Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  blz.
   
A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
   
B.Algemene toelichting bij de begroting3
   
1.Inleiding3
 Uitgangspositie3
2.Maatschappelijke trends6
 Informatisering6
 Internationalisering en regionalisering7
 Individualisering, participatie en sociale cohesie8
3.Doelen9
 Synergie9
 Deelnemers, publiek en samenleving centraal9
4.Middelen14
 Verantwoordelijke overheid14
 Autonomie en beweging in het bestel14
 Oordelen over kwaliteit16
 Wisselwerking met de samenleving17
 Personeel en ondernemerschap18
5.Financieel overzicht21
 Aansluiting geautoriseerde begroting 1999 en ontwerpbegroting 200021
 Impulsen voor onderwijs, wetenschappen en cultuur22
 Ombuigingen23
 Bijstelling leerling- en studentenontwikkeling25
 Onderwijs cao 1999–200026
 Overige bijstellingen27
   
C.Algemene toelichting per beleidsterrein30
   
 Inleiding op de beleidsterreinen30
17.Ministerie algemeen37
18.Primair onderwijs42
19.Voortgezet onderwijs57
20.Beroepsonderwijs en volwasseneducatie70
21.Hoger beroepsonderwijs81
22.Wetenschappelijk onderwijs90
23.Onderzoek en wetenschapsbeleid102
25.Studiefinancieringsbeleid110
26.Overige programma-uitgaven129
27.Cultuur134
   
D.Toelichting per begrotingsartikel140
   
17.Ministerie algemeen140
18.Primair onderwijs156
19.Voortgezet onderwijs171
20.Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie181
21.Hoger beroepsonderwijs188
22.Wetenschappelijk onderwijs201
23.Onderzoek en wetenschapsbeleid218
24.Huisvesting229
25.Studiefinancieringsbeleid233
26.Overige programma-uitgaven241
27.Cultuur260
   
E.Toelichting bij de agentschapsbegrotingen275
   
1.Centrale Financiën Instellingen (CFI)275
2.Rijksarchiefdienst (RAD)283
 
 Bijlagen bij de begroting295
1.Personeelsgegevens296
2.Wetgeving298
3.Moties en toezeggingen308
4.Circulaires329
5.Aanbevelingen Nationale Ombudsman330
6.Subsidies/projectfaciliteiten331
7.Evaluatieonderzoek361
8.Economische en functionale classificaties368
9.Voorlichtingsuitgaven371
10.Convenanten377
   
Afkortingenlijst379
Trefwoordenlijst382
   
De begroting is ook te lezen op Internet. Het adres van OCenW is http://www.minocw.nl.

MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen/ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor het jaar 2000 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2000. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2000.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting, een toelichting per beleidsterrein en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B, C en D van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4 (agentschapsbegrotingen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begrotingen van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen en de Rijksarchiefdienst voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel E van deze memorie van toelichting.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

1. INLEIDING

Uitgangspositie

Menselijk kapitaal is meer dan een hoge opleiding

Het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking en de eisen die daaraan vanuit de samenleving worden gesteld, nemen nog steeds toe. Er is nu al een behoorlijk «menselijk kapitaal» opgebouwd, maar het moet verder toenemen en vooral onderhouden worden om snelle waardevermindering te verhinderen. Goed onderwijs is de sleutel tot arbeid en maatschappelijke participatie en onmisbaar voor succesvolle ontwikkeling van de samenleving.

In 1997 volgden bijna 4,2 miljoen mensen onderwijs – meer dan een kwart van de bevolking. Van de werkenden studeerde 15% en van de werklozen 11%1 . De gemeten investeringen in onderwijs, scholing en training zijn maar een deel van de totale investeringen in de ontwikkeling van menselijk kapitaal. Door (werk)ervaring, zelfstudie – onder andere met behulp van informatie- en communicatietechnologie – en door begeleiding van nieuwe collega's wordt geïnvesteerd in mensen. Onderwijs en scholing leggen de basis voor «menselijk kapitaal», maar ook toewijding voor een vak, goede contacten, samenwerking en zelfstandigheid kunnen er in belangrijke mate aan bijdragen.

Het cultuurdebat krijgt een nieuwe impuls

De constanten in het cultuurbeleid – expressievrijheid, verscheidenheid, kwaliteit en terughoudendheid van overheden – hebben een enorme veelvormigheid in de cultuur mogelijk gemaakt. Het scala aan cultuuruitingen en cultureel erfgoed voldoet aan internationale kwaliteitsstandaarden. Dat moet zo blijven, omdat daarmee wordt bijgedragen aan de aantrekkelijkheid van het land voor bezoek en vestiging. Maar het cultuurbeleid is niet «af»: vooral jongeren, migranten en lage inkomensgroepen nemen als makers en als publiek nog te weinig deel aan de gesubsidieerde cultuur.

Voor de kennismaatschappij is creatieve ruimte nodig

Het Nederlandse onderzoek beweegt zich op een hoog niveau, is breed, van goede kwaliteit en kent een hoge productiviteit. Ook al toont onderzoek geen onmiddellijk zichtbaar rendement, het is van groot belang te blijven investeren in kennisopbouw en vernieuwend onderzoek voor een sterke concurrentiepositie, een gunstig vestigingsklimaat en een duurzame samenleving. Meer creatieve ruimte voor onderzoekers en eigen verantwoordelijkheid voor hun organisaties moeten het wetenschappelijk niveau garanderen. Open communicatie over de resultaten van onderzoek en een maatschappelijke oriëntatie zijn onontbeerlijk.

Overzicht van nota's en uitwerkingsnotities

Tegelijk met deze begroting wordt een brief over het onderwijsbeleid op de middellange en langere termijn Sterke instellingen, verantwoordelijke overheid gepubliceerd. Deze hoofdlijnen worden in discussie gebracht en vervolgens in deze regeerperiode verder uitgewerkt. Met deze werkwijze wordt beoogd een passend antwoord te vinden op maatschappelijke trends als individualisering, internationalisering, toenemende marktwerking en technologische ontwikkelingen, waaronder informatie- en communicatietechnologie.

De Kamer ontvangt tegelijk met de begroting een aantal documenten over het OCenW-beleid, en heeft andere al eerder ontvangen. De agenda BVE en het ontwerp-HOOP 2000 schetsen de perspectieven voor de middellange termijn voor respectievelijk de BVE-sector en het hoger onderwijs. De uitgangspunten voor de Cultuurnota zijn onlangs gepubliceerd onder de titel Cultuur als Confrontatie. Het Wetenschapsbudget 2000 (Wie oogsten wil, moet zaaien) is in juni aan de Kamer aangeboden. Over de positie van de Onderwijsinspectie verscheen de nota Variëteit en Waarborg; voorstellen voor de ontwikkeling van het toezicht op onderwijs. Over deze nota's wordt afzonderlijk overlegd met de Tweede Kamer; ze worden of zijn ook met betrokkenen in de «velden» bediscussieerd.

Daarnaast heeft de Kamer ook uitwerkingen van delen van het beleid ontvangen. Deze zijn in het onderstaande overzicht bij elkaar gezet. Het overzicht is geselecteerd op beleidsprioriteiten en is niet volledig. Er zijn bovendien nog notities te verwachten over cultureel ondernemerschap, richtingvrije planning, de brede school, het actieplan «zwarte scholen» en samenwerking tussen archieven. Voorts is de AmvB bekostiging educatie, beroepsonderwijs en landelijke organen beroepsonderwijs aan de Kamer voorgelegd.

In de Beleidsbrief Internationalisering van het Onderwijs komen de beleidsvoornemens voor de internationale samenwerking in het onderwijs aan de orde

Overzicht van reeds verschenen notities die (delen van) het OCenW-beleid betreffen:

 
OnderwerpDatumKamerstuk
Groepsgrootte basisonderwijs:  
 Derde voortgangsrapportage14-10-199825 065 nr 10
 Vierde voortgangsrapportage24-03-199925 065 nr 12
Leerlinggebonden financiering:  
 Voortgang van het beleidstraject15-06-199926 629 nr 1 en 2
Vmbo:  
 Voortgang invoeringsproces09-03-199924 578 nr 15
  24-06-199924 578 nr 19
Tweede fase vo:  
 Monitoring invoeringsproces02-02-199926 200 VIII nr 57
  08-04-199926 200 VIII nr 71
  27-07-1999 
Positie deelnemers, autonomie, deregulering en kwaliteit:  
 Brief over beleidstrajecten positie deelnemers17-12-199826 200 VIII nr 56
 Autonomie en deregulering in het onderwijs12-04-199926 480 nr 1
  29-06-199926 480 nr 2
ICT in het onderwijs:  
 Brief over hoofdlijnen van het beleid19-02-199925 733 nr 26
 Uitwerkingsplan «Onderwijs on line, verbindingen naar de toekomst»29-04-199925 733 nr 30
Studiefinanciering:  
 «Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past»12-02-199926 397 nr 1
 Wijzigingen Wet tegemoetkoming studiekosten 26 346
 «Meer voor meer. Uitbreiding tegemoetkoming studiekosten: de tweede fase»02-07-199926 662 nr 1+2
Tekortenproblematiek en arbeidsmarktbeleid onderwijs:  
 Brief over plan van aanpak02-11-199823 328 nr 39
 «Maatwerk voor morgen: het perspectief van een open onderwijsarbeidsmarkt»18-04-199923 328 nr 44
 Brief over educatieve infrastructuur19-04-199923 328 nr 45
 Notitie dualisering28-06-199923 328 nr 58
Doorlopende leerwegen en aansluiting op de arbeidsmarkt:  
 Brief beleidstraject technocentra12-10-199826 200 VIII nr 16
 Een leven lang leren – employability agenda01-12-199826 200 VIII nr 51
 De structurele behoefte aan informatici03-03-199925 518 nr 15
 Kunstvakonderwijs: invulling taakstelling03-03-199925 802 nr 6
 «Beroep Kunstenaar: voorstellen voor inhoud en organisatie van kunstvakonderwijs in Nederland»10-05-199925 802 nr 10
 «Zicht op kwaliteit; ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs»14-06-199925 802 nr 12
 Plan van aanpak voortijdig schoolverlaten21-05-199926 695 nr 1 en 2
 Kaderregeling technocentra27-07-199925 017 nr 23
Cultuurbeleid:  
 Brief uitgangspunten extra middelen toedeling02-11-199826 200 VIII nr 8
 Brief extra middelen monumentenzorg12-04-199926 200 VIII nr 75
 Brief fondsenstructuur29-04-199926 200 VIII nr 80
 «Ruim baan voor culturele diversiteit»25-05-199926 565 nr 1
 Vervolgnotitie cultuur en school04-06-1999(OCW99–552)
 Brief over invoering CKV-vouchers11-06-199926 200 nr 93H
 Nota Belvédère02-07-199926 663 nr 1
Mediabeleid:  
 Wijziging mediawet15-07-199926 660 nr 1,2 en 3
 «Media en minderhedenbeleid»09-06-199926 597 nr 1
 «Kabel, media en consument; pluriformiteit, betaalbaarheid en vrije keuze»10-06-199926 602 nr 1H
 Afschaffen omroepbijdrage01-07-199926 200 VIII nr 101

2. MAATSCHAPPELIJKE TRENDS

Er voltrekken zich momenteel belangrijke economische en technologische veranderingen die consequenties hebben voor de structuur en het functioneren van de samenleving. Bovendien hebben structurele sociale en culturele veranderingen – de ontwikkeling tot multi-etnische samenleving, individualisering, secularisering – hun weerslag op de samenleving. Deze veranderingen klinken door in het regeerakkoord en in een reeks regeringsnota's waarin het akkoord wordt uitgewerkt. Het regeerakkoord legt bijvoorbeeld prioriteit bij verhoging van de arbeidsparticipatie maar ook bij het vergroten van de sociale cohesie en het versterken van de sociale infrastructuur.

Informatisering

Commercieel aanbod

De informatie- en communicatietechnologie ontwikkelt zich snel. Dit heeft vele gevolgen voor de kennissamenleving, waarvan de implicaties op dit moment niet allemaal even helder zijn. Terecht wordt informatie- en communicatietechnologie een enabling technology genoemd: een technologie die tot veel in staat stelt en de samenleving op alle terreinen ingrijpend kan veranderen.

Een voorbeeld hiervan is de opkomst van het commerciële onderwijsaanbod op internet. Het gaat om een onvermijdelijke en interessante ontwikkeling, waarop niet krampachtig met verbodsbepalingen of afscherming moet worden gereageerd. Ook bekostigde onderwijsinstellingen kunnen de mogelijkheden van informatisering gebruiken om de eigen positie te verstevigen. Van belang is dat alle mogelijkheden om «een leven lang leren» te realiseren, worden benut.

Verwevenheid van onderwijs, onderzoek en cultuur

Het vorige kabinet heeft in 1994 het Nationaal Actieprogramma Elektronische Snelwegen gepresenteerd. In de recent verschenen nota De Digitale Delta; Nederland oNLine staan alle overheidsactiviteiten op dit gebied op een rij. In aanvulling hierop wordt het programma «Infodrome» uitgevoerd, waarin kennis over de informatiemaatschappij wordt gebundeld om de gedachtevorming en communicatie over het overheidsbeleid te stimuleren.

Informatisering heeft gevolgen voor de O, de C en de W. In het Wetenschapsbudget 2000 wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de drie domeinen. Over informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs (zoals uitgewerkt in Onderwijs on line, verbindingen naar de toekomst) wordt regelmatig gerapporteerd.

Voor de ontsluiting van het cultureel en wetenschappelijk erfgoed en het conserveringsbeleid biedt informatisering spectaculaire mogelijkheden. Dat geldt voor musea, bibliotheken, (archeologische) monumentenzorg en archieven. De groei in gebruiksmogelijkheden van biblio-, audio- en videotheken verandert de positie van openbare en commerciële voorzieningen. Eenzelfde ontwikkeling zien we bij de omroep; met de concessiewetgeving en de nota Kabel, media en consument wordt hierop gereageerd. Informatisering kan dus op creatieve wijze helpen om het publieksbereik te vergroten en het cultureel vermogen meer zichtbaar te maken.

Internationalisering en regionalisering

Het vestigingsklimaat krijgt meer betekenis

De mondiale netwerkeconomie leidt tot meer concurrentie en dynamiek. Dit stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het vestigingsklimaat van het land, de regio's en steden. In een netwerkeconomie wordt de verticale sectorindeling doorkruist door horizontale bindingen in samenwerkingsverbanden. Er ontstaan netwerkpatronen, waarin bereikbaarheid een sleutelbegrip is. Daarbij gaat het ook om de elektronische bereikbaarheid. Informatie- en communicatietechnologie speelt hierin dus een belangrijke rol. Enerzijds wordt fysieke afstand minder belangrijk, anderzijds is veel kennis en informatie gebonden aan directe contacten van persoon tot persoon. Het vestigingsklimaat heeft vele aspecten, naast ruimte en bereikbaarheid. Het gaat ook om een gunstig ondernemersklimaat, een goed opgeleide beroepsbevolking, een goed werkende arbeidsmarkt en een prettig leefklimaat. Zie hiervoor ook de regeringsnota Ruimtelijk Economisch Beleid.

De rol van cultuur

Nu grote infrastructurele werken, omvangrijke woningbouwlocaties en stedelijke vernieuwingen worden aangepakt, kan cultuur een prominentere rol vervullen in de ruimtelijke ordening en de kwaliteit van de leefomgeving positief beïnvloeden met aansprekende (landschaps)architectuur. «Culturele planologie» voegt iets toe aan de rijke cultuurhistorie en architectonische ontwerptraditie die het land kent. De confrontatie met het publiek vindt plaats in accommodaties die samen culturele knooppunten vormen

Regionale betekenis van beroepsonderwijs, hoger onderwijs en onderzoek

Bij de herschikking en versterking van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is gelet op de regionale waarde van deze nieuwe voorziening. De provincies hebben in dit proces een adviesrol vervuld. De regionale opleidingencentra, de hogescholen, maar ook de universiteiten zijn ook sterk regionaal georiënteerd. Hun studenten komen veelal uit de directe omgeving. Deze onderwijsinstellingen ondersteunen de regionale ontwikkeling door een impuls te geven aan het «blijven leren» en door laagdrempelige verspreiding van innovatieve kennis onder (kleinere) bedrijven en organisaties. Door een netwerk te onderhouden van contacten met afnemers, bemiddelaars, uitzendbureaus, stage- en leerbedrijven, onderzoekbureaus en dergelijke, verankert het kenniscentrum zich in de regionale samenleving. Technocentra – met functies als makelen, schakelen, coördineren en ontschotten van scholing en onderwijs – zullen een vernieuwende rol spelen die zowel onderwijs als bedrijfsleven in de regio ten goede komen.

De SER maakt in het advies Flexibilisering leerwegen en in het advies over het ontwerp-HOOP 2000 duidelijk dat er op dit terrein meer mogelijkheden zijn dan tot nu toe worden benut. Ook een gezamenlijk advies van de Onderwijsraad en Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid stelt dat de positie van het hoger beroepsonderwijs in de kennisinfrastructuur onvoldoende transparant is.

In het ontwerp-HOOP 2000 worden voorstellen gedaan de maatschappelijke oriëntatie van de instellingen voor hoger onderwijs verder te versterken.

Een goed onderzoeksbestel is van grote waarde voor het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie, en voor het streven naar ontkoppeling van economische groei en milieudruk. Wereldomspannende samenwerking en Europese invloed gaan samen met regionale clustervorming. Regionale «attractiepolen», met kenniscentra die nauwe relaties onderhouden met bedrijven en andere maatschappelijke organisaties, dragen bij aan profilering van de regio en beïnvloeden de regionale economie, vooral waar het gaat om vernieuwende kennisintensieve bedrijvigheid.

Individualisering, participatie en sociale cohesie

De derde belangrijke trend waarop het beleid moet inspelen, is individualisering. Toegenomen welvaart en opleidingsniveau, en een grotere participatie van vrouwen aan betaalde arbeid, vergroten de keuzemogelijkheden en keuzevrijheid van individuen. Het meervoudig vrijwillig «lidmaatschap» van, of betrokkenheid bij allerlei groepen en instituties neemt toe, bij een afnemend belang van tradities en gewoonten van de «eigen» groep.

Tegelijkertijd wordt de maatschappij steeds heterogener door de toename van het aantal allochtonen. De individualisering en de toegenomen heterogeniteit maken de roep om maatwerk groter.

Sociale cohesie en participatie bevorderen

Een samenleving is meer dan de som der individuen. Er zijn groepen en individuen die te weinig betrokken dreigen te worden bij de samenleving. Solidariteit is dus nodig om hun participatie te vergroten en hun emancipatie te bevorderen. Zo wordt sociale cohesie tot stand gebracht. Ohne Ich kein Wir, verwoordt Ulrich Beck deze opvatting.

De WRR bepleit emancipatie van arbeid en talent om een tweedeling in de samenleving tegen te gaan. De verzorgingsstaat verdwijnt niet, maar wordt doelmatiger en effectiever ingericht door deelname aan de maatschappij te stimuleren. Onderwijs is een noodzakelijke voorwaarde voor deze participatie. Informatisering maakt daarbij maatwerk beter mogelijk.

Door individualisering kan de binding met de directe leefomgeving losser raken. De mobiliteit is enorm toegenomen waardoor sociale contacten nauwelijks meer buurt-, dorp- of stadgebonden zijn. Het verantwoordelijkheidsgevoel voor de kwaliteit van de directe omgeving kan verzwakken doordat er voldoende mogelijkheden zijn voor groepen bewoners om elders een heenkomen te zoeken. Hierdoor kunnen gebieden in een neerwaartse spiraal komen en ontstaan er aan de andere kant «slaapsteden».

