Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Bijlage 8: Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van LNV. Er wordt ingegaan op de transitieperiode voor het GLB naar het volgende Meerjarig Financieel Kader. De transitieperiode is de overbruggingsperiode tussen het huidige MFK (2014 ‒ 2020) en het nieuwe MFK (2021 ‒ 2027). De transitieperiode is van toepassing op de jaren 2021 en 2022.

Meerjarig Financieel Kader

Op 2 mei 2018 heeft de Europese Commissie haar voorstellen gepresenteerd voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode na 2020. Op 27 mei 2020 heeft de Europese Commissie een hernieuwd voorstel voor het MFK van 2021 tot en met 2027 gepresenteerd. Op 21 juli 2020 bereikte de Europese Raad overeenstemming over het MFK voor de periode 2021 ‒ 2027. Het akkoord betekent voor Nederland een totale bijdrage vanuit de Europese Commissie van € 5,6 mld. (ELGF: € 5 mld.; ELFPO: € 529,1 mln.; EMVAF: € 139 mln.).

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

Voor de uitvoering in gedeeld beheer van het Europees Beleid worden vanuit de Europese Commissie eisen gesteld aan de uitvoering door de lidstaten. Deze eisen zijn vastgelegd in Raadsverordeningen en zijn uitgewerkt in Commissieverordeningen en bijbehorende richtsnoeren. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de geharmoniseerde en eenduidige uitvoering van het EU-beleid.

Voor de uitvoering van het EU beleid stelt de Europese Commissie een aantal Europese Fondsen aan de lidstaten beschikbaar. Voor LNV zijn de volgende EU-fondsen relevant:

  • Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 1e pijler: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);

  • Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

  • Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMVAF).

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De 1e pijler bestaat uit directe inkomenssteun aan agrariërs en markt- en prijsbeleid. Met behulp van vooral rechtstreekse inkomenssteun richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwinkomens. De 2e pijler betreft het plattelandsbeleid. Deze pijler richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de EU.

In november 2019 heeft de Europese Commissie een transitieverordening gepubliceerd, waarin wordt voorgesteld om, gezien de vertraagde besluitvorming over het nieuwe GLB, een aantal noodzakelijke bepalingen uit het huidige GLB met twee jaar te verlengen. Dit voorstel is beleidsarm. Op 23 december 2020 is de transitieverordening (EU) 2020/2220 vastgesteld.

Op 8 februari 2021 heeft Nederland bij de Europese Commissie een verzoek tot goedkeuring van een wijziging van het plattelandsontwikkelingsprogramma ingediend en op 12 april 2021 is deze goedgekeurd.

1. GLB pijler 1: het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen van het Europese Landbouw garantiefonds (ELGF):

1a. Inkomenssteun voor boeren

Er geldt een vaste hectarebetaling die voor iedere landbouwer gelijk is, de zogeheten «flat rate». Voor de vaste hectarebetaling moeten landbouwers aan randvoorwaarden voldoen (onder andere op het gebied van milieu en dierenwelzijn), de zogenaamde cross-compliance. Op Europees niveau is vastgelegd dat landbouwbedrijven die gebruik willen maken van de directe betalingen in het GLB verplicht zijn om vergroeningsmaatregelen toe te passen. Hiervoor is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd.

Om te voldoen aan de vergroeningsverplichting is het mogelijk dat lidstaten, naast bovengenoemde maatregelen en na goedkeuring door de Europese Commissie, equivalente maatregelen toevoegen aan de Europese lijst. Nederland maakt daar gebruik van met het akkerbouw-strokenpakket, het duurzaamheidspakket Vezelhennep.

1b. Extra ondersteuning jonge boeren

Meer dan twee derde van de Europese boeren is ouder dan 55 jaar. Om de toekomst van de sector zeker te stellen, wil de Europese Commissie jonge boeren gedurende de eerste vijf jaar van het bestaan van hun bedrijf extra financiële ondersteuning bieden. Lidstaten worden verplicht extra steun aan jonge boeren te geven via een zogenaamde «top-up» op de directe betalingen. Hiervoor dient maximaal 2% van de enveloppe voor directe betalingen (1e pijler GLB) te worden aangewend. Daarnaast is besloten dat via het plattelandsbeleid (2e pijler GLB) jonge boeren extra steun kunnen ontvangen.

