Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 1 FINANCIEEL JAARVERSLAG VAN HET RIJK

Aangeboden 19 mei 2010

Uitgaven van het Rijk in 2009: € 269,2 miljard

kst-32360-1-1.gif

Ontvangsten van het Rijk in 2009: € 242,4 miljard op emu-basis

kst-32360-1-2.gif

Inhoudsopgave FJR 2009

  Voorwoord 7
     
1. De Nederlandse economie en het budgettaire beeld 8
1.1 De Nederlandse economie in 2009 8
1.2 De overheid grijpt in 10
1.3 De overheidsfinanciën in 2009 12
     
2. De ontwikkeling van het budgettaire beeld 14
2.1 Ontwikkeling EMU-saldo 16
2.2 Ontwikkeling EMU-schuld 17
2.3 EMU-saldo en EMU-schuld in internationaal perspectief 18
2.4 Ontwikkeling van de Uitgaven 19
2.5 Ontwikkeling van de Inkomsten 25
2.6 Ingrepen in de financiële sector 29
     
3. Financieel management 33
3.1 Inleiding 33
3.2 De verantwoording over de bedrijfsvoering 33
3.3 Ontwikkelingen 38
     
Bijlagen
Bijlage 1 Rijksrekening van uitgaven en ontvangsten 42
Bijlage 2 Saldibalans van het Rijk 2009 44
Bijlage 3 Staatsbalans 2009 en garantieoverzicht 47
Bijlage 4 De belasting- en premieontvangsten 77
Bijlage 5 Monitor Financiële interventies 78
     
Extra bijlagen (http://www.rijksbegroting.nl)
Bijlage 1 Budgettaire kerngegevens  
Bijlage 2 De uitgaven en niet-belastingontvangsten  
Bijlage 3 EMU-saldo en EMU-schuld  
Bijlage 4 Belastinguitgaven  
Bijlage 5 Verticale toelichting  

Voorwoord

De crisis heeft grote gevolgen gehad voor de Nederlandse economie en de overheidsfinanciën. Na de razendsnelle ontwikkelingen op de financiële markten eind 2008 werd de invloed van de crisis op de reële economie in 2009 snel merkbaar en zichtbaar.

Het kabinet heeft in het voorjaar ten behoeve van de economie ingegrepen en een pakket aan maatregelen genomen om de economie te ondersteunen, te stimuleren en het vertrouwen van de burgers en bedrijven te herstellen. Dit verslag geeft een beeld van de veranderende economie, maar ook van de zeer nadelige gevolgen hiervan voor de overheidsfinanciën. Deze kwetsbare uitgangspositie vergt noodzakelijkerwijs een forse inspanning voor het weer op orde brengen van de overheidsfinanciën.

Jan Kees de Jager

Minister van Financiën

Hoofdstuk 1 – De Nederlandse economie en de overheidsfinanciën

De Miljoenennota 2009, het startpunt van dit jaarverslag, is geschreven in de zomer van 2008. Het Centraal Planbureau (CPB) voorspelde toen nog een economische groei van 1 procent in 2009. Achteraf blijkt dat de Nederlandse economie in 2009 niet is gegroeid, maar sterk is gekrompen. Door de crisis is er sprake van een historisch groot verschil tussen de raming (de economische voorspelling) voor 2009 en de realisatie (de daadwerkelijke ontwikkeling) in 2009. Deze discrepantie tussen de economische raming en de realisatie tekent dit Financieel Jaarverslag.

1.1. De Nederlandse economie in 2009

Van crisis naar voorzichtig herstel

Economische groei

In 2009 is de Nederlandse economie in totaal met 4 procent gekrompen ten opzichte van het jaar 2008. Dit is vooral het gevolg van een scherpe daling in de export. Omdat de Nederlandse economie in grote mate afhankelijk is van het buitenland, heeft de terugvallende internationale handel een grote weerslag gehad op onze nationale welvaart. De krimp in 2009 is de grootste economische krimp sinds de Tweede Wereldoorlog.

De forse krimp van de Nederlandse economie in 2009 komt voor meer dan de helft door de gedaalde buitenlandse afzet. Daarnaast daalden de particuliere consumptie, de investeringen in woningen en de bedrijfsinvesteringen. De overheidsbestedingen hebben juist een positieve bijdrage geleverd aan de economische groei. Keerzijde van deze medaille is dat het tekort op de begroting van de overheid scherp is toegenomen in 2009. Ook het bedrijfsleven moest inkomensverlies incasseren. Gezinnen hadden juist meer te besteden; de koopkracht steeg dankzij de nog forse loonstijging (en lagere inflatie).

Inflatie

De wereldwijde economische recessie heeft de Nederlandse inflatie (prijsstijging) fors omlaag gedrukt. In 2009 kwam de inflatie uit op 1,0 procent, een daling van 1,2 procentpunt ten opzichte van 2008. Dit werd in belangrijke mate veroorzaakt door de prijsdaling van energie en andere grondstoffen. Ter illustratie: in juli 2009 daalde de gasprijs voor consumenten met bijna 20 procent ten opzichte van de maand ervoor.

Achter het sombere jaarcijfer zit echter ook een voorzichtig economisch herstel. Het eerste kwartaal van 2009 vormde het dieptepunt van de crisis, met een economische krimp van meer dan 2 procent. In het tweede kwartaal nam de krimp van de economie, die in 2008 was begonnen, voor het eerst sinds een kalenderjaar af. In de tweede helft van 2009 profiteerde Nederland van het aantrekken van de wereldhandel en was er weer economische groei (zie figuur 1.1). De productie in Nederland neemt sinds het derde kwartaal van 2009 weer toe en daarmee is een einde gekomen aan de recessie. Het is echter nog te vroeg om te spreken van een definitief herstel; daarvoor is de financiële en economische situatie nog te onzeker en fragiel. Zo was in het vierde kwartaal van 2009 weer sprake van een lichte terugval in de groei.

Figuur 1.1 BBP-groei per kwartaal in 2008 en 2009

kst-32360-1-3.gif

* Het betreft steeds de groei t.o.v. het voorafgaande kwartaal

Nederlandse arbeidsmarkt

Werkgelegenheid

Toen de productie eind 2008 begon af te nemen, nam in veel sectoren ook de vraag naar personeel af. Het aantal vacatures daalde en vanaf het begin van 2009 liep ook de werkgelegenheid bij bedrijven sterk terug. De stijging van de werkloosheid bleef hierbij achter. De werkloosheid is in 2009 uitgekomen op gemiddeld 4,9 procent: een toename ten opzichte van 2008. Deels kwam dit doordat de werkgelegenheid in de zorg bleef stijgen. Maar ook doordat bepaalde groepen zich terugtrokken van de arbeidsmarkt of nog niet toetraden tot de arbeidsmarkt: jongeren studeerden langer door, vrouwen stelden herintreding uit en ouderen stopten eerder met werken. Ook de deeltijd-ww heeft de oploop van de werkloosheid beperkt. Deelnemers aan deze regeling hebben hun baan behouden en worden dus niet als werkloos geteld. Rekening houdend met de forse economische krimp is de stijging van de werkloosheid, zowel internationaal als historisch gezien, relatief gering.

Herstel financiële markten

Het voorzichtige herstel van de economie werd voorafgegaan door een herstel op de financiële markten. Aan het einde van het eerste kwartaal in 2009 kwam een einde aan de onzekere en onrustige situatie op de financiële markten. Het vertrouwen in de financiële sector herstelde en de onzekerheid nam af. Er was toen sprake van een daling van de rente op bedrijfsobligaties ten opzichte van de risicovrije rente. Vooral in de tweede helft van 2009 herstelden ook de beurzen zich; de koersen namen toe en de koersschommelingen namen af (zie figuur 1.2)

Figuur 1.2 Volatiliteit aandelenkoersen Verenigde Staten en Eurogebied

kst-32360-1-4.gif

Bron: CEP2010 (CPB)

Wereldeconomie en Eurozone

Wereldeconomie

Ook in de reële wereldeconomie zijn in 2009 voorzichtige tekenen van herstel zichtbaar. In Aziatische landen (inclusief Japan) nam het bbp al in het tweede kwartaal weer toe. De binnenlandse bestedingen in Azië droegen bij aan het economisch herstel elders in de wereld. In het eurogebied, de Verenigde Staten en Japan groeide de economie in de tweede helft van 2009. Het herstel wordt mede veroorzaakt door de budgettaire stimuleringsmaatregelen, het ruime monetaire beleid, de verbetering van de situatie op de financiële markten en een positieve impuls van de voorraadvorming bij bedrijven.

1.2 De overheid grijpt in

Toen de wereldeconomie zich eind 2008 en 2009 in een vrije val leek te bevinden, hebben nationale overheden, zowel binnen Europa als daarbuiten, stevig ingegrepen. Ze hebben maatregelen genomen om in 2009 en 2010 de economie te ondersteunen, te stimuleren en het vertrouwen van burgers en bedrijven te herstellen. Gezien de redelijk gunstige nationale en internationale voorspellingen voor de economische groei in 2011 lijkt er op het juiste moment ingegrepen te zijn.

Nederlandse maatregelen en economische ontwikkeling

Het kabinet heeft op meerdere momenten maatregelen genomen om de financiële en economische crisis verantwoord te bestrijden. Het jaar 2008 werd vooral getekend door onrust op financiële markten en het jaar 2009 door de doorwerking van de financiële crisis op de reële economie. De maatregelen van het kabinet sluiten hierop aan. Eind 2008 heeft het kabinet fors moeten ingrijpen op de financiële markten. Deze ingrepen zijn al toegelicht in het Financieel Jaarverslag over 20081.

Het crisisbeleid in 2009 stond vooral in het teken van het opvangen van de gevolgen van de crisis voor de reële economie.

Nederland heeft een grote krachtsinspanning geleverd om de recessie te stoppen en structurele economische schade te voorkomen. De economische vooruitzichten voor 2010 en 2011 blijven onzeker, maar laten zien dat Nederland ongeveer terugkeert naar een normale structurele groei van respectievelijk 1½ en 2 procent. Hiermee is zeker niet gezegd dat het verwachte herstel volledig toegeschreven mag worden aan de maatregelen die in Nederland, Europa en de wereld zijn genomen. In het Centraal Economisch Plan 2010 (CEP) heeft het Centraal Planbureau de gevolgen van het kabinetsbeleid geanalyseerd: wat zou er gebeurd zijn als de overheidsfinanciën de klap van de economische crisis niet op deze manier hadden opgevangen? Tevens is gekeken naar de effecten van de extra uitgaven van het kabinet.

Aanvullend Beleidsakkoord

Om de reële economie snel, gericht en tijdelijk te stimuleren is in het voorjaar van 2009 het Aanvullend Beleidsakkoord (ABK) gesloten. In het akkoord is er ten eerste voor gekozen om de automatische stabilisatie volledig te laten werken. Dat wil zeggen dat het kabinet niet is gaan bezuinigen toen er minder geld binnen kwam door de slechte economische ontwikkeling. Mede hierdoor liep het tekort op de begroting op tot 5,3 procent (uitgedrukt in een percentage van het bbp). Normaal gesproken had het tekort volgens de Europese regels van het Stabiliteits- en Groeipact beperkt moeten worden tot maximaal 3 procent. Als het kabinet het tekort niet vrij had laten oplopen, maar beperkt had tot 3 procent, dan had de overheid volgens het CPB moeten besluiten tot bezuinigingen en lastenverhogingen van 11 miljard euro in 2009 en 25 miljard euro in 2010. Daardoor zou de economische groei in 2009 en 2010 dan respectievelijk ¾ en 2 procentpunt lager zijn geweest, waardoor de economie ook in 2010 zou blijven krimpen.

Ten tweede is in het ABK afgesproken om aan de uitgavenkant (voorlopig) extra geld uit te trekken voor tegenvallers in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen en de zogeheten ruilvoeteffecten. Hierdoor is er in 2009 per saldo 3,3 miljard euro meer uitgegeven. Het zodoende laten werken van de automatische stabilisatie (dus het oplopen van het tekort als gevolg van de oplopende werkloosheidsuitgaven en terugvallende belastinginkomsten) is effectief geweest. Deze stimulering beweegt automatisch mee met de economie en komt vooral terecht bij mensen die er in inkomen op achteruit gaan.

Ten derde is besloten om de economie in 2009 en 2010 gericht en tijdelijk te stimuleren met een stimuleringspakket van per saldo 2,6 miljard euro in 2009 en 4,3 miljard euro in 2010. De stimuleringsmaatregelen zijn gericht op het verbeteren van de liquiditeitspositie van ondernemingen, het beschermen van werkgelegenheid voor mensen waarvoor ontslag dreigt, het voorkomen van jeugdwerkloosheid, het verduurzamen van de Nederlandse economie en het naar voren halen van infrastructurele en (woning)bouwprojecten.

Bij de liquiditeitbevorderende maatregelen moet gedacht worden aan een BTW-aangifte per kwartaal in plaats van per maand en extra aftrek op loonkosten van onderzoekers. Ook zijn er diverse kapitaalmarktinstrumenten ingezet zoals het Besluit Borgstelling MKB Kredieten (BBMKB), de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) en de Groeifaciliteit.

In het kader van de arbeidsmarktmaatregelen is er stimuleringsbudget beschikbaar gekomen voor de deeltijd-ww. Daarnaast heeft het kabinet via het actieplan jeugdwerkloosheid geïnvesteerd in het scheppen van extra leerwerkbanen en stages voor jongeren. Ook is er hooggekwalificeerd personeel voor Nederland behouden door de regeling voor high-tech topprojecten en kenniswerkers en is er budget beschikbaar gekomen voor (het versnellen van) innovatieprojecten.

In het streven naar een duurzamer Nederland is er onder meer geld beschikbaar gekomen voor de snelle uitvoering van FES-projecten op het gebied van duurzame ruimtelijke ontwikkeling, is er extra subsidie gekomen voor dubbele beglazing en is het btw-tarief verlaagd voor het isoleren van woningen. Daarnaast is er extra budget vrijgemaakt voor bijvoorbeeld het verduurzamen van de agrarische sector en de sloopregeling voor oude auto’s.

Op het gebied van de woningmarkt is de nationale hypotheekgarantie tijdelijk verruimd en is er geld uitgetrokken om de bouw van nieuwe woningen te stimuleren. Ook is er budget beschikbaar gekomen voor bouwplannen van scholen en (jeugd)zorginstellingen.

Tot slot is via de combinatie van de Crisis- en herstelwet en het scheppen van extra budgettaire ruimte de mogelijkheid gecreëerd om over te gaan tot versnelde aanleg van verschillende infrastructurele projecten. Voorbeelden hiervan zijn extra zandsuppleties en versnelde investeringen in onderhoud van weg- en waterbouwprojecten.

In vergelijking met het buitenland stimuleert Nederland relatief veel via automatische stabilisatie en relatief weinig via specifieke maatregelen. Voor het totale pakket aan specifieke maatregelen ligt de vraag voor of deze maatregelen altijd voldoen aan de criteria van tijdigheid, tijdelijkheid en gerichtheid, en effectiviteit. Deze vragen kunnen slechts deels beantwoord worden. Het CPB gaat alleen in op de effecten van extra uitgaven of lagere lasten en daarbij wordt niet gekeken naar de specifieke invulling daarvan. Gegeven de onzekerheid rond de snelheid en kracht van het economisch herstel is ook onduidelijk wat de optimale fasering van de stimuleringsmiddelen (uitgaven/maatregelen) over de jaren is. De effectiviteit van het crisisbeleid is bovendien moeilijk te bepalen. Zo is het effect van het crisisbeleid op het herstel van vertrouwen van burgers en bedrijven een uiterst belangrijk element voor herstel van de economie, maar een effect dat moeilijk te meten is.

Wel stelt het CPB vast dat dit stimuleringspakket en de beslissing extra geld uit te geven aan tegenvallers in ww en ruilvoet de bbp-krimp in 2009 met ongeveer ¾ procentpunt heeft verminderd en de economische groei in 2010 met circa een ½ procentpunt verhoogd. In de Verantwoordingsbrief van de minister-president wordt nader ingegaan op de resultaten van de gerichte stimuleringsmaatregelen van het kabinet. De individuele maatregelen komen ook terug in de departementale jaarverslagen1.

1.3 De overheidsfinanciën in 2009

De Nederlandse overheidsfinanciën zijn in 2009 dramatisch verslechterd. Het verwachte overschot op de begroting, van 1,2 procent bbp is omgeslagen in een tekort van 5,3 procent bbp. Dit is een verslechtering van 37 miljard euro. De EMU-schuld is in 2009 gegroeid van een verwachtte 39,6 procent bbp naar 60,9 procent bbp. Dit betekent een toename van ongeveer 101 miljard euro. Dit zijn voor Nederland ongekende cijfers.

Figuur 1.3 Ontwikkeling verwachting voor EMU-saldo en EMU-schuld 2009 (%)

kst-32360-1-5.gif

Het EMU-saldo is verslechterd door twee factoren. Ten eerste zijn de overheidsinkomsten sterk gedaald als gevolg van de ongunstige economische ontwikkeling. Vooral de opbrengsten uit de omzetbelasting, vennootschapsbelasting en de loon- en inkomstenheffing zijn sterk gedaald. In totaal is er in 2009 ruim 27 miljard euro (4,8 procentpunt bbp) minder binnengekomen dan op basis van de raming werd verwacht.

Ten tweede zijn de overheidsuitgaven juist gestegen. Er is sprake van een toename van 7 miljard euro ten opzichte van de raming. Het gaat hier vooral om hogere uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen en de uitgaven aan het stimuleringspakket. Ook de lokale overheden hebben een hoger tekort dan bij de begroting voor 2009 werd verwacht (3,2 miljard euro meer). Opgeteld is dit een verslechtering van het overheidssaldo van ruim 37 miljard euro (een verslechtering van 6,5 procentpunt bbp).

De EMU-schuld is met ongeveer 101 miljard euro gegroeid. Voor ruim 37 miljard euro is dit het directe gevolg van het bovengenoemde tekort op de begroting. Daarnaast is de schuld met ruim 63 miljard euro toegenomen als gevolg van de ingrepen in de financiële sector, zoals de overname van Fortis/ABN AMRO, kapitaalverstrekkingen en leningen aan banken («hier staat vermogen tegenover»). De stijging van 63 miljard euro is inclusief de aflossingen die in 2009 hebben plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2 – De ontwikkeling van het budgettaire beeld

De economische recessie noopte het kabinet aan het begin van 2009 tot additionele stimulering en maatregelen, welke het kabinet heeft vastgelegd in het Aanvullend Beleidsakkoord. Met het Aanvullend Beleidsakkoord beoogt het kabinet niet alleen stimulering van de Nederlandse economie op korte termijn, maar eveneens gezonde overheidsfinanciën op middellange termijn en houdbare overheidsfinanciën op lange termijn.

Als gevolg van het Aanvullend Beleidsakkoord zijn – ter stimulering van de Nederlandse economie – de begrotingsregels gewijzigd: de signaalwaarde werd losgelaten en de automatische stabilisatie aan de uitgavenzijde van de begroting werd versterkt door het uitgavenkader te corrigeren voor de mutaties in de werkloosheid en de ruilvoet ten opzichte van de stand Miljoenennota 20091. Daarnaast besloot het kabinet de Nederlandse economie extra te stimuleren door middel van een aanvullend pakket aan maatregelen, dat in 2009 en 2010 tot uitvoer komt. Dit pakket werd buiten de reguliere kaders geplaatst. Aan de inkomstenzijde is besloten de automatische stabilisatie volledig te laten werken.

Als gevolg van de crisis en de aanvullende maatregelen zijn de overheidsfinanciën sinds de Miljoenennota 2009 snel verslechterd. Waar in de raming van de Miljoenennota 2009 nog werd uitgegaan van een begrotingsoverschot en een EMU-schuld lager dan 40 procent bbp, is nu een begrotingstekort van 5,3 procent bpp en een EMU-schuld van 60,9 procent bpp gerealiseerd. De verslechtering van de EMU-schuld is gelijk aan 101 miljard euro, voor Nederlandse begrippen een nog niet eerder gekende schuldtoename. Tabel 2.1 geeft een overzicht van het EMU-saldo en de EMU-schuld sinds Miljoenennota 2009.

Tabel 2.1 Ontwikkeling van het feitelijk EMU-saldo (in € miljard)
  MN 2009 FJR 2009 Verschil
Inkomsten (belastingen en sociale premies) 234,0 207,0 – 27,0
       
Netto uitgaven onder de kaders* 221,9 220,7 – 1,2
 wv. Rijksbegroting in enge zin 109,4 105,4 – 4,0
 wv. Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 57,5 58,9 1,4
 wv. Budgettair Kader Zorg 55,0 56,4 1,4
Overige netto uitgaven 4,7 13,2 8,4
 wv. rentelasten 9,8 9,0 – 0,9
 wv. stimuleringspakket (excl. inkomstenkant) 0,0 1,3 1,3
 wv. gasbaten (incl. kas-transactieverschil (ktv) gasbaten) – 14,1 – 11,0 3,1
 wv. overig (ktv, FES, zorgtoeslag, etc.) 9,0 13,9 4,9
Totale netto uitgaven 226,6 233,8 7,2
       
EMU-saldo centrale overheid 7,4 – 26,8 – 34,2
       
EMU-saldolokale overheden – 0,2 – 3,4 – 3,2
       
Feitelijk EMU-saldo 7,2 – 30,2 – 37,4
Feitelijk EMU-saldo (in % bbp) 1,2% – 5,3% – 6,5%
       
EMU-schuld 246,4 347,0 100,6
EMU-schuld(in % bbp) 39,6% 60,9% 21,2%
       
bbp 621,9 570,2 – 51,7

* Inclusief mutaties in werkloosheidsuitgaven en de ruilvoet. In de kadertoetsing (paragraaf 2.4) worden de uitgavenkaders voor deze ontwikkelingen gecorrigeerd.

De overheidsinkomsten zijn met 27 miljard euro verslechterd ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2009. De netto rijksuitgaven daarentegen nemen toe met 7 miljard euro ten opzichte van de raming. Ook de lokale overheden geven meer uit dan waarmee in de raming rekening was gehouden (3 miljard euro meer). Tezamen zorgen beiden voor een cumulatieve verslechtering van het saldo van 37 miljard euro.

De onderstaande paragrafen gaan in op het EMU-saldo, de EMU-schuld, de rijksuitgaven en de rijksinkomsten. Het is daarbij van belang in ogenschouw te nemen dat het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 een verschillenanalyse bevat ten opzichte van Miljoenennota 2009, dus ten opzichte van september 2008. De kredietcrisis en de daaropvolgende economische crisis waren op dit ijkmoment (Prinsjesdag 2008) nog niet in beeld. Op 1 januari 2009 (het gevoelsmatige «begin» van dit Jaarverslag) was daarentegen al wel degelijk sprake was de volle manifestatie van de kredietcrisis, in bijvoorbeeld de staatsschuld, en de eerste tekenen van de economische crisis met de daarbij behorende verwachtingen voor het overheidssaldo. Dit betekent dat bijvoorbeeld een groot deel van de toename van de staatschuld, welke zich voordeed in het najaar van 2008, reeds verantwoord is in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 20081.

Deze overlap in verantwoording – dus over de periode tussen Prinsjesdag en nieuwjaarsdag – doet zich ieder jaar voor en normaliter vormt dit geen enkel probleem. Ditmaal bevat deze overlap een «schokmoment» voor met name de staatsschuld. Een schokmoment dat uitvoerig toelichting behoeft, maar ook reeds uitvoerig toelichting heeft gekregen. Hierin ligt de reden dat af en toe wordt volstaan met verkorte toelichtingen en/of verwijzingen naar eerdere verantwoordingsstukken.

2.1 Ontwikkeling EMU-saldo

Het EMU-saldo is in 2009 uitgekomen op een tekort van 5,3 procent bbp en is hiermee 6,5 procentpunt lager dan werd geraamd bij Miljoenennota 2009 – zie hiertoe tabel 2.2.

Tabel 2.2 Ontwikkeling EMU-saldo (in % bpp)
  2009*
EMU-saldo Miljoenennota 2009 1,2%
Inkomsten – 4,8%
EMU-saldolokale overheden – 0,6%
Aardgasbaten – 0,5%
Kapitaalverstrekking ABN-AMRO (EMU-relevant) – 0,4%
Uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen – 0,3%
Stimuleringspakket – 0,3%
Zorg – 0,3%
Rente-uitgaven 0,1%
Opbrengsten interventies financiële sector 0,4%
Overige uitgaven 0,3%
EMU-saldo Financieel Jaarverslag Rijk 2009 – 5,3%

* Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De verslechtering van het feitelijk EMU-saldo wordt met name veroorzaakt door sterk tegenvallende inkomsten. Deze verslechtering van de overheidsinkomsten wordt uitvoerig toegelicht in paragraaf 2.5. De lokale overheden dragen voor 0,6 procentpunt bij aan de verslechtering van het EMU-saldo. De teruggelopen aardgasbaten (de olieprijs aan het einde van 2009 was slechts de helft van de prijs die tijdens de Miljoenennota 2009 werd geraamd) verslechteren het feitelijk saldo sinds de raming bij Miljoenennota met 0,5 procentpunt. Daarnaast zorgt een deel van de kapitaalversterking aan ABN AMRO die in 2009 heeft plaatsgevonden voor een saldoverslechtering; het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft onlangs een deel van de kapitaalverstrekking aangemerkt als saldorelevant. Ook de werkloosheidsuitgaven – waarvoor de uitgavenkaders zijn gecorrigeerd – en het stimuleringspakket – buiten de kaders geplaatst – zorgen voor een verslechtering van het tekort. Tot slot dragen de tegenvallers onder het Budgettair Kader Zorg bij aan de verslechtering van het saldo – zie hiertoe paragraaf 2.4. De rente-uitgaven en de opbrengsten uit de financiële sector daarentegen zorgen voor een positief effect op het saldo. De opbrengsten uit de financiële sector komen in paragraaf 2.6 aan bod; de rente-uitgaven worden in paragraaf 2.4 toegelicht. Tot slot zorgen de overige uitgaven voor een verbetering van het saldo; het betreft onder andere de onderuitputting op de diverse begrotingen.

