Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

  Pag.
   
A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL2
   
B.BEGROTINGSTOELICHTING3
1.Leeswijzer3
2.Het beleid9
2.1.De beleidsagenda9
2.2.De beleidsartikelen32
 Artikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging32
 Artikel 2. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur37
 Artikel 3. Klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging49
 Artikel 4. Milieukwaliteit van water en bodem60
 Artikel 5. Milieukwaliteit in de bebouwde leefomgeving76
 Artikel 6. Risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s85
 Artikel 7. (Inter)nationaal milieubeleid98
 Artikel 8. Externe veiligheid109
 Artikel 9. Handhaving en toezicht119
2.3.De niet-beleidsartikelen129
 Artikel 91. Algemeen129
 Artikel 92. Nominaal en onvoorzien138
 Bedrijfsvoeringsparagraaf139
   
3.Verdiepingshoofdstuk141
   
4.Begroting van de Nederlandse Emissieautoriteit151
   
5.Begroting van het Waddenfonds156
   
 Bijlage 1. ZBO’s en RWT’s (VROM-begroting 2009)164
 Bijlage 2. Overzichtsconstructie Milieu166
 Bijlage 3. Nalevingsstrategie VROM-Inspectie173
 Bijlage 4. Moties en Toezeggingen219
 Bijlage 5. Lijst van afkortingen248
 Bijlage 6. Trefwoordenregister250

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2009 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2009. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2009.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2009 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendienst)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendienst «Nederlandse Emissieautoriteit» voor het jaar 2009 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lasten stelsel voeren.

Wetsartikel 3 (begrotingsstaat van het Waddenfonds)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsartikel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Waddenfonds voor het jaar 2009 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2009. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2009.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2009 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. Leeswijzer

Voor u ligt de begroting 2009 van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). De memorie van toelichting van de VROM-begroting (XI) is opgebouwd uit de volgende onderdelen en is terug te vinden in de hoofdstukken:

2.1. De beleidsagenda

2.2. De beleidsartikelen

2.3. De niet-beleidsartikelen

3. Verdiepingshoofdstuk

4. Begroting van de Nederlandse Emissieautoriteit

5. Begroting van het Waddenfonds

Bijlage 1. ZBO’s en RWT’s

Bijlage 2. Overzichtsconstructie Milieu

Bijlage 3. Nalevingsstrategie VROM-Inspectie

Bijlage 4. Moties en Toezeggingen

Bijlage 5. Lijst van afkortingen

Bijlage 6. Trefwoordenregister

De (niet)beleidsartikelen van de programmabegroting van WWI kennen alleen de component programmageld. De apparaatsuitgaven worden geraamd op de VROM-begroting op het niet-beleidsartikel «Algemeen». Op dat artikel is inzichtelijk hoe de totale apparaatsinzet voor de beleidsdiensten wordt toegerekend aan de desbetreffende beleidsartikelen.

1.2. Experiment Verbetering verantwoording en begroting

Om te komen tot meer politieke focus en minder verantwoordingslasten werd in een brief aan de Tweede Kamer op 20 december 2007 een aantal voorstellen gepresenteerd. Tijdens een Algemeen Overleg op 6 februari 2008 ging de Tweede Kamer akkoord met deze plannen. Eén van de voorstellen heeft betrekking op het verantwoordingsproces. Omdat de verantwoording en de begroting nauw met elkaar samenhangen, heeft het voorstel ook betrekking op de begroting. Het Experiment Verbetering verantwoording en begroting wordt uitgevoerd bij zes begrotingen. Dit ministerie maakt deel uit van dit experiment. Het gevolg hiervan is dat deze begroting anders is opgebouwd dan voorheen. De veranderingen hebben betrekking zowel op de inhoud van de beleidsagenda als op de inhoud van de beleidsartikelen.

1.2.1. Beleidsagenda

De politieke focus wordt bereikt door de beleidsagenda in te delen volgens de beleidsprioriteiten van het Kabinet en daarover te rapporteren.

In de nieuwe opzet staat het beleidsprogramma Samen werken Samen leven van het Kabinet centraal. In de beleidsagenda worden de kabinetsdoelstellingen en/of projecten uitgebreid toegelicht. De toelichting omvat de inzet van de overheid, in principe toetsbare doelen, de beoogde effecten en een onderbouwing van de belangrijkste in te zetten instrumenten. Daarnaast wordt een beperkt aantal aanvullende beleidsprioriteiten toegelicht. Er wordt een zo nauwkeurig mogelijke koppeling gelegd tussen beleidsprioriteiten en beleidsartikelen.

Aan het einde van de beleidsagenda is een overzichtstabel opgenomen waarin per kabinetsdoelstelling en/of project inzichtelijk wordt wat devoortgang is, bij welke operationele doelstelling de prioriteit hoort, wat de geraamde uitgaven zijn tot 2011 en wat het gebudgetteerde belang is.

In het verlengde van het Coalitieakkoord en het beleidsprogramma van het Kabinet, is de beleidsagenda van VROM ingedeeld in de volgende prioriteiten:

• Project Schoon en Zuinig;

• Internationale klimaatagenda;

• Ontwikkeling van markten voor duurzame produkten;

• Mooi Nederland;

• Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten.

De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzichtstabel met daarin de beleidsmatig belangrijkste budgettaire mutaties en bijbehorende toelichting. Deze tabel geeft de aansluiting weer tussen de vorige begroting en de nu voorliggende ontwerpbegroting.

1.2.2. Beleidsartikelen

Per beleidsartikel worden de beleidsvoornemens uitgewerkt in operationele doelen en instrumenten. De ontwikkelingen van de uitgaven en de doelen die zij dienen worden volledig toegelicht en waar mogelijk in de tijd weergegeven en indien zinvol grafisch geïllustreerd. Dit betekent meer aandacht voor de instrumenten en voor de historische ontwikkeling van de uitgaven en prestaties om tot een goede onderbouwing van de uitgaven te komen.

De beleidsartikelen bevatten geen herhaling van hetgeen al in de beleidsagenda is opgenomen.

In de begroting worden de beleidsdoorlichting(en) van het desbetreffende jaar aangekondigd evenals de programmering voor de komende jaren. De beleidsdoorlichting(en) die in de tijd aansluit(en) op het traject van het jaarverslag, word(en) meegezonden bij de indiening van de verantwoording over het desbetreffende begrotingsjaar. Waar dit niet aansluit, wordt de beleidsdoorlichting separaat verzonden.

De VROM-begroting bestaat uit 9 artikelen waarvan 2 artikelen op het terrein van Ruimte, 5 artikelen op het terrein van Milieu en 2 brede artikelen op de terreinen externe veiligheid en handhaving. Daarnaast zijn er twee niet-beleidsartikelen te weten artikel 91 «Algemeen» en artikel 92 «Nominaal en onvoorzien». Op artikel 91 «Algemeen» worden behalve de apparaatsuitgaven voor de WWI-begroting en de apparaatsuitgaven voor Ruimte en Milieu ook de uitgaven voor de stafdirecties en de gemeenschappelijke bedrijfsvoering inzichtelijk gemaakt. Ten slotte staan op dit artikel ook uitgaven geraamd van een aantal instrumenten die niet een beleidsmatig doel hebben, die passen bij een van de beleidsartikelen.

«Nominaal en onvoorzien» is louter een administratief artikel waarop zaken worden geparkeerd die nog niet direct verdeeld kunnen worden over de andere artikelen.

In de beleidsartikelen komt het beleid voor de komende jaren aan bod. Elk artikel start met een omschrijving van de algemene beleidsdoelstelling. Hierbij wordt in algemene vorm consequent ingegaan op: omschrijving, verantwoordelijkheid, externe factoren en meetbare gegevens.

Daarna volgt de tabel «budgettaire gevolgen van beleid». Deze tabel geeft meer financieel inzicht op het gebied van begrotingsstanden. In de tabel is een cijfermatige uitsplitsing gemaakt van de «programmagelden». Dit artikelonderdeel «programma» wordt vervolgens weer opgedeeld naar de diverse operationele doelen die weer zijn opgebouwd uit een of meer (financiële) beleidsinstrumenten.

Onder de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» wordt grafisch inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit. Deze grafiek geeft inzicht in het nog te beïnvloeden deel van de uitgavenraming. Daarbij worden de verplichtingen gekarakteriseerd aan de hand van de categorieën «Juridisch verplicht», «Bestuurlijk verplicht» en «Beleidsmatig gebonden».

De categorie «Juridisch verplicht» bestaat uit verplichtingen waar een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijke beschikking of een wettelijke regeling aan ten grondslag ligt. De categorie «Bestuurlijk verplicht» bestaat uit verplichtingen waaraan afspraken ten grondslag liggen tussen verschillende ministeries, tussen de minister van VROM en/of andere bestuurslagen. De categorie «Beleidsmatig gebonden» bestaat uit geraamde uitgaven waarvoor de minister van VROM in het kader van de beleidsprogramma uitgaven heeft geoormerkt.

Ten opzichte van de vorige begroting is de grafiek uitgebreid. De mate van budgetflexibiliteit is nu weergegeven als een percentage en als het absolute bedrag.

De algemene beleidsdoelstelling van een artikel wordt geconcretiseerd met de beschrijving van de operationele doelen. Bij ieder operationeel doel wordt consequent ingegaan op: motivering, instrumenten en meetbare gegevens (prestaties en indicatoren). Ieder artikel wordt afgesloten met een overzicht van geplande beleidsonderzoeken.

1.3. Wijzigingen in de artikelstructuur

In deze begroting is een aantal wijzigingen in de artikelstructuur doorgevoerd. Het betreft de volgende wijzigingen:

• Het beleid met betrekking tot de architectuur is aan de deze begroting toegevoegd op artikel 2. Zowel de operationele doelstelling als het bijhorende instrument zijn toegevoegd. Dit beleid is afkomstig van de begroting voor WWI;

• Het instrument «Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied» onder de gelijknamige operationele doelstelling behorende tot artikel 4, is in deze begroting gesplitst in de instrumenten «Bevorderen via ruimtelijke maatregelen» en «Bevorderen via milieumaatregelen»;

• Het instrument «Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden» onder de gelijknamige operationele doelstelling behorende tot artikel 5, is in deze begroting gesplitst in de instrumenten «Integratie via ruimtelijke maatregelen» en «Integratie via milieumaatregelen»;

• Het instrument «Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium» onder de gelijknamige operationele doestelling behorende tot artikel 7, is gesplitst in de instrumenten «Adequaat generiek via ruimtelijke maatregelen», «Adequaat generiek milieuinstrumentarium» en «Adequaat generiek instrumentarium»;

• De operationele doelstelling en het gelijknamige instrument «Verzameluitkering» zijn aan artikel 91 van deze begroting toegevoegd. Dit instrument dient voor de overboeking van de verzameluitkeringen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

• Voor de FES-projecten «Mooi Nederland», «Geluidskaarten» en «Klimaatbuffers» zijn drie nieuwe instrumenten toegevoegd aan deze begroting, op respectievelijk artikel 3, 5 en 8;

• Het samenvoegen van het Milieu en Natuurplanbureau en het Ruimtelijk Planbureau heeft op apparaatsartikel 91 geleid tot het samenvoegen van de apparaatsinstrumenten van beide planbureaus in een nieuw apparaatsinstrument voor het nieuwe Planbureau voor de Leefomgeving.

Bovenstaande wijzigingen hebben betrekking op de uitgavenzijde van de begroting; de wijzigingen betreffende de FES-projecten hebben eveneens betrekking op de ontvangstenzijde van de begroting. Bovenstaande wijzigingen zijn alle wijzigingen in de artikelstructuur van de begroting van VROM.

1.4. Comply or explain

Bij de samenstelling van de begroting worden als basis gebruikt de kernvragen: «Wat willen we bereiken» (w1), «Wat gaan we er voor doen» (w2) en «Wat mag het kosten» (w3). Op het niveau van de algemene doelstelling en de operationele doelstellingen wordt de beantwoording van deze vragen vervolgens ingevuld volgens de criteria van specifiek, meetbaar en tijdgebonden.

Onderstaand wordt per artikel ingegaan op mate waarin ieder beleidsartikel aan deze criteria voldoet. Daar het op niveau van de algemene doelstelling niet mogelijk of zinvol blijkt om één dekkende indicator voor het hele artikel te presenteren, is het vaak wel mogelijk om hier op het niveau van de operationele doelstelling inzicht in te geven.

Artikel 1 Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

Gegeven de aard van dit artikel en de systeemverantwoordelijkheid van de minister voor de ruimtelijke ordening, is een verdere verbetering niet haalbaar. Hierdoor voldoet dit artikel op algemeen- en operationeel doelniveau niet aan de gestelde criteria, voor zowel de «w1- als w2-vraag».

Artikel 2 Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur

Op het niveau van het algemene doel is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt. Voor de operationele doelen zijn, waar mogelijk, wel indicatoren opgenomen. Voor zowel het algemene doel als de operationele doelen, is ten opzichte van de begroting 2008 het element tijdgebondenheid verbeterd. Ook de mate van meetbaarheid is voor dit artikel verbeterd door onder andere een scherper onderscheid tussen prestatie- en effectindicatoren en het verder uitwerken van de onderliggende componenten. Hierbij zijn de belangrijkste indicatoren uit de monitor Nota Ruimte gehanteerd. Voor een compleet overzicht wordt daarom verwezen naar de Nota Ruimte. Omdat niet alle elementen uit de Nota Ruimte in deze begroting zijn opgenomen, voldoet dit artikel op zowel algemeen als operationeel doelniveau (2.2.1., 2.2.2. en 2.2.3.) niet volledig aan het criterium van «specifiek» voor de eerste «w-vraag». Dit geldt ook voor het operationele doel met betrekking tot het stimuleren van de architectonische kwaliteit, dat is overgeboekt van de WWI-begroting.

Artikel 3 Klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging

Op het niveau van het algemene doel, is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel diverse aspecten van het milieubeleid zijn gebundeld. Voor de operationele doelen zijn wel indicatoren opgenomen. Verder zijn voor de diverse operationele doelen onder andere een nieuwe grafiek toegevoegd en zijn tabellen uitgebreid. Zo is de ontwikkeling van de dikte van de ozonlaag boven de Benelux inzichtelijk gemaakt.

Artikel 4 Milieukwaliteit van water en bodem

Op het niveau van het algemene doel is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel diverse aspecten van het milieubeleid zijn gebundeld. Voor de operationele doelen zijn wel indicatoren opgenomen. Verder zijn enige nieuwe grafieken toegevoegd en zijn tabellen uitgebreid. Zo is de inschatting van het historisch verloop van de aanpak van bodemverontreiniging tot 2015 inzichtelijk gemaakt, evenals een grafische weergave van de potentiële spoedlocaties.

Artikel 5 Milieukwaliteit in de leefomgeving

Op het niveau van het algemene doel is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel diverse aspecten van het milieubeleid zijn gebundeld. Voor de operationele doelen zijn, waar mogelijk, wel indicatoren opgenomen. Verder is op onderdelen de tabel met indicatoren uitgebreid. Het operationele doel «Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden» blijkt, gezien de aard en de verantwoordelijkheden voor dit doel, niet verder te concretiseren. Hierdoor voldoet dit doel niet aan de gestelde criteria (w1- en w2-vraag).

Artikel 6 Risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s

Op het niveau van het algemene doel, is geen zinvolle indicator beschikbaar die het gehele artikel afdekt, omdat binnen het doel diverse aspecten van het milieubeleid zijn gebundeld. Voor de operationele doelen zijn, waar mogelijk, wel indicatoren opgenomen. Het doel «Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen» blijft echter voorlopig noch effectief meetbaar noch tijdgebonden. Daarmee voldoet dit operationeel doel niet aan de criteria. Verder zijn voor de diverse operationele doelen onder andere nieuwe grafieken toegevoegd. Zo is de ontwikkeling van afvalaanbod en -toepassingen inzichtelijk gemaakt, evenals een grafische weergave van straling op de terreinen lucht en water en een aparte grafiek voor de radonconcentratie. In overleg met het Netwerk Ecologische Monitoring en het CBS wordt in 2009 bepaald of – en zo ja welke – indicatoren gebruikt kunnen worden om de veranderingen in het milieu als gevolg van eventuele schadelijke effecten van de teelt van GGO-gewassen te monitoren.

Artikel 7 Versterken van het (inter)nationale milieubeleid

Bij dit artikel zijn geen zinvolle indicatoren beschikbaar op algemeen- en operationeel doelniveau. Voor de operationele doelen «Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium» en «Een ambitieus internationaal milieubeleid» is het niet goed mogelijk om deze doelstellingen specifiek, meetbaar en tijdgebonden te formuleren (w1- en w2-vraag) en daarom is het ook niet zinvol daarvoor prestatie-indicatoren te ontwikkelen. Daarmee voldoen het algemene doel en de bovenstaande operationele doelen niet aan de criteria. Het operationele doel «Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB» voldoet hier wel aan.

Artikel 8 Externe veiligheid

De aard van dit artikel maakt dat het verbeteren van de meetbaarheid niet goed mogelijk blijft. Op algemeen doelniveau wordt een onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Voor PR is er een norm, deze is meetbaar en benoemd. Voor GR bestaat geen vastgestelde norm en moet het bevoegd gezag de verplichte elementen uit de verantwoordingsplicht groepsrisico juist invullen. Hier is nog geen effect meetbaar. Voor het operationele doel «Bepalen van aanvaardbaarheid van risicovolle situaties» is geen verbetering van de meetbaarheid mogelijk (w1-vraag). In 2008 wordt het aantal te saneren locaties geregistreerd in het Register. Het resultaat van deze doelstelling – een volledig overzicht van het aantal te saneren locaties – wordt in 2009 gebruikt voor het behalen van doelstelling 8.2.2. Door de korte tijdspanne (2007: 0%, 2008: 100%) heeft het geen toegevoegde waarde hier een aparte effectindicator op te nemen. De operationele doelen 8.2.2 «Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties» en 8.2.3 «Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties» zijn voldoende meetbaar. Voor het vierde operationele doel «Milieu- en veiligheidsaspecten vroegtijdig, gebiedsgericht en geïntegreerd in ruimtelijke planvorming betrekken» wordt een indicator ontwikkeld. Deze zal in de begroting 2010 worden opgenomen. Daarmee voldoen het algemeen doel en de operationele doelen niet volledig aan de criteria (op de w1-vraag).

Artkel 9 Handhaving en toezicht

Gegeven de aard van dit artikel is op zowel algemeen doel als op de operationele doelen 9.2.2. en 9.2.3. geen zinvolle indicatoren mogelijk (w1-vraag).

1.5. De baten-lastendiensten

Tegelijkertijd met de VROM-begroting, wordt ook de begroting van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) en de begroting van het Waddenfonds gepresenteerd.

1.6. Verdiepingshoofdstuk

In het verdiepingshoofdstuk zijn de budgettaire mutaties in de beleidsartikelen van de begrotingsstaat opgenomen. Technische mutaties dan wel beleidsmatig niet relevante mutaties worden slechts cijfermatig gepresenteerd. Alleen indien sprake is van een grote budgettaire omvang, worden ook technische mutaties nader toegelicht. De beleidsmatig relevante mutaties worden nader omschreven in de toelichting waarbij het bijbehorende mutatiebedrag wordt genoemd. Een beleidsmatige mutatie is het gevolg van gevoerd beleid en is dus te beïnvloeden (bijvoorbeeld beleidsintensivering en -extensivering, beleidswijzigingen met financiële gevolgen, afwijkingen uit hoofde van behoorlijk bestuur).

WETSARTIKEL 1 (BEGROTINGSSTAAT MINISTERIE VAN VROM XI)

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

1. Inleiding

Het Kabinet zet zich in voor een samenleving gebaseerd op duurzaamheid die rekening houdt met de legitieme belangen van mensen overal in de wereld. Welvaartsgroei en kwaliteit van leven kunnen samengaan wanneer zorg voor het milieu een vanzelfsprekendheid wordt. Een symbiose van een gezonde bevolking, een bloeiende economie en een gezond ecosysteem is mogelijk wanneer we onze wil en duurzaam maatschappelijk handelen combineren met technische innovaties.

Het Kabinet informeerde in het voorjaar van 2008 de Tweede Kamer over de aanpak voor duurzame ontwikkeling1 en gaat in 2009 door op de ingeslagen weg. Op basis van de duurzaamheidsmonitor die de planbureaus en het CBS eind 2008 uitbrengen, bepaalt het Kabinet welke aanvullende maatregelen eventueel nodig zijn.

Binnen het kader van duurzaamheid wil de minister van VROM vooral resultaten boeken in:

• Verduurzaming van de ontwikkeling, productie en het gebruik van energie en grondstoffen zoals uiteengezet in de kabinetsprioriteiten Schoon en Zuinig en Markten voor Duurzame Producten;

• Verduurzaming van het ruimtegebruik in Nederland zoals uiteengezet in de kabinetsprioriteit duurzame ruimtelijke inrichting, waaronder het programma Mooi Nederland.

Het Kabinet pakt dit aan door ruimte te geven aan mensen die sociaal en technisch innoveren, door duurzamer gedrag te stimuleren bij bedrijven en consumenten (slimmere regels en minder administratieve lasten) en door goed samen te werken met partijen die een bijdrage willen en kunnen leveren aan dit duurzaamheidsstreven.

Door de internationale ontwikkelingen ten gevolge van de klimaatveranderingen, veranderingen in geopolitieke verhoudingen en de ontwikkeling van de Europese Unie, verandert er veel in de internationale context waarin de doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Enerzijds zijn de opgaven complex en met onzekerheden omgeven, anderzijds prikkelen deze omstandigheden het innovatieve vermogen van mensen, bedrijven en instellingen in ons land.

Het stellen van thema’s en doelen resulteerde recentelijk in een aantal afspraken met overheidspartners en marktpartijen. In 2009 voert het Kabinet veel maatregelen uit en zet het zich in voor Europese en mondiale afspraken – met name op het terrein van klimaat, energie en duurzame productieketens, om zijn doelen zoals geformuleerd in het coalitieakkoord en het beleidsprogramma, waar te maken.

Hierna wordt beschreven hoe het Kabinet de genoemde beleidsprioriteiten wil realiseren.

2. Project Schoon en Zuinig

De wereldwijde temperatuurstijging dwingt ons allen tot actie. De gevolgen van klimaatverandering zijn een reële dreiging voor Nederland en in feite de hele wereld. Vele wetenschappelijke onderzoeken hebben dat inmiddels wel aangetoond. Nu handelen is meer dan ooit noodzakelijk.

Eén van de belangrijkste oorzaken van de milieuproblematiek is de onverminderd hoge uitstoot van het broeikasgas CO2. Door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen van onze westerse economieën en de enorm stijgende vraag van de ontwakende reuzen China en India, neemt de uitstoot van broeikasgassen alleen maar toe. Dat is slecht voor de mens, slecht voor het milieu en slecht nieuws voor onze economie. Want de leveringszekerheid en eindigheid van olievoorraden maakt de wereldeconomie kwetsbaar. Kortom, fossiele brandstof is geen bron waarvan we nog langer zo afhankelijk moeten willen zijn.

Het is dan ook van levensbelang dat we de dominantie en afhankelijkheid van fossiele brandstoffen doorbreken. We moeten de komende decennia de transitie naar een volledig duurzame energievoorziening realiseren. De zoektocht naar schone, zuinige en betaalbare bronnen moet leidend worden.

Die zoektocht biedt Nederland kansen. We gaan innoveren en technologische vernieuwingen realiseren die de uitstoot van broeikasgassen kunnen verminderen èn een sterke internationale concurrentiepositie bewerkstelligen.

Dat geldt voor alle sectoren waarmee de minister van VROM, als coördinerend minister samen met de ministers van EZ, LNV, VenW en Financiën, medio 2008 afspraken heeft gemaakt: de industrie- en landbouwsector en de gebouwde omgeving. De akkoorden met de resterende sectoren verkeer en vervoer en de energiesector zullen naar verwachting ook binnenkort worden ondertekend. Samen met de overheid zijn deze sectoren hard op weg om van Nederland één van de efficiëntste en schoonste energievoorzieningen van Europa te maken.

Doel

Zoals in het beleidsprogramma is gesteld, streeft het Kabinet voor 2020 de volgende doelen na:

• Reductie van dertig procent in de uitstoot van broeikasgassen in 2020 ten opzichte van 1990, bij voorkeur in Europees verband;

• Verhoging van het aandeel duurzame energie tot twintig procent in 2020;

• Toename van energiebesparing naar gemiddeld twee procent per jaar in 2020.

Figuur 1. Realisatie en doelen broeikasgasemissies vanuit Nederland per jaar 1990–2020

kst-31700-XI-2-1.gif

Naast de nationale doelen zijn er ook Europese doelen geformuleerd. Voor Nederland belangrijke Europese verplichtingen gaan over:

• Het verminderen van broeikasgasemissies met 16 procent in de sectoren niet aangesloten bij het emissiehandelssysteem (ETS);

• Meer gebruik van hernieuwbare energie (circa 16 procent in 2020) en een groei naar 10 procent van het verbruik van biobrandstoffen in 2020 mits duurzaam geproduceerd.

Nederland gaat met zijn doelstellingen verder dan de EU en wil daarmee een voorbeeldfunctie vervullen. Op weg naar 2020 heeft het Kabinet een aantal tussendoelen te halen. Samengevat:

Klimaaten energie: Schoon en Zuinig
Tussendoelen voor:Doel voor deze kabinetsperiode:
Broeikasgassen6% in 2012 tov 1990 (Kyotoprotocol)
 Emissie van max. 209 Mton CO2-eq. in 2011 (of 6–10 Mton reductie-effect van Schoon & Zuinig) (brief Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 5)
Duurzame energie9% duurzameelektriciteit in 2010 (Richtlijn duurzame elektriciteit, Richtlijn 2001/77/EG).
 3 021 MW duurzame energie gecommitteerd in 2011 (indicatief) (brief Kamerstukken II, 2007–2008, 31 239, nr. 7);
 100 000 bestaande woningen voorzien van hernieuwbare energievoorzieningen (brief Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1);
 Een vast te leggen percentage biobrandstoffen in de brandstofmix van de transportsector in 2010 (Biobrandstoffenrichtlijn 2003/96/EG)
Energiebesparing29–61 PJprim1 per jaar in 2011 (brief Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 5)
 500 000 woningen 20–30% energiezuiniger in 2011 t.o.v. dezelfde woningen vóór verbetering (brief Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1)

1 PJ staat voor Petajoule, oftewel 1015 Joule. Joule is de eenheid voor energie. 1 PJ energie komt rekening houdend met het opwekkingsrendement overeen met de volgende hoeveelheden primair energieverbruik: 24,8 mln kg zware stookolie, 26,7 mln m3 hoogcalorisch aardgas of 111 mln kWh elektriciteit.

Belangrijkste prestaties in 2009

De ambitieuze doelen vereisen een gezamenlijke inzet van overheden, bedrijfsleven en burgers èn een gedragsverandering. Het is cruciaal voor het halen van de doelen dat deze breed gesteund worden in de samenleving.

Als coördinerend minister voor Schoon en Zuinig bewaakt de minister van VROM de voortgang van de uitvoering van het programma en is zij eindverantwoordelijk voor het halen van de gestelde doelen. De betrokken ministers van EZ, LNV, OS, VenW, VROM en WWI zijn daarbij beleidsverantwoordelijk voor de activiteiten op hun werkterrein. In de departementale begrotingen wordt ingegaan op de prestaties van de ministeries. Een deel van de prestaties ligt uiteraard op het terrein van VROM zelf. Hierop wordt hieronder ingegaan.

Essentieel onderdeel van het werkprogramma is een krachtig Europees beleid. Belangrijke voorstellen gaan over de herziening van het Europese ETS (één van de pijlers van het broeikasgasbeleid), een verdeling van de Europese reductie doelstellingen voor broeikasgassen en hernieuwbare energie onder de lidstaten. Ook normering van huishoudelijke apparaten, auto’s en eco-labeling dient op Europese schaal ingevoerd te worden. Nederland zet zich ook in Europa in voor ambitieuze doelen.

Op nationaal niveau komt het erop aan nu meters te maken. Na het duurzaamheidakkoord met het bedrijfsleven, de bestuursakkoorden met IPO en VNG en de sectorakkoorden met het bedrijfsleven, worden maatregelen genomen en uitgevoerd.

De volgende prestaties mogen dan ook in 2009 van de minister van VROM worden verwacht:

• Over de inzet van biobrandstoffen zendt het Kabinet dit najaar een separate brief aan de Tweede Kamer. In het Europees richtlijnvoorstel voor hernieuwbare energie worden criteria waardoor duurzaamheid gegarandeerd wordt vastgelegd, met voor Nederland als uitgangspunt de duurzaamheidscriteria uit het rapport van de commissie Cramer;

• Twee grootschalige demonstratieprojecten voor Carbon Capture and Storage (CCS). VROM en EZ zorgen ervoor dat de condities voor CCS in 2009 duidelijk zijn. Deze duidelijkheid stelt bedrijven en regionale partijen in staat tijdig de juiste investeringen te doen. Het gaat hier onder meer om de juridische verantwoordelijkheid voor de CO2-opslag in de bodem en de aansprakelijkheid op langere termijn. Ook zorgen VROM en EZ voor het creëren van voldoende kennis die van belang is voor de maatschappelijke acceptatie van CCS. Verder zorgen VROM en EZ voor duidelijkheid over de nationale regie voor transport en opslag en hoe daarbij de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden zijn belegd;

• De EU-onderhandelingen zijn afgerond, en duidelijke en afrekenbare CO2-normen voor nieuwe personenauto’s zijn vastgelegd. Ook is er duidelijkheid over CO2-normen in 2020;

• Sectorovereenkomsten met het bedrijfsleven en klimaatakkoorden met gemeenten en provincies zijn voortvarend opgepakt, waarbij VROM de regie binnen het Rijk heeft. Zo komen er, conform het nieuwbouwconvenant, tien gebieden waar op grote schaal wordt geëxperimenteerd met energiezuinige nieuwbouw. Andere voorbeelden zijn de semi-gesloten kas en de kas op aardwarmte die door het landbouwakkoord verder worden gestimuleerd. Lokale en regionale initiatieven van de koplopers als het Rotterdam Climate Initiative en Energy Valley zijn versterkt. En door middel van sectorteams is de verbinding gelegd tussen koplopergemeenten en het peloton van overige gemeenten en provincies;

• VROM intensiveert de aanpak om de emissies van overige broeikasgassen terug te dringen onder meer door onderzoeken te financieren naar de ontwikkeling van emissiearm veevoer en stimulering van precisielandbouw. Bedrijven die maatregelen nemen ter beperking van broeikasgasuitstoot krijgen subsidie voor de gemaakte kosten van hun ingrepen;

• Het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten is belangrijk om de emissies van overige broeikasgassen te reduceren. De beïnvloeding van de eiwitconsumptie is alleen mogelijk in een geleidelijk proces. Dit jaar wordt onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van een transitie in de consumptie van eiwitten, in het bijzonder de consumptie van vlees. Tevens wordt een milieuanalyse uitgevoerd naar de beste mogelijkheden om eiwitten te vervangen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek dat eind september 2008 moet zijn afgerond, wordt een beleidsvisie uitgewerkt door VROM samen met de departementen LNV en Ontwikkelingssamenwerking. Deze beleidsvisie moet in de eerste helft van 2009 klaar zijn;

• Jaarlijks wordt in september over de voortgang van Schoon en Zuinig gerapporteerd aan de Kamer. Om de resultaten van het in uitvoering gebrachte werkprogramma te kunnen beoordelen is in 2010 de zogenaamde herijking voorzien. Dan beoordeelt het Kabinet in hoeverre aanvullende maatregelen nodig zijn op weg naar de doelen voor 2020. In 2009 brengt het Kabinet verkennende studies naar alle opties hiervoor in kaart zodat de in 2010 te maken keuzes snel uitgevoerd kunnen worden.

Behalve het stimuleren van maatregelen die tijdens deze kabinetsperiode uitvoerbaar zijn, wil het Kabinet ook de voorwaarden creëren voor verdergaand beleid in de navolgende periode. De innovatieagenda die in 2008 is gepresenteerd, maakt duidelijk aan welke thema’s het Kabinet wil werken. Het Kabinet acht het daarbij verstandig te focussen op de versnellingsfase van de innovatieketen.

In totaal is een kwart van de beschikbare middelen uit het programma Schoon en Zuinig voor innovatie gereserveerd. Door het stimuleren van R&D-trajecten en het versnellen van de introductie van bijna-marktrijpe technologieën, zoals de HRe-ketel en LED-verlichting wordt een basis gelegd voor een continue duurzame ontwikkeling. De doelen van 2020 zijn ons zichtpunt, maar tegelijkertijd moet de verduurzaming ook na 2020 voortgezet kunnen worden.

3. Internationale klimaatagenda

Doelstelling 8. Actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze internationale klimaatdoelstellingen voor na 2012

De klimaat- en energiedoelstellingen van het Kabinet zijn alleen haalbaar met ambitieuze Europese en internationale afspraken. Klimaatverandering is een mondiaal probleem dat op wereldschaal opgelost moet worden. Het Kabinet gaat daarom ook door met een stevige inzet op een internationale aanpak van de klimaatverandering voor de periode na 2012 – het laatste jaar van het Kyoto-protocol.

In december 2009 vindt in Kopenhagen een internationale klimaattop plaats. Deze top moet nieuwe internationale afspraken opleveren over de bestrijding van het broeikaseffect. Het jaar 2009 is ook een cruciaal jaar voor de Europese Unie – het jaar waarin de ambitieuze doelstellingen voor klimaat- en energiebeleid in 2020 moeten worden omgezet in concrete wetten en maatregelen.

Grafiek: Ontwikkeling mondiale broeikasgasemissies

kst-31700-XI-2-2.gif

Doel

Alle landen leggen volgend jaar in Kopenhagen in het VN-Klimaatverdrag vast wat we wereldwijd gaan doen na 2012 om emissies van broeikasgassen terug te dringen. Ook komt een antwoord op de vraag hoe ontwikkelingslanden worden ondersteund bij het verkrijgen van technologie en het nemen van maatregelen.

De Nederlandse inzet in Kopenhagen is:

• De mondiale temperatuurstijging blijft onder de 2 graden Celsius;

• De industrielanden reduceren hun emissies in 2020 met 30 procent ten opzichte van 1990;

• De ontwikkelingslanden leveren tastbare inspanningen om emissies te beperken;

• De mondiale CO2-markt ontwikkelt en verbetert;

• De ontwikkeling en overdracht van schone technologie wordt bevorderd;

• De armste landen worden ondersteund bij het nemen van maatregelen;

• De ontbossing wordt tegengegaan;

• De emissies van de internationale lucht- en scheepvaart worden aangepakt.

Nederland wil binnen Europa vóór de verkiezingen van het Europees Parlement in 2009 overeenstemming hebben bereikt tussen de Europese Raad en het Europees Parlement over te nemen klimaat- en energiemaatregelen. De Nederlandse inzet is daarbij gericht op:

1. Harmonisatie van het emissiehandelssysteem in de EU (ETS);

2. Een forfaitaire verhoging van het aandeel hernieuwbare energie in alle lidstaten met de mogelijkheid van handel;

3. Het tot stand komen van CCS demonstraties en het toelaten ervan tot de emissiehandel.

Alle ingrepen van de EU moeten zorgen dat de doelstellingen op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en biobrandstoffen op effectieve èn duurzame wijze kunnen worden gehaald. Tegelijk moeten we ervoor waken dat het EU-beleid ongewenste effecten heeft. Dat geldt in de eerste plaats voor de productie van biobrandstoffen. De uitkomst van recent wetenschappelijk onderzoek vraagt om een verstandige inzet van biobrandstoffen in onze energieconsumptie. Het Kabinet staat een stap-voor-stap-benadering voor, waarbij duurzaamheid en kosteneffectiviteit van een biobrandstofverplichting te allen tijde gewaarborgd moeten zijn, zoals vastgesteld in de conclusie van de Europese Raad, en zonder negative neveneffecten, zoals bemoeilijking van de wereldvoedselvoorziening. Tevens in cruciaal dat bedrijven een prikkel krijgen tot ontwikkeling en toepassing van de tweede generatie biobrandstoffen, die dergelijke negatieve bijwerkingen niet of in veel mindere maten kennen. Nederland zal zich actief inzetten voor duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen die dit bewerkstelligen. Waakzaamheid geldt ook voor het risico van «carbon leakage». Indien bedrijven Europa moeten verlaten omdat zij – door hoge kosten van emissierechten – geconfronteerd worden met onaanvaardbare concurrentienadelen, schiet het beleid aan zijn doel voorbij.

Ook zal Nederland voorstander blijven van ambitieuze normen voor de CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s in Europa, zowel voor 2012 als voor de langere termijn (2020). Bovendien moet de Richtlijn Ecodesign1 uitgebreid worden om ook aan energie gerelateerde producten minimumeisen te kunnen stellen. Daarnaast is het introduceren van dynamische benchmarks van groot belang om de koplopers te stimuleren door invoering van een Top Runners-regeling (zie paragraaf 7.2.2.).

Belangrijkste prestaties in 2009

• Om klimaatverandering effectief aan te pakken, zijn wereldwijd miljarden euro’s aan investeringen nodig. Prioriteit is het helpen opstellen en realiseren van een duidelijk, efficiënt en eerlijk instrumentarium en financieel plan voor het internationale klimaatbeleid. Succes in Kopenhagen hangt immers voor een groot deel af van de – merendeels private – financiering van emissiereductie, bestrijding van ontbossing en aanpassing aan klimaatverandering. De financiële steun voor het uitvoeren van deze maatregelen is met name van belang voor ontwikkelingslanden. VROM concentreert zich op dit vraagstuk en neemt het voortouw in de EU;

• De industrielanden moeten het voortouw blijven nemen in het reduceren van emissies. Maar een tweede voorwaarde voor succes in Kopenhagen – en ook het tweede prioriteitsveld voor VROM – is het vergroten van het aandeel van ontwikkelingslanden bij het verminderen van deze uitstoot. Vooral het vergroten van de rol van ontwikkelingslanden met opkomende economieën is belangrijk. Verschillende vormen voor deelname van ontwikkelingslanden aan internationale afspraken, afhankelijk van hun ontwikkelingsniveau, zullen worden uitgewerkt en in de internationale fora zoals het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) worden geagendeerd. Ook zal VROM in samenwerking met het bedrijfsleven en internationale organisaties voorstellen doen voor het financieel ondersteunen van activiteiten voor emissiereductie en klimaatadaptatie;

• Om actief bij te dragen aan succes in «Kopenhagen» en bij de gesprekken in Brussel over het EU klimaat- en energiepakket, verlenen we anticiperende en ambitieuze medewerking aan klimaatdiplomatie. VROM levert ook de belangrijkste EU-onderhandelaar voor de emissiereductiedoelen op lange termijn van het Bali Action Plan van de UNFCCC en zal een verdiepende impuls geven aan één van de voorbereidende mondiale onderhandelingsrondes op weg naar Kopenhagen met extra financiële en inhoudelijke bijdragen;

• VROM wil dat er overeenstemming komt tussen de Europese Raad en het Europees Parlement over de Europese energiewetgeving. We bereiken dit het liefst in december 2008, maar in elk geval in het voorjaar van 2009 vóór de verkiezingen van het Europees Parlement en VROM doet daartoe voorstellen om de nieuwe lidstaten niet in doelstellingen maar wel anderszinds zodanig tegemoet te komen dat zij akkoord gaan. VROM zal voorstellen doen die duurzaamheidcriteria voor biobrandstoffen wereldwijd introduceren.

4. Ontwikkeling van markten voor duurzame producten

Doelstelling 21: de overheid wil uiterlijk in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen in al haar inkopenDoelstelling 22: het stimuleren van duurzame consumptie en productie

Het Kabinet geeft hoge prioriteit aan het tot stand brengen van markten voor duurzame producten. Voor de milieuproblematiek is de oplossing voor een groot deel te vinden in het economisch verkeer tussen producenten en gebruikers: de markten. Het Kabinet vergroot het aanbod van duurzame (groene) producten en diensten de komende jaren fors en zal innovaties op dit gebied stimuleren. Behalve fiscale prikkels kan het Rijk samen met de andere overheden een bijdrage leveren door duurzaam in te kopen: de overheden kopen per jaar voor meer dan € 40 mrd in.

Het streven van alle ministeries dat vanaf 2010 honderd procent van de overheidsinkopen duurzaam is, geeft een grote impuls aan een duurzame markt.

Doel

Het Rijk koopt in 2010 voor 100 procent duurzaam in, de gemeenten voor 75 procent en de provincies en waterschappen voor 50 procent. Een overheid kan in een specifiek geval het noodzakelijk achten bepaalde criteria niet toe te passen en zal zich daar dan over verantwoorden.

Het agentschap SenterNovem stelt in opdracht van de overheden duurzaamheidscriteria op voor in totaal tachtig productgroepen. Het gaat om sociale waarden als arbeidsomstandigheden en om milieucriteria. Voorjaar 2008 zijn de criteria voor de eerste 16 productgroepen vastgesteld en door inkopers toegepast. De andere productgroepen volgen maandelijks in de loop van 2008 tot en met begin 2009.

Het Kabinet introduceert elementen van het Cradle-to-Cradle (C2C) concept. Begin dit jaar is een team opgericht dat maatschappelijke initiatieven ondersteunt die gericht zijn op het verspreiden van C2C. Om duurzame productie en consumptie van producten verder te stimuleren, heeft het Kabinet nieuwe vergroeningsmaatregelen ingevoerd met inachtneming van noodzakelijk maatschappelijk draagvlak. Deze treden op 1 januari 2009 in werking. Voor de vergroeningsmaatregelen wordt verwezen naar het Belastingplan 2009.

Belangrijkste prestaties in 2009

Om de doelstellingen voor duurzaam inkopen te bereiken, zijn alle criteria eind maart 2009 klaar en passen de inkopers deze toe voor alle tachtig productgroepen. De vorderingen van het duurzaam inkopen worden tweejaarlijks gemeten. Eind 2008 is er al een eerste meting voor de dan al bekende criteria. De eerstvolgende meting is eind 2010. Omdat de criteria dynamisch zijn en dus geregeld zullen worden aangescherpt, is ook na 2010 meting nodig. Vanaf 2010 wordt ook aangegeven hoe de criteria bijdragen aan het oplossen van de milieuproblemen.

Overzicht indicatoren Duurzaam Inkopenoverheid:Realisatie c.q. streefwaarde:
Indeling overheidsaankopen in 80 productgroepenjanuari 2008
Percentage uitgerolde criteriasets voor de 80 productgroepen25% medio 2008, 100% maart 2009
Percentage duurzame inkoop overheden in 2010100% Rijk, 75% gemeenten, 50% provincies en waterschappen

In 2009 worden rond het C2C-concept de volgende prestaties geleverd:

• Voor 25 productstromen is C2C als wens geformuleerd in het programma Duurzaam Inkopen;

• In tenminste vier ketenprojecten waarbij het bedrijfsleven nauw betrokken is, wordt een substantiële vermindering van de milieubelasting bereikt, waarbij het doel is in de planperiode uit het Landelijk AfvalPlan (LAP-2) een daling te laten zien van twintig procent;

• Naar onderwijs, bedrijfsleven en intermediaire organisaties wordt het belang van C2C uitgedragen;

• In tenminste drie branches dragen organisaties C2C actief uit naar hun leden en in drie opleidingen wordt C2C opgenomen in curriculum;

• Een toepassingskader C2C in ruimtelijke projecten is ontwikkeld;

• In twee Nota Ruimte-projecten is C2C in het ontwerp meegenomen;

• Eventuele gelden uit de maatschappelijke innovatie-agenda worden gebruikt voor een innovatieprogramma C2C waarin koploper-bedrijven en overheden participeren;

• Voor 2009 onderzoekt het Kabinet nut en noodzaak van verdere vergroening en verdere verfijning van de bestaande vergroeningsmaatregelen.

5. Mooi Nederland

Elke Nederlander verdient het te kunnen werken, wonen en recreëren in een Mooi Nederland, nu en in de toekomst. We storen ons aan een steeds verdergaande verrommeling van het landschap. De aanpak daarvan is bittere noodzaak. In het programma Mooi Nederland roepen we verrommeling een halt toe en beschermen we kwetsbare gebieden, zoals Rijksbufferzones en Nationale Landschappen. Het Kabinet zet hiertoe in op bundeling en herstructurering van bedrijventerreinen en woonlocaties. Ook bij de locatiekeuze voor windmolens op de lange termijn staat bundeling in concentratiegebieden centraal.

Omdat een klimaatbestendige inrichting van Nederland een stevige positie moet krijgen in ruimtelijke afwegingen wordt in 2009 een visie op een duurzame ruimtelijke hoofdstructuur voor de lange termijn ontwikkeld, met een doorkijk naar 2100. Deze visie vormt de basis van structuurvisies en wordt meegenomen in Randstad Urgent en Nota Ruimte-projecten. Daarnaast wordt duurzame energie in de vorm van windenergie gerealiseerd.

Tegelijkertijd streeft het Kabinet naar een Nederland dat functioneert als een concurrerende regio. Het Kabinet voert daarom Randstadagenda 2040 uit en ontwikkelt visies op de ruimtelijke inrichting van de nationale stedelijke netwerken in Zuid, Oost en Noord Nederland in 2040.

Een instrument dat de besluitvorming in de ruimtelijke ordening vereenvoudigt, is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening die op 1 juli 2008 in werking trad. Kenmerkend is de zodanige verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden over gemeenten, provincies en Rijk dat ieder bestuursniveau optimaal belangen kan behartigen. Het Kabinet definieert in de Realisatieparagraaf Nationaal ruimtelijk beleid (juni 2008) de nationale belangen en geeft aan op welke wijze het Rijk deze wil verwezenlijken. Voor een aantal belangen zal borging plaatsvinden in een op te stellen AMvB Ruimte. In deze AMvB worden, al dan niet via de provincies, door het Rijk regels gesteld voor de inhoud en/of totstandkoming van bestemmingsplannen. Dit is een AMvB in twee tranches, waarvan de eerste voor het zomerreces 2009 aan de Eerste en Tweede Kamer wordt voorgelegd. In de eerste helft van 2010 kan deze eerste tranche worden vastgesteld.

5a. Bedrijventerreinen

Doelstelling 23: Het bevorderen van een tijdig en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties en 80 000 tot 100 000 nieuwe woningen per jaar.

Het Kabinet wil voldoende ruimte bieden voor werken, op een slimme en zuinige manier (voor wonen zie begroting WWI). Er is een tendens tot overaanbod van nieuwe bedrijventerreinen, vaak op verkeerde (versnipperde) locaties van weinig kwaliteit. Daarnaast is dertig procent van de bestaande bedrijventerreinen verouderd. De ambitie is het bestaande bebouwde gebied beter te benutten door een groter aantal hectares te herstructureren en die herstructurering te versnellen. Een betere regie van de regionale afstemming over de aanleg van nieuwe terreinen vermindert de aantasting van open ruimte: per provincie zijn in 2008 afspraken gemaakt over behoeften voor nieuwe bedrijventerreinen. Daarnaast streeft het Kabinet naar hogere ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen.

Doel

De doelstellingen voor bedrijventerreinen voor deze kabinetsperiode zijn:

• Het herstructureren van 1 000 tot 1 500 hectare bedrijventerrein per jaar vanaf 2009;

• Aanpassing regels voor herstructurering zodat de doorlooptijd versnelt;

• Veertig procent van de 1 000 tot 1 500 hectare wordt gerealiseerd in al bebouwd gebied;

• In alle provincies is de SER-ladder1 in het beleid verankerd en wordt nageleefd;

• Het beperken van de milieubelasting van bedrijventerreinen en duurzame inrichting, zoals op het gebied van energie (onder andere gebruik van restwarmte, koude-opslag), materialen (hergebruik van reststromen), schone en zuinige mobiliteit (vervoersmanagement) en goede inpassing in de omgeving;

• De ruimtelijke kwaliteit wordt door het innovatieprogramma Mooi Nederland verbeterd.

De doelstellingen voor woningbouw in 2009 zijn (zie ook beleidsagenda WWI):

• Realisatie van minimaal 80 000 nieuwe woningen;

• Duurzame ruimtelijke inpassing.

Bij zuinig ruimtegebruik en betere ruimtelijke kwaliteit heeft het Kabinet aandacht voor:

• Investering in binnenstedelijk bouwen en functiemenging;

• Een betere balans tussen rode, groene en blauwe functies in en om de stad;

• De (milieu)kwaliteit van de woonomgeving;

• Intensief en meervoudig ruimtegebruik;

• Een goede en tijdige ontsluiting;

• Klimaatbestendigheid en energiezuinigheid;

• Regionale afstemming van locatiekeuzen en -ontwikkeling;

• Inrichting met oog voor sociale diversiteit;

• Voldoende planologische capaciteit;

• structurele versterking van de architectuur in het ruimtelijk ontwerp.

Belangrijkste prestaties in 2009

In 2009 levert de minister van VROM in nauwe samenwerking met de minister van EZ de volgende prestaties om duurzaam en efficiënt ruimtegebruik voor werken en wonen te realiseren:

• Uitvoeren van vijf pilotprojecten «kwaliteit bedrijventerreinen» en vijf pilotprojecten op basis van het advies van het projectteam «Taskforce (her)ontwikkeling bedrijventerreinen». Dit leidt tot kennis over en ervaring met herstructurering, versnelling en een hogere ruimtelijke kwaliteit op deze terreinen; hierbij wordt ook stimulering van aanbod en gebruik van restwarmte meegenomen;

• Uitvoering geven aan de kabinetsreactie op de Taskforce (her-) ontwikkeling bedrijventerreinen;

• Toezien op de naleving van de toepassing van de SER-ladder, en toezien op de naleving van de afspraken per provincie over behoefteraming en planning van bedrijventerreinen;

• Begin 2009 in overleg gaan met de G27 over de ontwikkeling van bedrijventerreinen in verstedelijkte gebieden, met aandacht voor transformatie, met als motto «functiemenging waar kan, functiescheiding waar moet»;

• Eind 2009 wordt in aansluiting op bestaande trajecten en het advies van de Taskforce (her)ontwikkeling bedrijventerreinen een beslissing genomen over het parkbeheer op nieuwe terreinen en bevordering hiervan op bestaande terreinen.

Daar waar de minister voor WWI verantwoordelijk is voor de woningbouwopgave zal de minister van VROM inzetten op duurzame ruimtelijke inpassing. VROM zet in met de start van een aanjaagprogramma voor in eerste instantie vier spoorzoneprojecten en kennisverspreiding over duurzame gebiedsontwikkeling.

5b. Openheid van het landschap

Doelstelling 24: In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden

In gebieden die bekend staan om hun grote landschappelijke kwaliteit treedt sluipenderwijs een grote mate van verrommeling op. Visueel storende elementen zoals bedrijfsgebouwen, zendmasten, kassen en campings nemen in aantal toe. Zo is in enkele Nationale Landschappen de geplande groei van de bebouwing relatief groter dan het landelijk gemiddelde. Er is een blijvend tekort aan recreatiemogelijkheden om de stad. In de Rijksbufferzones vinden ontwikkelingen plaats waardoor de hoeveelheid groen en het recreatieve gebruik afneemt, en de verstedelijking toeneemt.

In de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland spraken Rijk, IPO en VNG een aantal gezamenlijke acties af om de verrommeling tegen te gaan en de kwaliteit van het landschap te vergroten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de Agenda Landschap.

Doel

De minister van VROM wil de volgende doelstellingen in 2009 realiseren:

• In 2009 is de bestaande verhouding tussen bebouwing binnen de steden en dorpen (circa 76 procent) en in het landelijk gebied (circa 24 procent) onveranderd gebleven, ten opzichte van 2004;

• Vanaf 2009 vindt voor ieder Nationaal Landschap een versterking van de beschreven kernkwaliteiten plaats, dit wordt bewaakt door middel van de Monitor Nota Ruimte;

• Het areaal zeer open gebied (zie kaart 1) neemt niet af ten opzichte van 2006 (119 000 ha);

• Stedelijk ruimtebeslag in Rijksbufferzones blijft maximaal 34 ha (basiswaarde in 2003) en het oppervlak dagrecreatieve functies is met vijf procent toegenomen (basiswaarde in 2003 is 3 900 ha);

• Sanering van 200 hectare ongewenste bebouwing of glas of bestemming daarvoor, vooral als onderdeel van de Nota Ruimte-projecten en de samenwerkingsagenda Mooi Nederland en met bijpassende financieringsconstructies.

Belangrijkste prestaties in 2009

De minister van VROM onderneemt, samen met de minister van LNV, in 2009 de volgende acties om openheid van het landschap te behouden en te versterken:

• De nog ontbrekende gebiedsvisies voor rijksbufferzones laten opstellen;

• Het stelsel voor de landschappen van nationaal belang (Rijksbufferzones, snelwegpanorama’s en Nationale Landschappen) vereenvoudigen;

• Goed toepasbare ruimtelijke kwaliteitseisen voor de landschappen van nationaal belang uitwerken en vastleggen:

a. Kernkwaliteiten van Nationale Landschappen zijn eind 2009 eenduidig en werkbaar uitgewerkt voor provincies;

b. Regels voor het bouwen in deze gebieden zijn eind 2009 planologisch vastgelegd en werken door in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen via de Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte op basis van de Wro;

• Uitvoering van de Agenda Landschap en implementeren van het advies van de taskforce Financiering Landschap (Rinnooy Kan);

• Uitvoering van de afspraken uit de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland voor ongewenste (bestemming voor) bebouwing en de sanering van verspreid liggend glas, met bijbehorende uitwerking van financieringsconstructies (Ruimte voor ruimte, Rood voor groen).

• Actualisering van de in 2007 tussen Rijk en IPO/VNG vastgestelde samenwerkingsagenda Mooi Nederland.

Kaart 1. Zeer open landschap 2005 (Bron: KELK monitoring, Roos-Klein Lankhorst (2006), opgenomen in Monitor Nota Ruimte, RPB, 2008)

kst-31700-XI-2-3.gif

5c. Klimaatbestendige inrichting

Doelstelling 26: Klimaatbestendige inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur).

Het klimaat zal de komende eeuwen ingrijpend veranderen. De minister van VROM heeft, samen met de staatssecretaris van VenW, als doel Nederland klimaatbestendig in te richten. Het is daarbij noodzakelijk water als een belangrijke factor te beschouwen bij ruimtelijke afwegingen. Er moet meer ruimte zijn voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur).

Doel

Uiterlijk in 2015 is deze inrichting in alle ruimtelijke plannen verankerd. Herijking van het ruimtelijk beleid en aanpassing van wet- en regelgeving zijn uiterlijk in 2011 klaar. Kennis van innovatieve maatregelen voor klimaatbestendige inrichting wordt in internationaal verband uitgewisseld.

Belangrijkste prestaties in 2009

In 2009 levert de minister van VROM de volgende prestaties:

• Benoemt binnen de Nota Ruimte projecten vijf iconen waarbinnen ruimtelijke aanpassingsmaatregelen worden uitgevoerd die een (inter-)nationale voorbeeldfunctie hebben;

• Maakt afspraken over uitvoering van innovatieve maatregelen;

• Stelt uitgangspunten en randvoorwaarden op voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland;

• Stelt een handreiking (Klimaatwijzer) op waarmee overheden afwegingen kunnen maken gericht op een meer klimaatbestendige inrichting;

• Selecteert «klimaatbuffer projecten» voor de periode 2009–2012;

• Neemt een besluit over een Nationaal Adaptatiefonds;

• Stelt een voortgangsrapportage vast uit de lopende projecten binnen het programma «Kennis voor Klimaat»;

• Stelt concept aanpassingsstrategieën beschikbaar voor de zogeheten hotspots Haaglanden, Rotterdam, Schiphol, Rivierengebied, Zuidwestelijke Delta, Waddenzee, Veenweidegebieden en Droge Zandgronden;

• Levert bijdragen aan de internationale activiteiten van het programma Kennis voor Klimaat, waarbij kennis en ervaring wordt ontwikkeld en uitgewisseld rond het thema Urbane Deltaregio’s.

5d. Windenergie

Het Kabinet kiest voor verdere ontwikkeling van windenergie en gaat een ruimtelijk perspectief opstellen .

Doel

Deze kabinetsperiode is de doelstelling 2000 Megawatt (MW) windenergie op land extra vergund te hebben. Voor het grootste deel van deze 2000 MW is ruimte beschikbaar in streek- en omgevingsplannen en in gemeentelijk beleid. Het voortouw voor de realisatie van deze locaties ligt bij provincies en gemeenten. Door het Rijk zal een aantal knelpunten en randvoorwaarden opgelost moeten worden.

Om doorgroei van windenergie na 2011 mogelijk te maken is aanvullende ruimte nodig in Nederland. Het beleid van de afgelopen jaren heeft tot veel versnipperde lokaties geleid. De weerstand tegen windmolens is daarmee nogal toegenomen. Daarbij komt dat windmolens steeds groter worden. Het streven van het Kabinet is daarom om voor de toekomst windmolens meer te concentreren in windturbineparken. Het Rijk neemt het initiatief om samen met provincies en gemeenten de locaties voor grootschalige windturbineparken te bepalen. Vanuit het perspectief van Mooi Nederland zullen gebieden worden aangegeven die vrijgesteld worden van windmolens (vides). De doelstelling voor windenergie op zee in deze kabinetsperiode is 450 MW. Het Kabinet werkt aan snellere procedures en gecoördineerde aanpak voor windenergie op zee.

Belangrijkste prestaties in 2009

De prestaties van de minister van VROM in 2009:

• Realisatie van tenminste 500 Mw door het plaatsen van nieuwe windturbines;

• Inzetten van ondersteuningsteams voor het oplossen van ruimtelijke knelpunten zodat projecten «in de pijplijn» door kunnen gaan;

• Meer draagvlak voor windenergie door een intensieve campagne;

• Ontwikkeling van een ruimtelijk perspectief voor windenergie om ruimte te vinden voor de 2000 Mw na 2011. Hierbij zal onderscheid worden gemaakt tussen windturbineparken, de zogenaamde vides (waar plaatsing van windturbines niet wenselijk) is en tussengebieden.

5e. Samenhangende ruimtelijke ontwikkeling en Randstad 2040

Doelstelling 29: Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis.

Doel

Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis. De komende decennia worden op basis van de Nota Ruimte grote ingrepen voorzien.

Gebiedsontwikkeling is in de Nota Ruimte als centrale werkwijze voor ruimtelijke ontwikkelingen gepresenteerd. Voor de versnelling van de realisatie van een aantal gebiedsontwikkelingen zet het Kabinet het Nota Ruimte-budget in en maken enkele projecten deel uit van het kabinetsprogramma Randstad Urgent. 23 gebiedsprojecten komen mogelijk in aanmerking voor een bijdrage uit het Nota Ruimte-budget (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 734, nrs. 192, 201) (zie kaart 2).

Op deze wijze draagt het Kabinet samen met alle relevante partijen (overheden, marktpartijen, en maatschappelijke organisaties) bij aan de realisatie van een duurzame ruimtelijke inrichting. De geselecteerde projecten voor het Nota Ruimte-budget zijn ook opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT), waarin de relatie wordt gelegd tussen de besluitvorming over aan te leggen infrastructuur en gebiedsgerichte ontwikkeling. Veiligheid voor de gevolgen van de klimaatverandering vergt ingrepen aan de kust, rivieren en in het Groene Hart.

De noodzakelijke duurzame economische groei vraagt een optimale bereikbaarheid, voldoende aanbod van ruimte voor bedrijvigheid en uitstekende woon- en leefomstandigheden (inclusief groene voorzieningen). De verstedelijking dient vorm te krijgen zonder dat daarvoor landschap wordt opgeofferd. De kwaliteit van stad én land moet toenemen. In 2009 biedt het innovatieprogramma Mooi Nederland hiervoor handgrepen. Vanuit dit programma krijgen gemeenten, provincies en maatschappelijke organisaties ondersteuning bij het vinden van slimme oplossingen voor de duurzame ruimtelijke inrichting van Nederland.

Kaart 2. Nota Ruimte-projecten

kst-31700-XI-2-4.gif

De economische kracht en duurzaamheid van de zes nationale stedelijke netwerken uit de Nota Ruimte zijn van grote betekenis voor de ontwikkeling van de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. In de motie Lemstra (17 januari 2006) wordt aan de minister van VROM gevraagd om een samenhangende regie en lange termijn visie te ontwikkelen op de ontwikkeling van de stedelijke netwerken en de Randstad in het bijzonder. Doelstellingen voor de Randstad in 2040 en de nationale stedelijke netwerken in Zuid, Oost en Noord Nederland zijn gericht op een klimaatbestendige ontwikkeling, verbetering van de groenblauwe kwaliteit, verbetering van de bereikbaarheid en economische dynamiek en bijdragen aan een aantrekkelijk woon-, leef- en werkklimaat (people, planet, profit).

Belangrijkste prestaties in 2009

In 2009 levert de minister van VROM de volgende prestaties:

• Uitvoeren van het innovatieprogramma Mooi Nederland;

• Verkennen en uitwerken van de geselecteerde projecten voor het Nota Ruimte-budget conform de daarvoor opgestelde procedure (Kamerstukken II, 30 800 D, nr. 6). In 2009 neemt de ministerraad een besluit op basis van uitgevoerde MKBA’s en businesscases, over 14 projecten: Nieuwe Hollandse Waterlinie, Deltapoort (alternatief voor Hoeksche Waard), Waterdunen, Nijmegen Waalfront (intentie om over deze vier nog in 2008 besluiten te nemen), Maastricht Belvédère, IJsseldelta en IJsselsprong, Haarlemmermeer, Zuidplaspolder, Stadhavens Rotterdam, Oude Rijnzone, Groningen Centrale Zone, Mooi en Vitaal Delfland, Westelijke Veenweiden (inclusies Groot Mijdrecht) en Hengelo/Hart van Zuid;

• Voor 2010 heeft de ministerraad voor bijna alle projecten de bijdrage vastgesteld. Alleen voor Schaalsprong Almere, Brainport Eindhoven en Den Haag Internationale Stad moet het moment van besluitvorming nog nader worden bepaald;

• Er is uitvoering gegeven aan de opgestelde acties voor 2009 uit de actieagenda bij de visie Randstad 2040:

– Afronden verkenning naar Randstad Sleutelprojecten;

– Besluit over definitie Randstad Sleutelprojecten;

– Vaststellen plan van aanpak voor in elk geval de vijf vastgestelde uitvoeringsallianties in het kader van Randstad 2040 met de bijbehorende rijksinzet;

• Een verkenning is gestart naar de gewenste vorm en inhoud van de visie voor de nationale stedelijke netwerken Brabantstad en Knooppunt Arnhem–Nijmegen;

• Bijdrage leveren aan de (versnelling van) besluitvorming van projecten binnen het kabinetsprogramma Randstad Urgent.

6. Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten

Doelstelling 69: Het oplossen van de 10 meest gevoelde knelpunten bij administratieve lasten (zie ook Doelstelling 16, Minder regels, minder instrumenten, minder loketten).

Burgers en bedrijven gaan de komende jaren goed merken dat de dienstverlening door de overheid verbetert. Een belangrijke maatregel is de introductie van de Omgevingsvergunning en het Digitale Omgevingsloket. De richtdatum voor invoering is nu 1 januari 2010. Deze vergunning is via internet aan te vragen en vervangt de 1 600 formulieren die nu in omloop zijn. Dat scheelt dus 1599 formulieren en leidt tot een verlaging van administratieve lasten van circa € 65 mln voor het bedrijfsleven en circa € 10 mln voor de burger.

Doel

Het Kabinet heeft de ambitie om in deze kabinetsperiode:

• De administratieve lasten op de terreinen van VROM met tenminste een kwart te laten dalen ten opzichte van de administratieve lasten op de peildatum 1 maart 2007 (€ 1,24 mrd per jaar);

• De kwaliteit van de uitvoering te verbeteren. Leidend hierbij is het in het najaar 2008 vast te stellen «eindbeeld» voor de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende overheden bij de uitvoering van VROM beleid en regelgeving en het toezicht daarop Het kabinetsstandpunt over het advies van de Commissie Mans vormt onderdeel van dit eindbeeld;

• In de praktijk gevoelde knelpunten en irritaties van burgers, bedrijven en andere overheden op te lossen.

Belangrijkste prestaties in 2009

Om deze doelen te halen, worden onder de paraplu van het programma «Slimmere regels, betere uitvoering en minder lasten» diverse activiteiten uitgevoerd:

• Transitieprogramma Werk in Uitvoering: IPO, VNG, UvW en VROM werken samen een aantal projecten uit dat tot doel heeft de kwaliteit van de uitvoering van wet- en regelgeving door overheden te verbeteren en daardoor de ervaren regeldruk te verminderen. Dit moet er toe leiden dat in 2009:

– Kwaliteitscriteria beschikbaar komen voor uitvoerende organisaties teneinde een minimale kwaliteit van de uitvoering (vergunningverlening en toezicht) te borgen;

– Ontwerp regelgeving in procedure is gebracht waarmee het interbestuurlijk toezicht sterk wordt versoberd en ondergebracht bij «de naast hogere overheid»;

– Ontwerpregelgeving in procedure is gebracht waarmee het hiervoor genoemde eindbeeld kan worden geïmplementeerd;

• Merkbaar Minder Regeldruk: diverse projecten worden in deze kabinetsperiode uitgevoerd om regelgeving verder te vereenvoudigen en de administratieve lasten met nog eens een kwart te verminderen. Het complete overzicht aan acties en projecten inclusief de planning waarop ze zijn afgerond, is opgenomen in het Werkprogramma Slimmer, Beter, Minder dat separaat aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Het betreft onder meer het Activiteitenbesluit dat in 2009 wordt uitgebreid waardoor minder bedrijven een vergunning nodig hebben. Ook zijn dan Bouwbesluit en Gebruiksbesluit verder gestroomlijnd en aangepast aan het kabinetsstandpunt over het advies van de commissie Dekker.

7. Tabel stand van zaken beleidsdoelstellingen

Nr. kabinets- doelstellingOmschrijvingNr. Beleidsartikel/ODGeraamde uitgaven 2009 (x 1 000)Geraamde uitgaven 2010 (x1 000)Geraamde uitgaven 2011 (x 1 000)Stand van zakenRelevante beleidsnota’s
8Totstandkoming van ambitieuze internationale klimaatdoelstel- lingen na 20123.2.21 796900900In voorbe- reiding 
        
16 (zie ook doelstelling 69)Minder regels, minder instrumenten, minder loketten7.2.1 en 9.2.32 6412 6152 611In uitvoeringVervolgprogramma Slimmere Regels, betere uitvoering en Minder lasten
        
Urgentie-programma RandstadRandstad ontwikkelt zich tot een duurzame en concurrerende Europese topregio2.2.1***In voorbe- reidingUrgentieprogramma Randstad(Kamerstukken II, 2006–2007, 31 089, bijlage bij nr. 1)
        
21De overheid hanteert in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium mee te nemen in al haar aankopen7.2.14 000  In uitvoeringBrief over duurzaam inkopen d.d. 29 februari 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 196, nr. 20)
        
22Het stimuleren van duurzame consumptie en productie3.2.1, 3.2.4, 4.2.1, 4.2.3, 5.2.1, 5.2.3, 5.2.4, 6.2.2, 7.2.1 en 7.2.3******In uitvoeringBrief over duurzaam inkopen d.d. 29 februari 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 196, nr. 20)
        
23Tijdig op vraag afge- stemd aanbod voor goed ingepaste bedrijfslocaties2.2.1500500500In uitvoeringBeleidsagenda VROM 2008
        
24In 2011 Nederlanders meer tevreden over landschap, groene gebieden gerealiseerd, platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden2.2.26 4706 4706 469In uitvoeringSamenwerkingsagenda Mooi Nederland(Kamerstukken II, 2007–2008, 30 200 XI, bijlage bij nr. 84)
        
26Klimaatbestendige inrichting van Nederland. Meer ruimte voor natuurlijke processen (bodem, water en natuur)8.2.413 00014 00015 000In uitvoeringNationaal Programma Adaptie Ruimte en Klimaat(Kamerstukken II, 2007–2008, 31 269, nrs. 1 en 2)
        
29Realiseren van een beperkt aantal com- plexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis2.2.1*********In uitvoering Nota Ruimte (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 435, nrs. 1, 2 en 3)
        
Schoon & ZuinigStreven naar energie-besparing, een verho- ging van het aandeel duurzame energie en een reductie van broeikasgassen3.2.1, 5.2.3 en 7.2.3130 190102 61390 202In uitvoeringWerkprogramma Schoon & Zuinig (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, bijlage bij nr. 1)

* Hieronder valt een aantal complexe samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis die onderdeel uitmaken van de Nota Ruimte. Budgetten worden verantwoord onder doelstelling 29.

** Beleidsmatig gezien leveren artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 (direct en indirect) een bijdrage aan het realiseren van doelstelling 22. Het is daarom niet goed mogelijk om hier een bedrag aan te koppelen.

*** Voor deze doelstelling is in totaal een budget gereserveerd van € 1 mld in het FES (Nota Ruimte).

Toelichting:

De artikelstructuur van deze VROM-begroting is niet ingericht per prioritaire kabinetsdoelstelling en de bijbehorende geraamde uitgaven zijn daarom niet rechtstreeks hieruit af te leiden. De genoemde bedragen betreffen de totale programmabudgetten voor de operationele doelstellingen of de instrumenten die het beste aansluiten bij de kabinetsdoelstellingen. Een uitzondering hierop vormt echter doelstelling 23 waarbij alleen het budget voor de pilots voor herstructurering bedrijventerreinen is opgenomen. Ook voor doelstelling 21 geldt dat alleen het budget dat specifiek beschikbaar is gesteld voor het ontwikkelen van duurzaamheidscriteria is opgenomen in dit overzicht.

8. Belangrijkste mutaties ten opzichte van de begroting 2008

Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties ten opzichte van de VROM-ontwerpbegroting 2008
x € 1000200820092010201120122013art.nr
Stand Ontwerpbegroting 20081 302 1241 118 4031 037 9851 015 620979 6240 
        
Mutaties 1e suppletore begroting 2008:       
FES Realisatie 2007 BIRK38 961000002
FESRealisatie 2007 NSP242 374000002
Structurele budgetten Toekomstagenda Milieu– 10 800– 11 000– 11 000– 11 000– 11 000– 11 0004
FESRealisatie 2007 luchtkwaliteit verkeer– 27 175000005
        
Nieuwe mutaties:       
1. FESMooi Nederland3 0009 5009 0007 0005 0001 5002
2. FESmiddelen verkeersmaatregelen35 000     5
3. FESGeluidskaarten03 0003 0003 0003 00005
4. Akkoord vervoerssector roetfilter027 00020 00015 000005
5. FESKlimaatbuffers 3 0004 0005 0003 00008
6. FESBIRK– 39 65542 0550–2 400002
7. FESProMT (Toezegging 2007–2010) 4 9004 9004 9004 270 7
8. Compensatie Rijk BAG, Topografie en GBKN2009–2013 13 07023 42024 86522 16522 16591
9. Loonbijstelling 20085 6025 4525 1044 4594 3724 37291
10. Knelpuntenpot prijsbijstelling5 5272 764     
11. Loonbijstelling 2008– 7 785– 7 532– 7 030– 6 128– 6 045– 6 04592
12. Knelpuntenpot prijsbijstelling– 5 897– 2 949    92
        
Overige mutaties:92 7348 4964 72412 68528 847969 176diversen
Stand ontwerpbegroting 20091 634 0101 216 1591 094 1031 073 0011 033 233980 168 

Toelichting mutaties:

De mutaties 1e suppletore begroting 2008 zijn toegelicht in de 1e suppletore begrotingswet 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 474 XI, nr. 2).

Ad 1.

Het budget wordt enerzijds ingezet voor de nieuwe innovatieregeling Mooi Nederland die innovatieve en creatieve projecten gaat ondersteunen welke ruimtelijke kwaliteit bevorderen. Anderzijds wordt het budget onder meer ingezet voor enkele pilots om bedrijventerreinen te herstructureren, voor de ruimtelijke aspecten rondom het realiseren van windenergie en voor sanering van glastuinbouw.

Ad 3.

