Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

Artikel 19 Klimaat

Algemene doelstelling

Klimaatverandering als gevolg van menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Beperking van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, waaronder lagere energiekosten.

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag op dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de in UNFCCC40- en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2-emissierechten (ETS).

Stimuleren

Om de milieudoelen op gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatbrief en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. Green Deals en financiële incentives dragen hieraan bij.

  • Via de Lokale Klimaatagenda, initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

  • De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA41/Vamil42 en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt. Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • De versnelde jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector door middel van een verplichting voor degenen die biobrandstoffen op de markt brengen en het verbreden van de toepassing van hernieuwbare energie naar de luchtvaart en binnenvaart.

Financieren

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM), één van de zogenoemde flexibele mechanismen van het Kyoto Protocol. De flexibele instrumenten bieden de mogelijkheid om emissiereducties (CER’s) ten behoeve van de nationale reductiedoelstelling in een ander land te behalen. Hoofddoelstelling van CDM is om zoveel mogelijk CER’s aan te kopen als nodig om de Nederlandse verplichtingen onder het Kyoto Protocol na te kunnen komen.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Verwachte realisatie non ETS doelstelling 2020

Verantwoordelijk ministerie

Raming (Mton)

Doelstelling (Mton)

CO2industrie en energie

EZ

8,5

10,7

CO2 verkeer en vervoer

IenM

33,8

35,5

CO2 gebouwde omgeving

BZK

25,1

22,5

CO2land- en tuinbouw

EZ

6,6

5,75

Overige niet – CO2broeikasgasssen landbouw

EZ

15,8

16

Overige broeikasgassen buiten de landbouw

IenM

9,7

8,8

Totaal

 

99,5

99,25

In deze tabel zijn de sectorale doelstellingen en de raming weergegeven. De raming geeft aan in welke mate het doelbereik in zicht is. In deze raming is het effect van het Begrotingsakkoord, Sociaal Economische Raad (SER) Energieakkoord en de Klimaatagenda nog niet verwerkt.

Uit de raming blijkt dat Nederland zeer ruim aan haar doel voor de totale non-ETS Effort Sharing Decision (ESD) zal kunnen voldoen. Onder de ESD heeft Nederland in 2020 een doel van -16% ten opzichte van 2005. Dit komt neer op een uitstoot van 104,5 Mton, waar de raming op dit moment een daling van de emissies tot 99,5 Mton voorziet.

In de Kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen -binnen de beschikbare middelen- in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat het verschil van 5 Mton tussen het doel van 104,5 en de raming van 99,5 om deze tegenvaller op te vangen.

Waar de sectorale ramingen overschrijdingen laten zien is dat met name veroorzaakt door nieuwe aannames over met name economische ontwikkelingen en verbetering in de monitoring sinds het afspreken van de sectordoelen. Van beleidsveroorzaakte tegenvallers is niet of nauwelijks sprake. De verwachting is dat van overschrijdingen (nog) minder sprake zal zijn wanneer het SER Energieakkoord en de Klimaatagenda in de ramingen zijn verwerkt. De nieuwe raming komt in 2015, maar in oktober 2014 komt zeer waarschijnlijk een nationale energieverkenning uit waar ook al de nieuwe cijfers inclusief SER Energieakkoord zijn verwerkt.

Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (in procenten)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Oud *)

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

         

Nieuw

         

4,5

5

5,5

6,25

         

realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

               

Bron: Brief aan Tweede Kamer, 9 maart 2012 (Kamerstukken II, 2011/12, 32 813, nr. 17)

Toelichting

Voor de jaren 2015 t/m 2019 waren er formeel nog geen verplichtingen vastgelegd, maar lineaire interpolatie tussen 2015 en 2020 leidt in de oude situatie tot een groei van 0,75 procent per jaar.

In de brief aan de Tweede Kamer van 6 september 2013 (Kamerstukken II, 2013/14, 32 813, nr. 57) is aangegeven dat het bijmengpercentage voor 2015 vastgesteld wordt op 6,25%. Het resultaat van de bijmengverplichting 2013 is nog niet bekend. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) rapportage daarover wordt in de zomer van 2014 verwacht en naar de Tweede Kamer verzonden.

Beleidsconclusies

Het uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar grotendeels conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. In de begroting is aangekondigd dat voor de zomer van 2013 de Roadmap klimaat naar de Tweede Kamer wordt verzonden. Door de koppeling met het SER-Energieakkoord voor duurzame groei, die begin juli 2013 is gesloten, is de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» (voorheen Roadmap klimaat) uiteindelijk op 4 oktober 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2013/14, 32 813, nr. 70). Deze agenda gaat verder dan het SER akkoord dat zich vooral op 2020 richt. De Klimaatagenda richt zich op concrete doelen, ambities voor 2030 en verder, richt zich zowel op mitigatie (vermindering broeikasgassen) als adaptatie (aanpassen aan klimaatverandering)en richt zich op dwarsdoorsnijdende maatregelen (materiaal- en grondstoffen en biobased economy) en sectoren die niet door de SER gedekt worden (landbouw, overige broeikasgassen).

