog niet afgerond. Dit zal daarom ook in 2008 de aandacht vragen. Belangrijk zal zijn dat de UNEP er in slaagt een kaderstellende Medium Term Strategy vast te stellen.
Bij onderhandelingen inzetten op het versterken van het internationaal milieubestuurin VN-kader (m.n. UNEP)Ja. Zie beleidsverslag over beleidsprioriteiten
Follow up organiseren van de conferentie Energy for Development (EFD), die eind 2004 door OS en VROM georganiseerd werd. De EFD bracht het belang in beeld van het vergroten van toegang tot energie, rekening houdend met duurzaamheidsaspecten. De follow-up zal worden gestimuleerd door gebruik te maken van de tweejarencyclus van de CSD, die in 2006–2007 in het teken staat van energie, klimaat, luchtverontreiniging en industriële ontwikkelingJa.De conferentie EFD was gericht op de integrale aanpak van energie met nadruk op toegang tot energie, op de milieu-invalshoek met luchtverontreininging en klimaatverandering en op economische ontwikkeling. Nederland heeft deze geïntegreerde aanpak verder ontwikkeld met partnerlanden, de zakenwereld, UNDP en de Wereldbank. Tijdens de CSD 15 (mei 2007) is vanuit deze invalshoek geopereerd.
Vertalen van politieke steun aan Environment for Europe en Regional Environmental Reconstruction Programma (rerep) in concrete steun voor activiteiten en projecten gericht op capaciteitsopbouw in Oost-Europa en BelgradoJa.Tijdens de ministeriële bijeenkomst Environment for Europe is politieke steun voor milieu samenwerking met Oost-Europese landen bevestigd. Daarbij blijft strategische samenwerking met EC, OESO en financiële instellingen behouden, terwijl de uitvoering door regionale milieucentra wordt versterkt
Vergroten van draagvlak bij publiek en beleidsmakers voor ambitieuze klimaatdoelstellingen en verkennen van instrumenten daartoeJa.Er zijn bijeenkomsten georganiseerd voor de politiek en de NGO’s over inzet voor de klimaatconferentie in Bali. Veel bekendheid en draagvlak is gecreëerd in de publicaties van wetenschappelijke rapporten, waaraan actief door Nederland is meegewerkt

10.3.3 Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB

Doel is ervoor te zorgen dat elf specifieke industrietakken voldoen aan de voor 2010 afgesproken milieutaakstellingen, waarbij tevens milieuwinst in de productie- en consumptieketens wordt gerealiseerd.

Doelbereiking 2007

In lijn met de afgelopen jaren is er wederom vooruitgang geboekt bij het bereiken van de integrale milieutaakstellingen voor de industrie. Het verder reduceren van de milieudruk gaat hier wel steeds meer inspanningen vergen. Daarbij is er specifieke aandacht voor de realisatie van de NEC-doelstellingen.

Samen met Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)-Nederland is in 2007 gewerkt aan de betrokkenheid van en draagvlak bij het bedrijfsleven voor verduurzaming van de productie en de criteria voor duurzaam inkopen. Begin november is de Nederlandse reactie op de consultatie van de EU inzake de actieplannen voor Duurzame Consumptie en Productie en Duurzaam Industriebeleid naar de Europese Commissie en in afschrift aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin wordt onder meer gepleit voor meer (ruimte voor) fiscale vergroening en voor beleid dat vooral de koplopers in het bedrijfsleven op het vlak van duurzaamheid beloont. Verder is een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandbrenging, ultimo 2007, van de kabinetsvisie op MVO mede gericht op innovatie.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Actualisatie voorbereiden van bestaande regelgeving en het hierdoor verkrijgen van zekerheden dat de industrie in 2010 aan de Europese NEC-verplichtingen zal voldoen. Dit betreft de uitstoot van verzurende stoffen (NOx, SO2, VOS en NH3) naar de luchtJa.De voorbereidingen voor de actualisatie zijn in gang gezet, waaronder de actualisatie van BEES B. Overeenkomstig de planning zal deze actualisatie eind 2008 gereed zijn.
In 2007 wordt duurzaam inkopen door de rijksoverheid en de andere overheden geïmplementeerd en de monitoring opgezetJa.Om de overheden te faciliteren zijn in contact met het vaak kritische bedrijfsleven en ngo’s voor vele productgroepen, duurzaamheidscriteria in ontwikkeling (beoogd is alle tachtig in 2008 gereed te hebben). In gemeenten zijn en worden pilots uitgevoerd en is het sterk groeiende aantal vragen van parlement, pers en doelgroepen beantwoord. Met de VNG is een verhoging van de ambitie naar 75% duurzaam inkopen in 2010 en 100% in 2015% afgesproken, met IPO en UvW zijn afspraken over verhoging in de maak. Alle drie hebben subsidie gekregen om hun leden te informeren en te ondersteunen bij het invoeren van duurzaam inkopen. Om duurzame productie versterkt te stimuleren wordt ook semi-overheden gevraagd mee te doen. Met de onderwijs- en zorgsector zijn de eerste contacten gelegd.
De TK wordt geïnformeerd over de stand van zaken van realisatie van de ambities op het gebied van duurzaam inkopen en duurzame bedrijfsvoeringJa.De Tweede Kamer is per brief geïnformeerd over de monitor Duurzame Bedrijfsvoering Overheden 2006 en de versterkte aanpak van dit kabinet om het doel te bereiken (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 196, nr. 14).
Een op te richten commissie zal landensystemen toetsen aan de beoordelingsrichtlijn hout en ander relevant bewijsmateriaalJa.De ingestelde toetsingscommissie heeft een advies opgesteld en werkt aan inkoopcriteria voor duurzaam geproduceerd hout en aan een toetsingskader dat in de plaats van de beoordelingsrichtlijn komt.

10.3.4 Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling

Doel is om de afspraken, gemaakt tijdens de Wereldtop in Johannesburg (2002) en vertaald in het actieplan Duurzame Daadkracht door middel van uitgewerkte doelen en te treffen maatregelen gericht op duurzame ontwikkeling, na te komen. Het kabinet wil structurele maatschappelijke veranderingen stimuleren die leiden tot duurzame ontwikkeling. De minister van VROM is belast met de coördinatie van het overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling.

Doelbereiking 2007

Met het vormen van een nieuwe coalitie is een nieuwe impuls gegeven aan de uitwerking van de afspraken uit Johannesburg. Duurzame ontwikkeling vraagt om een samenhangende inzet op de economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling en een zorgvuldig omgaan met de aarde. Duurzame ontwikkeling staat ook voor het rekening houden met de ontwikkelingen op de langere termijn en de gevolgen van ons handelen daarop. Veel maatschappelijke opgaven vragen om een «duurzame aanpak» en voor elke beleidsinzet leidt dit tot een specifieke uitdaging. Het kabinet heeft met zijn Beleidsprogramma invulling gegeven aan de ambitie om een flinke stap te zetten op de weg van de duurzame ontwikkeling.

Dit komt tot uiting in vele afzonderlijke onderwerpen, zoals onze internationale ambities, duurzaam waterbeheer, het project Schoon en Zuinig, duurzaam inkopen en het innovatiebeleid, maar ook in kabinetsbrede aandacht voor de samenhang van de onderwerpen en de voortgang.

Op 21 juni 2007 verscheen een rapport van een team van deskundigen uit Zuid-Afrika, Duitsland en Finland over de Nederlandse aanpak van duurzame ontwikkeling («peer review»). Kern van het rapport is het advies aan het kabinet een proces te starten dat meer samenhang brengt in de activiteiten van zowel overheid als burgers en bedrijven. De Minister-President zou zelf de leiding moeten nemen omdat zo’n proces over alle sectoren heen reikt.

In de loop van 2007 heeft het kabinet een start gemaakt met deze dialoog, onder meer in de aanloop naar het Beleidsprogramma, het Schokland-akkoord over ontwikkelingssamenwerking en de uitwerking van Schoon en Zuinig. Voorts is in de samenleving het Urgenda-initiatief gekomen; de minister van VROM wil hierover het gesprek met de initiatiefnemers voortzetten.

In augustus en november heeft het MNP in twee delen de tweede Duurzaamheidsverkenning laten verschijnen (Nederland Later en Nederland en een duurzame wereld). Daarnaast is doorStaatssecretaris Heemskerk op 14 december 2007 de kabinetsvisie over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen 2008–2011 gepresenteerd (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 485, nr. 53). Het kabinet wil dat maatschappelijk verantwoord ondernemen een systematisch en een logisch onderdeel wordt van het bedrijfsproces, de productontwikkeling en van de bedrijfsketen als geheel. En het moet meer worden gekoppeld aan innovatie. Slimmere technologieën en processen dragen bij aan duurzame oplossingen en bieden nieuwe kansen. Uit onderzoek blijkt dat nog maar een beperkte kopgroep van bedrijven werkelijk aan de slag is met MVO. De overheid blijft daarom bijdragen aan bewustwording bij bedrijven en andere stimuleringsmaatregelen.

In de brief van eind maart heeft de Minister-President de Tweede Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking van de kabinetsbrede aanpak van duurzame ontwikkeling.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Aan de TK wordt gerapporteerd over de afronding van het actieprogramma Duurzame Daadkracht. In 2007 zal metname gewerkt worden aan stimulering van duurzame bedrijfsvoering bij de overheid, leefbaarheid in de wijken, het programma Leren voor Duurzaamheid, innovaties in de glastuinbouw en uitwerking van de thema’s die in de specials van de RRODM worden geagendeerdJa. Rapportage is aan de Tweede Kamer gestuurd op 16 februari 2007 (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 196, nr 13).
Op basis van de in 2006 herziene Europese duurzaamheidsstrategie en de tweede duurzaamheidsverkenning (begin 2007) van de gezamenlijke planbureaus zal het kabinet in 2007 een herziene Nationale Duurzaamheids-strategie uitbrengen (als vervolg op Duurzame Daadkracht)Nee. Er is voor gekozen om duurzame ontwikkeling in het kabinetsbeleid te verweven en een maatschappelijk proces richting duurzame ontwikkeling te ondersteunen. De duurzaamheidsverkenning is in twee delen gepubliceerd door het MNP in augustus en november 2007*. Het kabinetsstandpunt over het eerste deel, Nederland later, is aan de TK aangeboden (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI, nr 20). Het kabinetsstandpunt over het tweede deel, Nederland en een duurzame wereld, wordt medio 2008 aangeboden.

* http://www.mnp.nl/nl/dossiers/Duurzame_ontwikkeling/beleidsevaluaties/index.html

Deel 1 Tweede Duurzaamheidsverkenning – Nederland later . Rapportnr. 500127001, ISBN: 9789069601717

Deel 2 Tweede Duurzaamheidsverkenning – Nederland en een duurzame wereld. Rapportnr. 500 084 001, ISBN: ISBN 9789069601854

10.4. Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

TypeOnderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoek1Besluit Financiële ZekerheidOD 10.2.120062007Kamerstukken II, 2007–2008, 29 383, nr. 79
 Electronische milieujaarverslagleggingOD 10.2.320072007Kamerstukken II, 2006–2007, 31 068, nr. 5

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

Artikel 11. Vergroten van de externe veiligheid

11.1. Algemene doelstelling

Doel is om een samenleving te bereiken waarin risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en met betrekking tot het gebruik van luchthavens bekend zijn, zoveel mogelijk beperkt zijn en maatschappelijk en bestuurlijk geaccepteerd zijn, en waarbij een bepaald basisveiligheidsniveau niet overschreden wordt.

VROM zorgt voor eenduidige toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan partijen die bepalend zijn voor de veiligheid in (productie)ketens, (transport-)netwerken en op locaties, en voor het aanbieden van een kader waarbinnen overheden lokale afwegingen kunnen maken.

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

• het aantal knelpunten (overschrijding van de wettelijke grenswaarde, PR 10–6) afneemt en in 2010 geheel is weggenomen, behoudens een bewust geaccepteerde restcategorie (de uitzonderingen);

• het bevoegd gezag een goede verantwoording aflegt over veranderingen in het groepsrisico.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties;

• oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties;

• preventie tegen nieuwe risicovolle situaties;

• milieu- en veiligheidsaspecten vroegtijdig, gebiedsgericht en geïntegreerd in de ruimtelijke planvorming betrekken.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Voor het bereiken van de externe veiligheidsdoelen met betrekking tot inrichtingen ligt de instrumentering en de voortgang van de sanering op schema. Voor buisleidingen en transport moet de saneringsopgave nog bepaald worden.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van een adequaat niveau van de uitvoering, goede ondersteuning van de uitvoering, en helderheid over verantwoordelijkheden. Door de introductie van Programmafinanciering Externe Veiligheid (EV) wordt de uitvoering door provincies en gemeenten nadrukkelijk ondersteund en zijn belangrijke stappen gezet op weg naar een adequaat niveau van uitvoering.

11.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 11. Vergroten van de externe veiligheid(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:13 40939 41513 434144 11928 66420 4098 255
Uitgaven:13 97752 27523 03147 94848 42449 237– 813
Programma:10 69448 98719 83344 24844 67945 925– 1 246
 Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties:2 0752 1623839106711 033– 362
  Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties2 0752 1623839106711 033– 362
 Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties:4 65844 46316 96616 29622 67918 6184 061
  Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties4 65844 46316 96616 29622 67918 6184 061
 Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties:2 0742 16238321 53620 48225 779– 5 297
  Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties2 0742 16238321 53620 48225 779– 5 297
 Milieu en veiligheidsaspecten in ruimtelijke planvorming betrekken:1 8872002 1015 506847495352
  Onderzoek externe veiligheid   931780178
  Overige instrumenten en milieu en veiligheid1 351171200223669495174
  Schadeclaims536291 9015 190000
Apparaat:3 2833 2883 1983 7003 7453 312433
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 11 (DGR)598793831675591790– 199
  Apparaat artikel 11 (DGM)2 6852 4952 3673 0253 1542 522632
Ontvangsten:025 32001 370606

Toelichting:

Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties (+ € 4,1 mln):

De overschrijding wordt veroorzaakt door een eenmalige schadevergoeding aan Yara – Sluiskil (€ 13,2 mln) in verband met het beperken van het transport van ammoniak over de Westerschelde. Hiervoor is deels budget vrijgemaakt in toekomstige jaren. Verder is budget overgeheveld (€ 5,7 mln) naar VenW voor het oplossen van knelpunten langs het spoor en knelpunten in het kader van de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen. Bij de urgente sanering van LPG-tankstations ontstond een kleine onderschrijding als gevolg van het feit dat de schadevergoedingen per geval kleiner blijken te zijn dan destijds geraamd werd.

Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties (– € 5,3 mln):

Hier is geen sprake van een onderschrijding van het budget. Bij suppletore wetten is budget overgeheveld naar andere partijen in het externe veiligheidsbeleid (VenW, BZK, Inspecties VROM en SZW). Het budget is oorspronkelijk afkomstig uit de Aanvullende Post. Er is destijds bepaald dat de partijen jaarlijks afspraken maken over de besteding van de middelen waarvan VROM de budgetbeheerder is.

Apparaat artikel 11 (DGM) (+ € 0,6 mln):

In de budgetstand is nog niet opgenomen een bedrag van € 750 000 afkomstig van EZ voor het op orde brengen van het buisleidingendossier.

11.3. Operationele doelstellingen

11.3.1 Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties

Doel is om uiterlijk in 2008 de risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en van luchthavens inzichtelijk te hebben, alsmede de mogelijkheden deze te verminderen en duidelijkheid te krijgen of zij maatschappelijk en bestuurlijk aanvaardbaar zijn of niet.

Doelbereiking 2007

De verantwoordingsplicht is conform het voornemen uit de beleidsbrief Groepsrisico (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 801, nr. 44) nader uitgewerkt voor het transport van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beide AMvB’s worden naar verwachting in 2008 gepubliceerd.

De handreiking voor gemeenten en provincies die aangeeft hoe de verantwoordingsplicht in de praktijk moet worden uitgevoerd, is uitgebracht.

De risico’s van luchthavens zijn, op een enkele militaire velden na, inzichtelijk gemaakt. De externe veiligheidsregelgeving voor burgerluchthavens treedt halverwege 2008 in werking. In 2008 moet overeenstemming komen over de regelgeving rond militaire luchthavens.

Het Programma Andere Overheid-Externe Veiligheid (PAO-EV)-project waarbij een maatlat wordt opgesteld voor de wettelijke externe veiligheidstaken is opgestart. Het project zal duidelijk maken waaraan de gemeenten en provincies wat betreft de uitvoering van de wettelijke externe veiligheidstaken moeten voldoen. De eindrapportage wordt in het eerste kwartaal van 2008 verwacht.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Vullen, actualiseren en beheren van het Register van risicogegevensJa. Op basis van het Registratiebesluit gevaarlijke stoffen, dat eind maart 2007 van kracht geworden is, zal uiterlijk eind maart 2008 het register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) door het bevoegd gezag gevuld moeten zijn. Eind 2007 blijkt deze vulling al goed op streek te zijn.
Meetbare gegevens
IndicatorStreefwaarde 2007Realisatie 2007
De mate van vulling van het register van risicogegevens.Voor het Register risicovolle situaties gevaarlijke stoffen wordt uitgegaan van een vulling van nagenoeg 100% in het 1e kwartaal 2008.Het register is wat de gegevens voor inrichtingen betreft reeds voor een groot deel gevuld. De functionaliteit voor transportroutes en buisleidingen is opgeleverd en de gegevens worden nu verzameld.
Beschikbaarheid van onderzoeksgegevens inzake de categorale inrichtingen en buisleidingen.Alle relevante risico-informatie over categorale inrichtingen en buisleidingen dient in 2008 beschikbaar te zijn.In 2007 zijn gegevens over inrichtingen in het register ingevoerd.De buisleidinggegevens zijn op basis van inventarisatie door het RIVM toegevoegd.

Bron realisatiegegevens: 7e voortgangsrapportage Externe Veiligheid (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 801 XI, nr. 53)

11.3.2 Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties

Doel is om uiterlijk in 2010 alle in 2008 bepaalde niet-aanvaardbare risicovolle situaties op te lossen.

Doelbereiking 2007

Op 27 oktober 2007 is de schadevergoedingsregeling voor de urgente sanering van LPG-tankstations geëindigd. Per 31 december 2007 is bekend dat er 147 saneringsgevallen zijn die in aanmerking komen voor een schadevergoeding. Hiervan is in 124 gevallen de schadevergoeding berekend en er zijn inmiddels 110 LPG-stations met schadevergoeding gesaneerd. De overige gevallen wachten nog op de administratieve afhandeling die naar alle waarschijnlijkheid in 2008 zal plaatsvinden. Inmiddels is de VROM-inspectie bezig met de controle op de handhaving.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Verstrekken van subsidies voor saneringsprogramma’s voor categorale inrichtingen, urgente gevallen van LPG-stations, ammoniakkoelinstallaties, CPR15-inrichtingen en BRZO-bedrijvenJa.
Uitvoeren van maatregelenpakketten uit kabinetsstandpunt ketenstudiesJa.In 2007 is de studie modal shift LPG uitgevoerd en zijn intentieverklaringen over het vervoer van LPG door Shell en BP afgegeven. Het convenant met Yara Sluiskil om tot een beëindiging van het zeetransport van ammoniak op de Westerschelde te komen uiterlijk in 2015, is op 4 december 2007 getekend.
Zicht houden op opstellen regelgeving (vergunningen door bevoegd gezag)Ja.
Meetbare gegevens
IndicatorStreefwaarde 2007Realisatie 2007
Aantal opgeloste knelpunten (gesaneerde LPG-stations, enz.)Alle knelpunten opgelost die maatschappelijk en/of bestuurlijk niet acceptabel zijn. Dit geeft een plaatsgebonden risico van max. 10–6In 2007 zijn in het kader van het sanerings-programma in totaal 110 LPG tankstations met schadevergoeding gesaneerd. Van 124 gevallen is de schadevergoeding berekend. In totaal komen 147 gevallen voor een saneringsvergoeding in aanmerking.

Bron realisatiegegevens: 7e voortgangsrapportage Externe Veiligheid (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 801 XI, nr. 53)

11.3.3 Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties

Doel is de kwaliteit en capaciteit van de uitvoering van het EV-beleid te versterken.

Doelbereiking 2007

De subsidies aan provincies en bijdragen aan andere departementen – voor zover belast met eerstelijnstaken op het gebied van externe veiligheid – voor de programmafinanciering voor 2006–2010 zijn toegekend. Het resultaat hiervan voor het doelbereik zal over enige jaren zichtbaar moeten worden. De VROM-regelgeving voor het vervoer gevaarlijke stoffen per spoor zal in overleg met het ministerie van VenW in 2008 haar beslag kunnen krijgen.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Verstrekken van subsidies (programmafinanciering) aan provincies, gemeenten en rijkspartijen voor zover belast met eerste lijnstaken t.b.v. opbouw van apparaat in de periode tot 2010 om EV-beleid uit te voeren en te handhaven en de kwaliteit van deze activiteiten te verhogenJa. De versterking van de uitvoering van het externe veiligheidsbeleid door provincies en gemeenten krijgt vorm, maar het totaal programma loopt door tot eind 2010.
In beeld brengen van de minimale omvang van een organisatie en de minimaal te stellen eisen aan een organisatie (PAO)Ja. Het proces om te komen tot een maatlat met minimale eisen is vrijwel afgerond (er vindt nog overleg plaats met IPO).De metingen vinden in de eerste helft van 2008 plaats door het beschikbaar stellen van de maatlat aan provincies en gemeenten via de website van de VNG.
Meetbare gegevens
IndicatorStreefwaarde 2007Realisatie 2007
De (structurele) capaciteit voor EV bij gemeenten en provinciesDoor gerichte opleiding, training, uitwisseling van ervaring en andere organisatie van de capaciteit en kwaliteit van de uitvoering in de periode tot 2010 borgen dat geen nieuwe knelpunten ontstaan. In het beschikbare budget is rekening gehouden met een toename van circa 200 fte bij provincies en gemeenten te bereiken in 2010.Met de uitvoering van de provinciale programmafinanciering 2006–2010 is door de provincies ook een vervolg gegeven aan het versterken van de uitvoering door uitbreiding van de structurele capaciteit voor EV bij gemeenten en provincies.

Bron realisatiegegevens: 7e voortgangsrapportage Externe Veiligheid (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 801 XI, nr. 53)

11.3.4 Milieu en veiligheidsaspecten vroegtijdig, gebiedsgericht en geïntegreerd in de ruimtelijke planvorming betrekken

Veel INTERREG-projecten dragen direct bij aan het doel «Milieu en veiligheidsaspecten vroegtijdig, gebiedsgericht en geïntegreerd in de ruimtelijke planvorming betrekken». Deze projecten dragen bij aan de volgende subdoelen:

• om de veiligheid tegen overstromingen te borgen;

• om de veiligheid van de kust te borgen met behoud van (inter-)nationale ruimtelijke waarden;

• om de veiligheid tegen overstromingen te versterken, de toegankelijkheid voor de scheepvaart en natuurlijke kwaliteit in de Zuidwestelijke Delta;

• om de veiligheid van het IJsselmeergebied te borgen met behoud van (inter)nationale ruimtelijke waarden.

Doelbereiking 2007

Er zijn in totaal 157 INTERREG projecten waar Nederland aan deelneemt. Deze 157 projecten dragen alle bij aan territoriale cohesie en 113 projecten dragen direct bij aan de Nota Ruimte. Om de veiligheid tegen overstromingen te borgen en kust te borgen met behoud van (inter-) nationale ruimtelijke waarden zijn binnen INTERREG 36 projecten ontwikkeld (Kust: 1 en watermanagement: 35). Om de veiligheid tegen overstromingen te versterken, de toegankelijkheid voor de scheepvaart en natuurlijke kwaliteit in de Zuidwestelijke Delta te waarborgen zijn 8 projecten binnen INTERREG ontwikkeld (Maritiem: 8).

Op grond van het amendement Van Velzen/Van der Ham is in 2007 aan dit operationeel doel € 5 mln verplichtingenbudget ten behoeve van pilots met klimaatbuffers toegevoegd (merendeel kas in latere jaren). Hiervoor zijn in 2007 vijf projecten in gang gezet.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
90 INTERREG projecten die bijdragen aan territoriale cohesie en de Nota RuimteJa.Alle dragen bij aan de territoriale cohesie, en van de 157 projecten dragen er 113 direct bij aan de doelstellingen van de Nota Ruimte
Starten pilots klimaatbuffersJa.5 pilots zijn gestart.

11.4. Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

TypeOnderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Effecten onderzoek ex post1VuurwerkbesluitOD 11.2.220062008 

1 In 2007 is geen beleidsoorlichting en effectenonderzoek ex post gestart of afgerond.

Artikel 12. Handhaving en toezicht

12.1. Algemene beleidsdoelstelling

De VROM-Inspectie (VI) richt zich op handhaving van de VROM-regelgeving om een succesvolle uitvoering en naleving van het beleid voor wonen, ruimte, milieu en veiligheid te bereiken.

De operationele doelstellingen op het gebied van naleving van wet- en regelgeving zijn:

• 12.2.1 Bevorderen van de naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM-toezicht (eerstelijns);

• 12.2.2 Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies;

• 12.2.3 Wettelijke taken prioriteren en relevante maatschappelijke signalen selecteren;

• 12.2.4 Crisismanagement organiseren;

• 12.2.5 Opsporen en bestrijden van fraude.

Het doelbereik 2007

Op basis van de informatie per operationeel doel kan geconcludeerd worden dat de uitvoering en naleving van het beleid voor wonen, ruimte, milieu en veiligheid, zijn gerealiseerd. Als meest succesvolle resultaten kunnen worden beschouwd:

• de implementatie van de ketenaanpak;

• de voortgang in de samenwerking van de diverse inspectiediensten van het rijk en de implementatie van de domeinbenadering door de inrichting van front-offices;

• het gereedkomen van de koepelnotitie inzake informatie gestuurd handhaven;

• het vernieuwen van het interbestuurlijk toezicht: van systeemonderzoek naar themagericht werken.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de operationele doelstellingen (zie hierna onder 12.2).

De samenwerking met andere overheden en andere inspectiediensten is uitgebreid en verdiept. De VI is in 2007 gestart met de uitvoering van themagerichte onderzoeken. In 2007 is aangevangen met het front-office nucleair in Petten terwijl de start van de front-offices afval, chemie en buisleidingen voor 2008 en 2009 worden voorzien.

12.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 12. Handhaving en toezicht(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:79 12365 13158 50261 04460 96161 874– 913
Uitgaven:78 41165 30060 82757 47961 69362 094– 401
Programma:23 64718 18319 12117 80120 44119 557884
 Naleving van nationale en internationale regelgeving bevorderen (Primair toezicht):8 2826 6367 5409 41011 7198 1693 550
  Naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM-toezicht bevorderen (Primair toezicht)8 2826 6367 5409 41011 7198 1693 550
 Rijkstoezicht handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren (Interbestuurlijk toezicht):4 4453 9633 1031 2961 0661 274– 208
  Rijkstoezicht handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies ( Interbestuurlijk toezicht)4 4453 9633 1031 2961 0661 274– 208
 Wettelijke taken prioriteren en relevante maatschappelijke signalen selecteren (Strategie/maatschappelijke signalen):4 0492 3702 5709091 5782 976– 1 398
  Wettelijke taken prioriteren en relevante maatschappelijke signalen selecteren (Strategie/maatschappelijke signalen)4 0492 3702 5709091 5782 976– 1 398
 Crisismanagement organiseren:5 7814 5765 2105 7745 3885 821– 433
  Crisismanagement organiseren5 7814 5765 2105 7745 3885 821– 433
 Opsporen en bestrijden van fraude:1 0906386984126901 317– 627
  Opsporen en bestrijden van fraude1 0906386984126901 317– 627
Apparaat:54 76447 11741 70639 67841 25242 537– 1 285
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 12 (IG)54 76447 11741 70639 67841 25242 537– 1 285
Ontvangsten:1 0257152 6862 2141 739882857

Toelichting:

Het voor de VROM-Inspectie beschikbare uitgavenbudget is per saldo met € 0,4 mln onderschreden. Veel budgetmutaties zijn voor het merendeel reeds door middel van de suppletore wetten verwerkt zowel op het programma- alsmede op het apparaatbudget. De belangrijkste toevoegingen zijn middelen ten behoeve van het project Security, overboeking budget vanuit het dienstjaar 2006 voor het project Eenduidig Toezicht, het project Buisleidingen, het project Integrale Crisis Advies Website (ICAWEB) en de loon- en prijsbijstelling 2007. De belangrijkste (technische) afboekingen betreffen voorgeschoten betalingen door de Gemeenschappelijke Dienst van VROM die op het einde van het dienstjaar met de desbetreffende dienstonderdelen worden verrekend alsmede een correctieboeking ten behoeve van het budget Postactieven.

De hogere ontvangsten hebben betrekking op niet geraamde verhaalkosten inzake bestuursdwang en bijdragen van andere ministeries.

12.3. Operationele doelstellingen

12.3.1 Bevorderen van de naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM-toezicht (eerstelijns)

VROM stelt zich tot doel de invoering, naleving en handhaving van (internationale) regelgeving en beleid op het VROM-terrein te bevorderen, internationaal een gelijk speelveld te realiseren en de toezichtlast voor de doelgroep en de toezichthouders te minimaliseren.

Doelbereiking 2007

Ex ante toetsing op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid en ex post terugkoppeling hierover vanuit de handhavingspraktijk, bevorderen de kwaliteit van de VROM wet- en regelgeving. Door middel van internationale bijeenkomsten en handhavingsacties is een bijdrage geleverd aan het creëren van een gelijk speelveld. Het toezicht en de eventuele handhaving van de VROM-Inspectie is gericht op de verbetering van de naleving, waarbij prioriteit is gegeven aan de thema’s waarbij sprake is van een slechte naleving (en tevens een hoog risico).