Onderwijsvoorzieningen kunnen de sociale samenhang versterken van buurten, wijken en dorpen. Rond de school moet een flexibel en gevarieerd netwerk ontstaan van voor- en vroegschoolse opvang, tussentijdse opvang en naschoolse activiteiten.

De kansen op participatie, en daarmee sociale cohesie, worden verder vergroot door een specifiek aanbod te scheppen voor een welomschreven doelgroep, wanneer mocht blijken dat deze onvoldoende wordt bereikt via het algemene aanbod. De particpatiekans neemt ook toe als de samenhang in het aanbod wordt verbeterd en als de lokale coördinatie wordt versterkt.

3. DOELEN

Synergie

Bij de begrotingsbehandeling van vorig jaar heeft de Kamer erop aangedrongen in de begroting voor 2000 aandacht te besteden aan de samenhang tussen klassenverkleining, lerarenbeleid en informatie- en communicatietechnologie (ict) in het onderwijs. Gewezen is op de synergie-effecten die deze drie maatregelen kunnen hebben. Immers, klassenverkleining is bedoeld om de onderwijskwaliteit te verhogen en de werkdruk voor het personeel te verminderen, wat weer onderdeel is van het beleid om de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar te vergroten. Verbeteren van de wervingspositie is nodig, omdat klassenverkleining om meer leraren vraagt.

Een andere manier om de aantrekkelijkheid van het werk te verhogen is de voordelen van informatisering benutten. Het lesgeven wordt er gevarieerder door en het komt de zelfwerkzaamheid van leerlingen ten goede. Ondersteunende en administratieve taken worden eenvoudiger uit te voeren en makkelijker uit te besteden. Leerlingvolgsystemen kunnen gemakkelijker worden opgezet. Dat is nodig omdat de aandacht voor de prestaties van leerlingen en het afleggen van verantwoording daarover groeit.

Elke maatregel in de driehoek afzonderlijk zou minder effect hebben dan de combinatie van de maatregelen. Dit inzicht is eenvoudig te veralgemeniseren: voor alle maatregelen geldt dat inbedding in andere ontwikkelingen de effectiviteit positief beïnvloedt. Zo is de huisvesting voor onderwijs gedecentraliseerd naar gemeenten en naar instellingen, zodat de klassenverkleining flexibel kan worden gerealiseerd en de instellingen voor hoger onderwijs integraal beleid kunnen voeren.

Een ander voorbeeld is de versterking van de regierol van gemeenten door decentralisatie van achterstandenbeleid; daardoor wordt het eenvoudiger aansluiting te zoeken bij verwante instellingen op lokaal niveau die zich onder meer bezighouden met jeugdzorg, veiligheid, kinderopvang, schoolbegeleiding en cultuur.

Nog een voorbeeld: het toekennen van budgetten voor ict-integratie in het onderwijs, zoals beschreven in de nota Onderwijs on line, sluit aan bij ontwikkelingen op andere gebieden om meer bestedingsvrijheid toe te kennen en te benutten.

Deelnemers, publiek en samenleving centraal

Ouders, leerlingen en studenten verwachten onderwijs van hoge kwaliteit en relevantie. Deelnemers willen kunnen kiezen uit een groot aantal doorlopende leerwegen, waarbij ze bovendien zelf kunnen bepalen wanneer ze studeren. Werkgevers verlangen dat afgestudeerden voldoen aan telkens veranderende eisen die het werk stelt, en werknemers dat gelijkwaardige collega's instromen waarmee goed kan worden samengewerkt. Publiek (lezers, kijkers, luisteraars, bezoekers) wil waar voor zijn geld en vooral een grote keuzemogelijkheid.

Er is, kortom, grote behoefte aan kennis, kunst en cultuur, en nieuwsgierigheid naar onderzoek. OCenW wil die ontwikkelingen stimuleren en er mede richting aan geven: meer participatie, betere kwaliteit, meer ruimte voor instellingen en intensievere wisselwerking met de samenleving.

Onze rol is condities en ruimte te scheppen voor die aanbieders: autonomie voor uitvoerders, ruimte om zelf regels te maken en te handhaven, condities om samenwerking te zoeken, maar ook om de deskundigheden van anderen te respecteren en te benutten. We willen op zo'n manier in de sector investeren dat de professionaliteit toeneemt.

Kwaliteit waarborgen

Kwaliteitsnormen gelden bij bekostiging en het toekennen van subsidies, maar uiteindelijk bepalen de gebruikers de levensvatbaarheid van wat wordt aangeboden en nemen instellingen zelf de verantwoordelijkheid voor kwaliteitsbewaking en de verantwoording daarover. Centraal staat de vraag: wat kan beter? Personen en organisaties moeten worden uitgedaagd zich te oriënteren op behoeften, en kwaliteit te leveren. Confrontatie, competitie en concurrentie zijn passende trefwoorden. Daarbij is een sterke overheid nodig om mededinging eerlijk te laten verlopen, sociale cohesie en maatschappelijke betrokkenheid te stimuleren, een rechtvaardige en duurzame samenleving te bevorderen en rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te garanderen.

Toegankelijkheid verzekeren

Onderwijs, onderzoek en cultuur zijn in het algemeen van hoog niveau. Er zijn echter ontwikkelingen die extra zorg en aandacht vragen, zoals de kwaliteit van het onderwijs op veel «zwarte scholen» (al zijn er natuurlijk «zwarte scholen» die het goed doen en «witte scholen» die onder de maat presteren) en de doelmatigheid van het onderwijs. Als aard en kwaliteit van het onderwijs niet voldoen aan de hoge eisen die ouders, studenten en sociale partners eraan stellen, zullen zij alternatieven zoeken en vinden (bijvoorbeeld een andere school, particulier onderwijs, digitale aanbieders). Voor de cultuursector geldt hetzelfde: naast het gesubsidieerde toneel is een vrij circuit ontstaan; naast de publieke omroep is er een ruim aanbod van commerciële varianten. Voor onderzoek is het in bepaalde gevallen mogelijk, en soms ook gewenst of goedkoper, om naar het buitenland te gaan.

Er is niets tegen om alternatieven te zoeken. Integendeel, het daagt gevestigde aanbieders voortdurend uit de kwaliteit van hun dienstverlening te bewaken.

Het onderwijs draagt primair zelf verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de verbetering ervan en de overheid ziet erop toe dat dat gebeurt. Maar bij het alternatieve aanbod is de vraag op welke wijze de kwaliteit kan worden gecontroleerd. Is de toegankelijkheid gewaarborgd en de pluriformiteit gegarandeerd? Wij willen op deze vragen een positief antwoord kunnen blijven geven.

Goede informatie over kwaliteit; zeggenschap en invloed op het aanbod

Alleen al door de veranderingen in de samenstelling van de populatie onderwijsdeelnemers (leerlingen studeren langer en hebben een veel gevarieerder achtergrond) en het hogere opleidingsniveau van ouders, is de positie van deelnemers een andere dan een aantal jaren geleden. Mondigheid en grotere weerbaarheid, maar ook de mogelijkheid om buiten het bestaande aanbod wensen te realiseren, vormen een extra stimulans rekening te houden met wensen en behoeften van de deelnemers. Een duidelijke stem voor de onderwijsdeelnemers is bovendien van belang bij de verdere ontwikkeling van onderwijsinstellingen naar zelfstandige, bestuurskrachtige instellingen.

Toegankelijke informatie komt inmiddels op grote schaal ter beschikking in schoolgids, kwaliteitskaart en keuzegidsen. De openheid hierover is sterk toegenomen. Modernisering van de zeggenschapsverhoudingen vergt een breed overleg met alle betrokken partijen, zodat samenhangende conclusies getrokken kunnen worden en draagvlak wordt gerealiseerd.

Variëteit van en flexibiliteit in het aanbod

Doel van de vernieuwingen van de leerwegen in voortgezet onderwijs en secundair beroepsonderwijs is voor iedere jongere een passende plaats in het onderwijs te vinden. Duale trajecten en een onderwijsaanbod dat flexibel kan inspelen op de vraag, dragen hieraan bij. Een sluitend stelsel van doorlopende leerwegen moet ervoor zorgen dat voortijdig schoolverlaten wordt teruggedrongen, zodat jongeren de voor hen hoogst haalbare onderwijspositie en meest passende arbeidssituatie bereiken. In het plan van aanpak voortijdig schoolverlaten dat zich vooral richt op «risicojongeren» wordt integrale beleidsvoering nagestreefd, o.a. door aan te sluiten bij de regeling sociale integratie en veiligheid. Een onderdeel van het plan is het Actieplan voor de leerplicht. Rekening houden met de wensen en mogelijkheden van deelnemers kan voorkomen dat zij de leerplicht ontduiken omdat zij een hekel hebben gekregen aan leren. Het is dus van belang voor de maatschappij, omdat uitvallers een grotere kans lopen te ontsporen of (uitkerings)afhankelijk te worden, en omdat arbeidsparticipatie het fundament voor de kennissamenleving is.

Nieuwe eisen

Onderwijs en arbeidsmarkt moeten nauw aansluiten. Daarvoor is goede samenwerking en afstemming nodig. De samenleving stelt hogere niveaueisen aan werknemers en ondernemers. Naast specifieke beroepseisen en vakbewaamheden wordt een ander type vaardigheden gevraagd (sleutelkwalificaties of kerncompetenties). Werknemers moeten steeds meer beschikken over veel en complexe vaardigheden doordat bredere taken, roulatie van taken, samenwerking in zelfstandige groepen het beeld van werk bepalen. De technologie stelt eisen aan het innovatie- en aanpassingsvermogen.

Naast deze eisen van het bedrijfsleven, staan die van de deelnemers. De verantwoordelijkheid voor de eigen inzetbaarheid in arbeid komt centraler te staan. Dat heeft gevolgen voor de eisen die aan het onderwijs worden gesteld. Met name de heterogeniteit van de doelgroep vraagt daarbij de aandacht. Niet alleen de traditionele instromers moeten worden bediend, maar ook categorieën als allochtone jongeren, (langdurig) werklozen, werkenden met een taalachterstand, herintreders en oudere werknemers die zich willen om- of bijscholen. Tegen deze achtergrond is de brief geschreven waarin de sociale partners worden uitgenodigd gezamenlijk een employability-agenda uit te voeren.

Meer hoger opgeleiden

Prognoses van de behoefte aan personeel duiden erop dat er in de nabije toekomst algemene tekorten zullen ontstaan aan hoger opgeleiden. Deze zullen zich in de onderwijssector zelf manifesteren, maar ook in technische beroepen, in de ict-sector en in de verzorging. De tekorten in de onderwijssector zullen worden aangepakt langs de lijnen zoals die geschetst zijn in «Maatwerk voor morgen». OCenW en EZ hebben een Task-Force ict ingesteld, die is gericht op de aanpak van de tekorten in de ict-sector. In het ontwerp HOOP 2000 wordt ingegaan op de mogelijkheden om aan de toenemende vraag tegemoet te komen.

Instellingen zullen zich geleidelijk meer gaan richten op andere doelgroepen dan de traditionele student tussen 18 en 24 jaar. Dat vraagt om variëteit in leerwegen en een andere wijze van aanbieden van onderwijs, onder andere met ict. Sociale interactie en een open houding jegens de samenleving zijn nodig om kenniscreatie en -overdracht tot stand te brengen. Daartoe worden samenwerkingsverbanden met bedrijven aangegaan en op grote schaal contractactiviteiten (onderzoek en cursussen) uitgevoerd. Langs vele wegen kunnen instellingen zich profileren in (regionale) kennisnetwerken, om zo bedrijven – met name in het MKB – te ondersteunen: via (docenten- en studenten)stages, in duale opleidingen, via het opnemen van vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven in het bestuur, via gastdocentschappen, met contractonderwijs en -onderzoek, en als informatiecentrum en technocentrum.

Creatieve ruimte voor onderzoekers; wisselwerking met de maatschappij

Het vernieuwend onderzoek dat zich richt op de lange termijn, staat onder druk en de private sector trekt zich eruit terug. Er is onvoldoende flexibiliteit voor vernieuwing. Daardoor dreigt een belangrijke vernieuwingsbron voor de maatschappij op te drogen. Langetermijngericht vernieuwend onderzoek zal worden gestimuleerd en meer ruimte krijgen. De zelfregulering van het onderzoeksbestel en de eigen verantwoordelijkheid zal worden versterkt; het departement zal zich terughoudender opstellen bij inhoudelijke sturing.

In de komende jaren moet het beste onderzoek zichtbaar worden gemaakt en creatieve ruimte krijgen. OCenW, KNAW, NWO en VSNU willen samen een sterke impuls geven aan vernieuwing in het wetenschappelijk en maatschappelijk geïnspireerde universitaire onderzoek. Daarom is besloten tot een vernieuwingsimpuls bij NWO. De drie organisaties pleiten ook voor versterking van de wisselwerking met bedrijven. Samen met andere departementen wil OCenW de wisselwerking tussen onderzoek en bedrijfsleven, evenals de wisselwerking met andere maatschappelijke groeperingen verder bevorderen.

Meer en diverser publiek voor kunst en cultureel erfgoed

De culturele omgeving is sterk heterogeen. Het gesubsidieerde culturele leven sluit daar onvoldoende op aan. Waar het om gaat is het beste cultuuraanbod aansprekender te maken, maar ook de massacultuur kwalitatief te verbeteren. Wat goed en van waarde is, blijkt uit confrontatie van opvattingen en ideeën. Het aanbod moet het publiek opzoeken. Dat betekent een grote diversiteit in aanbod (genrediversiteit) voor vele doelgroepen (publieksdiversiteit) op uiteenlopende plaatsen (als scholen, bibliotheken, openbare ruimte, schouwburgen, theaters, galeries), in de vorm van zichtbare en breed toegankelijke collecties en archieven. Een groter publiek is te bereiken door samen met gemeenten en provincies de culturele trefpunten beter te gebruiken en door lokale culturele programma's meer kans te geven. Verder ligt het accent op cultuur van, voor en door de jeugd, op het zichtbaar maken van het cultureel vermogen en op «culturele planologie».

Media voor massa en minderheden

Aan de concessie voor de publieke omroep zal de opdracht worden verbonden dat zij duidelijk maakt welke maatschappelijke en culturele rol de publieke omroep moet vervullen. Daarbij wordt verwacht dat de publieke omroep de verschillende leeftijds- en bevolkingsgroepen goed bedient. De culturele diversiteit van de samenleving kan in de media beter worden weerspiegeld dan nu het geval is. Het algemeen programma-aanbod op radio en televisie moet een multicultureler aanzien krijgen en er moeten meer programma's komen voor etnische minderheden.

Het kabinet streeft ernaar om met ingang van 1 januari 2000 de omroepbijdragen af te schaffen. Financiering van de publieke omroep zal vanaf dat moment vanuit de algemene middelen geschieden. De grondslag voor de hoogte van dit bedrag zijn de omroepbijdrage-ontvangsten in 1998, die jaarlijks geïndexeerd worden met het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie (t-2) en het CBS indexcijfer voor de groei in het aantal huishoudens in Nederland.

4. MIDDELEN

Verantwoordelijkheid voor het onderwijs-, onderzoek- en cultuurbestel vereist dat de voorwaarden worden versterkt waaronder beleidsuitvoerders optimaal kunnen reageren op de wensen en behoeften van deelnemers, publiek, bedrijfsleven en de maatschappij als geheel.

Verantwoordelijke overheid

Het is de taak van de overheid te voorzien in een voor iedereen toegankelijk en transparant aanbod van funderend en initieel onderwijs en een pluriform cultuuraanbod, en bescherming en ruimte te bieden aan fundamenteel onderzoek. Marktwerking vraagt om een sterke overheid. Het houdt – binnen de overeengekomen spelregels – de gevestigde aanbieders scherp en kan vernieuwing bevorderen. Een effectieve overheid stimuleert, ondersteunt en schept voorwaarden voor realisatie van doelstellingen op uitvoeringsniveau. Voor het publiek domein moeten duidelijke spelregels gelden, waarbinnen meer vrijheid voor de spelers de dynamiek met de omgeving stimuleert.

Marktwerking, opgevat als «in concurrentie met andere aanbieders inspelen op behoeften», heeft een plaats in het beleid en is ook niet nieuw. De concurrentie om de leerling en student is daarvan een voorbeeld, evenals de concurrentie op de markt voor contractactiviteiten, cursussen en advisering. Andere voorbeelden zijn de competitie om onderzoeksgelden en om de kijk- en luistercijfers van publieke en commerciële omroepen.

Als kunstenaars de confrontatie aangaan, het conflict en competitie zoeken, dan is dat ook een vorm van marktwerking, waarbij wordt aangestuurd op het stimuleren van dynamiek, die permanente onevenwichtigheid met zich meebrengt.

Autonomie en beweging in het bestel

Autonomie en deregulering

Met het onderwijsveld wordt bekeken of het aantal regels verminderd kan worden, zodat de instellingen meer ruimte krijgen. Onderwijsinstellingen moeten een grotere gevoeligheid ontwikkelen voor signalen uit de samenleving, maar ook de kracht hebben daaruit te selecteren en zich te concentreren op de kerntaken. Meer autonomie en ruimte voor zelfregulering is daarvoor nodig. De ontwikkeling van een «brede school» bijvoorbeeld vereist deregulering en decentralisatie (voor huisvesting en achterstandenbeleid) om tot ontkokering op lokaal en regionaal niveau te komen. Deregulering betekent zoeken naar evenwicht tussen overheidsregulering en zelfregulering door instellingen; zie hierover ook de Agenda BVE, het ontwerp-HOOP en het Wetenschapsbudget.

In het hoger onderwijs krijgen de instellingen meer zeggenschap over de inrichting van het onderwijsaanbod. Onderzoeksorganisaties en hoger onderwijsinstellingen zullen in het vervolg iedere vier jaar strategische plannen opstellen. De bestaande wet- en regelgeving wordt onder de loep genomen met het oog op deregulering, vergroting van de zelfstandigheid en vooral vermindering van de beheerslast.

Waar onderwijs en onderzoek zich ontwikkelen naar een grotere autonomie, vertoont de gesubsidieerde cultuur trekken van een monocultuur, juist als gevolg van de dominante positie in het subsidiestelsel van gevestigde professionals uit de kunstensector. De oplossing moet natuurlijk niet worden gezocht in beperking van de autonomie en verwaarlozing van professionele kwaliteit, maar in de confrontatie met het publiek. Dat vereist duidelijkheid over de culturele missie. De rol van accommodaties als culturele knooppunten moet worden versterkt, het aanbod verbreed, cultureel ondernemerschap gestimuleerd en de doorstroming in het bestel versneld.

Flexibiliteit in onderwijs en doorstroming in cultuur

De toenemende vraag en tegelijkertijd uitwaaierende diversiteit en pluriformiteit stellen hoge eisen aan de wendbaarheid en veranderbaarheid van onderwijsinstellingen, onderzoeksinstituten, bibliotheken, archieven en media, kunstenaars en hun gezelschappen en organisaties.

De structuur van het onderwijsbestel biedt voldoende mogelijkheden alert en flexibel in te spelen op de gestelde eisen. Institutionele flexibiliteit is voldoende aanwezig; grote reorganisaties en herschikkingen zijn niet meer aan de orde. Het scala aan opleidingsmogelijkheden vereist geen fundamentele aanpassing van de (wettelijke) structuur.