Op basis van de Europese richtlijn Omgevingslawaai moeten in de periode 2009–2012 geluidsbelastingskaarten en actieplannen worden opgesteld voor agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners. Hiervoor is een bedrag van in totaal € 12 mln beschikbaar gesteld. Geluidskaarten zorgen ervoor dat periodiek inzicht ontstaat in de geluidsbelasting en de beleving van de burgers daarbij; de actieplannen bieden inzicht in de voorgenomen maatregelen om de geluidsbelasting te beperken. Eind 2008 zijn de geluidskaarten en actieplannen beschikbaar gekomen voor agglomeraties met meer dan 250 000 inwoners.

Ad 4.

Als uitvloeisel van de afspraken trekt het Kabinet in de periode 2009–2011 in totaal € 62 mln extra uit voor duurzame mobiliteit. In 2009 wordt hiervan met de transportsector voor de stimulering van de aanschaf van vrachtwagens en bussen met een motor die voldoet aan de Euro 5- of EEV-norm, € 9 mln ter beschikking gesteld. Eveneens wordt in dit kader een fijn stofconvenant bestelwagens met de transportsector gesloten, opdat nieuwe bestelwagens versneld worden voorzien van affabriek roetfilters. Hiervoor wordt in 2009 € 18 mln ter beschikking gesteld.

Ad 5.

Het budget wordt ingezet voor het verlenen van financiële bijdragen om regionale en lokale projecten klimaatbestendiger uit te voeren door gebruik te maken van natuurlijke processen. Dit is een vervolg op de eerste vijf natuurlijke klimaatbuffers, waarvoor de Kamer in 2007 middels een amendement € 5,0 mln beschikbaar voor heeft gesteld.

Ad 6.

De eerder berekende kasverwachtingen voor een aantal BIRK-projecten moeten bijgesteld worden. Een bedrag van € 42 mln zal naar verwachting in 2009 tot betaling komen, in plaats van in 2008. Omdat het een desaldering is, wordt ook de ontvangstenraming van artikel 2 aangepast.

Ad 7.

Conform kabinetsbesluit van 16 februari 2007 worden FES-middelen voor in totaal Euro 18 970 000 beschikbaar gesteld om de ProMT-regeling in de periode 2007–2010 voort te kunnen zetten (brief van EZ dd 12 juli 2007 met kenmerk OI/REB 7084228).

Ad 8.

Op 1 januari 2008 is de wetgeving voor de invoering van de basisregistraties BAG, Topografie en Kadaster in werking getreden. Door met lage financiële drempels een breed gebruik tot stand te brengen is gekozen voor centrale financiering. Dit past binnen het huidige kabinetsbeleid (e-Overheidsvoorzieningen waar mogelijk centraal financieren).

Ad 9.

Het ministerie van Financiën keert jaarlijks loonbijstelling uit aan de departementen. De loonbestelling, tranche 2008, is aan de eerste suppletore begroting van het ministerie van VROM toegevoegd. Deze loonbijstelling is vervolgens verdeeld over de apparaatsinstrumenten van het ministerie van VROM. Het leeuwendeel van deze instrumenten bevindt zich op artikel 91; bovengenoemde mutatie is een samenvoeging van meerdere mutaties ter verdeling van de loonbijstelling.

Ad 12.

Het ministerie van Financiën heeft de prijsbijstelling, tranche 2008, niet uitgekeerd. Het ministerie van Financiën heeft een knelpuntenpot in het leven geroepen voor beleid dat en projecten die onherroepelijk in de problemen komen bij het inhouden van de prijsbijstelling. Het ministerie van VROM heeft aanspraak gemaakt op de knelpuntenpot. Het leeuwendeel van de uitkering uit de knelpuntenpot slaat neer op artikel 91; bovengenoemde mutatie is een samenvoeging van meerdere mutaties ter verdeling van de uitkering uit de knelpuntenpot.

Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties ten opzichte van de VROM-ontwerpbegroting 2008
x € 1000200820092010201120122013art.nr
Stand Ontwerpbegroting 2008372 611190 041101 92699 45150 4790 
        
Mutaties 1e suppletore begroting 2008:       
FES Realisatie 2007 BIRK38 961000002
FESRealisatie 2007 NSP242 374000002
FESRealisatie 2007 luchtkwaliteit verkeer– 27 175000005
        
Nieuwe mutaties:       
13. FESBIRK– 39 65542 055    2
14. FES-bijdrage Mooi Nederland3 0009 5009 0007 0005 0001 5002
15. FESmiddelen verkeersmaatregelen35 000     5
16. FES-bijdrage Geluidskaarten03 0003 0003 0003 00005
17. FESProMT 4 9004 9004 9004 270 7
18. FES-bijdrage Klimaatbuffers03 0004 0005 0003 00008
        
Overige mutaties:31 2203 1781 000– 2 400037 294diversen
Stand ontwerpbegroting 2009656 336255 674123 826116 95165 79438 794 

Toelichting:

Ad 13.

De eerder berekende kasverwachtingen voor een aantal BIRK-projecten moeten bijgesteld worden. Een bedrag van € 42 mln zal naar verwachting in 2009 tot betaling komen, in plaats van in 2008. Omdat het een desaldering is, wordt ook de ontvangstenraming van artikel 2 aangepast.

Ad 15.

Eind 2007 is uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) een bedrag van € 150 mln beschikbaar gesteld voor luchtkwaliteit. Hiervan werd € 35 mln specifiek bestemd als aanvulling op de middelen voor de subsidiëring van roetfilters voor zware voertuigen. Dit bedrag wordt thans toegevoegd aan de begroting voor 2008.

Ad 17.

Conform kabinetsbesluit van 16 februari 2007 worden FES-middelen voor in totaal € 18,970 mln beschikbaar gesteld om de ProMT-regeling in de periode 2007–2010 voort te kunnen zetten (brief van EZ dd 12 juli 2007 met kenmerk OI/REB 7084228).

2.2. De beleidsartikelen

Artikel 1. Optimaliseren van de ruimtelijke afweging

1.1. Algemene Beleidsdoelstelling

1.1.1. De ruimtelijke afweging organiseren door het beheren en ontwikkelen van het ruimtelijke instrumentarium

Motivering

Het gaat om het zodanig beheren en ontwikkelen van ruimtelijke instrumenten dat andere overheden kunnen bijdragen aan het versterken en duurzaam ontwikkelen van de economische, ecologische en sociaal-culturele waarden van de ruimte in Nederland.

Zie ook de Nota Ruimte deel 4 Tekst na parlementaire behandeling (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 435 XI, nr. 153), De uitvoeringsagenda Nota Ruimte (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 435 XI, nr. 3) en de Uitvoeringsagenda 2006 (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 435 XI, nr. 174).

Verantwoordelijkheid

De minister van VROM is verantwoordelijk voor:

• Het stellen van nationale kaders en regels en het doorvertalen van relevante Europese beleidskaders;

• De uitwerking van het Nota Ruimte-concept «centraal wat moet»;

• Beïnvloeden van de ruimtelijke impact van de Europese regelgeving;

• Afstemming van het Nederlandse ruimtelijk beleid op dat van de buurlanden;

• De ruimtelijke uitwerking van pijler 3 «duurzame leefomgeving» uit het Beleidsprogramma 2007–2011, met in het bijzonder de doelstellingen ten aanzien van bundeling, anti-verrommeling en klimaatbestendigheid.

Externe factoren

Bij het waarmaken van deze systeemverantwoordelijkheid is de minister van VROM afhankelijk van de mate waarin andere overheden in staat zijn hun ruimtelijke afweging op een ordentelijke manier te maken.

Meetbare gegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat ruimtelijke afwegingen integraal en gecoördineerd plaatsvinden, zowel verticaal (tussen bestuurslagen) als horizontaal (tussen departementen). Dit begrotingsartikel gaat in op het ontwikkelen en onderhouden van het systeem van de ruimtelijke ordening in Nederland. Deze zijn te vinden in begrotingsartikelen 2 en 8.

In samenwerking met IPO/VNG zal ten behoeve van de begroting 2010 een ex-durante monitoring en evaluatie-instrument worden ontwikkeld, gekoppeld aan de nieuwe Wro met als doel het Kabinet en het Parlement regelmatig inzicht te verschaffen in de uitvoeringspraktijk van de wet.

Tabel 1.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 1. Optimalisering van de ruimtelijke afweging
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:12 53613 1316 2606 9754 3462 2962 386
Uitgaven:19 77228 13619 1406 0395 9026 5953 269
Waarvan juridisch verplicht  14 5931 510000
Programma:19 77228 13619 1406 0395 9026 5953 269
 Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren:19 77228 13619 1406 0395 9026 5953 269
  FES-projecten9 20018 47610 0450000
  MonitoringNota Ruimte1 0571 3471 1761 1991 4231 4231 423
  Subsidies algemeen891769460460460460460
  Overige instrumenten algemeen6 1353 2802 6961 1691331503
  INTERREG2 4894 2644 7633 2114 0184 381883
Ontvangsten:9 20119 39210 0330000

Grafiek 1.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-5.gif

Operationeel doel:1. Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

Toelichting:

1. Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren:

De juridische verplichtingen bestaan in hoofdzaak uit de FES-toezeggingen Habiforum en Klimaat voor Ruimte. Daarnaast komen de uitgaven op de overige instrumenten voor 50% uit verplichtingen die in voorgaande jaren zijn aangegaan.

1.2. Operationele doelstelling

1.2.1. Ruimtelijk instrumentarium ontwikkelen en beheren

Motivering

Het gaat om het bereiken van een goed ruimtelijk systeem door middel van samenhangende besluitvorming:

• Door ruimtelijk relevante wet- en regelgeving te onderhouden;

• Door ruimtelijke afwegingsprocessen te coördineren en optimaliseren;

• Door «centraal wat moet» uit te werken;

• Door decentrale overheden in staat te stellen hun ruimtelijke beleid uit te voeren;

• Door het Nederlandse belang in te brengen in Europese kaders die van invloed zijn op de ruimtelijke afweging.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

Wet- en regelgeving

• Wet op de ruimtelijke ordening (Wro)

De Wro bepaalt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen en gewijzigd worden alsook de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen. Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wro in werking getreden.

• Grondexploitatiewet

Doelstelling van de wet is een goede regeling voor kostenverhaal en enkele locatie-eisen bij particuliere projectontwikkeling.

• Wet voorkeursrecht gemeenten

Met de wet wordt een vereenvoudiging beoogd van de wetgeving rond grondverwerving door gemeenten en het toekennen van bevoegdheden aan provincie en Rijk.

• Structuurvisies en AMvB’s

Het beoordelen van provinciale structuurvisies en/of het uitbrengen van Rijksstructuurvisies en AMvB’s (concrete structuurvisies zijn vermeld in begrotingsartikelen 2 en/of 8).

Bestuurlijk:

• Samenwerkingsagenda Mooi Nederland: onder de titel «Mooi Nederland» hebben IPO, VNG en de minister van VROM, mede namens haar collega-bewindslieden van LNV en EZ samenwerkingsafspraken gemaakt om de verrommeling van het landschap tegen te gaan.

Financieel:

• Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)

VROM draagt bij aan het gezamenlijk met VenW uit te brengen Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). De spelregels moeten zoveel als mogelijk geüniformeerd worden en geschikt gemaakt worden voor integrale gebiedsgerichte afwegingen. Elementen die hierbij een rol spelen zijn een uniforme omgang met decentrale overheden en marktpartijen, (kosten)ramingen, kosten-batenanalyses en risicomanagement.

• Europese subsidieprogramma INTERREG

Met INTERREG wordt beoogd de deelname van Nederlandse organisaties aan Europese samenwerkingsprojecten onder het Europese subsidieprogramma INTERREG te stimuleren. Hiertoe wordt de Projectstimuleringsregeling (PSR) ingezet om projecten te stimuleren een INTERREG-aanvraag in te dienen en vindt cofinanciering plaats van INTERREG-projecten (A, B en C). Dit draagt ook bij aan de doelen uit artikel 2 voor de Nota Ruimte.

• Subsidies aan vakorganisaties

De minister van VROM verleent in een aantal gevallen doelsubsidies aan vakorganisaties die een nationaal of internationaal forum bieden voor het ontwikkelen en het uitwisselen van kennis op het vlak van planologie en ruimtelijke ordening in Nederland. De activiteiten van deze organisaties leveren een duidelijke bijdrage aan het realiseren van de beleidsdoelstellingen van de minister van VROM. Voor deze subsidies worden bij voorkeur meerjarige afspraken gemaakt, die regelmatig worden getoetst.

Communicatie:

• Ruimteforum

Ruimteforum is een interactief online communicatie-instrument dat de minister van VROM inzet ter ondersteuning van de RO-professional bij de uitvoering van de RO-prioriteiten van VROM, met een nadruk op het programma «Mooi Nederland». Vanuit Ruimteforum wordt de ontwikkeling van kennisuitwisseling gestimuleerd als een nieuwe activiteit naast de huidige kerntaken.

Meetbare gegevens

De prestaties in 2009 zijn:

• Het 2e deel vereenvoudiging Wet voorkeursrecht gemeenten naar de Eerste Kamer en gepubliceerd in het Staatsblad;

• De spelregels MIRT worden binnen randvoorwaarden geschikt gemaakt voor integrale gebiedsgericht afwegingen;

• Voldoen aan eisen Wro door middel van ondersteuning van provincies en gemeenten bij invoering, waaronder ondersteuning bij digitaal beschikbaar maken van nieuwe plannen;

• Het aanbieden aan beide Kamers van de eerste tranche van de AMvB Ruimte. Dit ter borging van de kaders van de Nota Ruimte die juridische doorwerking behoeven, zoals aangegeven in de Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid;

• Afronden van de 157 INTERREG IIIB/C-projecten met Nederlandse deelname.

Tabel 1.2. Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
In uitvoering zijn van INTERREG IV-projecten binnen B en C met Nederlandse deelname020075020092002013
Deelname van Nederland in INTERREG IV B en C. 02007n.v.t. n.v.t.In de top 42013
In uitvoering komen van INTERREG-projecten die uitvoering geven aan Nota Ruimte02007102009502013
Ruimteforum, inzet interactieve website ter ondersteuning bij uitvoering RO-beleid      
– Sessies (bezoekers) per dag400200880020098002010
– Tevredenheid bezoekers over website58% 75% 75% 

Bron: VROM-interne administratie

1.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 1.3. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
Beleidsdoorlichting:Beleidsdoorlichting operationeel doel 1.2.1. OD 1.2.1.A. 2011B. 2012
    
Effecten onderzoek ex post: Monitor Nota Ruimte– 2e vervolgmetingOD 1.2.1.A. 2008B. 2010
    
Overig evaluatieonderzoek:   
– evaluatie werkwijze preventief toezicht– Werkwijze preventief toezichtOD 1.2.1.A. 2008B. 2009
– evaluatie doorwerking ruimtelijk beleid– Doorwerking ruimtelijk beleidOD 1.2.1.A. 2009B. 2010
– Monitor nieuwe Wro– Werking WroOD 1.2.1.A. 2009B. 2010
– evaluatie Grondexploitatiewet– Werking GrondexploitatiewetOD 1.2.1.A. 2009B. 2010
– evaluatie Wet voorkeursrecht gemeenten– Werking Wet voorkeursrecht gemeentenOD 1.2.1.A. 2009B. 2010

Artikel 2. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur

2.1. Algemene Beleidsdoelstelling

2.1.1. Gebiedsontwikkeling stimuleren en nationale ruimtelijke hoofdstructuur realiseren

Motivering

Duurzame ruimtelijke ontwikkeling vraagt om samenhangende, integrale gebiedsontwikkeling ingebed in regionaal en soms bovenregionaal afgestemde planontwikkeling. De gebieden en netwerken die het Kabinet vanuit ruimtelijke optiek van nationaal belang acht, vinden hun neerslag in de nationale ruimtelijke hoofdstructuur.

Het ruimtelijk beleid en de doelstellingen voor de komende decennia zijn vastgelegd in de Nota Ruimte. In deze nota is het totale rijksbeleid voor de ruimte verwoord. De nota overstijgt hiermee het beleidsterrein van VROM. Daarom is in deze begroting een selectie van doelstellingen van de Nota Ruimte opgenomen. Het betreft enerzijds doelstellingen waar de minister van VROM een resultaatverantwoordelijkheid kent en anderzijds doelstellingen waar het ruimtelijke (financiële) instrumentarium een belangrijke functie vervult bij gebiedsontwikkeling. Het huidige Kabinet heeft een aantal van de doelstellingen uit de Nota Ruimte nader toegespitst of tot speerpunten van beleid benoemd. Deze nadere precisering van doelstellingen staat vermeld bij de desbetreffende operationele doelstellingen. Op verzoek van de minister van VROM wordt door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) eens in de twee jaar gerapporteerd over de doelbereiking van het gehele ruimtelijk beleid in circa 70 indicatoren. Bij de doelstellingen opgenomen in deze begroting wordt gebruik gemaakt van de relevante indicatoren uit deze monitor.

De doelstellingen gaan over de thema’s:

• Duurzame verstedelijking, bundeling;

• Planning, herstructurering/intensivering en kwaliteit van bedrijventerreinen;

• Bescherming en ontwikkeling van nationale landschappen en rijksbufferzones;

• Verrommelde bestemmingen en bebouwing in het buitengebied;

• Inpassing van windenergie in ruimtelijk beleid;

• De inzet van instrumenten van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening.

Alle doelstellingen richten zich op versterking van de onderlinge samenwerking tussen gemeenten in regionaal verband en met de provincies (concrete doelstellingen staan in de Beleidsagenda genoemd).

Verantwoordelijkheid

De minister van VROM is verantwoordelijk voor de ruimtelijke aspecten van de uitvoering van het rijksbeleid met betrekking tot:

• Het stellen van nationale kaders en regels en het doorvertalen van relevante Europese beleidskaders;

• Verstedelijking, stedelijke netwerken en centrumvorming (Nieuwe Sleutel Projecten);

• Landschappelijke ontwikkeling (onder andere nationale landschappen en rijksbufferzones);

• Rivieren, grote wateren en kust (zie ook artikel 11);

• Rijksinfrastructuur;

• De architectonische kwaliteit via het interdepartementale architectuurbeleid.

De Rijksbouwmeester is onafhankelijk adviseur van het Kabinet voor:

• Het architectuurbeleid, het monumentenbeleid van de monumenten in rijksbezit en de rijkshuisvesting.

Externe factoren

De nieuwe Wro stoelt op het basisprincipe dat iedere bestuurslaag verantwoordelijk is voor het eigen ruimtelijk beleid en het instrumentarium krijgt om dat beleid te realiseren. Bemoeienis met een andere overheid is alleen mogelijk indien de noodzaak vanuit het eigen ruimtelijke belang kan worden aangetoond. De normstelling die daaruit voortvloeit, dient zoveel mogelijk vooraf te geschieden, zodat daarover tevoren duidelijkheid bestaat. Beleid en normstelling zijn gescheiden.

De nieuwe Wro leidt ertoe dat duidelijk is welke overheid waarvoor verantwoordelijk is, welke normen en kaders door de hogere bestuurslaag zijn gesteld en welke beleidsruimte er vervolgens voor elke bestuurslaag is. Voorts krijgt elke overheidslaag dezelfde adequate instrumenten voor de uitvoering van het ruimtelijk beleid. Het nieuwe stelsel leidt daarmee tot meer duidelijkheid (Eerste Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 938, C).

Meetbare gegevens

De meetbare gegevens worden weergegeven onder de operationele doelstellingen.

Tabel 2.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 2.  Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:198 73963 34359 07458 39854 24352 08548 095
Uitgaven:73 605437 446142 92070 58271 66352 09548 095
Waarvan juridisch verplicht  126 64655 09758 09940 86940 369
Programma:73 605437 446142 92070 58271 66352 09548 095
 Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:31 298394 71494 88522 61825 8506 5292 529
  FESprojecten gebiedsontwikkeling0000000
  FESBIRK13 305101 91550 9679 43717 7305000
  FESMooi Nederland03 0009 5009 0007 0005 0001 500
  FESNieuwe Sleutelprojecten3 417274 52824 2891 800000
  Onderzoek stedelijk gebied8260000000
  Subsidies stedelijk gebied12 90512 2249 3631 692434343343
  Overige instrumenten stedelijk gebied1 5892 447766689686686686
        
 Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:42 30740 98442 98842 98340 85540 85540 855
  FESBIRK0000000
  Onderzoek landelijk gebied0000000
  Subsidies landelijk gebied1 2665777675757575
  Overige instrumenten landelijk gebied1 256402412411411411411
  Bufferzones5 9076 0996 4706 4706 4696 4696 469
  Belvedere002 1252 124000
  Het Waddenfonds33 87833 90633 90533 90333 90033 90033 900
        
 Stimuleren architectonische kwaliteit voor het interdepartementale architectuurbeleid01 7485 0474 9814 9584 7114 711
Ontvangsten:16 805386 53685 92020 83625 3287 4061 500

Grafiek 2.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-6.gif

Operationeel doel:1. Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen2. Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:

3. Stimuleren architectonische kwaliteit voor het interdepartementale architectuurbeleid

Toelichting bij de grafiek budgetflexibiliteit, derde operationele doel:

De Rijksgebouwendienst is een baten-lastendienst en voert derhalve geen verplichtingen-kasadministratie. De omvang van de juridische verplichtingen per 1 januari 2009 is een raming.

Toelichting per operationeel doel:

1. Stedelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:

De juridische verplichtingen voor de FES-toezeggingen voor Nota Ruimte-projecten, BIRK en NSP vormen samen met de aanvullende BIRK-projecten op subsidies stedelijk gebied het totaal van € 92,480 mln.

2. Landelijke gebieden van nationaal belang verder ontwikkelen:

De bufferzonereeks is volledig juridisch verplicht aan de provincies (via het ILG). Jaarlijks wordt de reeks voor Belvedere overgeheveld naar OCW. Het bedrag voor het Waddenfonds is de voeding van het fonds (20 jaar € 33,9 mln).

3. Stimuleren architectonische kwaliteit voor het interdepartementale architectuurbeleid:

Het derde operationele doel wordt uitgevoerd door de Rijksbouwmeester. Hiervoor krijgt de Rijksgebouwendienst, waaronder het Atelier van de Rijksbouwmeester ressorteert, jaarlijks een bijdrage van het moederdepartement. De Rijksgebouwendienst is een baten-lastendienst en voert daarom geen verplichtingen-kasadministratie. De omvang van de juridische verplichtingen per 1 januari 2009 is een raming.

2.2. Operationele doelstelling

2.2.1. Stedelijk gebied van nationaal belang verder ontwikkelen

Motivering

Het ruimtelijk beleid voor het stedelijk gebied kent de volgende dimensies:

a. Op duurzame efficiënte wijze voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van de door burgers en bedrijven gevraagde woonmilieus, voorzieningen en bedrijventerreinen (Nota Ruimte: «Verbetering van de leefbaarheid en de sociaal economische positie van de steden»).

Krachtige steden zijn steden die veilig zijn en die in alle opzichten voldoen aan de eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten aan een stad stellen. Krachtige steden zijn tevens economisch vitaal. Het gaat kortom om steden die kansen bieden aan burgers en veilig en prettig zijn om in te verblijven.

Bundeling van verstedelijking in steden en dorpen maakt het mogelijk functies bij elkaar te brengen, waardoor het draagvlak voor voorzieningen ondersteund wordt en arbeid, zorgtaken en ontspanning beter te combineren zijn.

Op sommige plaatsen staat de kwaliteit van woongebieden en bedrijventerreinen onder druk, waarbij revitalisering of transformatie een oplossing kan bieden.

Intergemeentelijke afstemming is van belang om te komen tot een evenwichtige spreiding van lusten en lasten over centrumstad en regio. De ontwikkeling van centra vergroot de stedelijkheid en biedt naast wonen en werken, een breed scala en voorzieningen;

b. Ontwikkeling van nationale stedelijke netwerken en stedelijke centra door gerichte ruimtelijke investeringen en het ontwerpen van visies (het realiseren van complexe ruimtelijke opgaven en een duurzaam en veilig ingerichte Randstad in 2040, en een duurzame ontwikkeling van de stedelijke netwerken in zuid, oost en noord Nederland).

De economische kracht en duurzaamheid van de zes nationale stedelijke netwerken uit de Nota Ruimte zijn van grote betekenis voor de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur. Daarbij is versterking van de centrumvorming essentieel voor de ontwikkeling van de stedelijke netwerken. In de motie Lemstra wordt de minister van VROM gevraagd om een samenhangende regie en lange termijnvisie te ontwikkelen op de ontwikkeling van de stedelijke netwerken en de Randstad in het bijzonder. Lange termijn (2040) doelstellingen zijn gericht op een klimaatbestendige ontwikkeling, verbetering van de groen/blauwe kwaliteit, verbetering van de bereikbaarheid en economische dynamiek, voldoen aan de vraag naar (kwaliteit van de) ruimte en bijdragen aan een aantrekkelijk woon-, leef- en werkklimaat.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

Wet- en regelgeving

a. nWRO;

b. De Wro bepaalt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen en gewijzigd worden alsook de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen.

Bestuurlijk

c. Samenwerkingsagenda Mooi Nederland

Deze agenda bevat afspraken tussen het rijk, IPO en VNG en beoogt een nieuwe stimulans te geven voor «slim» en kwalitatief hoogwaardig ruimtegebruik voor wonen en werken in binnenstedelijk gebied, alsmede behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit van het (open) landschap;

d. Randstad Urgent

Het realiseren van besluitvorming van die projecten die in het kader van het programma Randstad Urgent (in totaal 35 projecten) onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM zijn gebracht (6 projecten), hetzij als Randstad Urgent project, hetzij als kandidaat Randstad Urgent project. Randstad 2040 en het kabinetsstandpunt Schiphol zijn twee van de projecten.

Financieel

f. Programma Nota Ruimte-budget;

Met subsidies aan integrale gebiedsontwikkeling binnen de Ruimtelijke Hoofdstructuur vanuit het budget uitvoering NR (2007–2014). Dit budget is beschikbaar ten behoeve van (maximaal) 23 reeds geselecteerde complexe integrale gebiedsontwikkelingsprojecten van nationaal belang;

g. Subsidies Nieuwe Sleutelprojecten (NSP);

NSP wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van 6 centra in nationale stedelijke netwerken door (her)ontwikkeling van HSL-stations en omgeving;

h. Subsidie Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK);

BIRK wordt ingezet ter ontwikkeling en versterking van centra in nationale stedelijke en nationale landschappen door subsidiëring van projecten die kwaliteit toevoegen aan het gebied;

i. Innovatieprogramma Mooi NL;

Het innovatieprogramma wordt ingezet voor innovatieve aanpak om verrommeling tegen te gaan of kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling te realiseren.

Meetbare gegevens

Bij meetbare gegevens wordt een onderscheid gemaakt naar 2 verschillende dimensies en waar nodig naar specifieke onderdelen hiervan:

Dimensie A: Voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van woonmilieus, voorzieningen en bedrijventerreinen

1: Bundeling van verstedelijking en optimale benutting van verdichtingmogelijkheden;

2: Transformatie van verouderde spoorwegemplacementen, haven- en industriegebieden;

3: Ontwikkeling en versterking van stedelijke centra.

Dimensie B: Nationale stedelijke netwerken en stedelijke centra

4: Realiseren van complexe ruimtelijke opgaven;

5: Bundeling van verstedelijking in bundelingsgebieden;

6: Ontwikkeling en versterking van 6 stedelijke centra (NSP).

Tabel 2.2. Effectindicatoren
EffectindicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Dimensie A: Voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van woonmilieus, voorzieningen en bedrijventerreinen
Mismatch tussen vraag en aanbod woonmilieus. Tekort aan groenstedelijke en centrumstedelijke woonmilieus.Indicator in ontwikkeling, beschikbaar eind 2008.n.v.t.Wordt kleiner2011Wordt kleiner2020
Bundeling van woningen54%2004> 54%2011> 54%2020
Realisatie van voldoende plancapaciteit voor woningbouw130% harde plancapaciteit2007130% harde plancapaciteit2011130% harde plancapaciteit2020
Intensivering bestaand bebouwd gebied35 775200620 000–40 000 woningen per jaar201120 000–40 000 woningen per jaar2020
Intensiteit van wonen, werken en voorzieningen in stedelijke centraIntensiteitindex waarde 542002>= 542011>= 542020
       
Dimensie B: Nationale stedelijke netwerken en stedelijke centra
Bundeling van woningen54% van het aantal woningen ligt in bundelingsgebieden 2004>= 54%2011>= 54%2020
Bundeling van werkzame personen58% van het aantal werkzame personen werkt in bundelingsgebieden2004>= 58%2011>= 58%2020
Bundeling van bedrijventerreinen44% van oppervlakte bedrijventerreinen ligt in bundelingsgebieden2004>= 44 %2011>= 44%2020
Intensiteit van wonen, werken en voorzieningen in NSP-centraIntensiteitindex waarde 272002>= 272011>= 272020

Prestaties in 2009:

(zie ook de prestaties zoals opgenomen in de beleidsagenda)

Ad 1:

• In samenwerking met de minister voor WWI integrale gebiedsgerichte bestuurlijke afspraken over verstedelijking in de periode 2010–2020 maken, waarin bundelingsbeleid voor nationale stedelijke netwerken wordt geborgd. In «Actieplan woningproductie» wordt een integrale aanpak voorgestaan van de integrale en regionale afspraken over woningbouw, groen, duurzaam ruimtegebruik, binnenstedelijk bouwen, milieuaspecten, voorzieningen, infrastructuur en openbaar vervoer. Daarbij zal een relatie worden gelegd met het MIRT en de reactie op de motie Van Heugten (31 200, nr. 121) over de ruimtelijke investeringsagenda;

• De AMvB Ruimte, waarin een kader wordt gesteld voor bundeling en intensivering, aan de Kamer aanbieden;

Ad 2:

• Opzetten nieuw model behoefteraming bedrijventerreinen;

Ad 4:

• Het realiseren van besluitvorming over die projecten die in het kader van Randstad Urgent (35 projecten) onder verantwoordelijkheid van de minister van VROM (schaalsprong Almere, Stadshavens Rotterdam, Zuidplaspolder, Oude Rijnzone en Duurzaam bouwen in de Utrechtse regio) zijn gebracht, het zij als Randstad Urgent project, hetzij als kandidaat Randstad Urgent project;

• Nota Ruimte-projecten

– besluitvorming over toelating naar de uitwerkingsfase van 9 geselecteerde projecten;

– besluitvorming Ministerraad over 14 Nota Ruimte-projecten. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd;

• Opstellen samenhangende ruimtelijke uitvoeringsstrategie en investeringsprogramma voor de westflank van de Randstad;

• Uitvoeren van eind 2008 vast te stellen acties uit de structuurvisie en bijbehorende uitvoerings- en onderzoeksagenda Randstad;

• Afronding businesscase door het Gemeenschappelijke Ontwikkelingsbedrijf (GOB) voor marinevliegkamp Valkenburg ten behoeve van besluitvorming in. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd;

• De lange termijnvisie voor Hembrugterrein is afgerond. Onderdeel daarvan is de businesscase.

Tabel 2.3. Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Dimensie A: Voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van woonmilieus, voorzieningen en bedrijventerreinen
Areaal geherstructureerd bedrijventerreinen31 000 ha voorraad20061 000 ha2010jaarlijks 1000 à 1500 ha2020
Doorlooptijd bij herstructurering7–10 jaren2008Doorlooptijd 10% ingekort2014Doorlooptijd 20% ingekort2020

2.2.2. Landelijk gebied van nationaal belang verder ontwikkelen

Motivering

Het ruimtelijk beleid voor het landelijk gebied kant de volgende dimensies:

a. Behouden en versterken van de openheid van het landschap: «behoud en versterking van de variatie tussen stad en land».

In de Nota Ruimte wordt geconstateerd dat steden min of meer aan elkaar groeien. Hierdoor ontstaat het beeld dat Nederland bestaat uit één grote stad, met een grote mate van eenvormigheid. Het behoud van afwisselende panorama’s op steden, dorpen en landschap is zowel belangrijk voor de reisbeleving als voor het algemene welbehagen van de burgers. Het afwisselende panorama voorkomt ook een eenzijdig beeld en versterkt zodoende de variatie tussen stad en land;

b. Behouden en versterken van de openheid van het landschap: «het realiseren van bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond steden». Aanbod van voldoende ontspanningsmogelijkheden is belangrijk voor de leefbaarheid, het welzijn en de gezondheid van de bewoners en voor de economie en dus voor een krachtige stad en voor een vitaal platteland. Gezien de grote tekorten aan dagrecreatie in de stedelijke gebieden is ruimte in en om de stad voor fietsen, wandelen, varen en paardrijden van belang. In de loop van de jaren zijn de rijksbufferzones steeds meer onderdeel gaan uitmaken van de stedelijke netwerkvorming. Zij hebben naast hun belangrijke functies als open gebieden tussen de steden ook een toenemende rol gekregen als recreatiemogelijkheid voor de stedelijke bevolking;

c. Borging en ontwikkeling van bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Zowel de Nationale Landschappen als de Werelderfgoederen zijn gebieden die voor Nederland unieke landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden hebben. De landschappelijke kwaliteiten zijn daarom mede sturend voor de wijze waarop de gebiedsontwikkeling in deze gebieden moet plaatsvinden.

d. Tegengaan van verrommeling: «ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit». Landbouwkundige ontwikkelingen, verstedelijking en de aanleg van infrastructuur hebben Nederland de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Deze ontwikkelingen hebben op verschillende plaatsen geleid tot verrommeling en nivellering van het landschap. Het Kabinet wil daarom dat de ruimtevraag zorgvuldig wordt geaccommodeerd door het stimuleren van ruimtelijke functies die bijdragen aan de openheid en kwaliteit van het landschap en door het beperken van ongerichte ruimtelijke ontwikkelingen die ten koste gaan van de openheid en kwaliteit;

e. Inpassen van windenergie in het ruimtelijk beleid. Het verhogen van het aandeel aan duurzame energie zal in de komende jaren vooral van windenergie op land moeten komen. Daarom wordt gestimuleerd dat partijen (met name provincies en gemeenten en projectontwikkelaars) voortvarend doorgaan met de huidige plaatsingspraktijk. Daarnaast moet ruimte gezocht worden voor toekomstige, nieuwe windturbines, die voor een deel aanzienlijk groter zijn dan de huidige generatie turbines. Dit wordt in de komende tijd nader onderzocht in de landelijke uitwerking Ruimte voor Windenergie.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

Wet- en regelgeving

• Grondexploitatiewet; Door de Wet grondexploitatie kan de balans tussen rood en groen/blauw worden behouden en versterkt;

• nWRO;

De Wro bepaalt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten tot stand komen en gewijzigd worden alsook de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen.

Bestuurlijk

• Samenwerkingsagenda Mooi Nederland

Deze agenda bevat afspraken tussen het Rijk, IPO en VNG en beoogt een nieuwe stimulans te geven voor «slim» en kwalitatief hoogwaardig ruimtegebruik voor wonen en werken in binnenstedelijk gebied, alsmede behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit van het (open) landschap;

• Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Via de nota Een Cultuur van Ontwerpen – visie architectuur en ruimtelijk ontwerp wordt ingezet op de verdere versterking van de rol, positie en profilering van het ontwerp (architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur). Het Rijk richt zich op een structurele versterking van de architectuur en het ruimtelijk ontwerp in de inrichting van Nederland. Deze zijn nodig om het ontwerp in de positie te brengen om effectief bij te dragen aan de noodzakelijke samenhang, duurzaamheid en pluriformiteit in de ruimtelijke ontwikkeling.

Financieel

• Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)

Het Investeringsbudget Landelijk Gebied wordt ingezet ter verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied. Door het aankopen van gronden in de bufferzones wordt de recreatieve functie van Rijksbufferzones versterkt. In de bestuursovereenkomsten 2007–2013 (ILG) zijn met de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht afspraken gemaakt over de oppervlakten te verwerven gronden ten behoeve van de Rijksdoelen Ecologische Hoofdstructuur en Recreatie om de Stad alsmede over het door het Rijk daarvoor aan de provincie ter beschikking gestelde budget;

• Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK)

Met BIRK wordt beoogd samenhangende oplossingen te laten aansluiten voor functiecombinaties met water, ecologische waarden te versterken, recreatiemogelijkheden voor stedelingen bij de structuurdragers in het gebied te laten toenemen, zodanig dat gebiedseigen kenmerken worden behouden en deze meer identiteit worden gegeven;

• Rijksbufferzones

VROM en LNV werken gezamenlijk aan de Ecologische Hoofdstructuur en de Recreatie om de Stad door middel van het instrument Rijksbufferzones. Rijksbufferzones zijn gebieden die zijn gevrijwaard van grootschalige bebouwing en zijn mede daardoor van grote waarde voor de stedelingen die dicht bij huis van open landschappen willen genieten. Zij hebben een rol als recreatiemogelijkheid voor de stedelijke bevolking.

• Belvédère

Belvédère wordt ingezet ter versterking van bijzondere cultuurhistorische waarden.

Kaderstelling

• Nationale Landschappen

Nationale Landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerken. De daar aanwezige landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten moeten worden behouden en ontwikkeld.

Meetbare gegevens

Bij meetbare gegevens wordt een onderscheid gemaakt naar 5 verschillende dimensies en waar nodig naar specifieke onderdelen hiervan:

Dimensie A: Behoud variatie tussen stad en land

Dimensie B: Openheid landschap: recreatievoorzieningen in en rond steden. Versterken van de dagrecreatieve functie van Rijksbufferzones

Dimensie C: Borging en ontwikkeling van bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Dimensie D: Tegengaan van verrommeling (stimuleren en faciliteren van het behoud van de openheid van het landschap; bundeling van niet-grondgebonden landbouw)

Dimensie E: Inpassen van windenergie in het ruimtelijke beleid (stimuleren huidige plaatsing windturbines; ruimte in ruimtelijke plannen op nationaal en provinciaal niveau voor toekomstige windturbines)

Tabel 2.4. Effectindicatoren
EffectindicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Dimensie B: Openheid landschap: recreatievoorzieningen in en rond steden
Beschikbaarheid van moge- lijkheden om te kunnen wandelen en fietsen binnen 5 kilometer van de woning14 gemeenten van de G50 voldoen200320 gemeenten van de G50 voldoen2009Alle gemeenten G50 voldoen2020
Beschikbaarheid openbaar groen binnen 500 meter van de woning per woningIn 21 gemeen- ten van de G50 is meer dan 75 m2 groen per woning200330 gemeenten van de G50 voldoen2009Alle gemeenten van de G50 heb- ben meer dan 75 m2 groen per woning2020
Beschikbaarheid openbaar groen binnen 500 meter van de woning per nieuw gebouwde woningn.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.75 m2 per nieuwe woning2020
Dimensie C: Borging en ontwikkeling van bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden
Het areaal of oppervlakte-percentage van kernkwali- teiten in de Nationale Land- schappen en Werelderfgoed-gebieden, w.o. openheid*Ten behoeve van de begroting 2001 wordt een Monitor Nationale Land- schappen opge- steld die de kern- kwaliteiten gaat kwantificeren.n.v.t.Blijft tenminste gelijk2011Blijft tenminste gelijk2020
Het aantal woningen in nationale landschappen952000 woningen2004Het aantal wonin- gen neemt toe met ten hoogste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul)2011Het aantal wonin- gen neemt toe met ten hoogste de eigen bevolkingsgroei (migratiesaldo nul)2020
Dimensie D: Tegengaan van verrommeling
Tevredenheid over het landschap75% van de bur- gers is tevreden2007>= 75%2010>= 75%2020
Bundelingspercentage van glastuinbouw59% van areaal glastuinbouw is gebundeld 2004>= 59%2011>= 59%2020
Bundelingspercentage bloembollenteelt6,5% van areaal bloembollenteelt is gebundeld2004>= 6,5%2011>= 6,5%2020
Bundelingspercentage boomteelt42% van areaal boomteelt is gebundeld2004>= 42%2011>= 42%2020
Bebouwing in het landelijk gebied24% van tota- le bebouwing ligt in het landelijk gebied200224% of minder2011Aandeel bebouwing in landelijk gebied bedraagt 24% van woningvoorraad of min- der2020
Openheid van het landschap119 000 ha zeer open gebied2006119 000 ha of meer2011119 000 ha of meer2020

* Afhankelijk van het karakter van het Nationaal Landschap hebben de kernkwaliteiten betrekking op het areaal landschapselementen met opgaande begroeiing (openheid/geslotenheid), karakteristiek reliëf, historische kavelpatronen, historische landschapselementen, landschapselementen van het watersysteem, veendikte, karakteristiek landgebruik

Prestaties in 2009:

(zie ook de prestaties zoals opgenomen in de beleidsagenda)

Ad. A

• Starten van 5 voorbeeldprojecten voor goede integratie van infrastructuur en ruimte in de snelwegomgeving;

Ad. D

• Realisering van innovatieve projecten openheid landschap via het innovatieprogramma Mooi Nederland;

• Uitvoering van het advies van de taskforce ruimte voor ruimteregeling.

Tabel 2.5. Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Rijksbufferzones1 708 hectare2007244 hectare20091 708 hectare2013
Dimensie A: Behoud variatie tussen stad en land
Zichtbaarheid panorama’s1 753 uitzichten met een lengte van 2 247 km2006De zichtbaarheid van panorama’s vanaf de snelweg moet minimaal gelijk blijven2011De zichtbaarheid van panorama’s vanaf de snelweg moet minimaal gelijk blijven2020
Dimensie B: Openheid landschap: recreatievoorzieningen in en rond steden
Oppervlak dagrecreatieve functies in bufferzonesOngeveer 3 900 ha2003Oppervlak dag- recreatieve func- ties neemt toe2011Oppervlak dag- recreatieve func- ties neemt toe2020
Verstening buitengebied bufferzonesCirca 34 ha200334 ha of <201134 ha of <2020
Beschikbaarheid van goed toepasbare ruimtelijke kwaliteitskaders voor alle bufferzones0200732011Regels voor het bouwen in alle 9 bufferzones zijn planologisch vastgelegd2020
Dimensie D: Tegengaan van verrommeling
Areaal verspreid liggend glas4 300 ha20044 100 ha20093 500 ha2020
Dimensie E: Inpassen windenergie in ruimtelijk beleid
Realisatie vermogen windenergieper jaar1 50020073 000 MW + 500 MW vergund20116 000 MW2020
Opgeloste belemmeringen02007Vlotgetrokken projecten voor tenminster 500 MW2009  

2.2.3. Stimuleren van de architectonische kwaliteit met betrekking tot het interdepartementale architectuurbeleid

Motivering

Om cultuurhistorische waarden te koesteren en de kwaliteit van de (on)gebouwde omgeving te bewaken.

Instrumenten

Bestuurlijk

Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp

Via de nota Een Cultuur van Ontwerpen – visie architectuur en ruimtelijk ontwerp wordt ingezet op de verdere versterking van de rol, positie en profilering van het ontwerp (architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur). Het rijk richt zich op een structurele versterking van de architectuur en het ruimtelijk ontwerp in de inrichting van Nederland. Deze zijn nodig om het ontwerp in de positie te brengen om effectief bij te dragen aan de noodzakelijke samenhang, duurzaamheid en pluriformiteit in de ruimtelijke ontwikkeling.

Financieel

Financiële bijdrage aan de baten-lastendienst Rijksgebouwendienst voor:

• Studies en activiteiten van de Rijksbouwmeester voor advisering over architectuur, stedenbouw, monumentenzorg en beeldende kunst.

Meetbare gegevens

Prestaties: In 2009 zal de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap «Gouden Piramide» worden uitgereikt.

Tabel 2.6. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting operationeel doel 2.2.1OD 2.2.1. A. 2008B. 2009
 Beleidsdoorlichting operationeel doel 2.2.2OD 2.2.2. A. 2012B. 2013
Effecten onderzoek ex post   
Monitor Nota Ruimte2e vervolgmetingOD 2.2.1 en 2.2.2A. 2008B. 2010
Monitor Nationale LandschappenKernkwaliteiten nationale landschappenBelevingOD 2.2.2A. 2008B. 2010
Belevingswaardemonitorgroen/infrastructuurOD 2.2.1 en 2.2.2A. 2008B. 2009
Overig evaluatieonderzoek:   
    
– evaluatie voortgang Nota Ruimte budgetVoortgang Nota Ruimte-budgetOD 2.2.1 en 2.2.2A. 2009B. 2010
– evaluatie doelbereiking ruimtelijke kwaliteit stedelijk gebiedRuimtelijke kwaliteit stedelijk gebiedOD 2.2.1A. 2009B. 2010
– evaluatie doelbereiking ruimtelijke kwaliteit landelijk gebiedRuimtelijke kwaliteit landelijk gebiedOD 2.2.2.A. 2009B. 2010
– evaluatie doorwerking ruimtelijk beleidDoorwerking ruimtelijk beleidOD 2.2.1 en 2.2.2.A. 2009B. 2010
– evaluatie organisatie ruimtelijk beleid op rijksniveauOrganisatie ruimtelijk beleid op rijksniveauOD 2.2.2.A. 2009B. 2010

Artikel 3. Klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging

3.1. Algemene beleidsdoelstelling

3.1.1. Klimaatverandering door menselijke beïnvloeding tegengaan, net als verzuring van het milieu en de aantasting van de gezondheid door luchtverontreiniging. Dit wordt bereikt door emissies door de industrie (inclusief electriciteitsproductie), de landbouw, het verkeer, de binnenvaart, de bebouwde omgeving en de consumenten te beperken.

In het klimaatbeleid is sprake van drie sporen:

• In de eerste plaats zijn er doelstellingen die Nederland heeft afgesproken in het kader van het Kyoto-protocol. Deze emissiereductiedoelen hebben betrekking op de periode 2008–2012. De aanpak en voortgang van de Kyoto doelen staan beschreven in operationele doelstelling 3.2.1;

• In de tweede plaats heeft het Kabinet nationale emissiereductiedoelstellingen geformuleerd voor 2020 in het kader van het werkprogramma Schoon en Zuinig. Het tussendoel voor 2011 bedraagt een maximale uitstoot van 209 Mton CO2. In dit werkprogramma is aangekondigd dat jaarlijks een specifieke voortgangsrapportage over de uitvoering van het werkprogramma Schoon en Zuinig naar de Kamer wordt gestuurd. Het project wordt als prioriteit uit het Beleidsprogramma 2007–2011 voorts op hoofdlijnen toegelicht in de beleidsagenda bij deze begroting;

• In de derde plaats is er het streven naar mondiale klimaatdoelstellingen voor het vervolg op het Kyoto protocol. Eind 2007 is hiervoor op Bali het fundament gelegd, eind 2009 moeten hiervoor in Kopenhagen bindende afspraken worden gemaakt. Ook dit wordt als prioriteit uit het Beleidsprogramma 2007–2011 op hoofdlijnen toegelicht in de beleidsagenda bij deze begroting, en uitgewerkt met instrumenten in operationeel doel 3.2.2.

Motivering

Beperken van emissies is nodig om een duurzame samenleving te bereiken, waarin mens en natuur minder nadelige (gezondheids)effecten ondervinden van temperatuurstijging en van de uitstoot van schadelijke stoffen. Door milieuvervuiling een prijs te geven wordt milieuvervuiling een onderdeel van de besluitvorming over investeringen en gedrag. Innovatie wordt steeds belangrijker, evenals internationale samenwerking. De emissiedoelen voor CO2, NOx, SO2 en fijn stof (PM10) komen meestal in Brussel tot stand en hebben meer en meer een hard en verplichtend karakter. De overheid voert onderhandelingen over internationale verplichtingen in de EU of in andere internationale kaders, geeft het noodzakelijke wettelijke stelsel vorm en draagt, ook in financiële zin, bij aan de uitvoering van het beleid.

Verantwoordelijkheid

• De minister van VROM is verantwoordelijk voor het vormgeven van wettelijke kaders en het voldoen aan internationale verplichtingen op het terrein van klimaatverandering, verzuring en grootschalige luchtverontreiniging;

• De minister van VROM is ook verantwoordelijk voor het VROM-beleid dat wordt uitgevoerd door het agentschap SenterNovem;

• De minister van VROM is de eerstverantwoordelijke voor de vormgeving en coördinatie van het project «Klimaat en energie: Schoon en Zuinig». De uitvoering is een gezamenlijke verantwoordelijkheid met de ministers van EZ, LNV, WWI, VenW en Financiën.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstellingen hangt af van:

• Voldoende scherpe afspraken op Europees niveau over bronbeleid;

• Draagvlak in de samenleving (bij bedrijven en burgers) om de doelen te verwezenlijken. Het is belangrijk om naast het mobiliseren van koplopers ook het peloton voldoende snelheid te laten maken;

• Technische en bedrijfseconomische haalbaarheid van internationaal vastgestelde emissiereducties en -plafonds.

Meetbare gegevens

Indicatoren voor het succes van het beleid zijn de feitelijke uitstoot van milieuverontreinigende stoffen, de gemeten mate van energiebesparing en de mate van overschakeling naar duurzame energie. De bijdrage van de overheid daarin kan worden vastgesteld door de snelheid en mate van faciliterend beleid te bepalen (wet- en regelgeving, creëren van de juiste randvoorwaarden). Concrete effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 3.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 3. Klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:49 57996 89941 12041 31324 21418 16018 441
Uitgaven:50 73396 86197 610101 33286 012102 55778 170
Waarvan juridisch verplicht  74 8910000
Programma:50 73396 86197 610101 33286 012102 55778 170
 Realisatie Kyotoklimaatverplichtingen:42 51089 55289 73493 60480 87497 41773 030
  Binnenlandse klimaatinstrumenten21 36018 36439 53337 18524 07618 02018 301
  Clean Development Mechanism21 15071 18850 20156 41956 79879 39754 729
        
 Beperken klimaatverandering door post-Kyotoafspraken:2 8241 2551 7961 300900900900
        
 Beperken aantasting van de ozonlaag:88108186190190190190
        
 Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging:5 3115 9465 8946 2384 0484 0504 050
Ontvangsten:1 3812972 5006 0006 0006 0006 000

Budgettair belang buiten de VROM-begroting

Tabel 3.2. Fiscale maatregelen die bijdragen aan dit artikel
x € 1 mln2007200820092010201120122013
Teruggaaf kerkgebouwen5555556
Teruggaaf non-profit6666677

Grafiek 3.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-7.gif

Operationeel doel:1. Realisatie Kyoto klimaatverplichtingen 2. Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken 3. Beperken aantasting van de ozonlaag 4. Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging

Toelichting per operationeel doel:

1. Realisatie van de Kyoto-klimaatverplichtingen:

De juridisch verplichte budgetten worden voornamelijk bepaald door meerjarige CDM-verplichtingen (uitgaven tot en met 2013). De bestuurlijk gebonden bedragen betreffen vooral de uitvoering met betrekking tot de NEa en subsidies in relatie tot het nationaal klimaatbeleid.

2. Beperken klimaatverandering door post-Kyoto afspraken:

De juridisch verplichte budgetten worden voornamelijk bepaald door (meerjarige) onderzoekprogramma’s, terwijl de bestuurlijk gebonden bedragen vooral in de uitvoeringssfeer zitten en in contributies ten behoeve van internationale organisaties.

3. Beperken aantasting van de ozonlaag:Het volledige (overigens in omvang zeer beperkte budget) is reeds in eerdere jaren volledig verplicht, door uitvoerings- en onderzoekskosten.

4. Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging:De bestuurlijk gebonden budgetten worden met name bepaald door de gereserveerde middelen voor onderzoeksprogramma’s en stimuleringsregelingen in relatie tot luchtkwaliteit.

3.2. Operationele doelstellingen

3.2.1. Realisatie van de nationale Kyoto-klimaatverplichtingen (2008–2012) en van het programma Schoon en Zuinig (2007–2020)

Motivering

Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% ten opzichte van 1990 te reduceren. Daarnaast is in het Coalitieakkoord opgenomen, dat Nederland de komende kabinetsperiode grote stappen zet in de transitie naar een van de schoonste en efficiëntste energievoorzieningen in Europa in 2020. Deze energietransitie moet worden bereikt door energiebesparing (van 1% in 2007 naar 2% per jaar), een toename van het gebruik van hernieuwbare energie (van 2 à 3% in 2007 naar 20% in 2020) en de afvang en opslag van CO2. Samen met andere maatregelen moet dat leiden tot een reductie van de uitstoot van broeikasgassen, bij voorkeur in Europees verband, van 30% in 2020 ten opzichte van 1990. Op grond van de meest recente inzichten van het PBL wordt verwacht dat Nederland de Kyoto-doelstelling gaat halen. De uitdaging is daarom nu vooral gelegen in het realiseren van de ambities voor de periode tot 2020. Daarop is het interdepartementale werkprogramma Schoon en Zuinig gericht, dat in de beleidsagenda van deze begroting is toegelicht.

Instrumenten

De benodigde aanpak is breed en kent de volgende onderdelen:

• Een op innovatie gerichte transitiebenadering;

• Convenanten en akkoorden met verschillende sectoren (onder andere landbouw, de energiesector en de verkeers- en vervoerssector) en mede-overheden;

• Beperking van de emissieruimte (via het Europese handelssysteem en nationale systemen ter aanvulling);

• Financiële prikkels (subsidies, voor bijvoorbeeld lokale klimaatinitiatieven en fiscale faciliteiten, zoals de energie-investeringsaftrek);

• Specifieke juridische instrumenten (voor onder andere de energieprestaties van auto’s en gebouwen);

• Kennisoverdracht en -ontwikkeling, bijvoorbeeld van veelbelovende technieken;

• Ter aanvulling op nationaal beleid het aankopen van CO2-rechten via het Clean Development Mechanism (CDM).

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Het behalen van de gecontracteerde emissiereducties, met behulp van een actief risicomanagement op portfolio- en projectniveau (de totale bijdrage via het CDM aan de realisatie van de Kyoto doelstelling (2008–2012) is nagenoeg volledig afgedekt met koopcontracten);

• Het in stand houden van de kennisbasis en het netwerk op het gebied van CDM en Joint Implementation (JI), om een bijdrage te kunnen blijven leveren aan de toekomstige internationale ontwikkeling van het CDM.

De beleidsprestaties 2009 van de kabinetsprioriteit Schoon en Zuinig zijn opgenomen in paragraaf 1 van de beleidsagenda.

Indicatoren:

In de periode 2008–2012 moet de emissie van de broeikasgassen met 6% zijn gereduceerd ten opzichte van het basisjaar 1990. De Nederlandse emissieruimte wordt gevormd door het emissiebudget dat uit de doelstelling van het Kyoto protocol volgt, vermeerderd met CDM/JI-rechten. Het emissieplafond bedraagt 200,3 Mton. Het Kyoto-beleid kent twee hoofdsporen:

• Het zoveel mogelijk beperken van de nationale emissies;

• Voor zover de nationale emissies het niveau van 200,3 Mton CO2-eq. overschrijden, wordt het verschil gecompenseerd door de aankoop van emissierechten via CDM en JI.

Begin 2004 zijn streefwaarden opgesteld voor de diverse sectoren (waarbij werd uitgegaan van de aankoop van 20 Mton aan CDM/JI-credits per jaar). Hiermee wordt transparant gemaakt welke inspanning per sector wordt gevraagd. Recente ontwikkelingen zoals de vaststelling van het emissieplafond van het nationale allocatieplan voor het Europese emissie handelssysteem (ETS) brengen met zich mee, dat de verwachte emissieniveaus rond 2010 voor sommige sectoren nogal afwijken van de streefwaarden. Tabel 3.2 geeft hiervan een beeld.

Het totaalbeeld laat zien dat Nederland op basis van de huidige inzichten zijn Kyoto-verplichting (max. 200,3 Mton) zal realiseren. In de Voorjaarsnota 2008 is aangekondigd dat voor CDM/JI 65 Mton aan rechten nodig is over de gehele Kyoto-periode. Dit komt overeen met 13 Mton per jaar. De verlaging is ingezet naar aanleiding van de motie Samsom (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 239, nr. 16). Deze motie gaat er van uit dat de binnenlandse emissie niet boven de 209 Mton/jaar zal uitkomen. Indien dit als doel geldt, is er ongeveer 9 Mton aan JI/CDM nodig om aan het Kyoto-protocol te voldoen. Om variaties tussen de jaren op te kunnen vangen is het jaarlijkse doel voor JI/CDM op 13 Mton gesteld, waardoor een marge van 4 Mton ontstaat.

Tabel 3.3 Streefwaarden binnenlands klimaatbeleid (2008–2012) en prognose voor 2010 (*)
SectorenStreefwaarden 2008–2012 (Mton/jr)Prognose ECN 2010 (Mton/jr)
Industrie/energie109,2104,5
Landbouw7,6**8,8
Gebouwde omgeving28,327,4
Verkeer38,739,7
Overige broeikasgassen35,434,9***
Emissies bossen0,10,1
Totale landelijke emissie219,3215,4
minus effect lachgas in emissiehandel 4,2
minus effect Schoon en Zuinig 2,6
Totale binnenlandse emissie 208,6
NB: minus buitenlandse maatregelen CDM/JI 9–13
Totaal Nederland Kyotoeind 2010 (incl. S+Z)max. 200,3

* Vanwege wijzigingen in definities en meetmethoden is vergelijking met basiswaarden per 2006 niet zinvol.

** Bij toename van het areaal glastuinbouw tot 11 500 hectare of meer, wordt de CO2-streefwaarde voor de landbouw verhoogd van 7,6 Mton tot maximaal 8,2 Mton.

*** Exclusief de effecten van de voorgestelde opt-in voor lachgas in de chemie.

3.2.2. Beperken klimaatverandering door mondiale post-Kyoto afspraken

Motivering

Om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarop gevaarlijke verstoring van het klimaatsysteem door de mens wordt voorkomen. Dit doel is neergelegd in artikel 2 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) inzake klimaatverandering. Deze doelstelling dient te worden gerealiseerd binnen een tijdsbestek dat het mogelijk maakt dat ecosystemen zich op natuurlijke wijze aan klimaatverandering aanpassen. Het behalen van deze doelstelling verzekert eveneens dat de voedselproductie niet in gevaar komt en dat de economische ontwikkeling op duurzame wijze kan voortgaan. Hiervoor is een forse trendbreuk in de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen nodig. Uiteindelijk kan dit mondiale probleem alleen maar effectief worden bestreden door een mondiale aanpak (zie paragraaf 2 van de Beleidsagenda). Daarom zet Nederland zich samen met de andere EU-landen krachtig in om in het kader van het Bali Action Plan op mondiaal niveau vervolgafspraken op het Kyoto-protocol tot stand te brengen. De Nederlandse inzet is er op gericht eind 2009 bij de 15e Conferentie der Partijen inzake het UNFCCC in Kopenhagen internationale afspraken te maken over reductiedoelstellingen en maatregelen die in de periode na 2012 wereldwijd worden genomen. Prioritaire thema’s voor Nederland zijn hoe inspanningen van verschillende landen naar aanleiding van hun ontwikkelingsniveau te differentiëren, hoe technologie-overdracht naar en adaptatie aan klimaatverandering in ontwikkelingslanden financieel te ondersteunen, alsmede het tegengaan van ontbossing en het aanpakken van de emissies van de internationale lucht- en scheepvaart.

Instrumenten

De aanpak bestaat uit de volgende onderdelen:

• Het voorstellen van teksten, het geven van presentaties, en het bekleden van voorzitterschappen in het kader van internationale onderhandelingen met de industrielanden, de ontwikkelingslanden en de grotere, snelgroeiende economieën, gericht op afspraken over emissiereductie, adaptatie, technologie en financiering in de periode na 2012, onder andere in het kader van het UNFCCC;

• Bi- en multilaterale overleggen (formeel en informeel) gericht op de totstandkoming van coalities met gelijkgezinde landen zoals de EU-landen, Zwitserland, Noorwegen, Nieuw-Zeeland en Japan, maar ook gericht op overreding van twijfelende landen (Canada, Australië, Mexico);

• Internationale samenwerkingsprojecten gericht op het demonstreren van de (on)haalbaarheid van oplossingsrichtingen voor klimaatverandering, bijvoorbeeld met Brazilië over biobrandstoffen en met Indonesië over ontbossing;

• Voorlichting en kennisoverdracht (van «Postbus 51» tot het organiseren van congressen en symposia) gericht op bevordering van bewustzijn van de klimaatproblematiek en bereidheid tot actie bij overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke groeperingen en burgers;

• Wetenschappelijk onderzoek gericht op aanvulling en versterking van de Nederlandse inzet via de EU in mondiale onderhandelingen.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

Omdat de Internationale Klimaatagenda een kabinetsprioriteit is, zijn de voornaamste prestaties in 2009 van het ministerie van VROM opgenomen in de beleidsagenda. Voor andere relevante internationale milieuprestaties wordt ook verwezen naar de begrotingen van VenW, LNV en BuZa/OS.

3.2.3. Beperken aantasting van de ozonlaag

Motivering:

Ambities voor het herstel van de ozonlaag en van het klimaat moeten in samenhang gerealiseerd worden. Aantasting van de ozonlaag leidt tot verhoogde UV-straling waardoor gezondheidsproblemen, met name huidkanker en oogproblemen zoals staar, toenemen. De meeste ozonlaagafbrekende stoffen zijn ook zeer sterke broeikasgassen.

Internationaal is afgesproken om de concentraties van ozonlaagafbrekende stoffen terug te brengen op het niveau van vóór het «gat in de ozonlaag». Dit is vastgelegd in het Montreal Protocol en verder uitgewerkt in de Europese ozonverordening en nationale regelgeving. Kern van het beleid is om de productie en de consumptie van deze stoffen geheel uit te faseren. Hiervoor zijn per stof reductieschema’s vastgesteld. De reductieschema’s voor ontwikkelde landen zijn strenger dan die voor ontwikkelingslanden.

Instrumenten:

De benodigde aanpak is breed en gericht op de volgende onderdelen:

• Internationale onderhandelingen gericht op de naleving van het Montreal Protocol, afname van het gebruik van methylbromide als Quarantaine- en Pre-shipment (QPS) toepassing en het voorkomen van emissies uit «banks»;

• Ondersteuning van ontwikkelingslanden bij de naleving van het Montreal Protocol via het Multilaterale Fonds van het Montreal Protocol;

• Europees beleid gericht op de uitfasering van de productie en het gebruik van ozonlaagafbrekende stoffen en emissiebeheersing (EG Verordening 2037/2000);

• Nationale regelgeving gericht op het voorkomen/beheersen van emissies en de inzameling van ozonlaagafbrekende stoffen ten behoeve van recycling, regeneratie en vernietiging;

• Voorlichting en kennisoverdracht (en overleg met betrokkenen) ter bevordering van het gebruik van milieuvriendelijke alternatieven (ook wereldwijd);

• Onderzoek ter ondersteuning van de ontwikkeling van alternatieven voor het gebruik van methylbromide en milieuvriendelijke alternatieven voor koelapparaten.

Meetbare gegevens:

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

De belangrijkste resultaten die VROM in internationale fora wil realiseren zijn:

• Maatregelen invoeren ter voorkoming van emissies van ozonlaagafbrekende stoffen (met name CFK en HCFK) uit zogenoemde «banks»;

• Afspraken maken over de reductie van het gebruik van methylbromide voor QPS-toepassingen voor 2010;

• Versterkte maatregelen invoeren tegen illegale handel in ozonlaagafbrekende stoffen;

• (Ondersteuning bieden bij) de naleving van de afspraken over uitfasering van CFK in 2010 door ontwikkelingslanden.

Op nationaal niveau wil VROM het volgende bereiken:

• Invoering van maatregelen per 2010 ter bevordering van de inzameling (en vernietiging) van ozonlaagafbrekende stoffen (om emissies te voorkomen);

• Afspraken maken met de koelsector ter bevordering van de toepassing van milieuvriendelijke alternatieven, zoals koeling met natuurlijke koudemiddelen (CO2 en ammoniak);

• Tijdige jaarlijkse voortgangsrapportage (in juni) aan de Europese Commissie en het UNEP Ozonsecretariaat.

Indicatoren:

Grafiek 3.2 Dikte ozonlaag boven de Benelux (gemeten boven Brussel) (1971–2006), in Dobson-eenheden (DE)

kst-31700-XI-2-8.gif

Bron: KMI (Ukkel, België) Toelichting: De doorgetrokken horizontale lijn (335 DE) geeft het gemiddelde over de periode t/m 1980. Deze lijn is voor de jaren daarna ter indicatie van het herstel van de ozonlaag doorgetrokken.

De afname van de hoeveelheid ozon in de jaren ’80 wordt toegeschreven aan de toename van de hoeveelheid CFKs. Opvallend zijn de lage waarden na de drie aangegeven vulkaanuitbarstingen. Vermoedelijk versterken de zwaveldeeltjes de ozonafbrekende werking van de ozonlaagaantastende stoffen.

De concentratie van chloorhoudende stoffen in de stratosfeer neemt af. De wereldwijde productie en het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s) en halonen is vanaf het eind van de jaren tachtig tot 1997 sterk gedaald. Ondanks de afname van de hoeveelheid ozonlaagafbrekende stoffen in de atmosfeer, vertoont de ozonlaag nog geen duidelijk teken van herstel. In 2006 was het ozongat zelfs groter dan ooit gemeten. Door de zeer sterke toename van het gebruik en de productie van ozonlaagafbrekende stoffen (HCFK) in ontwikkelingslanden en een groter effect van zogenoemde kortlevende ozonlaagafbrekende stoffen zal de ozonlaag later herstellen dan eerder verondersteld.

Herstel van het gat in de ozonlaag aan de zuidpool wordt nu in 2062 verwacht in plaats van 2050. De internationale afspraak in 2007 om de uitfasering van HCFK met 10 jaar te versnellen levert naar verwachting 3 jaar eerder herstel van de ozonlaag op, ten opzichte van het eerder vastgestelde jaar 2065. Ook klimaatverandering en broeikasgassen hebben invloed op de mate van herstel van de ozonlaag. Maatregelen tegen emissies van CFK uit «banks» zullen naar verwachting ook een significante bijdrage kunnen leveren aan het herstel van de ozonlaag evenals aan het klimaat.

Productie- en consumptiecijfers ozonlaagaantastende stoffen

Nederland rapporteert de gegevens over productie en consumptie van de gereguleerde stoffen aan de Europese Commissie en aan het Ozonsecretariaat van de VN, die controleert of het Montreal Protocol wordt nageleefd. In Nederland (en de EU) zijn de gereguleerde ozonlaagaantastende stoffen (170 in totaal) voor meer dan 95% uitgefaseerd, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de doelstellingen van het Montreal Protocol. De schema’s voor de uitfasering verschillen per stof. In Nederland vindt thans alleen nog productie plaats van HCFK. In 2020 moet deze productie uitgefaseerd zijn en mag HCFK alleen nog voor de toepassing als grondstof (waarbij geen emissies optreden) worden gebruikt.

3.2.4. Beperking grootschalige luchtverontreiniging

Motivering

Om de gezondheidseffecten, de verzuring en andere aantasting van het milieu door luchtverontreiniging te beperken. Slechte lucht schaadt – vooral bij langdurige blootstelling – de gezondheid. Het is nodig om emissies door de industrie, de landbouw, het verkeer, de bebouwde omgeving en de consumenten te reduceren. Uit de Grootschalige Concentratiekaart Nederland 2008 (GCN, april 2008) blijkt dat Nederland mede dankzij het extra pakket aan maatregelen inmiddels op de meeste plaatsen aan de Europese luchtkwaliteitseisen kan voldoen. Voor met name fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) is nog steeds sprake van enkele lokale «hotspots» waar de gestelde normen worden overschreden. Het blijft daarom noodzakelijk vooral op lokaal niveau extra maatregelen te nemen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat in juni 2008 is verschenen, voorziet hierin.

In mei 2008 is een nieuwe Europese Richtlijn Luchtkwaliteit van kracht geworden. Hierin wordt de mogelijkheid van uitstel geboden voor NO2 (tot 2015) en PM10 (2011), op voorwaarde dat via een nationaal programma wordt aangetoond dat binnen de uitsteltermijnen wel aan de normen kan worden voldaan. Voor Nederland is het NSL op 27 juni 2008 als «derogatie» verzoek naar Brussel gestuurd. In de herziene richtlijn wordt ook een grenswaarde voor PM2,5 opgenomen. Deze zal pas in 2020 van kracht zijn, met een streefwaarde tot 2015.

De presentatie van het voorstel voor de herziening van de Richtlijn National Emission Ceilings (NEC), die aanvankelijk was voorzien in juni 2008, is door de Commissie tot nader order uitgesteld. De verwachting is dat dit uitstel tenminste een half jaar zal bedragen. Daardoor zullen ook de onderhandelingen over de herziening van de richtlijn pas veel later dan gepland van start kunnen gaan. De Nederlandse inzet daarbij zal overigens gericht blijven op «ambitieus maar haalbaar». Volgens het PBL lijkt Nederland (met enige onzekerheden) te kunnen voldoen aan de huidige NEC-Richtlijn, met emissieplafonds voor 2010. Dit is een voorwaarde voor het verkrijgen van derogatie voor de Richtlijn Luchtkwaliteit. Bij de onderdelen 5.2.1 en 5.2.3 is de aanpak opgenomen met betrekking tot de verbetering van lokale luchtkwaliteit respectievelijk het bevorderen van duurzame mobiliteit, met als doel de luchtkwaliteit overal in Nederland aan de Europese normen te laten voldoen.

Instrumenten

De volgende instrumenten worden gehanteerd:

• Wet- en regelgeving zoals Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties en IPPC;

• De herziene Richtlijn Luchtkwaliteit en het NSL;

• De Richtlijn Nationale Emissieplafonds 2010;

• Onderzoek (grote onderzoekprogramma’s) onder andere naar fijn stof en de relatie tussen luchtverontreiniging en klimaatbeleid;

• Voorlichting en kennisoverdracht aan maatschappelijke organisaties en andere overheden;

• Afspraken met andere overheden over uitvoeringsaspecten van onder andere het NSL.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Het realiseren van de NEC-plafonds 2010 (EU-Richtlijn NEC);

• Het verkrijgen van derogatie voor de EU-Richtlijn Luchtkwaliteit;

• Het afronden van het Beleidsonderzoeksprogramma Fijn stof (BOP) uitmondend in rapportages voor verdere beleidsontwikkeling en effectievere beleidsuitvoering;

• Het afronden van het Beleidsonderzoeksprogramma Luchtkwaliteit en Klimaat (BOLK), uitmondend in rapportages inzake de wisselwerking tussen klimaatbeleid en luchtverontreinigingsbeleid;

• Het leveren van de Nederlandse inbreng in de onderhandelingen over de NEC-richtlijn voor emissieplafonds in 2020.

Indicatoren:

• Emissieniveaus voor de diverse verzurende en luchtverontreinigende stoffen. Voor 2010 zijn op EU-niveau tussendoelen vastgesteld voor emissies van SO2, NOx, NH3 en VOS. Over de emissiedoelen is in 2006 aan de Tweede Kamer en aan Brussel gerapporteerd in de «Nationale Rapportage NEC-plafonds 2006» (Uitvoeringsnotitie emissieplafonds verzuring en grootschalige luchtverontreiniging 2006 (Kamerstukken II, 2005–2006, 28 240 XI, nr. 66)). In 2007 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de inspanningen om de plafonds 2010 zeker te stellen (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 240, nr. 88). De NEC-plafonds 2010 voor SO2, NOx, NH3 en VOS komen met het huidige vastgestelde beleid binnen bereik, zoals blijkt uit tabel 3.4 en 3.5. Het Indicatorrapport 2008 van het PBL bevestigt dit;

• Positieve reactie van de Europese Commissie op het verzoek tot derogatie voor de Richtlijn Luchtkwaliteit;

• Voor de effectindicatoren met betrekking tot lokale luchtkwaliteit wordt verwezen naar tabel 5.2. bij onderdeel 5.2.1.

Tabel 3.4. emissies 1990, 2000, 2005 en 2006, doelstellingen en prognoses 2010 (Kton/jr)
 1990200020052006201020102010
     Gotenburg ProtocolNEC-RichtlijnRaming GCN08*
SO2191736665505048,5
NOx560398343327266260261
NH3250152133130128128123
VOS457221171165191185162

Bron: Milieubalans PBL 2008 en PBL Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland (rapportage 2008)

* GCN08 is de meest recente raming met betrekking tot vermelde stoffen. GCN08 is niet in de Milieubalans opgenomen.