Het project Eenduidig Toezicht waarin binnen verschillende domeinen nauw wordt samengewerkt tussen alle betrokken rijksinspecties voorziet in een vergaande vermindering van de toezichtslasten.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Toezien op de naleving door defensie-inrichtingen van VROM wet- en regelgeving. De toezichtacties bij defensie-inrichtingen vinden plaats o.m. door uitvoering van thematische controles.Ja.Bij de uitgevoerde controles blijkt ca. 60% in orde en in 40% van de gevallen worden gebreken geconstateerd: getroffen milieuvoorzieningen of de uitvoering van de milieutaken voldoen niet aan de voorschriften of aan de technische eisen. Handhaving blijkt in een groot aantal gevallen in de praktijk niet mogelijk te zijn vanwege de sterk verouderde vergunningen.
Uitvoering van gerichte handhavingsacties voor risicovolle afvalstromen en deelname aan internationale handhavingsacties in het kader van Europese Verordening voor de Overbrenging van Afvalstoffen/Trans Frontier Shipment (EVOA/TFS).Ja.De gerichte handhavingsacties slakken en assen, handelaren, kunststof/papier en non-ferro zijn uitgevoerd.Deelgenomen is aan drie inspectieperioden van internationale handhavingsacties EVOA/TFS, waarbij uitvoer van groenelijststoffen naar niet-OESO-landen is gecontroleerd.
Uitvoering van toezichtacties bij afvalverwerkende inrichtingen t.a.v. radioactief besmet schroot, bij (chemische) industrie ten aanzien van veiligheidsinformatiebladen en bij inrichtingen met eigen winningen water. Ja.Controle is uitgevoerd bij circa 110 schrootbedrijven waar het Besluit detectie radioactief besmet schroot van toepassing is. Bij «eigen winningen» is een interventiestrategie opgesteld. Door bestandsvergelijking en afspraken met controleurs van waterleidingbedrijven is meer zicht op particuliere drinkwaterwinningen ontstaan.
Afhandeling van meldingen van legionellabesmettingen bij prioritaire branches, zoals verblijfsaccommodaties, zorginstellingen en verpleeghuizen.Ja.Bij de VI zijn circa 1800 meldingen van met legionella besmette installaties gedaan. De eigenaar van de installatie dient door monstername aan te tonen dat deze installatie weer legionellavrij is.Door de waterleidingbedrijven zijn circa 48 000 leidinginstallaties gecontroleerd, waarbij circa 400 gevallen als handhavingszaak zijn overgedragen aan de VROM-Inspectie. In 30 gevallen is strafrechtelijk opgetreden en bij de overige is bestuursrechtelijk opgetreden.
Uitvoeren van kwaliteitsaudits bij drinkwaterbedrijven.Ja.Het rapport «de kwaliteit van het drinkwater in Nederland» is gepubliceerd en bevat informatie over normoverschrijdingen en incidenten. Specifiek onderzocht zijn:– de beveiliging van de drinkwatervoorziening tegen onder meer terroristische activiteiten.– leveringsplannen en leveringszekerheid:
Toezicht op de naleving van de Kernenergiewet (KeW) en haar besluiten inclusief de vergunningen. Dit betreft het uitvoeren van aangekondigde en onaangekondigde inspecties en het beoordelen ex ante van wijzigingen in techniek/operatie/organisatie van nucleaire installaties en het desgevraagd leveren van technische adviezen aan de beleidsafdeling.Ja.Bij nucleaire installaties zijn in 2007 door de KFD 156 inspecties uitgevoerd (Kamerstukken II, 2007–2008, 25 422, nrs. 51, 52 en 54).De overige vergunninghouders zijn steekproefsgewijs gecontroleerd en waar nodig is tegen overtredingen handhavend opgetreden.
Beoordeling van de bedrijfsdocumenten van de twee-, vijf- en tienjaarlijkse (her)evaluaties en de verbeterplannen, de beveiligingsorganisatie van de nucleaire installaties en de beveiligings- en noodplannen. COVRA: Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval.NRG: Nuclear Research and consultancy GroupHCL: Hot Cell LaboratoriesDWT: Decontamination and Waste TreatmentKCB: Kerncentrale BorsseleHFR: Hoge Flux ReactorNRC: Nuclear Regulatory CommissionIAEA: International Atomic Energy AgencyJa.De belangrijkste beoordelingen zijn de nieuwbouw van de opslag van radioactief afval en verarmd uranium (COVRA), bouw van faciliteit om historisch radioactief afval te kunnen herverpakken en af te voeren naar COVRA (NRG), plan van aanpak diverse tienjaarlijkse evaluaties (COVRA, HCL, DWT), implementatie verbetermaatregelen tienjaarlijkse evaluaties KCB en HFR, veiligheidscultuur en menselijk gedrag bij KCB en NRG, randvoorwaarden voor de optimalisatie op basis van risico-informatie van de verplichte periodieke controles (KCB), toepassing moderne IAEA-regelgeving op gebied van de bedrijfsvoering.
Controle op de veiligheid en beveiliging van transporten van nucleair materiaal.Ja.
Toezicht op de naleving van door Nederland ondertekende verdragen op nucleair gebied zoals het non-proliferatieverdrag met betrekking tot safeguards van nucleair materiaal en non proliferatie van nucleaire technologie.Ja.De IAEA/Euratominspecties op de aanwezigheid van ongedeclareerd nucleair materiaal in Nederland zijn voortgezet.
Uitvoeren van ketenhandhavingsprojecten ten aanzien van vuurwerk, asbest, sleutelbedrijven, bouw- en sloopafval, dierlijk vet en bodemsanering.Nee.De ketenhandhavingsprojecten «dierlijk vet» en «vuurwerk» liggen op schema. De projecten «asbest en bouw» en «sloopafval» kampen met achterstand vanwege het grote aantal actoren.
Uitvoeren van toezichtacties in het kader van de Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg).Ja.Met name in de recreatiebranches (bijvoorbeeld. schietsportwinkels) wordt gewerkt met explosieven waarbij de Wecg onvoldoende wordt nageleefd. De professionele bedrijven (bijvoorbeeld off-shore) leven de Wecg goed na. Bij circa 25% van de gecontroleerde explosieven bleek de verplichte CE-markering niet aanwezig.
Tabel 1: Naleefindicatoren primair toezicht
DoelNaleefindicatorWaarde 2005Realisatie 2007Eindwaarde 2010
Defensie (I)Percentage van het aantal gecontroleerde defensie-inrichtingen waarvoor na eerste controle geen voornemenbrief is uitgegaan42In 1e kwartaal 2008>90
Defensie (II)Percentage van het aantal gecontroleerde defensie-inrichtingen waarvoor na hercontrole geen dwangsombeschikking is afgegeven85idem>90
VuurwerkbesluitPercentage op basis van risicoanalyse geselecteerde producten, die voldoen aan de veiligheidseisen die opgenomen zijn in het RNEV86idem>90
KernenergiewetPercentage detectieplichtige schrootbedrijven dat voldoet aan de vier kernvoorschriften van het Besluit detectie (meten, registreren, verantwoordelijke persoon, financiële zekerheid)35idem90
Besluit zwavelgehalte brandstoffenPercentage in Nederlandse territoriale wateren aangemeerde zeeschepen dat voldoet aan het besluit Zwavelgehalte zeeschepen638180
EVOAPercentage van het totaal aantal kilo’s afval dat is geëxporteerd naar niet-OESO-landen dat voldoet aan alle kernbepalingen EVOA244480
Waterleidingbesluit (I)Percentage prioritaire inrichtingen met een risicoanalyse opgesteld en vastgesteld door de directie42Niet hermeetbaar95
Waterleidingsbesluit (II)Percentage prioritaire inrichtingen met een uitgevoerd beheersplan11Niet hermeetbaar75

Bron: VROM-Inspectie.

Toelichting:

Het volgen van ontwikkelingen met behulp van indicatoren vergt dat metingen op dezelfde manier worden uitgevoerd. Als «niet hermeetbaar» is aangegeven, betekent dit dat niet op een vergelijkbare manier gemeten kan worden, omdat niet op een vergelijkbare manier is getoetst.

12.3.2 Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies

De VI stelt zich tot doel de uitvoering en naleving te bewerkstelligen van VROM-beleid en -regelgeving waarvoor andere overheden in het kader van medebewind verantwoordelijk zijn, selectief gericht op het nationale en internationale belang.

Doelbereiking 2007

Ten aanzien van gemeenten heeft de VROM-Inspectie nazorg verleend en adviezen verstrekt om de uitvoering van de VROM-regelgeving te verbeteren. Tevens is gewerkt aan de afronding van provincieonderzoeken.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Verrichten van nazorg ten aanzien van gemeenten ter toetsing van de afgesproken verbetering naar aanleiding van eerdere onderzoeken.Ja.In 2007 zijn de laatste doorlichtingen van gemeenten op de uitvoering van VROM-taken afgerond. Bij een deel van de gemeenten vinden nog vervolgonderzoeken plaats ten aanzien van de uitvoering van de verbeterpunten.
Uitvoeren van vier provincieonderzoeken.Ja.Er zijn in 2007 vijf onderzoeken gestart.
Toetsen van gemeentelijke en provinciale besluitvorming en uitvoering van VROM beleid- en regelgeving.Ja.Vanaf september 2007 treedt de VI als coördinerend orgaan op voor de beoordeling van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Onderzoek heeft plaatsgevonden naar de werking van de compensatieregeling Ecologische Hoofdstructuur.
Uitvoeren van themaonderzoeken op het gebied van veiligheid utiliteitsbouw, externe veiligheid, TOP bedrijven, luchtkwaliteit, landelijk afvalbeheerplan en op thema’s die voortkomen uit signalen van burgers. IPPC: Integrated Pollution Prevention and Control richtlijnTOP bedrijven: grotere milieubelastende bedrijvenJa.In 2007 zijn diverse themaonderzoeken afgerond en aan de Tweede Kamer toegestuurd. Het gaat hierbij o.a. om onderzoeken op het terrein van brandveiligheid sociale werkplaatsen en oudere, kleine hotels; constructieve veiligheid nieuwbouw; binnenmilieu nieuwbouwwoningen; oorzaken vallende gevel- en glasplaten; binnenmilieu scholen, implementatie IPPC.
Monitoren van de regierol die provincies hebben bij de professionalisering van de milieuhandhaving en waar nodig interveniëren.Ja.Uit de laatste voortgangsrapportage van IPO d.d. 3 juli 2007 blijkt dat alle provincies hun coördinatietaak actief oppakken. Waar nodig interveniëren provincies bij gemeenten. Bij zes gemeenten is er een voornemen geweest tot aanwijzen (en zesmaal verscherpt toezicht), eenmaal alleen verscherpt toezicht en eenmaal ambtelijke afhandeling.
Tabel II: Naleefindicatoren interbestuurlijk toezicht
DoelNaleefindicatorWaarde 2005Realisatie 2007Eindwaarde 2010
Wet ruimtelijke ordeningPercentage van de onderzochte Wro-taken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject5558>90
Wet milieubeheerPercentage van de onderzochte Wm-taken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject6674>90
WoningwetPercentage van de onderzochte Woningwettaken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject4856>90
Wet bodembeschermingPercentage van de bevoegde gezagen, volgens de Wet bodembescherming, dat voldoet aan het beoordelingskader toezicht (geen onvoldoendes voor de kwaliteit van het toezicht, en er op ingericht zijn om tenminste 90% van de saneringen fysiek te inspecteren)17Niet hermeetbaar80

Bron: VROM-Inspectie

12.3.3. Wettelijke taken prioriteren en relevante maatschappelijke signalen selecteren

De VI stelt zich tot doel om het brede VI-werkterrein van circa 250 wettelijke taken te prioriteren naar taken die de grootste risico’s voor veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en sociale leefomgeving met zich meebrengen bij onvoldoende naleving en om de signalen uit de maatschappij op te pakken volgens de criteria: politieke wens, risico’s voor de leefomgeving, integriteit van het bestuur van een overheidsinstantie of bedrijf, onrust onder burgers, voorbeeldfunctie.

Doelbereiking 2007

De Nalevingsstrategie is geactualiseerd en is de basis voor de prioritering van de wettelijke taken. De VROM-Inspectie heeft talrijke signalen uit de maatschappij opgepakt en heeft adequaat gereageerd op de incidenten die zich hebben voorgedaan. Overigens waren aard en omvang van de incidenten in 2007 beperkt in vergelijking met 2006.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Actualiseren prioriteitenmatrix voor de wettelijke taken.Ja.Begin 2007 is de integrale vierjaarlijkse herscoring van alle wettelijke taken afgerond ten behoeve van 2008. In november is een start gemaakt met de jaarlijkse periodieke tussentijdse update van de wettelijke takentabel. Dit wordt begin 2008 afgerond.
Verbeteren van de Nalevingsstrategie (NLS)-methodiek door verdere onderbouwing met wetenschappelijk onderzoek.Ja.Ter verbetering van de NLS en het gebruik ervan is alle informatie over risico’s en effecten die nodig is voor de prioritering, door het RIVM getoetst en waar nodig aangepast.Tevens vindt er in de VROM-domeinen Chemie en Afval een uitwisseling plaats van de NLS met de andere domeinen van Eenduidig Toezicht/Vernieuwing Toezicht. Daartoe wordt voor deze domeinen een specifiek risicomanagementsysteem ontwikkeld. Dit systeem is per 1 januari 2008 operationeel.
Onderbouwen van de NLS-methodiek met naleefindicatoren, onderzoeksgegevens en controlegegevens.Ja.Voor vrijwel alle wettelijke taken met een hoge prioriteit (ruim 50) zijn naleefindicatoren geformuleerd en is bepaald hoe de meetwaarde kan worden vastgesteld.
Uitvoeren van onderzoek naar signalen en incidenten en het oplossen van maatschappelijke problemen op het VROM-terrein, alsmede het uitvoeren van analyses daarop.Ja.Door de analyse van brieven met aan wonen gerelateerde thema’s, milieuklachten en urgentieproblematiek (woningtoewijzing) komen onderwerpen prioritair op de maatschappelijke agenda van VROM.
Terugkoppeling van praktijkervaringen (ex post) inzake de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF) van VROM-beleid en -regelgeving aan de beleidsdirecties.Ja.In 2007 heeft de VROM-Inspectie vier HUF-toetsen uitgevoerd. Daarnaast heeft de VI beleidsdirecties geadviseerd over HUF-aspecten van nieuwe wet- en regelgeving en bij de verdere uitwerking van beleidslijnen.
Uitvoeren van projecten uit de publieksagenda (beleid met burgers).Nee.Wel is in internationaal verband (IMPEL) een «toolkit» ontwikkeld waar partijen (provincies, gemeenten, burgers, etc.) gebruik van kunnen maken als bij geschillen besloten wordt tot een dialoog met omwonenden. De toolkit moet nog worden geïmplementeerd.
Het opzetten en doen functioneren van het frontoffice ten aanzien van de domeinen chemische industrie, afval, nucleaire industrie en buisleidingen.Ja.De inrichting van de toezichtsdomeinen chemische industrie, afval, nucleaire industrie en buisleidingen verloopt conform planning. De domeinen worden gezamenlijk met alle betrokken toezichthouders, branches en bedrijven vormgegeven. Daarnaast is de VI betrokken bij de inrichting van nog 12 andere domeinen.
Het stimuleren van internationale handhaving door middel van deelname aan internationale netwerken van handhavingsorganisaties op VROM-beleidsterreinen, zoals IMPEL (European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law), CLEEN (Chemical Legislation European Network), INECE (International Network for Environmental Compliance and Enforcement) en IAEA.Ja.Nederland heeft aan vrijwel alle projecten die in 2007 in IMPEL-verband werden uitgevoerd deelgenomen en een aantal daarvan geleid. Tevens heeft Nederland een leidende rol gehad in de voorbereidingen om IMPEL van een informeel netwerk om te vormen tot een internationale vereniging.
Het in internationaal verband bevorderen dat bij de totstandkoming van Europese regels wordt gelet op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van die regels.Ja.De op initiatief van Nederland door IMPEL ontwikkelde Practicability & Enforceability Checklist is in 2007 gelanceerd.
Faciliteren van de vorming van een permanente handhavingsstructuur voor de EVOA in de EU met als streefdatum 2008.Ja.In 2007 is de nieuwe EG-verordening Overbrenging Afvalstoffen (EG 2006/1031) in werking getreden. Met de nieuwe verplichting wordt een wettelijke basis voor samenwerking gelegd.
Versterken van de samenwerking met de nationale EVOA-handhavingspartners, onder meer door middel van samenwerkingsovereenkomsten en het ontwikkelen van informatiegestuurde handhaving (EVOA).Ja.In 2005 is een meerjarenprogramma handhaving EVOA gestart met als doel het naleefgedrag van de EVOA op adequaat niveau te brengen. In 2007 is samen met douane, politie en marechaussee gewerkt aan het opzetten van een landelijk dekkend netwerk van integrale transportcontroles over Nederland. Hiertoe zijn risicovolle afvalstromen onder meer op het gebied van kunststof/papier, non-ferro, slakken en assen gecontroleerd.
Vernieuwen, ontwikkelen en vaststellen van toezicht- en interventiestrategieën, onder meer op het terrein van: 
De nieuwe EU-stoffenregelgeving REACH, die vermoedelijk in april 2007 van kracht wordt.Ja.Begin 2006 is het project handhaving van REACH gestart. Binnen dit project is door de drie betrokken beleidsdirecties, inspectie en het Openbaar Ministerie de gezamenlijke handhaving van REACH voorbereid. In 2007 is een handhavingstrategie vastgesteld. Ook is een handhavingsprogramma 2008 en een voorstel voor de handhavingsorganisatie uitgewerkt en vastgesteld. In september 2007 is tussen Arbeidsinspectie (AI), Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en VI een samenwerkingsovereenkomst voor de handhaving van REACH afgesloten.
De ketens risicovolle afvalstromen en/of gevaarlijke stoffen.Ja.De afvalstromen zijn in kaart gebracht en de tekortkomingen zijn aangepakt. Een aantal opsporingsonderzoeken naar crimineel handelen met afval is gestart op basis van de controleresultaten.
De AMvB Kwaliteitsborging bodembeheer en het Besluit bodemkwaliteit.Ja.In 2007 is een Interventiestrategie landbodemsanering, grondverzet en grondstromen opgesteld. Tussen mei 2007 en mei 2008 wordt een pilotproject ketentoezicht bodem en grondstromen gehouden waarin de interventiestrategie wordt beproefd.
Wet explosieven civiel gebruik.Ja.Zie tabel 12.2.1.
Buisleidingen: het betreft metatoezicht met de verantwoordelijke bedrijven omtrent de (technische) veiligheid van de buisleidingen en de ruimtelijke ordeningsaspecten in relatie tot de externe veiligheid en het risico.Ja.In 2007 zijn belangrijke stappen gezet bij de ontwikkeling van het toekomstige toezicht rond buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (aardgas, olie, chemische stoffen). Tevens is in 2007 een onderzoek uitgevoerd bij een aantal leidingexploitanten naar de werking van het veiligheidsbeheersysteem. Het toezichtarrangement is op hoofdlijnen afgerond. Met andere inspectiediensten zijn afspraken gemaakt over een gecoördineerde aanpak van het toezicht op leidingexploitanten.
Gemeente- en provincieonderzoeken.Ja.In 2007 zijn de laatste gemeenten en provincies onderzocht op de kwaliteit van de uitvoering van VROM-taken.

12.3.4. Crisismanagement organiseren

De VI stelt zich als doel om in crisissituaties aantoonbaar voorbereid te zijn en om optredende crises goed en adequaat te kunnen beheersen en afhandelen.

Doelbereiking 2007

Onder meer door middel van implementatie van het Departementaal Handboek Crisisbesluitvorming is invulling gegeven aan de opzet van een organisatorisch kader en technische infrastructuur bij zich voordoende crises.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Implementeren van het Departementaal Handboek Crisisbesluitvorming en de structuur van de crisisliaisons binnen VROM door middel van de uitvoering van een meerjarig (3) actieprogramma.Ja.De nadruk heeft gelegen op:– Vaststelling meerjarig VROM-breed actieprogramma crisisbeheersing;– Inrichting van het preparatieproces door het opstellen en implementeren van procedures, onder meer op het gebied van alertering/alarmering, informatie-uitwisseling, bereikbaarheidsregeling;– Onderhouden van contacten met het externe netwerk en het interne crisisliaisonnetwerk.
Verbreding van de inzet van het BOT-mi op VROM-beleidsterreinen waaronder drinkwater alsook in internationaal verband als backoffice voor het UNDAC-team van de VN. UNDAC: United Nations Disaster Assessment and CoordinationBOT-mi: Beleidsondersteunend team milieu-incidentenJa.Het BOT-mi is 6 keer betrokken geweest bij calamiteiten, waarbij in 2 grootschalige incidenten meerdaagse inzet is gepleegd. Ook heeft het BOT-mi geacteerd in 2 nationale oefeningen, namelijk Voyager en NOREX.Daarnaast is gewerkt aan de verbreding van het samenwerkingsconcept internationale hulpverlening milieucalamiteiten; dit zal doorlopen in 2008.
Ontwikkeling van een BOT-mi kwaliteitszorgsysteem.Ja.De nadruk heeft gelegen op het opstellen van het innovatieprogramma ten aanzien van de evaluatie van verspreidingsmodellen en ontwikkelen van scenario’s. Daarnaast zijn (bijna) alle samenwerkingsprotocollen met de 25 veiligheidsregio’s geformaliseerd. Ook is de samenwerking met DCMR als BOT-mi instituut geformaliseerd.
Opzetten en implementeren van de calamiteitenorganisatie Buisleidingen.Ja.Het daadwerkelijk uitwerken en implementeren van de crisisorganisatie ten behoeve van buisleidingincidenten is gestart in 2007 en zal doorlopen in 2008.
Uitvoeren van een meerjarig oefenbeleidsplan. Per beleidsveld wordt training gegeven in de advisering en afhandeling van crises en wordt geoefend in de advisering en afhandeling van crises op de beleidsvelden waar VROM eerstverantwoordelijk voor is (Beleidsplan crisisbeheersing 2004–2007).Ja.Er zijn verschillende trainingen en oefeningen gehouden op het terrein van het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten (BOT-mi) en de Eenheid Planning en Advies nucleair (EPAn). Eén daarvan is de oefening Voyager.
Deelnemen aan het VROM-brede programma Veiligheid, waaronder begrepen het project VITAAL, Nationale Veiligheid en CBRN-terrorisme, met als doel te komen tot structurele belegging van die onderwerpen binnen VROM. CBRN: Chemisch, Biologisch, Radio-actief en NucleairVITAAL: Bescherming Vitale InfrastructuurJa.In 2007 is deelgenomen aan:– Buisleidingen (Vitaal): het verkennend onderzoek naar de structuur en organisatie van de Eenheid Planning en Advies drinkwater (EPA-d) is afgerond met de verslaglegging in een responseplan. Er is een start gemaakt met het traject om de EPA-d daadwerkelijk te implementeren en te borgen. Dit zal naar verwachting begin 2008 worden afgerond.– CBRN: er is uitvoering gegeven aan diverse oefeningen. Er is gewerkt aan de verdere formalisering van het Landelijk Laboratorium Netwerk terroristische aanslagen (LLN-ta). Naast de uitwerking van het in 2006 vastgestelde beleidsplan LLN-ta in richtlijnen en andere operationele documenten, wordt er gewerkt aan het ministeriële besluit LLN-ta.
Implementeren van een beheerplan NPK (Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding) waarin rollen, taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren zijn uitgewerkt.Ja.Het Responsplan is aangepast op basis van de laatste ontwikkelingen m.b.t. interventiewaarden en maatregelenzonering. Het Beheerplan is geactualiseerd en de NPK-systematiek van het Responseplan is geïmplementeerd.
Opzetten en beheren van samenwerkingsverbanden met Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk op nucleair gebied.Ja.Een bijeenkomst met crisisbeheersingsorganisaties op nucleair gebied in België, Verenigd Koninkrijk en Duitsland is bezocht. De nadruk heeft hierbij gelegen op actieve participatie en een aanzet geven naar structureel internationaal bilateraal overleg.

12.3.5. Opsporen en bestrijden van fraude

De VI stelt zich als doel om grove misstanden met betrekking tot de aan VROM gerelateerde wetgeving en beleidsinstrumenten tegen te gaan.

Doelbereiking 2007

Daar waar grove misstanden zijn geconstateerd zijn strafrechtelijke en/of bestuurlijke maatregelen genomen.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Uitvoering van in het algemeen complexe strafrechtelijke onderzoeken ten aanzien van de VROM-beleidsterreinen, met specifieke aandacht voor corporaties, intermediairs, bouw- en afvalstoffen voedselketen, luchtemissies, vuurwerk en grote geldstromen.Ja.In 2007 zijn negen opsporingsonderzoeken afgerond en is aan 21 onderzoeken van andere opsporingsdiensten bijstand verleend.
Opbouwen van strategische informatiepositie (ontwikkelen van criminaliteitsbeelden en strategische analyses).Ja.Voor het domein EVOA is een risicoanalyse uitgevoerd, waarmee doelgroepen en stromen zijn geprioriteerd. In 2007 is tevens gestart met een verkenning van risico’s voor het gehele VROM-terrein.
Inwinnen van operationele informatie.Ja.
Opstellen beleids- en feedbackrapportages.Ja.In 2007 zijn 2 beleids- en feedbackrapportages opgesteld.
Het afsluiten van een handhavingsarrangement tussen VROM en het OM, waarbij de strafrechtelijke prestaties op de VROM beleidsterreinen worden vastgelegd.Ja.Het arrangement met het Functioneel Parket is begin 2007 afgesloten. De afspraken zijn gedeeltelijk gerealiseerd. Met name het aantal onderzoeken is achtergebleven. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat onderzoeken langer doorlopen dan vooraf gepland. Wel is er bij 20 onderzoeken deskundigenbijstand verleend aan de politie en andere opsporingsdiensten.
Tabel 12.2. PiBSP-tabel
Prestatie-indicatorBasiswaardeStreefwaardePlanningRealisatie 2007
Het aantal operationele strafrechtelijke onderzoeken dat door de VROM-IOD is uitgevoerdn.v.t.wordt elk jaar in handhavingarrangement met het Functioneel Parket vastgelegd2010
Het aantal opsporingsonderzoeken van andere diensten, zoals politie en VROM-Inspectie, waarbij de VROM-IOD ondersteuning biedtn.v.t.wordt elk jaar in handhavingarrangement met het Functioneel Parket vastgelegd723
Het aantal processen-verbaal dat door de VROM-Inspectie wordt opgemaaktn.v.t.wordt elk jaar in handhavingarrangement met het Functioneel Parket vastgelegd130141

12.4 Overzicht afgeronde evaluatie-onderzoeken

Artikel 12 heeft betrekking op de werkzaamheden van de VROM-inspectie. Vanwege de aard van de werkzaamheden vinden er geen beleidsdoorlichtingen en evaluatieonderzoeken ex post plaats die betrekking hebben op dit artikel.

Artikel 13. Rijkshuisvesting en architectuur

13.1. Algemene beleidsdoelstelling

De advisering over en de implementatie van het overheidsbeleid dat (mede) van toepassing is op de rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingsstelsel; de architectonische kwaliteit stimuleren en de huisvesting verzorgen van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken.

De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• Het adviseren over en implementeren van beleid dat (mede) van toepassing is op de rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel;

• Het beheren van monumenten en stimuleren van de architectonische kwaliteit;

• Het huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het doel en de onderliggende operationele doelstellingen zijn in 2007 gerealiseerd. Ook in 2007 is met het oog op de voorbeeldwerking in het tijdschrift SMAAK van de Rijksgebouwendienst gedurende het jaar aandacht besteed aan verschillende aspecten van overheidsbeleid in rijkshuisvestingsprojecten. Een special van SMAAK1 is gewijd aan het vernieuwde Walterboscomplex; het gebouwencomplex in Apeldoorn waarin de Belastingdienst al bijna 40 jaar is gehuisvest. Dit is een voorbeeld waarbij aspecten van landschapsarchitectuur en kunst zijn verwerkt.

Succesfactoren

Bij de uitwerking van het Actieprogramma Verbetering van het rijkshuisvestingsstelsel (Kamerstukken II, 2004–2005, 25 449, nr. 12) is geconcludeerd, dat het totale rijksbeleid dat van toepassing is op de rijkshuisvesting transparanter moet worden gemaakt. Op verzoek van het Rijkshuisvestingsberaad, dat in 2006 is ingesteld, heeft de Rijksgebouwendienst beschreven hoe (bovenwettelijke) toepassing van een aantal beleidsthema’s in de rijkshuisvesting plaatsvindt en hoe verantwoordelijkheden daarbij zijn verdeeld. Het gaat hierbij onder andere om aanpalende overheidsterreinen zoals veiligheid, duurzaamheid, architectuur, monumentenzorg, locatiebeleid. Op basis van deze informatie kan het Rijkshuisvestingsberaad een oordeel vormen over de kwaliteit die het Rijk in de rijkshuisvesting wil realiseren en adviseert hierover zonodig de minister voor WWI.

13.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 13. Rijkshuisvesting en architectuur(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:89 60784 00871 242122 047102 274116 362– 14 088
Uitgaven:89 60784 00871 242122 047102 274119 862– 17 588
Programma:89 60784 00871 242122 047102 274119 862– 17 588
 Het adviseren en implementeren beleid rijkshuisvestingsstelsel:12 0016 2186 8475 4605 0664 948118
  Beleid (mede) van toepassing op de rijkshuisvesting en de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel8 3774 2522 7862 8432 8592 559300
  Onderzoek Rgd5106261 183612261587– 326
  Coördinatie rijksopdrachtgeverschap in de bouw001 7141 2321 9391 476463
  Energiebesparing rijkshuisvesting2 5991 0981 1377737326– 319
  Duurzaam bouwen rijkshuisvesting515242270000
 De architectonische kwaliteit stimuleren en monumenten beheren:15 52014 55420 16617 30116 96218 320– 1 358
  Stimuleren architectonische kwaliteit4 5973 9735 9084 9663 5114 991– 1 480
  Beheer monumenten in rijksbezit10 92310 58114 25812 33513 45113 329122
 Huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken:62 08663 23644 22999 28680 24696 594– 16 348
  Onderhoud HCvS/AZ6 4865 8245 9245 4366 5074 7041 803
  Investeringen HCvS/AZ33 19540 13812 02745 43933 34250 883– 17 541
  Huren HCvS/AZ1 3541 9832 3322 6473 4493 088361
  Asbestsanering2 3391 34300000
  Paleizen10 1557 04716 68837 14829 97329 055918
  Functionele kosten Koninklijk Huis8 5576 9017 2588 6166 9758 864– 1 889
  Overig Rijkshuisvesting0000000
Ontvangsten:1 065013 00100357– 357

Toelichting:

De verschillen tussen realisatie en begroting worden in zijn geheel verklaard door de mutaties die op de verschillende instrumenten van dit artikel zijn doorgevoerd bij 1e en 2e suppletore begroting 2007. In die documenten zijn ook toelichtingen gegeven. Voor het belangrijkste deel worden de verschillen verklaard uit vertragingen in de uitvoer van investeringsprojecten voor de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken.

13.3. Operationele doelstellingen

13.3.1. Het adviseren over en implementeren van beleid dat (mede) van toepassing is op de rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel

De Rijksgebouwendienst adviseert over het beleid dat (mede) van toepassing is op de rijkshuisvesting en over de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel. Daarnaast voert de Rijksgebouwendienst dit uit om afzonderlijke gebouwgebruikers niet te belasten met kosten die redelijkerwijs door de rijksoverheid als geheel gedragen moeten worden.

Doelbereiking

De Rgd heeft uiteenlopende initiatieven ondernomen om de rijkshuisvesting duurzamer en efficiënter te maken. Door het gebruik van innovatieve (energiebesparende) technieken wordt invulling gegeven aan de voorbeeldfunctie van het Rijk. Dit geldt onder meer voor de onderstaande projecten.

In het Walterboscomplex in Apeldoorn kon mede door de koude/warmteopslag in de bodem een scherpe energieprestatienorm worden gerealiseerd. Deze techniek is eveneens toegepast bij de verbouwing van de gebouwen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in Bilthoven.

In het gebouw van het Openbaar Ministerie in Lelystad zijn innovatieve technieken toegepast om een duurzaam en milieuvriendelijk gebouw te creëren. Voor de verwarming is zogenaamde betonkernactivering toegepast en in de betonvloeren zijn holle kunststofbollen verwerkt waardoor er geen ondersteunende onderdelen meer nodig zijn. Dit leidt tevens tot materiaalbesparingen.

In 2007 is het voormalig Siemensgebouw in het Beatrixkwartier te Den Haag in gebruik genomen als flexibel verzamelgebouw voor verschillende rijksdiensten. Waar in bestaande verzamelgebouwen vaak iedere dienst zijn eigen facilitaire ondersteuning heeft, wordt dit in het nieuwe verzamelgebouw centraal aangestuurd. Per ambtenaar is een standaard aantal vierkante meters werkplek beschikbaar, zodat men in dit concept geen eigen vaste werkplek meer heeft.

Het Programma Innovatieve Technieken rijkshuisvesting is in 1999 aangekondigd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 603, nr. 2). Mede op basis van de positieve uitkomsten van een evaluatie in 2006 is in het werkprogramma Schoon en Zuinig (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1) besloten € 20 mln beschikbaar te stellen voor innovatieve energiebesparende maatregelen als onderdeel van een energiebesparingprogramma voor de rijkshuisvesting.

Doelmatigheid stelsel

Het Rijkshuisvestingsberaad heeft in 2007 de eerste rapportage van de directeur-generaal van de Rgd over de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel besproken. Het Rijkshuisvestingsberaad concludeerde daarop dat de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel is verbeterd met onder andere een gezamenlijke, nog nader uit te werken en vast te stellen concernvisie voor de rijkshuisvesting, meerjarige huisvestingsplannen van de departementen en een onderlinge benchmark huisvesting. Daarnaast heeft het Rijkshuisvestingsberaad aanvullingen geformuleerd, om de prikkels in het rijkshuisvestingsstelsel die bijdragen aan een efficiënte bedrijfsvoering van het Rijk, te verbeteren. Hieraan wordt momenteel uitwerking gegeven.

De doelmatigheidsrapportage, de concernvisie en de uitwerking daarvan in de huisvestingsportefeuille hangen onderling nauw samen en zijn van belang voor de besluitvorming over ontwikkelingen in de bedrijfsvoering binnen het Rijk, die plaatsvindt in het kader van het programma Vernieuwing Rijksdienst. Bedoelde rapportages zullen daarom, afgestemd op het moment van besluitvorming over de bedrijfsvoering van het Rijk, aan het Kabinet worden aangeboden.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Financiële bijdragen aan baten-lastendienst Rgd 
• Bijdrage aan rijksdoelstellingen bijvoorbeeld op het gebied van duurzame kwaliteit en veiligheid van gebouwen, ruimtelijke kwaliteit van de stedelijke gebieden en het rijkshuisvestingsstelsel zelf, vanuit de uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting en met behulp van onderzoek.Ja.
• Bundelen en versterken van interne en externe belangen van de aanbestedende overheidsdiensten op het vlak van inkoop van werken, diensten en leveringen, door coördinatie tussen de aanbestedende diensten.Ja.
• Het realiseren van onderzoeken en toepassingen van innovatieve CO2-reducerende (energiebesparende) technieken in rijksgebouwen, met behulp van het stimuleringsprogramma Innovatieve Technieken (PIT), als voorbeeld voor de Nederlandse bouwsector.Ja.
Indicator2001Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Projecten met innovatieve technieken07 á 95 afgerond1 in uitvoering

Bron realisatiegegevens: VROM/Rgd

13.3.2. De architectonische kwaliteit stimuleren en monumenten beheren

De Rijksgebouwendienst stimuleert de architectonische kwaliteit en beheert een aantal monumenten om de cultuurhistorische waarden te koesteren en de kwaliteit van de (on)gebouwde omgeving te bewaken.

Doelbereiking

Aan architectonische kwaliteit en monumentenbeheer is door middel van verschillende projecten uitvoering gegeven. Zo is bijvoorbeeld de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap, de Gouden Piramide 2007, uitgereikt aan de gemeente Enschede met de herbouw en herstructurering van de wijk Roombeek. Daarnaast is de Wet op de Architectentitel aangepast aan Europese regelgeving ten aanzien van de erkenning beroepskwalificaties (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 079, nr. 2).

Om overnachtingen van staatslieden en hooggeplaatste gasten in het Jachtslot Sint Hubertus veilig en verantwoord te kunnen blijven aanbieden is een aanvang gemaakt met de vervanging van de bestaande elektrische installatie. Kasteel Slangenburg te Doetinchem is ten behoeve van haar pensionfunctie aangepast, waarbij de authentieke elementen in het interieur respectvol gehandhaafd bleven en de wandbespanningen gerestaureerd zijn.

