Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht, wordt de zogenoemde korting op de bijtelling voor het voor privédoeleinden ter beschikking staan van een auto van de zaak zonder CO2-uitstoot toegepast op een bepaald deel van de catalogusprijs, de zogenoemde cap. Dit blijft ingevolge de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord ook de komende jaren het geval, maar ingevolge die wet wordt de tegemoetkoming wel geleidelijk beperkt. Voor 2021 komt het maximumbedrag van de korting op € 4.000 (10% korting maal € 40.000). De cap geldt niet voor waterstofauto’s.

In artikel I, onderdeel A, wordt voorgesteld artikel 3.20, tweede lid, Wet IB 2001 zodanig te wijzigen dat de cap evenmin van toepassing is voor kwalificerende nulemissieauto’s met zonnepanelen. Het betreft elektrische auto’s die zijn voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en de zonnepanelen een gezamenlijk vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek. Deze definitie is ontleend aan de definitie die voor 2020 geldt voor de milieu-investeringsaftrek, bedoeld in artikel 3.42a Wet IB 2001.

Artikel I, onderdeel B, artikel II, onderdeel C, artikel III, onderdeel C, artikel IV, onderdeel C, de artikelen V tot en met XVI en artikel XL (artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen II tot en met IX van het Belastingplan 2020)

Met het voorgestelde artikel I, onderdeel B, het voorgestelde artikel II, onderdeel C, het voorgestelde artikel III, onderdeel C, het voorgestelde artikel IV, onderdeel C, de voorgestelde artikelen V tot en met XVI, en het voorgestelde artikel XL wordt geregeld dat vanaf 1 januari 2021 de zelfstandigenaftrek van thans € 7.030 tot en met 2027 wordt verlaagd met € 360 per jaar, per 1 januari 2028 met € 390 en in de jaren daarna met € 110 tot uiteindelijk € 3.240 in 2036. In samenhang daarmee komen de artikelen II tot en met IX van het Belastingplan 2020, waarin een ander afbouwtraject was opgenomen, te vervallen.

Artikel I, onderdeel C, artikel II, onderdeel D, en artikel XLII, eerste lid, onderdelen a en b (artikel 8.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De wijziging van artikel 8.14a Wet IB 2001 bewerkstelligt dat het maximumbedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting, nadat de inflatiecorrectie van artikel 10.1 Wet IB 2001 per 1 januari 2021 is toegepast, met ingang van 1 januari 2021 wordt verlaagd met € 113. Per 1 januari 2022 wordt het bedrag, nadat de inflatiecorrectie van artikel 10.1 Wet IB 2001 per die datum is toegepast, ingevolge de voorgestelde wijziging weer verhoogd met € 77. De structurele verlaging bedraagt daarmee € 36. Deze wijziging is nader toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.

Artikel I, onderdeel D, artikel XVIII, onderdeel B, en artikel XLII, eerste lid, onderdelen a en f (artikel 8.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22b van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging van artikel 8.17 Wet IB 2001 en artikel 22b Wet LB 1964 bewerkstelligt dat het maximumbedrag van de ouderenkorting, nadat de inflatiecorrectie van artikel 10.1 Wet IB 2001 per 1 januari 2021 is toegepast, wordt verhoogd met € 55. Deze wijziging is nader toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.

Artikel II

Artikel II, onderdelen A en B, artikel III, onderdelen A en B, artikel IV, onderdelen A en B, artikel XIX, onderdelen A en B, artikel XX, onderdelen A en B, artikel XXI, onderdelen A en B (artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbelasting 1964)

Ingevolge de artikelen II, onderdelen A en B, artikel III, onderdelen A en B, artikel IV, onderdelen A en B, artikel XIX, onderdelen A en B, artikel XX, onderdelen A en B, en artikel XXI, onderdelen A en B, worden de tarieftabel van artikel 2.10, eerste lid, Wet IB 2001, de tarieftabel van artikel 2.10a, eerste lid, van die wet, de tarieftabel van artikel 20a, eerste lid, Wet LB 1964 en de tarieftabel van artikel 20b, eerste lid, van die wet per 1 januari 2022, per 1 januari 2023 en per 1 januari 2024 aangepast. Deze wijzigingen zijn beschreven in het algemeen deel van deze memorie.

Artikel XVII

Artikel XVII (vrijstelling tegemoetkoming en subsidie COVID-19))

Het voorgestelde artikel XVII, eerste lid, onderdeel a, bewerkstelligt dat voor de inkomstenbelasting niet tot de winst behoort de eenmalige tegemoetkoming waarop een gedupeerde onderneming – op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 – onder voorwaarden aanspraak kon maken in verband met een in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 verwacht omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 (TOGS). Op deze wijze wordt voorkomen dat heffing van inkomstenbelasting over deze tegemoetkoming plaatsvindt. Het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, van artikel XVII bewerkstelligt dit op overeenkomstige wijze voor een subsidie die ontvangen is op basis van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (Regeling subsidie vaste lasten). Deze subsidie is voor de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 op aanvraag verstrekt aan door de coronamaatregelen getroffen ondernemingen om de vaste lasten te kunnen blijven betalen. Op grond van het voorgestelde artikel XVII, tweede lid, zijn de tegemoetkoming op basis van de TOGS en de subsidie op basis van de Regeling subsidie vaste lasten eveneens vrijgesteld voor de heffing van vennootschapsbelasting. De tegemoetkoming en de subsidie kunnen in de aangifte inkomstenbelasting worden opgenomen in de rubriek «Overige buitengewone baten» én in de aangifte vennootschapsbelasting in de rubriek «Overige vrijgestelde winstbestanddelen». Op die manier wordt geen inkomstenbelasting (box 1) of vennootschapsbelasting geheven over de tegemoetkoming en de subsidie. Eventuele terugbetalingen van voornoemde tegemoetkomingen en subsidies zijn natuurlijk ook niet aftrekbaar.

Deze bepaling treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020, aangezien de genoemde tegemoetkoming en de subsidie in het jaar 2020 zijn verstrekt.

Artikel XVIII

Artikel XVIII, onderdeel A (artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964)

Voor de toelichting op de in artikel XVIII, onderdeel A, opgenomen wijziging van artikel 13bis Wet LB 1964 wordt mutatis mutandis verwezen naar de toelichting op de in artikel I, onderdeel A, opgenomen wijziging van artikel 3.20 Wet IB 2001.

Artikel XVIII, onderdeel C (artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Voorgesteld wordt de gerichte vrijstelling voor scholing te verruimen zodat ook een vrijstelling geldt voor vergoedingen en verstrekkingen die voortvloeien uit vroegere arbeid en een opleiding of studie betreffen als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964. De verruiming geldt dus niet voor vergoedingen en verstrekkingen ten aanzien van onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden ter vervulling van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel c, Wet LB 1964.

Het is dus niet langer van belang of sprake is van tegenwoordige of vroegere arbeid om gebruik te kunnen maken van de gerichte vrijstelling voor een opleiding of studie als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964. De opleiding of studie moet gevolgd worden voor een toekomstig beroep. De Belastingdienst zal op dezelfde manier beoordelen of sprake is van een opleiding of studie die onder de vrijstelling valt, als op dit moment gebeurt wanneer vergoedingen of verstrekkingen voortvloeien uit tegenwoordige arbeid. Voor de beoordeling of de werknemer een studie of opleiding volgt voor een toekomstig beroep is daarom maatgevend of hij de studie volgt met het oog op verbetering van zijn maatschappelijke positie in financieel-economisch opzicht en niet vanwege persoonlijke redenen, zoals een hobby of uit persoonlijke interesse. De (ex-)werkgever moet zoveel mogelijk met gezond verstand en vanuit realistisch oogpunt beoordelen of de werknemer de opleiding of studie volgt om hiermee in de toekomst inkomen te kunnen verwerven. Er moet een objectieve verwachting bestaan dat de werknemer na het volgen van de studie of opleiding in redelijkheid deze kennis kan inzetten in het economische verkeer.

De ex-werkgever is verantwoordelijk voor een juiste afdracht van loonheffingen. Door de voorgestelde uitbreiding geldt ook een gerichte vrijstelling voor scholing voor vergoedingen en verstrekkingen die de werknemer heeft verkregen uit vroegere arbeid. Daarbij dient – in tegenstelling tot bij de huidige onderdelen van artikel 31, eerste lid, onderdeel g, Wet LB 1964, waarbij de eindheffingsbestanddelen verplicht zijn voorgeschreven – de ex-werkgever de vergoeding of verstrekking aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel, net als bij artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB 1964 met inachtneming van het gebruikelijkheidscriterium. Daarnaast dient te zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB 1964 om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling. Als de vergoeding of verstrekking (of een gedeelte daarvan) door de ex-werkgever is behandeld als vrijgesteld eindheffingsbestanddeel, maar niet aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling wordt voldaan, dan kan hierover bij de ex-werkgever worden nageheven. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de door de ex-werknemer gevolgde scholing een opleiding betreft die hij als hobby of uit persoonlijke interesse volgt.

Artikel XVIII, onderdeel D (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel 31a Wet LB 1964 bevat de kern van de zogenoemde werkkostenregeling (WKR). Via de WKR kunnen werkgevers onbelaste vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers geven. Om belastingheffing te voorkomen moeten deze vergoedingen en verstrekkingen onder een gerichte vrijstelling vallen, dan wel dienen deze vergoedingen en verstrekkingen binnen de zogenaamde vrije ruimte te blijven. Deze vrije ruimte bedraagt op grond van artikel 31a, derde lid, Wet LB 1964 sinds 1 januari 2020 1,7% van – kort gezegd – de fiscale loonsom van alle werknemers gezamenlijk, voor zover die loonsom niet hoger is dan € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom. Deze berekening vindt plaats per inhoudingsplichtige, tenzij inhoudingsplichtigen de concernregeling van artikel 32 Wet LB 1964 toepassen.

Zoals is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, wordt voorgesteld om de vrije ruimte per 1 januari 2021 te verkleinen. Met artikel XVIII, onderdeel D, wordt geregeld dat vanaf 1 januari 2021 het percentage van de tweede schijf van de vrije ruimte van de werkkostenregeling wordt verlaagd van thans 1,2% naar 1,18%.

