Base description which applies to whole site

4.3 SOCIALE FONDSEN SZW

4.3.1 Inleiding

Inhoud

Deze bijlage beschrijft de financiering van de premie-uitgaven voor de budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). Daarnaast zijn de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen opgenomen. In de laatste paragraaf wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen.

4.3.2 Financiering SZA-uitgaven 2012–2013

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2013 zijn in tabel 4.3.1 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven, de koopkrachtontwikkeling en het gewenste EMU-saldo. Een aantal premiepercentages is nog onder voorbehoud van (definitieve) vaststelling. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) telt mee voor de berekening van het EMU-saldo.

  • AOW en Anw: Wat betreft het premiepercentages Anw stelt het kabinet voor deze te verlagen van 1,1% naar 0,6%. Daarmee sluit de premie beter aan bij de uitgaven uit het nabestaandenfonds. Het premiepercentage voor de AOW wordt op hetzelfde niveau vastgesteld als in 2012. Bij het ouderdomsfonds zijn bij dit premiepercentage de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie beleidsartikel 12). Beide premies worden gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting in de 1e en 2e schijf.

  • Sectorfondsen: De sectorfondspremies voor 2013 worden in oktober 2012 door het UWV vastgesteld, op advies van de verschillende sectoren. Uit de sectorfondsen wordt het eerste halfjaar van een WW-uitkering gefinancierd. De in de tabel weergegeven premie is een gemiddelde. In werkelijkheid verschilt de premie per sector. Voor 2013 wordt bij de vaststelling van de sectorpremies teruggekeerd naar de gebruikelijke systematiek rond lastenplafonds en inloop van tekorten. De sectorfondspremies worden zodanig vastgesteld dat tekorten in 3 jaar worden ingelopen.

  • AWf: Het Algemeen Werkloosheidsfonds financiert de WW-uitkeringen met een duur langer dan 6 maanden. De AWf-werkgeverspremie wordt voorlopig vastgesteld op 1,70%; 2,80 procentpunt lager dan in 2012. De verlaging is voornamelijk (voor 2,5 procentpunt) het gevolg van het afschaffen van de franchise. Hierdoor wordt de grondslag waarover premie geheven wordt groter en stijgen de premie-inkomsten. Besloten is deze lastenverzwaring terug te sluizen via een lagere premie. Daarnaast komt een deel van de daling voort uit het neutraliseren van lastenverzwaringen als gevolg van de gemiddeld hogere sectorfondspremies. De werknemerspremie is met ingang van 2009 verlaagd tot 0% en wordt per 2013 afgeschaft. De hoogte van de AWf-premie is nog onder voorbehoud van vaststelling van de sectorfondspremies. Als het UWV voor 2013 een andere (gemiddelde) sectorfondspremie vaststelt dan nu wordt verwacht, dan kan de AWf-werkgeverspremie worden aangepast binnen een lastenneutraal kader.

  • Ufo: Met de premieopbrengsten van het Ufo worden voornamelijk de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen bij de overheidswerkgevers gefinancierd. Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie. De Ufo-premie wordt vastgesteld op 0,78%, hetzelfde percentage als in 2012.

  • Uniforme opslag kinderopvang: De premieopslag kinderopvang voor 2013 blijft met 0,50% gelijk aan die in 2012. De verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang wordt door werkgevers in de marktsector betaald door middel van een opslag op de sectorfondspremie. De overheidswerkgevers betalen de bijdrage door middel van een opslag op de Ufo-premie.

  • Aof: De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op 4,35%, een verlaging van 0,7 procentpunt ten opzichte van 2012. Deze premie is voor alle werkgevers even hoog en wordt door de minister van SZW vastgesteld. De Aof-premie is lager vastgesteld om te compenseren voor lastenverzwaringen op andere werkgeversterreinen (zie voor het volledige beeld van werkgeverslasten de Miljoenennota 2013). Definitieve vaststelling van de Aof-premie vindt plaats in oktober.

  • Whk: De premie voor de Werkhervattingskas, waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) worden betaald, wordt vastgesteld door het UWV. Een eerste inschatting duidt op een rekenpremie van 0,54% in 2013.