Wel moeten autonomievergroting en deregulering verder worden doorgevoerd om die flexibiliteit te realiseren. Organisatorische, programmatische en didactische flexibilisering behoren tot de verantwoordelijkheid van de instellingen. Om het onderwijsproces aan te passen, moet er ruimte zijn om het curriculum te actualiseren, deelkwalificaties te definiëren en vrijstellingen te verlenen. De variëteit in de wijze waarop mensen leren en in de trajecten die zij doorlopen (bijvoorbeeld duaal, modulair) moet georganiseerd kunnen worden. De deregulering en vergroting van de zelfregie zal zich dus op deze zaken richten.

De nota Flexibele studiefinanciering: een stelsel dat past bevat voorstellen voor globalere regels die de student ruimte verschaffen om flexibeler van het recht op studiefinanciering gebruik te maken. De diplomatermijn wordt verlengd en de leeftijdsgrens verlegd van 27 naar 30 jaar.

In het cultuurbestel is beweeglijkheid gewenst om de vitaliteit te behouden en de wisseling van generaties te realiseren. Daarbij kan men denken aan cultuur en kunst voor jongeren en minderheden. Ook de gevestigde instellingen moeten daaraan bijdragen door het aanbod te verbreden. Verder moet er ruimte zijn om de prominente rol van Nederland op het terrein van de digitale media te versterken.

Bestedingsvrijheid en vraagfinanciering

Bekostigingsstelsels in het onderwijs zijn vereenvoudigd. Bekostiging op basis van voorschriften over de inzet van personeel en outillage (input) werd omgezet in bekostiging die meer rekening houdt met prestaties en rendement (output). De mogelijkheden om andere financieringsbronnen aan te boren zijn verruimd (contractonderwijs en -onderzoek; sponsoring; cofinanciering en andere vormen van publiek-private financiering).

De creativiteit is bij dit onderwerp niet uitgeput. De laatste tijd worden vormen van financiering via vragers naar voren gebracht. De «voucher»-discussie in het onderwijs is niet nieuw. Een uitwerking van deze vorm van bekostiging is de leerlinggebonden financiering (het «rugzakje») voor kinderen met een handicap. En ook in het ontwerp-HOOP 2000 wordt voorgesteld een «voucher»-experiment te starten in het hoger beroepsonderwijs. Voor culturele en kunstzinnige vorming in het voortgezet onderwijs worden cultuurbonnen en kortingskaarten op het cultureel jongeren paspoort verstrekt. In dezelfde sfeer van «vraaggerichtheid» ligt de aanscherping van de eigen (publieks)inkomenseis van 15%.

Oordelen over kwaliteit

Kwaliteitsbeoordeling in de cultuursector

Plannen van cultuurinstellingen worden voor advies aan de Raad voor Cultuur gestuurd. De uitgangspuntenbrief noemt vier criteria voor de afwegingen van de Raad. Het eerste criterium betreft kwaliteit. Het tweede criterium is de publieke factor, het maatschappelijk bereik, waarbij méér publiek overigens niet hetzelfde betekent als nieuw publiek. Het derde criterium is de gemiddelde subsidie per bezoeker, waarmee een directe relatie wordt gelegd tussen subsidiehoogte en bezoekersaantal. Het laatste criterium is de positie in het bestel: per sector gaat het om een evenwichtig pakket van spreiding, diversiteit, educatieve activiteit, en dergelijke. Het hoe van de beoordeling is belangrijk, maar ook wie beoordeelt. Naast deskundigen moeten ook representanten van diverse groepen in de samenleving mee kunnen oordelen, evenals experts op gebieden als nieuwe media, cultureel ondernemerschap en publieksgerichtheid.

Kwaliteitsbeoordeling van onderwijs en media

Er zijn twee soorten toezicht: kwaliteitstoezicht en mededingingstoezicht. Het laatste neemt in belang toe naarmate marktwerking en concurrentie een prominentere plaats innemen in het bestel. Het kwaliteitstoezicht verandert onder invloed van de verzelfstandiging en deregulering. Voor onderwijs, cultuurbezit en media zijn als toezichthouders werkzaam: de Onderwijsinspectie, de Inspectie cultuurbezit, de Rijksarchiefdienst en het Commissariaat voor de Media.

Het Commissariaat toetst of de publieke omroep zijn wettelijke verplichtingen nakomt en of de invloed van de commercie niet te groot wordt. Het Commissariaat is ook belast met vergunningverlening aan commerciële omroepen en het toezicht op de naleving van reclame- en programmavoorschriften. Daarbij heeft het de opdracht de beïnvloeding van commerciële programma's door adverteerders binnen de perken van de Mediawet te houden. Het meerjarenplan van de publieke omroep wordt voor advies over de culturele onderdelen voorgelegd aan de Raad voor Cultuur.

De andere toezichthouders richten zich vooral op kwaliteit. De onderwijsinspectie krijgt in het debat over de kwaliteit van het onderwijs een andere rol. Deze is in de nota Variëteit en waarborg verwoord. Bij de inrichting van het toezicht op het onderwijs moet ook rekening worden gehouden met het bestaan en de eventuele groei van het aantal erkende of aangewezen instellingen die diploma's met gelijk civiel effect mogen afgeven. Kern van de inspectienota is de ontwikkeling van het instrumentarium waarmee aan de samenleving getoond kan worden dat de basiskwaliteit van alle scholen wordt gewaarborgd. Door autonomievergroting en deregulering ontstaat meer variëteit in het onderwijsveld. Hoe meer zelfregie en autonomie, hoe belangrijker de publieke verantwoording. Kwaliteitszorg en rapportage over de uitkomsten ervan is primair een taak van de instellingen en scholen zelf. «Ranking» is iets dat hier niet bij past. Het gaat er niet om falende scholen te straffen, maar hen uit te dagen zich te verbeteren. Openbaarmaking van de resultaten draagt ertoe bij dat ouders, leerlingen en studenten aan de ene kant en personeel aan de andere kant een assertieve houding aannemen. Alhoewel het toezicht vooral achteraf plaatsvindt, moet uit de conclusies uiteraard lering worden getrokken.

Maatschappelijke verantwoording en kwaliteitsbeoordeling van wetenschappelijk onderzoek

Burgers hebben er recht op goed geïnformeerd te worden over de consequenties van wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling. Zeker waar deze het dagelijks leven direct beïnvloeden en ethische vragen opwerpen. Communicatie met het publiek is daarnaast van belang om draagvlak voor onderzoek te creëren en te bewaren. Uitgangspunt voor het beleid voor wetenschap en ethiek is «zelfregulering in verantwoordelijkheid». Het is geen taak van de overheid een algemene gedragscode voor onderzoekers voor te schrijven. Beoordeling van onderzoekvoorstellen vooraf en evaluatie achteraf zijn in het onderzoek dagelijkse praktijk. De evaluatiedruk op onderzoekers is door de veelheid van procedures te groot geworden. Een werkgroep van VSNU, NWO en KNAW zal een voorstel maken voor vereenvoudiging van de kwaliteitszorg.

Wisselwerking met de samenleving

Met enige regelmaat duiken begrippen op als «de gesloten onderwijsprovincie», «wetenschap vanuit de ivoren toren» en «elitaire kunst». Die beeldvorming moet verdwijnen. Maar het is daarvoor niet voldoende dat de onderlinge verwevenheid van de drie domeinen van OCenW wordt versterkt en de verhouding met de uitvoerders in «het veld» wordt verbeterd. Interdepartementale samenwerking en interbestuurlijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden zijn net zo belangrijk. Een open houding tegenover «grensdomeinen» van onderwijs, cultuur en onderzoek is hierbij onontbeerlijk.

Integraal beleid

Grotestedenbeleid is een mooi voorbeeld van integraal beleid, omdat het talloze dimensies heeft. Bestuurlijk is het ingewikkeld vanwege betrokkenheid van alle niveaus, van Europa tot de wijk Ossenkoppelerhoek in Almelo. Rollen en verantwoordelijkheden moeten duidelijk afgebakend zijn (decentraliseren met beleid). Verkokering moet worden omgezet in zinvolle en effectieve arbeidsdeling.

Grotestedenbeleid rust op drie pijlers, een fysieke, een sociale en een voor werk en economie. Verschillende departementen hebben daarmee te maken. Zo heeft monumentenzorg een verbinding met de fysieke pijler, cultureel ondernemerschap met de pijler economie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de vormgeving van de brede school met de sociale pijler (en met werk en economie). Deze ordening dwingt departementen over de eigen grenzen heen te kijken. Steden moeten creatief omgaan met de middelen uit de sectorale regelingen, zodat die meer effect sorteren. Vaak gaat het niet om geld, maar om het besef dat afstemming en samenwerking meer resultaat opleveren dan competentiestrijd of onbekendheid met elkaars werk. Als wet- en regelgeving integraal beleid in de weg staan, moeten wetten en regels worden aangepast.

Samenwerkingsvormen

Goede schoolprestaties en schoolloopbanen realiseren is de kerntaak van de school. Achterblijven betekent minder kansen en minder toekomstperspectief. Risicoleerlingen verdienen extra aandacht, maar om hen zó toe te rusten dat zij met succes deelnemen aan het onderwijs, vraagt soms meer van een school dan zij aankan. De cognitieve en talige achterstand is bij de intrede in het basisonderwijs bij deze leerlingen vaak al aanzienlijk en moeilijk in te halen. Het schoolsucces van kinderen wordt bevorderd als educatief geïnspireerde voorschoolse en buitenschoolse voorzieningen aansluiten op de kerntaken van de school.

Deze afstemming en wederzijdse versterking passen ook bij het integratiebeleid (Kansen krijgen, kansen pakken) en bij de plannen voor een samenhangend stelsel van zorg voor jeugdigen en hun ouders: er komt één toegang tot de jeugdzorg per regio, de Bureaus Jeugdzorg. In de Welzijnsnota 1999–2002 gaat het om de aansluiting van het welzijnsbeleid op het algemene beleid voor maatschappelijk sectoren als arbeid, onderwijs, wonen, inkomen en zorg. Het zijn allemaal beleidsterreinen van andere departementen, waarbij OCenW nauw betrokken is.

Het stelsel dat in de Wet educatie en beroepsonderwijs is geregeld, biedt een consistent en gevarieerd opleidingenmodel en een heldere kwalificatiestructuur. Om de eindtermen goed in de opleidingsprogramma's op te nemen, is betrokkenheid en samenwerking van alle actoren noodzakelijk. Daarmee wordt ruimte geschapen voor invulling van de employability-agenda waartoe we de sociale partners hebben opgeroepen. De Europese dimensie krijgt aandacht in het Nationaal Actieprogramma Werkgelegenheid (SZW).

Het Wetenschapsbudget wijdt een heel hoofdstuk aan nieuwe vormen van samenwerking met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke sectoren, aan interuniversitaire en interdisciplinaire samenwerking, en aan internationale samenwerking. En ook de nota Cultuur als confrontatie besteedt veel aandacht aan samenwerking met «bestuurlijke bondgenoten».

Personeel en ondernemerschap

Professionals tussen werknemerschap en ondernemerschap

Activiteiten met een sterke kenniscomponent zijn in Nederland en andere westerse landen enorm toegenomen. Door het belang van kennis als productiefactor neemt de onzekerheid over «wat werkt» toe, maar ook de variatie in aanpak en experimenteerbereidheid. Toewijding en betrokkenheid bij kleinschalige activiteiten in clusters en netwerken leiden vaak tot onverwachte resultaten, als vage ideeën worden omgezet in concrete producten. Zo'n op kennis en zoekactiviteiten georiënteerde onzekere wereld vertoont veel kenmerken waarin ondernemerschap en zelfstandigheid een gewaardeerde houding is.

De beleidsnotitie over het Cultureel Ondernemerschap gaat dieper in op de veranderingen in het subsidiesysteem die cultuurmakers uitdagen om het nieuwe te ontdekken, het bestaande op originele wijze te gebruiken en succes te gelde te maken.

De inventiviteit en creativiteit van onderzoekers zijn essentieel voor een levendig en hoogwaardig onderzoekbestel. Een aantrekkelijke werkomgeving, stimulerende contacten en spannende onderzoeksthema's zijn nodig om personeel te krijgen en te behouden. Vooral de publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen moeten een actief personeelsbeleid voeren, gericht op een goede mix van ervaring en nieuw talent, zodat het personeel voldoende doorstroomt en het een beter carrièreperspectief geboden wordt. Decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden legt de verantwoordelijkheid voor dat beleid daar waar het hoort: bij de instellingen zelf.

Lerarenbeleid en tekortenproblematiek

Leraren leiden leerlingen op voor een maatschappij waarin zelfstandigheid een belangrijke plaats inneemt. Deze ontwikkeling stelt hoge eisen aan schoolorganisatie en leraren. Het is onaanvaardbaar dat scholen in toenemende mate kampen met personeelstekorten. De problemen concentreren zich in de Randstad en daarbinnen op de scholen in wijken die op vele fronten tegelijk achterstanden vertonen. Dit neemt niet weg dat ook in andere delen van het land, zoals het oosten, scholen steeds meer moeite hebben om voldoende personeel te vinden.

Maatwerk voor morgen schetst het perspectief op een open onderwijsarbeidsmarkt. Enerzijds wordt alles op alles gezet om op korte termijn de tekorten op de onderwijsarbeidsmarkt op te vangen. Urgentieprogramma's voor de sectoren po, vo en bve moeten (her)intreden in het onderwijs mogelijk maken. Anderzijds worden initiatieven genomen om op langere termijn het leraarsberoep een goede concurrentiepositie te verschaffen. Het gaat erom nieuwe doelgroepen volledig of in deeltijd bij het onderwijs te betrekken. In het najaar worden hiertoe initiatieven genomen. Lerarenopleidingen zullen flexibele routes ontwikkelen, afgestemd op de kwalificaties die mensen elders hebben verworven.

Goede arbeidsvoorwaarden kunnen bij een krappe arbeidsmarkt doorslaggevend zijn voor de wervingspositie van werkgevers. De inhoudelijke keuzes over de arbeidsvoorwaarden moeten vallen op het niveau van directies en besturen, die verantwoordelijk zijn voor het primaire proces, het kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering. Daarbij moet een goede afweging gemaakt worden tussen de tijd die leerlingen moeten krijgen om onderwijs te volgen en begeleid te worden aan de ene kant, en de arbeidsduur van personeel aan de andere kant. Maatgevend is de tijd voor leerlingen. De arbeidsduur van personeel is daarvan afgeleid, maar overschrijdt uiteraard niet wat wordt afgesproken in de arbeidsvoorwaardenovereenkomsten. Het is een organisatorische vraag aan beide eisen van tijd tegemoet te komen. Het ministerie van OCenW zal in overleg met betrokkenen treden om te waarborgen dat tijd voor de leerlingen bovenaan blijft staan. Ook zal OCenW stimuleren dat een grotere variatie in arbeidsduur (het sparen van adv, het vergroten van deeltijdbanen / kleine contracten) in het overleg tussen werkgevers en werknemers wordt gebracht.

Werkgevers moeten instrumenten hebben om leraren aan te trekken en vast te houden. Moderne arbeidsvoorwaarden maken meer differentiatie, flexibiliteit en maatwerk mogelijk. De beloning is meer dan alleen salaris en eventuele bonussen. Het gaat ook om zaken als opleidingsfaciliteiten, uitbreiding van kinderopvang en verlofconstructies om arbeid en zorgtaken te combineren.

Naast de vraag naar nieuwe leraren zal er de komende jaren ook een vraag ontstaan naar ander onderwijspersoneel. Als gevolg van onderwijskundige ontwikkelingen zullen nieuwe taken en functies in de school ontstaan, bijvoorbeeld ondersteuning van leerlingen bij het gebruik van informatie- en communicatietechnologie en de begeleiding van leerlingen in het «studiehuis». Dergelijke nieuwe taken hoeven niet per se door leraren te worden verricht. Het beleid is de komende jaren dan ook gericht op het bevorderen van taak- en functiedifferentiatie binnen het onderwijs. De scholen zullen daarvoor beter worden toegerust. Door een andere organisatie van het onderwijsproces kan de leraar zich meer dan nu concentreren op zijn kernkwaliteiten, te weten lesgeven. Dit beleid biedt ook aanknopingspunten om via een grotere inzet van onderwijsondersteunend personeel de werkdruk van leraren en schoolmanagers binnen het onderwijs te verlichten.

5. FINANCIEEL OVERZICHT

Met het regeerakkoord 1998 is zichtbaar gemaakt dat een hoge prioriteit wordt toegekend aan onderwijs, cultuur en wetenschappen.

De middelen die verkregen zijn bij het regeerakkoord, zijn dan ook bij de besluitvorming over de voorjaarsnota 1999 en de begrotingsvoorbereiding 2000 onaangetast gebleven. Dat betekent dat voor deze kabinetsperiode de ingeslagen weg voor de beleidsimpulsen voortvarend kan worden vervolgd. Zo wordt voor het schooljaar 2000/2001 een bedrag van f 220 miljoen beschikbaar gesteld voor verdere verlaging van de groepsgrootte in de eerste vier leerjaren van het basisonderwijs en zijn er vanaf 2000 meer middelen voor de exploitatiekosten voor informatie- en communicatietechnologie. Voor vernieuwingsprojecten in het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie is vanaf 2000 het structurele bedrag beschikbaar van f 192 miljoen. Voor cultuur is er in het jaar 2000 een tweede tranche van f 15 miljoen beschikbaar om ruimte te bieden voor nieuw beleid.

Naast de impulsen vanuit het regeerakkoord, zijn er de komende jaren ook andere impulsen voorzien voor onderwijs, cultuur en wetenschappen. In dit hoofdstuk wordt in vogelvlucht ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen op de OCenW-begroting. Allereerst wordt voor de uitgaven de aansluiting getoond tussen de ontwerpbegroting 2000 en de meerjarenraming horend bij de geautoriseerde begroting 1999. Achtereenvolgens wordt het verschil nader toegelicht. Tot slot wordt de aansluiting voor de ontvangsten weergegeven.

Aansluiting geautoriseerde begroting 1999 en ontwerpbegroting 2000

Hierna wordt voor de uitgaven de aansluiting getoond tussen de ontwerpbegroting 2000 en de geautoriseerde begroting 1999. Het verschil wordt verklaard door de mutaties zoals deze verder in dit hoofdstuk zullen worden toegelicht. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen intensiveringen uit het regeerakkoord, ombuigingen, bijstellingen voor leerling -en studentenontwikkeling, de onderwijs cao en overige bijstellingen.

Tabel 1 verschillen in de uitgaven tussen stand ontwerpbegroting 2000 en stand geautoriseerde begroting 1999 (bedragen x f 1 miljoen)
UITGAVEN20002001200220032004
Ontwerpbegroting 200043 248,043 773,044 290,045 033,045 645,0
Geautoriseerde begroting 199941 637,042 084,042 908,043 464,044 048,0
Totaal verschil1 611,01 689,01 382,01 569,01 597,0
Bestaande uit:     
Impulsen44,060,070,0120,0110,0
Ombuigingen– 173,0– 195,0– 124,0– 84,0– 125,0
Leerling en studentenontwikkeling147,0204,0210,0223,0249,0
Onderwijs cao 1999–2000195,0213,0263,0295,0316,0
Overige bijstellingen1 398,01 407,0963,01 015,01 047,0

Impulsen voor onderwijs, wetenschap en cultuur, naast de impulsen uit het regeerakkoord

Hieronder worden de belangrijkste impulsen voor onderwijs, wetenschap en cultuur weergegeven en nader toegelicht.