Artikel XXII

Artikel XXII en artikel XLII, eerste lid, onderdeel e (vergroting vrije ruimte werkkostenregeling 2020)

Zoals is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, wordt voorgesteld om de vrije ruimte voor het kalenderjaar 2020 te vergroten. De voor het kalenderjaar 2020 geldende vrije ruimte wordt op grond van het voorgestelde artikel XXII berekend als 3% van – kort gezegd – de loonsom tot en met € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom. De voorgestelde bepaling treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020.

Artikel XXIII

Artikel XXIII en artikel XLII, eerste lid, onderdeel e (fiscale behandeling Subsidieregeling bonus zorgprofessional COVID-19 voor niet-werknemers)

Op grond van de in artikel XXIII opgenomen bepaling, die terugwerkt tot en met 1 januari 2020, kunnen de uitgekeerde of uit te keren bonussen aan anderen dan eigen werknemers op basis van de op artikel 3 van de Kaderwet VWS-subsidies gebaseerde regeling voor eenmalige bonussen aan zorgprofessionals in het kader van de coronacrisis, waarvoor geen inhoudingsplicht bestaat bij of krachtens een artikel van de Wet LB 1964, in aanmerking worden genomen als eindheffingsbestanddeel, waarover zorginstellingen in dat geval een eindheffing verschuldigd zijn. Dit wordt bewerkstelligd door in het eerste lid van die bepaling artikel 32ab, eerste en tweede lid, Wet LB 1964 van overeenkomstige toepassing te verklaren op de betreffende bonus, mits de verstrekker van de bonus schriftelijk mededeling doet aan de ontvanger van het toepassing vinden van deze eindheffing en aannemelijk kan maken wie de ontvanger is van de verstrekking. Op grond van het tweede lid van de voorgestelde bepaling geldt daarbij een eindheffingstarief van 75%.

Daarnaast regelt het derde lid van het voorgestelde artikel dat de bonus geen belastbaar inkomen of belastbare winst is voor de betreffende niet-werknemers, waaronder zelfstandigen en ingehuurd schoonmaakpersoneel, zodat de bonus ook niet gaat behoren tot het inkomen dat relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen.

Artikel 32ab Wet LB 1964 merkt verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers aan als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 Wet LB 1964. De bonus kwalificeert echter niet als verstrekking, omdat de bonus een geldbedrag betreft. Dit betekent dat artikel 32ab Wet LB 1964 niet van toepassing is op de bonus. In dat kader wordt voorgesteld artikel 32ab Wet LB 1964 van overeenkomstige toepassing te verklaren op de bonus voor niet-werknemers, mits de zorginstelling voldoet aan de volgende twee voorwaarden. Allereerst stelt de zorginstelling de niet-werknemer ervan op de hoogte dat de verschuldigde heffing door middel van eindheffing wordt afgedragen. Deze schriftelijke mededeling is vormvrij. Daarnaast dient de zorginstelling aannemelijk te kunnen maken wie de bonus ontvangt. De administratie van de zorgprofessionals die geen werknemer zijn van de zorginstelling staat los van de administratie voor de werkkostenregeling, aangezien deze slechts ziet op vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers. Voor de bonus wordt zoals hiervoor is aangegeven een eindheffingstarief van 75% voorgesteld. Dit tarief is gelijk aan het tarief dat op grond van artikel 32ab, derde lid, onder 2o, Wet LB 1964 geldt voor een verstrekking aan anderen dan eigen werknemers waarvan de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan € 136.

De zorginstelling geeft de verschuldigde eindheffing aan met de aangifte over het loontijdvak waarin de bonus aan de zorgprofessional werd uitbetaald, conform artikel 27a Wet LB 1964. Het bedrag aan verschuldigde eindheffing wordt aangegeven in de rubriek voor verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers.

Artikel XXIV

Artikel XXIV en artikel XLII, eerste lid, onderdeel e (fiscale behandeling Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA))

Voorgesteld wordt om met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 de TOFA-tegemoetkoming aan te merken als loon uit vroegere dienstbetrekking voor de Wet LB 1964, het UWV aan te wijzen als inhoudingsplichtige en te bepalen dat het UWV bij de toepassing van de loonheffingskorting mag afwijken van artikel 23, eerste en tweede lid, Wet LB 1964. De TOFA-tegemoetkomingen zijn inmiddels betaald en UWV heeft daarbij op het voorgaande geanticipeerd.

De TOFA-tegemoetkoming was een compensatie voor gederfd loon of te derven loon als bedoeld in artikel 3.82 Wet IB 2001 en telt ook mee voor de hoogte van de inkomensafhankelijke toeslagen zoals de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag. Omdat de TOFA-tegemoetkoming de vorm had van een eenmalige tegemoetkoming, viel deze tegemoetkoming in beginsel niet onder de loonbelasting. Omdat het niet wenselijk werd geacht om de belastingheffing volledig pas via de inkomstenbelasting te laten plaatsvinden, is de keuze gemaakt om de tegemoetkoming te behandelen als loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet LB 1964 en het UWV daarbij als inhoudingsplichtige aan te wijzen, zodat het UWV loonheffing kon inhouden. In het onderhavige artikel wordt dit gecodificeerd.

De tegemoetkoming wordt derhalve in dit artikel aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en het UWV wordt aangewezen als inhoudingsplichtige. Vanwege de korte implementatietermijn was het voor het UWV niet uitvoerbaar om de toepassing van de algemene heffingskorting afhankelijk te laten zijn van een verzoek van de betrokkene. Daarom wordt voorgesteld tevens wettelijk vast te leggen dat het UWV gerechtigd was, in afwijking van artikel 23, eerste en tweede lid, Wet LB 1964, bij alle TOFA-tegemoetkomingen de algemene heffingskorting toe te passen, ook ingeval daartoe geen verzoek is gedaan of ingeval de heffingskorting reeds tegenover een andere inhoudingsplichtige is toegepast. Het UWV heeft de toepassing van heffingskorting overigens wel achterwege gelaten ingeval de gerechtigde over hetzelfde of een recent tijdvak ander loon van het UWV heeft ontvangen en met betrekking tot dat loon heeft verzocht de heffingskorting niet toe te passen.

De tegemoetkoming is onderdeel van het verzamelinkomen voor de Wet IB 2001. De loonbelasting is een voorheffing van de inkomstenbelasting. De tegemoetkoming kan daarom leiden, hoofdzakelijk vanwege de dubbele toepassing van de algemene heffingskorting, tot een additionele heffing bij de aanslag inkomstenbelasting 2020. Dit is afhankelijk van de individuele situatie van de ontvanger van de tegemoetkoming. Zonder het in de loonbelasting betrekken van de tegemoetkoming zou de additionele heffing bij de aanslag inkomstenbelasting 2020 bovendien in veel meer gevallen aan de orde zijn en ook hoger zijn.

Artikel XXV

Artikel XXV, onderdeel A, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel d (artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Op grond van de huidige wettekst van artikel 10a, eerste lid, Wet Vpb 1969 worden renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijke persoon die verband houden met een aantal nader omschreven rechtshandelingen (hierna: kwalificerende schulden) onder omstandigheden van aftrek uitgesloten. Het van aftrek uit te sluiten bedrag aan renten wordt hierbij voor alle kwalificerende schulden tezamen bepaald. Daarbij geldt dat het begrip renten zowel positieve als negatieve rente omvat en onder valutaresultaten zowel valutaverliezen als valutawinsten worden begrepen. Voor de duidelijkheid wordt hierbij opgemerkt dat bij het bepalen van de winst aftrek van een positieve rente, valutaverlies of kosten ter zake van een schuld leidt tot een daling van de winst van de schuldenaar (en dat het uitsluiten van de aftrek dus tot een stijging van de winst leidt) en dat aftrek van een negatieve rente en valutawinst ter zake van een schuld leidt tot een stijging van de winst van de schuldenaar (en dat het uitsluiten van de aftrek dus tot een daling van de winst leidt, oftewel tot een vrijstelling). Indien in een jaar het bedrag aan negatieve renten en valutawinsten het bedrag aan positieve renten, kosten en valutaverliezen overschrijdt, heeft toepassing van de huidige wettekst van genoemd artikel 10a – ervan uitgaande dat aan de overige voorwaarden voor de toepassing van dit artikel wordt voldaan – in zoverre tot gevolg dat een deel van de negatieve renten en valutawinsten buiten aanmerking wordt gelaten bij het bepalen van de winst.51 De uitsluiting van de aftrek leidt dan tot een daling van de winst, waardoor sprake is van een vrijstelling.

Het voorgestelde achtste lid van genoemd artikel 10a regelt dat voortaan per kwalificerende schuld dient te worden beoordeeld of de toepassing van het eerste lid per saldo zou leiden tot een lagere winst. Voor zover in enig jaar het bedrag aan negatieve rente en valutawinsten ter zake van een kwalificerende schuld het bedrag aan positieve rente, kosten en valutaverliezen op die schuld overschrijdt, vindt op grond van het voorgestelde achtste lid van genoemd artikel 10a het eerste lid van dat artikel geen toepassing op genoemd saldo. Hierdoor wordt dit saldo niet langer vrijgesteld van belastingheffing. Voor de volledigheid wordt daarbij opgemerkt dat op het overige deel van de renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van die kwalificerende schuld in dat jaar het eerste lid van genoemd artikel 10a onverkort van toepassing blijft. Deze renten worden hierdoor niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst en blijven derhalve buiten het toepassingsbereik van de earningsstrippingmaatregel en de minimumkapitaalregel. Hierna wordt het verschil in de uitwerking onder de huidige wetstoepassing en de voorgestelde wetswijziging geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld.

Voorbeeld

Belastingplichtige heeft twee schulden waarop de aftrekbeperking van artikel 10a, eerste lid, Wet Vpb 1969 van toepassing is. In enig jaar wordt schuld 1 afgelost en wordt een valutawinst van 300 gerealiseerd. Over datzelfde jaar bedraagt de positieve rente ter zake van deze schuld 75. De positieve rente ter zake van schuld 2 bedraagt in dat jaar 100.

