Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.1 De ontwikkeling van de uitgaven

Algeheel uitgavenbeeld

Het kabinet voert een trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat er wordt gestuurd op vaste uitgavenplafonds. De hoogte van deze plafonds staat los van de conjunctureel gevoelige belastingkomsten. Zo voorkomt het kabinet dat er extra geld kan wordt uitgegeven in goede tijden (waarin de belastinginkomsten hoger zijn dan verwacht) terwijl er in slechte tijden moet worden bezuinigd.

Dit kabinet heeft een aantal veranderingen doorgevoerd om het trendmatig begrotingsbeleid beter te laten functioneren. Zo plaatst het kabinet de conjunctuurgevoelige WW- en bijstandsuitgaven buiten het uitgavenplafond. Daarmee voorkomt het dat het in slechte tijden moet bezuinigen vanwege hogere werkloosheidsuitgaven. Daarnaast indexeert het kabinet het uitgavenplafond niet langer met de prijs nationale bestedingen, maar met de loon- en prijsontwikkeling van de uitgaven. Hierdoor is er geen sprake meer van mee- of tegenvallers op dit gebied, de zogeheten ruilvoetproblematiek. Tot slot heeft het kabinet de rente-uitgaven over de staatsschuld onder het uitgavenplafond geplaatst net zoals de budgettaire gevolgen van beleidsmatige besluiten over de gaswinning.

Het uitgavenplafond geeft de maximale ruimte weer voor uitgaven binnen de kabinetsperiode en hoeft niet helemaal benut te worden. Dit uitgavenplafond geldt voor het overgrote deel van de rijksuitgaven. Het totale uitgavenplafond is onderverdeeld in drie deelplafonds: Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg. Het kabinet toetst tijdens de kabinetsperiode het verwachte uitgavenniveau aan het vooraf afgesproken uitgavenplafond. Dit is de zogenoemde plafondtoets. Onderstaande tabel laat de over- en onderschrijdingen van de uitgavenplafonds zien.

Tabel 2.1.1 Plafondtoets Financieel Jaarverslag van het Rijk 2018 (in miljarden euro, - is onderschrijding)

Startnota

FJR 2018

Verschil

Rijksbegroting

Uitgavenplafond

126,6

126,6

0,0

Uitgavenniveau

126,6

123,8

‒ 2,8

Over-/onderschrijding

0,0

‒ 2,8

‒ 2,8

Sociale Zekerheid

Uitgavenplafond

78,9

79,1

0,2

Uitgavenniveau

78,9

78,6

‒ 0,3

Over-/onderschrijding

0,0

‒ 0,5

‒ 0,5

Zorg

Uitgavenplafond

72,8

72,5

‒ 0,2

Uitgavenniveau

72,8

70,7

‒ 2,1

Over-/onderschrijding

0,0

‒ 1,9

‒ 1,9

Totale uitgavenplafond

Uitgavenplafond

278,3

278,2

0,0

Uitgavenniveau

278,3

273,1

‒ 5,2

Over-/onderschrijding

0,0

‒ 5,2

‒ 5,2

De totale onderschrijding onder het uitgavenplafond is 5,2 miljard euro. Deze onderuitputting valt deels te verklaren door de ambitieuze investeringsagenda voor het eerste kabinetsjaar. Het kost immers tijd om extra mensen aan te nemen of materieel aan te schaffen. De hoge economische groei van het afgelopen jaar versterkt dit, want daardoor is er meer vraag naar werknemers en producten.

Het grootste deel van deze middelen blijft beschikbaar voor latere jaren. Zo wordt 2,2 miljard euro van de onderuitputting bij investeringsuitgaven meegenomen naar latere jaren. Ook kunnen departementen via de eindejaarsmarge niet bestede middelen tot maximaal 1 procent van hun begrotingstotaal meenemen naar het volgende jaar. Tot slot heeft het kabinet 0,5 miljard van de onderuitputting gereserveerd voor maatregelen in 2019 om de CO2-reductie op korte termijn te realiseren.