Tabel 3.5. Sectorplafonds van de doelgroepen voor 2010 (a) en stand van zaken 2006 (b) in Kton
 SO2NOxNH3VOS
 (a)(b)(a)(b)(a)(b)(a)(b)
Industrie11,5}   32  
Energie13,5}} 57} 65} 886} 61} 58
Raffinaderijen14,5}     
Consumenten111214772932
HDO* en Bouw11713113328
Landbouw005129611712
Verkeer46158199325547
Onverdeeld4,5 13 18 6 
Totaal5065260327128130185167

Bron: PBL Milieubalans 2008

* HDO = Handel, Diensten en Overheid emissietaakstelling 2010 (Kton/jaar) volgens de NEC-richtlijn.

3.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 3.6. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingHerijking Werkprogramma Schoon en ZuinigOD 3.2.1.A: 2009B: 2010
 Beperken klimaatverandering door mondiale post-Kyoto-afsprakenOD 3.2.2.A: 2010B: 2010
 Beperken aantasting van de ozonlaagOD 3.2.3.A: 2010B: 2010
 Beperking verzuring en grootschalige luchtverontreinigingOD 3.2.4.A: 2010B: 2010
    
Effectenonderzoek ex postn.v.t.  
    
Overig evaluatieonderzoekn.v.t.  

Artikel 4. Milieukwaliteit van water en bodem

4.1. Algemene beleidsdoelstelling

4.1.1. Duurzame milieukwaliteit van water en bodem

Motivering

Het doel is om een optimaal en verantwoord gebruik van het water- en bodem-systeem te realiseren en op lange termijn (2030) te waarborgen. Dit is inclusief het duurzaam gebruik maken van de diensten die biodiversiteit levert, de zogenaamde ecosysteemdiensten. Specifieke informatie wordt per operationeel doel weergegeven.

Verantwoordelijkheid

• De minister van VROM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen van nationaal en gebiedsspecifiek rijksbeleid om de milieukwaliteit van water en bodem te waarborgen; de minister van VROM is systeemverantwoordelijk voor de uitvoering van het rijksbeleid door andere overheden, burgers en bedrijven. Voor water betreft dit vooral de normstelling voor grond- en oppervlaktewater; de beheersverantwoordelijkheid ligt bij de minister van VenW;

• De minister van VROM is verantwoordelijk voor de milieukwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en de vogelhabitatrichtlijngebieden (VHR). Wat betreft de landbouw gaat het om de milieukaders die voortvloeien uit de normstelling voor bodem en grond- en oppervlaktewater, alsmede om duurzaam gebruik van ecosysteemdiensten;

• De minister van VROM is verantwoordelijk voor het veiligstellen van de drinkwatervoorziening;

• De minister van VROM is medeverantwoordelijk voor beleidsvoorstellen van andere ministers, waar deze consequenties hebben voor de milieukwaliteit van het bodem- en watersysteem.

Externe factoren

Sterk bepalend voor realisatie van de doelstelling is de mondiale marktwerking in de landbouwsector en de ontwikkeling van het Europese landbouwbeleid. Verontreinigingen uit het verleden zullen nog lang invloed hebben op de kwaliteit van bodem en water. Het gebruik van bodem en water is afhankelijk van een complex van factoren op economisch, sociaal en cultureel gebied. Het vergt een lange adem om het «ecosysteemdenken» stevig te verankeren in dit complex.

Meetbare gegevens

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 4.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 4. Milieukwaliteit van water en bodem
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:84 002114 45594 598251 207266 266275 883275 883
Waarvan garantieverplichtingen  65 34465 34465 34465 34465 344
Uitgaven:154 842174 379171 063194 975210 522210 539210 539
Waarvan juridisch verplicht  165 18028 39717 72117 72117 721
Programma:154 842174 379171 063194 975210 522210 539210 539
 Verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem:2 9884 3133 8894 1334 1334 1334 133
        
 Saneren van verontreinigde bodems:146 567149 915143 054158 231183 795183 798183 798
        
 Verbeteren van de milieukwaliteit van water:1 9112 1102 1612 7092 6092 6092 609
        
 Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijke gebied:1 22911 12219 19227 70918 18418 19618 196
  Bevorderen via milieumaatregelen1 2292 4196 0513 0122 5632 5752 575
  Bevorderen via ruimtelijke maatregelen08 70313 14124 69715 62115 62115 621
        
 Bevorderen van duurzamelandbouw:2 1476 9192 7672 1931 8011 8031 803
Ontvangsten:20 47230 95221 600200000

Grafiek 4.1. budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-9.gif

Operationeel doel:1. Verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem2. Saneren van verontreinigde bodems3. Verbeteren van de milieukwaliteit water4. Bevorderen van gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijke gebied5. Bevorderen van duurzame landbouw

Toelichting per operationeel doel:

1. Verbeteren milieukwaliteit bodem:

Het juridisch verplichte deel van het budget betreft de betalingsverplichting als gevolg van aangegane verplichtingen in voorgaande jaren. Het bestuurlijk gebonden budget betreft de middelen uit de Toekomstagenda Milieu voor bodemkwaliteitskaarten.

2. Saneren van verontreinigde bodems:

Bij bodemsanering zijn de budgetten voor 2009 vrijwel voor 100% verplicht in verband met de systematiek van goedkeuring van meerjarensaneringsprogramma’s. Voor 2010 en latere jaren zijn deze budgetten bestuurlijk gebonden op basis van convenanten met andere overheden.

3. Verbeteren milieukwaliteit water:

De juridisch verplichte bedragen zitten met name in de uitvoeringssfeer, bijvoorbeeld de uitvoering van de wettelijke taak van de Commissie van Deskundigen ex artikel 17 van de Waterleidingwet. De gelden voor de uitvoering van de Toekomstagenda Milieu (Bestuursakkoord waterketen) zijn bestuurlijk gebonden.

4. Verbeteren van de gebiedsspecifieke milieukwaliteit in het landelijk gebied:

Het juridisch verplichte deel van het budget betreft hoofdzakelijk de betalingsverplichting als gevolg van de in december 2006 getekende ILG-Bestuursovereenkomsten 2007–2013. Het bestuurlijk gebonden budget betreft de middelen uit de Toekomstagenda Milieu voor biodiversiteit.

5. Duurzame landbouw:

De budgetten voor duurzame landbouw zijn vrijwel geheel juridisch verplicht. Het gaat hier met name om het stimuleren van gecombineerde luchtwassers (onderdeel van de FES-gelden). Daarnaast zijn er middelen juridisch afdwingbaar voor onder andere de uitvoering van de wettelijke taak van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) en het convenant Glastuinbouw en Milieu (GLAMI).

4.2. Operationele doelstellingen

4.2.1. Verbeteren milieukwaliteit bodem

Motivering

Het verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem is van belang:

• Om het bodemsysteem optimaal te benutten door de vereiste chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit te creëren. Dit houdt in dat nadelige effecten van handelingen en functieverlies van de bodem worden voorkomen;

• Om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van het bodemsysteem «zoveel als redelijkerwijs mogelijk» te voorkomen;

• Om de gebruikmaking van de al verontreinigde (water)bodems te optimaliseren.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving: Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Wet verontreiniging oppervlaktewateren en hierop gebaseerde besluiten, met regels voor het toepassen van bouwstoffen, voor het hergebruik van grond en bagger, met eisen voor bodemintermediairs en met eisen voor bodembescherming bij stortplaatsen;

• Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB);

• Thematische EU-strategie bodem;

• Toegankelijk maken van kennis over bodembeheer via websites en handreikingen voor andere overheden;

• Ondersteuning van het bevoegd gezag door uitvoeringsorganisatie Bodem+ bij de uitvoering van het bodembeleid.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

• Ontwikkelen van het instrument «digitaal bodemfunctie- en bodemkwaliteitskaartsysteem» ter verbetering van het inzicht in de bestaande en gewenste bodemkwaliteit voor het grondverzet in Nederland (zie tabel 4.2);

• Van kracht worden herziene Stortbesluit bodembescherming;

• Ontwikkelen van een toetsingskader voor het duurzaam gebruiken van de ondergrond.

Indicatoren:

Tabel 4.2. Prestatie-indicator milieukwaliteit bodem
IndicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Aantal en % vastgelegde gebieden op bodem-kwaliteitskaarten02007200 (50%)2009300 (75%)2010

Bron: SenterNovem en Bodem+

Toelichting:

In 2007 zijn gemeenten begonnen met het vastleggen van de bodemkwaliteit van de desbetreffende beheersgebieden op een bodemkwaliteitskaart. Met behulp van financiële middelen (Toekomstagenda Milieu) wordt via de Impuls Lokaal Bodembeheer gestreefd naar een vastlegging van 50% in 2009.

De informatie over de bodemkwaliteit wordt opgenomen in een landelijk digitaal systeem, dat naar verwachting medio 2010 operationeel en toegankelijk is en binnen vier jaar een volledig beeld geeft van de bodemkwaliteit in Nederland. Met behulp van dit systeem zullen voor het eerst op landelijke schaal de effecten op de bodemkwaliteit kunnen worden beoordeeld.

4.2.2. Saneren van verontreinigde bodems

Motivering

Het saneren van verontreinigde bodems is van belang:

• Om gezondheidsrisico’s die samenhangen met een verontreinigde bodem weg te nemen of te beheersen. Met ingang van 2008 is in het bodemsaneringsbeleid gekozen om de nadruk op de spoedlocaties te leggen. Het gaat dan om locaties waar bij het huidig gebruik risico’s bestaan voor de volksgezondheid, de ecologie of verspreiding in het grondwater. Prioriteit gaat uit naar locaties met risico’s voor de volksgezondheid; volgens de huidige inzichten betreft het hier ongeveer 25 000 potentiële spoedlocaties (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 015, nr. 20). Inzet van rijksbeleid is om deze risico’s in 2010 in beeld te hebben en alle spoedlocaties in 2015 beheersbaar te hebben;

• Om stagnatie te voorkomen in gewenste grondgebonden en economische ontwikkelingen door de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het Rijk draagt vanuit het bodemsaneringsbudget hieraan bij tot uiterlijk 2030. Het beleid wordt zoveel mogelijk afgestemd met ruimtelijke ontwikkelingsprocessen, zowel aan de oppervlakte als in de ondergrond, zodat de processen elkaar (onder andere financieel) ondersteunen. Tevens wordt het saneringsbeleid afgestemd met het beleid voor «Mooi Nederland», «Van aandachtswijk naar krachtwijk» en het beleid gericht op duurzame energie en adaptatie aan klimaatverandering.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving: Wet bodembescherming en de daarop gebaseerde besluiten;

• Bestuurlijk overleg/afspraken met provincies en gemeenten over de inventarisatie en eventueel te treffen maatregelen voor alle locaties met bodemverontreiniging waar niet-aanvaardbare (gezondheids)risico’s aanwezig zijn. Volgens de huidige systematiek wordt er met 5-jaren programma’s (looptijd 2005–2009 en 2010–2014) gewerkt. In deze programma’s geven de provincies en grote steden aan welke doelstellingen in die periode op het terrein van bodemsanering worden gerealiseerd. Voordat daadwerkelijk wordt begonnen met een sanering, wordt er eerst onderzoek gedaan naar de aard en de ernst van de verontreiniging. Aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek wordt het vervolgtraject bepaald;

• Taskforce Warmte/Koude Opslag, om vaart maken met het benutten van bodemenergie om de klimaatdoelstellingen te kunnen halen;

• Kennisontwikkeling en kennisoverdracht door de Stichting Kennisontwikkeling en -overdracht Bodembeheer (SKB) en aan het midden- en kleinbedrijf door het Bodemcentrum;

• Ondersteuning van het bevoegd gezag door Bodem+ bij de uitvoering van het bodemsaneringsbeleid door provincies en gemeenten;

• Subsidiëring van bodemsaneringsactiviteiten in het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) en de Wet bodembescherming. De rijksbijdrage aan de uitvoering van de daadwerkelijke bodemsaneringen loopt via vier geldstromen:

– Via het ISV (Begroting van Wonen, Wijken en Integratie – hoofdstuk 18). Dit betreft een kasbedrag van circa € 62 mln in 2009;

– Via de WBB-bijdragen aan bevoegde gezagen; dit betreft onder andere de saneringen in het landelijk gebied. Voor 2009 is hiermee een bedrag van circa € 110 mln gemoeid;

– Via een specifieke bijdrageregelingen (convenant of subsidie per sector – bedrijvenregeling). Voor 2009 is hier een kasbedrag van circa € 15 mln mee gemoeid;

– Naast deze rijksinzet wordt er ook door andere partijen, mede overheden en private partijen bijgedragen aan de uitvoering van bodemsanering. Het aandeel dat door andere partijen wordt ingezet voor bodemsanering wordt gemonitord. Deze multiplier (verhouding tussen totale uitgaven en uitgaven uit het rijksbudget) lag in 2007 op 2,2.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Afsluiten van een convenant met het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen (UvW). In dit convenant worden afspraken opgenomen over de aanpak van spoedlocaties, het duurzaam gebruik van de ondergrond en over het instrumentarium en de aanpak van grootschalige grondwaterverontreinigingen;

• Invoeren van risicobeoordelingsmethodieken om gemeenten en provincies te ondersteunen bij de verbetering van hun (decentrale) bodembeleid;

• Uitbrengen jaarverslag bodemsanering 2008 over de realisatie van het bodembeleid door de bevoegde gezagen (provincies en gemeenten).

Indicatoren:

Grafiek 4.2. Inschatting verloop aanpak bodemverontreiniging tot 2015 (alle locaties)

kst-31700-XI-2-10.gif
Tabel 4.3a. Prestatie-indicatoren bodemonderzoeken en bodemsaneringen (totaal)
Indicator:WerkvoorraadPeildatumTe realiseren productiePeriodeStreefwPeriode
– Oriënterende onderzoeken stedelijk gebied30 0001-1-20052 140200902030
– Oriënterende onderzoeken landelijk gebied30 0001-1-2005250200902030
– Oriënterende onderzoeken bedrijfsterreinen100 0001-1-2005710200902030
– Nadere onderzoeken stedelijk gebied7 5001-1-2005760200902030
– Nadere onderzoeken landelijk gebied7 5001-1-2005190200902030
– Nadere onderzoeken bedrijfsterreinen60 0001-1-2005390200902030
– Saneringen stedelijk gebied3 0001-1-20051 030200902030
– Saneringen landelijk gebied3 0001-1-2005240200902030
– Saneringen bedrijfsterreinen54 0001-1-200532020092030

Bron: RIVM en opgave bevoegde gezagen

Toelichting:

Voordat daadwerkelijk wordt begonnen met een sanering, wordt er eerst onderzoek gedaan naar de aard en de ernst van de verontreiniging. Aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek wordt het vervolgtraject bepaald. De sterke stijging in «historische bodemonderzoeken» is ontstaan doordat vanaf 2007 de nadruk op spoedlocaties is gelegd.

Tabel 4.3b. Prestatie-indicator bodemonderzoeken en bodemsaneringen realisatie (totaal)
Indicator:Werkvoorraad 1-1-05Productie 2006Productie 2007Productie 2008Streefwaarde 2009Streefwaarde 2030
Oriënterende onderzoeken160 0002 3703 7601 5003 1000
Nadere onderzoeken75 0001 3081 3781 3301 3400
       
Saneringen60 0001 5261 6451 0801 5900

Bron: RIVM en opgave bevoegde gezagen

Tabel 4.3c. Prestatie-indicator bodemonderzoeken en bodemsaneringen (spoedlocaties)
Indicator:Werkvoorraad 1-1-2007Te realiseren productiePeriodeStreefwaardePeriode
Historisch onderzoek25 0008 800200902010
Oriënterend onderzoek11 8002 200200902012
Nader onderzoek7 700775200902015
Beschikking risico’s en nemen maatregelen bij     
spoedlocaties6 500675200902015

Bron: «Bodembrief januari 2008» (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 015, nr. 20)

Toelichting:

De voortgang van de totale bodemsanering wordt gemonitord aan de hand van de prestatie-indicatoren in tabel 4.3a en 4.3b, de voortgang van de sanering van spoedlocaties op basis van de indicatoren in tabel 4.3c.

Figuur 4.1. Potentiële Spoedlocaties.

kst-31700-XI-2-11.gif

Figuur 4.2. VROM budget bodemsanering 2009 (x € 1 mln)

kst-31700-XI-2-12.gif

4.2.3. Verbeteren milieukwaliteit water

Motivering

Het doel is om de milieukwaliteit van het water te verbeteren, benaderd vanuit de facetten watersysteem en watergebruik:

Watersysteem

Om de milieukwaliteit van water voor nu en in de toekomst te kunnen waarborgen, is het noodzakelijk dat de gewenste kwaliteit (algemeen of passend bij de functie) van het water wettelijk en/of bestuurlijk wordt vastgelegd. De vast te stellen doelen vloeien voort uit Europese waterrichtlijnen (Kaderrichtlijn water, Grondwaterrichtlijn, Richtlijn prioritaire stoffen, Zwemwaterrichtlijn). De doelstellingen bestaan uit biologische, fysische, chemische en bacteriologische componenten. Tevens moet verontreiniging van het water en ontstaan van afvalwater «zo veel als redelijkerwijs mogelijk is» worden voorkomen.

Watergebruik

Doel is een duurzame veiligstelling van de waterketen (de drinkwatervoorziening, riolering en afvalwaterzuivering). Daartoe is een meer kosteneffectieve en transparante waterketen nodig (transparant wil zeggen dat de burger inzicht krijgt in de kosten en daarbij behorende prestaties). De prestaties op het gebied van volksgezondheid, milieu en leveringszekerheid moeten worden behouden en versterkt.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving: Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Waterwet, Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, Bestrijdingsmiddelenwet, Wet op de waterhuishouding en Wet verontreiniging oppervlaktewateren waarin doelstellingen en monitoring voor en eisen aan lozingen op water, bodem en riolering worden gesteld, Waterleidingwet en Waterleidingbesluit (in 2008 te vervangen door de nieuwe Drinkwaterwet en het Drinkwaterbesluit);

• Maatschappelijke Investeringsagenda;

• Kennisoverdracht en ontwikkeling: interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie en het Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water ter ontwikkeling van kennis ten behoeve van de doelstellingen van de kaderrichtlijn Water;

• Bestuurlijk overleg in het Bestuurlijk Overleg Waterketen en Landelijk Bestuurlijk Overleg Water;

• Bestuursakkoord Waterketen met tussentijdse ijking in 2009 en ijking van het beleid in 2011.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

• Aanbieden tussentijdse ijking van de uitvoering van het Bestuursakkoord Waterketen aan de Tweede Kamer. Dit betreft de concrete afspraken gericht op het uitvoeren van benchmarking in de sectoren, het bevorderen van samenwerking, het realiseren van het zicht op de kosten, het op basis van een langetermijnvisie bevorderen van innovatie en het betrekken van de burger bij het beleidsthema;

• Van kracht worden van het Drinkwaterbesluit op grond van de Drinkwaterwet en het van kracht worden van de daarop gebaseerde ministeriële regelingen ((herziene) regeling Materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening, regeling benchmarking, regeling afsluitbeleid, regeling topsalarissen drinkwaterbedrijven, regeling leveringszekerheid);

• Van kracht worden van de gewijzigde Wet en het Besluit hygiëne en veiligheid baden en zwemgelegenheden (Whvbz en Bhvbz) en het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water voor juridische implementatie van de Zwemwaterrichtlijn;

• Vaststellen van doelen voor de kwaliteit van grond- en oppervlaktewateren in het kader van de stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’en) door de regio’s. Realiseerbaarheid in niveau en tijd speelt daarbij een doorslaggevende rol.

Indicatoren:

Tabel 4.4. Effectindicatoren milieukwaliteit water
Indicator:BasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
1) Percentage meetresultaten die voldoen aan de wettelijke normen voor drinkwaterkwaliteit99,9%200499,9%200999,9%2010
       
2) Mate van voldoen van drinkwaterbedrijven aan basisbeveiligingsniveau50%2003100%2009100%2010
       
3) Mate waarin drinkwaterbedrijven beschikken over goedgekeurde leveringsplannen50%2008100%2011100%2012
       
4) Mate waarin drinkwaterbedrijven voldoen aan de wettelijke leveringszekerheidsnorm70%200890%2010100%2015
       
5) Toename doelmatigheidswinst in de waterketen (per jaar 1 à 2%)Nulmeting20075 à 10%2015  
       
6) Percentage gesaneerde huishoudelijke lozingen in het buitengebiedca. 5%2002100%2009100%2010
       
7) Percentage zwemlocaties die voldoen aan Zwemwaterrichtlijn97,3% zoet100% zout20072007100%2009100%100%20152015

Bron en toelichting:

De indicatoren met betrekking tot de drinkwaterbedrijven (Indicatoren: 1–4) betreffen de essentiële elementen van de drinkwatervoorziening: kwaliteit en continuïteit. De eisen ten aanzien van continuïteit krijgen een wettelijke basis in de nieuwe Drinkwaterwet (2008). Het beveiligingsniveau (nulmeting 2003) wordt in de nieuwe regelgeving nader omschreven. De drinkwaterbedrijven zijn verplicht deze informatie beschikbaar te hebben. De verplichting om over een goedgekeurd leveringsplan te beschikken, de daaraan te stellen eisen en de leveringszekerheidsnorm worden eind 2008 wettelijk vastgelegd in de nieuwe Drinkwaterwet. De basiswaarde is gebaseerd op een inschatting in hoeverre drinkwaterbedrijven hierop vooruitlopend al aan de inhoudelijke vereisten voldoen.

De nulmeting van de doelmatigheidswinst in de waterketen (Indicator: 5) is gebaseerd op een schriftelijke enquête die eind 2007 onder de deelnemende partijen (drinkwaterbedrijven, waterbeheerders en gemeenten) is uitgevoerd. Toekomstige gegevens zullen op vergelijkbare wijze worden verzameld.

De indicator voor gesaneerde lozingen buitengebied (Indicator: 6) wordt vastgesteld door gerichte bevraging (door inspecties VenW en/of VROM) van gemeenten en waterbeheerders. De indicatoren voor zwemwater (Indicator: 7) worden vastgesteld op grond van de verplichte jaarlijkse rapportages van de waterbeheerders over de kwaliteit van het zwemwater.

4.2.4. Verbeteren van de gebiedsspecifieke milieukwaliteit in het landelijk gebied

Motivering

Onder gebiedsspecifiek milieu in het landelijk gebied valt het milieu in de ecologische hoofdstructuur, het vogelhabitat en de waterwingebieden. Het is van belang de milieukwaliteit in deze gebieden te verbeteren:

• Om verdroging (voor 2015) en verzuring (voor 2027) te minimaliseren en de vereiste milieucondities in deze gebieden te realiseren;

• Om het gewenste gebruik van de diensten die biodiversiteit levert (ecosysteemdiensten voor milieukwaliteit) buiten de EHS te behouden of te verkrijgen. Hierbij gaat het om de rol van biodiversiteit in de nutriëntencyclus, watervasthoudend en zelfreinigend vermogen van de bodem, waterzuivering, natuurlijke ziekte- en plaagregulatie. Dit zijn belangrijke diensten die bijdragen aan het oplossen van milieuvraagstukken in zowel het landelijk als het stedelijk gebied;

• Om duurzaam gebruik van de bodem te bevorderen;

• Om een duurzame productie in de landbouw en andere sectoren te bevorderen.

Instrumenten

• Subsidie aan alle provincies via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) voor de prestatie-afspraken voor de periode 2007–2013. Dit zijn afspraken om de milieucondities van de EHS- en VHR-natuurgebieden te verbeteren en om duurzaam ondernemen en duurzaam gebruik door de landbouw te stimuleren;

• Voor verdrogingsbestrijding zijn prestatie-afspraken gemaakt met provincies in de bestuursovereenkomsten ILG 2007–2013 over de mate van hydrologisch herstel. Voor de vermindering van verzuring en vermesting (stikstofdepositie) zijn geen afspraken gemaakt over de mate waarin het milieutekort zal verminderen, omdat de provincies niet veel invloed hebben op de stikstofdepositie. Wel zijn afspraken gemaakt over het aantal hectares waarvoor maatregelen worden getroffen; het probleem zal in belangrijke mate via generiek beleid moeten worden opgelost;

• Kennisontwikkeling en -verspreiding: (1) kennis- en leertraject rondom ILG-pilots duurzaam bodemgebruik en duurzame productie in de landbouw, in samenwerking met LNV en LTO, (2) programma’s «Biodiversity & Business» en «Ecobalans» en (3) inzet ecosysteemdiensten voor het milieu-/VROM-beleid.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

• Uitvoeren van ILG-pilots Duurzame Productie en de 2e fase van het Functionele Agrobiodiversiteitsproject (FAB-project) Hoeksche Waard. Het doel van de ILG-pilots is om met behulp van biodiversiteit milieuwinst te behalen, onder andere door minder gebruik van bestrijdingsmiddelen, mest en verbetering van waterbergend vermogen in het landelijk gebied. Omvang van het pilotprogramma is € 10 mln voor de gehele ILG-periode 2007–2013, dit komt neer op tenminste € 800 000 per provincie. De provincies zelf zorgen voor co-financiering van 50%;

• Uitvoeren van het Stimuleringsprogramma agrobiodiversiteit en duurzaam bodemgebruik (SPADE) en publicatie van het RBB-handboek. De helpdeskfunctie is al operationeel, de registratie van experimenten start nog in 2008 en is in het eerste kwartaal van 2009 actueel. In 2008 is de ontwikkeling van agrobiodiversiteitsindicatoren begonnen, deze worden in 2009 beproefd. Er wordt ook een EU learning network agrobiodiversiteit opgezet;

• Opzet van de programma’s «Biodiversiteit & Business» en «Ecobalans». Voor de Ecobalans wordt in 2009 een internationale werkgroep opgericht en wordt de link gelegd met het Business & Biodiversity Offsets Programme (BBOP). Beoogd resultaat hiervan is om in internationaal verband te komen tot nieuwe economische instrumenten voor de compensatie van het beslag op biodiversiteit;

• In 2009 wordt in samenwerking met Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een overzicht gemaakt van aan bodem en water gerelateerde ecosysteemdiensten. Met het PBL worden afspraken gemaakt over opzet en uitvoering van een nationale «Millennium Ecosystem Assessment». Hierdoor kunnen in de toekomst ecosysteemdiensten nog beter ingezet worden om vastgestelde milieudoelen te halen.

Indicatoren:

Tabel 4.5. Effectindicatoren milieukwaliteit in het landelijk gebied
1) VerdrogingMilieutekort* VHR(ha gevoelig gebied)
 GeenMatigErnstigZeer ernstig
nulmeting 200629 71912 45525 36717 881
prestatie 201367 24912 8145 578929
streefwaarde 201586 570000
 Milieutekort overige EHS (ha gevoelig gebied)
 GeenMatigErnstigZeer ernstig
nulmeting 200625 4717 53447 07321 922
prestatie 201337 63217 83035 31711 447
streefwaarde 2027102 337000
2) Verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositieMilieutekort VHR (ha gevoelig gebied)
 GeenMatigErnstigZeer ernstig
nulmeting 200646 63840 04983 83955 932
streefwaarde 2027240 358000
 Milieutekort overige EHS (ha gevoelig gebied)
 GeenMatigErnstigZeer ernstig
nulmeting 200677 12754 190100 09435 831
streefwaarde 2027275 642000

Bron: Provinciale rapportages milieutekorten 2006 en bestuursovereenkomsten ILG 2007–2013.

* Het milieutekort is het verschil tussen de actuele milieukwaliteit en de gewenste milieukwaliteit van een natuurgebied.

Toelichting:

Indicator 1 geeft de mate van verdroging aan in het VHR-gebieden en de EHS. Volgens de meest recente gegevens wordt ernaar gestreefd om in 2015 geen milieutekorten meer te hebben. Er zijn echter nog enkele tekortkomingen in de nulmeting 2006; voor deze cijfers is thans een verbeterslag gaande. In 2010 en 2013 wordt de meting van de milieutekorten herhaald. Indicator 2 heeft betrekking op de verzuring en vermesting. Voor deze indicator konden geen prestatieafspraken worden gemaakt voor 2013, in termen van te bereiken verschuivingen in kwaliteitsklassen zoals bij verdroging. Dit laat de thans beschikbare monitoringsystematiek nog niet toe.

De indicatoren vermelden conform de ILG-afspraken alleen prestaties voor het jaar 2013. Er zijn voor de tussenliggende jaren geen tussenprestaties/tussendoelen afgesproken. Dit is bewust zo gedaan, om conform het ILG-gedachtegoed de verantwoordelijkheid voor (tempo/fasering bij) het realiseren van de overeengekomen prestaties zoveel mogelijk in handen van de provincies te leggen. In 2010 vindt wel een mid-term review plaats die eventueel met instemming van beide partijen (Rijk en provincie) tot een bijstelling van prestaties en budgetten kan leiden. Op grond van de Wet ILG dienen de provincies jaarlijks een verslag in over de voortgang van de uitvoering en besteding van het investeringsbudget. Uitgangspunt is dat deze jaarlijkse verslaglegging/verantwoording is beperkt tot hoofdlijnen.

Het duurzaam benutten van agrobiodiversiteit is gericht op het verduurzamen van de landbouwproductie en het verminderen van verdroging, vermesting en diffuse verontreiniging van milieuvreemde stoffen (onder andere gewasbeschermingsmiddelen). Daarbij zijn de effectindicatoren uit de tabellen 4.6 en 4.7 van belang. Daarnaast worden binnen het overkoepelende SPADE-programma kwantitatieve procesdoelstellingen gehanteerd.

4.2.5. Duurzame landbouw

Motivering

Duurzame landbouw is van belang om een blijvend ecologisch gebruik en beheer van bodem, water, lucht en overige natuurlijke hulpbronnen door de agrarische sector te garanderen. Het terugdringen van de uitstoot van emissies, gewasbescherming en meststoffen is hierbij de hoofdtaak.

Instrumenten

Ammoniak, geur en fijn stof

• Generiek emissiebeleid voor ammoniak: Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, IPPC-richtlijn;

• (Gebiedsgericht) depositiebeleid voor ammoniak: Wet ammoniak en veehouderij;

• Wet geurhinder en veehouderij;

• Algemene regels voor agrarische bedrijven op grond van de Wm (AMvB’s);

• Geactualiseerde emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij voor verlening van milieuvergunningen door gemeenten.

Gewasbeschermingsmiddelen en biociden

• Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

• Beleidslijnen uit de Nota Duurzame Gewasbescherming (waaronder geïntegreerde gewasbescherming) en het Beleidsprogramma biociden;

• Aanvullend beleid gericht op de aanpak van specifieke knelpunten (maatwerkaanpak);

• Garantstelling jegens het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB). Bij de taakuitvoering van het CTB kunnen zich situaties voordoen waarbij het CTB door derden aansprakelijk wordt gesteld (hetzij voor eigen fouten van het CTB, hetzij voor fouten in wet- en regelgeving) en waarbij door derden schadeclaims worden ingediend. Gelet op de politieke verantwoordelijkheid en de achtervangposities van de ministeries betrokken bij de uitvoering van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (SZW, VWS, LNV en VROM) staan deze ministeries samen garant voor eventuele schadeclaims.

Mest/Nitraat

• Regulering van het gebruik van meststoffen via de Meststoffenwet en het Besluit gebruik meststoffen en het Besluit glastuinbouw, beide gebaseerd op het 3e Nitraatactieprogramma in het kader van de Nitraatrichtlijn.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

• Van kracht worden gewijzigd Besluit glastuinbouw, waarin normen voor gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen zijn aangepast en voorschriften voor afscherming van assimilatielicht zijn aangescherpt;

• Moderniseren en integreren van de algemene regels voor landbouwbedrijven. De AMvB’s Besluit landbouw milieubeheer, Besluit glastuinbouw, Besluit mestbassins milieubeheer, Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en onderdelen van het Lozingenbesluit bodembescherming worden samengevoegd tot één nieuwe AMvB. De systematiek en de inhoud wordt zoveel mogelijk afgestemd op het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). De inwerkingtreding van het nieuwe besluit is voorzien in 2010;

• Elimineren van specifieke milieuknelpunten gewasbescherming met maatwerkaanpak (op basis van de tussenevaluatie van de Nota duurzame gewasbescherming die heeft plaatsgevonden in 2006) en de brief aan de Tweede Kamer, (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 858, nr. 61);

• Geactualiseerde beoordelingsmethodiek uitbrengen voor gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot oppervlaktewater en de Kaderrichtlijn Water;

• Tot akkoord komen met de Europese Commissie over invulling van het 4e Actieprogramma Nitraatrichtlijn;

• Tot akkoord komen met de Europese Commissie over het vervolg op de derogatie in het kader van de Nitraatrichtlijn.

Indicatoren:

Tabel 4.6. Effectindicatoren duurzamelandbouw
Indicator:BasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Ammoniak: totale emissie van alle doelgroepen (bron: Milieubalans2007)133 kiloton2003128 kiloton2010 (Europees)11812020
Gewasbeschermingsmiddelen: procentuele vermindering van de milieubelasting t.o.v. 1998 (bron: Nota duurzamegewasbescherming50%200175%200595%2010
Meststoffen: nitraatgehalte in het grondwater (bron: Evaluatie Meststoffenwet 2007)79 mg/l zandgrond2003–2005  50 mg/llange2 termijn

1 afhankelijk van uitkomst onderhandelingen over emissieplafonds 2020 in het kader van de EU NEC-richtlijn en het UN/ECE Gotenburg protocol

2 doelstelling is omgebogen naar aanleiding van resultaten Evaluatie meststoffenwet 2007 en is mede afhankelijk van onderhandelingen met de EC over 4e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (looptijd 2010–2013)

4.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 4.7. Overzicht onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingVerbeteren milieukwaliteit bodemOD 4.2.1.A. 2011B. 2011
 Saneren van verontreinigde bodemsOD 4.2.2.A. 2007B. 2009
 Verbeteren milieukwaliteit waterOD 4.2.3.A. 2014B. 2015
 Bevorderen gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebiedOD 4.2.4.A. 2011B. 2011
 Bevorderen duurzamelandbouwOD 4.2.5.A. 2011B. 2011

De beleidsdoorlichting bodemsanering zal samen met het jaarverslag 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Artikel 5. Milieukwaliteit in de bebouwde leefomgeving

5.1. Algemene beleidsdoelstelling

5.1.1. De lokale luchtkwaliteit verbeteren en de overlast door geluid verminderen en voorkomen, met bijzondere aandacht voor het verkeer

Motivering

Algemeen doel van beleid is het voorkomen en beperken van schadelijke effecten van luchtverontreiniging (fijn stof en stikstofdioxide) en geluidhinder op de gezondheid en het welzijn van mensen. Overschrijdingen zijn het meest bedreigend voor de volksgezondheid. Inspanningen op het gebied van luchtverontreiniging zijn erop gericht om na 2010 geen overschrijdingen meer te hebben voor fijn stof en na 2015 voor stikstofdioxide. Wat betreft geluidhinder is het doel om de urgente saneringen voor 2023 gereed te hebben. Voor het duurzame mobiliteitsbeleid wordt ingezet op een samenhangend landelijk en EU-pakket van maatregelen (zie voor de precieze meetbare effectgegevens de operationele doelen).

Verantwoordelijkheid

• De minister van VROM is grotendeels verantwoordelijk voor de wet en regelgeving (al dan niet ter vertaling van Europees beleid). De minister van Verkeer en Waterstaat is verantwoordelijk voor de Luchtvaartwet/ Wet luchtvaart en de Wegenverkeerswet;

• De minister van VROM is systeemverantwoordelijk voor de uitvoering van de sanering. Met «systeemverantwoordelijk» wordt hiermee gedoeld op het stellen van de regels en het beschikbaar stellen van middelen. Decentrale overheden, infrastructuurbeheerders en uitvoeringsorganisaties zijn verantwoordelijk voor de daadwerkelijke uitvoering van beleid.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van de wijze waarop de provincies, gemeenten, samenwerkingsverbanden, infrastructuurbeheerders en uitvoeringsorganisaties hun taken en verantwoordelijkheden waarmaken. Een tweede factor is adequate normstelling voor (onderdelen van) voertuigen in EU- of UN/ECE-verband.

Meetbare gegevens

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 5.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 5. Milieukwaliteit in de bebouwde leefomgeving
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:281 807238 441102 15974 67848 57133 57130 571
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven:258 638180 062129 95896 13380 92735 92732 927
Waarvan juridisch verplicht  124 09069 00048 0003 0003 000
Programma:258 638180 062129 95896 13380 92735 92732 927
 Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit:16940 00040 00040 00030 00000
        
 Verminderen van geluidhinder:43 50226 37328 15929 78630 58030 58027 580
  Verminderen van geluidhinder43 50226 37325 15926 78627 58027 58027 580
  FESGeluidskaarten003 0003 0003 0003 0000
        
 Bevorderen van duurzamemobiliteit:154 761107 92555 70020 00015 00000
        
 Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden:60 2065 7646 0996 3475 3475 3475 347
  Integratie via milieumaatregelen60 2062 3411 4891 398944989989
  Integratie via ruimtelijke maatregelen03 4234 6104 9494 4034 3584 358
Ontvangsten:197 938150 04771 70043 00033 0003 0000

Budgettair belang buiten de VROM-begroting

Tabel 5.2. Fiscale maatregelen die bijdragen aan dit artikel
x € 1 mln2007200820092010201120122013
Laag tarief OV-bussen en huisvuilauto’s1111111
Vrijstelling elektrische en hybride motorrijtuigen1416168110
Verlaging tarief voor dieselauto’s met roetfilter3912
Verlaagde grondslag hybride (bestel)auto’s en nihiltarief elektrische motorrijtuigen00

Grafiek 5.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-13.gif

Operationeel doel:1. Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit2. Verminderen van geluidhinder3. Bevorderen van duurzame mobilliteit4. Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden

Toelichting per operationeel doel:

1. Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit:

Middelen voor lokale maatregelen luchtkwaliteit zijn juridisch verplicht als onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

2. Verminderen van geluidhinder:

De middelen voor geluidsanering zijn voor het merendeel juridisch verplicht via de subsidieregeling sanering verkeerslawaai.

3. Bevorderen van duurzame mobiliteit:

Middelen voor verkeersmaatregelen, zoals roetfilters, zijn juridisch verplicht in het kader van verbetering van de luchtkwaliteit (FES-middelen) en afspraken met de transportsector.

4. Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden:

Bij het onderdeel «Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden» is het merendeel van de middelen juridisch verplicht door de meerjarige verplichting die aangegaan is voor de leefbaarheidsprojecten Bestaand Rotterdams Gebied.

5.2. Operationele doelstellingen

5.2.1. Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit

Motivering

Slechte lucht schaadt – vooral bij langdurige blootstelling – de gezondheid. Daarom dient de luchtkwaliteit te verbeteren. Tegelijkertijd moet het in Nederland mogelijk blijven om ruimtelijke en infrastructuurplannen doorgang te laten vinden.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving, zoals de Wet luchtkwaliteit en de daaraan gerelateerde onderliggende regelgeving, de Wet ruimtelijke ordening, de Tracéwet, de Wet luchtvaart;

• Europese emissienormstelling;

• Subsidieverlening aan lokale overheden in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL);

• Kennisontwikkeling en -overdracht om andere overheden in staat te stellen een goed luchtkwaliteitsbeleid te voeren.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009

• 2009 wordt een belangrijk jaar voor luchtkwaliteit. Op basis van het in 2008 ingediende NSL zal van de Europese Commissie derogatie verkregen moeten worden – verwacht in april 2009. Hierna kan het NSL definitief worden vastgesteld en zal de verdere uitvoering ter hand worden genomen, waarbij door het NSL een belangrijke verbetering in de luchtkwaliteit kan worden bereikt. Daarnaast kan het NSL dienen als onderbouwing van ruimtelijke projecten;

• De parlementaire behandeling van de wetswijziging, waarin de Nederlandse vertaling van de nieuwe EU-richtlijn luchtkwaliteit zit, wordt afgerond. In deze richtlijn zijn bijvoorbeeld grenswaarden voor PM2,5 opgenomen.

Indicatoren:

Tabel 5.3. Effectindicatoren lokale luchtkwaliteit
Indicator:Basiswaarde peiljaar 2005Streefwaarde 2010*1Streefwaarde 2015*1
Aantal kilometers weglengte (totaal hoofdwegennet en onderliggend wegennet) met een overschrijding van de grenswaarde voor fijn stof (PM10)ca. 1 000 kmca. 50 kmca. 5 km
Aantal kilometers weglengte (totaal hoofdwegennet en onderliggend wegennet) met een overschrijding van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2)ca. 1 900 kmca. 480 kmca. 140 km

*1 Exclusief regionale en lokale inspanningen zoals opgenomen in het NSL

Bron 2005: RIVM landelijk meetnet

Toelichting:

Met bovenstaande indicatoren wordt aangegeven in hoeverre voldaan wordt aan Europese normstelling op terrein van luchtkwaliteit. Voor de effectiviteit van het beleid wordt bezien op welk gedeelte van het Nederlandse wegennet (nog) sprake is van een overschrijding van de grenswaarden. Deze indicator geeft daarom beter inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit dan een indicator «Gemiddelde uitstoot NO2 en gemiddelde uitstoot PM10 door de jaren heen». De regionale en lokale inspanningen zijn nog niet verwerkt in tabel 5.3: deze zijn opgenomen in het NSL.

5.2.2. Verminderen van geluidhinder

Motivering

Blootstelling aan hoge geluidsniveaus veroorzaakt gezondheidsschade. Daarom moeten overmatige geluidsniveaus worden voorkomen en bestreden. Het geluidbeleid is er verder op gericht om er voor te zorgen dat de oppervlakte van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) waar het stil is, in 2010 minimaal gelijk is aan de oppervlakte in het jaar 2000. Met «stil» wordt gedoeld op een geluidsniveau lager dan 39 dB Lden vanwege de rijksinfrastructuur. Terugdringen van geluidhinder wordt bij voorkeur gerealiseerd via bronbeleid. Waar bronbeleid niet mogelijk is of onvoldoende soelaas biedt, worden subsidies verstrekt om verkeerslawaai te saneren.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving: Wet geluidhinder, Wet milieubeheer, EU-Richtlijn geluidhinder, Luchthavenverkeerbesluit;

• Bronbeleid, zoals stillere motoren en stillere banden;

• Subsidieverlening voor de sanering van verkeerslawaai. Het gaat hier om subsidies voor ondermeer gevelisolatie en geluidsschermen;

• Europese geluidsnormering en geluidproductieplafonds;

• Geluidbelastingskaarten en actieplannen.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

• In 2009 wordt de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer (met introductie van het begrip «geluidproductieplafonds» en vereenvoudigde normstelling voor de Rijksinfrastructuur) afgerond. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is voorzien per 1-1-2010;

• De budgetten voor de geluidsaneringsoperaties van VenW en VROM worden samengevoegd om de efficiency in de uitvoering te vergroten. Het VROM-budget wordt overgeheveld naar de begroting van het ministerie van VenW;

• Voor de typekeuring van voertuigen wordt een nieuwe meetmethodiek voor het geluid voorgesteld in UN/ECE-verband;

• VROM zet zich er intensief voor in dat de geluidsnorm voor bandenlawaai in Europees verband met 3 db(A) wordt aangescherpt;

• De normen voor de gemiddelde geluidemissies van wegverkeervoertuigen, personen- en goederentreinen en vliegtuigen worden verlaagd. Voor wegverkeer wordt gestreefd naar een reductie met 2 dB(A) in 2010, voor spoorgoederenvervoer naar een reductie met 7 dB(A) in 2010 bij een meerderheid van de wagons ten opzichte van goederentreinen met gietijzeren remblokken;

• Geluidbelastingskaarten en actieplannen worden in de periode 2009 tot en met 2012 opgesteld en toegepast voor stedelijke agglomeraties met inwonersaantallen vanaf 100 000 tot 250 000 inwoners;

• Schiphol zal in 2009 binnen de in de wet- en regelgeving vastgelegde milieugrenzen functioneren. Hinderbeperkende maatregelen worden ingezet om te voorkomen dat het maximum wordt bereikt. Er wordt een convenant met de regiopartners gesloten over welke maatregelen zullen worden getroffen om Schiphol in de periode 2010–2020 onder de maximum toegestane milieuwaarden te laten functioneren;

• Op basis van het advies van de «Alderstafel» (geplande afronding eind 2008) wordt samen met het ministerie van VenW een nieuw Luchthavenverkeersbesluit vastgesteld over de ontwikkeling van Schiphol tot en met 2012; het besluit gaat vooralsnog in per 2009. Ook worden keuzes gemaakt over selectiviteit, ontwikkeling en specialisatie van regionale luchthavens tot 2020 en wordt een nieuw geluidnormen- en handhavingsstelsel uitgewerkt. Aan de Alderstafel wordt deelgenomen door de luchtvaartsector, de regio en de bewoners;

• Voor de Duitse luchthaven Geilenkirchen is de beleidsinzet gericht op het zoveel mogelijk reduceren van de geluidsoverlast die in Nederland wordt veroorzaakt. Eén van de manieren waarop dit gerealiseerd kan worden, is door het aantal vliegbewegingen bij Geilenkirchen te verminderen. Het is de gezamenlijke ambitie van de bewindslieden van VROM en Defensie om de EU en de NAVO te bewegen adequate maatregelen te nemen om de geluidsoverlast in de grensstreek bij Onderbanken door NAVO-vliegtuigen te beperken.

Indicatoren:

Met betrekking tot verkeerslawaai worden de volgende indicatoren gehanteerd:

Tabel 5.4a. Prestatie-indicator voortgang sanering verkeerslawaai; aantal woningen vallend onder urgente deel van de sanering
Indicator:65–70 dB>70 dBTotalen
Totaal te saneren (per 1-3-1986)290 00016 500306 500
Uitgevoerd per 31-12-2006157 3008 100165 400
Uitgevoerd per 31-12-20075 4004005 800
Uitgevoerd per 31-12-20085 3006005 900
Gepland 20095 3003005 600
Restant per 31–12–2009116 7007 100123 800
Planning voor 2023000

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai

Toelichting

In 2023 zal het urgente deel van de sanering zijn afgerond. De huidige meerjarenraming gaat uit van lineaire inzet van de middelen. Planning is om in 2009 3 600 woningen te saneren.

Tabel 5.4b. Prestatie-indicator oppervlakte geluidsbelasting Ecologische Hoofdstructuur < 39 dB Lden
Indicator:200020042010 (streefwaarde)
Oppervlakte EHS-gebied met lawaai geringer dan 39 dB Lden2 310 km22 333 km2> 2 310 km2

Bron: RIVM

5.2.3. Bevorderen van duurzame mobiliteit

Motivering

Het verkeer speelt een bijzondere rol in milieuproblemen op lokaal niveau. Om schadelijke gezondheidseffecten weg te nemen en om te voorkomen dat toekomstige generaties met de milieugevolgen van mobiliteit worden opgezadeld, worden de emissies door verkeer teruggebracht tot op het«no-effect level». Oftewel, het verkeer wordt schoon, zuinig en stil gemaakt.

Instrumenten

• Wet- en regelgeving (internationaal): verschillende EU Richtlijnen en EU-bronbeleid en normering;

• Wet- en regelgeving (nationaal): zoals milieuzones voor vrachtwagens en bestelauto’s;

• Fiscale maatregelen, zoals fiscale bijtelling, differentiatie BPM en MRB;

• Subsidieverlening, zoals de roetfilterregeling;

• Voorlichting en kennisoverdracht op het gebied van duurzame mobiliteit.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009

• In EU-verband wordt een CO2-normeringenstelsel voor personenauto’s ingevoerd dat vermoedelijk in de periode 2012–2015 in werking treedt. De norm voor de gemiddelde CO2-uitstoot van verkochte nieuwe personenauto’s komt te liggen op maximaal 130 g/km op basis van de typekeuringen met de bestaande testcyclus. Voorts wordt wat Nederland betreft een gemiddelde norm voor 2020 vastgesteld, waarbij de inzet is dat deze op maximaal 95 gr/km komt te liggen;

• Er wordt een start gemaakt met de implementatie van twee EU-richtlijnen in Nederlandse regelgeving (over deze onderwerpen zijn onderhandelingen gaande);

– de herziene EU-richtlijn voor de brandstoffenkwaliteit wordt voorzien van duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen. Deze criteria zijn gelijk aan die in de richtlijn hernieuwbare energie. Ook bevat de richtlijn de verplichting voor brandstofproducenten om in de periode 2011–2020 de CO2-inhoud, gemeten over de keten, van alle brandstoffen te verminderen. De reductie is voor een belangrijk deel afhankelijk van biobrandstoffen (over deze onderwerpen zijn onderhandelingen gaande);

– in de nieuwe EU-richtlijn voor hernieuwbare energie komt voor 2020 een eis van een bepaald percentage biobrandstoffen. Daaraan worden duurzaamheidseisen gekoppeld, identiek aan de EU-richtlijn voor de brandstoffenkwaliteit (over deze onderwerpen zijn onderhandelingen gaande);

• Eind 2008 wordt naar verwachting een akkoord bereikt over de EU-verordening met betrekking tot de zogenaamde Euro 6-emissie eisen voor vrachtauto’s en bussen, die per 2012–2013 ingaan. In 2009 volgt de EU-uitwerking en wordt nationaal de stimulering van vroegtijdige introductie van Euro 6-vrachtauto’s en bussen voorbereid;

• De EU-richtlijn met betrekking tot de zogenaamde Euro 5 emissie-eisen voor personenauto’s wordt in september 2009 voor nieuwe types personenauto’s van kracht. Vooruitlopend op het verplicht worden van de Euro 6-normen per 2014–2015 zal Nederland de introductie van zeer NOx-arme dieselauto’s stimuleren, vermoedelijk vanaf 2010;

• In 2008 is een akkoord in het kader van «Schoon en Zuinig» met de sector Verkeer gesloten. In 2009 worden diverse acties uit dat akkoord in samenwerking met (delen van) de sector verder uitgewerkt;

• De uitwerking van het in 2007 gesloten klimaatakkoord met de VNG is met enige vertraging op gang gekomen. In 2009 vinden lokale initiatieven in de vorm van pilots plaats;

• Het wetsvoorstel dat de grote steden bij wijze van experiment de mogelijkheid geeft de parkeertarieven te differentiëren aan de hand van de emissieklasse van het voertuig, wordt bij de Tweede Kamer ingediend.

Als uitvloeisel van de afspraken trekt het Kabinet in de periode 2009–2011 in totaal € 62 mln extra uit voor duurzame mobiliteit. In 2009 wordt hiervan met de transportsector voor de stimulering van de aanschaf van vrachtwagens en bussen met een motor die voldoet aan de Euro 5- of EEV-norm, € 9 mln ter beschikking gesteld. Eveneens wordt in dit kader een fijn stofconvenant bestelwagens met de transportsector gesloten, opdat nieuwe bestelwagens versneld worden voorzien van de affabriek roetfilters. Hiervoor wordt in 2009 € 18 mln ter beschikking gesteld.

Voorts heeft het Kabinet, om duurzame mobiliteit te stimuleren, een nieuw pakket vergroeningsmaatregelen ingevoerd, dat 1 januari 2009 in werking zal treden. Voor de concrete vergroeningsmaatregelen wordt verwezen naar het Belastingplan 2009.

Indicatoren:

Voor de sector verkeer gelden in zijn algemeenheid de emissieniveaus voor broeikasgassen en voor de diverse verzurende en luchtverontreinigende stoffen als indicator; zie hiervoor ook artikel 3. Voor de middellange termijn tot 2010 zijn tussendoelen vastgesteld voor luchtkwaliteit en emissies.

Tabel 5.5. Effectindicatoren nationale verkeersemissieplafonds
Indicator:Basiswaarde 1990Peiljaar 2006Streefwaarde 2010
NOx325 Kton199 Kton158 Kton
SOx18 Kton6,2 Kton4 Kton
NHx1 Kton2,5 Kton3 Kton
NMVOS177 Kton48 Kton55 Kton
CO227,8 Mton37,0 Mton38,7 Mton

Bron: Milieu- en Natuurcompendium MNP

5.2.4. Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden

Motivering

De activiteiten bij het geïntegreerd milieubeleid zijn er op gericht dat milieubelangen bijtijds en integraal door gemeenten en provincies worden meegewogen bij het voorbereiden en realiseren van ruimtelijke ontwikkelingen. Zodoende kan een goede milieukwaliteit, zo mogelijk beter dan de basiskwaliteit, worden bereikt. Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden bestaat uit het bieden van een goed instrumentarium, het faciliteren in concrete gevallen en het uitdragen van voorbeelden als inspiratiebron. Meerwaarde van dit beleid ligt in de integrale gebiedsgerichte aanpak waarin het geheel meer is dan de som der delen. Inzet daarbij is dat de nagestreefde kwaliteit altijd in verband staat met het soort gebied en het (toekomstig) ruimtegebruik. Dit vraagt om maatwerk in werkwijze, inzet en instrumentarium.

In 2009 zal ook inzet worden gepleegd voor de uitvoering van het kabinetsstandpunt over de Commissie Versnelling Besluitvorming Infrastructuur (Commissie Elverding). Zo vinden de nu op te starten verkenningen en pilots uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT) al zoveel mogelijk plaats conform de nieuwe werkwijze en besluitvorming. Een voorbeeld is de door VROM getrokken MIRT-verkenning voor een integrale gebiedsgerichte afweging.

Bij de inspanningen die voor deze doelstelling worden verricht, gaat het vooral om het stimuleren en faciliteren om te komen tot een samenhangend lokaal/regionaal milieubeleid. Zoals ook toegelicht in de leeswijzer bij deze begroting is het, gegeven de aard van deze werkzaamheden, niet zinvol hier beleidsprestaties voor 2009 of indicatoren aan te verbinden.

5.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 5.6. Overzicht onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid voor beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB Afgerond
BeleidsdoorlichtingVerbeteren van de lokale luchtkwaliteitOD 5.2.1.A: 2009 B: 2011
 Verminderen van geluidhinderOD 5.2.2.A: 2010 B: 2012
 Bevorderen van duurzame mobiliteitOD 5.2.3.A: 2012 B: 2012
 Geïntegreerd milieubeleid voor andere overhedenOD 5.2.4.A: 2007 B: 2009
    
Effectenonderzoek ex postStimulering aanschaf roetfiltersOD 5.2.3.A: 2008B: 2009
    
Overig evaluatieonderzoekMonitoring uitgevoerde NSL-plannen 2008OD 5.2.1.A: 2008B: 2011
 Evaluatie meerjarenprogramma PIEKOD 5.2.2.A: 2008B: 2008
 Monitoring Bestaand Rotterdams Gebied leefbaarheidsprojectenOD 5.2.4.A: 2008B: 2010

Artikel 6. Risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s

6.1. Algemene beleidsdoelstelling

6.1.1. De beheersing van risico’s voor mens en milieu bij het omgaan met chemische stoffen, nanodeeltjes, afvalstoffen, radioactieve stoffen, straling en genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s), rekening houdend met sociale en economische factoren

Motivering

Om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheidsrisico’s.

• VROM ontwikkelt beleid en beheert en onderhoudt de beleidsinstrumenten en expertise op het gebied van chemische stoffen, nanodeeltjes, milieu & gezondheid, afvalstoffen, radioactieve stoffen, straling en genetisch gemodificeerde organismen;

• VROM coördineert het thema Verspreiding van stoffen en de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid alsmede de daaraan gerelateerde doel- en taakstellingen.

Verantwoordelijkheid

De minister van VROM is verantwoordelijk voor:

• De uitvoering van de EU-Verordening REACH, de uitvoering van diverse verdragsverplichtingen en internationale chemicaliënstrategieën (OECD, Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam, SAICM) en de ontwikkeling en implementatie van regelgeving op het gebied van chemische stoffen en nanodeeltjes;

• De beleidsacties die voortkomen uit de Nota Strategie Omgaan met Stoffen, de nota Nuchter Omgaan met Risico’s, de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid en de Strategienota Omgaan met Risico’s van Nano(deeltjes);

• De sturing van het afvalstoffenbeleid;

• De bescherming van de burgers tegen de gevaren van ioniserende en niet-ioniserende straling;

• De veiligheid van mens en milieu bij handelingen met GGO’s.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van factoren als internationale ontwikkelingen en de stand van de techniek. Essentieel is de betrokkenheid van een groot aantal maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, overheden en burgers.

Meetbare gegevens

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen. Gekozen is voor het opstellen en gebruiken van specifieke deelindicatoren voor de risico’s op het gebied van chemische stoffen, nanodeeltjes, milieu & gezondheid, afvalstoffen, radioactieve stoffen en GGO’s, die recht doen aan de vastgestelde specifieke doelen en normen op deze gebieden. Deze indicatoren zijn bij de operationele doelen opgenomen. De feitelijke risico’s worden bepaald en afgewogen tegen deze doelen en normen.

Tabel 6.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 6. Risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:22 721131 230136 812134 808133 045135 770135 470
Uitgaven:27 129140 106147 662140 427138 239138 134136 483
Waarvan juridisch verplicht  133 639131 000129 000129 000129 000
Programma:27 129140 106147 662140 427138 239138 134136 483
 Veilig gebruik van chemische stoffen:4 11310 6599 3403 8553 8453 8453 845
        
 Reductie van milieubelasting door afvalstoffen:18 715120 091126 871126 106125 148125 411125 411
        
 Bescherming tegen straling:2 7376 1286 4266 1666 1435 4793 828
        
 Verantwoorde toepassing van ggo’s:1 5643 2285 0254 3003 1033 3993 399
Ontvangsten:1 9502 7652 8002 1009503000

Grafiek 6.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-14.gif

Operationeel doel:1. Veilig gebruik van chemische stoffen2. Reductie van milieubelasting door afvalstoffen3. Bescherming tegen straling4. Verantwoorde toepassing van ggo’s

Toelichting per operationeel doel:

1. Veilig gebruik van chemische stoffen:

De uitgaven zijn juridisch verplicht vanwege de uitvoering van de saneringsregeling asbestwegen in de provincies Overijssel en Gelderland:

2. Reductie milieubelasting door afvalstoffen:

Op 27 juli 2007 is de Raamovereenkomst getekend voor de aanpak van de verpakkingenproblematiek. Bij ongewijzigde voortzetting van deze overeenkomst, is een bedrag van € 115 mln per jaar juridisch verplicht. Verder is verplicht de uitvoering van het afvalbeleid door SenterNovem.

3. Bescherming tegen straling:

De vergunningverlening en het meldingensysteem op basis van de KEW zijn meerjarig opgedragen aan SenterNovem. Het meerjarig onderzoekprogramma EM-velden is opgedragen aan het RIVM. Deze bedragen zijn juridisch verplicht.

4. Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s):

Jaarlijks wordt aan het RIVM de toezegging gedaan voor de Commissie Genetische Modificatie (COGEM). Het programma biotechnologie is opgedragen aan NWO. Deze toezeggingen zijn juridisch verplicht.

6.2. Operationele doelstellingen

6.2.1. Veilig gebruik van chemische stoffen

Motivering

Doel is om een situatie te bereiken waarin mens en milieu hooguit verwaarloosbare risico’s lopen als gevolg van de schadelijke effecten van chemische stoffen en van nanotechnologie, om de negatieve gezondheidseffecten die optreden als gevolg van (een opeenstapeling van) blootstelling aan agentia in het milieu (zoals stoffen, geluid, lucht- en bodemverontreiniging et cetera) te reduceren en om zoveel als mogelijk is, de ongerustheid weg te nemen over de mogelijke gezondheidseffecten van milieurisico’s. Dit past binnen het VROM-streven naar een gezonde en veilige samenleving.

Instrumenten

Om deze doelstelling te realiseren wordt een mix van beleidsinstrumenten ingezet. Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context betreft dit:

• (inter)nationale regelgeving (bijvoorbeeld in geval van het beheersen van risico’s van chemische stoffen – REACH);

• Het toepassen van voorlichting (bijvoorbeeld de burger informeren over de mogelijkheid om de kwaliteit van het binnenmilieu te verbeteren door ventilatie);

• Het sluiten van convenanten (bijvoorbeeld in geval van het beheersen van de risico’s van nanotechnologietoepassingen, omdat de regelgeving nog niet adequaat is);

• Het toekennen van subsidies (bijvoorbeeld in geval van het saneren van asbestwegen in Gelderland en Overijssel) of van schadevergoedingen aan slachtoffers met asbestmesothelioom.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Op weg naar het bereiken van het einddoel in 2020 voor chemische stoffen zijn voor de jaren 2010, 2013, 2018 (inter)nationale tussendoelen geformuleerd. Om die te bereiken:

– Past Nederland, voordat bijlage 17 van EU-verordening REACH in werking treedt, de nationale regelgeving inzake stoffen aan zodat deze voldoet aan de REACH-eisen;

– Wordt de voorlichting aan bedrijven over REACH gecontinueerd, gemonitord en geëvalueerd;

– Zal Nederland de reguliere onderhandelingen die plaatsvinden in het kader van de uitvoering, de herziening en verdere verfijning van REACH gebruiken om onder andere de uitvoering van REACH door het Europese Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in Finland zo effectief en efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden;

– Verschijnt een circulaire over de doorwerking van REACH bij vergunningverleners (gemeenten en provincies);

– Wordt over de voortgang van het project «invoering nieuwe EU-stoffenbeleid (2006–2010)» aan de Tweede Kamer gerapporteerd;

• Nederland geeft in het kader van «stoffenbeleid mondiaal» uitvoering aan de jaarlijkse verplichtingen die samenhangen met de internationale strategie chemie en diverse verdragsverplichtingen (Verdrag van Stockholm, Verdrag van Rotterdam, et cetera) door de reguliere onderhandelingen die plaatsvinden in het kader van de uitvoering en verdere uitbouw van de verdragen;

• De overheid monitort in het kader van «stoffenbeleid Nederland» onder andere de emissiereductie prioritaire stoffen (zie ook Kamerstukken II, 2006–2007, 27 801, nr. 47) en begeleidt de uitvoering sanering asbestwegen 3e fase en de regeling niet-beroepsgebonden asbestmesothelioomslachtoffers beleidsmatig;

• Acties uit de kabinetsvisie Nanotechnologie (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 338, nr. 54 en Kamerstukken II, 2007–2008, 29 338, nr. 70) en het Beleidsstandpunt Strategie Omgaan met Risico’s van Nano(deeltjes) (toegezegd voor eind 2008) worden uitgevoerd. Zo wil de overheid met het bedrijfsleven afspraken maken over het omgaan met risico’s van nanodeeltjes (convenant);

• Op weg naar het bereiken van de doelen zoals afgesproken in de Nationale Aanpak Milieu & Gezondheid (2009–2012) (zie ook Kamerstukken II, 2007–2008, 28 089, nr. 19) worden de volgende prestaties geleverd:

– In het najaar verschijnt het advies van de «commissie van wijzen» over de maatschappelijke signalering van milieu- en gezondheidsrisico’s;

– Het convenant binnenmilieu scholen wordt getekend en 200 scholen worden voorzien van een advies ten behoeve van eengezonder binnenmilieu;

– In samenwerking met betrokken partijen (bedrijfsleven, overheid en kennisinstituten) worden twee pilots Gezond ontwerp leefomgeving gerealiseerd;

– Met 3 pilot-gemeenten wordt een voorstel gemaakt dat aangeeft op welke wijze goed voldaan kan worden aan de «groene norm»;

– Met vijf pilot-scholen worden «best practices» verzameld met het oog op een gezonde mobiliteit.

Indicatoren:

Tabel 6.2. Effectindicatoren veilig gebruik van chemische stoffen
Indicator:Basiswaarde en basisjaarStreefwaarde en streefjaar
Implementatiedatum van nieuwe regelgeving inzake EU-Verordening REACH H9 WmBasisjaar voor implementatie REACH is het jaar 2007 (1 januari) waarin de nieuwe regelgeving nog niet van kracht is.Streefwaarde: Inwerkingtreding laatste deel EU-Verordening, (hoofdstuk 9 Wm, annex 17; 1 juni 2009).
   
Het aantal geregistreerde stoffen zoals per uitvoeringstermijn in REACH is afgesprokenBasisjaar voor uitvoering registratie REACH is 2007, waarin nog geen bestaan- de stof is geregistreerd (basiswaarde = 0).Registratie van de in potentie meest gevaar- lijke stoffen uiterlijk per 2010 (streefwaarde = alle meest gevaarlijke stoffen die worden gebruikt zijn geregistreerd); Registratie van de in potentie gevaarlijke stoffen uiterlijk per 2013 (streefwaarde = alle meest gevaar- lijke stoffen die worden gebruikt zijn geregistreerd); Registratie van de overige stoffen uiterlijk per 2018 (streefwaarde = alle meest gevaarlijke stoffen die worden gebruikt zijn geregistreerd).
   
Beleidsindicator emissies prioritaire stoffen en beleidsindicator milieukwaliteit prioritaire stoffen. De indicatoren geven voor de verzameling van prioritaire stoffen aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschredenBasiswaarden voor emissies prioritaire stoffen en beleidsindicator milieukwaliteit prioritaire stoffen zijn vastgelegd in het basisjaar 1990. Vanaf dat moment is gestart met de uitvoering van de afspraken met bedrijfsleven over emissiereductie en zijn andere instrumenten ingezet (zie NMP4 en Prioritaire Stoffen; Kamerstukken II, VROM-00694, 2001; Kamerstukken II, 2006–2007, 27 801, nr. 47).Doel: in streefjaar 2010 lopen mens en milieu geen of verwaarloosbaar risico (= streefwaarde) a.g.v. prioritaire stoffen, omdat door het bedrijfsleven verstandig, voorzichtig en met voorzorg wordt omge- gaan met de prioritaire stoffen (m.a.w. voor elke prioritaire stof die geproduceerd, geïmporteerd, gebruikt en/of geëmitteerd wordt is het risico kleiner dan de vastgestelde norm zijnde het verwaarloosbaar risico). Zie ook onderstaande grafiek.
   
Beleidsindicator emissies stoffen en beleidsindicator milieukwaliteit stoffen. De indicatoren geven voor de verzameling van stoffen aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschredenBasisjaar is 2007. Basiswaarde waar vanuit wordt gegaan is: geen bestaande stof is geregistreerd en dus is het gebruik van die stof, de emissies van de stof en de invloed van de emissies op de milieukwaliteit niet bekend.Doel: in 2020 lopen mens en milieu geen of verwaarloosbaar risico (= streefwaarde) als gevolg van stoffen. Zelfde doel als bij prioritaire stoffen maar dan 10 jaar later bereikt. Een vergelijkbare grafiek als voor prioritaire stoffen (zie hieronder) zal m.i.v. 2010 worden gepresenteerd.
   
Beleidsindicator emissies nanodeeltjes en beleidsindicator milieukwaliteit nanodeeltjes. De indicatoren geven voor de verzameling van nanodeeltjes aan in hoeverre de streefwaarde nog wordt overschredenBasisjaar is 2007. Basiswaarde waar vanuit wordt gegaan is: het gebruik van nanodeeltjes is niet bekend, toepassingen van nanodeeltjes zijn niet geregistreerd, de emissies van nanodeeltjes en de invloed van de emissies op de milieukwaliteit zijn niet bekend.*Doel: mens en milieu lopen per direct (= doeljaar) geen of verwaarloosbaar risico (= streefwaarde) a.g.v. nanodeeltjes. Zelfde doel als bij prioritaire stoffen maar dan per direct gerealiseerd omdat het nieuwe toepassingen betreft.Een vergelijkbare grafiek als voor prioritaire stoffen (zie hieronder) zal m.i.v. 2010 worden gepresenteerd.

* Nanotechnologie is een geheel nieuw onderwerp, waarover weinig bekend is. Streefwaarden en dergelijke zijn nu niet aan te geven. Dat zal uit onderzoek naar voren moeten komen.

Grafiek 6.2. Effectindicatoren voor emissies van prioritaire stoffen

kst-31700-XI-2-15.gif

Grafiek 6.3. De milieukwaliteitsindicator voor prioritaire stoffen in de lucht (exclusief zwaveldioxide en stikstofoxiden)

kst-31700-XI-2-16.gif

Bron: RIVM-rapport 607 880 005, Prioritaire Stoffen in het Milieu (1990–2005, 2006). Streefwaarden voor MDI en MKI voor 2010 zijn beide 0.

6.2.2. Reductie van milieubelasting door afvalstoffen

Motivering

Om de stroom afvalstoffen te verkleinen en zodanig te beheren, dat de gevolgen voor het milieu aanvaardbaar zijn. De doelen voor 2012 uit het Landelijk Afvalbeheer Plan zijn: het aanbod van afval mag niet groter zijn dan 66 Mton, minimaal 55 Mton afval moet nuttig toegepast worden, maximaal 1 Mton mag worden geloosd, maximaal 2 Mton gestort en de resterende hoeveelheid afval, maximaal 8 Mton, wordt verbrand.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context:

• Het afvalbeleid wordt primair gestuurd met economische instrumenten (hoge stortheffing maakt preventie en hergebruik financieel aantrekkelijk) en met wet- en regelgeving die in toenemende mate Europees wordt vastgesteld (bijvoorbeeld op het gebied van storten en verbranden, verpakkingen, wit- en bruingoed);

• Voorlichting over verpakkingen, zwerfafval en Afvalbeheer Plan en communicatie over elektronische apparatuur en de Kaderrichtlijn afvalstoffen naar de afvalsector en naar de andere overheden;

• In specifieke gevallen worden beleidsafspraken en convenanten met de afvalsector en overheden gemaakt (Raamovereenkomst verpakkingen en zwerfafval);

• Verpakkingenbelasting (fiscale heffing op basis van milieubelasting van materialen; geraamd bedrag 2008 € 240 mln);

• Subsidieverlening. In de periode 2008–2012 wordt jaarlijks een bedrag van € 115 mln toegekend aan het Afvalfonds. Hiermee worden VNG (met een inzamelvergoeding) en het verpakkende bedrijfsleven (door de uitvoeringsorganisatie Nedvang) in staat gesteld opruim- en preventiemaatregelen te treffen voor de aanpak van het verpakkingenprobleem.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Vernieuwen landelijk afvalbeleid: in maart 2009 wordt het Landelijk Afvalbeheer Plan 2008–2018 (LAP2) vastgesteld en van kracht. In LAP2 wordt aangegeven of, en zo ja, voor welke afvalstoffen het instrument producentenverantwoordelijkheid in de planperiode van LAP2 wordt ingezet. Op basis van onder meer ervaringen die zijn opgedaan met zes pilots, zal in het LAP2 ook worden aangegeven voor welke productgroepen/afvalstromen de ketenaanpak (C2C) wordt vormgegeven. Voorts wordt aangegeven op welke manier energieterugwinning uit afval een extra rol kan spelen in het klimaatbeleid. Hierbij is speciale aandacht voor de warmteafzet van afvalverbrandingsinstallaties. Ook wordt in LAP2 opgenomen op welke manier de toekomst van de stortsector wordt uitgewerkt, wat het beleid is voor berging van afvalstoffen in de diepe ondergrond en of het moratorium op uitbreiding van stortcapaciteit blijft bestaan;

• VROM stimuleert Cradle-to-Cradle (C2C) bij het sluiten van ketens:

– In twee Nota Ruimte-projecten wordt de C2C-aanpak opgenomen in het ontwerp van het plan. Ook wordt een toepassingskader C2C in ruimtelijke projecten ontwikkeld;

– In het kader van duurzaam inkopen worden bij relevante productgroepen C2C-gerelateerde eisen als «wens» meegenomen. Eind 2008 is dat bij vijf van de 80 productgroepen gereed, eind 2009 bij 25 en eind 2010 bij 40 productgroepen;

– In LAP2 zal VROM met het bedrijfsleven afspreken dat er tenminste vier projecten worden uitgevoerd om ketens te sluiten. De resultaten moeten leiden tot een vermindering van de milieubelasting met tenminste 20% in de desbetreffende ketens in de planperiode van het LAP2 (2008–2018);

– Daarnaast wordt de aandacht gericht op het uitdragen van het belang van C2C in productketens naar onderwijsinstellingen en naar het bedrijfsleven, intermediaire organisaties en consultancybureaus. In 2009 zullen tenminste drie branches C2C actief uitdragen naar hun leden en in drie (ontwerp-)opleidingen wordt C2C opgenomen in het curriculum. Tenminste 15 bedrijven zijn reeds op het C2C-spoor gezet met uitstraling op onderwijs en onderzoek;

– Ook wordt een C2C-aanjaagteam opgericht om maatschappelijke initiatieven die zijn gericht op het bereiken van een olievlekwerking te ondersteunen en stimuleren, en zullen gericht belemmeringen worden weggenomen;

• Invoering milieu- en energie-efficiency normen voor energieverbruikende apparaten in relatie tot de Richtlijn Eco design (bijdrage aan «Schoon en Zuinig»). Voor 20 producten worden eisen geformuleerd. Het energieverbruik van deze apparaten moet in 2020 met 40% verlaagd zijn ten opzichte van het verbruik bij ongewijzigd beleid. In 2008 en 2009 worden de eerste EU-uitvoeringsmaatregelen (onder meer standby en straatverlichting) vastgesteld, die naar verwachting in 2010 in werking zullen treden. Nederland speelt hierbij een pro-actieve rol. Voor het Nederlandse MKB wordt een ondersteuningsprogramma opgezet;

• Van kracht worden gewijzigd Besluit beheer verpakkingen, papier en karton;

• Implementeren van internationaal beleid, met name de EU-afvalstrategie, de nieuwe EU Kaderrichtlijn afvalstoffen, en EU-richtlijnen voor afzonderlijke afvalstoffen (zoals batterijen) en afvalbeheerswijzen (Richtlijn storten Annex II). Nederlandse regelgeving wordt afgestemd op de kwik-verordening;

• VROM zet zich in voor herziening van EU-richtlijnen (voor onder meer elektrische en elektronische apparatuur) en voor ontwikkeling van nieuwe regelgeving (met name voor Duurzame productie en consumptie en voor Ecodesign);

• In 2009 werkt VROM mee aan internationale afspraken over wanneer een stof een afvalstof is en wanneer een afvalstof een product is geworden (gelijkwaardig speelveld in Europa).