Uitwerking

Onder de huidige wetstoepassing van artikel 10a, eerste lid, Wet Vpb 1969 worden voor de bepaling van het bedrag aan renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – dat niet in aftrek komt bij het bepalen van de winst, de bedragen aan renten ter zake van alle kwalificerende schulden tezamen genomen. Hierdoor wordt de verschuldigde positieve rente van 75 op schuld 1 en 100 op schuld 2 gesaldeerd met de bij de aflossing gerealiseerde valutawinst van 300 op schuld 1. In dit jaar bestaat het gezamenlijke bedrag aan renten dus uit een valutawinst van 125 (300 valutawinst gesaldeerd met 175 positieve rente). De huidige toepassing van het eerste lid van genoemd artikel 10a heeft tot gevolg dat het bedrag van 125 aan renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – van aftrek wordt uitgesloten, waardoor de valutawinst in zoverre buiten aanmerking wordt gelaten bij het bepalen van de winst. De aftrekbeperking leidt – ervan uitgaande dat aan de overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969 wordt voldaan – derhalve tot een verlaging van de winst met 125 (oftewel tot een vrijstelling).

Het voorgestelde achtste lid van genoemd artikel 10a regelt, kort gezegd, dat voor zover de toepassing van het eerste lid met betrekking tot een kwalificerende schuld zou leiden tot een lagere winst, het eerste lid in zoverre geen toepassing vindt met betrekking tot die schuld. In dit voorbeeld zou de toepassing van het eerste lid van genoemd artikel 10a ter zake van schuld 1 in beginsel leiden tot een lagere winst, omdat in dit jaar de valutawinst (300) op schuld 1 het bedrag van de positieve rente (75) op schuld 1 overschrijdt. Het voorgestelde achtste lid regelt dat de aftrekbeperking niet geldt voor de na saldering met de rente op schuld 1 resulterende valutawinst ter zake van schuld 1 van 225, zodat dat bedrag wel in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst in dat jaar. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat het eerste lid van genoemd artikel 10a onverkort van toepassing blijft op 75 aan positieve rente en 75 aan valutawinst ter zake van schuld 1; de uitsluiting van de aftrekbeperking geldt uitsluitend voor het deel van de valutawinsten dat het bedrag van de rente overstijgt. Toepassing van het eerste lid van genoemd artikel 10a ter zake van schuld 2 leidt niet tot een lagere winst, waardoor het voorgestelde achtste lid niet van toepassing is met betrekking tot schuld 2. Op grond van het eerste lid van genoemd artikel 10a wordt in dit jaar ter zake van schuld 2 in beginsel een bedrag van 100 aan rente – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – van aftrek uitgesloten bij het bepalen van de winst.

Artikel XXV, onderdeel B, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel c (artikel 12abis van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

Het voorgestelde artikel 12abis Wet Vpb 1969 bewerkstelligt dat belastingplichtigen bij de bepaling van de in het jaar 2019 genoten winst onder voorwaarden een fiscale coronareserve kunnen vormen. Met de vorming van een dergelijke reserve wordt beoogd om belastingplichtigen een tegemoetkoming te bieden voor de negatieve financiële gevolgen van de coronacrisis door verliesneming op een eerder moment mogelijk te maken dan volgens de mogelijkheden voor reguliere verliesverrekening het geval zou zijn. Hiermee wordt uitsluitend beoogd om belastingplichtigen een liquiditeitsvoordeel te verlenen.

Het eerste lid van het voorgestelde artikel 12abis Wet Vpb 1969 brengt tot uitdrukking dat belastingplichtigen een fiscale coronareserve kunnen vormen bij het bepalen van de winst over het jaar 2019. Hiervoor kunnen zij bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2019 kiezen door de reserve op te nemen in de rubriek overige fiscale reserves. Er zijn ingevolge genoemd eerste lid twee elementen die de hoogte van de fiscale coronareserve begrenzen. Als uitgangspunt geldt dat de omvang van deze reserve ten hoogste gelijk is aan het voor het jaar 2020 verwachte verlies in de zin van artikel 20, eerste lid, Wet Vpb 1969, voor zover dat verlies verband houdt met de coronacrisis en zonder rekening te houden met de vrijval van de reserve in dat jaar volgens het derde lid (onderdeel a). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verlies als gevolg van omzetderving vanwege de door de overheid genomen coronamaatregelen, terwijl de (vaste) lasten blijven doorlopen. De tweede begrenzing houdt in dat de dotatie aan de fiscale coronareserve niet hoger mag zijn dan de (positieve) winst die over het jaar 2019 behaald zou zijn zonder de vorming van deze reserve (onderdeel b). Met deze voorwaarde wordt bewerkstelligd dat het vormen van een fiscale coronareserve niet kan leiden tot een verlies over het jaar 2019 (en dat geen fiscale coronareserve kan worden gevormd indien in 2019 sprake was van een verlies). Voor het bepalen van het maximum op grond van onderdeel b moet de winst over 2019 worden berekend zonder vorming van de fiscale coronareserve, dus met inbegrip van bepalingen zoals de deelnemingsvrijstelling en de earningsstrippingmaatregel. Vervolgens wordt de fiscale coronareserve gevormd en worden de overige bepalingen voor het vaststellen van de winst toegepast. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat nogmaals de niet-aftrekbare rente op grond van de earningsstrippingmaatregel moet worden berekend, aangezien de dotatie aan de fiscale coronareserve de hoogte van de gecorrigeerde winst, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969, verlaagt. Een eventuele verhoging van de niet-aftrekbare rente kan niet leiden tot een hogere fiscale coronareserve. Dat zou immers leiden tot een hogere fiscale coronareserve dan de winst van 2019 zonder toepassing van de fiscale coronareserve. De omvang van de fiscale coronareserve mag ook lager zijn dan de op basis van het eerste lid bepaalde maximale dotatie. Het voorgaande brengt met zich dat vorming van een fiscale coronareserve niet mogelijk is als een belastingplichtige de verwachting heeft dat hij over het jaar 2020 per saldo een positieve belastbare winst geniet, ook al heeft hij in 2020 tijdelijk een verlies geleden als gevolg van de coronamaatregelen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de winsten in de periode waarin de coronamaatregelen niet of in mindere mate van kracht waren, het (coronagerelateerde) verlies uit de verlieslatende periode overstijgen.

Voorbeeld 1

Belastingplichtige A heeft in het jaar 2019 – zonder toepassing van de fiscale coronareserve – een winst behaald van € 500.000. In het jaar 2020 wordt hij geconfronteerd met een omzetderving als gevolg van de coronamaatregelen. Hierdoor verwacht hij over dat jaar een verlies van € 650.000. A kan in dit geval in 2019 een fiscale coronareserve vormen voor een bedrag van maximaal € 500.000, aangezien de hoogte van de reserve gemaximeerd wordt op het bedrag van de winst vóór dotatie aan de fiscale coronareserve in het jaar 2019.

Voorbeeld 2

Belastingplichtige B wordt in het jaar 2020 geconfronteerd met een omzetderving als gevolg van de coronamaatregelen. Hij verwacht in de periode dat de coronamaatregelen van kracht zijn, een (coronagerelateerd) verlies te lijden van € 250.000. In de periode voordat de coronamaatregelen van kracht waren en in de periode daarna verwacht hij in totaal een winst te maken van € 300.000. B kan derhalve geen fiscale coronareserve vormen, omdat hij per saldo over het jaar 2020 geen verlies verwacht, maar een winst van € 50.000 (€ 300.000 verminderd met € 250.000).

Het voorgaande geldt voor belastingplichtigen die een boekjaar hanteren dat gelijk is aan het kalenderjaar. Voor belastingplichtigen die een gebroken boekjaar hanteren, geldt op grond van het tweede lid van het voorgestelde artikel 12abis Wet Vpb 1969 dat zij in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020, een fiscale coronareserve overeenkomstig het eerste lid van genoemd artikel kunnen vormen. Voor deze periode is gekozen, omdat hiermee zoveel mogelijk wordt aangesloten bij boekjaren die voorafgingen aan het moment waarop de coronamaatregelen van kracht werden. Dat de fiscale coronareserve in geval van een gebroken boekjaar overeenkomstig het eerste lid van het voorgestelde artikel 12abis Wet Vpb 1969 kan worden gevormd, betekent dat het (met het kalenderjaar samenvallende boek)jaar 2019 uit het eerste lid in feite door het desbetreffende boekjaar wordt vervangen. Vervolgens leidt de overeenkomstige toepassing ertoe dat voor het voorgestelde eerste lid, onderdeel a, het daaropvolgende boekjaar geldt (in plaats van het met het kalenderjaar samenvallende boekjaar 2020).

De fiscale coronareserve wordt in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen. Voor een belastingplichtige die een boekjaar hanteert dat gelijk is aan het kalenderjaar, betekent dit dat de reserve in het jaar 2019 is gevormd en in het jaar 2020 in de winst zal worden opgenomen. Het onderstaande voorbeeld 3 illustreert hoe dit uitwerkt voor een belastingplichtige die een gebroken boekjaar hanteert.

Voorbeeld 3

Belastingplichtige C hanteert een boekjaar dat begint op 1 juli en eindigt op 30 juni van het daaropvolgende jaar. In het laatste jaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 kan hij een fiscale coronareserve vormen. Dit betekent dat C over het boekjaar dat loopt van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 een fiscale coronareserve mag vormen, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Deze reserve wordt dan in de winst opgenomen in het daaropvolgende boekjaar dat loopt van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020.

Het vormen van een fiscale coronareserve verlaagt de winst die een belastingplichtige over het jaar 2019 heeft behaald en verhoogt de winst die de belastingplichtige in 2020 behaalt. Dit kan gevolgen hebben voor de toepassing van andere regelingen in de vennootschapsbelasting, zoals bijvoorbeeld de subjectieve vrijstelling voor bepaalde stichtingen en verenigingen (artikel 6 Wet Vpb 1969), de generieke renteaftrekbeperking (artikel 15b Wet Vpb 1969) of de regels inzake verliesverrekening (artikel 20 Wet Vpb 1969). Gelet op de robuuste vormgeving van de fiscale coronareserve en het korte tijdsbestek waarin de regeling is ontworpen, is er echter voor gekozen om hiervoor geen flankerende bepalingen op te nemen. Dit heeft tot gevolg dat steeds de reguliere wettelijke gevolgen van (overeenkomstige) toepassing zijn.

Een fiscale eenheid (artikel 15 e.v. Wet Vpb 169 kan een fiscale coronareserve vormen binnen de hiervoor beschreven kaders.

Ten aanzien van de fiscale eenheid speelt de vraag bij welke maatschappij de fiscale coronareserve kan worden gevormd in de situatie van een voeging of ontvoeging van een dochtermaatschappij. Hierna wordt ervan uitgegaan dat het boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar.

