Base description which applies to whole site

Bijlage 4: Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen voor zover relevant voor de beleidsterreinen van LNV. Er wordt ingegaan op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s waarbij inzicht wordt gegeven in de EU-geldstromen, de cofinanciering met LNV-middelen en middelen van andere overheden en private partijen.

Meerjarig Financieel kader 2014-2020

In het Meerjarig Financieel Kader (MFK) worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van de middelen over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Het MFK is vastgesteld in een verordening. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad. De onderhandelingen voor het MFK 2021-2027 op de verschillende deelterreinen zijn reeds gestart en lopen door in 2020. Er is nog geen overeenstemming hierover.

Eigen Middelen EU

De Eigen Middelen van de EU bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1. Traditionele eigen middelen (vooral invoerrechten);

  • 2. BTW-afdracht;

  • 3. Afdracht op basis van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI).

De voor LNV relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen (categorie 1: Traditionele eigen middelen). Deze ontvangsten worden op de LNV begroting verantwoord (artikel 11) en worden na inhouding van een perceptiekostenvergoeding afgedragen aan de EU. De afdrachten worden verantwoord in het jaarverslag van Buitenlandse Zaken.

EU-fondsen

De Europese Commissie stelt voor de realisatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid middelen uit EU-fondsen aan de lidstaten beschikbaar. Voor LNV zijn de volgende EU-fondsen relevant:

  • 1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB):

    • 1. Pijler 1: Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF);

    • 2. Pijler 2: Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

  • 3. Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

1a. GLB Pijler 1: Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De ontvangen EU-steun voor het GLB pijler 1 bedraagt in 2019 € 704 mln. voor directe inkomenssteun en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. Ten aanzien van het GLB is LNV verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het op EU-niveau vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Nederland beschikt vanaf 16 oktober 2013 over één erkend betaalorgaan voor de uitvoering van het GLB (RVO). De Auditdienst Rijk (ADR) is belast met de controle van de door het betaalorgaan ingediende rekeningen bij de Europese landbouwfondsen.

De maatregelen binnen Pijler 1 van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn als volgt onderverdeeld:

Basisbetalingsregeling

In 2019 zijn de betalingen gedaan op aanvragen ingediend in 2018, het vierde jaar in de huidige GLB- periode. Voor de basisbetaling is € 459 mln. gedeclareerd bij de Europese Commissie.

Betaling voor vergroening

Landbouwers die gebruik maken van de basisbetalingsregeling zijn verplicht om vergroeningsmaatregelen toe te passen op hun bedrijf. Voor de vergroeningsbetalingen is 30% van het budget voor directe betalingen bestemd. In 2019 is € 196 mln. voor vergroeningsbetalingen gedeclareerd bij de Europese Commissie.

Aanvullende betaling voor jonge boeren

Voor de zogenaamde ‘top-up’ betaling voor jonge boeren is 2% van het budget voor directe betalingen beschikbaar. In 2019 is bij de Europese Commissie € 13,8 mln. gedeclareerd voor de ‘top-up’ betaling voor jonge boeren.

Graasdierpremie

In 2019 werd € 1,4 mln. voor steun aan graasdieren (runderen en schapen) gedeclareerd bij de Europese Commissie.

Teruggave financiële discipline

Op alle directe betalingen wordt een korting toegepast ten behoeve van de crisisreserve van de Europese Commissie. Indien de crisisreserve niet (volledig) wordt benut vindt teruggave plaats aan de landbouwers. In 2019 werd € 8,8 mln. terugbetaald aan landbouwers.

Markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. Bij het markt- en prijsbeleid zijn er aan de ene kant uitgaven voor reguliere programma’s en aan de andere kant uitgaven in verband met slechte marktsituaties.

In 2019 bestond de reguliere steun uit operationele programma’s groente en fruit van € 16,7 mln. Voor afzetbevordering is € 9,8 mln. uitgegeven. Het betrof hier uitgaven in het kader van schoolfruit en melk en bijbehorende promotieprogramma’s. De uitgaven voor het Bijenprogramma bedroegen € 0,2 mln.

1b. GLB Pijler 2 (POP): Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Op 13 februari 2015 heeft de Europese Commissie het Nederlandse POP3 goedgekeurd.

Conform het akkoord tussen Rijk en provincies zijn de provincies verantwoordelijk voor het overgrote deel van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3). De provincies leveren het grootste deel van de benodigde nationale middelen cofinanciering voor POP3, aangevuld met cofinanciering door de waterschappen (verbetering waterkwaliteit).

In overleg met de provincies is besloten POP3 concreet te richten op de volgende thema’s:

1) Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht;

2) Jonge boeren;

3) Natuur en landschap (zoals afgesproken in het Natuurpact);

4) Verbetering van de waterkwaliteit;

5) LEADER (inclusief projecten onder het programma Duurzaam Door).