Indicatoren:

Grafiek 6.4. Ontwikkeling afvalaanbod en -toepassing

kst-31700-XI-2-17.gif

Bron: SenterNovem

Toelichting:

Voor het afvalbeheer zijn in het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) kwantitatieve en kwalitatieve doelen geformuleerd voor 2012. De indicatoren in bovenstaande grafiek zijn gekoppeld aan deze kwantitatieve doelen (punten rechteras). De lijn «Afvalaanbod volgens BBP 1985-2000» geeft aan wat het afvalaanbod in de periode 1985–2000 zou zijn geweest als het dezelfde groei als het BBP had gevolgd. De lijn «Afvalaanbod prognose 2000-2012» geeft aan hoe in 2000 werd voorzien dat het afvalaanbod zich zou ontwikkelen volgens een toen opgesteld beleidsscenario. Dit geeft aan hoeveel preventie is bereikt (verschil tussen de lijn «BBP» en de lijn «Totaal afvalaanbod»; in 2000 is een breuk te zien in de BBP lijn vanwege nieuwe scenario’s en prognoses) en hoeveel afval nuttig is toegepast, verbrand en gestort. Er zijn bij het LAP, en dus deze indicator, geen tussendoelen geformuleerd, met name vanwege de verschillende looptijden tussen het treffen van maatregelen en het effect daarvan. Echter, de ontwikkeling laat zien dat we de doelen voor 2012 behalen.

De kwalitatieve doelen richten zich op het realiseren van een gelijkwaardig Europees speelveld en het bevorderen van marktwerking en innovatie. Deze doelen zijn niet in de vorm van een indicator uit te drukken.

6.2.3. Bescherming tegen straling

Motivering

Om de situatie te handhaven waarbij mensen en milieu, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, beschermd worden tegen de risico’s van ioniserende en niet-ioniserende straling. Voor Nederland vormen de internationaal vormgegeven grens- en advieswaarden het maximum. In Nederland worden deze maxima niet overschreden. Onder deze grenswaarden is ALARA (as low as reasonable achievable) het uitgangspunt.

Instrumenten

De volgende instrumenten worden gehanteerd:

• Vergunningverlening- en meldingensysteem op basis van de Kernenergiewet;

• Convenant met VNO-NCW (vertegenwoordiger van de bouwsector in Nederland) inzake standstill van radonstraling in de woning;

• Adviezen aan overige overheden inzake te hanteren beleid met betrekking tot elektromagnetische velden in combinatie met het Kennisplatform en het Onderzoeksprogramma Elektromagnetische velden en Gezondheid.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Regelgeving straling en kernenergie aanpassen als dat noodzakelijk is op grond van wijziging van de Kernenergiewet of Europese richtlijnen/aanbevelingen, implementeren en uitvoeren, inclusief afhandelen vergunningaanvragen Kernenergiewet;

• Samen met het ministerie van EZ beleidsnotitie uitbrengen ter uitwerking van de 3 scenario’s over kernenergie uit het Energierapport, zodat een volgend Kabinet kan beslissen over de optie kernenergie in de toekomst;

• Vernieuwen en uitvoeren beveiligingsbeleid met betrekking tot nucleaire inrichtingen door implementatie van het Verdrag Fysieke Beveiliging Kernmateriaal en Inrichtingen (Trb. 2006, 81);

• Vernieuwen en uitvoeren beleid opwerking, ontmanteling en opslag radioactief afval (vanwege gewijzigde Kew), bestaande uit (1) ontmanteling nucleaire inrichtingen, (2) haalbaarheid partitioning en transmutatie van bestraalde splijtstaven (nieuwe technieken), (3) wel/niet opwerken en (4) onderzoek naar eindberging van radioactief afval «terugneembare ondergrondse berging van radioactief afval» (TOBRA);

• Uitvoeren en aanpassen van regelgeving met betrekking tot radioactieve stoffen (inclusief transport, natuurlijke bronnen, sludges, radioactief schroot) vanwege Richtlijn 2006/117/EURATOM van de Raad van 20 november 2006;

• Ontwikkelen en implementeren van beleid voor ioniserende en niet-ioniserende straling (in en om woningen, gebruiksartikelen, hoogspanningslijnen, elektromagnetische velden) inclusief voorlichting;

• Bijdragen aan internationaal stralingsbeleid: (1) Voorbereiden van en deelname aan IAEA-conventie over radioactief afval, (2) OSPAR, (3) art. 31 EU en (4) High Level Group EC over nucleaire veiligheid en radioactief afval.

Indicatoren:

Tabel 6.3. Effectindicatoren bescherming tegen straling
IndicatorBasiswaardeStreefwaarde 2009
Emissies van radioactieve stoffen uit antropogene bronnen naar water en luchtBronlimiet is 0,1 mSv/jaarZoveel als redelijkerwijs mogelijk onder grenswaarde (ALARA)
Straling in de woningStralingsniveau in nieuwbouwwoningen uit de periode 1990–19951,5 mSv/jaar door bouwmaterialen
Elektromagnetische velden van hoogspanningslijnenAantal woningen binnen advieswaardencontouren rond hoogspanningslijnenStandstill

Bron: Afspraken VROM met de sectorpartijen

Grafiek 6.5. Prestatie-indicatoren straling

kst-31700-XI-2-18.gif

Toelichting

Berekende collectieve dosis straling in Nederland door lozingen naar lucht en water van Nederlandse industrie. Collectieve dosis en onderliggende gegevens per industrietak zijn beschikbaar op het RIVM-milieuportaal in het dossier Reguleerbare stralingsbronnen (www.rivm.nl/brs). De sterke daling van de emissie naar water in 1999–2000 werd veroorzaakt door de sluiting van twee kunstmestfabrieken aan de Nieuwe Waterweg.

Grafiek 6.6. Prestatie-indicator Radonconcentratie

kst-31700-XI-2-19.gif

Bron: RIVM

Toelichting

Radonconcentratie in woonkamers van nieuwbouwwoningen, versus het bouwjaar. Resultaten zijn afkomstig uit het briefrapport met voorlopige resultaten van het VERA-onderzoek (RO Blaauboer, Dekkers SAJ, Slaper H, Bader S, Stralingsbelasting in nieuwbouwwoningen – voorlopige resultaten VERA survey 2006, RIVM briefrapport 6107900004. Het briefrapport is beschikbaar via het milieuportaal:www.rivm.nl/milieuportaal nieuwsbericht van 6 maart 2008, of de radonwebsite: www.rivm.nl/radon).

6.2.4. Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)

Motivering

Doelstelling van VROM is primair om een voldoende beschermingsniveau te bieden voor mens en milieu tegen mogelijk nadelige effecten van genetisch gemodificeerde organismen. Daartoe worden voorafgaand aan de toepassing van GGO’s de mogelijke schadelijke effecten afgewogen tegen het gebruik van het ongemodificeerde organisme in vergelijkbare situaties. Alleen die GGO’s worden toegestaan, waarvan de mogelijke effecten een verwaarloosbaar risico voor mens en milieu betekenen. Doelstelling is dan ook dat het milieu niet verslechtert als gevolg van het gebruik van GGO’s in vergelijking met het gebruik van ongemodificeerde organismen. Er kunnen daarvoor geen harde normen of streefwaarden worden geformuleerd. Wel wordt het milieu in zijn algemeen gemonitord door het Netwerk Ecologische Monitoring, waarbij veranderingen aan de flora en fauna worden waargenomen. De jaren voorafgaand aan de teelt van GGO’s worden hierbij gebruikt als nulsituatie. Bij de besluitvorming is transparantie over vergunningverlening voor werkzaamheden met GGO’s een belangrijke tweede doelstelling. Derde doelstelling is de kansen die de toepassing van GGO’s biedt in het wetenschappelijk onderzoek, landbouw, industrie of geneeskunde, optimaal te benutten onder waarborging van het vereiste veiligheidsniveau.

Instrumenten

Afhankelijk van de fase van het beleidsproces en de (inter)nationale context:

• Nationale regelgeving onder andere ter implementatie van EU-regelgeving;

• Vergunningen en meldingen op basis van het Besluit GGO voor het gebruik van GGO’s;

• Voorlichting en communicatie inzake het GGO-beleid;

• Onderzoek ten behoeve van risicoanalyse van vergunningverlening en het gebruik van GGO’s.

Meetbare gegevens

Voornaamste beleidsprestaties 2009:

• Uitbrengen van een notitie aan de Tweede Kamer over de mogelijke bijdrage van GGO’s aan een duurzame landbouw en een brief aan de Tweede Kamer over synthetische biologie;

• Uitvoeren GGO-beleid en nationale regelgeving, onder andere afhandelen van vergunningenaanvragen door het Bureau GGO;

• Van kracht worden van het gewijzigde en/of vereenvoudigde Besluit GGO en de Regeling GGO ter vermindering van de administratieve lasten;

• Uitvoeren EU-regelgeving over GGO’s, onder andere beoordelingen ten behoeve van markttoelatingen en verplichtingen in het kader van het Biosafety Protocol en uitvoeren van het EU-standpunt nieuwe plantveredelingstechnieken in relatie tot genetische modificatie;

• Opstellen van het kabinetsstandpunt over biotechnologie (naar aanleiding van Trendanalyse Biotechnologie 2009), verzending naar Tweede Kamer eind 2009;

• Uitvoering geven aan het kabinetsstandpunt regeldruk biotechnologie (onder andere: totstandkoming EU-regelgeving voor biotechnologie);

• In overleg met het Netwerk Ecologische Monitoring en het CBS wordt bepaald of, en zo ja welke, indicatoren gebruikt kunnen worden om de veranderingen in het milieu als gevolg van eventuele schadelijke effecten van de teelt van GGO-gewassen te monitoren;

• VROM zet zich in voor een betere discussie in de EU over maatschappelijk ethische aspecten die verbonden zijn aan GGO’s. Dit kan volgens Nederland het beste met behulp van een rapport door het Joint Research Centre van de Europese Commissie en de Europese Raad voor Ethiek over de ontwikkelingen in de biotechnologie en de gevolgen daarvan waaronder maatschappelijk ethische aspecten, die vervolgens kan worden besproken in de Milieuraad.

Indicatoren:

Zoals vermeld bij de beleidsprestaties voor 2009 wordt onderzocht of – en zo ja welke – effectindicatoren gebruikt kunnen worden om de veranderingen in het milieu als gevolg van eventuele schadelijke effecten van de teelt van GGO-gewassen te monitoren. Andere indicatoren zijn:

• Vergunningen in het kader van het Besluit GGO worden verleend binnen de termijnen die de Algemene wet bestuursrecht stelt;

• De situatie voor mens en milieu als gevolg van de doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu, wordt niet slechter in vergelijking met de gangbare landbouw of de reguliere geneeskunde;

• De situatie voor mens en milieu als gevolg van werkzaamheden met GGO’s in laboratoria wordt niet slechter in vergelijking met werkzaamheden met wildtype organismen in laboratoria.

Tabel 6.4. Afhandelen van vergunningen en marktaanvragen door het Bureau GGO-Kennisgevingen en vergunningen GGO’s
Omschrijving:Realisatie 2004Realisatie 2005Realisatie 2006Realisatie 2007Prognose 2008Prognose 2009
Kennisgevingen ingeperkt gebruik761 (29)710 (44)765 (60)800820840
Vergunningen introductie in het milieu*18 (5)11 (3)16 (0)51010
Vergunningen marktintroductie in Nederland*002222
Vergunningen marktintroductie in rest EU*###201525
Afhandelen bezwaarprocedures*0007> 31 – 3
Afhandelen beroepsprocedures*1235> 35

Bron: Bureau GGO van RIVM

* procedures nemen meerdere jaren in beslag. Realisatie: aantallen zijn inclusief afgebroken/ingetrokken dossiers. Aantal beschikkingen die buiten de termijn zijn afgehandeld, staat tussen ( ) vermeld.

# 2001/18/EC dossiers: geen betrouwbare gegevens van te geven door van kracht worden van Verordening EG/1829/2003. Hierdoor is een aantal dossiers overgeheveld. Sommige dossiers lopen onder zowel Richtlijn 2001/18/EC als Verordening EG/1829/2003.

6.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 6.5. Overzicht onderzoeken naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingVeilig gebruik van chemische stoffenOD 6.2.1.A. 2012B. 2012
 Reductie van milieubelasting door afvalstoffen (NB: afhankelijk van LAP2)OD 6.2.2.A. 2009B. 2009
 Bescherming tegen stralingOD 6.2.3.A. 2011B. 2011
 Verantwoorde toepassing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)OD 6.2.4.A. 2012B. 2012
    
Effecten onderzoek ex postNiet van toepassing  
    
Overig evaluatieonderzoek2e Vijfjaarlijkse evaluatie resultaten beleid prioritaire stoffenOD 6.2.1.A. 2011B. 2011
 1e Tussentijdse evaluatie doelstellingen vernieuwing stoffenbeleid (REACH/SOMS)OD 6.2.1.A. 2011B. 2012
 2e Tussentijdse evaluatie doelstellingen vernieuwing stoffenbeleid (REACH/SOMS)OD 6.2.1.A. 2013B. 2014
 Tussentijdse evaluatie Omgaan met risico’s van nanotechnologieOD 6.2.1.A. 2015B. 2015
 Tussentijdse evaluatie Nationale Aanpak Milieu & GezondheidOD 6.2.1.A. 2010B. 2010
 Vierjaarlijkse evaluatie Nationale Aanpak Milieu & GezondheidOD 6.2.1.A. 2013B. 2013
 Jaarlijkse monitoring LAPOD 6.2.2.A. 2009B. 2009
 Straling in de woningen (standstill woning)OD 6.2.3.A. 2004B. 2015
 Vierjaarlijkse wettelijke evaluatie Commissie Genetische ModificatieOD 6.2.4.A. 2011B. 2011

Artikel 7. (Inter)nationaal milieubeleid

7.1. Algemene beleidsdoelstelling

7.1.1. Versterken van het (inter)nationale milieubeleid

Motivering

Vergroten van de herkenbaarheid, de effectiviteit en de efficiency van en het draagvlak voor het nationale en internationale milieubeleid, opdat de diverse maatschappelijke actoren zich (meer) inzetten voor het bereiken van de gewenste milieudoelen. In aanvulling op de doelen van de artikelen 3 t/m 6 richt dit algemene milieudoel zich op de kaderstellende en aanvullende coördinatie van de beleidsontwikkeling en het ontwikkelen en toepassen van milieubreed instrumentarium.

Verantwoordelijkheid

De minister van VROM is verantwoordelijk voor:

• Milieu, duurzaamheid en coördinatie van het beleid gericht op het bevorderen en bewaken van duurzaamheid in de fysieke leefomgeving;

• De internationale aspecten van het milieubeleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.De coördinatie van het internationaal milieubeleid ten behoeve van het politieke optreden en vertegenwoordiging van de minister van VROM in de desbetreffende internationale gremia ligt bij de minister van Buitenlandse Zaken.

Externe factoren

Het behalen van deze milieudoelstellingen hangt af van voldoende maatschappelijk draagvlak in binnen- en buitenland voor de noodzakelijke milieumaatregelen en de daarmee samenhangende gedragswijziging van burgers en bedrijven.

Meetbare gegevens

Waar mogelijk en zinvol zijn deze opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 7.1 budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 7. (Inter)nationaal milieubeleid
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:87 75256 68978 04474 28972 70874 71169 841
Uitgaven:103 171114 39282 13173 84473 41974 71169 841
Waarvan juridisch verplicht  60 08855 54641 62936 67734 132
Programma:103 171114 39282 13173 84473 41974 71169 841
 Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium:91 74799 56466 09060 00958 86659 32054 450
  Adequaat generiek milieu-instrumentarium081 81545 12838 15434 97640 48436 219
  Adequaat generiek via ruimtelijke maatregelen011 52114 24013 36013 20511 87511 870
  Adequaat generiek instrumentarium91 7476 2286 7228 49510 6856 9616 361
        
 Internationaalmilieubeleid:5 2015 8544 2854 8265 2256 2636 263
  Internationaalmilieubeleid (HGIS-deel)3 8023 6962 7473 8464 2455 0745 074
  Internationaalmilieubeleid (niet HGIS-deel)1 3992 1581 5389809801 1891 189
        
 Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB:6 2238 97411 7569 0099 3289 1289 128
Ontvangsten:6 3417 6526 9004 9004 9004 2700

Budgettair belang buiten de VROM-begroting

Tabel 7.2. Fiscale maatregelen die bijdragen aan dit artikel
x € 1 mln2007200820092010201120122013
VAMIL50383838383838
MIA94868993111111111
Vrijstelling groen beleggen586573818989108
Heffingskorting groen beleggen738393103113125138

Grafiek 7.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-20.gif

Operationeel doel:1. Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium2. Internationaal milieubeleid3. Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB

Toelichting per operationeel doel:

1. Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium:

De juridisch gebonden uitgaven liggen veelal in de uitvoerende sfeer (SenterNovem en het RIVM) ten behoeve van het milieubeleid. De bestuurlijk gebonden kosten worden bepaald door ondermeer de inspanningen met betrekking tot het realiseren van de Omgevingsvergunning, de inspanningen op het terrein van de uitvoering van de Toekomstagenda Milieu en de voortzetting van de subsidies op het terrein van milieutechnologie.

2. Een ambitieus internationaal milieubeleid:

De juridische gebonden uitgaven bestaan uit de bijdragen van VROM in het Nederlandse aandeel aan contributies internationale organisaties, waaronder de UNEP en VN-Habitat contributie en in de uitvoerende sfeer (SENTER/NOVEM – SMOM) voor het internationaal milieubeleid. De bestuurlijke gebonden uitgaven worden vooral bepaald door de incidentele contributies aan internationale organisaties.

3. Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB:

De juridisch verplichte budgetten worden voornamelijk bepaald door verplichtingen in de uitvoeringssfeer (SenterNovem, Facilitaire Organisatie Industrie, Stichting Milieukeur etc.). De bestuurlijk gebonden bedragen betreffen vooral de inspanningen met betrekking tot het realiseren van het beleid terzake van duurzaam inkopen.

7.2. Operationele doelstelling

7.2.1. Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium

Motivering

De milieuproblematiek en het milieubeleid zijn niet statisch. Voortdurend dient er aandacht te zijn voor vernieuwing en verbetering van het instrumentarium. Ook moeten (toekomstige) milieuknelpunten tijdig worden geïdentificeerd. Hiervoor worden verkenningen uitgevoerd en algemene strategieën voor milieubeleid ontwikkeld. Ter onderbouwing of bijstelling van het milieubeleid wordt kennis ontwikkeld.

Instrumenten

Kennisoverdracht en kennisontwikkeling

Het RIVM speelt als kennisinstituut een belangrijke rol in de dynamiek van de milieuproblematiek en daaruit voortvloeiend van het milieubeleid. Hiertoe voert het RIVM beleidsvoorbereidend en -onderbouwend onderzoek uit. Daarnaast ondersteunt het RIVM het milieubeleid bij een groot aantal (vaak wettelijk vastgelegde) reguliere taken, zoals monitoring- en rapportageverplichtingen en stoffenbeoordelingen. Naast het RIVM wordt ten behoeve van het milieubeleid ook onderzoek uitgevoerd door instellingen zoals PBL, TNO en ECN.

Subsidies

Maatschappelijke organisaties worden zo veel mogelijk betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het milieubeleid, onder andere via de Subsidieregeling voor Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM).

Regelgeving

In 2007 is het programma «Slimmere regels, betere uitvoering en minder lasten» gestart. Dit programma is een prioriteit in het kabinetsprogramma 2007–2011 en is nader toegelicht in de beleidsagenda.

Ontwikkelen van duurzaamheidscriteria en fiscale stimulering

Door een schone wijze van produceren en consumeren kan veel milieuwinst geboekt worden. Het creëren van markten voor duurzame producten is dan ook een belangrijk aangrijpingspunt voor een effectief milieubeleid. De onderdelen Duurzaam Inkopen en fiscale vergroening zijn prioriteiten uit het Beleidsprogramma 2007–2011 en worden in de beleidsagenda van de VROM-begroting 2009 nader toegelicht.

Daarnaast worden subsidies verstrekt die gericht zijn op het ontwikkelen en toepassen van milieugerichte technologie. Bovendien wordt met private partijen gewerkt aan een gezamenlijke kennisbasis over toekomstig milieubeleid en de innovatie-opgave die daaruit voortkomt. Hierbij wordt nadrukkelijk de link gezocht met de innovatie-opgave die dit Kabinet voorstaat om de concurrentiepositie van Nederland te versterken.

Voorlichting en betrekken van burgers en maatschappelijke organisaties bij milieubeleid

Het programma «Beleid met Burgers» is het voertuig van het VROM-breed implementeren van burgergeoriënteerd werken. Dit is van toepassing op alle VROM-terreinen en beperkt zich niet tot het milieubeleid.

Andere instrumenten die betrekking hebben op de maatschappelijke relaties in het milieubeleid zijn de Natuur en Milieu Educatie (NME, samen met LNV, VenW en OCW) en het interbestuurlijke en interdepartementale programma «Leren voor Duurzame Ontwikkeling».

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009:

Kennisoverdracht en kennisontwikkeling

Voor 2009 heeft VROM voor het milieuonderzoek van het RIVM een budget gereserveerd van € 20,2 mln. Voor elke activiteit of onderzoek wordt vooraf een schriftelijke afspraak vastgelegd over het beschikbare bedrag en de te leveren producten. Iedere vier maanden legt het RIVM verantwoording af over de voortgang en de uitputting van het budget.

Regelgeving

Onderhoud en implementatie (inter)nationale regelgeving:

• Implementatie gewijzigde IPPC-richtlijn. Een politiek akkoord is gepland voor de 1e helft 2009. Start van de eigenlijke implementatie is vanaf de vaststelling van de nieuwe richtlijn, eind 2009/begin 2010;

• Implementatie protocol bij Antarcticaverdrag. In het tweede kwartaal van 2008 is gestart met de implementatie van het protocol. In 2008 en 2009 zal worden gewerkt aan een wetswijziging;

• Voor de beoogde resultaten 2009 van het prioritaire programma «Slimmere regels, Betere uitvoering, Minder lasten» wordt verwezen naar de beleidsagenda;

• Afronding stelselherziening milieubeoordeling. Dit betreft de aanpassing van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, waarbij een betere aansluiting op de richtlijn 85/337/EEG wordt bereikt.

Ontwikkelen van duurzaamheidscriteria en fiscale stimulering

• Vergroening van het belastingstelsel. Zoals al in de beleidsagenda toegelicht wordt in samenwerking met het ministerie van Financiën in het Belastingplan 2009 een nieuw pakket vergroeningsmaatregelen ingevoerd, dat 1 januari 2009 in werking zal treden. Zo wordt de fiscale bijtelling voor auto’s van de zaak gedifferentieerd naar milieukenmerken en wordt de bestaande BPM-differentiatie versterkt. In 2009 onderzoekt het Kabinet nut en noodzaak van verdere vergroening en verdere verfijning van de bestaande vergroeningsmaatregelen. In 2009 onderzoekt het Kabinet nut en noodzaak van verdere vergroening en verdere verfijning van de bestaande vergroeningsmaatregelen;

• Innovatief duurzaam inkopen. De beoogde resultaten 2009 bij deze prioriteit uit het Beleidsprogramma 2007–2011 worden toegelicht in de beleidsagenda;

• Ter bevordering van de ontwikkeling en de toepassing van milieugerichte technologie worden de Regelingen ProMT, VAMIL/MIA en Groen Beleggen uitgevoerd. In 2009 zal de herziene Regeling Groen Beleggen worden gepubliceerd en zal de Regeling ProMT worden geëvalueerd;

• In samenwerking met het bedrijfsleven worden duurzame milieu-innovatie-programma’s ontwikkeld (Milieu als Kans): Door middel van een door Syntens uit te voeren pilotproject in twee nog nader te bepalen branches wordt de aandacht voor duurzaamheid en innovatie in het MKB versterkt. Er zijn verkennende contacten met de brancheorganisaties in de metaal- en elektrotechnische industrie en in de rubber- en kunststofindustrie. In 2009 zal bij circa 150 innovatieve koplopers in het MKB duurzaamheid zijn geïntegreerd in hun innovatie-activiteiten;

• Naast het zoveel mogelijk zoeken van aansluiting bij de EZ innovatie-programma’s en het maatschappelijk innovatieprogramma Energie, worden door interdepartementale samenwerking en samen met externe betrokkenen duurzame-innovatieprogramma’s ontwikkeld. Basis hiervoor zijn de rijksbrede maatschappelijke innovatie-agenda’s die in 2008 zijn opgesteld;

• De internationale samenwerking voor milieu-innovatie wordt gericht op integratie van de ontwikkelketen onderzoek, technologische ontwikkeling, pilot, demonstratie, markttoegang en verbreding, door internationale programma’s en partner-ships tussen bedrijven, kennisinstellingen, overheden en andere stakeholders.

Voorlichting en betrekken van burgers en maatschappelijke organisaties bij milieubeleid

Stimuleren van activiteiten die uitdagen tot nadenken over milieuvraagstukken:

• In het eerste uitvoeringsjaar van de nota Natuur- en Milieu-Educatie formuleren van een gezamenlijke agenda, verbeteren van de bestuurlijke samenwerking en opzetten van een kennisbank en -uitwisseling;

• Uitvoeren van het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling met bijzondere aandacht voor alternatieve handelingsperspectieven voor burgers en voor duurzame ontwikkeling als uitgangspunt voor besluitvormingsprocessen bij overheden;

• Uitvoeren van de nieuwe communicatiestrategie voor milieubeleid. Doelstelling van het programma «Beleid Beter Uitleggen» is om de afstand tussen burgers en het milieubeleid te verkleinen, door burgers beter te informeren over de achtergronden van het milieubeleid, gemaakte beleidskeuzen en beleidsresultaten.

Inbedden van (burger)participatie en dialoog in beleidsprocessen:

• Het opzetten van een systeem voor het signaleren en monitoren van standpunten en initiatieven van burgers, maatschappelijke organisaties en stakeholders, gekoppeld aan de prioriteiten en belangrijke beleidsdossiers;

• Bij prioritaire projecten uitvoeren van participatietrajecten als onderdeel van de beleidsvoorbereiding;

• Experimenteren met instrumentarium gericht op een zinvolle en effectieve dialoog met de samenleving, zoals e-participatie, online adviesplatforms met NGO’s, en (nieuwe) netwerken rondom de prioriteiten;

• Organiseren van ronde tafels en thematreffers met stakeholders, maatschappelijke organisaties en beleid.

Stimuleren van projecten van maatschappelijke organisaties en initiatieven van burgers:

• In overleg en in samenwerking met ondersteuningsorganisaties, fondsen en andere overheden ondersteunen van maatschappelijke initiatieven, onder andere via IdeeVROM (in oprichting) en stichting Greenwish (programmafinanciering 2008–2010);

• Uitvoeren van de tenderronde 2009 van de Subsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM), inclusief module «Milieubeleid van deur tot dampkring» en «module Subsidie internationale milieusamenwerking».

Indicatoren:

In de «comply or explain»-passage in de leeswijzer bij deze begroting is uitgelegd waarom het voor dit operationele doel niet mogelijk is om zinvolle meetbare effectgegevens op te nemen.

7.2.2. Een ambitieus internationaal milieubeleid

Motivering

Belangrijke beleidsformuleringen vinden internationaal plaats, waarbij VROM de invloed met name in Brussel moet aanwenden. Ambitieus internationaal milieubeleid vergt hecht samenspel van strategische, procesmatige en inhoudelijke aspecten. Vanuit die optiek moeten de prestaties en instrumenten bij dit operationele doel en die bij de overige milieudoelen in hun samenhang bezien worden. De complexiteit aan (belangen bij) internationale besluitvorming vraagt om goede kennis van het krachtenveld, het definiëren van robuuste doelstellingen, pro-actief inspelen op kansen en bedreigingen, en de inzet van kennis en diplomatie. Timing van initiatieven en het juiste niveau voor interventies is essentieel voor een effectieve belangenbehartiging. Effectief staat hier voor implementeerbaar, de burger aansprekend en uitvoering gevend aan de doelstellingen. Uitvoering van dergelijk ambitieus internationaal milieubeleid vereist een strakke regierol.

De internationale milieubeleidsagenda van het Kabinet heeft drie centrale thema’s, waarbij de laatste twee punten als dwarsdoorsnijdend en generiek kunnen worden gezien:

• Versterkte inzet op klimaat en energie (zie de prioriteit «Internationale klimaatagenda» in de beleidsagenda) en op biodiversiteit/natuurlijke hulpbronnen;

• Verbetering proces richting Europa;

• Verbetering internationale regelgeving en handhaving van regels.

Instrumenten

De aanpak bij het internationale milieubeleid is breed en kent als onderdelen:

Kennisoverdracht

• Het ontwikkelen van een visie en strategie ten aanzien van de internationale beleidsvorming op de VROM-beleidsterreinen;

• Het tijdig signaleren van nieuwe internationale ontwikkelingen die van invloed (kunnen) zijn op de VROM-beleidsterreinen;

• Het onderhouden van een netwerk met lidstaten, EU-instellingen en mondiale organisaties;

• Het met andere lidstaten nemen van besluiten in de EU-Milieuraad, Conferenties van Partijen bij de Internationale milieuverdragen (zoals Klimaat), de Beheersraad van UNEP en UN-Habitat;

• Het opstellen van internationale «horizontale» beleidsstukken zoals de Internationale Leefomgevingsagenda;

• Uitwisseling met denktanks en NGO’s.

Subsidies

De inzet van onderstaande financiële instrumenten is op hoofdlijnen onderwerp van de jaarlijkse interdepartementale programmering in HGIS-kader, de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

• Bijdragen aan internationale organisaties, waaronder het Nederlandse aandeel in de UNEP-contributie;

• Subsidies in het kader van de SMOM-regeling;

• Incidentele subsidies aan (inter)nationale organisaties.

Buiten HGIS wordt op bescheiden schaal financieel bijgedragen aan:

• Het Nederlandse aandeel van de VN-Habitat-contributie;

• De implementatie van de Habitat-agenda, voor samenwerking in projecten met buurlanden op het terrein van huisvesting/energiebesparing/klimaat-bescherming en met economisch achtergebleven landen in het kader van integratie;

• Projecten gericht op internationale kennisoverdracht en -uitwisseling.

Meetbare gegevens

In de «comply or explain»-passage in de leeswijzer bij deze begroting is uitgelegd waarom bij dit operationele doel geen meetbare effect- of prestatie-indicatoren kunnen worden opgenomen. Dit operationele doel is ondersteunend aan in andere operationele doelen geformuleerde prestaties. De beoogde beleidseffecten zijn bovendien niet alleen afhankelijk van de Nederlandse inzet, maar ook van de inbreng van partners en andere partijen. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gaat om internationale onderhandelingen. De internationale taken van VROM zijn bij verschillende dienstonderdelen belegd en worden op diverse begrotingsartikelen gepresenteerd; de voornaamste internationale beleidsprestaties 2009 worden daar aangegeven en verantwoord. Een integrale beleidsdoorlichting is bij dit operationele doel daarom ook niet zinvol uit te voeren.

Voor de drie bovengenoemde centrale thema’s van de internationale milieubeleidsagenda zullen in 2009 de belangrijkste prestaties zijn:

Versterkte inzet op biodiversiteit/natuurlijke hulpbronnen

• Nederland zal op basis van de eerdere EU-successen officiële voorstellen in mondiale organisaties (FAO, WTO, VN) doen op het gebied van:

1. Duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen;

2. Betaling voor ecosysteemdiensten, inclusief bossen.

• Binnen de EU wil Nederland een aantal cruciale elementen van het Commissiepakket Duurzame Productie en Consumptie geaccepteerd krijgen, zoals:

1. De uitbreiding en verdieping van de Ecodesign richtlijn, en

2. De invoering van een Top Runners regeling;

• Liefst in december 2008 doch uiterlijk in het voorjaar van 2009 moet het EU wetgevingspakket op het terrein van energie tussen Raad en Parlement worden aangenomen. Het betreft onder meer de inspanningsverdeling tussen EU-lidstaten, herziening van het emissiehandelssysteem, doelstelling voor hernieuwbare energie, energie-efficiency bij gebruik van biomassa voor biobrandstoffen en de ondergrondse opslag van kooldioxide;

• De inzet voor de internationale klimaatagenda is nauw verweven met de inzet voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit. In 2009 wordt door VROM verder ingezet op de ontwikkeling van internationale economische instrumenten voor biodiversiteit. De inzet is enerzijds gericht op het stimuleren van (internationale) betalingen voor ecosysteemdiensten. Anderzijds is die gericht op de compensatie van het gebruik van biodiversiteit op basis van het landgebruik voor de productie van natuurlijke hulpbronnen als soja, palmolie, hout en katoen. In het kader van het «Beleidsprogramma Biodiversiteit werkt: voor natuur, voor mensen, voor altijd» is dit een bijdrage aan de verduurzaming van de genoemde handelsketens;

• Er moeten nieuwe instrumenten worden aangenomen voor het verduurzamen van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Belangrijke instrumenten zijn regelgeving, fiscale labeling, monitoring om ongewenste indirecte effecten aan te pakken en certificering. VROM werkt hieraan zowel via het Europese Actieplan voor duurzame productie en consumptie als via het mondiale spoor, met name de initiatieven van UNEP (bijvoorbeeld het internationale panel voor natuurlijke hulpbronnen). Speciale nadruk krijgt de verduurzaming van het gebruik van biomassa voor energiedoeleinden. In Europa gaat het om implementatie van duurzaamheidscriteria (de zogenaamde «Cramer-criteria») in het kader van het eerder genoemde energiepakket. Gebruik van deze criteria zal ook in mondiaal kader geborgd moeten worden. Daartoe vinden besprekingen plaats in internationale gremia, zoals de Conventie voor Biodiversiteit, de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling en het Global Bio energy Partnership. De in 2008 gestarte samenwerking met Brazilië, Maleisië, Indonesië en Mozambique zal in 2009 leiden tot concrete activiteiten in deze landen.

Verbetering proces richting Europa:

In 2008 heeft VROM een verbetertraject ingezet voor de werkzaamheden van de dossierteams die de inbreng van VROM in de Brusselse arena voorbereiden. Doel van dit traject was het ontwikkelen van een werkwijze die dossierteams stimuleert effectiever en efficiënter hun werkzaamheden uit te voeren. Belangrijke meerwaarde van deze dossierteams is dat, waar van toepassing, andere departementen en andere bestuurslagen actief participeren. Zodoende is gewaarborgd dat de beoordeling van Europese initiatieven en het formuleren van het Nederlandse standpunt op basis van die beoordeling vanuit diverse invalshoeken geschiedt. Op basis van de pilots in 2008 wordt dit project in 2009 volledig geïmplementeerd, wat tot de volgende resultaten zal leiden:

• Voor alle nieuwe initiatieven in de EU wordt een quick scan uitgevoerd, die inzicht biedt in de terreinen waarop een voorstel voor Nederland effect kan hebben;

• Als uit de quick scan blijkt dat een voorstel belangrijke effecten zal hebben, zal een krachtenveldanalyse en/of een nationale impact assessment worden uitgevoerd, inclusief ruimtelijke, juridische en uitvoeringseffecten;

• Een afname van 10 tot 20% vergadertijd in Den Haag over de Europese inzet.

Verbetering naleving en handhaving van internationale regels:

• VROM blijft ernaar streven om Nederlanders verkozen te krijgen in nalevingscomités van milieuverdragen. Deze comités buigen zich over nalevingsproblemen van verdragspartijen en stellen maatregelen voor aan de bijeenkomst van partijen. In 2008 is dat al gelukt voor het Cartagenaprotocol over bioveiligheid en het Verdrag van Aarhus. Deze Nederlanders dienen vanaf 1 januari 2009 minimaal de komende vier respectievelijk zes jaar in deze comités. Zij zullen zich (binnen de geldende regels) inzetten om nalevingsproblemen op een transparante manier aan de orde te stellen en op een effectieve manier op te lossen;

• VROM zet zich in om bij milieuverdragen die nog geen nalevingsregime hebben een daadwerkelijk effectief regime tot stand te brengen. Een van die verdragen is het Verdrag van Stockholm over persistente organische vervuilende stoffen. De bijeenkomst van partijen bij dat verdrag wordt begin mei 2009 gehouden en de inzet van VROM is er op gericht de onderhandelingen dan te kunnen afronden.

• VROM zal, zelfstandig en via de EU, ook in 2009 actief bijdragen aan het transparant en effectief functioneren van de verschillende nalevingscomités die onder milieuverdragen zijn ingesteld. Deze comités buigen zich over nalevingsproblemen van verdragspartijen en stellen maatregelen voor aan de bijeenkomst van partijen om die problemen op te lossen. Het streven is gericht op benoeming van Nederlanders in deze comités, zoals in 2008 gelukt is voor het Cartagenaprotocol over bioveiligheid en het VN-ECE-Verdrag van Aarhus. In 2009 is de mogelijkheid daartoe echter beperkt tot bovengenoemd Verdrag van Stockholm, indien het nalevingsregime inderdaad tot stand komt.

Voor de internationale doelen en prestaties bij de handhaving van de milieuwetgeving wordt verwezen naar artikel 9.

7.2.3. Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB

Motivering

Om te zorgen voor een blijvende ontkoppeling van economische groei enerzijds en milieubelasting door de industrie anderzijds. Daartoe moet de industrie als geheel voldoen aan de NEC-doelstellingen 2010 wat betreft de uitstoot van verzurende stoffen (NOx, SO2, VOS en NH3) naar de lucht en moet zij bijdragen aan het verminderen van de uitstoot van fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), zie ook bij 3.2.4. Daarnaast moeten specifieke industrietakken voldoen aan de voor 2010 afgesproken integrale milieutaakstellingen (IMT 2010), waarbij tevens milieuwinst in de productie- en consumptieketens wordt gerealiseerd. Het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid bij bedrijven om bovenwettelijke maatregelen te nemen (maatschappelijk verantwoord ondernemen; MVO) wordt gecoördineerd door MVO-Nederland.

Instrumenten

• Voorlichting en kennisoverdracht. Het opstellen van een Handreiking Bedrijfsmilieuplan, werk- en handboeken per betrokken bedrijfstak, en het overdragen van kennis door middel van de tijdelijke Facilitaire Organisatie Industrie (FOI);

• Bestuurlijk overleg. Per bedrijfstak is er overleg tussen de betrokken overheden en de bedrijven over de voortgang van de uitvoering;

• Convenanten. Per betrokken bedrijfstak is er een convenant afgesloten, hierin staat de Integrale Milieutaakstelling (IMT);

• Subsidies. Jaarlijks wordt een bijdrage aan de VNG toegekend voor de uitvoering van het doelgroepenbeleid Milieu en Industrie (DMI);

• Normering. Voor energiebesparende maatregelen zijn in het kader van de zogenaamde meerjarenafspraken (MJA) afspraken gemaakt. Voor MKB-bedrijven die niet onder de MJA vallen is een traject gestart om in het duurzaamheidsakkoord vastgelegde doelstellingen te bereiken. Over dit traject vindt overleg plaats met MKB en het energiecentrum MKB.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties 2009

• Toezending samenvattende jaarrapportage 2007 Doelgroepbeleid Milieu & Industrie aan de Tweede Kamer. Deze jaarrapportage geeft per thema een overzicht van de voortgang van de uitvoering van de IMT’s. De Tweede Kamer heeft de samenvattende jaarrapportage 2006 op 9 mei 2008 ontvangen (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XI, nr. 111);

• Uitbrengen van het Actieplan Fijn stof en Industrie, als onderdeel van het NSL;

• Actualisatie Besluit emissie-eisen stookinstallaties B (BEES B). Dit is een 8.40 AMvB, waarin de geldende emissie-eisen (voor stookinstallaties) voor NOx, SO2 en stof uit rookgas zijn opgenomen;

• Voorstel voor voortzetting van het Doelgroepbeleid Milieu & Industrie na 2010 voorleggen aan de Tweede Kamer.

Indicatoren:

Voor een aantal relevante bedrijfstakken zijn integrale milieutaakstellingen (IMT) voor 2010 vastgelegd. Een IMT betreft een nationale, vrijwillige afspraak met een industriële bedrijfstak over het halen van milieuresultaten voor een breed aantal milieu-thema’s. Voor NOx, SO2, VOS en NH3 zijn in de Europese NEC-richtlijn vanaf 2010 per lidstaat jaarlijkse emissieplafonds vastgesteld (zie tabel 3.4 en 3.5).

Als streefwaarde is voor de meeste stoffen in de IMT vastgelegd dat de emissie in 2010 met 80 tot 90% moet zijn gereduceerd ten opzichte van 1990. Er zijn geen tussendoelen geformuleerd. De afgesproken resultaten zijn gebaseerd op:

• De jaarlijkse emissieontwikkeling voor een groot aantal stoffen die in de IMT zijn opgenomen (bedrijven rapporteren, gesommeerd geeft dit een landelijk beeld) met bijzondere aandacht voor de NEC-stoffen;

• De mate waarin bedrijven procesafspraken nakomen (opstellen bedrijfsmilieuplannen, jaarlijks rapporteren over voortgang).

In de bovengenoemde jaarrapportage Doelgroepbeleid Milieu en Industrie wordt per thema een overzicht gegeven van de voortgang van de realisatie van de IMT’s.

7.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 7.3. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA StartB Afgerond
BeleidsdoorlichtingStrategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium.OD 7.2.1.nvt (OD gesplitst miv. begr. 2010)
 Een ambitieus internationaal milieubeleidOD 7.2.2.n.v.t.
 Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKBOD 7.2.3.A. 2010B. 2010
    
Effectenonderzoek ex postTweejaarlijkse monitoring (2007–2008) voortgang duurzaam inkopen.OD 7.2.3.A. 2008B. 2009
    
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie organisatorische inbedding duurzaam- heidscriteria voor duurzaaminkopenOD 7.2.3.A. 2008B. 2009
 Programma Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten: fundamentele doorlichting van de regelgeving van tenminste twee regelgevingsdomeinen (de domeinen voor 2009 worden rond september 2008 vastgesteld). In 2008 worden doorgelicht: Besluit Financiële zekerheid en Warmte-Koude Opslag in de bodem.OD 7.2.1.A. 2008B. 2009
 Structurele Evaluatie Milieuwetgeving (STEM). Het jaarprogramma hiervoor wordt jaarlijks vastgesteld.OD 7.2.1.doorlopend

Artikel 8. Externe veiligheid

8.1. Algemene beleidsdoelstelling

8.1.1. Vergroten van de externe veiligheid

Motivering

Om een samenleving te bereiken waarin risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen, door het gebruik van luchthavens en door overstromingen bekend zijn, zoveel mogelijk beperkt zijn en maatschappelijk en bestuurlijk geaccepteerd zijn, en waarbij een bepaald basisveiligheidsniveau niet overschreden wordt. Het beleid is er op gericht, dat alle burgers in Nederland per 2010 in hun woonomgeving over een minimum beschermingsniveau (het plaatsgebonden risico) kunnen beschikken tegen externe veiligheidsrisico’s.

Bij het borgen van veiligheid tegen overstromingen gaat het om het borgen van de veiligheid van de kust en het IJsselmeergebied met behoud van (inter)nationale ruimtelijke waarden, en het borgen van de veiligheid tegen overstromingen in de Zuidwestelijke Delta met behoud van de natuurlijke kwaliteit en de toegankelijkheid voor de scheepvaart.

Verantwoordelijkheid

De minister van VROM is verantwoordelijk voor:

• Het ontwikkelen van beleid met betrekking tot gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

• Het uitvoeren van het kabinetsstandpunt Ketenstudies;

• De coördinatie van het Rijksbeleid met betrekking tot externe veiligheid bij gevaarlijke stoffen;

• De vergunningverlening aan defensie-inrichtingen;

• Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

• De ruimtelijke aspecten van de uitvoering van Rijksbeleid met betrekking tot rivieren, grote wateren en kust;

• Klimaatadaptatie: de inrichting van de Nederlandse ruimte dient zodanig aangepast te worden dat de effecten van klimaatverandering «aanvaardbaar» zijn (klimaatbestendig maken van de ruimtelijke inrichting van Nederland).

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van helderheid over verantwoordelijkheden bij andere overheden en of deze in staat zijn hun wettelijke taken uit te voeren. VROM ondersteunt provincies en gemeenten door financiering.

Meetbare gegevens

Meetbare effectgegevens zijn opgenomen bij de operationele doelen.

Tabel 8.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 8. Externe veiligheid
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:24 43023 61326 86632 56567 06177 19164 544
Uitgaven:44 67946 71646 53251 54572 04182 19169 544
Waarvan juridisch verplicht  34 45033 93020 00020 00020 000
Programma:44 67946 71646 53251 54572 04182 19169 544
 Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties:6711 7341 5711 1031 0171 0201 020
        
 Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties:22 6796 9897 02912 09925 18137 68137 681
        
 Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties:20 48222 68024 44023 99030 49030 49030 490
        
 Milieu en veiligheidsaspecten in ruimtelijke planvorming betrekken:84715 31313 49214 35315 35313 000353
  FESKennis voor Klimaat010 00010 00010 00010 00010 0000
  FESKlimaatbuffers003 0004 0005 0003 0000
  Overige instrumenten en milieu en veiligheid6695 3134923533530353
  Onderzoek externe veiligheid178000000
  Schadeclaims0000000
Ontvangsten:613 00013 00014 00015 00013 0000

Grafiek 8.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel voor 2009

kst-31700-XI-2-21.gif

Operationeel doel:1. Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties2. Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties3. Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties4. Milieu en veiligheidsaspecten in ruimtelijke planvorming betrekken

Toelichting per operationeel doel:

1. Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties:

Het bestuurlijk gebonden bedrag is nodig om risico’s inzichtelijk te maken van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en van luchthavens en duidelijk te krijgen of zij maatschappelijk en bestuurlijk aanvaardbare zijn of niet. Dit betreft primair het registreren van risicogegevens.

2. Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties:

Het bestuurlijk gebonden bedrag is bestemd voor verschillende saneringen. Voorbeelden hiervan zijn de sanering van NH3-koelinstallaties, BRZO- en CPR15-bedrijven. Verder is er in dit bedrag € 1 mln opgenomen voor de afwikkeling van de vuurwerksanering.

3. Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties:

Het juridisch verplichte deel betreft hoofdzakelijk € 20 mln gelden die het Rijk uitkeert door middel van programmafinanciering (subsidieregeling Programmafinanciering EV-beleid voor andere overheden). Het Rijk heeft dit bedrag beschikbaar gesteld, voor het Externe-Veiligheidsbeleid door andere overheden.

4. Milieu- en veiligheidsaspecten in ruimtelijke planvorming betrekken:

De juridische verplichtingen bestaan uit de FES-toezegging aan de stichting Kennis voor Klimaat (€ 10 mln) voor het gelijknamige onderzoeksprogramma.

8.2. Operationele doelstellingen

8.2.1. Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties

Motivering

Het bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties biedt inzicht in de nog op te lossen knelpunten om de externe veiligheid te vergroten. In 2008 zijn zowel de risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en van ongevallen bij luchthavens inzichtelijk gemaakt, alsmede de mogelijkheden deze te verminderen. In 2009 wordt bepaald of de desbetreffende situaties maatschappelijk en bestuurlijk aanvaardbaar zijn of niet. Hiermee wordt de doelstelling gehaald.

Instrumenten

Kennisoverdracht en ontwikkeling: Het Register van risicogegevens.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties voor 2009:

• Vullen, actualiseren en beheren van het Register van risicogegevens;

• Bepalen van de aanvaardbaarheid van de risicosituaties op basis van de inventarisaties. De inventarisaties leiden tot nog te saneren locaties.

Tabel 8.2. Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde 2007Streefwaarde 2009
1. De mate van vulling van het Register van risicogegevensNulVoor het Register van risicogegevens wordt gestreefd naar een volledige vulling eind 2008. In 2009 is over categorale inrichtingen alle relevante risico-informatie inclusief knel- en aandachts-punten beschikbaar. (Streefwaarde = 100%)
   
2. Beschikbaarheid van onderzoeksgegevens inzake de categorale inrichtingen en buisleidingenMomenteel is er geen volledig overzicht van risicovolle situatiesIn 2009 is er een volledig inzicht in risico- en aandachtspunten met betrekking tot buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. (Streefwaarde = 100%)

Bron: zevende voortgangsrapportage inzake Externe Veiligheid, Kamerstukken II 27 801, nr. 53

Toelichting:

In 2008 worden het aantal te saneren locaties geregistreerd in het Register. Het effect van deze doelstelling – een volledig overzicht van het aantal te saneren locaties – wordt in 2009 gebruikt voor het behalen van doelstelling 8.2.2. Door de korte tijdspanne (2007: 0%, 2008: 100%) heeft het geen toegevoegde waarde hier een aparte effect-indicator op te nemen.

8.2.2. Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties

Motivering

Risicovolle niet-aanvaardbare situaties dienen in 2010 te worden opgelost om de externe veiliheid te vergroten. Voor buisleidingen geldt als einddatum 2012. In 2009 worden deze situaties bepaald (zie operationeel doel 8.2.1.).

Instrumenten

• Wet- en Regelgeving (voor vergunningverlening en ruimtelijke besluiten door bevoegd gezag): Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen, Regeling externe veiligheid buisleidingen, Vuurwerkbesluit en Besluit externe veiligheid transportroutes;

• Subsidies aan andere overheden voor saneringsprogramma’s voor categorale inrichtingen, ammoniak-koelinstallaties, PGS15-inrichtingen, Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO)-bedrijven en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties voor 2009:

• Uitvoeren van maatregelenpakketten uit het Kabinetsstandpunt Ketenstudies;

• Opstellen regelgeving 4e tranche REVI (vergunningverlening en ruimtelijke besluiten door bevoegd gezag);

• Begin 2009 wordt een wijzigingsvoorstel van het Vuurwerkbesluit voor inspraak gepubliceerd waarin alle verbeterpunten uit de evaluatie zijn verwerkt;

• Voorjaar 2009 zal een Structuurvisie Buisleidingen – op basis van artikel 2.3 lid 3 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) – aan de beide Kamers der Staten-Generaal worden aangeboden, waarmee het aflopende Structuurschema Buisleidingen wordt vervangen. Tevens zal medio 2009 een toezichtarrangement en toezichtseenheid ingericht zijn waarmee het op de buisleidingexpoitanten adequaat kan worden uitgevoerd;

• Inwerkingtreding van de AMvB buisleidingen;

• Vaststelling Programma Buisleidingen, om uiterlijk in 2012 aan de doelstelling van het beleid te voldoen;

• Inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes;

• Inwerkingtreding van de Regeling externe veiligheid transportroutes.

• In 2009 zal een nieuwe rekenmethodiek voor PGS 15-opslagvoorzieningen in de Handleiding Risicoberekeningen Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) worden aangewezen. In aansluiting daarop zullen de afstanden worden bijgesteld, die in acht genomen moeten worden bij inrichtingen waar verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een hoeveelheid groter dan 10 000 kg per opslagplaats, de zogenaamde PGS 15-inrichtingen. Tevens zullen in 2009 nog de mijnbouwinrichtingen onder de werking van het BEVI worden gebracht.

• Uiterlijk op 31 december 2009 zullen de ammoniaktransporten op de route van DSM Geleen naar DSM Agro in IJmuiden definitief worden beëindigd.

Indicatoren:

Tabel 8.3. Prestatie-indicatoren
IndicatorBasiswaardeStreefwaarde
Aantal (opgeloste) knelpunten m.b.t. externe veiligheid in 2009–2010.Het aantal knelpunten is eind 2008 vastgesteld. De sanering van LPG-stations is in 2008 voltooid.Voor gastransportleidingen is dit beeld in 2008 vastgesteld. Voor de overige trans- portleidingen voor gevaarlijke stoffen wordt dit beeld in 2009 vastgesteld.In 2008: alle knelpunten bepaald en planning 2010: alle niet-acceptabele knelpunten opgelost. Voor buisleidingen geldt als eindjaar 2012. Alle knelpunten opgelost die niet voldoen aan het basisveiligheidsniveau voor inrichtingen die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen of gaan vallen van > PR 10-6 en/of bestuurlijk niet acceptabel zijn. Nieuwe luchthavenbesluiten kennen een zelfde of betere bescherming dan het beschermingsniveau dat is vastgelegd met de gelijkwaardig- heidscriteria. Het geactualiseerde gelijk- waardigheidscriterium voor externe veiligheid is daarbij vastgesteld als: maximaal 3 000 woningen gelegen binnen de PR 10-6 contour (incl. meteotoeslag).

Bron: Zevende voortgangsrapportage inzake Externe Veiligheid, Kamerstukken II, 27 801, nr. 53

Toelichting:

Doordat de concrete aantallen pas eind 2008 bekend zijn, is het niet mogelijk om in tabel 8.3. een concrete basiswaarde te noemen. Echter, het aantal knelpunten (overschrijding van de wettelijke grenswaarde voor het plaatsgebonden risico PR10-6) is medio 2008 ongeveer 8 000, behoudens een bewust geaccepteerde restcategorie (de uitzonderingen). In 2010 dienen deze knelpunten te zijn weggenomen; nieuwe knelpunten mogen niet meer ontstaan. In 2010 dient het bevoegd gezag tevens de verplichte elementen uit de verantwoordingsplicht Groepsrisico in te vullen, zoals vermeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI).

8.2.3. Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties

Motivering

Om de externe veiligheid te vergroten is het van belang dat nieuw risicovolle situaties niet meer ontstaan. Echter, de kennis van en ervaring met het vernieuwde Externe Veiligheidsbeleid is nu nog onvoldoende doorgewerkt in de uitvoering. De professionaliteit en kwaliteit van de uitvoering en handhaving op het gebied van gevaarlijke stoffen en het risicobeleid bij andere overheden wordt daarom verbeterd. De mate waarin het doel bereikt wordt, is af te lezen uit de provinciale rapportages.

Instrumenten

• Subsidies (programmafinanciering) aan provincies, gemeenten en Rijkspartijen voor de opbouw van apparaat (eerstelijnstaken) in de periode tot 2010. Hiermee wordt de professionaliteit om Externe Veiligheidsbeleid uit te voeren en te handhaven en de kwaliteit van deze activiteiten verhoogd;

• Kennisontwikkeling en -verspreiding.

Meetbare gegevens

Beleidsprestaties voor 2009:

• Bepaling van de aanwezigheid van de kritische massa die nodig is voor de uitvoering van wettelijke Externe Veiligheidstaken per bevoegd gezag en afspraken maken hoe deze kritische massa te borgen;

• Het op orde brengen van de eerstelijns inspectietaken van het Rijk (Arbeidsinspectie, VI, RWS). Hiervoor is € 5 mln gereserveerd.

Indicatoren:

Tabel 8.4. Prestatie-indicatoren
IndicatorBasiswaardeStreefwaarde
De (structurele) capaciteit voor Externe Veiligheid bij gemeenten en provincies voor de uitvoering van wettelijke takenDe beschikbare capaciteit is ontoereikend voor het vervullen van de uitvoeringstaken. Voor sommige overheden is het niet moge- lijk om zelf voldoende expertise op te bouwen1. Door gerichte opleiding, training, uitwis- seling van ervaring en andere organisatie van de capaciteit en kwaliteit van de uitvoe- ring in de periode tot 2010 borgen dat de wettelijke taken vervuld worden.2. Planning: In 2008 is er een concreet beeld van de aanwezigheid van de kritische massa per bevoegd gezag (in aantal fte). In 2010 zijn de randvoorwaarden vervuld voor een adequate uitvoering en handhaving van het Externe Veiligheidsbeleid.

Bron: zevende voortgangsrapportage inzake Externe Veiligheid, Kamerstukken-II, 27 801. nr. 53

Tabel 8.5. Effectindicator
IndicatorBasiswaarde 2008Streefwaarde 2010
Aantal nieuwe risicovolle situaties sinds de introductie van dit beleid00

8.2.4. Milieu- en veiligheidsaspecten vroegtijdig, gebiedsgericht en geïntegreerd in de ruimtelijke planvorming betrekken.

Motivering

Het klimaat zal de komende eeuwen ingrijpend veranderen. Zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren en perioden met extreme neerslag of lange perioden van droogte zullen grote invloed hebben op het ruimtegebruik. Geleidelijke temperatuurstijging en toename van de kans op (korte) perioden met extreme temperaturen hebben grote invloed op de biodiversiteit en het leefklimaat in stedelijke gebieden. Naast dreigingen biedt de verandering van het klimaat ook kansen, zoals bijvoorbeeld voor landbouw en toerisme.

Aanpassing aan klimaatverandering vereist een andere ruimtelijke afweging waarbij duurzaamheid en onzekerheden een zwaardere betekenis krijgen. Een duurzame en toekomstbestendige inrichting van Nederland vereist een inzet van het beleid gericht op:

• Het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting; de kans op en de gevolgen van een eventuele grootschalige overstroming of langdurige perioden van droogte zoveel mogelijk beperken, in bijzonder voor vitale infrastructuur;

• Het beperken van nadelige effecten; de kans op hittestress en extreme wateroverlast zoveel mogelijk beperken; zorgdragen voor een klimaatbestendige groen-blauwe dooradering om een natuurlijke ventilatie te bevorderen, water – ook in de steden – vast te houden en een robuust netwerk van ecosystemen te ontwikkelen;

• Het benutten van kansen; economische activiteiten (landbouw, toerisme, et cetera) stimuleren en ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden bieden om actief in te kunnen laten spelen op kansen die de verandering van het klimaat biedt.

Instrumenten

Bestuurlijk

• Programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK)

VROM heeft samen met VenW, LNV, EZ, IPO, VNG en de Unie van Waterschappen in 2007 de Nationale Adaptatie Strategie vastgesteld. Eind 2008 zal de vaststelling van de Nationale Adaptatie Agenda plaatsvinden. In de komende jaren zullen deze partijen samen de impuls voor een klimaatbestendig Nederland voortzetten;

• Convenant met IPO/VNG

In 2007 en 2008 zijn klimaatconvenanten afgesloten tussen het Rijk en respectievelijk gemeenten en provincies. Deze convenanten lopen tot 31 december 2011. In deze convenanten zijn ook afspraken gemaakt over adaptatie aan klimaatverandering;

• Verstedelijkingsafspraken

Binnen de nieuwe Verstedelijkingsafspraken zal onder meer worden ingezet op afspraken over spelregels voor klimaatadaptatie.

Kaderstelling

• Afwegingskader Klimaatbestendige Inrichting

Eind 2008 is er een handreiking gepresenteerd waarmee een generiek referentiekader beschikbaar komt om klimaatadaptatie in ruimtelijke afwegingen te betrekken. Tevens zal er een nationale verkenning komen naar de kwetsbaarheden en kansen. De resultaten van deze verkenning zullen betrokken worden bij rijksafwegingen voor ruimtelijke plannen.

Financieel

• Subsidie voor Klimaatbuffers

In 2007 is € 5 mln beschikbaar gesteld (voor verwerving, inrichting en beheer) om natuurlijke klimaatbuffers te realiseren. Daarnaast heeft het Kabinet, conform ook de wens van de Tweede Kamer, gekozen voor continuering van het opdoen van praktijkervaring met natuurlijke klimaatbuffers door hiervoor in de periode 2009–2012 in totaal € 15 mln beschikbaar te stellen. Natuurlijke klimaatbuffers zijn natuurlijk ingerichte gebieden die bijdragen aan de klimaatbestendigheid van Nederland, zoals het vergroten van de veiligheid tegen overstromingen, het verminderen of voorkomen van wateroverlast, het tegengaan van verdroging, et cetera Klimaatbuffers zijn tevens aantrekkelijke gebieden met hoge natuurlijke en recreatieve waarden;

• Subsidie voor Onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat

€ 50 mln aan cofinanciering voor de periode 2008–2013. Het onderzoeksprogramma levert voor 8 nationale hot spots adaptatiestrategieën op. De in te richten Klimaat Kennis Faciliteit gaat brede ondersteuning bieden bij de beantwoording van de vragen die in de hot spots worden gesteld. De Kennistransfer zal de kennis voor een brede doelgroep ontsluiten en zal de kennis uit de hot spots thematisch vertalen om het nationale beleid beter te ondersteunen. In zes internationale hotspots zullen publieke en private partijen invulling geven aan kennisuitwisseling op het terrein van adaptatie. VROM coördineert de rijksaansturing van het programma;

• Nota Ruimte-budget

VROM zet het Nota Ruimte-budget (zie artikel 2) mede in voor klimaatopgaven.

Meetbare gegevens

Tabel 8.6. Effectindicatoren
EffectindicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Aantal (onbeschermde) vitale functies in kwetsbare gebiedenBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Afname (onbeschermde) vitale functies in kwets- bare gebieden2011Afname (onbeschermde) vitale functies in kwets- bare gebieden2015
Percentage gebouwen aangepast aan wateroverlast en hittestress in stedelijk gebiedBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Percentage neemt toe2011Percentage neemt toe2015
Percentage groen en water in stedelijk gebied met adaptatie-effectBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Percentage neemt toe2011Percentage neemt toe2015
Areaal klimaatbestendige ecosystemenBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Areaal klimaatbestendige eco- systemen neemt toe2011Areaal klimaatbestendige eco- systemen neemt toe2015
Imago Nederland expertland klimaatadaptatieBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Nederland in de top drie van expertlanden klimaatadaptatie2011Nederland in de top drie van expertlanden klimaatadaptie2015

Prestaties in 2009

(zie ook de prestaties zoals opgenomen in de beleidsagenda):

• Kabinetsvoorstel (met VenW) voor een overstromingsrisicozonering voor binnendijkse gebieden;

• Randvoorwaarden zijn opgesteld voor kwetsbare en vitale functies;

• Tussenrapportage voor de Tweede Kamer opgesteld over Experimenten Aangepast Bouwen (EMAB);

• Herziening in samenspraak met VenW, LNV en EZ en het Planbureau voor de Leefomgeving van de effect- en prestatie-indicatoren voor de begroting 2010.

Tabel 8.7. Prestatie-indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardePeildatumStreefw. 1PeriodeStreefw. 2Periode
Algemeen      
Verankering in ruimtelijke plannen van klimaatadaptatie  Alle ruimtelijke plannen2015  
Ruimtelijke ontwikkelingen in winterbed grote rivierenIndicator in ont- wikkeling, beschikbaar voor begroting 2010     
Ruimtelijke ontwikkelingen kustfundament: aantal wonin- gen buiten bebouwd gebied op kustfundamentBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld Neemt niet toe2011Neemt niet toe2015
Overheden hanteren randvoorwaarden bij ruimtelijke afwe- ging vitale functies: vitale functies in kwetsbare gebiedenN.v.t. Geen nieuwe vitale functies in kwets- bare gebieden2015Geen nieuwe vitale functies in kwets- bare gebieden2020
Aandeel oppervlaktewater in nieuwbouwwijkenAandeel oppervlaktewater in nieuwbouwwijken 5% in laag, respec- tievelijk 2% in hoog Nederland2003Aandeel oppervlaktewater in nieuwbouwwijken bedraagt meer dan 5% in laag Neder- land en meer dan 2% in hoog Neder- land2011Aandeel oppervlaktewater in nieuwbouwwijken bedraagt meer dan 5% in laag Neder- land en meer dan 2% in hoog Neder- land2020
Ruimte bieden voor uitvoering maatregelen vasthouden, bergen en afvoerenVerdeling van maatregelen in deelstroom-gebiedsvisies is: 13% vasthouden, 81% bergen, 6% afvoeren2003Aandeel «vasthouden» neemt toe; aandeel afvoeren neemt af2011Aandeel «vasthouden» neemt toe; aandeel afvoeren neemt af2020
Toepassing functie-combinatiesBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld In ontwikkeling, beschikbaar voor begroting 2010   
Inzet Nederlandse expertise (RO-water) in het buitenlandBasiswaarde wordt in 2009 vastgesteld In ontwikkeling beschikbaar voor begroting 2010   

8.3. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 8.8. Overzicht onderzoeken naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
BeleidsdoorlichtingBepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situatiesOD 8.2.1.A. 2010B. 2010
 Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situatiesOD 8.2.2.A. 2011B. 2011
 Preventie tegen nieuwe risicovolle situatiesOD 8.2.3.A. 2011B. 2011
 Milieu en veiligheidsaspecten in ruimtelijke planvorming betrekkenOD 8.2.4.A. 2012B. 2013
    
Overig evaluatie-onderzoek:   
– evaluatie doorwerking ruimtelijk beleidDoorwerking ruimtelijk beleidOD 8.2.4.A. 2008B. 2009
– evaluatie doelbereiking ruimtelijke kwaliteit ruimte en klimaatDoelbereiking ruimtelijke kwaliteit ruimte en klimaatOD 8.2.4.A. 2008B. 2009

Artikel 9. Handhaving en toezicht

9.1. Algemene beleidsdoelstelling

9.1.1. Informatiegestuurd toezicht en handhaving

Omschrijving

Wet- en regelgeving is een belangrijk instrument voor de realisatie van het beleid. Uitvoering en naleving van wetten en regels zijn pijlers van onze rechtsstaat. Burgers, bedrijven en instellingen zijn primair zelf verantwoordelijk voor de naleving van regelgeving. Toezicht en zonodig handhaving moeten er voor zorgen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen. Toezicht en handhaving zijn daarom essentiële onderdelen van de VROM-beleidscyclus. Bij het inspecteren wordt uitgegaan van toezicht op maat en er wordt primair van uitgegaan dat gecontroleerden willen voldoen aan de regels. Dat betekent loslaten waar het kan en alleen ingrijpen als het moet.

De VROM-Inspectie (VI) realiseert toezicht en handhaving binnen haar organisatie door programmasturing, prioritering van taken, informatiegestuurd toezicht en doordachte, passende interventies per doelgroep. Met andere woorden: bekendheid met het speelveld leidt tot passende en effectieve werkwijze en interventie om de beoogde doelen van het toezicht te behalen. Naast het uitvoeren van feitelijk toezicht en handhaving (bestuursrechtelijke en strafrechtelijke optreden) zullen beleidsadviezen, onderzoek, de oog en oor functies en feedbacksignalen van de Inspectie een bijdrage leveren aan de realisatie van de beleidsdoelen voor de Minister van VROM en de Minister voor WWI. De VI zorgt voor voldoende flexibiliteit om goed te kunnen inspelen op incidenten en nieuwe politieke en maatschappelijke prioriteiten.

De VI wordt omgevormd naar een baten-lastendienst, zodat de VI zakelijk, in opdracht van het beleid, haar taken uitvoert. Hiermee komt toezicht en handhaving in een logisch verlengde te liggen van het beleid.

Om de toezichtslast te beperken, baseert de VI het toezicht onder meer op datgene wat het bedrijfsleven en de brancheverenigingen zelf gebruiken om zich te verantwoorden, zoals de kwaliteitscertificering, veiligheidsbeheerssystemen, protocollen et cetera (de zogenaamde stelselverantwoordelijkheid).

Steeds meer komen regels uit Europa. Dat betekent dat Nederland dáár invloed uit moet zien te oefenen. Dat doet Nederland door mee te werken aan handhaafbare, uitvoerbare en fraudebestendige regelgeving en in te zetten op een Europese structuur van handhaving en toezicht. Het creëren van een «level playing field», waarin bedrijven en instellingen recht hebben op een gelijke behandeling in welke lidstaat ze ook werken, is van groot belang voor een goed functionerende handhaving.

Bijdrage

De VI levert op hoofdlijnen de volgende bijdrage aan het verbeteren van het toezichtsbestel:

• Inrichten van het toezicht volgens de uitgangspunten van het programma «Vernieuwing Toezicht». Eén-loket aanpak en vermindering toezichtlast;

• Toezicht op maat. Loslaten waar het kan; bestuurs- of strafrechtelijke ingrijpen als het moet;

• Prioriteren op basis van maatschappelijke en/of politieke wensen, de Nalevingsstrategie, signalen en incidenten. Een benadering op de grootste risico’s voor gezondheid, veiligheid, duurzaamheid en sociaal maatschappelijke aspecten;

• De Inspectie volgt de zwakkere gemeenten en provincies – geen volledige cyclus van doorlichting gemeenten meer – en pakt thematisch specifieke risico’s, naleeftekorten en doelgroepen aan;

• De toezichtprotocollen voor de bouwregelgeving worden verbreed naar de handhaving van het Activiteitenbesluit en de Wabo.

Verantwoordelijkheid

De Ministers van VROM en WWI zijn verantwoordelijk voor:

• Rechtstreeks toezicht op de naleving van VROM wet- en regelgeving waarvoor het Rijk het bevoegd gezag is;

• Het goed functioneren – als medewetgever – van het stelsel op het gebied van toezicht en de bestuursrechtelijke handhaving.

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het systeem van de bestuursrechtelijke handhaving en is beleidsmatig verantwoordelijk voor de terreinen ruimte en milieu. De minister voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) is beleidsmatig verantwoordelijk voor wonen, wijken en bouwen. De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving.

Externe factoren

Het behalen van deze algemene beleidsdoelstelling hangt af van de invoering van het kabinetsstandpunt op de commissie Oosting ten aanzien van het Interbestuurlijk toezicht, de internationalisering van het toezicht, het kabinetsstandpunt op de commissie Mans, de tendens van de schaalvergroting van bedrijven, decentralisatie van het toezicht naar lagere overheden en de effecten van de scheiding beleid en toezicht.

Meetbare gegevens

De gedragsverandering van de onder toezichtgestelde en toename van kennis van de VROM-regels bevorderen de uitvoering en de naleving. De VI meet de effecten van haar werk ten dele in nalevingsindicatoren, zoals die in deze begroting zijn opgenomen. In 2010 wordt de VI een baten-lastendienst die in opdracht van de beleidsdirecties haar taken gaat uitvoeren. Van een baten-lastendienst worden prestatie-indicatoren verlangd. Die zullen in het komende jaar in samenwerking met de opdrachtgever ontwikkeld worden.