Aan de Abdijkerken te Middelburg zijn een aantal in het oogspringende herstelwerkzaamheden uitgevoerd, als het vervangen van leien en het herstel van houtconstructies, goten, raampartijen en diverse elementen van natuursteen. Huis Six te Amsterdam is volledig gerenoveerd en daarmee aangepast aan de hedendaagse eisen.

Instrumenten/activiteiten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Financiële bijdragen aan baten-lastendienst Rgd 
• Ondersteuning van de acties genoemd in het Actieprogramma Ruimte en Cultuur.Ja.
• Studies en activiteiten ter ondersteuning van de Rijksbouwmeester.Ja.
• Handhaven van de monumentale waarde van de monumenten in rijksbezit en het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden en verhuurbaarheid door periodiek onderhoud en herstel.Ja.

13.3.3. Huisvesten van het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken.

Het ministerie van VROM draagt zorg voor de adequate huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het ministerie van Algemene Zaken. Deze doelgroep valt buiten het vigerende rijkshuisvestingsstelsel.

Doelbereiking

In 2007 is het gerenoveerde Vijverhofcomplex door het Ministerie van Algemene Zaken in gebruik genomen. Door het monumentale complex op deze wijze een hernieuwde functionaliteit te geven, is de klant tevreden in de ondersteuning van zijn bedrijfsproces en is tevens het behoud van het monument gewaarborgd. Dit is ook het uitgangspunt bij de nieuwbouw voor de Raad van State die in 2007 grotendeels tot voltooiing is gekomen, als onderdeel van het project waarbij het gehele complex aan de Kneuterdijk gerenoveerd zal worden. Tot slot is het thema veiligheid nog steeds actueel bij de projecten rond het Binnenhof. De eerste fase van de dak- en gevelbeveiliging bij de gebouwen voor de Tweede Kamer werd in 2007 gerealiseerd.

Instrumenten/activiteiten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Financiële bijdragen aan baten-lastendienst Rgd 
• Uitvoeren van investeringsprojecten en onderhoudswerkzaamheden voor de paleizen, het ministerie van AZ en de Hoge Colleges van StaatJa.
Indicator2004Streefwaarde 2007Realisatie 2007
klanttevredenheid77%86%

Bron realisatiegegevens: VROM/Rgd

Met het klanttevredenheidsonderzoek wordt de tevredenheid gemeten van de klanten van de Rgd met de geleverde huisvesting en diensten daar omheen. Klanttevredenheidsonderzoek wordt door een extern bureau namens de Rgd sinds 1999 jaarlijks uitgevoerd. Echter, op basis van de conclusies uit het laatstgehouden onderzoek in 2006, is besloten om het onderzoek niet in 2007, maar in 2008 uit te voeren.

In het onderzoek van 2006 gaven de klanten aan dezelfde verbeterpunten te zien als die in het onderzoek 2005 waren geïdentificeerd: prijs (behoefte aan transparantie), klantgerichtheid (proactiever werken) en snelheid (van handelen). Als gevolg hiervan stabiliseerde de algehele tevredenheid over de Rgd zich. Daarnaast bleek de periode van een jaar tussen 2 metingen te kort om naast het uitvoeren van de verbeterpunten ook de effecten ervan te kunnen meten.

13.4. Overzicht afgeronde onderzoeken

In 2007 zijn geen beleidsdoorlichting en effectenonderzoeken ex post gestart of afgerond.

Artikel 16. Integratie

16.1. Algemene beleidsdoelstelling

Integratie van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving resulterend in gedeeld burgerschap van etnische minderheden en autochtonen. De algemene doelstelling is uitgewerkt in de volgende operationele doelstellingen:

• Bewerkstelligen dat oud- en nieuwkomers hun inburgeringstrajecten afronden c.q. deelnemen aan het inburgeringsexamen;

• Verkleinen van de economische, sociale en culturele afstand tussen migranten en hun kinderen en autochtonen door het vergroten van de economische, sociale en culturele participatie.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Op 1 januari 2007 is het nieuwe inburgeringsstelsel ingevoerd, kort nadat de Wet inburgering in de Eerste Kamer is aangenomen. De korte voorbereidingstijd van gemeenten bij de invoering van de wet, in combinatie met de complexiteit van de wet- en regelgeving hebben geleid tot vertragingen bij de aanbestedingsprocedures en bij de selectie en werving van potentiële inburgeraars. Het aantal nieuwe deelnemers blijft daardoor sterk achter bij de verwachtingen. Om een aantal knelpunten in de wet- en regelgeving te ondervangen hebben gemeenten met ingang van 1 november een grotere vrijheid gekregen in het aanbieden van inburgeringstrajecten aan cursisten. Om een inhaalslag te kunnen maken is het ook voor alle gemeenten mogelijk gemaakt om het budget dat niet in 2007 is uitgegeven te besteden in 2008 en 2009 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 143, nr. 2).

Uit het Jaarrapport Integratie 2007 en de Integratienota 2007–2011 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 268, nrs. 1, 2 en 3) blijkt dat er op de relevante integratie-indicatoren nog steeds een aanzienlijke afstand tussen niet-westerse migranten en hun kinderen en autochtonen is. Wel begint zich een aantal positieve ontwikkelingen af te tekenen in de arbeidsmarktpositie en het opleidingsniveau van migranten en hun kinderen. Dergelijke positieve ontwikkelingen zijn nog niet terug te vinden in het alledaagse sociale verkeer. Hoewel er enige verbetering zichtbaar is in de wederzijdse beeldvorming, zit er nog weinig beweging in de onderlinge contacten tussen autochtonen en migranten en hun kinderen. Ongunstig blijft ook de sterke oververtegenwoordiging van een aantal etnische groepen in de criminaliteit, met name van Antillianen en Marokkanen.

Externe factoren

Het succes van het integratiebeleid hing in 2007 in grote mate af van de betrokkenheid, medewerking en optimale inzet van gemeenten, uitvoeringsorganisaties, inburgeraars en andere relevante actoren die in het integratiebeleid verantwoordelijkheid dragen.

16.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 16. Integratie(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:0000916 943400 094516 849
Uitgaven:0000429 076400 09428 982
Programma:0000425 434400 09425 340
 Inburgering etnische minderheden:0000362 739331 31531 424
  Gemeenten    362 739331 31531 424
 Verkleinen van economische, sociale en culturele afstand:000062 69568 779– 6 084
  Sociale verzekeringsbank (SVB)000029 33932 812– 3 473
  Overig    33 35635 967– 2 611
Apparaat:00003 64203 642
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 16 (WWI)    3 64203 642
Ontvangsten:00009 67110 345– 674

Om een goede vergelijking mogelijk te maken zijn in de kolom vastgestelde begroting de bedragen opgenomen uit de vastgestelde begroting van Justitie. Het betreft het vastgestelde begrotingsbedrag inclusief de motie Sterk/Dijsselbloem, Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 VI, nr. 69.

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 516,8 mln)

De aangegane verplichtingen zijn aanzienlijk hoger dan begroot doordat meerjarige verplichtingen voor het volledige bedrag in de realisatie zijn opgenomen. In de oorspronkelijke begroting 2007 bij het ministerie van Justitie is uitgegaan van een andere systematiek, waarbij een meerjarige verplichting gespreid (conform het meerjarige kasritme) over de betreffende jaren in de verplichtingenadministratie wordt opgenomen.

Gemeenten (+ € 31,4 mln)

Bij 1e en 2e suppletore begrotingen zijn extra middelen beschikbaar gekomen voor de overgangsproblematiek Wet Educatie en Beroepsonderwijs-Wet Inburgering (WEB-WI), de inburgering van gepardonneerden en een nabetaling aan gemeenten voor de uitvoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN). De gerealiseerde uitgaven zijn daardoor hoger dan de begrote uitgaven.

Sociale Verzekeringsbank (– € 3,5 mln)

De uitgaven zijn lager dan begroot als gevolg van demografische ontwikkelingen, waardoor de gemiddelde uitkering lager is uitgevallen dan geraamd.

16.3. Operationele doelstellingen

16.3.1. Het bewerkstellingen dat oud- en nieuwkomers hun inburgeringstrajecten afronden c.q. deelnemen aan het inburgeringsexamen

Het doel van integratie is volwaardig en gedeeld burgerschap in Nederland. Burgerschap is meedoen. Om mee te kunnen meedoen is beheersing van de Nederlandse taal en kennis van waarden en normen nodig.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Financiële bijdragen aan gemeenten.Ja.Mede op basis van de door de gemeenten geformuleerde ambities zijn de beschikbare middelen over de gemeenten verdeeld. De G31 zijn bekostigd voor een periode van 3 jaar (2007–2009) via de Brede doeluitkering Sociaal Integratie en Veiligheid. Aan de overige gemeenten (niet-G31) zijn de middelen oorspronkelijk voor één jaar toegekend. De realisatie in 2007 is bij de G31 en niet-G31 fors achtergebleven bij de ambities. In het najaar van 2007 is het voor de niet-G31 gemeenten mogelijk gemaakt om het niet besteedde budget in 2007 alsnog te besteden in 2008 en 2009. Dit om te voorkomen dat de vertraging die is opgetreden bij de implementatie van de Wi ten koste gaat van het aantal inburgeraars dat een voorziening kan worden aangeboden.
Specifiek aanbod geestelijke bedienaren.Ja.CINOP/Kontakt der Kontinenten verzorgt de specifieke cursus voor geestelijke bedienaren en neemt ook de deelexamens af. Het centrale deel van het examen wordt afgenomen door de IB-Groep. Geestelijke bedienaren worden door de gemeenten aangemeld.
Prestatiecontract IB-groep.Ja.Met de IB-Groep is eind 2006 een prestatiecontract afgesloten waarin de uitvoering en de financiering van de aan deze instelling toegewezen taken (kredietverstrekking, vergoedingenregeling, afnemen examens en de informatievoorziening over het inburgeringstelsel) is geregeld.
Marktwerking/vrijgeven cursusaanbodJa.Hoewel veel gemeenten pas laat zijn gestart met de aanbesteding, mag op basis van onderzoek bij de G56 gemeenten worden geconcludeerd dat de beoogde marktwerking bij de inkoop van inburgeringstrajecten is geslaagd. Veel verschillende nieuwe aanbieders hebben de markt betreden en opdrachten zijn gegund aan meer (nieuwe) aanbieders.
Keurmerk onderwijsaanbieders.Ja.Het beheer van het Keurmerk Inburgering is per 1 januari 2007 opgedragen aan de Stichting Blik op Werk. In 2007 hebben ongeveer 100 organisaties een voorlopig keurmerk verkregen. Onder de aanmelders bevinden zich vrijwel alle ROC’s maar ook tientallen andere bedrijven.
Uitvoering examens buitenland.Ja.Uit de monitorrapportage blijkt dat de uitvoering op de examenlocaties goed verloopt. Op basis van diverse onderzoeken is besloten om de slaaggrens voor de Toets Gesproken Nederlands per 15 maart 2008 aan te passen (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 700, nr. 49).
Afbouw oude inburgeringsstelsel.Ja.Nieuwkomers die zich in 2006 bij de gemeente hebben aangemeld en een Wet inburgering nieuwkomers-beschikking hebben gekregen, konden hun traject in 2007 voortzetten en afronden. Dit geldt ook voor de oudkomers die in 2006 zijn gestart in het kader van een oudkomersregeling. Verder is overgangsrecht gecreëerd voor de in 2006 gestarte educatietrajecten NT2 die doorliepen tot in 2007. Aan gemeenten is hiervoor eenmalig een bijdrage van € 45 mln extra ter beschikking gesteld.
Meetbare gegevens
IndicatorRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007*
1. Aantal afgelegde examens inburgering buitenland3 16314 4008 600
2. Aantal geslaagden examen inburgering buitenland2 85010 8007 500
3. Aantal nieuwkomers dat een traject heeft afgerond16 33415 00013 000
4. Aantal oudkomers dat een traject heeft afgerond8 68011 00010 500

* Dit betreft voorlopige cijfersBron realisatiegegevens:

1 en 2 MRT-scorekeeper en Monitor inburgering buitenland IND/IAC.

3 en 4 Monitor inburgering oud- en nieuwkomers.

Toelichting:

Het aantal afgelegde examens inburgering buitenland blijft achter bij de prognose doordat het aantal mvv-procedures van de doelgroep sterk is gedaald.

16.3.2. Het verkleinen van de economische, sociale en culturele afstand

Migranten en hun kinderen zijn ondervertegenwoordigd onder de deelnemers aan de arbeidsmarkt en oververtegenwoordigd onder de uitkeringsafhankelijken. Sociaal gezien leven migranten en autochtonen in hoge mate in gescheiden werelden. In cultureel opzicht hebben migrantenen autochtonen weinig gemeenschappelijk. Sommige groepen migrantenjongeren zijn oververtegenwoordigd in de criminaliteit. Dit zijn allemaal verschijningsvormen van de sociale, culturele en economische afstand tussen migranten en autochtonen. Die afstand is een belangrijke belemmering voor integratie. Vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid is een effectieve integratie van minderheden noodzakelijk.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Lokale initiatieven voor duurzaam contact tussen migrantenen autochtonen.Ja.Eind 2006 is een subsidieregeling in werking getreden voor het bevorderen van initiatieven voor ontmoeting en contact tussen migranten en autochtonen, de regeling Ruimte voor Contact. Met financiële steun zijn via deze regeling in 2007 100 projecten op gang gebracht die leiden tot meer contact en uitwisseling tussen migranten en autochtonen wat heeft geleid tot gezamenlijk gebruik van openbare voorzieningen en gezamenlijke deelname aan duurzame activiteiten.
Subsidiëring programma’s FORUM en LOM-organisaties.Ja. Het LOM-Masterplan «Niet naast, maar met elkaar» (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 754, nr. 5) en het FORUM-programma «Democratische rechtsstaat, weerbare samenleving» zijn geheel uitgevoerd.
Uitvoering integratiecampagne (&).Ja. De campagne is op 22 mei 2007 afgerond. Een rapportage met de uitkomsten van de slotmeting is Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 810, nr. 6).
Invoering naturalisatieceremonieJa. Aan de gemeenten zijn extra middelen via het Gemeentefonds beschikbaar gesteld als tegemoetkoming in de invoeringskosten van de naturalisatieceremonie (éénmalig € 2,3 mln structureel € 1,0 mln).
Uitvoering en tussenevaluatie van de Bestuurlijke Arrangementen met 21 Antillianengemeenten.Ja. De tussenevaluatie is afgerond. De rapportage is samen met de beleidsbrief Antillianen en Arubanen aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 283, nr. 31).
Invoering Wet houdende aanvullende maatregelen inzake onder meer de terugzending van Antilliaanse en Arubaanse risicojongeren.Nee. Het wetsvoorstel is op 16 mei 2007 ingetrokken. Aan de Tweede kamer is een beleidsbrief aangeboden waarin wordt aangegeven wat de inzet zal zijn op het Antillianenvraagstuk voor de komende regeerperiode is (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 283, nr. 31).
Beoordeling werking en functionaliteit van de Verwijsindex Antilliaanse risicojongeren.Nee. De rechtbank heeft de ontheffing die verleend was door het College Bescherming Persoonsgegevens inzake het registreren op etniciteit ongedaan gemaakt. Tegen die beslissing is beroep aangetekend bij het Gerechtshof door de minister voor WWI, het College Bescherming Persoonsgegevens, de Antillianengemeenten en de Stichting Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCAN).
Verbeteren effectiviteit jeugdzorg voor (allochtone) jongeren.Ja. In samenwerking met de minister voor Jeugd en Gezin is een 4-jarig actieprogramma «Diversiteit in het Jeugdbeleid» opgesteld. Het actieprogramma wordt aan de Tweede Kamer aangeboden.
Campagne «leersuccessen in het vmbo/mbo».Ja. In 2007 is de campagne afgerond en is er een handreiking met de ervaringen gepubliceerd.
Gedifferentieerd emancipatiebeleid voor allochtone vrouwen.Ja. De kabinetsnota over het emancipatiebeleid 2008–2011 «Meer kansen voor vrouwen» is eind september aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 420, nr. 50). Eén van de hoofddoelstellingen betreft het bieden van kansen aan en het benutten van talenten van vrouwen en meisjes uit etnische minderheidsgroepen.
Landelijk dekkend netwerk van antidiscriminatievoorzieningen.Ja. Vooruitlopend op het wetsvoorstel voor een landelijk netwerk van antidiscriminatievoorzieningen zijn convenanten gesloten met gemeenten en provincies om de bestaande antidiscriminatiebureaus uit te breiden en nieuwe voorzieningen op te richten. Op basis van een overbruggingsmaatregel is via het Gemeentefonds en het Provinciefonds € 5,2 mln beschikbaar gesteld. Het wetsvoorstel is in december 2007 voorgelegd aan de Raad van State en zal in het voorjaar van 2008 aan de Tweede kamer worden aangeboden. Streefdatum van invoering is 1 januari 2009.
Uitvoering van de remigratieregeling.Ja.
Meetbare gegevens
IndicatorRealisatie 2006Begroting 2007Realisatie 2007
1. Aantal &-initiatieven81414
2. Percentage respondenten dat aangeeft veel voorbeelden van positieve interactie tussen mensen met verschillende culturele achtergronden te kennen37,65038,3
3. Aantal gefaciliteerden remigratiewet reis en vervoerskosten378330377
4. Aantal gefaciliteerden remigratiewet periodieke uitkering9 6919 67010 142

Bron realisatiecijfers:

1. Eigen meting, 2. Onderzoek NIPO/MCA Communicatie, 3. en 4. Voorlopige cijfers Sociale Verzekeringsbank (SVB). De jaarrekening van de SVB met definitieve cijfers verschijnt op 1 juli 2008.

16.4. Overzicht afgeronde onderzoeken

 Onderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex post1Tussenevaluatie Bestuurlijke arrangementen Antillianengemeenten16.220062007Kamerstukken II , 2007–2008, 26 283, nr. 31.
Overig evaluatieonderzoekResearch synthese onderzoeken op het terrein van migratie en integratie1620062007WODC-publicatie «Integratiebeleid rijksoverheid onderzocht. Een synthese van resultaten uit evaluatie- en monitoringonderzoek 2003–2006». www.wodc.nl
 Interventies voor integratie16.220062007SCP-publicatie «Interventies voor integratie». Het tegengaan van etnische concentratie en bevorderen van interetnisch contact». www.scp.nl
 Longitudinaal onderzoek naar de integratie van uitgenodigde vluchtelingen162005februari 2008www.wodc.nl
 Jaarrapport Integratie 2007 van het SCP16.220062007Kamerstukken II, 2007–2008, 31 268, nrs. 1–2. www.scp.nl

1 In 2007 is geen beleidsdoorlichting gestart of afgerond.

Artikel 17. GroteStedenBeleid

17.1. Algemene beleidsdoelstelling

Om te zorgen dat de grote steden in Nederland krachtige steden worden, staat WWI

• een samenhangend, ontkokerd en stimulerend Grotestedenbeleid (GSB) voor en

• zorgt zij voor gestroomlijnde financiële middelen door middel van de Brede Doeluitkeringen (BDU’s) en verstrekking van middelen uit de BDU «Sociaal, Integratie en Veiligheid» (BDU SIV).

Voor de derde convenantsperiode 2005–2009 is deze algemene doelstelling vertaald naar vijf outcomedoelstellingen voor de steden:

1. het verbeteren van de objectieve en subjectieve veiligheid;

2. het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving;

3. het verbeteren van de sociale kwaliteit van de samenleving;

4. het binden van de midden- en hogere inkomens aan de stad;

5. het vergroten van de economische kracht van de stad.

Deze outcomedoelstellingen (maatschappelijke effecten) zijn vertaald in outputdoelstellingen (door de gemeenten direct of indirect beïnvloedbare resultaten). Hierover zijn met steden afrekenbare prestatieafspraken gemaakt op basis van meetbare indicatoren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In de GSB convenanten van 2005 zijn tussen het Rijk en de dertig grote steden prestatieafspraken over de outputdoelstellingen tot en met 2009 vastgelegd (Kamerstukken II, 2004–2005, 30 128, nr. 1). In 2007 is door middel van de Midterm Review GSB een tussenbalans opgemaakt, waardoor zicht is ontstaan op de stand van de realisatie van de prestatieafspraken van steden en de mate waarin deze bijdragen aan het realiseren van de outcomedoelstellingen (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15). Op de outcomedoelen laten steden gemiddeld een licht positieve trend zien tussen 2005 en 2007. Mensen in de grote steden zijn zich sinds de start van GSB III veiliger gaan voelen en zijn minder vaak slachtoffer van inbraak, fietsendiefstal, autodelicten (diefstal, inbraak en schade), zakkenrollerij en geweldsdelicten. Verder laten met name de G4 een verbetering zien van de fysieke kwaliteit van de leefomgeving. De sociale kwaliteit van de samenleving en het aandeel midden- en hoge inkomensgroepen zijn vrijwel gelijk gebleven. Na een jarenlange uittocht van de midden- en hoge inkomensgroepen slagen steden er beter in ze vast te houden. De economische kracht van steden, uitgedrukt in een rapportcijfer voor ondernemingsklimaat, is gemiddeld genomen onveranderd en blijft hiermee voldoende. Tot slot was er gemiddeld genomen sprake van groei in het bruto stedelijk product.

Externe factoren

Voor het realiseren van de outcomedoelstellingen is het Rijk afhankelijk van een goede uitvoering van de convenanten die met de GSB-steden zijn gesloten. Daarom is geïnvesteerd in goede relaties met en kennis over de steden (kennisuitwisseling en actief meedenken over problemen). Tijdens de midterm review zijn met de steden de afspraken in enkele gevallen verduidelijkt en is de bureaucratie verder teruggedrongen, zodat de administratieve last voor zowel de steden als het Rijk beperkt blijft.

17.2. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 17. GroteStedenBeleid(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:0000760 47720 385740 092
Uitgaven:0000646 930424 547222 383
Programma:0000646 356421 348225 008
 Faciliteren grotestedenbeleid:00003 6064 876– 1 270
  Faciliteren grotestedenbeleid    1 1004 876– 3 776
  FES NICIS    2 222 2 222
  Kenniscentrum    284 284
 Stimuleren grotestedenbeleid:0000642 750416 472226 278
  LVS en WI    5 129  
  Sociale herovering    14 300  
  Sittard Geleen    400  
  BDU-SIV    537 293  
  BDU-SIV veiligheidsmiddelen    85 628  
Apparaat:00005743 199– 2 625
 Apparaat:       
  Apparaat artikel 17 (WWI)    5743 199– 2 625
Ontvangsten:    539 710299 139240 571

Om een goede vergelijking mogelijk te maken zijn in de kolom vastgestelde begroting de bedragen opgenomen uit de vastgestelde begroting van BZK.

Toelichting:

Verplichtingen (+ € 740,1 mln)

De aangegane verplichtingen zijn aanzienlijk hoger dan begroot doordat meerjarige verplichtingen voor het volledige bedrag in de realisatie zijn opgenomen. In de oorspronkelijke begroting 2007 bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is uitgegaan van een andere systematiek, waarbij een meerjarige verplichting gespreid (conform het meerjarige kasritme) over de betreffende jaren in de verplichtingenadministratie wordt opgenomen. Bij de overdracht van het onderdeel Grotestedenbeleid van BZK naar WWI zijn deze (meerjarige) verplichtingen opnieuw gewaardeerd en voor het meerdere (€ 276 mln) ten laste van het begrotingsjaar 2007 in de boeken opgenomen. Het resterende verschil wordt veroorzaakt doordat in de oorspronkelijke begroting 2007 de geraamde toezeggingen 2007 aan gemeenten in het kader van de BDU-SIV niet is meegenomen. Deze (meerjarige) toezeggingen gedaan in 2007 hebben bij VROM wel tot artikelbelasting bij de verplichtingen geleid.

LVS en WI (uitgaven + € 1,671 mln)

In het kader van de Leefbaarheid/Veiligheid/Stadseconomie (LVS) en Wet Inburgering (WI) heeft er naast de reguliere uitbetaling van de annuïteiten ook een afkoop plaatsgevonden van de regeling LVS Gemeente Heerlen ad € 1,671 mln.

BDU-SIV (uitgaven + € 206,9 mln) en Ontvangsten (+ € 240,6 mln)

Aan de BDU-SIV zijn in 2007 enkele bijdragen toegevoegd, waardoor de realisatie hoger is uitgevallen dan in de begroting was opgenomen. Het gaat hierbij onder andere om bijdragen voor de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg, Volwasseneneducatie en voor- en vroegschoolse educatie. Deze bijdragen zijn toegezegd en aan WWI uitbetaald door de betreffende departementen (VWS en OCW), hetgeen tot hogere ontvangsten in 2007 heeft geleid.

BDU-SIV veiligheidsmiddelen (uitgaven + € 18,5 mln)

In verband met een versnelling van de uitvoering is in 2007 vanuit 2008 extra uitgavenbudget beschikbaar en uitgekeerd aan de betrokken gemeenten.

17.3. Operationele doelstellingen

17.3.1. Een samenhangend, ontkokerd en stimulerend Grotestedenbeleid

De minister voor WWI ontwikkelt en coördineert de randvoorwaarden voor een samenhangende aanpak en inhoud van het GSB richting de steden en de betrokken departementen. Daarnaast ondersteunt en faciliteert WWI de steden bij de uitvoering van de convenanten: het nakomen van de prestatieafspraken.

Doelbereiking

De GSB-accountmanagers hebben regelmatig contact gehad met de steden en waren hiermee vraagbaak voor de stad en werden ingeschakeld wanneer knelpunten opgelost dienden te worden. De kennisuitwisseling tussen steden is uitgevoerd door het NICIS Institute.

Rijk en steden hebben voor de GSB III – periode afrekenbare prestatieafspraken gemaakt op sociaal, fysiek en economisch terrein. De meeste prestatieafspraken liggen op koers (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15). Enkele prestatieafspraken in de BDU-SIV zijn bij de Midterm Review bijgesteld. Ook zijn enkele nieuwe gelden toegevoegd, zie hiervoor de betreffende passage bij operationele doelstelling 17.3.2.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Stimulering. 
Frontoffice voor steden naar het Rijk: coördinatie rijksbrede beleidsinhoudelijke samenhang en procesmatige voortgang en afstemming.Ja.De coördinatie van de midterm review ligt bij WWI evenals de coördinatie te komen tot nieuwe prestatieafspraken (onder andere inburgering en educatie).
Accountmanagement, Stadsgesprekken, werkbezoeken en vraaggericht werken.Nee.Er hebben in 2007 in het kader van het Grotestedenbeleid geen werkbezoeken van de minister voor WWI aan de G31 plaatsgevonden, vanwege de extra inzet voor de nieuwe beleidsprioriteit Krachtwijken (40 wijkenaanpak). Bij de bezoeken die de minister voor WWI in het kader van de Krachtwijken aan de steden heeft gebracht zijn echter ook onderwerpen betrekking hebbend op het grotestedenbeleid aan bod gekomen.
Instrument: Bewaking. 
Uitkomsten van de midterm review (tussenevaluatie halverwege de GSB III periode) leiden in 2007 tot concrete maatregelen om het GSB in de periode tot 2010 te verbeteren en de administratieve lasten voor de steden te verminderen.Ja.Zie brief Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15).
Instrument: Bevorderen van kennisverspreiding en kennisdeling. 
Subsidiëring van het kenniscentrum Grote Steden (KCGS) voor het stimuleren van de uitwisseling van de kennis en ervaringen tussen de steden.Ja.Het KCGS heeft in 2007 een rijksbijdrage ontvangen van ruim € 550 000. Ook is er een bijdrage uit het FES beschikbaar gesteld aan het NICIS.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaardeRealisatie 2007
BDU’sIn 2005 zijn de GSB-relevante geldstromen gebundeld in drie BDU’sIn 2007 zijn er geen nieuwe specifieke uitkeringen gecreëerd met relevantie voor het Grotestedenbeleid. Het nieuwe inburgeringsstelsel en de middelen voor volwasseneneducatie zullen per 1–1-2007 aan de BDU worden toegevoegd.Ja
Prestatie-indicatorenSteden hebben in 2005 ambities geformuleerd op basis van 53 prestatie-indicatorenHet aantal prestatie-indicatoren is niet toegenomen en indien wenselijk afgenomen. De wenselijkheid voor een daling van het aantal prestatie-indicatoren is afhankelijk van de uitkomst van de midterm-review.Nee. Als gevolg van nieuwe geldstromen zijn er prestatie-indicatoren bijgekomen. De oorspronkelijke 53 zijn wel aangescherpt (zie Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15).
Administratieve lastenSituatie begin 2007Eind 2007 zijn de ervaren lasten voor steden afgenomenJa, zie brief Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15).

17.3.2. Gestroomlijnde financiële middelen d.m.v. de Brede Doeluitkeringen (BDU’s) en verstrekking van middelen uit de BDU «Sociaal, Integratie en Veiligheid»

Door de bundeling van de rijksuitkeringen voor het GSB in drie BDU’s hebben steden meer beleids- en bestedingsruimte gekregen, en kunnen ze resultaatgerichter, programmatischer en integraler te werk gaan dan voorheen.

De WWI – middelen in het kader van de BDU – SIV alsmede de bijdragen van de ministeries van OC&W, Justitie, VWS en BZK aan de BDU zijn op dit artikelonderdeel opgenomen en worden door WWI aan de steden uitgekeerd.

Doelbereiking

Om krachtige steden te worden en de prestatieafspraken met het Rijk te realiseren, hebben de steden van het Rijk in 2007 circa € 1 miljard ontvangen uit hoofde van drie Brede Doeluitkeringen (BDU’s). Er zijn in 2007 (extra) gelden beschikbaar gekomen binnen de BDU SIV, te weten Sociale herovering (€ 14,3 mln voor 2007), Openbare geestelijke gezondheidszorg (jaarlijks € 50 mln voor de periode tot en met 2009), een extra impuls voorschoolse educatie (€ 31 mln voor de periode tot en met 2009), Volwasseneneducatie (jaarlijks € 74,1 mln) en Inburgering (€ 542 mln voor de periode tot en met 2009). Deze bijdragen worden door de steden ingezet om de prestatieafspraken te realiseren.

Instrumenten
Jaar 2007Realisatie
Instrument: Sociale herovering. 
voor de periode 2006–2007 is € 25 mln beschikbaar voor het samen met de steden interveniëren in een aantal buurten waar de meest ernstige en structurele leefbaarheidproblemen heersen.Ja.€ 24,3 mln is aan de BDU SIV van een 14-tal steden toegevoegd.
Instrument: BDU-SIV. 
Operationalisatie, coördinatie en financiële verantwoording op rijksniveau van de BDU-SIV alsmede de bewaking van de interdepartementale financiële ontwikkeling op het gebied van de BDU SIV.Ja.Door middel van het ECO GSB (extracomptabel overzicht Grotestedenbeleid). Door WWI uitkering van de financiële middelen door middelen van bijdrageconstructies met andere departementen.
Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaarde 2005StreefwaardeRealisatie 2007
Uitvoering convenantenNulmeting steden in 2005Steden halen in 2010 hun op outputniveau geformuleerde ambities voor het domein sociaal, integratie en veiligheid1Ja, zie brief aan de Tweede Kamer inzake de midterm review (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15)

1 De middelen voor de domeinen fysiek en economie staan op de begrotingen van respectievelijk. VROM (vanaf 2008 WWI-begroting) en EZ. Met deze middelen dienen de ambities op deze domeinen te worden gerealiseerd.

17.4. Overzicht afgeronde onderzoeken

 Onderzoek onderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingToekomst stedelijke gebieden (ex ante)17.120052007Brief Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 983, nr. 2).
Overig evaluatieonderzoekEvaluatieonderzoek: Midterm Review GSB III17.3.120062007Brief Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15).

NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel 14. Algemeen

14.1. Algemene doelstelling

Op dit artikel worden alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan een van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel uitgaven voor het apparaat als programma als uitgaven voor postactieven.