Tabel 2 beleidsmatige impulsen (bedragen x f 1 miljoen)
UITGAVEN20002001200220032004
Vernieuwingsimpuls onderzoek   10,010,0
Cultuurbeleid 16,016,016,016,0
Rijkshuisvesting9,09,09,09,09,0
Financiële positie hbo-instellingen  10,010,0 
Impuls onderwijs35,035,035,035,035,0
informatie- en communicatietechnologie   40,040,0
Totaal impulsen44,060,070,0120,0110,0

Vernieuwingsimpuls onderzoek

OCenW stelt een bedrag van f 25 miljoen beschikbaar voor een vernieuwingsimpuls in het wetenschappelijk onderzoek. Van dit bedrag wordt f 15 miljoen vrijgemaakt uit het stimuleringsprogramma voor de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO). Dit wordt vanaf 2003 aangevuld met een bedrag van f 10 miljoen uit de begroting van OCenW. Daarnaast worden er ook middelen beschikbaar gesteld door de NWO (f 25 miljoen) en door de universiteiten (f 25 miljoen). In totaal een bedrag van f 75 miljoen.

Cultuurbeleid

In het kader van de vorige cultuurnota Pantser of Ruggengraat waren er op basis van de motie Van Nieuwenhoven tot en met 2000 incidenteel middelen aan het cultuurbudget toegevoegd. Vanaf het jaar 2001 is aan de begroting van OCenW structureel f 16 miljoen toegevoegd voor het cultuurbeleid om het huidige beleid op hetzelfde niveau te kunnen continueren.

Rijkshuisvesting

Voor de huurverhoging als gevolg van het technisch onderhoud van de gebouwen van OCenW is vanaf 1999 structureel een bedrag van f 9 miljoen als gebruikersvergoeding beschikbaar.

Financiële positie hbo-instellingen

Binnen de begroting van OCenW zijn voor de jaren 2002 en 2003 middelen vrijgemaakt om de financiële positie van de hbo-instellingen te versterken.

Impuls onderwijs

Het kabinet heeft bij de afronding van de begrotingsvoorbereiding 2000 besloten extra middelen voor onderwijs uit te trekken. Het betreft een bedrag van f 20 miljoen in 1999 en f 35 miljoen structureel vanaf het jaar 2000.

Bij de budgettaire inzichten in het voorjaar 1999 was de vraag aan de orde in hoeverre de beleidsmatig gewenste verbetering van de doorstroom van leerlingen van het voortgezet onderwijs naar het bve-domein ook een bezuiniging zou kunnen opleveren voor de OCW-begroting. Het ging toen om een bedrag van uiteindelijk f 50 miljoen te bereiken in een aantal stappen vanaf 2001. Als gevolg van het nu beschikbaar komen van de extra middelen kan het beleidstraject voor verbetering van de doorstroom vo-bve nu tot ontwikkeling komen zonder de druk van een bezuiniging. Het ontbrekende bedrag tussen de oorspronkelijke bezuiniging van f 50 miljoen en de nu beschikbaar gekomen middelen van f 35 miljoen is opgevangen binnen de OCenW-begroting.

Van de impuls onderwijs zal ook een eenmalig extra bedrag van f 70 miljoen worden ingezet voor het ict-project. Het eenmalige bedrag van f 20 miljoen in 1999 zal worden gebruikt voor de opwaardering van gebruikte computers, die aan het onderwijsveld (inclusief asielzoekerscentra) beschikbaar worden gesteld. In de jaren 2000 en 2001 zullen respectievelijk f 30 en f 20 miljoen beschikbaar worden gesteld voor ict, in het bijzonder voor de zogenoemde «voorhoedescholen», gelet op het verzoek van de Tweede Kamer tijdens het overleg over deze voornemens in juni 1999.

Tenslotte wordt voor het achterstandenbeleid in de grote steden in 2000 een bedrag van f 5 miljoen beschikbaar gesteld voor voor- en vroegschoolse educatie, met name gericht op het inlopen van taalachterstanden.

Informatie- en communicatietechnologie (ict)

Vanwege de terugval van middelen voor informatie- en communicatietechnologie na 2002 is uit de OCenW-begroting structureel een bedrag vrijgemaakt van f 40 miljoen voor ophoging van de middelen voor ict, ten laste van de centraal beheerde middelen.

Dit bedrag is reeds als onderdeel van «onderwijs-online» eerder bekend gemaakt.

Ombuigingen

Bij de begrotingsvoorbereiding stond het kabinet voor de noodzaak enkele bezuinigingsmaatregelen te treffen om binnen de afgesproken budgettaire kaders te blijven. Dit heeft ook consequenties gehad voor de OCenW begroting, maar zoals eerder aangegeven zijn daarbij de prioriteiten vanuit het regeerakkoord onaangetast gebleven. In de begroting 2000 van OCenW zijn de volgende ombuigingsmaatregelen voorzien.

Tabel 3 Financiële gevolgen van de ombuigingen (bedragen x f 1 miljoen)
UITGAVEN20002001200220032004
Korting open universiteit – 5,0– 10,0– 15,0– 15,0
Beperking projectmiddelen– 28,0– 35,0– 38,0– 38,0– 38,0
Ombuiging TNO   – 10,0– 10,0
Efficiencykorting onderwijsverzorging/lob's– 10,0– 20,0– 30,0– 35,0– 35,0
Korting cultuur– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0
Korting op centraal beheerde middelen – 25,0– 25,0– 57,0– 57,0
Wachtgelden overige instellingen wo– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0
Frictieregeling primair onderwijs– 10,0– 25,0– 25,0– 25,0– 25,0
Kasbeleid– 110,0– 70,019,0111,070,0
Totaal ombuigingsmaatregelen– 173,0– 195,0– 124,0– 84,0– 125,0

Korting open universiteit

Vanwege de sterke daling van het aantal deelnemers bij de open universiteit wordt vanaf het jaar 2001 het budget van de open universiteit verlaagd.

Beperking projectmiddelen

Bij de begrotingsvoorbereiding 2000 is besloten de projectmiddelen te beperken met een bedrag oplopend tot f 38 miljoen, verdeeld over alle beleidsterreinen van onderwijs en onderzoek, alsmede de cultuursector.

Ombuiging TNO

Gelet op de ontwikkeling van de financiële positie van TNO in de afgelopen jaren is de vraag aan de orde of TNO een bijdrage kan leveren aan de bezuinigingen. Uit dien hoofde wordt gedacht – bij handhaving van het activiteitenniveau van het lopend strategisch plan 1999–2002 – aan een tijdelijke beperkte latere betaling van de voorziene rijksbijdrage. Het gaat dan om een bedrag van f 30 miljoen, dat onderdeel is van de post kasbeleid, die hierna ook nog wordt toegelicht. Voor TNO is voorzien in het inlopen van een kasritmeversnelling vanaf 2004. Daarnaast wordt bezien in hoeverre het mogelijk is met ingang van het nieuwe strategische plan vanaf 2003 een structurele verlaging van f 10 miljoen aan te brengen bij de basissubsidie, mede afhankelijk van de vraag of TNO de doelstelling van de marktomzet uit het lopend strategisch plan 1999–2002 realiseert. Over beide voorstellen zal bestuurlijk overleg met TNO worden gevoerd.

Efficiencykorting onderwijsverzorging en landelijk organen beroepsonderwijs

Vanaf 2000 wordt in het kader van de budgettaire problematiek voor po, vo en bve een efficiencykorting gepleegd op de onderwijsondersteunende activiteiten in het primair en voortgezet onderwijs en de landelijke organen beroepsonderwijs (lob's) in het bve-veld (respectievelijk f 2,5 miljoen, f 2,5 miljoen en f 5 miljoen). De oploop na 2000 is voorlopig centraal geparkeerd om de gedachtegang nader te bepalen. Het accent van de efficiencykorting ligt op de lob's. Deze hebben een centrale rol bij de werving en kwaliteitsbewaking van beroepspraktijkvormingsplaatsen in het bve-veld. Met de fiscale faciliteit leerlingwezen (WVA), wordt extra groei van de beroepsbegeleidende leerwegen bevorderd. Deze heeft zich minder voorgedaan dan verwacht bij de invoering van de WVA. Dit leidt tot een lager gebruik van de regeling en tot een onderuitputting van de WVA.

Korting cultuur

Vanaf het jaar 2000 wordt op het budget voor cultuur structureel een bedrag van f 5 miljoen per jaar omgebogen.

Korting centraal beheerde middelen

In het kader van de begrotingvoorbereiding is de nog resterende vrije ruimte bij de centraal beheerde middelen ingezet als bijdrage aan de bezuinigingen.

Wachtgeldregeling overige wo-instellingen

Door de sterk verlaagde wachtgelduitgaven voor de overige instellingen van wetenschappelijk onderwijs is het budget vanaf 2000 structureel verlaagd met f 10 miljoen.

Frictieregeling primair onderwijs

Dit betreft een gebudgetteerde garantieregeling in het primair onderwijs voor terugloop in de formatie. Door de maatregelen voor groepsverkleining en een stijging van het aantal leerlingen in het basisonderwijs in de komende jaren, wordt een afname verwacht van onvermijdbare garanties. Daarom wordt de opslag voor formatieve frictie verlaagd.

Kasbeleid

Om de begroting van OCenW sluitend te maken voor de jaren 2000 en 2001 zal een kasbeleid worden gevoerd. Op basis van de liquiditeitenpositie van instellingen is een vertraging in het kasritme aangebracht door kaskortingen op de budgetten van NWO, TNO, universiteiten en de kunstenfondsen. Deze budgetten zullen vanaf 2002 worden toegevoegd aan de programmabudgetten van de betrokken beleidsterreinen.

Bijstelling leerling- en studentenontwikkeling

Als gevolg van de leerling- en studentenstijgingen zijn middelen aan de begroting van OCenW toegevoegd. Naast de bijstelling voor de autonome ontwikkeling zijn middelen toegevoegd voor de stijging van asielzoekers. Deze moeten nog over de verschillende beleidsterreinen worden verdeeld.

Tabel 4 bijstellingen voor leerling -en studentenontwikkeling (bedragen x f 1 miljoen)
UITGAVEN20002001200220032004
Primair onderwijs42,050,042,037,037,0
Voortgezet onderwijs5,09,020,038,055,0
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie– 43,0– 52,0– 55,0– 48,0– 48,0
Hoger beroepsonderwijs33,063,073,084,092,0
Wetenschappelijk onderwijs55,066,073,078,078,0
Studiefinanciering– 21,0– 22,0– 29,0– 36,0– 35,0
Totaal autonome bijstelling71,0114,0124,0153,0179,0
Asielzoekers76,090,086,070,070,0
Totaal bijstelling leerling- en studentenontwikkeling147,0204,0210,0223,0249,0

De leerlingen in het primair- en voortgezet onderwijs nemen de komende jaren aanzienlijk toe. Dit wordt veroorzaakt door meer geboorten, meer immigratie en een grotere asielzoekerstroom dan was voorzien. De leerlingen in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zijn door minder instroom van leerlingen in de beroepsopleidende leerweg lager dan eerder geraamd. De daling in de uitgaven voor studiefinanciering is daar een gevolg van.

Voor het hoger onderwijs zijn als gevolg van de forse toename van het aantal studenten ook middelen aan de begroting van OCenW toegevoegd.

Onderwijs cao 1999–2000

Het grootste deel van de kosten van de onderwijs cao is gefinancierd uit de loonbijstelling. Het opgenomen bedrag in tabel 1 heeft betrekking op de financiering van het resterende deel van de kosten van de onderwijs cao 1999 – 2000. De totale kosten en dekking van de cao 1999–2000 zijn toegelicht in de brief van 4 maart 1999 aan de Tweede Kamer. De dekking van deze cao is opgenomen onder de diversen beleidsmatige bijstellingen in tabel 5 en bestaat uit diverse bijstellingen en herschikkingen, zoals een korting op de projectmiddelen, de incidentele looncomponent en de inzet van centraal beheerde middelen. Om de kosten over de jaren heen te kunnen dekken is voorzien in een intertemporele compensatie.

Overige bijstellingen

Uitgaven

Tabel 5 Overige bijstellingen (bedragen x f 1 miljoen)
UITGAVEN20002001200220032004
Indexering studiefinanciering– 23,0– 31,0– 47,0– 13,0– 13,0
OV-kaart84,0– 126,0   
FES38,039,042,0  
ICT165,0165,0165,0  
Monumentenzorg22,032,040,053,053,0
Beperking incidentele looncomponent– 75,0– 111,0– 168,0– 226,0– 236,0
Diversen beleidsmatig25,043,0– 263,0– 150,0– 100,0
Diversen autonoom– 119,0– 166,0– 259,0– 238,0– 280,0
Totaal bijstellingen117,0– 155,0– 490,0– 574,0– 576,0
Technische verschillen     
Loonbijstelling1 053,01 068,01 085,01 101,01 102,0
Prijsbijstelling277,0315,0350,0382,0413,0
Diversen technisch– 49,0179,018,0106,0108,0
Totaal technisch1 281,01 562,01 453,01 589,01 623,0
Totaal overige bijstellingen1 398,01 407,0963,01 015,01 047,0

Indexering studiefinanciering

Tot op heden werd de thuiswonende basisbeurs geïndexeerd met hetzelfde bedrag als de basisbeurs voor uitwonende. Dit had tot gevolg dat de thuiswonende beurs relatief hoger werd bijgesteld. De indexering van de basisbeurs voor thuiswonende zal gaan plaatsvinden middels een zelfde percentage als voor uitwonenden. Zo wordt de relatieve verhouding tussen uit- en thuiswonenden hersteld.

Onder meer vanwege onzekerheden rond de indexering van de ov-kaart en de ontwikkeling van leerling/studentaantallen, wordt een deel van deze besparing gereserveerd binnen de begroting van studiefinanciering.

OV-kaart

Door een jaar uitstel van het wetsvoorstel waarmee de ov-studentenkaart onder het prestatieregime wordt gebracht, leidt dit in het jaar 2000 tot meeruitgaven. In 2001 zal het prestatieregime leiden tot minder uitgaven voor de ov-studentenkaart.

FES projecten

Deze post hangt samen met de projecten Delft cluster, Biomade en Wetenschap, Technologiecentrum Watergraafsmeer en technocentra.

Informatie- en communicatietechnologie

De regeerakkoordmiddelen voor investeringen in informatie- en communicatietechnologie zijn toegevoegd aan de begroting van OCenW.

Monumentenzorg

Dit betreft de in het regeerakkoord overeengekomen intensiveringmiddelen voor de rijksmonumenten.

Beperking incidentele looncomponent

Voor de financiering van de onderwijs cao 1999–2000 is een deel van de incidentele looncomponent ingezet door bij de betreffende onderwijsbeleidsterreinen uit te gaan van een lagere incidentele looncomponent.

Diversen beleidsmatig

Het kabinet heeft het besluit genomen de omroepbijdrage per 1 januari 2000 af te schaffen. Vanaf dat jaar zal de publieke omroep grotendeels worden gefinancierd uit de algemene middelen. Hiertoe verdwijnen vanaf 2000 op het ontvangstenartikel de ramingen omroepbijdragen. Op het uitgavenartikel worden de hierin verwerkte ramingen omroepbijdragen vervangen door een rijksbijdrage voor de media. Dit leidt tot een bijstelling van de uitgaven, welke is gebaseerd op de realisatie van de omroepbijdragen in 1998, het indexcijfer voor de gezinsconsumptie en de verwachte groei van het aantal huishoudens.

In de jaren 2002 en 2003 zijn in het hoger beroepsonderwijs extra middelen ingezet voor het Studiefonds om de aansluiting mbo-hbo te verbeteren en tot verkorte leertrajecten voor mbo-ers te komen. Vanaf 2004 is dit budget structureel opgehoogd met f 15 miljoen.

Voorts betreft deze post mutaties in het kader van de dekking van de onderwijs cao, zoals reeds eerder in het stuk is toegelicht.

Diversen autonoom

Deze post betreft onder meer een aantal ramingsbijstellingen over verschillende beleidsterreinen en de verwachte meerjarige doorwerking van de verschillen tussen de ramingen en realisaties van de gemiddelde personeelslasten componenten voor het primair en voortgezet onderwijs.

Technisch

Dit betreft de loonbijstelling 1999 die aan OCenW is uitgekeerd voor onder andere de cao 1999–2000 en de prijsbijstelling 1999 voor de materiële uitgaven van OCenW.

Diversen technisch

Aan de begroting zijn voor de jaren 2000 tot en met 2001 de middelen voor de euro toegevoegd. In totaal gaat het hier om f 105 miljoen.

Voorts betreft deze post overboekingen met andere departementen en enige desalderingen.

Ontvangsten

In deze paragraaf worden de verschillen tussen geautoriseerde begroting 1999 en de ontwerpbegroting 2000 voor de ontvangsten gepresenteerd en toegelicht.

Tabel 6 ontvangsten (bedragen x f 1 miljoen)
ONTVANGSTEN20002001200220032004
Ontwerpbegroting 20002 289,02 193,02 198,02 123,02 134,0
Geautoriseerde begroting 19993 537,03 487,03 516,03 474,03 522,0
Totaal verschil– 1 248,0– 1 294,0– 1 318,0– 1 351,0– 1 388,0
Bestaande uit:     
Omroepbijdrage– 1 202,0– 1 220,0– 1 240,0– 1 260,0– 1 296,0
FES projecten38,039,042,0  
Overige bijstellingen– 67,0– 78,0– 91,0– 76,0– 76,0
Totaal bijstellingen– 1 231,0– 1 259,0– 1 289,0– 1 335,0– 1 372,0
Technische verschillen:     
Overboeking studiefinanciering– 30,0– 29,0– 14,06,06,0
Overige13,0– 6,0– 15,0– 22,0– 22,0
Totaal technisch– 17,0– 35,0– 29,0– 16,0– 16,0

Omroepbijdrage

Het kabinet heeft het besluit genomen de omroepbijdrage per 1 januari 2000 af te schaffen. Vanaf dat jaar zal de publieke omroep grotendeels worden gefinancierd uit de algemene middelen. Hiertoe verdwijnen vanaf 2000 op het ontvangstenartikel de ramingen omroepbijdragen. Op het uitgavenartikel worden de hierin verwerkte ramingen omroepbijdragen vervangen door een rijksbijdrage voor de media, welke is gebaseerd op de realisatie van de omroepbijdragen in 1998, het indexcijfer voor de gezinsconsumptie en de verwachte groei van het aantal huishoudens.

FES projecten

Deze post hangt samen met de projecten Delftscluster, Biomade en Wetenschap en Technologiecentrum Watergraafsmeer en technocentra.

Overige bijstellingen

Deze post heeft met name betrekking op studiefinanciering en lesgelden. De daling wordt verklaard door minder lesgeldplichtigen, een tegenvallende ontvangst op rente en aflossingen op oude leningen en de ontvangsten kortlopende schulden. Daarnaast is de jaarlijks geraamde stijging van het lesgeld bijgesteld in verband met het voornemen om niet over te gaan tot herijking, maar tot een jaarlijkse indexering op basis van de algemene prijsontwikkeling; dit vindt zijn weerslag in lager ontvangsten vanaf 2001.

Technische verschillen

De niet-relevante ontvangsten bij studiefinanciering waren in 1998 lager dan geraamd. De meerjarenraming van de niet-relevante ontvangsten wordt daarom neerwaarts bijgesteld.

C. ALGEMENE TOELICHTING PER BELEIDSTERREIN

Inleiding op de beleidsterreinen

Na het algemeen deel van de memorie van toelichting, spitst de toelichting zich nu toe op de beleidsterreinen van de begroting. Daarna volgt de toelichting per begrotingsartikel, de agentschappen Centrale Financiën Instellingen en de Rijksarchiefdienst, en volgen tenslotte de bijlagen.