Tabel 9.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 9. Handhaving en toezicht
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:60 96165 98063 85663 14362 30862 19262 208
Uitgaven:61 69366 05063 68463 14362 30862 19262 208
Waarvan juridisch verplicht  11 47911 00011 00011 00011 000
Programma:20 44122 68320 34019 71118 95118 54018 556
 Bevorderen naleving wetgeving voor Wonen, Wijken en Integratie:11 719771731731731731731
        
 Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte:1 0669 96810 2019 7359 1398 6668 682
        
 Bevorderen samenwerking methodiek en strategie:1 5782 5642 6412 6152 6112 6112 611
        
 Crisismanagement organiseren:5 3888 2405 6085 4815 3245 3855 385
        
 Opsporen en bestrijden van fraude:6901 1401 1591 1491 1461 1471 147
Apparaat:41 25243 36743 34443 43243 35743 65243 652
Ontvangsten:1 739882882882882882882

Grafiek 9.1. budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2009

kst-31700-XI-2-22.gif

Operationeel doel:1. Bevorderen naleving wetgeving voor Wonen, Wijken en Integratie2. Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte3. Bevorderen samenwerking methodiek en strategie4. Crisismanagement organiseren5. Opsporen en bestrijden van fraude

9.2. Operationele doelstelling

9.2.1. Bevorderen naleving wetgeving voor Wonen Wijken en Integratie

Motivering

Om door het bevorderen van de naleving bij te dragen aan de beleidsdoelen op het gebied van Wonen, Wijken en Integratie die geformuleerd zijn in de beleidsartikelen van WWI (Bouwen aan Kwaliteit en Samen Wonen in Wijken).

Instrumenten

• Handhavingsonderzoek;

• Compliance assistance;

• Audits bij andere overheden;

• Toezicht;

• Bestuursdwang/dwangsom;

• Opsporing.

Doelgroepen

Bedrijven, burgers, andere overheden.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties voor 2009 zijn:

Bouwen aan Kwaliteit en Samen Wonen in wijken

• Bouwen (nieuwbouw) en Wonen (bestaande bouw): Stimuleren van een brandveilige, constructieveilige en energiezuinige bouw;

• Onderzoek naar de verbetering van het binnenmilieu bij bestaande scholen en kinderdagverblijven.

• De VI zal nagaan in hoeverre de afspraken die VROM met gemeenten heeft gemaakt/maakt met betrekking tot gezondheid en energiezuinigheid op het gebied van bouwen en wonen worden uitgevoerd, en relevante partijen hiertoe stimuleren;

• Nagaan of afspraken die gemaakt zijn ten aanzien van huisvesting van arbeidsmigranten en statushouders worden uitgevoerd door gemeenten en provincies.

Tabel 9.2. Nalevingindicatoren
DoelNalevingsindicatorMeting 2005Meting 2006Meting 2007Streef-waarde*
WRO>90% van gemeenten voert op wezenlijke punten de VROM-taken op een adequaat niveau uit% van de onderzochte WRO-taken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject555873 
      
Wm >90% van gemeenten voert op wezenlijke punten de VROM-taken op een adequaat niveau uit% van de onderzochte Wm-taken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject667484 
Woningwet >90% van gemeenten voert op wezenlijke punten de VROM-taken op een adequaat niveau uit% van de onderzochte Woningwet-taken dat de beoordeling «adequaat» heeft gekregen bij eerste meting en na het nazorgtraject495661 

* Het generieke systeemtoezicht op lagere overheden wordt niet meer door de VI uitgevoerd en daarom wordt geen basiswaarde voor 2008, tussenwaarde en streefwaarde opgenomen. Alleen uit eerdere metingen gebleken zwakke gemeenten worden nog gevolgd. Dit is een keuze die voortvloeit uit het kabinetsstandpunt over het interbestuurlijk toezicht (commissie Oosting).

9.2.2. Bevorderen naleving wetgeving voor Milieu en Ruimte (DGM en DGR)

Motivering

Om door het bevorderen van de naleving bij te dragen aan het behalen van de doelstellingen op het gebied van Milieu en Ruimte, die geformuleerd zijn in de beleidsartikelen van VROM. Dit houdt in:

• De juiste condities scheppen voor een goede milieukwaliteit in de bebouwde omgeving;

• De adaptie aan de klimaatverandering en de beperking van de grootschalige luchtverontreiniging;

• Het verbeteren van de milieukwaliteit van water en bodem;

• Het verminderen van de schadelijke effecten van luchtverontreiniging en geluidhinder op de gezondheid en het welzijn van mensen;

• Het verminderen van de risico’s van stoffen, afval en straling;

• Het realiseren van een internationaal gelijk speelveld (level playing field) door de organisatie van het toezicht in EU te verbeteren;

• Het verminderen van de risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Instrumenten

• Handhavingsonderzoek;

• Compliance assistance;

• Audits bij andere overheden;

• Toezicht;

• Bestuursdwang/dwangsom;

• Opsporing.

Doelgroepen

Bedrijven, burgers, andere (internationale) overheden.

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestaties voor 2009 zijn:

• Thematisch toetsen van de doorwerking van het rijksbeleid ten aanzien van geluid en luchtkwaliteit bij provincies en gemeenten in de ruimtelijke planvorming;

• Toezicht houden op de actualiteit en goede doorvertaling (landelijk) ruimtelijk beleid op het gebied van landschap (verrommeling), natuur, lokale milieukwaliteit en externe veiligheid in bestemmingsplannen via plantoetsing, (selectieve toetslijst) vooral vooraf bij circa 2000 plannen. Naar verwachting zal dit bij 600 plannen leiden tot opmerkingen van VI en rijkspartners. Bij een deel daarvan zullen interventies nodig zijn;

• Uitvoeren van gebiedsprojecten en themaprojecten. Toetsen van ruimtelijke plannen gemeenten achteraf: bedrijfsterreinen, landschap, recreatiewoningen en actualisatie bestemmingsplannen in nationale landschappen;

• Geluid: ter verbetering van het leefklimaat projecten uitvoeren inzake de geluidsproblematiek langs het spoor en rond industrieterreinen op specifieke lokaties;

• Luchtkwaliteit: ter verbetering van de luchtkwaliteit in relatie tot de leefomgeving worden de onderwerpen fijn stof, NOx, de uitvoering van maatregelen van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en bestemmingsplannen betrokken.

Veiligheid, explosieven en buisleidingen

• De VI is verantwoordelijk voor de frontoffice buisleidingen. Alle 35 leidingexploitanten worden bezocht, hetzij door een intergrale audit (10 stuks), een thema onderzoek (20) en naar verwachting 10 meldingsafhandelingen;

• De gezamenlijke aanpak van politie, vliegende brigade vuurwerk en VROM-IOD richt zich vooral op de grote illegale spelers binnen de vuurwerkbranche;

• Uitvoeren van toezichtsacties op defensieterreinen;

• Toezicht uitvoeren op de Wet explosieven civiel gebruik. Het totaal aantal bedrijven is circa 150, daarbij wordt minimaal op 50 bedrijven toezicht gehouden en nazorg verricht

• Toezicht houden op het Besluit externe veiligheid inrichtingen, gericht op veiligheid van inrichtingen en transportgevaarlijke stoffen in relatie tot ruimtelijke ordening.

Klimaat, luchtverontreiniging en energie (IPPC/TOP/EPTR)

• Toezicht houden op meerjarenafspraken en convenanten;

• Bij lopende vergunningverlening van grote bedrijven, zoals Brzo-bedrijven (Besluit risico zware ongevallen) toetst de VI aan de voorkant, of in voldoende mate met de belangrijkste aspecten van het rijksbeleid (zoals energiebesparing en emissie-eisen) rekening is gehouden. Als dit onvoldoende het geval is zal de VI gericht adviseren en zo nodig bezwaar en beroep aantekenen;

• Thematisch onderzoek doen naar de doorwerking van de belangrijkste rijksprioriteiten bij het bevoegd gezag;

• De knelpunten bij de implementatie van de IPPC-richtlijnen signaleren;

• De VI zal fors inzetten op menskracht en middelen bij de frontoffice chemie. Daarin wordt de toezichtslast voor 150 producenten van basischemicaliën samen met andere Rijks- en regionale overheden verminderd.

Veilige stoffen en producten

• Speerpunten bij REACH zijn het voltooien van de handhavingsstructuur en inspecties bij circa 100 producenten, importeurs en toepassers;

• Toezicht op koelinstallaties F-gassen moet de lekverliezen van F-gassen tot onder de 10% brengen en de illegale handel beperken;

• Uitvoeren van ketentoezicht op milieugevaarlijke stoffen, waaronder de achterblijvende gemeenten bij asbest, sanering asbestwegen;

• VI coördineert het toezicht op biociden dat samen met VWA en AI wordt uitgevoerd conform het Handhavingsprogramma 2008–2011. In 2009 wordt het Handhavingsprogramma geactualiseerd;

• Toezicht biociden (circa 200) vindt plaats bij geselecteerde doelgroepen en leveranciers. Het is gericht op aanpak van verboden middelen, primair op stoffen die niet Europees verdedigd worden of prioritair zijn vanwege risico’s voor mens en/of milieu;

• Toezicht op de introductie van GGO’s bij ingeperkt gebruik, veldproeven, gentherapie en de invoer binnen de EU op niet-toegelaten GGO’s vooral gericht op levende landbouwproducten.

Afval, Water en Bodem

Afval

• Uitvoering van gerichte handhavingsacties bij prioritaire afvalstromen en bestemmingen in samenwerking met onder andere de Douane en optreden tegen de illegale situaties op basis van de Europese Verordening voor de Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA), vooral in niet-OESO landen;

• Diverse activiteiten gericht op naleving van de productenbesluiten;

• De VI is verantwoordelijk voor het frontoffice afval waarin de toezichtslast voor naar schatting 3000 afvalverwerkende bedrijven samen met andere rijks- en regionale overheden wordt verminderd. De toezichtslast wordt verminderd, terwijl de effectiviteit van het toezicht toeneemt.

Water (Drinkwater en Legionella)

• Toezicht op alle drinkwaterbedrijven (10 in 2009) door uitvoering inspecties en periodiek overleg, met specifieke aandacht voor de kwaliteit van het geleverde drinkwater (inclusief naleving van Regeling materialen en chemicaliën) en de omgang met incidenten en calamiteiten;

• Opstellen van een protocol voor de uitvoering van een benchmark drinkwaterbedrijven ter uitvoering vanaf 2010 als nieuwe taak binnen de nieuwe Drinkwaterwet;

• Uitvoering van de Interventiestrategie Legionellapreventie en rapportage daarvan. De drinkwaterbedrijven controleren 3500 tot 4000 prioritaire instellingen in 2009. De VI zal handhavend optreden, volgens ervaring is dat bij circa 10% van de gecontroleerde instellingen nodig;

• Afhandeling van circa 2000 overschrijdingen van de norm voor Legionella, waarbij deze afhandeling, afhankelijk van de ernst, bestaat uit registratie tot nadere inspectie;

• Evaluatie van de registratie en het toezicht op natte koeltorens;

• Toezicht op eigen winningen door uitvoering van circa 25 inspecties.

Bodem (Besluit bodemkwaliteit, incl. Kwalibo)

• Afhandeling van circa. 200 signalen over misstanden op bodemgebied. Deze signalen komen binnen bij het Toezichtloket Bodem dat wordt beheerd door de VI en Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW). Mede op basis van de signalen worden circa 15 diepgaande onderzoeken uitgevoerd om structurele overtreders te achterhalen;

• Advisering over de integriteit van bodemintermediairs die een erkenning aanvragen bij SenterNovem/Bodem+;

• Onderzoek naar de risicobeheersing: hoe wordt in de praktijk voorkomen dat verontreinigde grond op de verkeerde bestemming terechtkomt, of dat teveel verontreiniging achterblijft;

• Afspraken maken met handhavingspartners (gemeenten en provincies) over taakverdeling en taakopvatting teneinde ketenhandhaving van grondstromen vorm te kunnen geven.

Nucleaire industrie en straling

• Toezicht bij afvalverwerkende inrichtingen ten aanzien van radioactief besmet schroot (circa 450 meldingen per jaar) en apparatuur met stralingsbronnen (ziekenhuizen);

• De VI coördineert het frontoffice nucleair waarin het rijkstoezicht op 8 nucleaire installaties wordt gecoördineerd;

• Toezicht op de naleving van de Kernenergiewet (Kew) gericht op kerncentrales en kernafval, onderzoeksreactoren en verrijking en andere installaties, waar splijtstoffen worden gebezigd. Het toezicht op deze installaties is gericht op continue verbetering van de veiligheid.

Versterken van het internationale milieubeleid

• Initiëren en uitvoeren in Europa van een reeks internationale handhavingsacties, gericht op het creëren van een «level playing field» op het gebied van de handel in GGO’s, chemische stoffen en afvalstoffen;

• Versterken van de internationale samenwerken door gezamenlijke acties en inspecties waarbij kennis en informatie wordt uitgewisseld. Dit gebeurt bij de handhaving van de EVOA in het kader van IMPEL-TFS (The European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, Transfrontier Shipments of Waste);

• Versterken van Europese milieuhandhaving door de omvorming van het IMPEL-netwerk tot een internationale vereniging, internationale projecten gericht op level playing field, door verbeteren van de organisatie van het toezicht in de EU, het formuleren van criteria en eisen voor adequate handhaving (gerelateerd aan minimumeisen voor inspecties);

• Versterken van het INECE-netwerk en de bilaterale ondersteuning van enkele nieuwe lidstaten/toetreders;

• Uitvoeren HUF-toets en IMPEL-prooftoets op EU-regelgeving en doorwerking.

Nalevingsindicatoren

De nalevingsindicatoren zijn ontwikkeld om indicaties te geven in hoeverre de doelstellingen die in de begroting worden nagestreefd, ook daadwerkelijk worden gehaald. Vanaf 2004 zijn hiervan cijfers bekend.

Tabel 9.2.2. Nalevingsindicatoren
DoelNaleefindicatorMeting 2005Meting 2006Meting 2007Waarde 2008Streefwaarde
EVOA: naleving van regels voor de export van risicovolle afvalstromen% van het totaal aantal kilo’s afval dat is geëxporteerd naar niet-OESO-landen dat voldoet aan alle kernbepalingen EVOA244479*8090
       
KEW: % naleving door afvalverwerkers radioactief besmet schroot% van de detectieplichtige schrootbedrijven dat bij controle voldoet aan de vier kernvoorschriften35 355590
       
Vuurwerkbesluit % naleving door vuurwerkbedrijven% op basis van risicoanalyse geselecteerde producten die voldoen aan de veiligheidseisen868455** 90
       
Wlv Besluit zwavelgehalte brandstoffen zee-scheepvaart territoriale wateren.% in Nederlandse territoriale wateren aangemeerde zeeschepen dat voldoet aan het besluit Zwavelgehalte zeeschepen63 (95% tussen 32 en 57%)81 (95% tussen 76 en 87%83 (95% tussen 78 en 88%)7090

* Het EVOA-regime is halverwege 2007 gewijzigd. Voor enkele stromen is een lichter regime gaan gelden, voor andere een zwaarder. Verbeterd inzicht heeft geleid tot een andere interpreatie van de aan de indicator ten grondslag liggende gegevens. De stijging van het nalevingspercentage kan deels hiermee te maken hebben.

** Niet geconcludeerd kan worden dat het nalivingsgedrag verslechterd is. De selectie van te controleren producten is gebaseerd op risicoanalyse. Er is meer kennis over vuurwerk verkregen, waardoor de risicoanalyse beter kon worden uitgevoerd. Daardoor is er een grotere pakkans bij geselecteerde producten.

9.2.3. Bevorderen samenwerking, methodiekontwikkeling en strategie

Motivering

Om transparant en eenduidig keuzes te maken en verantwoording af te leggen over de uitvoering en effecten van het bevorderen van de naleving van VROM wet- en regelgeving;

Om de samenwerking met en het toezicht op andere overheden te vernieuwen, om daarmee de toezichtslast voor bedrijven en andere overheden te verminderen en het rijkstoezicht te uniformeren.

Instrumenten

Strategie en methodiekontwikkeling, HUF-toetsen en onderzoek

Meetbare gegevens

De belangrijkste prestatie voor 2009 zijn:

• De VROM-Nalevingsstrategie levert op basis van risico-inschatting een prioriteitenvolgorde in de wettelijke taken. Op basis daarvan worden de programma’s van de VI ingericht;

• De bijdragen van de VI aan de verantwoording van de Kaderstellende Visie op Toezicht (KVoT II) en IMPEL zijn goed en betrouwbaar;

• De VROM-Nalevingsstrategie zal verder verbeteren door aan te sluiten bij de programma’s van de VI en de daarbij behorende doelgroepen. Deze levert de onderbouwing met feitelijke gegevens van de ingeschatte risico’s ten behoeve van de programma’s van de VI in 2009;

• De professionalisering van de milieuhandhaving van andere overheden (gemeenten en provincies) opschalen, zodat het bevoegd gezag robuuster en beter geëquipeerd is voor de nieuwe wet- en regelgeving zoals de (Wabo), het Activiteitenbesluit, het Gebruiksbesluit en de complexe Europese regelgeving (zie ook OD 8.2.3 en tabel 8.4);

• De uiteindelijke verantwoordelijkheidsverdeling binnen het stelsel van VROM-uitvoering en handhaving is afhankelijk van de kabinetsreactie op het onderzoek van de commissie Mans naar het stelsel van toezicht en handhaving en de uiteindelijk bevoegdhedenverdeling zoals die geformaliseerd wordt in de Wabo.

9.2.4. Crisismanagement organiseren

Motivering

Om in crisissituaties optimaal en aantoonbaar voorbereid te zijn en om bij crises adequaat te kunnen optreden. De VROM-Inspectie is verantwoordelijk voor crisismanagement op het gebied van de VROM-beleidsterreinen, onder meer voor milieu (chemisch en nucleair) en drinkwater.

Doelgroepen

Overheidsinstellingen betrokken bij de bestrijding van crises en rampen (zoals brandweer en politie), andere ministeries, internationale overheden, de betrokken VROM-organisatieonderdelen en de VN, private en publieke deskundigeninstituten.

De belangrijkste prestaties voor 2009 zijn:

• Het in behandeling nemen en afhandelen van 500 meldingen (jaargemiddelde) van (lokale, regionale, nationale en internationale) incidenten, calamiteiten en andere meldingen;

• Het ontwikkelen en implementeren van een crisisentiteit voor CBRN-terrorisme inclusief de borging ervan. Dit houdt onder meer in het ontwikkelen van mobiele CBRN-meetfaciliteiten en het implementeren van een responsprocedure voor de vitale VROM-sectoren (drinkwater, chemie (inclusief buisleidingen) en nucleair, die vallen onder het alerteringssysteem terrorisme (ATB);

• Het voorbereiden en uitvoeren van minimaal 6 oefeningen om de afgesproken VROM responsprocedures te testen en de betrokken VROM crisisfunctionarissen te trainen. Deelnemen aan een Europese oefening op het gebied van overstromingen (Euroflood). Verder zijn er 4 specifieke (gezamenlijke) oefeningen voor milieu, drinkwater, nucleaire en buisleiding incidenten voor het Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten en de Eenheden Planning en Advies voor drinkwater en nucleair.

9.2.5. Opsporen en bestrijden van fraude

Motivering

Om grove misstanden met betrekking tot de aan VROM gerelateerde wetgeving en beleidsinstrumenten tegen te gaan.

Doelgroepen

Bedrijven, corporaties en burgers.

Meetbare gegevens

Prestaties worden gemeten aan de hand van het aantal strafrechtelijke onderzoeken dat is uitgevoerd en het processen-verbaal (pv’s) dat aan het OM wordt aangeleverd. De jaarlijkse afspraken tussen de VROM-Inspectie (inclusief de VROM-Inlichtingen- en opsporingsdienst (IOD)) worden jaarlijks vastgelegd in een handhavingsarrangement.

De belangrijkste prestatie voor 2009 betreffen:

• Uitvoeren van complexe strafrechtelijke onderzoeken voor de VROM-beleidsterreinen, op basis van een risicoanalyse maar vooral gericht op met specifieke aandacht voor woningcorporaties, afvalstoffen, vuurwerk en bodem;

• Bestendigen van een strategische informatiepositie (ontwikkelen criminaliteitsbeelden en strategische analyses).

Tabel 9.4. pv’s VROM-Inspectie
 afgesprokengerealiseerd
2006122203
2007130155
2008135(loopt)
2009135(verwacht)
Tabel 9.5. zelfstandige onderzoeken/pv’s VROM IOD
 afgesprokengerealiseerd
20061522 (12 afgerond in 2006, 10 lopen door in 2007)
20072523 (10 afgerond in 1007, 13 lopen er door in 2008)
200810(loopt)
200910(verwacht)

2.3. De niet-beleidsartikelen

Artikel 91. Algemeen

91.1. Algemeen

Op dit artikel worden alle uitgaven opgenomen die niet specifiek aan een van de beleidsdoelstellingen uit de beleidsartikelen zijn toe te rekenen. Het betreft hier zowel apparaatsuitgaven van de VROM- én WWI-begrotingen en enkele niet nader toe te wijzen programmabudgetten.

Tabel 91.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 91. Algemeen
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:305 456318 3 16308 178291 168271 991269 703269 703
Uitgaven:373 557346 415316 169297 495272 750268 903269 703
Waarvan juridisch verplicht  22 23922 07018 25316 87516 875
Programma:22 75134 50642 32641 99334 51131 80931 809
Communicatie-instrumenten7 5777 9426 2735 4244 0204 0204 020
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StaB)5 0635 1805 1485 1385 1175 1155 115
Overige vastgoedinformatievoorziening8 39013 76726 40531 43125 37422 67422 674
Programma / onderzoek Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf(GOB)1 7217 6174 5000000
Apparaat:350 806311 909273 843255 502238 239237 094237 894
Beleidsartikelen begroting XI-VROM44 81048 51648 05947 97047 81048 26448 264
Apparaat artikel 1 (DGR)9 7589 0179 1479 1299 0919 0879 087
Apparaat artikel 2 (DGR)1 0602 9963 0062 9972 9822 9802 980
Apparaat artikel 3 (DGM/KvL)5 0544 9544 6954 6854 6694 6674 667
Apparaat artikel 4 (DGM/BWL)4 6535 0624 9604 9494 9314 9294 929
Apparaat artikel 5 (DGM/LMV)4 6044 7664 7694 7674 7694 7654 765
Apparaat artikel 6 (DGM/SAS)5 2625 8005 5975 5865 5645 5625 562
Apparaat artikel 7 (DGM/SB)5 4325 5065 4465 4365 4165 4135 413
Apparaat Internationale Zaken artikel 7 (IZ)5 2426 1126 1056 0956 0756 5496 549
Apparaat artikel 8 (DGR)591823823822819819819
Apparaat artikel 8 (DGM)3 1543 4803 5113 5043 4943 4933 493
Beleidsartikelen begroting XVIII-WWI45 02343 25632 07431 96031 82830 54031 340
Apparaat artikel 1 (DGWWI)5 1033 8015 1955 1895 1835 1835 183
Apparaat artikel 2 (DGWWI)8 5532 2734 3524 3314 2994 2994 299
Apparaat artikel 3 (DGWWI)13 50721 93510 76711 14711 13011 13011 130
Uitvoering huursubsidie14 2185 8831 9001 3581 31022822
Apparaat artikel 4 (DGWWI)3 6424 3264 4764 5604 5394 5394 539
Apparaat artikel 5 (DGWWI)05 0385 3845 3755 3675 3675 367
Departementsleiding, control, expertdiensten en overige staf:69 14472 91762 82060 73960 46760 51160 511
Apparaat projecten VROM257429270270000
Apparaat DGWWI5 4721 6802 2723 2173 1743 2173 217
Apparaat DGR5 3363 9233 9704 0214 0044 0014 001
Apparaat DGM2 1122 1542 1942 2622 2542 2522 252
Apparaat departementsleiding, control en overig staf14 83419 95217 71117 93618 96618 96018 960
Apparaat Planbureau Leefomgeving41 13344 77936 40333 03332 06932 08132 081
Raden:7 4918 3866 5616 3496 2246 2226 222
VROM-Raad2 0772 1462 06920011 9611 9621 962
Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronzoek1 5321 144520498486485485
Waddenadviesraad (WAR)592699678662650650650
Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)1 0821 00000000 
Technische Commissie Bodembescherming (TCB)574642627612603603603
Gemeenschappelijk OntwikkelingsBedrijf (GOB)1 6342 7552 6672 5762 5242 5222 522
Postactieven:9 95610 83510 0439 7579 4198 6038 603
Postactieven DGWWI2 3173 1403 1393 1333 1193 1173 117
Postactieven DGR584403402402399399399
Postactieven DGM1 5431 3571 3561 3531 3481 3481 348
Postactieven Inspectie1 5941 6001 5681 4201 297976976
Postactieven GD/CSt3 9184 3353 5783 4493 2562 7632 763
Gemeenschappelijke voorzieningen:174 382132 201121 923114 746117 552118 015118 015
Gemeenschappelijke voorzieningen149 051105 88396 81590 62793 54694 00794 007
Huurbijdrage aan RGD25 33126 31825 10824 11924 00624 00824 008
Verzameluitkeringen *0000000
Taakstellingen0– 4 202– 7 637– 16 019– 35 061– 35 061– 35 061
Ontvangsten:48 82744 81340 33931 90830 89130 89130 412

* Met betrekking tot het nieuwe instrument «Verzameluitkeringen» zullen bij 1e suppletore begroting 2009 de betreffende budgetten worden overgeboekt naar dit artikel.

Grafiek 91.1. Budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2009

kst-31700-XI-2-23.gif

Toelichting

De budgetflexibiliteit is alleen aangegeven voor het operationeel doel Programma. Het juridische verplichte gedeelte bestaat uit de subsidiëring van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak en de stichting RAVI/GEONOVUM. Daarnaast zijn er al juridische verplichtingen aangegaan betreffende contracten met leveranciers van onder andere de VROM bladen zoals Tellus, Vrom.nl, hostingcontracten voor internet, campagnes die doorlopen in 2009 en enkele projectkosten van de basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Het bestuurlijk verplichte gedeelte bestaat onder andere uit de programmakosten van het Ruimtelijk Planbureau, waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, enkele Rijksbrede communicatievoorzieningen, enkele in voorbereiding zijnde communicatiecampagnes en de overige projectkosten van BAG, waaraan VROM gebonden is door onder meer afspraken met lagere overheden.

91.2. Programma

91.2.1. Communicatie-instrumenten

Communicatie in het hart van beleid. Onder dit motto sluit de communicatiediscipline ook bij het ministerie van VROM/WWI in een vroegtijdig stadium aan bij beleidsvorming. Doel daarvan is bij beleidsvorming nog meer rekening te houden met de maatschappelijke gevolgen en de signalen die rondom bepaalde beleidsonderwerpen reeds in de samenleving leven. Hiertoe worden verschillende middelen ingezet zoals burgerplatforms en diverse monitoringsinstrumenten. Zo krijgen de diverse doelgroepen de kans om via verschillende participatievormen met (de bewindslieden van) VROM/WWI in contact te treden.

Uiteraard zet VROM/WWI natuurlijk ook communicatie-instrumenten in om het beleid onder de aandacht te brengen van de diverse doelgroepen. Zowel naar bestuurders, bedrijfsleven als het grote publiek communiceert VROM/WWI haar beleid via diverse kanalen. Al enkele jaren is hierbij het motto «digitaal tenzij». Dit blijft zo en de toepassingen op onder meer de website van VROM/WWI ontwikkelen zich steeds meer in die richting.

Ook legt VROM/WWI via communicatiemiddelen verantwoording af over (de totstandkoming van) haar beleid. In de communicatie sluit VROM aan bij de pijlers en projecten van het Kabinet. VROM draagt op meerdere manieren bij aan de ontwikkeling van rijksbrede communicatie, uiteenlopend van internet tot en met publieksvoorlichting.

91.2.2. Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) is een bijna volledig door VROM gesubsidieerde instelling. Op verzoek van de Raad van State adviseert de StAB de bestuursrechter in geschillen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Ook worden op verzoek adviezen aan de rechtbanken verstrekt.

Tabel 91.2. Aantal adviesaanvragen
 Realisatie 2006Realisatie 2007Begroting 2008Ontwerpbegroting 2009
Stand per 01-0188959999
Instroom aanvragen366494380425
Aantal afgehandelde aanvragen/adviezen359490380425
Stand per 31-1295999999

De ontwerpbegroting 2009 is afgeleid uit de meerjarencijfers uit de begroting 2008. De StAB levert de begroting 2009 medio oktober 2008 op.

91.2.3. Overige vastgoedinformatievoorziening

Coördinatie Geo-informatie/basisregistraties

Het ministerie van VROM is sinds het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst (1990) verantwoordelijk voor de coördinatie van de Geo-informatie (GI). Een belangrijk deel van het GI-beleid komt tot stand via de inzet rond een aantal te realiseren Geo-basisregistraties, die in principe deel zullen uitmaken van een samenhangend stelsel van basisregistraties. Door het Kabinet aangemerkte authentieke basisregistraties in het geo-domein zijn een adressen- en gebouwenregistratie, de perceelregistratie van het Kadaster met de kadastrale kaart, een topografisch bestand (1:10 000 topografische kaart van het kadaster) en in de toekomst mogelijk aangevuld met de Grootschalige Basiskaart Nederland (de GBKN) en een basisregistratie voor de ondergrond.

Basisregistratie Adressen en Gebouwen

De BAG is een onderdeel van het stelsel van basisregistraties dat onder de coördinatie van de minister van Binnenlandse Zaken tot stand wordt gebracht. De BAG bevat kerngegevens die essentieel zijn voor de werking van het stelsel, dat een meerledig effect heeft, namelijk voorkomen en opsporen van fraude, meer adequate dienstverlening overheid, verminderen administratieve lastendruk en verbeteren efficiency. De gemeenten zijn de bronhouders van de BAG. Het wetsvoorstel voor de BAG is begin 2008 door de Eerste Kamer aanvaard en de landsbrede implementatie is voorzien in 2009 en 2010, waarna vanaf 2011 verplicht gebruik in Nederland moet zijn gerealiseerd. In 2008 is een landelijke ICT-voorziening bij het Kadaster gerealiseerd, zodat de eerste tranches van gemeenten kunnen worden aangesloten en de eerste pilots met landelijke afnemers zijn gestart. Voor de exploitatie van de landelijke voorziening en monitoring van de gemeentelijke basisregistraties is een structureel bedrag in de begroting van VROM opgenomen.

Basisregistraties Kadaster en Topografie

De Basisregistraties Kadaster en Topografie zijn gebaseerd op bestaande registraties die echter wel enige aanpassing behoeven. Het Kadaster is registratiehouder van de registratie Topografie. VROM trekt het project in nauwe samenwerking met het Kadaster. De wetgeving is in 2006 aan de Tweede Kamer gezonden en in de eerste maanden van 2007 aangenomen. De wet is op 1 januari 2008 in werking getreden. Organisaties hebben vanaf die datum een jaar om aan te sluiten op deze twee basisregistraties.

Er wordt de komende jaren nog hard gewerkt aan het stelsel basisregistraties. De Basisregistratie Topografie en Kadaster behoren tot de eerste die ingevoerd worden, en hebben daarmee een voorbeeldfunctie. VROM is verantwoordelijk voor het project waarin deze twee basisregistraties worden gerealiseerd. Het breed gebruik van deze basisregistraties leidt tot efficiencyvoordelen voor de overheid en administratieve lastenverlichting voor burgers en bedrijven. Gekozen is daarom voor lage financiële drempels voor gebruik, zodat het breed gebruik van deze basisregistraties tot stand kan komen. Om dit mogelijk te maken is voor de basisregistratie Topografie overgegaan op een centrale financiering van de kosten voor inwinning en beheer met VROM als budgethouder. Dit sluit aan bij het kabinetsbeleid dat e-overheidsvoorzieningen indien mogelijk centraal gefinancierd zouden moeten worden. Ook voor de investeringskosten is een bedrag in de VROM-begroting opgenomen. Voor de basisregistratie Kadaster geldt dat de inwinningkosten reeds worden gedekt vanuit de inschrijving van akten. Hier is om die reden niet overgegaan op centrale financiering.

Grootschalige Basiskaart Nederland

Het maatschappelijk belang van een uniforme grootschalige ondergrondkaart, die aansluit bij de andere basisregistraties is groot. Dit geldt bijvoorbeeld voor de veiligheidssector (politie, brandweer en ambulance), voor het beheer van kabels en leidingen (in de grondroerdersregeling) en bij ruimtelijke ordening. De huidige GBKN is een publiek private samenwerking bestaande uit een aantal regionale stichtingen, die weer worden overkoepeld door de Stichting Landelijk Samenwerkingsverband GBKN (LSV GBKN). Deelnemende partijen zijn: gemeenten, Kadaster, provincies en nutsbedrijven. Een aantal gemeenten verzorgt hun grootschalige topografie zelfstandig: de 24 TPG gemeenten. Het is noodzakelijk de organisatie in Nederland te stroomlijnen: bronhouders (voor 95 % de gemeenten) aan te wijzen en een landelijke voorziening in te richten. Voor het realiseren van de GBKN als basisregistratie is het daarnaast noodzakelijk het bestand landelijk uniform en vlak(object) gericht te maken. Voor de benodigde investeringen is een projectplan opgesteld.

In het kader van de e-overheid, programma stroomlijning basisgegevens is het noodzakelijk, dat de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) wordt aangewezen als wettelijke basisregistratie. De minister van VROM heeft in het bestuurlijk overleg in 2006 met het bestuur van de stichting GBKN de aanwijzing bevestigd onder voorwaarde dat een positieve businesscase kan worden opgesteld. Dit is ook aan de Tweede Kamer medegedeeld in de voortgangsrapportage van de e-overheid. Het ambtelijk adviescollege GI-beraad heeft in 2007 de positieve kosten-batenanalyse goedgekeurd en de minister geadviseerd de GBKN aan te wijzen als basisregistratie.

Inmiddels is de GBKN in het advies van de commissie Postma/Wallage aangewezen als onderdeel van het Nationale Urgentieprogramma. De commissie adviseert het Kabinet daarvoor financiële middelen ter beschikking te stellen. Er is structureel een bedrag in de VROM-begroting opgenomen voor de investerings- en exploitatiekosten van de GBKN als wettelijke basisregistratie.

Ruimte voor Geo-informatie

Voor het kennisprogramma Ruimte voor Geo-informatie zijn voor de jaren 2004 t/m 2009 Bsik-gelden (Besluit subsidies investeringen in de kennisinfrastructuur) toegekend. Met dit kennisprogramma wordt de innovatie in de sector van de Geo-informatie versterkt.

91.3. Apparaat

Op dit artikel worden alle apparaatsuitgaven opgenomen van de begrotingen XI, VROM met uitzondering van de VROM-inspectie, en XVIII WWI, uitgesplitst naar beleidsartikelen en overhead. Het betreft hier zowel apparaatsuitgaven voor loonkosten voor het ambtelijk personeel en postactieven als voor materiële uitgaven voor huisvesting, ICT e.d.

91.3.1. Planbureaus, adviesorganen, kennisinstituten en Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf

In deze paragraaf wordt apart ingegaan op het Planbureau voor de Leefomgeving, het Gemeenschappelijke Ontwikkelingsbedrijf en op enkele raden en commissie die aan VROM zijn verbonden.

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)

In 2008 zijn het Milieu- en Natuurplanbureau en het Ruimtelijk Planbureau gefuseerd tot het Planbureau voor de Leefomgeving. Het PBL is het planbureau voor de ruimte, het milieu en de natuur. Het verricht wetenschappelijke verkenningen, analyses, prognoses en beleidsevaluaties in (inter)nationale context die relevant zijn voor het strategisch regeringsbeleid. Die activiteiten zijn primair intersectoraal en gericht op de lange termijn. Het planbureau analyseert ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen die van belang zijn voor de leefomgeving van mens, plant en dier. Het verkent de toekomstige kwaliteit van de leefomgeving en mogelijke beleidsopties. Het planbureau wil tevens bijdragen aan integrale ruimtelijke en ecologische afwegingsvraagstukken voor het beleid. Daarbij wordt de samenwerking met andere planbureaus gezocht.

In 2009 worden de volgende activiteiten ondernomen:

• Publicatie van een Milieubalans, een Natuurbalans en de Staat van de ruimte. Hierin wordt de actuele kwaliteit van de fysieke leefomgeving in beeld gebracht in relatie tot het vigerende en voorgenomen beleid;

• Evaluaties en verkenningen op het gebied van de kabinetsprioriteiten Schoon en Zuinig, Mooi Nederland, Stedelijke woningbouwopgave, Prachtwijken en Duurzame Productie en Consumptie;

• Publicatie van evaluaties, verkenningen en prognoses ten behoeve van nationale en internationale opdrachtgevers.

Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf (GOB)

Het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf is een uitvoeringsorganisatie die werkt in opdracht van de departementen met vastgoed en/of beleidsdoelen met betrekking tot de fysieke omgeving. Deze hebben zich georganiseerd in een zogenaamde opdrachtgeversberaad. Het GOB staat als een shared service-organisatie tussen de bestaande Rijksvastgoeddiensten en is een uitvoeringsorganisatie die handelend kan optreden voor concreet benoemde ruimtelijke opgaven waar het Rijk gronden zal afstoten dan wel voornemens is subsidie te verstrekken om beleidsdoelen te bereiken.

Het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf bouwt kennis en expertise op rond doelmatig en modern vermogensbeheer en bundelt daarbij de kennis en expertise die bij de verschillende onderdelen van het Rijk aanwezig is. Het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf krijgt tevens de beschikking over een aantal financiële instrumenten. Kennis en instrumenten worden primair ingezet voor projecten van het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf maar zijn ook beschikbaar voor andere (vast-goed)projecten van het Rijk. Het Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf is vormgegeven als een interdepartementale projectdirectie, geplaatst onder de Secretaris-Generaal van VROM. In 2008 wordt de positionering van het GOB bij het ministerie van VROM geëvalueerd. Dit maakt inmiddels deel uit van het onderzoek naar de wenselijkheid van een fusie met de Dienst der Domeinen en de Dienst Landelijk Gebied, die mede door de motie-Atsma (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XIV, nr. 111) in gang is gezet.

Doelstellingen van het GOB en het opdrachtgeversberaad zijn:

• Vergroten van de slagkracht en eenduidigheid van het rijksoptreden in de richting van andere overheden en marktpartijen;

• Betere resultaten bij het bereiken van de rijksdoelen in een gebied;

• Versterken van de rijksinterne beleids- en uitvoeringscoördinatie;

• Het zakelijk omgaan met rijksvastgoed (binnen ruimtelijke ontwikkelingen);

• Versterken en bundelen van kennis en expertise van het Rijk.

Het GOB adviseert de opdrachtgevende departementen in de verkenningsfase van een project en handelt in de vervolgfase, de zogenaamde businesscase-fase, zelfstandig op basis van een mandaat van de opdrachtgevers. Aan het einde van deze fase levert het GOB drie producten op (die grotendeels in samenwerking met andere overheden in het betrokken gebied en eventueel ook andere partijen worden gemaakt), te weten: een ruimtelijk plan, een sluitende financiële onderbouwing van dit plan en een samenwerkingsovereenkomst. Aan de hand van deze producten kan tot uitvoering van het project worden overgegaan. Op verzoek geeft het GOB ook afzonderlijk advies aan rijkspartijen over (financiële aspecten van) gebiedsontwikkelingsprojecten die niet direct zijn gekoppeld aan projecten die het GOB zelf uit gaat voeren.

Tabel 91.3. Aantal projecten in verkennings- en businesscasefase en afzonderlijke (afgeronde) adviezen
 Realisatie 2006Realisatie 2007Ontwerpbegroting 2008Ontwerpbegroting 2009
Advies1444
Verkenningen4354
Business case3678

In de tabel is het (verwachte) aantal projecten in de verkennings- en businesscasefase aangegeven per ultimo van het betreffende jaar.

VROM-raad

De VROM-raad adviseert regering en parlement over de hoofdlijnen van beleid aangaande de duurzame kwaliteit van de leefomgeving en over andere onderdelen van het rijksbeleid, die relevant zijn voor VROM. Het nieuwe Kabinet heeft het voornemen de VROM-raad, de Raad voor het Landelijk Gebied en de Raad voor Verkeer en Waterstaat op te laten gaan in een Raad voor de Fysieke Leefomgeving.

De in de zomer van 2008 uitgebrachte strategische kennisagenda VROM vormt de basis voor de input van de minister van VROM voor het werkprogramma van de VROM-raad voor 2009.

Raad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek (RMNO)

De RMNO is een sectorraad, een adviesorgaan van de overheid, die met name LNV en VROM gevraagd en ongevraagd adviseert over het te voeren kennis- en onderzoeksbeleid op het gebied van ruimte, milieu en natuur en op projectbasis ook andere departementen zoals het ministerie van VenW omtrent governance vraagstukken met betrekking tot water en infrastructuur. VROM en LNV benutten samen de expertise van de RMNO om te waarborgen dat het proces van beleidsvorming optimaal wordt ondersteund met terzake doende (strategische) kennis en om de strategische kennisfunctie van het departement te versterken. De RMNO ontwikkelt daartoe samen met de departementen onder andere strategische kennisagenda’s, die relevante kennisvragen beschrijven, en probeert vraag en aanbod bij elkaar te brengen van bestaande en nog te ontwikkelen kennis.

Bij het uitbrengen van de adviezen wordt een communicatietraject uitgevoerd (bijeenkomsten, artikelen, nieuwsbrieven, enzovoorts) met de focus op goede verspreiding en benutting van kennis. In 2009 werkt de RMNO in ieder geval aan een internationale conferentie over kennis en beleid, onderzoekt ze gehanteerde beleidstheorieën bij de thema’s ruimte en milieu, en doet ze in opdracht van VenW een onderzoek naar governance aspecten rond het thema water.

Raad voor de Wadden

De Raad voor de Wadden adviseert gevraagd en ongevraagd vanuit een grote gebiedsgebonden betrokkenheid over een breed scala van beleidsterreinen, die hun doorwerking hebben voor de Waddenzee. Uitgangspunt voor de raad is de hoofddoelstelling «natuur», zoals die in de regelgeving voor de Waddenzee is neergelegd. Binnen de randvoorwaarden hiervan adviseert de Raad integraal gebiedsgericht over de verschillende ontwikkelingen die in het gebied spelen. VROM beoogt met zijn bijdrage aan deze Raad onafhankelijk advies te verkrijgen over het Waddenzeebeleid, met name op de relatie tussen economie en milieu.

In 2009 zullen naar verwachting onder meer adviezen verschijnen over:

• De gevolgen van de klimaatsverandering voor het Waddengebied;

• De noodzakelijke investeringen in de Waddenzee;

• Geïntegreerd Beheer van Kustgebieden;

• Trilaterale samenwerking tussen Duitsland, Denemarken en Nederland in het Waddengebied;

• Een gebiedsdekkende Beheerraad;

• Doelstellingen Waddenfonds.

Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS)

De raad heeft tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over beleid en wetgeving inzake technische en technisch-organisatorische maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen als gevolg van het gebruik, de opslag, de productie, het vervoer van gevaarlijke stoffen en beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen en rampen (Artikel 2 van de Wet Adviesraad gevaarlijke stoffen).

Het voornemen bestaat deze adviesraad op te heffen en strategische vraagstukken met betrekking tot externe veiligheid, risicobeleid en gevaarlijke stoffen onder te brengen bij de nog op te richten Raad voor de Fysieke Leefomgeving.

Technische Commissie Bodembescherming (TCB)

De TCB adviseert over de technisch-wetenschappelijke aspecten van bodembeleid. Andere activiteiten van de commissie zijn het op beperkte schaal laten uitvoeren van onderzoek, of het organiseren van werkgroepen, over onderwerpen die bij de voorbereiding van adviezen van belang zijn.

• In 2009 verwacht de commissie onder andere te adviseren over onderwerpen die relatie hebben met de Nederlandse invulling van de Europese bodemstrategie en onderwerpen die voortvloeien uit het Besluit Bodemkwaliteit dat in de loop van 2008 van kracht zal worden;

• De TCB verwacht in 2009 een verkennende studie uit te voeren naar adaptatie van bodemgebruik aan klimaatverandering. De keuze van landbouwproducten, de ontwikkelingen in de natuur enzovoort hebben een relatie met het klimaat. Ook het management in de landbouw kan hierdoor veranderen (denk aan irrigatie, diepte van ploegen et cetera);

• De TCB is in 2007 een onderzoek gestart getiteld «Bagger op de kant». Omdat het een omvangrijk onderzoek betreft, is de verwachting dat dit onderzoek een uitloop zal hebben in 2009.

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien

92.1. Algemene beleidsdoelstelling

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 92 worden gedaan. Het artikel dient meestal als tussenstation voor uitboeking van diverse posten.

Onvoorzien

In de comptabiliteitswet wordt de mogelijkheid geboden om een post op te nemen voor «Onvoorziene uitgaven».

Nog nader te verdelen

Op dit onderdeel worden intensiveringen, taakstellingen et cetera opgenomen die in de begroting nog moeten worden verwerkt maar waarvan de precieze verdeling over de beleidsartikelen nog niet belend is.

Tabel 92.1. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:03 369– 572– 872–482– 311– 311
Uitgaven:03 447– 710– 1 412– 782– 611– 611
 Loonbijstelling:0000000
        
 Prijsbijstelling:0000000
        
 Onvoorzien:01 6851 5221 3722 0141 9541 954
        
 Nog te verdelen:01 762– 2 232– 2 784– 2 796– 2 565– 2 565
  Nog nader te verdelen taakstellingen00– 300– 301– 299– 299– 299
  Nog nader te verdelen overig01 762– 1 932– 2 483– 2 497– 2 266– 2 266

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Een kleiner en beter VROM

Met het Coalitieakkoord beoogt het Kabinet een kleinere en betere rijksdienst die kan voldoen aan de eisen die aan de overheid van nu en in de toekomst worden gesteld. Een opgave vanuit de politiek is om met minder mensen meer resultaten te behalen. Dit betekent dat VROM in 2011 met ongeveer 600 fte minder haar kerntaken vervult.

Om dit te kunnen doen zijn organisatorische veranderingen nodig. De belangrijkste veranderingen richten zich onder meer op:

• Het vergroten van de flexibiliteit en daarmee van de slagkracht van de organisatie;

• Het bevorderen van optimale samenwerking en transparantie;

• Het versterken van het project- en programmamatig aanpakken van vraagstukken.

Om deze veranderingen te realiseren is het VROM-brede programma «Duidelijk VROM» gestart.

Er is gekozen voor een stapsgewijze ontwikkeling die de beoogde effectiviteit en flexibiliteit oplevert en waarin ook de taakstelling wordt doorgevoerd. VROM is een lerende, vernieuwende en continu veranderende organisatie. De organisatie verandert vanuit de overtuiging dat je niet alles van tevoren kunt bedenken en «dicht kunt regelen». Om deze reden is ervoor gekozen om de komende jaren te werken in een tijdelijke organisatiestructuur. In deze fase wordt de nieuwe structuur en werkwijze werkendeweg ontwikkeld en uitgewerkt. De bedrijfsvoering moet het beleidsproces optimaal en integraal kunnen ondersteunen. Daarbij moet bovendien zoveel mogelijk kunnen worden aangesloten bij de ontwikkelingen Rijksbreed.

Het programma Duidelijk VROM is primair gericht op het kerndepartement. De op afstand te plaatsen uitvoeringsonderdelen zoals de Rijksgebouwendienst, VROM-inspectie, Secretariaten van de huurcommissies en de Nederlandse Emissie-autoriteit komen op grotere afstand te staan. Het vormgeven van de nieuwe relaties en de consequenties van de samenwerking met de beleidskern is wel een onderdeel van het programma. Er zijn voorwaarden geschapen voor de invulling van de eigenaarrol en goed opdrachtgever-/opdrachtnemerschap.

Taakstelling

Aan VROM zijn verschillende taakstellingen opgelegd. Het gaat hier om een financiële en personele taakstelling voor het departement en om een financiële taakstelling voor de externe uitvoeringsorganisaties, waar VROM opdracht aan geeft (vooral RIVM en SenterNovem).

Daarnaast is aan de Rijksgebouwendienst en het Kadaster een taakstelling opgelegd. VROM is hierbij niet direct verantwoordelijk maar moet hierbij, als eigenaar, toezien op een juiste realisatie hiervan. De minister van VROM is hiervoor wel politiek verantwoordelijk.

 Fte’sBudget (mln. euro)
VROM/WWI (excl.de Rijksgebouwendienst)60939
Externe uitvoeringsorganisaties (o.a. RIVM en SN) 4
Rijksgebouwendienst93 
Kadaster210 

Aan het kerndepartement VROM/WWI is dus een taakstelling van 43 miljoen euro en 609 fte opgelegd. Bij de verdeling van deze taakstelling binnen VROM is uitgegaan van de uitgangspunten van het Coalitie-akkoord. Dit betekent de volgende verdeling.

• Een taakstelling van 20% voor beleid en kennis

• Een taakstelling van 30% voor de ondersteuning

• Een taakstelling van 20% voor toezicht en handhaving

• Een taakstelling van 10% voor de uitvoering

In 2007 is de omvang van VROM met 33 fte afgenomen. De onderverdeling was hierbij als volgt.

 Ultimo 2006Ultimo 2007
VROM/WWI (excl.de Rijksgebouwendienst)2 7622 704
Rijksgebouwendienst9751 013
Kadaster2 0852 072
Totaal5 8225 789

Verantwoording over de realisatie van het programma vindt plaats in het jaarverslag en in de voortgangsrapportages van het Programma Vernieuwing Rijksdienst.

Duurzaam inkopen

De kabinetsdoelstelling voor duurzaam inkopen zal worden geïmplementeerd, door zoveel mogelijk reeds in 2009 de beschikbare duurzaamheidcriteria toe te passen. Het inkoopcentrum van VROM hanteert in samenspraak met de interne Opdrachtgever reeds alle reeds vastgestelde duurzaamheidcriteria, als zwaarwegend criterium bij inkopen voor de betreffende productgroepen bij inkopen vanaf € 15 000 inclusief BTW. Daarnaast vraagt VROM bij iedere inkoop om een verklaring over het milieubeleid van de potentiële opdrachtnemers. Het milieubeleid is een van de wegingsfactoren bij de beoordeling van de binnengekomen offertes.

Momenteel worden de mogelijkheden onderzocht om ook het sociale beleid van opdrachtnemers mee te nemen in de beoordeling van offertes. Zodra hiervoor heldere criteria beschikbaar komen, zal VROM ook deze gaan hanteren bij de beoordeling van offertes.

3. Verdiepingshoofdstuk

In dit verdiepingshoofdtuk staat per artikel de opbouw van het artikel weergegeven. De stand ontwerpbegroting 2008, mutaties 1e suppletore begroting 2008 en nieuwe mutaties maken samen de stand ontwerpbegroting 2009. De uitgaven en ontvangsten worden op deze wijze inzichtelijk gemaakt. De meest belangrijke beleidsmatige mutaties worden afzonderlijk inzichtelijk gemaakt en toegelicht.

De mutaties 1e suppletore begroting 2008 zijn toegelicht bij de 1e suppletore begrotingswet 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 474 XI, nr. 2.

Artikel 1. Optimalisering van de ruimtelijke afweging

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200821 81716 6595 1094 6739 966 
Mutatie 1e suppletore begroting 20085 2842 5109881 346– 3 254918
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 2013000002 468
b. Overige mutaties:1 035– 29– 58– 117– 117– 117
Stand ontwerpbegroting 200928 13619 1406 0395 9026 5953 269
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200813 00010 033000 
Mutatie 1e suppletore begroting 20085 25700000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Ontvangst kadaster1 13500000
Stand ontwerpbegroting 200919 39210 0330000

Toelichting:

Ad a.

Het Kadaster draagt € 1,1 mln bij aan het project Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen. Deze bijdrage was oorspronkelijk voor 2007 voorzien, maar zal in 2008 worden ontvangen.

Artikel 2. Gebiedsontwikkeling en realisatie Nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008194 10483 13856 67662 18342 462 
Mutatie 1e suppletore begroting 2008280 6445 4915 4255 4025 1555 155
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. FESBIRK– 39 65542 0550– 2 40000
b. FESNSP– 3 1783 1780000
c. Project Zuidas Amsterdam2 50000000
d. Overheveling LPG-budget2 00000000
e. Overboeking naar het ministerie van OCW, Belvédère– 2 12600000
f. Opvrage FES-bijdrage Mooi Nederland3 0009 5009 0007 0005 0001 500
g. Extrapolatie 20130000041 962
h. Overige mutaties157– 442– 519– 522– 522– 522
Stand ontwerpbegroting 2009437 446142 92070 58271 66352 09548 095

Toelichting:

Ad a.

De eerder berekende kasverwachtingen voor een aantal BIRK-projecten moeten bijgesteld worden. Een bedrag van € 42 mln zal naar verwachting in 2009 tot betaling komen, in plaats van in 2008. Omdat het een desaldering is, wordt ook de ontvangstenraming van artikel 2 aangepast.

Ad b.

De eerder berekende kasverwachtingen voor een aantal NSP-projecten moeten bijgesteld worden. Een bedrag van € 42 mln zal naar verwachting in 2009 tot betaling komen, in plaats van in 2008. Omdat het een desaldering is, wordt ook de ontvangstenraming van artikel 2 aangepast.

Ad f.

Het budget wordt enerzijds ingezet voor de nieuwe innovatieregeling Mooi Nederland die innovatieve en creatieve projecten gaat ondersteunen die ruimtelijke kwaliteit bevorderen. Anderzijds wordt het budget onder meer ingezet voor enkele pilots om bedrijventerreinen te herstructureren, de ruimtelijke aspecten rondom het realiseren van windenergie en sanering van glastuinbouw.

Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008138 14131 18711 83620 7282 406 
Mutatie 1e suppletore begroting 2008283 7280000 
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Project Zuidas Amsterdam2 500     
b. FESBIRK– 39 65542 055    
c. FESNSP– 3 1783 178    
d. Overheveling LPG-budget2 000     
e. FES-bijdrage Mooi Nederland3 0009 5009 0007 0005 0001 500
Stand ontwerpbegroting 2009386 53685 92020 83625 3287 4061 500

Toelichting:

Ad a.

De ontvangsten voor Project Zuidas Amsterdam die samenhangen met de oprichting van de Zuidas Onderneming, worden dit jaar gerealiseerd. Deze ontvangst was oorspronkelijk voor 2007 voorzien.

Ad b en c.

Zie de toelichting bij de uitgaven.

Artikel 3. Klimaatverandering en grootschalige luchtveront-reiniging

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200894 189114 222112 27194 13690 4370
Mutatie 1e suppletore begroting 20082 736– 16 910– 11 135– 8 31611 928– 8 791
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 20130000086 769
b. Overige mutaties:– 64298196192192192
Stand ontwerpbegroting 200996 86197 610101 33286 012102 55778 170
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20082502 5006 0006 0006 0000
Mutatie 1e suppletore begroting 20084700000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 2013000006 000
Stand ontwerpbegroting 20092972 5006 0006 0006 0006 000

Artikel 4. Milieukwaliteit van water en bodem

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008171 362181 910202 061218 379218 3840
Mutatie 1e suppletore begroting 20082 866– 11 032– 7 086– 7 857– 7 845– 7 845
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 201300000218 384
b. Overige mutaties:1511850000
Stand ontwerpbegroting 2009174 379171 063194 975210 522210 539210 539
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200823 20021 600200000
Mutatie 1e suppletore begroting 20087 75200000
Stand ontwerpbegroting 200930 95221 600200000

Artikel 5. Milieukwaliteit in de bebouwde leefomgeving

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008171 50498 76872 30963 09933 0990
Mutatie 1e suppletore begroting 2008– 25 7711 4881 020202020
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. FESmiddelen verkeersmaatregelen35 00000000
b. Opvragen FES-bijdrage geluidskaarten03 0003 0003 0003 0000
c. Akkoord vervoerssector roetfilters027 00020 00015 00000
d. Extrapolatie 20130000033 099
e. Overige mutaties:– 671– 298– 196– 192– 192– 192
Stand ontwerpbegroting 2009180 062129 95896 13380 92735 92732 927

Toelichting:

Ad a.

Eind 2007 is uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) een bedrag van € 150 mln beschikbaar gesteld voor luchtkwaliteit. Hiervan is € 35 mln specifiek bestemd als aanvulling op de middelen voor de subsidiëring van roetfilters voor zware voertuigen. Dit bedrag wordt thans toegevoegd aan de begroting voor 2008.

Ad b.

Op basis van de Europese richtlijn Omgevingslawaai moeten in de periode 2009–2012 geluidsbelastingskaarten en actieplannen worden opgesteld voor agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners. Hiervoor is een bedrag van in totaal € 12 miljoen beschikbaar gesteld. Geluidskaarten zorgen ervoor dat periodiek inzicht ontstaat in de geluidsbelasting en de beleving van de burgers daarbij; de actieplannen bieden inzicht in de voorgenomen maatregelen om de geluidsbelasting te beperken. Eind 2008 komen de geluidskaarten en actieplannen beschikbaar voor agglomeraties met meer dan 250 000 inwoners.

Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008140 10068 70040 00030 00000
Mutatie 1e suppletore begroting 2008– 25 05300000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. FESmiddelen verkeersmaatregelen35 000     
b. FES-bijdrage Geluidskaarten03 0003 0003 0003 0000
Stand ontwerpbegroting 2008150 04771 70043 00033 0003 0000

Artikel 6. Risico’s van stoffen, afval, straling en GGO’s

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008146 624141 141140 389137 983137 8780
Mutatie 1e suppletore begroting 2008– 6 324311– 172– 344– 344– 344
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Van artikel 7 i.v.m. kasschuif 200706 0000000
b. Extrapolatie 201300000136 527
c. Overige mutaties:– 194210210600600300
Stand ontwerpbegroting 2009140 106147 662140 427138 239138 134136 483
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20082 4002 8002 1009503000
Mutatie 1e suppletore begroting 200836500000
Stand ontwerpbegroting 20092 7652 8002 1009503000

Artikel 7. (Inter)nationaal milieubeleid

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200878 46374 52265 67163 02263 2950
Mutatie 1e suppletore begroting 200835 1497 8043 3436 0446 6946 094
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. FESProMT (Toezegging 2007–2010)04 9004 9004 9004 2700
b. Naar artikel 6 i.v.m. kasschuif 20070– 6 0000000
c. Extrapolatie 20130000063 295
d. Overige mutaties:780905– 70– 547452452
Stand ontwerpbegroting 2009114 39282 13173 84473 41974 71169 841

Toelichting:

Ad a.

Conform kabinetsbesluit van 16 februari 2007 worden FES-middelen voor in totaal € 18 970 000 beschikbaar gesteld om de ProMT-regeling in de periode 2007–2010 voort te kunnen zetten (brief van EZ d.d. 12 juli 2007 met kenmerk OI/REB 7084228).

Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20082 0002 0000000
Mutatie 1e suppletore begroting 20085 65200000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. FESProMT04 9004 9004 9004 2700
Stand ontwerpbegroting 20097 6526 9004 9004 9004 2700

Toelichting:

Ad a.

Zie de toelichting bij de uitgaven ad a.

Artikel 8. Externe veiligheid

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200848 85953 66456 48969 66081 3100
Mutatie 1e suppletore begroting 2008617– 9 640– 8 260– 50000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Overheveling LPG-budget– 2 00000000
b. Opvragen FES-bijdrage klimaatbuffers03 0004 0005 0003 0000
c. Extrapolatie 20130000071 663
d. Overige mutaties:– 760– 492– 684– 2 119– 2 119– 2 119
Stand ontwerpbegroting 200946 71646 53251 54572 04182 19169 544

Toelichting:

Ad b.

Het budget wordt ingezet voor het verlenen van financiële bijdragen om regionale en lokale projecten klimaatbestendiger uit te voeren door gebruik te maken van natuurlijke processen. Dit is een vervolg op de eerste vijf natuurlijke klimaatbuffers, waarvoor de Kamer in 2007 via een amendement € 5,0 mln beschikbaar voor heeft gesteld.

Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200810 00010 00010 00010 00010 0000
Mutatie 1e suppletore begroting 20085 00000000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:
a. Overheveling LPG-budget– 2 00000000
b. FES-bijdrage klimaatbuffers03 0004 0005 0003 0000
Stand ontwerpbegroting 200913 00013 00014 00015 00013 0000

Artikel 9. Handhaving en toezicht

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200862 45960 69060 87860 92361 2890
Mutatie 1e suppletore begroting 20081 7951 556904191– 296– 280
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 20130000061 289
b. Overige mutaties:1 7961 4381 3611 1941 1991 199
Stand ontwerpbegroting 200966 05063 68463 14362 30862 19262 208
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20088828828828828820
Stand ontwerpbegroting 2009882882882882882882

Artikel 91. Algemeen

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008311 941293 726266 351242 516242 5180
Mutatie 1e suppletore begroting 200818 5714 8204 9522 8811 8192 619
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Compensatie Rijk BAG, Topografie en GBKN2009–2013013 07023 42024 86522 16522 165
b. Overdracht van VROM naar Financiën inzake RAD0– 3 714– 3 383– 2 772– 2 772– 2 772
c. Bijstelling ontvangsten MNP.2 00000000
d. Van LNV ivm vaste bijdrage 2008.1 40000000
e. Knelpuntenpot prijsbijstelling5 5272 7640000
f. Extrapolatie 201300000242 518
g. Loonbijstelling 20085 6025 4525 1044 4594 3724 372
h. Overige mutaties:1 374511 051801801801
Stand ontwerpbegroting 2009346 415316 169297 495272 750268 903269 703

Toelichting:

Ad a.

Op 1 januari 2008 is de wetgeving voor invoering van de basisregistraties BAG, Topografie en Kadaster in werking getreden. Door met lage financiële drempels een breed gebruik tot stand te brengen is gekozen voor centrale financiering. Dit past binnen het huidige kabinetsbeleid (e-overheidsvoorzieningen waar mogelijk centraal financieren).

Ad b.

Met de start van de nieuwe Rijksauditdienst, gaat de Auditdienst VROM over naar Financiën.

Ad c.

Naast de vaste Planbureau-activiteiten worden er op aanvraag betaalde werkzaamheden verricht voor derden (andere overheden, EU). Er zijn meer onderzoeksverzoeken dan oorspronkelijk begroot.

Ad d.

De kosten van het MNP worden begroot en verantwoord op de VROM-begroting. LNV boekt jaarlijks de vaste bijdrage (ten behoeve van de Natuurplanbureaufunctie) over naar VROM. Hiermee wordt invulling gegeven aan de onafhankelijke advies- en planbureauwerkzaamheden op natuurgebied. Producten zijn onder andere de jaarlijks te verschijnen Natuurbalans en elke vier jaar de Natuurverkenning.

Ad e.

Het ministerie van Financiën heeft de prijsbijstelling, tranche 2008, niet uitgekeerd. Het ministerie van Financiën heeft een knelpuntenpot in het leven geroepen voor beleid dat en projecten die onherroepelijk in de problemen komen bij het inhouden van de prijsbijstelling. Het ministerie van VROM heeft aanspraak gemaakt op de knelpuntenpot. Het leeuwendeel van de uitkering uit de knelpuntenpot slaat neer op artikel 91; bovengenoemde mutatie is een samenvoeging van meerdere mutaties ter verdeling van de uitkering uit de knelpuntenpot.

Ad g.

Het ministerie van Financiën keert jaarlijks loonbijstelling uit aan de departementen. De loonbestelling, tranche 2008, is aan de eerste suppletore begroting van het ministerie van VROM toegevoegd. Deze loonbijstelling is vervolgens verdeeld over de apparaatsinstrumenten van het ministerie van VROM. Het leeuwendeel van deze instrumenten bevindt zich op artikel 91; bovengenoemde mutatie is een samenvoeging van meerdere mutaties ter verdeling van de loonbijstelling.

Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200842 63840 33930 90830 89130 8910
Mutatie 1e suppletore begroting 200817500000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Overig vastgoed BAG verschuiving in uitgaven en ontvangsten001 000000
b. Bijstelling ontvangsten MNP2 00000000
c. Extrapolatie 20130000030 412
Stand ontwerpbegroting 200944 81340 33931 90830 89130 89130 412

Artikel 92. Nominaal en onvoorzien

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008802– 37– 219– 954– 1 0140
Mutatie 1e suppletore begroting 200814 87112 2218 3677 9757 8927 586
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Loonbijstelling 2008– 7 785– 7 532– 7 030– 6 128– 6 045– 6 045
b. Knelpuntenpot prijsbijstelling– 5 897– 2 9490000
c. Verdeling SFB-gelden 20081 92100000
d. Extrapolatie 201300000– 1 014
e. Overige mutaties:– 465– 2 413– 2 530– 1 675– 1 444– 1 138
Stand ontwerpbegroting 20093 447– 710– 1 412– 782– 611– 611

Waddenfonds

Artikel 1. Waddenfonds

Opbouw uitgaven x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200833 87833 87833 87833 87833 8780
Mutatie 1e suppletore begroting 20086 6006 6006 6006 6006 6000
Nieuwe mutaties:      
Beleidsmatige mutaties:      
a. Extrapolatie 20130000033 878
Stand ontwerpbegroting 200940 47840 47840 47840 47840 47833 878
Opbouw ontvangsten x € 1000200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200833 87833 87833 87833 87833 8780
Stand ontwerpbegroting 200933 87833 87833 87833 87833 87833 878

WETSARTIKEL 2 (BEGROTINGSSTAAT BATEN – LASTENDIENST)

4. Begroting van de Nederlandse Emissieautoriteit

De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) ondersteunt de uitvoering van emissiehandel en toetst als onafhankelijk toezichthouder de naleving van de regels. De NEa doet dat op transparante en rechtvaardige wijze, waarbij ze een effectieve en efficiënte uitvoering nastreeft. Op deze wijze wil de NEa emissiehandel betrouwbaar en vertrouwd maken.

De minister van VROM heeft de Tweede Kamer kenbaar gemaakt per 1 janauri 2009 een bestuur Nederlandse Emissieautoriteit aan te stellen met de status van ZBO. De Wet Milieubeheer zal hiervoor worden aangepast. De baten-lastendienst NEa zal dan niet meer onder eindverantwoordelijkheid van de minister van VROM opereren, maar onder eindverantwoordelijkheid van het bestuur van de NEa dat als zodanig het ZBO zal zijn. Vanaf die datum ondersteunt de baten-lastendienst NEa het bestuur in de uitvoering van haar wettelijke taken. Het gaat daarbij om een drietal hoofdtaken: verlenen en actualiseren van emissievergunningen, beheren van de CO2- en NOx-registers en toezicht en handhaving van de wetgeving.

Tabel 1: Begrotingsstaat 2009 (x € 1 000)
Totaal batenTotaal lastenSaldo baten en lasten
6 6136 6130
Totaal kapitaaluitgavenTotaal kapitaalontvangsten 
770505 

Begroting van Baten en Lasten voor het jaar 2009 en meerjarenraming

Tabel 2: Begroting van baten en lasten
Bedragen x € 1 0002007200820092010201120122013
Baten       
Opbrengst moederdepartement6 0266 1196 5786 7157 2747 6498 040
Opbrengst derden10      
Rentebaten49 3535353535
Totaal baten6 0856 1196 6136 7507 3097 6848 075
        
Lasten       
Apparaatskosten:       
– personele kosten3 5933 1834 7014 9355 1805 4385 708
– materiële kosten1 7032 5861 6051 6841 7671 8541 947
Rentelasten23324253575347
Afschrijvingskosten:       
– materieel71010121199
– immaterieel25130825566294330364
Dotaties voorzieningen       
Buitengewone lasten       
Totaal lasten5 5776 1196 6136 7507 3097 6848 075
Saldo508000000

Toelichting bij de opbouw baten

Opbrengst moederdepartement

Vooralsnog wordt de NEa vrijwel volledig gefinancierd door het moederdepartement (KvI/BREM). De definitieve opbrengst hangt af van de nog vast te stellen kostprijzen en de daadwerkelijk geleverde aantallen producten. Doordat de Europese wet- en regelgeving voor CO2-emissiehandel nog voortdurend verandert, is het moeilijk om het aantal producten in de toekomst goed in te schatten. De kostprijzen van de producten zullen kostendekkend worden vastgesteld want de NEa heeft geen winstoogmerk.

Renteopbrengsten

De rentebaten zijn geschat op 3% van het gemiddelde saldo op de rekening-courant rekening met het ministerie van Financiën.

Tabel 3: Opbrengsten moederdepartement naar product/dienst
Product/dienstBegroting 2009
Toezicht en handhaving2 479 123
Advisering en beleidsafstemming878 676
Vergunningaanvragen299 340
Onderhoud dossier1 079 550
Helpdesk en registeradministratie780 244
Registeronderhoud1 004 787
Rekeningbeheer Kyoto56 358
Totaal6 578 078

Toelichting bij de opbouw lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

Een groot deel van de toename van de personele kosten in 2009 ten opzichte van 2008 is een boekhoudkundige wijziging: voorheen werd incidentele inhuur onder materiële kosten begroot, vanaf 2009 zijn deze kosten onder personele kosten begroot.

De personele kosten stijgen deels ook als gevolg van stijgende salariskosten en uitbreiding van de bezetting. Dat laatste is mede een gevolg van de instelling van een ZBO-bestuur en een verwachte toename van het aantal te leveren producten, dat weer een gevolg is van het toenemend aantal bedrijven dat deelneemt aan emissiehandel. Per 1 januari 2009 breidt het aantal bedrijven naar schatting uit met 10% tot circa 465. In de jaren daarna neemt het aantal bedrijven naar verwachting toe, naarmate de EU de emissiehandel op meer bedrijven van toepassing laat zijn. De groei van het aantal producten zal door de NEa grotendeels worden opgevangen via efficiencyverbetering, waardoor extra inhuur zo veel mogelijk achterwege blijft.

Materiële kosten

Een productiegroei betekent ook een stijging van de materiële kosten, vergelijkbaar met de stijging van de personele kosten. De daling ten opzichte van 2007 is het gevolg van de boekhoudkundige wijziging waarbij incidentele inhuur niet langer onder materiële kosten worden begroot.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bedragen € 0,27 mln. De afschrijvingstermijnen bedragen voor computerapparatuur 3 jaar en voor meubilair en software 5 jaar.

Tabel 4: Kasstroomoverzicht
Bedragen x € 1 0002007200820092010201120122013
1. Rekening-courant RHB 1 januari1 1151 2939861 0111 0681 0781 093
        
2. Totaal operationele kasstroom457318290135315354378
        
Totaal investeringen0– 313– 505– 305– 175– 175– 175
Totaal boekwaarde desinvesteringen0000000
3. Totaal investeringskasstroom0– 313– 505– 305– 175– 175– 175
        
Eenmalige uitkering aan moederdepartement0– 92200000
Eenmalige storting door moederdepartement056200000
Aflossingen op leningen– 279– 265– 265– 78– 305– 339– 373
Beroep op leenfaciliteit0313505305175175175
4. Totaal financieringskasstroom– 279– 312240227– 130– 164– 198
        
5. Rekenig-courant RHB 31 december (= 1+2+3+4)       
(maximale roodstand € 0,5 mln)1 2939861 0111 0681 0781 0931 098

Investeringskasstroom

De investeringen voor 2009 tot en met 2013 hebben betrekking op het project «Proces Automatisering NEa» en het in stand houden van de activa.

Financieringskasstroom

Het beroep op de leenfaciliteit is ter financiering van de investeringen. De raming van aflossingen is gebaseerd op de lopende en de begrote leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën.

Informatie over de doelmatigheid van de NEa

Deze paragraaf geeft informatie over de doelmatigheid en kwaliteit van de NEa, dat wil zeggen informatie over de relatie tussen inzet van middelen (totale kosten) en de te leveren productie dan wel prestaties.

Tabel 5. Overzicht prestatie-indicatoren
IndicatorPrestatie 2007Begroting 2009
Meldingen: % meldingen afgehandeld binnen wettelijke termijn64%80%
Registratie Emissiehandel: registers CO2 en NOx online100%> 99%
Klanttevredenheid: tevreden stakeholders62%> 65%
ontevreden stakeholders10%< 10%
Algemeen: aantal klachten over uitoefening taken00
Vergunningsverlening: Aantal bedrijven met een vergunning298465
Tarieven1  
Laag75,–< 79,–
Midden131,–< 138,–
Hoog144,–< 151,–
Directe uren in primair proces64%> 65%

1 Deze tarieven gelden in 2008.

Toelichting indicatoren:

Indicator «Meldingen»: percentage meldingen dat is afgehandeld binnen de wettelijke termijn van 8 weken.