Met ingang van 2016 zijn in het POP3 de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • In verband met de convergentie naar een gelijke hectare premie in 2019 is besloten tot een herschikking van de beschikbare middelen van de pijler 1. Hiervan komt € 11,5 mln. per jaar voor de periode 2016-2020 (totaal €57,5 mln.) ten behoeve van enkele sectoren die te maken krijgen met een substantiële vermindering van directe betalingen (zonder nationale cofinanciering). Voor de aardappelzetmeelsector (totaal € 5 mln. van de € 57,5 mln.) worden maatregelen uitgevoerd door de provincies Groningen en Drenthe.

  • Daarnaast wordt extra geld aangewend voor watermaatregelen. Voor de periode 2016 ‒ 2020 wordt jaarlijks € 20 mln. besteed (totaal € 100 mln.). Het gaat hier om EU-middelen waarvoor geen nationale cofinanciering vereist is (100% EU-bijdrage). Wel zijn er met de waterschappen afspraken gemaakt dat de (EU) beschikbare watermiddelen met een zelfde bedrag van € 20. mln worden opgehoogd (totaal € 100 mln.).

  • Een andere aanpassing betreft de overgang naar een stelsel van collectief agrarisch natuurbeheer met ingang van 2016 (Kamerstuk, 33 576, nr. 3).

  • Vervolgens is in juli 2017 de voorgenomen overheveling van pijler 1 (€ 30 mln. per jaar voor de jaren 2019 en 2020) aan de Europese Commissie gemeld. Voor de Brede Weersverzekering wordt vanaf 2019 € 10 mln. per jaar ingezet. Hiermee kunnen voor de jaren 2019 en 2020 in totaal 1.000 tot 1.200 meer deelnemers worden geaccommodeerd (bijna een verdubbeling van het huidige aantal). Voor de jaren 2019 en 2020 wordt € 20 mln. per jaar voor agrarisch natuurbeheer ingezet om de belangrijkste stappen te zetten om scenario 2 uit de toekomstscenario’s weide- en akkervogelbeheer te realiseren (zie Kamerstuk 33 576, nr. 97). De EC heeft de voorstellen in 2018 goedgekeurd.

Onderstaand volgt een overzicht van de bedragen die gemiddeld per jaar voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 ‒ 2020 (POP3) beschikbaar zijn, na toevoeging van bovenstaande middelen (bedragen x € 1 mln):

Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014- 2020 (bedragen x €1.000)

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Bijdrage EU

87,0

87,0

118,5

118,4

118,3

148,1

148,1

825,3

Bijdrage andere overheden

87,0

83,6

103,5

103,6

103,3

103,0

103,0

687

Bijdrage Rijk

 

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

5,5

33

Bijdrage andere overheden en bijdrage Rijk zijn niet gestegen omdat de toegevoegde pijler 1 middelen 100% financiering vanuit de EU betreffen.

Het LNV aandeel bedraagt circa € 5,5 mln. per jaar en deze uitgaven worden verantwoord in het jaarverslag van LNV (artikel 6). Het Rijksaandeel heeft betrekking op de regeling brede weersverzekering. Vanaf 2016 is het Ministerie eveneens verantwoordelijk voor de uitvoering van de regelingen voor de kalversector, aardappelzetmeelsector en vleesveesector. Deze regelingen worden alleen via de EU gefinancierd, de hiervoor benodigde middelen zijn vanuit GLB pijler 1 overgeheveld naar pijler 2.

Onder POP3 is een ruimer bestedingsregime van kracht. Per jaartranche dient het geld binnen 4 jaar te zijn uitgegeven (N+3, was N+2).

De realisatie tot en met 2019 ziet er als volgt uit (bedragen x € 1 mln.).

Realisatie POP3 (bedragen x € 1 mln.)

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Realisatie totaal 2014-2019

Bijdrage EU

0

33

41

60

78

93

305

Bijdrage provincies

0

10

18

25

38

38

129

Bijdrage Rijk

0

4

4,6

5,6

5,3

2,4

21,9

2. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Ontwikkelingen EFMZV 2014-2020

Hoofddoel van het EFMZV is het bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB, dat wil zeggen aan de verdere verduurzaming en versterking van de concurrentiekracht van de visserij en aquacultuur. Het EFMZV biedt de sector kansen om initiatieven voor meer duurzaamheid, kostprijsverlaging en kwaliteitsverbetering te ontwikkelen en deze te implementeren. Het fonds zal eveneens worden ingezet om uitdagingen op te pakken en oplossingen aan te dragen voor de invoering van de aanlandplicht.

Het EFMZV-instrumentarium, zoals opgenomen in het in februari 2015 goedgekeurde Operationeel Programma, is gericht op 3 hoofdthema’s:

  • 1. Invoering van de aanlandplicht;

  • 2. Verdere verduurzaming van de visserij- en aquacultuur;

  • 3. Verbetering van de rendementen in de visserij- en aquacultuurketen.