Een groot deel van de extra middelen die in het Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld zijn geparkeerd op de Aanvullende Post, in afwachting van bestedingsplannen van de departementen. Op basis van doeltreffende en doelmatige bestedingsplannen worden deze middelen overgeheveld naar de departementale begrotingen, vanwaar de middelen daadwerkelijk worden uitgegeven. Bij de Najaarsnota 2018 resteerde in totaal nog 30 miljoen euro aan regeerakkoordmiddelen op de Aanvullende Post. Dit betreft middelen voor de oprichting van Invest-NL. Deze middelen zijn niet meer in 2018 besteed en daarom afgeboekt bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2018. De middelen blijven wel behouden en worden toegevoegd aan de EZK-begroting in latere jaren. Per saldo resteren er daarmee voor 2018 geen regeerakkoordmiddelen meer op de Aanvullende Post.

In bijlage 8 staan alle mutaties die sinds de Najaarsnota 2018 hebben plaatsgevonden. Ook bevat bijlage 12 een meerjarig overzicht met de actuele stand van de regeerakkoordmiddelen op de Aanvullende Post. Hiermee voldoet de Minister van Financiën aan de toezegging om een overzicht te geven van de overgeboekte middelen van de Aanvullende Post naar de vakdepartementen.

Daarnaast is ook een deel van de onderschrijding incidenteel. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de schikking met ING. Deze leidde tot een verdere onderschrijding van 624 miljoen euro onder het plafond Rijksbegroting. Voor de andere budgetten is het vaak lastiger te beoordelen of de onderschrijding incidenteel of structureel van aard is. Als onderuitputting structureel van aard is, wordt het budget bij de Voorjaarsnota bijgesteld.

Plafondtoets Rijksbegroting

Tabel 2.1.2 Ontwikkeling uitgaven deelplafond Rijksbegroting (in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

126.574

2

Plafondcorrectie volumebesluit gas

‒ 100

3

Aanpassing uitgavenplafond vanwege inflatie-ontwikkeling

‒ 31

4

Statistische correcties

‒ 20

5

Overboekingen met Sociale zekerheid en Zorg

158

6

Uitgavenplafond bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 1 t/m 5)

126.582

7

Uitgaven bij Startnota

126.574

8

Loon- en prijsbijstelling

‒ 39

9

Statistische correcties

‒ 20

10

Overboekingen met Sociale zekerheid en Zorg

158

11

Extrapolatie uitgaven

0

12

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

‒ 245

13

HGIS

34

14

EU-afdrachten

‒ 822

15

Rente

‒ 170

16

Inrichting LNV

50

17

Tegenvaller afpakken en boetes en transacties JenV

97

18

Begrotingsreserve maatregelen voor CO2-reductie op de korte termijn

500

19

Uitvoeringskosten brexit bij douane en NVWA

34

20

Rijksbijdrage Groningen

100

21

Schikking ING

‒ 624

22

Winst DNB en dividend staatsdeelnemingen

‒ 279

23

Onderuitputting

‒ 3.031

24

Eindejaarsmarge

882

25

In=uit-taakstelling

‒ 989

26

Invulling in=uit-taakstelling

1.098

27

Kasschuiven

649

28

Overig

‒ 161

29

Uitgaven bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 7 t/m 28)

123.797

Het uitgavenplafond is in 2018 om een aantal redenen aangepast. Allereerst worden volgens de begrotingsregels besluiten over het volume van de gaswinning onder het uitgavenplafond gedekt. De technische uitwerking hiervan is dat vanwege het besluit om de gaswinning in Groningen te stoppen, het uitgavenplafond naar beneden is bijgesteld. Daarnaast is het plafond aangepast voor de loon- en prijsontwikkeling van de uitgaven. Ook statistische correcties leiden tot een verlaging van het uitgavenplafond. De grootste statistische correctie is het gebruik van een Design, Build, Finance en Maintain-contract (DBFM-contract) voor het versterken van de Afsluitdijk. Als het kabinet kiest voor een DBFM-constructie, past het kabinet het kasritme van het gereserveerde budget aan voor het betaalritme van het DBFM-contract. In plaats van een hoge investering in een korte periode is de gebruiksvergoeding dan lager over een veel langere periode. Tot slot hebben er ook overboekingen tussen de drie deelplafonds plaatsgevonden.

De loon- en prijsontwikkeling is lager dan bij de Startnota geraamd, waardoor de uitgaven aan deze post neerwaarts worden bijgesteld.