Tabel 4.3.1 Premiepercentages voor de sociale verzekeringen

premie

fonds

uitgaven

betaald door

2012

2013

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

Werknemer

17,90%

17,90%

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

Werknemer

1,10%

0,60%

Sfn

Sectorfondsen (gemiddelde premie)

WW, ZW, WGA

Werkgever

2,25%

2,65%

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW, re-integratie

Werkgever

4,50%

1,70%

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW, re-integratie

Werknemer

0,00%

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

ZW, WAZO, WGA overheid

Werkgever

0,78%

0,78%

Sfn / Ufo

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

Werkgever

0,50%

0,50%

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WAO, WIA, WAZ, WAZO

Werkgever

5,05%

4,35%

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA

Werkgever

0,55%

0,54%

Bron: SZW, financiële administratie

4.3.3 Sociale fondsen 2012–2013

Exploitatiesaldi

De premiegefinancierde uitgaven worden vanuit de sociale fondsen gedaan. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2012 en 2013 en de verwachte ontwikkeling van de desbetreffende grondslagen zijn de ontvangsten van de sociale fondsen geraamd, zie tabel 4.3.2 en 4.3.3. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit enkele van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen zijn de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) samengevoegd. Dit geldt eveneens voor de werkloosheidsfondsen (het AWf en de sectorfondsen). In de praktijk betreft het hier gescheiden fondsen. In tabel 4.3.4 staan de vermogens van de werkloosheidsfondsen wel afzonderlijk weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2013 bedraagt dit saldo naar verwachting € – 4,7 miljard voor alle fondsen samen, tegenover een exploitatiesaldo van € – 2,9 miljard over 2012. De achtergrond bij de huidige tekorten is voor een deel gelegen in de afspraken uit de begrotingsregels. Daarin is een expliciete scheiding tussen uitgaven en inkomsten opgenomen. Een stijging van de uitgaven wordt daardoor niet gecompenseerd via een verhoging van de inkomsten. De inkomsten, die als gevolg van de recente economische neergang zijn gedaald, zijn daardoor onvoldoende om de gestegen uitgaven te financieren, waardoor een negatief exploitatiesaldo ontstaat. Het exploitatietekort van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale (negatieve) EMU-saldo.

Het negatieve exploitatiesaldo komt voornamelijk voor rekening van de WW-fondsen. Naast de invloed van recessie speelt daarbij de verlaging van de AWf-premies in 2009 een belangrijke rol. Voor werkgevers is de premie indertijd verlaagd met 0,6 procentpunt; voor werknemers bedroeg de daling 3,5 procentpunt. Ook dit jaar wordt de Awf-premie verlaagd, om te compenseren voor de stijging van de sectorfondspremies.

Het negatieve exploitatiesaldo in het ouderdomsfonds wordt in het volgende jaar verrekend met de uitbetaling van de rijksbijdrage. Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds is in 2013 relatief klein door de verlaging van de Anw-premie. Het exploitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen wordt in 2013 negatief. De uitgaven blijven ongeveer gelijk, terwijl de inkomsten dalen door een lagere Aof -premie (zie paragraaf 4.3.2).

Overigens zijn in het voorlaatste rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte kanttekeningen geplaatst bij de fondssystematiek (13e rapport Studiegroep Begrotingsruimte, blz. 72 e.v.). De fondssystematiek past goed bij de verzekeringsgedachte in de sociale verzekeringen. De relatie tussen uitgaven en inkomsten die door middel van een fonds wordt gelegd, is echter niet in overeenstemming met de scheiding die in de begrotingssystematiek tussen beide bestaat. Dit kan leiden tot verwarring wanneer bijvoorbeeld maatregelen worden getroffen om de sociale zekerheidsuitgaven te beperken. Lagere uitgaven worden niet (automatisch) gevolgd door lagere premieopbrengsten, waardoor fondsvermogens groeien. Doordat de sociale fondsen onderdeel zijn van het geïntegreerd middelenbeheer (schatkistbankieren), hebben fondsvermogens hun historische functie (buffer om fluctuaties op te vangen) inmiddels verloren. Als gevolg van de huidige begrotingssystematiek verworden fondsvermogens tot niets meer dan een (gewenste) onevenwichtigheid tussen inkomsten en uitgaven. Op basis hiervan heeft de Studiegroep Begrotingsruimte geconcludeerd dat de fondsconstructie in begrotingstechnische zin geen toegevoegde waarde heeft.