Het structurele saldo over 2009 is uitgekomen op – 3,7 procent bbp; zie tabel 2.3. Ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2009 betekent dit een verslechtering van 4,8 procentpunt bbp. Het structurele saldo laat zien dat de stand van de conjunctuur is omgeslagen. Bij Miljoenennota 2009 lag het feitelijk saldo boven het structurele saldo (en was er dus sprake van een lichte hoogconjunctuur), terwijl bij Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 sprake is van een omgekeerde situatie, het feitelijk saldo ligt onder het structurele saldo (en dus is er sprake van een laagconjunctuur). Let wel: in turbulente tijden zoals momenteel is het structurele saldo met grote onzekerheid omgeven.

Tabel 2.3 Structureel EMU-saldo (in % bbp)
  MN 2009 FJR 2009
Feitelijk EMU-saldo (in % bbp) 1,2% – 5,3%
Af: conjuncturele component/incidentele componenten 0,1% – 1,6%
Structureel EMU-saldo (in % bbp) 1,1% – 3,7%

2.2 Ontwikkeling EMU-schuld

In de Miljoenennota 2009 werd voor de EMU-schuld 2009 nog uitgegaan van een historisch laag niveau van 39,6 procent bbp. Met name door de kredietcrisismaatregelen en door het hoge overheidstekort in 2009 is de schuld echter uitgekomen op het niveau van 60,9 procent bbp. Dit betekent een groei van 101 miljard euro. Tabel 2.4 geeft de verticale ontwikkeling van de EMU-schuld weer tussen Miljoenennota 2009 en de realisatie ultimo 2009.

De totale toename van de EMU-schuld bedraagt 21,2 procentpunt; zie de laatste rij in tabel 2.4. Uit de bovenste rij van bovenstaande tabel valt echter op te maken dat het leeuwendeel van de schuldtoename reeds heeft plaatsgevonden in 2008, immers, op 1 januari 2009 was de staatsschuld al 16,1 procentpunt hoger dan op Prinsjesdag in 2008 werd verwacht. De toename tussen Prinsjesdag 2008 en 1 januari 2009 is reeds verantwoord in het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2008; in dit Jaarverslag wordt zodoende volstaan met een toelichting van de toename sinds 1 januari 2009.

Tabel 2.4 Ontwikkeling EMU-schuld 2009 (in % bbp; min betekent schuldverbeterend)
  MN 2009 FJR 2009 Verschil*
EMU-schuld 1 januari 2009 42,1 58,2 16,1
Noemereffect – 1,9 2,6 4,6
Effect EMU-saldo – 1,2 5,3 6,5
Interventies in de financiële sector 0,0 – 4,1 – 4,1
Overige financiële transacties 0,6 – 1,2 – 1,8
EMU-schuldultimo 2009 39,6 60,9 21,2

* Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De toename van de EMU-schuld sinds 1 januari 2009 kan door verschillende factoren worden verklaard. In eerste instantie zorgen de verslechtering van het EMU-saldo (totaal 6,5 procentpunt bbp) en het noemereffect («de koek» (het bbp) is kleiner geworden, dus de EMU-schuld is automatisch een «groter deel van de koek» geworden) voor een toename van de overheidsschuld. Daarnaast is de EMU-schuld afgenomen als gevolg van de interventies in de financiële sector, met name als gevolg van de aflossing van Fortis (ruim 36 miljard euro) – zie hiertoe tabel 2.5. (De interventies in de financiële sector hebben grotendeels in 2008 plaatsgevonden; in 2009 vinden per saldo terugbetalingen plaats.) Ultimo 2009 bedraagt de EMU-schuld 60,9 procent van het bbp, hetgeen overeenkomt met 347 miljard euro.

Tabel 2.5 geeft de horizontale ontwikkeling van de EMU-schuld weer (inclusief de ontwikkelingen tussen Prinsjesdag 2008 en 1 januari 2009).

Tabel 2.5 Ontwikkeling EMU-schuld 2009 sinds ontwerpbegroting 2009 (in % bbp)
  2009**
EMU-schuldontwerpbegroting 2009 39,6%
   
Mutaties 2008  
Interventies 2008* 14,5%
Mutatie schuld 2008 (excl. interventies 2008) 3,1%
Overig 1,0%
EMU-schuld 1 januari 2009 58,2%
   
Mutaties 2009  
Interventies in de financiële sector 2009 – 4,1%
 wv. verkoop FCI – 0,1%
 wv. overbruggingskrediet Fortis – 6,2%
 wv. ABN-AMRO CRI & MCN 0,5%
 wv. kapitaalversterking ING – 0,9%
 wv. kapitaalversterking Aegon – 0,2%
 wv. back-up faciliteit ING 2,8%
Mutatie EMU-saldo collectieve sector 5,3%
Noemereffect 2,6%
Mutatie overige financiële transacties – 1,2%
EMU-schuldFinancieel Jaarverslag van het Rijk 2009 60,9%

* Sinds de publicatie van de Miljoenennota 2009 hebben verschillende interventies in de financiële sector plaatsgevonden. Enkele van deze interventies vonden plaats in 2008; deze interventies hebben invloed op de schuldpositie sinds Miljoenennota 2009. Deze interventies zijn samengevoegd, zie het Financieel Jaarverslag van het Rijk van 2008 voor een volledig overzicht (pagina 17).

** Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal

De interventies in de financiële sector van het najaar 2008 hebben veruit de grootste invloed op de ontwikkeling van de schuld. Ook in 2009 hebben enkele interventies plaatsgevonden; de grootste mutatie hiervan voor de ontwikkeling van de schuld betreft de aflossing van het overbruggingskrediet van Fortis met een omvang van 6,2 procent bbp. Voor een gedetailleerdere beschrijving van de ingrepen in de financiële sector wordt verwezen naar paragraaf 2.6. Ook de verslechtering van het EMU-saldo heeft een aanzienlijk effect op de schuldontwikkeling.

2.3 EMU-saldo en EMU-schuld in internationaal perspectief

Figuur 2.1 geeft het EMU-saldo en de EMU-schuld 2009 weer voor de landen van de eurozone op basis van de eerste voorspelling van Eurostat (newsrelease 55/2010 – 22 april 2010).

Figuur 2.1 EMU-saldo en EMU-schuld in 2009 (eurozone, 12% bbp)

kst-32360-1-6.gif

De financiële crisis heeft grote gevolgen voor de budgettaire positie van de lidstaten van de eurozone. De verschillen tussen de lidstaten zijn echter aanzienlijk. Het leeuwendeel van de lidstaten heeft de 3 procentnorm uit het Stabiliteits- en Groeipact overschreden en bevindt zich zodoende in de buitensporigtekortprocedure van de Europese Unie. Ook de schuldpositie van de lidstaten is ten opzichte van de stand zoals opgenomen in de Miljoenennota aanzienlijk verslechterd. De meerderheid van de lidstaten heeft de 60 procentnorm overschreden. De interventies in de financiële sector zijn grotendeels debet aan de verslechtering van de schuldpositie van de lidstaten.

Nederland presteert beter dan de eurozone, zowel qua schuld als qua saldo. De positie van Griekenland is buitengewoon zorgwekkend. Ook het EMU-saldo van Ierland en van Spanje leidt tot zorgen voor de toekomst.

2.4 Ontwikkeling van de Uitgaven

Bij het opstellen van budgettaire ramingen wordt uitgegaan van een aantal macro-economische kernvariabelen. De ontwikkeling van deze kernvariabelen is mede bepalend voor de realisatie van de begroting. Tabel 2.6 geeft een overzicht van de ontwikkeling van deze kernvariabelen.

Tabel 2.6 Macro-economische kernvariabelen
  MN 2009 FJR 2009 Verschil
Volume bbp (in %) 1,2% – 4,0% – 5,2%
Contractloon markt (in %) 3,5% 2,9% – 0,6%
Consumentenprijsindex (in %) 3,2% 1,2% – 2,0%
Werkloosheid (in duizenden personen) 336 379 43
Lange rente (in %) 5,0% 3,8% – 1,3%
Eurokoers (dollar per euro) 1,57 1,39 – 0,18
Olieprijs (in $) 125,0 61,5 – 63,5

Kadertoetsing uitgaven

Met inachtneming van de wijzigingen en kaderaanpassingen, zoals toegelicht aan het begin van dit hoofdstuk laat het totale uitgavenkader een overschrijding van 0,4 miljard euro zien. Tabel 2.7 behandelt de kadertoetsing aan de uitgavenzijde; de uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenkader zijn opgenomen in de internetbijlage.

Tabel 2.7 Kadertoetsing (in € miljard; min betekent onderschrijding)
  MN 2009 FJR 2009 Verschil*
Rijksbegroting in enge zin      
Uitgavenkader (in lopende prijzen) 108,9 106,2 – 2,7
Uitgavenniveau 109,4 105,4 – 4,0
Over-/onderschrijding 0,5 – 0,8 – 1,3
       
Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt      
Uitgavenkader (in lopende prijzen) 57,6 59,4 1,7
Uitgavenniveau 57,5 58,9 1,4
Over-/onderschrijding – 0,2 – 0,5 – 0,3
       
Budgettair Kader Zorg      
Uitgavenkader (in lopende prijzen) 55,3 54,7 – 0,6
Uitgavenniveau 55,0 56,4 1,4
Over-/onderschrijding – 0,3 1,7 2,0
       
Totale uitgavenkader      
Uitgavenkader (in lopende prijzen) 221,9 220,3 – 1,6
Uitgavenniveau 221,9 220,7 – 1,2
Over-/onderschrijding 0,0 0,4 0,4
       
Werkloosheidsuitgaven (0,0) (1,5) (1,5)
Ruilvoet (0,0) (1,8) (1,8)
Stimuleringspakket(incl. inkomstenkant) (0,0) (2,0) (2,0)

* Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De geraamde overschrijding van het kader RBG-eng ten tijde van Miljoenennota 2009 is omgeslagen in een onderschrijding; het tegenovergestelde geldt voor het Budgettair Kader Zorg. Het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) laat een onderschrijding zien, zowel geraamd als gerealiseerd. De kadertoetsen voor de verschillende deelkaders worden achtereenvolgens toegelicht. De uitgavenkaders in bovenstaande tabel zijn gecorrigeerd voor de mutaties in de werkloosheid en de ruilvoet. Tevens is het stimuleringspakket buiten de kaders geplaatst. De ontwikkeling van deze uitgaven is zodoende gescheiden van de kaders gepresenteerd.

Rijksbegroting in enge zin

Tabel 2.8 geeft een overzicht van de mutaties onder het kader RBG-eng sinds de ontwerpbegroting. De kadercorrecties zijn, evenals in bovenstaande tabel, gescheiden gepresenteerd.

Tabel 2.8 Kadertoetsing RBG-eng (in € miljard; min betekent lagere uitgaven)
  2009*
Kadertoetsing Miljoenennota 2009 0,5
Macrobijstellingen en overige mee- en tegenvallers  
Rente Centraal Kasbeheer – 0,2
Heffings- en invorderingsrente 0,1
HgIS – 0,6
EU-afdrachten – 0,3
Asiel 0,2
Studiefinanciering – 0,2
TBU 0,1
Jeugd en Gezin (WKB) 0,1
Winstafdracht DNB – 0,1
Gemeentefonds/Provinciefonds – 0,2
Kasritme schuldsanering Antillen – 0,2
Dividendstaatsdeelnemingen 0,2
Infrastructuurfonds 0,2
Huurtoeslag 0,2
Beleid  
Vaccinaties 0,2
Kasschuiven – 0,1
Diversen uitvoeringbeeld (o.a. diverse onderuitputting) – 0,6
Kadertoetsing Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 – 0,8
   
SuperdividendNS (– 1,4)
Ruilvoet (0,6)

* Door afronding kan de som der delen afwijken het het totaal.

Macrobijstellingen en overige mee- en tegenvallers

De rente-uitgaven van het centraal kasbeheer vallen mee door de lagere korte rente. De heffings- en invorderingsrente valt tegen; de realisatie is hoger dan de initiële raming. De uitgaven aan het buitenlandse beleid (Homogene groep Internationale Samenwerking, HgIS) laten daarentegen een meevaller zien ten opzichte van de stand Miljoenennota 2009. Dit komt doordat de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking binnen de HgIS vallen en deze zijn gekoppeld aan het bnp; het bnp is in 2009 afgenomen. De EU-afdrachten zijn gedeeltelijk gekoppeld aan het bni. Deze afdrachten zijn in de 2009 neerwaarts bijgesteld door een aanpassing van het bni van voorgaande jaren, waardoor de afdrachten aan de EU een meevaller laten zien ten opzichte van Miljoenennota 2009. Onderuitputting op de EU-begroting uit het voorgaande jaar draagt eveneens bij aan de meevaller van de EU-afdrachten.

De asielinstroom in Nederland is toegenomen. Dit leidt tot hogere kosten bij het Centraal Opvangorgaan Asielzoekers (COA) en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De onderwijsbegroting laat een meevaller zien bij de studiefinanciering. Deze meevaller is vooral het gevolg van minder omzettingen van prestatiebeurs naar gift, minder uitgaven voor de aanvullende beurs en de doorwerking van de meevaller 2008. Op de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport doet zich en tegenvaller voor: bij de tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU) – die inmiddels is komen te vervallen – doen zich nog betalingen voor in 2009. Op de begroting voor Jeugd en Gezin doet zich eveneens een tegenvaller voor. Een groter beroep op het Kindgebonden Budget (WKB) leidt tot een tegenvaller ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2009.

Bij het Gemeente- en Provinciefonds (GF/PF) treedt een meevaller op, die onder andere het gevolg is van de verrekening over 2008. De winstafdracht van De Nederlandse Bank valt voor 0,1 miljard euro mee. De winstafdracht is hoger dan geraamd door rente-effecten op de kapitaal- en geldmarkt. Voorts is het kasritme van de schuldsanering voor de Antillen aangepast aan nieuwe ramingen, hetgeen in 2009 leidt tot een meevaller. Anderzijds laat het dividend uit staatsdeelnemingen een tegenvaller zien. De uitgaven aan het infrastructuurfonds zijn hoger als gevolg van doorgeschoven onderuitputting uit 2008. Bij de huurtoeslag is sprake van een overschrijding van op de reguliere voorschotbetalingen voor het jaar 2009 en een vertraagde invordering van de ontvangsten. Per saldo resulteert een tegenvaller van 0,2 miljard euro.

Beleid

Als gevolg van de Mexicaanse griep zijn vaccins aangekocht. Ook de uitvoeringskosten om risicogroepen te vaccineren en eventueel een virusremmer te verstrekken zijn opgenomen. Beide maatregelen leiden tot een gezamenlijke tegenvaller van 0,2 miljard euro. Onder het kader RBG-eng doen zich vervolgens enkele kasschuiven voor, die per saldo leiden tot een meevaller van 0,1 miljard euro. Tot slot resteert onder het kader RBG-eng een onderuitputting van 0,6 miljard euro ten opzichte van de stand Miljoenennota 2008; dit is een optelling van onderuitputting op de diverse begrotingen.

Kadercorrecties

Het kader RBG-eng is enerzijds gecorrigeerd voor het superdividend, dat de Nederlandse Spoorwegen in 2009 hebben uitgekeerd. Deze correctie vindt plaats omdat de resterende budgettaire verwerking in 2010 plaatsvindt. Anderzijds is in het ABK afgesproken de kaders te corrigeren voor de mutaties in de ruilvoet. De ruilvoetontwikkeling leidt tot een correctie van 0,6 miljard euro.

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

De uitgaven onder het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt vertonen een onderschrijding van 0,5 miljard euro ten opzichte van het kader, zoals dat is opgesteld in de Miljoenennota 2009. Tabel 2.9 geeft een overzicht van de ontwikkelingen sinds de ontwerpbegroting.

Tabel 2.9 Kadertoetsing SZA (in € miljard; min betekent lagere uitgaven)
  2009*
Kadertoets Miljoenennota 2009 – 0,2
Macrobijstellingen en overige mee- en tegenvallers  
Uitvoering Arbeidsongeschiktheidsregelingen 0,1
Uitvoering WAZO 0,2
Beleid  
Inzet reservering Commissie Bakker en risicovoorziening ESF – 0,3
Inzet eindejaarmarge – 0,1
Inzet loon- en prijscompensatie en vrijval diversen – 0,1
Kadertoetsing Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 – 0,5
   
Kadercorrectie WWB (1,5)
Werktijdverkorting (0,2)
Ruilvoet (0,8)

* Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Macrobijstellingen en overige mee- en tegenvallers

Uit uitvoeringsgegevens van gemeenten en het Uitvoeringsinstituut WerknemersVerzekeringen (UWV) is gebleken dat onder het SZA-kader zich verscheidene mee- en tegenvallers hebben voorgedaan. Als gevolg van dalende uitstroomkansen bij de WAO heeft zich een tegenvaller voorgedaan bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daarnaast zijn de uitgaven aan Zwangerschaps- en Bevallingsverlofuitkeringen (WAZO) gestegen door een toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. De hiermee samenhangende positieve loonontwikkeling en stijgende omvang van het dienstverband in uren, hebben ook geleid tot een hogere gemiddelde uitkering.

Beleid

Ter dekking van de tegenvallende uitvoeringsmutaties binnen de sociale zekerheid zijn in 2009 diverse maatregelen genomen. Dit betreft onder meer de inzet van reserveringen, de eindejaarsmarge en een deel van de loon- en prijscompensatie.

Kadercorrecties

In het ABK is afgesproken dat met het oog op versterkte werking van de automatische stabilisatoren de kaders in 2009, 2010 en 2011 worden gecorrigeerd voor mutaties in de werkloosheidsuitgaven (WW, bijstand, etc). Daarnaast heeft het kabinet in 2009 200 miljoen euro uitgetrokken om bedrijven de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van werktijdverkorting. Tot slot is het uitgavenkader gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de ruilvoet; dit is eveneens in het ABK opgenomen.

Budgettair Kader Zorg

De uitgaven in de zorgsector vertonen een overschrijding van 1,7 miljard euro ten opzichte van het uitgavenkader; in de Miljoenennota 2009 werd daarentegen nog uitgegaan van een kaderonderschrijding van 0,3 miljard euro. Tabel 2.10 geeft een overzicht van de mutaties sinds de ontwerpbegroting.

Tabel 2.10 Kadertoetsing BKZ (in € miljard, min betekent lagere uitgaven)
  2009*
Kadertoetsing Miljoenennota 2009 – 0,3
Mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties  
Eerstelijnszorg 0,3
Ziekenhuizen en medisch specialisten 1,1
Genees- en hulpmiddelen – 0,3
Geneeskundige GGZ 0,3
AWBZ 0,6
Diversen – 0,1
Kadertoetsing Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009 1,7
   
Ruilvoet (0,4)

* Door afrondingsverschillen wijkt de som van de delen af van het totaal

Mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties

Een aantal keren per jaar worden de zorguitgaven geactualiseerd. Dit gebeurt aan de hand van budgetgegevens van de NZa en financieringscijfers van het CVZ. Deze cijfers geven een beeld van de zorguitgaven in 2008 en 2009. Gedurende 2009 hebben deze cijfers hogere uitgaven laten zien bij de eerstelijnszorg, de medisch specialisten, de ziekenhuizen, de geneeskundige GGZ en de AWBZ. Om deze hogere uitgaven te compenseren zijn in 2009 maatregelen genomen. Het overgrote deel van deze maatregelen levert echter pas vanaf 2010 een besparing op. Hierdoor is in 2009 de kadertoetsing verslechterd.

De tegenvaller in de eerstelijnszorg is het gevolg van de actualisering van de zorguitgaven. Hogere uitgaven doen zich voor bij de huisartsen, tandheelkunde en fysiotherapie. Bij de ziekenhuizen en de medisch specialistische zorg zijn de uitgaven ook naar boven bijgesteld op basis van nieuwe cijfers over 2008 en 2009. Deze bijstelling bedraagt over het gehele jaar 1,1 miljard euro. Bij de genees- en hulpmiddelen is sprake van een meevaller. Deze meevaller is de optelsom van lagere uitgaven als gevolg van het door verzekeraars gevoerde preferentiebeleid en hogere uitgaven als gevolg van het aanpassen van de receptregelvergoeding voor apothekers. Bij de geneeskundige GGZ doen zich hogere uitgaven voor bij zowel de specialistische (tweedelijns) GGZ als bij de eerstelijnspsychologie.

In de AWBZ doen zich onder andere hogere uitgaven voor bij de zorg geleverd door instellingen. Het gaat daarbij om zowel de verpleging en verzorging, de gehandicaptenzorg en de langdurige geestelijke gezondheidszorg. Daarnaast is er ook een tegenvaller bij de zorg voor sterk gedragsgestoorde licht verstandelijke gehandicapten (SGLVG). Bij de persoonsgebonden budgetten (PGB’s) was er in 2009 een kleine meevaller. Tegelijkertijd is er sprake van een financieringsschuif waardoor de uitgaven in 2009 hoger uitvallen. Een nadere toelichting hierop is te vinden in het jaarverslag van het ministerie van VWS.

Kadercorrecties

In het ABK is afgesproken dat met het oog op versterkte werking van de automatische stabilisatoren de kaders in 2009, 2010 en 2011 worden gecorrigeerd voor mutaties in de ruilvoet.

2.5 Ontwikkeling van de Inkomsten

De belasting- en premie-inkomsten zijn 27,0 miljard euro lager uitgekomen dan in de Miljoenennota 2009 was geraamd. Deze grote tegenvaller is vooral het gevolg van een veel ongunstigere economische ontwikkeling in 2009 dan waarvan bij de totstandkoming van de Miljoenennota 2009 werd uitgegaan. De Miljoenennota 2009 ging nog uit van een bbp-groei van 4,8 procent nominaal, terwijl volgens de meest recente inzichten de groei in 2009 is uitgekomen op -3,9 procent.

Tabel 2.11 Ontwikkeling van de opbrengst belastingen en premies op EMU-basis (x € miljard)
  MN 2009 FJR 2009 Verschil
Belastingen en premies volksverzekeringen 188,8 162,9 – 25,9
 wv belastingen 152,9 130,3 – 22,7
 wv premies volksverzekeringen 35,8 32,6 – 3,2
Premies werknemersverzekeringen 45,2 44,2 – 1,1
Totaal 234,0 207,0 – 27,0

* Door afronding van de som der delen afwijken van het totaal.

Tabel 2.11 bevat een totaaloverzicht van de ontwikkeling tussen de Miljoenennota 2009 en de uiteindelijke realisaties. De oorzaak van de lagere ontvangsten is uitgesplitst in tabel 2.12.

Allereerst leverde de (endogene) doorwerking vanuit 2008 een tegenvaller in 2009 op van 3,9 miljard euro. Deze doorwerking volgt uit een lagere realisatie van de inkomsten over 2008 dan ten tijde van de Miljoenennota 2009 werd verwacht. Nadere uitleg hierover is reeds gegeven in het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2008.

Vervolgens is er een aantal beleidsmatige wijzigingen geweest, die per saldo voor 1,6 miljard euro lagere ontvangsten hebben gezorgd. De crisis- en stimuleringsmaatregelen in 2008 en 2009 veroorzaakten onder andere circa 0,9 miljard euro minder ontvangsten bij de vennootschapsbelasting. Voor een deel betreft dit kasschuiven die in latere jaren weer worden ingelopen. De relevante maatregelen zijn onder andere de tijdelijke willekeurige afschrijvingen op investeringen, de versoepeling van de carry-back verliesverrekening, de verlaging van de MKB-tarieven, het uitstel van de rentebox (financieringsmaatregel) en de extra energie-investeringsaftrek voor investeringen in huurwoningen.

De 0,5 miljard euro minder ontvangsten bij de loon- en inkomenheffing komt eveneens voor het grootste deel voor rekening van de crisismaatregelen. De tijdelijke willekeurige afschrijving op investeringen leidde hier samen met de verruiming van de WBSO tot circa 0,3 miljard euro minder opbrengsten. De overige 0,2 miljard euro minder ontvangsten zijn het gevolg van de aanvullende besluitvorming over de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten in het najaar van 2008.

De maatregel bij de werknemersverzekeringen betreft de nominale ZVW-premie, die lager uitkwam dan verwacht. Dit leidde tot 0,2 miljard euro lastenverlichting.

Tot slot is in de tabel de afschaffing van de vliegbelasting terug te vinden. Door de afschaffing van deze belasting per 1 juli 2009 als onderdeel van de crisismaatregelen viel een deel van de oorspronkelijk geraamde ontvangsten weg (0,1 miljard euro).

Tabel 2.12 Ontwikkeling ontvangsten vanaf MN 2009 gesplitst naar oorzaak (x € miljard) op EMU-basis
Miljoennennota 2009 234,0
Totale mutatie – 27,0
   
Doorwerking 2008 – 3,9
 wv. belastingen en premies vvz – 3,3
 wv. premies wnvz – 0,6
   
Autonoom (kasbasis) – 1,6
 wv. vennootschapsbelasting – 0,9
 wv. loon/inkomensheffing – 0,5
 wv. premies werknemersverzekeringen – 0,2
 wv. vliegbelasting – 0,1
   
Endogeen (kasbasis) – 20,5
 wv. omzetbelasting1 – 5,7
 wv. vennootschapsbelasting – 5,5
 wv. loon/inkomensheffing – 4,2
 wv. overdrachtsbelasting – 1,8
 wv. dividendbelasting – 1,6
 wv. belasting op personenauto’s en motorrijwielen – 1,1
 wv. overige belastingen en premies – 0,7
Aansluiting naar EMU-basis – 0,9
FJR 2009 207,0

1 De omzetbelasting wordt op EMU-basis gepresenteerd om een goed beeld van de ontwikkeling van 2008 op 2009 te geven. Als gevolg van de in 2009 genomen maatregel mogen bedrijven die anders de BTW per maand afdragen ervoor kiezen deze per kwartaal af te dragen. Dit heeft geen gevolgen voor de BTW-ontvangsten op EMU-basis maar wel voor de BTW-ontvangsten op kasbasis. Een ontwikkeling op kasbasis geeft dan een vertekend beeld.

