Vastgestelde begroting (incl. Suppletoire Begrotingen, NvW en amendementen) (1) | Mutaties 2e suppletoire begroting (2) | Stand 2e suppletoire begroting (3)=(1+2) | |
|---|---|---|---|
Verplichtingen | 6.982.735 | ‒ 373.417 | 6.609.318 |
Uitgaven | 6.982.735 | ‒ 373.417 | 6.609.318 |
Inkomensoverdracht | 4.012.193 | ‒ 18.000 | 3.994.193 |
Basisbeurs gift (R) | 482.728 | 0 | 482.728 |
Aanvullende beurs gift (R) | 835.512 | ‒ 10.000 | 825.512 |
Reisvoorziening gift (R) | 896.126 | 10.000 | 906.126 |
Studievoorschotvouchers (R) | 667.756 | 0 | 667.756 |
Caribisch Nederland gift (R) | 1.959 | 0 | 1.959 |
Tegemoetkoming (R) | 922.960 | ‒ 15.000 | 907.960 |
Overige uitgaven (R) | 205.152 | ‒ 3.000 | 202.152 |
Leningen | 2.713.167 | ‒ 355.000 | 2.358.167 |
Basisbeurs prestatiebeurs (NR) | 873.126 | ‒ 100.000 | 773.126 |
Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR) | 291.972 | ‒ 80.000 | 211.972 |
Reisvoorziening (NR) | 18.945 | ‒ 10.000 | 8.945 |
Caribisch Nederland prestatiebeurs (NR) | 262 | 0 | 262 |
Rentedragende lening (NR) | 1.323.257 | ‒ 150.000 | 1.173.257 |
Collegegeldkrediet (NR) | 157.285 | ‒ 15.000 | 142.285 |
Levenlanglerenkrediet (NR) | 18.609 | 0 | 18.609 |
Caribisch Nederland leningen (NR) | 408 | 0 | 408 |
Overige uitgaven (NR) | 29.303 | 0 | 29.303 |
Bijdrage aan agentschappen | 257.375 | ‒ 417 | 256.958 |
Dienst Uitvoering Onderwijs | 257.375 | ‒ 417 | 256.958 |
Ontvangsten | 2.832.722 | ‒ 5.000 | 2.827.722 |
Ontvangen rente (R) | 253.547 | ‒ 5.000 | 248.547 |
Overige ontvangsten (R) | 25.501 | 0 | 25.501 |
Ontvangsten Caribisch Nederland (R) | 846 | 0 | 846 |
Terugontvangen lening (NR) | 2.552.739 | 0 | 2.552.739 |
Ontvangsten Caribisch Nederland (NR) | 89 | 0 | 89 |
Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant
In de kolom «Mutaties Tweede Suppletoire Begroting 2025" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand Suppletoire Begroting September 2025» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.
Toelichting
Algemeen:
Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het uitgavenplafond. Uitgangspunt in de begrotingsregels is dat uitgaven die relevant zijn voor het EMU-saldo ook relevant zijn voor het uitgavenplafond. Zoals opgenomen in Ontwerpbegroting 2023 is de behandeling van prestatiebeurzen voor het EMU-saldo veranderd door gewijzigde inzichten van Eurostat en daarmee het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De relevante uitgaven in deze begroting worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift. In deze suppletoire begroting van het ministerie van OCW worden de prestatiebeursuitgaven als niet-relevant behandeld (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift); in de weergave van het EMU-saldo worden zij wel als relevant weergegeven, middels een correctie op het EMU-saldo.
Overige niet-relevante uitgaven zijn de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.
Verplichtingen en Uitgaven
De totale uitgaven op artikel 11 worden met € 373,4 miljoen naar beneden bijgesteld. De inkomensoverdrachten worden met € 18,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Het budget voor de leningen wordt met € 355,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Daarnaast wordt de bijdrage aan agentschappen met € 0,4 miljoen naar beneden bijgesteld. Hieronder wordt dit per instrument toegelicht. Tenzij anders vermeld volgen de bijstellingen louter uit aanpassingen naar aanleiding van de realisatiecijfers.
Toelichting per instrument
InkomensoverdrachtDe relevante uitgaven worden met € 18,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Op de posten zijn er verschillende bijstellingen, die bestaan uit de volgende elementen:
– De uitgaven aan de aanvullende beurs worden met € 10,0 miljoen verlaagd. Dit betreft een bijstelling omlaag van € 10,0 miljoen van de aanvullende beurs die direct als gift wordt uitgekeerd;
– De uitgaven aan de reisvoorziening worden per saldo met € 10,0 miljoen verhoogd. Dit betreft een bijstelling omhoog van € 10,0 miljoen voor de bijdrage van studerenden aan het OV-contract;
– De relevante overige uitgaven zijn op basis van de realisatie met € 3,0 miljoen verlaagd. Het terugdraaien van besluiten die tussen 2012 en 2023 genomen zijn op basis van risicogerichte controles op de uitwonende basisbeurs vinden later plaats dan gedacht, hierdoor is er sprake van een overlopende verplichting van € 8,0 miljoen. Deze besluiten zullen naar verwachting in 2026 worden teruggedraaid. Daarnaast is er een meevaller van € 5,0 miljoen op de overige uitgaven;
– De uitgaven voor de tegemoetkoming doelgroep leenstelsel worden met 15,0 miljoen verlaagd. Deze studenten behouden het recht op de tegemoetkoming als zij alsnog binnen de termijn aan de diploma-eis voldoen.
Leningen
De niet-relevante uitgaven worden per saldo met € 355,0 miljoen verlaagd. Hieronder wordt toegelicht in welke posten dit uiteenvalt. Voor elk van de posten geldt dat een groot deel van de correctie (voor de vier posten opgeteld € 137,7 miljoen) verklaard wordt door vrijvallende, niet-relevante middelen voor loon- en prijsontwikkeling. De bijstelling van € 355,0 miljoen bestaat uit de volgende onderdelen:
• De niet-relevante uitgaven aan de basisbeurs worden per saldo met € 100,0 miljoen verminderd. De toekenningen prestatiebeurs worden omlaag bijgesteld;
• De niet-relevante uitgaven aanvullende beurs zijn per saldo met € 80,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft een neerwaartse bijstelling op de toekenningen prestatiebeurs;
• De niet-relevante uitgaven aan de reisvoorziening worden per saldo met € 10,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Het betreft een verlaging van de reisvoorziening met € 10,0 miljoen omdat er minder reisvoorziening aan studenten is toegekend dan is geraamd;
• De niet-relevante uitgaven op de post rentedragende lening zijn naar beneden bijgesteld met € 150,0 miljoen. Uit de realisaties van de eerste helft van 2025 blijkt dat de rente-inkomsten van studiefinanciering lager uitvallen dan bij Voorjaarsnota geraamd. Deze bijstelling wordt onder andere veroorzaakt doordat studenten minder lenen en oud-studenten eerder aflossen en daardoor ook minder rente betalen.
• De niet-relevante uitgaven aan het collegegeldkrediet zijn verlaagd met € 15,0 miljoen als gevolg van de reeds bekende realisatie.
Ontvangsten
Het ontvangstenbudget wordt met € 5,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Op basis van realisatiegegevens blijkt onder andere dat oud-studenten eerder aflossen en daarmee ook minder rente betalen. Dit leidt tot lagere renteontvangsten op de begroting van OCW.