Bij een voeging per 1 januari 2020 geldt het volgende. De moedermaatschappij van de fiscale eenheid kan in 2019 een fiscale coronareserve vormen ter grootte van het verwachte coronagerelateerde verlies in 2020, inclusief het verwachte resultaat van de per 1 januari 2020 gevoegde dochtermaatschappij, tot een maximum van de winst over 2019 van de fiscale eenheid (zonder het resultaat van de nadien gevoegde dochtermaatschappij). De per 1 januari 2020 gevoegde dochtermaatschappij kan in 2019 geen fiscale coronareserve vormen. Haar resultaat wordt vanaf 1 januari 2020 immers toegerekend aan de moedermaatschappij, waardoor de dochtermaatschappij geen (coronagerelateerd) verlies over 2020 kan verwachten.

Bij ontvoeging van een dochtermaatschappij per 1 januari 2020 geldt dat de fiscale eenheid een coronagerelateerd verlies in 2020 van de ontvoegde dochtermaatschappij niet meer kan verwachten en derhalve in de aangifte 2019 geen fiscale coronareserve kan vormen voor het verwachte coronagerelateerde verlies van de ontvoegde dochtermaatschappij. Doordat de ontvoegde dochtermaatschappij in 2019 als gevolg van de werking van de fiscale eenheid zelfstandig geen resultaat behaalt, kan ook die maatschappij geen fiscale coronareserve vormen in 2019.

Het voorgestelde vierde lid van artikel 12abis Wet Vpb 1969 regelt dat reservering enkel kan plaatsvinden indien in het jaar waarin de reserve wordt gevormd voor het bepalen van de winst dezelfde bepalingen van toepassing zijn als in het jaar waarin de reserve wordt opgenomen in de winst. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de vorming en vrijval van de reserve op een evenwichtige wijze in de belastingheffing worden betrokken en er geen fiscale coronareserve kan worden gevormd wanneer een wijziging van winstregime plaatsvindt in het jaar van vrijval.

Mocht in de praktijk blijken dat een belastingplichtige op evidente wijze oneigenlijk gebruik maakt van de fiscale coronareserve, deze misbruikt, dan wel daarmee fraudeert, dan zal dit zoveel mogelijk worden bestreden.

Het voorgestelde artikel 12abis Wet Vpb 1969 treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met het begin van het laatste boekjaar van de belastingplichtige dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020. Dit hangt samen met het feit dat ook belastingplichtigen die een gebroken boekjaar hanteren een fiscale coronareserve moeten kunnen vormen in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020.

Artikel XXV, onderdeel C, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel d (artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De voorgestelde aanpassing van artikel 12b Wet Vpb 1969 verhoogt het effectieve tarief dat wordt toegepast op in de innovatiebox vallende voordelen (kwalificerende voordelen) door middel van een wijziging van de voor de innovatiebox geldende grondslagbepaling. De innovatiebox is namelijk vormgegeven als een grondslagvermindering, hetgeen betekent dat de voordelen die voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking komen slechts gedeeltelijk in de grondslag worden betrokken. Dit wordt in artikel 12b Wet Vpb 1969 tot uitdrukking gebracht met een formule: de voordelen worden – met inachtneming van de van toepassing zijnde drempel – op basis van de huidige tekst van dat artikel voor «7/H» in de grondslag opgenomen, waarbij «H» staat voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22 Wet Vpb 1969, geldend voor het jaar waarin het voordeel is genoten. Concreet wordt voorgesteld dat met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021 de kwalificerende voordelen voor 9/H gedeelte in de grondslag voor de innovatiebox worden opgenomen, oftewel een verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox van 7% naar 9%. Voorgaande laat zich illustreren door middel van een voorbeeld.

Voorbeeld

Stel in 2021 heeft een belastingplichtige kwalificerende voordelen van 200 behaald. Het percentage van het hoogste Vpb-tarief bedraagt 25%. In 2021 wordt in de grondslag opgenomen: 9/25 x 200 = 72.

Deze 72 wordt belast tegen 25%, en leidt dus tot een verschuldigde belasting van 18, oftewel effectief een tarief van 9% (18/200).

Artikel XXV, onderdeel D, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel d (artikel 15be van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De voorgestelde aanpassing van het eerste lid van artikel 15be Wet Vpb 1969 regelt dat met ingang van 1 januari 2021 voor belastingplichtigen die het bedrijf van bank uitoefenen het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen dat op grond van deze bepaling niet in aftrek komt wordt bepaald aan de hand van de (gewijzigde) formule (9-L)/(100-L). Als gevolg van deze wijziging worden de renten ter zake van geldleningen in aftrek beperkt voor zover de (voortaan: aangepaste) leverage ratio minder bedraagt dan 9%.

De voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 15be Wet Vpb 1969 houdt in dat voortaan wordt uitgegaan van een aangepaste leverage ratio. Voor de toepassing van de minimumkapitaalregel voor banken geldt de leverage ratio uit de verordening kapitaalvereisten als uitgangspunt.52 De voorgestelde aanpassing regelt dat het in de berekening van de leverage ratio, bedoeld in deel 7 van de verordening kapitaalvereisten, opgenomen aanvullend tier 1-kapitaal, genoemd in artikel 51 van de verordening kapitaalvereisten, voor de toepassing van de minimumkapitaalregel niet meetelt voor de kapitaalmaatstaf van een instelling. De reden hiervoor is dat aanvullend tier 1-kapitaal als gevolg van een arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2020 fiscaal kwalificeert als schuld.53 Voor het overige is met de voorgestelde wijziging geen aanpassing in de berekeningswijze van de leverage ratio beoogd. Als gevolg van de voorgestelde wijziging van het tweede lid van genoemd artikel 15be, wordt voorgesteld om ook het derde lid van dit artikel aan te passen. Met de voorgestelde wijziging van het derde lid is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de huidige wettekst op dat punt. Het voorgestelde derde lid regelt dat het uitgangspunt blijft dat bij de toepassing van de minimumkapitaalregel voor banken de (voortaan: aangepaste) leverage ratio op geconsolideerd niveau wordt gehanteerd. Indien op geconsolideerd niveau geen aangepaste leverage ratio kan worden bepaald, wordt de (voortaan: aangepaste) leverage ratio op individuele basis gehanteerd.

Artikel XXV, onderdeel E, en onderdeel XLII, eerste lid, onderdeel d (artikel 15bf van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De voorgestelde aanpassing van het eerste lid van artikel 15be Wet Vpb 1969 regelt dat met ingang van 1 januari 2021 voor belastingplichtigen die het bedrijf van verzekeraar uitoefenen het gedeelte van de renten ter zake van geldleningen dat op grond van deze bepaling niet in aftrek komt wordt bepaald aan de hand van de (gewijzigde) formule (9-ER)/(100-ER). Als gevolg van deze wijziging worden de renten ter zake van geldleningen in aftrek beperkt voor zover de eigenvermogenratio minder bedraagt dan 9%. Daarnaast is van de gelegenheid gebruikgemaakt om een redactionele aanpassing aan te brengen in het eerste lid van artikel 15bf Wet Vpb 1969.

De voorgestelde aanpassing in artikel 15bf, tweede lid, onderdeel a, onder 1o, Wet Vpb 1969 regelt dat aanvullend tier 1-kapitaal voor de berekening van de eigenvermogenratio van verzekeraars niet langer meetelt als eigen vermogen. De reden hiervoor is dat aanvullend tier 1-kapitaal als gevolg van een arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2020 fiscaal kwalificeert als schuld.54 Voor het overige is geen wijziging in de berekeningswijze van de eigenvermogenratio beoogd.

Artikel XXV, onderdeel F, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel d (artikel 34d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)

De voorgestelde aanpassing van de voor de innovatiebox geldende grondslagbepaling in artikel 12b Wet Vpb 1969 heeft tot gevolg dat ook het overgangsrecht, zoals opgenomen in het eerste en vijfde lid van artikel 34d Wet Vpb 1969, moet worden aangepast.

In het eerste lid van artikel 34d Wet Vpb 1969 is geregeld dat op immateriële activa die vóór 1 juli 2016 zijn voortgebracht en waarvoor – uiterlijk in de aangifte over het jaar waar 1 juli 2016 deel van uitmaakt – is gekozen voor toepassing van de innovatiebox, artikel 12b Wet Vpb 1969, zoals dat luidde op 31 december 2016, van toepassing blijft, met dien verstande dat de voordelen uit die immateriële activa wel voor 7/H gedeelte (waarbij H ook hier staat voor het percentage van het hoogste tarief, bedoeld in artikel 22 Wet Vpb 1969, geldend voor het jaar waarin het voordeel is genoten) in aanmerking worden genomen en niet voor het tot 1 juli 2016 geldende gedeelte. Met de voorgestelde aanpassing van genoemd eerste lid wordt in verband met de voorgestelde aanpassing van artikel 12b Wet Vpb 1969 bewerkstelligd dat ook deze kwalificerende voordelen met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021 voor 9/H gedeelte in aanmerking worden genomen en niet voor 7/H gedeelte.

Het vijfde lid van artikel 34d Wet Vpb 1969 ziet op immateriële activa waarop in het boekjaar dat begint op of na 1 januari 2017, artikel 12b Wet Vpb 1969, zoals dat luidde op 31 december 2016, van toepassing is gebleven en waarop artikel 12b Wet Vpb 1969, zoals dat luidde op 31 december 2016, vanaf enig boekjaar niet meer van toepassing is. Met de laatste zin van genoemd vijfde lid is buiten twijfel gesteld dat voor de vraag of artikel 12b Wet Vpb 1969, zoals dat luidde op 31 december 2016, niet meer van toepassing is, niet relevant is dat de voordelen voor 7/H gedeelte in aanmerking worden genomen in plaats van – zoals dat tot en met 31 december 2016 het geval was – voor 5/H gedeelte. Met de voorgestelde wijziging van genoemd vijfde lid wordt ook deze bepaling aangepast aan de voorgestelde wijziging van artikel 12b Wet Vpb 1969.