Endogene ontwikkeling ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 2009

De lagere endogene ontwikkeling van de ontvangsten ten opzichte van de oorspronkelijke raming heeft 20,5 miljard euro bijgedragen aan de lagere realisaties en is daarmee veruit de belangrijkste verklaring voor de tegenvallende ontvangsten. Deze tegenvaller is verspreid over een groot aantal belastingen. Een groot deel van de tegenvaller kan verklaard worden door de ontwikkeling in de relevante economische kernvariabelen. Een aantal hiervan is opgenomen in tabel 2.13.

De omzetbelasting leverde budgettair met 5,7 miljard euro de grootste bijdrage aan de totale tegenvaller. Dit is te relateren aan de afgenomen particuliere consumptie (7,3 procentpunt minder dan verwacht) en aan veel minder investeringen in nieuwe woningen (13,8 procentpunt minder).

Tweede in absolute omvang is de tegenvaller bij de vennootschapsbelasting. Deze belasting viel 5,5 miljard euro tegen. Dit is het gevolg van een fors lagere winstverwachting in 2009 dan waar bij Miljoenennota 2009 nog vanuit is gegaan. Hoewel het fiscale winstbegrip hiervan afwijkt is een illustratie van de lagere winstverwachting dat de «operationele winst» (begrip overig inkomen uit de Nationale Rekeningen) sterk is achtergebleven (23,2 procentpunt minder dan verwacht). Daarbovenop kwam in 2009 het effect van bijgestelde (fiscale) winstverwachtingen over 2008 en 2007. Voorlopige aanslagen waarop bedrijven in 2008 en eerdere jaren belasting hebben afgedragen, leiden door verminderingen die in 2009 op betreffende aanslagen worden opgelegd weer tot teruggaven in 2009.

De loon- en inkomensheffing leverden endogeen 4,2 miljard euro minder op dan verwacht onder andere als gevolg van een krimpende werkgelegenheid en minder dan verwachte loonstijgingen. Overigens is de opbrengst van de loon- en inkomensheffing anders dan de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting ten opzichte van 2008 nog wel licht toegenomen. Er zijn meerdere factoren die ertoe leiden dat de ontvangsten bij de loonheffing vertraagd reageren op economische ontwikkeling. Zo is de loonontwikkeling voor het komende jaar vaak al grotendeels vastgelegd in CAO’s en leiden lagere winstverwachtingen er niet direct toe dat mensen op staat komen te staan.

In absolute bedragen minder grote, maar in relatieve zin veel grotere tegenvallers deden zich voor bij de overdrachtsbelasting (– 1,8 miljard euro), de dividendbelasting (– 1,6 miljard euro), en de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (BPM, – 1,1 miljard euro). Ook deze tegenvallers zijn gerelateerd aan de conjunctuur en de daarmee gepaard gaande afname van het consumenten- en producentenvertrouwen. Een ineenstorting van de omzet aan tweedehands woningen en gebouwen (34,8 procentpunt minder dan verwacht), minder winstuitkeringen en veel minder verkopen van nieuwe auto’s (24,9 procentpunt minder dan verwacht) leidden tot navenant minder belastingontvangsten. De ontwikkeling bij dividendbelasting wordt deels verklaard door de ontwikkeling in de financiële sector waar in 2009 anders dan in voorgaande jaren niet of nauwelijks dividend is uitgekeerd.

Ten slotte viel ook de aansluiting van de kasontvangsten naar de ontvangsten op EMU-basis 0,9 miljard euro lager uit dan oorspronkelijk geraamd. Dit komt voor circa 0,4 miljard euro door een lager dan verwachte opbrengst bij de loonheffing.

Tabel 2.13 Macro-economische kernvariabelen ontwerpbegroting MN 2009 ten opzichte van realisatie FJR 2009
  MN 2009 FJR 2009 Verschil
Nominale groeiBBP 4,8% – 3,9% – 8,8%
Waardemutatie particuliere consumptie 4,4% – 2,9% – 7,3%
Waardemutatie investeringen in woningen 2,6% – 11,1% – 13,8%
Waardemutatie verkopen tweedehands woningen 2,5% – 32,3% – 34,8%
Waardemutatie investeringen in motorvoertuigen 0,0% – 25,0% – 24,9%
Ontwikkeling overig inkomen 6,1% – 17,0% – 23,2%
Bruto loonontwikkeling marktsector 4,2% 2,3% – 1,9%
Werkgelegenheidmarkt 0,1% – 1,4% – 1,5%
Arbeidsinkomensquote 81,2% 81,1% – 0,1%

* Door afronding van de som der delen afwijken van het totaal.

Endogene ontwikkeling van de totale ontvangsten ten opzichte van 2008

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten over 2009 ten opzichte van 2008 is met – 5,6 procent nog lager uitgekomen dan de (nominale) groei van het BBP (– 3,9 procent) in 2009. Er zijn grote verschillen tussen de verschillende belastingen. Tabel 2.14 bevat een overzicht.

Bij de indirecte belastingen dragen de conjunctuurgevoelige BPM en de overdrachtsbelasting en daarnaast de iets minder conjunctuurgevoelige maar in omvang veel grotere omzetbelasting veel sterker bij aan de achterblijvende belastingen dan de motorrijtuigenbelasting, milieubelastingen en accijnzen. De BPM en de overdrachtsbelasting leverden circa eenderde minder op dan in 2008. De afname van de omzetbelasting, BPM en overdrachtbelasting is het gevolg van een afname van de particuliere consumptie (– 2,9 procent) en, in het bijzonder, een daling in de omzet van nieuwe auto’s (– 25 procent) en de verkoop van (tweedehands) woningen (– 32,3 procent). De afname bij de overige kostprijsverhogende belastingen (– 15,9 procent) wordt veroorzaakt door de afname bij de invoerrechten.

Ook bij de directe belastingen laten vooral de conjunctuurgevoelige dividendbelasting en vennootschapsbelasting een forse afname zien ten opzichte van 2008. De endogene teruggang met ongeveer eenderde bij de vennootschapsbelasting is het gevolg van de lagere winsten in 2009 in combinatie met bijgestelde (fiscale) winstverwachtingen over 2008 en 2007 en verliesverrekening. Behalve minder opbrengst over 2009 zelf, leidden ook verminderingen over eerdere jaren en verliesverrekening met eerdere jaren tot een lagere opbrengst. Lagere winsten leiden eveneens tot lagere winstuitkeringen en dus minder dividenduitkeringen. Vanwege de financiële crisis heeft de financiële sector in 2009 vrijwel geen dividend uitgekeerd. Ten opzichte van 2008 is de opbrengst van de dividendbelasting mede hierdoor vrijwel gehalveerd.

De loonheffing laat ten opzichte van 2008 als uitzondering nog een lichte stijging zien. De extra loonheffing als gevolg van de beperkte loonstijging was voldoende om de mindere loonheffing als gevolg van de afname van de werkgelegenheid te compenseren. De stijging was wel veel kleiner dan verwacht. Ook de premies werknemersverzekeringen zijn in 2009 ten opzichte van 2008 licht gestegen (0,5 procent).

Tabel 2.14 Endogene ontwikkeling van belastingen en premies volksverzekeringen in 2009 (in %)
  2009
Kostprijsverhogende belastingen – 8,9%
Omzetbelasting – 7,3%
Belasting op personenauto’s en motorrijwielen – 29,4%
Accijnzen – 1,9%
Belastingen van rechtsverkeer (m.n. overdrachtsbelasting) – 32,6%
Motorrijtuigenbelasting 1,9%
Belastingen op een milieugrondslag – 1,9%
Overige kostprijsverhogende belastingen – 15,9%
   
Belastingen op winst, inkomen en vermogen en premies vvz – 6,0%
Loon- en inkomensheffing 2,0%
Dividendbelasting – 47,2%
Vennootschapsbelasting – 31,0%
Overige belastingen op inkomen, winst en vermogen (m.n. successie) 1,5%
   
Belastingen en premies VVZ in totaal – 7,2%
Premies werknemersverzekeringen 0,5%
Belastingen en premies VVZ en premies WNVZ in totaal – 5,6%
Nominale groei BBP – 3,9%

De macro-progressiefactor voor de belastingen en premies volksverzekeringen is in 2009 met een nominale bbp groei van – 3,9 procent en een endogene groei van de ontvangsten met – 5,6 procent uitgekomen op 1,4 (hetgeen overeenkomt met – 5,6 procent gedeeld door – 3,9 procent). Dit wil zeggen dat de ontvangsten (exclusief de gevolgen van beleidsmaatregelen) nog sterker zijn afgenomen dan het bbp. De gemiddelde progressie over de afgelopen tien jaar bedraagt 0,7. De ontvangsten zijn over de afgelopen tien jaar achtergebleven bij de groei van het bbp1.

Endogene doorwerking naar 2010

De realisaties voor 2009 zijn 2,6 miljard euro lager uitgekomen dan bij de Miljoenennota 2010 werd verwacht. Er zijn geen incidenten zodat deze lagere opbrengsten volledig doorwerken in de inkomstenraming voor 2010. De totale doorwerking naar 2010 bedraagt dus eveneens 2,6 miljard euro. Dit is weergegeven in tabel 2.15.

Tabel 2.15 Doorwerking 2009 naar 2010 (x € miljard)
1. Totale mutatie 2009 t.o.v. vermoedelijke uitkomsten MN 2010 – 2,6
   
2. Totaaleffect van incidenten op ontvangsten 2009 0,0
   
3. Structurele doorwerking (=1–2) – 2,6
   
4. Incidentele effecten 2010 als gevolg van 2009 0,0
   
5. Totaal doorwerking van 2009 naar 2010 (=3+4) – 2,6

2.6 Ingrepen in de financiële sector

Met het oog op de financiële stabiliteit en het op peil houden van de kredietverlening zijn forse ingrepen gedaan in de financiële sector. Zo ging de overheid omvangrijke financiële transacties aan in het kader van de ING back-up faciliteit en de herkapitalisatie van ABN Amro en Fortis Bank Nederland. Daarnaast verstrekte de overheid garanties op interbancaire leningen en nam zij het kredietrisico over van een (gelimiteerde) Nederlandse hypothekenportefeuille.

Zoals eerder aangegeven hebben banken dit jaar ook omvangrijke leningen terugbetaald. In totaal werd van Fortis Bank Nederland 35,2 miljard euro van het oorspronkelijke overbruggingskrediet terugontvangen. Daarnaast werd onder de Kapitaalverstrekkingsfaciliteit door ING Groep N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal N.V. in het vierde kwartaal voor 6,2 miljard euro aan leningen vervroegd terugbetaald. Op deze securities werd tevens een repurchase fee (0,4 miljard euro) en de nog openstaande rente ontvangen.

Voor enkele omvangrijke maatregelen volgt hieronder een toelichting.

Aanpassing waarderingen in Fortis Bank Nederland, ABN AMRO en ASR

Doordat bij de waardering van staatsdeelnemingen op de staatsbalans de bestendige gedragslijn, voorgeschreven door het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR 1995), dient te worden gevolgd, ontstaat er een opvallende mutatie bij de waardering van Fortis Bank Nederland en ABN AMRO tussen het jaarverslag van vorig jaar (FJR 2008) en voorliggend jaarverslag (FJR 2009). Dit heeft te maken met het feit dat deelnemingen in het eerste jaarverslag na aanschaf worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, en in de jaren/jaarverslagen daarna tegen de boekwaarde van het eigen vermogen. Met de waardering op basis van de boekwaarde van het eigen vermogen vindt aansluiting plaats met het eigen vermogen zoals de onderliggende entiteiten dit zelf rapporteren in hun eigen jaarverantwoording en is in lijn met de andere deelnemingen. In onderstaande toelichting wordt de kern van de mutatie toegelicht. Voor meer informatie wordt verwezen naar de toelichting bij de staatsbalans (zie bijlage 3).

Volgens het ESR 1995 moeten deelnemingen tegen een marktprijs worden gewaardeerd. Het betreft bij staatsdeelnemingen echter veelal niet-beursgenoteerde deelnemingen, of deelnemingen waarvan een marktprijs niet direct voorhanden is. Daarom worden deze deelnemingen, met uitzondering van het jaar van aankoop, gewaardeerd tegen de boekwaarde van het eigen vermogen. Omdat de jaarverslagen van onderliggende entiteiten in de praktijk doorgaans nog niet beschikbaar zijn bij het verschijnen van het FJR, wordt voor alle deelnemingen steeds volstaan met een waardering op basis van de boekwaarden per ultimo een jaar eerder (voor het FJR 2009 dus ultimo 2008).

In 2008 heeft de Staat een belang genomen in de Nederlandse activiteiten van Fortis, inclusief ABN AMRO. Op 3 oktober heeft de Staat Fortis Bank Nederland (inclusief het Fortis-deel van ABN AMRO), het huidige ASR en FCI voor 16,8 miljard euro gekocht, en op 24 december heeft een conversie plaatsgevonden van lang vreemd vermogen van Fortis Bank Nederland tegen het RFS-deel (AA) van FBNH voor 6,54 miljard euro. Op de staatsbalans in het FJR 2008 zijn deze deelnemingen gewaardeerd tegen de verkrijgingprijs van 23,34 miljard euro (16,8 miljard euro voor Fortis Bank Nederland/AA, en 6,54 miljard euro voor RFS/AA).

Voor de deelnemingen in Fortis Bank Nederland, ABN AMRO en ASR betekent dit dat er per FJR 2009 een aanpassing gemaakt moet worden van verkrijgingsprijs naar de boekwaarde eigen vermogen per ultimo 2008. Ultimo 2008 bedroeg de boekwaarde van Fortis Bank Nederland 4,08 miljard euro, ABN AMRO 4,77 miljard euro en ASR 432 miljoen euro. In totaal worden de betreffende deelnemingen dus tegen een boekwaarde van 9,29 miljard euro gewaardeerd op de staatsbalans in het FJR 2009.

Het verschil in waardering tussen FJR 2008 (tegen verkrijgingsprijs) en het FJR 2009 (tegen boekwaarde van het eigen vermogen) bedraagt ongeveer 14 miljard euro. Het is van belang om hierbij te vermelden dat dit een verandering van waarderingsgrondslag is die direct voortkomt uit de geldende voorschriften (uit de «techniek»), en niets zegt over de waardeontwikkeling van de ondernemingen in het tijdsbestek waarover gerapporteerd wordt of toekomstige verkoopprijs van de betreffende deelnemingen. Er kan puur op basis van deze nieuwe waardering dus zeer zeker niet gesteld worden dat de Staat op basis van deze cijfers concludeert dat er een verlies geleden zal worden op de deelnemingen in Fortis Bank Nederland, in ABN AMRO en ASR. Dit neemt niet weg dat het staatsvermogen (inter-temporeel) negatief wordt beïnvloed met dit verschil tussen FJR 2008 en FJR 2009, dus voor 14 miljard euro. Zie de toelichting bij de staatsbalans (in bijlage 3) voor een verdere toelichting.

ING Alt-A

In januari sluiten de Staat en ING Groep N.V. (ING) een overeenkomst voor een back-up faciliteit (IABF). Hierbij neemt de Staat voor 80 procent het economisch eigendom over van een gesecuritiseerde Amerikaanse hypothekenportefeuille. Als gevolg van deze transactie ontstaat enerzijds een meerjaren verplichting van de Staat aan ING (ultimo 2009 15,9 miljard euro). Anderzijds ontstaat er een vordering op ING waarbij de Staat recht heeft op 80 procent van de kasstromen resulterend uit de Alt-A hypothekenportefeuille (ultimo 2009 18,4 miljard euro).

Met de transactie wordt beoogd om ING optimaal in staat te stellen haar intermediairfunctie op de kredietmarkt te vervullen. Aanvankelijk had ING de Alt-A portefeuille om accountingtechnische redenen moeten afwaarderen ten laste van het eigen vermogen. De back-up faciliteit maakt deze verlaging van het eigen vermogen grotendeels ongedaan. Hierdoor blijft ING optimaal in staat haar kredietverlening op peil te houden en kan ook de eerdere kapitaalversterking beter haar werk doen.

ABN Amro/Fortis Bank Nederland herkapitalisatie(s)

In juli vond de eerste herkapitalisatie plaats van ABN Amro ter waarde van 2,5 miljard euro. Deze kapitaalversterking bestond uit een storting van 0,8 miljard euro (MCN) en inzet van een voorwaardelijke verplichting van de Staat (CRI) op een Nederlandse hypothekenportefeuille in het bezit van ABN Amro; door de garantie valt effectief voor 1,7 miljard euro aan kapitaal vrij.

In december vond de definitieve herkapitalisatie plaats van ABN Amro en Fortis bank Nederland. Aan ABN Amro werd in de vorm van aanvullende MCN’s voor 1,8 miljard euro additioneel kapitaal verstrekt. Bij Fortis Bank Nederland was sprake van een schuldconversie waarbij voor 1,35 miljard euro aan langlopende leningen werden omgezet in aandelenkapitaal. Het restant van de definitieve herkapitalisatie van 1,23 miljard euro wordt in 2010 verstrekt.

Beide herkapitalisaties zijn ingezet om te voldoen aan de eisen van de Nederlandschje Bank. Voor Fortis Bank Nederland is met de schuldconversie voldaan aan de eis voor hoger tier-1 kapitaal. Bij ABN Amro was het extra kapitaal benodigd voor het kunnen uitvoeren van de EC remedy (0,3 miljard euro), het opvangen van separatie- en integratiekosten (3,1 miljard euro) en het verrekenen van het negatieve vermogen in de shared assets (2,22 miljard euro).

Garantieregeling interbancaire leningen

De garantieregeling interbancaire leningen werd in 2008 in het leven geroepen om de financiering van banken op gang te houden; dit ter ondersteuning van de uiteindelijke kredietverlening van banken aan bedrijven en particulieren. Onder de regeling zijn in 2009 garanties verstrekt aan zes banken: LeasePlan, NIBC Bank, SNS Bank, ING Bank, Fortis Bank Nederland en Achmea Hypotheekbank. In 2009 werd voor 47,5 miljard euro aan garanties verstrekt.

De exacte uitwerking van de maatregel blijkt in de praktijk moeilijk vast te stellen. Evenwel trad op de kapitaalmarkt het afgelopen jaar geleidelijk aan wel herstel op. Gegeven echter de fragiliteit van dit herstel, is besloten om de garantieregeling ook in 2010 te continueren. Hierbij betalen banken dan wel een hogere premie zodat zij gestimuleerd worden zich alternatief te financieren. In Europees verband wordt overlegd over het ordentelijk verloop van een gezamenlijke exit.

Kapitaalversterking ABN Amro /Fortis Bank Nederland

In totaal bedraagt de kapitaalversterking voor AA/FBN 6,9 miljard euro. Van deze 6,9 miljard euro heeft het CBS ongeveer de helft (3,5 miljard euro) aangemerkt als een financiële transactie met geen gevolgen voor het EMU-saldo en andere helft (3,4 miljard euro) als een niet-financiële transactie (een zogenoemde kapitaaloverdracht) met wel gevolgen voor het EMU-saldo. In concreto, de kapitaalversterking van de Z-share van RFS (2,2 miljard euro) en de omzetting van een lening aan FBN in aandelenkapitaal van FBN (1,35 miljard euro) hebben het karakter van een financiële transactie, zonder gevolgen voor het EMU-saldo.

De gevolgen voor het EMU-saldo van 3,4 miljard euro zijn gespreid over 2009 en 2010. Ten laste van 2009 komt 2,2 miljard euro en ten laste van 2010 komt 1,2 miljard euro. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de belasting van de EMU-schuld van de kapitaalversterking in totaal uitkomt op 5,2 miljard euro, dus minder dan het totale bedrag van 6,9 miljard euro. Het verschil van 1,7 miljard euro betreft de garantie afgegeven door de staat op de hypotheekportefeuille van AA. Deze garanties hebben op moment van afgifte geen effect op de EMU-schuld. Pas wanneer de garanties getrokken worden – er kasbetalingen plaatsvinden – zal de schuld belast worden.

Hoofdstuk 3 – Financieel Management

3.1. Inleiding

De kwaliteit van het financieel management is als basis voor beheersing van de uitgaven al jaren van voldoende niveau. Verbeteringen die de afgelopen jaren zijn ingezet en doorgevoerd, hebben ervoor gezorgd dat in 2009 de bedrijfsvoering beheerst is verlopen. Het betekent niet dat de financiële functie vrij is van risico’s. Het blijkt lastig langlopende tekortkomingen definitief op te lossen. Ook blijkt dat bij sommige processen de tolerantiegrenzen voor fouten dicht worden genaderd. De processen binnen de financiële functie blijven onverminderd de aandacht vragen om de kwaliteit ervan te waarborgen.

3.2. De verantwoording over de bedrijfsvoering

In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementale jaarverslag legt elke minister verantwoording af over de rechtmatigheid van de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen, het gevoerde financieel en materieel beheer, de totstandkoming van de beleidsinformatie en eventuele overige aspecten van bedrijfsvoering van het desbetreffende departement. In het Financieel Jaarverslag van het Rijk wordt op basis van deze bedrijfsvoeringsparagrafen een rijksbreed beeld geschetst.

Rechtmatigheid van de uitgaven in 2009

Rechtmatigheid

Het niveau van rechtmatigheid van het Rijk is in 2009 wederom hoog. Het percentage onrechtmatigheden ligt voor het gehele Rijk, evenals voorgaande jaren, onder de 1 procent.

In de bedrijfsvoeringsparagrafen komen bij diverse departementen onregelmatigheden in de rechtmatigheid naar voren. Voor een groot deel hebben deze betrekking op de naleving van de Europese aanbestedingsregels. Bij het ministerie van BZK wordt melding gemaakt van onrechtmatigheden die hebben geleid tot overschrijding van tolerantiegrenzen op artikelniveau. Deze rechtmatigheidfout overschrijdt de artikeltolerantiegrens met 0,6 miljoen euro. In het Financieel Jaarverslag Rijk over 2008 werd bij zes begrotingshoofdstukken (Financiën, OCW, WWI, Defensie, VWS en Waddenfonds) melding gemaakt van overschrijding van de tolerantiegrenzen (op hoofdstukniveau en artikelniveau).

Bij het ministerie van BZK is sprake van een rechtmatigheidfout met een totaalbedrag van 15,6 miljoen euro. De achtergrond van deze onrechtmatigheid is dat de leges voor de uitgegeven reisdocumenten moeten worden afgedragen aan de batenlastendienst Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR). Deze leges komen, onder aftrek van de kosten die BPR maakt voor het produceren en distribueren van de reisdocumenten, toe aan het ministerie. Het ministerie van BZK heeft deze middelen echter niet geïnd, zodat hier strikt genomen sprake is van een onrechtmatigheid. Batenlastendiensten mogen namelijk geen middelen aanhouden die niet nodig zijn voor de onmiddellijke liquiditeitsbehoefte van de organisatie. Overigens is de reden om de middelen niet te innen het feit dat deze vanaf 2010 ingezet worden voor de financiering van de modernisering Gemeentelijke Basisadministratie (mGBA).

Informatievoorziening over de kredietcrisis en voorhangprocedure

Voorhangprocedure

Over 2008 was, als gevolg van het niet toepassen van de zogenoemde voorhangprocedure (art. 34 CW) bij de ingrepen in de financiële markten, bij het ministerie van Financiën in formele zin sprake van een onrechtmatigheid. De Tweede Kamer heeft, naar aanleiding van de maatregelen om de kredietcrisis te bestrijden, vanaf het najaar van 2008 aangedrongen op verbetering van de informatievoorziening en uitbreiding van de voorhangprocedure. In diverse Algemene Overleggen van de vaste Commissie voor Financiën en in brieven zijn deze onderwerpen besproken. Het overleg tussen de Tweede Kamer en het kabinet is nog niet afgerond. Een actueel en uitgebreid overzicht van de crisismaatregelen is opgenomen in bijlage 5 Monitor Financiële interventies. Dit overzicht is voor het eerst opgenomen in de Voorlopige Rekening 2009.

Voorhangprocedure

De voorhangprocedure, die is opgenomen in artikel 34 van de Comptabiliteitswet 2001 (CW), schrijft voor dat een minister het voornemen om bepaalde rechtshandelingen te verrichten, met name het oprichten van rechtspersonen of betrokkenheid daarbij en het nemen van deelnemingen, schriftelijk aan de Eerste en Tweede Kamer moet voorleggen. Daarna moet de minister dertig dagen wachten. Binnen die tijd kan een vijfde van de leden van één der Kamers nadere inlichtingen vragen. Als de Kamers geen nadere inlichtingen vragen, mag de minister zijn voornemen uitvoeren.

Als er wel inlichtingen gevraagd en verstrekt zijn, hebben de Kamers veertien dagen de tijd om het oordeel uit te spreken dat voor die handeling een wettelijke machtiging nodig is. Indien de Kamers in die tijd niet reageren, kan de minister de voorgenomen handeling uitvoeren.

De Kamers kunnen ook besluiten dat de minister een machtigingswet moet indienen ter autorisatie van de voorgenomen rechtshandeling. De minister moet dan een voorstel van wet indienen, waarin hij de Staten-Generaal vraagt hem te machtigen de rechtspersoon op te richten, dan wel de deelneming te nemen. Pas nadat de Tweede en Eerste Kamer met de wet hebben ingestemd, mag de minister de rechtshandeling verrichten.

Zowel de regering als Kamer zijn van mening dat de voorhangprocedure ex artikel 34 CW uitgebreid moet worden met zogenoemde «hybride constructies». Hiermee worden vormen van kapitaalverstrekking bedoeld waaraan een bepaalde mate van zeggenschap is verbonden. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde «back-up faciliteit» voor de gesecuritiseerde Alt-A portefeuille van ING. Daarnaast heeft de Tweede Kamer verzocht om middellijke deelnemingen1 en incidentele leningen en garanties onder de voorhangprocedure te brengen. Het overleg daarover is nog gaande.