Op dit artikel zijn alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan een van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel uitgaven voor het apparaat als programma en uitgaven voor postactieven

Tabel 14.1 Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 14. Algemeen(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:316 090297 947208 419337 846305 865193 848112 017
Uitgaven:533 379428 790431 066519 114469 970385 78184 189
Programma:330 304234 728222 193261 991210 189196 07014 119
  Betaalbare woonkeuze koop- en huursector119 17542 96431 29324 46417 64312 3225 321
  Budget BWS 1992–1994152 247149 909149 867149 393149 832149 169663
  Woningbouw en duurzame kwaliteit02405 000000
  Huisvesting gehandicapten en woon-zorg44 08927 29724 65118 71515 59914 671928
  Communicatie-instrumenten6 7486 4945 5136 6127 5777 408169
  Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StaB)4 8994 9175 1454 7825 0634 896167
  Overige vastgoedinformatievoorziening1 2851 1404 3702 9668 3906 3412 049
  Onderzoek DGM374300000
  Ruimtelijk Planbureau1 8161 9401 3541 1481 1921 263– 71
  Programma/onderzoek Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf (GOB)00001 72101 721
  Programma/onderzoek Milieu en Natuur Planbureau (MNP)0000000
  Afkoop subsidies DGW regelingen00048 9113 17203 172
  Bijdrage loket bouwen en wonen*8      
Apparaat:203 075194 062208 873257 123259 781189 71170 070
 Departementsleiding, control, expertdiensten en overige staf:87 08664 29044 76663 86667 87660 0637 813
  Apparaat projecten VROM00002570257
  Apparaat DGWWI23 76911 3446 7392 8525 4729124 560
  Apparaat DGR9 4975 51512 8976 5725 3364 0751 261
  Apparaat DGM9 9817 7104 4622 3582 1122 403– 291
  Apparaat Inspectie43881 116006– 6
  Apparaat departementsleiding, control en overig staf39 19135 41514 33414 32514 83421 237– 6 403
  Apparaat Ruimtelijk Planbureau (RPB)4 6054 2185 2185 5635 5795 399180
  Apparaat Milieu en Natuur Planbureau (MNP)   32 19634 28626 0318 255
 Raden:4 9865 1969 5276 6617 4916 1291 362
  VROM-Raad2 2101 9101 9051 8352 0772 0743
  Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronzoek1 7221 7841 4711 3901 5325231 009
  Waddenadviesraad (WAR)474492712605592617– 25
  Kenniscentrum Aanbesteding bouw (KCAB)001610000
  Nederlandse Emissie Autoriteit (NEA)004 3940000
  Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)5801 0108841 0141 08201 082
  Technische Commissie Bodembescherming (TCB)000619574265309
  Gemeenschappelijk OntwikkelingsBedrijf (GOB)0001 1981 6342 650– 1 016
 Postactieven:7 6065 6557 39610 03810 0326 6363 396
  Postactieven DGWWI4 1582 3972 2632 4562 3172 934– 617
  Postactieven DGR383335613577584376208
  Postactieven DGM1 5321 2861 2141 5771 5431 270273
  Postactieven Inspectie   1 5481 5943041 290
  Postactieven RPB1440316476076
  Postactieven GD/CSt1 5191 5973 2753 8163 9181 7522 166
 Gemeenschappelijke voorzieningen:103 397118 921147 184176 558174 382116 88357 499
  Gemeenschappelijke voorzieningen76 59391 615121 569151 497149 05191 30757 744
  Huurbijdrage aan RGD26 80427 30625 61525 06125 33125 576– 245
Ontvangsten:68 52278 77477 76269 67948 82730 34618 481

Toelichting

Betaalbare woonkeuze huur- en koopsector (uitgaven + € 5,3 mln)

Deze overschrijding heeft 2 redenen. De eerste is de betaling van subsidies aan gemeenten die niet met de afkoop in 2006 hebben meegedaan van de HNR 1987 en de PHW 1985. De tweede is veroorzaakt doordat bij de geldelijke steun eigen woningen 1979/1984 minder intrekkingen zijn geweest dan verwacht. Dit is een voortzetting van de tendens die ook in voorgaande jaren is opgetreden.

Overige vastgoedinformatievoorziening (+ € 2,0 mln)

Sinds de ontwerbegroting 2007 zijn diverse bijdragen voor het project Basisregistratie Adressen en Gebouwen van andere instrumenten overgeheveld naar dit instrument toe.

Apparaat departementsleiding, control en overig staf (– € 6,3 mln)

Vanaf dit instrument is € 2,3 mln overgeheveld naar het instrument Overige Vastgoedinformatievoorziening voor het project BAG. Daarnaast heeft de Concernstaf voor diverse producten, diensten en taken – die de Gemeenschappelijke Dienst voor de Concernstaf heeft uitgevoerd – budget overgeheveld naar het instrument Gemeenschappelijke Voorzieningen.

GOB (+ € 1,7 mln)

Bij 2e suppletore begoting is budget toegevoegd aan het programma artikel van GOB voor onderzoeken en plankosten projecten onder andere Valkenburg, Twente, Almere-Oost en Pampus en Venlo. Totaal is€ 3 202 toegevoegd. Het niet-uitgegeven gedeelte wordt doorgeschoven naar 2008.

MNP (+ € 8,3 mln)

Hier is zowel bij 1e suppletore als bij 2e suppletore budget toegevoegd (ca 9,5 mln.) voor onderzoeken. Het betreft onderzoeken in opdracht van VROM, LNV, V&W en de EU. Voorbeelde zijn beleidsgericht onderzoek en de projecten IPCC, TSU en NVKO alsmede strategisch onderzoek.

RMNO (+ € 1,0 mln)

Bij 1e en 2e suppletore wet aanvullend budget toegevoegd (circa € 1,1 mln)

Het gaat om opdachten voor diverse onderzoeken en te houden kennisagenda’s door RMNO. De ministers van V&W, LNV en DGM hebben hier aan bijgedragen.

Postactieven (+ € 3,4 mln)

Ten gunste van het artikel postactieven heeft bij 1e suppletore wet een correctie plaatsgevonden en is het budget opghoogd naar € 3 995 mln. Het budget was abusievelijk geplaatst op het apparaatsartikel van de GD.

Gemeenschappelijke voorzieningen (+ € 57,5 mln)

De hogere uitgaven zijn evenals in 2006 het gevolg van het instellen van een VROM Shared Service Centre, taken zoals functioneel en applicatiebeheer,zijn vanuit de Diensten overgeheveld. Ten tijde van het opstellen de raming 2007 zaten de budgetten voor de grote projecten van onder andere beheer, outsourcing, ICT-dienstverlening en ook andere projecten voor een deel nog bij de Diensten. Gedurende het jaar worden door de Diensten maatwerkopdrachten, opleidingen aangevraagd en ook aanvullende opdrachten verstrekt en als extra opdrachten uitgevoerd. Al deze uitgaven worden doorbelast aan de Diensten en vanuit doelmatigheidsoverwegingen bij suppletore begrotingen en slotwet zijn de budgetten toegevoegd aan de GD. Tenslotte zijn als gevolg van de hogere vraag naar ICT-diensten (hardware en software) en sterke prijsstijgingen op ICT-gebied meer uitgaven gedaan.

Dit verklaart het grote verschil tussen de raming ontwerpbegroting 2007 en de realisatie.

In de 1e en 2e suppletore begroting is in totaal circa € 56,9 mln aan dit artikel toegevoegd.

14.2 Programma

14.2.1. Communicatie-instrumenten

De 100 dagen dialoog van de nieuwe bewindslieden en de publicatie van het nieuwe beleidsprogramma heeft voor communicatie geresulteerd in; behandeling van 7000 brieven en mails, verbeteractie voor de beantwoording van burgerbrieven, publicatie 200 persberichten, 200 speeches voor de bewindslieden, publicatie van het eerste Maatschappelijk Jaarverslag van VROM, nominatie van VROM.NL voor een Europese prijs, en bezoek van de Europese collega’s in de Annual Meeting van het Green Spiders Network.

Er is een on-line participatietraject uitgevoerd rond Klimaat en Energie met 2000 aanmeldingen, uiteindelijk 1400 deelnemers. De strategienota Burgerparticipatie zal meer overzicht en eenheid aanbrengen bij dergelijke initiatieven. De communicatie-infrastructuur is aangepast door de komst van een programmaminister met een eigen portefeuille. Binnen de VROM huisstijl is gekozen om de portefeuilles van beide ministers duidelijk te onderscheiden.

14.2.2. Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is een rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) die door VROM wordt gesubsidieerd.

Tabel 14.2 Aantal adviesaanvragen
 Realisatie 2005Realisatie 2006Ontwerpbegroting 2007Realisatie 2007
Stand per 01–0172889595
Instroom aanvragen413366340494
Aantal afgehandelde aanvragen/adviezen397359340490
Stand per 31–1288959599

Bron: Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

De belangrijkste reden van de verhoogde instroom van adviesaanvragen in 2007 en uitstroom van adviezen is toe te schrijven aan twee grote geclusterde aanvragen van in totaal 96 zaken. Deze geclusterde aanvragen zijn ook geclusterd afgedaan. Het betreft een geclusterde adviesaanvraag van 53 supermarkten in Amsterdam en een geclusterde aanvraag van 43 kwekers uit de Bollenstreek.

De gemiddelde zwaarte van de adviesaanvragen is in 2007 toegenomen. De adviesaanvragen over een aantal grote projecten, onder meer Grensmaas en de Waddenzee hebben daaraan bijgedragen. De toegenomen zwaarte van de adviesaanvragen zet de norm voor de doorlooptijd onder druk. Desondanks blijft de gemiddelde doorlooptijd in 2007 met 2,85 maanden toch binnen de norm van drie maanden.

De StAB hanteert als norm voor kwaliteit dat 90% van de adviezen het oordeel goed/uitstekend van de opdrachtgever dienen te krijgen. Voor 2007 is deze norm met 87% bijna gerealiseerd.

14.2.3. Rijksbeleid E-government

Het ministerie van BZK coördineert de informatievoorziening op rijksniveau. Met de notitie eNext zijn eind 2006 de belangrijkste thema’s voor de elektronische dienstverlening voor de komende 4 á 8 jaar neergezet.

Het burgerpanel E-strategie heeft een top 26 opgeleverd van elektronische voorziening in de fysieke leefomgeving waar burgers warm voor lopen. In 2007 is vooral veel aandacht besteed aan het communiceren van de resultaten van het burgerpanel zowel binnen VROM als daarbuiten met name richting gemeenten en provincies.

14.2.4. Overige vastgoedinformatievoorziening

Coördinatie van de Geo-informatie: GI-beraad en stichting Geonovum

De aangekondigde fusie tussen de stichting Raad voor de Vastgoedinformatie (RAVI) en de stichting Nationaal Clearinghouse Geo-informatie (NCGI) tot de nieuwe stichting Geonovum is in 2007 gerealiseerd. De samenwerking tussen GI-beraad en Geonovum is in 2007 op gang gekomen.

Het kennisprogramma Ruimte voor Geo-informatie (RGI) verloopt voorspoedig. Een groot gedeelte van de in het kader van de Besluit subsidies investeringen in de kennisinfrastructuur (Bsik-regeling) verstrekte subsidiegelden is nu door het programma verplicht. De door de Bsik-regeling vereiste mid-term review (externe wetenschappelijke beoordeling) van het programma was positief. Het GI-beraad heeft in 2007 een positief advies uitgebracht aan de minister van VROM over een door Geonovum opgesteld plan van aanpak voor de implementatie van Inspire (Europese Richtlijn voor harmonisering van ruimtelijke informatie).

Basisregistraties

Een belangrijk deel van het Geo-informatie (GI) beleid komt tot stand via de inzet rond een aantal te realiseren Geo-basisregistraties, die deel zullen uitmaken van een samenhangend stelsel van (authentieke) registraties. Door het Kabinet aangemerkte authentieke basisregistratie in het geo-domein zijn de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), de Bassisregistraties Kadaster en Topografie in de toekomst mogelijk aangevuld met de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) en basisregistratie voor de Ondergrond.

• BAG – De wet voor de BAG is in 2007 door de Tweede Kamer goedgekeurd. De minister van VROM heeft in 2006 besloten het beheer van de landelijke voorziening neer te leggen bij het Kadaster en deze is in 2007 operationeel aan het Kadaster opgeleverd. Daarnaast zijn er voor BAG in 2007 voorbereidingen getroffen om de bronhouders (gemeenten) aan te kunnen sluiten en de afnemerswensen te gaan ontwikkelen;

• Topografie en Kadaster – De wijziging van de Kadasterwet ten behoeve van de inbedding van de basisregistraties bij het Kadaster zijn door het parlement goedgekeurd en worden per 1 januari 2008 ingevoerd. Met het Kadaster zijn nadere afspraken gemaakt over een daarbij passende financiering die breed verplicht gebruik mogelijk maakt;

• GBKN – Over de omvorming van de GBKN naar basisregistratie is nog geen besluit genomen. Er is een businessplan opgesteld dat is aanvaard door het GI-beraad, maar de dekking van de investering is nog niet rond, waardoor er nog geen definitief besluit kan worden genomen;

• Ondergrond – De voorbereidende onderzoeken naar de basisregistratie ondergrond zijn in 2007 afgerond. Begin 2008 wordt besluitvorming verwacht.

14.2.5. Programma/onderzoek Ruimtelijk Planbureau (RPB)

Naast de bestaande serie uitgaven en achtergrondstudies heeft het Ruimtelijk Planbureau in 2007 zes nummers «Ruimte in debat», negen adviezen en negentien publicaties uitgebracht.

Zes van de gepubliceerde adviezen werden op verzoek van departementen uitgebracht, de overige drie op eigen initiatief van het RPB. De volgende adviezen verschenen in 2007:

• De ruimtelijke vraagstukken van de toekomst voor de beleidsagenda van nu (Beleidsadviezen 01; verzoek VROM);

• Regionaal economisch beleid in de kenniseconomie (Beleidsadviezen 02);

• De zichtbaarheid van de Belle van Zuylen-toren (Beleidsadviezen 03);

Een nieuwe stedelijke agenda. Overwegingen voor een toekomstig Grotestedenbeleid (Beleidsadviezen 04);

• Naar een optimaler ruimtegebruik door bedrijventerreinen. Een verkenning van enkele beleidsopties (Beleidsadviezen 05; verzoek VROM en EZ);

• Een ruimtelijke verkenning naar alternatieven voor de Hoeksche Waard (Beleidsadviezen 06 door RPB/CPB; verzoek VROM en EZ);

• Advies over de Langetermijnverkenning Schiphol (Briefadvies door CPB, MNP, RPB, KiM; verzoek VenW);

• Monitoring Mooi Nederland (Briefadvies; verzoek VROM);

• Zichtbaarheidsanalyse snelwegpanorama’s (Briefadvies; verzoek VROM).

Tot slot organiseerde het Ruimtelijk Planbureau op 30 oktober 2007 de jaarlijkse Ruimteconferentie in Rotterdam. (www.rpb.nl).

14.2.6. Programma/onderzoek Milieu en Natuur Planbureau (MNP)

Het Milieu- en Natuurplanbureau levert evaluaties en verkenningen over de leefkwaliteit van ons land in relatie met de milieuproblematiek op Europese en mondiale schaal. De wettelijke taken van het Milieu- en Natuurplanbureau zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in de Natuurbeschermingswet. In september is de Milieubalans en de Natuurbalans gepubliceerd en het Milieu- en Natuurcompendium geactualiseerd. Hierin is de actuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld gebracht. Daarnaast is een Duurzaamheidverkenning uitgebracht evenals een aantal thematische Natuurverkenningen. Ook zijn evaluaties op het terrein van biodiversiteit, klimaatverandering, luchtkwaliteit en mestbeleid verschenen. De verkiezingsprogramma’s en het Regeerakkoord zijn doorgerekend op de gevolgen voor milieu en natuur. In samenwerking met het Ruimtelijk Planbureau is de belevingswaardemonitor Nota Ruimte gepubliceerd. Internationaal is met name een belangrijke rol gespeeld bij de IPCC klimaatrapporten die in 2007 zijn verschenen (www.mnp.nl).

14.2.7. Programma/onderzoek Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf (GOB)

In 2007 zijn drie nieuwe projecten toegewezen aan het GOB, naast de drie projecten (Almere, Valkenburg en Bloemendalerpolder) die reeds in 2006 zijn gestart. De nieuwe projecten betreffen de ontwikkeling van een hoogwaardig en duurzaam economisch werklandschap in Greenport Venlo (Klavertje Vier), de herontwikkeling van het militaire vliegveld Twente en de realisatie en herstructurering van een bedrijventerrein bij Moerdijk. Daarnaast heeft het GOB adviezen en second opinions gegeven voor diverse projecten waar departementen bij betrokken zijn.

In 2007 is ook veel energie gestoken in de samenwerking met de andere partijen die participeren in de planvorming van de projecten. In een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 581, nr. 34) is uitleg gegeven over de stand van zaken in de verschillende projecten. Daarin is ook verwoord dat de ervaringen tot dusverre leren dat door de inzet van het GOB het Rijk heeft gezorgd voor meer tempo en het doorbreken van patstellingen in de projecten. Dit zal zowel financieel als beleidsmatig tot meerwaarde kunnen (gaan) leiden.

In de projecten maakt het GOB gebruik van de kennis en faciliteiten van de vijf vastgoeddiensten. Deze zijn onder meer ingeschakeld voor het anticiperend verwerven van grond en voor het uitvoeren van het tijdelijk beheer. Op deze wijze bundelt het Rijk zoveel mogelijk kennis en expertise. Daarnaast heeft het vastleggen van de diverse rijksdoelen in eenduidige mandaten aan het GOB tot een versterking van de beleids- en uitvoeringscoördinatie geleid. (www.minvrom.nl/gob)

14.3 Apparaat

14.3.1. Algemeen apparaat

De apparaatuitgaven omvatten de verplichtingen en uitgaven van het ambtelijk personeel, overige personele uitgaven, materieel en automatisering en postactieven. Het ambtelijk personeel betreft de algemene leiding van het departement en de beleids- en ondersteunende diensten/directies. De overige personele uitgaven betreffen de inzet van externen en uitzendkrachten. De materiële en automatiseringsuitgaven hebben betrekking op de uitgaven voor beheer, exploitatie, huisvesting en investeringen om de voorzieningen van VROM op minimaal het huidige niveau te houden en daar waar mogelijk te verbeteren.

Juridisch instrumentarium VROM heeft in 2007 gewerkt aan kernproducten op nationaal, Europees en internationaal niveau. Het juridisch instrumentarium dat door VROM is gebruikt zijn: wetgeving, overeenkomsten/convenanten, behandeling van (buiten-)rechterlijke procedures, Koninklijke Besluiten, alsmede advisering.

Prioriteit bij het wetgevingsprogramma lag in 2007 bij de implementatie van EG-richtlijnen, de wetgevingsprojecten voortvloeiend uit het Coalitieakkoord, toezeggingen aan de Staten-Generaal en ondersteuning bij initiatiefwetsvoorstellen.

Tabel 14.3. Juridische kwaliteit wetgevingsproducten
 Realisatie 2005Realisatie 2006Ontwerpbegroting 2007Realisatie 2007
Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van Raad van State88%96%90%98%
Implementatietermijn EU-regelgeving niet overschreden11%38%100%25%
Uitvoering bepaalde EG-regelgeving (rapportages, meldingen intern recht) aan termijnen onderhevig75%44%75%73%
Convenanten in overeenstemming met de Aanwijzingen100%100%100%100%
Procedures met positief resultaat74%78%80%75%
Procedures behandeld zonder termijnoverschrijding100%100%100%100%

Wetgeving met dictum 1, 2 en 3 van de Raad van State

Een wetgevingsproduct wordt «goed» beoordeeld wanneer de Raad van State daaraan het dictum 1, 2 of 3 toekent. Het oordeel van de Raad van State omvat zowel de technisch-juridische als de beleidsmatige aspecten van de wetgevingsproducten. In 2007 zijn alle 41 van de 42 adviezen met dictum 1, 2 of 3 terugontvangen van de Raad van State. Alleen de Wet Fonds wijkaanpak heeft het dictum 4 gekregen.

Implementatietermijn EU-regelgeving niet overschreden

In 2007 is 25% van de te implementeren richtlijnen op tijd geïmplementeerd. Het totale aantal te implementeren richtlijnen bedroeg 8. In geval van overschrijding gaat het meestal om een geringe termijnoverschrijding (van één maand tot een paar maanden). Het streven is altijd 100% tijdige implementatie. Op dit moment is dit niet haalbaar. Dit heeft te maken met prioritering van de beleidsdiensten en capaciteitstekort bij de juridische directie. Binnen VROM is een Taakgroep Implementatie Europese richtlijnen ingesteld die, een periodieke rapportage maakt waarin aandacht van de BR en bewindslieden wordt gevraagd voor de tijdige implemenatie van EU-regelgeving op de probleemdossiers.

Europese Meldingenprocedures

In enkele gevallen is VROM op grond van het EG-verdrag (of daarvan afgeleid recht, zoals richtlijnen of verordeningen) verplicht om:

• Een concept van een nieuw (voorgenomen) beleidsinstrument aan de Europese Commissie te melden. Dit geldt niet alleen voor wetgeving, maar ook voor bijvoorbeeld convenanten en directe subsidiëring uit de begroting;

• Te rapporteren over de feitelijke uitvoering van (geïmplementeerde) EG-regelgeving.

Dit kengetal geeft aan in hoeverre VROM deze procedure succesvol doorloopt, zowel naar tijdigheid als naar de inhoud en de presentatie van de beleidsvoornemens. Het betreft hier verschillende procedures waarvoor speciale termijnen gelden. Hiervan lag de realisatie in 2007 op 73% ten opzichte van 44% realisatie in 2006 en 75% in de begroting 2007. Hieruit kan geconcludeerd worden dat met name de technische notificaties kwalitatief beter aangeleverd worden in Brussel, waardoor een zaak sneller (binnen een half jaar) afgesloten kan worden. Ook de uitvoeringsrapportages zijn in 2007 tijdiger aangeleverd.

Overeenkomsten en convenanten

Het belang van de naleving van afspraken in het publiek domein stelt hoge eisen aan de inhoudelijke kwaliteit van overeenkomsten en convenanten. Alle convenanten, die worden aangeboden, worden getoetst aan de Aanwijzing voor convenanten.

Het komt voor dat het volgen van de aanwijzingen voor de uiteindelijke besluitvormers minder zwaar weegt dan de beleidsinhoudelijke keuzes.

Procedures

In 2007 zijn 18 verzoeken voor juridische advies of civielrechtelijke ondersteuning bij de Landsadvocaat neergelegd. Het gerealiseerde percentage wordt naar beneden gehaald door de zaken met betrekking tot de Europese Verordening voor de Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA), waar VROM ongeveer 50% van de zaken wint. Dit houdt verband met beleidskeuzes, die de Raad van State niet honoreert. Alle procedures zijn binnen de geldende termijnen afgehandeld.

14.3.2. Gemeenschappelijke voorzieningen en Huurbijdrage RGD

ICT en bedrijfsvoering

VIDI

In het vierde kwartaal van 2007 is de ontwikkeling van de digitalisering van het documentbeheer (VIDI) gestopt, de projectgroep ontmanteld en VIDI op een ordentelijke wijze stopgezet. Dat laatste betekent dat is vastgelegd waarom dit besluit is genomen, wat de opbrengst van VIDI is geweest, hoe deze opbrengst is geborgd voor eventueel later hergebruik en wat de geleerde lessen zijn. In een brief van d.d. 16 januari 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI, nr. 85) aan uw Kamer heb ik u daarover geïnformeerd.

Rechtmatigheidsonderzoek Algemene Rekenkamer

In de brief, getiteld ICT beheer en informatiebeveiliging onvolkomenheid (RJV VROM 2006) (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 031 XI, nr. 12), is door de Minister VROM aan de Voorzitter van de Tweede Kamer toegezegd eind 2008 aan het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst (VIR) en het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – Bijzondere Informatie (VIR-BI) te voldoen.

Tabel 14.4. Automatiseringsuitgaven (ICT-dienst) per fte
 Realisatie 2005Realisatie 2006Ontwerpbegroting 2007Realisatie 2007
Raming in € 1 mln35,846,126,447,5
Aantal fte3 7403 7813 7243 741
Uitgaven per fte in € 19 57212 1937 08912 708

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

Het kengetal geeft weer welke uitgaven per fte voor VROM zijn gedaan ten behoeve van ICT via de gemeenschappelijke ICT-dienst. Door de instelling van een VROM Shared Service Centre zijn er taken, zoals functioneel en applicatiebeheer, vanuit de diensten overgeheveld.

De hoger uitgaven zijn evenals in 2006 het gevolg van het instellen van een VROM Shared Service Centre, taken zoals functioneel en applicatiebeheer, zijn vanuit de Diensten overgeheveld. Ten tijde van het opstellen de raming 2007 zaten de budgetten voor de grote projecten van onder andere beheer, outsourcing, ICT-dienstverlening en ook andere projecten voor een deel nog bij de Diensten. Gedurende het jaar worden door de Diensten maatwerkopdrachten en ook aanvullende opdrachten verstrekt en als extra opdrachten uitgevoerd. Al deze uitgaven worden doorbelast aan de Diensten en vanuit doelmatigheidsoverwegingen bij suppletore begrotingen en slotwet zijn de budgetten toegevoegd aan de GD. Tenslotte zijn als gevolg van de hogere vraag naar ICT-diensten (hardware en software) en sterke prijsstijgingen op ICT-gebied meer uitgaven gedaan. Dit verklaart het grote verschil tussen de raming ontwerpbegroting 2007 en de realisatie.

Huisvesting (inclusief huurbijdragen aan RGD)

Wat betreft de huisvestingsuitgaven in algemene zin kan het volgende worden opgemerkt:

De huisvestingsuitgaven zijn te verdelen in huren, technisch beheer van gebouwen en installaties, en overige huisvestingskosten. Onder overige huisvestingskosten wordt verstaan energiekosten, schoonmaak en klein onderhoud. Het prestatiegegeven geeft weer welke kosten voor het gehele ministerie per fte verbonden zijn aan huisvesting.

Tabel 14.5. Huisvestingsuitgaven per fte ambtelijk personeel
 Realisatie 2005Realisatie 2006Ontwerpbegroting 2007Realisatie 2007
Raming in € 1 mln36,532,336,830,1
Aantal fte3 7403 7813 7243 741
Uitgaven per fte in € 19 7598 5439 8828 041

Bron: SBB (€) en PeRCC (fte)

De lagere uitgaven zijn met name het gevolg van het uitstellen van noodzakelijk onderhoud aan gebouwen in verband met het plannen van grootschalig onderhoud vanaf medio 2009. Tevens is door VROM minder ruimte ingehuurd dan verwacht en zijn de uitgaven voor energie en onderhoud gedaald. it samen heeft uiteindelijk geleid tot lagere uitgaven in 2007.

14.3.3. Adviesorganen en kennisinstituten

VROM-raad

In 2007 heeft de VROM-raad (www.vromraad.nl) naast het werkprogramma over de volgende onderwerpen briefadviezen uitgebracht:

• Programma-aanpak Nota Ruimte;

• Advies Zuidvleugel;

• Stuur op mooi Nederland.

Tevens is een gezamenlijk advies met de Raad voor Verkeer en Waterstaat, Raad Landelijk Gebied, Raad voor de Wadden uitgebracht met als titel «Duurzame ontwikkeling van het potentieel van de zee».

De adviezen over het klimaatbeleid «De hype voorbij» en over de woningmarkt «Tijd voor keuzes» bleken op een breed draagvlak te kunnen rekenen. Het eerste advies vanwege zijn evenwichtige en brede analyse van een thema dat vaak als hype in pers komt. Het tweede advies bleek op breed draagvlak te kunnen rekenen bij vrijwel alle grote organisaties uit het maatschappelijk middenveld op dit terrein. De samenhangende en evenwichtige wijze waarop het complexe thema is geagendeerd heeft daaraan bijgedragen. Enkele adviezen die waren geagendeerd voor 2007 zullen begin 2008 verschijnen.

In het algemeen neemt belangstelling in de samenleving voor het werk van de raad sterk toe. Het aantal malen dat wordt verwezen naar het werk van de raad stijgt flink, de aanvragen van adviezen nemen sterk toe en de website wordt inmiddels al meer dan 100 000 keer per jaar bezocht.

Raad voor ruimtelijk, milieu- en natuuronderzoek (RMNO)

In 2007 heeft de RMNO (www.rmno.nl), op verzoek van VROM en LNV, een proces van organisatieontwikkeling doorlopen, als antwoord op het intrekken van de Raamwet sectorraden. Afspraken zijn gemaakt over taken van de RMNO en vertaald in het werkplan 2008–2009.

In 2007 heeft de RMNO twee kennisagenda’s afgerond:

• Risico’s;

• Gebiedsontwikkeling.

Daarnaast zijn drie voorstudies uitgebracht:

• Transdisciplinariteit in wetenschappelijk onderzoek;

• Biotechnologie;

• Boundary work in Europa.

Op verzoek van VROM heeft de RMNO het projectmanagement verzorgd voor de Peer Review van de Nederlandse Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (NSDO). Een project wat heeft geleid tot een advies aan het Kabinet over de betekenis van een nationale strategie en over de wijze waarop de overheid een dergelijk proces vorm kan geven. In 2007 is het advies uitgebracht over de relatie tussen Natuur en Gezondheid.

Een advies dat RMNO heeft opgesteld in samenwerking met de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) en de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG). Het advies draagt bij in het debat over gezonder leven en de betekenis van natuur en een natuurlijke omgeving voor gezondheid.

Raad voor de Wadden (RvdW)

In 2007 heeft de Raad (www.raadvoordewadden.nl) geadviseerd over:

• De opbouw van het Beheer en Ontwikkelingsplan voor de Waddenzee (titel advies: Naar een sterk en houdbaar B&O-plan);

• Het Europese Groenboek Maritieme Strategie (titel advies: Duurzame ontwikkeling van het potentieel van de zee). Dit advies is op initiatief van de RvdW gezamenlijk met de Raad voor het Landelijk Gebied, de Raad voor Verkeer en Waterstaat en de VROM-raad voorbereid en opgesteld;

• De systematiek van natuurgrenzen (titel advies: Natuurgrenzen voor dagelijks gebruik);

• Het toekomstige visserijbeleid op de Waddenzee (titel advies: Natuurlijk vissen op de Waddenzee).

Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)

De Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (www.adviesraadgevaarlijkestoffen.nl) heeft in 2007 adviezen over de volgende onderwerpen uitgebracht:

• Het advies «Ontplofbare stoffen, op weg naar integrale ketenveiligheid» werd op 21 december aangeboden aan de Regering en de Staten-Generaal aangeboden. Kamerstuk nog niet bekend;

• Daarnaast is in 2007 gewerkt aan een vijftal adviezen, die naar verwachting in 2008 in zullen worden uitgebracht. Het betreft: een advies over het verouderde deel 12 uit de Publicatiereeks (over ammoniak), een advies over risicoberekeningen ten aanzien van stationaire inrichtingen, het advies over de nationale kennisinfrastructuur is een studie verricht naar de sterke en zwakke plekken in onze nationale kennisinfrastructuur, een advies over het beter verbinden van de risicobenadering uit de ruimtelijke ordening met de effectbenadering die de hulpverlening hanteert en het advies over de fysieke veiligheid van een waterstofeconomie.

Technische commissie bodembescherming (TCB)

De TCB (www.tcbodem.nl) heeft in 2007 adviezen uitgebracht over:

• De effecten van productie van biomassa voor energie op de bodemkwaliteit in Nederland;

• Bodemkwaliteitskaarten en grondverzet ten behoeve van het Besluit bodemkwaliteit;

• Een centrale aanpak van monitoring van milieukwaliteit;

• Gedifferentieerde fosfaatgebruiksnormen in verband met fosfaatverzadigde landbouwbodems ten behoeve van de evaluatie Meststoffenwet;

• Herstelwaarden voor MTBE in het kader van saneringen, en twee ontheffingen van artikelen uit het Besluit gebruik Meststoffen;

• Een advies over het omgaan met combinatietoxiciteit in het saneringscriterium (Wet bodembescherming).

Artikel 15. Nominaal en onvoorzien

15.1. Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 15. Nominaal en onvoorzien(x € 1000)
 Realisatie 2003Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Verplichtingen:00000– 2 0022 002
Uitgaven:00000– 2 0022 002
Programma:00000– 2 0022 002
 Loonbijstelling:00000836– 836
  Loonbijstelling     836– 836
 Prijsbijstelling:0000000
  Prijsbijstelling     00
 Onvoorzien:000001 889– 1 889
  Onvoorzien     1 889– 1 889
 Nog te verdelen:00000– 4 7274 727
  Nog nader te verdelen taakstellingen     – 2 9812 981
  Nog nader te verdelen overig000001 132– 1 132
  Nog nader te verdelen bijdrage milieu elektriciteitsproductie00000– 2 8782 878

Toelichting:

Dit artikel is een administratief artikel hetgeen betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van dit artikel worden gedaan.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

De Ministers van VROM en voor WWI verklaren hierbij als volgt:

In het begrotingsjaar 2007 heeft het managementcontrolsysteem van VROM naar behoren gefunctioneerd. Dat betekent dat:

• De uitkomsten van de financiële processen zodanig zijn dat binnen de tolerantiegrenzen van wet- en regelgeving is gebleven, met uitzondering van de huurtoeslag waarover in het onderdeel «rechtmatigheid» de hoofdlijnen uit de bedrijfsvoeringsparagraaf uit het Jaarverslag van het Ministerie van Financiën worden vermeld;

• De beleids- en financiële informatie in dit jaarverslag voldoet aan de wettelijke rapportage-eisen;

• Sturing en beheersing heeft plaatsgevonden, afgeleid van begrotingsdoelstellingen;

• Risico-afwegingen bepalend zijn geweest voor beheersingsmaatregelen;

• Voortgangsbewaking van begrotingsrealisatie heeft plaatsgevonden door leden van de bestuursraad en gemandateerde budgethouders;

• Toezicht op kwaliteitsborging van bedrijfsvoeringsprocessen heeft plaatsgevonden onder meer via het Audit Committee.

Gedurende het jaar is gemonitord of de ingezette instrumenten van sturing en beheersing het gewenste effect hebben gehad op basis waarvan is bijgestuurd en waarover in voorkomende gevallen rapportage in de suppletore begrotingen heeft plaatsgevonden.

Instrumenten van sturing en beheersing zijn bijvoorbeeld de begrotingscyclus en daarvan afgeleide planning & controlcyclus, de geautomatiseerde administraties en informatievoorziening aan de politieke en ambtelijke top van het departement, de organisatiecultuur en structuur, procesnormen en procesbeheersingsmaatregelen waaronder interne controle voor de meest risicovolle financiële processen en extra controlinspanningen waar dat op basis van risicoafwegingen werd gewenst.

Op deze wijze is gestructureerde aandacht besteed aan de bedrijfsprocessen van het ministerie van VROM. De relevante actoren binnen VROM hebben gezorgd voor de checks & balances, zodat de bedrijfsprocessen voldoende beheerst zijn uitgevoerd.