Tabel 4.3.2 Overzicht sociale verzekeringen 2012 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

20 658

1 433

9 550

7 012

38 653

Bijdragen van het rijk

10 584

84

47

327

11 042

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

853

563

1 415

Saldo Interest

6

24

48

– 93

– 15

Totaal Ontvangsten

31 248

1 541

10 498

7 809

51 095

Uitkeringen/ Verstrekkingen

31 493

853

8 731

8 782

49 859

Uitvoeringskosten

125

22

385

932

1 465

Betaalde onderlinge betalingen

0

58

1 200

1 400

2 658

Totaal Uitgaven

31 619

933

10 316

11 114

53 982

           

Exploitatiesaldo

– 371

608

182

– 3 306

– 2 887

Bronnen: SZW en CPB (MEV 2013)

Tabel 4.3.3 Overzicht sociale verzekeringen 2013 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

23 277

766

8 755

7 579

40 378

Bijdragen van het rijk

10 235

14

47

334

10 629

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

789

635

1 423

Saldo Interest

5

45

67

– 277

– 161

Totaal Ontvangsten

33 516

825

9 658

8 270

52 269

Uitkeringen/ Verstrekkingen

32 953

736

8 689

9 569

51 948

Uitvoeringskosten

123

16

380

1 031

1 550

Betaalde onderlinge betalingen

0

55

1 227

1 556

2 837

Totaal Uitgaven

33 747

807

10 296

12 156

57 006

           

Exploitatiesaldo

– 231

18

– 638

– 3 886

– 4 737

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2013)

Vermogensposities

In tabel 4.3.4 wordt voor de jaren 2012 en 2013 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De vermogens van de fondsen worden vergeleken met de normen. Een vermogen gelijk aan de norm geeft aan dat het fonds gemiddeld genomen over het jaar over voldoende liquiditeiten beschikt om de uitkeringen te financieren. Overschotten en tekorten bij de fondsen gedurende het jaar worden aangehouden op een rekening-courant bij het Rijk. Indien er sprake is van een vermogenstekort zal het Rijk niet alleen tijdelijk gedurende het jaar maar ook langduriger deze tekorten moeten aanvullen via de rekening-courant.

Bij het ouderdomsfonds is het feitelijk vermogen gelijk aan het normvermogen. Dit komt doordat de rijksbijdragen (zie beleidsartikel 12) het exploitatiesaldo aanvullen totdat het normvermogen is bereikt. Binnen het nabestaandenfonds is sprake van een vermogensoverschot. Door het jaarlijkse positieve exploitatiesaldo neemt dit overschot toe. Voor de WAO-fondsen is het totale vermogensoverschot in 2012 en 2013 respectievelijk € 3,2 miljard en € 3,0 miljard.

De sectorfondsen hebben in 2012 en 2013 een vermogenstekort. De sectorpremies worden nagenoeg lastendekkend vastgesteld, maar gedurende het jaar kan de realisatie van de uitgaven afwijken van hetgeen geraamd werd ten tijde van vaststelling van de premies. De opgelopen tekorten hoeven niet direct weggewerkt te worden. De sectorfondsen krijgen hier 3 jaar de tijd voor. Ook het (feitelijk) vermogen in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) is eind 2012 negatief. Dit zorgt niet voor risico’s met betrekking tot de uitbetaling van uitkeringen. Het AWf maakt onderdeel uit van de totale Rijksbegroting en is in feite niets anders dan een rekening van het UWV bij het ministerie van Financiën. In de afgelopen jaren ontving het UWV (de fondsen) een rentevergoeding van het ministerie van Financiën voor het positieve saldo. In het geval er een negatief vermogen ontstaat, betaalt het UWV hiervoor een rente aan het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën garandeert hiermee dat het UWV altijd over voldoende middelen kan beschikken. Het zogenoemde «leeglopen van de fondsen» vormt derhalve geen enkel risico voor de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Wel maken de exploitatietekorten, die de leegloop veroorzaken, onderdeel uit van het EMU-saldo in deze jaren.

Voor de sociale fondsen samen betekent dit dat het vermogensoverschot in 2013 daalt van € – 2,3 miljard naar € – 6,6 miljard. Het feitelijk (aanwezige) vermogen bedraagt in 2013 € – 2,4 miljard.

Tabel 4.3.4 Vermogens sociale fondsen (x € 1 mln)
   

Ultimo 2012

   

Ultimo 2013

 
 

Feitelijk vermogen

Norm-vermogen

Vermogens-overschot

Feitelijk vermogen

Norm-vermogen

Vermogens-overschot

AOW

1 175

1 252

– 77

1 151

1 175

– 24

Anw

2 227

133

2 094

2 237

123

2 114

WAO

3 650

441

3 209

3 472

424

3 048

Sfn

– 1 282

547

– 1 829

– 1 593

599

– 2 192

AWf

– 3 592

1 857

– 5 449

– 7 357

1 857

– 9 214

Ufo

– 183

36

– 219

– 320

39

– 359

Totaal sociale fondsen

1 995

4 266

– 2 271

– 2 411

4 218

– 6 629

Bron: CPB, MEV 2013

Licence