Het gevoerde financieel beheer en materieel beheer

Uit de departementale jaarverslagen en de samenvattende accountantsrapporten komt het beeld naar voren dat het financieel en materieel beheer rijksbreed op orde is. In de afgelopen jaren hebben de aandacht voor het financieel en materieel beheer en de ingezette verbeteringen ertoe geleid dat geen nieuwe grote problemen zijn ontstaan in het beheer. Dit betekent niet dat zich geen risico’s voordoen in het beheer. Deze processen blijven onverminderd de aandacht vragen. Het blijkt lastig langlopende tekortkomingen definitief op te lossen (zie hierna voor VROM, Defensie, Justitie en de Belastingdienst), ondanks het feit dat departementen de afgelopen jaren de nodige maatregelen hebben getroffen. Ook komt uit de accountantsrapporten naar voren dat bij sommige processen de tolerantiegrenzen voor fouten dicht worden genaderd.

Financieel en materieel beheer

• Vorig jaar oordeelde de Algemene Rekenkamer dat de ernstige onvolkomenheid bij de jaarafsluiting bij het ministerie van VROM was teruggebracht tot een onvolkomenheid. De problemen in de financiële functie zijn in 2008 door de Algemene Rekenkamer als een ernstige onvolkomenheid in het financieel beheer aangemerkt. In 2009 heeft het ministerie van VROM met het in 2008 ingezette Verbeterplan financiële functie intensief gewerkt om het financieel beheer, waaronder het proces van de jaarafsluiting, de interne controle en het financiële bewustzijn te verbeteren. De resultaten zijn in de praktijk gedeeltelijk zichtbaar, de kwaliteit van de financiële functie is in 2009 verbeterd. De begrotingsadministratie is in het afgelopen boekjaar niet geheel op orde geweest, waardoor de omvang van de budgettaire problematiek niet in zijn volle omvang kon worden gepresenteerd in de tweede suppletoire begroting. De komende jaren zal het ministerie van VROM de ingezette maatregelen verder doorzetten en zich richten op een goede werking ervan. Een noodzakelijke cultuurverandering naar een goed financieel bewustzijn en het naleven van de interne procedures vereist de komende jaren blijvende aandacht.

• Het inkoopbeheer binnen het ministerie van Justitie is nog niet op alle aspecten op orde. Het gaat daarbij vooral om de naleving van de Europese Aanbestedingsregelgeving en het contractmanagement. De in voorgaande jaren getroffen maatregelen binnen het inkoopbeheer hebben in 2009 niet geleid tot een daling van het aantal onrechtmatige inkopen. In 2009 is voor een bedrag van rond de 50 miljoen euro (in 2008 48 miljoen euro) de Europese Aanbestedingsregelgeving niet nageleefd. De onrechtmatigheden blijven wel binnen de controletoleranties. Het contractmanagement is bij het ministerie van Justitie nog onvoldoende geborgd. Knelpunten zijn het ontbreken van stukken in de inkoopdossiers, het ontbreken van contracten en onvoldoende goede (onderbouwde) prestatieverklaringen. In overleg met de Algemene Rekenkamer is een verbeterplan voor het inkoopbeheer opgesteld.

• De Algemene Rekenkamer heeft in het Rapport bij het Jaarverslag 2008 geformuleerd wat het ministerie van Defensie in 2010 moet realiseren om bezwaar te voorkomen bij het financieel en materieel beheer. Het ministerie van Defensie heeft de uit te voeren maatregelen projectmatig ondergebracht binnen het bestaande meerjarige verbeterprogramma «Beter verbeteren». Over 2009 kan geconcludeerd worden dat grotendeels invulling is gegeven aan de concrete maatregelen en toezeggingen. Over het afgelopen jaar zijn op diverse aspecten van het financieel beheer resultaten geboekt; op andere vlakken is echter nog geen sprake van vooruitgang. Volgens de planning van het verbeterplan is pas vanaf 2012 sprake van een Defensiebreed ordelijk en controleerbaar financieel beheer. Het ministerie van Defensie heeft in 2009 wel drie onvolkomenheden opgelost. Ook het materieelbeheer heeft zich positief ontwikkeld, maar nog niet zodanig dat er sprake is van ordelijk materieelbeheer. Het munitiebeheer en wapenbeheer zijn nog onvoldoende op orde.

• In 2009 heeft de Belastingdienst veel aandacht besteed aan de onvolkomenheden in de bedrijfsvoering die de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2008 had geconstateerd. Dit heeft er in geresulteerd dat, met uitzondering van de processen rondom Awb-conform werken (afhandeling van klachten), telefonische bereikbaarheid en de Informatievoorziening-voortbrengingsorganisatie (IV), sprake is geweest van ordelijk en beheerst verlopen processen. Bij het Awb-conform werken en de telefonische bereikbaarheid is door de Belastingdienst actie ondernomen. Uit onderzoek blijkt dat de prestaties van de IV-keten achterblijven en dat deze keten nog niet alle waarborgen biedt om met voldoende zekerheid de doelstelling grote projecten als Toeslagen en ETM (invordering) en aanpassing in het AangifteBelastingSysteem te kunnen realiseren. Bij het op orde brengen van de IV-keten is extra aandacht nodig voor deze projecten en systemen.

Totstandkoming beleidsinformatie

Beleidsinformatie

De totstandkoming van beleidsinformatie is binnen het Rijk over het algemeen ordelijk en controleerbaar. Op onderdelen zijn bij diverse ministeries verbeteringen mogelijk. Dit betreft voornamelijk de dossiervorming. Bij de jaarverslagen van BZK, VROM, LNV, VWS, J&G en WWI is dit expliciet door de auditdienst als aandachtspunt genoemd. Bij het ministerie van Defensie heeft de auditdienst geconstateerd dat de totstandkoming nog niet volledig zelfstandig reconstrueerbaar en controleerbaar is. Het ministerie van Defensie heeft toegezegd prioriteit toe te kennen aan de verbetering van de verantwoordingsinformatie. Ook het ministerie van V&W heeft zich in 2009 ingezet om de beschikbaarheid, bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de beleidsinformatie te vergroten. Dit heeft zich vertaald in betere beleidsinformatie vanaf de begroting 2010. Verdere verbeteringen zullen zichtbaar zijn in de begroting 2011. Bij het ministerie van Justitie heeft de auditdienst aangegeven dat zij de betrouwbare totstandkoming van de beleidsinformatie in 2009 niet in alle gevallen heeft kunnen vaststellen. Dit houdt verband met een veelheid aan nieuwe bedrijfsprocessystemen. De minister van Justitie heeft aangekondigd dit onderwerp blijvend onder de aandacht te houden.

Overige aspecten van bedrijfsvoering

Uniformering en vereenvoudiging van subsidies

Subisidiekader

Veel onvolkomenheden in het financieel beheer worden elk jaar weer veroorzaakt door een tekortschietend subsidiebeheer. Een oplossing is gevonden in de uniformering en vereenvoudiging van het subsidieproces.

In 2009 zijn Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking tot stand gekomen, waarin het rijksbrede uniforme subsidiekader is verankerd. Het subsidiekader vereenvoudigt en harmoniseert de grote verscheidenheid aan subsidievoorwaarden en uitvoeringsprocedures die nu nog binnen het Rijk bestaan. Hierdoor wordt de kans op fouten verminderd en kan het aantal onvolkomenheden afnemen. Daarnaast wordt een lastenbesparing bereikt voor zowel instellingen, burgers, bedrijven als voor de rijksoverheid. De aanwijzingen zijn op 1 januari 2010 in werking getreden. Nieuwe of gewijzigde subsidieregelingen en op basis van (kader-)wetten verstrekte subsidies moeten vanaf deze datum aan de aanwijzingen voldoen. Voor bestaande subsidieregelingen geldt een overgangstermijn tot 2012. Binnen deze termijn moet de wet- en regelgeving worden aangepast.

Om ook de lasten van subsidies van de medeoverheden te reduceren, is het van belang de toepassing van het subsidiekader te verbreden. In november 2009 heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een model subsidieverordening gepubliceerd dat conform het rijksbrede subsidiekader is opgesteld. Ook in ambtelijk overleg met provincies heeft men zich positief uitgesproken over de toepassing van het subsidiekader bij provincies. De provincies Utrecht en Gelderland zullen als eerste provincies het Rijksbrede kader invoeren.

Europese aanbestedingsregels

Europese aanbesteding

Terugkerend thema in de departementale jaarverslagen blijft de naleving van de Europese aanbestedingsregels. In 2009 zijn bij enkele departementen de procedures aangescherpt en zijn maatregelen genomen die de naleving moeten bevorderen. Het ministerie van Financiën heeft de contractenadministratie op orde gebracht. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zet in op verdere centralisatie van de procedurele taken rond het aanbestedingsproces. Bij het ministerie van SZW is de inkoopfunctie per 1 juni 2009 gecentraliseerd (met uitzonderingen). Het ministerie van VROM is voornemens om vooraf met betrokken directies te inventariseren welke opdrachten er in 2010 naar verwachting Europees aanbesteed moeten worden. Verbeteringen zijn dan ook merkbaar. Desondanks blijkt dat bij enkele departementen (Justitie, VROM, WWI, SZW, J&G, VWS), de Staten-Generaal en enkele Hoge Colleges van Staat is afgeweken van de regelgeving. De ministeries van VWS, VROM en SZW en enkele Hoge Colleges van Staat hebben hier in uitzonderlijke gevallen, veelal vanwege beleidsmatige redenen, bewust voor gekozen. Bij de Staten-Generaal is de afwijking het gevolg van aanbestedingstrajecten uit voorgaande jaren die vanwege de looptijd doorwerken naar 2009. Bij het ministerie van Justitie is in de naleving van de Europese aanbestedingsrichtlijnen in 2009 geen substantiële verbetering gerealiseerd. Het ministerie van Justitie heeft naar aanleiding hiervan een plan van aanpak opgesteld. Het plan richt zich onder andere op het verbeteren van de processturing op aanbestedingstrajecten en het maandelijks monitoren van onrechtmatige aanbesteding.

De Ministerraad heeft op 16 november 2009 ingestemd met het wetsvoorstel Aanbesteden. Het voorstel voor de Aanbestedingswet zal in het voorjaar van 2010 worden ingediend bij de Tweede Kamer. De verwachting is dat overheden minder fouten zullen maken bij aanbestedingen op basis van de nieuwe Aanbestedingswet. De wet bevat eenvoudiger procedures en vergroot de transparantie van de procedures.

Sneller betalen

Sneller betalen

Eén van de crisismaatregelen is dat de Rijksoverheid scherper stuurt op de snelheid van het betalen van facturen. Om die reden is de betaaltermijn in de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden (ARIV)/Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van Opdrachten tot het verrichten van Diensten (ARVODI) gewijzigd van 45 dagen naar 30 dagen. In maart 2009 is deze wijziging van de betaaltermijn in de ARIV en ARVODI gepubliceerd in de Staatscourant (op respectievelijk 6 en 18 maart). In media, kamervragen en in relatie tot de kredietcrisis is het betaalgedrag van de overheid diverse malen ter discussie gesteld. Een rijksbreed onderzoek is uitgevoerd naar het betaalgedrag van de departementen (omvattende: kerndepartement, agentschappen en buitendiensten). Het onderzoek heeft zich gericht op de betaalde facturen in de periode 1 januari 2009 tot en met 30 april 2009. Facturen van derden (buiten de rijksdienst) voor geleverde goederen en diensten («transactie-uitgaven») zijn onderzocht. De samenvattende bevinding is dat rijksbreed gemiddeld 75 procent van de facturen tijdig is betaald. Een aantal departementen komt in dit onderzoek goed naar voren. Bij de ministeries van Buitenlandse Zaken, V&W en Financiën is meer dan 90 procent van de facturen tijdig betaald. In reactie op de uitkomsten van het onderzoek hebben ministeries aanvullende maatregelen getroffen om de betaaltermijn van 30 dagen te kunnen realiseren. Het rijksbreed beeld is dat deze maatregelen effect hebben gesorteerd. Over de hele linie is een stijging te zien van het aantal tijdig betaalde facturen. De ministeries (Justitie, OCW, VROM, EZ, Defensie en LNV) die in het onderzoek (ruim) onder het gemiddelde rijksbrede percentage hebben gescoord, maken in hun bedrijfsvoeringsparagraaf nu melding van percentages die op of boven het rijksbreed gemiddelde van 75 procent zitten. Deze ministeries moeten nog een slag maken om de kabinetsbrede doelstelling van minimaal 90 procent tijdig betaalde facturen te halen. In 2010 wordt het onderzoek naar het betaalgedrag bij de departementen herhaald. Vervolgens kan de balans worden opgemaakt of de getroffen maatregelen tot de gewenste verbetering hebben geleid en dat minimaal 90 procent van de facturen tijdig wordt betaald.

Doelmatigheid batenlastendiensten

Batenlastendiensten

Inzicht in de doelmatigheid is essentieel voor het batenlastendienstmodel. Tot op heden was het overzicht doelmatigheidskengetallen in de Rijksbegrotingvoorschriften (RBV) vormvrij: batenlastendiensten mochten naar eigen inzicht een overzicht opnemen. Met ingang van de RBV 2010 wordt de vorm en de inhoud van de doelmatigheidsparagraaf voor de batenlastendiensten voorgeschreven. Er is daarbij sprake van een ingroeimodel, hetgeen betekent dat het nog niet kunnen voldoen aan de gewijzigde RBV-vereisten via het «comply or explain» principe toegelicht moet worden. Doel van de aanpassingen is beter zicht te krijgen op de meerjarenontwikkeling van de doelmatigheid bij de batenlastendiensten. Nog niet alle departementen waren in staat om bij hun verantwoording over 2009 per batenlastendienst te rapporteren conform de aangepaste opzet.

Nationale verantwoording uitgaven EU-fondsen in gedeeld beheer

Het kabinet heeft in 2010 voor de vierde maal een nationale verklaring afgegeven. Hiermee wordt verantwoording afgelegd aan de Tweede Kamer en de Europese Commissie over de Europese subsidiefondsen in gedeeld beheer in Nederland. Het betreft een positieve verklaring voor de Europese Landbouwfondsen, het Europees Visserij Fonds, het Europees Sociaal Fonds en de Europese migratiefondsen. Bij het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling zijn verbetermaatregelen noodzakelijk in het financieel beheer teneinde financiële risico’s voor de Europese Unie te beperken. Naast Nederland hebben Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk in 2009 een nationale verklaring afgegeven.

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van eerdere voorstellen van Nederland en andere lidstaten vereenvoudigingen in bestaande structuurfondsverordeningen doorgevoerd. In 2009 zijn verdere vereenvoudigingvoorstellen door Nederland ingediend bij de Europese Commissie. In het kader van de review van het Financieel Reglement van de Europese Unie zijn voorstellen gedaan voor vereenvoudigingen en voor verbetering van de verplichte jaarlijkse samenvattingen (Annual Summary) over het financieel gedeeld beheer in de lidstaten.

3.3. Ontwikkelingen

Verbetering van het financieel management en van de begrotingsinfrastructuur is een continue opgave. Binnen de Rijksdienst zijn diverse rijksbrede en interdepartementale ontwikkelingen in gang gezet om de effectiviteit en efficiency van het financieel management verder te vergroten. Kernwoorden bij deze ontwikkelingen zijn uniformering, samenwerking, versnelling en vereenvoudiging.

Samenwerking financiële administraties

In het afgelopen jaar hebben de departementen SZW, VWS, VROM en Financiën onderzocht welke mogelijkheden tot interdepartementale samenwerking er zijn op het gebied van de financiële informatie systemen. Door de betrokken departementen is medio 2009 een principebesluit tot samenwerking, op basis van het financiële systeem van SZW, genomen.

Doel was op 1 januari 2011 over te gaan op dit systeem. Eind 2009 is echter gebleken dat de oorspronkelijk geplande doorontwikkeling van het systeem van SZW niet mogelijk was.

Daardoor kon de datum van 1 januari 2011 niet gehaald worden. Als gevolg hiervan heeft VROM besloten voor de financiële administratie een samenwerkingsverband aan te willen gaan met V&W voor het medegebruik van de V&W-ICT-omgeving.

De overige departementen (VWS, SZW, Financiën) werken op dit moment intensief samen om te komen tot aansluiting. VWS sluit aan op het systeem van SZW per 1 juli 2011. Financiën sluit hier per 1 januari 2012 ook op aan, waarna SZW zal converteren naar het nieuwe financiële systeem.

P-direkt

Het merendeel van de ministeries is overgegaan op P-direkt; het Shared Service Centrum op het gebied van personeels- en salarisadministratie en e-hrm. Uit de departementale jaarverslagen en de samenvattende accountantsrapporten is op te maken dat niet op grote problemen is gestuit bij de invoering. Wel moeten ministeries leren hoe het nieuwe systeem optimaal werkt. De filosofie van «zelfbediening» is bij de ministeries nog onvoldoende ingebed in de organisatie. Daarnaast kan de organisatie P-direkt nog niet in alle gevallen de gewenste managementinformatie leveren. Het zelfbedieningsconcept heeft consequenties voor de sturing en beheersing van de personeelsprocessen. Het toezicht op juist gebruik van de diensten van P-direkt ligt vrijwel volledig bij de leidinggevende. De inmiddels aangesloten departementen hebben het initiatief genomen voor de inrichting van een rijksbrede controlfunctie op de processen van P-direkt.

Experiment Verbetering verantwoording en begroting

Het verslagjaar 2009 is het laatste jaar van het experiment Verbetering verantwoording en begroting. Belangrijkste doelstelling van dit experiment betreft meer focus en politieke relevantie in de begroting en het jaarverslag onder gelijktijdige vermindering van verantwoordingslasten en bureaucratie. Randvoorwaarden voor het experiment zijn recht te blijven doen aan het budgetrecht van de Tweede Kamer en ongewenst informatieverlies voorkomen. Aan het experiment wordt deelgenomen door VWS, Buitenlandse Zaken, LNV, VROM, WWI en J&G. De eindevaluatie van het experiment zal in nauwe samenwerking met de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer plaatsvinden en was voorzien voor het najaar 2010. Door de val van het kabinet kan het laatste onderdeel van het experiment, de behandeling van de departementale jaarverslagen 2009, pas in het najaar plaatsvinden. Dit heeft tot gevolg dat de eindevaluatie pas begin 2011 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Aan de hand hiervan zal worden bepaald of de begrotingspresentatie definitief rijksbreed worden ingevoerd.

Onderdeel van het experiment vormt het bij het departementale jaarverslag meesturen van een beleidsdoorlichting naar de Tweede Kamer. Een beleidsdoorlichting geeft de Tweede Kamer mogelijkheden om de effectiviteit van overheidsbeleid te beoordelen. Bij de jaarverslagen over 2009 zijn door de ministeries van LNV, J&G, VROM, WWI en Buitenlandse Zaken beleidsdoorlichtingen aan de Tweede Kamer gestuurd. De aankondigde beleidsdoorlichting van VWS is opgenomen in de Heroverweging Curatieve Zorg en niet apart aan de Kamer verstuurd.

Toleranties

Gelet op het al jaren hoge niveau van rechtmatigheid van de begrotingsuitvoering, is over de jaren 2007 en 2008 een experiment uitgevoerd met toleranties. Met de Algemene Rekenkamer zijn afspraken gemaakt over het verruimen van de tolerantiegrenzen voor de rapportage en de accountantscontrole. Doel hiervan is focus op écht belangrijke aangelegenheden voor rapportage aan de Tweede Kamer en op verlichting van de controledruk. Eind 2009 is de evaluatie van dit experiment uitgevoerd. Hierbij is ook een belevingsonderzoek gehouden naar het totale beeld van de verantwoordings- en controldruk binnen de Rijksoverheid. Uit de evaluatie van het experiment met toleranties volgt een positief beeld van het effect op zowel controledruk als rapportage. Het effect op de totale controledruk is echter bescheiden. Wil de controledruk substantieel dalen dan zijn steviger maatregelen nodig. Naar aanleiding van het experiment met toleranties vindt met de Algemene Rekenkamer overleg plaats over een vereenvoudiging van de te hanteren toleranties.

Pilot batenlastenstelsel

Op 31 maart 2009 is het kabinet in de motie van het lid Mastwijk (TK 2008–2009, 31 865, nr. 3) verzocht om in beeld te brengen wat:

1. de ontwikkeling in andere landen zijn op het gebied van batenlastenstelsels (BLS);

2. de reële kosten zijn van een rijksbrede invoering van een BLS;

3. de verschillen tussen het kasverplichtingenstelsel en het BLS zijn voor wat betreft het rapporteren richting Europa.

De achtergrond van deze motie is het overleg van 19 februari 2009 met de Tweede Kamer naar aanleiding van de brief van 23 september 2008 (TK 2008–2009 28 737, nr. 17). In de brief is verslag gedaan van de resultaten met de pilot BLS bij LNV. Op basis van de resultaten van deze pilot heeft het kabinet de voor- en nadelen van een integrale invoering van het BLS in beeld gebracht en zich op het standpunt gesteld dat de toegevoegde waarde van invoering bij de kerndepartementen beperkt is.

In het voorjaar van 2010 zal de regering de Tweede Kamer verslag doen van de internationale ontwikkelingen en ervaringen op het gebied van het BLS. Daarbij wordt ingegaan op de ervaring met en toepassing van verschillende begrotingsstelsels van 14 OECD-landen. Dit onderzoek is verricht door het ministerie van Financiën in samenwerking met de Algemene Rekenkamer. Het onderzoek is beschrijvend van aard. Daarnaast zal verslag gedaan worden van de laatste wetenschappelijke bevindingen op het gebied van Rijksbegroting en BLS. Dit wetenschappelijke onderzoek is verricht door de Universiteit van Amsterdam. Uitdrukkelijk zal ook aanbesteed worden aan een raming van de kosten van rijksbrede invoering van het BLS. Tenslotte zal verslag gedaan worden van de verschillen tussen het kas- en verplichtingenstelsel en het BLS voor wat betreft de eisen die vanuit de Europese Unie worden gesteld aan het rapporteren over de ontwikkeling van de overheidsfinanciën.

Gedrukte Bijlagen

Bijlage 1. Rijksrekening van uitgaven en ontvangsten

Bijlage 2. Saldibalans van het Rijk 2009

Bijlage 3. Staatsbalans 2009 en garantieoverzicht

Bijlage 4. De belasting- en premieontvangsten

Bijlage 5. Monitor Financiële interventies

Bijlage 1: Rijksrekening van uitgaven en ontvangsten

Rekening van de uitgaven van de ministeries en de begrotingsfondsen 2009 (x € 1000)
  Rekening van oorspronkelijk vastgestelde begroting realisatie verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
I Huis der Koningin 6 960 6 961 1
IIA Staten-Generaal 133 588 134 657 1 069
IIB Overige Hoge Colleges en Kabinetten 99 345 110 129 10 784
III Algemene Zaken 67 527 70 888 3 361
IV Koninkrijksrelaties 348 503 607 874 259 371
V Buitenlandse Zaken 9 928 454 11 136 193 1 207 739
VI Justitie 5 730 878 6 239 605 508 727
VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 6 584 302 6 012 021 – 572 281
VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 35 173 348 36 285 506 1 112 158
IXA Nationale Schuld 47 099 511 62 975 971 15 876 460
IXB Financiën 4 256 629 14 044 881 9 788 252
X Defensie 8 467 899 8 732 619 264 720
XI Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 1 212 221 1 487 261 275 040
XII Verkeer en Waterstaat 8 790 820 9 074 642 283 822
XIII Economische Zaken 2 783 904 2 805 863 21 959
XIV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2 473 318 2 549 581 76 263
XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid 25 417 569 26 900 617 1 483 048
XVI Volksgezondheid, Welzijn en Sport 14 665 248 15 267 292 602 044
XVII Jeugd en Gezin 6 221 838 6 498 908 277 070
XVIII Wonen, Wijken en Integratie 4 891 740 5 061 507 169 767
  Infrastructuurfonds 7 753 572 7 352 211 – 401 361
  Fonds Economische Structuurversterking 2 477 869 1 724 134 – 753 735
  Waddenfonds 40 478 14 267 – 26 211
  BTW-Compensatiefonds 2 467 964 2 577 086 109 122
  Gemeentefonds 17 454 178 17 683 013 228 835
  Provinciefonds 1 299 180 1 329 208 30 028
  Spaarfonds AOW 0 0 0
  Diergezondheidsfonds 10 998 14 555 3 557
  Totalen 215 857 841 246 697 450 30 839 609
Rekening van de ontvangsten van de ministeries en de begrotingsfondsen 2009 (x € 1000)
  Rekening van oorspronkelijk vastgestelde begroting realisatie verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting
I Huis der Koningin 0 0 0
IIA Staten-Generaal 2 454 8 331 5 877
IIB Overige Hoge Colleges en Kabinetten 2 777 4 293 1 516
III Algemene Zaken 1 937 2 879 942
IV Koninkrijksrelaties 16 271 127 749 111 478
V Buitenlandse Zaken 836 375 2 935 550 2 099 175
VI Justitie 1 253 338 1 314 443 61 105
VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 238 073 899 025 660 952
VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 1 971 034 2 215 969 244 935
IXA Nationale Schuld 30 357 950 67 512 745 37 154 795
IXB Financiën 134 253 781 121 321 659 – 12 932 122
X Defensie 531 543 466 928 – 64 615
XI Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 255 674 329 624 73 950
XII Verkeer en Waterstaat 90 373 98 110 7 737
XIII Economische Zaken 12 224 841 9 833 531 – 2 391 310
XIV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 608 048 513 695 – 94 353
XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid 776 930 913 399 136 469
XVI Volksgezondheid, Welzijn en Sport 59 115 568 690 509 575
XVII Jeugd en Gezin 13 515 139 594 126 079
XVIII Wonen, Wijken en Integratie 847 312 996 828 149 516
  Infrastructuurfonds 7 753 572 7 475 744 – 277 828
  Fonds Economische Structuurversterking 2 477 869 1 724 134 – 753 735
  Waddenfonds 33 878 33 878 0
  BTW-Compensatiefonds 2 467 964 2 577 086 109 122
  Gemeentefonds 17 454 178 17 683 013 228 835
  Provinciefonds 1 299 180 1 329 208 30 028
  Spaarfonds AOW 4 805 325 4 793 649 – 11 676
  Diergezondheidsfonds 10 998 3 954 – 7 044
  Totalen 220 644 305 245 823 708 25 179 403

Bijlage 2: Saldibalans van het Rijk

Saldibalans van het Rijk per 31 december 2009
DEBET CREDIT
OMSCHRIJVING € mln. OMSCHRIJVING € mln.
1 Uitgaven ten laste van de begroting 2009 246 697 12 Ontvangsten ten gunste van de begroting 2009 245 824
2 Uitgaven buiten begrotingsverband (intra-comptabele vorderingen) 9 157 13 Ontvangsten buiten begrotingsverband (intra-comptabele schulden) 12 920
3 Liquide Middelen 78 14 Saldi begrotingsfondsen 35 961
4 Saldo geldelijk beheer van het Rijk 39 579 15 Saldi begrotingsreserves 806
  Totaal intra-comptabele posten 295 511   Totaal intra-comptabele posten 295 511
5 Openstaande rechten 21 264 16 Tegenrekening openstaande rechten 21 264
6 Extra-comptabele vorderingen op derden 75 743 17 Tegenrekening extra-comptabele vorderingen 75 743
7 Tegenrekening extra-comptabele schulden 288 477 18 Extra-comptabele schulden aan derden 288 477
8 Voorschotten 134 047 19 Tegenrekening voorschotten 134 047
9 Tegenrekening openstaande verplichtingen 114 947 20 Openstaande verplichtingen 114 947
10 Deelnemingen 39 191 21 Tegenrekening deelnemingen 39 191
11 Tegenrekening garanties 155 807 22 Garanties 155 807
  Totaal extra-comptabele posten 829 476   Totaal extra-comptabele posten 829 476
           
  TOTAAL-GENERAAL 1 124 987   TOTAAL-GENERAAL 1 124 987

Toelichting op de saldibalans van het Rijk.