De hoogte van de uitgaven van het Rijk werkt via de normeringssystematiek door in de indexatie van het Gemeentefonds, Provinciefonds en het plafond van het BTW-compensatiefonds. De jaarlijkse indexatie van de fondsen heet het accres. Actualisatie van het uitgavenbeeld 2018 heeft geleid tot daling van het accres. Meer informatie over de normeringssystematiek is te vinden in bijlage 11 bij dit Financieel Jaarverslag van het Rijk.

Het Rijk geeft ook geld uit aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). De HGIS is een budgettaire constructie die overzicht moet bieden, zodat het Rijk geïntegreerd en coherent buitenlands beleid kan voeren. De HGIS uitgaven zijn in vergelijking met de eerdere raming gestegen met 34 miljoen euro. Dit komt onder andere doordat het HGIS-budget is bijgesteld naar aanleiding van de macro-economische inzichten van het CPB.

De omvang van de Nederlandse afdrachten aan de EU wordt bepaald door de omvang van de Europese begroting en de relatieve omvang van de Nederlandse economie (uitgedrukt in het bruto nationaal inkomen, bni) ten opzichte van de andere lidstaten. De afdrachten vielen in 2018 822 miljoen euro lager uit dan geraamd. De invoerrechten en de bijbehorende perceptiekostenvergoeding zijn gebaseerd op de realisatiecijfers, die lager zijn uitgevallen dan de laatste raming. Verder zijn de uitgaven van de EU lager uitgevallen dan oorspronkelijk geraamd. Dit heeft per saldo geleid tot lagere Nederlandse afdrachten.

De uitgaven aan de rente vielen 97 miljoen euro lager uit dan gedacht. Dit heeft verschillende oorzaken. Ten eerste waren de rentepercentages lager dan de rentepercentages die zijn gebruikt tijdens het opstellen van de begroting. Daarnaast zijn de rentelasten lager uitgevallen als gevolg van vervroegde aflossingen en doordat de schulduitgifte op de kapitaalmarkt in het financieringsplan is verlaagd.

Voor de herinrichting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is in 2018 37,2 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld voor extra personeel, ICT en materiële kosten. Daarbij is besloten om voor de periode 2018-2020 ook nog 69,9 miljoen euro incidenteel beschikbaar te stellen voor ICT-herinrichting en ICT-problematiek. Het Ministerie van LNV is niet in staat gebleken alle middelen voor 2018 tot besteding te laten komen. Hierdoor komt het totale bedrag dat aan herinrichting is uitgegeven voor 2018 uit op 50 miljoen euro.

Bij de opbrengsten uit afpakken van crimineel vermogen en de boetes en transacties was er een tegenvaller. Omdat de meevaller uit de schikking met ING separaat weergegeven is, resteert er een tegenvaller van ongeveer 97 miljoen euro.

Het kabinet neemt mogelijk extra maatregelen om aanvullende CO2-reductie te realiseren. Omdat de aard en timing van de eventuele aanvullende maatregelen nog onzeker is, heeft het kabinet besloten deze eventuele maatregelen via een tijdelijke begrotingsreserve mogelijk te maken. De reserve loopt tot en met 2020, wordt gekoppeld aan artikel 4 (Een doelmatige energievoorziening en beperking van klimaatverandering) van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), en staat onder voorafgaand toezicht van het Ministerie van Financiën. De reserve is eenmalig gevuld met 500 miljoen euro. Als de uitgaven hoger uitvallen dan de beschikbare middelen in de begrotingsreserve, gelden de reguliere begrotingsregels. Als de uitgaven lager uitvallen, vloeit het restant terug naar de schatkist. Als middelen aan de reserve worden onttrokken, moet het Ministerie van Financiën dat vooraf goedkeuren. Daarbij toetst het departement of de CO2-uitstoot zo kostenefficiënt mogelijk wordt verminderd. Het Ministerie van EZK coördineert de set aan maatregelen om de CO2-uitstoot te reduceren. Andere departementen zoals LNV, IenW en BZK kunnen ook een beroep doen op deze middelen voor CO2-reducerende maatregelen.