Indicator «Registratie Emissiehandel»: percentage beschikbaarheid van de CO2- en NOx-registers.

Indicator «Directe uren primair proces»: percentage van het totaal aantal directe uren gedeeld door het totaal aantal uren van de medewerkers in het primaire proces.

Wetsartikel 3 (Begroting Waddenfonds)

5. Begroting van het Waddenfonds

5.1. Het beleid

5.1.1. Doel van het Waddenfonds

De Waddenzee is het grootste aaneengesloten natuurgebied van West-Europa en een van de grootste getijdengebieden ter wereld. De variatie in overstromingsduur, stroming en zoutgehalte zorgt voor een grote verscheidenheid aan natuurwaarden. Met zijn brakke en zoute wateren en hoger gelegen kwelders biedt dit gebied ruimte aan internationaal belangrijke flora en fauna. Zo vormt de Waddenzee voor trekvogels onderweg van het noordelijk halfrond naar het zuidelijk halfrond een noodzakelijk foerageergebied. Het gebied is een samenhangend geheel met als overeenstemmende kenmerken: (geo-)morfologie, ecologie en landschap, waardoor een eigen identiteit ontstaat. Die eenheid en samenhang strekken zich ook uit tot de omliggende gebieden waarmee de Waddenzee samen het waddengebied vormt. Het gebied kent een voortdurende dynamiek en is de afgelopen eeuw veranderd onder invloed van de mens, onder meer door landaanwinning en de aanleg van kustverdedigingswerken.

Alle betrokken overheden, bewoners, terreinbeheerders, et cetera hebben de taak de Waddenzee als natuurgebied duurzaam te ontwikkelen en te beschermen en het unieke open landschap te behouden. Dit is de hoofddoelstelling van de PKB Derde Nota Waddenzee.

Het Kabinet heeft naar aanleiding van het advies van de Adviesgroep Waddenzeebeleid (rapport «Ruimte voor de Wadden» d.d. 1 april 2004) onder meer besloten om offensief vorm te geven aan deze hoofddoelstelling door het doen van additionele investeringen in de Waddenzee en het Waddengebied. (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 684, nr. 1) Het Kabinet trekt daarvoor € 800 mln uit, verspreid over een investeringsperiode van 20 jaar (2007–2026). Deze investeringen worden gedaan met het doel de kwaliteit van de Waddenzee en het Waddengebied te verbeteren door middel van investeringen gericht op de belangrijkste problemen en uitdagingen.

5.1.2. Aard van het Waddenfonds

Het Waddenfonds maakt deel uit van een samenhangend pakket van maatregelen dat aansluit bij de kabinetsdoelstelling om te komen tot een integraal beleid voor de Wadden. Er is sprake van een politieke – geen financiële koppeling – met andere onderdelen van dit pakket, te weten de gaswinning en de schelpdiervisserij. Een heroverweging van dit pakket zal plaatsvinden als één van de onderdelen niet kan worden gerealiseerd (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 684, nr. 22).

De kosten en uitgaven die uit het voorgaande voortvloeien, worden in het Waddenfonds verantwoord. Het Waddenfonds is een begrotingsfonds als bedoeld in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Comptabiliteitswet. Het fonds is een Rijksfonds dat valt onder beheer van de minister van VROM als coördinerend minister van de Wadden. Het subsidieplafond en de periode waarin projectvoorstellen kunnen worden ingediend worden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd.

Het Kabinet hecht er groot belang aan dat het totaalbedrag dat in de Wadden wordt geïnvesteerd door bijdragen van andere partijen wordt vergroot. Dit kan worden bereikt door middel van cofinanciering. Projectvoorstellen zullen daarom worden getoetst op de mate waarin andere partijen bereid zijn een bijdrage te leveren. Co-financiers kunnen per project of per cluster van projecten bijdragen. In dit kader worden, naast het Waddenfonds, twee partijen onderscheiden: de initiatiefnemer en andere financieringsbronnen (bijvoorbeeld EU-fondsen, bijdragen uit het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG), bijdragen door regionale overheden/instanties en particulieren). Beide worden beschouwd als co-financiers en kunnen zowel publiek als privaat zijn. In dit kader is voor de Rijksbijdragen aan projecten die voor subsidie uit het fonds in aanmerking komen geen anti-cumulatiebeding opgenomen.

5.1.3. Verdeling van de middelen

Activiteiten waarvoor een bijdrage wordt gevraagd, moeten bijdragen aan het bereiken van de vier hierna genoemde operationele doelstellingen. Het Kabinet zal daarbij de volgende verdeling hanteren:

• Van het oorspronkelijk beschikbaar gestelde fondsbedrag wordt eerst het bedrag van de nadeelcompensatie kokkelvisserij afgetrokken (€ 122,435 mln);

• Vervolgens wordt een bedrag gereserveerd voor de beheers- en uitvoeringskosten van het fonds;

• Van het resterende bedrag wordt 10% apart gehouden voor activiteiten die bijdragen aan de doelen ten aanzien van de kennishuishouding (4%) en de afname van externe bedreigingen (6%). Voor beide typen activiteiten geldt ten principale dat deze in gelijke mate zowel de natuur in brede zin, als de economie ten goede komen;

• Het resterende bedrag wordt voor 50% ingezet voor ecologie en voor 50% voor economie.

Hiermee wordt invulling geven aan het gewijzigde amendement van de leden Atsma en Snijder-Hazelhoff (Kamerstukken 2006–2007, 30 594, nr. 12).

5.1.4. Investeringsplan en Uitvoeringsplan

In het Investeringsplan Waddenfonds zijn de doelen van het Waddenfonds, de uitdagingen en problemen van de Wadden en de werkwijze van het fonds uitgewerkt. Eens per 5 jaar zal een uitvoeringsplan met een horizon van 5 jaar worden opgesteld waarin de investeringsprioriteiten en de verdeling van de middelen binnen de categorieën worden beschreven.

5.2. Algemene beleidsdoelstelling

Motivering

Om de doelen van het Waddenfonds te realiseren worden door middel van een subsidieregeling door VROM investeringen in het Waddengebied gestimuleerd. De doelen van het fonds zijn als volgt verwoord:

• Het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied;

• Het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;

• Een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en de direct aangrenzende gebieden;

• Het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied. (zie Wet op het Waddenfonds, artikel 2 lid 2.)

Deze doelen gelden voor het Waddengebied als geheel: door middel van investeringen uit het Waddenfonds zal aan deze doelen worden bijgedragen. De realisatie van deze doelen wordt ook met andere beleidsinstrumenten nagestreefd, bijvoorbeeld wet- en regelgeving en investeringen in het gebied gefinancierd vanuit andere (Rijks)middelen.

Verantwoordelijkheid

VROM is als coördinerend departement voor de Wadden verantwoordelijk voor:

• Het beheer van het fonds;

• De toekenning van subsidies;

• De uitvoering van de subsidieregeling;

• Evaluatie en monitoring.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van:

• Draagvlak in de regio;

• Ontvangen van degelijke projectvoorstellen;

• Natuurlijke ontwikkelingen in het Waddengebied.

Meetbare gegevens:

De (voorlopige) ecologische instandhoudingsdoelstellingen van het Waddengebied zijn in het kader van de PKB Waddenzee vastgesteld. Hierin zijn basiswaarden, streefwaarden en planning opgenomen. Onderzocht wordt of er op basis van deze waarden bruikbare prestatie-indicatoren, basiswaarden en streefwaarden benoemd kunnen worden. Voor de duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied zal het aantal werkzame personen in het Waddengebied als indicator worden gebruikt.

Op basis van bestaande trilaterale monitoring wordt één maal per vier jaar een Quality Status Report (QSR) opgesteld. De onderliggende gegevens zijn samen met de overige nationale monitoringgegevens beschikbaar voor signalering van trends. In trilateraal verband (Nederland, Duitsland en Denemarken) is afgesproken om het «Trilateral Monitoring and Assessment Program» te optimaliseren naar aanleiding van een evaluatie in 2004. Onderdeel van de optimalisatie is een betere aansluiting bij de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. In 2012 zal een mid-term review van het gevoerde beleid plaatsvinden.

Voor het aflopen van de planperiode van de PKB Waddenzee (2016) zal een evaluatie van het gevoerde beleid plaatsvinden.

Tabel 6. Budgettaire gevolgen van beleid
x € 1 0002007200820092010201120122013
Verplichtingen:2 27540 47840 47840 47840 47840 47833 878
Uitgaven:14640 47840 47840 47840 47840 47833 878
Programma:039 60039 60039 60039 60039 60033 000
 Vergroten/versterken van natuur- en landschapswaarden van het Wad:017 82017 82017 82017 82017 82014 850
        
 Verminderen externe bedreigingen van de rijkdom van de Waddenzee:02 3762 3762 3762 3762 3761 980
        
 Duurzameeconomische ontwikkeling en energiehuishouding:017 82017 82017 82017 82017 82014 850
        
 Ontwikkelen duurzame kennishuishouding waddengebied:01 5841 5841 5841 5841 5841 320
Apparaat:146878878878878878878
Ontvangsten:033 87833 87833 87833 87833 87833 878

Grafiek 1. budgetflex in % en bedragen per operationeel doel in het begrotingsjaar 2009

kst-31700-XI-2-24.gif

5.3. Operationele doelstellingen

5.3.1. Vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied

Motivering

Om de karakteristieke ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Waddengebied, zoals verwoord in de geldende PKB Derde Nota Waddenzee, te herstellen of te verbeteren.

Instrumenten

(Investerings)subsidies

Meetbare gegevens

In 2009 kunnen onderstaande prestaties nog niet gerelateerd worden aan gegevens aan de hand waarvan het effectbereik kan worden geëvalueerd. De genoemde prestaties zijn afgeleid van het ontwikkelingsperspectief tot 2030 dat in de PKB Derde nota Waddenzee is geschetst en dat de beoogde doelstellingen in globale termen weergeeft. In 2007 is in opdracht van het Regionaal College Waddengebied gestart met het opstellen van het integraal Beheer- en Ontwikkelingsplan Waddengebied. Dit plan zal een concretisering van het ontwikkelingsperspectief opleveren, waarvoor de planhorizon tien jaar is en dat iedere vijf jaar wordt herzien. Uit het plan zal ook blijken wat de huidige stand van zaken, de basiswaarde, is. De afronding van het plan is voorzien begin 2009. Na het gereedkomen van het plan, dat ook verder richting zal geven aan de inzet van de middelen uit het Waddenfonds als één van de instrumenten om het streefbeeld te bereiken, zal pas een nadere bepaling en invulling van de prestatie-indicatoren kunnen plaatsvinden.

Prestaties

• Bevorderen van innovaties die bodemverstoringen of negatieve ecologische effecten ten gevolge van menselijke activiteiten mitigeren of voorkomen en bijdragen aan het tot stand brengen of herstellen van ongestoorde ecologische en fysische processen;

• Herstel van zoet-zout-overgangen, waarbij waterlopen in het binnenland op een meer natuurlijke wijze met de Waddenzee worden verbonden en die tevens kansen bieden voor combinaties met andere functies zoals waterberging en recreatie;

• Stimuleren van een gevarieerder kwelderbeheer en kwelderontwikkeling, passend binnen de voor de kwelders geldende (natuur)doelstellingen;

• Stimuleren van ontwikkeling van zeegrasvelden en stabiele mosselbanken;

• Behoud en herstel van jonge duinlandschappen op de eilanden;

• Stimuleren van vormen van dynamisch kustbeheer op de eilanden;

• Bevorderen van de migratie van vissoorten;

• Behoud en herstel van voor de Wadden karakteristieke landschappelijke en cultuurhistorische elementen, patronen en ensembles in combinatie met duurzame economische ontwikkelingen, waterbeheer en recreatieve toegankelijkheid.

5.3.2. Verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee

Motivering

Om de natuurlijke rijkdom van de Wadden te behouden.

Instrumenten

(Investerings)subsidies

Meetbare gegevens

Op dit moment zijn er nog geen bruikbare prestatie-indicatoren beschikbaar. Dit komt mede door de grote diversiteit in activiteiten die ten behoeve van het Waddengebied ontplooid kunnen worden. Dientengevolge zijn de prestaties divers en ruim geformuleerd. Er zal daarom in de toekomst op basis van gesubsidieerde projecten worden bekeken welke prestatie-indicatoren kunnen worden opgesteld die meer inzicht bieden in het bereiken van deze operationele doelstelling.

Prestaties

• Stimuleren van kwelderontwikkeling, met als doel het tegengaan van overstromingen als gevolg van de zeespiegelstijging;

• Stimuleren van innovatieve projecten die zijn gericht op het verhogen van de veiligheid boven het niveau dat met behulp van het reguliere beleid wordt gegarandeerd.

5.3.3. Bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied en een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en de direct aangrenzende gebieden

Motivering

Om bij te dragen aan de vergroting van de kansen voor duurzame sociaal-economische ontwikkeling in het Waddengebied. Om daardoor de werkgelegenheid in het gebied te vergroten, het bruto regionaal product te verhogen en de economische structuur te verbeteren.

Instrumenten

(Investerings)subsidies

Meetbare gegevens

In 2009 kunnen onderstaande prestaties nog niet gerelateerd worden aan gegevens aan de hand waarvan het effectbereik kan worden geëvalueerd. De genoemde prestaties zijn afgeleid van het ontwikkelingsperspectief tot 2030 dat in de PKB Derde nota Waddenzee is geschetst en dat de beoogde doelstellingen in globale termen weergeeft. In 2007 is in opdracht van het Regionaal College Waddengebied gestart met het opstellen van het integraal Beheer- en Ontwikkelingsplan Waddengebied. Dit plan zal een concretisering van het ontwikkelingsperspectief opleveren, waarvoor de planhorizon tien jaar is en dat iedere vijf jaar wordt herzien. Uit het plan zal ook blijken wat de huidige stand van zaken – de basiswaarde – is. De afronding van het plan is voorzien begin 2009. Na het gereedkomen van het plan – dat ook verder richting zal geven aan de inzet van de middelen uit het Waddenfonds als één van de instrumenten om het streefbeeld te bereiken – zal pas een nadere bepaling en invulling van de prestatie-indicatoren kunnen plaatsvinden.

Prestaties

• Bevorderen van duurzaam toerisme en recreatie die tevens draagvlak voor natuur en natuurbeleid creëren;

• Verbeteren van promotie, marketing en branding van het Waddengebied als toeristisch product;

• Verbreden van het toerisme als duurzame economische drager van het Waddengebied;

• Bevorderen van innovatieve binnendijkse vormen van duurzame landbouw, passend binnen het gebied;

• Stimuleren van kansrijke combinaties tussen landbouw en natuurherstel, natuurontwikkeling en natuurbeleving;

• Stimuleren van initiatieven die vergroting en verbreding mogelijk maken van de productie en verspreiding van streekgebonden producten;

• Bevorderen van een verduurzaming van de visserijsector;

• Aanpassen en innoveren van de haven- en bedrijfsomgeving aan de eisen van nieuwe havenfuncties;

• Ondersteunen van innovatieve projecten die bijdragen aan een duurzame economische ontwikkeling van het Waddengebied;

• Bevorderen van kunst- en cultuurvoorstellen die bijdragen aan de toeristische aantrekkingskracht van het Waddengebied;

• Stimuleren van snel uitvoerbare projectvoorstellen, die aantoonbaar bijdragen aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Doorontwikkeling, grootschalige toepassing en verbreding zijn van belang;

• Mogelijk maken van (door)ontwikkeling, grootschalige toepassing of een verbreding van de toepassing van groene grondstoffen.

5.3.4. Ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied

Motivering

Om bij te dragen aan de verbetering van de kennishuishouding in het Waddengebied;

Om kennis van het ecosysteem, het sociale systeem en het economische systeem van het Waddengebied te operationaliseren en verspreiden (zowel nationaal als internationaal);

Om aandacht te besteden aan de samenhang tussen deze systemen.

Instrumenten

(Investerings)subsidies

Meetbare gegevens

In 2009 kunnen onderstaande prestaties nog niet gerelateerd worden aan gegevens aan de hand waarvan het effectbereik kan worden geëvalueerd. De genoemde prestaties zijn afgeleid van het ontwikkelingsperspectief tot 2030 dat in de PKB Derde nota Waddenzee is geschetst en dat de beoogde doelstellingen in globale termen weergeeft. In 2007 is in opdracht van het Regionaal College Waddengebied gestart met het opstellen van het integraal Beheer- en Ontwikkelingsplan Waddengebied. Dit plan zal een concretisering van het ontwikkelingsperspectief opleveren, waarvoor de planhorizon tien jaar is en dat iedere vijf jaar wordt herzien. Uit het plan zal ook blijken wat de huidige stand van zaken – de basiswaarde – is. De afronding van het plan is voorzien begin 2009. Na het gereedkomen van het plan – dat ook verder richting zal geven aan de inzet van de middelen uit het Waddenfonds als één van de instrumenten om het streefbeeld te bereiken – zal pas een nadere bepaling en invulling van de prestatie-indicatoren kunnen plaatsvinden.

Prestaties

• Formulering en opvulling van de grootste kennislacunes over het Waddengebied;

• Stimuleren van een betere ontwikkeling en benutting van toegepaste kennis over het Waddengebied;

• Bewerkstelligen van een goed functionerende Waddenacademie;

• Stimuleren van projecten die door kennisoverdracht bijdragen aan het vergroten van draagvlak en kennis over het Waddengebied, het waddenbeleid en het herstel en de ontwikkeling van landschap en cultuurhistorie.

5.4. Overzicht beleidsonderzoeken

Tabel 7. Overzicht onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid:
Soort onderzoekOnderwerp onderzoekAlg.doel/Op.doelA. StartB. Afgerond
Effecten onderzoek ex durante   
Mid-term review WaddenfondsWaddenfondsAllenA. 2012B. 2013
    
Quality Status ReportVervolgmetingAllenA. 2008B. 2009
    
Overig evaluatie-onderzoek: evaluatie PKB WaddenzeePKB Waddenzee A. 2016B. 2017

Bijlage 1. ZBO’s en RWT’s (VROM-begroting 2009)

De bijlage inzake zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s).

Binnen VROM houdt de afdeling TopZO (Toezicht op Zelfstandige Organen) toezicht namens de minister van VROM en de minister voor WWI op de rechtmatigheid, doelmatigheid en de continuïteit van de bedrijfsvoering en de kwaliteit van de taakuitoefening van de zelfstandige organen VROM. Met de oprichting van TopZO is binnen VROM sinds 2003 een strikte scheiding tussen enerzijds beleid/aansturing en anderzijds toezicht op de zelfstandige organen geëffectueerd. Het toezicht wordt ingevuld op basis van een toezichtvisie («Toezicht op basis van vertrouwen»). Hierbij is aansluiting gezocht bij de Kaderwet ZBO’s, de Kaderstellende Visie op Toezicht II en de aanbevelingen uit het RWT 1–5 onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Ter concretisering van de verantwoordings- en toezichtrelatie tussen VROM en de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) zijn of worden bestaande toezichtarrangementen geactualiseerd, inclusief het opstellen van een Informatie- en Controleprotocol.

In 2008 is de toezichtvisie VROM op zelfstandige organen geactualiseerd naar aanleiding van de nieuwe Rijksbrede kaders en de uitkomsten van een stakeholdersonderzoek. In de nieuwe toezichtvisie («Toezicht op basis van vertrouwen») worden ambities en doelstellingen van goed uitvoeringstoezicht gekoppeld aan methodieken zoals door TopZO ontwikkeld. Collega departementen zijn geïnformeerd over de werkwijze van VROM/TopZO.

Jaarlijks voert TopZO voor ieder ZBO/RWT een risicoanalyse uit. De risicoanalyse bestaat uit de volgende vier onderdelen: kwaliteit taakuitoefening, continuïteit bedrijfsvoering, stabiliteit beleidsterrein en kwaliteit sturingsrelatie. Aandachtspunten die uit de risicoanalyse naar voren komen bepalen in belangrijke mate de intensiteit en inhoud van het toezicht, naast de reguliere activiteiten als beoordeling van de begroting, de jaarstukken en in voorkomende gevallen tariefsvoorstellen en andere taken en bevoegdheden zoals in instellingswetten bepaald. De intensiteit van het toezicht wordt ook gerelateerd aan de maatschappelijke betekenis (bijdrage aan publieke taken) en omvang (in geld en mensen) van een zelfstandig orgaan.

Begin 2008 heeft de minister van VROM richting de Staten-Generaal gemeld welke ZBO’s onder de Kaderwet worden gebracht alsook de mate van overeenstemming (Kamerstukken II, 2007–2008, 25 268, nr. 52).

In 2009 zal de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) de status van ZBO zonder rechtspersoonlijkheid krijgen. De NEa is in 2006 opgericht als baten-lastendienst van VROM. Teneinde de onafhankelijkheid van de NEa te waarborgen en de integriteit van het systeem van emissiehandel te bewaken is het wenselijk om de rol van toezichthouder los te koppelen van het beleidsdepartement.

De volgende ZBO’s en RWT’s behoren tot het beleidsterrein van de minister van VROM.

Bedragen x € 1 000
Naam ZBO (tevens RWT):Kadaster
Doelstelling Kadaster:Het bevorderen van de rechtszekerheid bij het rechtsverkeer inzake registergoederen in Nederland en het bevorderen van een optimale informatievoorziening daarover aan de samenleving. Daarbij ligt het zwaartepunt op onroerende zaken.
Taak Kadaster:Het Kadaster is belast met de kadastrale registratie en het vervaardigen en bijhouden van kadastrale kaarten. Ook houdt het Kadaster een openbaar register bij van registergoederen en wordt de Rijksdriehoeksmeting in stand gehouden. Verder is het Kadaster verantwoordelijk voor het inwinnen, het bijhouden, het beheer en de cartografische weergave van geografische basisgegevens. Tevens verstrekt het Kadaster inlichtingen aan belanghebbenden omtrent de in het kader van de uitvoering van de wettelijke taken verkregen gegevens.
Beleidsartikel:Artikel 91 Algemeen
Raming vanuit VROM-begroting:€ 16 000
  
Naam ZBO (tevens RWT):College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)
Doelstelling Ctgb:Bijdragen aan duurzame landbouw door het beslissen over de toelating van gewasbescher- mingsmiddelen en biociden in Nederland.
Taak Ctgb:Het Ctgb heeft als hoofdtaken: het toelaten van gewasbeschermingsmiddelen en het toelaten of registreren van biociden.
Beleidsartikel:Artikel 7 Verbeteren milieukwaliteit van water en bodem
Raming vanuit VROM-begroting:
  
Naam RWT:Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB)
Doelstelling StAB:Advisering aan de bestuursrechter in geschillen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu waardoor een bijdrage wordt geleverd aan een goede en efficiënte rechtspraak.
Taak StAB:De StAB brengt op verzoek van de bestuursrechter (Raad van State en rechtbanken) onafhankelijke deskundigenberichten uit op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. De onafhankelijke en onpartijdige positie van de StAB is verankerd in de Wet milieubeheer en de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Beleidsartikel:Artikel 91 Algemeen
Raming vanuit VROM-begroting:€ 4 990
  
Naam ZBO (tevens RWT):Stichting Bureau Architectenregister (SBA)
Doelstelling SBA:De Wet op de architectentitel heeft tot doelstelling het scheppen van waarborgen voor de vakbekwame beroepsuitoefening door bouwkundig architecten, stedenbouwers, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten en het uitvoeren van de EU-architectenrichtlijn en consumentenbescherming. Om deze doelen te bereiken is een Architectenregister ingesteld.
Taak SBA:Het SBA beheert het architectenregister.
Beleidsartikel:Artikel 2, operationeel doel stimuleren architectonische kwaliteit voor het interdepartementale architectenbeleid
Raming vanuit VROM-begroting:n.v.t.
  
Naam ZBO (tevens RWT):Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
Doelstelling NEa:Uitvoering van de wet over de handel in NOx- en CO2-emissierechten, zoals opgenomen in hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer.
Taak NEa:Verlenen vanemissievergunningenaan bedrijven die onder emissiehandel vallen; registreren van transacties in de registers; toezien opnalevingvan de vergunning; opleggen vanboetes bij overtredingen.
Beleidsartikel:Artikel 3 Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging
Raming vanuit VROM-begroting:€ 6 578

De Tweede Kamer is bij brief van 10 november 2005 (Kamerstukken II, 2005–2006, 29 383, nr. 38) geïnformeerd over het voornemen het Fonds Luchtverontreiniging op te heffen. Op 27 maart 2007 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Er zijn in 2007 en 2008 geen nieuwe aanvragen binnen gekomen. De uiterste inzendtermijn is voorbij.

Bijlage 2. Overzichtsconstructie Milieu

Toelichting:

In de ministerraad van 24 augustus 2001 is besloten om vanaf de begroting 2003 een Overzichtsconstructie Milieu op te nemen als vervanging van het Milieuprogramma. Dit is een overzicht waarin informatie bijeen wordt gebracht van (onderdelen van) beleidsartikelen van verschillende begrotingen met een milieudoelstelling. In de overzichtsconstructie zijn operationele doelen uit beleidsartikelen van de verschillende departementen opgenomen, exclusief de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en de Baten- en Lastendiensten, die overwegend een uitvoerend karakter hebben.

Het opnemen van een overzichtsconstructie door een daartoe aangewezen minister dient louter een informatiefunctie voor de Staten-Generaal. Op deze wijze wordt het integrale overheidsbeleid op een beleidsterrein zichtbaar gemaakt in één begroting of jaarverslag, ook al wordt het beleid door meerdere ministers ontwikkeld en/of uitgevoerd. De individuele ministeriële verantwoordelijkheid blijft daarbij gehandhaafd.

De Overzichtsconstructie Milieu is opgezet volgens de vigerende Regeling Rijksbegrotingsvoorschriften. Er wordt een overzicht gegeven van alle met milieubeleid in verband staande artikelen en operationele doelstellingen bij VROM en andere ministeries. Begrotingsprestaties en -bedragen worden niet opgenomen; in de begroting van de andere ministeries kan de precieze invulling van het operationele doel worden teruggevonden.

De Overzichtsconstructie Milieu kent primair een thematische indeling waarbij is uitgegaan van de kerntaken van het milieubeleid bij het ministerie van VROM:

1. Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging;

2. Verbeteren van de milieukwaliteit van het water- en bodemsysteem;

3. Verbeteren van de milieukwaliteit van de bebouwde leefomgeving;

4. Beperken van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en vliegtuigen;

5. Beheersen van de risico’s van het omgaan met stoffen, afvalstoffen, straling en GGO’s;

6. Versterken van het algemene (inter)nationale milieubeleid.

Nieuw dit jaar is dat ook de verwijzingen naar begrotingsartikelen/-doelen met milieugerelateerde belastingontvangsten (via het ministerie van Financiën) ter informatie zijn toegevoegd (zie ook de beantwoording in de bijlage Moties en toezeggingen naar aanleiding van het begrotingsonderzoek Begroting 2008, Kamerstukken II, 30 800 XI, nr. 115, 118, 121, 122 en 123).

Aangezien een operationeel doel kan bijdragen aan meerdere taken, komen sommige operationele doelen in de overzichtsconstructie op meerdere plaatsen voor. De overzichtsconstructie bevat geen andere informatie dan in de individuele begrotingen is terug te vinden. De kwaliteit van de informatie is daarom direct afhankelijk van de informatie die is opgenomen in de afzonderlijke departementale begrotingen.

Niet alle ministeries hebben specifieke beleidsdoelstellingen op milieugebied of de milieubijdrage is niet expliciet ondergebracht in een operationeel doel:

• III Algemene Zaken (AZ)

Algemene Zaken heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen significante milieu-uitgaven.

• VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen significante milieu-uitgaven. De Rijksuitgaven voor milieu en stedelijke vernieuwing in het kader van het Grotestedenbeleid 2005–2009 (GSB III) zijn opgenomen in de VROM-begroting en maken onderdeel uit van het extra comptabel overzicht GSB. De minister voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) heeft als coördinerend minister voor het GSB op deze terreinen een medeverantwoordelijkheid.

• VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW)

In het kader van wetenschapsbeleid heeft OCW geen taken en specifieke doelen ten aanzien van milieubeleid. OCW oormerkt geen subsidies of begrotingsbedragen aan milieubeleid.

• IX Financiën (Fin)

Financiën heeft geen specifieke beleidsdoelstellingen op het milieugebied en ook geen significante milieu-uitgaven. Voor de volledigheid is op verzoek van de Tweede Kamer met ingang van deze begroting 2009 voor de fiscale ontvangsten uit de diverse vergroeningsmaatregelen wel een verwijzing in de OCM opgenomen naar het desbetreffende ontvangstenoverzicht in bijlage 3 van de Miljoenennota. Er mag overigens geen relatie gelegd worden tussen fiscale ontvangsten en milieu-uitgaven; milieugerelateerde fiscale ontvangsten zijn uit hun aard niet geoormerkt voor milieu-uitgaven.

• X Defensie (Def)

Naast de zichtbare uitgaven heeft Defensie niet zichtbare milieu-uitgaven in investerings- en exploitatiebudgetten. Deze niet zichtbare uitgaven betreffen onder andere de (meer)kosten voor inkoop van groene stroom, basispakket duurzaam bouwen en energie-efficiënte apparaten en voertuigen en personeelsuitgaven voor de milieu-uitvoeringsorganisatie.

Taak 1: Beperken van klimaatverandering en grootschalige luchtverontreiniging
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
VBZ29Grotere veiligheid en stabiliteit door strijd tegen aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen
VBZ61Bescherming en duurzaam gebruik van milieu en water in de mondiale context en de nationale context in ontwikkelingslanden
XDEF902Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma’s (o.a. milieu-uitgaven)
XIVROM24Garanderen van de minimale bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen en bevorderen van een hogere kwaliteit daarvan
XIVROM31Realisatie Kyoto-klimaatverplichtingen
XIVROM32Post-Kyotoafspraken
XIVROM33Beperken van aantasting van de ozonlaag
XIVROM34Beperken van verzuring en grootschalige luchtverontreiniging
XIVROM92Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies
XIVROM101Adviseren over en implementeren van beleid dat (mede) van toepassing is op de Rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingsstelsel
XIIVenW344Netwerk decentraal/regionaal vervoer
XIIVenW361Leefomgevinghoofdwegen
XIIVenW364Scheepvaart
XIIVenW371Weer, klimaat en seismologie
XIIIEZ43Verduurzaming van de energiehuishouding
XIVLNV2113Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen waaronder glastuinbouw en biologische landbouw
XIVLNV2212Ruimte voor niet-grondgebonden landbouw (glastuinbouw)
     
 FinBijlage 3 Milj.notaTabel 3.2.2Toelichting op de belastingontvangsten
Taak 2: Verbeteren van de milieukwaliteit van het water- en bodemsysteem
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
VBZ62Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen
XDEF902Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma’s (o.a. milieu-uitgaven)
XIVROM41Verbeteren van de milieukwaliteit van de bodem
XIVROM42Saneren van verontreinigde bodems
XIVROM43Verbeteren van de milieukwaliteit van water
XIVROM44Gebiedsspecifieke milieumaatregelen in het landelijk gebied
XIVROM45Bevorderen van duurzamelandbouw
XIVROM91Naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM-toezicht bevorderen
XIVROM92Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies
XIIVenW312Veiligheid
XIIVenW314Waterkwaliteit
XIIVenW362Leefomgevingspoorwegen
XIIVenW364Scheepvaart
XIVLNV2111Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat
XIVLNV2112Bevorderen van maatschappelijk geaccepteerde productievoorwaarden en dierenwelzijn
XIVLNV2113Bevorderen van duurzame productiemethoden en bedrijfssystemen waaronder biologische landbouw
XIVLNV2114Bevorderen duurzame vangst en kweek van vis en schelpdieren
XIVLNV2211Ruimte voor grondgebonden landbouw
XIVLNV2212Ruimte voor niet-grondgebonden landbouw
XIVLNV2311Verwerven EHS (ILG)
XIVLNV2312Inrichten EHS (ILG)
XIVLNV2313Beheren EHS (ILG)
XIVLNV2314Beheer natuur buiten EHS en beschermen van internationale biodiversiteit
XIVLNV2411Nationale landschappen
XIVLNV2711Uitvoeren reconstructie
     
 FinBijlage 3 Milj.notaTabel 3.2.2Toelichting op de belastingontvangsten
Taak 3: Verbeteren van de milieukwaliteit van de bebouwde omgeving
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
VBZ62Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen
XIVROM51Geïntegreerd milieubeleid voor andere overheden
XIVROM52Verbeteren van de lokale luchtkwaliteit
XIVROM53Verminderen van de geluidhinder
XIVROM54Bevorderen van duurzame mobiliteit
XIVROM92Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies
XIVROM101Adviseren over en implementeren van beleid dat (mede) van toepassing is op de Rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingsstelsel
XVIIIWWI23Garanderen van een minimum bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen en het bevorderen van een hogere, duurzame kwaliteit daarvan
XIIVenW344Netwerk decentraal/regionaal vervoer
XIIVenW361Leefomgevinghoofdwegen
XIIVenW362Leefomgevingspoorwegen
XIIVenW363Luchtvaart
     
 FinBijlage 3 Milj.notaTabel 3.2.2Toelichting op de belastingontvangsten
Taak 4: Beperken van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen en vliegtuigen
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
VIIBiZa163Een goede operationel en bestuurlijke organisatie voor een slagvaardige brandweer en GHOR op landelijk en bovenregionaal niveau
XIVROM81Bepalen van de aanvaardbaarheid van risicovolle situaties
XIVROM82Oplossen van niet-aanvaardbare risicovolle situaties
XIVROM83Preventie tegen nieuwe risicovolle situaties
XIVROM92Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies
XIIVenW331Externe veiligheid
XIIVenW332Veiligheid scheepvaart
XIIVenW333Veiligheid luchtvaart
Taak 5: Beheersen van de risico’s van het omgaan met stoffen, afvalstoffen, straling en ggo’s
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
XIVROM61Veilig gebruik van chemische stoffen
XIVROM62Reductie van milieubelasting door afvalstoffen
XIVROM63Bescherming tegen straling
XIVROM64Verantwoorde toepassing van GGO’s
XIVROM91Naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM toezicht bevorderen
XIVROM92Rijksbeleid handhaven en interbestuurlijk toezicht uitvoeren op gemeenten en provincies
XIVROM94Crisismanagement organiseren
XIVROM101Adviseren over en implementeren van beleid dat (mede) van toepassing is op de Rijkshuisvesting en op de doelmatige werking van het Rijkshuisvestingsstelsel
XIIVenW331Externe veiligheid
XIIVenW363Luchtvaart
XIIVenW384Scheepvaart
XIVLNV2511Bevorderen van kwalitatief hoogwaardig voedselaanbod en consumptiepatroon
XVSZW441Verbetering arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuimaanpak
XVSZW502Fin. tegemoetkoming aan werknemers of hun huisgenoten in verband met maligne mesothelioom door asbestblootstelling
     
 FinBijlage 3 Milj.notaTabel 3.2.2Toelichting op de belastingontvangsten
Taak 6: Versterken van het algemene (inter)nationale milieubeleid
 ministerieArtikelNr ODNaam OD
VBZ11Een goed functionerende internationale rechtsorde
VBZ29Grotere veiligheid en stabiliteit door strijd tegen aantasting van het milieu en vernietiging van ecosystemen
VBZ31Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt
VBZ32Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen of regio’s
VBZ33Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de EU ten opzichte van ontwikkelingslanden of -regio’s
VBZ43Verhoogde economische groei en verminderde armoede als gevolg van gezonde private sector ontwikkeling in ontwikkelingslanden
VBZ61Bescherming en duurzaam gebruik van milieu en water in de mondiale context en de nationale context in ontwikkelingslanden
VBZ62Duurzaamwaterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzaam toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen
XDEF902Beheersing en ontwikkeling van departementsbrede programma’s (o.a. milieu-uitgaven)
XIVROM71Strategieontwikkeling en adequaat generiek instrumentarium
XIVROM72Internationaalmilieubeleid
XIVROM73Gecoördineerd milieubeleid voor industrie en MKB
XIVROM74Overheidsbeleid voor duurzame ontwikkeling
XIVROM91Naleving van nationale en internationale regelgeving vallend onder VROM-toezicht bevorderen
XIVROM93Wettelijke taken prioriteren en relevante maatschappelijke signalen selecteren
XVIIIWWI23Garanderen van een minimum bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit van gebouwen en het bevorderen van een hogere, duurzame kwaliteit daarvan
XIIVenW361Leefomgevinghoofdwegen
XIIVenW362Leefomgevingspoorwegen
XIIVenW363Luchtvaart
XIIVenW364Scheepvaart
XIIIEZ22Meer ontwikkeling en benutting van technologische kennis door bedrijven
XIIIEZ23Topprestaties op innovatiethema’s
XIIIEZ32Meer en beter ondernemerschap (MVO kenniscentrum en onderzoeken)
XIVLNV2111Verbeteren van ondernemerschap en ondernemersklimaat
XIVLNV2115Bevorderen van duurzame ketens
XIVLNV2313Beheren EHS
XIVLNV2314Beheer van natuur buiten de EHS en beschermen van de internationale biodiversiteit
XIVLNV2615Kennisontwikkeling en innovatie
XIVLNV2616Waarborgen en vernieuwen onderzoek en onderwijs
XIVLNV2711Uitvoeren reconstructie
XVIVWS412Het voorkomen van gezondheidsschade door onveilig voedsel of onveilige producten
XVIVWS461Mensen sporten en bewegen meer voor hun gezondheid
XVIVWS987Gezondheidsraad

Bijlage 3. Nalevingsstrategie VROM-Inspectie

De geprioriteerde wettelijke taken van de VROM-Inspectie:

De VROM-Nalevingsstrategie (NLS) wordt gebruikt om de grote diversiteit van werkzaamheden van de VI te richten. Het bestaat uit een tweetal sporen. Het risicogerichte of wettelijke taken spoor en het van «buiten naar binnen» of probleemgerichte spoor. In dit begrotingsartikel wordt het wettelijke taken spoor gebruikt bij de geprioriteerde onderwerpen. De wettelijke taken zijn in bijgevoegde prioriteitenkwadranten gescoord aan de hand van risico’s (kans * effect). Deze worden afgezet tegen de inschatting van de naleeftekorten per wettelijke taak.

VROM heeft circa 270 wetten en convenanten, subsidieregelingen en beleidsafspraken gescreend op risico en gescreend op risico en naleving en deze ingedeeld in vier kwadranten:

• Is het risico groot en het nalevingstekort groot, dan pakt de VROM-Inspectie deze taak met voorrang op. Hier is de noodzaak tot toezicht immers het grootst;

• Is het risico groot en het nalevingstekort klein, dan wordt er regulier toezicht gehouden met als doel de risico’s zo klein mogelijk te houden. Bij andere controles wordt door quick scans en een harde aanpak van het relatief geringe aantal overtreders druk op de ketel gehouden;

• Is het risico klein en het nalevingstekort groot, dan is controle vaak niet nodig. Het kan namelijk gaan over onbekende, onduidelijke of nauwelijks geaccepteerde regels. In dergelijke gevallen zal de VROM-Inspectie zich al dan niet samen met anderen inspannen om regels te verbeteren, te vereenvoudigen of te verduidelijken. Ook komt het voor dat de VROM-Inspectie adviseert regels in te trekken omdat ze eigenlijk niet zijn te handhaven;

• Bij een klein risico en een klein nalevingstekort heeft handhaving van deze wet geen prioriteit.

Naast deze vier kwadranten is net als in 2008 een vijfde kwadrant opgenomen waarin alle taken staan vermeld waarbij het risico, dan wel de naleving, onbekend zijn.

In de tabellen van de bijlage treft u de prioriteitenmatrix van de VROM-Inspectie aan voor de begroting 2009.

CodeWettelijke taakRegelingToelichting kernbepa- lingenDoelgroepToezichtCodeWettelijke taakRegelingToelichting kernbepa- lingenDoelgroepToezicht
Groot risico, Klein naleeftekortGroot risico, Groot naleeftekort
1A.14bWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit gene- tisch gemo- dificeerde organismen (veldproeven)Vergunning en meldingsplicht veld- proeven.onderzoeksbedrijven en boerenNLT1B.03aKernenergiewet (art. 32)Besluit detectie radioactief besmet schrootVerplichting tot metenSchrootbedrijvenNLT
3G.11gNota RuimteBorging van de veiligheid tegen over- stromingen (gemeenten)Behoud en vergroting van de ruimte voor grote wateren (RHS)gemeentenNLT1D.01bEuropese verordening 259/93 betreffende toezicht op overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de EU (EVOA) Verdrag van BaselEvoa (ACS/Oost Europa/niet OESO) (hoog risico stromen)ontdoener, transporteur, makelaarNLT
1A.14aWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit gene- tisch gemo- dificeerde organismen (gentherapie)Vergunning en meldingsplicht gen- therapie. Academische ziekenhuizenNLT1J.42Wet milieubeheerBesluit exter- ne veiligheid inrichtingen (wm-vergun- ningen)Normen en afstanden inzake risico relevante bedrijven en emplacementenBedrijvenIBT
3G.04gNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (180 hectare Hoeksewaard) (doelgroep gemeenten)Gemeente dient zich te houden aan het rijksbeleid voor de Haven Rotterdam (RHS) (180 hectare Hoeksewaard)GemeentenNLT2A.dWoningwetWoningwet: sloop (incl. asbestverwij- dering)Regelgeving die het zorg- vuldig slopen van gebou- wen regelt (o.a. asbest- verwijdering (woningwet incl. asbest- verwijderingsbesluit wms)eigenaren van gebouwenIBT
1B.05cKernenergiewet (art. 15, onder a)Besluit ver- voer splijt- stoffen, ertsen en radioactieve stof- fen/vergun- ninghouders (Vervoer splijtstoffen, onbestraald, bestraald, kernsplijtingafval)vergunningplicht voor vervoerNederlandse nucleaire inrichtingen en buitenlandse ver- voerbedrijvenNLT3F.06Wet milieubeheer en Wet op de Ruim- telijke Orde- ningBesluit exter- ne veiligheid inrichtingen (afstanden in bestemmingsplannen)Normen en afstanden inzake risico relevante bedrijven en emplacementenGemeentenNLT
1J.01Wet milieubeheerBesluit Risi- co’s Zware OngevallenVeiligheidsbeheer grote industriële bedrijvenrisicovolle inrichtingenIBT3F.09Wet milieubeheerHfdst. 9 Besluit gene- tisch gemo- dificeerde organismen (veldproeven: incidenten zoals moed- willige vernie- ling, vanda- lisme)Vergunning en meldingsplicht veld- proeven. onderzoeksbedrijven en boerenNLT
1J.a1Wet milieubeheerWet milieubeheer (IPPC- TOP-bedrij- ven, vergun- ningverlening en handhaving incl. MJV en MER)IPPC-TOP-bedrijven, vergunningverlening en handhavingbedrijvenIBT1A.RWet milieubeheerREACH Verordening EG Nr. 1907/2006Nieuwe EU- verordening: bedrijven worden zelf verantwoordelijk voor omgang met stoffen. VI moet hier in vanaf 1-1-2007 op gaan hand- haven.fabrikant, producent, importeur of downstreamgebruikerNLT
3G.11pNota RuimteBorging van de veiligheid tegen over- stromingen (provincies)Behoud en vergroting van de ruimte voor grote wateren (RHS)provinciesNLT1J.01bWet inzake de luchtverontreinigingBesluit zwa- velgehalte brandstoffen Wlv (zeeschepen)Maximum zwavelgehalte in brandstoffen van zee- schepenGebruikers van de betreffende brandstofNLT
1A.11aWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit ozon- laagafbreken- de stoffen (importeurs, handel)verbod op productie, import en voor handen hebben CFK’s en HCFK’s (gasleveran- ciers, vaste voorraden naast koel- installaties)Importeurs en handelaren CFKNLT Wet milieubeheerREACH RegistratieTitel II van de REACH-veror- deningproducten, fabrikanten, importeursNLT
1B.04aKernenergiewet (art. 29 en 34)Besluit stra- lingsbescher- ming (Inrich- tingen)Vergunningplicht of mel- dingsplicht voor hande- lingen met radioactieve stoffen en toestellenziekenhuizen, laboratoria, onderzoeksinstellingen, etc. NLT  Wet milieubeheerREACH InformatieTitel IV van de REACH-verordeningNLT
1I.04Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit ver- branden afvalstoffen (BVA)Emissie-eisen AVI’s, ver- brandingsinstallaties, medeverbran- dingsinstal- latiespaar grote afvalverbrandersIBT Wet milieubeheerREACH Auto- risatiesTitel VII van de REACH-verordeningfabrikant, importeur of downstreamgebruikerNLT
3A.01Wet op de Ruimtelijke OrdeningToetsen bestemmingsplannen in relatie muni- tieopslag bij defensie-inrichtingenVanaf 2006 jaar in samen- werking met groepen overhedenMarineLuchtmachtLandmachtGemeentenIBT Wet milieubeheerREACH RestrictiesTitel VIII van de REACH-verordeningfabrikant, importeur of downstreamgebruikerNLT
1A.12Wet milieubeheerRegeling lekdichtsheidsvoorschriften koelinstal- latiesonderhoudseisen koel- installaties; onderhoud door erkend installateureigenaren van een koelinstallatie en instal- lateursNLT1a.11gEuropese verordening 842/2006 inzake bepaalde gefluoreerde stoffenF-gassen verordeningVerbodsbepalingen ten aanzien van het op de markt bren- gen van bepaalde gefluoreerde stoffen voor specifieke toepassingen, controle en onderhoudseisen voor onder meer stationaire koelinstal- laties met HFK’s.Gebruikers koel- en air- conditioningsystemen, blusappa- ratuurNLT
1A.35cWet milieubeheerRegeling lekdichtsheidsvoorschriften koelinstal- laties (Defen- sie, Luchtmacht)Bestuurlijke handhaving VI, opsporing door mare- chausseeLuchtmachtNLT1A.35bWet milieubeheerRegeling lekdichtsheidsvoorschriften koelinstal- laties (Defensie, Marine)Bestuurlijke handhaving VI, opsporing door mare- chausseeMarineNLT
1J.18Wet milieubeheerWet milieubeheer 8.40 AmvB’s besluit LPG- tankstations milieubeheerRegels voor het drijven van LPG- tankstations (inrichting)inrichtingenIBT1C.02WaterleidingwetWaterleidi ngbesluit collectieve installatiesZorgplicht voor eige- naren van collectieve waterleidinginstallaties. Verplichte legionellapreventie bij specifieke collectieve installaties. Toepassing alternatieve technieken bij legionellapreventie op basis van beleidsbrie- ven gedifferentieerd handhaven.Collectieve leidingwaterinstallaties van alle bedrijven en instellingen, aanvullende eisen bij aan- gewezen doel- groepen voor legionellapreventie.NLT
1K.22Wet milieubeheerSchietbanenVI is primair handhaver defensie-inrichtingen (bijlage II Ivb/Wm)DefensieNLT1R.iWet explosieven voor civiel gebruikWet explosieven voor civiel gebruik (de wet zelf)In- en door- voer, kwaliteit en gebruik van explosieven voor civiel gebruikimporteurs, gebruikers, opslagbedrijvenIBT
1B.02aKernenergiewet (art. 15, onder b)Besluit kern- installaties, splijtstoffen, ertsen (Nu- cleaire inrichtingen)Vergunningplicht voor oprichten en bedrijven inrichtingennucleaire inrichtingenNLT1R.pWet explosieven voor civiel gebruikWet explosieven voor civiel gebruik: (de wet zelf)In- en door- voer, kwaliteit en gebruik van explosieven voor civiel gebruikImporteursGebruikersOpslagbedrijvenNLT
1B.09KernenergiewetBeveiligingsrichtlijn Kew (BRK’93)Verplichting om inrichting te beveiligen tegen onbe- voegde beïn- vloedingnucleaire inrichtingen, nucleaire transportenNLT3A.03bWet luchtvaartRegelgeving Burgerlucht- havens en Militaire Luchthavens (RBML)luchthavenbesluiten en -regelingen voor regio- nale, natio- nale en mili- taire luchtha- vens. Door- werking in bestemmingsplannenGemeenten, rijk, provincies, en exploitanten luchthavensIBT
1B.10KernenergiewetKernenergiewet, Non- proliferatie verdrag, Protocol van AlmeloVerbod op verspreiding van splijtstoffen en nucleaire technologienucleaire inrichtingen, onderzoeksinstitutenNLT1A.11cWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit ozon- laagafbreken- de stoffen (BOAS)tegengaan lekverliezen bij koelinstal- laties en brandblussystemenEigenaren koelinstalla- ties en brand- blussystemenNLT
3G.03gNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (gemeenten)De gemeente dient zich te houden aan het rijksbeleid voor verster- king luchtha- ven Schiphol (RHS) (o.a. niet bouwen in gebieden waar dit van- uit geluid en veiligheidsoverwegingen niet wenselijk is)GemeentenNLT1B.01Kernenergiewet (art. 29 en 32)Besluit stra- lingsbescher- ming (HASS- bronnen)vergunningplicht en registratieplicht voor grote bronnencirca 100 bedrijven dat grote bronnen voorhanden heeftNLT
1J.xbWet milieubeheerVuurwerkbe- sluit (opslag consumentenvuurwerk, professioneel, bezigers NL, >= 10 000 kg)Opslag con- sumenten vuurwerk >= 10 000 kg, theatervuurwerkVuurwerkbrancheIBT1B.03bKernenergiewet (art. 22, 33 e.a.)Diverse rege- lingen (project KEW Signa- len)Diverse meld- plichtbepalin- genDiverse bedrijvenNLT
1C.01aWaterleidingwetWaterleidingbesluit (water- leidingbedrij- ven)Kwaliteitseisen drink- water en leveringszekerheid.WaterleidingbedrijvenKwaliteitseisen drink- water. Toepas- sen leveringszekerheid. Toetsen micro-bio- logische veiligheid. Uitvoeren benchmark. Rapportageverplichting.NLT1D.02aEuropese verordening 259/93 betref- fende toezicht op overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de EU (EVOA) Ver- drag van BaselEvoa (OESO vergunning, export bouw- en sloopafval)Vergunning om afvalstoffen in, uit en door te voe- ren naar de genoemde landenontdoener, transporteur, makelaar, verwerkerNLT
3G.13pNota RuimteBorging en ontwikkeling van natuurwaardenRealisatie robuuste ecologische verbindingen (RHS)provinciesNLT1G.cWet geluidhinderBesluit geluid- hinder spoor- wegenBij saneringssituatie en wijziging aan het spoor is VI primair bevoegdProRailNLT
1A.22bWet milieubeheerPCB, PCT en Chlooretheenbesluit en regeling ver- wijdering PCB’s (rem- thrusters)Verbod op in bedrijf heb- ben van PCB’s bevattende remthrustersEigenaren en verwerkersNLT1H.04Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocidenVerbod op gebruik van niet-toege- laten biocidenProducenten, importeurs, industriële gebruikers van biociden. NLT  
3G.19gNota RuimteBorging van de veiligheid van de kust met behoud van (inter)nationale ruim- telijke waar- den (gemeenten)Behoud en ontwikkeling van de (na- tuurlijke) dynamiek van het kustfun- dament (RHS)gemeentenNLT3A.03b2Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan– handhaving (gebieden aangewezen in kader res- trictief beleid en bufferzones) (gemeen- ten)gebieden aan- gewezen in kader restric- tief beleid en bufferzones– Actualiteit van bestemmingsplannen– Bouw- en aanlegvergun- ningen– Vrijstellingen (art. 15, 17 en 19)– Gebruik gebouwen en grondengemeentenIBT
      3G.09gNota RuimteVergroting van milieukwaliteit en veiligheid (gemeenten, provincies)Voorkoming van nieuwe ongewenste risico’s regio- nale en kleine luchthavens (BK)Gemeenten, ProvinciesNLT
      3G.12gNota RuimteBorging en ontwikkeling van natuurwaarden (gemeenten)Bescherming, instandhouding en ont- wikkeling EHSgemeentenNLT
      1A.08aWet milieugevaarlijke stoffenAsbestverwij- deringsbesluit (eigenaren objecten)Asbestsane- ring van objecteneigenaren objecten (ver- wijderingsbedrijven, laboratoria)NLT
      1A.09bWet milieugevaarlijke stoffenBesluit Asbest- wegenSanering asbestwegen. Eigenaar asbestwegNLT 
      1A.09cWet milieugevaarlijke stoffenProductenbesluiten asbest (asbest in puin)verbod op invoer, voor- handen heb- ben en toe- passen van asbesthou- dende pro- ductenPuinbrekers, toepassers puin, opslag puin, verwer- kers puinNLT
      1A.25Wet milieubeheerVuurwerkbesluit1) Classificatie prof. vuur- werk2) ketencon- troles3) Veiligheid consumenten vuurwerk4) Buitenland- se bezigersVervoer is geen taak van VI maar van IVW, opslag is interbestuur- lijk voor VI.VuurwerkbrancheNLT
      1B.04bKernenergiewet (art. 29 en 32)Besluit stra- lingbescher- ming (Werk- zaamheden met natuurlijke radioactieve stoffen)Vergunningplicht of mel- dingsplicht voor werk- zaamheden met radioactieve stoffenDiverse bedrijvenNLT
      1G.bWet geluidhinderWet geluidhinder (indus- trie zonering)Toezicht op correct beheer geluidzoneIndustrieIBT
      1J.44b4Wet milieubeheerLAP Landelijk afval beheer- plan afvalstof- fen grote kans, groot effectKetenhand- having vol- gens de 5 geprioriteerde deelstromen uit de LAP- rapportagesBedrijvenIBT
      1K.05bWet milieubeheerBesluit beheer elektrische apparatuur ((H)CFK-hou- dende koel/ vriesappara- tuur)– Handels- verbod in (H)CFK-hou- dende koel/ vriesappara- tuur– Implementatie van ROHS richtlijnKringloop branche, exportNLT
      3A.03b6Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (hand- having ruimte voor de rivier) (gemeenten)gebieden val- lend onder Ruimte voor de Rivier– Actualiteit van bestemmingsplannen– Bouw- en aanlegvergun- ningen– Vrijstellingen (art. 15, 17 en 19)– Gebruik ge- bouwen en grondengemeentenIBT
       Wet milieubeheer, Wet milieugevaar- lijke stoffen, Wet op de Ruimtelijke OrdeningAMvB BuisleidingenLeidingexploi- tantenIBT
       Wet milieubeheer, Wet milieugevaar- lijke stoffen, Wet op de Ruimtelijke OrdeningAMvB BuisleidingenAndere overhedenIBT
      1C.01bWaterleidingwetWaterleidingbesluit (eigen winningen)meetverplich- tingeigen winnin- genNLT
      1D.02dEuropese verordening 259/93 betref- fende toezicht op overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de EU (EVOA) Ver- drag van BaselEvoa (OESO nieuwe toetre- ders EU)EVOA mbt nieuwe toetre- ders EU*ontdoener, transporteur, makelaar, verwerkerNLT
      2A.01WoningwetBouwbesluit (CE markering)Verbod op toepassen van bouwmaterialen zonder CE-markering. Toeleverende industrie in de bouwNLT
      3A.03b5Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (handha- ving overig buitengebied) (gemeenten)overig buiten- gebied m.n. tav: solitaire burgerwonin- gen, niet- agrarische bedrijven, uit- breiding/nieuw-vesti- ging inten- sieve veehou- derij, vrijko- mende agra- rische bebou- wing, kassen en windenergie– Actualiteit van bestemmingsplannen– Bouw- en aanlegvergun- ningen– Vrijstellingen (art. 15, 17 en 19)– Gebruik gebouwen en grondengemeentenIBT
       Mooi Neder- landDuurzame en vitale land- bouwBundeling van niet-grond- gebonden landbouw: megastallengemeentenNLT
       Nota Ruimte/ Mooi Neder- landDuurzame en vitale land- bouwBundeling van niet-grond- gebonden landbouw: geïsoleerd glasgemeentenNLT
      1A.15Wet milieubeheerHfdst. 9 Besluit PAK- houdende coatings en productentoepassingsverbodProducenten, importeurs en gebruikersNLT
      1J.33aWet milieubeheerBesluit vrij- stellingen stortverbod en afvalstof- fenverbranding buiten inrichtingen– Mogelijkheid van storten en verbranden afvalstoffen buiten inrich- ting– Grenswaarden waarbij stor- ten (buiten inrichtingen) van voor bag- gerspecie, bodemas en bollengrond algemeen is vrijgesteld– vrije veld, agrariërs– Afval ver- brandingsinstallaties, waterkwali- teitsbeheerders, en an- dere toepas- sers zoals boeren en bloembollenkwekersIBT
      1J.46Wet milieubeheerOplosmiddelen- besluit omzet- ting EG-VOS-richtlijnen milieubeheerBepaalde emissiegrenswaarden mogen niet worden overschredenInrichtingen die veel oplosmiddelen gebruikenIBT
       Nota Ruimte/ Mooi Neder- landVerbetering van de leef- baarheid en van de sociaal-econo- mische positie van stedenOptimale benutting van de verdich- tingsmogelijkhedengemeenten/gemeentelijke samenwerkingsverbandenNLT
       Wet geluidhinderVerlenen ho- gere grens- waarden bij weg- en spoorverkeerBij wijziging of aanleg van (spoor)weg geldt een zone waar- binnen de grenswaarde voor de geluidbelas- ting op de gevel van woningen mag worden verhoogd tot hogere grens- waarde. Deze wordt vastge- steld door B+W als er geen maatre- gelen moge- lijk blijven.GemeentenIBT
      3G.05gNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (clustering van chemische bedrij- ven) (doel- groep ge- meenten)Gemeente dient zich te houden aan het rijksbeleid voor de Ha- ven Rotterdam (RHS (clustering van chemische bedrij- ven)GemeentenNLT
      2A.aWoningwetWoningwet: nieuwbouwBrandveilig- heid, con- structieve veiligheid, binnenmilieuRegelt de minimum kwaliteit van nieuwbouw (alle gebou- wen) (Wo- ningwet incl. bouwbesluit & AmvB’s en welstand)vergunning aanvrager opdrachtgeverIBT
      2A.bWoningwetWoningwet: bestaande bouwBrandveilig- heid, con- structieve veiligheid, binnenmilieuEisen aan bestaande bouw (Wo- ningwet incl. Bouwbesluit)eigenaren van gebouwenIBT
      2D.aHuisvestingswetHuisvestingswet (onrechtmatige bewo- ning)Het buiten de verdelingsregels bewo- nen van een woning die tot het distribu- tiebestand behoort (ge- meente past dus Hvw toe).burgersIBT
      3A.03b8Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (hand- having exter- ne veiligheid stedelijk ge- bied, vuur- werkbedrij- ven, en be- sluit externe veiligheid inrichtingen) (gemeenten), buisleidingen incl. chemica- liën, CO2, etc.stedelijk ge- bied, tav besluit exter- ne veiligheid, vuurwerkbedrijven en besluit exter- ne veiligheid inrichtingen, structuursche- ma buisleidingen– Actualiteit van bestemmingsplannen– Bouwvergun- ningen– Vrijstellingen (art. 15, 17 en 19)– Gebruik gebouwen en grondengemeentenIBT
      3G.21gNota RuimteBorging van de veiligheid van het IJssel- meergebied met behoud van (inter)nationale ruim- telijke waar- den (Borging ruimte voor dijkverster- king, RHS gemeenten)Borging ruimte voor dijkverster- king (RHS)gemeentenNLT
      3G.15gNota Ruimte/ Mooi Neder- landBorging en ontwikkeling van bijzonde- re landschappelijke en cultuur histo- rische waar- denBehoud en versterking van landschappelijke, cultuurhistorische andere kernkwalitei- ten van natio- nale land- schappen (RHS)gemeentenNLT
      1A.04Wet milieubeheerHfdst. 9.2 Informatieplicht produc- tie en importHet registre- ren van gevaarlijke stoffen1) producenten2) importeurs3) handelaren in chemicaliënNLT
      1EWet BodembeschermingWet Bodembeschermingsaneringsrege- ling:– zorgplicht (art.13)– incidenten (30 e.v.)– sanerings- voorschriften mbt sane- ringsresultaat– kwaliteit saneringsplan– kwaliboproce- duresburgersbedrijvenadviesbureausoverhedenNLT/IBT
      1E.07Wet BodembeschermingBesluit bodemkwaliteitgemeenten, bedrijven, bodemintermediairs, certificerende instellingenNLT/IBT
      1J.bWet milieubeheerWet milieubeheer (risico- volle bran- ches en con- cerns, niet zijnde TOP- bedrijven, vergunningverlening en handhaving)Vergunningverlening en handhaving in risicovolle branches en concerns niet zijnde TOP- bedrijvenbedrijven die net onder de drempelwaardes van wet en regelgeving vallen, transport, grootschalige overslag nieu- we energievormen zoals LNG en waterstof.IBT
      1K.09Wet milieubeheerBesluit inza- melen afval- stoffen (ver- gunningen)Vergunningplicht + nale- ving voor- schriftenInzamelaars scheepsafval, KCA, afge- werkte olieNLT
      3A.03b1Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (handha- ving EHS, Vogel- en Habitatricht- lijn, Flora- en Faunawet)gebieden begrensd als EHS, Vogel- en Habitatrichtlijn, Flora- en Faunawet– Actualiteit van bestemmingsplannen– Bouw- en aanlegvergun- ningen– Vrijstellingen (art. 15, 17 en 19)– Gebruik gebouwen en grondengemeentenIBT
      3B.02PKB’sDerde Nota Waddenzeehandhaving kernwaarden WaddengebiedNLT
Klein risico, Klein naleeftekortKlein risico, Groot naleeftekort
3F.05p1TracéwetTracébesluit (geluid)Alle tracébesluiten (o.a. HSL en Betuwelijn) (Rijkswaterstaat ook bevoegd gezag)Provincies en GemeentenNLT1G.01Wet geluidhinderBesluit uitlaatsystemen motorvoertuigen en bromfietsenBurgers, bedrijvenNLT
1A.35aWet milieubeheerOnderliggen- de besluiten met een primaire bevoegdheid binnen inrich- tingenBestuurlijke handhaving VI, opsporing door mare- chausseeDefensieNLT1J.20Wet milieubeheerBesluit en convenanten milieuverslag- leggingDe VI haalt cijfers uit de verslagen voor de Emis- siemonitor, het Europees emissieregis- ter van ver- ontreinigende stoffen (EPER), het Kyoto proto- col en het Verdrag betreffende grensover- schrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van de Econo- mische com- missie van Europa van de Verenigde Na- ties (Unece). TOP-bedrij- ven, E-PRTR- bedrijvenIBT 
1D.02cEuropese verordening 259/93 betref- fende toezicht op overbrenging van af- valstoffen binnen, naar en uit de EU (EVOA) Ver- drag van BaselEvoa (OESO groene lijst regime)Groene lijst regimeontdoener, transporteur, makelaar, verwerkerNLT2D.bHuisvestingswetHuisvestingswet (statushouders)Het buiten de verdelingsre- gels bewonen van een wo- ning die tot het distribu- tiebestand behoort (ge- meente past dus Hvw toe). gemeentenIBT
1G.dWet geluidhinderAWACS grensover- schrijdendVI-Zuid heeft zitting in AWACS-cieLuchtmachtNLT1A.31Wet milieubeheerOntwerpbesluit met koperverbin- dingen ver- duurzaamd houtImport etc. Producenten, gebruikers, importeurs,NLT
1I.01Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit emis- sie-eisen stookinstal- laties milieu- beheer AEmissie-eisen aan stookinstallaties milieubeheer Agrotere bedrijvenIBT1J.44b1Wet milieubeheerLAP Landelijk afval beheer- plan (keten- handhaving)KetenhandhavingBedrijvenIBT
1J.50Wet milieubeheerCO2-regeling (Tijdelijke Subsidieregeling CO2-reductie Gebouwde Omgeving 2006)IBT WoningwetGebruiksbesluit brandveilige bouwwerken 
1J.51Wet milieubeheerTELI-regeling (subsidieregeling energiebesparing voor lagere inkomens)IBT1E.03Wet BodembeschermingBesluit verplicht bodemonderzoek bedrijfsterreinenBedrijvenNLT/IBT
1K.02bWet milieubeheerBesluit beheer autobandenMeldingsplicht voor producenten en importeurs en oud voor nieuw rege- lingGehele auto- bandenketenNLT1I.02Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit emis- sie-eisen stookinstal- laties milieu- beheer BEmissie-eisen aan stookinstallaties milieubeheer Bkleinere bedrijvenIBT
1K.05cWet milieubeheerRegeling beheer elek- trische appa- ratuurOud voor nieuw, bepa- lingen verwer- kingsdoelstellingenDetaillisten, gemeenten, producentenNLT1J.28Wet milieubeheerBesluit stort- plaatsen en stortverboden (BSSA), inclu- sief Annex IIStortverbod en algemene acceptatievoorwaarden inclusief de regeling geconditioneerde afval- stoffen en Annex IIstortplaats exploitantenIBT
1K.18Wet milieubeheerBesluit stort- plaatsen en stortverboden (BSSA)Naleving ont- heffingen van stortverboden (afgegeven door minis- ter), eisen aan de vergunningStortplaats exploitantenNLT1LWet stankemissie vee- houderijen in landbouwontwikkelings en -verwervings- gebiedenWet stankemissie vee- houderijen in landbouwontwikkelings en -verwervings- gebiedenRegelt stank- emissies voor veehouderijen in reconstruc- tiegebieden Toetsing zone- ring in kader bestemmingsplan/ reconstructieplan is primai- re taak (zie primaire wet- telijke 3c.5p)overhedenIBT
3G.15pNota RuimteBorging en ontwikkeling van bijzonde- re landschappelijke en cultuur histo- rische waardenBehoud en versterking van landschappelijke, cultuurhistorische andere kernkwalitei- ten van natio- nale land- schappen (RHS)provinciesNLT Nota Ruimte/ Mooi Neder landBehoud en versterking van de varia- tie tussen stad en landSnelwegpano- rama’sgemeentenNLT
1A.11dWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit ozon- laagafbre- kende stoffen (eigenaren halonblusinstallaties)Verbod op het bezitten van een Halon blusinstallatie (uitfase- ring)NLT1A.22aWet milieubeheerPCB, PCT en Chlooretheenbesluit en regeling verwij- dering PCB’s (trafo’s)Verbod op productie, invoer, toe- passen, voor- handen heb- ben en ver- handelen van onderhavige stoffen. Ver- bod op in be- drijf hebben van PCB’s bevattende trafo’s en condensatorenEigenaren en verwerkersNLT
1B.06Kernenergiewet (art. 67)Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afval- stoffenVergunningplicht voor in-, uit- en door- voerDiverse bedrijvenNLT1K.21Wet milieubeheerBrandstofopslagVI is primair handhaver defensie-inrichtingen (bijlage II Ivb/Wm)LuchtmachtNLT
1J.44b2Wet milieubeheerLAP Landelijk afval beheer- plan, afval- stoffen geringe kans, groot effectKetenhand- having vol- gens de deel- stromen uit de LAP-rap- portageBedrijvenIBT3A.03b7Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (hand- having per- manente bewoning recreatiewoningen) (gemeenten)permanente bewoningrecreatiewoningen– Actualiteit van bestemmingsplannen– Gebruik woningengemeentenIBT
1J.44aWet milieubeheerLAP Landelijk afvalbeheerplan (minimum standaarden)– Snel veran- derende grondstofprijzen leiden tot afwijkingen van de minimumstandaard– Taak heeft relatie met IPPC, TOP-be- drijven en ver- gunningen– Duurzaamheid kan in de toe- komst op 4 komen als gevolg van uitputting en verkeerd gebruik van grondstoffenBedrijven, overhedenIBT3F.02gFlora en FaunawetFlora en Faunawet (Ro, gemeenten)behoud en ontwikkeling van biodiversiteitGemeentenNLT
1J.a2Wet milieubeheerWet milieubeheer (IPPC- bedrijven, TOP-bedrij- ven, vergun- ningverlening en handhaving)IPPC-bedrij- ven, TOP- bedrijven, vergunningverlening en handhaving, specifiek geurbedrijvenIBT WoningwetRegeling energiebesparing gebouwen (BEG/REG) 
1K.05aWet milieubeheerBesluit beheer elektrische apparatuur (producenten en importeurs).Mededelingsplicht voor producenten en importeurs.Producenten en importeurs van elektrische appara- ten.NLT1a.11fWet milieubeheerBesluit Broeikasgassen– Vermindering van de emis- sie van ge- fluoreerde broeikasgas- sen– Toepassing producten met (H)FK’s en het voor- handen heb- ben van deze stoffenproducenten, handelaren, import en gebruikersNLT
1A.23Wet milieubeheerBesluit organische oplosmiddelen, verven, vernissenProducenten, gebruikers, importeurs, exporteurs, handelarenNLT1A.32Wet milieubeheerBesluit arseenbehandeld houtImport etc.Producenten, gebruikers, importeurs.NLT
1A.24Wet milieubeheerBesluit detergentiaOp 8 oktober 2005 in wer- king getredenIndustrieNLT1I.06Wet milieubeheerWet luchtkwaliteitHet rapporteren aan de EU en let op basis van gemeentelijke rappor- tage-actie- plannen op- stellen in geval van overschrijdingen normenProvincies en GemeentenIBT
1B.07Kernenergiewet (art. 21 en 32)Vrijstellingsbesluit (defen- sie-inrichtin- gen)Verbod zon- der autorisatie splijtstoffen en/of radio- actieve stof- fen toe te passendefensie inrichtingenNLT1J.47Wet milieubeheerScheepsafval- stoffenbesluit Rijn- en binnenvaartOrganisatie en financiering van de afvalinzameling van de binnenvaartIBT
1K.10Wet milieubeheerRegeling inzamelen afvalstoffen (registratieplicht)RegistratieplichtVervoerders, Inzamelaars, Handelaars, BemiddelaarsNLT1J.cWet milieubeheerWet milieubeheer (overige IPPC-bedrij- ven, vergun- ningverlening en handhaving)overige IPPC- bedrijven, vergunningverlening en handhaving)bedrijvenIBT
1A.07bWet milieubeheerBesluit uitvoe- ring verordening in- en uitvoer milieu-gevaar- lijke stoffen (exporteurs)verbod in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke stoffen2) exporteursNLT3F.07Wet luchtvaartSchipholwetLuchthavenindelingsbesluit. Door- werking be- stemmingsplannen (beperkingengebied)GemeentenNLT
2D.dHuisvestingswetHuisvestingswet (overige onderwerpen, object gericht)Gebruik wo- ningvoorraad: objectgericht (splitsen, samenvoegen, onttrek- ken, vorderen)gemeenten resp. woning- eigenarenIBT3G.06gNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (gemeenten)Bevordering ontwikkeling TOP-projecten (RHS)GemeentenNLT
1A.17dWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG-verbods- richtlijn (par. 5 benzeen)Verbod ben- zeenhandel/voorraad (nvt op brandstof in inwendige motoren)Handel, opslag, fabrikantenNLT3G.24gNota RuimteVoorkoming knelpunten bij de ondergrondse ordening (gemeenten)Waarborging veiligheid rondom hoofdtrans- portleidingengemeentenNLT
1J.04Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit type- keuring lucht- verontreiniging voor trekkers en motoren voor mobiele machinesEmissie-eisen voor NOx, VOS en fijn stof door trek- kers en moto- ren voor mo- biele machi- nes. Produ- centen/impor- teurs/gebrui- kersNLT  Mooi Neder- landOntwikkeling van duurzameenergiebronnenWindenergiegemeentenNLT
1J.05Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit type- keuring motorrijtuigen luchtverontreinigingEmissie-eisen voor NOx, VOS en fijn stof door auto’s. De eisen gelden voor produ- centen van auto’s.ProducentenNLT1A.19Wet milieubeheerCadmiumbesluitMaximum gehalte 0,1% cadmium in (onderdelen van) produc- tenProducenten (in buitenland), Neder- landse impor- teurs en han- delaren van cadmiumhou- dende kunst- stoffenNLT
1J.06Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit type- keuring ver- warmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxidenEmissie-eisen voor NOx, VOS van ver- warmingstoe- stellen. De eisen gelden voor produ- centen van verwarmingstoestellen.ProducentenNLT1B.01aKernenergiewet (art. 29; 15, onder a)Besluit stra- lingsbescher- ming (Opslag vervoerscolli)vergunningplicht voor opslag (langer dan 48 uur)Diverse bedrijvenNLT
1QWet op de lijkbezorging en omhulselbesluitWet op de lijkbezorging en omhulselbesluitmilieuaspec- ten begraven en cremerenkerkhoven, begraafplaatsen en crema- toriaIBT1B.05bKernenergiewet (art. 29)Besluit ver- voer splijtstof- fen, ertsen en radioactieve stoffen (Ver- voer radioac- tieve stoffen)vergunningplicht of mel- dingsplicht voor vervoerDiverse bedrijvenNLT
2A.eWoningwetWoningwet: aanvullende regels veiligheid wegtunnelsIBT1K.08aWet milieubeheerBesluit beheer verpakkingen, papier en kartonMededelingsplicht en in- dienen jaar- verslag voor producenten en importeurs. Iedereen die in NL verpak- kingen of verpakte pro- ducten op de markt brengt.NLT
1A.17cWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (par. 4 hexachloorethaan)Verbod voor- handen heb- ben en toe- passen op non-ferro- metalen van hexachloorethaan. Non-ferro metaal indus- trie en toepas- sersNLT1NWet verontreiniging opper- vlaktewaterenWet Verontreiniging opper- vlaktewater: algemene voorschriften tav lozingenlozingen op oppervlaktewatergemeentenIBT
1E.01aWet BodembeschermingBesluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (BOOT)Burgers, bedrijvenNLT/IBT2OLeegstandwetLeegstandwetgeeft gemeente bevoegdheid om leegstaande woningen en gebouwen maximaal 5 jaar te (laten) verhuren, zonder toepas- sing huurbeschermingsbepalin- genIBT
3F.08Wet milieubeheerBesluit voor- zieningen en installatieswindmolensprovinciesIBT3G.18gNota RuimteVergroten van de concurrentiepositie van de Randstad als geheel (gemeenten)Kwaliteitsverbetering en ontwikkeling Groene Hart (RHS)gemeentenNLT
1A.11bWet milieubeheerHfdst. 9 Be- sluit ozon- laagafbre- kende stoffen (producenten)verbod op productie, import en voor handen hebben cfk’s en HCFK’s (gasleveran- ciers, vaste voorraden naast koel- installaties)Producenten CFKNLT1A.06Wet milieubeheerBesluit ver- pakkingen en aanduiding Milieugevaar- lijke stoffenGevaarsaan- duidingen op verpakkingen, bedrijfsmatige activiteiten1) producenten2) importeurs3) handelarenNLT
3G.12pNota RuimteBorging en ontwikkeling van natuurwaarden (provincies)Bescherming, instandhouding en ont- wikkeling EHSprovinciesNLT1A.14eWet milieubeheerHfdst. 9 Be- sluit genetisch gemodificeer- de organismen (markt- toelatingen, deel C 2001/18)– Controle op (impact) niet toegelaten marktgewas- sen die wel op de Nederland- se markt aan- wezig zijn– Controle op voldoen aan toelatingsvoor- schriften die verbonden zijn aan toela- ting (bijv. eti- kettering, monitoring, etc.)Handelaren, importeurs, exporteurs, producentenNLT
1B.05aKernenergiewetBesluit ver- voer splijtstof- fen, ertsen, radioactieve stoffen/ver- gunninghou- ders (kern- transporten)Verbod zon- der vergunning kernafval te transporterenTwee buiten- landse bedrij- ven en drie Nederlandse nucleaire inrichtingenNLT1J.44b3Wet milieubeheerLAP Landelijk afval beheer- plan, afval- stoffen grote kans, gering effectKetenhand- having vol- gens de LAP-priori- tering deel- stromenBedrijvenIBT
1A.13Wet milieubeheerHfdst. 9 Besluit orga- nisch halo- geengehalte van brandstoffenNiet te hoog halogeengehalteHandelaren in en gebruikers van brandstoffenNLT1I.05Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit uitvoe- ring EG-ozon- richtlijnMeten lage ozon veroor- zaakt door verkeer?overhedenIBT
1A.14cWet milieubeheerHfdst. 9 Besluit gene- tisch gemo- dificeerde organismen (klasse 1 en 2)Ingeperkt gebruikLaboratoria met vergunningNLT1K.05dWet milieubeheerBesluit beheer elektr(on)ische appara- tuur: verbod op gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffenRegelgeving (gebaseerd op art 24 Wms) waarbij het verbod op het gebruik van bepaalde ge- vaarlijke stof- fen in appara- tuur is verbo- den per 1-7-2006.producentenNLT
1A.17bWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (par. 3 gechloreerde koolwaterstoffen)Verbod op- slag, handel en toepassen van 8 gechlo- reerde kool- waterstoffen en preparaten met die stof- fen (ozonlaag aantastend). EtiketteringsplichtImporteurs, handelaars, toepassersNLT3G.01gNota RuimteOntwikkeling van nationale stedelijke net- werken en stedelijke cen- tra, bundeling van verstedelijking in bun- delingsgebie- den (gemeenten)Bundeling van verstedelijking in bun- delingsgebie- den (RHS)GemeentenNLT
1A.30Wet milieubeheerBesluit klei- duivenschietenVerbod op schieten met lood en zink- hagel op klei- duiven, ver- bod kleiduiven met con- centraties stoffen meer dan in schone grond, uitge- zonderd schietbaan Emmer-Com- pascuum, 10 topschutters, bezitters van historische wapens of replica’s. Schietbaanhouders en kleiduivenschuttersNLT1D.02Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrich- tingen milieu- beheer (Acti- viteitenbesluit)Gericht op opslag in ondergrondse tanksInrichtingen met ondergrondse tanksIBT
1J.38Wet milieubeheerRegeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen– verplichting tot scheiding van bepaald gevaarlijk afval– scheidings- plicht voor gemeenten van droge componenten– inzamelaars mogen tijdens transport niet mengengemeenteninzamelaarsWm-inrich- tingen (afval gevaarlijk)IBT1E.02aWet BodembeschermingLozingsbesluit bodembescher- ming (bur- gers)bodembescher- mingsmaatre- gelen buiten inrichtingenBurgersIBT
1K.DWet milieubeheerbesluiten defensie algemeenDefensieNLT1E.02bWet BodembeschermingLozingsbesluit bodembescher- ming (bedrij- ven)bodembescher- mingsmaatre- gelen buiten inrichtingenBedrijvenNLT/IBT
3G.03pNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden, versterking luchthaven Schiphol (provincies)Versterking luchthaven Schiphol (RHS) Pro- vincie dient toe te zien dat de gemeente niet bouwt rond schiphol middels haar provinciaal beleidProvinciesNLT1E.05aWet BodembeschermingStortbesluit bodembescher- mingToezicht op realiseren van stortplaatsen. Kwaliteitseisen ter be- scherming bodem.Stortplaatsen, overheidsbedrijvenNLT/IBT
3G.20pNota RuimteVersterking van de veilig- heid tegen overstromen, de toegankelijkheid voor de scheep vaart en na- tuurlijke kwa- liteit in de Zuidwestelijke Delta (provin- cies)Kwaliteitsverbetering en ontwikkeling in relatie tot het natio- naal land- schap ZW Zeeland (BK)provinciesNLT3A.08PKB’sTweede struc- tuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV):Geen geldig- heidstermijn in opgenomen. Het is nog steeds van kracht. Er zijn wel par- tiële herzie- ningen geweest.ElektriciteitscentralesNLT
3G.23gNota RuimteRuimte voor militaire ter- reinen (gemeenten)Goede ver- volgbestem- mingen voor vrijkomende complexen (BK)gemeentenNLT1J.52Wet milieubeheerVrijstellingsregeling plantenresten en tarragrondZonder toe- zicht zullen de voorwaarden van de vrij- stelling niet nageleefd worden. ontdoeners: provincie, waterschap, gemeenteIBT
1A.09dWet milieubeheerHfdst. 9 Pro- ductenbesluiten asbest (asbest in producten)verbod op invoer, voor- handen heb- ben en toe- passen van asbesthou- dende pro- ductenEigenaar producent, gebruikersNLT2AWoningwet3. Toetsen uitvoering bouwregel- geving bij defensie-inrichtingenVanaf 2006 in samenwerking met groepen overheden en V&RGemeentenIBT
3A.06PKB’sPKB Ruimte voor de Rivier NLT3F.03Wet milieubeheerVuurwerkbesluit (Ro zonering, gemeenten, provincies)Handhaving zonering vuurwerkbedrijvenGemeenten, ProvinciesNLT
3A.07PKB’sVierde Nota Waterhuishoudingwaterschappen, RWS, gemeenten, provinciesNLT1A.01Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocidenLozingenbesluit open teelt en veehouderijBoerenIBT
3E.01gWet op de Ruimtelijke ordeningBesluit op de Ruimtelijke Ordening (handhaving watertoets, gemeenten)handhaving watertoets, waterhuishouding in relatie tot Vierde Nota RuimteGemeentenNLT1D.01aEuropese verordening 259/93 betref- fende toezicht op overbrenging van af- valstoffen binnen, naar en uit de EU (EVOA) Ver- drag van BaselEvoa (ACS/Oost Europa/ niet OESO) (laag risico stromen)ontdoener, transporteur, makelaarNLT
3G.19pNota RuimteBorging van de veiligheid van de kust met behoud van (inter)nationale ruim- telijke waar- denBehoud en ontwikkeling van de (natuurlijke) dynamiek van het kustfun- dament (RHS)provinciesNLT2D.1HuisvestingswetHuisvestingsbesluitUitvoeringsregelingen HuisvestingswetIBT
1E.09Wet BodembeschermingMaatschappelijke gevolgen van verdroging door onttrekking van grondwaterwaterleidingbedrijvenIBT2D.cHuisvestingswetHuis vestings- wet (overige onderwerpen, subject ge- richt)Huisvestingswet (overige onderwerpen, subject ge- richt)gemeenten resp. verhuur- dersIBT
3G.17gNota RuimteVergroting van de con- currentiepositie van de Randstad als geheel (ge- meenten)Versterking van Almere door substan- tiële groei samen met verbetering van de bereik- baarheid (RHS)GemeentenNLT3G.08gNota RuimteBereikbare en toegankelijke recreatievoor- zieningen in en rond de steden. (gemeenten)Versterking van de dag- recreatieve functie van de Rijksbuffer- zonesGemeentenNLT
1A.14dWet milieubeheerHfdst. 9 Be- sluit genetisch gemodificeer- de organismen (klasse 3 en 4)Ingeperkt gebruikLaboratoria met vergunningNLT1A.01bWet milieubeheerZorgplicht (ontgassingen)Ontgassen van importladingen, monitoren milieu bij ontgassingenImporteurs, ontladers en ontvangers scheepsladingenNLT
1H.aWet hygiëne en veiligheid bad- en zweminrichtingWet hygiëne en veiligheid bad- en zweminrichtingToezicht op hygiëne en veiligheid bad- en zweminrichtingen.Bad – en zweminrichtingen en GemeentenIBT1J.LWet milieubeheerInstructierege- ling lozingsvoorschriften niet-inrichtin- gen milieubeheerOpnemen van lozingsvoor- schriften in Wm vergun- ningGemeentenIBT
1J.01aWet inzake de luchtverontreinigingBesluit zwa- velgehalte brandstoffen Wlv (binnenvaart)Maximum zwavelgehalte in brandstoffen bij de binnenvaartVerkopers en gebruikers van de betreffende brandstofNLT1KWet op de Ammoniak en veehouderijWet op de Ammoniak en veehouderijverminderen van de emis- sie en depo- sitie van am- moniak op natuurgebieden dmv emissiepla- fonds en het handhaven van zone rond kwetsbare natuurgebieden binnen EHS. Toetsing zonering in kader bestem- mingsplan/ reconstructieplan is pri- maire taak (zie primaire wet- telijke taak 3c.5p)AgrariërsoverhedenIBT
1J.01cWet inzake de luchtverontreinigingBesluit zwa- velgehalte brandstoffen Wlv (land- bouw)Maximum zwavelgehalte in brandstoffen bij de landbouw.Verkopers en gebruikers van de betreffende brandstofNLT Wet geluidhinderVerlenen hogere grens- waarden in de zone van industrieterreinenWoningen in de zone van een industrieterrein mogen in uitzonderingsgevallen een hogere geluidbelas- ting krijgen dan de grens- waarde. Het besluit tot een hogere grens- waarde wordt genomen door de gemeenteGemeentenIBT
1J.xaWet milieubeheerVuurwerkbesluit (op- slag consu- mentenvuur- werk, < 10 000 kg)Opslag consu- menten vuur- werk < 10 000 kgVuurwerkbrancheIBT1PWet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op Horeca- sport en recreatieinrichtingenhoreca, sport- en recreatie-inrichtingenIBT
1A.11eWet milieubeheerInzamelingsregeling CFK en Halonenterugwinning van ozonlaag- afbrekende stoffenOntdoeners en inzamelaars van halon en CFKNLT      
1K.04Wet milieubeheerBesluit beheer batterijen1. Medede- lingsplicht voor produ- centen en importeurs.2. Eisen aan zware metaal- gehalte van batterijen.3. Eenvoudig verwijderbaar.1, 2 en 4. Pro- ducenten en importeurs van batterijen.3. en 4. Produ- centen en im- porteurs van app. Met inge- bouwde batte- rijen.NLT      
1K.19Wet milieubeheerart 8.1: inrich- tingen vallend onder bijlage 2ivb, niet zijnde defen- sieControle en handhaving van de voor- schriften in vergunningen waarvoor VROM be- voegd gezag isTNONLT      
1K.23Wet milieubeheerMunitieopslag- plaatsenVI is primair handhaver defensie-inrichtingen (bijlage II Ivb/Wm)DefensieNLT      
3G.06pNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden, bevordering ontwikkeling TOP-projecten (provincies)Bevordering ontwikkeling TOP-projecten (RHS)ProvinciesNLT      
3G.07pNota RuimteVerbetering van de bereik- baarheidVerbetering van de bereik- baarheid van het noorden en van de noordvleugel van de Rand- stad (BK)ProvinciesNLT      
3G.16gNota RuimteBorging en ontwikkeling van bijzonde- re landschap- pelijke en cultuur histo- rische waar- den (gemeenten)Instandhouding van werelderf- goederen (Unesco) (RHS)gemeentenNLT      
3G.17pNota RuimteVergroting van de con- currentiepositie van de Randstad als geheel (pro- vincies)Versterking van Almere door substan- tiële groei samen met verbetering van de bereik- baarheid (RHS)provinciesNLT      
3G.21pNota RuimteBorging van de veiligheid van het IJssel- meergebied met behoud van (inter)nationale ruim- telijke waar- den (Borging ruimte voor dijkverster- king) (RHS) (provincies)Borging ruimte voor dijkverster- king (RHS)provinciesNLT      
3G.24pNota RuimteVoorkoming knelpunten bij de ondergrondse ordening (provincies)Waarborging veiligheid rondom hoofdtrans- portleidingenprovinciesNLT      
1A.07aWet milieubeheerBesluit uitvoe- ring verordening in- en uitvoer ge- vaarlijke che- mische stof- fen (importeurs)verbod op in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke stoffen1) importeursNLT      
1A.18Wet milieubeheerBesluit Kwik- houdende productenverbod kwik- houdende productenProducent, importeur en handelaarNLT      
1A.20Wet milieubeheerDBB-besluitVerbod DBB (di-ì-oxo-di-n-butylstanniohy- droxy-boraan)Producent en importeurNLT      
1A.21Wet milieubeheerUgilec 121, Ugilec 141 en DBBT-besluitVerbod onder- havige stoffenProducent en importeurNLT      
1J.02Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit kwali- teitseisen brandstoffen wegverkeerEisen aan lood, zwavel en aromatengehalte en dichtheid. Benzine en tankstations en leveranciers van brandstof.NLT      
1J.03Wet inzake de luchtverontreinigingBesluit vervangingskatalysato- ren motorvoertuigen luchtverontreinigingImporteurs, handelaren, fabrikantenNLT      
1K.20Wet milieubeheerAdvisering vergunningverlening en illegale acti- viteiten (t.a.v. defensie-inrichtingen)VI is primair handhaver defensie-inrichtingen (bijlage II Ivb/Wm)Directie EVNLT      
2A.02aWoningwetBesluit beheer sociale huur- sector (BBSH)Toezichtsverslag, aan- wijzingen aan corporaties, overige BBSHcorporatiesNLT      
2A.cWoningwetWoningwet: overige taken, o.a. procedureelEigenaren en gebruikers van gebou- wenIBT      
3G.18pNota RuimteVergroten van de concurrentiepositie van de Randstad als geheel (provincies)Kwaliteitsverbetering en ontwikkeling Groene Hart (RHS)provinciesNLT      
3G.23pNota RuimteRuimte voor militaire terreinen (provincies)Goede ver- volgbestem- mingen voor vrijkomende complexen (BK)provinciesNLT      
3G.01pNota RuimteOntwikkeling van nationale stedelijke net- werken en stedelijke cen- tra, bundeling van verstedelijking in bun- delingsgebie- den (provincies)Bundeling van verstedelijking in bun- delingsgebie- den (RHS)ProvinciesNLT      
3G.05pNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (clustering van chemische bedrij- ven) (doel- groep provin- cies)Gemeente dient zich te houden aan het rijksbeleid voor de Ha- ven Rotterdam (RHS (clustering van chemische bedrij- ven)ProvinciesNLT      
1J.21Wet milieubeheerBesluit beheer autowrakken (instructie autoslope- rijen)voorschriften die in Wmver- gunning op- genomen moeten wordenautosloop inrichtingenIBT      
1J.26Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrich- tingen milieu- beheer (Acti- viteitenbesluit)Gericht op voorzieningen en installatiesbouwbedrijvenIBT      
1K.03aWet milieubeheerBesluit beheer autowrakken (mededelingsplicht voor producenten en importeurs)Mededelingsplicht voor producenten en importeursProducenten en importeurs van personenwagens en onderdelen daarvoor.NLT      
1K.03bWet milieubeheerRegeling beheer autowrakkenEisen aan zware meta- lenProducenten en importeurs van personenwagens en onderdelen daarvoor.NLT      
3A.02Wet op de Ruimtelijke OrdeningUitvoering bestemmingsplan (door- werking permanente bewoning recreatiewoningen) (gemeenten)permanente bewoning recreatiewo- ningen– Actualiteit van bestemmingsplannen– Gebruik woningengemeentenIBT      
3E.01pBesluit op de Ruimtelijke ordeningBesluit op de Ruimtelijke Ordening (handhaving watertoets, provincies)handhaving watertoetsProvinciesNLT      
3F.10Wet milieubeheerMinisteriële regeling provinciale risicokaartVerzamelen risicogege- vens inrich- tingen, trans- portroutes, buisleidingenAndere over- heden, VenW, VROMNLT      
3G.04pNota RuimteVersterking van de kracht en diversiteit van de belangrijkste economische kerngebieden (300 hectare Hoeksewaard) (doelgroep provincies)Gemeente dient zich te houden aan het rijksbeleid voor de Ha- ven Rotterdam (RHS) (300 hectare Hoeksewaard)ProvinciesNLT      
1ALuchtvaartwetInterbestuur- lijke handhaving geluid- hinder mili- taire lucht- vaartterreinenVI voert intra- bestuurlijk toezicht uit op militaire lucht- vaartterreinenLuchtmachtMarineIBT      
1A.17aWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (Besluit PCP)Toepassingsverbod PCP (niet zijnde bestrijdingsmiddel)toepassers en handelarenNLT      
3B.01pPKB’sPKB Nota Waddenzee 1993 (provin- cies)Doelstelling en beleidsmaatregelen gericht op de bescherming natuur en landschap Waddenge- bied (door- werking en handhaving)ProvinciesNLT      
3F.01pVogel- en Habitat richtlijnVogel- en Habitat richt- lijn (provincies)tegengaan plannen met significante gevolgen voor beschermings- zonesProvinciesNLT      
3F.02pFlora en FaunawetFlora en Faunawet (Ro, provincies)behoud en ontwikkeling van biodiversiteitProvinciesNLT      
3G.02gNota RuimteOntwikkeling van nationale stedelijke net- werken en stedelijke centra, ont- wikkeling en versterking van 6 stede- lijke centra (gemeenten)Ontwikkeling en versterking van 6 stede- lijke centra (RHS)GemeentenNLT      
3G.02pNota RuimteOntwikkeling van nationale stedelijke net- werken en stedelijke cen- tra, ontwikkeling en ver- sterking van 6 stedelijke centra (pro- vincies)Ontwikkeling en versterking van 6 stede- lijke centra (RHS)ProvinciesNLT      
3G.08pNota RuimteBereikbare en toegankelijke recreatievoor- zieningen in en rond de steden. (pro- vincies)Versterking van de dag- recreatieve functie van de Rijksbuffer- zonesProvinciesNLT      
1A.16Wet milieubeheerBesluit ge- chloreerde paraffinesverbod be- paalde toe- passingen gechloreerde paraffinesproducenten, importeurs, verkopers en toepassersNLT      
1E.04Wet BodembeschermingInfiltratiebe- sluit bodem- beschermingInfiltratie van ruw waterin duingebieden tbv drinkwatervoorzieningwaterleidingbedrijvenIBT      
1J.12Wet milieubeheerBesluit emis- sie-eisen titaandioxide-inrichtingenEmissie-eisen aan titaan- dioxide-inrich- tingen1 bedrijfIBT      
Onbekend risico en/of naleeftekort
1A.01aWet milieubeheerHfdst 2 ZorgplichtGebruik als vangnet indien geen specifieke regeling op probleem van toepassing is aanvullend ivm strafmaatNLT3G.14pNota RuimteBorging en ontwikkeling van natuurwaarden (provincies)Instandhouding van eco- logische en culturele waarden in natuurgebieden en Natio- nale land- schappen (RHS)provinciesNLT
1A.17eWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (arseen)Verbod toepassing arseenverbin- dingen bij houtverduur- zaming enz. houtverduurza- mingsindus- trie, scheepswervenNLT3G.22pNota RuimteBorging van de veiligheid van het IJssel- meergebied met behoud van (inter)nationale ruim- telijke waar- den (Handhaving van het open karakter van het IJssel- meergebied) (RHS) (provin- cies)Handhaving van het open karakter van het IJsselmeergebied (RHS)provinciesNLT
1A.17fWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (azo-kleur- stof blauw)Verbod invoer van, handel in en toepassing in textiel en leer van deze kleurstoftextiel- en leerfabrikan- ten/hande- laren/impor- teursNLT Wet Inburgering    
1A.17gWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (broomfenylethers)Verbod in- voer, toepas- sing enz. stof- fen, al dan niet in pro- ductfabrikanten, importeurs, handelaren elektrische/elektronische apparatenNLT Wet Inburgering Buitenland   
1A.17hWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (nonylfenol en -etho- xylaat)Verbod in- voer, handel en toepassing, al dan niet in pre- paraatfabrikanten, importeurs, handelaren wasmiddelenNLT Remigratiewet    
1A.17iWet milieubeheerBesluit imple- mentatie EG- verbodsricht- lijn (cement met Chroom (VI))verbod invoer, handel enz. cement met > 0,0002 % op- losbaar Cr(VI)fabrikanten, importeurs, handelaren cementNLT Wet Overleg Minderhedenorganisaties  
1A.29Wet milieubeheerBesluit uit- voering POP- verordeningVerbod bepa- ling POP-stof- fen met name bestrijdingsmiddelenProducenten, gebruikers, importeurs, exporteurs, handelarenNLT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrich- tingen milieu- beheer (Acti- viteitenbesluit)Gericht op bouw- en houtbedrijvenBouw- en houtbedrijvenIBT
1BWet inzake de luchtverontreinigingBesluit emis- sie-eisen stookinstalla- ties milieu- beheer AEmissie-eisen aan stookinstallaties milieubeheer A en BMarine?IBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op detailhandel en ambachtsbedrijvenDetailhandel en ambachtsbedrijvenIBT
1C.03WaterleidingwetBesluit bescherming waterleidingbedrijvenBescherming drinkwatervoor- ziening tegen rampenwaterleidingbedrijvenNLT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op inrichtingen voor motor- voertuigenInrichtingen voor motor- voertuigenIBT
1DOnteigeningswetOnteigeningswet nvtIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op jachthavensJachthavensIBT
1E.08Wet BodembeschermingBesluit overige organische meststoffengemeentenIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op opslag- en transportbedrijvenOpslag- en transportbedrijvenIBT
1J.19Wet milieubeheerBesluit milieu- effectrappor- tage 1994VI ziet toe op juiste toepassing instrument onderwerpen te divers om gvds in te vullenIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op tandartsenpraktijkenTandartsenpraktijkenIBT
1J.36Wet MilieubeheerBesluit mobiele brekersnaleven ge- luidsvoorschrif- tenstofaanvoerverbodSloopbedrijvenIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op tankstationsTankstationsIBT
1J.39Wet milieubeheerBesluit mel- den van be- drijfsafval- stoffen en gevaarlijke afvalstoffenontvangst en afgifte meldenaangewezen afvalinrich- ting.ontdoenersIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieubeheer (Activi- teitenbesluit)Gericht op textielreiningingsbedrijvenTextielreiningingsbedrijvenIBT
1J.40Wet milieubeheerArt. 10 Wm zorgplicht afvalstoffenrelatie met artikel 13 Wbbeen iederIBT Wet milieubeheerBesluit alge- mene regels voor inrichtin- gen milieube- heer (Activi- teitenbesluit)Gericht op woon- en verblijfsgebouwenWoon- en verblijfsgebouwenIBT
1J.45Wet milieubeheerbesluit NOx en CO2 emissiehandelGrote NOx en CO2 emittenten (ca. 300 bedrijven)IBT Wet vervoer gevaarlijke stoffenCirculaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs)
1K.13Wet milieubeheerBesluit lozingsvoorschriften niet-inrichtingen milieubeheerNLT Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)  
1SMijnwetMijnwetDeelname VI-N aan pla- nologisch overleg (zout- mijnen, gas- winning)nvtIBT Wet milieubeheerBesluit landbouw  
2A.04HuisvestingswetBuitengewone omstandighedenBijzondere bevoegdheden van de minister in buitengewone omstandighedenNLT Wet milieubeheerBesluit tuinbouw  
3F.04gWet milieubeheer en Wet op de Ruim- telijke Orde- ningAMvB Niet in betekende mateVoldoen aan EU-normenGemeentenNLT Wet milieubeheerBesluit algemene regels voor lozingen inrichtingen 
3F.04hWet milieubeheer en Wet op de Ruim- telijke Orde- ningAMvB Gevoe- lige bestemmingen (ruim- telijke door- werking gemeenten)Voldoen aan EU-normenGemeentenNLT Europese grondwaterrichtlijn (richtlijn 80/68/EEG)  
3F.11Wet milieubeheerNationaal Samenwer- kingsprogram- ma Luchtkwa- liteit (NSL)Bundeling van alle gebieds-gerichte pro- gramma’s en alle Rijksmaatregelen om de lucht- kwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. Gemeenten, ProvinciesNLT Wet verontreiniging opper- vlaktewaterenBesluit kwaliteitsdoelstellingen en metingen oppervlaktewateren (implementatie Europese Kaderrichtlijn water)
3G.14gNota RuimteBorging en ontwikkeling van natuurwaardenInstandhouding van ecologische en culturele waarden in natuurgebieden en Natio- nale land- schappen (RHS)gemeentenNLT      