In 2019 zijn in uitvoering van het Operationeel Programma de navolgende maatregelen opengesteld voor de visserijsector:

  • 1. Jonge vissers 2019

  • 2. Investeringen voor toegevoegde waarde van visserijproducten

  • 3. Samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij

  • 4. Productie- en afzetprogramma's voor producentenorganisaties 2019

  • 5. Innovatieprojecten aquacultuur

  • 6. Afzetbevorderingsprojecten voor visserij en aquacultuur

De maatregelen jonge vissers (budget € 350.000) en productie- en afzetprogramma’s voor producentenorganisaties (budget € 44.250) zijn jaarlijks terugkerende openstellingen en zijn ook in 2017 en 2018 opengesteld. De maatregel jonge vissers is bedoeld voor jonge vissers om nieuwe economische activiteiten op te starten. Vissers jonger dan 40 jaar kunnen een subsidie ontvangen als zij voor het eerst een vissersvaartuig willen aanschaffen. De maatregel productie- en afzetprogramma’s is bedoeld voor het ondersteunen van producentenorganisaties bij het realiseren van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten.

De maatregel investeringen voor toegevoegde waarde is in 2019 opengesteld met een budget van € 2,8 mln. Deze maatregel is bedoeld om visserijondernemingen te helpen om de toegevoegde waarde of de kwaliteit van de gevangen vis te verbeteren. Middels deze maatregel kunnen visserijondernemingen steun krijgen voor een beperkt aantal investeringen welke leiden tot verbetering van toegevoegde waarde in de bedrijfsvoering.

De maatregel samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij is in 2019 opengesteld met een budget van € 6 mln. Het doel van deze maatregel is om vissers te helpen kennis op te doen die zij kunnen gebruiken voor het verduurzamen van hun bedrijfsvoering. Deze maatregel is gericht op het opzetten van netwerken, partnerschapovereenkomsten of verenigingen (kennissystemen) tussen wetenschappers en vissers of visserijorganisaties en op het verrichten van activiteiten daarbinnen, zoals kennisontwikkeling en kennisdeling. Vissers of visserijorganisaties kunnen binnen het kennissysteem aan elkaar en aan de onafhankelijke wetenschappelijke organisatie de vragen stellen die zij hebben met betrekking tot de maatschappelijke uitdagingen, waar de sector voor staat.

In het Nationaal Strategisch Plan Aquacultuur (2014-2020) is een meerjarenvisie opgenomen. Deze is gericht op een duurzame ontwikkeling van de aquacultuur binnen Nederland. Om invulling te geven aan de ontwikkelrichtingen in het plan wordt door middel van de maatregel innovatieprojecten aquacultuur subsidie verleend om innovaties in de aquacultuur te bevorderen. Hierbij worden verschillende aspecten van duurzaamheid meegewogen. Eind 2019 is de maatregel opengesteld met een budget van € 3 mln.

De maatregel afzetbevorderingsprojecten voor visserij en aquacultuur (budget € 2,8 mln.) is gericht op producenten- en brancheorganisatie of deelnemers in een samenwerkingsverband. Zij kunnen financiële ondersteuning krijgen bij het vinden van nieuwe afzetmarkten of het verbeteren van de kwaliteit en de toegevoegde waarde van visserij- en aquacultuurproducten. Het budget voor deze maatregel in 2019 bedraagt € 2,8 mln.

Naast de reeds in uitvoering zijnde overheidsopdrachten is in 2019 vanuit het EFMZV ruim € 12 mln. vastgelegd voor de uitvoering van een aantal nieuwe overheidsopdrachten, waaronder de pilot Fully Documented Fisheries gericht op de implementatie van een automatisch vangstregistratiemiddel, de uitzet van glas- en pootaal (periode 2017-2020) in het kader van het nationaal aalbeheerplan en enkele ICT projecten voor de uitvoering van visserijregelingen.

Financieel overzicht

De toenmalig Minister van EZ heeft voor de uitvoering van het GVB een Operationeel programma opgesteld voor de periode 2014-2020. De verdeling van de kosten van dit programma tussen overheid en begunstigden bedraagt in de meeste gevallen 50/50. Van het overheidsdeel komt gemiddeld 75% uit het EFMZV, de resterende 25% is nationale cofinanciering.

De voor Nederland beschikbare EU-budgetten voor het EFMZV (2014-2020) zijn (x € 1 mln.):

Voor Nederland beschikbare EU-budgetten EFMZV 2014 ‒ 2020 (bedragen x 1 mln.)

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

EFMZV middelen

13,9

14,1

14,2

14,5

14,8

14,9

15,1

101,5

Op de begroting van LNV zijn op beleidsartikel 11 voor de cofinanciering van het GVB 2014-2020 de volgende nationale middelen beschikbaar (x € 1 mln):

Rijksmiddelen cofinanciering GVB 2014 ‒ 2020 (x 1 mln.)

Kalenderjaar

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Rijksmiddelen co-financiering GVB

 

5,0

5,8

7,3

5,3

5,3

1,3

30,0

Tot en met 2019 is er een bedrag van circa € 36,2 ml.n uitgegeven. In deze periode is circa € 27,7 mln. aan EFMZV middelen bij de Europese Commissie gedeclareerd. De Rijksmiddelen waarvoor nog geen uitgaven zijn gedaan, blijven gereserveerd voor de nationale cofinanciering van het EFMZV.

Licence