Artikel XXVI

Artikel XXVI, onderdeel A (vervallen fiscale coronareserve)

Artikel XXVI, onderdeel A, regelt wanneer de fiscale coronareserve die is opgenomen in artikel 12abis Wet Vpb 1969 vervalt. Omdat een fiscale coronareserve alleen in het jaar 2019 (dan wel – bij een gebroken boekjaar – in het laatste jaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020) kan worden gevormd en in het daaropvolgende boekjaar verplicht vrijvalt, komt met het voorgestelde artikel XXVI, onderdeel A, genoemd artikel 12abis Wet Vpb 1969 te vervallen op 1 januari 2022.

Artikel XXVI, onderdeel B (artikel 22 van de Wet op vennootschapsbelasting 1969)

Voorgesteld wordt de eerste tariefschijf per 1 januari 2022 te verlengen naar € 395.000.

Artikel XXVIII

Artikel XXVII en artikel XXVIII (artikel 10 van de Wet bankenbelasting)

In artikel 10 van de Wet bankenbelasting is het tarief van de bankenbelasting vastgelegd. Het eerste lid van dat artikel voorziet in een tweeledig tarief. Enerzijds een tarief over het deel van het belastbare bedrag dat betrekking heeft op kortlopende schuld. Daarnaast een tarief over het deel van het belastbare bedrag dat op langlopende schuld betrekking heeft. De voorgestelde aanpassingen in artikel 10 van de Wet bankenbelasting regelen dat per 1 januari 2021 het tarief over het deel van het belastbare bedrag dat betrekking heeft op kortlopende schuld (tijdelijk) wordt verhoogd van 0,044% naar 0,066% en het tarief over het deel van het belastbare bedrag dat op langlopende schuld betrekking heeft (tijdelijk) wordt verhoogd van 0,022% naar 0,033%. Aanvullend wordt voorgesteld om deze tijdelijke verhoging met ingang van 1 januari 2022 weer ongedaan te maken.

Artikel XXIX

Artikel XXIX, onderdeel A (artikel 1 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De voorgestelde wijziging van artikel 1, tweede lid, Wet BPM 1992 verandert voor de bpm het belastbaar feit van registratie (inschrijving én tenaamstelling) naar uitsluitend het moment van inschrijving. In het voorgestelde artikel 2, onderdeel b, Wet BPM 1992 is hiervan een definitiebepaling opgenomen. Hoewel in artikel 47 van de Wegenverkeerswet 1994 het uitgangspunt is dat inschrijving en tenaamstelling gelijktijdig plaatsvinden, is dat niet noodzakelijkerwijs het geval. Op grond van bijvoorbeeld artikel 48, zesde lid, van die wet kan de inschrijving ook zonder tenaamstelling plaatsvinden. Ook in dat geval wordt uitsluitend het moment van inschrijving (zonder tenaamstelling) het belastbare feit. Dat feit blijkt uit de bevestiging van de inschrijving die de RDW verstrekt aan degene die de inschrijving heeft aangevraagd. De RDW stelt de Belastingdienst hier ook van op de hoogte.

De andere aanpassingen in genoemd artikel 1 houden ook verband met het voorstel om het belastbare feit voor de bpm te wijzigen. In artikel 1, derde lid, Wet BPM 1992 wordt geregeld dat bij de ombouw van een motorrijtuig tot een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto niet langer de registratie hiervan het belastbare feit is, maar de wijziging van het gegeven in het kentekenregister. De term wijziging moet in dit verband ruim worden opgevat. Een motorrijtuig dat, na ombouw, een geheel nieuwe inschrijving in het kentekenregister tot gevolg zou hebben als personenauto, motorrijwiel of bestelauto, betreft ook een wijziging van de inschrijving.

Artikel 1, zesde lid, Wet BPM 1992 heeft betrekking op motorrijtuigen met een buitenlands kenteken of die geen kenteken hebben. Voorgesteld wordt dat als deze motorrijtuigen niet zijn ingeschreven, ter zake waarvan bpm is verschuldigd, bpm is verschuldigd ter zake van het feitelijk gebruik van de Nederlandse weg.

In artikel 1, zevende lid, Wet BPM 1992 wordt het belastbare feit aangepast voor motorrijtuigen die eerder zijn geëxporteerd en waarvoor bpm kon worden teruggegeven, opnieuw in Nederland worden ingevoerd. In dat geval is de bpm verschuldigd voor de herinschrijving in het kentekenregister. In het voorgestelde artikel 2, onderdeel c, Wet BPM 1992 is van de term herinschrijving een definitiebepaling opgenomen.

Artikel 1, achtste lid, Wet BPM 1992 wordt in overeenstemming gebracht met het gewijzigde zevende lid van dat artikel.

Artikel XXIX, onderdeel B (artikel 2 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De definitiebepaling van registratie in artikel 2, onderdeel b, Wet BPM 1992 kan bij dit wetsvoorstel vervallen. Hieraan is geen behoefte meer doordat de registratie niet langer het belastbare feit is. In plaats daarvan worden twee nieuwe definities opgenomen.

Allereerst wordt gedefinieerd wat onder inschrijving wordt verstaan. Dat betreft de inschrijving in het kentekenregister. De definitie strekt er toe te verzekeren dat voor ieder motorrijtuig dat in het kentekenregister wordt opgenomen bpm is verschuldigd.

Daarnaast wordt gedefinieerd wat onder herinschrijving wordt verstaan. De definitiebepaling is van belang voor motorrijtuigen die zijn geëxporteerd, waarvoor een verzoek om teruggaaf van de bpm kon worden gedaan op grond van artikel 14a, eerste en tweede lid, Wet BPM 1992 en vervolgens opnieuw in Nederland worden ingevoerd. Bij herinschrijving van een dergelijk motorrijtuig in het kentekenregister is op grond van artikel 1, zevende lid, Wet BPM 1992 opnieuw bpm verschuldigd. De term herinschrijving ziet daarbij op het volgende. Bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994 is geregeld dat de tenaamstelling van een motorrijtuig vervalt als dat motorrijtuig voorgoed buiten Nederland is gebracht. Echter, de inschrijving in het kentekenregister wordt in beginsel niet beëindigd.55 De rechten die aan een inschrijving kunnen worden ontleend, worden wel beperkt doordat in het kentekenregister de status export wordt aangebracht bij een motorrijtuig dat voorgoed buiten Nederland is gebracht. Het motorrijtuig kan daardoor bijvoorbeeld niet worden tenaamgesteld. Als het motorrijtuig opnieuw wordt ingevoerd in Nederland, moet opnieuw een aanvraag worden gedaan voor de inschrijving en tenaamstelling op grond van artikel 25, zevende lid, Kentekenreglement. In dat kader vindt ook een onderzoek naar de identiteit van het motorrijtuig plaats. Als bij dat onderzoek blijkt dat het motorrijtuig reeds is ingeschreven in het kentekenregister, wordt in het kentekenregister bij die inschrijving de status dat het motorrijtuig voorgoed buiten Nederland is gebracht (de status export) beëindigd. Het motorrijtuig kan dan weer worden tenaamgesteld. In de Wet BPM 1992 is dan sprake van een herinschrijving.

Het is ook mogelijk dat de inschrijving in het kentekenregister door de RDW inmiddels is beëindigd, bijvoorbeeld doordat de bewaartermijn van de inschrijvingsgegevens is verstreken.56

Er kan ook een hernieuwde inschrijving plaatsvinden omdat het voertuig inmiddels is omgebouwd. Als in dergelijke gevallen het motorrijtuig dat is geëxporteerd opnieuw wordt ingeschreven in plaats van dat de status export bij de (voormalige) inschrijving wordt beëindigd, is in de Wet BPM 1992 eveneens sprake van een herinschrijving.

In de Wet BPM 1992 wordt in verschillende artikelen verwezen naar «ingeschreven» motorrijtuigen. Het staat buiten kijf dat deze terminologie zowel de situatie van een (eerste) inschrijving als van een herinschrijving omvat. In beide gevallen is immers sprake van een motorrijtuig dat wordt of is ingeschreven in het kentekenregister.

Artikel XXIX, onderdeel C (artikel 5 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De aanpassingen in artikel 5 Wet BPM 1992 houden verband met het voorstel om het belastbare feit voor de bpm te wijzigen in de inschrijving in het kentekenregister. In het eerste lid van genoemd artikel 5 wordt de hoofdregel geformuleerd dat – ter zake van de inschrijving – degene die om inschrijving verzoekt de belastingplichtige is. Aldus is verzekerd dat er voor iedere inschrijving een belastingplichtige is aangewezen. Dat is in het bijzonder van belang als een ingeschreven motorrijtuig niet op naam zou worden gesteld. De uitzondering op deze hoofdregel heeft betrekking op de situatie dat degene die de aanvraag doet voor de inschrijving niet degene is op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. De tenaamgestelde is dan de belastingplichtige en niet degene die om inschrijving verzocht. Hierbij is van belang dat als, op grond van artikel 7 Wet BPM 1992, een personenauto of motorrijwiel wordt ingeschreven door iemand anders dan degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister wordt gesteld, degene die de personenauto of het motorrijwiel inschrijft de belasting op aangifte moet voldoen namens degene op wiens naam het motorrijtuig wordt gesteld. De huidige systematiek bij personenauto’s en motorrijwielen, waarbij degene die de inschrijving aanvraagt ook de betaling en aangifte doet, blijft daarmee materieel ongewijzigd. Bij bestelauto’s blijft materieel degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld verantwoordelijk voor de betaling en aangifte. Bovenstaande geldt niet alleen als het belastbaar feit de inschrijving is, maar ook als het belastbaar feit de wijziging van de inschrijving of de herinschrijving betreft (zie artikel 1, derde en zevende lid, Wet BPM 1992).