Toelichting:

In het verslagjaar is een belangrijke taakuitbreiding bij het departement van VROM doorgevoerd met de overkomst van de beleidsterreinen Grote Steden Beleid en Integratie & Inburgering. Deze overkomst is geheel verwerkt in het jaarverslag en de jaarrekening VROM 2007.

De uitvoering van de huurtoeslag is wettelijk opgedragen aan de Belastingdienst van het Ministerie van Financiën; de uitvoering van de meeste subsidieregelingen wordt verricht door SenterNovem van het Ministerie van Economische Zaken; het beheer van het Milieu- en Natuurplanbureau wordt grotendeels uitgevoerd door het RIVM van het Ministerie van VWS en de ICT-ondersteuning is grotendeels ondergebracht bij een externe dienstverlener.

Binnen VROM worden veel bedrijfsprocessen gemeenschappelijk uitgevoerd. Sinds medio 2004 wordt daarbij gebruik gemaakt van een Gemeenschappelijke Dienst, waartoe ook de financiële VROM-administratie behoort.

Het Audit Committee van VROM (leden Bestuursraad, Auditdienst en directie Financiële en Economische Zaken en een extern lid) heeft de bedrijfsvoeringsparagraaf (uitzonderingsrapportage) besproken in haar overleg van 7 maart 2008 en geadviseerd akkoord te gaan met de uitspraak dat het managementcontrolsysteem naar behoren heeft gefunctioneerd. Dit betekent niet dat er geen fouten/tekortkomingen zijn opgetreden. Indien deze dienen te worden opgenomen in de VROM-verantwoording volgens de rijksbegrotingsvoorschriften of criteria1 vastgesteld door het Audit Committee, dan worden ze hieronder toegelicht, onderverdeeld naar de rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, de totstandkoming van de beleidsinformatie, het gevoerde financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

Totstandkoming beleidsinformatie

• Artikel 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt. De overschrijding van het oorspronkelijke huurtoeslagbudget 2007 kan vooralsnog niet verklaard worden. De Belastingdienst heeft de daartoe benodigde beleidsinformatie tot dusver niet opgeleverd.

• Rijksbreed is een verbeterslag gerealiseerd door in het beleidsverslag in te gaan op de doelstellingen uit het beleidsprogramma van het kabinet. De verbeterslag begrotingsindicatoren wordt zichtbaar in de begroting en het jaarverslag 2009. Voor de behandeling van het jaarverslag met de Kamer streeft VROM naar de tijdige oplevering van het indicatorrapport realisatie milieudoelstellingen en toenemende gebruikswaarde van de ruimtemonitor, overige rapportages van planbureaus en CBS indicatoren.

Rechtmatigheid

De uitvoering van de huurtoeslag is wettelijk opgedragen aan de Belastingdienst. De Belastingdienst legt in het Beheersverslag Belastingdienst 2007 verantwoording af over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financiële beheer, inclusief rechtmatigheid en beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Conform de rijksbegrotingsvoorschriften wordt hieronder de hoofdconclusie uit de bedrijfsvoeringsparagraaf van het Jaarverslag van het ministerie van Financiën inzake de uitvoering van de huurtoeslag opgenomen:

«Artikel 3. Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt.

Naleving van wet- en regelgeving

De betalingen voor de huurtoeslag worden door VROM op beleidsartikel 03 «garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt» (begrotingshoofdstuk XI) verantwoord. De Comptabiliteitswet en onderliggende regelgeving schrijven voor dat, indien de tolerantiegrenzen op het begrotingshoofdstuk worden overschreden, in de bedrijfsvoeringparagraaf expliciet verantwoording wordt afgelegd over de naleving van wet- en regelgeving. Voor 2007 zijn de tolerantiegrenzen vastgesteld op 1% in het geval van fouten en 3% in het geval van onzekerheden.

Voorschotten huurtoeslag 2007

Voor de verstrekte voorschotten huurtoeslag luidt de conclusie dat deze over 2007 circa € 59 mln. (circa 1,1% op begrotingshoofdstukniveau) te hoog zijn geweest. Dit betekent hoger dan het niveau van voorschotten, indien er conform aanvraag zou zijn uitbetaald.

De verschillen worden met name veroorzaakt door onjuist of niet verwerkte mutaties op reeds ingediende aanvragen. De fouten zullen in 2008 zoveel mogelijk bij de definitieve vaststelling van het recht op toeslag worden gecorrigeerd».

Voornamelijk als gevolg van bovenvermelde overschrijding van de huurtoeslag van 1,1% is er sprake van een overschrijding op begrotingshoofdstukniveau van circa 1,25%. De overige fouten van in totaal 0,15% betreffen een te hoge bevoorschotting (€4,2 mln), niet gecorrigeerde getrouwheidsfouten (€2,8 mln) en overige fouten (samen €1,4 mln).

Subsidies

Toekenningen subsidies Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

In 2007 is de tweede tranche toekenningen in het kader van de projecten ter verbetering van de lokale luchtkwaliteit aan de andere overheden beschikt, voor een bedrag van in totaal € 48,7 mln. Met het oog op de politieke en bestuurlijke prioriteit die voortkomt uit de eis tijdig te kunnen voldoen aan de Europese Richtlijnen met betrekking tot de luchtkwaliteit is, vooruitlopend op de totstandkoming van een subsidieregeling NSL in 2007 beschikt op basis van het Besluit milieusubsidies. Daarnaast is in de toekenningen een aantal specifieke voorwaarden opgenomen, dit vooruitlopend op een specifieke subsidieregeling NSL.

In de toekenningen is een drietal afwijkingen van de standaardvoorwaarden uit het Besluit milieusubsidies opgenomen. Die betreffen een bevoorschotting van 100% in plaats van 95% en het niet vereisen van een gedetailleerde begroting en activiteitenplanning over de betreffende projecten. De Algemene Rekenkamer is van oordeel dat dit niet rechtmatig is. Als gevolg daarvan heeft opname in de bedrijfsvoeringsparagraaf plaatsgevonden. Medio 2008 zal de subsidieregeling NSL van kracht worden waarmede de derde en vierde tranche op grond van specifieke regelgeving toegekend zullen worden.

Financieel en materieel beheer

Europese aanbestedingen

Een toereikende marktwerking bij de inkopen van het kerndepartement van VROM is in opzet voldoende verzekerd door het VROM brede inkoopproces, waarbij het VROM inkoopcentrum onder meer toetst of inkopen de Europese aanbestedingsdrempels overschrijden. In geval van twijfel brengt de directie Juridische Zaken een schriftelijk advies uit. Afwijkingen van de aanbestedingsrichtlijnen kunnen alleen expliciet worden toegestaan door DG of (p)SG. Daarbij is lering getrokken van de opdracht met betrekking tot de «wijkentour» door verscherpt toe te zien op het gebruik van (interdepartementaal)afgesloten raamcontracten en door jaarlijks met de budgetbeheerders een beknopt inkoopjaarplan op te stellen. In 2008 zullen de VROM raamcontracten worden beoordeeld op toereikende marktwerking, door toetsing aan de aanbestedingsvoorschriften.

Inzake het raamcontract met de externe ICT dienstverlener is geconstateerd dat bij de aankondiging geen totaalbedrag is gepubliceerd, waardoor VROM niet de confrontatie tussen publicatiewaarde en gerealiseerde waarde, zoals voorgeschreven in de aanbestedingsregels, kan maken. Het risico van een ontoereikende marktwerking zal in de overwegingen bij de besluitvorming rond de contractverlenging medio 2008 worden meegenomen. Daarbij kan onderzocht worden of en in hoeverre er via verkaveling deelopdrachten kunnen worden opgesteld en aangekondigd.

Interne controle

Uit de rapportages van de auditdienst blijkt dat de opzet en bestaan van de interne controle voor de kernprocessen van de Gemeenschappelijke Dienst voldoet. In de werking zijn in 2007 tekortkomingen geconstateerd bij de interne controle op de personele processen (onder meer afhandeling IKAP-aanvragen), de interne controle op de financiële processen (bijvoorbeeld inregeling autorisaties, derdenbeheer) en de subsidieprocessen (bijvoorbeeld voorschottenbeheer). Mede in het kader van de organisatie-ontwikkeling van Duidelijk VROM zal de werking op een hoger plan worden gebracht.

Overige aspecten van bedrijfsvoering

ICT beheer en informatiebeveiliging

Een onafhankelijke auditor heeft een onderzoek gedaan naar de beheersaspecten bij de externe dienstverlener. Het oordeel van de auditor is dat eind 2007 het stelsel van maatregelen en procedures ter waarborging van de integriteit, de exclusiviteit en de beschikbaarheid voldoen aan de gestelde normen inzake opzet en bestaan, met uitzondering van Change Management en Operations Management voor de aspecten integriteit en exclusiviteit. VROM beschikt nu echter wel voor het eerst over een onafhankelijk oordeel over de totale uitbesteding aan de externe dienstverlener. Tevens heeft VROM de beschikking over een lijst van verbetermaatregelen, die in 2008 door de externe dienstverlener zullen worden geïmplementeerd.

Brandveiligheid

De acties die staan vervat in het Rgd Actieprogramma Brandveiligheid vragen de komende jaren veel van medewerkers en leiding van de Rgd. Gezien de omvang en complexiteit van het programma brandveiligheid, is in juni 2007 aan een extern bureau gevraagd om (ten aanzien van de justitiële inrichtingen) een onderzoek te verrichten naar de voortgang van de maatregelen en om aanbevelingen te doen voor de doeltreffendheid van het programma en de programmaopzet bij de Rgd. Deze aanbevelingen worden door de Rgd voortvarend ter hand genomen. Zo is op 1 januari 2008 het tijdelijk programmabureau brandveiligheid opgericht en is parallel daaraan de sturing op het programma versterkt. De planning voor het gehele uitvoeringsprogramma is aangepast. Dit is in februari 2008 aan de Tweede Kamer gemeld.

Integriteit

Als er sprake is van een integriteitsschending (grove misstand, fraude, diefstal, corruptie, machtsmisbruik, lekken van informatie of ongewenst gedrag) dient de medewerker die dit konstateert de leidinggevende te informeren, die vervolgens handelt zoals is voorgeschreven. In 2007 zijn integriteitsworkshops voor alle VROM-onderdelen georganiseerd, waarin de diverse aspecten rond integriteit aan de orde zijn gekomen. Tevens is er een stuurgroep integriteit, die ondermeer een programma rond integriteit vaststelt en monitoort. In het verslagjaar 2007 zijn er 24 meldingen van inbreuken op de integriteit. Het hogere aantal dan vorig boekjaar is een gevolg van een nieuwe rijksbrede definitie van een integriteitsinbreuk en een gevolg van de optimalisering van de informatiestromen. Het aantal meldingen zal ook in het sociaal jaarverslag 2007 worden gerapporteerd, als onderdeel van een rijksbrede rapportage. De geconstateerde gevallen van diefstal/fraude (5x) worden beoordeeld om nader de opzet en de werking van de administratieve organisatie/interne controle te bezien.

C. JAARREKENING

De departementale verantwoordingsstaat 2007 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)

(x € 1000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begroting 2007Realisatie 2007Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting 2007
  VerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangstenVerplichtingenUitgavenOntvangsten
 Totaal 4 787 8901 379 463 5 249 011989 813 461 121– 389 650
           
 Beleidsartikelen 4 404 1121 349 117 4 779 041940 986 374 929– 408 131
01Bevorderen van een goed werkende woningmarkt8 62113 996018 84713 208010 226– 7880
02Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus43 072433 9379141 209416 9231 884– 1 863– 17 0141 793
03Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt2 045 9512 030 164659 1342 366 2432 331 558133 888320 292301 394– 525 246
04Optimalisering van de ruimtelijke afweging14 56422 3486 00019 57527 0419 2015 0114 6933 201
05Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur74 790276 729214 468202 05777 15416 805127 267– 199 575– 197 663
06Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging41 669101 7848 00054 67455 7871 38213 005– 45 997– 6 618
07Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem189 779173 67415 10088 717159 49520 471– 101 062– 14 1795 371
08Verbeteren van de milieukwaliteit in de bebouwde omgeving164 214170 888127 814286 411263 242197 938122 19792 35470 124
09Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s26 28741 0621 25028 04232 3911 9501 755– 8 671700
10Versterken van het (inter)nationale milieubeleid75 11783 6966 53798 471113 8456 34123 35430 149– 196
11Vergroten van de externe veiligheid20 40949 237028 66448 42468 255– 8136
12Handhaving en toezicht61 87462 09488260 96161 6931 739– 913– 401857
13Rijkshuisvesting en architectuur116 362119 862357102 274102 2740– 14 088– 17 588– 357
16Integratie400 094400 09410 345916 943429 0769 671516 84928 982– 674
17GroteStedenBeleid20 385424 547299 139760 477646 930539 710740 092222 383240 571
           
 Niet-beleidsartikelen 383 77830 346 469 97048 827 86 19218 481
14Algemeen193 848385 78030 346305 865469 97048 827112 01784 19018 481
15Nominaal en onvoorzien– 2002– 20020000200220020

* Oorspronkelijk vastgestelde begroting 2007 inclusief Nota van Wijziging op artikel 15 (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI, nr. 12)

* Oorspronkelijk vastgestelde begroting 2007 inclusief Amendement op artikel 5 en 7 (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XI, nr. 25)

* Oorspronkelijk vastgestelde begroting inclusief oorspronkelijk vastgestelde begrotingsbudgetten artikel 16 van het Ministerie van Justitie en artikel 17 van het Ministerie van BZK

De gerealiseerde bedragen van de uitgaven en de verplichtingen zijn steeds naar boven afgerond op ( € 1000). De gerealiseerde bedragen van de ontvangsten zijn naar beneden of naar boven afgerond op (€ 500)

De departementale saldibalans 2007

De saldibalans van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer per 31 december 2007in € 1 000
  31-12-200731-12-2006*   31-12-200731-12-2006*
1.Uitgaven ten laste van de begroting   2. Ontvangsten ten gunste van de begroting  
 – Begroting 2006 € 3 968 884  – Begroting 2006 € 290 690
 – Begroting 2007€ 5 249 003   – Begroting 2007€ 989 813 
         
3. Liquide middelen€ 14€ 9 4. Rekening-courant RHB€ 4 245 724€ 3 666 096
         
     5.Rekening-courant fonds LUVO (DGM)€ 2 319€ 2 302
         
6.Uitgaven buiten begrotingsverband€– 150€ 1 186 7. Ontvangsten buiten begrotingsverband€ 11 011€ 10 991
Subtotaal€ 5 248 867€ 3 970 079 Subtotaal€ 5 248 867€ 3 970 079
8. Extra-comptabele vorderingen€ 102 396€ 151 906 8a.Tegenrekening extra-comptabele vorderingen€ 102 396€ 151 906
         
9.Voorschotten€ 6 106 365€ 5 066 710 9a.Tegenrekening voorschotten€ 6 106 365€ 5 066 710
         
10a.Tegenrekening extra-comptabele schulden€ 5 347€ 4 718 10.Extra-comptabele schulden€ 5 347€ 4 718
         
11a. Tegenrekening openstaande verplichtingen€ 5 779 326€ 5 768 018 11.Openstaande verplichtingen€ 5 779 326€ 5 768 018
         
12a.Tegenrekening garantieverplichtingen€ 273 925€ 332 245 12.Garantieverplichtingen€ 273 925€ 332 245
Totaal-generaal€ 17 516 226€ 15 293 676  Totaal-generaal€ 17 516 226€ 15 293 676

* In de bedragen ultimo 2006 zijn voor de vergelijkbaarheid de standen van I&I en GSB opgenomen op de onderdelen verplichtingen, voorschotten en vorderingen.

De toelichting op de saldibalans

Ad 1. Uitgaven ten laste van de begroting (€ 5 249 003)

Deze post bevat de nog niet met het ministerie van Financiën verrekende begrotingsuitgaven. Verrekening van de begrotingsuitgaven 2007 vindt plaats nadat de Slotwet door de Staten-Generaal is vastgesteld.

Ad 2. Ontvangsten ten gunste van de begroting (€ 989 813)

Deze post bevat de nog niet met het ministerie van Financiën verrekende begrotingsontvangsten. Verrekening van de begrotingsontvangsten 2007 vindt plaats nadat de Slotwet door de Staten-Generaal is vastgesteld.

Ad.4. Rekening-courant Rijks Hoofdboekhouding (R.H.B.) (€ 4 245 724)

Onder deze balanspost is de rekening-courant van de R.H.B. opgenomen. Het saldo per 31 december 2007, volgens het saldobiljet van de R.H.B., met kenmerk BZ 2008–00 053, dd. 1 februari 2008, bedraagt € 4 245 724.

Ad 5. Rekening-courant Fonds Luchtverontreiniging LUVO (DGM) (€ 2 319)

Onder deze balansrekening is de «schuld» (inclusief de rente over 2006) van het Rijk aan het fonds LUVO opgenomen. Het jaarverslag en de bijbehorende jaarrekening 2007 van het fonds moeten nog worden goedgekeurd, waarna de rente over 2007 bij het Ministerie van Financiën kan worden bijgeschreven. De hoogte van de rente is voorlopig bepaald op € 17.

Ad 6. Uitgaven buiten begrotingsverband (– € 150)

Onder de uitgaven buiten begrotingsverband zijn posten opgenomen, die met derden moeten worden verrekend. Het bedrag is als volgt opgebouwd:

Opbouw van de uitgaven buiten begrotingsverband (x € 1 000)
A Te verrekenen met andere departementen475
B Te verrekenen met lagere overheden/overige derden– 625
Totaal– 150

In het bedrag ad -/- € 150 te verrekenen met lagere overheden/overige derden is geen bedrag opgenomen betreffende Europese geldstromen.

Ad 7. Ontvangsten buiten begrotingsverband (€ 11 011)

Onder de ontvangsten buiten begrotingsverband zijn de posten opgenomen, die aan derden moeten worden betaald. Het bedrag heeft voornamelijk betrekking op inhoudingen op het salaris, die aan derden dienen te worden afgedragen, zoals onder andere loonheffing, pensioenpremies, WAO-premies en zorgverzekeringswet, voor een totaalbedrag van € 10 239.

Het resterende bedrag ad € 772 is het totaal van de op een depositorekening van DGM gestorte waarborgsommen voor afvaltransporten in het kader van de EVOA-regeling en het Besluit detectie radioactief besmet schroot (BBS). Op grond van de EVOA-regeling is een bedrijf dat afvalstoffen wil transporteren over de landsgrenzen heen, verplicht een deposito te storten of een bankgarantie af te geven aan de bevoegde autoriteit (in casu VROM). Op grond van het BBS moeten bedrijven die radioactief besmet schroot hebben, een financiële zekerheid afgeven ten aanzien van de bestrijding van kosten van een eventueel noodzakelijke verwijdering.

Bankgaranties

In totaal zijn per ultimo 31 december 2007 € 116 465 aan bankgaranties ontvangen. De bankgaranties zijn ontvangen in het kader van de uitvoering van een drietal besluiten.

EVOA-regeling

Het bedrag van de bankgaranties voor afvaltransporten in het kader van de EVOA-regeling is per 31 december 2007 € 112 144.

Radioactief besmet schroot

Onderdeel van het Besluit detectie radioactief besmet schroot (Staatsblad 2002, 565) is een borgstellingsregeling. Het Besluit strekt tot het verplicht stellen van het gebruik van apparatuur voor de detectie van radioactief besmet metaalschroot door bedrijven. Doel van deze verplichting is het voorkomen van incidenten in Nederland door radioactiviteit in schroot en de daaruit voortkomende stralingsbelasting zoveel mogelijk te beperken. Om te verzekeren dat bedrijven de kosten van de verwijdering van radioactief besmet schroot kunnen betalen, is de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid opgenomen in het besluit. Ultimo 2007 zijn hiervoor voor een totaalbedrag van € 3 740. aan bankgaranties en overige borgstellingen in bewaring gegeven.

Stralingsbescherming

Tenslotte is er nog € 581 aan borgstelling in bewaring in verband met het Besluit Stralingsbescherming.

Ad 8. Extra-comptabele vorderingen (€ 102 396)

Ad 8a. Tegenrekening Extra-comptabele vorderingen (€ 102 396)

Bij ontvangst worden deze vorderingen ten gunste van de ontvangstenbegroting geboekt.

Verloop van de vorderingen in 2007 (x € 1 000)
Stand vorderingen per 31–12–2006 € 150 336
Bij: Overgedragen vorderingen van I&I (artikel 16) en GSB (artikel 17) € 1 570
Stand 31–12–2006* € 151 906
   
Bij: In 2007 ontstane vorderingen € 862 835
  € 1 014 741
Af: Ontvangen/verrekend€ 881 243 
Ingetrokken€ 11 535 
Definitief buiten invorderingstelling c.q. kwijtschelding€ 19 567 
  € 912 345
Stand vorderingen per 31–12–2007 € 102 396

* Voor deze wijze van presenteren is gekozen om aan te sluiten met de bedragen in de saldibalans.

Vorderingen op artikelniveau en ouderdom per 31–12–2007 (x € 1 000)
ArtikelOmschrijvingvóór 200620062007Totaal
1Bevorderen van een goed werkende woningmarkt0000
2Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus902891 1731 552
3Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt155 6561 09456 751
4Optimaliseren van de ruimtelijke afweging011516
5Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur3 063003 063
6Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging3416198293
7Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem0000
8Verbeteren milieukwaliteit in de bebouwde omgeving00353353
9Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s18 1510318 155
10Versterken van het (inter)nationale milieubeleid30487158549
11Vergroten van de externe veiligheid081119
12Handhaving en toezicht1 166639411 847
13Rijkshuisvesting en architectuur0000
14Algemeen15 5432 1691 90719 619
16Inburgering en Integratie1214119144
17Grote Steden Beleid702935
Totaal 38 37159 0245 001102 397

Toelichting:

Ten opzichte van ultimo 2006 is het vorderingensaldo met 32 % (€ 48 mln) gedaald van € 150 mln naar € 102 mln. Op artikel 3 is de vorderingenstand met € 40,4 mln gedaald als gevolg van innning van huursubsidievorderingen. Door de toevoeging van artikel 16 (Inburgering en Integratie) en artikel 17 (Grote Steden Beleid) aan de VROM-begroting is de vorderingenstand per 1 januari 2007 met € 1,6 mln opgehoogd.

Omvangrijke vorderingen

Artikel 03

De vorderingenstand op artikel 3 is in totaal met € 40,4 mln gedaald. Ten eerste is dit het gevolg van in het project afbouw huursubsidie per saldo € 9,3 mln aan ontvangen vorderingen en € 2,4 mln aan ingetrokken vorderingen. Daarnaast is € 18,8 mln aan vorderingen definitief buiten invordering gesteld op grond van het beleid buiten invorderingstelling specifieke doelgroepen incasso huursubsidie. De incasso van de overige vorderingen met betrekking tot de oude huursubsidie is medio 2007 opgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), die zorgt draagt voor verdere inning van deze vorderingen. De betreffende vorderingen zijn in zijn gehee; op jaarlaag 2006 verantwoord. Het CJIB heeft in de periode juli tot en met december circa 11,4 mln aan vorderingen geïnd. Het overgrote deel van de resterende vorderingen op artikel 3 betreft de resterende vorderingen huursubsidie ad € 53 mln. Deze vorderingen, die nu bij het CJIB zijn ondergebracht, zijn opeisbaar.

Artikel 05

De vordering ad € 3 mln (vóór 2006) op dit artikel betreft een uitgekeerde subsidie in het kader van BIRK. Het betreffende bedrijf is echter failliet gegaan, waardoor de beoogde doelen van deze subsidie niet zijn bereikt. Er wordt gewerkt aan een intentie overeenkomst die door alle betrokken partijen ondertekend moet worden. Voordat dit mogelijk is moet eerst overeenstemming bereikt worden over de saneringswijze (overeenstemming tussen het rijk, de provincie en de gemeente). De voorgestelde oplossing gaat vooralsnog niet uit van uiteindelijke inning van deze vordering.

Artikel 09

De omvang van het vorderingensaldo op artikel 09 bestaat voornamelijk uit een verstrekte achtergestelde lening van € 18,2 mln aan de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA). Aan de achtergestelde lening is de voorwaarde verbonden dat deze lening in 2016 aan VROM wordt terugbetaald, tenzij een andere wijze van afwikkelen wordt overeengekomen. Deze vordering is op termijn opeisbaar.

Artikel 12

Het openstaande saldo op artikel 12 bestaan uit vier oude vorderingen (van voor 2001), die vermoedelijk oninbaar zijn. Dit zijn nog vorderingen die destijds bij de vorming van de Vrom-inspectie overgekomen zijn. Momenteel wordt voor deze geconditioneerde vorderingen onderzocht of ze buiten invordering gesteld kunnen worden. In totaal gaat het om een bedrag van € 1,1 mln dat buiten invordering gesteld zou moeten worden. Van een vordering uit 2006 (€ 0,6 mln) is een betalingsregeling getroffen. Deze laatste vordering is op termijn opeisbaar.

Artikel 14

De waarde van de vorderingen op artikel 14 zijn afgenomen van € 26,9 mln tot € 19,6 mln. Dit komt neer op een afname van 27%. Op artikel 14 is voor een bedrag van circa € 12 mln aan geconditioneerde vorderingen voortkomend uit het kostenverhaal bodemsanering vastgelegd. Het saldo van de openstaande vorderingen bodemsanering is ten opzichte van ultimo 2006 afgenomen met € 4,8 mln. De meeste vorderingen stammen uit de periode van vóór 2005 en hebben een doorlooptijd, die kan oplopen tot enkele jaren aangezien invordering vaak via gerechtelijke weg moet worden afgedwongen. Daarnaast kan ook de vermogenspositie van de debiteur een negatieve uitwerking hebben op de termijn waarbinnen de vordering kan worden voldaan. De afwikkeling van deze vorderingen is uitbesteed aan SenterNovem met betrokkenheid van de Landsadvocaat.

Ad 9 Voorschotten (€ 6 106 365)

Ad 9a. Tegenrekening Voorschotten (€ 6 106 365)

Op deze rekening staat het saldo gebaseerd op de Regeling Departementale Begrotingsadministratie (voorschotten, vooruitbetalingen en voorlopige betalingen). De definitieve vaststelling dan wel de afwikkeling vindt plaats na indiening van de einddeclaratie.

Verloop van de voorschotten in 2007 (x € 1 000)
Stand voorschotten per 31–12–2006 3 455 439
Bij: Overgedragen voorschotten van I&I (artikel 16) en GSB (artikel 17) 1 611 271
Stand voorschotten per 31–12–2006* 5 066 710
   
Bij: In 2007 verleende voorschotten 4 972 542
  10 039 252
   
Af: Afgerekende voorschotten3 932 887 
Stand voorschotten binnen en buiten begrotingsverband per 31–12–2007 6 106 365

* Voor deze wijze van presenteren is gekozen om aan te sluiten met de bedragen in de saldibalans.

Voorschotten op artikelniveau gerubriceerd naar ouderdom per 31–12–2007 (x € 1 000)
ArtikelOmschrijvingvóór 200620062007Totaal
1Bevorderen van een goed werkende woningmarkt5 3804 8845 48615 749
2Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus1 170 606242 874428 1381 841 618
3Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt2 94742 9022 55648 405
4Optimaliseren van de ruimtelijke afweging19 49414 64411 19445 333
5Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur240 61850 92238 427329 967
6Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging70 47131 69247 214149 377
7Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem490 452127 907148 396766 756
8Verbeteren milieukwaliteit in de bebouwde omgeving48 27655 26999 118202 663
9Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s13 55717 23722 70753 501
10Versterken van het (inter)nationale milieubeleid58 93723 83897 164179 939
11Vergroten van de externe veiligheid1 31724 75137 88363 951
12Handhaving en toezicht946848 2749 052
13Rijkshuisvesting en architectuur00102 274102 274
14Algemeen77 7085 94730 067113 722
16Inburgering en Integratie9 489150 814404 778565 080
17Grote Steden Beleid426 176544 665641 8321 612 674
Totaal binnen begrotingsverband2 635 5231 339 0282 125 5096 100 061
Departementen7433721 6322 747
Derden3 387331373 557
Totaal buiten begrotingsverband4 1304051 7696 304
Totaal binnen en buiten begrotingsverband2 639 6531 339 4332 127 2786 106 365

Toelichting

In 2007 is het voorschottensaldo gestegen met 77% (€ 2 651 mln) van € 3 455 mln (ultimo 2006) tot € 6 106 mln (ultimo 2007). Door de toevoeging van artikel 16 (Inburgering en Integratie) en artikel 17 (Grote Steden Beleid) aan de VROM-begroting is de stand openstaande voorschotten per 1 januari 2007 met € 1 611 mln opgehoogd. De belangrijkste stijgingen hebben betrekking op artikel 2 (circa € 203 mln), artikel 8 (circa€ 83 mln) en artikel 17 (circa 616 mln).

Omvangrijke voorschotten

Artikel 02

De stijging van de voorschottenstand op artikel 2 met € 203 mln wordt veroorzaakt door de volgende (grootste) mutaties:

– In het kader van het Besluit Locatiesubsidies 2005 (BLS 2005) zijn in 2007 € 103 mln, artikel 7 (circa € 114 mln), aan voorschotten verstrekt en € 123 mln als gevolg van de verdere uitwerking van de afspraken in verband met Investeringen Stedelijke Vernieuwing (ISV-2), Impulsregeling en Innovatie Programma Stedelijke Vernieuwing (IPSV).

– Bij het Programma Energiebudgetten en IPSV zijn als gevolg van vaststellingen van projectenvoor € 22 mln respectievelijk € 16 mln aan voorschotten afgerekend en derhalve afgeboekt.

De openstaande voorschotten hebben met name betrekking op: Besluit Locatiegebonden Subsidies (circa € 248 mln), Investeringen Stedelijke Vernieuwingen (circa € 1,4 mld) en programma Energiebudgetten (circa € 40 mln).

Artikel 03

Het grootste deel van de voorschotten bestaat uit een bijdrage aan de stichting SVN voor startersleningen.

Artikel 04

Het saldo van voorschotten op artikel 04 wordt enerzijds verklaard door Habiforum, waarvoor € 20,8 mln aan voorschotten uitstaat en voor € 21,2 mln dat uitstaat voor de Stichting Klimaat en Ruimte.

Artikel 05

De voorschotten voor de bufferzones bedragen € 134 mln, de voorschotten voor Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) bedragen € 127,1 mln, de voorschotten voor Investeringsbijdragen Nieuwe Sleutel Projecten (NSP) bedragen € 49,7 mln. Deze drie projecten vormen samen 94 % (€ 310,8 mln) van de openstaande voorschotten van in totaal € 330,0 mln op artikel 05. Overige voorschotten hebben betrekking op diverse incidentele bijdragen en onderzoeken.

Artikel 06

Op artikel 06 staat onder meer een voorschot van € 23,4 mln voor Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS), dat wordt uitgevoerd door SenterNovem en waarvan de volledige afwikkeling pas in 2011 zal plaatsvinden. Daarnaast wordt € 69 mln aan voorschotten, waarvan € 21 mln in 2007, verklaard door het Clean Development Mechanism (CDM). Deze voorschotten worden zoveel mogelijk tussentijds afgewikkeld, maar gezien de looptijd van de individuele CDM-projecten kunnen ze veelal pas in latere jaren worden afgewikkeld.

Daarnaast staan en nog voorschotten open voor: Energie in de milieuvergunning (ca. € 10,0 mln), NIRIS (circa € 5,9 mln) en diverse kleine projecten.

Artikel 07

Het grootste deel van de openstaande voorschotten op artikel 07 heeft betrekking op uitvoering bodemsanering (subsidiemiddelen en apparaatskosten van de bevoegd gezagen). De toekenning van subsidiebudgetten op grond van de Wet bodembescherming vindt plaats voor een periode van vijf jaar op grond van door de bevoegd gezagen ingediende programma’s. Daarna vindt op basis van de financiële verantwoordingen over de gehele periode afrekening van de verstrekte voorschotten plaatsvindt. Er wordt dus niet tussentijds afgerekend. De eerste meerjarige toekenning stamt uit 2002 (voor een periode van drie jaar), de tweede uit 2005 (voor een periode van vijf jaar). De eerste programmaperiode is nog niet afgewikkeld. Oorzaak is dat er in 2006 inspanningen zijn verricht, om de bestedings- en prestatieverantwoordingen nader te beoordelen. Afwikkeling zal pas in 2008 plaatsvinden.

Artikel 08

De voorschottenstand op artikel 8 is met € 83,2 mln gestegen van € 119,5 mln naar € 202,7 mln.

De openstaande voorschotten hebben grotendeels betrekking op: Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 1e tranche (circa € 40 mln), 2e tranche (circa € 48,7 mln), Subsidie Programma Roetfilters en Emissieverminderingen Voertuigen (circa € 112,0 mln).

Artikel 09

De voorschottenstand op dit artikel is met € 5,7 mln gedaald van € 59,2 mln naar € 53,5 mln.

De openstaande voorschotten hebben onder andere betrekking op de regeling sanering asbestwegen (circa € 15,8 mln), waarvoor voorschotten zijn verstrekt aan desbetreffende provincies, uitvoering van der egelingen SAM en PREDO, milieudrukcompensatie (circa 5,5 mln), afvalbeheerplan uitvoering door SenterNovem (circa 8,1 mln), bekostiging van het Afval Overleg Orgaan (circa 3,0 mln), uitvoering Stichting scheepvaartafval binnenvaart (circa 7,8 mln) en openstaande onderzoeksopdrachten (circa 6,4 mln).