De saldibalans van het Rijk is een optelling van de goedgekeurde saldibalansen van de afzonderlijke begrotingshoofdstukken, die geconsolideerd wordt met de saldibalans van de centrale administratie van ’s Rijks Schatkist. Door het optellen van de afzonderlijke saldibalansen komen ook onderlinge schuldverhoudingen tussen begrotingshoofdstukken tot uiting in de saldibalans van het Rijk. Voor een nadere toelichting op de cijfers wordt verwezen naar de jaarverslagen van de departementen of de begrotingsfondsen.

Ad 1) Uitgaven ten laste van de begroting

Onder de post uitgaven ten laste van de begroting worden de gerealiseerde uitgaven van het betreffende begrotingsjaar opgenomen van alle ministeries en begrotingsfondsen.

Ad 2) Uitgaven buiten begrotingsverband (intra-comptabele vorderingen)

Onder uitgaven buiten begrotingsverband worden de uitgaven geboekt die in een later jaar met een ander onderdeel van het Rijk dan wel met een derde worden verrekend. Onder deze post staan alleen de vorderingen waarvan wordt verwacht dat binnen een afzienbare termijn verrekening zal plaatsvinden.

Ad 3) Liquide middelen

De totaalstand van de liquide middelen bestaat uit het saldo bij de banken en de contante gelden.

Ad 4) Saldo geldelijk beheer van het Rijk

De post saldo geldelijk beheer van het Rijk bevat de door Financiën overgenomen uitgaven en ontvangsten binnen begrotingsverband van afgesloten begrotingsjaren. De definitieve afsluiting van een begrotingsjaar vindt plaats nadat de Staten-Generaal de Slotwet hebben aangenomen. Nadat de Staten-Generaal de Slotwet hebben aangenomen worden de eindbedragen voor de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op het afgesloten begrotingsjaar overgeboekt op de post saldo geldelijk beheer van het Rijk.

Ad 5 en 16) Openstaande rechten

Onder openstaande rechten wordt verstaan: vorderingen die niet voortvloeien uit met derden te verrekenen begrotingsuitgaven, maar op andere wijze ontstaan. Rechten kunnen ontstaan doordat conform wettelijke regelingen vastgestelde aanslagen aan derden worden opgelegd (bijvoorbeeld belastingen, college- en schoolgelden) of op grond van doorberekening van de kosten van verleende diensten of geleverde goederen. Rechten zijn een voorfase van de ontvangsten.

Ad 6 en 17) Extra-comptabele vorderingen op derden

Extra-comptabele vorderingen zijn vorderingen die zijn voortgevloeid uit uitgaven ten laste van de begroting. Het gaat dan om reeds verrichte uitgaven welke binnen begrotingsverband zijn geboekt en waarvoor op termijn nog een verrekening met derden dan wel met een ander onderdeel van het Rijk zal plaatsvinden. Tevens zijn hierin begrepen uitgaven die in eerste instantie op derdenrekeningen zijn geboekt, maar waarvan de verrekening met derden dan wel een ander onderdeel van het Rijk niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, terwijl verrekening wel mogelijk is.

Inbegrepen in deze post is een vordering van 686 miljoen euro die Defensie heeft op Financiën voor de verkoop van strategische goederen.

Ad 7 en 18) Extra-comptabele schulden op derden

Extra-comptabele schulden zijn schulden die zijn voortgevloeid uit ontvangsten ten gunste van de begroting. Net als bij extra-comptabele vorderingen gaat het om reeds verrichte ontvangsten welke geboekt zijn binnen begrotingsverband en waarvoor nog op termijn een verrekening plaats zal vinden. Ook uitgegeven leningen worden onder de post extra-comptabele schulden opgenomen.

Inbegrepen in deze post is een schuld van 686 miljoen euro die Financiën heeft op Defensie voor de verkoop van strategische goederen.

Ad 8 en 19) Voorschotten

Onder de post voorschotten worden de bedragen opgenomen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op een later definitief vast te stellen c.q. af te rekenen bedrag.

Ad 9 en 20) Openstaande verplichtingen

De post openstaande verplichtingen vormt een saldo van aangegane verplichtingen en hierop verrichte betalingen. Het saldo heeft zowel betrekking op de binnen als buiten begrotingsverband geboekte verplichtingen.

Ad 10 en 21) Deelnemingen

Onder de post deelnemingen worden alle deelnemingen in besloten en naamloze vennootschappen en internationale instellingen opgenomen. De waardering van de deelnemingen geschiedt op basis van de oorspronkelijke aankoopprijs. In enkele gevallen geschiedt de waardering tegen de nominale waarde van het aandeel in het gestort en opgevraagd kapitaal.

Ad 11 en 22) Garanties

Onder de post garanties worden de bedragen opgenomen die de hoofdsommen vormen van de garanties. Een afgegeven garantie wordt gezien als een verplichting en moet ook op dezelfde manier in de administratie worden verwerkt. Er is dus geen verschil in de registratie van garantieverplichtingen en andersoortige verplichtingen. Een verschil tussen een garantie en een andere verplichting is wel dat de hoofdsom van een garantie veelal niet of slechts gedeeltelijk tot uitbetaling zal leiden.

Ad 12) Ontvangsten ten gunste van de begroting

Onder de post ontvangsten ten gunste van de begroting worden de gerealiseerde ontvangsten van het betreffende begrotingsjaar opgenomen van alle ministeries en begrotingsfondsen.

Ad 13) Ontvangsten buiten begrotingsverband (intra-comptabele schulden)

Onder ontvangsten buiten begrotingsverband worden de ontvangsten geboekt die in een later jaar met een ander onderdeel van het Rijk dan wel met een derde worden verrekend.

Ad 14) Saldi begrotingsfondsen

Onder saldi begrotingsfondsen worden de voordelige beginsaldi van het betreffende begrotingsjaar opgenomen. Het betreft de voordelige beginsaldi van het Infrastructuurfonds, het Waddenfonds, het Diergezondheidsfonds en het Spaarfonds AOW.

Ad 15) Saldi begrotingsreserve

Onder de saldi begrotingsreserve worden de interne reserves van de ministeries opgenomen. Het betreft hier de reserves voor het Museaal Aankoopfonds en de risicopremie garantstelling (OCW), de begrotingsreserve schuldsanering (Koninkrijksrelaties), de reserves in het kader van de Inpres-8 faciliteit, de Garantiefaciliteit Opkomende Markten en de SENO faciliteit en de begrotingsreserves LNV.

Bijlage 3. Staatsbalans 2009 en garantieoverzicht

1.1. Inleiding Staatsbalans

De bijlage Staatsbalans omvat de balans van de Staat der Nederlanden ultimo 2009 (inclusief het garantieoverzicht), die is afgezet tegen de balans ultimo 2008, zoals gepubliceerd in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) 2008.

1.2. Staatsbalans per 31 december 2009

Algemeen

Opstelling Staatsbalans volgens ESR 1995

De Staatsbalans wordt opgesteld volgens het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 1995). Aangezien de Staatsbalans is gebaseerd op het ESR 1995 kunnen de waarderings- en afbakeningsvraagstukken worden opgelost volgens een internationaal aanvaarde methodologie. De consolidatiekring is beperkt tot de Staat der Nederlanden. De omschrijving van de overheid is in het ESR 1995 ruimer dan de rechtspersoon van de Staat der Nederlanden. In het ESR 1995 is een economische invalshoek gekozen.

Wat betreft de waarderingsgrondslag is in het ESR 1995 gekozen voor een waardering op basis van de marktwaarde in plaats van een waardering op basis van de nominale of historische waarde en voor lineaire afschrijvingen. Waar geen marktwaarde voorhanden is, wordt deze zo goed mogelijk benaderd. In voorkomende gevallen wordt dit toegelicht bij de betreffende balanspost.

De ontwikkeling van het staatsvermogen

Het staatsvermogen is afgenomen van 16,9 miljard euro in 2008 tot 18,5 miljard euro negatief in 2009. In Tabel 1 is de ontwikkeling van het vermogen van de Staat weergegeven, uitgesplitst naar de drie verklarende factoren: de mutatie van het EMU-saldo, de mutatie als gevolg van herwaardering van balansposten en de mutatie in netto financiële transacties.

Tabel 1 ontwikkeling staatsvermogen (x € miljard)
1. Staatsvermogenultimo 2008 16,9
2. Afname door EMU-saldoRijk – 19,5
3. Afname door herwaarderingen 8,5
– waarvan minerale reserves 7,3
– waarvan reserves deelnemingen 1,9
– waarvan staatsobligaties – 0,7
4. Afname door netto financiële transacties en overig – 24,4
– waarvan nominale staatsschuld – 0,7
– waarvan bezit uit kredietcrisismaatregelen – 38,7
– waarvan kastransactieverschillen – 1,0
– waarvan overige kortlopende leningen 7,2
5. Staatsvermogen ultimo 2009 (5= 1+2+3+4) – 18,5

Deze posten kunnen als volgt worden toegelicht.

Het EMU-saldo van de overheid in 2009 bedroeg – 5,3 procent BBP, circa 30 miljard euro negatief. Het rijksdeel van het EMU-saldo liet over 2009 een negatief saldo van bijna 20 miljard euro zien.

De mutatie van de herwaarderingen met circa 8,5 miljard euro betreft het saldo van drie posten, te weten: de minerale reserves, reserves van deelnemingen en staatsobligaties. De herwaardering van de minerale reserves is de resultante van hogere olieprijzen en hogere dollarkoers en is inclusief nieuwe winbare gasvelden. De toename van de reserves van circa 2 miljard euro is geconcentreerd bij De Nederlandsche Bank. De herwaardering van de staatsobligaties is met bijna 1 miljard gering te noemen.

De mutatie van de post netto financiële transacties en overig bedraagt ruim 24 miljard euro. Dit is de resultante van diverse posten. De grootste post is met bijna 39 miljard euro het saldo van mutaties in het bezit uit kredietcrisismaatregelen (o.a. aflossing lening FBN, verwerving economisch eigendom Alt-A hypotheken ING en de waardering van AA). Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de beschrijving van de afzonderlijke balansposten.

De omvang van het Staatsvermogen, voortvloeiend uit de ESR-definitie laat over de afgelopen vijf jaar een wisselend beeld zien, zoals blijkt uit figuur 1.

kst-32360-1-7.gif

Samenstelling van het staatsvermogen

Tabel 2 Overzicht van activa en passiva (x € miljoen)
  2008 2009
A Niet-financiële activa 167 437 164 904
A1 Winstrechten minerale reserves 90 300 86 600
A2 Overige niet-financiële activa 77 137 78 304
     
B Vorderingen 200 530 167 494
B1 Chartaal geld en deposito’s 4 112 389
B2 Langlopende effecten 0 16 076
B3 Financiële derivaten 1 935 – 216
B4 Verstrekte kortlopende leningen 45 835 19 055
B5 Verstrekte langlopende leningen 29 596 29 029
B6 Aandelen en overige deelnemingen 86 570 67 310
B7 Handelskredieten en transitorische posten 32 482 35 851
     
C Schulden 351 056 350 940
C1 Chartaal geld en deposito’s 1 024 1 404
C2 Kort lopende waardepapieren 83 735 57 565
C3 Staatsobligaties 209 403 223 435
C4 Kortlopende leningen 24 469 20 071
C5 Langlopende leningen 11 655 27 179
C6 Handelskredieten en transitorische posten 20 770 21 287
D Staatsvermogen(A+B-C) 16 909 – 18 544

De afzonderlijke balansposten worden toegelicht in de volgende paragrafen. Meer in het algemeen springt de aanzienlijke afname van de verstrekte kortlopende leningen en kortlopende waardepapieren in het oog. In 2009 is door Fortis Bank Nederland Holding NV de lening van 34 miljard afgelost. Dit verklaart de afname van de kortlopende leningen. Voor de verstrekking van deze lening had de Staat voornamelijk schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates) en commercial papers afgesloten. Deze zijn in 2009 weer afgelost. De toename van de langlopende effecten en de langlopende leningen komt door de Alt-A hypothekenportefeuille van de ING. De grote afname van de aandelen en overige deelnemingen komt door de waardering van de deelneming in Fortis, ABN AMRO en RFS. De Garantieregeling voor bancaire leningen van 200 miljard euro is niet geactiveerd op de balans. Garanties hebben het karakter van een contingent liability (voorwaardelijke verplichting) en mogen volgens ESR 1995 regelgeving als zodanig niet geactiveerd worden op de balans. In de bijlage van dit hoofdstuk is een overzicht van alle garantieregelingen opgenomen.

Segmentering van het vermogen

Onder segmentering van het staatsvermogen wordt verstaan in hoeverre het vermogen van de staat als het ware al een specifieke bestemming heeft gekregen in de vorm van positieve saldi van de fondsen van de rijksbegroting, zoals het Infrastructuurfonds, het Waddenfonds en het Diergezondheidsfonds. Positieve saldi van begrotingsfondsen kunnen beschouwd worden als een soort van geoormerkt staatsvermogen. Bij een negatief staatsvermogen, zoals in 2009 het geval is, geeft segmentering inzicht hoeveel negatief het niet-vastliggende staatsvermogen bedraagt. Ultimo 2009 bedroeg het saldo van de begrotingsfondsen 463 miljoen euro positief. Tabel 3 bevat een overzicht van de opbouw van dit saldo. Gegeven het negatief vermogen ultimo 2009 van 18,5 miljard euro, bedraagt het niet-vastliggend staatsvermogen 19 miljard euro negatief.

Tabel 3. Saldi van Begrotingsfondsen van de rijksbegroting per 31 december 2009 per fonds (x € miljoen)
Naam Fonds Saldo
Infrastructuurfonds 372
Fonds Economische Structuurversterking 0
Waddenfonds 83
BTW-Compensatiefonds 0
Gemeentefonds 0
Provinciefonds 0
Diergezondheidsfonds 8
Subtotaal 463
Spaarfonds AOW 40 424
Totaal ultimo 2009 40 887

De ontvangsten van de begrotingsfondsen met het vermogen nul worden ieder jaar gelijk gesteld aan de uitgaven van deze begrotingsfondsen. Het vastliggen van vermogen in begrotingsfondsen blijkt met een omvang van ruim 450 miljoen euro beperkt van omvang te zijn. Daarbij is het saldo van het AOW-spaarfonds niet meegeteld, gezien het afwijkende karakter van dit saldo. Het AOW spaarfonds is het enige fonds waar alleen ontvangsten op worden geboekt en waar verder geen uitgavenmutaties in plaatsvinden.

Consolidatiekring

De financiële gegevens van de Centrale administratie van ’s Rijks schatkist (CAR) en van de ministeries, de begrotingsfondsen en de baten-lastendiensten zijn integraal geconsolideerd. De interne schuldverhoudingen zijn in de consolidatie geëlimineerd.

1.3. Actualisatie waardering Financiële deelnemingen

Zoals reeds vermeld in hoofdstuk 2 (paragraaf 2.6) van het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) ontstaat er door de toepassing van het ESR 1995 en de bestendige gedragslijn bij de waardering van staatsdeelnemingen op de staatsbalans een opvallende mutatie bij de waardering van Fortis Bank Nederland, ABN AMRO en ASR tussen het jaarverslag van vorig jaar (FJR 2008) en voorliggend jaarverslag (FJR 2009). Dit heeft te maken met het feit dat deelnemingen in de eerste staatsbalans na aanschaf worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en de jaren/jaarverslagen daarna tegen de boekwaarde van het eigen vermogen (t-1). Deze mutatie wordt uitvoerig toegelicht bij onderdeel B6.

2. Toelichting op de afzonderlijke balansposten

Zoals aangegeven is het Staatsvermogen in 2009 afgenomen van 16,9 miljard euro positief naar 18,5 miljard euro negatief. De belangrijkste mutaties in de verschillende balansposten worden hierna afzonderlijk toelicht, onderverdeeld naar niet-financiële activa, vorderingen en schulden.

A Niet-financiële activa

A1 Winstrechten minerale reserves

Conform het ESR 1995 is de netto contante waarde berekend van de toekomstige winstrechten van de Staat, samenhangend met de gas-, olie- en zoutwinning. De waarde ervan bedraagt ultimo 2009 86,6 miljard euro. Ten opzichte van 2008 zijn de toekomstige winstrechten samenhangende met de gas-, olie en zoutwinning met 3,7 miljard euro afgenomen. Deze afname van de winstrechten van minerale reserves wordt in het onderstaande overzicht uitgesplitst. Voor de berekening van het aardgas wordt uitgegaan van een verwacht productievolume voor de komende 25 jaar. In de berekening zijn de aardgasbaten exclusief vennootschapsbelasting verwerkt. Voor de periode 2010–2015 zijn de nominale ramingen volgens de meerjarencijfers contant gemaakt tegen de lange rente op staatsobligaties. Voor de jaren 2016 en verder zijn de gasbaten contant gemaakt tegen een reële disconteringsvoet van 4%.

Tabel A1.1 Mutatie in de winstrechten uit minerale reserves in 2009(x € miljoen)
stand ultimo 2008 90 300
   
Volume mutatie  
a) aardgas verkocht 2009 – 11 000
b) nieuwe velden winbaar geworden 1 300
Prijs mutatie  
c) herwaardering aardgas 6 000
winstrechten 2009 86 600

Toelichting bij de bovenstaande cijfers:

De afname van de winstrechten uit minerale reserves komt door een lagere gasvoorraad ultimo 2009. Deze afname wordt voor een deel gecompenseerd door een hogere olieprijs voor de jaren 2010 en 2011, waaraan de gasprijs is gekoppeld.

Prijsontwikkeling van de minerale reserves

Aan de raming van de minerale reserves ultimo 2009 liggen veronderstellingen voor een hogere olieprijs en dollarkoers in de jaren 2010 en 2011 ten grondslag. De onderstaande tabel laat deze veronderstellingen zien.

Tabel A1.2 Prijsveronderstellingen raming minerale reserves
  Staatsbalans2008 Staatsbalans 2009
Dollarkoers voor 2009 1,32 1,49
Dollarkoers voor 2010 1,32 1,49
Dollarkoers voor 2011–2033 1,45 1,45
     
Olieprijs voor 2009 44 77
Olieprijs voor 2010 44 77
Olieprijs voor 2011–2033 65 65

Volumemutatie minerale reserves

Ultimo 2009 was het volume van de aardgasvoorraad 46 miljard kubieke meter lager dan ultimo 2008. Deze afname is de resultante van twee tegenovergestelde bewegingen. Aan de ene kant nam de voorraad af met het gasverbruik in 2009. Aan de andere kant nam de voorraad toe door toename van de winbare velden. De onderstaande tabel laat de volumeontwikkeling zien.

Tabel A1.3. Ontwikkeling gasvolume(x miljarden kubieke meter)
1) Staatsbalansultimo 2008 1 157
   
2) Verbruik 2009 75
3) Toename winbare voorraad 29
4) Staatsbalansultimo 2009 (4=1–2+3) 1 111

A2 Overige niet-financiële activa

De rijkseigendommen zijn van zeer uiteenlopende aard. Het gaat bijvoorbeeld om:

– goederen van culturele aard, dit zijn de kunstwerken in de musea;

– gebouwen in bezit van de Staat. Deze gebouwen zijn te splitsen in:

• gebouwen in het buitenland, dit zijn de ambassades en ambtswoningen die in bezit zijn van de Staat;

• gebouwen die de Rijksgebouwendienst (RGD) in eigendom heeft onder burgerlijke rijksgebouwen. Dit zijn bijvoorbeeld de kantoorpanden van de ministeries die in rijkseigendom zijn;

• militaire gebouwen.

– militaire terreinen;

– landbouwgronden in eigendom van de Staat. Deze landbouwgronden zijn in bezit bij Rijksvastgoed en ontwikkelingsbedrijf (voorheen Domeinen), bij Bureau Beheer Landbouwgronden en Staatsbosbeheer.

– kanalen, rivierwerken, zee- en oeververbindingen, waterwegen, de Afsluitdijk, primaire waterkeringen en de Hogesnelheidslijn-Zuid;

– diverse vaartuigen, computers, inventaris, installaties, software (ook de roerende zaken van de baten-lastendiensten zijn hierin opgenomen).

De algemene principes van de waarderingsgrondslagen van niet financiële activa zijn als volgt:

De grondslag voor de bepaling van de afschrijving is voor iedere groep van activa de geschatte gebruiksduur, waarbij rekening wordt gehouden met de restwaarde. De vaststelling van de gebruiksduur en de bepaling van de (rest)waarde geschieden steeds in overleg met deskundigen van de ministeries, waaronder deze activa ressorteren.

Op de uitgaven voor de verharding van wegen wordt in het jaar van investering 50% afgeschreven. Op gebouwen en waterbouwkundige werken bedragen de afschrijvingen 1% per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met een geschatte residuwaarde. Op gronden wordt niet afgeschreven.

De goederen zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen. In het merendeel van de gevallen is voor de benadering hiervan uitgegaan van de historische kostprijs. Deze worden door middel van indexcijfers herleid tot de vervangingswaarde. In sommige gevallen wordt om doelmatigheidsredenen een globale methode gehanteerd (kantoorinventarissen, bibliotheken, automatiseringsmiddelen, telefooncentrales, gereedschappen, e.d.).

Tabel A2.1 Mutatie in de overige niet-financiële activa in 2009(x € miljoen)
stand ultimo 2008 77 137
   
aankopen activa 2009 3 709
verkopen activa 2009 – 126
afschrijvingen activa 2009 – 1 913
herwaardering activa 2009 – 503
stand ultimo 2009 78 304

De samenstelling van het bedrag 78,3 miljard euro en de mutaties van de materiële activa zijn meer specifiek in tabel A2.2 weergegeven.

Tabel A2.2. Mutatie van de materiële activa naar belangrijkste gebruikers in 2009
(x € miljoen) Waarde per 31-12-2008 Investeringen – verkopen in 2009 Afschrijvingen in 2009 Herwaardering in 2009 Waarde per 31-12-2009
Ministerie van Defensie 3 082 351 458 37 3 012
Ministerie van Verkeer en Waterstaat 57 401 2 309 721 – 517 58 472
Ministerie van Landb. Natuur en Voedselkw. 1 643 – 38 0 20 1 625
Ministerie van Buitenlandse Zaken 520 46 66 17 517
Baten-lastendiensten 13 944 883 622 – 67 14 138
– waarvan burgerlijke rijksgebouwen 10 986 469 313 0 11 142
– waarvan rijksvastgoed en ontwik.bedr. 1 473 – 4 0 – 85 1 384
– waarvan diverse baten lasten diensten 1 485 418 309 18 1 612
Diversen 547 32 46 7 540
Totaal 77 137 3 583 1 913 – 503 78 304

Het bedrag 78,3 miljard euro per 31 december 2009 kan als volgt worden onderverdeeld naar onroerende en roerende goederen:

Tabel A2.3. Samenstelling van de materiële activa per 31 december 2009
Onroerende goederen   76 441
– Ministerie van Verkeer en Waterstaat 58 450  
– Burgerlijke rijksgebouwen 11 142  
– Ministerie van Defensie 3 012  
– Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf 1 384  
– Landbouwgronden 1 625  
– Gebouwen buitenland 505  
– Baten-lastendiensten 323  
Roerende goederen   1 864
– Goederen van culturele aard 320  
– Baten-lastendiensten 1 289  
– Overige 255  
Totaal   78 304

B Vorderingen

B1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel B1.1 Samenstelling van de balansbedragen Chartaal geld en deposito’s
(x € miljoen) 2008 2009
De Nederlandsche Bank N.V. 24 26
Overige saldi 622 55
Deposito U/G 2 500 0
Buy/Sellbacktransacties 966 308
Totaal 4 112 389

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De chartale en girale betaalmiddelen bestaan uit de saldi van De Nederlandsche Bank N.V. en de andere banken, zoals ABN AMRO, Rabobank, Fortis etc, ING bank, waar bij het Ministerie van Financiën op 31 december 2009 een saldo op de rekeningen staat. Verder worden er door het Agentschap van het ministerie van Financiën ook deposito’s zoals deposito’s u/g en buy/sellbacktransacties afgesloten op de geldmarkt.