Hieronder wordt eerst kort ingegaan op de actualisatie van de kengetallen en wordt voor het totaal van de onderwijssectoren een beeld geschetst van de leerlingen/studentenontwikkeling en de werkgelegenheid. De inleiding eindigt met een toelichting op de onderwerpen financieel beheer, euro, millennium, onderwijsdeelname en emancipatiebeleid.

Kengetallen

Ten opzichte van voorgaande jaren zijn de volgende veranderingen doorgevoerd:

• Er is een begin gemaakt met het opnemen van doeltreffendheidskengetallen. Bij de onderwerpen die door de commissie-Van Zijl zijn aangedragen, te weten Voortijdig schoolverlaten en Lerarentekorten in het primair onderwijs, is in kamerstuk 26 347, nr. 5, d.d. 14-6-1999, de meest recente informatie verwerkt.

• Op de beleidsterreinen primair onderwijs en studiefinancieringsbeleid zijn de overzichten met ramingskengetallen aangepast om een beter inzicht te bieden in de relatie tussen deze kengetallen en de in de raming opgenomen financiële middelen.

• Kengetallen die in de begrotingen van voorgaande jaren alleen de functie hadden van een beschrijving van het desbetreffende beleidsterrein komen in deze begroting niet terug. In de meeste gevallen zijn deze wel opgenomen in de gelijktijdig met de ontwerpbegroting verschijnende publicatie OCenW in kerncijfers.

Ontwikkelingen in de onderwijsdeelname

Aantallen leerlingen/studenten

Ter voorbereiding van de nieuwe onderwijsbegroting wordt jaarlijks een nieuwe leerlingen- en studentenraming gemaakt. Hieruit resulteert het volgende beeld voor de te verwachten aantallen leerlingen/studenten.

Primair onderwijs groeit ook na 2002

Het aantal leerlingen in het primair onderwijs blijft tot 2005 doorgroeien. In de vorige raming werd nog uitgegaan van een daling na 2002. Het verschil komt voort uit een nieuwe CBS-bevolkingsprognose, die hoger ligt dan de vorige prognose als gevolg van meer geboorten en immigratie.

De ramingen van het (voortgezet) speciaal onderwijs zijn vrijwel ongewijzigd. De raming van het speciaal onderwijs blijft in de komende jaren vrijwel constant, die van het voortgezet speciaal onderwijs groeit nog.

Leerlingen primair onderwijs

kst-26800-VIII-2-1.gif

Sterkere groei van het voortgezet onderwijs

In 1998 is het aantal leerlingen voor het eerst sinds jaren weer toegenomen. Deze stijging zet naar verwachting de komende jaren door, als gevolg van de geboortenstijging die vanaf 1984 is opgetreden.

De nieuwe raming ligt nog iets hoger dan de vorige raming als gevolg van meer immigratie.

Leerlingen voortgezet onderwijs

kst-26800-VIII-2-2.gif

Lagere aantallen in het secundair beroepsonderwijs

Het aantal deelnemers aan het secundair beroepsonderwijs (sbo, voorheen : mbo + leerlingwezen) loopt terug door de dalende uitstroom uit mavo/vbo. Ook kiezen steeds minder havisten voor het sbo.

De daling doet zich alleen voor bij de voltijd-bol (voorheen : voltijd-mbo).

Na 2001 neemt het aantal deelnemers weer toe. Dit komt door de stijging van het aantal geboorten halverwege de jaren tachtig.

Deelnemers secundair beroepsonderwijs

Hoger beroepsonderwijs groeit aanzienlijk

kst-26800-VIII-2-3.gif

De instroom in het hoger beroepsonderwijs blijft groeien. De nieuwe raming ligt aanzienlijk boven de vorige raming vanwege de onverwacht sterke groei van de instroom in 1998. Dit geldt vooral voor het deeltijd-hbo.

Evenals in de vorige raming, wordt ook in de nieuwe raming rond 2001 een tijdelijke daling van het totaal aantal hbo-studenten voorspeld. Dit is een gevolg van beleidsmatige correcties, namelijk verkorting van de gemiddelde studieduur voor vwo-ers en bol-gediplomeerden.

Studenten hoger beroepsonderwijs

kst-26800-VIII-2-4.gif

Wetenschappelijk onderwijs daalt niet verder

In de laatste vijf jaar is het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs sterk gedaald doordat minder eerstejaarsstudenten zich meldden. Verder is de gemiddelde studieduur verkort onder invloed van het gewijzigde studiefinancieringsbeleid. In 1997 en 1998 is de instroom weer toegenomen. Dit heeft tot gevolg dat de nieuwe raming wat hoger ligt dan de oude. Voor de komende jaren wordt een stabiel beeld verwacht.

Studenten wetenschappelijk onderwijs

kst-26800-VIII-2-5.gif

Schoolverlaters

Ook de uitstroom uit het onderwijs wordt met behulp van het ramingsmodel voorspeld. Het aantal schoolverlaters zal in de komende jaren stabiel blijven op ongeveer 200 duizend leerlingen.

Dit is ongeveer de omvang van één leeftijdsgeneratie. De hier gepresenteerde aantallen zijn schoolverlaters uit het voltijdonderwijs, dus inclusief degenen die nog doorstromen naar deeltijdonderwijs (bijv. mavo/vbo-leerlingen die doorstromen naar de bbl).

Ongeveer 60% verlaat het laatstgenoten onderwijs met diploma. Het totale aantal schoolverlaters met diploma is redelijk stabiel. Bij bol en wo is er wel een lichte daling te verwachten en bij hbo een zekere stijging. Het percentage van de Nederlandse jeugd dat een hoger onderwijs-diploma behaalt zal nog licht toenemen tot ruim 35%.

Gediplomeerde schoolverlaters voltijd onderwijs

kst-26800-VIII-2-6.gif

Ontwikkeling werkgelegenheid in onderwijssector

In 1998 waren er ongeveer 247 duizend personeelsleden werkzaam in het onderwijs. Het volgende overzicht geeft een indicatie van de ontwikkeling van de werkgelegenheid in het door het ministerie van OCenW gefinancierde onderwijs.

 
personeelsaantallen (fte) (x1000)199920002001200220032004
po94,297,499,7104,1104,7105,1
vo65,368,769,670,972,273,5
bve21,521,020,720,320,921,2
hbo21,120,020,019,419,519,6
wo43,644,244,044,344,743,9
Totaal245,7251,3254,0259,0262,0263,3

Bij bovenstaand overzicht is een aantal kanttekeningen nodig:

• De feitelijke werkgelegenheidsontwikkeling is ook afhankelijk van het beleid van de instellingen in het vo, bve, hbo en wo.

• Dit overzicht bevat al het personeel in dienst van de genoemde instellingen, dus inclusief niet-onderwijzend personeel, onderzoekspersoneel, personeel werkend voor derden.

• vo: inclusief het svo, lom en mlk (per 1 augustus 1999 overgeboekt van beleidsterrein 18).

Financieel beheer

De stand van zaken van de administratieve organisatie en de accountantscontrole zijn beschreven in respectievelijk het financieel jaarverslag 1998 en het samenvattend accountantsrapport over 1998, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

In 1996 heeft OCenW besloten, mede versterkt door de invoering van de euro, om een nieuwe, sterk vereenvoudigde financiële administratie in te richten.

Onder regie van een stuurgroep zijn de werkzaamheden en gevolgen voor de vereenvoudiging van de financiële administratie in kaart gebracht en uitgewerkt. Een belangrijke voorwaarde bij de wijziging van onderdelen van de administratie is dat de continuïteit geen enkel gevaar mag lopen. Vanwege de samenloop met de invoering van de euro wordt in eerste instantie het bestaande geautomatiseerde informatiesysteem (GEFIS) eurobestendig gemaakt. Daarnaast wordt een nieuw instrumentarium ingevoerd voor de administratie van de apparaatskosten en voor de geconsolideerde administratie (de hoofdadministratie).

Na de invoering van de euro kan worden verdergegaan met de verdere vereenvoudiging van GEFIS.

Voorbereidingen invoering euro

De voorbereidingen op de invoering van de euro zijn in 1997 van start gegaan. Er is een projectorganisatie opgezet. Deze bestaat uit een projectleider, projectbureau en een stuurgroep. Aan de stuurgroep nemen integraal projectverantwoordelijken deel; dit zijn FEZ, RZO, PenO/FacB, Cultuur, CFI, IBG en CASO. De projectorganisatie is eind 1998 uitgebreid met coördinatoren bij de verschillende directies. Met deze coördinatoren worden directe contacten onderhouden om een aantal aspecten van de invoering van de euro binnen de directies beter te kunnen monitoren.

Het project invoering euro-OCenW kan in drie fasen worden ingedeeld.

De inventarisatiefase is op 1 januari 1999 afgerond. In deze fase zijn onder andere de wet- en regelgeving geïnventariseerd en is inzichtelijk gemaakt welke wet- en regelgeving aangepast moet worden als gevolg van de invoering van de euro. Daarnaast zijn de invloeden van de euro op de verschillende geautomatiseerde systemen en de administratieve processen geïnventariseerd.

In de planningsfase werd een gedetailleerde planning van de aanpassingen in het kader van de invoering van de euro bij OCenW opgeleverd. Daarnaast werd een raming van de benodigde capaciteit gemaakt en is het communicatieplan opgeleverd. Tijdens de planningsfase is een raming gemaakt van de kosten die de invoering van de euro met zich meebrengen.

Aan het eind van de planningsfase werd een audit uitgevoerd door de Accountantsdienst op de opgeleverde producten. Op 1 juli 1999 werd de planningsfase afgerond en is een start gemaakt met de realisatiefase. In de realisatiefase worden de objecten aangepast aan de invoering van de euro.

Dit departement heeft verder te maken met onderwijskundige aspecten van de invoering van de euro. Deze zijn geïnventariseerd en de Tweede Kamer is middels een beleidsbrief «onderwijskundige consequenties van de invoering van de euro» geïnformeerd over de gevolgen (kamerstuk 25 107, nr. 30).

Aanpak millenniumproblematiek

In mei 1999 is aan de Tweede Kamer een halfjaarlijks verslag uitgebracht over de stand van zaken met betrekking tot de aanpak van het millenniumprobleem (peildatum 1 mei 1999). Uit de rapportage valt af te leiden dat OCenW op schema ligt en de maatschappelijk vitale systemen in het tweede kwartaal van 1999 gereed heeft. Voor het derde kwartaal ligt het accent van de millenniumwerkzaamheden op overgangsplannen waarvan de noodplannen en crisisbeheersing deel uitmaken, en het zoveel mogelijk beperken van de risico's en ketens. Daarnaast zijn de OCenW-organisaties die gerekend worden tot het domein van het bestuursdepartement (inclusief buitendiensten) alsook de ring daaromheen (zelfstandige bestuursorganen en fondsen) gehouden aan een strakke planning die erop gericht is per september 1999 de aanpak afgerond te hebben. De betreffende organisaties dienen op die datum te verklaren dat zij alle acties ondernomen hebben om het millenniumprobleem te voorkomen en een overgangsplan hebben om de gevolgen van millenniumproblemen tot een minimum te beperken. Vervolgens zal de centrale projectorganisatie millennium toetsen of deze verklaringen sporen met de werkelijkheid.

Aanpak onderwijsnummer

Over het onderwijsnummer zijn in de eerste helft van 1999 gesprekken gevoerd met de Registratiekamer, de VNG en het CBS. Met deze partijen is overlegd over wijzigingen in het wetsvoorstel onderwijsnummer. Wijzigingen die evenwel ook consequenties hebben voor het invoeringstraject (bij uitvoeringsorganisaties, onderwijsinstellingen en andere gebruikers). Op basis van de resultaten van een uitvoeringsanalyse zal in september/oktober nadere besluitvorming plaatsvinden over de voortgang van het onderwijsnummertraject. Naar verwachting zal dit najaar een regeringsstandpunt over het wetsvoorstel onderwijsnummer aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Emancipatie

De agenda uit de Emancipatienota 1998–2002 Een kristal van kansen bevat tal van maatregelen, mogelijkheden en kansen voor emancipatie. Bij de uitvoering van de agenda zijn vele actoren betrokken. Zij bepalen mede het uitvoeringsproces en drukken hun stempel op het resultaat. Voorbeelden daarvan zijn de inzet van het emancipatiebudget in de bve-sector, de breed gevoelde noodzaak om het percentage vrouwelijke hoogleraren te vergroten en de cao-uitkomsten rondom het competentiemodel waarop een emancipatie-effectrapportage voorzien was.

In de uitvoeringsfase blijkt de emancipatieagenda aan zijn intentie te voldoen: richtsnoer zonder keurslijf te worden. Nieuwe ontwikkelingen leiden tot het bijstellen van de agenda. Een geactualiseerde versie wordt begin 2000 uitgebracht.

Conform het regeerakkoord is onder coördinatie van staatssecretaris Verstand van SZW een interdepartementaal actieplan emancipatie opgesteld. Ieder departement heeft tenminste drie concrete actiepunten ingebracht die in deze regeerperiode uitgevoerd worden. De vier actiepunten van OCenW bouwen voort op de Kristalnota en hebben betrekking op:

• modernisering van arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden;

• informatie- en communicatietechnologie in het primair en voortgezet onderwijs;

• verruiming schoolopeningstijden;

• toename van vrouwen in adviesraden, commissies en besturen binnen de cultuursector.Over de uitvoering van het interdepartementale actieplan zal afzonderlijk gerapporteerd worden.

Beleidsterrein 17 Ministerie algemeen

Ministerie algemeen t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mldUitgaven Ministerie algemeen f 0,9 mld

kst-26800-VIII-2-7.gifkst-26800-VIII-2-8.gif

1. ALGEMEEN

Voor beleidsterrein 17 worden de apparaatskosten in beeld gebracht van:

• het bestuursdepartement;

• de Inspectie van het onderwijs en de Inspectie cultuurbezit;

• de buitendiensten cultuur. Dit zijn de Rijksdienst voor de monumentenzorg, de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek en het Instituut collectie Nederland. Tot eind 1999 staat de Rijksakademie van beeldende kunsten op dit artikel. Per 1 november 1999 zal deze academie worden geprivatiseerd;

• de adviesraden die de minister van OCenW op het werkterrein adviseren: de Onderwijsraad, de Raad voor cultuur en de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid;

• de agentschappen Rijksarchiefdienst en Centrale Financiën Instellingen;

• de zelfstandige uitvoeringsorganisaties. Dit zijn de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), de Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO), de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO) en het Vervangingsfonds/bedrijfsgezondheidsdienst. Deze organisaties voeren taken uit voor OCenW. De IB-Groep is een zelfstandig bestuursorgaan dat nauwe relaties met het ministerie onderhoudt. De diensten DZVO en USZO behoren niet tot het ministerie, maar verrichten daar wel diensten voor. Een gedeelte van de apparaatsuitgaven van deze diensten komt daarom voor rekening van OCenW en wordt op beleidsterrein 17 geraamd. De apparaatsuitgaven van het Vervangingsfonds (voornamelijk het onderdeel bedrijfsgezondheidszorg) worden eveneens op dit beleidsterrein geraamd. Het Vervangingsfonds is een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan.

Bij het beleidsterrein ministerie algemeen horen twee bijlagen die van belang zijn: bijlage 1 bevat de personeelsbijlage en bijlage 9 beschrijft de voorlichtingsactiviteiten en uitgaven.

2. BELEID

Flexibele organisatie

De taakstelling uit het regeerakkoord leidt tot een bezuiniging van f 25 miljoen per 2002 op de personele kosten. Deze bezuiniging dwingt OCenW om nog efficiënter om te gaan met zijn kapitaal (het personeel). Immers, met een krimpende organisatie, moet OCenW de uitdagingen die de samenleving stelt op het gebied van onderwijs, cultuur en wetenschappen, toch aankunnen. Hierbij komt dat de meeste onderwerpen een sectoroverstijgend karakter hebben. Dit betekent dat de directies van OCenW nog meer dan voorheen projectmatig moeten werken.

Dit vraagt om een flexibele organisatie met goed geschoold en breed inzetbaar personeel. OCenW stimuleert de kwaliteit en de betrokkenheid van de medewerkers door middel van scholing, loopbaangesprekken en doorstroom binnen de organisatie. Het bestuursdepartement van OCenW neemt deel aan het traineeproject rijksoverheid. In de cao-Rijk 1999 is een verlenging van dit project afgesproken voor de jaren 2000 en 2001, wat in totaal 100 extra plaatsen oplevert. Een deel daarvan is bestemd voor dit departement. Binnen de beperkte instroom van nieuwe medewerkers wordt geijverd voor meer instroom van leden uit de doelgroepen allochtonen, gehandicapten (in de zin van de wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten) en hoog gekwalificeerde vrouwen (voor instroom in functies vanaf schaal 13). OCenW streeft ernaar dat de personeelsopbouw een zo goed mogelijke afspiegeling is van de samenleving. Het management wordt continu getraind op het punt van actief personeelsbeleid en management development. Het opleidingsbudget om OCenW om te vormen tot een flexibele organisatie bedraagt f 4 miljoen in 1999. Vanuit hun lumpsumbudget financieren de organisatie-eenheden de voor hen specifieke opleidingen.

De transformatie van de organisatie als gevolg van de taakstelling wordt zoveel mogelijk door natuurlijk verloop, interne mobiliteit en selectieve werving van buiten het departement opgevangen. Hierbij is het onwaarschijnlijk dat er gedwongen ontslagen vallen. De te verwachte daling van wachtgeldaanspraken voor het departement zal dus doorgaan. Overigens is hierbij niet te voorkomen, dat het aflopen van contracten met tijdelijke medewerkers zonder uitzicht op een vaste aanstelling leidt tot enige verhoging van de wachtgeldaanspraken, omdat immers op grond van de rechtspositionele regelingen daarop aanspraak bestaat. De duur van deze wachtgeldaanspraken is niet te overzien. Immers, het vinden van een (nieuwe) baan is voor een ieder en dus ook voor deze medewerkers conjunctuurgevoelig; bovendien speelt de duur van het voorafgaand dienstverband een rol bij het bepalen van de duur van de aanspraak.

Verder brengt de taakstelling uit het regeerakkoord een versobering in de materiële sfeer met zich mee van f 10 miljoen per 2002. Dit leidt tot bezuiniging op de materiële uitgaven van eenheden, aanpassingen in de voorlichting etcetera. Ook kan er minder onderzoek voor OCenW gedaan worden. Maar, door de hiervoor geschetste projecten en ook door de nieuw ingestelde gesprekspanels, blijft OCenW rechtstreeks in contact met studenten, leerlingen, hun ouders en het onderwijspersoneel.

De reguliere werkzaamheden en de taakstelling uit het regeerakkoord maken het noodzakelijk om binnen de budgettaire kaders te komen tot zoveel mogelijk integrale afwegingen met betrekking tot de taken-middelenrelatie. Als gevolg van het regeerakkoord nemen de middelen voor apparaatskosten immers af. Daarom zal bij nieuwe taken, scherper dan voorheen, de dekking aangegeven moeten worden. Als blijkt dat deze uitgaven niet in de programma-uitgaven zijn meegewogen, zal gekeken moeten worden binnen het apparaatsbudget, waarbij andere taken minder of niet uitgevoerd kunnen worden. Als bijvoorbeeld nieuwe omvangrijke projecten worden toegevoegd dan wel bestaande projecten worden uitgebreid, dient deze taken-middelenrelatie duidelijk in beeld te komen. De financiële consequenties zullen worden meegenomen in de raming. In gevallen waarbij deze situaties zich rond projecten voordoen, worden deze meegenomen in de wetsvoorstellen naar de Tweede Kamer.