Op twee dossiers van dit artikel zijn er afwijkingen te constateren. Deze zijn:

  • Het geheel herziene pakket aan regelgeving voor het systeem van broeikasgasemissiehandel (ETS) is in werking voor de periode tot en met 2020. De allocatie van emissierechten voor bedrijven voor deze periode is in 2013 afgerond. Voor de structurele versterking van het ETS is een breed gedragen Nederlandse inzet geformuleerd. De inzet is er op gericht om per 2020 het verbeterpakket in het EU/ETS te implementeren.

  • Door vertraging van het uitbrengen van het groenboek «een 2030 raamwerk voor klimaat- en energiebeleid» door de Europese Commissie (maart 2013) en definitieve besluitvorming over het SER-energieakkoord voor duurzame groei van begin juli 2013 is de afspraak om de Kamer eind 2012 te informeren over het pakket van maatregelen waarmee de 2030 broeikasgasdoelstelling gerealiseerd zou kunnen worden, niet gehaald. De Kamer is hierover geïnformeerd door de uitgekomen klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen» waarin het pakket van maatregelen is aangegeven (oktober 2013) en via de kabinetsreactie op het groenboek (Kamerstukken II, 2013/14, 22 112, nr. 1756).

In 2013 zijn de volgende beleidsdoorlichtingen/evaluaties naar de Tweede Kamer gezonden met betrekking op dit artikel:

Mia/Vamil: het evaluatierapport is op 17 september 2013 verzonden aan Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 33 752, nr. 5). In het rapport wordt geconcludeerd dat de investeringen op de milieulijst voldoen aan de criteria die worden gesteld en daarmee bijdragen aan de doelstelling van de regering. Ook geconstateerd is dat de Mia en de Vamil qua aard van de gemiddelde investering en qua gebruikers naar elkaar toe zijn gegroeid. Het kabinet neemt de twee aanbevelingen over te weten, het voortzetten op de huidige wijze van monitoren van het budget en te blijven aansluiten op de prioriteiten in het milieubeleid inclusief aansluiting van de industriële sector. Daarnaast het starten van een onderzoek naar het samengaan of integratie of varianten daarvan tot verdere efficiencyverbetering.

Parlementair onderzoek kosten en effecten klimaat- en energiebeleid: de Tweede Kamer heeft op eigen initiatief een parlementair onderzoek in 2012 laten uitvoeren naar de kosten en effecten van klimaat- en energiebeleid (Kamerstukken II, 2012/13, 33 193, nr. 4). Het kabinet heeft op 6 maart 2013 haar reactie gegeven op de bevindingen uit het rapport (Kamerstukken II, 2012/13, 33 193, nr. 7). De bevindingen hebben een rol gespeeld bij het opstellen van de Klimaatagenda.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

19

Klimaat

   

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 
   

2011

2012

2013

2013

2013

 

Verplichtingen

   

27.629

29.252

– 1.623

 

Uitgaven

   

86.983

92.943

– 5.960

 

19.01

Klimaat

   

11.749

18.319

– 6.570

 

19.01.01

Opdrachten

   

876

6.329

– 5.453

1

19.01.02

Subsidies

   

1.667

4.635

– 2.968

2

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

   

9.206

7.355

1.851

 
 

– waarvan bijdrage aan Nea

   

5.187

7.355

– 2.168

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

3.608

0

3.608

3

 

– waarvan bijdrage aan KNMI

   

411

0

411

4

19.02

Internationaal beleid, coordinatie en samenwerking

   

75.234

74.624

610

 

19.02.01

Opdrachten

   

68.834

69.334

– 500

 
 

– Uitvoering CDM

   

29.905

31.686

– 1.781

 
 

– RIVM

   

29.613

26.640

2.973

5

 

– AgNL

   

8.096

5.438

2.658

5

 

– Overige opdrachten

   

1.220

5.570

– 4.350

6

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

   

3.258

0

3.258

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

   

3.258

0

3.258

7

 

– waarvan bijdrage aan AgNL

   

0

0

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RIVM

   

0

0

0

 

19.02.04

Bijdrage aan medeoverheden

   

0

0

0

 

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

3.142

5.290

– 2.148

 
 

Ontvangsten

   

134.567

120.000

14.567

8

19.01 Klimaat

Toelichting op de financiële instrumenten

19.01.01 Opdrachten (ad 1)

In 2013 zijn opdrachten verstrekt en betalingen op lopende opdrachten gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050).