Toelichting op de mutatie chartaal geld en deposito’s.

De post overige saldi is in 2009 afgenomen met 0,57 miljard euro. Deze afname wordt veroorzaakt door de afname van het saldo bij de ING bank en de ABN AMRO per 31 december 2009.

De stand van de buy/sellbacktransacties was in 2008 1 miljard euro. De (stand van de) buy/sellbacktransacties in 2008 was een onderdeel van de lening aan Fortis Bank Nederland. De stand per ultimo 2009 is 0,3 miljard euro.

Een buy en sellbacktransactie is een contante aankoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnverkoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt uitgezet, waarover een rentevergoeding wordt ontvangen.

De tijdelijk uitgezette gelden (deposito U/G) zijn in 2009 met 2,5 miljard euro afgenomen en zijn per ultimo 2009 nihil. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn (1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen. Ter beperking van het kredietrisico bij deposito’s wordt alleen aan kredietwaardige partijen geld uitgeleend en is het uitgeleende bedrag per partij beperkt tot een maximum dat afhankelijk is van de kredietwaardigheid van de desbetreffende partij.

Tabel B1.2 Mutatie in chartaal geld en deposito’s in 2009(x € miljoen)
stand ultimo 2008 4 112
   
verkopen Buy/Sellbackgelden 2009 – 658
verkopen deposito’s en afname kasgelden 2009 – 3 065
stand ultimo 2009 389

In tabel B1.2 zijn de hierboven toegelichte mutaties uitgesplitst in verkopen Buy/Sellbackgelden (ca 0,6 miljard euro) en verkopen deposito’s en afname van kasgelden 2009 (3,1 miljard euro)

B2 Langlopende effecten

In 2009 worden er langlopende effecten in de staatsbalans opgenomen. Deze post omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) met een lange oorspronkelijke looptijd. Deze geven de houder het onvoorwaardelijke recht op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in geld in de vorm van couponbetalingen (rente). Het kan ook een afgesproken vast bedrag op een bepaalde datum of bepaalde data zijn dan wel vanaf een datum die bij de emissie is vastgelegd.

Tabel B2.1 samenstelling van de balansbedragen langlopende effecten
(x € miljoen) 2008 2009
– Alt-A Hypotheken portefeuille ING 0 15 546
– Mandatory convertible notes ANB AMRO (MCN) 0 530
Totaal 0 16 076

In 2009 is met ING een Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) overeengekomen. Als gevolg daarvan is de Nederlandse Staat economisch eigenaar geworden van 80 procent van de Alt-A portefeuille van ING. Deze post is opgenomen onder B2 Lang lopende effecten. De opbouw van de balanswaarde per 31 december 2009 kan als volgt worden toegelicht1:

Tabel B2.2 Opbouw balanswaarde IABF 2009(€ miljoen)
Portefeuille (nominaal)   18 076
Voorziening IABF ( na verwerking resultaat 2009)   2 530
Balanswaarde Alt-A portefeuille   15 546

Tegenover deze portefeuille staat een verplichting van de Staat aan ING, die ultimo 2009 15 546 miljard euro bedroeg. Dit bedrag is opgenomen onder C5, langlopende leningen.

Daarnaast is er voor de IABF sprake van nog te ontvangen en nog te betalen bedragen, deze posten zijn opgenomen onder B7.a en C6.a.

Van de 2,6 miljard euro MCN’s is 530 miljoen euro geactiveerd op de Staatsbalans. De andere 2,07 miljard euro heeft conform ESR 1995 niet het karakter van een financiële transactie en is derhalve niet geactiveerd2.

Tabel B2.3 mutatie langlopende effecten 2009(x € miljoen)
stand ultimo 2008 0
   
toename lang lopende effecten 2009 16 076
stand ultimo 2009 16 076

B3 Financiële Derivaten

Vanaf 2007 worden de financiële derivaten in de staatsbalans opgenomen. Financiële derivaten zijn beleggingsinstrumenten die hun waarde ontlenen aan een ander goed. De voornaamste financiële derivaten die de Staat in bezit heeft, zijn renteswaps. Renteswaps worden ingezet uit hoofde van risicomanagement. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Daar alleen de rentedelen worden geruild, vindt er op het moment van afsluiten geen kasstroom plaats.

Tabel B3. Mutatie Financiële derivaten in 2009(x € miljoen)
stand ultimo 2008 1 935
   
mutatie Financiele derivaten 2009 – 2 151
stand ultimo 2009 – 216

Toelichting op de post mutatie financiële derivaten

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2009 uitstaande vordering uit hoofde van Financiële derivaten bedraagt 0,2 miljard euro negatief. De renteswaps hebben per ultimo 2009 een negatieve marktwaarde voor de Staat. De marktwaarde van een swap is de contante waarde van de toekomstige rentebetalingen en renteontvangsten.

B4 Verstrekte kortlopende leningen

Verstrekte kortlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt.

Tabel B4.1 Samenstelling balansbedragen kortlopende leningen
(x € miljoen) 2008 2009
Overbruggingskrediet Fortis Bank Nederland Holding N.V. 34 000 0
College voor Zorgverzekeringen 8 589 13 635
Diverse leningen en rc RWTS en Sociale fondsen 3 247 5 420
Totaal 45 835 19 055

Toelichting op de post kortlopende leningen

De kortlopende leningen betreffen het overbruggingskrediet aan Fortis Bank Nederland Holding N.V., alle debetsaldi van de rekening-courant en de verstrekte leningen aan de RWT’s en Sociale Fondsen bij het ministerie van Financiën zoals geregeld in de Wet geïntegreerd middelenbeheer (Stb. 1997, nr. 908). Zie voor verdere uitleg bij onderdeel C4.

Het overbruggingskrediet van de Staat is door Fortis Bank Nederland Holding N.V. in 2009 geheel terugbetaald.

B4.2 Mutatie van de verstrekte kortlopende leningen(x € miljoen)
stand ultimo 2008 45 835
   
afname overbruggingskrediet Fortis BNH N.V. 2009 – 34 000
toename leningen en negatief rekening courantsaldo 2009 7 219
stand ultimo 2009 19 055

Toelichting op de post mutatie verstrekte kortlopende leningen

Deze post is ten opzichte van 2008 afgenomen met 26,7 miljard euro. Deze mutatie wordt veroorzaakt door de aflossing van het overbruggingskrediet aan Fortis en de toename van de negatieve rekening-courant-stand van het College van Zorgverzekeringen en diverse Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s).

B5 Verstrekte langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen worden onderverdeeld in diverse vorderingen en leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen. De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar en in uitzonderlijke gevallen minimaal meer dan twee jaar.

Tabel B5.1 Samenstelling en mutatie Verstrekte langlopende leningen
(x € miljoen) 2008 2009
a. Diverse vorderingen    
– Studievoorschotten 13 636 15 375
– Lening ABP voor VUT fonds 1 100 500
– Voorschotten inzake landinrichtingprojecten 652 565
– Op derden te verhalen ruil- en herverkavelingskosten 388 383
– VorderingenDienst der Domeinen 828 694
– Vordering op ondernemingen aan wie risico-kapitaal verstrekt is voor de handel met ontwikkelingslanden 395 431
– Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (inzake leningen aan diverse landen) 304 268
– Ontwikkelingskredieten aan industrie en handel 167 211
– Vordering op de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot het leninggedeelte van de ontwikkelingshulp 99 88
– Vordering op de Internationale Ontwikkelingsassociatie terzake van de special action account 14 13
– Leningen woningwetbouw 1 0
– Lening Railinfrabeheer 709 709
– Diverse vorderingen 1 732 1 830
Subtotaal 20 025 21 067
b. Leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen    
– FortisBank Nederland 9 375 7 825
– Internationale Nederlanden Groep N.V. 177 118
– Centrale Organisatie voor Radioactief Afval N.V. 18 18
– NIB Capital Bank N.V. 1 1
Subtotaal 9 571 7 962
Totaal generaal 29 596 29 029

a. Toelichting op de post diverse vorderingen

Het totaal van de verstrekte langlopende leningen is in 2009 met 0,5 miljard euro afgenomen. De diverse vorderingen zijn per saldo met 1 miljard euro toegenomen. Deze toename wordt voor een belangrijk deel verklaard door een toename van de studievoorschotten (1,7 miljard euro). In het afgelopen jaar is het aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit sterk toegenomen. Daarnaast is er in 2009 0,6 miljard euro door het ABP terugbetaald voor de lening aan het VUT-fonds.

b. Toelichting op leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen

De leningen aan Nederlandse ondernemingen i.v.m. deelnemingen zijn met 1,55 miljard euro afgenomen.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk Financiën (IXB) zijn de kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL opgenomen onder de extracomptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995 methodologie, die bij de Staatsbalans dient te worden gevolgd, zijn dit geen vorderingen maar securities in de betreffende ondernemingen. Daarom zijn deze posten onder B6 a2, securities ING, Aegon en SNS opgenomen.

B5.2 Mutatie van de verstrekte langlopende leningen(x € miljoen)
stand ultimo 2008 29 596
   
toename lang lopende leningen 2009 984
afname lang lopende leningen aan FortisBank Nederland – 1 550
stand ultimo 2009 29 029

Toelichting op de post mutatie verstrekte langlopende leningen

Het overbruggingskrediet aan Fortis Bank Nederland is een langlopende lening van in totaal 7,8 miljard euro per ultimo 2009.

B6 Aandelen en overige deelnemingen

Deze post bestaat uit deelnemingen van de Staat in Nederlandse ondernemingen en deelnemingen in internationale instellingen. De securities van ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal NV zijn apart zichtbaar gemaakt in tabel B6.1 onder a2.

De post van in totaal 67,3 miljard euro kan als volgt worden gespecificeerd.

Tabel B6.1 Samenstelling aandelen, securities en overige deelnemingen
(x € miljoen) 2008 2009
a1. Deelnemingenin Nederlandse ondernemingen    
– De Nederlandsche Bank N.V. 17 753 19 425
– Fortis Bank NL Holding/Fortis verz NL/Fortis FBN Pref. Inv. 16 800 0
– Fortis Bank Nederland NV 0 4 084
– ASR Nederland NV 0 432
– Prorail B.V. 14 464 14 414
– RFS Holdings B.V. 6 540 4 769
– N.V. Nederlandse Gasunie 5 443 5 531
– N.V. NS Groep 4 109 4 249
– N.V. Luchthaven Schiphol 2 063 2001
– N.V. Bank Nederlandse Gemeenten 1 027 990
– Tennet TSO B.V. 646 656
– Havenbedrijf Rotterdam 616 463
– N.V. Westerscheldetunnel 609 0
– Ultra-Centrifuge Nederland N.V. 286 233
– Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. 229 124
– Nederlandse Waterschapsbank N.V. 188 180
– Energiebeheer Nederland B.V. 162 160
– Connexxion N.V. 66 50
– Overige deelnemingen 1 023 1 192
Subtotaal 72 024 58 953
a2. SecuritiesING, Aegon, SNS    
– ING Bank N.V. 10 000 5 000
– Aegon N.V. 3 000 2000
– SNS Reaal N.V. 750 565
Subtotaal 13 750 7 565
b. Deelnemingenin internationale instellingen    
– Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling 190 184
– Europese Investeringsbank 369 369
– Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling 130 130
– Aziatische Ontwikkelingsbank 27 28
– Afrikaanse Ontwikkelingsbank 17 18
– Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank 10 11
– Internationale Financieringsmaatschappij 40 39
– Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties 6 5
– Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij 7 8
Subtotaal 796 792
Totaal generaal 86 570 67 310

a. Toelichting op de post deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen

De deelnemingen en securities zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde (alle bezittingen van een onderneming minus alle schulden die er zijn, dit is het eigen vermogen van een onderneming). De intrinsieke waarde wordt berekend aan de hand van de gepubliceerde jaarrekeningen van vorig jaar van de desbetreffende onderneming, voor de Staatsbalans 2009 is dat dus de jaarrekening 2008.

Bij de eerste opname van deze deelnemingen in de Staatsbalans wordt er gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en in het jaarverslag daarna tegen boekwaarde van het eigen vermogen. Het verschil tussen de verkrijgingsprijs en de netto vermogenswaarde komt ten gunste of ten laste van het netto staatsvermogen. Bij vervreemding van deelnemingen komt het verschil tussen de balanswaarde en de opbrengst ten gunste dan wel ten laste van het netto staatsvermogen. Op de deelnemingen zijn de nog openstaande stortingsverplichtingen in mindering gebracht.

Op het moment van het opstellen van de staatsbalans zijn niet alle jaarverslagen 2009 van de Nederlandse deelnemingen gepubliceerd. Om deze reden is, evenals in voorgaande jaren, besloten om de deelnemingen te waarderen tegen de waarde ultimo 2008. Alleen aankopen die in 2009 hebben plaatsgevonden worden opgenomen tegen verkrijgingsprijs. Verkopen die in 2009 hebben plaatsgevonden worden ook meegenomen. De mutaties in de waardering van de deelnemingen, die voortvloeien uit de publicaties van de jaarverslagen 2009, worden meegenomen in de staatsbalans van volgend jaar.

Het relatieve belang van de staatsdeelnemingen wordt gepubliceerd op de website van het ministerie van Financiën1.

De afname van 19,3 miljard euro in 2009 ten opzichte van 2008 van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel B6.2 Mutatie van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen (x € miljoen)
Volumeveranderingen:   – 7 506
– FortisCorp. Ins. Verkoop in 2009 – 350  
– ING Bank N.V. – 5 000  
– Westerscheldetunnel verkoop in 2009 – 971  
– Aegon N.V. – 1 000  
– SNS Reaal N.V. – 185  
     
Waardeveranderingen:   – 14 055
– FortisBank NL Holding/Fortis verz NL/Fortis FBN Pref. Inv./RFS Holding – 14 055  
     
Netto toename van de reserves:   2 301
– De Nederlandsche Bank N.V. 1 672  
– Overige 629  
Totaal   – 19 260

Toelichting op de mutatie van deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen:

– de Staat heeft de deelnemingen in Fortis Bank Nederland Holding NV/Fortis verzekeringen Nederland NV/Fortis Corporate Insurance NV/Fortis FBN(H) Preferred Investments BV en RFS Holding BV in 2008 gekocht. Voor de waardering staatsbalans 2009 is zoals gebruikelijk de waardering op boekwaarde EV gehanteerd. De waardering vindt plaats n.a.v. de jaarcijfers van 2008, zie voor verdere toelichting hieronder.

– de Staat heeft in 2008 securities in ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal N.V. gekocht. Van deze securities is in 2009 in totaal 6,2 miljard euro afgelost door de instellingen.

– de reserves van de deelnemingen zijn met een totaal van 2,3 miljard euro toegenomen. Een groot gedeelte van deze toename wordt verklaard door de toename (1,6 miljard euro) van de reserve van De Nederlandsche Bank.

De kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL moeten volgens ESR 1995 methodologie onder securities worden verantwoord.

Toelichting staatsdeelnemingen in Fortis Bank Nederland NV, RFS Holdings en securities in 2009

Op 3 oktober 2008 heeft de Staat een deelneming genomen in de Nederlandse activiteiten van Fortis, inclusief ABN AMRO. Concreet verwierf de Staat een 97,8 procent-belang in Fortis Bank Nederland (FBN)1, een 100 procent belang in ASR Nederland NV (ASR)2, en een 100 procent belang in Fortis Corporate Insurance NV (FCI). Voor deze aandelen is een prijs betaald van 16,8 miljard euro. Deze deelnemingen zijn in het FJR 2008 opgenomen op de Staatsbalans als één pakket («Deelneming Fortis Bank Nederland/AA») tegen de verkrijgingsprijs van 16,8 miljard euro.

Daarnaast heeft de Staat op 24 december 2008 het door FBN aangehouden 33,8-procent-belang in RFS Holdings BV (RFS) (het door Fortis Bank Nederland gekochte deel van ABN AMRO) overgenomen. Dit is verrekend tegen langlopend vreemd vermogen, uitgegeven door de Staat ad 6,54 miljard euro. Zo ontstond er een «separate» staatsdeelneming, RFS Holding BV. Het belang in RFS is (naast het eerder genoemde pakket Fortis Bank Nederland/AA) in het FJR 2008 opgenomen in de staatsbalans tegen de verkrijgingsprijs van 6,54 miljard euro («Deelneming RFS/AA»).

Het totaal aan deze deelnemingen in de financiële sector, verkregen in 2008, is op de Staatsbalans 2008 (FJR 2008) dus gewaardeerd tegen een totale verkrijgingsprijs van 23,34 miljard euro (16,8 miljard euro voor Fortis Bank Nederland/AA, ASR en FCI, en 6,54 miljard euro voor RFS/AA). Dit is de waardering per 31 december 2008.

Gedurende het jaar 2009 hebben zich verschillende gebeurtenissen voorgedaan die invloed hebben op het eigen vermogen van het pakket Fortis Bank Nederland/AA. Ten eerste is FCI in 2009 verkocht voor een bedrag van 350 miljoen euro. Ten tweede heeft er bij Fortis Bank Nederland een kapitaalconversie plaatsgevonden, hetgeen een verhoging van het eigen vermogen is van Fortis Bank Nederland ad 1,35 miljard euro (en waarbij de uitstaande leningen aan Fortis Bank Nederland met hetzelfde bedrag is afgenomen).

Wanneer de deelnemingen in de financiële sector naar verkrijgingsprijs plus kapitaalversterkingen per ultimo 2009 worden aangepast, betekent dit een waardering van 24,34 miljard euro (23,34 miljard euro per ultimo 2008, minus 350 miljoen euro verkoop FCI, plus 1,35 miljard euro kapitaalverstrekking). Overigens is opgemerkt dat met de kapitaalconversie bij FBN de totale omvang van de uitstaande leningen van de Staat aan FBN met hetzelfde bedrag is gereduceerd. Deze aanpassing van de verkrijgingsprijs per ultimo 2009 wordt gebruikt in de saldibalans (in zowel bijlage 2 van het FJR 2009 als de saldibalans van IXB 2009) en in de Monitor Financiële Interventies (bijlage 5 van het FJR 2009). Voor de Staatsbalans geldt echter een andere waardering, hetgeen hierna wordt uitgelegd.

Conform de bestendige gedragslijn van de waardering in de Staatsbalans (en binnen de kaders van ESR 1995) worden deelnemingen in het tweede jaar gewaardeerd tegen boekwaarde eigen vermogen (BW EV). Bij het verschijnen van het Financieel Jaarverslag van het Rijk zijn nog niet alle jaarverslagen van de deelnemingen beschikbaar en daarom wordt in het FJR (over jaar t) steeds volstaan met de BW EV van een jaar eerder (ultimo t-1) voor deelnemingen in niet-beursgenoteerde organisaties. Voor de betreffende deelnemingen in de financiële sector betekent dit dat er per FJR 2009 moet worden aangepast van waardering tegen verkrijgingsprijs naar waardering tegen BW EV. Concreet betekent dit dat er wordt gekeken naar de in bezit zijnde belangen per ultimo 2009, welke vervolgens worden gewaardeerd tegen de BW EV per ultimo 2008.

Om de aansluiting bij de jaarverslagen van de afzonderlijke entiteiten mogelijk te maken, wordt de eerder gehanteerde pakketbenadering («Fortis Bank Nederland/AA» als paraplu voor FBN, ASR en FCI) losgelaten. In tabel 5.3 wordt inzichtelijk gemaakt hoe de aanpassing van de waardering in de praktijk uitpakt.

Tabel 5.3 Aanpassing waardering tussen FJR 2008 en FJR 2009
(x € miljard) FJR 2008 BW EV Jaarverslagen 2008 Mutaties EV gedurende 2009 FJR 2009
  Verkrijgingprijs en pakketbenadering     Boekwaarde Eigen Vermogen zonder pakketbenadering
Fortis/AA 16,8    
– wv FBN* 2,73 1,35 4,08
– wv ASR 0,43   0,43
– wv FCI**   – 0,35 N.v.t.
RFS/AA        
– wv. RFS Holdings 6,54 4,769 0 4,769
Totaal 23,34   1,00 9,285

* FBN boekwaarde Eigen Vermogen gecorrigeerd voor boekwaarde eigen vermogen FPI waarin de Staat alleen zeggenschap heeft. Plus bedrag kapitaalconversie € 1,35 mld

** FCI is in 2009 verkocht aan Amlin Plc. ad € 350 mln.

Deze deelnemingen stonden in 2008 voor in totaal 23,34 miljard euro op de Staatsbalans en in 2009 voor 9,29 miljard euro. Deze afname van bijna 14 miljard euro zegt echter niets over de toekomstige verkoopprijs van de betreffende deelnemingen. De aanschafwaarde reflecteerde de marktprijs op het moment van aankoop. De boekwaarde van het eigen vermogen zoals nu is gehanteerd, zegt (juist bij financiële instellingen) weinig over de marktprijs die bij verkoop gerealiseerd zal worden. Het is van belang om in ogenschouw te houden dat deze aanpassing samenhangt met de voor de Staatsbalans gebruikelijke waarderingsmethode, en dat deze is opgesteld om waarderingsproblemen met niet-beursgenoteerde deelnemingen (deelnemingen waar geen marktprijs van voorhanden is) te voorkomen. Benadrukt moet worden dat deze waardering dus geen verband houdt met de verwachte opbrengst bij verkoop: bijvoorbeeld de toekomstige winstgevendheid, die bij een verkoop tot uitdrukking komt in de prijs blijft in deze waardering buiten beschouwing. Het bedrag waar bij verkoop naar gestreefd wordt, is aanschafprijs inclusief alle kapitaalversterkingen.

Toelichting waardering securities ING Bank N.V., Aegon N.V., SNS REAAL N.V.:

Met betrekking tot de kredietcrisis zijn er aan Aegon, ING, en SNS Reaal in aandelen converteerbare securities verstrekt in het kader van kapitaalinjecties door de Staat. De securities zijn op aanschafwaarde gewaardeerd, verminderd met de aflossingen die er in 2009 hebben plaatsgevonden. Er is hier voor waardering van de securities op aanschafwaarde gekozen omdat het hier gaat om tijdelijke kapitaalverstrekkingen.

b. Toelichting op deelnemingen in internationale instellingen

De bedragen van deze deelnemingen zijn opgenomen voor de nominale waarde.

Het betreft een categorie activa in vreemde valuta, waarvan de balanswaarde wordt omgerekend naar Euro’s met behulp van de koersen van de desbetreffende valuta per balansdatum 31 december 2009.

B7 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel B7.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel B7.1 Samenstelling balansbedragen handelskredieten en transitorische posten:
(x € miljoen) 2008 2009
a. Overlopende activa 7 497 5 180
b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover verplichtingen staan 10 638 10 634
c. Vorderingenverband houdende met vooruitbetalingen inzake langlopende projecten 1 310 1 210
d. Overige vorderingen 13 037 18 827
Totaal 32 482 35 851

a. Overlopende activa

Tabel B7.2 Samenstelling van de overlopende activa
(x € miljoen) 2008 2009
Inkomstenuit aardgas NAM 3 376 696
Inkomsten uit aargas EBN 504 240
Vordering IJslandse DGS 1 300 1 403
Nog te ontvangen rente vlottende schuld/leningen 277 299
Nog te ontvangen bedragen IABF 0 342
Vordering NIBC Bank NV/Leaseplan Corp. NV 30 0
Diverse vorderingen 2 010 2 200
Totaal 7 497 5 180

Toelichting op de post overlopende activa

Onder overlopende activa worden baten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke ontvangst valt in een andere verslagperiode.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk IXB is de vordering op IJslandse Depositio Garantiestelsel (DGS) onder de extra comptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995 methodologie vallen deze posten onder de overlopende transitoria, daarom zijn deze posten hier in de Staatsbalans opgenomen onder B7.a.

Tabel B7.3 Mutatie van de overlopende activa(x € miljoen)
stand ultimo 2008 7 497
   
afname inkomstenuit aardgas 2009 – 2 944
toename vordering IJslandse DGS 2009 103
toename te ontvangen bedragen vlottende schuld/leningen 334
toename diverse vorderingeno.a. van baten lasten diensten 2009 190
stand ultimo 2009 5 180

Toelichting bij de post mutatie overlopende activa:

– de inkomsten uit aardgas NAM en EBN zijn ontvangsten die nog betrekking hebben op het jaar 2009 en die pas in het jaar 2010 binnen gaan komen. De grote afname in 2009 ten opzichte van 2008 wordt veroorzaakt doordat er eind 2008 een grote eindafrekening uitstond met de NAM, dit was het gevolg van zeer sterk gestegen gasprijzen in de loop van 2008. Een dergelijk effect is er ultimo 2009 niet meer, er is nu zelfs sprake van een enigszins tegenovergesteld effect door de in 2009 gedaalde aardgasprijzen.

– de Nederlandse Staat heeft de uitkeringen uit hoofde van het IJslandse Deposito Garantie Stelsel aan depositohouders bij het Nederlandse bijkantoor van de IJslandse bank Landsbanki (Icesave) voorgefinancierd. Als gevolg hiervan is er een vordering ontstaan op het IJslandse DGS. De hoofdsom bedraagt 1 329 miljoen euro en de rente is 74 miljoen euro. De onderhandelingen met IJsland over de hoogte van de rente zijn nog niet afgerond.

– De post te ontvangen rente betreft hoofdzakelijk nog te ontvangen rente op de vlottende schuld.

– In de balans 2009 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 342 miljoen euro aan nog te ontvangen bedragen opgenomen. Aan de creditzijde, onder C6.a, staat eenzelfde bedrag aan nog te betalen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.

