Base description which applies to whole site

2.2 Ontwikkeling van inkomen en koopkracht van huishoudens

In 2017 en 2018 neemt de koopkracht slechts beperkt toe, terwijl de economische groei doorzet. De ontwikkeling van de koopkracht is de jaarlijkse verandering van wat huishoudens te besteden hebben: hun bruto-inkomen min belastingafdrachten en premies, plus ontvangen toeslagen zoals kinderbijslag of zorgtoeslag, gecorrigeerd voor de inflatie. Ook op het niveau van de gehele economie blijft de toename van het inkomen dat aan huishoudens toevalt achter bij de economische groei. Deze maatstaven voor het huishoudinkomen vertellen echter maar een deel van wat mensen merken van de economische groei.

Collectief gefinancierde consumptie matigt de koopkrachtontwikkeling. Het aandeel van het netto nationaal inkomen dat naar huishoudens gaat19 is afgenomen van 62 procent in 1995 naar 55 procent in 2015. De rest van het nationaal inkomen gaat naar bedrijven of wordt uitgegeven door de overheid. Met name in de periode 2001–2007 is de economie sterk gegroeid, terwijl het besteedbaar inkomen van huishoudens min of meer stabiel bleef. Een belangrijke verklaring hiervoor is dat een deel van de consumptie door huishoudens collectief wordt gefinancierd. Collectieve uitgaven aan zorg en onderwijs worden niet toegerekend aan het besteedbaar inkomen van huishoudens, maar aan de sector overheid. Huishoudens profiteren echter niet alleen van een hogere koopkracht, maar ook van hun (individuele) consumptie van zorg en onderwijs. De omvang van de collectieve uitgaven op deze gebieden is de afgelopen jaren flink toegenomen. Deze toename bestond voor het overgrote deel (85 procent) uit hogere zorguitgaven. Als het besteedbaar inkomen wordt gecorrigeerd voor deze toename, is het verschil tussen het besteedbaar inkomen van huishoudens en de economische groei kleiner (zie figuur 2.2.1, paarse lijn). De komende jaren zullen de zorguitgaven naar verwachting verder stijgen. Zonder nieuwe maatregelen wordt verwacht dat de reële zorguitgaven op de middellange termijn harder stijgen dan de economie. Als er niet op andere uitgaven wordt bezuinigd, zal zo het aandeel van het nationaal inkomen dat collectief wordt uitgegeven toenemen. Overigens is ook het aandeel van het nationaal inkomen dat aan bedrijven toevalt de afgelopen jaren iets gedaald.

Figuur 2.2.1 Reëel beschikbaar inkomen huishoudens

Figuur 2.2.1 Reëel beschikbaar inkomen huishoudens

Bron: CBS Statline.

Bij de interpretatie en berekening van de koopkrachtontwikkeling is een aantal kanttekeningen te plaatsen. Een eerste kanttekening is dat doorgaans de statische koopkracht gerapporteerd wordt. De statische koopkracht meet de verandering van het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens, bij gelijke omstandigheden. De situatie van een individueel huishouden is echter per definitie niet statisch: mensen verliezen hun baan of maken promotie, gaan trouwen of scheiden of gaan met pensioen. Deze gebeurtenissen kunnen zorgen voor koopkrachtveranderingen van tientallen procenten, terwijl het bij statische koopkracht vaak om maximaal enkele procenten gaat. Bij beleidsvorming wordt ondanks deze beperkingen toch gekeken naar de statische koopkracht, omdat deze maatstaf goed inzichtelijk maakt wat het effect van overheidsbeleid is op het huishoudboekje van burgers. Een andere kanttekening is dat bepaalde prijsontwikkelingen verschillend neerslaan bij verschillende groepen, terwijl dit vaak niet zichtbaar is in de koopkrachtontwikkeling. Een stijging van de huren heeft via de inflatie bijvoorbeeld een effect op de koopkracht van alle huishoudens, terwijl die stijging in de praktijk alleen mensen raakt die hun huis huren.

De ontwikkeling van de koopkracht wordt vooral bepaald door de ontwikkeling van de lonen en de inflatie. Dit laat figuur 2.2.2 zien. De ontwikkeling van de contractlonen wordt in eerste instantie bepaald door de sociale partners, die tijdens cao-onderhandelingen eventuele loonruimte verdelen tussen werknemers en werkgevers. Daarnaast heeft de overheid directe invloed op het minimumloon, en op de hoogte van de meeste uitkeringen en inkomensoverdrachten, zoals de AOW en de bijstand. Deze uitkeringen vormen in totaal ongeveer 15 procent van het bruto-inkomen. Ook op een andere manier heeft de overheid invloed op de koopkracht: de overheid heft belastingen en premies om overheidsuitgaven aan bijvoorbeeld zorg, onderwijs, infrastructuur en defensie te financieren en een evenwichtige inkomensverdeling te bevorderen. De belastingen en premies drukken het besteedbaar inkomen en gaan daarmee ten koste van de koopkracht. Ten slotte heeft de overheid via de werkgeverslasten invloed op de loonruimte. Ook andere partijen en factoren hebben invloed op de koopkrachtontwikkeling. Pensioenfondsen kunnen de pensioenpremies verhogen en de pensioenuitkeringen al dan niet indexeren of korten. Ook als zorgverzekeraars de nominale ziektekostenpremies aanpassen, beïnvloedt dit de koopkracht. Hogere hypotheekrentes leiden tot hogere woonlasten en dus lagere koopkracht, terwijl een hogere spaarrente juist een positief effect heeft op de koopkracht van huishoudens. Tot slot bepaalt de inflatie de daadwerkelijke waarde van het inkomen. De inflatie wordt vooral door internationale factoren beïnvloed, zoals het monetair beleid en de olieprijs.

Figuur 2.2.2 De samenstelling van het bruto-inkomen

Figuur 2.2.2 De samenstelling van het bruto-inkomen

Bron: CBS Statline.

Compensatie door de overheid van ouderen bij niet-indexatie door pensioenfondsen heeft voordelen en nadelen. Dikwijls wordt in de richting van de overheid gekeken om een achteruitgang van de koopkracht van ouderen bij niet-indexatie door pensioenfondsen te compenseren. De vraag is in hoeverre dit altijd in de eerste plaats de taak van de overheid moet zijn. De overheid bepaalt de spelregels voor de pensioenfondsen. Het niet-indexeren is het gevolg van ontwikkelingen op de financiële markten en van beleggingsbeslissingen van de betreffende pensioenfondsen. Het standaard «repareren» van de koopkracht door de overheid is niet gratis, maar betekent herverdeling tussen groepen. Bovendien treft uitblijvende indexatie niet alleen de huidige gepensioneerden, maar ook de uitkeringen van toekomstige gepensioneerden. Deze laatste groep wordt dubbel geraakt als de overheid uitblijvende indexatie compenseert: niet alleen betaalt deze groep de koopkrachtreparatie van huidige gepensioneerden, maar ook valt hun toekomstige koopkracht lager uit. Daarnaast haalt deze overheidsingreep de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van hun investeringsbeleid weg bij de pensioenfondsen.

Licence