  • Duurzame mobiliteit (onder andere het programma Proeftuinen Truck van de Toekomst).

  • Industrie (onder andere een opdracht aan de Stichting Koning Willem I, in het kader van de kosten van de prijsuitreiking 2014 van de Koning Willem I prijs en de Plaquette Duurzaam Ondernemerschap).

De lagere realisatie wordt met name verklaard door een verlaging van het budget in verband met de overhevelingen ten behoeve van de werkzaamheden die RWS, het KNMI en AgentschapNL in 2013 uitvoeren.

19.01.02 Subsidies (ad 2)

In 2013 zijn betalingen verricht op eerder verstrekte subsidies in het kader van (lokale) klimaatinitiatieven, duurzame mobiliteit en milieutechnologie. De verschillen tussen begroting en realisatie zijn te verklaren door onder andere de budgetverlaging (€ 1,4 miljoen) bij 1e suppletoire begroting 2013. Dat was mogelijk omdat betalingen in eerdere jaren verrekend konden worden met de toezegging voor het jaar 2013. Per saldo is hiermee het uitgavenbudget uitgekomen op € 3,2 miljoen en is sprake van een onderuitputting van dit budget met € 1,6 miljoen. De oorzaak hiervan is vertraging van facturering bij lopende verplichtingen.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)

Aan de NEa zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (deels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI) (ad 3)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij miljoenennota 2014 overgeheveld en als agentschapsbijdrage in 2013 aan het KNMI beschikbaar gesteld.

Rijkswaterstaat (RWS) (ad 4)

Aan RWS Leefomgeving zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit. De benodigde middelen zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij miljoenennota 2014 overgeheveld en als agentschapsbijdrage in 2013 aan RWS beschikbaar gesteld.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten (ad 5)

Voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM) zijn een aantal jaren geleden met (inter-)nationale instellingen overeenkomsten afgesloten. Deze instellingen hebben in opdracht van het Ministerie van IenM, voor de levering van emissierechten (CER’s), in 2013 aankopen gedaan waarmee Nederland een deel van de verplichtingen onder het Kyoto Protocol kan nakomen.

Als uitvloeisel van de ontwikkeling naar kerndepartementen heeft IenM de beleidsuitvoering uitbesteed aan het AgentschapNL (uitvoering van subsidieregelingen en ander beleidsondersteunende werkzaamheden) en het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek). Hiervoor zijn bij 1e suppletoire begroting vanuit diverse artikelen voor de uitvoering van werkzaamheden in 2013 door RIVM en AgentschapNL middelen naar 19.02.01 overgeboekt. Dit verklaart het verschil in de tabel budgettaire gevolgen van beleid (ad 5). De uitgaven worden op dit artikel verantwoord omdat de opdrachtverlening aan deze uitvoeringsorganisaties centraal wordt gecoördineerd. Doel hiervan is het verbeteren van het overzicht van de totale opdracht, kwaliteitsverbetering van het gehele opdrachtproces en het terugdringen van de administratieve lasten.

Overige opdrachten (ad 6)

Het verschil in de overige opdrachten wordt met name verklaard door:

  • Een neerwaartse bijstelling van het Interreg-budget: bij 1e suppletoire begroting 2013 is in verband met aanpassing van het kasritme het budget met € 1,5 miljoen verlaagd en naar latere jaren doorgeschoven. Daarnaast was rekening gehouden met een terugvordering door de Europese Commissie op de programma’s die geheel op de projecten teruggevorderd kan worden. Deze discussie is nog niet afgerond, zodat ook nog geen (eventuele) terugbetaling heeft plaatsgevonden.

  • Door het niet aanwenden van een reservering van € 0,3 miljoen voor Galileo supervisory authority en door vertraging van geplande projecten is bij 2e suppletoire begroting 2013 in HGIS-kader € 0,6 miljoen naar de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken teruggeboekt.

  • Een deel van het budget voor de overige opdrachten is overgeheveld naar het budget voor AgentschapNL (€ 0,8 miljoen) en RWS (€ 0,135 miljoen).

  • Aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken is bij Miljoenennota 2014 € 0,15 miljoen overgeheveld als bijdrage voor het IRC International Water and Sanitation Centre te Delft.