De vermindering van het aantal personeelsleden en de meer projectmatige vorm van werken legt mogelijk meer druk op het personeel. Conform de afspraken in de cao-Rijk 1999 zal samen met de arbo-dienst een plan van aanpak worden opgesteld om te hoge werkdruk te voorkomen. Bovengenoemde activiteiten hebben een meerjarig karakter.

Evaluatie agentschappen

De status van de agentschappen Rijksarchiefdienst (RAD) en de Centrale Financiën Instellingen (CFI) is in 1998 geëvalueerd. Hoofdvraag was of het fenomeen agentschap volgens verwachting heeft geopereerd. Deze evaluaties hebben tot een aantal aanbevelingen geleid. De beleidsreactie van de minister op het rapport over CFI is inmiddels naar de Tweede Kamer verzonden (briefnummer OCW 99–441); aan de implementatie van de aanbevelingen wordt gewerkt. De beleidsreactie op het rapport over de RAD wordt binnenkort naar de Tweede Kamer gestuurd.

Inspectie van het onderwijs

De nota Variëteit en waarborg is onlangs door de minister naar de Tweede Kamer gestuurd (kamerstuk 26 572 nummer 1). In deze nota staat dat vérgaande zelfregulering en een sterkere positie van onderwijsinstellingen op de lange duur tot verdere verzelfstandiging van de Inspectie van het onderwijs kan leiden. De Tweede Kamer zal de nota nog bespreken.

Sociale zekerheid

De aansturing van de sociale zekerheidsinstanties verandert de komende jaren sterk. Door de invoering van de Werkloosheidswet voor het overheids- en onderwijspersoneel in 2001 en de nieuwe structuur van de Centra voor werk en inkomen (Suwi) in 2002, verandert ook de aansturingrelatie tussen het ministerie en de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO). In 2000 zal die nieuwe relatie moeten worden vormgegeven, omdat het huidige contract met de USZO eind 2000 afloopt.

Informatie Beheer Groep

Over de stand van zaken van het herontwerpen van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), wat een aantal forse investeringsprojecten behelst, is de Tweede Kamer recentelijk per brief geïnformeerd (kamerstuk 24 724 nummer 34).

Rijkshuisvesting

Per 1 januari 1999 is de invoering van een nieuw stelsel voor de rijkshuisvesting geëffectueerd. Het proces van overdracht van de huisvesting aan de departementen is door de Rijksgebouwendienst gestart. De middelen voor deze stelselwijziging zijn toegevoegd aan de begrotingen van de departementen. De effectuering van deze huisvestingsverantwoordelijkheid van OCenW is nog niet rond, omdat de totale kosten nog niet goed in beeld zijn gebracht. Hierdoor kon een deel van de contracten nog niet getekend worden.

Voorlichtingsactiviteiten

OCenW realiseert diverse voorlichtingsprojecten, campagnes en communicatie-onderzoek. De voorlichtingsactiviteiten staan vermeld in bijlage 9 Voorlichting. Het totaalbedrag voor voorlichting (inclusief structurele activiteiten zoals het weekblad Uitleg) ligt jaarlijks rond de f 8 miljoen. Voorlichtingscampagnes worden voor meer dan de helft gesubsidieerd uit de programmagelden van de betrokken beleidsdirecties. Een nieuwe campagne rond het leraarschap leidt tot een sterke stijging van het totaalbedrag. Voor deze campagne is in 2000 namelijk een bedrag begroot van f 6 miljoen. In hetzelfde jaar zal er ook een informatiecampagne worden gevoerd om het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bekender te maken onder het publiek.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

In de horizontale toelichting wordt een meerjarig beeld gegeven van de begroting van OCenW.

Tabel 3.1: aandeel apparaatskosten in totale begroting OCenW (bedragen x f 1000)
Artikel199920002001200220032004
17.10 Bestuursdepartement288 317302 723271 248266 331266 342267 298
17.11 Inspecties78 15875 89176 06876 01976 02375 995
17.12 Cultuurinstellingen88 25577 58676 36175 77275 77472 627
17.13 Adviesraden11 01510 83410 44510 34410 35310 419
17.14 Agentschappen150 050150 423146 908143 748143 753142 248
17.15 Zelfstandige uitvoeringsorganisaties336 940255 328222 273218 752218 752218 752
Totale apparaatskosten952 735872 785803 303790 966790 997787 339
Totale begroting OCenW42 639 90543 247 99843 772 78144 289 78745 032 76545 645 014
Apparaatsuitgaven in %2,22,01,81,81,81,7

Bij de artikelen 17.10 tot en met 17.15 is vanaf 1999 en eerstvolgende jaren sprake van een aflopende reeks als gevolg van de taakstelling uit het regeerakkoord.

Hier en daar wordt deze reeks doorbroken door sprongsgewijze verhogingen dan wel verlagingen, waarvoor de volgende verklaringen van toe- passing zijn. Bij artikel 17.10 is de verhoging in 2000 het gevolg van het parkeren van de euromiddelen ad f 29,6 miljoen op dit artikel. Deze middelen zijn bestemd voor het gehele departement (beleidsterrein 17) voor de invoeringskosten van de euro en worden later dit jaar verdeeld. Verder komt er op artikel 17.10 in het kader van de stelselwijziging rijkshuisvesting in 2004 f 1,3 miljoen bij aan extra middelen voor de hoofdzetel van OCenW. Ook bij artikel 17.12 is sprake van een verhoging, in het jaar 1999, met name door het toevoegen van f 2,5 miljoen voor het millenniumproof maken van de geautomatiseerde systemen en van f 6,9 miljoen aan ontvangsten uit de buitendiensten cultuur. Tot slot, de sprongen bij het artikel 17.15 tussen de jaren 1999, 2000 en 2001 worden als volgt verklaard. In 1999 zijn aan dit artikel een aantal grote bedragen toegevoegd, waardoor een groot verschil is ontstaan ten opzichte van het jaar 2000. Het betreft hier met name f 55 miljoen voor de financiering van het herontwerpen van de IB-Groep, f 10 miljoen restantbijdrage in verband met de kosten voor de telefonische bereikbaarheid van de IB-Groep en f 31,3 miljoen voor de USZO. De sprong neerwaarts tussen de jaren 2000 en 2001 wordt verklaard door het aflopen van het USZO-contract. Het USZO-contract loopt tot en met 2000. De budgetstand is tot en met 2000 in overeenstemming gebracht met de uitvoeringskosten. Voor de periode daarna verandert de aansturingrelatie tussen het ministerie en USZO. In 2000 zal die nieuwe relatie moeten worden vormgegeven.

Tabel 3.2: Ontvangsten beleidsterrein 17 over de jaren 2000 tot en met 2004 (bedragen x f 1000)
 199920002001200220032004
Totaal ontvangsten8 88723 4981 7881 7881 7881 788

Standaard wordt jaarlijks op dit artikel een bedrag van f 1,4 miljoen aan ontvangsten bijgeboekt, overwegend kantineopbrengsten. Verder is in 1999 een bedrag van f 7,5 miljoen bijgeboekt. Dit betreft:

• een eenmalig bedrag van f 0,7 miljoen. Dit bedrag is het resultaat van nacalculatie over het jaar 1997 door USZO. Daarbij gaat het om aan OCenW toe te rekenen uitvoeringskosten voor de suppletieregeling;

• een eenmalige bijstelling van f 0,3 miljoen vanwege de ontvangsten in 1999 van de Rijksdienst voor de monumentenzorg;

• een eenmalige bijstelling van f 2,2 miljoen vanwege de ontvangsten in 1999 van het Instituut collectie Nederland;

• een eenmalige bijstelling van f 3,9 miljoen vanwege de ontvangsten in 1999 uit de projecten derden van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek;

• een structurele bijstelling van f 0,5 miljoen in 1999 en f 0,4 miljoen vanaf 2000 naar aanleiding van de algemene ontvangsten van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek.

In 2000 wordt de sprong naar boven verklaard door een conversie bij de agentschappen. Deze conversie houdt in dat het eigen vermogen van de agentschappen (f 21,7 miljoen) wordt omgezet in een langlopende lening van de agentschappen bij het ministerie van Financiën.

Vanaf 2001 blijven de ontvangsten gelijk.

Beleidsterrein 18 Primair onderwijs

Primair onderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mldUitgaven primair onderwijs f 11,3 mld

1. ALGEMEEN

Tot het beleidsterrein van het primair onderwijs behoren de scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs, de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en de schoolbegeleiding. De Wet op het primair onderwijs (WPO) vormt de grondslag voor de bekostiging van de (speciale) scholen voor basisonderwijs. In de Wet op de expertisecentra zijn de schoolsoorten opgenomen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs. De rijksbekostiging van de schoolbegeleiding vindt haar grondslag in WPO en WEC.

2. BELEID

De komende jaren wordt fors in het primair onderwijs geïnvesteerd: er komen forse bedragen beschikbaar voor groepsverkleining en informatie- en communicatietechnologie. Ook worden maatregelen getroffen om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. Verder komen in de vorm van leerlijnen en tussendoelen nieuwe instrumenten beschikbaar om doelgericht onderwijs vorm te geven. De samenwerkingsverbanden tussen reguliere en speciale basisscholen leveren een bijdrage aan betere zorg op maat voor risicoleerlingen (leerlingen die het risico lopen de aansluiting te missen). De mogelijkheden tot integratie van gehandicapte kinderen zullen worden versterkt; regionale expertisecentra in het (voortgezet) speciaal onderwijs zullen hier een belangrijke bijdrage aan kunnen leveren. De schoolgids en de veranderingen in het schooltoezicht van de inspectie zullen voor de scholen een extra stimulans vormen voor de vormgeving van het eigen kwaliteitsbeleid. Al deze maatregelen, die alle scholen ten goede komen, zullen ook een uitstraling hebben naar scholen met relatief veel kansarme leerlingen. In aanvulling op het algemene beleid zal voor deze scholen een aanvullend actieprogramma ontwikkeld worden.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de beleidsvoornemens voor het primair onderwijs.

Beleidsagenda primair onderwijs
 199920002001–2004
Groepsgrootte en kwaliteit
– groepsgrootte– investering in huisvestingtweede stap groepsverkleining– derde stap – 2001 vierde stap – 2002
– kwaliteitsverbetering– ontwikkeling van tussendoelen en leerlijnen– ontwikkeling van tussen doelen en leerlijnen– verdere ontwikkeling en implementatie van leerlijnen
 – start met uitvoering van «Onderwijs On Line»– implementatie van «Onderwijs On Line»– verdere uitwerking ict; vertaling naar nieuwe kerndoelen
    
Onderwijsachterstanden
– gemeentelijk onderwijsachter- standenbeleid– landelijk actieprogramma voor 1,9-scholen– voorbereiding nieuw landelijk beleidskader– nieuw landelijk beleidskader – 2002
 – najaar: notitie over de Brede School– wegnemen eventuele belemmeringen brede school – resultaatgerichte afspraken met gemeenten in het kader van grotestedenbeleid– implementatie vve
 – evaluatie proefprojecten voor- en vroegschoolse educatie (vve)– implementatie vve 
    
Leerlinggebonden financiering
– invoering rugzak– onderzoek naar taak en functies 2/3-scholenwetgevingstraject– 1 augustus 2001: rugzak
 – praktijktoetsing indicatiestelling  
– regionale expertisecentraexperimenteerkaderREC's op basis van experimentenwet– REC's op basis van Wet op de expertisecentra (1 augustus 2001)
– ADHD, dyslexie, autisme– verkenning opvangmogelijkheden van scholen– verbeteren van het ondersteuningsaanbod voor scholen 
    
Personeel en organisatie
– professionalisering – nieuwe inrichtings-voorschriften voor de lerarenopleidingen basisonderwijs 
– schoolleiders – start aparte opleiding adjunct-directeuren 
– personeel– acties werving personeel– vervolg acties werving personeel– vervolg acties werving personeel
    
Bestuurlijke inrichting
– ouders en school– notitie naar Tweede Kamer over medezeggenschap– evaluatie «home school contracts» 
– richtingvrije planning– notitie naar Tweede Kamer over richtingvrije planning  
– stimuleringsregeling schoolbesturen – evaluatie – besluit over vervolg 
– deregulering– instelling van regie- overleg deregulering– uitvoering werkprogramma deregulering/modernisering regelgeving– 2001: advies Onderwijsraad aanpak (middel)lange termijn

Groepsgrootte en kwaliteit

Groepsgrootte

Groepsverkleining vormt een noodzakelijke voorwaarde voor verdere kwaliteitsverbetering. In 2000 wordt de tweede stap gezet op weg naar kleinere groepen in de onderbouw van de basisschool. Met deze tweede stap kan de gemiddelde groepsgrootte in de eerste vier leerjaren op 23 leerlingen worden gebracht. De eerste stap in 1997 heeft de groepsomvang al gereduceerd tot gemiddeld 24,5 leerlingen. Vanaf het schooljaar 2000–2001 zal drie jaar achtereen een vervolgstap gezet worden, totdat in het schooljaar 2002–2003 de gemiddelde groepsgrootte op 20 leerlingen per leraar wordt gebracht.

Kwaliteitsverbetering

Tegelijk met de groepsverkleining worden maatregelen getroffen die bij moeten dragen aan kwaliteitsverbetering. De Tweede Kamer wordt hier elk half jaar over geïnformeerd in de voortgangsrapportages «groepsgrootte en kwaliteit». De belangrijkste maatregelen betreffen de ontwikkeling van tussendoelen en leerlijnen; de integratie van informatie- en communicatietechnologie, zoals beschreven in «Onderwijs On Line»; en de nieuwe inrichting van het schooltoezicht, zoals beschreven in «Variëteit en Waarborg».

Het Freudenthal Instituut en het Expertisecentrum Nederlands (ECN) werken sinds 1997 aan leerlijnen voor de structurering van het onderwijs in rekenen en wiskunde, respectievelijk de Nederlandse taal. De leerlijnen geven een impuls aan het opbrengstbewust handelen van leraren en vormen daarmee een goede basis voor het overleg binnen de schoolteams over de inrichting van het onderwijs. In 2000 zal de leerlijn «lezen» naar de bovenbouw worden doorgetrokken. Op het gebied van rekenen en wiskunde wordt een begin gemaakt met een leerlijn «meten en meetkunde».

Informatie- en communicatietechnologie levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het primair onderwijs. De afgelopen jaren is met het project «Interactie!» krachtige software ontwikkeld waarmee het onderwijs in de onderbouw van de basisschool meer op maat gesneden kan worden. Dit project is nog niet afgerond: het komende jaar komt nog een groot aantal softwareprogramma's op de markt. Op grond van de ervaringen met dit project kan in een latere fase bezien worden welke aanvullende initiatieven nodig zijn.

Scholen zijn sinds 1998 wettelijk verplicht om hun kwaliteit op een systematische wijze te bewaken. Om scholen daarbij te ondersteunen worden door de onderwijsorganisaties diverse initiatieven genomen. Het inspectietoezicht moet waarborgen dat scholen hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de kwaliteitszorg waarmaken. Daarbij maakt de inspectie zo goed mogelijk gebruik van de informatie die de school zelf verzamelt over haar kwaliteit. Zoals geschetst in de nota «Variëteit en Waarborg» (mei 1999) gaat de inspectie daarbij te werk volgens de methodiek van het regulier schooltoezicht. Daarin toetst de inspectie het schoolplan en de schoolgids en beziet ze de opbrengsten en enkele belangrijke andere kwaliteitskenmerken van de school. Wanneer hieruit blijkt dat er problemen zijn of dreigen, volgt een intensiever onderzoek: het integraal schooltoezicht. Hierin wordt de school gedurende enkele dagen op een groot aantal kwaliteitskenmerken doorgelicht. Indien dit onderzoek tot de conclusie leidt dat verbeteringen nodig zijn, wordt de school uitgenodigd een plan van actie op te stellen. De inspectie zal de verdere ontwikkeling op zo'n school nauwgezet volgen.

Het Procesmanagement primair onderwijs (PMPO) zal scholen handreikingen bieden voor de vormgeving van kwaliteitsverbetering en professionalisering. Verder krijgt het PMPO een taak bij de implementatie van de leerlinggebonden financiering en de voor- en vroegschoolse educatie.

Onderwijskansen

Bepaalde leerlingen benutten hun onderwijskansen niet optimaal. Dat komt vooral door de omstandigheden waaronder zij opgroeien. Met het onderwijsachterstandenbeleid – of beter gezegd het onderwijskansenbeleid – worden gerichte inspanningen mogelijk gemaakt voor deze groepen leerlingen.

Uit het Onderwijsverslag 1998 blijkt dat niet alle scholen zich voldoende inspannen om onderwijskansen te verbeteren. Daarom wordt een landelijk actieprogramma opgezet ter versterking van de kwaliteit op scholen met veel 1,9-leerlingen. In het kader van het grotestedenbeleid wordt gestreefd naar bestuurlijke afspraken met gemeenten en schoolbesturen over de resultaten in het kansenbeleid. Een dergelijke aanpak op de scholen dient goed ingebed te zijn in een lokaal beleid gericht op versterking van de sociale infrastructuur. Daarbij gaat het niet alleen om betere samenwerking (netwerkvorming) tussen de instellingen in de sectoren onderwijs, zorg en welzijn, maar ook en vooral om versterking van de sociale cohesie in de wijken door gerichte inspanningen van instellingen die daar een rol in kunnen vervullen.

Veel gemeenten zijn reeds begonnen de sociale infrastructuur te versterken. Onder noemers als «brede school», «wijkschool» en «vensterschool» zijn intensieve samenwerkingsrelaties tot stand gebracht tussen scholen en andere op de jeugd gerichte voorzieningen. In het najaar van 1999 zal hierover een beleidsnotitie aan de Tweede Kamer worden gezonden. Kwaliteitsverbetering van het onderwijs op de scholen en de vorming van netwerken in en om de scholen moeten hand in hand gaan. Eventuele belemmeringen in wet- en regelgeving zullen worden weggenomen.

Vroeg- en voorschoolse educatie (VVE)

De deelname van jonge kinderen aan gestructureerde programma's zal in de zogenaamde «risicowijken» extra gestimuleerd worden. De afgelopen jaren is proefgedraaid met enkele programma's voor de voor- en vroegschoolse periode. Tegen het einde van 1999 wordt de eindevaluatie van deze proefprojecten verwacht. Er is dan voldoende informatie beschikbaar om op bredere schaal tot implementatie over te gaan. In overleg met VWS en de VNG wordt het implementatietraject uitgewerkt. Het zal zich richten op de ondersteuning van gemeenten, de deelname van kinderen die zich in achterstandssituaties bevinden, (na)scholing, voorlichting en informatie-uitwisseling. Voor de periode 2000–2002 is hiervoor jaarlijks 3 miljoen gulden beschikbaar. Daarnaast is voor het jaar 2000 eenmalig f 5 miljoen extra beschikbaar.

Onderwijs in allochtone levende talen (oalt)

Vanaf 1 augustus 1999 is de Wet onderwijs in allochtone levende talen (OALT) van kracht. Veel gemeenten hebben een deel van de oalt-middelen ingezet voor taalondersteuning in de onderbouw. De uitwerking van OALT voor nieuwe taalgroepen wordt vooralsnog beperkt gerealiseerd. Met de VNG, besturen-, vak- en minderhedenorganisaties wordt gesproken over mogelijke acties die gemeenten en scholen ondersteunen bij de implementatie van de Wet onderwijs in allochtone levende talen. Gemeenten ontvangen voor oalt in totaal jaarlijks f 131 miljoen voor de periode 1998–2002.