Bijlage 4. Moties en Toezeggingen

Openstaande moties Ruimte en Milieu

Openstaande moties Ruimte en Milieu
MotieIndienerVindplaatsStand van Zaken uitvoering
Verzoekt de regering te bewerkstelligen dat bij internationale dienstreizen tot 500 kilometer in principe de (snelle) trein wordt genomenDuijvendak, A. J. W. Vermeij, R.Debat d.d. 2-4-2008, inzake Duurzaaminkopen (AO 270308)Momenteel wordt door SenterNovem gewerkt aan de ontwikkeling van criteria voor dienstreizen. De verwachting is dat de criteria in het najaar beschikbaar zullen zijn.
Verzoekt de regering in de eerst- volgende voortgangsrapportage DuurzaamInkopen aan te geven op welke wijze dierenwelzijn integraal kan worden opgenomen in de duurzaamheidscriteriaOuwehand, E.Debat d.d. 2-4-2008, inzake Duurzaam inkopen (AO 270308)Naar verwachting zal eind 2008 een eerste rapportage aan de Tweede Kamer verzonden kunnen worden.
Verzoekt de regering in het voorliggende besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer vrijstelling op te nemen voor het geluid dat schutterijen met het schieten makenVietsch, C.A.Debat d.d. 26-2-2008, inzake Herijking VROM regelgeving (AO d.d. 310108)Minister VROM heeft in een VAO op 26-2-2008 aangegeven de schutterijen in het Activiteitenbesluit onder het fanfare- regime te brengen. In de 2e tranche van het Activiteitenbesluit wordt dit meege- nomen.
Verzoek aan de regering om de gemeenten te laten stoppen met handhaven met terugwerkende kracht en recreatiebewoners in die gemeenten alsnog een persoonsgebonden beschikking te geven.Neppérus, H.Debat d.d. 4-2-2008, inzake Handhaving (AO 240108)Op korte termijn wordt een brief verzon- den aan de gemeenten, waarin zij, zoals toegezegd aan de Tweede Kamer, worden opgeroepen om te handelen zoals in de motie is verwoord (ergo: niet handhaven indien dit niet ook reeds voor 2003 gebeurde, en in plaats daarvan betreffende bewoners een persoonsgebonden beschikking te geven). De Kamer zal een afschrift van deze brief ontvangen.
Verzoek om door middel van een -proactieve- aanwijzing of op enigerlei wijze de provincie Gelderland ertoe te bewegen dat het beleid in overeenstemming wordt gebracht met de intentie van het Kabinet, opdat de Gelderse gemeenten de door het Kabinet beoogde keuzevrijheid alsnog krijgen.Vermeij, R.Debat d.d. 4-2-2008, inzake Handhaving (AO 240108)De provincie Gelderland heeft nog geen keuze gemaakt over continuering van haar recreatiewoningenbeleid onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Op korte termijn – in ieder geval voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli aanstaande – zal zij dit wel doen. Nadat de provincie Gelderland een besluit heeft genomen wordt de Kamer hierover en over de (eventuele) reactie van het ministerie van VROM hierop geïnformeerd.
Verzoekt de regering om nog in deze kabinetsperiode tot voorstellen te komen tot integratie van toetsingskaders tot één toetsingskaderKoopmans, G. P. J. Vermeij, R.Debat d.d. 26-11-2007, inzake Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) (30 844)Bij de behandeling van het wetsvoorstel Omgevingsvergunning in de Kamer heeft de minister aangegeven dat zij de TK over dit onderwerp zal informeren bij het aanbieden van de Invoeringswet omgevingsvergunning aan de TK. Een planning hiervoor kan worden gegeven als de behandeling van het wetsvoorstel omgevingsvergunning door de Eerste Kamer is afgerond.
Verzoekt de regering in overleg met de VNG voor 1 januari 2010 tot trans- parante afspraken te komen over de hoogte van de leges, en daarbij ook de milieuvergunningen te betrekkenWiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 26-11-2007, inzake Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) (30 844)Ter uitvoering van de motie wordt samen met de VNG gewerkt aan een systeem voor transparantie bij de vaststelling van de hoogte van de leges. Hierbij wordt uitgegaan van introductie van een dergelijk systeem op 1 januari 2010.
In S&Z actiepunt fiets (verhuur, delen, binnenstedelijk) opnemenPoppe, R. J. L.Debat d.d. 6-11-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)De actiepunten worden momenteel besproken met betrokken departementen, de lijst met actiepunten volgt in het najaar 2008.
Mogelijkheden garantstelling risico’s van energie-innovaties ter bevordering van de implementatie. Binnen 6 mnd TK informerenWiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 6-11-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)In de innovatieagenda energie wordt onderzoek aangekondigd naar haalbaarheid van een garantiefonds. Deze agenda zal in september aan de Kamer worden aangeboden.
Relatie economische groei en milieu- druk. Als koppeling er is dan in gesprek gaan met Fin over milieudrukcompensatiemiddelen + de TK infor- meren bij voorjaarsnotaWiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 6-11-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)De brief hierover is 17 juni 2008 aan de Kamer gezonden
Bijdrage van Nederlandse consumptie, productie en handel aan de wereldwijde milieubalansPoppe, R. J. L.Debat d.d. 6-11-2007, inzake Begrotingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Over de voortgang hiervan wordt de Kamer voor eind september 2008 geïnformeerd.
De Tweede Kamer zal in de zomer van 2008 over de uit te werken methodiek worden geïnformeerd.Neppérus, H. Poppe, R. J. L. Samsom, D. M. Vietsch, C. A.Debat d.d. 4-10-2007, inzake Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Het onderzoek naar mogelijke methoden loopt. De Kamer wordt over de voortgang in september 2008 geïnformeerd.
Verzoekt de regering binnen een half jaar aan de Kamer te rapporten over de hoofdlijnen van de verwachte verdeling van het NR-budget en, indien vervolgens de regering voor- nemens is om projecten af te laten vallen dan wel toe te voegen, of als er majeure verschuivingen van verde- lingen worden overwogen, de Kamer hiervan vooraf in kennis te stellen.Heugten, R. A. C. Van Neppérus, H. Wiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 13-9-2007, inzake Uitvoering Nota Ruimte (AO d.d. 050907)De Kamer is per brief van 22 april 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008 29 435, nr. 207) geïnformeerd over de voortgang van het Nota Ruimtebudget. De business case en de onderhandelingen hierover liggen ten grondslag aan de besluitvorming over de definitieve hoogte van de bijdragen uit het Nota Ruimtebudget. Daarbij wordt iedere keer bekeken wat de resterende ruimte binnen het budget is in relatie tot de overige geselecteerde projecten waarover nog moet worden besloten. Er zijn geen projecten afgevallen of nieuwe bijgekomen na Twente.
Verzoekt de regering een totaal- overzicht van de verschillende regelingen te presenteren en indien noodzakelijk met voorstellen voor verbetering te komen, waarbij het te dienen milieubelang in verhouding moet staan tot de uitvoeringslasten voor bedrijven en overhedenSpies, mr. drs. J. W. E.Debat d.d. 4-9-2007, inzake Wetsvoorstel milieu-aansprakelijkheid (vervolg van 040707)Bij debat met Tweede en Eerste Kamer over wetsvoorstel Milieu aansprakelijkheid is aangegeven dat de verschillende onderzoeken waarom in het kader van het wetsvoorstel Milieu aansprakelijkheid is gevraagd, gecombineerd worden. minister heeft aangegeven dat voor gecombineerd onderzoek ca. 2 jaar nodig is. Als einddatum wordt 1e helft 2010 aangehouden.
Verzoekt de regering in nauwe samen- werking tussen de ministers van VROM, van VenW, van EZ en van LNV en voortbordurend op de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit, te komen tot een integrale structuurvisie op de Randstad, inclusief het Groene Hart.Vermeij, R.Debat d.d. 11-7-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (vervolg)De minister van VROM werkt conform het verzoek in de motie samen met de minis- ters van VenW, EZ, LNV en daarnaast ook met de minister van BZK aan een visie op de Randstad (inclusief het Groene Hart) in 2040. In augustus 2008 besluit het Kabinet of de visie de status van struc- tuurvisie krijgt. De Kamer zal over dit besluit worden geïnformeerd.
Verzoekt de regering om uiterlijk met de presentatie van het programma «Schoon en zuinig» tevens een even- wichtig pakket van afspraken met de energiesector aan de Kamer voor te leggen dat bijdraagt aan de kabinetsdoelstellingen met betrekking tot energiebesparing, energietransitie en de vermindering van de CO2-uitstoot.Wiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 5-7-2007, inzake Vergunningverlening nieuwe kolencentrales op de MaasvlakteAan deze motie wordt gevolg gegeven met de sectorakkoorden die momenteel in het kader van «Schoon en Zuinig» worden opgesteld.
Uiterlijk in augustus 2008 de TK informeren over de omvang van de financiële middelen die tot 2020 voor het uitvoeren van de ruimtelijke investeringsagenda nodig zijn en de te verwachten financiële tekorten. Een voorstel doen voor het opzetten van een ruimtelijke investeringssyste- matiek, voortbordurend op de vorming van het MIRT, die meerjarige zekerheid biedt over de financiële inzet van het Rijk voor het uitvoeren van de ruimtelijke investeringsagenda.Heugten, R. A. C. VanDebat d.d. 11-6-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)Ten behoeve van de uitvoering van deze motie worden momenteel twee onder- zoeken uitgevoerd. In augustus ontvangt de TK een brief waarmee aan het verzoek in de motie wordt voldaan.
Een «ruimte voor ruimte» regeling voor glastuinbouw bedrijven op te nemen in de financieringsconstructie voor de sanering van ongewenste bedrijfsactiviteiten.Staaij, C. G. van derDebat d.d. 11-6-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)Per brief d.d. 20 mei 2008 is aan de TK bericht dat de uitwerking van deze motie geschiedt via de Agenda Landschap, geplande verschijningsdatum september 2008.
Rood voor rood regeling. Verzoekt de regering te verkennen op welke manier het gebruik van de rood-voor-roodregeling kan worden gestimuleerd, hierbij invoering van een sloop- aftrekregeling te onderzoeken en de Kamer hierover binnen zes maan- den te rapporteren.Wiegman-van Meppelen ScheppinkDebat d.d. 11-6-2007, inzake Begrotingsbehan- deling 2008 VROM (eerste termijn)Per brief d.d. 20 mei 2008 is de TK geïnformeerd dat uitwerking van deze motie geschiedt via de Agenda Landschap, geplande verschijningsdatum september 2008.
Verzoekt de regering om binnen drie jaar na inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging een voor- stel tot nadere normering van de bevoegdheid tot subdelegatie in te dienenAbel, R. T. G.Debat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)Dit punt is onderdeel van de reguliere evaluatie van deze regelgeving.
Bpm differentiatie zo snel mogelijk vorm geven o.b.v. absolute zuinigheid, CO2-label ook voor alternatieve brandstoffen en inzetten voor EU uniform label.Huizinga-Heringa, J. C.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begrotingsbehan- deling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)De fiscale meibrief is op 30 mei 2008 besproken in de ministerraad; de brief aan de Kamer is aansluitend daarop verzonden.
Verzoekt de regering te bevorderen dat een EU-besluit over het post-Kyotobeleid niet later wordt genomen dan eind 2008; Verzoekt de regering voorts in volgorde van prioriteit:– met de Nederlandse industrie tot afspraken te komen die langetermijninvesteringszekerheid bieden en daarvoor steun te zoeken bij de Europese Commissie;– er in ieder geval zorg voor te dragen dat het «gelijke speelveld» binnen de Europese Unie wordt gehandhaafdKrom, drs. P. de Spies, mr. drs. J. W. E.Debat d.d. 21–9-2006, inzake Klimaatbeleid (AO d.d. 7-9-2006)De Europese inzet op emissiehandel in de periode na 2012 is op 23 januari 2008 gepubliceerd door de Europese Commis- sie. Naar verwachting wordt hierover nog voor het eind van dit jaar een akkoord bereikt. De Nederlandse inzet op dit punt (zie TK 28 240, nr. 89) zet stevig in op het bevorderen van het gelijke speelveld. Dit wordt binnen de EU voldoende gewaarborgd door volledig geharmoniseerde toewijzingsregels (inclusief veilen) voor alle grote sectoren. Nederland bepleit in de onderhandelingen over de herziening van de richtlijn handel in broeikasgasemissierechten met kracht dat de ver- schillende sectoren zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over welke toewij- zingsregels voor hen zullen gaan gelden.
Verzoekt de regering, te komen tot een substantiële vermindering van het rijkstoezicht op gemeenten door de VROM-inspectie inzake milieu- en ruimtelijkeordeningstaken,Koopmans, G. P. J. Sterk, W. R. C.Begrotingsbehandeling VROM d.d. 1-12-2004 29 800 XI, nr. 54De capaciteit die wordt ingezet voor het interbestuurlijk toezicht is, mede in het kader van de taakstelling, substantieel gereduceerd. De VROM-Inspectie rond in 2008 het interventietraject gemeenteonderzoeken af, de eindrapportage wordt na het zomerreces aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze motie wordt ook meegenomen in het Transitieprogramma Werk in Uitvoering (brief d.d. 13 juni 2008).

Afgehandelde moties Ruimte en Milieu

Afgehandelde moties Ruimte en Milieu
OmschrijvingIndienerVindplaatsAfgedaan met
Verzoekt de regering het Besluit finan- ciële zekerheid milieubeheer op te heffen.Neppérus, H. Vietsch, C. A.PA [26–2-2008] Herijking VROM regelgeving (AO d.d. 310108)Brief minister VROM d.d. 19-05-2008, inzake Motie 29 383, nr. 97; Besluit financiële zekerheid milieubeheer
Verzoekt de regering het Besluit finan- ciële zekerheid milieubeheer op te heffenNeppérus, H. Vietsch, C. A.PA [26-2-2008] Herijking VROM regelgeving (AO d.d. 310108)Brief minister VROM d.d. 19-05-2008, inzake Motie 29 383, nr. 97; Besluit financiële zekerheid milieubeheer
Verzoekt de regering het Besluit financiële zekerheid zodanig te wijzigen dat het bevoegd gezag de financiële zekerheid op kan leggen naar rato van de gemiddelde hoeveel- heid op het terrein aanwezige afval.Poppe, R. J. L.PA [26-2-2008] Herijking VROM regelgeving (AO d.d. 310108)Brief minister VROM d.d. 19–05–2008, inzake Motie 29 383, nr. 97; Besluit financiële zekerheid milieubeheer
Bij uitblijven van beslissing van NAVO over het vervangen van motoren van Awacs, voorwaarden te stellen aan het vliegen met Awacs-vliegtuigen boven Nederlands grondgebied, waardoor de overlast zal afnemen.Wit, mr. J. M. A. M. dePA [6–12–2007] AwacsBrief minister VROM d.d. 24-04-2008, inzake Awacs Geilenkirchen/Onderbanken
Eenduidige criteria maatschappelijk verantwoord ondernemen en internationale handel.Poppe, R. J. L.PA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Workshop GRI waarin o.a. transport aan de orde kwam
Duurzame wereld i.r.t. consumptiepatroon. Regering + Tk verkennen mogelijkheden/opzet maatschappelijk debat hieroverSamsom, D. M.PA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Brief minister VROM d.d. 16-05-2008, inzakeKabinetsbrede aanpak duurzameontwikkeling
Zuinig omgaan drinkwater, sanitaire, rioolwaterzuivering. Binnen 1 jaar informeren samen met stas VenW over mogelijkheden tot ondersteuning innovaties en experimentenWiegman-van Meppelen ScheppinkPA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Omgezet naar toezegging ID 960 naar aanleiding van AO op 20 maart 2008
Culturele aspect RO. Samen met LNV, OCW, VW een voorstel doen over structurele verankering College Rijksadviseurs in ruimtelijk beleid.Leeuwen, H. VanPA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Brief minister VROM d.d. 11-04-2008, inzake Rol College van RIjksadviseurs in het ruimtelijk beleid.
Toekennen van een zwaarder gewicht aan de tweede en volgende generaties biobrandstoffen.Spies, mr.drs. J. W. E.PA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Brief minister VROM d.d. 31-03-2008, inzake Motie Spies inzake het stimuleren van tweede en volgende generaties biobrandstoffen.
Afspraken maken met partners «Meer met Minder» en gemeenten dat de nationale uitrol energiebox de komende jaren wordt gerealiseerdSpies, mr.drs. J. W. E.PA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Met de beleidsevaluatie over 2007 aan de Kamer
In Brussel bepleiten geen verplichte verhoging bijmenging van biobrandstoffen in motorbrandstoffenNeppérus, H.PA [6-11-2007] Begrotingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Antwoord minister in de tweede termijn van de begrotingsbehandeling 2008
Bij inzet gelden herstructureringsfondsen ook inzet RO + architectonische aspecten mee laten wegen.Leeuwen, H. VanPA [6-11-2007] Begro- tingsbehandeling 2008 VROM (eerste termijn)Brief minister VROM d.d. 07-12-2007, inzakeAgenda bedrijventerreinen2008–2009
Verzoekt de regering te onderzoeken hoe kan worden voorkomen dat producenten en importeurs van statiegeldverpakkingen dubbel betalen voor inzameling en herverwerking waarbij gekeken wordt naar compensatie uit het met de verpakkingenbelasting gevulde afvalfondsHam, B. van der Neppérus, H.PA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Staatssecretaris Financiën heeft bij de behandeling van het belastingplan 2008 in de Kamer het volgende gemeld: «Het wetsvoorstel voorziet er in dat meermalig gebruikte statiegeldflessen in het voor- deel zijn ten opzichte van eenmalig te gebruiken statiegeldflessen. Statiegeldflessen worden maar een keer bij het nieuw in het verkeer brengen van betref- fende product belast.» TK 2007–2008, 31 205, nr. 58, blz 50 en 51
Verzoekt de regering om bij de aanpassing van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton bepalingen op te nemen die zo lang als nodig de continuering van het bestaande statiegeldsysteem voor grote drankverpakkingen garanderenHam, B. van derPA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Brief minister VROM d.d. 02-06-2008, inzake Stand van zaken dossiers verpakking en zwerfafval
Verzoekt de regering om op de kortst mogelijke termijn te zorgen dat de raamovereenkomst door iedereen wordt nageleefd, inclusief de daarbij horende oprichting van één organisatie door het bedrijfsleven.Duijvendak, A. J. W. Ham, B. van der Neppérus, H. Poppe, R. J. L. Samsom, D.M.PA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Brief minister VROM d.d. 02–06–2008, inzake Stand van zaken dossiers verpak- king en zwerfafval
Verzoekt de regering er vóór 2009 zorg voor te dragen dat voldoende kwanti- tatieve en kwalitatieve informatie over de samenstelling van het zwerfafval wordt verkregen, zodat een verdeelsleutel kan worden ontwikkeld die de kosten voor het beheer van zwerfafval op productniveau kanberekenenHam, B. van der Samsom, D. M.PA [4–10–2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Brief minister VROM d.d. 02–06–2008, inzake Stand van zaken dossiers verpakking en zwerfafval
Verzoekt de regering om bij de aanpassing van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton bepalingen op te nemen die zo lang als nodig de continuering van het bestaande statiegeldsysteem voor grote drankverpakkingen garanderenHam, B. van derPA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Brief minister VROM d.d. 02-06-2008, inzake Stand van zaken dossiers verpakking en zwerfafval
Verzoekt de regering erop toe te zien dat per saldo als gevolg van dit verpakkingenconvenant geen lastenverzwaring voor burgers optreedt, en waar mogelijk gemeenten zelfs aan te moedigen tot een lagere gemeentelijke heffing te komen.Neppérus, H. Samsom, D. M. Vietsch, C. A. Wiegman-van Meppelen ScheppinkPA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)29 mei 2008 is de Tweede Kamer geïn- formeerd over de resultaten met de antwoorden op de kamervragen (2574) over de verpakkingsbelasting. De Kamer zal conform de wens vanuit de griffie, hierover separaat worden geïnformeerd.
Verzoekt de regering te onderzoeken hoe kan worden voorkomen dat producenten en importeurs van statiegeldverpakkingen dubbel betalen voor inzameling en herverwerking waarbij gekeken wordt naar compensatie uit het met de verpakkingenbelasting gevulde afvalfondsHam, B. van der Neppérus, H.PA [4-10-2007] Zwerfafval en verpakkingen (AO 270907)Minister Financiën heeft het voortouw bij de uitvoering van deze motie.
Voor de begrotingsbehandeling met voorstellen te komen die verdere verrommeling van het landschap kunnen voorkomenDuijvendak, A. J. W. Ham, B. van der Jansen, P. F. C. Ouwehand, E. Samsom, D. M. Wiegman-van Meppelen ScheppinkPA [13-9-2007] Uitvoering Nota Ruimte (AO d.d. 050907)is uitgevoerd middels brief met onderwerp Verrommeling van het landschap d.d. 2 november 2007.
het project Centraal Station Twente/Hart van zuid-Hengelo aan de op 2 juli 2007 aan de Kamer gepresenteerde selectie van projecten toe te voegen, en met de regio Twente in gesprek te gaan over de nadere uitwerking en realisatie van dit project en de inzet van het RijkHeugten, R. A. C. Van Neppérus, H. Wiegman-van Meppelen ScheppinkPA [13-9-2007] Uitvoering Nota Ruimte (AO d.d. 050907)Brief minister VROM d.d. 16-10-2007, inzake Brief naar aanleiding van AO Nota Ruimte van 5-9-2007 en VAO 13-9-2007 over Nota Ruimte budget
Verzoekt de regering de ontwikkeling van een «energie-eiland» proactief te steunen en te zorgen dat in de vergun- ningprocedure voor nieuwe kolencentrales rekening wordt gehouden met deze nieuwe optieDuijvendak, A. J. W.PA [5-7-2007] Vergun- ningverlening nieuwe kolencentrales op de MaasvlakteBrief van de minister van EZ van 26 februari 2008 (TK 2007–2008, 29 023, 28 240, nr. 49).
Verzoekt de regering bij de stimulering van duurzame energie de vol- gende voorwaarden op te nemen:– voor palmolieproducten: indien beschikbaar RSPO-certificering, aangevuld met de eis dat de bespa- ring van broeikasgasemissies 50% bedraagt;– voor overige biomassaproducten: minimaal voldoen aan de criteria voor duurzame productie van biomassa, waarbij de conversiedatum voor landconversie op 2005 wordt gezet,Spies, mr.drs. J. W. E.PA [5-7-2007] Duurzame productie biomassaBrief minister VROM d.d. 18-10-2007, inzake Motie inzake de stimulering van duurzame energie.
Verzoekt de regering om de kennis over EU beleid te vergaren, te bunde- len en te vertalen in de beleidscon- sequenties ten aanzien van onze ruimtelijke ordening, en deze beschik- baar te stellen aan het totale werkveld. Meindertsma, M. C.PA [27–3-2007] Kennis- makings AO (Brief prioriteiten Milieu en Ruimte d.d. 26 maart 2007)Brief minister VROM d.d. 21-05-2007, inzake Motie Meindertsma c.s. en moties Lemstra: uw schrijven van 6 februari 2007
Verzoekt de regering gelet op de geconstateerde punten zorg te dragen voor een bijstelling van de regelgeving die ertoe leidt dat conform eerdere toezeggingen van de regering tarragrond voor 95% schoon kan worden verklaardAbel, R. T. G. Neppérus, H.PA [14-2-2007] Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)Het Besluit Bodemkwaliteit is op het punt van de tarragrond aangepast.
Verzoekt de regering de Kamer te informeren over alle relevante effec- ten van de verhoging van de doel- stelling tot 5,75%, in ieder geval die met betrekking tot de economische- en milieueffecten, en die voor de wereldvoedselmarkt; Verzoekt de regering voorts voordat de doelstelling verder wordt verhoogd (in Europees verband) de gevolgen daarvan in kaart te brengen en de Kamer daarover te informerenKrom, drs. P. de Spies, mr.drs. J. W. E.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief van minister VROM van 29 juni 2007 (TK 2006–2007, 30 305 en 30 800 XI, nr. 26).
Bij de EC aandringen dat indien de luchtvaartsector onderdeel wordt van het systeem van emissiehandel emissierechten niet gratis worden weggegeven.Velzen, mr. K. vanPA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Afgedaan, want NL heeft zich sterk gemaakt om substantieel meer te veilen.
De ontwikkeling van het bedrijventerrein binnen de Hoekse Waard stopzetten zolang nut en noodzaak niet is aangetoond.Duijvendak, A. J. W.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief minister VROM d.d. 17-12-2007, inzake Eindrapport Ruimtelijke Verkenning alternatieven voor de Hoeksche Waard
Te inventariseren welke gebieden in een worse case scenario ernstig worden bedreigd of voor grootschalige waterberging nodig zouden kunnen zijn, welke gebieden groot- schalige investeringen en aan te geven of de voorgenomen investeringen in deze gebieden op een meer klimaatbestendige wijze gestalte zouden kunnen krijgen. En bij de gevraagde analyse aan te geven welke betekenis de voorziene terugloop van de bevolking in delen van NL kan hebben voor het formuleren van een meer klimaatbestendig ruimtelijk beleid. Binnen 8 maanden uit te voeren samen met andere overheden zoals waterschappen.Bochove, B.J. van Depla, ir. S.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief minister VROM d.d. 02-11-2007, inzake Reactie op motie Bochove en Depla over de ruimtelijke gevolgen van een «worst-case klimaatscenario»
Eerste helft 2007 energie- en klimaatagenda voor de toekomst formuleren.Samsom, D. M. Spies, mr.drs. J. W. E.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Publicatie werkprogramma
Bij volgende begroting concrete voorstellen voor het verder differentiëren van de BPM en mogelijk ook de motorrijtuigenbelasting.Krom, drs. P. de Spies, mr.drs. J. W. E.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Het belastingplan 2008 is op 18 september 2007 aan de Kamer is aangeboden.
Ticketheffing te ontwerpen en de opbrengsten besteden aan duurzaamheid vliegverkeer.Ham, B. van der Ouwehand, E.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Is opgenomen in het Belastingplan 2008.
Voordat de verhoging van de doelstelling voor het verplichte aandeel om biobrandstoffen bij te mengen alle relevante effecten in kaart te brengen en de Kamer daarover informeren.Krom, drs. P. de Spies, mr.drs. J. W. E.PA [20-12-2006] Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewinds- lieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief KST109837, 0607tkkst30305-26
N.a.v. netwerkanalyse nieuwe A2,5 is een ongewenste aantasting van het GH. Bij het oplossen van toekomstige knelpunten in het wegennet niet te kiezen voor deze nieuwe wegverbin- ding, maar voor een betere benutting dan wel verbreding van het bestaande wegennet en verbetering van de openbaarvervoersverbindingen in deze regio.Bochove, B. J. vanPA [31-10-2006] Voort- gang Uitvoering Nota Ruimte (30 647, nr. 1; 30 300 XI, nr. 131 en 132; 29 435, nr. 172), bedrij- venterreinen Moerdijkse Hoek en Hoeksche WaardDe motie is november 2007 afgedaan conform de intentie van de Kamer in het kader van het bestuurlijk overleg met de provincie Utrecht voor het MIRT.
Wil geinformeerd worden over de wijze van de landschappelijke inpassing en ontsluiting van het te ontwikkelen bedrijventerrein in de Hoeksche Waard voordat kan worden ingestemd met het desbetreffende definitieve streekplan.Bochove, B. J. vanPA [31-10-2006] Voort- gang Uitvoering Nota Ruimte (30 647, nr. 1; 30 300 XI, nr. 131 en 132; 29 435, nr. 172), bedrij- venterreinen Moerdijkse Hoek en Hoeksche WaardIn de Ministerraad van 25 maart 2008 heeft het Kabinet besloten dat er geen bedrijventerrein komt in de Hoeksche Waard. Daarmee is uitvoering van deze motie niet meer aan de orde.
Maatregel voorbereiden die via fiscale prikkel rijders van een lease-auto stimuleert om een schone auto te gaan rijden en maatregel op te nemen in NSL.Spies, mr.drs. J. W. E.PA [18-10-2006] Lucht- kwaliteit (plenaire afronding)De brief van Stas Financiën d.d. 30 november 2007 en 30 mei 2008 aan de Kamer. Zie ook Belastingplan 2008 van Financiën.
Verzoekt de regering een maatregel voor te bereiden die via fiscale prikkels rijders van een lease-auto stimuleert om in een schonere auto te gaan rijden en deze maatregel op te nemen in het Nationaal samenwer- kingsprogramma luchtkwaliteitSpies, mr.drs. J. W. E.PA [12-10-2006] Wijzi- ging Wet Milieubeheer (30 483)Op 1 april 2008 is een fijn stofdifferen- tiatie in de BPM voor dieselpersonen- auto’s ingegaan. Nieuwe dieselauto’s (die veel als lease-auto worden gebruikt) worden op grond van de maatregel alle van een affabriek roetfilter voorzien. In de fiscale meibrief, die de staatssecretaris van Financiën op 30 mei aan de Tweede Kamer heeft verstuurd, wordt verder een NOx-differentiatie in de BPM in het vooruitzicht gesteld. Op grond hiervan zullen schone dieselauto’s met de-NOx katalysator (lage NOx-uitstoot) vervroegd in het park instromen. Vanaf 2008 geldt voor zeer zuinige zakelijke auto’s die privé worden gebruikt (ten hoogste 110 gram per km CO2-uitstoot voor benzine of 95 gram per km CO2-uitstoot voor diesel) een bijtellingpercentage van 14%. In de bovengenoemde fiscale meibrief wordt voor 2009 voorgesteld een bijtellingspercentage van 20% te introduceren voor een categorie van auto’s zuinige zakelijk auto’s.
Maatwerkvoorschriften terughoudend toepassenKrom, drs. P. de Spies, mr.drs. J. W. E.PA [12-10-2006] Wijzi- ging Wet Milieubeheer (30 483)Brief minister VROM d.d. 29-06-2007, inzake Beleid voor duurzameproductie van biomassa voor energiedoeleinden
Verzoek om de administratieve lasten en uitvoeringskosten niet te laten stijgen tenzij sprake is van verouderde vergunningen of nodig i.v.m. unifor- miteitKrom, drs. P. de Spies, mr.drs. J. W. E.PA [12-10-2006] Wijzi- ging Wet Milieubeheer (30 483)De inhoud van de motie is in lijn met het Activiteitenbesluit.
Verzoekt de regering te onderzoeken hoe invulling kan worden gegeven aan het veilen van emissierechten teneinde zo snel mogelijk over te kunnen stappen op een systeem van volledige veilingSamsom, D. M. Velzen, mr. K. vanPA [21-9-2006] Klimaatbeleid (AO d.d. 7-9-2006)Om ervaring op te doen met veilen is in 2007 een deel van de reserve van NAP I geveild. Hierover is de Kamer bij brief van 24 juli 2007 geïnformeerd (TK 2006–2007, 28 240, nr. 85). De hoeveelheid te veilen rechten in de periode 2008–2012 is vastgesteld in het kader van het NAPII, dat viermaal in de Kamer is besproken (de laatste maal op 8 maart 2007; brief van 5 maart 2007, TK 2006–2007, 28 240, nr. 73).In de Nederlandse inzet voor de review van de ETS-richtlijn (zie TK 2007–2008, 28 240, nr. 89) staat helder verwoord dat de Nederlandse staat een zo groot mogelijk deel van de rechten via veilen wil alloceren.
Notificatieprocedure statiegeld stoppenKoopmans, G. P. J. Krom, drs. P. dePA [30-8-2006] Zwerfafval en verpakkingen (AO 220606)Brief minister VROM d.d. 05-06-2007, inzake Resultaten overleg over zwerfafval en verpakkingen
Overleggen met PRNKoopmans, G. P. J. Krom, drs. P. dePA [30-8-2006] Zwerfafval en verpakkingen (AO 220606)Brief minister VROM d.d. 05-06-2007, inzake Resultaten overleg over zwerfafval en verpakkingen
Verzoekt de regering om niet over te gaan tot de kap van de resterende bomen totdat de bestuursrechter zich, ook in bodemprocedure, heeft uitgesproken.Koopmans, G. P. J. Krom, drs. P. dePA [4-4-2006] Awacs (AO 22/2/06)Deze motie is uitgevoerd. De 14 ha bos waarnaar verwezen wordt in de motie is niet gekapt. De Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State heeft op 18 juli 2007 uitspraak gedaan in deze zaak. De ABRvS heeft uitgesproken dat het Nimby-instrumentarium niet mag worden toegepast voor 13 ha bos. Voor 1 ha is het NIMBY-besluit geschorst door de RvS. Tegen de achtergrond van deze uitspraak en te nemen vervolgstappen heeft de minister van VROM zich per brief aan de Kamer van 24 april 2008 (31 200 XI, nr. 109) bereid verklaard het NIMBY-besluit in te trekken, mits ter wille van de vliegveiligheid bindende afspraken kunnen worden gemaakt met het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Onderbanken.
Verzoek om niet met nadere voorstellen te komen voor de toedeling van RO bevoegdheden aan WGR+ gebiedenBochove, B.J. van Duijvendak, A. J. W. Ham, B. van der Staaij, mr. C. G. van der Verdaas, J. C.PA [8-2-2006] Wet Ruimtelijke Ordening (28 916)Aanvaarding amendement bij de Kamer behandeling van de invoeringswet Wro.
Verzoekt de regering een onderzoek te doen naar de integratie van sectorwetgeving (bv Tracéwet) in de Wro, de voor- en nadelen op een rij te zetten en een stappenplan te maken.Bochove, B. J. van Verdaas, J. C.PA [8-2-2006] Wet Ruimtelijke Ordening (28 916)Memorie van antwoord invoeringswet Wro (TK 30 938, kamerstuk 7).
De motie-De Krom c.s. over aanscherping van de emissie-eisen voor voertuigen en evaluatie van de Richtlijn Luchtkwaliteit.Krom, drs. P. dePA [16-11-2005] Begro- tingsbehandeling VROM: eerste termijn bewindslieden/tweede en volgende termijnen.Realisatie EURO 5 en 6
De motie-Van der Ham/Spies over een onderzoek naar het verplicht stellen van roetfilters voor bestaande auto’s.Ham, B. van der Spies, mr.drs. J. W. E.PA [16-11-2005] Begro- tingsbehandeling VROM: eerste termijn bewindslieden/tweede en volgende termijnen.Uitspraak Europese Hof aangaande verplichtstelling roetfilters voor bestaande auto’s.
De motie-De Krom c.s. over het afzien van een Europese aanpak van de bodembescherming.Krom, drs. P. dePA [16-11-2005] Begro- tingsbehandeling VROM: eerste termijn bewindslieden/tweede en volgende termijnen.Brief minister VROM d.d. 19-03-2007, inzakeVerslag EU-milieuraad van 20 februari 2007
De motie-Spies c.s. over het verschaffen van helderheid aan het bedrijf SABIC.Spies, mr.drs. J. W. E.PA [16-11–2005] Begro- tingsbehandeling VROM: eerste termijn bewindslieden/tweede en volgende termijnen.De verantwoordelijkheid voor de afhan- deling is overgedragen aan minister van EZ.
Verzoekt de regering om in de aan- gekondigde Nota Vervoer gevaarlijke stoffen expliciet vast te leggen welke inspanningen men verricht om in het externe veiligheidsbeleid tijdig te anticiperen op internationale vervoersontwikkelingen die negatief uitwerken voor de nationale externe veiligheidAbel, R. T. G. De door de minister van V&W verzonden Nota vervoer gevaarlijke stoffen
Verzoekt de regering bij de uitwerking van het Besluit stimulering duurzame energieproductie dit uitgangspunt expliciet te verankerenJansen, P. F. C. De uitvoering van deze motie ligt op het terrein van EZ. De minister van EZ communiceert over de SDE met de Tweede Kamer.
spreekt haar waardering uit voor het in opdracht van de Kamer uitgevoerde onderzoek, en Verzoekt de regering de conclusies van het onderzoek als vertrekpunt te nemen voor de beleids- voorstellen ten aanzien van het toekomstige klimaatbeleidSpies, mr.drs. J. W. E. Aan deze motie is gevolg gegeven, doordat e.e.a. is meegenomen in het IBO-onderzoek en vervolgens in de doelstellingen van «Schoon en Zuinig» en de inbreng van Nederland in het EU-klimaatpakket en in de Kyoto-onderhandelingen.
Verzoekt de regering om de Nederlandse doelstelling voor energiebesparing te verhogen naar 1,5% per jaar in 2006 naar 2% vanaf 2010 en in het energierapport 2005 stimuleringsvoorstellen te doen in die richtingHam, B. van der Spies, mr.drs. J. W. E. De motie is uitgevoerd in het kader van het Coalitieakkoord en het werkprogramma «Schoon en Zuinig».
Verzoekt de regering deze aspecten te betrekken in het genoemde verslag en de Kamer hierover binnen 2 jaar na inwerkingtreding van deze wet verslag te doenSpies, mr.drs. J. W. E. Brief minister VROM d.d. 12-06-2008, inzake Evaluatie van de Wet handhavingsstructuur
Pogingen tot procedurele vereenvoudigingen nog onvoldoende geslaagd. Verzocht wordt om een éénbesluitregeling voor grootschalige projecten.Rutte, M. Verhagen, drs. M. J. M. Instellen Commissie Elverding d.d. 7 november 2007.
Verzoekt de regering het bestaande verschil in behandeling tussen LPG en andere autobrandstoffen te handhaven, zo lang LPG aanzienlijk meer milieuvoordelen biedt ten opzichte van andere autobrandstoffen met betrekking tot de luchtkwaliteit.Koopmans, G. P. J. Krom, drs. P. de Op 1 april 2008 is een fijn stof differentiatie in de BPM voor dieselpersonenauto’s ingegaan. In de periode tot het ingaan van de bovengenoemde fijn stofdifferen- tiatie in de BPM, heeft het kabinet zich aan het verzoek van de Kamer gehouden.
De regering wordt verzocht om de artikelen waarmee de ZBO-status wordt geregeld niet eerder in werking ta laten treden dan na de evaluatie van het functioneren van emissiehandel en de NEa.Krom, drs. P. de Samsom, D. M. De beleidsbrief is aan de Kamer verzonden d.d. 4/1/2008
Snijder-Hazelhoff, Atsma, Van der Staaij Verzoekt de regering middelen vanuit Waddenfonds beschikbaar te stellen voor nader te ontwikkelen projecten van de gemeenten in het noorden van Friesland en Zeeland, die geconfronteerd worden met een grote aanslag op de werkgelegenheid door stopzetting kokkelvisserij.Atsma, J. J. Snijder-Hazelhoff, J. F. Staaij, mr. C. G. van der Brief minister VROM d.d. 13-06-2006, inzake Wet op het Waddenfonds en de voortgang in het waddendossier

Openstaande toezeggingen Ruimte en Milieu

Openstaande toezeggingen Ruimte en Milieu
ToezeggingVindplaatsStand van zaken
De Kamer wordt geïnformeerd over het kabinetsstandpunt inzake de uitkomsten van de studie naar een methodiek voor het beter geschikt maken van de MKBA-procedure voor ruimtelijke projectenDebat d.d. 24-4-2008, inzake Uitvoering Nota Ruimte (31 253, nr. 2, 31 210 XI, nr. 73, 29 435, nr. 202 t/m 205, 31 200 XI, nr. 84, 31 209, nr. 24)Het PBL voert twee studies uit naar een methodiek voor het beter geschikt maken van de MKBA-proce- dure voor ruimtelijke projecten. De resultaten daarvan worden in het najaar 2008 verwacht. Er wordt tevens een handleiding MKBA van integrale gebiedsontwikkelingen ontwikkeld. Ook die wordt in najaar 2008 verwacht. De Kamer zal in december 2008 over de uitkomsten worden geïnformeerd.
De Kamer wordt geïnformeerd over het kabinetsstandpunt inzake de Centrale As en bedrijventerreinbij Quatre Bras na advies van het College van Rijksadviseurs over de inpas- sing van de Centrale As en het bedrijventerrein in het landschap en de financiering van de Centrale As.Debat d.d. 24-4-2008, inzake Uitvoering Nota Ruimte (31 253, nr. 2, 31 210 XI, nr. 73, 29 435 nr. 202 t/m 205, 31 200 XI, nr. 84, 31 209, nr. 24)Inmiddels is het College van Rijksadviseurs i.c. de Rijksadviseur voor het Landschap gestart met de voorbereiding van een advies over de inpassing van de Centrale As in het landschap en de financiering van de Centrale As. Daarbij zal het College vooral bezien of de maatregelen voor inpassing, compensatie en mitigatie voldoende bijdragen aan het behoud en de versterking van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap De Noordelijke Wouden. Tevens zal het College bezien of voorzien wordt in afdoende maatregelen voor de kwaliteitsborging. Nadat de provincie met inzet van de SER-ladder nut en nood- zaak van het bedrijventerrein bij Quatrebas heeft aangetoond, zal het College ook advies uitbrengen over de landschappelijke inpassing van dit bedrijventerrein. Het advies van het College over de Centrale As zal na de zomer, voorzien van een standpunt van het kabinet, aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.
De Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de uitwerking van de structuurvisie snelwegpanorama’s.Debat d.d. 24-4-2008, inzake Uitvoering Nota Ruimte (31 253, nr. 2, 31 210 XI, nr. 73, 29 435, nr. 202 t/m 205, 31 200 XI, nr. 84, 31 209, nr. 24)De uitwerking van de structuurvisie snelwegpanorama’s wordt in september 2008 besproken in de Ministerraad. Daarna wordt de Kamer geïnformeerd.
De minister zegt toe een onderzoek te zullen uitvoeren of en op welke wijze het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen in wet- en regelgeving op termijn kan worden opgeheven.Debat d.d. 2-4-2008, inzake VAO Handhaving (AO 240 108)Er is gestart met de voorbereidingen van een onderzoek naar of en op welke wijze het onderscheid tussen woningen en recreatiewoningen in wet- en regelgeving op termijn kan worden opgeheven. Er wordt naar gestreefd om dit onderzoek nog dit jaar te laten plaatsvinden en af te ronden.
Voor het zomerreces zal een integraal voorstel (integraal wil zeggen dat er relatie wordt gelegd met ontsluiting, de blauw/groene opgave en hoogspanningstracés) van de woningbouwopgave (zowel de bruto als de netto opgave) naar de Kamer worden gestuurd, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale differentiatie, de betaalbaarheid van nieuwbouw en de mogelijkheden van levensduurverlenging.Debat d.d. 27-3-2008, inzake Woningproductie (27 926, nr. 122, 31 200 XVIII, nr. 10 en 46, 27 562, nr. 11)Eind juni ontvangt de Kamer een brief van de minister voor WWI waarin zij aangeeft welke aanpak het rijk voorstaat om te komen tot integrale, regionaal gedifferentieerde afspraken over duurzame verstedelijking in de periode 2010 t/m 2019. Waar relevant, zullen genoemde onderwerpen in gesprekken met de regio aan de orde gesteld worden.
In 2008 krijgt de Kamer de gezamenlijke uitvoeringsagenda met daarin extra aandacht voor nieuwbouw in laaggelegen gebiedenDebat d.d. 21-11-2007, inzake Adaptatie Klimaatverandering (28 240, nr. 67, 30 495, nr. 2, 22 112, nr. 575, 567, 31 269, nr. 1, 31 200 XI, nr. 20, 27 625, nr. 110 en VROM 07-593)Uitvoeringsagenda zal in december 2008 worden gepresenteerd.
De minister zal de TK binnenkort informeren over het resultaat van het overleg met provincies en gemeenten over het waarborgen van kernkwaliteiten.Debat d.d. 5-9-2007, inzake Uitvoering Nota Ruimte (1936, 29 435, nrs. 192 en 194)In de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland (afgesloten tussen Rijk, IPO en VNG in december 2007) is afgesproken om een gezamenlijke beoordeling uit te voeren op de (ruimtelijke) beleidsuitvoering Nationale Landschappen. De uitkomst van die beoordeling wordt in juni met IPO en VNGbesproken. De TK zal daarna worden geïnformeerd.
De minister zal met betrokkenen bij de Intentieovereenkomst Moerdijkse Hoek bespreken of en op welke manier de voorwaarden van de SER-ladder zullen worden gehanteerd bij de uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen.Debat d.d. 5-9-2007, inzake Uitvoering Nota Ruimte (1936, 29 435, nrs. 192 en 194)Op dit moment onderzoekt het GOB in opdracht van het rijk (ministeries van EZ en VROM), in aansluiting op de getekende intentieovereenkomst van oktober 2007, de mogelijkheden om te komen tot een sluitende businesscase. Het GOB heeft daar tot eind 2008 de tijd voor.Herstructurering en intensivering van het bestaande terrein Moerdijk (waaronder het Shell-terrein) en zuinig ruimtegebruik bij het logistieke park maken onderdeel uit van de intentieovereenkomst. De uitgangspunten van de intentieovereenkomst zijn leading voor het mandaat van het GOB.Het kabinet zal de Kamer nader informeren op het moment dat het werk van het GOB is afgerond (begin 2009).
De minister zal navraag doen naar het uitgiftepatroon van bedrijventerreinMoerdijk en de TK hierover informeren.Debat d.d. 5-9-2007, inzake Uitvoering Nota Ruimte (1936, 29 435, nrs. 192 en 194)Het te verwachten uitgiftepatroon wordt op dit moment door de provincie Noord-Brabant onderzocht. Op het moment dat die informatie beschikbaar en van voldoende kwaliteit is zal het kabinet de Kamer daarover informeren. Dit zal naar verwachting augustus 2008 zijn.
De minister zal de Kamer begin volgend jaar informeren over de eerste uitkomsten van de pilots die worden opgezet om de werking van bestaande en nieuwe instrumenten in de praktijk te toetsen.Debat d.d. 11-4-2007, inzake Grondbeleid (27 581, nr. 28)De pilots zijn bijna afgerond. De Kamer wordt in september 2008 over de resultaten geïnformeerd.
Over twee jaar, in 2009, zal de minister een evaluatie uitvoeren van de werking van het instrumentarium en de Kamer informeren over de uitkomsten van deze evaluatie. De reiswijzer gebiedsontwikkeling zal worden betrokken bij deze evaluatie.Debat d.d. 11-4-2007, inzake Grondbeleid (27 581, nr. 28)De evaluatie wordt uitgevoerd in 2009.