Artikel 10

Op artikel 10 staat een bedrag aan voorschotten open van ruim € 97 mln in 2007. Dit wordt mede veroorzaakt door een meerjarige toekenning apparaatskosten voor SenterNovem voor geheel DGM. De toekenning SenterNovem betreft 65,8 mln, de meerjarige RIVM-toekenning 2007–2011 betreft 48,4 mln. Verder is voor nog zo’n 15,0 mln door onder andere voorschotten aan NGO’s en onderzoeksopdrachten en voor 16,5 mln moet nog de openstaande voorschotten met betrekking tot het reeds beëindigde NIDO formeel worden afgewikkeld.

Artikel 12

Ieder jaar wordt er ten behoeve van het Meerjarig activiteitenprogramma RIVM (MAP) en het Meerjarig Investeringsprogramma RIVM (MIP) een opdracht verstrekt waarbij de betalingen als voorschot worden vastgelegd. In 2007 is een voorschot verleend van in totaal 6,5 mln ten behoeve van het MAP en 1,2 mln ten behoeve van het MIP. Deze voorschotten worden in 2008 afgerekend.

Artikel 13

Op artikel 13 staat een bedrag van € 102 mln aan voorschotten, die te maken hebben met inputfinanciering van de Rgd. Het voorschotsaldo is ontstaan door de afrekening van de voorschotten 2006 en het nieuwe voorschot voor het jaar 2007. Het gevolg is dat het voorschot in 2007 op bepaalde posten te hoog dan wel te laag zijn. Dit wordt met het voorschot in het jaar 2008 verrekend.

Artikel 14

In 2007 heeft een daling van de voorschotten plaatsgevonden op artikel 14 van € 127,9 mln naar € 113,7 mln van in totaal € 14,3 mln (circa 11%). Dalingen van het saldo op artikel 14 kunnen grotendeels worden toegeschreven aan de afrekeningen in het kader van de afwikkelingen van de projecten van de Hoofdinfrastructuurregeling van € 27 mln. De stand van de voorschotten van vóór 2006 daalde mede daardoor van € 102 mln naar € 71 mln.

Tenslotte staan op artikel 14 nog enkele voorschotten in verband met de bedrijfsvoering (circa € 12,7 mln) en voorschotten aan de stichting Geonovum (circa € 11,4 mln).

Artikel 16

Op artikel 16 «Integratie» wordt de daling met € 49,4 mln voor een groot deel verklaard door de vaststelling en afrekening met het CFI (Centraal Financiële Instellingen) van € 33 mln aan voorschotten als gevolg van afwikkelingen van de inburgeringsregeling oudkomers voor de NG54 (dit zijn gemeenten die niet behoren tot de G54: «grotere» gemeenten). De resterende daling is het gevolg van de vaststelling ena frekening in de eerste maanden van 2007 van tientallen projecten en programma’s op het gebied van integratie, remigratie en inburgering. Dit, ten behoeve van een zorgvuldige overgang van het beleidsterrein van het ministerie van Justitie naar WWI.

Artikel 17

In het kader van het Grote Steden Beleid is met behulp van de Brede Doeluitkering «Sociaal, Integratie en Veiligheid» (BDU-SIV) € 637 mln aan voorschotten aan gemeenten verstrekt, hetgeen de voornaamste oorzaak is dat de voorschotten op artikel 17 ten opzichte van 2006 met € 616 mln zijn gestegen.

Ad 10. Extra-comptabele schulden (€ 5 347)

Ad 10a. Tegenrekening extra-comptabele schulden (€ 5 347)

Het saldo is bepaald aan de hand van de openstaande facturen met een factuurdatum tot en met 31 december 2007 en geregistreerd tot en met 11 januari 2008 waarvoor het «verplichtingen = kas beginsel» geldt. Hierop zijn de nog niet verrekende creditnota’s die betrekking hebben op facturen uit deze categorie in mindering gebracht.

Ad 11. Openstaande verplichtingen (€ 5 779 326)

Ad 11a. Tegenrekening openstaande verplichtingen (€ 5 779 326)

Verloop van de verplichtingen in 2007 (x € 1 000)
Stand verplichtingen per 31–12–2006 € 4 779 133
Bij: Overgedragen verplichtingen van I&I (artikel 16) en GSB (artikel 17) € 988 886
Stand verplichtingen per 01–01–2007 € 5 768 019
   
Bij: Aangegane verplichtingen/verhogingen € 5 384 769
waarvoor voor VROM-diensten * € 11 152 788
   
Af: Betalingen€ 5 252 653 
Af: Verlagingen/intrekkingen voorgaande jaren€ 120 809 
  5 373 462
Stand verplichtingen buiten begrotingsverband per 31–12–2007 € 5 779 326
Verplichtingen binnen begrotingsverband op artikelniveau gerubriceerd naar ouderdom per 31–12–2007 (x € 1 000)
ArtikelOmschrijvingvóór 200620062007Totaal
1Bevorderen van een goed werkende woningmarkt1 7161 51513 14916 380
2Stimuleren van voldoende woningen, een duurzame en gedifferentieerde woningvoorraad en leefbare woonmilieus1 066 42673 41516 1301 155 971
3Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt18 54353444 54063 617
4Optimaliseren van de ruimtelijke afweging28 7431 3846 15336 280
5Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur225 598177 838143 010546 446
6Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging413 3465 2144 804423 364
7Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem263 34924 22454 726342 299
8Verbeteren milieukwaliteit in de bebouwde omgeving22 42312 58956 85791 869
9Verminderen van risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s36 34129 08814 19279 621
10Versterken van het (inter)nationale milieubeleid13 64765 47263 758142 877
11Vergroten van de externe veiligheid1 71078 3768 37388 459
12Handhaving en toezicht6551 67312 90615 234
13Rijkshuisvesting en architectuur0000
14Algemeen1 142 20512 67936 4461 191 330
16Inburgering en Integratie4 3966 092515 899526 387
17Grote Steden Beleid270 503608 750174 1351 053 388
Totaal binnen begrotingsverband3 509 6011 098 8431 165 0785 773 522
Departementen2 6593946533 706
Derden1 0251449302 099
Totaal buiten begrotingsverband3 6845381 5835 805
Totaal binnen en buiten begrotingsverband3 513 2861 099 3811 166 6615 779 327

Toelichting

Ten opzichte van ultimo 2006 is het saldo van de openstaande verplichtingen gestegen met € 1 000 mln (= 21 %) van € 4 779 mln naar € 5 779 mln.

De stijging in de openstaande verplichtingen betreft voornamelijk de ophoging van de openstaande verplichtingen per 1 januari 2007 van circa € 989 mln voor Inburgering en Integratie (I&I) en het Grote Steden Beleid (GSB). Deze organisaties zijn in 2007 overgegaan van Justitie en Binnenlandse Zaken naar VROM.

Hiernaast hebben dalingen in het saldo van de openstaande verplichtingen plaatsgevonden door artikel 2 (circa € 408 mln) en artikel 14 (circa 183 mln).

Omvangrijke openstaande verplichtingen

Artikel 02

Belangrijke mutaties binnen dit artikel zijn: de afname van de openstaande verplichtingen met € 409 mln als gevolg van onder meer betalingen ad € 105 mln en € 256 mln in het kader van het Besluit Locatiegebonden Subsidies (BLS 2005) respectievelijk Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing 2 (ISV-2) én het voor een bedrag ad € 28 mln intrekken van verplichtingen bij ISV-2 daar deze niet tot betaling zullen komen.

Artikel 03

De uitvoering in 2007 van de regeling Bevordering eigen woningbezit Plus (BEW-Plus) heeft € 40 mln aan verplichtingen met zich meegebracht. Dit is de voornaamste oorzaak dat voor een bedrag ad € 32 mln op artikel 3 «Garanderen van keuzemogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarkt» de stand is verhoogd.

Artikel 04

Het saldo van openstaande verplichtingen op artikel 04 wordt grotendeels verklaard door enerzijds Habiforum, waarvoor circa € 9,2 mln aan verplichtingen openstaan en anderzijds door openstaande verplichtingen tot een bedrag van € 18,8 mln voor Stichting Klimaat en Ruimte.

Artikel 05

De openstaande verplichtingen voor BIRK bedragen € 157,9 mln, de openstaande verplichtingen voor NSP bedragen € 308,7 mln, de openstaande verplichtingen voor Interreg bedragen € 6 mln, en de openstaande verplichtingen subsidies stedelijk gebied € 32,9 mln. Deze vier projecten vormen samen 93 % (€ 505,5 mln) van de openstaande verplichtingen van in totaal € 546,4 mln op artikel 05.

Artikel 06

Het saldo op artikel 06 bestaat voor het grootste deel (circa € 389 mln, 92%) uit openstaande verplichtingen die zijn aangegaan in het kader van het Clean Development Mechanism (CDM). De afgelopen jaren zijn met (internationale) CDM-uitvoeringsorganisaties, o.a. de Wereldbank, CAF, IFC, Senter/Novem en de Rabobank, overeenkomsten voor de aankoop van CO2-kredieten afgesloten. Het betreft omvangrijke verplichtingen die de afgelopen jaren zijn aangegaan en die de komende jaren tot uitgaven leiden (tot 2012).

Artikel 07

Het saldo van de openstaande verplichtingen op dit artikel bestaat voornamelijk uit bijdragen in de kosten van sanering van verontreinigde bodems (€ 333 mln). Deze regeling kent een meerjarig karakter.

Artikel 08

Op artikel 8 is een belangrijke bijdrage geleverd door een meerjarige subsidie-verplichting aan het project Bestaand Rotterdams gebied (35,3 mln).

Artikel 09

Op artikel 09 staat een openstaande verplichting van € 21,1 mln voor de sanering van asbestwegen, waarvan de uitvoering bij de provincie Overijssel ligt. De uitvoering zal nog enkele jaren in beslag nemen.

Artikel 11

In 2007 zijn twee grote subsidies verstrekt. De eerste aan de Drechtsteden (brandweer) voor de directie rampenbestrijden ad. € 15 mln en aan de gemeente Dordrecht voor de ondertunneling van de laan van de Verenigde Staten voor € 7 mln. In 2006 is voor een bedrag van € 100 mln middelen aan provincies toegezegd via de regeling Programmafinanciering externe veiligheid. In 2007 zijn deze verplichtingen grotendeels afgewikkeld.

Artikel 14

ichtingensaldo van artikel 14 is met € 183 mln afgenomen ten opzichte van de openstaande stand ultimo 2006. Deze afname is nagenoeg geheel toe te schrijven als gevolg van betalingen ad € 183 mln op de zogenaamde niet-vigerende regelingen (zoals het Besluit Woninggebonden Subsidies, Beschikking Geldelijke Steun Eigen Woningen, Huisvesting Gehandicapten en de Woonzorgstimuleringsregeling).

In 2004 is een opdracht verstrekt van € 20 mln voor het programma Ruimte voor Geo-informatie. VROM is penvoerder voor de uitvoering van het subsidieprogramma met een looptijd 2004 tot en met 2009. Na betaling van het voorschot in 2007 bedraagt per ultimo 2007 de openstaande verplichting € 8,6 mln. Een ander groot deel van de openstaande verplichtingen betreffen meerjarige verplichtingen, die in 2004 en later zijn aangegaan op o.a. het gebied van bedrijfsvoering (circa 102 mln).

Artikel 16

Bij artikel 16 is de stijging van de verplichtingenstand met € 484 mln vooral veroorzaakt doordat meerjarige verplichtingen voor het volledige bedrag in de realisatie zijn opgenomen. In de oorspronkelijke begroting 2007 bij het ministerie van Justitie is uitgegaan van een andere systematiek, waarbij een meerjarige verplichting gespreid (conform het meerjarige kasritme) over de betreffende jaren in de verplichtingenadministratie wordt opgenomen.

Enkele belangrijke posten zijn het aangaan van verplichtingen van € 98 mln in het kader van de bekostiging gemeenten (inburgeringsmiddelen) voor de niet G31 – gemeenten en het voor de periode 2007 tot en met 2011 aan de IB Groep beschikbaar stellen van € 73 mln aan verplichtingen voor de uitvoering van de Wet Inburgering (Wi).

Artikel 17

De stijging van de verplichtingenstand met € 107 mln is onder andere het gevolg van het alsnog in 2007 boeken van € 276 mln aan verplichtingen 2006. Dit laatste is ten onrechte in 2006 niet bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) geschiedt. Indien dit reeds in de overgedragen stand per 1 januari 2007 had gezeten, was er in 2007 ten opzichte van 2006 daling van de stand met € 169 mln gerealiseerd, hetgeen grotendeels zou zijn veroorzaakt door de betalingen op verplichtingen van vóór 2007 in het kader van de BDU-SIV.

Specifieke aangelegenheden

In algemene zin wordt de stand van de openstaande verplichtingen beïnvloed door het feit, dat VROM veel gebruik maakt van uitvoeringsorganisaties (bijvoorbeeld SenterNovem en RIVM) om (subsidie)regelingen uit te voeren en dat opdrachtverstrekking aan dergelijke organisaties meestal voor een langere periode plaatsvindt. De stand van de openstaande verplichtingen is hierdoor hoger dan deze bij jaargebonden opdrachtverstrekking zou zijn.

Ad 12. Garantieverplichtingen (€ 273 925)

Ad 12a. Tegenrekening garantieverplichtingen (€ 273 925)

Dit betreft de garantieverplichtingen die door VROM zijn aangegaan. Ten opzichte van ultimo 2006 zijn de garantieverplichtingen met € 58 mln afgenomen.

De per 31 december 2007 nog lopende garanties (x € 1 000)
ArtikelOmschrijving soort regelingMaximaal garantiebedragStand per 31–12–2007
A. 100% deelname van het Rijk  
1. 14HuurwoningenLeningovereenkomst273 759
B. Specifieke garanties  
1. 14St. Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)Achtervangfunctie0
2. 14St. Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW)Achtervangfunctie0
3. 07 Garantieregeling m.b.t. bodemsaneringkredietenVolgens borgstellingovereenkomst116
4. 07College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)P.M.0
5. 09Garanties HABOG participanten COVRAGeldelijke aansprakelijkheid voor onvoorziene Rijksbesluitvorming na 2014 P.M.0
6. 14NatuurcollegeMax. € 50 k voor symposium 8 mrt.50
Totaal  273 925

Toelichting:

A. 100% deelneming in het verlies1. Huurwoningen woningbouwcorporaties/non-profitinstellingen (nieuwbouw) (Artikel 34.49.01)

Ultimo 2001 zijn de garantieverplichtingen opnieuw benaderd aan de hand van de subsidiegegevens BGSH’75, conform afspraken met het Ministerie van Financiën. Hierbij is aangenomen dat het geïnvesteerd vermogen per ultimo 2007, zoals dit vanuit de regeling is berekend (voor complexen welke zijn gefinancierd met gegarandeerde kapitaalmarktleningen) een reële benadering is van de schuldrestanten per 31–12–2007.

De raming van de openstaande stand per ultimo 2007 (€ 273,8 mln) is met € 58,3 mln afgenomen ten opzichte van de stand per ultimo 2006 (€ 332,1 mln). Deze afname is het gevolg van de volgende mutaties:

– In 2007 is voor een totaalbedrag van ongeveer € 4,7 mln aan vrijwaringen verleend door het WSW.

– Het bedrag van de complexen waarvan de looptijd is verstreken bedraagt € 53,7 mln.

– De jaarlijkse klim op de niet gevrijwaarde complexen bedraagt € -/- 0,3 mln.

De openstaande stand bedraagt € 273,8 mln. Hiervan is bij WSW voor € 94,3 mln aangemeld voor vrijwaring, waarvan nog geen terugmelding is ontvangen. Het restant van € 179,5 mln is niet aangemeld bij WSW. Deze complexen zullen te zijner tijd vervallen in verband met het verstrijken van de looptijd van 20 jaar.

B. Specifieke garanties1 en 2. Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) (algemeen)

Voor zowel het WSW als het WEW geldt dat indien het fondsvermogen na gebruikmaking van de zekerheidsstructuur een zeker minimum heeft bereikt, zoals vastgelegd in de achtervangovereenkomst, het WSW of WEW een beroep kan doen op de achtervangers namelijk het Rijk en de deelnemende gemeenten. De borgstelling is omgeven door een zekerheidsstructuur, de achtervang(-overeenkomst) is, in beginsel, ongelimiteerd. Het Rijk en de deelnemende gemeenten verstrekken in geval van eventuele liquiditeitsproblemen van het WSW of WEW in gelijke mate (ieder voor 50%) een renteloze lening aan het WSW of WEW.

De huidige vermogenspositie van zowel WEW als WSW is goed tot zeer goed te noemen. Elk jaar worden vele tientallen miljoenen aan het totale garantievermogen van beide fondsen toegevoegd. Voor VROM zijn de voorzieningen voor verliezen plus de risicobuffer, inclusief de zekerheidsstructuur zodanig dat de risico’s voor de achtervangers (Rijk en de deelnemende gemeenten) klein tot zeer klein worden ingeschat. Door het aantrekken van een nieuwe actuaris en een verbetering van het actuariële model, ontstaat bij het WEW een goed inzicht in de risico’s voor de achtervanger Rijk.

In de onderstaande tabel wordt inzicht gegeven in de vermogenspositie van beide stichtingen.

Omvang van totaal geborgde leningen, garantievermogen en schadebetalingen WSW jaren 2003 t/m 2006 (x € 1 mln)
Kengetallen/ stichting WSWJaar 2006 WSWjaar 2005 WSWjaar 2004 WSWjaar 2003
Totaal aan gegarandeerde leningen59 70056 00052 60052 200
Garantievermogen398366338313
Totaal aan schadebetalingen0000

Bron: jaarrekening WSW 2006/2005/2004/2003

Omvang van totaal geborgde leningen, garantievermogen en schadebetalingen WEW jaren 2003 t/m 2007 (x € 1 mln)
Kengetallen/ stichting WEWJaar 2006 WEWjaar 2005 WEWjaar 2004 WEWjaar 2003
Totaal aan gegarandeerde leningen90 87877 85063 20552 056
Garantievermogen425387334285
Totaal aan schadebetalingen20,814,87,13,3

Bron: jaarrekening WEW 2006/2005/2004/2003

3. Garantieregeling met betrekking tot bodemsaneringkredieten

De garanties betreffen een regeling met betrekking tot kredieten t.b.v. de bodemsanering van bedrijfsterreinen, te weten het Besluit Borgstelling Midden en Klein Bedrijfskredieten (MKB). Vooralsnog wordt uitgegaan van een eventueel geringe betaling op de openstaande garanties. In dit kader zijn in 2007 geen kredieten verstrekt.

4. College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)

De geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van het CTB geldt voor eventuele schadeclaims van derden. Deze garantstelling is pro memorie (PM) opgenomen. Er is momenteel geen aanleiding te veronderstellen dat het Rijk hierbij financiële risico’s loopt.

5. Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA)

De producenten van hoog radioactief afval zullen gezamenlijk een opslagfaciliteit voor hoog radioactief afval, het HABOG opzetten en deze overdragen aan de COVRA. De totale kosten voor het HABOG bedragen € 97 mln. De HABOG-participanten zullen dit zelf financieren. Om de participanten te vrijwaren van onvoorziene financiële consequenties, voor zover die althans het gevolg zijn van onvoorziene rijksbesluitvorming na 2014 m.b.t. de passieve exploitatiefase respectievelijk de eindbergingsfase, is in de overeenkomst tussen de HABOG participanten vastgelegd dat de Staat zich hiervoor garant stelt.

Aan de geldelijke aansprakelijkheid van de Staat kan derhalve geen bedrag worden gekoppeld

6. Natuurcollege

De garantie van ca. € 50k is november 2007 afgegeven aan de voorzitter van het Natuurcollege voor het symposium «De binnenkant van duurzaamheid». Naar verwachting wordt het symposium (deels) gefinancierd door andere partijen zoals LNV en VROM. Om de voorbereidingen voor het symposium te kunnen starten, voorafgaand aan financieringstoezeggingen, was een garantie noodzakelijk.

Baten-lastendienst: Rijksgebouwendienst

A. Beleidsdeel bij jaarverslag van de baten-lastendienst Rgd

Beleidsdeel bij het Jaarverslag van de baten-lastendienst Rgd.

Het beleidsdeel is ingedeeld in drie niveaus.

Niveau 1: het rijkshuisvestingsstelsel

Verbetering rijkshuisvestingsstelsel

Als uitvloeisel van de eerste evaluatie van het rijkshuisvestingsstelsel in 2004 heeft een interdepartementale stuurgroep met drie interdepartementale werkgroepen het actieprogramma verbetering rijkshuisvestingsstelsel met de titel «Sturen op efficiency en eenvoud» (Kamerstukken II, 2005–2006, 25 449, nr. 12) medio 2006 afgerond met de eindrapportage «Uitwerking uitkomsten Stelselevaluatie Rijkshuisvesting». Naar aanleiding van het eindrapport is in oktober 2006 het Rijkshuisvestingsberaad opgericht om de besturing van het rijkshuisvestingsstelsel te verbeteren. Het beraad heeft vanaf 2007 een belangrijke adviserende rol gekregen bij de vaststelling door het kabinet van de strategische kaders voor de participanten in het rijkshuisvestingsstelsel.

De implementatie van de overige verbeteringen uit deze eindrapportage is tot stand gebracht via een door de Rgd opgezet programma «Implementatie Stelselverbetering en Interne Sturing». Voor de afstemming met de klanten over de wijze van implementatie is een klankbordgroep gevormd, waarin een groot deel van de klanten is vertegenwoordigd. Het programma bestaat uit 17 projecten die grotendeels in 2007 zijn geïmplementeerd binnen de bestaande organisatie. Naar verwachting worden de laatste projecten vóór eind 2008 geïmplementeerd en is het programma daarmee afgerond.

Doelmatigheid stelsel

Het Rijkshuisvestingsberaad heeft op 14 juni en 17 oktober 2007 de eerste rapportage van de directeur-generaal van de Rgd over de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel besproken. Het Rijkshuisvestingsberaad concludeerde daarop dat de doelmatige werking van het rijkshuisvestingsstelsel is verbeterd met onder andere een gezamenlijke concernvisie, meerjarige huisvestingsplannen van de departementen en een onderlinge benchmark huisvesting. Daarnaast heeft het Rijkshuisvestingsberaad aanvullingen geformuleerd om de prikkels in het rijkshuisvestingsstelsel die bijdragen aan een efficiënte bedrijfsvoering van het rijk te verbeteren. Hieraan wordt momenteel uitvoering gegeven.

De doelmatigheidsrapportage, de concernvisie en de uitwerking daarvan in de huisvestingsportefeuille hangen onderling nauw samen en zijn van belang voor de besluitvorming over ontwikkelingen in de bedrijfsvoering binnen het Rijk, die plaatsvindt in het kader van het programma Vernieuwing Rijksdienst. Bedoelde rapportages zullen daarom, afgestemd op het moment van besluitvorming over de bedrijfsvoering van het Rijk, aan het Kabinet worden aangeboden.

Brandveiligheid Rijkshuisvesting

Na de brand in het cellencomplex-Oost op Schiphol eind 2005 is een heel pakket aan acties opgepakt om de brandveiligheid in justitiële inrichtingen en de overige voorraad rijksgebouwen te verbeteren. Deze acties zijn verwoord in de kabinetsreactie van 18 oktober 2006 op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid betreffende de oorzaken en de leerpunten van de brand op het cellencomplex Schiphol-Oost van oktober 2005 (Kamerstukken II, 2006–2007, 24 587, nr. 199). Een deel van die acties heeft betrekking op de Rgd.

De meeste acties liggen op schema. Binnen en buiten de Rgd is zeer hard gewerkt aan het vergroten van de brandveiligheid en aan het brandveiligheidbewustzijn binnen de Rgd. Desondanks konden niet alle bouwtechnische maatregelen in de justitiële inrichtingen worden gerealiseerd. Een aantal ontwikkelingen, waaronder een uitbreiding van de opgave en de beschikbaarheid van advies- en uitvoeringscapaciteit, noopte tot aanpassing van de planning. Voor de periode dat de bouwtechnische maatregelen nog niet zijn genomen, heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen in overleg met Rgd, gemeente en brandweer – waar nodig – compenserende maatregelen genomen, zoals meer personeel of minder gedetineerden. Deze bevindingen en de planning zijn aan de Tweede Kamer gemeld in de tweede gezamenlijke halfjaarlijkse voortgangsrapportage van VROM/Rijksgebouwendienst en Justitie/Dienst Justitiële Inrichtingen (Kamerstukken II, 2007–2008, 24 587, nr. 258).

Niveau 2: het leveren van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen

De Rgd levert de producten huisvesting, services, adviezen en beleid. Gezien het grote belang van het product Huisvesting wordt onderstaand ingegaan op de indicatoren die hiermee samenhangen. Het product Huisvesting bestaat uit het ontwikkelen, realiseren en leveren van huisvesting. De Rgd handhaaft de afgesproken kwaliteit van de geleverde huisvesting volgens de Regeling Taakverdeling Beheer Rijkshuisvesting en garandeert het ongestoorde gebruik van de huisvesting.

De Rgd heeft de volgende algemene doelstellingen:

• het leveren van adequate huisvesting;

• het realiseren van baten en lasten in evenwicht (in het financiële deel wordt hierop ingegaan);

• het leveren van toegevoegde waarde (hier wordt in artikel 13 «Rijkshuisvesting en architectuur» op ingegaan).

Adequate huisvesting

Indicator klanttevredenheid
Indicator200420052006Streefwrd 2007Realisatie 2007
Klanttevredenheid, percentage klanten dat de Rgd een voldoende geeft77%83%80%86%

Met het klanttevredenheidsonderzoek wordt de tevredenheid gemeten van de klanten van de Rgd met de geleverde huisvesting en diensten daar omheen. Het klanttevredenheidsonderzoek wordt door de Rgd sinds 1999 jaarlijks uitgevoerd. Echter, op basis van de conclusies uit het laatstgehouden onderzoek in 2006, is besloten om het onderzoek niet in 2007, maar in 2008 uit te voeren.

In het onderzoek van 2006 gaven de klanten aan dezelfde verbeterpunten te zien als die in het onderzoek 2005 waren geïdentificeerd: prijs (behoefte aan transparantie), klantgerichtheid (proactiever werken) en snelheid (van handelen). Als gevolg hiervan stabiliseerde de algehele tevredenheid over de Rgd zich. Daarnaast bleek de periode van een jaar tussen 2 metingen te kort om naast het uitvoeren van de verbeterpunten ook de effecten ervan te kunnen meten.

Indicator leegstand
Indicator2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Leegstand voor rekening Rgd2,3%3,9%1,6%

De leegstand voor rekening van de Rgd (1,6%) is fors lager dan begroot (3,9%), omdat in tegenstelling tot de verwachting veel aflopende contracten voor kortlopende tijd zijn verlengd en veel leegstaande objecten in 2007 zijn verkocht.

Planmatig onderhoud/indicator technische kwaliteit (ITK)
Tabel indicator technische kwaliteit2006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Indicator2,26Tussen 2,1 en 2,42,23

De ITK geeft in een cijfer de technische kwaliteit van de vastgoedportefeuille weer op een bepaald tijdstip. Het cijfer loopt van 1 (nieuwbouw) tot 6 (zeer slecht). De ITK is een gewogen gemiddelde van de technische condities van alle gebouwelementen. Deze technische condities worden bepaald door inspecties. De realisatie voldoet aan de doelstelling doordat deze tussen de 2,1 en 2,4 blijft.

Dagelijks onderhoud

Bij storingen is het van belang hoe snel een storing wordt opgelost. In voorgaande jaren is gebleken dat 95% van alle storingen binnen de norm (van 4 of 24 uur) wordt afgehandeld. Ook in 2007 is de aandacht meer gericht op het voorkomen van storingen. Daarnaast is in 2007 gestart met een pilot om in overleg met een klant en ondersteund door een geautomatiseerd systeem het proces van storingsafhandeling te optimaliseren.

Veiligheidsscan relevante kantoorgebouwen
IndicatorpeildatumStreefwaarde 2007Realisatie 2007
VeiligheidsscanInstrument ontwikkeldInstrument ontwikkeld

Bron: VROM/Rgd

In 2007 is samen met Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en de AIVD een instrument ontwikkeld dat een hulpmiddel is om in relevante kantoorgebouwen de aanwezige veiligheidsmaatregelen te inventariseren. Het instrument brengt op uniforme wijze de actuele veiligheidssituatie van een gebouw in kaart en kan bij dreigingtoename gebruikt worden voor effectieve opschaling.

Hierbij is de focus op terrorismebeveiliging en kernministeries gelegd. Het instrument is in de praktijk getoetst door toepassing bij het kernministerie van VROM en gepresenteerd in het Coördinerend Beraad Integrale Beveiliging, waarbij is afgesproken dat in 2008 gestart wordt met de overige ministeriekernen.

Niveau 3: een effectieve en efficiënte uitvoeringsorganisatie Rgd

Indicator efficiency apparaat
 Realisatie 2006Realisatie 2007Raming 2007
Efficiency95%100%97%

Bron: IRIS

Op het niveau van de Rgd als uitvoeringsorganisatie is het van belang dat de Rgd continu streeft naar efficiencyverbetering. De efficiencyindicator is een relatieve maat om de veranderingen in de efficiency van het apparaat door de jaren heen te vergelijken. Een hogere waarde ten opzichte van een voorgaand jaar betekent een verbetering. In 2007 is de productie ten opzichte van 2006 harder gestegen dan de toename apparaatskosten.

B. Financieel deel bij het jaarverslag van de baten-lastendienst Rgd

Het jaarverslag is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet 2001 en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotingsen verantwoordingsvoorschriften en de Regeling Departementale Begrotingsadministratie 2007. De Rgd heeft bij de invoering van het rijkshuisvestingsstelsel met het ministerie van Financiën nadere afspraken gemaakt omtrent bepaalde onderdelen van de jaarrekening. Deze afspraken zijn herijkt in het kader van de Regeling Baten-lastendiensten 2007. In deze Regeling is in beginsel het Burgerlijk Wetboek 2 (BW 2), titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarrekening (RJ) van toepassing verklaard. De afwijkingen van BW 2 titel 9 en RJ zijn goedgekeurd door het ministerie van Financiën.

Samenvattende verantwoordingsstaat 2007 inzake baten-lastendienst Rijksgebouwendienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)(x € 1 000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
Art.OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1Rijksgebouwendienst   
 Totale baten1 351 5561 462 786111 230
 Totale lasten1 348 4291 450 635102 206
 Saldo van baten en lasten3 12712 1519 024
     
 Totale kapitaalontvangsten550 000764 580214 580
 Totale kapitaaluitgaven739 630747 1707 540

Balans baten-lastendienst Rgd

Balans vóór winstbestemming van de baten-lastendienst Rgd per 31 december 2007

Balans(x € 1 000)
 31 december 200731 december 2006
ACTIVA  
Vaste activa  
Materiële vaste activa:  
Grond en gebouwen4 755 6294 495 430
Onderhanden huisvestingsprojecten (leenfaciliteit)469 888479 059
Inventaris en overige bedrijfsmiddelen8101 299
 5 226 3274 975 788
Egalisatierekening693 291661 672
   
Vlottende activa  
Onderhanden werk services, adviezen en overig53 63448 773
Debiteuren en overige vorderingen118 98170 214
Overlopende activa226 61177 093
 399 226196 080
   
Liquide middelen  
Rabobank/Kas5 5214 260
In bewaring genomen gelden42 0740
Deposito RHB Nazorgbidgetten5 0854 223
RHB Rekening-courant218 874393 162
 271 554401 645
   
TOTAAL ACTIVA6 590 3986 235 185
   
PASSIVA  
Eigen vermogen  
Exploitatiereserve85 32964 278
Onverdeeld resultaat12 15117 360
Bestemmingsreserves105 8830
 203 36381 638
Voorzieningen  
Voorziening Planmatig onderhoud0290 868
Voorziening Asbestverontreiniging43 30045 085
Voorziening Leegstand71 53754 434
Overige voorzieningen25 37329 092
 140 210419 479
Langlopende schulden  
Leenfaciliteit Financiën5 621 2835 240 281
Overige langlopende schulden3 8953 151
 5 625 1785 243 432
Kortlopende schulden  
Nazorgbudgetten65 90617 966
Crediteuren53 47160 064
Overige schulden en overlopende passiva182 660149 761
Kortlopend deel langlopende schulden319 610262 845
 621 647490 636
   
TOTAAL PASSIVA6 590 3986 235 185

Toelichting op de egalisatierekening.

Het gebruik van de egalisatierekening is verbonden met de regeling Rekenmethodiek Rijksgebouwendienst (RMR). Deze methodiek is, als onderdeel van het rijkshuisvestingsstelsel, door de ministerraad vastgesteld. Het ministerie van Financiën heeft in 2007 de egalisatierekening aangemerkt als geaccepteerde afwijking van de Regeling Baten-lastendiensten 2007.

De gebruiksvergoeding wordt bij aanvang zodanig vastgesteld dat gedurende de contractperiode de netto contante waarden van de kosten (inclusief rente en afschrijvingen) en de opbrengsten elkaar dekken. Hierbij wordt bij de berekening van de gebruiksvergoeding uitgegaan van een verwachte inflatie. Voor de departementen leidt dit over de gehele periode tot een vaste gebruiksvergoeding, die uitsluitend door de stijging van het prijsindexcijfer wordt beïnvloed.