Markt- en prijsbeleid

Met de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten wordt beoogd een gelijk speelveld voor de landbouw in de EU te realiseren. In de afgelopen jaren zijn binnen de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO) stappen gezet naar verdere marktoriëntatie met de beëindiging van de quotaregelingen voor melk in 2015 en voor suiker in 2017. Nederland meent dat marktoriëntatie het uitgangspunt moet zijn voor het realiseren van de doelen van het GLB, zoals het bevorderen van het optimale gebruik van productiefactoren, verwerven van een redelijk inkomen door landbouwers, en verzekeren van redelijke prijzen voor consumenten. In de GMO-verordening (Vo. 1308/2013) is een vangnet voorzien voor landbouwmarkten bestaande uit marktondersteunende instrumenten (bijv. openbare interventie en steun voor particuliere opslag), uitzonderlijke crisismaatregelen en steun aan bepaalde sectoren. Voorafgaand aan een jaar is niet te zeggen of en zo ja hoeveel steun zal worden gegeven aan marktondersteunende en crisismaatregelen aangezien deze onvoorspelbaar zijn. Een voor Nederland relevant voorbeeld van een steunprogramma is de financiering van zogenaamde operationele programma’s van producentenorganisaties in de groente- en fruitsector. Een ander relevant voorbeeld betreft het bijenprogramma. Onder het nieuwe MFK (2021-2027) is het EU-budget voor de bijenprogramma’s met 50% verhoogd. Toewijzing van het bedrag naar lidstaten is naar rato van het aantal bijenkorven. Van belang voor Nederland is ook de steun die op grond van de GMO-verordening wordt gegeven voor het Europese programma voor schoolmelk en -groente en -fruit en de nationale bijenprogramma’s.

In het algemeen geldt dat subsidies in het kader van EU markt- en prijsbeleid, net als in het geval van directe betalingen, uitsluitend EU-middelen betreffen en er dus geen nationale middelen bij betrokken zijn. Nederland draagt wel de nationale uitvoeringskosten voor deze subsidies. Uitzondering hierop is het bijenprogramma. Hiervoor geldt 50 % nationale cofinanciering.

2. GLB pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

POP3 (2014-2020) en POP3+ (2021-2022) worden ingevuld door de provincies en aangevuld door het Rijk. Hiermee kunnen gebiedsspecifieke behoeftes in de landbouw worden aangepakt. Aan generieke behoeftes wordt landsdekkend invulling gegeven. Met deze combinatie kan optimaal ingespeeld worden op het bevorderen van een gelijk speelveld. De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale cofinanciering voor POP3 en POP3+, aangevuld met financiering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

De jaren 2021-2022 is de transitieperiode. De transitieperiode is de overbruggingsperiode tussen het huidige GLB (2014‒2020) en het nieuwe GLB (2021-2027). Voor de transitieperiode is, in overleg met de provincies, besloten om inhoudelijk te focussen op de thema’s klimaat, biodiversiteit/bodem en kringlooplandbouw (incl. stikstof). Tevens zullen doorlopende maatregelen zoals de Brede weersverzekering, het ANLb, de Regeling Jonge Landbouwers en LEADER doorgang vinden. Op 28 mei 2020 is er in een Bestuurlijk Overleg tussen Rijk, provincies en waterschappen overeenstemming bereikt over de hoofdlijnen van het transitieprogramma. En op 6 oktober 2020 en 28 januari 2021 is men gezamenlijk akkoord gegaan met de invulling van het programma en de verdeling van de middelen.