De brexit zorgt voor extra douaneformaliteiten, waarvan de NVWA en andere landbouwgerelateerde keuringsdiensten een deel moeten uitvoeren. Voor deze extra inzet van de douane en keuringsdiensten is op korte termijn extra personeel geworven en opgeleid. Dit leidt ook meerjarig tot hogere kosten. Daarnaast zijn op de begrotingen van de ministeries van JenV en VWS kosten ingepast naar aanleiding van de brexit.

Voor Groningen is een reservering gemaakt van structureel 100 miljoen euro per jaar. De reservering houdt onder meer verband met de voortgaande gesprekken met de regio over het toekomstperspectief voor Groningen, de afhandeling van schademeldingen en de versterkingsaanpak, en diverse organisatiekosten.

De winstafdracht en dividendontvangsten vallen hoger uit dan geraamd. De winstafdrachtraming is naar boven bijgesteld, omdat de inkomsten stijgen op deposito’s die DNB aanhoudt van centrale banken van buiten het eurosysteem. De dividendstijging is met name het gevolg van goede winstcijfers en daarmee hoger dan geraamde dividendrealisaties van BNG en Holland Casino.

In 2018 was er 3 miljard euro aan onderuitputting. Hiervan is 2,2 miljard euro te verklaren doordat het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een deel van de beschikbare investeringsmiddelen uit het jaar 2018 in latere jaren mogen besteden. De ministeries mogen deze investeringsmiddelen onbeperkt meenemen naar volgende jaren. Hierdoor blijven ze beschikbaar voor investeringen.

Tot slot hebben er voor 649 miljoen euro kasschuiven naar 2018 plaatsgevonden en is de in=uit-taakstelling van 1 miljard euro volledig ingevuld.

Plafondtoets Sociale zekerheid

Tabel 2.1.3 Ontwikkeling uitgaven deelplafond Sociale Zekerheid (in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

78.937

2

Aanpassing uitgavenplafond vanwege conjuncturele effect WW en bijstand

250

3

Aanpassing uitgavenplafond vanwege inflatie-ontwikkeling

‒ 83

4

Statistische correcties

‒ 8

5

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

18

6

Uitgavenplafond bij FJR 2018 (= 1 t/m 5)

79.114

7

Uitgaven bij Startnota

78.937

8

Conjuncturele effect WW en bijstand

250

9

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 83

10

Statistische correcties

‒ 8

11

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

18

12

AOW

‒ 162

13

Arbeidsongeschiktheid

‒ 139

14

Wajong

‒ 101

15

Participatiewet

93

16

Kasschuiven Plafond Sociale Zekerheid

‒ 324

17

Diversen

141

18

Uitgaven bij FJR 2018 (= 7 t/m 17)

78.622

19

Over/onderschrijding bij Startnota (= 7-1)

0

20

Over/onderschrijding bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 18-6)

‒ 492

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk laat in 2018 een onderschrijding zien van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 509 miljoen euro.

Het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt aangepast voor het conjuncturele effect bij de WW en bijstand. De uitkeringslasten in de WW en bijstand zijn hoger uitgevallen dan bij Startnota geraamd. Dit komt deels door een tegenvaller op de WW-uitgaven ten opzichte van eerdere ramingen. De WW-uitkeringslasten komen hoger uit dan eerder geraamd, met name doordat de gemiddelde jaaruitkering hoger is uitgevallen. Het aantal WW-uitkeringen in sectoren met een lager loonniveau is teruggelopen. Hierdoor is hun bijdrage aan het totaal kleiner geworden en is de gemiddelde uitkering hoger uitgevallen. Ook de uitgaven aan het conjuncturele deel van de bijstand laten een tegenvaller zien ten opzichte van de Startnota. Het macrobudget bijstand is gedurende het jaar neerwaarts bijgesteld aan de hand van de werkloosheidscijfers van het CPB en de verwerking van realisatiegegevens over 2017.

De uitgaven aan loon- en prijsontwikkeling zijn lager uitgevallen dan bij de Startnota geraamd, voornamelijk doordat de loonontwikkeling bij vaste contracten lager was dan verwacht. Ook is het uitgavenplafond aangepast voor statistische correcties. Tot slot is het uitgavenplafond gecorrigeerd voor enkele overboekingen met de andere uitgavenplafonds.

