Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

1.3.2 Genomen maatregelen

Vertrouwen financiële markten behouden door tijdig ingrijpen

Nederland «veilige haven»

Ondanks de oplopende schuld heeft Nederland tot nu toe geen problemen om deze te financieren. Ook heeft Nederland geen last gehad van oplopende rentes. Ons land wordt op dit moment door investeerders gezien als een «veilige haven», waardoor Nederland een lagere rente betaalt op zijn staatsleningen dan de meeste eurolanden. De sterke financiële reputatie van Nederland is te danken aan het decennialang gevoerde begrotingsbeleid, waarin het heeft aangetoond de overheidsfinanciën op orde te krijgen wanneer dit nodig is. Dit beleid is de afgelopen jaren doorgezet. Maar de crisis heeft ook laten zien dat het langzaam opgebouwde vertrouwen van de financiële markten snel kan verdwijnen. In hun beoordeling letten de markten op het politieke vermogen van landen om noodzakelijke maatregelen te kunnen nemen. Nederland heeft haar financiële reputatie gedurende de crisis mede weten te behouden vanwege het pakket van 18 miljard euro aan maatregelen dat het kabinet in gang heeft gezet om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen. De tweede recessie in korte tijd sloeg echter een nieuw gat in de Nederlandse begroting.

Begrotingsakkoord 2013 neemt noodzakelijke maatregelen

Begrotingstekort onder 3 procent in 2013, maar meer nodig

Er zijn extra maatregelen nodig om het effect van de tegenvallende economie op de overheidsfinanciёn te beperken. Hierover hebben VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie in april 2012 – onder moeilijke politieke omstandigheden en onder grote tijdsdruk – een akkoord bereikt: het Begrotingsakkoord 2013 (zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2). Hierdoor zal het begrotingstekort in 2013 naar verwachting uitkomen op 2,7 procent van het bbp. Er is echter meer nodig om de overheidsfinanciёn op orde te krijgen. Zonder aanvullende maatregelen zal het begrotingstekort in de jaren na 2013 nauwelijks verder verbeteren en blijft de schuld de komende jaren toenemen. Illustratief is in dit opzicht een vergelijking van het begrotingstekort met dat in landen waar Nederland zich graag aan spiegelt. Het Nederlandse tekort van 4,7 procent in 2011 was in sterk contrast met bijvoorbeeld Duitsland (1 procent) en Finland (0,5 procent). In de aanloop naar dit akkoord was er in Nederland veel discussie over het tempo waarin de overheidsfinanciën op orde gebracht moeten worden (zie box 1.1).

Box 1.1 Discussie over bezuinigingstempo

Er is een levendige discussie over het tempo waarin de Nederlandse overheidsfinanciën weer op orde moeten komen. Hierbij spelen verschillende aspecten een rol.

Het is onmiskenbaar dat bezuinigingen op korte termijn leiden tot lagere economische groei; dit zijn de zogeheten uitverdieneffecten. De CPB-doorrekening van het Begrotingsakkoord 2013 geeft dit ook aan.17 In een economische neergang, zoals we nu meemaken, kunnen de effecten van bezuinigingen slechter zijn voor de economie dan in normale tijden. Dit komt doordat er productiecapaciteit over is. Als de overheid nu minder besteedt (of hogere lasten oplegt), heeft dit een groter effect heeft op de economie.18 Dit kan een reden zijn om nu minder maatregelen te nemen, en om vervolgens in normale tijden, als de effecten kleiner zijn, de begroting op orde te brengen.

De effecten van bezuinigingen in een kleine open economie als de Nederlandse zijn echter kleiner dan in een grote, meer gesloten, economie als de VS. De reden hiervoor is dat veel producten in Nederland geïmporteerd worden. Als er minder wordt uitgegeven, zorgt dit dus ook voor minder import; dit raakt de groei in Nederland minder hard. Daarnaast laten modelberekeningen van De Nederlandsche Bank (DNB) zien dat dit effect in een economische recessie nog wordt versterkt: als er minder wordt uitgegeven heeft dit in een recessie een groter effect op de importen dan op binnenlandse bestedingen (het zogeheten Zijlstra-effect). Dit drukt ook het effect van eventuele bezuinigingen tijdens een recessie.19

De groeiverwachtingen zijn laag en niet voldoende om «uit de schuld» te groeien. Hervormingen zijn noodzakelijk, maar hebben veelal pas op termijn een effect op de overheidsfinanciën. Voor de overheidsfinanciёn is het daarom noodzakelijk dat hervormingen een stevige budgettaire opbrengst hebben, maar bovenal dat de collectieve arrangementen in brede zin worden aangepast aan zowel een lager inkomen als lagere groei.

Ook spelen het niveau en de ontwikkeling van de overheidsschuld een rol. Onderzoek wijst uit dat een hoge schuld de effecten van meer overheidsuitgaven teniet kan doen, ongeacht de stand van de conjunctuur.20 Bij een hoge schuld is het waarschijnlijker dat de overheid de extra uitgaven op (korte) termijn moet terugdraaien, of de belastingen fors moet verhogen. Ook reageren de rentes op de overheidsschuld sterker op een verslechterende budgettaire positie.

Financiële markten nemen overheden steeds meer de maat. Bij hoge schulden kunnen de vertrouwenseffecten de bestedingseffecten gaan domineren. Dat betekent dat de positieve effecten van extra uitgaven méér dan tenietgedaan worden door minder investeringen en private bestedingen als gevolg van het besef dat belastingen omhoog zullen gaan of later alsnog forse bezuinigingen gedaan moeten worden. Ook de hogere rente op bedrijfsleningen als gevolg van hogere rente die de overheid bij een hogere schuld moet betalen heeft een negatief effect op investeringen. De Europese schuldencrisis illustreert dit. Bij verdere schuldopbouw loopt Nederland het risico vertrouwen van burgers, bedrijven en financiële markten kwijt te raken, wat aanzienlijke economische gevolgen kan hebben.

Licence