– de post diverse vorderingen bestaat uit de vorderingen die de ministeries hebben op derden. Een grote post (€ 537 miljoen) is hier Justitie met de vorderingen die voortvloeien uit de batenlastendienst Centraal Justitieel Incasso Bureau. Deze vorderingen betreffen voornamelijk de strafrechtelijke boetes, de vorderingen Mulderfeiten en de vorderingen ontnemingszaken.

b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan

Het onderdeel vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan, zijn de opgenomen bedragen van langlopende contracten inzake aanschaf van duurzame activa en de uit te voeren werken. De posten B7.b en C6.b bestaan uit twee onderdelen, namelijk vorderingen van het Ministerie van Defensie (5,7 miljard euro) en vorderingen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (4,9 miljard euro).

c. Vorderingen verband houdende met vooruitbetalingen inzake langlopende projecten

De reeds gedane uitgaven inzake langlopende projecten zijn op de posten B7.b en C6.b in mindering gebracht en opgenomen onder post B7.c.

d. overige vorderingen

Tabel B7.4 Samenstelling van de overige vorderingen
(x € miljoen) 2008 2009
Vordering belastingdienst 11 926 17 399
Metaalwaarde munten in omloop 26 24
Centrale inning van lesgelden 110 119
Diverse vorderingen 975 1 285
Totaal 13 037 18 827

Toelichting bij de post overige vorderingen

Onder overige activa zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te verrekenen posten in het betalingsverkeer.

Tabel B7.5 Mutatie van de overige vorderingen(x € miljoen)
stand ultimo 2008 13 037
   
toename belastingvordering 2009 5 473
toename diverse vorderingenministeries 2009 317
stand ultimo 2009 18 827

Toelichting bij de post mutatie overige vorderingen:

– de vordering op de belastingdienst zijn de belastingen die in januari 2010 zullen worden ontvangen maar volgens ESR nog moeten worden toegerekend aan december 2009. Deze post is in 2009 ten opzichte van 2008 met 5,5 miljard euro toegenomen. Dit wordt veroorzaakt door de crisismaatregel rond de BTW. Door deze maatregel zijn bedrijven die normaal de BTW aangifte per maand deden, de aangifte per kwartaal gaan doen. Deze aangifte gebeurt na afloop van het kwartaal en geeft in januari 2010 nog 5,5 miljard euro aan inkomsten over 2009.

– de metaalwaarde van de munten in omloop is gelijk gebleven, zie voor verdere uitleg bij C1.

– de centrale inning van lesgelden is in 2009 gelijk gebleven.

– de diverse vorderingen zijn de nog te ontvangen betalingen van derden door de ministeries. Deze post is in 2009 met 0,3 miljard euro toegenomen.

C Schulden

C1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel C1.1 Samenstelling van chartaal geld en deposito’s
(x € miljoen) 2008 2009
Munten in omloop 614 526
Sell/buybacktransacties 410 878
Totaal 1 024 1 404

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De post chartaal geld en deposito’s is in 2009 in totaal met 380 miljoen euro toegenomen. Deze post omvat de nominale schuld uit hoofde van in circulatie gebrachte munten en de sell/buybacktransacties.

Een sell/buybacktransactie is een verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

Bij de in circulatie gebrachte munten is het bedrag exclusief de munten in handen van De Nederlandsche Bank N.V. en de munten van de Staat in het muntdepot. Niet geconsolideerd is er voor de munten in de kassen van de ministeries. Deze maken deel uit van balanspost B1 Chartaal geld en deposito’s.

Met de toepassing van het ESR 1995 zijn de verzamelaarsmunten niet langer als schuld opgenomen. De metaalwaarde van de munten, in deze post opgenomen, is op de balans opgenomen onder B7.d.

Tabel C1.2 Mutatie van chartaal geld en deposito’s(x € miljoen)
stand ultimo 2008 1 024
   
afname munten in omloop 2009 – 88
toename sell/buybackstransacties 2009 468
stand ultimo 2009 1 404

Toelichting op de post mutatie chartaal geld en deposito’s

De sell/buybacktransacties zijn in 2009 met 468 miljoen euro toegenomen ten opzichte van 2008.

C2 Kortlopende waardepapieren

Tabel C2.1 Samenstelling van de kortlopende waardepapieren
(x € miljoen) 2008 2009
Dutch Treasury Certificates 69 478 52 106
Commercial Paper 14 257 5 459
Totaal 83 735 57 565

Toelichting op de post kortlopende waardepapieren

Onder de kortlopende waardepapieren vallen de Dutch Treasury Certificates (DTC’s) en de Commercial Papers (CP’s). De totale afname van deze post betreft 26,2 miljard euro.

Tabel C2.2 Mutatie van de kortlopende waardepapieren(x € miljoen)
stand ultimo 2008 83 735
   
afname Dutch Treasury Certificates 2009 – 17 372
afname Commercial Paper 2009 – 8 798
stand ultimo 2009 57 565

Toelichting op de post mutatie kortlopende waardepapieren

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2009 uitstaande schuld uit hoofde van DTC’s bedraagt 52,1 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

DTC’s zijn kortlopend schatkistpapier dat de Staat gebruikt om een deel van de financieringsbehoefte op te vangen. De DTC’s worden vooral gebruikt om een groot negatief schatkistsaldo, dat zich over een periode van meerdere maanden voordoet, te dekken. Meestal hebben deze een looptijd van 3 tot 12 maanden. De omvang van ieder programma wordt afgestemd op de ontwikkeling van het schatkistsaldo. DTC’s worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. Dit houdt in dat ze door de Staat worden geveild tegen minder dan 100% van de hoofdsom die aan het einde van de looptijd wordt afgelost. Het verschil tussen aankoopwaarde en hoofdsom vertegenwoordigt voor de belegger het behaalde rendement. Voor de Staat is dit verschil het betaalde rendement, ofwel de kosten die worden gemaakt voor het lenen van geld.

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2009 uitstaande schuld uit hoofde van Commercial Papers (CP’s) bedraagt 5,5 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

Sinds 2007 (stand per 31 december 2007 was 0) maakt het Agentschap van het Ministerie van Financiën ook gebruik van CP’s. Dit zijn schuldbewijzen met een korte looptijd, variërend van een week tot enkele maanden, die worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. CP dient als «brug» tussen de kortlopende deposito’s en de langer lopende DTC’s.

C3 Staatsobligaties

Tabel C3.1 Samenstelling van de staatsobligaties
(x € miljoen) 2008 2009 Verschil
1. Waardering tegen marktprijs 209 403 223 435 14 032
2. Waardering tegen nominaal 198 520 211 809 13 289
3. Verschil (1–2) 10 883 11 626 743

Toelichting op de post staatsobligaties

De staatsobligaties zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen.

De waardeverandering van ruim 14 miljard euro is opgebouwd uit een volumecomponent van 13,3 miljard euro en een prijscomponent van 0,7 miljard euro. Om in 2009 te voorzien in de financeringsbehoefte van de Staat is een groter beroep op de kapitaalmarkt gedaan. Hierdoor is de omvang van de staatsobligaties gestegen met 13,3 miljard euro (volumecomponent). De prijsmutatie heeft geen gevolgen voor de EMU-schuld. De EMU-schuld luidt in ESR-categorieën, doch uitdrukkelijk is bepaald dat voor de excessieve-tekortenprocedure over de schuld in nominale termen gerapporteerd dient te worden. Voor de EMU-schuld is dus het bedrag van 211,8 miljard euro relevant.

C4 kortlopende leningen

Tabel C4.1 Samenstelling van de kortlopende leningen
(x € miljoen) 2008 2009
Deposito O/G 3 990 3 096
Collaterals 2 012 1 062
Uitvoering Werknemersverzekeringen 11 463 9 988
Sociale Verzekeringsbank 1 828 1 860
Investeringsfaciliteit voor Oost Europa 114 112
Diverse deposito’s en rc RWT’s 5 063 3 953
Totaal 24 469 20 071

Toelichting op de post kortlopende leningen

Kortlopende leningen omvatten alle ontvangen kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar, en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt. Hieronder vallen deposito’s O/G, rekening courantkredieten, voorschotten en voorfinancieringen.

Tabel C4.2 Mutatie van de kortlopende leningen(x € miljoen)
stand ultimo 2008 24 469
   
afname deposito 2009 – 894
afname collaterals 2009 – 950
afname positief rekening courantsaldo 2009 – 2 554
stand ultimo 2009 20 071

Toelichting op de post mutatie kortlopende leningen

De tijdelijk opgenomen gelden (deposito O/G) zijn in 2009 ten opzichte van 2008 afgenomen met 0,9 miljard euro. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn (1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen.

De waarde van de collaterals is in 2009 ten opzichte van 2008 met 1 miljard euro afgenomen. Collaterals zijn onderpanden (geld) die bij het agentschap van het ministerie van Financiën worden afgegeven als dekking voor positieve markwaarde van derivaten.

De rekening-courantstanden met een credit saldo (tegoed) op de rekening-courant en uitgezette deposito’s staan onder de post kortlopende leningen. De Rwt’s en sociale fondsen met een debet saldo (tekort) van de rekening-courant staan onder B4.

In 1998 is de Wet geïntegreerd middelenbeheer in werking getreden. Gevolg hiervan is dat de Sociale Verzekeringsbank, de Uitvoering Werknemersverzekeringen en het College voor zorgverzekeringen geen zelfstandig middelenbeheer meer voeren. Dit middelenbeheer, ook wel schatkistbankieren genoemd, is geïntegreerd in de schatkist door middel van een rekening-courant verhouding. Uit dien hoofde is ultimo 2009 een schuld opgenomen aan de Uitvoering Werknemersverzekeringen van per saldo circa 10 miljard euro. De schuld aan de Sociale Verzekeringsbank bedraagt 1,9 miljard euro.

C5 Langlopende leningen

Tabel C5.1 Samenstelling van de langlopende leningen
(x € miljoen) 2008 2009
Verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING 0 15 546
Onderhandse Floating Rate Note (FRN) lening voor Fortis 10 000 10 000
Onderhandse Staatsleningen 1 432 1 395
Div. voorfinancieringen via V&W 33 12
Overige 190 226
Totaal 11 655 27 179

Toelichting op de post langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar en in uitzonderlijke gevallen minimaal meer dan twee jaar. Hieronder vallen de verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING (zie voor verdere uitleg over dit onderwerp bij onderdeel B2), onderhandse lening voor Fortis, onderhandse staatsleningen en diverse langlopende rekening-courantkredieten.

Tabel C5.2 Mutatie van de langlopende leningen(x € miljoen)
stand ultimo 2008 11 655
   
toename Alt-A hypothekenportefeuille ING 2009 15 546
afname onderhandse staatsleningen 2009 – 58
toename overige langlopende leningen 2009 36
stand ultimo 2009 27 179

Toelichting op de post langlopende leningen

Conform ESR 1995 zijn de onderhandse staatsleningen tegen de nominale waarde gewaardeerd. De balansmutatie betreft voornamelijk aflossingen. De Staat heeft direct geld geleend bij geldgevers en de afspraken over deze leningen zijn onderling gemaakt.

De overige leningen op lange termijn zijn in 2009 toegenomen met 36 miljoen euro.

De post Onderhandse Floating Rate Notes (FRN) is de onderhandse lening die geplaatst is bij Fortis Bank SA/NV (Brussel) om een deel van het overbruggingskrediet dat de Staat aan Fortis Bank Nederland verstrekt heeft te financieren.

De post diverse voorfinancieringen via V&W zijn de langlopende leningen die het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft gekregen van derden. Er is van Stichting Geluidsisolatie Schiphol 9,3 miljoen euro en van NV Luchthaven Schiphol 2,7 miljoen euro geleend. Deze leningen zijn verstrekt als voorfinanciering van de isolatiekosten Schiphol. De overige leningen zijn, van de Wet geïntegreerd middelenbeheer deelnemers, rekening-courant tegoeden die in de schatkist voor langere periode worden aangehouden.

C6 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel C6.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel C6.1 Samenstelling van de handelskredieten en de transitorische posten
(x € miljoen) 2008 2009
a. Overlopende passiva 8 963 9 662
b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingenstaan 10 638 10 634
c. Overige schulden 1 169 991
Totaal 20 770 21 287

a. Overlopende passiva

Tabel C6.2 Samenstelling van de overlopende passiva
(x € miljoen) 2008 2009
Lopende interest van de staatsschuld 5 480 5 702
Commissie van de Europese Gemeenschappen 928 621
Te betalen rente vlottende schuld 0 110
Nog te betalen bedragen IABF 0 342
Diverse schulden 2 555 2 887
Totaal 8 963 9 662

Toelichting op de post overlopende passiva

Onder overlopende activa zijn lasten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke betaling valt in een andere verslagperiode. Toelichting bij de post overlopende passiva:

Tabel C6.3 Mutatie van de overlopende passiva(x € miljoen)
stand ultimo 2008 8 963
   
toename lopende interest van de staatsschuld 2009 221
afname rekening courant Comm. van de Eur. Gem. 2009 – 307
toename te betalen bedragen o.a. rente 2009 452
toename diverse schulden van o.a. de baten lasten diensten 2009 332
stand ultimo 2009 9 662

Toelichting op de post mutatie overlopende passiva

– lopende interest van de staatsschuld zijn de rentekosten die al in de uitgaven van 2009 van begrotingshoofdstuk IXA zijn opgenomen maar nog in 2010 betaald moeten worden.

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft bij het ministerie van Financiën een rekening-courant waar hun tegoed bij de Nederlandse Staat wordt aangehouden.

– De rente die in 2010 nog betaald moet worden over het vlottende gedeelte van de schuld.

– In de balans 2009 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 342 miljoen euro aan nog te betalen bedragen opgenomen. Aan de debetzijde, onder B7.a staat eenzelfde bedrag aan nog te ontvangen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.

– het saldo van de post diverse schulden bestaat voornamelijk uit de korte termijn schulden van de batenlasten diensten.

b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingen staan

Voor een toelichting wordt verwezen naar balanspost B7.b.

c. overige schulden

Tabel C6.4 Samenstelling van de overige schulden
(x € miljoen) 2008 2009
Diverse schulden 1 169 991
Totaal 1 169 991

Toelichting op de post overige schulden

De post «overige schulden» is in 2009 in totaal 178 miljoen euro afgenomen. Onder overige passiva zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te betalen posten.

Tabel C6.5 Mutatie van de overige schulden(x € miljoen)
stand ultimo 2008 1 169
   
afname diverse schulden ministeries 2009 – 178
stand ultimo 2009 991

Toelichting op de post mutatie overige schulden

– De diverse schulden bestaan uit de ontvangsten buiten begrotingsverband van de ministeries. De afname in 2009 wordt veroorzaakt minder ontvangsten buiten begrotingsverband bij diverse ministeries.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Tabel C7 Niet uit de balans blijkende verplichtingen
(x € miljoen) 2008 2009
a. Militaire pensioenen 7 100 6 800
b. vakantieaanspraak ambtenaren 263 279
Totaal 7 363 7 079

In aansluiting op ESR 1995 zijn de posten schulden militaire pensioenen en vakantieaanspraak ambtenaren niet op de Staatsbalans opgenomen en worden ze hier afzonderlijk opgenomen.

Overzicht Garanties

Garantieoverzicht uitstaand risico (x 1000 euro)
Hoofd- stuk Omschrijving Risico ultimo 2008 Verleende garanties 2009 Vervallen garanties 2009 Risico ultimo 2009
Garantie op kredieten        
VII Politiegaranties 681 925 489 050 0 1 170 975
VIII Hogeschool van Amsterdam 93 000 97 000 52 000 138 000
VIII Achterborgovereenkomst 123 281 24 305 6 415 141 171
IXB Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten 808 000 417 000 0 1 225 000
XIII BBMKB 1 858 043 555 439 456 312 1 957 170
XIII Groeifinancieringsfaciliteit 32 175 260 609 5 992 286 792
XIII COVA 1 001 000 0 0 1 001 000
XIV GarantieBorgstellingsfonds voor de landbouw 543 600 24 748 46 758 521 590
XIV Garantievoor natuurgebieden en landschappen 370 578 54 076 11 767 412 887
XVI Voorzieningen voor gehandicapten 251 510 0 29 806 221 704
XVI Inrichtingen voor de gezondheidszorg 814 715 0 62 436 752 279
XVI Achterborgstelling Stichting Waarborgfonds 7 702 500 368 700 0 8 071 200
Infrafonds Prorail 1 104 753 166 000 166 000 1 104 753
  Overig 1 130 207 310 912 165 680 1 275 439
  Totaal garanties op kredieten 16 515 287 2 767 839 1 003 166 18 279 960
           
Garantieop deelnemingen
V Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken 733 576 40 689 0 774 265
V Garanties IS-Raad van Europa 119 338 0 0 119 338
V Garanties IS-NIO 364 016 0 48 182 315 834
IXB Garantieen vrijwaring inzake verkoop van deelnemingen 137 286 1 060 447 0 1 197 733
IXB EBRD 365 800 0 0 365 800
IXB Wereldbank 2 887 185 – 97 993 0 2 789 192
IXB EIB 7 017 712 2 877 835 0 9 895 547
  Overig 25 220 – 817 0 24 403
  Totaal garanties op deelnemingen 11 650 133 3 880 161 48 182 15 482 112
           
Garantieop moeilijk/niet te verzekeren risico’s
VIII Indemniteitsregeling 131 000 408 000 290 000 249 000
IXB WAKO (kernongevallen) 14 023 000 0 0 14 023 000
IXB Deelneming Fortis/ABN AMRO (CRI) 0 32 611 091 0 32 611 091
IXB Atradius – Exportkredietverzekering 17 625 000 – 5 051 312 257 227 12 316 461
IXB Atradius – Regeling Herverz. Invest. 213 000 50 000 0 263 000
  Overig 1 425 072 17 799 1 300 649 142 222
  Totaal garanties op moeilijk/niet te verzekeren risico’s 33 417 072 28 035 578 1 847 876 59 604 774
           
Overige garanties (o.a. liquiditeits- of exploitatiegarantie)
VIII Bouwleningen academische ziekenhuizen 325 059 0 14 513 310 546
IXB GarantieInterbancaire Leningen 2 740 000 44 360 869 0 47 100 869
IXB DNB – Deelneming in kapitaal IMF 9 902 965 13 473 298 0 23 376 263
  Overig 499 492 56 774 413 738 142 528
  Totaal overige garanties 13 467 516 57 890 941 428 251 70 930 206
TOTAAL Garanties 75 050 008 92 574 519 3 327 475 164 297 052
Uitgaven en ontvangsten op de door de staat verstrekte garanties (x 1000 euro)
Hoofdstuk Departement Uitgaven 2008 Ontvangsten 2008 Uitgaven 2009 Ontvangsten 2009
IV Koninkrijksrelaties
V Buitenlandse Zaken 2 383 18 1 899
VI Justitie 293
VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
IXB Financien 9 377 216 556 271 761 371 172
X Defensie
XI Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 14 000
XVIII Wonen, Wijken en Integratie
XII Verkeer en Waterstaat 5 351 2 388
XIII Economische Zaken 32 727 26 754 57 320 22 488
XIV Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
XV Sociale Zaken en Werkgelegenheid
XVI Volksgezondheid, Welzijn en Sport
A Infrastructuurfonds
           
  Totale Uitgaven en Ontvangsten 44 487 248 679 345 273 396 048

Definitie garanties

Een garantie wordt omschreven als een voorwaardelijke financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

Soorten garanties

Kredietgarantie: garantie op rente- en aflossingsverplichtingen (risico gemaximeerd voor totaalbedrag). (Her-)verzekering: garantie op moeilijk/niet te verzekeren risico’s (risico gemaximeerd per gebeurtenis). Garantie voor deelnemingen: garantie op vol- of bijstorten aandelenkapitaal (risico gemaximeerd voor totaalbedrag). Overig, exploitatiegarantie: garantie op minimum van exploitatieniveau (risico gemaximeerd per jaar). Overig, liquiditeitsgarantie: garantie minimum van liquiditeitsniveau (risico gemaximeerd voor totaalbedrag).

Uitgaven

Betreffen schade-uitkeringen op afgegeven garanties.

Ontvangsten

Betreffen zowel ontvangen premies of provisies e.d. als op derden verhaalde (schade)uitkeringen.

Bijlage 4. De belasting- en premieontvangsten

De belasting- en premieontvangsten in 2009 (x € miljoen)
  Ontwerpbegroting MN 2009 Realisatie FJR 2009 Verschil
Kostprijsverhogende belastingen op kasbasis 78 125 67 152 – 10 973
Invoerrechten 2 357 1 953 – 404
Omzetbelasting1 46 258 40 086 – 6 172
Belasting op personenauto’s en motorrijwielen 3 478 2 150 – 1 328
Accijnzen 11 038 10 706 – 333
 – Accijns van lichte olie 4 063 4 009 – 54
 – Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie 3 449 3 335 – 114
 – Tabaksaccijns 2 513 2 372 – 141
 – Alcoholaccijns 312 317 5
 – Bieraccijns 402 385 – 17
 – Wijnaccijns 300 287 – 13
Belastingen van rechtsverkeer 6 088 3 665 – 2 423
 – Overdrachtsbelasting 5 159 2 791 – 2 368
 – Assurantiebelasting 884 866 – 18
 – Kapitaalsbelasting 45 8 – 37
Motorrijtuigenbelasting 3 350 3 341 – 9
Belastingen op een milieugrondslag 4 605 4 523 – 82
 – Grondwaterbelasting 189 174 – 15
 – Afvalstoffenbelasting 177 45 – 132
 – Energiebelasting 4 110 4 183 73
 – Waterbelasting 128 121 – 7
 – Brandstoffenheffingen 1 0 – 1
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en andere producten 155 162 7
Belasting op zware motorrijtuigen 126 111 – 15
Verpakkingenbelasting 364 276 – 87
Vliegbelasting 305 179 – 126
       
Belastingen op inkomen, winst en vermogen op kasbasis 73 848 62 891 – 10 958
Inkomstenbelasting 2 607 535 – 2 072
Loonbelasting 46 527 46 383 – 144
Dividendbelasting 3 796 2 084 – 1 712
Kansspelbelasting 508 446 – 62
Vennootschapsbelasting 18 435 11 604 – 6 831
Vermogensbelasting 30 25 – 5
Successierechten 1 945 1 813 – 131
       
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten 149 47 – 102
       
Belastingen op kasbasis 152 123 130 089 – 22 033
KTV Belastingen (aansluiting naar EMU-basis) 821 182 – 639
       
Premies volksverzekeringen op kasbasis 35 505 32 601 – 2 904
KTV premies vvz (aansluiting naar EMU-basis) 323 12 – 311
       
Premies werknemersverzekeringen (Op EMU-basis) 45 218 44 154 – 1 064
       
Totaal belastingen en premies op EMU-basis 233 989 207 038 – 26 951

1 De omzetbelasting wordt op EMU-basis gepresenteerd om een goed beeld van de ontwikkeling van 2008 op 2009 te geven. Als gevolg van de in 2009 genomen maatregel mogen bedrijven die anders de btw per maand afdragen ervoor kiezen deze per kwartaal af te dragen. Dit heeft geen gevolgen voor de btw-ontvangsten op EMU-basis maar wel voor de btw-ontvangsten op kasbasis. Een ontwikkeling op kasbasis geeft dan een vertekend beeld.

Bijlage 5: Monitor Financiële interventies

Tabel 1: Budgettair overzicht kredietcrisismaatregelen (in mln €)
(in € mln) – peildatum ultimo 2009 2008 2009 Begrotingsartikel cumulatief
A. Verwerving Fortis/RFS/AA        
1. Deelneming Fortis/AA 16 800 1 350 IX-B, artikel 3 18 150
2. Verwerving belang RFS/AA 6 540   IX-B, artikel 3 6 540
3. Verkoop FCI   – 350 IX-B, artikel 3 – 350
4. Overbruggingskredieten Fortis 44 341   IX-A, artikel 1 44 341
5. Aflossingen overbruggingskredieten Fortis   – 36 516 IX-A, artikel 1 – 36 516
6. Renteontvangsten overbruggingskredieten Fortis – 502 – 705 IX-A, artikel 1 – 1 207
7. DividendFortis/AA     IX-B, artikel 3 0
8. DividendRFS/AA     IX-B, artikel 3 0
         
Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)        
9. Garantieverlening (geëffectueerd)   32 611 IX-B, artikel 3 32 611
10. Premieontvangsten uit CRI   – 28 IX-B, artikel 3 – 28
         
Mandatory Convertible Notes ABN-AMRO (MCN)        
11. Verstrekte converteerbare lening (MCN 7/09)   800 IX-B, artikel 3 800
12. Renteontvangsten uit MCN 7/09     IX-B, artikel 3 0
13. Verstrekte converteerbare lening (MCN 12/09)   1 800 IX-B, artikel 3 1 800
         
Δ Staatsschuld (excl. nr. 9) 67 179 – 33 649    
         
B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)        
14. Verstrekt kapitaal ING 10 000   IX-B, artikel 3 10 000
15. Verstrekt kapitaal Aegon 3 000   IX-B, artikel 3 3 000
16. Verstrekt kapitaal SNS Reaal 750   IX-B, artikel 3 750
17. Aflossing ING   – 5 000 IX-B, artikel 3 – 5 000
18. Aflossing Aegon   – 1 000 IX-B, artikel 3 – 1 000
19. Aflossing SNS Reaal   – 185 IX-B, artikel 3 – 185
20. CouponrenteING   – 645 IX-B, artikel 3 – 645
21. CouponrenteAegon   – 166 IX-B, artikel 3 – 166
22. Couponrente SNS Reaal   – 38 IX-B, artikel 3 – 38
23. Repurchase fee ING   – 295 IX-B, artikel 3 – 295
24. Repurchase fee Aegon   – 108 IX-B, artikel 3 – 108
25. Repurchase fee SNS Reaal     IX-B, artikel 3 0
         
Δ Staatsschuld 13 750 – 7 436    
         
C. Back-up faciliteit ING        
26. Funding fee (rente + aflossing)   3 903 IX-B, artikel 3 3 903
27. Management fee   59 IX-B, artikel 3 59
28. Portefeuille ontvangsten (rente + aflossing)   – 3 819 IX-B, artikel 3 – 3 819
29. Garantiefee   – 129 IX-B, artikel 3 – 129
30. Additionele garantiefee     IX-B, artikel 3 0
31. Additionele fee   – 14 IX-B, artikel 3 – 14
32. Meerjarenverplichting aan ING   15 857 Saldibalans 15 857
33. Alt-A portefeuille   18 352 Saldibalans 18 352
34. Saldo Back-up faciliteit (26 t/m 31)     IX-B, artikel 3 0
Verplichting (balans en schuldrelevant) (nr. 32 en 33)   15 857    
         
D. Garantiefaciliteitbancaire leningen (€ 200 mld.)        
35. Garantieverlening (geëffectueerd) 2 740 47 535 IX-B, artikel 2 50 275
36. Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitgaven)   – 3 174 IX-B, artikel 2 – 3 174
37. Premieontvangsten op basis van garanties bancaire leningen   116 IX-B, artikel 2 – 116
38. Schade-uitkeringen     IX-B, artikel 2 0
         
Δ Staatsschuld (excl. nr. 35 en 36)   – 116    
         
E. IJsland        
39. Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave 1 236 192 IX-B, artikel 2 1 428
40. Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB   7 IX-B, artikel 2 7
41. Vordering op IJsland 1 322 7 Saldibalans 1 329
42. Opgebouwde rente op vordering   74 Saldibalans 74
43. Ontvangsten lening IJsland (i.) aflossing     IX-B, artikel 2 0
44. Ontvangsten lening IJsland (ii.) rente     IX-B, artikel 2 0
         
Δ Staatsschuld (excl. nr. 41 en 42) 1 236 199    
         
F. Overige gevolgen        
45. Uitvoeringskosten en inhuur externen 11 43 IX-B, artikel 3 54
46. Terug te vorderen uitvoeringskosten inhuur externen 0 3 Saldibalans 3
47. Ontvangen uitvoeringskosten externen – 2 – 12 IX-B, artikel 3 – 14
         
Δ Staatsschuld 82 165 – 41 002    
Staatsschuld cumulatief voor renteberekening 82 165 41 163    
Renteover gemiddelde staatsschuld 450 2 036    

Tabel 2. Balans

Op de balans staan de vorderingen en verplichtingen welke vanwege de crisis zijn aangegaan. Bij de waardering van balansonderdelen volgt de monitor de saldibalans van het jaarverslag IXB. Hierbij wordt in beginsel uitgegaan van de aankoopprijs, tenzij er aanleiding is hiervan af te wijken.