Hiernaast zijn er nog meer bijstellingen geweest op basis van realisaties ten opzichte van de verwachting bij de Startnota. Bij de AOW treedt een meevaller op van 162 miljoen euro ten opzichte van de Startnota. Dit komt doordat ten opzichte van eerdere ramingen het aantal AOW-gerechtigden lager is uitgevallen. Daarnaast valt de gemiddelde hoogte van de AOW-uitkeringen iets lager uit dan eerder geraamd, vanwege een lager uitgevallen indexatie van de AOW-uitkering en lagere uitgaven aan AOW-partnertoeslag en het aandeel alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering).

Bij de arbeidsongeschiktheid zijn de uitgaven 139 miljoen euro lager uitgevallen dan geraamd bij de Startnota. Dit is voornamelijk het gevolg van lagere uitgaven aan uitkeringen op grond van de Wet Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA-uitkeringen). Het aantal uitkeringen kwam lager uit door lagere instroom en hogere doorstroom naar de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Ook de kosten kwamen lager uit dan verwacht. De uitgaven aan de IVA kwamen juist hoger uit dan verwacht. Dit kwam door een hogere instroom en eerder genoemde hogere doorstroom uit de WGA.

De niet-conjunctuurgevoelige uitgaven aan de macrobudget gebundelde uitkeringen (Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ) laten een tegenvaller zien. Dit komt onder andere doordat de bijstandsraming voor statushouders is aangepast. Daardoor wordt de verhoogde instroom van statushouders al in het uitvoeringsjaar in het macrobudget verwerkt.

Bij de Wajong heeft zich een meevaller voorgedaan ten opzichte van de Startnota. Op basis van realisatiegegevens is de omvang van het Wajong-bestand licht naar beneden bijgesteld. Daarnaast is de gemiddelde uitkering van werkende Wajongers licht gedaald na het verwerken van hun nieuwe loonaanvullingsgegevens. Ook bleek het voorschot dat in 2017 aan het UWV was overgemaakt voor de Wajong, hoger dan de uitgaven van het UWV in dat jaar. De te veel ontvangen middelen zijn terugbetaald in 2018.

Sinds de Startnota waren er verschillende kasschuiven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Het gaat onder andere om een kasschuif transitievergoeding als gevolg van een latere invoeringsdatum en de regeling voor intertemporele tegemoetkoming bijstand 2017 (Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom 2015). Bij de regeling voor intertemporele tegemoetkoming is er een grote onderuitputting, doordat gemeenten hier maar beperkt gebruik van hebben gemaakt. Om deze voorfinanciering mogelijk te maken, waren eerder middelen van de bijstand naar voren gehaald via een kasschuif. De niet-aangevraagde middelen op de rijksbegroting worden volgens afspraak weer in de oorspronkelijke jaren teruggezet door middel van een tegengestelde kasschuif. Ook is er een kasschuif als gevolg van de uitvoering van het amendement-Van Weyenberg voor scholingstrajecten richting een kansberoep. Daarnaast is er een kasschuif vanwege een juridische verplichting vanuit de vorige kabinetsperiode voor de uitbetaling van de compensatieregeling zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (ZEZ).

Onder de post ‘Diversen’ vallen overige bijstellingen op basis van onder andere uitvoeringsinformatie en uitvoeringstoetsen van UWV, SVB, Belastingdienst en gemeenten.

Er zijn onder andere meevallers op de Toeslagenwet (TW), Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW), op de LIV/LKV-regelingen en op de Wet Arbeid en Zorg (WAZO).

Daarnaast zijn er juist tegenvallers op onder andere de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO), de Algemene Nabestaandenwet (Anw), de Ziektewet (ZW) en de Kinderbijslag (AKW).

Plafondtoets Zorg

Tabel 2.1.4 Ontwikkeling uitgaven deelplafond Zorg (in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2018

1

Uitgavenplafond bij Startnota

72.762

2

Aanpassing uitgavenplafond vanwege inflatie-ontwikkeling

‒ 45

3

Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale zekerheid

‒ 176

4

Uitgavenplafond bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 1 t/m 3)

72.542

5

Uitgaven bij Startnota

72.762

6

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 45

7

Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale zekerheid

‒ 176

8

Actualisering uitgaven genees- en hulpmiddelen (VJN)

‒ 352

9

Actualisering huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening (MN)