In het tweede lid van artikel 5 Wet BPM 1992 wordt bepaald wie de belastingplichtige is als het belastbare feit betrekking heeft op de aanvang van het gebruik met het motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Zie daarvoor de belastbare feiten in artikel 1, derde, vierde, vijfde, zesde en achtste lid, Wet BPM 1992. Het uitgangspunt is dat de tenaamgestelde in dat geval belastingplichtig is. Indien er geen tenaamgestelde is in het kentekenregister, met name omdat het een motorrijtuig kan betreffen met een buitenlands kenteken, dan is belastingplichtig degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

Artikel XXIX, onderdeel D (artikel 6 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Dit artikel wordt aangepast omdat het belastbaar feit wordt gewijzigd naar de inschrijving in het kentekenregister. In artikel 6, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, Wet BPM 1992 wordt geregeld dat de bpm moet worden voldaan voorafgaand aan de inschrijving in het kentekenregister. Dat is in overeenstemming met artikel 49 van de Wegenverkeerswet 1994 dat regelt dat de verschuldigde belastingen moeten zijn voldaan voorafgaand aan de inschrijving in het kentekenregister. Voor het doen van de aangifte is noodzakelijk dat degene die het motorrijtuig doet inschrijven reeds het verzoek om inschrijving bij de RDW heeft gedaan. De RDW stelt namelijk een onderzoek in voordat de inschrijving plaats vindt, waarbij ook de voertuiggegevens worden vastgesteld die fiscaal van belang zijn, zoals de omvang van de CO2-emissies. De inspecteur krijgt ook de beschikking over deze fiscale voertuiggegevens en kan op basis daarvan een controle uitvoeren. Degene die doet inschrijven moet de verschuldigde belasting voldoen op aangifte. Deze betaling en aangifte zouden op dezelfde gegevens moeten zijn gebaseerd, waarbij een eventuele vermindering van de verschuldigde bpm op grond van artikel 10 Wet BPM 1992 wordt toegepast of in voorkomend geval om worden verzocht. Nadat de verschuldigde belasting is betaald, verleent de inspecteur het fiscaal akkoord op grond waarvan het motorrijtuig door de RDW kan worden ingeschreven in het kentekenregister.

In artikel 6, tweede lid, onderdeel a, onder 20, Wet BPM 1992 blijft voor bestelauto’s de regeling van kracht dat de bpm wordt betaald binnen een maand na de tenaamstelling, omdat dan kan worden beoordeeld of de ondernemersvrijstelling op grond van artikel 13a Wet BPM 1992 van toepassing is.

Artikel 6, vijfde lid, Wet BPM 1992 wordt in overeenstemming gebracht met het gewijzigde belastbare feit voor motorrijtuigen die zijn geëxporteerd en waarvoor bpm is teruggegeven en die opnieuw in Nederland worden ingevoerd (zie de toelichting bij de bij deze wet voorgestelde wijzigingen van de artikelen 1, zevende lid, en 2, onderdeel c, Wet BPM 1992).

Artikel XXIX, onderdeel E (artikel 7 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In artikel 7 Wet BPM 1992 wordt aangepast vanwege het nieuwe belastbare feit en er wordt een redactionele verbetering doorgevoerd.

Artikel XXIX, onderdeel F (artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Ondernemers met een vergunning, verleend op grond van artikel 8 Wet BPM 1992, kunnen de betaling van bpm en de aangifte per tijdvak blijven (vol)doen. In artikel 8 Wet BPM 1992 wordt geregeld dat vergunninghouders niet alleen voor inschrijvingen, maar ook voor herinschrijvingen, de belasting per tijdvak kunnen voldoen. Het belastbaar feit wordt overigens ook in deze gevallen gewijzigd naar de inschrijving in het kentekenregister. Dat betekent dat alle motorrijtuigen (met uitzondering van bestelauto’s) waarvoor in de maand van aangifte door de RDW een bevestiging van de inschrijving is afgegeven moeten worden opgenomen in de maandaangifte, ook als er nog geen tenaamstelling heeft plaatsgevonden.

Artikel XXIX, onderdeel G, en artikel XXX (artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De CO2-schijfgrenzen en de schijftarieven voor personenauto’s en de CO2-grens en het tarief voor de dieseltoeslag voor personenauto’s voor 2021 worden aangescherpt in lijn met de technologische ontwikkeling. De aanscherping wordt niet toegepast op de vaste voet. De schijfgrenzen worden verlaagd met 4,2%, de tarieven worden eerst geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor voor 2021 (1,016) en vervolgens verhoogd met 4,38%. Artikel XXIX, onderdeel G, onder 1 en 2, voorziet in de aanscherping van de hiervoor genoemde grenzen en tarieven in artikel 9, eerste lid, Wet BPM 1992 met ingang van 1 januari 2021. De bij dit artikel aan te passen bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar 2021 niet aangepast aan de inflatie. Bij artikel XXX wordt daartoe bepaald dat artikel 16b Wet BPM 1992 geen toepassing vindt bij het begin van het kalenderjaar 2021.

Artikel XXIX, onderdeel H (artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

In het tweede lid van artikel 10 Wet BPM 1992 wordt geregeld op welk moment de afschrijving en op welk moment het tarief moet worden bepaald bij gebruikte motorrijtuigen ter zake van de inschrijving of herinschrijving. Uitdrukkelijk wordt geregeld dat de afschrijving moet worden bepaald op het moment dat het onderzoek naar het motorrijtuig in het kader van de inschrijving van het motorrijtuig in het kentekenregister is afgerond (zie ook artikel 25 van het Kentekenreglement). Dit onderzoek houdt voornamelijk het vaststellen van de identiteit van het motorrijtuig voor het kentekenregister in.

Dat betekent aan de ene kant dat alle verbeteringen die zijn aangebracht aan het motorrijtuig voordat moment – de onderzoeksdatum – mede van belang zijn voor het bepalen van de afschrijving en daarmee voor het bepalen van de vermindering die wordt gebruikt bij het berekenen van de verschuldigde bpm. Het is in dat opzicht de verantwoordelijkheid van belastingplichtige om, zodra hij inschrijving in het kentekenregister wenst, zo snel mogelijk een aanvraag te doen om het motorrijtuig in ongewijzigde staat in te schrijven in het kentekenregister. Dat betekent aan de andere kant dat alle verbeteringen die zijn aangebracht ná het onderzoek dat tot inschrijving leidde niet van belang zijn bij het bepalen van de afschrijving. Ten overvloede wordt opgemerkt dat in het geval van het bepalen van de genoemde vermindering, de wijzigingen op grond van het huidige artikel 8, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, niet mogen worden aangebracht tot zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is gedaan. In de voorgestelde opzet is het voornemen om deze termijn te koppelen aan voornoemde onderzoeksdatum. Het voertuig kan dan tot zes werkdagen na het onderzoek worden opgeroepen voor een hertaxatie en moet daarvoor in ongewijzigde staat worden gehouden.

In het tiende lid van artikel 10 Wet BPM 1992 wordt de mogelijkheid opgenomen bij ministeriële regeling nader te bepalen wanneer de aangifte met een verzoek voor bijvoorbeeld een afschrijving op basis van taxatierapport moet worden gedaan. Het is namelijk noodzakelijk dat de inspecteur een dergelijk verzoek ontvangt vóórdat de termijn start dat het voertuig kan worden opgeroepen voor een fysieke controle. Als dat verzoek pas na afloop van die termijn zou worden ontvangen, zou de inspecteur niet in de gelegenheid zijn een fysieke controle uit te oefenen op de wijze waarop de aangever de afschrijving heeft bepaald. In dat geval kan niet meer met zekerheid worden beoordeeld of de aangifte correct is.

Artikel XXIX, onderdeel I (artikel 10a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met het gewijzigde belastbare feit voor motorrijtuigen die zijn geëxporteerd en waarvoor bpm is teruggegeven, en die opnieuw in Nederland worden ingevoerd. Verwezen wordt naar de toelichting bij de bij deze wet voorgestelde wijzigingen van de artikelen 1, zevende lid, en 2, onderdeel c, Wet BPM 1992.

Artikel XXIX, onderdelen J, K en L (artikelen 10c, 13 en 13a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De artikelen 10c en 13a Wet BPM 1992 worden in overeenstemming gebracht met het nieuwe belastbare feit voor de bpm.

In artikel 13, eerste lid, Wet BPM 1992 wordt voorgesteld om de vrijstelling voor motorrijtuigen in de bedrijfsvoorraad te laten vervallen als het motorrijtuig is ingeschreven. De vrijstelling voorzag er namelijk ook in dat motorrijtuigen – die zonder tenaamstelling zijn ingeschreven in het kentekenregister – gebruik kunnen maken van de weg in Nederland zonder dat ter zake van dit gebruik belasting is verschuldigd. De bpm was immers pas verschuldigd bij de tenaamstelling. Echter, door de aanpassing van het belastbaar feit wordt de bpm al betaald ter zake van de inschrijving in het kentekenregister en wordt aldus bij deze motorrijtuigen sowieso geen bpm geheven ter zake van het gebruik van de weg in Nederland. Aan deze vrijstelling is daarom geen behoefte meer.

Artikel 13, tweede lid, wordt daarnaast geactualiseerd. De verwijzing naar artikel II van de Wet van 2 december 1982, houdende voorlopige voorzieningen in verband met de voorgenomen intrekking van het koninklijk besluit van 10 april 1939 (Stb. 181) (Stb. 1982, 733) wordt vervangen voor het toepasselijke artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994. De vrijstelling van de belasting ziet op personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s, voor zover die worden gebezigd ten behoeve van de strijdkrachten en deze niet worden ingeschreven in het kentekenregister.

Artikel XXIX, onderdeel M (artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 14a Wet BPM 1992 wordt in overeenstemming gebracht met het nieuwe belastbare feit voor de bpm. Daarvoor wordt het tweede lid van dat artikel aangepast in die zin dat de inschrijving het belastbare feit voor de heffing van bpm wordt in plaats van de registratie.

In het derde lid van dat artikel 14a worden de gronden waarop teruggave mogelijk is, aangevuld met de belastbare feiten inschrijving en herinschrijving.

Artikel XXIX, onderdeel N (artikel 14b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 14b Wet BPM 1992 wordt redactioneel in overeenstemming gebracht met het voorstel dat de inschrijving het belastbare feit voor de heffing van bpm wordt in plaats van de registratie.

Artikel XXIX, onderdeel O (artikel 15a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 15a Wet BPM 1992 wordt in overeenstemming gebracht met het nieuwe belastbare feit voor de bpm. Het moment waarop de vijfjaarstermijn waarin aan de voorwaarden voor de vrijstelling moet worden voldaan, gaat in op het moment van de eerste tenaamstelling in het kentekenregister. De tenaamstelling is in Nederland namelijk het moment waarop het motorrijtuig in gebruik wordt geacht te zijn genomen. Dat komt overeen met de systematiek van artikel 10, tweede, derde en vierde lid, Wet BPM 1992 waarin de tijdsduur voor de afschrijving voor een motorrijtuig begint op het tijdstip waarop een motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen.