Leerlinggebonden financiering

De leerlinggebonden financiering (de «rugzak») zal ouders met gehandicapte kinderen een keuze gaan bieden tussen regulier en speciaal onderwijs. Tevens wordt gewerkt aan bundeling van de deskundigheid van de speciale scholen in regionale expertisecentra. In juni 1999 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de verdere inrichting van dit beleidstraject voor de periode 1999–2000. De invoering van de leerlinggebonden financiering is mogelijk per 1 augustus 2001.

De speciale scholen krijgen al op korte termijn de mogelijkheid om op basis van de Experimentenwet een regionaal expertisecentrum te vormen. Najaar 1999 moet hiervoor een landelijk experimenteerkader zijn opgesteld. Wettelijke regeling van de regionale expertise centra zal in de loop van 2000 worden uitgewerkt. Op 1 augustus 2001 moet een landelijk dekkend netwerk gevormd zijn van regionale expertisecentra, waarin zowel de onderzoeks- als de adviesfunctie ondergebracht zijn.

Scholen worden in toenemende mate geconfronteerd met leerlingen die specifieke problemen hebben als autisme, dyslexie en ADHD. Er zal een verkenning plaatsvinden naar de wijze waarop deze leerlingen het beste opgevangen kunnen worden. Voor de (basis)scholen zal hiervoor een breder ondersteuningsaanbod ontwikkeld en verbreid worden (diagnose-instrumenten en handreikingen voor een effectieve aanpak). De financiering hiervan loopt via de reguliere SLOA-systematiek (subsidiëring van landelijke onderwijsondersteunende activiteiten).

Personeel en organisatie

Professionalisering

De verdere professionalisering van leraren staat centraal in de nota Maatwerk voor morgen. Voor een beperkte zij-instroom in het beroep (instroom vanuit andere beroepsgroepen) wordt een assessment-procedure ontwikkeld. Met ingang van 1 september 2000 worden nieuwe inrichtingsvoorschriften van kracht voor de lerarenopleidingen basisonderwijs. Deze voorschriften zijn gebaseerd op de startbekwaamheidseisen.

Schoolleiders

Voor schoolleiders in het primair onderwijs bestaat sinds 1994 een tweejarige opleiding. Voor de wat oudere en ervaren schoolleider is met ingang van het cursusjaar 1999–2000 een specifiek éénjarig opleidingstraject van start gegaan. Vanaf 2000 kunnen adjunct-directeuren een aparte opleiding volgen. Dit is een voortzetting van de pilot die in het schooljaar 1998–1999 is begonnen.

Personeel

De acties om extra personeel te werven, worden met kracht voortgezet. De maatregelen zijn gericht op vergroting van de instroom van nieuwe studenten in de pabo, professionele bemiddeling van de «stille reserve», betere benutting van het huidige arbeidspotentieel, de inzet van onderwijsondersteunend personeel en een adequate vervanging van leraren. Om de instroom van (her)intreders te bespoedigen, worden aanvullende maatregelen getroffen op de thema's kinderopvang, vervanging en baangaranties.

In toenemende mate ervaren scholen problemen bij het vinden van vervangers voor de kortdurende vervanging. Om hier oplossingen voor te bieden zijn twee proefprojecten invalbemiddeling gestart. Op basis van de ervaringen zal bezien worden of deze aanpak landelijke verspreiding verdient. Daarnaast is het aantal vervangingspools uitgebreid van 40 naar 60. Deze groei zet zich nog door. Verder wordt de instroom bevorderd doordat schoolbesturen baangaranties afgeven. Ook is in de onderwijs-cao f 4 miljoen uitgetrokken voor kinderopvang (verkorten van wachtlijsten). Daarnaast is nog eens vijf miljoen gulden gereserveerd voor opvang van kinderen van vervangers.

Versterking van de bestuurlijke inrichting

Ouders en school

Binnenkort zal een notitie aan de Tweede Kamer worden gezonden over de toekomst van de medezeggenschap in het onderwijs. Hierin zullen voorstellen worden gedaan om de positie van ouders te versterken. Daarnaast zal ook ingegaan worden op de positie van het personeel en de mogelijkheid van invoering van ondernemingsraden in het primair onderwijs.

Een dialoog tussen ouders en school kan ook worden bevorderd door te werken met contracten. Partijen maken met elkaar afspraken over wat ze van elkaar verwachten en waar ze elkaar op kunnen aanspreken. Momenteel loopt hierover een proefproject, naar het Engelse voorbeeld «home school contracts» genoemd. De resultaten van deze proef worden in de loop van 2000 verwacht.

Richtingvrije planning

Binnenkort wordt aan de Tweede Kamer een notitie voorgelegd met voorstellen voor een nieuwe systematiek van stichting en instandhouding van scholen. Het betreft voorstellen waarin de systematiek van richtingvrije planning is uitgewerkt. Deze systematiek verbetert de mogelijkheid om bij de scholenplanning directer aan te sluiten op de (veranderende) voorkeuren van ouders voor de richting of de grondslag van het onderwijs.

Deregulering

Op basis van een inventarisatie van regelgeving die het veld als knellend ervaart, is een werkprogramma opgesteld voor de deregulering, respectievelijk modernisering van de regelgeving in het primair en voortgezet onderwijs. Dit werkprogramma is op 29 juni jl. aan de Tweede Kamer aangeboden. De organisaties voor bestuur en management en de onderwijsvakorganisaties maken tezamen met het ministerie deel uit van een regie-overleg deregulering. Het regie-overleg bewaakt en stimuleert de voortgang van de uitvoering van het werkprogramma. Over de uitvoering van het werkprogramma ontvangt de Tweede Kamer periodiek een voortgangsrapportage.

Stimuleringsregeling voor schoolbesturen

Sinds 1997 geldt de tijdelijke stimuleringsregeling voor schoolbesturen. De regeling is bedoeld om samenwerking tussen schoolbesturen te stimuleren, zodat zij de kwaliteit en de doelmatigheid kunnen verbeteren, bijvoorbeeld door het management te versterken, mobiliteit van personeel mogelijk te maken en gezamenlijk goederen in te kopen. Schoolbesturen die bestuurlijk hun krachten bundelen, ontvangen gedurende maximaal 4 jaar een bijdrage van 150 000 gulden per jaar, mits zij gezamenlijk een omvang hebben van ten minste 2000 leerlingen, 10 scholen of 80 fte's aan personeel. De regeling loopt tot en met het schooljaar 2001–2002 en kent een groot bereik. Zo is voor het schooljaar 1999–2000 aan circa 400 (samenwerkingsverbanden van) besturen de stimuleringsbijdrage toegekend. Hieronder valt ruim zestig procent van het aantal scholen. Rond de jaarwisseling wordt een evaluatie opgeleverd.

Bestuur en management

Met de besturenorganisaties, de vakorganisaties en de organisaties voor schoolleiders wordt een reeks gesprekken gevoerd over vraagstukken op het terrein van bestuur en management. Belangrijkste doelstelling is meer helderheid te creëren over de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen bestuur en management. Verder wordt gesproken over de ondersteuning van bestuur en management, de beloning voor schoolleiders, ontwikkeling van de deskundigheid en professionaliteit van bestuur en management, en de zorg voor voldoende personele capaciteit van het management op een termijn van 5 à 10 jaar. Over de uitkomsten van het overleg zal de Tweede Kamer nader worden geïnformeerd.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Algemeen

Het primair onderwijs is een zogenaamde openeindesector; de bekostiging is leerlingafhankelijk en de prijs van het personeel is grotendeels declarabel. De bekostiging van het personeel vindt plaats via het Formatiebudgetsysteem (FBS), waarbij de scholen op basis van hun leerlingenaantal en een vastgestelde verdeelsleutel een hoeveelheid formatie krijgen toegewezen. De uitgaven aan de toegekende formatie kunnen de scholen grotendeels declareren. Het FBS biedt de scholen een zekere mate van vrijheid in de wijze waarop zij de toegekende formatie inzet. Voor de materiële instandhouding ontvangen de scholen via de zogenaamde vereenvoudigde Londosystematiek op basis van hun leerlingenaantal een lumpsumbedrag. De huisvestingskosten worden vanaf 1 januari 1997 via de gemeenten aan de scholen vergoed.

De grootste budgettaire onzekerheden in deze sector vloeien voort uit de aantallen leerlingen die deelnemen aan het onderwijs en het bijbehorende personeelsvolume. Verder is de gemiddelde prijs van het personeel een onzekere factor. De prijs van het personeel kan afwijken van de raming door onder meer de samenstelling van het personeel en de cao-afspraken.

De belangrijkste trends die zich voordoen op het terrein van het primair onderwijs zijn:

• een stijgend leerlingenaantal gedurende de gehele planperiode;

• de toename van het aantal fte groepsformatie in het basisonderwijs in de periode 1998 tot en met 2004 met circa 17%;

• de daling van het aantal leerlingen per groep in het basisonderwijs door de maatregel «groepsverkleining».Door deze ontwikkelingen stijgen de totale uitgaven en de uitgaven per leerling.

Andere belangrijke veranderingen zijn:

• het speciaal voortgezet onderwijs (voorheen vso lom en mlk) is overgegaan van het beleidsterrein primair onderwijs naar voortgezet onderwijs per 1 augustus 1999;

• het speciaal basisonderwijs (voorheen so lom, mlk en iobk) maakt in deze begroting niet langer deel uit van het speciaal onderwijs, maar is als aparte categorie opgenomen.

In tabel 3.1 staan de geraamde uitgaven 2000–2004 voor het primair onderwijs, in vergelijking met de gerealiseerde uitgaven in 1998 en de verwachte realisatie in 1999.

Tabel 3.1. Totaal uitgaven en ontvangsten uitgesplitst (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Totale uitgaven po10 623,411 283,011 356,411 680,812 012,212 340,612 411,5
Personeel9 130,19 785,79 830,310 126,410 387,910 698,610 766,2
Materieel1 338,91 340,61 378,61 410,61 481,01 498,61 502,0
Onderwijsverzorging107,3113,3110,4110,4110,2110,2110,2
Overig47,243,437,133,433,133,133,1
Totale ontvangsten po46,180,633,933,933,933,933,9
Gesaldeerde uitgaven po10 577,311 202,411 322,511 647,011 978,312 306,712 377,7
Gesaldeerde uitgaven bao8 529,79 156,49 479,79 776,810 086,910 386,210 437,5
Gesaldeerde uitgaven sbao0,0721,0723,8722,0723,3727,0725,0
Gesaldeerde uitgaven (v)so2 047,61 325,01 118,91 148,11 168,11 193,41 215,2

De verwachte totale uitgaven op het beleidsterrein nemen toe van f 10,6 miljard in 1998 tot f 12,4 miljard in 2004. De toename zou ongeveer f 0,5 miljard groter geweest zijn, als het budget voor het speciaal voortgezet onderwijs niet was overgeboekt naar het beleidsterrein voortgezet onderwijs. Deze overboeking per 1 augustus 1999 heeft voor een daling van de geraamde uitgaven in het primair onderwijs gezorgd van circa f 175 miljoen in 1999 en ongeveer f 465 miljoen in 2000 oplopend tot circa f 495 miljoen in 2004.

De toename van de totale uitgaven betreft vooral een stijging van de personele uitgaven. Deze nemen in de periode 1998 tot en met 2004 toe met circa f 1,6 miljard, door onder andere:

– demografische ontwikkelingen, dat wil zeggen stijgende leerlingenaantallen als gevolg van de bevolkingsprognose en de daarin opgenomen migratie;

– de incidentele loonbijstellingen en in de begroting opgenomen cao-afspraken;

– de geraamde uitgaven voor de verdere verkleining van de groepen 1 tot en met 4 in het basisonderwijs vanaf 1 augustus 2000.

De materiële uitgaven stijgen tussen 1998 en 2004 met ongeveer f 163 miljoen als gevolg van de verwachte toename van het aantal leerlingen, de tweede fase van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit» en investeringen in informatie- en communicatietechnologie.

De volgende paragraaf gaat in op de ontwikkeling van het aantal leerlingen in het primair onderwijs. In de paragrafen daarna worden de onderdelen uit tabel 3.1 nader toegelicht.

Leerlingen primair onderwijs

Het aantal leerlingen dat deelneemt aan het primair onderwijs bepaalt in belangrijke mate de uitgaven aan personeel en materieel. In tabel 3.2 is het aantal leerlingen in het primair onderwijs opgenomen, waarbij vanaf 1999 sprake is van een raming.

Tabel 3.2 aantal leerlingen primair onderwijs (x 1000)
 1-10-971-10-981-10-991-10-001-10-011-10-021-10-03
a. aantal ingeschreven leerlingen op teldatum1 642,01 657,91 640,01 645,01 651,11 655,01 658,1
a.1 basisonderwijs1 520,01 534,01 543,91 548,91 554,41 557,91 560,4
a.2 speciaal basisonderwijs54,753,752,952,652,452,151,6
a.3 (voortgezet) speciaal onderwijs67,370,243,243,544,445,046,2
 1998199920002001200220032004
b. aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar1 648,61 650,41 642,11 647,51 652,71 656,31 659,4
b.1 basisonderwijs1 525,81 538,11 545,91 551,21 555,81 558,91 561,6
b.2 speciaal basisonderwijs54,353,452,852,552,351,951,4
b.3 (voortgezet) speciaal onderwijs68,559,043,343,944,645,546,5
c. aantal leerlingen voor de personele bekostiging naar kalenderjaar1 671,91 679,01 676,41 684,91 690,51 695,81 699,5
c.1 basisonderwijs1 550,81 568,11 580,71 588,81 594,11 598,91 602,1
c.2 speciaal basisonderwijs55,254,353,452,852,552,351,9
c.3 (voortgezet) speciaal onderwijs65,856,642,343,343,944,645,5
d. aantal leerlingen naar gewicht voor de personele bekostiging basisonderwijs naar kalenderjaar       
1.01 015,31 082,21 105,81 121,81 133,61 143,01 149,7
1.25339,3285,0268,6256,7247,1239,0232,0
1.41,41,31,31,31,31,31,3
1.73,73,73,63,63,63,63,6
1.9190,7195,6201,0204,9208,2211,6215,1
Subtotaal1 550,41 567,81 580,41 588,41 593,81 598,61 601,8
Trekkende bevolking0,40,30,30,30,30,30,3
Totaal1 550,81 568,11 580,71 588,81 594,11 598,91 602,1

Toelichting op de tabel

a. aantal ingeschreven leerlingen op teldatum

De leerlingen worden ieder jaar op 1 oktober geteld (ingeschreven leerlingen op teldatum). Voor de jaren daarna wordt een raming gemaakt (de referentieraming). Deze tabel sluit aan bij de referentieraming '99 en is vanaf 1 oktober 1999 exclusief de aantallen leerlingen speciaal voortgezet onderwijs (lom en mlk) (svo). Deze tabel is evenals de begrotingstotalen (tabel 3.1) inclusief asielzoekers.

b. aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar

De personele bekostiging geschiedt op schooljaarbasis. Zo is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van jaar t staat ingeschreven de basis voor de personele bekostiging in het schooljaar t+1/t+2. De begroting is naar kalenderjaar, vandaar dat het aantal ingeschreven leerlingen wordt omgerekend naar kalenderjaar. Dit gebeurt door 7/12 van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1 te nemen en 5/12 van het aantal op 1 oktober van t.

Doordat het svo per 1 augustus 1999 naar beleidsterrein voortgezet onderwijs is overgegaan zijn de eerste 7 maanden van 1999 inclusief en de laatste 5 maanden exclusief het aantal svo leerlingen. Vanaf 2000 is het aantal (v)so leerlingen exclusief het svo.

c. aantal leerlingen voor de personele bekostiging naar kalenderjaar

Het aantal ingeschreven leerlingen van jaar t is de basis voor de bekostiging in jaar t+1. Bij punt c staat bij 2001 dus het aantal leerlingen dat bij punt b bij 2000 staat, behalve voor het basisonderwijs. Daar geldt dat het aantal ingeschreven leerlingen wordt vermenigvuldigd met het wettelijke instroomcorrectiepercentage (3% op schoolniveau, maar 2,77% op macroniveau) om het aantal bekostigde leerlingen te krijgen. Dit instroompercentage is voor de tussentijdse instroom van 4-jarigen.

d. aantal leerlingen naar gewicht voor de personele bekostiging basisonderwijs naar kalenderjaar

Hier is een uitsplitsing gegeven van punt c naar de diverse gewichtencategorieën in het basisonderwijs.

De verwachting is dat het leerlingenaantal in het basisonderwijs tot en 2004 blijft toenemen, maar deze stijging wordt wel geleidelijk minder. Gelijktijdig met de maatregel «weer samen naar school», die opgenomen is in de Wet op het primair onderwijs, is een daling te constateren van het aantal leerlingen aan de speciale scholen voor basisonderwijs. Verwacht wordt dat deze daling zich ondanks de stijging van het totaal aantal leerlingen de komende jaren zal voortzetten. Het aantal leerlingen dat (voortgezet) speciaal onderwijs volgt (exclusief het aantal leerlingen speciaal voortgezet onderwijs (lom/mlk)), blijft toenemen met gemiddeld circa 2,5% per jaar in de periode 1998 tot en met 2004.

In het basisonderwijs is niet alleen het aantal leerlingen, maar ook het gewicht dat aan deze leerlingen wordt toegekend, bepalend voor de toegekende formatie. Voor elke leerling wordt bij de toelating tot een school een gewicht vastgesteld behorend bij de gezinssamenstelling, schoolopleiding ouders en/of land van herkomst. De volgende gewichten kunnen worden toegekend naar gelang de categorie waartoe de leerling behoort: 1.0, 1.25, 1.40, 1.70 of 1.90.

In onderdeel d van tabel 3.2 valt een daling van het aantal 1.25-leerlingen op. Deze daling wordt ten eerste veroorzaakt door een verschuiving naar het gewicht 1.00 als gevolg van een stijgend opleidingsniveau van de ouders. In de tweede plaats is deze daling het gevolg van de doorwerking van effecten van de aanscherping van het gewicht 1.25 vanaf de teldatum 1 oktober 1995. De aanscherping van het gewicht 1.25 houdt in dat in plaats van het opleidingsniveau van één van de ouders, het opleidingsniveau van beide ouders in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van het gewicht van een leerling. De effecten van de aanscherping van de criteria voor het gewicht 1.25 zijn met name zichtbaar in de jaren 1998 en 1999.

Het tweede punt dat opvalt in tabel 3.2 is de stijgende trend in het aantal 1.9-leerlingen (allochtone leerlingen).Dit is in lijn met de allochtonenprognose van het CBS. Als het aantal 1.9-leerlingen uitgedrukt wordt in een percentage van het totale aantal basisonderwijsleerlingen is er sprake van een stijging van enkele tienden van procenten per jaar.

Personele uitgaven

De personele uitgaven zijn verreweg het grootste deel van de uitgaven in het primair onderwijs. De belangrijkste elementen van deze personele uitgaven staan in tabel 3.3.