Voor de financiering van de bezittingen vindt een uitsplitsing plaats naar drie componenten: I staatsschuld, II het resultaat en III het uitgavenkader. Naarmate er opbrengsten ontstaan vanuit de diverse bezittingen vindt in deze opstelling een verschuiving plaats van financiering uit staatsschuld naar financiering uit resultaat.

Tabel 2: Balans (standen en mutaties – in € mln)
Omschrijving: 2008 mutatie 2009 Omschrijving: 2008 mutatie 2009
A. Verwerving Fortis/RFS/AA              
1. Deelneming Fortis/AA (+ 3) 16 800 1 000 17 800 I: Financiering met staatsschuld 82 165 – 41 002 41 163
2. Verwerving belang RFS/AA 6 540   6 540 II: Financiering uit resultaat (tabel 3) 43 383 426
4. Overbruggingskredieten Fortis(+ 5) 44 341 – 36 516 7 825 – waarvan uit Back-up faciliteit ING (3b)   382 382
11. Verstrekte converteerbare lening (MCN 7/09) 800 800 III: Financiering via uitgavenkader 9 34 43
13. Verstrekte converteerbare lening (MCN 12/09) 1 800 1 800        
        Te betalen rente op staatsschuld 450 2 036 2 486
B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)              
14. Verstrekt kapitaal ING (+ 17) 10 000 – 5 000 5 000 C. Back-up faciliteit ING      
15. Verstrekt kapitaal Aegon (+ 18) 3 000 – 1 000 2000 32. Meerjarenverplichting aan ING   15 857 15 857
16. Verstrekt kapitaal SNS Reaal (+ 19) 750 – 185 565 Voorziening   2 148 2 148
        Transitoria   – 34 – 34
C. Back-up faciliteit ING              
33. Alt-A portefeuille   18 352 18 352 E. IJsland      
        Openstaande verplichting IJsland 86 – 86  
E. IJsland              
41. Vordering op IJsland 1 322 7 1 329        
42. Opgebouwde rente op vordering   74 74        
F. Overige gevolgen              
Saldo terug te vorderen uitvoeringskosten   3 3        
Totale activa: 82 753 – 20 665 62 088 Totale passiva: 82 753 – 20 665 62 088

Tabel 3. Overzicht toerekenbare kosten en opbrengsten

In tabel 3 vindt een toerekening plaats van kosten en opbrengsten van crisismaatregelen met gebruik van bedrijfseconomische principes. Dit heeft als voordeel dat er inzicht ontstaat in wat de crisis tot dusver per saldo kost. Op basis van een grove toerekening is een zogenaamd theoretisch resultaat opgenomen. Dit cijfer komt enigszins technisch tot stand en baseert zich op veronderstellingen omtrent de rente op staatsschuld. Daarnaast bepaalt de toerekening van resultaten aan een bepaalde periode in hoge mate de uitkomst.

Tabel 3a: Overzicht toerekenbare kosten en opbrengsten (in € mln)
(toerekenbare) Kosten     (toerekenbare) Opbrengsten    
Omschrijving: 2008 2009 Omschrijving: 2008 2009
      A. Verwerving Fortis/RFS/AA    
Renteop Staatsschuld 450 2036 6. Renteontvangsten overbruggingskredieten Fortis 502 705
      7. DividendFortis/AA   0
E. IJsland     8. Dividend RFS/AA   0
Kosten i.v.m. toppung up   106 10. Premieontvangsten uit CRI   28
      12. Renteontvangsten uit MCN 7/09   0
F. Overige gevolgen          
45. Uitvoeringskosten en inhuur externen 11 43 B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)    
47. Ontvangen uitvoeringskosten externen – 2 – 12 20. t/m 22. Ontvangen couponrente   848
      23. t/m 25. Ontvangen repurchase fees   403
           
      C. Back-up faciliteit ING    
      Resultaat IABF 2009 (tabel 3b)   382
           
      D. Garantiefaciliteitbancaire leningen (€ 200 mld.)    
      37. Premieontvangsten op basis van garanties bancaire leningen   116
           
      E. IJsland    
      42. Opgebouwde rente op vordering   74
Totale kosten: 459 2 173 Totale opbrengsten: 502 2 556
Resultaat 43 383      
Tabel 3b: Specificatie resultaat ING IABF (in € mln)
(toerekenbare) Kosten       (toerekenbare) Opbrengsten  
Omschrijving:     2009 Omschrijving:     2009
Funding fee (rente)     372 Portefeuilleontvangsten (rente)     685
Management fee     59 Garantiefee     129
Kosten betalingsverkeer     0 Additionele betaling     21
Afschrijvingskosten     12 Technische verschillen     0
Wisselkoersresultaten     10        
               
Resultaat IABF 2009     382        

Toelichting tabel 3b: zie kamerstuk AGT/2010/1841, resultaat vastgesteld op transactiebasis.

Tabel 4. Garantieoverzicht

Het garantieoverzicht geeft een update van de actuele omvang van de verstrekte garanties.

Tabel 4: Verstrekte garanties (in € mln)
Omschrijving: 2008 mutatie 2009
35. Garantieverlening (geëffectueerd) 2 740 47 535 50 275
36. Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitgaven)   – 3 174 3 174
9. Garantieverlening (geëffectueerd)   32 611 32 611
Saldo openstaande garanties: 2 740 76 972 79 712

Lijst van gebruikte termen en hun betekenis

AOW-spaarfonds

Fonds waarin de, voor de toekomstige AOW-uitgaven geoormerkte schuldreductie wordt bijgehouden. Hiertoe vinden vanaf 1997 stortingen in het fonds plaats en over de als geheel ten gunste van het fonds geboekte bedragen wordt jaarlijks rente bijgeboekt. Het fonds maakt deel uit van de collectieve sector.

Batenlastenstelsel

In een batenlastenstelsel worden uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie.

Bedrijfsvoering

De sturing en beheersing van bedrijfsprocessen binnen een ministerie om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Het betreft de sturing en beheersing van zowel de primaire processen als van de processen die hiervoor faciliterend zijn (de zogenaamde ondersteunende processen).Wat de ondersteunde processen betreft, kan hierbij ten minste worden gedacht aan de zogenoemde piofah-functies: personeel, informatisering, organisatie, financiën, automatisering en huisvesting.

Belastinguitgaven

Overheidsuitgaven in de vorm van derving of uitstel van belastingontvangsten, voortvloeiend uit een voorziening in de wet voorzover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet.

Beleidsinformatie

De informatie betreffende het beleid en de bedrijfsvoering, die is opgenomen in de beleidsartikelen van de begrotingen en de jaarverslagen van het Rijk en die is ontleend aan:

a. departementale systemen voor het verzamelen, genereren en veredelen van beleidsinformatie (monitorsystemen);

b. informatiebronnen van derden;

c. evaluatieonderzoeken en bedrijfsvoeringsonderzoeken die onder deze regeling vallen.

Beleidsintensiveringen

Verhogingen van collectieve uitgaven en/of verlagingen van ontvangsten ten opzichte van de begroting en/of de meerjarencijfers, waaraan een beleidsbeslissing ten grondslag ligt. Deze term wordt meestal beperkt tot beleidsmatige mutaties in de netto-uitgaven. Een beleidsmatige verlaging van de belastingontvangsten wordt doorgaans aangeduid met de term lastenverlichting.

Bruto binnenlands product (bbp)

De som van de beloningen van de productiefactoren in het Nederlandse productieproces, plus het saldo van de indirecte belastingen en kostprijsverlagende subsidies.

Bruto nationaal product (bnp)

Het BNP is de som van alle bruto toegevoegde waarde voortgebracht door alle sectoren in een land in een jaar tijd. Ook is rekening gehouden met het saldo van de primaire inkomens ontvangen en betaald aan het buitenland.

Budgetdisciplinesector

Cluster van uitgaven die voor de regels budgetdiscipline op identieke wijze worden behandeld. Er zijn drie budgetdisciplinesectoren: Rijksbegroting in enge zin, Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid en Zorgsector.

Consolidatie

De post Consolidatie wordt gebruikt voor het corrigeren van de Rijksbegroting voor dubbeltellingen als gevolg van het bruto-boeken van onderlinge betalingen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat de feitelijke betaling verricht, als het departement dat bijdraagt, de uitgaven in de begroting opneemt. Het ontvangende departement raamt de te ontvangen bijdragen ook aan de ontvangstenkant van de begroting. Hierdoor wordt het rekenkundige niveau van de totale rijksuitgaven en rijksontvangsten hoger dan het feitelijke niveau. Door middel van de post Consolidatie wordt hiervoor gecorrigeerd.

Contractloon

Het looninkomen per werknemer als direct gevolg van de afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO) in de private sector en van arbeidsvoorwaardenafspraken met overheidspersoneel.

Batenlastendienst

Een batenlastendienst is een onderdeel van een ministerie waarvoor een afgezonderd en afwijkend beheer wordt gevoerd, met als doel een doelmatiger beheer te realiseren. Diensten die een baten-lastenstelsel voeren hebben een eigen begroting en staan los van de begrotingsadministratie van het moederministerie. Een dienst die een batenlastenstelsel voert valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

Diergezondheidsfonds

Fonds waaruit uitgaven gedaan worden voor de bewaking en de bestrijding van dierziekten en het voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen. De middelen ter financiering van de uitgaven zijn afkomstig van de EU, de productschappen en het Rijk (ministerie van LNV).

Economische en Monetaire Unie (EMU)

De in het Verdrag van Maastricht geregelde unie tussen EU-lidstaten. De derde fase die op 1 januari 1999 van start is gegaan, kenmerkt zich door onherroepelijk vastgelegde wisselkoersen, volledig vrij kapitaalverkeer en girale invoering van de gemeenschappelijke munt, de euro. De euro is per 1 januari 2002 ook chartaal ingevoerd. In de EMU is de Europese Centrale Bank verantwoordelijk voor het gemeenschappelijke monetaire beleid dat wordt gevoerd door het Europees Stelsel van Centrale Banken. Tevens vindt binnen de EMU coördinatie van het economisch beleid plaats.

Eindejaarsmarge

Voorziening in de regels budgetdiscipline die inhoudt dat het is toegestaan om binnen een begroting tot maximaal 1,0% van het (gecorrigeerde) begrotingstotaal aan gelden tussen opeenvolgende jaren te schuiven. Op deze wijze kan het ondoelmatig besteden van begrotingsgelden worden beperkt.

EMU-saldo

Het EMU-saldo heeft betrekking op het vorderingensaldo van de sector Overheid op transactiebasis. Het vorderingensaldo geeft de mutatie in het saldo van de financiële activa en passiva van de collectieve sector weer. Omdat het EMU-saldo betrekking heeft op de totale collectieve sector, is niet alleen het vorderingensaldo van het Rijk van belang, maar ook de vorderingensaldi van de sociale fondsen en de lokale overheid.

EMU-schuld(-quote)

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen van deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een bruto-schuldbegrip.

Bij bepaling van de EMU-schuldquote wordt de EMU-schuld uitgedrukt in procenten van het BBP.

Europees Systeem van nationale en regionale Rekeningen (ESR)

Het ESR is een internationaal vergelijkbaar boekhoudkundig raamwerk voor een systematische en uitvoerige beschrijving van een totale economie, de elementen waaruit deze economie is opgebouwd en haar betrekkingen met andere economieën. Het ESR is gericht op de omstandigheden en informatiebehoeften in de Europese Unie.

Financieel beheer

Het geheel van beslissingen, handelingen en regels die zijn bedoeld voor de sturing en beheersing van, alsmede de verantwoording over, de financiële transacties en de saldi waarvoor de minister (mede)verantwoordelijkheid draagt. De administraties, die ten behoeve van het financieel beheer worden bijgehouden, worden eveneens tot het financieel beheer gerekend.

Financieringssaldo

Het saldo van de relevante uitgaven en ontvangsten, minus de mutatie van de derdenrekeningen.

Fonds Economische Structuurversterking (FES)

Het FES wordt gevoed met een deel van de gasbaten, alsmede met de rentevrijval (na dividendderving) samenhangend met de ontvangsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen, en eventueel opbrengsten van veilingen van etherfrequenties. De middelen uit het FES worden gereserveerd voor investeringsprojecten van nationaal belang die de economische structuur versterken. Het betreft een verdeelfonds; vanuit het fonds worden bijdragen toegekend aan andere begrotingen van het Rijk.

Gemeentefonds

Fonds waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de gemeenten, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, word het accres genoemd.

Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De middelen voor het buitenlandse beleid worden verantwoord op verschillende begrotingen. Om de samenhang van het buitenlandse beleid te versterken, zijn de financiële middelen hiertoe gebundeld onder de HGIS. Op deze manier wordt de omvang van de beschikbare middelen duidelijk gemaakt en kan een integrale afweging plaatsvinden omtrent de inzet van deze middelen.

Infrastructuurfonds

Fonds waarin de middelen die voorheen op de begrotingen an Verkeer en Waterstaat, het Rijkswegenfonds en het Mobiliteitsfonds beschikbaar waren voor de uitgaven aan de weg-, wateren railinfrastructuur, zijn samengevoegd. Tevens worden uit dit fonds uitgaven in het kader van de Investeringsimpuls 1994–1998 gedaan. De middelen hiervoor zijn afkomstig uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

Loonbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van ministeries ten gevolge van loonstijgingen. Deze middelen worden gereserveerd op de aanvullende post Arbeidsvoorwaarden.

Materieel beheer

De zorg voor niet-geldelijke zaken vanaf het moment van ontvangst tot aan het moment van afstoting.Onder de niet-geldelijke zaken worden zaken verstaan, niet zijnde geld of geldswaardige papieren, die benodigd zijn voor het functioneren van de rijksdienst, dan wel die door het Rijk in bewaring zijn genomen.

Nationale Rekeningen

De Nationale Rekeningen is het statistische systeem waarmee de Nederlandse economie in kaart wordt gebracht. Ook wel de Nationale Boekhouding genoemd.

Netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin

Relevante uitgaven en niet-belastingontvangsten van de Rijksbegroting exclusief de uitgaven en niet-belastingontvangsten van de Rijksbegroting die tot de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid dan wel tot de sector Zorg worden gerekend. Tevens worden de relevante uitgaven gecorrigeerd voor enkele incidentele posten.

Netto-uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid

De budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid omvat de sociale zekerheid op de Rijksbegroting, alsmede de uitgaven van de sociale fondsen. Voor de sociale fondsen is het totaal van uitkeringen en administratiekosten relevant. Het bovenwettelijke gedeelte blijft buiten beschouwing.

Netto-uitgaven Zorgsector

De uitgaven die tot het Budgettair Kader Zorg (BKZ) worden gerekend. Het BKZ omvat de via de AWBZ, ZFW en particuliere verzekeraars (voorzover betrekking hebbend op de particulier verzekerde voorzieningen die ook in het ZFW-verzekerde pakket zijn opgenomen) gefinancierde netto-uitgaven. Bij het collectief gefinancierde deel van het BKZ worden de via de particuliere verzekeraars gefinancierde uitgaven niet meegenomen, met uitzondering van de via de omslagbijdrage WTZ gefinancierde uitgaven.

Niet-belastingontvangsten

Alle begrotingsontvangsten van het Rijk die niet tot de belastingen worden gerekend. Het betreft een zeer heterogene groep. Het gaat daarbij vooral om ontvangsten die samenhangen met verleende overheidsdiensten en kredietverlening door het Rijk, sommige ontvangsten die als collectieve lasten worden aangemerkt, de gasbaten (exclusief vennootschapsbelasting) en incidentele ontvangsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen.

Prijsbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van ministeries ten gevolge van prijsstijgingen. Deze middelen worden gereserveerd op de aanvullende post Prijsbijstelling.

Progressiefactor

De mate waarin de belastinginkomsten afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de economische groei.

Provinciefonds

Fonds waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de provincies, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, wordt het accres genoemd.

Rechtmatigheid

Onder rechtmatigheid wordt verstaan financiële rechtmatigheid. Financiële rechtmatigheid houdt in dat een financiële transactie waarvan de uitkomst in het departementale jaarverslag dient te worden verantwoord in overeenstemming is met de begrotingswetten en met de in de Europese regelgeving, de Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriele regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van die financiële transactie beïnvloeden.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Rechtspersonen met een Wettelijke Taak worden geheel of gedeeltelijk met publiek geld bekostigd en oefenen een wettelijke taak uit. RWT’s kunnen tevens zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) zijn, maar er bestaan ook RWT’s die geen ZBO zijn en ZBO’s die geen RWT zijn.

Sociale fondsen

Fondsen waaruit uitkeringen en voorzieningen worden verstrekt krachtens socialeverzekeringswetten. De financiering vindt voor het overgrote deel plaats via sociale premies en rijksbijdragen.

Staatsbalans

Een balans waarin de grootte en de samenstelling van het staatsvermogen wordt weergegeven.

Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO)

Orgaan waaraan de uitoefening van een wettelijke taak is opgedragen, zonder dat er sprake is van (volledige) ondergeschiktheid aan de minister, en die voor de uitoefening van de taak uit collectieve middelen (rijksbijdragen en heffingen) worden gefinancierd.

Afkortingenlijst Financieel Jaarverslag van het Rijk 2009

ABK Aanvullend beleidsakkoord
AOW Algemene Ouderdomswet
ARIV Algemene Rijksinkoopvoorwaarden
ARVODJ Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van Opdrachten tot het verrichten van Diensten
AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BBP Bruto Binnenlands Product
BKZ Budgettair Kader Zorg
BLS Baten-lastenstelsel
BMKB Besluit Borgstelling MKB Kredieten
BNI Bruto Nationaal Inkomen
BPM Belasting op personenauto’s en motorrijwielen
BPR Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten
BTW Belasting Toegevoegde Waarde
BuZA Buitenlandse Zaken
BZK Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CBS Centraal Bureau voor de Statistiek
CEP Centraal Economisch Plan
COA Centraal Opvangorgaan Asielzoekers
CPB Centraal Planbureau
CVZ College voor zorgverzekeringen
CW Comptabiliteitswet
CWI Centrum voor Werk en Inkomen
DNB De Nederlandsche Bank
DGS Depositogarantiestelsel
EMU Economische en Monetaire Unie
ESF Europees Sociaal Fonds
ESR Europees Stelsel van Rekeningen
EZ Economische Zaken
GF Gemeentefonds
GGZ Geestelijke Gezondheids- en verslavingszorg
GO GarantieOndernemingsfinanciering
HgIS Homogene groep Internationale Samenwerking
IND Immigratie- en Naturalisatiedienst
J&G Jeugd en Gezin
LNV Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
MEP Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie
MN Miljoenennota
NHG Nationale Hypotheek Garantie
NZa Nederlandse Zorgautoriteit
OCW Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
PF Provinciefonds
PGB Persoonsgebonden budget
RBV Rijksbegrotingsvoorschriften
SENO Stichting Economische Samenwerking Nederland Opkomende markten
SZA Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid
SZW Sociale Zaken en Werkgelegenheid
UWV Uitvoeringsinstituut voor Werknemersverzekeringen
V&W Verkeer en Waterstaat
Vpb Vennootschapsbelasting
VROM Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VVZ Volksverzekeringen
VWS Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAO Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
WAZO Wet Arbeid en Zorg
WKB Wet Kindgebonden budget
WNVZ Werknemersverzekeringen
WW Werkloosheidswet
WWI Wonen, Wijken en Integratie

Trefwoordenregister

Aanvullend beleidsakkoord 86

Aardgasbaten 16, 51

Algemene Rekenkamer 35, 40

Arbeidsmarkt 9, 12, 15, 20, 22, 83, 85, 87

Auditdienst 36

Automatische stabilisatie 11, 12, 14

Automatisering 53, 83

AWBZ 24, 85, 86

Batenlastendienst 33, 38, 65, 83

Batenlastenstelsel 40, 83

BBP 9

Bbp 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 25, 27, 28, 29, 48, 83, 84, 86

Bedrijfsvoering 5, 33, 35, 36, 83

Bedrijfsvoeringsparagraaf 33, 38

Belastingdienst 35, 36, 66

Beleidsdoorlichting 39, 40

Beleidsinformatie 33, 36, 83

CBS 31, 86

Consumptie 8, 26, 27, 28

Controledruk 40

De Nederlandsche Bank 48, 54, 60, 61, 67, 86

Deelnemingen 21, 22, 29, 30, 34, 44, 46, 48, 49, 50, 51, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 75, 76, 84, 85

Deeltijd-ww 9

Dividend 21, 22, 26, 27, 28, 77, 78, 81, 84

Economische crisis 10, 11, 15

Economische groei 8, 10, 11, 12, 85

EMU-saldo 5, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 31, 47, 48, 84

EMU-schuld 5, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 32, 69, 84

ESR 1995 29, 30, 47, 51, 53, 59, 61, 62, 64, 67, 69, 71, 74

Eurogebied 10

Europese aanbestedingsregels 33, 37

Europese Unie 19, 38, 84

Export 8, 75

Financieel beheer 34, 35, 36, 38, 84

Financiële crisis 10, 19, 28

Fortis 13, 17, 18, 29, 30, 31, 49, 50, 51, 55, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 70, 71, 75, 78, 80, 81

Garantiefaciliteit 46, 79, 81

Garantie 5, 11, 29, 31, 32, 34, 41, 44, 46, 47, 50, 60, 64, 65, 75, 76, 78, 79, 81, 82, 86

Groei 8, 9, 10, 11, 12, 13, 17, 19, 25, 27, 28, 29, 38, 75, 84, 85

Infrastructuur 21, 22, 38, 42, 43, 46, 50, 76, 84

Inkomsten 5, 11, 13, 14, 15, 16, 25, 29, 64, 65, 66, 77, 85

Kapitaalverstrekkingen 13, 59, 61, 63

Kredietcrisismaatregelen 17, 48, 78, 79

Kredietcrisis 15, 34, 37, 63

Loon- en inkomstenheffing 13

Materieelbeheer 35

MEP 86

Nationale hypotheekgarantie 12

Niet financiële activa 53

Olieprijs 16, 20, 52

Omzetbelasting 13, 26, 27, 28, 77

Onderwijs 21, 42, 43, 76, 86

Openstaande rechten 44, 45

Overdrachtsbelasting 26, 27, 28, 77

Rechtmatigheid 33, 34, 40, 85

Rente 9, 15, 16, 20, 21, 22, 23, 25, 29, 51, 55, 56, 57, 64, 65, 67, 72, 76, 78, 79, 80, 81, 83, 84

Saldi begrotingsfondsen 44, 46

Saldi begrotingsreserve 44, 46

Securities 29, 59, 60, 61, 62, 63

Sociale Zekerheid 15, 20, 22, 23, 83, 85, 87

Specifieke maatregelen 12

Staatsbalans 5, 29, 30, 41, 47, 51, 52, 55, 56, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 74, 85

Staatsvermogen 30, 47, 48, 49, 50, 51, 61, 85

Stimuleringspakket 11, 12, 13, 15, 16, 20, 21

Subsidies 36, 83

Toleranties 35, 40

Uitgavenkaders 15, 16, 20

Uitkering 11, 13, 16, 23, 27, 28, 65, 76, 79, 84, 85

Voorhangprocedure 34

Voorschotten 44, 45, 58, 69

Vorderingen 44, 45, 49, 51, 54, 58, 59, 64, 65, 66, 72, 73, 79, 84

WAO 87

Werkgelegenheid 9, 11, 27, 28, 42, 43, 76, 87

Werkloosheid 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 20, 23, 87

WW 12, 23, 33, 36, 37, 39, 87

Zorguitgaven 24

Licence