Artikel XXIX, onderdeel P (artikel 16a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Bij dit wetsvoorstel wordt bepaald dat het moment van inschrijving het belastbare feit plaatsvindt en niet pas wordt vervolmaakt – zoals thans het geval – op het moment van tenaamstelling. De voorziening van artikel 16a Wet BPM 1992 is daardoor overbodig geworden. De voorziening van genoemd artikel 16a heeft betrekking op een tariefswijziging. Als de inschrijving voorafgaand aan een verhoging van het tarief plaatsvond, maar de tenaamstelling binnen twee maanden na die tariefsverhoging geschiedt, is het lagere tarief nog van toepassing. Tevens bepaalt dat artikel dat als een verlaging van het tarief zich voordoet nadat het motorrijtuig is ingeschreven, maar nog niet is te naam gesteld, dat lagere tarief kan worden toegepast bij de tenaamstelling. Door het wetsvoorstel wordt in alle gevallen het moment van inschrijving van het motorrijtuig bepalend voor het toepasselijke tarief waardoor deze voorziening overbodig is geworden.

Artikel XXXI

Artikel XXXI, onderdeel A (artikel 47 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, vervallen artikel 59a en 59b Wbm met ingang van 1 januari 2021. Daarom kunnen enkele definities die voor de toepassing van deze artikelen van belang zijn, eveneens komen te vervallen. Het gaat om de definities die zijn opgenomen in artikel 47, eerste lid, onderdelen v, w, y en z, Wbm. Daarnaast wordt de definitie van productie-installatie in artikel 47, eerste lid, onderdeel x, Wbm aangepast. Het is voor die definitie niet meer van belang of de aansluiting zich bevindt in een postcodegebied.

Artikel XXXI, onderdeel B (artikel 47 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, wordt er een verlaagd tarief in de energiebelasting voorgesteld voor elektriciteit die wordt geleverd aan een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel is bestemd voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen. In verband met die regeling wordt aan artikel 47, eerste lid, een onderdeel toegevoegd waarin de definitie van walstroominstallatie is opgenomen. Bij deze definitie wordt bepaald dat een walstroominstallatie een installatie aan land is die het mogelijk maakt om schepen die zijn afgemeerd te voorzien van elektriciteit afkomstig van een distributienet. Verder moet deze installatie een zelfstandige aansluiting hebben. Met zelfstandige aansluiting wordt bedoeld een aansluiting die geen deel uitmaakt van de aansluiting van een meer omvattende onroerende zaak en die de walstroominstallatie rechtstreeks met het distributienet verbindt. Een walstroominstallatie bestaat uit één leveringspunt of meerdere bij elkaar gelegen leveringspunten die door middel van dezelfde aansluiting met het distributienet verbonden zijn. Deze bepaling treedt, net als de overige bepalingen die verband houden met de regeling voor walstroominstallaties, in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Dit wordt nader toegelicht in de toelichting op artikel XXXI, onderdeel F.

Artikel XXXI, onderdelen C, D en E (artikel 59a, 59b en 59c van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, vervallen artikel 59a en 59b Wbm met ingang van 1 januari 2021. Deze artikelen bevatten de zogenoemde «Regeling verlaagd tarief in de energiebelasting», die voorziet in een tot nihil verlaagd tarief in de eerste verbruiksschijf voor elektriciteit (0–10.000 kWh), voor zover de elektriciteit in het kader van een daartoe met een aangewezen coöperatie gesloten overeenkomst wordt geleverd aan een lid van die coöperatie via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van ten hoogste 3x80A. Op grond van het huidige artikel 59c Wbm blijven de artikel 59a en 59b van die wet zoals deze artikelen luidden op 31 december 2020, gedurende 15 jaren na het tijdstip waarop de coöperatie is aangewezen als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, Wbm van toepassing met betrekking tot de levering van elektriciteit aan personen ten aanzien van wie op 31 december 2020 artikel 59a Wbm en, indien het een vereniging van eigenaars betreft, artikel 59b Wbm, van toepassing waren. De aanpassing van artikel 59c Wbm regelt dat de bepalingen gesteld bij artikel 47, eerste lid, onderdelen v tot en met z, artikel 59a en artikel 59b Wbm van toepassing blijven op de eerdergenoemde gevallen. Hiermee wordt verduidelijkt dat ook de relevante definitiebepalingen, opgenomen in artikel 47 Wbm van toepassing blijven. Daarnaast blijven de bepalingen die krachtens artikel 59a Wbm zijn opgenomen in lagere regelgeving van toepassing. Dit betreft bijvoorbeeld regels die bepaalde administratieve verplichtingen voorschrijven voor een aangewezen coöperatie.

Artikel XXXI, onderdeel F (artikel 60b van de Wet belastingen op milieugrondslag)

Met artikel XXXI, onderdeel F, wordt artikel 60b geïntroduceerd in de Wbm. Dit artikel voorziet erin dat er een verlaagd tarief van € 0,0005 per kWh geldt voor elektriciteit die wordt geleverd aan een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel is bestemd voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen. Met deze afbakening wordt effectief bereikt dat het verlaagde tarief geldt voor beroepsvaartuigen (zowel binnenvaart als zeevaart). Door middel van artikel XXIX, onderdeel B, van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om een definitie van walstroominstallatie op te nemen in artikel 47, eerste lid, onderdeel w, Wbm. Bij deze definitie wordt bepaald dat een walstroominstallatie een installatie aan land is die het mogelijk maakt om schepen die zijn afgemeerd te voorzien van elektriciteit afkomstig van een distributienet. Verder moet deze installatie een zelfstandige aansluiting hebben. Voor een verdere toelichting op deze definitie wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel. Voor genoemd artikel 60b is voor de omschrijving van particuliere pleziervaartuigen aansluiting gezocht bij de ook in artikel 70a van de Wbm gehanteerde definitie van particuliere pleziervaartuigen. Dit begrip is afkomstig uit de Europese Richtlijn Energiebelastingen en is overgenomen in artikel 70a Wbm, waarnaar in het nieuwe artikel 60b, eerste lid, Wbm wordt verwezen. In artikel 70a Wbm is bepaald dat onder een particulier pleziervaartuig, een term die niet als zodanig voorkomt in de scheepvaartregelgeving, wordt verstaan: een vaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.

In het tweede lid van genoemd artikel 60b is opgenomen dat het verlaagde tarief niet mag worden toegepast als de verbruiker (de walstroomexploitant aan wie de elektriciteit wordt geleverd) een onderneming in moeilijkheden is. Dit begrip is gedefinieerd in paragraaf 2.2 van de «Mededeling van de Commissie betreffende Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden» (PbEU 2014, C 249). Hiermee wordt voldaan aan de Europese regels inzake staatssteun.

In het derde lid en vierde lid van artikel 60b Wbm zijn delegatiebevoegdheden opgenomen. Middels de delegatiebevoegdheden zal per algemene maatregel van bestuur in samenhang met een ministeriële regeling, net als bij het verlaagd tarief voor oplaadinstallaties voor elektrische voertuigen, worden geregeld dat de verbruiker, de exploitant van de walstroominstallatie, een verklaring dient te overleggen aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een walstroominstallatie in de zin van artikel 47, eerste lid, onderdeel w, Wbm en dat deze installatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken. In deze verklaring zal ook moeten worden verklaard dat de walstroominstallatie geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen. Voorts is een delegatiebevoegdheid opgenomen om vorm te geven aan de voorwaarde dat het verlaagde tarief niet mag worden toegepast als de elektriciteit wordt geleverd aan een onderneming in moeilijkheden. Hiertoe zal bij of krachtens algemene maatregel van bestuur concreet worden aangegeven wat onder bedrijven in moeilijkheden moet worden verstaan. Daarbij zal worden aangesloten bij de regelgeving met betrekking tot het verlaagd tarief voor de glastuinbouw, zoals dat ook is gebeurd bij de maatregel voor een verlaagd tarief voor oplaadinstallaties voor elektrische voertuigen.

In artikel XLII, tweede lid, is de inwerkingtreding van de regeling voor walstroominstallaties geregeld. De bepalingen die verband houden met deze regeling, dat zijn artikel XXXI, onderdelen B en F, artikel XXXII en artikel XXXVI, treden in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is toegelicht is het streven de maatregel per 1 januari 2021 in werking te laten treden, maar dient vooraf toestemming (derogatie) door de Raad van de Europese Unie te worden verleend, omdat het verlaagde tarief niet in lijn is met de Europese Richtlijn Energiebelastingen. Mogelijk wordt deze toestemming niet voor 1 januari 2021 ontvangen. Derhalve wordt inwerkingtreding van de regeling voor walstroominstallaties per koninklijk besluit geregeld. Derogatie wordt maximaal verleend voor een periode van 6 jaar, maar kan verlengd worden met eenzelfde periode. Beoogd is om verlenging aan te vragen, indien op dat moment wordt beoordeeld dat het verlaagde tarief nog bijdraagt aan het doel dat wordt nagestreefd. Er is voor deze regeling geen horizonbepaling opgenomen, omdat onduidelijk is wanneer de derogatie wordt verkregen en daarmee afloopt. Ook is nog onduidelijk of na afloop van de verleende derogatie verlenging daarvan aan de orde is.

Artikel XXXII

Artikel XXXII (overgangsrecht)

In het geval een coöperatie, daaronder mede begrepen een vereniging van eigenaars, vóór 1 januari 2021, een verzoek tot aanwijzing als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, Wbm bij de inspecteur heeft ingediend en de aanvraag nog niet vóór die datum in rechte is afgehandeld, draagt dit artikel er zorg voor dat de bepalingen gesteld bij of krachtens artikel 47, eerste lid, onderdelen v tot en met z, artikel 59a en artikel 59b, zoals die artikelen luidden op 31 december 2020, van toepassing blijven op die aanvraag en indien die aanvraag wordt ingewilligd op die aanwijzing. Om de werking van artikel 59c Wbm op een juiste wijze te garanderen wordt bepaald dat het tijdstip van aanwijzing, voor de toepassing van laatstgenoemd artikel, 31 december 2020 is. Op deze wijze wordt verzekerd dat het verlaagde tarief dat op 31 december 2020 van toepassing is voor de eerste schijf in de energiebelasting nog voor 15 jaar van toepassing blijft op de aangewezen coöperatie of vereniging van eigenaars.