De totale kosten van rente en afschrijvingen dalen over de jaren. Het verschil tussen kosten en opbrengsten wordt jaarlijks op contractniveau geëgaliseerd en in de balans tot uitdrukking gebracht in een langlopende afdwingbare vordering op de gebruikers van de objecten. Op deze wijze worden de baten en lasten uit hoofde van de verhuur van huisvesting met elkaar in evenwicht gebracht. De vordering wordt aldus over de totale contractperiode geneutraliseerd en is bij afloop van het contract nihil. Bij vroegtijdige contractontbinding wordt de opgebouwde vordering (= egalisatie) door de klant afgekocht. Dit bedrag wordt dan gecrediteerd op de egalisatierekening.

De egalisatie is berekend op basis van de aannames bij de berekening van de gebruiksvergoeding en de vooraf geraamde inflatie. De verschillen tussen de geraamde en de werkelijke inflatie komen direct tot uitdrukking in het resultaat. Het ministerie van Financien heeft in 2007 aangegeven dat dit ministerie vanaf het verslaggevingsjaar 2007 het inflatierisico op rente en afschrijving draagt dat de Rgd loopt als gevolg van de regeling RMR.

Egalisatierekening(x € 1 000)
Egalisatie afschrijvingskosten 1 januari 2007 278 743 
Egalisatie rentekosten 1 januari 2007 +/+382 929 
Stand per 1 januari 2007  661 672
    
Mutaties   
Egalisatie afschrijvingskosten 2007 +/+17 024 
Egalisatie rentekosten 2007+/+23 979 
Afgekochte egalisatie afschrijvingskosten –/–4 525 
Afgekochte egalisatie rentekosten –/–4 859 
Totaal mutaties 2007  31 619
    
Egalisatie afschrijvingskosten per 31 december 2007 291 242 
Egalisatie rentekosten 31 december 2007+/+402 049 
Stand per 31 december 2007  693 291

Toelichting op het eigen vermogen

Voortvloeiend uit de stelselevaluatie Rijkshuisvesting heeft de Rgd in 2007 met het ministerie van Financiën afspraken gemaakt over de maximale exploitatiereserve. Het is de Rgd toegestaan een genormeerd eigen vermogen aan te houden van minimaal € 35 mln en maximaal € 130 mln.

Het overzicht vermogensontwikkeling laat zien dat het Rgd vermogen zich onder het gemaximeerde niveau van € 130 mln bevindt.

Overzicht vermogensontwikkeling ultimo 2006–ultimo 2007(x € 1 000)
Eigen vermogen per ultimo 200681 638
Uitkeringen aan het moederdepartement– 6 000
Toevoeging aan bestemmingsreserve apparaat brandveiligheid– 10 528
Vrijval stelselverbetering2 419
Restant voorziening planmatig onderhoud17 800
Exploitatiereserve85 329
Saldo van baten en lasten 200712 151
Rgd vermogen per ultimo 2007 t.b.v. normering eigen vermogen97 480

Toelichting op het overzicht vermogensontwikkeling ultimo 2006–ultimo 2007

De vermogensontwikkeling 2007 vloeit voort uit de met het ministerie van Financiën gemaakte afspraken:

1. Uitkering aan het moederdepartement.

Op basis van de jaarcijfers 2006 zou de afdracht via het moederdepartement aan het ministerie van Financien € 16,5 mln bedragen. Afgesproken is dat € 6 mln wordt afgedragen aan het moederdepartement en dat de resterende € 10,5 mln gebruikt dient te worden voor de kosten van de brandveiligheidsscans (apparaat brandveiligheid).

2. Toevoeging aan de bestemmingsreserve apparaat brandveiligheid.

Zie hiervoor onder punt 1.

3. Vrijval voorziening stelselverbetering.

De voorziening stelselverbetering vervalt op grond van de afspraken die met het ministerie van Financiën zijn gemaakt over de toepasbaarheid van de voorziening op grond van de Regeling Baten-lastendiensten 2007. De vrijvallende middelen zijn aan het eigen vermogen 2007 toegevoegd.

4. Restant voorziening Planmatig Onderhoud.

Het restant van de voorziening Planmatig Onderhoud wordt toegevoegd aan de exploitatiereserve. Naar de stand van 31 december 2007 betreft dit een bedrag van € 17,8 mln.

Toelichting op de voorziening Planmatig Onderhoud.

In het Rijkshuisvestingsberaad is overeengekomen dat het planmatig onderhoud via een omslagsystematiek wordt gefinancierd. De voorziening Planmatig Onderhoud wordt derhalve per ultimo 2007 opgeheven. De Tweede Kamer is hierover separaat geïnformeerd. De voorziening is deels (€ 153 mln) omgezet in een lening met het ministerie van Financiën en is deels aan het eigen vermogen toegevoegd onder andere in de vorm van bestemmingsreserves. De vrijval van de voorziening is met toestemming van Financiën niet ten gunste van het resultaat gebracht, maar rechtstreeks in de balans van ultimo 2007 verwerkt. Dit leidt er toe dat een omvangrijk bedrag, buiten de staat van baten en lasten en/of kapitaaluitgaven en -ontvangsten, een andere bestemming krijgt. Deze verwerkingswijze is nader toegelicht in de Slotwet.

Voorziening planmatig onderhoud(x € 1 000)
Saldo per 1 januari 2007 290 868
   
Mutaties:  
Onttrekkingen–/–66 591
Dotatie+/+50 088
Saldo per 31 december 2007 274 365
Vrijval via langlopende lening–/–152 965
  121 400
Aanwending:  
Bestemmingsreserve Overgangsproblematiek Economische Zaken–/–1 000
Bestemmingsreserve onderhoud brandveiligheid–/–79 900
Bestemmingsreserve apparaat brandveiligheid–/–22 700
Ingroei eigen vermogen/exploitatiereserve–/–17 800
  121 400
   
Stand per 31 december 2007 0
Overzicht voorzieningen per 31 december 2007(X € 1 000)
 Stand 1–1–2007OnttrekkingDotatieVrijvalSaldo 31–12–2007
Asbestverontreiniging45 0853 5741 78943 300
Leegstand54 43415 28932 39271 537
Wachtgeld en FPU uitk.8 8651 89004996 476
Bodemsanering1 4614373 3344 358
Stelselverbetering Rgd5 3252 90602 4190
Verlieslatende contracten2 59823482 372
Herstel onderhoud10 0701 1071 0209159 068
Planmatig onderhoud290 86866 59150 088274 365
Geschillen en rechtsgedingen773252 3513 099
Sub-totaal419 47992 05390 982278 198140 210
Boekwaarderisico75 5383 72470412 40160 117
Dubieuze debiteuren2 95002 7921 8003 942
Totaal:497 96795 77794 478292 399204 269

Niet uit de balans blijkende verplichtingen bestaan uit:

PostOmschrijvingBedrag
Trekkingsrecht op afgedragen eigen vermogenMet het toestaan van een hoger eigen vermogen dan de reguliere 5% norm die geldt voor baten-lastendiensten, vervalt in 2007 de afspraak dat afgedragen (excessief) eigen vermogen beschikbaar blijft voor het Rijkshuisvestingsstelsel indien het eigen vermogen onder € 15 miljoen zakt (het zgn. trekkingsrecht van de Rgd bij het ministerie van Financiën).€ 0
MarkthurenDe totale nominale betalingsverplichting voor de gehele contractsduur, die voortvloeit uit panden welke zijn gehuurd uit de markt. looptijd = 5 jaar € 1 244 mlnlooptijd > 5 jaar € 698 mln
PPSDe renovatie van een rijkshuisvestingsobject is aan-besteed door middel van Publiek Private Samenwerking. In 2006 is het D(esign) B(uild) F(inance) M(aintain) O(perate)-contract aangegaan. Dit contract kent een looptijd van 25 jaar. Na de bouwperiode van 2 jaar (verwachte oplevering 2008) is de Rgd gedurende 25 jaar een beschikbaarheidsvergoeding en een vergoeding voor variabele dienstverlening verschuldigd. Met het ministerie van Financiën is in maart 2008 afgesproken dat dit PPS-project op dezelfde wijze behandeld zal worden als de reguliere huisvestingsprojecten. Op deze wijze wordt geen ongelijkheid geschapen tussen deze nieuwe huisvestingsconstructie en traditionele huisvestingsprojecten. Omdat de financiële omvang van de verplichting met betrekking tot de variabele diensten nog onbekend is, is de nominale verplichting met betrekking tot de beschikbaarheidsvergoeding als niet uit de balans blijkende verplichting opgenomen. Hierbij is gegeven de onzekerheid geabstraheerd van mogelijke verrekeningen vanuit het bonus-malussysteem dat op het contract van toepassing is. De Rgd levert de huisvesting en de dienstverlening aan de klant en ontvangt hiervoor vergoeding.€ 483,0 mln
ProjectenDe definitie voor niet uit de balans blijkende verplichtingen voor projecten stoelt op de voorlopige leningconvenanten. De verplichting is gelijk gesteld aan de geraamde betalingen in 2008 en volgende jaren ten behoeve van de projecten in de voorlopige convenanten.€ 1 558 mln alle hebben een looptijd korter dan 5 jaar.
Verplichting afdracht eigen vermogen boven € 130 mlnIn 2008 draagt de Rgd het eigen vermogen af voor zover dit het genormeerd eigen vermogen van € 130 miljoen overstijgt. Met betrekking tot 2007 is dit niet aan de orde.N.v.t.

Resultatenrekening Rgd

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007(x € 1 000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk Vastgestelde begrotingRealisatie Verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Leveren producten en diensten:   
Opbrengsten departementen1 212 6941 301 73389 039
Opbrengsten moeder119 862105 868– 13 994
Opbrengsten derden9 00010 5121 512
Bedrijfsvoering:   
Rentebaten5 00013 9038 903
Overige baten5 00030 77025 770
Totaal baten1 351 5561 462 786111 230
    
Lasten   
Product huisvesting:   
Apparaatskosten67 75359 751– 8 002
Huren vanuit de markt313 308319 9606 652
Rentelasten303 834280 156– 23 678
Afschrijvingen277 363291 09013 727
Dagelijks beheer104 753115 61310 860
Mutaties voorzieningen79 09378 863– 230
Belastingen25 30323 652– 1 651
Investeringen buiten gebruiksvergoedingen131 209129 390– 1 819
Overige producten:   
Services26 20075 92249 722
Adviezen5 0007 8562 856
Beleid9 6137 545– 2 068
    
Overige lasten:5 00060 83755 837
Totaal lasten1 348 4291 450 635102 206
Saldo van baten en lasten3 12712 1519 024

Toelichting op de staat van baten en lasten uitgaande van baten-lastendienst Rgd

Baten

Baten: leveren producten en diensten

Opbrengsten departementen

De opbrengsten huisvesting (€ 1 216 mln) hebben betrekking op:

• de opbrengsten van de interne verhuurcontracten met de ministeries volgens het huur-verhuurmodel (gebruiksvergoedingen);

• de kleine, à fonds perdu gefinancierde, huisvestingsprojecten voor ministeries;

• het verschil tussen de ontvangen gebruiksvergoeding en de afschrijvingsen rentekosten van de vaste activa (egalisatie).

Het onderdeel services (€ 78,2 mln) betreft de opbrengsten voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar die op verzoek van de afnemers, voorzover rijksoverheid, door de Rgd worden verricht. Hieronder valt ook het facility-management. Services worden door de Rgd uitgevoerd zowel via incidentele opdrachten als via servicecontracten.

De opbrengsten adviezen (€ 7,5 mln) hebben betrekking op de opbrengsten van niet-projectgebonden huisvestingsadviezen aan rijksoverheden. Projectgebonden adviezen worden geactiveerd bij de materiële vaste activa.

De realisatie van de opbrengsten departementen ligt € 89,1 mln hoger dan oorspronkelijk begroot(€ 1 212,7 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 7,0 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt doordat de klanten in 2007 meer services hebben afgenomen van de Rgd dan verwacht. Deze klantvraag is veelal pas in het investeringsjaar zichtbaar en is derhalve lastig te ramen.

Opbrengsten moeder

Onder inputfinanciering buiten de huur- verhuurrelatie vallen onder andere de posten huisvesting voor het Koninklijk Huis, de Hoge Colleges van Staat (HCvS) en het ministerie van Algemene Zaken (AZ), het beheer van monumenten met een erfgoedfunctie, de functionele kosten van het Koninklijk Huis (FKKH), de beleidstaken van de Rgd en het Energiebesparingsprogramma Rijkshuisvesting. Voor de dekking van de inputfinanciering wordt zorggedragen door het moederdepartement vanuit beleidsartikel 13. Het moederdepartement verstrekt gedurende het jaar voorschotten aan de Rgd en op basis van de definitieve realisatiecijfers worden de kosten het jaar daarop afgerekend.

Het verschil tussen de voorschotten (en overige ontvangsten) en de realisatie wordt afgerekend met het moederdepartement. Dit impliceert dat kosten en opbrengsten aan elkaar gelijk zijn.

De realisatie van de opbrengst moeder ligt € 14,0 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 119,9 mln). Bij de tweede suppletoire begroting is een verlaging doorgevoerd van € 15,0 mln. De lagere realisatie is veroorzaakt door vertragingen bij enkele investeringsprojecten voor de Hoge Colleges van Staat.

Aangezien de realisatie € 105,9 mln bedraagt en de totaal verleende voorschotten (inclusief de verrekende afrekeningen 2005 en 2006) € 115,6 mln zijn, resteert een schuld van € 9,703 mln aan het moederdepartement.

Opbrengsten derden

Het onderdeel derden betreft de opbrengsten van huisvesting van organisaties op het niveau van de centrale overheid, die (vrijwel) geheel worden bekostigd uit collectieve middelen. De opbrengsten betreffen naast de huuropbrengsten Domeinen ook opbrengsten voor geleverde adviezen en services. Onder deze post vallen tevens de opbrengsten voor de exploitatie van de bijzondere objecten. Hiertoe behoren met name de opbrengsten van de parkeergarages en de grafelijke zalen.

De realisatie van de opbrengsten derden ligt € 1,5 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 9,0 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 1,8 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt door bijzondere objecten.

Baten: Bedrijfsvoering

Rentebaten

Op deze post worden de rentebaten op rekening-courant RHB en de depositorekening RHB nazorgbudgetten verantwoord.

Specificatie rentebaten(x € 1 000)
 Realisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
Rentebaten rekening-courant RHB7 12412 1805 000
Rentebaten projecten5328000
Rentebaten deposito RHB nazorg1 0497740
Overige rentebaten1491490
Totaal8 85413 9035 000

Rentebaten projecten betreffen rentebaten op à fonds perdu projecten. Deze renetbaten worden niet afgedragen aan het ministerie van Financiën, maar worden aan het resultaat toegevoegd. De realisatie van de rentebaten ligt € 8,9 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 5,0 mln). In de 1e suppletoire is de begroting niet gewijzigd. De stijging, ten opzichte van 2006, is een gevolg van de hogere gemiddelde standen op de rekening courant RHB alsmede gemiddeld hogere rentepercentages 2007.

Overige baten

Onder deze post worden onder andere boekwinsten verantwoord als gevolg van afstoot van objecten en resultaten op investeringsprojecten. Een deel van de overige baten heeft betrekking op voorgaand boekjaar. De realisatie van de overige baten is € 25,8 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 5,0 mln). In de 1e suppletore is de begroting niet gewijzigd. De hogere realisatie is veroorzaakt door hogere opbrengsten bij de verkoop van onroerend goed en de bijdrage uit de bestemmingsreserve apparaatskosten brandveiligheid van € 8,245 mln.

In 2007 zijn in totaal 32 objecten verkocht. De totale opbrengst voor deze objecten bedraagt € 42,7 mln, waarop de kosten van de verkoop en de boekwaarde in mindering zijn gebracht, met als resultaat een boekwinst van € 17,4 mln.

Lasten: product huisvesting

Apparaatskosten

Deze post omvat alle apparaatskosten, die niet gedekt worden uit de overige producten te weten adviezen, services, beleid en huisvestingsprojecten. De apparaatskosten zijn de kosten voor intern en extern personeel plus de materiële kosten, zoals eigen huisvestingskosten, ICT-projecten en protocol-kosten.

De correctie technisch advies heeft betrekking op door Rgd-ers uitgevoerde werkzaamheden die direct ten laste van de projecten komen en waarvoor geen tarief voor de dekking apparaatskosten in rekening wordt gebracht. Aangezien gelijktijdig een correctie in de dekking wordt doorgevoerd heeft dit geen effect op de netto apparaatskosten.

Specificatie Apparaatskosten(x € 1 000)
  Realisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2007
Totaal (bruto) kosten Personeel 82 82492 40678 600
Totaal (bruto) kosten Materieel+/+35 43235 77623 885
Totaal personele en materiële kosten 118 256128 182102 485
Correctie A&A–/–13 79613 014 
Apparaatskosten (bruto) 104 460115 168102 845
     
Totaal toegerekend aan overige producten–/–43 15155 41734 732
Totaal apparaatskosten (= netto) 61 30959 75167 753

Het totaal toegerekend aan de overige producten bestaat uit dekking die wordt verkregen uit projectontwikkeling, uit het realiseren van services en adviezen en uit beleid.

Voor de dekking van de netto apparaatskosten ad € 59,8 mln dient de opslag voor apparaatskosten in de gebruiksvergoedingen.

De realisatie van de apparaatskosten ligt € 8 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 67,8 mln). In de 1e suppletore is de begroting niet gewijzigd. De lagere realisatie is veroorzaakt door een hogere dekking, de dekking is circa € 20,0 mln hoger dan begroot. Dit betekent een efficiency verbetering ten opzichte van 2006.

Gemiddelde bezetting en -loonkosten ambtelijk personeel
 20032004200520062007
Loonkosten per fte (in €)55 90159 00061 62161 08763 327
Gemiddelde bezetting (in fte’s)9879509289531 011

In bovenstaande tabel zijn de gemiddelde loonkosten en bezetting ambtelijk personeel over de afgelopen 5 jaren opgenomen. Onder de loonkosten ambtelijk personeel vallen de salarissen, inclusief aanspraken vakantiegeld en eindejaarsuitkering, tegemoetkoming ziektekosten en incidentele beloningen. De stijging van de salariskosten is onder meer een gevolg van de doorwerking van de CAO-stijging.

De gemiddelde bezetting was in 2007 1 011 fte (de verwachte gemiddelde bezetting was 1 009 fte). De werkelijke bezetting per 31 december 2007 was 1 018 fte. De gemiddelde bezetting in 2007 is gestegen ten opzichte van 2006 als gevolg van de toegenomen klantvraag.

Huren vanuit de markt

Het betreft hier de huren die de Rgd aan de markt betaalt. De realisatie van de huren ligt € 6,7 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 313,3 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 2,9 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt door extra inhuur van objecten in de markt.

Rentelasten

Onder deze post worden de rentekosten van de rentedragende leningen en (eventuele) debetrente van de rekening courant RHB verantwoord.

De realisatie van de rentelasten ligt € 23,7 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 303,8 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 10,0 mln verlaagd. De lagere realisatie is veroorzaakt door vervroegde aflossing in verband met afstoot.

Afschrijvingen

De afschrijvingskosten gebouwen, inclusief inbouwpakketten betreffen met name de reguliere afschrijvingen. Tevens zijn de afschrijvingskosten bestemd voor bijzondere waardeverminderingen, als gevolg van sloop van objecten of afwaardering in verband met onverhuurbaarheid.

De realisatie van de afschrijvingen ligt € 13,7 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 277,4 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 6,0 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt door het activeren van diverse grote projecten, welke in het 1e jaar al een hogere afschrijving genereren.

Dagelijks beheer

De kosten van dagelijks onderhoud hebben betrekking op regelmatig terugkerende vaste werkzaamheden (contractbeheer en wettelijke verplichte keuringen) en storingsonderhoud. Deze activiteiten worden uitgevoerd voor zowel objecten binnen het huur-verhuurstelsel als voor objecten buiten het huur-verhuurstelsel. De realisatie van de kosten voor dagelijks onderhoud ligt € 10,9 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 104,8 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 5,1 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt door een toename van het onderhoud aan de paleizen.

Mutaties voorzieningen

Deze post bestaat enerzijds uit dotaties aan de voorzieningen (ad € 94,5 mln) en anderzijds uit vrijval van voorzieningen (ad € 15,6 mln). Een specificatie van de dotaties en de vrijval is terug te vinden bij de toelichting op de balans bij de betreffende voorziening.

Belastingen

Het betreft hier het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting (OZB) over de verhuurde voorraad onroerend goed. De OZB is afgedragen aan Domeinen.

De realisatie van de kosten voor belastingen is € 1,7 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 25,3 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 2,0 mln verlaagd. De lagere realisatie is veroorzaakt door de wijzigingen in de voorraad objecten van de Rgd, dit is het gevolg van wijzigingen bij de inhuur van panden en het afstoten van panden in het boekjaar.

Investeringen buiten gebruiksvergoedingen

Onder deze post zijn investeringen opgenomen die niet leiden tot een (aanpassing van de) gebruiksvergoeding. Het betreft hier kleine projecten voor ministeries, investeringen voor klanten buiten het huur-verhuurstelsel en investeringen gefinancierd uit het programma Energiebesparing Rijkshuisvesting. Kleine projecten voor ministeries betreffen de integrale kosten van de door de Rgd uitgevoerde kleine, à fonds perdu gefinancierde, projecten voor ministeries. Het betreft hier (ver)bouwactiviteiten van relatief geringe financiële omvang. Investeringen voor klanten buiten het huur-verhuurstelsel en het energiebesparingsprogramma rijkshuisvesting zijn inputgefinancierd.

De realisatie van de investeringen buiten gebruiksvergoedingen ligt € 1,8 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 131,2 mln). In de 1e suppletoire is de begroting met € 7,5 mln verlaagd. De lagere realisatie is veroorzaakt door het uitvoeren van minder projecten dan geraamd.

Overige producten

Services

De post services betreft de integrale kosten (inclusief apparaatskosten) voor werkzaamheden, die volgens de RTB tot de taak van de afnemer worden gerekend (RTB-serviceverlening), maar op verzoek van de afnemers door de Rgd worden verricht en overige services. Hieronder valt ook het facilitymanagement.

De kosten services omvatten ook de kosten van services afgenomen door derden. In de verantwoording zijn wel de serviceopbrengsten derden afzonderlijk opgenomen, maar de kosten van uitgevoerde service werkzaamheden worden integraal verantwoord onder deze post.

De realisatie van de kosten voor services ligt € 49,7 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 26,2 mln). In de 1e suppletore is de begroting met € 14,0 mln verhoogd. De hogere realisatie is veroorzaakt doordat de klanten in 2007 meer services hebben afgenomen dan begroot was.

Adviezen

De Rgd verricht op verzoek van de gebruikers niet-projectgebonden adviezen. De kosten betreffen zowel de interne als externe kosten.

De realisatie van de kosten voor adviezen ligt € 2,9 mln hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 5,0 mln). In de 1e suppletore is de begroting niet gewijzigd. De hogere realisatie is veroorzaakt door het uitvoeren van meer adviesaanvragen voor de diverse ministeries, deze adviezen zijn direct afgerekend met de klant.

Beleid

Onder deze post zijn opgenomen de door het moederdepartement gefinancierde kosten voor beleid.

Bij 1e suppletore begroting is een bedrag van € 2,2 mln overgeheveld naar het ministerie van OCW dat mede namens VROM betalingen aan enkele architectuurinstellingen heeft verricht. Met name hierdoor is de realisatie bij de Rgd van de kosten voor beleid € 2,1 mln lager dan oorspronkelijk begroot (€ 9,6 mln).

Overige lasten

De overige lasten ad € 60,8 mln hebben voornamelijk betrekking op voorgaande boekjaren € 6,9 mln, projectverliezen/nazorgresultaten € 35,2 mln, buitengewone lasten € 3,6 mln, de verrekening van het inflatieresultaat € 6,9 mln en de apparaatskosten van brandveiligheid € 8,2 mln.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht over het jaar 2007(x € 1 000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1.Rekening-courant RHB 1 januari 2007289 942397 385107 443
     
2.Totaal operationele kasstroom207 764– 190 836– 398 600
     
3a.-/-Totaal investeringen– 500 000– 596 842– 96 842
3b+/+Totaal boekwaarde desinvesteringen50 00066 91116 911
3.Totaal investeringskasstroom– 450 000– 529 931– 79 931
     
4a.-/-Eenmalige uitkering aan moederdepartement– 10 392– 6 0004 392
4b+/+Eenmalige storting door moederdepartement0115 574115 574
4c.-/-Aflossingen op leningen– 229 238– 144 32884 910
4d+/+Beroep op leenfaciliteit500 000582 09582 095
4.Totaal financieringskasstroom260 370547 341286 971
     
5.Rekening courant RHB 31 december 2007(=1+2+3+4)(maximale roodstand 0,5 mln euro)308 076223 959– 84 117

In het saldo rekening courant RHB is ook begrepen de depositorekening RHB nazorgbudgetten.

Het kasstroomoverzicht geeft aan hoeveel kasmiddelen in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en op welke wijze gebruik is gemaakt van deze middelen. Aan de hand van het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven enontvangsten toegelicht. In dit model vormen de posten 3a, 4a en 4c de kapitaaluitgaven, terwijl de posten 3b, 4b en 4d de kapitaalontvangsten vormen.

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten egalisatie, voorzieningen en kortlopende activa en passiva.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom bestaat uit het saldo van investeringen en (boekwaarde van de) desinvesteringen. In 2007 is in de volgende vaste activa geïnvesteerd (bedragen x € 1 000):

Onderhanden werk (investeringen) € 508 847

Aankopen € 84 271

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen € 0

Boekwaarderisico (onttrekkingen) € 3 724

De desinvesteringen kunnen als volgt worden gespecificeerd (bedragen x € 1 000):

Grond en gebouwen € 66 888

Inventaris en overige bedrijfsmiddelen € 23

Financieringskasstroom

De (eenmalige) uitkering aan het moederdepartement betreft € 6 mln afdracht.

Door de vrijval van de voorziening planmatig onderhoud en de voorziening stelselverbetering vinden mutaties in het eigen vermogen plaats, die aangemerkt worden als eenmalige storting door het moederdepartement. Deze mutaties zijn de in 2007 gevormde bestemmingsreserves (€ 103,6 mln), de toevoeging van het restant van de voorziening planmatig onderhoud (€ 17,8 mln) aan de exploitatiereserve, de vrijval van de voorziening stelselverbetering (€ 2,4 mln) en de bijdrage uit de bestemmingsreserve apparaat Brandveiligheid (– € 8,2 mln).

De aflossingen op leningen bestaat uit het saldo van de aflossing op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën (€ 297,293 mln) en de omzetting van een deel van de voorziening planmatig onderhoud in een lening (€ 152,965 mln).

Alleen voor de investeringen in huisvestingsprojecten en voor de terugbetaling van de voorfinancieringen wordt een beroep op de leenfaciliteit gedaan.

De samenstelling van het «Beroep op leenfaciliteit» is als volgt:

Beroep op de leenfaciliteit(Bedragen in € 1 000 000)
Beroep leenfaciliteit 1e tot en met 3e kwartaal 2007 360,7
Beroep leenfaciliteit 4e kwartaal 2006+/+52,7
Beroep leenfaciliteit conform Financiën 413,4
Beroep leenfaciliteit 4e kwartaal 2007 minus 4e kwartaal 2006-/-– 168,7
Beroep leenfaciliteit 2007 conform Rgd 582,1

Het te verwachten beroep op de leenfaciliteit voor het 4e kwartaal 2007 is derhalve € 221,4 mln.

Baten-lastendienst: Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Informatie over de doelmatigheid van de NEa

De Nederlandse Emissieautoriteit heeft één opdrachtgever, de directie Klimaatverandering en Industrie (KvI), onderdeel van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De eigenaar van de Nederlandse Emissieautoriteit is de plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Naast de reguliere werkzaamheden is in 2007 het project Toetsing en Vergunningverlening 2008 (ToVer CO2) uitgevoerd. Om de nieuwe Europese monitoringseisen, de nieuwe definitie van verbrandingsinstallatie en de opt-in voor lachgas (N2O) te implementeren, werden op 1 januari 2008 187 nieuwe vergunningen verleend, 168 monitoringsplannen geactualiseerd en 40 emissievergunningen CO2 ingetrokken. In de begroting voor 2007 werd nog uitgegaan van 300 monitoringsplannen en 400 nieuwe vergunningen, maar dat was destijds een grove inschatting omdat de regelgeving uit Brussel nog niet bekend was.

Als gevolg van het groeiende aantal vergunningplichtige bedrijven en het groeiende aantal taken is de workload in 2007 toegenomen. Door de beperkte formatieruimte werd een deel van de reguliere werkzaamheden uitgevoerd door ingehuurde krachten. De inhuur was uiteindelijk iets lager dan begroot, met name in het project ToVer CO2. De materiële kosten vielen lager uit, met name door lagere ICT kosten en een lagere afname van facilitaire diensten van het kernministerie.

Met ingang van 1 januari 2008 heeft de NEa de definitieve status van baten-lastendienst gekregen.

In 2007 is het kwaliteitszorgsysteem van de NEa verder uitgewerkt en dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een certificering NEN-EN-ISO 9001:2000 per 21 december 2007.

Prestaties t.a.v. kwaliteitsindicatoren in 2007
IndicatorPrestatie 2007Prestatie 2006
Vergunningverlening: % vergunningen verleend binnen wettelijke termijn64%93%
Vergunningverlening: aantal dossiers van bedrijven in onderhoud295293
Registratie Emissiehandel: % rekening voor bedrijven geopend binnen wettelijke termijn100%100%
Registratie emissiehandel: % registers CO2 en NOx online100%>99%
Toezicht en handhaving: aantal uitgevoerde audits bij bedrijven10488
Toezicht en handhaving: aantal uitgevoerde adhoc-onderzoeken bij bedrijven6573
Algemeen: aantal klachten over uitoefening taken NEa00
Tarieven:  
Laag€ 75€ 119
Midden€ 120€ 143
Hoog€ 142€ 160

De daling in het tijdig verlenen van vergunningen is hoofdzakelijk het gevolg van hoge werkdruk. De uitvoering van het project ToVer CO2 en een forse stijging in het aantal meldingen was hiervan de oorzaak.

Het gehanteerde kostprijsmodel is met ingang van 2007 gewijzigd, waardoor ook de tarieven zijn gewijzigd. De uurtarieven voor 2007 zijn derhalve niet vergelijkbaar met de tarieven uit 2006. In de nieuwe uurtarieven zijn alleen personele kosten verwerkt. De materiële kosten worden voortaan als opslag doorberekend in de kostprijzen voor producten en diensten.

Hoewel de wijziging in het kostprijsmodel de vergelijking van kostprijzen tussen 2006 en 2007 onzuiver maakt, kan wel worden vermeld dat de kostprijzen voor audits, diepte-onderzoeken en ad-hoc onderzoeken lager zijn vastgesteld. Voor de overige producten is sprake van een hogere kostprijs per product. Over het geheel gezien is sprake van een gering lager vastgestelde gemiddelde kostprijs.

Overzicht producten die in aantallen worden afgerekend (exclusief ToVer CO2)
ProductRealisatie 2007Kostprijs per eenheid 2007 in €Realisatie 2006Kostprijs per eenheid 2006 in €
Audits1047 532,359810 361,84
Diepte-onderzoeken439 214,89243 063,33
Ad-hoc onderzoeken654 445,10705 697,19
Controle emissiejaarverslagen761 228,28  
Vergunningsaanvragen3012 246,13147 123,54
Onderhoud dossier2951 827,252931 723,67
Helpdesk en registeradministratie6071 001,68545665,05

De NEa heeft het verantwoordingsjaar 2007 afgesloten met een positief resultaat van € 0,5 mln. In 2008 zal een analyse van dit relatief hoge resultaat plaatsvinden, teneinde inzicht te krijgen in de oorzaken hiervan, onderverdeeld naar bereikte efficiencyverbeteringen en wijze/hoogte van tariefsstelling/kostprijzen in relatie tot de daadwerkelijke kosten om de producten van de NEa te leveren.

Algemeen

Deze jaarrekening is opgesteld volgens de voorschriften van de Comptabiliteitswet (CW) en de nadere uitwerking hiervan in de Rijksbegrotingvoorschriften (RBV), de Regeling Departementele Begrotingsadministratie (RDB) en de Regeling Baten-lastendiensten 2007.

Samenvattende verantwoordingsstaat 2007 inzake baten-lastendienst Nederlandse Emissieautoriteit van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)(x € 1000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Nederlandse Emissieautoriteit   
    
Totale baten6 8446 085– 759
Totale lasten6 8445 577– 1 267
Saldo van baten en lasten0508508
    
Totale kapitaalontvangsten1530– 153
Totale kapitaaluitgaven424279– 145

Balans van de baten-lastendienst NEa per 31 december 2007

Balans per 31 december 2007(x € 1000)
 31 december 200731 december 2006
ACTIVA  
Vaste activa  
Immateriële vaste activa565816
Materiële vaste activa:  
Inventaris1623
 581839
   
Vlottende activa  
Voorraden10
Debiteuren en overige vorderingen869784
Overlopende activa80
 878784
   
Liquide middelen1 2931 115
   
TOTAAL ACTIVA2 7522 738
PASSIVA  
   
Eigen vermogen  
Exploitatiereserve710
Onverdeeld resultaat50871
 57971
Langlopende schulden  
Leenfaciliteit Financiën529808
   
Kortlopende schulden  
Crediteuren90689
Overige schulden en overlopende passiva1 5541 170
 1 6441 859
   
TOTAAL PASSIVA2 7522 738

Toelichting op de opmerkelijke verschillen

Debiteuren

Deze post bestaat uit een vordering op de eigenaar alsmede een nog te ontvangen bedrag van de opdrachtgever inzake meer geleverde producten.