Openstaande toezeggingen Milieu

Openstaande toezeggingen Milieu
ToezeggingVindplaatsStand van zaken
De minister zal de Kamer voor het zomerreces 2008 per nota informeren over de WTO, non- trade-concerns en border tax adjustment, in samenwerking met de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de minister en staats- secretaris van Economische Zaken.Debat d.d. 29-5-2008, inzake Milieuraad (21 109, nr. 179, 31 209, nr. 28, 21 501-08, nr. 274)Na behandeling in de Ministerraad zal de Kamer per brief worden geïnformeerd. Naar verwachting zal de brief voor het einde van het zomerreces worden verzonden.
De minister zegt toe voor eind 2008 de Kamer inzicht te geven over de monitoring en de wijze waarop zij tot 2010 transparant zal rapporteren over de doelen en voortgang van Schoon en Zuinig.Debat d.d. 29-5-2008, inzake Milieuraad (21 109, nr. 179, 31 209, nr. 28, 21 501-08, nr. 274)De minister zal de Kamer in september 2008 infor- meren over de uitvoering van Schoon en Zuinig en de wijze waarop tot 2010 de Kamer over de voortgang van Schoon en Zuinig geinformeerd zal worden.
Afval: De minister van VROM zegt toe nog in 2008 de Kamer te informeren over de voort- gang en resultaten van de projecten op het gebied van zwerfafval.Debat d.d. 16-4-2008, inzake Afval (27 664, nr. 52, 53, 54, 30 872, nr. 6, 7, 31 200 XI, nr. 92)Recent is de Kamer middels brief van 2 juni 2008 kenmerk 2008056120 geinformeerd. Zie ook TK 2007–2008, 28 694, nr.60. Aan het eind van 2008 zal worden gerapporteerd over de resultaten.
De minister van VROM zegt toe met de VNG in gesprek te gaan over consumentenverant- woordelijkheid en zal de Kamer over de uitkomsten hiervan vóór het zomerreces 2008 informeren.Debat d.d. 16-4-2008, inzake Afval (27 664, nr. 52, 53, 54, 30 872, nr. 6, 7, 31 200 XI, nr. 92)De minister komt hierop terug tijdens het komende AO van 26 juni 2008.
De minister van VROM zal met het betrokken bedrijfsleven in gesprek gaan over het invoerplafond en de Kamer hierover informe- ren uiterlijk de derde week van mei.Debat d.d. 16–4-2008, inzake Afval(27 664, nr. 52, 53, 54, 30 872, nr. 6, 7, 31 200 XI, nr. 92)Er is 3 juni 2008 een uitstelbrief naar de Kamer gestuurd. De brief waarbij de Kamer zal worden geïnformeerd, wordt naar verwachting eind juni 2008 verzonden
De Kamer wordt rond de zomer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek naar de nationale milieueffecten als gevolg van het loslaten van de melkquota.Debat d.d. 9-4-2008, inzake Klimaat- en Energiepakket (22 112, nr. 619 fiche 1 t/m 3, nr. 624 fiche 2 en 3, 31 200 XI, nr. 99)De minister zal de Kamer, tegelijkertijd met de uit- komsten van het onderzoek in Nederland naar de broeikasgasemissies van de landbouwsector, hierover informeren. Dit onderzoek zal in de zomer 2008 worden uitgevoerd, waarna de Kamer schriftelijk zal worden geïnformeerd.
De voor- en nadelen van de «border tax adjustment» zullen worden meegenomen in een naar de Kamer op te sturen notitie over de wijze waarop milieucriteria kunnen worden gekoppeld aan WTO-activiteiten.Debat d.d. 9-4-2008, inzake Klimaat- en Energiepakket (22 112, nr. 619 fiche 1 t/m 3, nr. 624 fiche 2 en 3, 31 200 XI, nr. 99)Op dit moment ben ik met mijn ambtgenoten bezig het kabinetsstandpunt af te ronden. De staatssecretaris EZ trekt dit dossier.
De minister van VROM zegt toe de voorstellen en ideeën van de Kamer met betrekking tot criteria voor vliegreizen van ambtenaren mee te nemen in de ontwikkeling van deze criteria, en de Kamer hierover te informeren.Debat d.d. 27-3-2008, inzake Duurzaaminkopen (30 196, nr. 18, 19, 20)Momenteel wordt door SenterNovem gewerkt aan de ontwikkeling van criteria voor dienstreizen. De verwachting is dat de criteria in het najaar beschikbaar zullen zijn.
De minister van VROM zegt toe het vraagstuk van diffuse bronnen mee te nemen bij de ontwikkeling van criteria van duurzaam inkopen door bouwbedrijven en de Kamer hierover te informeren.Debat d.d. 27-3-2008, inzake Duurzaam inkopen (30 196, nr. 18, 19, 20)In brief van 23-05-2008 is aangekondigd dat in zomer 2008 onderzoek is afgerond op basis waarvan eventueel aanvullend beleid noodzaakt. Nadat het beleid t.a.v. deze metalen verder is uitgewerkt al bij de vaststelling van de criteria voor de relevante productgroepen in het najaar hiermee rekening worden gehouden. De Kamer zal hierna worden geïnformeerd.
De minister van VROM zegt toe de Kamer de lijst met criteria op het gebied van milieu en dierenwelzijn voor de inkoop van schoon- maakmiddelen door de overheid te doen toekomen. Bij de herziening van deze criteria in 2009 worden de suggesties van de Kamer meegenomen.Debat d.d. 27-3-2008, inzake Duurzaaminkopen (30 196, nr. 18, 19, 20)De minister heeft bij brief van 23 mei 2008 inzake toezeggingen AO DuurzaamInkopen van 27 maart 2008 aangegeven terug te komen op dit verzoek.
De minister van VROM zegt toe de Kamer half jaarlijks te informeren over de voortgang op de diverse onderdelen van het dossier Duurzaam Inkopen.Debat d.d. 27-3-2008, inzake Duurzaam inkopen (30 196, nr. 18, 19, 20)Eind september/oktober 2008 zal de minister de Kamer informeren over de stand van zaken en de voortgang op diverse onderdelen van het dossier Duurzaaminkopen.
De minister van VROM zegt toe in september 2008 de Kamer te informeren over de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de stimuleringsgelden in het kader van het Bestuursakkoord WaterketenDebat d.d. 20-3-2008, inzake Waterverontreiniging (30 535, nr. 13, 28 966, nr. 14 en 15)De lijst van gesubsidieerde projecten wordt bijgehouden zodat de minister de Kamer kan informeren in september 2008.
De minister van VROM zegt toe het vraagstuk van urinescheiding mee te nemen in voort- gangsberichten over het uitvoeringsprogram- ma diffuse bronnen waterverontreinigingDebat d.d. 20-3-2008, inzake Waterverontreiniging (30 535, nr. 13, 28 966, nr. 14 en 15)Het vraagstuk van urinescheiding wordt meegenomen in de jaarlijkse voortgangsberichten aan de Kamer
De minister zal over drie maanden een rapportage over de stand van zaken van 20% vs. 30% rond het klimaatpakket, waaronder CDM, naar de Kamer sturen.Debat d.d. 27-2-2008, inzake Europese Energie- en klimaatpakket (31 209, nr. 10 en 11)Deels afgedaan met de Beantwoording kamervragen en reactie MNP rapport met betrekking tot het Europese energie en klimaatpakket, d.d. 19-05–2008. In het najaar 2008 volgt een brief die verder op het onderwerp ingaat.
De minister zal een brief aan de Kamer sturen, waarin wordt nagegaan welke studies er zijn die de baten van klimaatbeleid weergeven.Debat d.d. 27-2-2008, inzake Europese Energie- en klimaatpakket (31 209, nr. 10 en 11)In de tweede helft van 2008 zal de brief hierover aan de Tweede Kamer worden verzonden.
De minister zal in overleg treden met minister Verburg over motie Ouwehand cs (Europees onderzoek naar effecten afschaffing melkquotum). Er loopt in Nederland een onderzoek naar de broeikasgasemissies van de land- bouwsector, dat zsm naar de TK zal worden gestuurd.Debat d.d. 27-2-2008, inzake Europese Energie- en klimaatpakket (31 209, nr. 10 en 11)De minister zal de Kamer, tegelijkertijd met de uitkomsten van het onderzoek in Nederland naar de broeikasgasemissies van de landbouwsector, hierover informeren. Dit onderzoek zal in de zomer 2008 worden uitgevoerd, waarna de Kamer schriftelijk zal worden geïnformeerd.
Asbest: De minister zegt toe schriftelijk te reageren op het SP-rapport «Help asbest het dak af».Debat d.d. 13-2-2008, inzake Asbest (25 834, nr. 45 en 46, 22 343, nr. 176 en 183)De minister zal tegelijkertijd met de afhandeling van andere toezeggingen op het gebied van asbest, een schriftelijke reactie op het SP-rapport «Help asbest het dak af» geven. De brief zal eind juni 2008 naar de Kamer worden gezonden.
Asbest: De minister zegt toe schriftelijk terug te komen op vragen over voorlichting aan gemeenten en burgers, en daarbij in te gaan op de verantwoordelijkheidsverdeling en op de vraag waar burgers met vragen terecht kunnen.Debat d.d. 13–2-2008, inzake Asbest (25 834, nr. 45 en 46, 22 343, nr. 176 en 183)De minister zal tegelijkertijd met de afhandeling van andere toezeggingen op het gebied van asbest uitvoering geven aan deze toezegging. De brief zal eind juni 2008 naar de Kamer worden gezonden.
Asbest: De minister zegt toe voor Kerst 2008 de Kamer een schriftelijke appreciatie te doen toekomen van het rapport van de Gezond- heidsraad over de normen voor blootstelling aan asbest, als deze volgens de planning in November wordt opgeleverd.Debat d.d. 13-2-2008, inzake Asbest (25 834, nr. 45 en 46, 22 343, nr. 176 en 183)De brief kan pas opgesteld worden na het advies van de Gezondheidsraad dat volgens planning in november 2008 gereed is.
Asbest: De minister zal schriftelijk ingaan op de asbestactie van LTO-Noord.Debat d.d. 13-2-2008, inzake Asbest (25 834, nr. 45 en 46, 22 343, nr. 176 en 183)De minister zal tegelijkertijd met de afhandeling van andere toezeggingen op het gebied van asbest uitvoering geven aan deze toezegging. De brief zal eind juni 2008 naar de Kamer worden gezonden.
De minister zegt toe contact op te nemen met de Nederlandse Spoorwegen over mogelijke Europese regels inzake toiletvoorzieningen in treinen in relatie tot het al dan niet toestaan van open riolering en de kamer te informeren over de uitkomsten van dit gesprek.Debat d.d. 31-1-2008, inzake Herijking VROM regelgeving (29 383, nr. 78, 79, 80 en 86)De minister zal in de loop van juli 2008 een brief aan de Kamer zenden
De Kamer zal de kabinetsreactie op de uit- komsten van het onderzoek van de commissie van deskundigen over het handhavingsstelsel na de zomer ontvangen.Debat d.d. 23-1-2008, inzake Handhaving (29 383, nr. 83, 22 343, nr. 179, 25 422, nr. 55, 56 en 57, 30 000, nr. 47, 22 343, nr. 185, 30 600, nr. 15, 31 200 XI, nr. 83)De betreffende commissie rapporteert begin juli 2008. De minister zal in de loop van de zomer deze rappor- tage met een reactie hierop naar de Kamer zenden.
De Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de professionalisering van de handhaving bij gemeenten en provincies.Debat d.d. 23-1-2008, inzake Handhaving (29 383, nr. 83, 22 343, nr. 179, 25 422, nr. 55, 56 en 57, 30 000, nr. 47, 22 343, nr. 185, 30 600, nr. 15, 31 200 XI, nr. 83)Dit maakt onderdeel uit van het transitieprogramma werk in uitvoering, waarover de Tweede Kamer in juni 2008 is geïnformeerd (over het proces), na de zomer wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de inhoudelijke aspecten.
Aan de Kamer wordt voor de zomer gerapporteerd over laatste stand van zaken met betrekking tot de risico’s voor de externe veiligheid ten aanzien van kunstmest en andere stoffen.Debat d.d. 22-1-2008, inzake Extern Veiligheidsbeleid (26 108, nr. 6, 27 801, nr. 53, 30 373, nr. 13, 17, 28 325, nr. 60, 29 383, nr. 81, 26 643, nr. 102)De minister heeft de CBRNE-notitie in mei 2008 in de Ministerraad gebracht. Na instemming door de Ministerraad zal aan de Kamer een brief met de laatste stand van zaken met betrekking tot security- risico’s t.a.v. kunstmest en andere stoffen gezonden worden. Over deze zelfgemaakte explosieven vindt momenteel overleg plaats met de NCTb. Vermoedelijk zal deze brief begin augustus naar de Kamer worden gestuurd.
De minister zegt toe de Kamer over één jaar te informeren hoe de oplossing met betrekking tot de tarragronden in de praktijk werkt.Debat d.d. 17-1-2008, inzake Bodem(30 015, nr. 18, 19 en 28 199, nr. 16)De minister zal de Kamer uiterlijk december 2008 informeren.
De minister zegt toe de Kamer periodiek, doch voor 2010 minimaal twee maal, te informeren over de resultaten van de inventarisatie en nader onderzoek bij spoedlocaties ten aanzien van bodemsanering.Debat d.d. 17-1-2008, inzake Bodem (30 015, nr. 18, 19 en 28 199, nr. 16)Voor september 2008 wordt de brief aan de Tweede Kamer gezonden.
De minister zegt toe de Kamer over één jaar te informeren over de voortgang en uitkomsten van het handhavingstraject inzake de bodem- sanering.Debat d.d. 17-1-2008, inzake Bodem (30 015, nr. 18, 19 en 28 199, nr. 16)Conform deze toezegging zal hierover een brief aan de Kamer worden verzonden uiterlijk in december 2008.
De minister zegt toe de toezegging van minister de Boer over de nazorg van voor- malige vuilstortplaatsen aan een nadere beschouwing te onderwerpen.Debat d.d. 17-1-2008, inzake Bodem(30 015, nr. 18, 19 en 28 199, nr. 16)Voor september 2008 wordt de brief aan de Tweede Kamer gezonden.
De minister zegt toe de Kamer te informeren over de aanpak van gebiedsgericht grond- waterbeheer in relatie tot binnenstedelijke herstructurering.Debat d.d. 17-1-2008, inzake Bodem(30 015, nr. 18, 19 en 28 199, nr. 16)Voor september 2008 wordt de brief aan de Tweede Kamer gezonden.
Biotechnologie: De minister van VROM zegt toe om samen met de staatssecretaris van EZ een notitie op te stellen over de regeldruk en knelpunten met betrekking tot het vestigingsklimaat voor bedrijven op het gebied van biotechnologie in Nederland (ook ten opzichte van andere landen) en daarbij ook in te gaan op de dilemma’s die kleine bedrijven onder- vinden bij het aanvragen van patenten. De notities uit 2004 en 2006 zullen tevens aan de Kamer worden gezonden met een toelichting op de conclusies en de verbeteropties die inmiddels in gang zijn gezetDebat d.d. 15-11-2007, inzake Biotechnologie (27 428, nr. 85, 87, 88)Met EZ zijn afspraken gemaakt over de aanpak. De planning is om de brief in september 2008 naar de Kamer te verzenden.
De Tweede Kamer wordt in het voorjaar 2008 geïnformeerd over de non-trade concerns en de koppeling van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de rol van de overheid inzake de verduurzaming van de productieketen.Debat d.d. 31-10-2007, inzake Begrotingsonderzoek VROM voor het jaar 2008 (30 800 XI, nr. 115, 118, 121, 122, 123)Op dit moment wordt het kabinetsstandpunt over de non-tradeconcerns afgerond. De staatssecretaris EZ trekt dit dossier.
De minister zal middels een overzichtsconstructie aangeven wat vanuit andere ministeries financieel beschikbaar is voor de uitvoering van de milieudoelen.Debat d.d. 31-10-2007, inzake Begrotingsonderzoek VROM voor het jaar 2008 (30 800 XI, nr. 115, 118, 121, 122, 123)De begroting 2009 bevat per artikel een overzicht van milieugerelateerde fiscale uitgaven. Voor de fiscale ontvangsten wordt in de overzichtsconstructie verwezen naar bijlage 3 van de Miljoenennota. Opname van milieugerelateerde budgetten van andere ministeries is niet goed realiseerbaar, omdat milieu vaak één aspect is van het beleid. Daar komt bij dat opname van bedragen leidt tot een statisch document, waarvan de informatiewaarde afneemt bij budgettaire mutaties gedurende het jaar. Daarom wordt in de overzichtsconstructie volstaan met een verwijzing naar milieugerelateerde beleidsartikelen van andere ministeries. Hiermee beschouw ik deze toezegging als afgedaan.
In de begroting 2009 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de stand van zaken en plannen met betrekking tot de reorganisatie van de rijksdienst en de taakstelling van VROM.Debat d.d. 31-10-2007, inzake Begrotingsonderzoek VROM voor het jaar 2008 (30 800 XI, nr. 115, 118, 121, 122, 123)De bedoelde informatie zal worden opgenomen in de begroting 2009.
De Tweede Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over ICT.Debat d.d. 31-10-2007, inzake Begrotingsonderzoek VROM voor het jaar 2008 (30 800 XI, nr. 115, 118, 121, 122, 123)In haar hoedanigheid als coördinerend minister voor grote ICT-projecten heeft de minister van BZK in opeenvolgende brieven, de laatste van 25 februari 2008 (26 643, nr. 121), aangegeven dat de problemen met grote ICT-projecten bij het Rijk door haar worden erkend en dat verbetermaatregelen worden geno- men. Nog voor het zomerreces van 2008 stuurt de minister van BZK een brief naar de Kamer met nader uitgewerkte verbetermaatregelen. Deze verbetermaatregelen zullen ook door VROM doorgevoerd worden.
De Kamer wordt in het kader van de convenantafspraken geïnformeerd over de afrekenbare prestaties in 2010, opdat die informatie kan worden betrokken bij de behandeling van de begroting 2011Debat d.d. 29-10-2007, inzake Schoon en zuinigIn november 2008 zal de minister de brief naar de Kamer zenden.
De Kamer zal worden geïnformeerd over de convenanten (afspraken, maatregelen en doelen) per sectorDebat d.d. 29-10-2007, inzake Schoon en zuinigEind november zal de minister de Kamer schriftelijk informeren over de afspraken, maatregelen en doelen per sectorconvenant.
De evaluatie c.q. tussenbalans van Schoon en Zuinig zal parallel lopen aan de begrotingscyclus voor 2011, zodat het kan worden meegenomen in de behandeling van de begrotingen van 2011.Debat d.d. 29-10-2007, inzake Schoon en zuinigDe Kamer wordt in september 2010 middels een brief geïnformeerd over herijking van Schoon en Zuinig.
In het voorjaar van 2008 ontvangt de Kamer een rapportage van de VROM-inspectie over bijmenging van biobrandstoffen.Debat d.d. 18-10–2007, inzake Milieuraad (22 112, nr. 549, 538, 557, 21 501-08, nrs. 249, 250, 252, 30 495, nr. 3)Deze rapportage zal in de zomer van 2008 aan de Kamer worden aangeboden.
De Kamer zal een overzicht ontvangen van Europese R&D fondsen op het gebied van duurzame energie.Debat d.d. 18-10-2007, inzake Milieuraad (22 112, nr. 549, 538, 557, 21 501-08, nrs. 249, 250, 252, 30 495, nr. 3)In de tweede helft van 2008 zal de brief hierover aan de Tweede Kamer worden verzonden.
De minister zal de Tweede Kamer schriftelijk nader informeren over de vuistregels van de VROM-Inspectie betreffende de verontreiniging van afvalstoffen (handhaving EVOA).Debat d.d. 18-10-2007, inzake Afval (30 872, nr. 2 en 3, VROM 07-272, VROM 07-363, 22 343, nrs. 174 en 175, 21 501-08, nr. 249, 27 664, nr. 50)De minister heeft aan de Kamer een brief gezonden op 31 januari 2008 (30 872/22 343, nr. 6), waarin zij meldt de Kamer eind 2008 nader te informeren over de vuistregels.
De minister zal de Tweede Kamer na afloop van de eerste pilot uit het draaiboek scheepsafvalstoffen, die in november plaatsvindt, schriftelijk informeren.Debat d.d. 18-10-2007, inzake Afval (30 872, nr. 2 en 3, VROM 07-272, VROM 07-363, 22 343, nrs. 174 en 175, 21 501-08, nr. 249, 27 664, nr. 50)Voor het zomerreces van 2008 zal hierover een biref aan de Kamer worden verzonden.
Sloopschepen. De uitwerking van het principe «de vervuiler betaalt» zal na overleg met de stakeholders naar de Kamer worden gestuurd.Debat d.d. 26-9-2007, inzake Sloopschepen (25 868, nr. 15, 22 343, nr. 177, 22 112, nr. 546, 560)De brief aan de Kamer wordt uiterlijk 31 juli 2008 verzonden
De minister zegt toe initiatieven te ondersteunen door gebruik te maken van goede erkenningen. Daarover wordt nog overlegd met de VNG. De Kamer wordt hierover geinformeerd.Debat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)De minister zegt toe regionale initiatieven te onder- steunen door gebruik te maken van goede ervaringen. Daarover wordt nog overleg gevoerd met de ketenpartijen, waarna de Kamer zal worden geïnformeerd. Het overleg met ketenpartijen heeft eroe geleid dat in het Bestuursakkoord Waterketen een budget van € 4,3 mln beschikbaar is gesteld voor ondersteuning van regionale initiatieven. Nadien heeft de minister toegezegd de Kamer in september 2008 te informeren over de uitputting van dat budget.
De Kamer wordt in 2009 in het kader van de lange termijnvisie geinformeerd over innovatieagendaDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Het traject om te komen tot een lange termijnvisie en een innovatieagenda loopt en wordt eind 2008 afgerond. Daarna zal de minister de Kamer zo snel mogelijk informeren.
Verduurzaamd hout. De Kamer krijgt n.a.v. de vragen van Poppe schriftelijke informatie over gewolmaniseerd houtDebat d.d. 23-5-2007, inzake Handhaving (30 800 XI, nr. 85, 25 422, nrs. 48, 49, 50, 28 089, nr. 16, 26 442, nrs. 25 en 28, 29 279 nr.45)De minister zal de Kamer voor eind 2008 informeren. E.e.a. heeft meer tijd gekost dan gepland vanwege de noodzakelijke afstemming n.a.v. de invoering van de REACH-regelgeving.
De minister zal de Kamer schriftelijk informeren over veiligheid in relatie tot buisleidingen, de zones rondom buisleidingen en de discussie hierover tussen Gasunie en VNG.Debat d.d. 11-4-2007, inzake Grondbeleid (27 581, nr. 28)Het overleg met de Gasunie en VNG over de norme- ring aardgastransportleidingen is nog gaande. De heer Alders bereidt een voorstel voor en overlegt met partijen afzonderlijk over (financiële) betrokkenheid. Rapportage Alders wordt in juli 2008 verwacht, waarna de Kamer, naar verwachting in september 2008, zal worden geïnformeerd.
De Kamer wordt in 2008 geïnformeerd over de resultaten van de audit naar de werking van het systeem groepsrisico’sDebat d.d. 4-4-2007, inzake Extern veiligheidsbeleid (27 801, nr. 44, 45, 46, 48, 49, 22 343, nr. 144, 29 383, nr. 67, 30 800 XI, nr. 35, 76 en 79, 30 373, nr. 10, 26 018, nr. 5, 22 343, nr. 144) Debat d.d. 4-4-2007, inzake Extern veiligheidsbeleid (27 801, nr. 44, 45, 46, 48, 49, 22 343, nr. 144, 29 383, nr. 67, 30 800 XI, nr. 35, 76 en 79, 30 373, nr. 10, 26 018, nr. 5, 22 343, nr. 144)De in het AO van april 2007 en de zevende voortgangsrapportage aangekondigde audit wordt momenteel door de VROM-Inspectie uitgevoerd en zal na afronding, waarschijnlijk na de zomer, door de VROM-Inspectie aan u worden aangeboden.
De Kamer wordt maximaal geïnformeerd over het overleg met de Gasunie inzake het oplossen van de knelpunten met gasleidingen.Debat d.d. 4-4-2007, inzake Extern veiligheidsbeleid (27 801, nr. 44, 45, 46, 48, 49, 22 343, nr. 144, 29 383, nr. 67, 30 800 XI, nr. 35, 76 en 79, 30 373, nr. 10, 26 018, nr. 5, 22 343, nr. 144)Het overleg met de Gasunie en VNG over de normering aardgastransportleidingen is nog gaande. De heer Alders bereidt een voorstel voor en overlegt met partijen afzonderlijk over (financiële) betrokkenheid. Rapportage Alders wordt in juli 2008 verwacht, waarna de Kamer, naar verwachting in september 2008, zal worden geïnformeerd.
De minister zal de AMvB Buisleidingen aan de Kamer zenden.Debat d.d. 4-4-2007, inzake Extern veiligheidsbeleid (27 801, nr. 44, 45, 46, 48, 49, 22 343, nr. 144, 29 383, nr. 67, 30 800 XI, nr. 35, 76 en 79, 30 373, nr. 10, 26 018, nr. 5, 22 343, nr. 144)Na het overleg Alders kan de AMvB naar de Kamer worden gezonden. Naar verwachting zal dit eind september/oktober gebeuren.
REACH: Ik zal u regelmatig informeren over de voortgang van de implementatie van REACH in Nederland, waaronder tevens het voortschrijdend inzicht in de kosten die met uitvoering van REACH zijn gemoeid. Daarbij heb ik toegezegd 3 jaar na inwerkingtreding van REACH een evaluatie van de uitvoering van REACH in Nederland uit te voeren, waar- van de resultaten door Nederland kunnen worden ingebracht in Europees kader.Debat d.d. 8-2-2007, inzake Wetsvoorstel REACH(30 600, nr. 2 en 7)Op 1 juni 2007 zijn de REACHbepalingen in werking getreden. De toezegging om 3 jaar na inwerkingtreding van REACH een evaluatie uit te voeren zal dan ook plaatsvinden in 2011.
Afschrift van reactie staatssecretaris op De Groene Schatkist naar TK.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begrotingsbehan- deling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Aan de Stichting Natuur en Milieu is gemeld dat in het belastingplan 2008 de voorstellen ten dele zullen worden meegenomen. De 15 voorstellen van de Stichting Natuur en Milieu in het rapport «De Groene Schatkist» zijn vervolgens nader bestudeerd en zijn ten dele in het belastingplan 2008 terecht gekomen.
De Kamer wordt geïnformeerd over de ervaringen met de proeven met de energieboxDebat d.d. 20-12-2006, inzake Begrotingsbehan- deling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Het onderzoek over de ervaringen met de energiebox zal deze zomer aan de Kamer worden aangeboden.
De Kamer wordt geïnformeerd over het onderzoek naar de aanwezigheid, verplaatsing en afgifte van slops/scheepsafvalDebat d.d. 19-12-2006, inzake Probo Koala (22 343 nr 143 en nr 146)De minister zal de Kamer een brief m.b.t. de afron- ding van dit dossier sturen. De planning is mede afhankelijk van het OM.
De Kamer wordt schriftelijk geïnformeerd over de rol van het Openbaar ministerie, het procesverhaal voor Basilisk, vanwege het verstrekken van verkeerde informatie ten behoeve van de EVOA-beschikking en (de termijnen voor) het rechtshulpverzoek.Debat d.d. 12-10-2006, inzake Schip OtapanDe minister heeft op 15 mei 2008 een brief aan de Kamer gezonden (22 343, nr. 193), waarin zij aangeeft binnenkort dit dossier af te ronden.
Biotechnologie. De staatssecretaris van VROM zal de TK blijven informeren over de beoor- deling van markttoelatingen van ggo’s waar- voor Nederland behandelend lidstaat is, inclusief een indicatie van de stemverhouding.Debat d.d. 19-4-2006, inzake BiotechnologieAan de hand van de agenda van de Milieuraad komen beoordelingen van markttoelatingen van GGO’s waarvoor Nederland behandelend lidstaat is standaard aan de orde in het AO Milieuraad in de Kamer.
Biotechnologie. De staatssecretaris van VROM zal de TK informeren over de wijze waarop andere Europese landen omgaan met de milieutoets inzake gentherapeutisch onderzoek bij mensen.Debat d.d. 19-4-2006, inzake BiotechnologieDe TK wordt over de uitkomsten van een schriftelijke ronde van de EU-Cie over dit onderwerp, waar ook NL aan meedoet, naar verwachting voor het eind van 2008 geïnformeerd.
De staatssecretaris van VROM zegt toe uiterlijk in december 2005 de problematiek rond de Oud-Limburgse schuttersfeesten op te lossen.Debat d.d. 8-11-2005, inzake Halfjaarlijks overleg herijking (29 362„ nr. 44; VROM-05-852; 29 383, nr. 32 en 33)Minister VROM heeft in een VAO op 26-2-2008 aangegeven de schutterijen in het Activiteitenbesluit onder het fanfareregime te brengen. In de 2e tranche van het Activiteitenbesluit wordt dit meegenomen.
Kamer informeren over de mogelijkheden voor een departementsoverstijgende begro- ting en -verantwoording inzake een aantal dossiers (mn op het gebied van milieu); in de in september of oktober naar de Kamer te sturen evaluatie klimaatbeleid zal op mogelijk- heden van een departementsoverstijgende informatievoorziening worden ingegaan.Debat d.d. 15-6-2005, inzake Jaarverslagen 2004 ministerie VROM 30 100 XI, nr. 1 en 2Deels afgehandeld met de aanbieding van de evaluatienota klimaatbeleid 2005; 28 240, nr. 37, d.d. 31 oktober 2005. Verdere uitvoering aan deze toezegging wordt onder meer gegeven middels het interdepartementale werkprogramma Schoon en Zuinig.

Afgehandelde toezeggingen Ruimte en Milieu

Afgehandelde toezeggingen Ruimte en Milieu
ToezeggingVindplaatsStand van zaken
De minister van VROM zegt toe de resultaten van de taskforce CCS aan de Kamer te doen toeko- men, en op korte termijn de Kamer te informeren over het tijdpad en de planning van deze taskforce. Debat d.d. 29-5-2008, inzake Milieuraad (21 109, nr. 179, 31 209, nr. 28, 21 501-08, nr. 274)Brief van minister VROM d.d. 23-06-2008, inzake Toezending van de gean- noteerde agenda van de gecombineerde informele raad voor Milieu en Energie. De resultaten van de taskforce CCS zijn in deze brief meegenomen.
Vóór het einde van het zomerreces ontvangt de TK een brief over het eventueel verlengen van de compartimenterinsregeling. Daarvoor neemt de minister in ieder geval contact op met de provincies. Ze heeft aangegeven dat ze met de decompartimentering de wens van de TK uitvoert, dat het in principe aan de TK is om op voordracht van provincies anders over te beslissen en dat eventuele schadeclaims bij de provincies worden neergelegd. De brief gaat op verzoek van het CDA ook in op «stromen» die op gang komen (welke ondernemers gaat er op voor- of achteruit als de compartimentering wordt voortgezet, welke mestrechten stijgen of dalen in waarde). M-VROM voegde nog toe dat milieuaspecten zullen worden betrokken en dat zal worden ingegaan op de wenselijkheid van aanpassing van het meststoffenbeleid.Debat d.d. 25-6-2007, inzake Reconstructie Zandgebieden (30 800 XIV, nr. 101, 13 en 30 800 XI, nr. 82)Brief minister VROM d.d. 13-09-2007, inzake Reactie op artikel Volkskrant over megastallen
Volgende week ontvangt de Kamer een brief over de uitkomst van de onderhandelingen betreffende de vergunningverlening nieuwe kolencentrale (incl. reactie op het recente bericht van Tennet dat NL stroomexporteur wordt).Debat d.d. 14-6-2007, inzake Wetge- vingsoverleg Jaarverslag VROM (XI) (31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)Brief minister VROM d.d. 28 juni 2007, inzake vergunningverlening voor nieuwe kolencentrales op de Maasvlakte (Kamerstuk 2006-2007, 28 240/29 023, nr. 77)
De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over het allocatieplan broeikasgasemissierechten, waarbij wordt ingegaan op het veilen van emissierechten en (de toedeling van) de reservere van emissierechten.Debat d.d. 14-6-2007, inzake Wetge- vingsoverleg Jaarverslag VROM (XI) (31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)Brief minister EZ en minister VROM d.d. 24 juli 2007, inzake de vervreemding van overtollig geraakte CO2-emissie- rechten (28 240, nr. 85)
Eind juni wordt de Kamer geinformeerd over de bodemsanering. Daarbij wordt ingegaan op spoedlocaties en saneringsmogelijkhedenDebat d.d. 14-6-2007, inzake Wetge- vingsoverleg Jaarverslag VROM (XI) (31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
De Kamer wordt voor het zomerreces schriftelijk geinformeerd over de svz inzake luchtkwaliteit, alsmede over een update van het NSL en de derogatie daarover.Debat d.d. 14-6-2007, inzake Wetge- vingsoverleg Jaarverslag VROM (XI)( 31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)Brief minister VROM d.d. 03-07-2007, inzake Voortgang dossier luchtkwaliteit
De minister zal met het MNP bespreken of het MNP voortaan ook een extra kolom «prognose MNP tav doelbereik incl. het voorgenomen overheidsbeleid» in zijn kleurtjestabel in de Milieubalansen Indicatorrapport kan opnemen. DGM zal dit in augustus in orde maken bij het gesprek met het MNP over de kabinetsreactie op de Milieubalans.Debat d.d. 14-6-2007, inzake Wetge- vingsoverleg Jaarverslag VROM (XI) (31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)Brief minister VROM d.d. 23-08-2007, inzake Toezegging bij Kamerdebat
Er komt een brief aan de Kamer over het resultaat van het overleg tussen de minister VROM en de minister van EZ over de stroomlijning van procedures bij SenterNovem. (Mez heeft hierbij het voortouw, mmv DGM olv wnd.dgM)Debat d.d. 14-6-2007, inzake Wetgevingsoverleg Jaarverslag VROM (XI) (31 031, nrs. 1 t/m 4, nr. 6 en 30 800 XI-105)De minister van EZ heeft tijdens de behandeling van de begroting van EZ de Kamer mondeling geïnformeerd over de werkwijze en de verbeteringen hierin bij SenterNovem.
Het Bestuursakkoord waarin inzicht wordt gegeven in de benchmark, samenwerking, opbouw van de kosten en monitoring wordt naar de Kamer gestuurd.Debat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 22-08-2007, inzake Aanbieding bestuursakkoord waterketen als ook de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitvoering de moties 27 625, nr. 89 en 96
Het ijkmoment waterketenbeleid staat gepland voor 2009. De Kamer wordt vooraf geinformeerd over de informatie die daarbij wordt verstrektDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 12-02-2008, inzake Stand van zaken waterketenbeleid en uitvoering motie 31 200 XII, nr. 40 vergaderjaar 2007-2008
De Kamer wordt nader geinformeerd over de gesprekken met de ketenpartners over een differentiatie van het tarief voor het gebruik van drinkwaterDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 12-02-2008, inzake Stand van zaken waterketenbeleid en uitvoering motie 31 200XII, nr. 40 vergaderjaar 2007–2008
De Kamer wordt geinformeerd over de CBS-prognose van de kosten en opbrengsten van rioolbeheer, zoals opgenomen in het StatLine programmaDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 12-02-2008, inzake Stand van zaken waterketenbeleid en uitvoering motie 31 200 XII, nr. 40 vergaderjaar 2007–2008
De minister geeft nog nadere informatie over de koper-/zilverionisatie ten behoeve van de legionellabestrijdingDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 24-07-2007, inzake Koper-zilverionisatie i.v.m. legionellapreventie in leidingwater.
De Kamer ontvangt op basis van de informatie van de uitvoeringsorganisaties een standpunt van het kabinet over het opsporen van de resterende woningen met loden drinkwaterleidingenDebat d.d. 29-5-2007, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 10, 26 076, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 08-04-2008, inzake Loden leidingen
De minister zal het fiche over de richtlijn brandstofkwaliteit opnieuw bekijken en met staatssecretaris Timmermans bezien of herziening of herformulering nodig is. Dit heeft met name betrekking op de ambitie en de inschatting kostenconsequenties.Debat d.d. 24-5-2007, inzake Milieuraad (22 112, nrs. 498 fichenr. 6, 514 en 518)Brief minister VROM d.d. 20-06-2007, inzake Richtlijn Brandstofkwaliteit
De Kamer informeren over de technische haalbaarheid van de Euro 6 norm.Debat d.d. 24-5-2007, inzake Milieuraad (22 112, nrs. 498 fichenr. 6, 514 en 518)Brief minister VROM d.d. 20-06-2007, inzake Richtlijn Brandstofkwaliteit
Legionella. De Kamer krijgt een schriftelijke reactie op het voorstel van Vietsch om een verbod op open koeltorens in te stellen.Debat d.d. 23-5-2007, inzake Handhaving (30 800 XI, nr. 85, 25 422, nrs. 48, 49, 50, 28 089, nr. 16, 26 442, nrs. 25 en 28, 29 279 nr. 45)Brief minister VROM d.d. 12-07-2007, inzake Oprichting Europees bureau Afval/Verbod op open koeltoren
Rookmelders. De Kamer krijgt een brief over de verwerking van afgedankte, mogelijk radioactieve, rookmelders en het instellen van een mogelijk verbod.Debat d.d. 23-5-2007, inzake Handhaving (30 800 XI, nr. 85, 25 422, nrs. 48, 49, 50, 28 089, nr. 16, 26 442, nrs. 25 en 28, 29 279 nr. 45)Brief minister VROM d.d. 24-09-2007, inzake Toezeggingen.
Biotechnologie. Voor het zomerreces zal er een debat worden gevoerd over biotechnologieDebat d.d. 18-4-2007, inzake Biotechnologie (27 428, nr. 77 en 78, 22 112-470, nr. 2)Het debat inzake Biotechnologie heeft plaatsgevonden op 15-11-2007, (27 428, nr. 85, 87, 88)
VROM zal, samen met LNV, aan het RIVM vragen of er een aanvullende onderzoeksvraag is te formuleren, naast de onderzoeksresultaten die er al liggen, waarmee meer helderheid zou kunnen komen over de oorzaken van de gewasschade Aalsmeer.Debat d.d. 10-4-2007, inzake VAO gewasbeschermingsmiddelen en biocide en gewasschade AalsmeerBrief minister Landbouw, namens minister VROM d.d. 17-7-2007, inzake de voortgang van de uitvoering van de motie Mastwijk c.s. (30 800 XIV„ nr. 87) over het onderzoek naar de gewasschade in Aalsmeer (30 800 XIV, nr. 139).
Schoon en zuinig: de minister zal het ECN-MNP rapport over sectoren aan de Tweede Kamer sturen zodra hetrapport gereed is.Debat d.d. 21-3-2007, inzake Toewij- zingsplan broeikasgasemissierechten Debat d.d. 15-3-2007, inzake Toewij- zingsplan broeikasgasemissierechten (28 240, nr. 71, 29 565, nr. 21, 22 112, nr. 488) Debat d.d. 27-3-2007, inzake Kennismakings AO (Brief prioriteiten Milieu en Ruimte d.d. 26 maart 2007)Brief minister VROM d.d. 18-09-2007, inzake ECN/MNP beoordeling van het werkprogramma Schoon en Zuinig
De Kamer wordt in hjet kader van het project «Schoon en zuinig» geïnformeerd over de nieuwe verdeling van de broeikasgasemissierechten na 2012, de realisatie van de binnenlandse CO2-reductie en de buitenlandse CO2-reductie (via Joint Implementation en Clean Development Mechanism), fiscale maatregelen en de mogelijkheden van veilen (na 2012), de aanpak van het vraagstuk mbt kolencentrales en de lopties voor invulling van de beschikbare ruimte in de allocatie van broeikasgasemissierechten.Debat d.d. 15-3-2007, inzake Toewij- zingsplan broeikasgasemissierechten (28 240, nr. 71, 29 565, nr. 21, 22 112, nr. 488)Brief minister VROM d.d. 28-06-2007, inzake Vergunningverlening nieuwe kolencentrales op de Maasvlakte; relatie met NEC (SO2 plafond) en inpassing in het Emissiehandelssyteem
De Kamer zal (in een later stadium) worden geinformeerd over de problematiek van de energie intensieve industrie.Debat d.d. 15-3-2007, inzake Toewij- zingsplan broeikasgasemissierechten (28 240, nr. 71, 29 565, nr. 21, 22 112, nr. 488)Brief minister EZ, namens de ministers van FIN en VROM d.d. 18 september 2007, inzake de brief aan het consortium van Grootverbruikers, over de overheidsinspanningen ten aanzien van Consortium energie intensieve industrie (29 240, nr. 87).
De staatssecretaris zal de Kamer de uitkomsten, met name met betrekking tot de sociaalecono- mische effecten, van het beleidsdebat over de opname van de luchtvaartsector in het emissiehandelssysteem toesturen.Debat d.d. 15-2-2007, inzake MilieuraadBrief minister Verkeer en Waterstaat d.d. 11 december 2007, inzake het rap- port «Economic effects of, including aviation in, EU emissions trading scheme» van CE Delft en MVA Consul- tancy (31 252, nr. 3).
Vrijstellingsregeling voor tarragrond twee jaar handhavenDebat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouw- stoffen, grond en baggerspecie (30 522)Brief van minister VROM d.d. 11-01-2008, inzake Beantwoording kamervragen Besluit bodemkwaliteit
Bij prioritering van de handhaving zal worden nagegaan of nieuwe omstandigheden (tgv nieuw beleid) een plek kunnen krijgen.Debat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)Op 30 november 2007 is het Besluit bodemkwaliteit tezamen met de Nota van Toelichting toegezonden aan de voorzitters van de 1e en 2e Kamer (Kamerstukken 2007-2008, 29 383, nr. 82 en E/82). Het besluit is met de nota van toelichting geplaatst in Stb. 2007, 469
De Kamer wordt geïnformeerd over het functioneren van het toezichtDebat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)Op 30 november 2007 is het Besluit bodemkwaliteit, tezamen met de Nota van Toelichting, toegezonden aan de Kamer (Kamerstukken 2007–2008, 29 383, nr. 82 en E/82). Het besluit is met de nota van toelichting geplaatst in Stb. 2007, 469
De Kamer wordt geïnformeerd over het handhaven van een meldingsplicht voor het toepassen van schone grondDebat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)De minister heeft de Kamer mondeling geïnformeerd tijdens het AO Bodemkwaliteit van 17-1-2008 (30 015, nr. 21).
Tarragrond: de Kamer wordt geïnformeerd over het onderzoek naar de kwaliteit van tarragrond; er zal onderzoek worden gedaan naar toetsingscriteria voor het behalen van 95% schone tarragrond; in dat onderzoek wordt de eis en toetsingscriteria voor minerale olie in grond en in baggerspecie betrokken.Debat d.d. 14-2-2007, inzake Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bodembescherming met het oog op nieuwe regels voor de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie (30 522)De minister heeft tijdens AO bodem op 17 januari 2008 meegedeeld dat met de brancheorganisatie voor tarragrond een akkoord is bereikt en dat daarmee aan de toezegging is voldaan.
De Kamer wordt geïnformeerd over de actuele stand van zaken van de 35ke zone (werkelijke zone – berekende zone).Debat d.d. 24-1-2007, inzake Awacs NAVO-vliegbasis Geilenkirchen (30 800 X, nr. 43)Brief minister VROM d.d. 01-06-2007, inzake Geluidszone Geilenkirchen
De Kamer zal nader geïnformeerd worden over de piekniveaus in de gemeente Alsmeer in relatie tot die in de gemeente Onderbanken.Debat d.d. 24-1-2007, inzake Awacs NAVO-vliegbasis Geilenkirchen (30 800 X, nr. 43)Brief minister VROM d.d. 11-07-2007, inzake 35 ke zone Geilenkirchen
De Kamer wordt geïnformeerd over de actuele vergunning van de luchthaven Geilenkirchen.Debat d.d. 24-1-2007, inzake Awacs NAVO-vliegbasis Geilenkirchen (30 800 X, nr. 43)Op 15 oktober 2007 heeft stas DEF een voortgangsrapportage naar de Kamer gestuurd waarin de Kamer geinformeerd is over de actuele vergunning van de luchthaven Geilenkirchen.
Er zal een gesprek worden gepland met het gemeentebestuur van Onderbanken over de isolatiemogelijkheden in relatie tot piekniveau’s. Tevens zal gevraagd worden naar inzicht in de oorspronkelijke bewoners.Debat d.d. 24-1-2007, inzake Awacs NAVO-vliegbasis Geilenkirchen (30 800 X, nr. 43)Brief minister VROM d.d. 13-05-2008, inzake Belevingsonderzoek Onderbanken
Het opstellen van een evaluatie van het kostenverhaalbeleid bij bodemsanering. Daarbij ook aangeven hoeveel zaken zijn afgerond en hoeveel zaken nog onderhanden zijnnDebat d.d. 18-1-2007, inzake Bodemsanering (30 015, nr. 11)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
De stand van zaken weergeven in de discussie met het bedrijfsleven over het leveren van een bijdrage aan het saneren van verontreinigingen veroorzaakt vóór 1975 (ook buiten eigen bedrijfsterreinen).Debat d.d. 18-1-2007, inzake Bodemsanering (30 015, nr. 11)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
Een brief waarin uiteen wordt gezet welke normen worden voorgesteld t.a.v. de gehalten aan MTBE in bodem en grondwater en welke maatregelen genomen zullen worden om eventuele problemen aan te pakken.Debat d.d. 18-1-2007, inzake Bodemsanering (30 015, nr. 11)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
Informeren TK over de uitkomsten van een inventarisatie van verontreinigingen met MTBE in waterwingebiedenDebat d.d. 18-1-2007, inzake Bodemsanering (30 015, nr. 11)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
De Kamer informeren over de redenen waarom locaties met spoed gesaneerd moeten worden. Dit met het oog op het aanbrengen van een nadere differentiatie.Debat d.d. 18-1-2007, inzake Bodemsanering (30 015, nr. 11)Brief minister VROM d.d. 04-01-2008, inzake Bodemsaneringsbeleid
De Kamer wordt geïnformeerd over de ervaringen met de proeven met de energieboxDebat d.d. 20-12-2006, inzake Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)30-06-2008 Deze toezegging is afgedaan met de beleidsevaluatie over 2007 die aan de Kamer is verzonden.
De staatssecretaris van VROM zegt toe serieus na te gaan of het zinvol is via een Google Earth-achtig systeem mileu informatie te verstrekken en te bezien hoe dit zich verhoudt tot de EU richtlijn Inspire. De ambtsopvolger van de staatssecretaris zal daar over enkele maanden de Kamer nader over rapporteren.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief minister VROM d.d. 17-03-2008, inzake Ontbossing.
In overleg met de minister van EZ zal het Kabinet aan de kamer schriftelijk toelichten waar het is «misgegaan» met de palmoliestimulering en wat de oorzaken zijn geweest van het late ingrijpen. Daarbij zal worden teruggegaan tot de start in 1998. (Op verzoek Lid Van der Ham (D66) en Lid De Krom (VVD).Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief minister VROM d.d. 29-06-2007, inzake Beleid voor duurzame productie van biomassa voor energiedoeleinden.
De TK wordt schriftelijk geïnformeerd over de monitorin van de consequenties van het opengaan van de landsgrenzen (hoe, wat, wanneer krijgt de kamer welke gegevens, enz.)Debat d.d. 20-12-2006, inzake Afval- verbranding en landsgrenzen (27 664, nr. 45)Brief minister VROM d.d. 22-10-2007, inzake Monitoring effecten van open grenzen voor verbranden van ongevaarlijke afval als vorm van verwijderen
De TK wordt schrijftelijk geïnformeerd over het standpunt van VROM over Duurzaam Storten.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Afval- verbranding en landsgrenzen (27 664, nr. 45)Brief minister VROM d.d. 05-12-2007, inzake Duurzaam Storten
De TK wordt schriftelijk geïnformeerd over het beleidskader waaraan een eventueel stortverbod wordt getoetst.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Afval- verbranding en landsgrenzen (27 664, nr. 45)Brief minister VROM d.d. 22-10-2007, inzake Monitoring effecten van open grenzen voor verbranden van ongevaarlijke afval als vorm van verwijderen
Toezenden van evaluatie van Groen Beleggen.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begro- tingsbehandeling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Afgedaan op 1 nov 2007 met: Brief minister VROM d.d. 01-11-2007, inzake Evaluatie MIA, Vamil en Groen Beleggen2000–2004
Bespreken met minister van Financiën mogelijkheid tot openen «provocerende discussie» in Europa m.b.t. toepassing lager BTW-tarief voor energiebesparende produkten.Debat d.d. 20-12-2006, inzake Begrotingsbehandeling VROM (eerste termijn bewindslieden, tweede termijn Kamer en volgende termijnen)Brief van Miniser Financiën d.d. 22-01-2007, inzake de visie over de energie-investeringsaftrek (EIA) en de milieu-investeringsaftrek (MIA) in 2007 (30 800 IXB, nr. 16). Kern van het antwoord is dat het vooralsnog op basis van regelgeving juridisch moeilijk is en dat er daarnaast praktische bezwaren zijn (bijv. uniformiteit noodzakelijk over definitie van milieuvriendelijkheid). De mogelijkheden voor een lager BTW tarief voor energiebesparende produk- ten worden onderzocht.
In het Besluit autowrakken zal worden opgenomen wanneer aan 95% verplichting EU richtlijn moet zijn voldaanDebat d.d. 20-9-2006, inzake Herijking VROM-regelgeving (29 383, nr. 54, 55 en 57; 30 641, nr. 1; 30 300 XI, nr. 133)publicatie van het Besluit van 19 juni 2007 in Staatsblad 2007, 231
De Kamer zal worden geïnformeerd over het kennistraject dat wordt ingezet in het kader van de omgevingsvergunningDebat d.d. 30-8-2006, inzake Handhaving VROM-regelgevingBrief minister VROM d.d. 22-06-2007, inzake Eindrapportage pilots omge- vingsvergunning
De Kamer schriftelijk informeren over de mogelijkheden van opvang en opslag van CO2Debat d.d. 22-6-2006, inzake Vervolg Klimaatbeleid (tweede termijn)Brief minister VROM d.d. 28-06-2007, inzake Vergunningverlening nieuwe kolencentrales op de Maasvlakte; relatie met NEC (SO2 plafond) en inpassing in het Emissiehandelssyteem
De Kamer schriftelijk informeren over de tech- nische haalbaarheid van de Euro 6 norm. Tevens wordt daarmee invulling gegeven aan de motie Spies (kamerstukken II 2003/2004, 292 200 XI, nr. 28)Debat d.d. 22-6-2006, inzake Reguliere milieuraadDe brief minister VROM, inzake de Beleidsnota Verkeersemissies.
Er komt een brief richting de Kamer met een toelichting over het gassen met methylbromide.Debat d.d. 14-6-2006, inzake VROM-JaarverslagIn het AO gevaarlijke gassen in containers van 29 januari 2008 (22 343, nr. 190) heeft de minister toegezegd de Kamer brief te zullen informeren over de diverse inspectieactiviteiten t.a.v. importcontainers met gevaarlijke gassen. In de brief d.d. 21-4-2008 (TK 22 343/25 883, nr. 192) is deze toezegging meegenomen.
Asbest. De staatssecretaris zal in overleg met de inspectie een handreiking opstellen voor gemeenten zodat gemeenten de asbestregelge- ving op meer adequate wijze kunnen uitvoeren waaronder de aanpak van verwijdering door de eigenaren van asbesthoudende materialen.Debat d.d. 30-5-2006, inzake Asbest (25 834, nr. 35 toezeggingen 24112005)Brief minister VROM d.d. 19-07-2007, inzake Asbest: Uitvoeringsmethodiek gereed + bericht Gezondheidsraad
De staatssecretaris zal onderzoeken hoe kennis en kunde over externe veiligheid gebundeld kan worden in regionaal georiënteerde adviesorgananen of in een landelijk adviesorgaan ter ondersteuning van gemeenten.Debat d.d. 31-1-2006, inzake Vervoer gevaarlijke stoffenBrief minister VROM d.d. 17-10-2008, inzake de zesde voortgangsrapportage inzake het externe veiligheidsbeleid
Asbest: Nadat de Gezondheidsraad haar conclusies ten aanzien van de normering heeft geformuleerd, zal de staatssecretaris bezien of een inventarisatie naar asbest in gebouwen wenselijk is.Debat d.d. 24-11-2005, inzake Asbestherbevestigd in AO asbest 13-2-08 met toezegging dat de Kamer wordt bericht na advies van Gezondheidsraad
Roetfilters: Bezien suggestie van dhr De Krom tot het verplichten m.b.t. occasions. Bezien of mogelijk is om binnen 10 jaar (2015) roetfilter voor alle auto’s verplicht te stellen (n.a.v. opmerking lid Van der Ham).Debat d.d. 16-11-2005, inzake Begrotingsbehandeling VROM: eerste termijn bewindslieden/tweede en volgende termijnen.Uitspraak in beroepsprocedure was negatief. Eind augustus is hoger beroep aangetekend. Dit heeft geen belang voor verplichting roetfilters – proce- duretijd zolang dat Europese verplichting dan al van kracht – maar is vooral vanwege mogelijke precedentwerking op andere millieudossiers. Hiermee kan deze toezegging als afgehandeld worden beschouwd.
Publieksvoorlichtingwaterketenbeleid, met aandacht voor de voordelen voor de burger.Debat d.d. 11-10-2005, inzake Waterketenbeleid (28 966, nr. 4)Brief minister VROM d.d. 22-08-2007, inzake Aanbieding bestuursakkoord waterketen als ook de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitvoe- ring de moties 27 625, nr. 89 en 96
een keer in de twee jaar een duurzaamheidsverkenning, te bespreken tezamen met de Macro-economische verkenningDebat d.d. 8-9-2005, inzake Debat Milieu, duurzaamheid en rentmeesterschap (25 946, nr. 5 en 28 240, nr. 31), vervolg van 7 september Debat d.d. 7-9-2005, inzake Debat Milieu, duur- zaamheid en rentmeesterschap (25 946, nr. 5 en 28 240, nr. 31), eerste gedeelteBeide delen van de duurzaamheidsverkenning zijn inmiddels gepubliceerd. De planbureau’s en CBS werken nu aan een jaarlijkse duurzaamheidsmonitor. De bedoeling is om de eerste versie daarvan in november te laten verschijnen.
Het Kabinet komt met een beleidsverkennende notitie op het gebied van klimaat(aanpak lange termijn, adaptatie, verbreden in deelname en in thema’s in de eigen organisatie, maar ook internationaal).Debat d.d. 7-9-2005, inzake Debat Milieu, duurzaamheid en rentmeesterschap (25 946, nr. 5 en 28 240, nr. 31), eerste gedeelte Debat d.d. 8-9-2005, inzake Debat Milieu, duurzaamheid en rentmeesterschap (25 946, nr. 5 en 28 240, nr. 31), vervolg van 7 septemberBrief aan de Kamer: 21 sept. 2007, (IZ/2007088103)
Tijdens het debat over het klimaatspeciale aandacht schenken aan het aan elkaar verbinden van dossiers, om te kijken of er win-win-situaties te vinden zijn en aan wat wel en niet onder Kyoto valt (bijvoorbeeld Kalimantan).Debat d.d. 7-9-2005, inzake Debat Milieu, duurzaamheid en rentmeesterschap (25 946, nr. 5 en 28 240, nr. 31), eerste gedeelteBrief minister VROM d.d. 21 september 2007, inzake de kabinetsreactie op het eindrapport IBO ’Toekomstig Internationaal Klimaatbeleid (30 495, nr. 3).
De staatssecretaris zal, als er binnen 1 jaar opnieuw veldproeven worden vernield, het beleid ten aanzien van de openbaarheid van veldproeflocaties herzien.Debat d.d. 16-6-2005, inzake Coëxis- tentie/gg/gangbare/biologische teelt (29 404, nr. 6 en nr. 8; 27 428, nr. 61)Brief minister VROM d.d. 19-07-2007, inzake Evaluatie en herziening open- baarheid GGOveldproeflocaties
TK informeren over de «differentiatie»-vorm waarvoor wordt gekozen (i.e. volgens welk mechanisme ontwikkelingslanden mee gaan doen aan klimaatbeleid, b.v. via een staged approach en of dat dan is op basis van BNP of CO2/capita etc.) voordat NL dit uitdraagt in de EU.AO Klimaatbeleid 9 maart 2005Brief minister VROM d.d. 21 september 2007, inzake de kabinetsreactie op het eindrapport IBO «Toekomstig Internationaal Klimaatbeleid (30 495, nr. 3).
De staatssecretaris zal de kwestie van het ethische toetsings-kader en de al of niet integratie van de 3 commissies nader bezien. Hij inventariseert de vragen die daarbij aan de orde zijn en zal die vragen met de Kamer bespreken.AO TK Biotechnologie 25 januari 2005Brief minister VROM d.d. 05-07-2007, inzake Overzicht van taken en verantwoordelijkheden m.b.t. ethiek en biotechnologie
Milieuraad. De staatssecretaris heeft toegezegd de TK te zullen informeren over de uitkomst/voortgang van de Thematische Strategie van de Europese Commissie CAFE (Clean Air for Europe)AO TK Milieuraad, 9 december 2004Brief staatssecretaris VROM d.d. 18 februari 2005, inzake aanbieding Nationaal Luchtkwaliteitsplan 2004 en technische briefing aan de Kamer.
De staatssecretaris van VROM zal een oriënterend onderzoek uit laten voeren naar de stand van de techniek voor reiniging van zwem- en badwater (incl. alternatieven voor chloor) met als uitgangspunt een gelijke bescherming van de gebruiker. Uitkomsten van dit onderzoek kunnen in de toekomst mogelijk leiden tot aanpassing van het Besluit, zodat regelgeving geen belemmering oplevert voor het vervangen van chloor door innovatieve technieken.Brief van staatssecretaris SZW, mede namens Stas VROM, aan de Tweede Kamer (TK, 2005–2006, 25 883, nr. 70).Brief minister VROM d.d. 16-08-2007, inzake Oriënterend onderzoek naar desinfectietechnieken voor zwembadwater
Schoon en zuinig : Een exemplaar van het sectoren rapport van ECN-MNP (wat elke sector bijdraagt aan project «schoon en zuinig») zal aan de TK worden gestuurd zodra het rapport gereed is.Kamerstuk 2006–2007, 30 891, nr. 4, Tweede Kamer.Brief minister VROM d.d. 18-09-2007, inzake ECN/MNP beoordeling van het werkprogramma Schoon en Zuinig (31 209, nr. 2)

Bijlage 5. Lijst van afkortingen

AGSAdviesraad Gevaarlijke Stoffen
ARKAdaptie Ruimte en Klimaat
BAGBasisregistraties voor Adressen en Gebouwen
BBPbruto binnenlands product
BEESBesluit Emissie-eisen Stookinstallaties
BEVIBesluit externe veiligheid Inrichtingen
BIRKBudget Investering Ruimtelijk Kwaliteit
BPMBelasting voor Personenauto’s en Motorrijwielen
BRZOBesluit Risico’s Zware Ongevallen
C2CCradle-to-Cradle
CCScarbondioxide capture and storage (CO2-afvang en opslag)
CDMClean Development Mechanism
CFKchloorfluor koolwaterstof
COGEMCommissie Genetische Modificatie
CTGBCollege voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden
CTBCollege voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen
db(A)decibel (audio)
DMIDoelgroepen beleid Milieu en Industrie
ECHAEuropean Chemicals Agency
ECNEnergieonderzoek Centrum Nederland
EHSEcologische Hoofdstructuur
ETSEmission Trading Scheme (emissiehandelssysteem)
EVOAEuropese Verordening voor de Overbrenging van Afvalstoffen
FESFonds Economische Structuurversterking
GBKNGrootschalige Basiskaart Nederland
GCNgrootschalige concentratiekaart voor Nederland
GGO’sGenetisch gemodificeerde organismen
GIGeo-informatievoorziening
GOBGemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf
HCFKZacht chloorfluorkoolstofverbinding (gehalogeniseerde zachte chloorstofverbinding)
IAEAInternational Atomic Energy Agency
ILGInvesteringsbudget Landelijk Gebied
IMTIntegrale Milieutaakstelling
IPOInterprovinciaal Overleg
IPPCintegrated pollution prevention and control
ISVInvesteringsbudget Stedelijke Vernieuwing
JIJoint Implementation
Ktonkiloton (1 miljoen kilo)
LAPLandelijk Afvalplan
LdenLevel day-evening-night (geluidshindernorm)
LSVStichting Landelijk Samenwerkingsverband
LTOLand- en Tuinbouw Organisatie
MIRTMeerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport
MKBMidden en Klein Bedrijf
MNPMilieu- en Natuurplanbureau
MRBmotorrijtuigenbelasting
Mtonmegaton (1 miljard kilo)
NECnational emission ceilings (nationaal emissie plafond)
NH3ammoniak
NMPNationaal Milieubeleidsplan
NO2stikstofdioxide
NOxstikstofoxiden
NSLNationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
NSPNieuwe Sleutelprojecten
PBLPlanbureau voor de Leefomgeving (voorheen MNP en RPB)
PGS(15)Publicatiereeks gevaarlijke stoffen
PKBPlanologische Kernbeslissing
PM10fijn stof met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 micrometer
PM2,5fijn stof met een aerodynamische diameter kleiner dan 2,5 micrometer
PRplaatsgebonden risico
ProMTprogramma milieutechnologie
RBBRichtlijn Bodembescherming Bedrijfsmatige activiteiten
REACHRegistraties, evaluatie en autorisatie chemische stoffen in EU op markt gebracht in hoeveelheid > 1 ton
REVIRegeling externe veiligheid Inrichtingen
RMNORaad voor Ruimtelijk, Milieu- en Natuuronderzoek
RPBRuimtelijk Planbureau
SAICMStrategic Approach to International Chemicals Management
SKBStichting Kennisontwikkeling en -overdracht Bodembeheer
SMOMSubsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu
SO2zwaveldioxide
SOMSStrategie Omgaan met Stoffen
StABStichting Advisering Bestuursrechtspraak
StbStaatsblad
TCBTechnische Commissie Bodembescherming
TOBRATerugneembare ondergrondse berging van radioactief afval
TrbTractatenblad
UVultraviolet
VAMIL/MIAVervroegde Afschrijving Milieu-investeringen/Milieu-Investeringsaftrek
VIVROM Inspectie
VNGVereniging Nederlandse Gemeenten
VOSVluchtige organische stoffen
WmWet milieubeheer
WROWet op de ruimtelijke ordening
ZBOZelfstandig Bestuurs Orgaan

Bijlage 6. Trefwoordenregister  

Afval 1, 7, 17, 68, 85, 86, 87, 90, 91, 92, 93, 94, 97, 123, 124, 125, 126, 128, 145, 166, 171, 174, 175, 176, 180, 182, 184, 186, 190, 192, 193, 194, 195, 196, 199, 201, 216, 220, 222, 223, 224, 228, 233, 237, 239, 242, 244, 248, 249

AGS 130, 136, 248

Antarctica 102

BAG 29, 30, 131, 132, 147, 148, 248

Basisregistratie 131, 132, 248

Basisregistraties 30, 132, 133, 147

Bedrijventerreinen 17, 18, 19, 28, 29, 37, 40, 41, 42, 43, 142, 223, 232

Bedrijventerrein 18, 226, 227, 231, 232

BEES 107, 248

Beleidsonderzoeken 75

Beleidsonderzoek 5, 36, 58, 59, 84, 97, 108, 118, 163

Biobrandstoffen 11, 12, 15, 16, 54, 82, 105, 223, 226, 237

BIRK 29, 30, 31, 38, 39, 41, 45, 142, 248

Bodem 1, 7, 12, 22, 27, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 71, 72, 73, 74, 75, 87, 108, 123, 124, 125, 128, 130, 137, 143, 160, 165, 166, 169, 186, 189, 190, 192, 198, 201, 202, 203, 214, 216, 221, 225, 228, 229, 235, 236, 240, 243, 244, 249

Bodems 61, 63

Burgerplatforms 131

C2C 16, 17, 91, 248

CCS 12, 14, 240, 248

College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) 73

CO2 10, 11, 12, 14, 15, 49, 52, 53, 55, 82, 83, 151, 152, 154, 155, 165, 188, 192, 217, 221, 222, 227, 240, 242, 245, 247, 248

Derogatie 57, 58, 74, 79, 241

Duurzaam 9, 11, 12, 15, 16, 17, 19, 25, 27, 28, 32, 40, 42, 43, 44, 48, 60, 63, 65, 71, 73, 82, 91, 98, 100, 101, 102, 105, 107, 108, 115, 120, 140, 156, 161, 167, 168, 169, 170, 172, 192, 195, 219, 226, 233, 234, 238, 244, 246

Duurzame 4, 9, 10, 11, 13, 15, 16, 17, 19, 23, 24, 27, 28, 30, 32, 37, 40, 44, 49, 50, 54, 57, 60, 61, 62, 64, 68, 71, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 81, 82, 83, 84, 92, 96, 101, 102, 103, 105, 115, 134, 135, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 165, 168, 169, 170, 172, 185, 197, 223, 225, 227, 229, 231, 237, 244

ETS 11, 12, 14, 53, 228, 248

FES 5, 6, 28, 29, 30, 31, 33, 38, 39, 62, 77, 78, 110, 111, 142, 144, 145, 146, 248

Fijn stof 30, 49, 57, 58, 73, 76, 79, 83, 107, 123, 197, 227, 230, 249

GBKN 29, 132, 133, 147, 248

Gemeenschappelijk Ontwikkelingsbedrijf 129, 134, 135, 248

Gezondheid 43, 49, 55, 57, 63, 64, 68, 76, 79, 80, 81, 85, 87, 88, 93, 97, 120, 122, 123, 172, 235, 245, 246

GGO 1, 7, 85, 86, 87, 95, 96, 97, 124, 125, 145, 166, 171, 239, 246, 248

GI 132, 133, 248

GOB 43, 129, 130, 134, 135, 232, 248

Groen Beleggen 102, 245

HGIS 99, 104

Inkopen 16, 17, 27, 91, 100, 101, 102, 108, 140, 219, 233, 234

Internationaal 7, 22, 35, 45, 50, 55, 72, 92, 93, 94, 98, 99, 100, 103, 104, 108, 123, 156, 162, 172, 246, 247

Investeringsbudget Landelijk Gebied 44, 71, 157

IPO 12, 20, 26, 32, 34, 41, 44, 64, 115, 232, 248

Klimaat 1, 4, 5, 6, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 19, 22, 23, 25, 27, 30, 31, 32, 33, 40, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 58, 59, 64, 82, 91, 104, 109, 110, 111, 115, 116, 117, 118, 123, 124, 136, 137, 143, 146, 165, 166, 168, 169, 172, 222, 226, 228, 229, 232, 233, 234, 236, 240, 245, 246, 247

Kopenhagen 14, 15, 49, 54

Kyoto 11, 13, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 59, 153, 168, 191, 222, 229, 246

Leefomge 98

Leefomgeving 1, 7, 32, 76, 88, 104, 117, 123, 129, 134, 135, 136, 144, 166, 168, 169, 170, 172, 249

Leren voor Duurzame Ontwikkeling 101, 103

LSV 133, 248

Lucht 1, 6, 7, 14, 29, 31, 49, 50, 51, 54, 57, 58, 59, 62, 73, 76, 77, 78, 79, 83, 84, 87, 90, 94, 107, 123, 124, 143, 144, 165, 166, 168, 170, 175, 176, 191, 192, 196, 197, 198, 200, 205, 209, 215, 218, 227, 229, 230, 241, 247, 249

MIA 102, 245, 249

Milieubalans 58, 59, 74, 134, 220, 241

MNP 83, 147, 148, 234, 241, 242, 247, 248, 249

Monitoring 21, 32, 33, 68, 69, 73, 84, 95, 96, 97, 101, 105, 108, 131, 132, 158, 199, 233, 241, 244

Mooi Nederland 4, 5, 9, 17, 18, 20, 23, 25, 27, 29, 31, 34, 35, 38, 41, 44, 47, 64, 134, 142, 232

Nanotechnologie 87, 88, 89, 97

Natuurbalans 134, 148

NEC 57, 58, 59, 74, 107, 108, 126, 242, 245, 248

NSP 29, 31, 39, 41, 42, 142, 249

PBL 52, 57, 58, 59, 72, 101, 134, 231, 249

Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) 37, 72, 134

ProMT 29, 31, 102, 145, 146, 249

Publieksvoorlichting 131, 246

Radon 7, 93, 95

Randstad 17, 23, 25, 27, 40, 41, 42, 43, 199, 204, 207, 209, 221

REACH 85, 87, 88, 89, 97, 124, 175, 176, 238, 239

RIVM 66, 79, 81, 87, 90, 94, 95, 97, 100, 101, 102, 139, 140, 242

RMNO 136, 249

RPB 21, 249

Schoon en Zuinig 9, 10, 11, 12, 13, 49, 52, 53, 59, 82, 91, 134, 221, 229, 233, 237, 240, 242, 247

SenterNovem 16, 49, 63, 87, 92, 100, 125, 219, 233, 241

SMOM 100, 101, 103, 104

Spoor 19, 41, 80, 91, 105, 123, 169, 170, 172, 173, 180, 187, 235

StAB 131, 132, 165, 249

TCB 130, 137, 249

Transport 11, 12, 23, 30, 34, 78, 83, 93, 112, 113, 124, 179, 190, 199, 201, 216, 223, 238, 248

Unie van Waterschappen 64, 115

VAMIL 99, 102, 245, 249

Vitaal 25, 40, 43

VNG 12, 20, 26, 32, 34, 41, 44, 64, 82, 91, 107, 115, 220, 232, 233, 238, 249

Voortgangsrapportage 22, 49, 56, 112, 113, 114, 133, 140, 219, 238, 243, 246

Wabo 120, 127, 219, 220

Water 1, 7, 16, 17, 22, 25, 27, 45, 46, 56, 60, 61, 62, 63, 65, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 94, 115, 116, 117, 123, 124, 125, 127, 136, 143, 158, 160, 165, 166, 168, 169, 170, 172, 178, 180, 183, 186, 190, 191, 198, 200, 202, 203, 211, 214, 215, 217, 218, 223, 226, 234, 236, 238, 241, 244, 246, 247, 248

Windenergie 17, 22, 23, 29, 37, 44, 45, 47, 142, 185, 197

Woning 11, 18, 19, 42, 46, 81, 93, 94, 95, 97, 113, 122, 123, 128, 134, 174, 184, 187, 188, 192, 194, 195, 197, 198, 202, 205, 209, 211, 219, 231, 241

WRO 40, 44, 122, 249

ZBO 1, 3, 153, 164, 165, 166, 230, 249

Licence