Artikel XXXIII

Artikel XXXIII (artikel 6 van de Wet inkomstenbelasting BES)

Het voorgestelde artikel XXXIII, onderdeel a, bewerkstelligt dat voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting BES niet tot de opbrengst van onderneming en arbeid behoort de eenmalige tegemoetkoming waarop een in Caribisch Nederland gevestigde gedupeerde onderneming op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming getroffen ondernemers COVID-19 BES onder voorwaarden aanspraak kon maken in verband met een in de periode van 13 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 verwacht omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. Op deze wijze wordt voorkomen dat heffing van inkomstenbelasting over deze tegemoetkoming plaatsvindt. Het voorgestelde onderdeel b van artikel XXXIII bewerkstelligt dit op overeenkomstige wijze voor een subsidie die ontvangen is op basis van de Regeling subsidie financiering vaste lasten getroffen ondernemingen Covid-19 BES. Deze subsidie is voor de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 op aanvraag verstrekt aan door de coronamaatregelen getroffen ondernemingen om de vaste lasten te kunnen blijven betalen. Door deze vrijstelling wordt geen inkomstenbelasting geheven over de tegemoetkoming en de subsidie. Eventuele terugbetalingen van voornoemde tegemoetkomingen en subsidies zijn natuurlijk ook niet aftrekbaar.

Deze bepaling treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020, aangezien de genoemde tegemoetkoming en de subsidie in het jaar 2020 zijn verstrekt.

Artikel XXXIV

Artikel XXXIV (artikel 3 van de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie)

Voorgesteld wordt om in artikel 3 Wet ODE voor de levering van elektriciteit aan walstroominstallaties als bedoeld in artikel 60b Wbm geen tarief vast te stellen. Het betreft hier walstroominstallaties die geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen. Daarom wordt aan genoemd artikel een derde lid toegevoegd waarin is bepaald dat voor elektriciteit die wordt geleverd aan walstroominstallaties als bedoeld in artikel 60b van de Wbm geen tarief wordt vastgesteld.

Artikel XXXV

Artikel XXXV, onderdelen A, B en C (Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen)

Tot 1 januari 2021 geldt voor elektriciteit geleverd aan oplaadinstallaties met een zelfstandige aansluiting een verlaagd tarief in de energiebelasting (EB) en wordt geen tarief vastgesteld voor de opslag duurzame energie- en klimaattransitie. Met het voorgestelde artikel XXXV, onderdelen A, B en C, wordt deze maatregel met twee jaar verlengd. De oorspronkelijk voorgenomen beëindiging per 1 januari 2021 is, gelijk met de invoering van de maatregel, geregeld in de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen. Verlenging van de maatregel wordt met artikel XXXV gerealiseerd door in voornoemde wet het jaar 2021 te vervangen door 2023. Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat in de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen de oude citeertitel wordt gebruikt voor de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie (te weten Wet opslag duurzame energie). Uiteraard wordt hier dezelfde wet bedoeld.

Artikel XXXVI

Artikel XXXVI (artikel IV van de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen)

Bij artikel II van de Wet tijdelijk verlaagd tarief laadpalen zoals deze wordt gewijzigd bij artikel XXXV van dit wetsvoorstel vervalt met ingang van 1 januari 2023 het verlaagde tarief voor elektriciteit die wordt geleverd aan een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting. Hiertoe wordt bij artikel IV van die wet ook artikel 3 Wet ODE aangepast. Het verlaagde tarief voor walstroominstallaties is eveneens in artikel 3 Wet ODE opgenomen. Teneinde te waarborgen dat het gedeelte van die bepaling dat ziet op walstroominstallaties op een juiste wijze wordt behouden is een technische wijziging van genoemd artikel IV noodzakelijk. Bij artikel XXXVI wordt dat geregeld. Een verdergaande inhoudelijke wijziging wordt niet beoogd. Artikel XXXVI zal, net als de overige artikelen die samenhangen met de introductie van de regeling voor walstroominstallaties in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In verband met de volgordelijkheid tussen artikel XXXV en artikel XXXVI, zal artikel XXXVI altijd later dan 1 januari 2021 in werking treden.

Artikel XXXVII

Artikel XXXVII, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel h (artikel 7.5, onderdeel B, van de Wet bedrijfsleven 2019)

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven, wordt voorgesteld het hoge vennootschapsbelastingtarief – in afwijking van de Wet bedrijfsleven 2019, zoals gewijzigd bij het Belastingplan 2020 – per 1 januari 2021 niet te verlagen naar 21,7%, zodat dat tarief 25% blijft. Het lage vennootschapsbelastingtarief gaat wel (conform de Wet bedrijfsleven 2019, zoals gewijzigd bij het Belastingplan 2020) van 16,5% naar 15%. Tevens wordt voorgesteld de eerste tariefschijf per 1 januari 2021 te verlengen naar € 245.000.

Artikel XXXVIII

Artikel XXXVIII (overgangsrecht bij de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor de situatie dat een motorrijtuig is ingeschreven in het kentekenregister op het moment dat de voorgestelde wijziging van de Wet BPM 1992, zoals voorzien bij artikel XXIX, in werking treedt maar de tenaamstelling pas daarna plaatsvindt. In dat geval geldt ten aanzien van de bpm het recht zoals dat luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wijziging. Dit houdt in dat dan de bpm blijft verschuldigd ter zake van de registratie (inschrijving en tenaamstelling) respectievelijk tenaamstelling in het kentekenregister. Het is in die gevallen niet wenselijk de bpm te heffen ter zake van de inschrijving, omdat dat feit heeft plaatsgevonden voordat de wetswijziging in werking is getreden. Dat zou derhalve op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel kunnen komen te staan. Tevens zou dit de uitvoering voor de Belastingdienst verzwaren, doordat in vele gevallen een naheffingsaanslag zou moeten worden opgelegd. Het voorgestelde overgangsrecht betekent voor ondernemers voor wie is toegestaan de bpm per tijdvak te voldoen, als bedoeld in artikel 8 Wet BPM 1992, dat de betaling en aangifte pas moet worden gedaan na afloop van het tijdvak waarin de tenaamstelling heeft plaatsgevonden. De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel heeft daardoor geen impact op de liquiditeitspositie van die ondernemers wat betreft de actuele bedrijfsvoorraad.

Echter, het is tegelijkertijd noodzakelijk erin te voorzien dat de motorrijtuigen onder het overgangsrecht fiscaal niet gunstiger worden behandeld dan ingevoerde motorrijtuigen die na inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden ingeschreven of heringeschreven in het kentekenregister. Dit wordt toegelicht aan de hand van een fictieve vergelijking tussen personenauto A waarvoor het huidige recht geldt, personenauto B waarvoor het overgangsrecht geldt en personenauto C waarvoor het nieuwe recht geldt. Hoewel de inwerkingtreding wordt geregeld bij koninklijk besluit, wordt in dit fictieve voorbeeld aangenomen dat artikel XXIX in werking treedt met ingang van 1 juli 2021.

  • Een gebruikte personenauto A heeft een datum eerste toelating van 1 mei 2018. De personenauto is op 1 mei 2021 ingeschreven in het kentekenregister en wordt te naam gesteld op 1 juni 2021. In dat geval is de bpm ter zake van de registratie afgeschreven op basis van de leeftijd van de personenauto ten tijde van de tenaamstelling. Op 1 juni 2021 geldt dus een vermindering op basis van een leeftijd (leeftijdskorting) van 3 jaren en 1 maand.

  • Een gebruikte personenauto B, dat identiek is aan personenauto A, is op 1 mei 2021 ingeschreven in het kentekenregister en wordt te naam gesteld op 1 augustus 2021. Conform het voorgestelde overgangsrecht wordt het tarief en de grondslagen voor de bpm vastgelegd op 1 juli 2021. De geldende leeftijdskorting is dan 3 jaren en 2 maanden.

De belastingdruk met personenauto A is gelijk. Ook motorrijtuig A zal op dat moment – 1 juli 2021 – een lagere waarde hebben en derhalve ook een restbedrag aan bpm bevatten op basis van een leeftijd van 3 jaren en 2 maanden. Voor personenauto A geldt dat de vermindering van de restwaarde bpm gelijke tred houdt met personenauto B. Ingevolge het overgangsrecht hoeft de bpm naar aanleiding van de tenaamstelling van personenauto B pas te worden betaald aan het einde van de maand september 2021.

– Een gebruikte personenauto C, dat eveneens identiek is aan personenauto A, wordt op 1 juli 2021 ingeschreven in het kentekenregister. Voor die personenauto geldt het nieuwe recht en wordt de leeftijdskorting bepaald ten tijde van de inschrijving. Er geldt dan op dat moment ook een leeftijdskorting van 3 jaren en 2 maanden.

Bovenstaande illustreert dat tijdsevenredig eenzelfde vermindering voor alle hiervoor aangehaalde personenauto’s wordt toegepast. Voor de belastingdruk maakt het voor de (beoogde) koper dan niet uit of personenauto A, B of C wordt gekocht.

Artikel XXXIX

Artikel XXXIX, onderdelen A en B, onderdeel C, onder 4, en onderdeel D, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel i (artikelen III, onderdeel H, IV, XVI, onderdeel D, XVIA, en XLIA van het Belastingplan 2019)

Ingevolge artikel XXXIX, onderdelen A en B, onderdeel C, onder 4, en onderdeel D, en artikel XLII, eerste lid, onderdeel i, wordt de arbeidskorting per 1 januari 2021 per saldo verhoogd. Enerzijds wordt de verhoging van de arbeidskorting met € 73 die als gevolg van de in het Belastingplan 2019 opgenomen wijzigingsopdracht, zoals deze ingevolge het Belastingplan 2020 is komen te luiden, per 1 januari 2022 zou plaatsvinden, een jaar naar voren gehaald. Anderzijds wordt de verhoging van de arbeidskorting in het tweede en derde opbouwtraject die per 1 januari 2021 zou plaatsvinden als gevolg van de in het Belastingplan 2019 opgenomen wijzigingsopdracht, zoals deze ingevolge het Belastingplan 2020 is komen te luiden, verlaagd met € 30. Een en ander is nader toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.

Artikel XLII

Artikel XLII (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Voor een aantal wijzigingen is in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht of met een latere datum voorzien. Waar dat het geval is, is dat toegelicht bij de toelichting op de betreffende onderdelen.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

De Staatssecretaris van Financiën, J.A. Vijlbrief

De Staatssecretaris van Financiën, A.C. van Huffelen

Licence