‒ 100

10

Actualisering wijkverpleging (MN)

‒ 100

11

Actualisering geestelijke gezondheidszorg (MN)

‒ 243

12

Actualisering overige Zvw-uitgaven (MN)

‒ 91

13

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

‒ 100

14

HLA: huisartsenzorg

50

15

HLA: wijkverpleging

50

16

Ramingsbijstelling Wlz

‒ 100

17

Verlaging veronderstelde onderuitputting zorg in natura

54

18

Middelen interbestuurlijk programma

100

19

Actualisering uitgaven curatieve zorg (FJR)

‒ 919

20

Actualisering uitgaven langdurige zorg (FJR)

‒ 177

21

Ontvangsten Wlz

50

22

Overig

‒ 1

23

Uitgaven bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 5 t/m 22)

70.662

24

Over/onderschrijding bij Startnota (= 5-1)

0

25

Over/onderschrijding bij Financieel Jaarverslag Rijk (= 23-4)

‒ 1.880

Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk is er in 2018 een onderschrijding van het uitgavenplafond Zorg van circa 1,9 miljard euro. Dit is het saldo van een neerwaartse bijstelling van het uitgavenplafond (200 miljoen) en een neerwaartse bijstelling van de uitgaven (2,1 miljard euro).

Ten opzichte van de CPB-raming bij de Startnota is op basis van de MEV 2019 de raming van loon- en prijsontwikkeling in de zorg, en dus het uitgavenplafond Zorg, naar beneden bijgesteld. Het uitgavenplafond Zorg wordt verder verlaagd als gevolg van overboekingen naar het uitgavenplafond Rijksbegroting. Het gaat onder andere om middelen in het kader van het Interbestuurlijk programma (100 miljoen euro), het overhevelen van middelen voor het Transformatiefonds Jeugd naar het Gemeentefonds (18 miljoen euro), en het overhevelen van middelen voor Regeerakkoordmaatregel H62 Onafhankelijk cliëntondersteuning naar de VWS-begroting (15 miljoen euro).

De uitgaven aan genees- en hulpmiddelen zijn in 2017 circa 350 miljoen euro lager uitgevallen dan geraamd. Deze lagere uitgaven worden onder andere verklaard door de lagere koers van het Britse pond (via de Wet geneesmiddelenprijzen), de scherpe inkoop door verzekeraars en de effecten van financiële arrangementen. Deze lagere uitgaven zijn structureel verwerkt in de begroting.

Structureel verwerkt in de begroting zijn de onderschrijding in 2017 van 200 miljoen euro bij huisartsenzorg en de overschrijding van 100 miljoen euro bij multidisciplinaire zorgverlening. Dat is afgesproken in het bestuurlijk akkoord huisartsenzorg en multidisciplinaire zorgverlening 2019-2022

In het bestuurlijk akkoord wijkverpleging is afgesproken de onderschrijding in 2017 voor een bedrag van 100 miljoen euro structureel te verwerken in de begroting.

In het bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg 2019-2022 is afgesproken dat de onderschrijding in 2017 van 300 miljoen euro structureel wordt verwerkt in de begroting. De actualisering is voor 2018 bovendien gecorrigeerd met 57 miljoen euro, omdat voor dit jaar (incidenteel) middelen naar de begroting zijn overgeheveld voor het informatie- en gegevensuitwisselingprogramma in de ggz (50 miljoen euro) en voor kwaliteitsmiddelen (7 miljoen euro).

De post Actualisering overige Zvw-uitgaven (MN) omvat het saldo van diverse kleinere mee- en tegenvallers in de Zvw waaronder lagere uitgaven bij de geriatrische revalidatiezorg (-19 miljoen euro) en bij de overige curatieve zorg (-21 miljoen euro).

De uitgaven aan geneesmiddelen zijn in 2018 naar verwachting lager dan geraamd. Dit is onder andere het gevolg van prijsdruk op geneesmiddelen.

Om de ambities in het bestuurlijk akkoord huisartsen 2019-2022 te realiseren, is afgesproken dat 50 miljoen euro per jaar beschikbaar blijft voor de sector. Deze middelen zijn onder andere voor de juiste zorg op de juiste plek, voor een sterkere organisatiegraad van de eerste lijn en om praktijkondersteuners of e-health in te zetten.