Liquide middelen

De stijging in de liquide middelen is het gevolg van het project ToVer CO2 . Dit project loopt door in 2008, maar het totale begrote bedrag is al in 2007 ontvangen.

Eigen vermogen

Het positieve resultaat over 2006 is in 2007 toegevoegd aan het eigen vermogen. Het positieve resultaat over 2007 is in de jaarrekening gepresenteerd als onverdeeld resultaat. Dit onverdeelde resultaat zal in 2008 deels worden toegevoegd aan het eigen vermogen en deels worden afgedragen aan het ministerie van Financiën.

Leenfaciliteit Financiën

In 2007 is er geen beroep gedaan op de leenfaciliteit van het ministerie van Financiën. Vanwege het niet gelijk lopen van de aflossing van de lening met de economische levensduur van de activa dient er een correctie van de aflossing plaats te vinden. De correctie is meegenomen in de jaarrekening. Over deze correctie en de aanpassing van het aflossingsschema zal in 2008 met het ministerie van Financiën overleg plaatsvinden.

Kortlopende schulden

De post crediteuren is fors lager dan in voorgaand jaar. Eind 2007 waren nog niet alle facturen ontvangen. De post overige schulden en overlopende passiva is hierdoor gestegen ten opzichte van het 2006. Deze post betreft met name nog te betalen bedragen en het voorschot voor uitvoering van het project ToVer CO2. Hierin is ook de verrekening van de extra aflossing 2006/2007 ten aanzien van de leenfaciliteit, die eerst in 2008 zal plaatsvinden, verwerkt.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen (bedragen x € 1)

In 2008 draagt de NEa het eigen vermogen af voor zover dit de norm van 5% over de gemiddelde omzet over 2 jaar overstijgt. Over 2007 dient de NEa € 322 008 af te dragen.

De huisvesting van de NEa maakt onderdeel uit van de leveringsovereenkomst met de Gemeenschappelijke Dienst (GD) van het kernministerie. De GD is op 1 augustus 2005 een onderverhuurovereenkomst met de VWA aangegaan voor een periode van 36 maanden. De gebruikersvergoeding bedraagt € 201 096 per jaar, inclusief de facilitaire voorzieningen. Deze vergoeding wordt jaarlijks aangepast conform de Consumentprijsindex.

Met Getronics PinkRoccade is een tweejarig contract afgesloten voor applicatie- en technisch beheer van de NEa systemen. De kosten bedragen € 339 517 per 12 maanden. Dit contract loopt tot 1 mei 2008.

Met DEFRA is een overeenkomst aangegaan die de «licence fee» en de «service fee» voor de NEa regelt. Per fee wordt € 70 000 per jaar berekend.

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007

Gespecificeerde verantwoordingsstaat 2007 baten-lastendienst Nederlandse Emissieautoriteit(x € 1000)
 (1)(2)(3)=(2)-(1)
OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
Baten   
Opbrengsten moederdepartement6 8446 026– 818
Opbrengsten derden01010
Rentebaten04949
Totaal baten6 8446 085– 759
    
Lasten   
Apparaatskosten:   
– personele kosten3 8033 593– 210
– materiële kosten2 7351 703– 1 032
Rentelasten3523– 12
Afschrijvingskosten:   
– materieel473
– immaterieel267251– 16
Totaal lasten6 8445 577– 1 267
    
Saldo van baten en lasten0508508

Toelichting op de gespecificeerde verantwoordingsstaat

Opbrengsten moederdepartement

De uiteindelijke realisatie over 2007 was ruim € 0,8 mln lager dan begroot. Dit komt grotendeels door het doorschuiven van werkzaamheden voor het project ToVer CO2 naar 2008.

Apparaatskosten NEa

De personele kosten waren door openstaande vacatures, een efficiënte uitvoering van ToVer CO2 en het doorschuiven van werkzaamheden lager dan begroot. De lagere materiële kosten kwamen door lagere kosten voor ICT en een kleinere afname van facilitaire diensten van het kernministerie.

Rentelasten

Eventuele consequenties voor de rentelasten als gevolg van de correctie op de aflossingen 2006/2007, zijn nog niet meegenomen in afwachting van advies van het ministerie van Financiën.

Kasstroomoverzicht voor het jaar 2007(x € 1000)
  (1)(2)(3)=(2)-(1)
 OmschrijvingOorspronkelijk vastgestelde begrotingRealisatieVerschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
1.Rekening-courant RHB 1 januari 200701 1151 115
     
2.Totaal operationele kasstroom281457176
     
3a -/-Totaal investeringen– 1530153
3b +/+Totaal boekwaarde desinvesteringen000
3.Totaal investeringskasstroom– 1530153
     
4a -/-Eenmalige uitkering aan moederdepartement000
4b +/+Eenmalige storting door moederdepartement000
4c -/-Aflossingen op leningen– 271– 279– 8
4d +/+Beroep op leenfaciliteit1530– 153
4.Totaal financieringskasstroom– 118– 279– 161
     
5.Rekening courant RHB 31 december 2007(=1+2+3+4)(maximale roodstand 0,5 mln euro)101 2931 283

Operationele kasstroom

Bij het bepalen van de operationele kasstroom is uitgegaan van het saldo van baten en lasten, dat is gecorrigeerd voor de afschrijvingen en de mutaties in de balansposten kortlopende activa en passiva.

Financieringskasstroom

De aflossingen op leningen bestaan uit de aflossing op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën inclusief de extra aflossing over de jaren 2006/2007.

Publicatie Personele Topinkomens

Op grond van artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Stb. 2006, 95) is een overzicht opgenomen van medewerkers die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare loon van de ministers. Dit gemiddelde belastbare jaarloon is voor 2007 vastgesteld op € 169 000. Bij het ministerie van VROM zijn geen functionarissen die in aanmerking komen voor deze publicatieplicht.

D. BIJLAGEN

BIJLAGE 1: TOEZICHTRELATIES EN ZBO’S/RWT’S

Binnen VROM houdt de afdeling TopZO (Toezicht op Zelfstandige Organen) toezicht namens de minister van VROM op de continuïteit van de bedrijfsvoering en de kwaliteit van de taakuitoefening van de zelfstandige organen VROM. Binnen VROM is een strikte scheiding tussen enerzijds beleidssturing en anderzijds toezicht op de zelfstandige organen doorgevoerd. Het toezicht wordt ingevuld op basis van de toezichtvisie van TopZO met als titel «toezicht op basis van vertrouwen». Dit is een herijking van «Toezichtvisie op zelfstandige organen VROM», uit het jaar 2003. Aansluiting is gezocht bij de Kaderwet ZBO’s (Staatsblad 2006, nr. 576) en de vernieuwde Kaderstellende Visie op Toezicht (Kamerstukken II, 2005–2006, 27 831, nr. 15), tevens zijn de uitkomsten van het onderzoek «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 5» (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 850, nr. 9) van de Algemene Rekenkamer in deze vernieuwde visie verwerkt. Ter concretisering van de verantwoording- en toezichtrelatie tussen VROM en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) zijn in de meeste gevallen actuele toezichtarrangementen, inclusief een Informatie- en Controleprotocol, beschikbaar.

Jaarlijks voert TopZO voor ieder ZBO/RWT een risico-analyse uit. In de risico-analyse wordt gekeken naar het presteren van ieder afzonderlijk ZBO/RWT op vier aandachtsgebieden: kwaliteit taakuitoefening, continuïteit bedrijfsvoering, stabiliteit beleidsterrein en kwaliteit sturingsrelatie. Aandachtspunten uit de risico-analyse bepalen in belangrijke mate de inhoud van het toezicht. Daarnaast vinden reguliere activiteiten plaats als beoordeling van de begroting, jaarstukken en in voorkomende gevallen tariefsvoorstellen en andere taken en bevoegdheden zoals in instellingswetten bepaald. De intensiteit van het toezicht wordt gerelateerd aan de maatschappelijke betekenis (bijdrage aan publieke taken) en omvang (in geld en mensen) van een zelfstandig orgaan. De risico-analyse is een methodiek die VROM helpt bij invulling van selectief toezicht op de ZBO’s/RWT’s.

Begin 2008 is de Kamer geïnformeerd over de mededeling ZBO’s op grond van artikel 42 Kaderwet ZBO’s (Kamerstukken II, 2007–2008, 25 268, nr. 52 en nr. 54). Op grond van dit artikel werden alle ministeries verplicht om voor 1 februari 2008 aan het parlement aan te geven welke ZBO’s onder de werking van de Kaderwet worden gebracht. Besloten is de bestaande ZBO’s van VROM (Kadaster en SBA) en WWI (CFV en de Huurcommissies) onder de werking van deze wet te brengen. Het aantal afwijkingen van de wet is minimaal te noemen en komen voort uit het instellingsmotief (HC’s) of de aard van de organisatie (Kadaster).

In het verslagjaar 2007 zijn de jaarrekeningen 2006 en de begrotingen voor het jaar 2008 van onderstaande ZBO’s/RWT’s door de minister goedgekeurd, dit is inclusief in voorkomende gevallen een wijziging van de tarieven.

Geconcludeerd kan worden dat de publieke taakuitoefening door de zelfstandige organen van VROM van een adequaat kwaliteitsniveau is en dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor deze organisaties gewaarborgd is. VROM/WWI is in control wat betreft zijn zelfstandige organen.

Het Kadaster heeft over het jaar 2007 een negatief exploitatieresultaat behaald. De tarieven zijn zowel in 2006 als in 2007 met gemiddeld 10% verlaagd met als doel het in voorgaande jaren opgebouwde eigen vermogen te doen dalen tot het normniveau. Een onvoorziene daling van en verschuiving binnen het werkaanbod in combinatie met investeringen ten behoeve van nieuwe taken en organisatie-ontwikkeling heeft echter geleid tot een groter negatief resultaat dan geraamd (circa € 70 mln). Dit kan worden opgevangen binnen het eigen vermogen. Ter compensatie zijn de tarieven voor 2008 verhoogd met gemiddeld 5% (inclusief inflatiecorrectie). De verwachting is dat op termijn de bedrijfslasten zullen dalen ten gevolge van de investeringen die thans worden gepleegd ten behoeve van de organisatie-ontwikkeling.

Toezichtbevindingen omtrent doeltreffendheid en doelmatigheid van de geleverde prestaties, inclusief de constatering dat de jaarcijfers een getrouw en rechtmatig beeld weergeven, worden gerapporteerd aan de minister. Deze bevindingen vormen een vast onderdeel van het bestuurlijk overleg tussen minister en bestuur van een ZBO/RWT. Jaarlijks stelt TopZO een toezichtrapportage op, met daarin een overzicht van de toezichtbevindingen in het verslagjaar, inclusief verrichte activiteiten. De Tweede Kamer ontvangt reeds een afschrift van de jaarverslagen van de meeste ZBO’s/RWT’s, met daarin een uitgebreide beschrijving van de wettelijke taak, het feitelijk presteren op de te onderscheiden operationele doelstellingen en informatie over de bedrijfsvoering, governance aspecten, relatie met belanghebbenden en bezoldiging van het bestuur. Daarnaast staan de jaarverslagen van de betreffende organisaties op internet.

Hieronder volgt een overzicht van de ZBO’s en RWT’s die onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM vallen per 31 december 2007. Hierbij wordt tevens aangegeven aan welke beleidsdoelstellingen van VROM deze organisaties een bijdrage hebben geleverd.

Naam organisatieRWTZBOWettelijke TaakBegrotingsartikel(en)Raming (x 1 000)Realisatie (x 1 000)URL
Dienst voor het Kadaster en de openbare registersxxHet bijhouden van de openbare registers en kadastrale registratie en het cartografisch weergeven van geografische basisgegevens. Het verstrekken van inlichtingen aan belanghebbenden.Artikel 14 AlgemeenN.v.t.N.v.t.www.kadaster.nl
Centraal Fonds voor de VolkshuisvestingxxHet houden van financieel toezicht op corporaties en de sector als geheel. Daarnaast verstrekking van sanerings- en projectsteun in het belang van de volkshuisvesting.Artikel 1 Bevorderen van een goed werkende woningmarktN.v.t.N.v.t. www.cfv.nl
College Toelating BestrijdingsmiddelenxxBesluitvorming omtrent de toelating van bestrijdingsmiddelen in Nederland.Artikel 7 Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem€ 360€ 360www.ctb-wageningen.nl
Huurcommissies xHet doen van uitspraken in geschillen ten aanzien van aanvangshuur, huurstijgingen en servicekosten. Tevens huurprijstoetsing in het kader van een huursubsidie-aanvraag.Artikel 3 Garanderen van keuze-mogelijkheden en betaalbaarheid op de woningmarktDe kosten van het ZBO maken integraal deel uit van het secretariaat HC (zie Apparaat DGW, artikel 3).N.v.t.www.vrom.nl
Stichting Advisering Bestuursrechtspraakx Het op verzoek van de bestuursrechter uitbrengen van onafhankelijke deskundigenberichten op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening.Artikel 14 Algemeen€ 4 746€ 5 063www.stab.nl
Stichting Bureau ArchitectenregisterxxBeheren van het architectenregister.Artikel 13 Rijkshuisvesting en architectuurN.v.t.N.v.t.www.architectenregister.nl
Fonds Luchtverontreinigingx Uitvoeren van een schade- vergoedingsregeling voor niet-verhaalbare schade als gevolg van luchtverontreiniging.Artikel 6 Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreinigingN.v.t.N.v.t.N.v.t.

BIJLAGE 2: TOEZEGGINGEN (AANBEVELINGEN) ALGEMENE REKENKAMER

De Algemene Rekenkamer heeft in haar rapport bij het Jaarverslag 2006 aanbevelingen gedaan. Naar aanleiding hiervan hebben de bewindslieden toezeggingen gedaan. Hieronder wordt mededeling van de voortgang van deze toezeggingen gedaan. In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt melding gemaakt van acties in 2008, indien daartoe aanleiding is.

Onvolkomenheden financieel beheer en materieel beheer

Aanbeveling Algemene Rekenkamer:

Met betrekking tot de financiële functie: uitvoering lopende verbetertrajecten voortzetten, werking interne controle verbeteren, zorgdragen voor toereikende beheersing van de veranderingen rond integratie nieuwe beleidsterreinen en vorming begrotingshoofdstuk Wonen, Wijken en Integratie.

Toezegging VROM:

De ministers hebben in algemene zin aangegeven de aanbevelingen over te nemen, waarbij zo veel mogelijk aangesloten wordt bij lopende of nog te plannen verbeteracties. Daarbij worden prioriteiten gesteld.

Voortgang toezegging:

De toezeggingen zijn grotendeels gerealiseerd, waardoor de grootste risico’s m.b.t. de financiële handelingen in opzet afgedekt zijn. In de bedrijfsvoeringsparagraaf van dit jaarverslag, onderdeel «rechtmatigheid» kunt u nalezen of de werking van de administratieve organisatie en de control daarop toereikend (binnen de rapporteringstoleranties) heeft gefunctioneerd.

Aanbeveling Algemene Rekenkamer:

Met betrekking tot ICT-beheer en informatiebeveiliging: lopende trajecten voortzetten, specifieke en tijdgebonden afspraken maken met de leverancier van ICT-diensten, benodigde verbeteringen prioriteren.

Toezegging VROM:

De ministers hebben in algemene zin aangegeven de aanbevelingen over te nemen, waarbij zo veel mogelijk aangesloten wordt bij lopende of nog te plannen verbeteracties. Daarbij worden prioriteiten gesteld en niet gegarandeerd dat de onvolkomenheid ultimo 2007 is opgelost. De minister van VROM heeft in haar brief van 28 augustus 2007 de Tweede Kamer geïnformeerd, welke verbeteracties worden ingezet en toegezegd dat ultimo 2008 zal worden voldaan aan de rijksbrede kwaliteitseisen (=inclusief de contractuele kwaliteitseisen door de externe leverancier voor zowel de ICT-infrastructuur als voor het beheer.

Voortgang toezegging:

In de bedrijfsvoeringsparagraaf van dit jaarverslag, onderdeel «financieel en materieel beheer/overig» kunt u nalezen of de review van de Auditdienst op de audit naar opzet, bestaan en werking van de overeengekomen kwaliteitseisen met de externe dienstverlener aanleiding is om uitzonderingen op de toezegging aan de Tweede Kamer te rapporteren.

Aanbeveling Algemene Rekenkamer:

Met betrekking tot het financieel beheer van de personele uitgaven, beschrijving processen afronden, zorgdragen voor beter beheer rond toekenning niet reguliere toeslagen, zorgdragen voor beter beheer rond digitalisering personeelsdossiers.

Toezegging VROM:

De ministers hebben in algemene zin aangegeven de aanbevelingen over te nemen, waarbij zo veel mogelijk aangesloten wordt bij lopende of nog te plannen verbeteracties. Daarbij worden prioriteiten gesteld..

Voortgang toezegging:

De toezeggingen zijn grotendeels gerealiseerd, waardoor de grootste risico’s m.b.t. de financiële handelingen in opzet afgedekt zijn. In de bedrijfsvoeringsparagraaf van dit jaarverslag, onderdeel «rechtmatigheid» kunt u nalezen of de werking van de administratieve organisatie en de control daarop toereikend (binnen de rapporteringstoleranties) heeft gefunctioneerd

Overige aandachtspunten:

Aanbeveling Algemene Rekenkamer:

Met betrekking tot de informatiebeveiliging van de Rijksgebouwendienst, het zichtbaar maken welke informatiebeveiligingsmaatregelen per ICT-systeem genomen zijn.

Toezegging VROM:

De ministers hebben in algemene zin aangegeven de aanbeveling op het aandachtspunt van de Algemene Rekenkamer over te nemen, waarbij zo veel mogelijk aangesloten wordt bij lopende of nog te plannen verbeteracties. Daarbij worden prioriteiten gesteld.

Voortgang toezegging:

In haar rapport audit IB maatregelen maakt de Rgd het bestaan van de informatiebeveilingsmaatregelen zichtbaar en kondigt zij een vervolgaudit aan naar de werking in 2008. In 2008 zal een herwaardering van de belangrijkste systemen middels geactualiseerde A&K-analyses worden opgeleverd, waarbij topdown geanalyseerd en vastgesteld zal worden of er extra beveiligingsmaatregelen getroffen dienen te worden boven het met de externe dienstverlener afgesproken basisniveau.

Beleidsinformatie

Aanbeveling Algemene Rekenkamer:

Met betrekking tot de VBTB-conformiteit van begroting en jaarverslag, meer meetbare en tijdgebonden prestatie- en effectindicatoren benoemen en in het jaarverslag concreter terugkomen op de realisatiewaarden.

Toezegging VROM:

De minister neemt de aanbeveling over, voor zover dat dienstbaar is aan het politieke debat.

Voortgang toezegging:

Met de brief van 19 juni 2006 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 949, nr. 43) heeft VROM de Tweede Kamer geïnformeerd over de mate waarin de ontwerpbegroting 2007 relevante en zinvolle gegevens over het realiseren van de beschreven maatschappelijke brutoeffecten zal bevatten. Zoals in de brief van de minister van Financiën aan de Kamer van 15 februari 2008 is opgenomen zullen VROM en WWI met ingang van het jaarverslag 2008 deelnemen aan het experiment met de jaarverslagen. In het experiment wordt meer focus gegeven aan de politiek relevante doelstellingen.

BIJLAGE 3: OVERZICHT NIET-FINANCIËLE INFORMATIE OVER INKOOP VAN ADVISEURS EN TIJDELIJK PERSONEEL (INHUUR EXTERNE)

Uitgaven voor inkoop van adviseurs en tijdelijk personeel (inhuur externen) conform definitie Informatiestatuut 2007 – bijlage 4

Ministerie: Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Verslagjaar: 2007

Uitgaven in 2007 (x € 1 000)
Programma- en apparaatskosten 
1. Interim-management2 452
2. Organisatie- en Formatieadvies526
3. Beleidsadvies2 031
4. Communicatieadvisering1 954
  
Beleidsgevoelig (som 1 t/m 4)6 964
5. Juridisch Advies1 319
6. Advisering opdrachtgevers automatisering10 634
7. Accountancy, financiën en adminstratieve organisatie11 367
  
(Beleids)ondersteunend (som 5 t/m 7)23 320
8. Uitzendkrachten (formatie & piek)39 436
  
Ondersteuning bedrijfsvoering39 436
  
Totaal uitgaven inhuur externen69 720

Van het totaal bedrag van € 69,7 miljoen heeft een bedrag van € 10,4 miljoen euro betrekking op inhuur externen (in termen van kosten) van agentschappen en planbureaus, die het baten-lasten stelsel hanteren. De overige 59,3 mln is in termen van het kas-verplichtingenstelsel (uitgaven).

BIJLAGE 4: HORIZONTALE OVERZICHTSCONSTRUCTIE INTEGRATIEBELEID ETNISCHE MINDERHEDEN

(bedragen x € 1 000)
DoelOperationele doelstellingDep. artikelMaatregelBeoogd effect volgens Ontwerpbegroting 2007In 2007 bereikt effectOntwerp-begr. 2007Realisatie 2007Perc.(*)Toelichting
Inburgering        
Het bewerkstelligen dat oud- en nieuwkomers hun inburgeringstrajecten afronden cq. deel nemen aan het inburgeringsexamenWWI 16.3.1 en 17.3.2Inburgering nieuwkomers en oudkomers. Vanaf 2007 wordt het nieuwe stelsel inburgering van kracht. Beheersing van de Nederlandse taal en kennis van waarden en normen bij de doelgroepen van het inburgeringsbeleidIndicatoren in 2007:Buitenland14 400 basisexamens buitenland;10 800 geslaagdenNederland15 000 nieuwkomers en 11 000 oudkomers hebben traject afgerond.Gebleken is dat de wet door gemeenten als ingewikkeld wordt ervaren en dat vertraging is opgetreden bij de inkoop van inburgeringstrajecten en de instroom van cursisten. Hierdoor is de realisatie in 2007 bij de G31 en niet-G31 fors achtergebleven bij de ambities.In het najaar van 2007 is het voor de niet-G31 gemeenten mogelijk gemaakt om het niet besteedde budget in 2007 alsnog te besteden in 2008 en 2009.Indicatoren in 2007:Buitenland8 600 basisexamens buitenland; 7 500 geslaagdenNederland13 000 nieuwkomers en 10 500 oudkomers hebben traject afgerond.304 241362 308100Mede op basis van de door de gemeenten geformuleerde ambities zijn de beschikbare middelen over de gemeenten verdeeld. De G31 zijn bekostigd voor een periode van 3 jaar (2007–2009) via de Brede doeluitkering Sociaal Integratie en Veiligheid. Aan de overige gemeenten (niet-G31) zijn de middelen oorspronkelijk voor één jaar toegekend. In het najaar van 2007 is het voor de niet-G31 gemeenten mogelijk gemaakt om het niet besteedde budget in 2007 alsnog te besteden in 2008 en 2009 om te voorkomen dat de vertraging ten koste gaat van het aantal inburgeraars dat een voorziening kan worden aangeboden.
Het bewerkstelligen dat oud- en nieuwkomers hun inburgeringstrajecten afronden cq. deel nemen aan het inburgeringsexamenWWI 16.3.1Inburgering nieuwkomers en oudkomers.Leenfaciliteit 27 074323 In het nieuwe inburgeringsstelsel gaat een deel van de inburgeringspichtigen zelf betalen voor hun inburgeringscursus. De overheid ondersteunt dit door een kredietfaciliteit open te stellen waar de cursisten hun cursusbedrag kunnen lenen. Deze leningen zijn niet relevant voor het uitgavenkader, noch voor het EMU-saldo.
Het verkleinen van de economische, sociale, en culturele afstand tussen migranten en hun kinderen en autochtonen door het vergroten van de economische, sociale en culturele participatieWWI 16.3.2Lokaal integratiebeleid.Gemeenten stellen een samenhangende integratie-agenda op met behulp van de integratiekaart. 751465100De minister voor WWI heeft een coördinerende rol.
Arbeid & werkgelegenheid        
Het zekerstellen van de kwaliteit van het personeel en het materieel binnen de organisatie van de brandweer en de GHORBZK 16.4In het kader van diversiteitbeleid en imagoverbetering wordt in het door BZK en Europa gesubsidieerde project «De brandweer van Binnen naar Buiten» door middel van diverse projecten gewerkt aan een cultuuromslag binnen de brandweerorganisaties opdat vrouwen en minderheden een vast onderdeel vormen van de beroepspopulatie.Vergroting aandeel minderheden bij de Brandweer.Het project «De brandweer van Binnen naar Buiten» is in 2007 afgerond en afgesloten met een eindcongres.120 20Ongeveer 50% van de beschikbare middelen wordt generiek besteed aan de cultuuromslag. De overige 50% is gericht op specifieke doelgroepen, waaronder etnische minderheden.
Het verkleinen van de economische, sociale, en culturele afstand tussen migranten en hun kinderen en autochtonen door het vergroten van de economische, sociale en culturele participatieWWI 16.3.2Cofinanciering van subsidiëring door vakministers van projecten om allochtonen zoveel mogelijk aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Niet alleen in absolute aantallen, maar ook naar leeftijd en opleidingsniveauVerbetering van de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden. 553208100 
Het kabinet heeft besloten de komende jaren actief in te zetten op het stimuleren van werkgevers tot het voeren van «diversiteitsmanagement» binnen het human resource management van bedrijven en instellingen.SZW 22.3Oprichten van een Landelijk Centrum Diversiteit (Div).Diversiteitsmanagement is gericht op het bereiken van de gewenste diversiteit van het personeelsbestand naar etniciteit, leeftijd en sexe.Div heeft werkgevers geadviseerd over het belang van diversiteit op de werkvloer. Hierbij maakte Div gebruik van relaties als werkgeversorganisatie AWVN, CWI, in het bijzonder de CV-bank voor Hoger Opgeleide Allochtonen (HOA) en FORUM.  50Dit beleid wordt ingezet als follow-up van de per 31 december 2003 geëindigde Wet Samen.
Vergroten van de netto-arbeidsparticipatie van etnische minderheden.SZW 22.3– Follow-up BIMB– Regiegroep allochtone vrouwen en arbeid– Empowerment allochtone jongeren – Follow up BIMB: In 2007 zijn er zo’n 12 projecten gefinancierd. Bij de besteding van de middelen is specifieke aandacht besteed aan de problematiek van alloch-tone jongeren. Er is vooral geïnvesteerd in coaching en empowerment. Ruim 500 jongeren zijn gecoacht en/of hebben een empowermenttraject doorlopen. In samenwerking met VMBO scholen zijn er stagemethodieken voor allochtone leerlingen ontwikkeld. Verder hebben scholen beproefde empowerment-methodieken in hun lesprogramma’s opgenomen. Via het bij CWI gevestigde servicepunt Hoger Opgeleide allochtonen (HOA) zijn 50 jongeren naar een stage bemiddeld.  100 
    – Regiegroep allochtone vrouwen en arbeid: Er is met betrokkenheid van werkgevers en CWI een werkwijze ontwikkeld voor het ophalen van vacatures voor de doelgroep en het matchen van vraag en aanbod; Samenhang is gebracht in activiteiten inhet kader van de inburgeringstrajecten voor allochtone vrouwen, vrijwilligerswerk en de activiteiten van de regiegroep.Acht gemeenten zijn geactiveerd om met subsidie te experimenteren met methodieken om de re-integratie van allochtone vrouwen een impuls te geven. Hieruit voortgekomen is een handreiking «allochtone vrouwen en arbeid» voor gemeenten.    
Verhogen van arbeidsparticipatie van vluchtelingen.SZW 22.3Project Banenoffensief (ondersteunen van VWN, Emplooi, UAF en CWI).2 600 vluchtelingen extra bemiddelen naar een arbeidsplaats.VluchtelingenWerk Nederland, Stichting Emplooi, Stichting voor vluchtelingstudenten UAF en CWI zijn per 1 januari 2006 begonnen met het banenoffensief voor vluchtelingen (BOV). Het project duurt tot eind 2008. SZW subsidieert dit project met € 3 mln. Tot eind 3e kwartaal 2007 zijn 1 306 plaatsingen gerealiseerd. SZW geeft zelf het goede voorbeeld door vluchtelingen werkervaringsplaatsen aan te bieden. In 2006 hebben zes vluchte-lingen bij SZW een werkervaringsplaats gekregen. Deze mensen hebben inmiddels elders een vaste baan. SZW heeft in 2007 weer aan zes vluchtelingen een werkervaringsplaats geboden.627  Emplooi, VWN, UAF en CWI hebben een project ontwikkeld om 2 600 vluchtelingen extra te bemiddelen naar een arbeidsplaats van tenminste 6 maanden gedurende de periode 1 juli 2005 t/m 31 december 2008. Om dit te bereiken willen ze voor 5000–6000 vluchtelingen tot een reëel bemiddelingsperspectief komen; voor de meeste is daartoe een passend reïntegratietraject noodzakelijk. SZW steunt dit project.
Intensieve bemiddeling van allochtonen door samenwerking tussen CWI en uitzendbureau’s.SZW 22.3Afstemming tussen ABU en CWI gericht op intensieve bemiddeling. Loopt tot april 2006Meer moeilijk bemiddelbare allochtonen (veelal jongeren) aan werk of een traject helpen.Het project, dat is afgerond in 2006, heeft niet de gewenste resultaten heeft opgeleverd. Uitgangspunt van het ABU/CWI project was om 915 werkzoekende jongeren door te sturen naar het CWI en daarvan 640 in opleidingstrajecten te krijgen bij gemeenten. Daadwerkelijk zijn 132 jongeren doorgestuurd naar het CWI, waarvan nul naar de gemeente voor een inhaalslag. 100Algemene Bond Uitzendonderne-mingen (ABU) en CWI hebben in het kader van Ridderzaalbijeen-komst toegezegd een opzet te maken voor experimenten op een aantal locaties, om moeilijk bemiddelbare werkzoekenden (veelal jongeren zonder uitkering) die zich bij een uitzendbureau melden, via het CWI aan pas-sende scholing of ander reïntegratietraject te helpen.
Jeugd (en veiligheid)        
Het kabinet heeft voor de komende jaren de volgende drie prioriteiten op het emancipatieterrein. Vrouwen uit etnische minderheden behoren tot de doelgroep van het emancipatiebeleid.1. Versterken rechten en veiligheid;2. Vergroten van de netto-arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid;3. Positieverbetering in besluit vorming en bestuur.SZW 351. Er wordt uitvoering gegeven aan een plan van aanpak emancipatie en integratie van allochtone vrouwen en meisjes. De aandacht gaat in het bijzonder uit naar onderwijs, arbeidsmarkt en economische zelfstandigheid.2. De subsidieregeling emancipatieprojecten kent drie themarondes * (zie kolom toelichting):– Versterken rechten en veiligheid– Vergroten van de netto-arbeidparticipatie en economische zelfstandigheid– Positieverbetering in besluit vorming en bestuur1. Doel is samenwerkings-afspraken te maken over de gezamenlijke uitvoering met de G30;2. Doelgroep zijn vrouwen in een kwetsbare positie, de subsidie beoogt een verbetering van de positie van deze vrouwen op het gebied van maatschappelijke participatie. 3 700 75* niet geoormerkt voor etnische minderheden maar in de praktijk gaat wel een groot deel van het budget naar deze doelgroep.
Het bevorderen van een adequaat integraal veiligheidsbeleid als bedoeld in het VP.BZK 4.2Ondersteuning van gemeenten bij vormgeven van lokaal jeugd beleid (inzet Van Montfransgelden voor CCV-projecten en het Projectplan Veilige Gemeenten).Gemeenten besteden in de integrale aanpak nadrukkelijk aandacht aan jeugd en veiligheid. In 2007 heeft het CCV zich op de rol van gemeenten bij het jeugd en alcohol geconcentreerd. Er is samenwerking met het Trimbos Instituut gezocht, een factsheet ketenbeleid opgesteld en zijn diverse instrumenten voor het beteugelen van uitgaansgeweld door gemeenten ontwikkeld1 3611 36133Het CCV ondersteunt gemeenten in het jeugdbeleid als onderdeel van de cluster «Lokale Veiligheid». Tevens neemt het «Projectplan Veilige Gemeenten» in aanvulling op het GSB initiatieven voor middelgrote en kleine gemeenten met betrekking tot jeugd en veiligheid.
Het verkleinen van de economische, sociale, en culturele afstand tussen migranten en hun kinderen en autochtonen door het vergroten van de economische, sociale en culturele participatieWWI 16.3.2Bestuurlijke arrangementen Antillianengemeenten.De oververtegenwoordiging van Antilliaanse jongeren vwb schooluitval, criminaliteit en jeugdwerkeloosheid met de helft terugdringen in 4 jaarUit een eerste tussenrapportage blijkt dat de beschikbare middelen vooral zijn ingezet voor losstaande kortlopende initiatieven en projecten en dat de gestelde doelen vaak niet zijn bereikt. Om meer samenhang in de projecten aan te brengen en de resultaten te verbeteren is inmiddels een Taskforce geïnstalleerd.5 0006 094100Via arrangementen zijn 21 gemeenten in staat gesteld om afgestemd op hun specifieke lokale situatie projecten en activiteiten op te zetten en uit te voeren.
Het verkleinen van de economische, sociale, en culturele afstand tussen migranten en hun kinderen en aut