Naast bovengenoemde opdrachten zijn in 2013 nog opdrachten verleend voor activiteiten in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies naar Myanmar, Rusland en Vietnam en het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten waaronder de klimaatconferentie in Polen en de Aarhus-conferentie die in 2014 in Nederland wordt georganiseerd.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 7)

De fusie van VROM en VenW tot het Ministerie van IenM heeft geleid tot een heroverweging van de uitvoeringstaken van IenM bij AgentschapNL. In 2013 is een aantal taken en de daarbij behorende medewerkers overgedragen aan Rijkswaterstaat, in de nieuwe Unit voor de Leefomgeving. Taken die zijn overgeheveld zijn onder andere Bodem+, kenniscentrum Infomil, de sectoren Materialen & Milieu en Mobiliteit & Ruimte. De uitvoering van IenM subsidieregelingen en financiële instrumenten gericht op het bedrijfsleven is bij AgentschapNL gebleven. Het kasbudget voor de uitvoering van de overgedragen taken (€ 0,3 miljoen) was geraamd bij 19.02.01 AgentschapNL en zijn bij Miljoenennota 2014 als agentschapsbijdrage aan Rijkswaterstaat, Unit Leefomgeving overgedragen. Dit verklaart het verschil.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken en contributieverplichtingen zijn in 2013 aan (inter-)nationale organisaties de volgende bijdragen van meer dan € 0,1 miljoen betaald.

organisatie

onderwerp

bedrag x € 1.000

UNEP

IenM aandeel Nederlandse bijdrage United Nations Envirnoment Programme (UNEP)

615

China Council

Nederland (in de persoon van de secretaris generaal IenM) neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De Nederlandse bijdrage wordt gebruikt voor het begeleiden en uitzetten van internationale studies in taakgroepen op het gebied van milieu en ontwikkeling. De China Council brengt hierover in de vorm van concrete aanbevelingen advies uit aan de Chinese regering.

100

Regionaal Milieucentra Szentendre en Tbilisi

REC Szentendre vervult een essentiële rol bij de introductie en implementatie van Europese milieuwetgeving in Midden- en Oost-Europa. REC Caucasus in Tbilisi (een samenwerking van de Europese Commissie, Georgië, Armenië en Azerbeidzjan) heeft tot doel het oplossen op regionaal niveau van milieuproblemen en het opbouwen van maatschappelijk draagvlak voor milieubeleid.

140

United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC)

contributie international transaction log: Voor transacties in het kader van de flexibele mechanismen onder het Kyotoprotocol wordt door het Klimaatsecretariaat een logboek (International Transaction Log) bijgehouden. Europese en internationale CO2-handelstransacties komen in dit logboek terecht. Partijen die dergelijke transacties (IenM voor CDM) uitvoeren, betalen voor deze diensten.

111

UNFCCC

trust fund for supplementary activities: het fonds is voor aanvullende activiteiten, waartoe landen in gezamenlijkheid hebben besloten tijdens klimaatconferenties.

100

UN-Economic Commission for Europe (UN-ECE)

Verdrag grensoverschrijdende luchtverontreiniging (Convention on Long-Range Transboundary AirPollution)).

194

World Resources Institute

Het World Resources Institute richt zich op het snijvlak van milieu en socio-economische ontwikkelingen, met zowel gezaghebbend onderzoek als acties (vooral in ontwikkelingslanden) in samenwerking met overheden, zakenleven, financiële instellingen en maatschappelijke organisaties.

100

UNEP International Resource Panel

Dit panel bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke wetenschappelijke informatie over het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

100

Internationaal TransportForum (ITF)

Deze mondiale organisatie op vervoersgebied (dochterorganisatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), 54 landen zijn lid: alle Europese landen, en bv. de VS, China, Rusland etc.) is hét internationale publiekprivate platform dat ontwikkelingen bespreekt zoals de globalisering en de verduurzaming van vervoer.

212

Climate and Clean Air Coalition

Vrijwillige partnerschap van landen, wetenschappelijke instellingen, internationale organisaties en NGO’s (Non-Governmental Organisations) wil via gerichte initiatieven en projecten een lagere uitstoot van short lived climate pollutants bewerkstelligen – kortlevende stoffen als roet en ozon die zorgen voor klimaatopwarming en een slechtere luchtkwaliteit.

100

UN-ECE

Opstartbijdrage kwikverdrag. Doel: snelle opstart van de noodzakelijke activiteiten onder het verdrag mogelijk maken.

100

Ecosystem Return Foundation

activiteiten tot ontwikkeling duurzaam landgebruik door grootschalig herstel van gedegradeerde gronden, binnen en buiten Europa, in publiekprivate samenwerking.

100

diverse organisaties

bijdragen minder dan € 0,1 miljoen.

1.170

Totaal

 

3.142

Ontvangsten (ad 8)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emission Trade System (ETS) veilingopbrengsten. Door een wijziging in de Eurostatregels (waarbij feitelijke ontvangsten voorlopen op de geraamde opbrengsten) is uiteindelijk meer ontvangen dan op de begroting was geraamd.

40

United Nations Framework Convention on Climate Change

41

Regeling Milieu-investeringsaftrek

42

Vrijwillige afschrijving milieu-investeringen

Licence