Om de ambities in het bestuurlijk akkoord wijkverpleging 2019-2022 te realiseren, is afgesproken dat 50 miljoen euro per jaar beschikbaar blijft voor de sector. Deze middelen zijn onder andere beschikbaar om de juiste zorg op de juiste plek te realiseren, e-health te stimuleren en arbeidsproblematiek aan te pakken.

Uit uitvoeringsgegevens blijkt dat er ruimte is tussen enerzijds het beschikbare Wlz-kader voor zorg in natura en persoonsgebonden budgetten en anderzijds de raming in de begroting. Dit is structureel verwerkt in de begroting en betekent een verlaging van de uitgavenraming in 2018 met 100 miljoen euro.

Naar aanleiding van actualisatiecijfers is de veronderstelde onderuitputting van de Wlz-leveringsvorm zorg in natura vanaf 2018 verlaagd van 0,6 procent naar 0,3 procent. De in de begroting geraamde uitgaven vallen hierdoor 54 miljoen euro hoger uit. Het budget dat beschikbaar is voor inkoop van zorg in natura, verandert niet.

Het Rijk en de VNG hebben in het Interbestuurlijk programma (IBP) afspraken gemaakt over de financiële consequenties van het Regeerakkoord. In het kader van het IBP heeft het Ministerie van VWS in 2018 100 miljoen euro beschikbaar gesteld voor gemeenten.

Op basis van de voorlopige realisatiecijfers over 2018 van het Zorginstituut Nederland zijn de uitgaven onder de Zvw voor 2018 geactualiseerd. Daarbij zijn de Zvw-uitgaven met 919 miljoen euro naar beneden bijgesteld. Hiervan was al 600 miljoen euro gemeld bij de Najaarsnota. Hieronder staan de grootste onderschrijdingen per sector toegelicht. Bij de wijkverpleging doet zich in 2018 een onderschrijding voor van 218 miljoen euro; deze hangt samen met verschillende factoren. Verzekeraars controleren vanaf 2018 strenger op in de Zvw gedeclareerde zorg voor cliënten met een Wlz-indicatie. Daarnaast lijkt uit voorlopige gegevens van Vektis te kunnen worden geconcludeerd dat het gemiddeld aantal geleverde uren wijkverpleegkundige zorg per cliënt in 2018 is gedaald ten opzichte van voorgaande jaren. Binnen de Zvw is verder een onderschrijding van 150 miljoen euro bij de opleidingen. Het Capaciteitsorgaan constateert dat er steeds meer artsen in opleiding tot specialist (aio’s) in deeltijd werken. Als gevolg daarvan vallen de kosten van het opleiden van deze aio’s lager uit. Ook leiden ziekenhuizen minder gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel op dan waarmee in de raming van het Capaciteitsorgaan rekening is gehouden. Verder is er in 2018 sprake van een aanvullende onderschrijding van 150 miljoen euro bij de sectoren genees- en hulpmiddelen. Dit komt met name doordat zorgverzekeraars scherper hebben ingekocht en doordat de opbrengsten van de prijsarrangementen hoger waren dan ingeschat. Als laatste is er in 2018 onder meer een onderschrijding bij de fysiotherapie (53 miljoen euro), tandheelkundige zorg (20 miljoen euro) en zintuiglijk gehandicapten (19 miljoen euro).

Op basis van voorlopige realisatiecijfers over 2018 zijn de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) voor 2018 geactualiseerd. Hierdoor zijn de uitgaven met 177 miljoen euro naar beneden bijgesteld. Deze onderschrijding doet zich voornamelijk voor, doordat een deel van de herverdelingsmiddelen in het Wlz-kader niet nodig was (130 miljoen euro), en vanwege vrijval als gevolg van overdekking van het Wlz-kader .

De ontvangsten in de Wlz zijn 50 miljoen euro lager uitgevallen. Dit komt door een tegenvaller bij de eigen bijdragen Wlz en een tegenvaller bij de inkomsten van internationale verdragen. Bij deze laatste inkomsten gaat het om vorderingen op verdragspartners voor in Nederland verleende Wlz-zorg aan personen die verzekerd zijn in het buitenland.

De post ‘Overig’ is het saldo van diverse kleinere mutaties.

Licence