Het bedrag dat voor Nederland vanuit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) beschikbaar is voor POP3+ in 2021 bedraagt € 89,5 mln. en in 2022 € 73,3 mln. Het budget voor deze transitieperiode komt uit het budget voor het MFK 2021-2027 en daarbij gelden de oude regels met betrekking tot de nationale cofinanciering met 50% en een N+3-regime dat inhoudt dat het beschikbaar gekomen budget binnen drie jaar gedeclareerd moet worden in Brussel. De nationale cofinanciering van POP3 en POP3+ komt grotendeels voor rekening van de provincies en waterschappen, met een klein aandeel voor LNV. Ten opzichte van het jaarlijkse EU-budget voor POP3 in 2014‒2020 ter grootte van € 85 mln. is dat voor 2021 een eenmalige verhoging van € 4,5 mln. en voor 2022 een verlaging van € 12 mln. In het akkoord van 6 oktober 2020 is afgesproken dat Rijk en provincies (incl. financiering waterschappen) zorgdragen voor de cofinanciering van de eigen regelingen in 2021-2022 en dat het budget voor 2022 niet opgehoogd wordt naar het ‘POP3-niveau’ van € 85 mln. per jaar. Het LNV-aandeel van de uitgaven wordt verantwoord in het jaarverslag van LNV. Het Rijksaandeel heeft in 2021-2022 betrekking op de regelingen: brede weersverzekering, praktijknetwerken en de GLB pilots veenweide en kringlooplandbouw. Vanaf 2016 is LNV eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector. Deze regeling wordt alleen via de EU gefinancierd. De hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

De Europese Commissie heeft na de uitbraak van het coronavirus COVID-19, een Europees Herstelfonds in het leven geroepen. Dit Herstelfonds (Next Generation EU) omvat € 750 mld. Van de € 750 mld., is € 7,5 mld. bestemd voor Plattelandsontwikkeling. Nederland heeft uit dit bedrag, € 52,4 mln. toebedeeld gekregen voor 2021 en 2022. Het bedrag wordt toegevoegd aan het ELFPO-budget in de transitieperiode (2021-2022) van het Plattelandsontwikkelingsprogramma Nederland (POP3+). Op 28 januari 2021 zijn Rijk, provincies en waterschappen akkoord gegaan met het voorstel om de middelen uit dit economisch herstelfonds te besteden aan twee landelijke subsidieregelingen voor groen-economisch herstel die vanuit LNV worden opengesteld. 

3. Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) en Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds (EMVAF)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ten aanzien van controle & handhaving, datacollectie en ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Ontwikkelingen EFMZV en EMVAF

De EFMZV programmaperiode is met ingang van 2021 afgesloten. Per 1 januari 2021 is de programmaperiode voor het EMVAF gestart. Het hoofddoel van het EMVAF is het bijdragen aan de verwezenlijking van het GVB en de Green Deal, in de vorm van verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. De onderhandelingen met de Europese Commissie over het Operationeel Programma (OP) lopen nog. Het nieuwe OP voor het EMVAF wordt later dit jaar ingediend, nadat de regelgeving is goedgekeurd. De inzet is om in het Nederlandse OP het EMVAF-instrumentarium te richten op vier hoofdthema’s:

  • De uitvoering van het innovatie-onderdeel uit de Kottervisie (Kamerstuk-nr. 29675-194);

  • De uitvoering van het GVB, zijnde de wettelijke verplichtingen voor datacollectie en controle en handhaving;

  • De uitvoering van het Noordzeeakkoord ten behoeve van het MONS-programma;

  • Het versterken van aquacultuur en de verwerkende keten.

De uitvoering van het EFMZV bevindt zich in de eindfase; de periode 2020 tot en met 2023 is met name gericht op de uitfinanciering van het fonds. Er zijn openstellingen geweest voor Jonge vissers, aanlandplicht innovatieprojecten, rendementsverbeteringsprojecten, aquacultuur innovatieprojecten, afzetbevorderingsprojecten, productie- en afzetprogramma’s, innovatieprojecten duurzame visserij, en samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij en investeringen voor toegevoegde waarde van visserijproducten. Daarnaast zijn overheidsopdrachten verleend voor Pulsonderzoek, Kenniskringen, Glasaaluitzet, Datacollectie en Controle. In het kader van de coronacrisis zijn de mogelijkheden om steun vanuit het EFMZV vorm te geven benut.

Financieel overzicht Operationeel Programma

De inzet is om de verdeling van de kosten van het EMVAF-programma tussen overheid en begunstigden in de meeste gevallen op 50–50 te houden, net als bij het EFMZV het geval is. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 70% uit het EMVAF. De resterende 30% is nationale cofinanciering. Het daadwerkelijke kasritme van het EMVAF wordt ingegeven door het moment waarop Nederland uitgaven bij de EU declareert.

Licence