Tabel 3.3 personele uitgaven* (x f miljoen)
 1998199920002001200220032004
Basisonderwijs7 295,87 951,48 182,98 454,28 698,48 982,09 031,6
– Groepsformatie**5 556,35 703,15 799,25 995,76 226,26 431,06 450,0
– Gewichtenformatie453,3448,9453,5454,5455,4457,9461,3
– Schoolleiding328,0338,5341,6343,6345,0346,1346,8
– Groei/aanvullend formatiebeleid/ schoolprofielbudget395,4399,1400,8399,8401,0402,0402,7
– GOA/OALT124,0304,1302,3302,3259,3260,5261,9
– Overig438,8757,6885,6958,21 011,51 08 4,71 108,9
Speciaal basisonderwijs0,0647,6641,6639,5639,9643,8642,3
(voortgezet) speciaal onderwijs1 834,31 186,71 005,81 032,61 049,51 072,81 092,4
Totaal personele uitgaven9 130,19 785,79 830,310 126,410 387,910 698,610 766,2

* inclusief adv en opslagen voor participatiefonds en vervangingsfonds

** groepsformatie = ongewogen basisformatie + onderbouwformatie + vakonderwijs + frictie + nevenvestigingen

De gewichtenformatie in tabel 3.3 is een raming van het budget voor de aanwezigheid van leerlingen met een gewicht hoger dan 1.0. Dit is overigens niet het volledige bedrag dat samenhangt met de leerlinggewichten. Ook een deel van het budget voor schoolleiding en een deel van het schoolprofielbudget wordt verklaard door de aanwezigheid van gewichtenleerlingen. Als deze componenten ook worden gerekend tot het budget voor gewichten komt dit budget op circa f 500 miljoen. Overigens leidt niet iedere gewichtenleerling (zie tabel 3.2d) tot extra bekostiging, omdat er een drempel van 9% geldt voordat een school voor gewichtenformatie in aanmerking komt.

Onder de noemer «schoolleiding» is in tabel 3.3 het budget weergegeven dat gereserveerd is om schoolleiding vrij te stellen van lestaken. Het budget voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (expertisecentra) en onderwijs in allochtone levende talen (oalt) wordt sinds 1 augustus 1998 als specifieke uitkering naar de gemeenten overgemaakt. De hiermee samenhangende budgetten zijn opgenomen op beleidsterrein primair onderwijs en vanaf 2002 ook nog voor circa f 50 miljoen op beleidsterrein voortgezet onderwijs. Onder «overig» zijn onder meer nascholing, bestuurlijke krachtenbundeling, bedrijfsgezondheidszorg, buitenlandse scholen en diverse kleinere budgetten opgenomen.

In tabel 3.4 staan enkele gegevens over de groepsformatie in het basisonderwijs.

Tabel 3.4 kengetallen groepsformatie basisonderwijs
 1998199920002001200220032004
a Uitgaven groepsformatie (x f miljoen)5 5565 7035 7995 9966 2266 4316 450
b Aantal fte's groepsformatie (incl. adv) (x 1000)64,766,567,870,072,975,475,6
c Uitgaven per fte groepsformatie (a/b)85 84485 79385 50985 60685 41085 28185 343
d Aantal fte's groepsformatie (excl. adv) (x 1000)60,861,562,764,867,469,869,9
e Leerlingen (tabel 3.2b1)/fte's groepsformatie (d)25,125,024,623,923,122,322,3

Als het aantal fte's groepsformatie vermenigvuldigd wordt met de uitgaven per fte, ontstaan de totale uitgaven aan groepsformatie. Conform de begrotingsvoorschriften wordt in de meerjarenraming uitgegaan van constante gemiddelde personele lasten. De uitgaven per fte zijn dan ook nagenoeg constant. De toename van de totale uitgaven aan groepsformatie wordt dus veroorzaakt door een toename van het aantal fte.

Het aantal bekostigde fte's hangt af van het aantal bekostigde leerlingen (tabel 3.2c1) en de geldende formatieregelingen, die opgenomen zijn in het formatiebesluit WPO. Het betreft hier normatief – dat wil zeggen op basis van de personele formatieformules – berekende aantallen. Deze aantallen kunnen afwijken van de formatie die scholen inzetten, omdat zij via het formatiebudgetsysteem tot een andere invulling kunnen komen, bijvoorbeeld minder personeel in hogere en meer personeel in lagere salarisschalen.

De sterke toename van de totaal bekostigde groepsformatie basisonderwijs in de periode vanaf 1999 tot en met 2003 is bijna volledig het gevolg van de extra formatie voor de verkleining van de groepsgrootte. Het aantal fte exclusief adv neemt in deze periode met circa 8300 fte toe. De toename van het aantal fte inclusief adv van 1998 naar 1999 wordt onder andere veroorzaakt door de extra herbezettingformatie die per 1 augustus 1998 wordt toegekend als gevolg van de arbeidsduurverkorting, die in de cao 1996–1998 is afgesproken. Verder draagt ook de toename van het aantal bekostigde leerlingen bij aan de toename van het aantal bekostigde fte's.

In tabel 3.4 is als indicatie van de groepsgrootte in het basisonderwijs de ratio leerlingen/groepsformatie opgenomen. In het verloop van deze ratio is duidelijk het effect zichtbaar van de investering in groepsverkleining. Deze ratio is een gemiddelde voor de onder- en bovenbouw samen. Over het algemeen zullen de groepen, door het beleid «groepsgrootte en kwaliteit», in de onderbouw kleiner zijn dan in de bovenbouw. Een andere reden waardoor de werkelijke groepsgrootte kan afwijken van de hier gepresenteerde ratio is dat scholen ervoor kunnen kiezen gewichtenformatie in te zetten voor reductie van de groepsgrootte. Verder speelt ook de verdeling van de leerlingen over de jaargroepen een rol.

Materiële uitgaven

Voor de bekostiging van de materiële instandhouding is door de vereenvoudiging van het Londo-stelsel (VeLo) met ingang van 1 januari 1997 het aantal leerlingen de belangrijkste indicator. In tabel 3.5 staan de belangrijkste componenten van de materiële uitgaven. De twee grootste componenten zijn de groepscomponent en de leerlingen component. Bij de berekening van de groepscomponent wordt gebruik gemaakt van het aantal inschreven leerlingen op teldatum (tabel 3.2.a). Zo is het aantal leerlingen op 1 oktober 1998 de basis voor de bekostiging in 1999. Voor het berekenen van de leerlingafhankelijke component wordt dit aantal nog verhoogd met het instroomcorrectiepercentage van 3%.

Tabel 3.5 materiële uitgaven (x f miljoen)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven basisonderwijs1 125,81 131,81 191,01 219,81 286,11 301,81 303,6
Leerlingen component Velo455,0483,1485,8489,3489,9491,1492,0
Groepscomponent Velo537,5554,3557,4561,5562,3563,9565,2
Nederlands onderwijs anderstaligen6,16,56,86,97,07,17,2
Aanvullend formatiebeleid2,01,91,91,91,91,91,9
Overig125,286,0139,1160,2225,0237,8237,3
        
Uitgaven speciaal basisonderwijs0,079,580,380,781,781,580,9
Leerlingen component Velo0,038,337,837,737,537,336,9
Groepscomponent Velo0,037,937,337,337,036,936,5
Overig0,03,35,25,77,27,37,5
        
Uitgaven (voortgezet ) speciaal onderwijs213,1129,3107,3110,1113,2115,3117,5
Leerlingen component Velo104,859,346,747,848,549,350,2
Groepscomponent Velo94,054,144,145,245,846,747,6
Overig14,315,916,517,118,919,319,7
        
Uitgaven primair onderwijs1 338,91 340,61 378,61 410,61 481,01 498,61 502,0
Leerlingen component Velo559,8580,7570,3574,8575,9577,7579,1
Groepscomponent Velo631,5646,3638,8644,0645,1647,5649,3
Nederlands onderwijs anderstaligen6,16,56,86,97,07,17,2
Aanvullend formatiebeleid2,01,91,91,91,91,91,9
Overig139,5105,2160,8183,0251,1264,4264,5

De materiële uitgaven stijgen tussen 1998 en 1999 per saldo met circa f 1,7 miljoen. Enerzijds doet zich een stijging voor die voornamelijk wordt veroorzaakt door de toename van het aantal leerlingen en aanpassing van de vergoedingsbedragen aan het prijsniveau voor 1999. Anderzijds is er sprake van een daling omdat met ingang van 1 augustus 1999 de materiële uitgaven voor de onderwijssoorten lom en mlk in het voortgezet speciaal onderwijs zijn ondergebracht bij voortgezet onderwijs (beleidsterrein 19).

De investering in ict, die centraal geparkeerd stond op de OCenW-begroting, is aan het beleidsterrein primair onderwijs uitgedeeld. Deze investering bedraagt f 67,5 miljoen in 1999 oplopend tot f 171 miljoen in 2004.

In 2000 is f 13,8 miljoen aan de begroting toegevoegd als tegemoetkoming in de kosten samenhangend met de invoering van de euro in de schooladministraties.

Ook in 2001 zal dit bedrag ter beschikking worden gesteld.

De materiële uitgaven stijgen tussen 2000 en 2004 met ongeveer f 123 miljoen als gevolg van de verwachte toename van het aantal leerlingen tot en met 2004, de afspraken over de tweede fase van het beleid «groepsgrootte en kwaliteit» en de bovengenoemde ict-investeringen.

Onderwijsverzorging

Onderwijsverzorging betreft de uitgaven voor de schoolbegeleidingsdiensten. De uitgaven van 1998 tot en met 2004 verlopen redelijk constant. Afwijkingen in deze reeks worden veroorzaakt door loonaanpassingen volgens de cao-afspraken.

Verder is gezien de daling van de wachtgelduitgaven van de schoolbegeleidingsdiensten in 1998 en de prognoses voor 1999 en latere jaren, besloten vanaf 2000 structureel f 2,5 miljoen minder beschikbaar te stellen voor de opslag participatiefonds aan de diensten. De reguliere dienstsubsidie zal op het vereiste niveau worden gehouden.

Als er sprake is van een positieve evaluatie zullen de budgetten voor de schoolbegeleidingsdiensten vanaf het jaar 2002 overgeboekt worden naar het Gemeentefonds.

Overige uitgaven

Onder de overige uitgaven (artikel 18.05) vallen de zogenaamde niet-wettelijke uitgaven. Het gaat hier met name om de bekostiging van projectactiviteiten.

Opvallend is de daling in 2000 ten opzichte van 1999 (van f 43,4 miljoen naar f 37,1 miljoen). Enerzijds stijgt het budget in 2000 door een eenmalige extra investering van f 5 miljoen in achterstandenbeleid. Anderzijds is het budget structureel verlaagd door de korting vanaf het jaar 2000 van circa f 8 miljoen ter dekking van de cao-afspraken 1999–2000. Ook de daling van 1998 naar 1999 wordt een belangrijk deel veroorzaakt door een korting op de projectmiddelen (f 2,2 miljoen). Zie voor een verdere toelichting op de mutaties de artikelsgewijze toelichting en voor een nadere toelichting op de projecten de artikelsgewijze toelichting en de subsidiebijlage.

Ontvangsten

De ontvangsten op het beleidsterrein primair onderwijs hebben betrekking op de herrekening en afrekening van oude jaren.

De raming van de ontvangsten in 1999 is hoger dan de realisatie van de ontvangsten in 1998. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de terug te vorderen materiële vergoedingen, die in verband met de invoering van het vereenvoudigd londostelsel (Velo) niet in 1998 terug ontvangen zijn en nu in 1999 verrekend zullen worden. Dit betreft een bedrag van f 38,1 miljoen.

De geraamde ontvangsten voor de jaren 2000 tot en met 2004 zijn naast de incidentele meerontvangsten in 1999 zoals hierboven vermeld, f 8,6 miljoen lager dan in 1999 omdat de taakstelling aanscherping controlebeleid in 1999 voor het laatst is opgenomen.

4. OVERIGE KERNGEGEVENS

In tabel 4.1 worden de uitgaven per leerling weergegeven.

Tabel 4.1 uitgaven per leerling (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Basisonderwijs5,66,06,16,36,56,76,7
Speciaal basisonderwijs13,513,713,713,814,014,1
(Voortgezet) speciaal onderwijs16,722,525,826,226,226,226,1
Totaal primair onderwijs6,46,86,97,17,27,47,5

Toelichting

• De uitgaven zijn opgebouwd uit de gesaldeerde uitgaven op het beleidsterrein (tabel 3.1). De uitgaven zijn gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen naar kalenderjaar (tabel 3.2b).

• De uitgaven per leerling (v)so zijn in 1998 inclusief speciaal basisonderwijs (sbao). Vanaf 1 augustus 1999 zijn de uitgaven per leerling exclusief svo, vanwege de overgang van het svo naar beleidsterrein voortgezet onderwijs.

• De uitgaven zijn exclusief uitgaven voor WSF en ontvangsten van lesgelden in het vso.

De uitgaven per leerling in het basisonderwijs stijgen van het jaar 1998 naar 1999 met circa 6%. Deze stijging is onder andere het gevolg van de cao-afspraken, waaronder naast de loonbijstellingen ook de uitbreiding van de adv per 1 augustus 1998. De uitgaven per leerling nemen in het basisonderwijs in de periode van 1999 tot en met 2003 met circa 3% per jaar toe. Dit is voornamelijk het gevolg van de maatregel «groepsverkleining» in de onderbouw van het basisonderwijs.

De uitgaven per leerling in het speciaal basisonderwijs nemen toe van ongeveer f 13 500 per leerling in 1999 tot circa f 14 100 per leerling in 2004.

In 1998 maken de leerlingen en uitgaven speciaal basisonderwijs en speciaal voortgezet onderwijs nog deel uit van de uitgaven per leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Vanaf 1999 is dit niet meer het geval als gevolg van het overgaan van het vso lom en mlk naar het voortgezet onderwijs per 1 augustus 1999 en het apart presenteren van het speciaal basisonderwijs. Hierdoor blijven «relatief dure» categorieën (voortgezet) speciaal onderwijs over, waardoor het bedrag per leerling stijgt. In het jaar 2000 nemen de verwachte uitgaven per leerling met circa 4% toe (exclusief het effect van de overgang van het svo lom en mlk naar Voortgezet onderwijs). Daarna blijven de uitgaven per leerling in het (v)so ongeveer op hetzelfde niveau.

Beleidsterrein 19 Voortgezet onderwijs

Voortgezet onderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCen W f 43,2 mld. Uitgaven voortgezet onderwijs f 8,7 mld.

1. ALGEMEEN

kst-26800-VIII-2-9.gif

Het beleidsterrein voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), voor hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (mavo en vbo: vmbo) en landelijke onderwijsondersteunende instellingen.

De wettelijke regelingen hiervoor zijn neergelegd in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA). Delen van het speciaal voortgezet onderwijs (svo) zijn ondergebracht onder de werking van de WVO.

2. BELEID

De planning van de beleidstrajecten, onderverdeeld in hoofdrubrieken, is in onderstaand schema weergegeven. De hoofdrubrieken zijn:

• onderwijsvernieuwingen: vernieuwing van het primaire proces

• instellingenbeleid: mensen en middelen (beleid met betrekking tot de school als organisatie en de ondersteuning)

• jeugdbeleid: beleid met een schooloverstijgend karakter, gericht op de optimale ontplooiing van jongeren.

ONDERWIJSVERNIEUWINGEN
Beleidsterrein2000200120022003
BasisvormingImplementatie evaluatie   
     
Vmbo (leerwegen)Tussentijdse rapportage invoering leerwegenPer 1-8 inwerkingtreding eindexamenbesluit en nieuwe examenprogramma's in leerjaar 3 Eerste examens leerwegen vmbo Eerste bezemjaar oude Examensysteem
     
Vmbo (praktijken leerwegondersteunend onderwijs)Evaluatie tweede ronde pilotprojecten Tussentijdse rapportage invoeringsproces met het oog op principebesluit invoering zorgbudget per 1-8-2002 Invoering zorgbudget per 01-08-2002 
     
Vmbo (infrastructuur)Geleidelijke herschikking vbo-afdelingen en introductie intrasectorale programma's   
     
Havo/vwo (proflelen en studiehuis)Eerste profielexamens havoeerste profielexamens vwo  

INSTELLINGENBELEID: MENSEN EN MIDDELEN
Beleidsterrein2000200120022003
KwaliteitsbeleidExpertiseproject kwaliteitszorg Derde versie kwaliteits- kaart  Afronding expertiseproject kwaliteitszorg
     
 Pilots met RSTRST-rapportages  
     
 PISA-project Education at a glance  PISA Education at a glance
     
Landelijke onderwijsondersteuningTweede ronde overheveling LPC-gelden naar scholenLaatste ronde overheveling LPC-gelden naar scholen Evaluatie werking WSLOA
     
  Verslag aan TK over activiteiten in de jaren 1999 en 2000  
     
  Evaluatie beleid middelenverdeling onderzoek voor onderwijs  
     
Cultuur en SchoolInvoering vouchers in havo/vwo (per 1-8-1999)Uitbreiding vouchersysteem naar vmbo (per 1-8-2000)  
     
Informatie- en communicatie-technologieStart uitwerking plannen   
JEUGDBELEID
Beleidsterrein2000200120022003
Jeugd en veiligheidSlotconferentie de veilige school (Unesco)   
     
voortijdig schoolverlatenUitvoering plan van aanpakIdemIdemIdem, inclusief evaluatie

Onderwijsvernieuwingen

In het voortgezet onderwijs maken de leerlingen de belangrijkste keuzes voor het niveau en de aard van hun verdere opleiding in het beroeps- en wetenschappelijk onderwijs.

De vernieuwingen in het voortgezet onderwijs zijn in de eerste plaats bedoeld om de aansluiting op het vervolgonderwijs te verbeteren. Zij vormen ook een verbinding met de ontwikkelingen in het basisonderwijs en leggen tevens een basis voor «een leven lang leren». Het gaat hierbij niet alleen om de basisvaardigheden en de basiskennis die nodig zijn voor het «leren leren», maar ook om het benadrukken van het belang daarvan.

Basisvorming

Op 15 september 1999 is het evaluatierapport van de inspectie over de basisvorming verschenen. Op basis van dit rapport en het standpunt van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarover wordt overleg gevoerd met de Tweede Kamer. Na de discussie met de Kamer zal worden vastgesteld welke acties in 2000 van start gaan. In dat jaar zal ook worden gekeken naar de herziening van de kerndoelen, die moeten gaan gelden in de periode 2003–2008.

VMBO

Vanaf 1 augustus 1999 zijn de scholen bezig met het invoeren van leerwegen, het eerste onderdeel van de vernieuwing van het mavo/vbo/svo. Vooruitlopend hierop is de regelgeving die voortvloeit uit de wijzigingen van de WVO, tot stand gebracht en gepubliceerd in het Gele Katern. In 2000 rapporteren we over de invoering van de leerwegen.

Het tweede belangrijke onderdeel van de invoering van het vmbo is de versterking van de samenwerking tussen het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs aan de ene kant en het reguliere voortgezet onderwijs aan de andere kant. In 2000 zal op basis van een evaluatie van de voortgang bij het invoeringsproces een beslissing worden genomen over het invoeren van een zorgbudget per 1 augustus 2002.

Het derde element in de vormgeving van het vmbo is de versterking van de vbo-infrastructuur. Die kan bestaan uit:

• herordening of clustering van afdelingen

• uitwisseling van afdelingen

• introductie van intrasectorale programma's

• samenwerking tussen scholen (o.a. de Zwolse variant).

Met de herziening van de infrastructuur is in 1999 een begin gemaakt. Deze ontwikkeling bereikt een hoogtepunt in 2000. De regievoerder vbo-mavo heeft het voorbereidende werk voor die beslissingen in 1999 afgerond door middel van het uitbrengen van de rapportage over de keuzes van de scholen.

Havo/vwo

Op 1 augustus 1999 is de tweede (tevens laatste) groep scholen begonnen met het invoeren van de profielen. De pedagogisch-didactische vernieuwing, aangeduid met de term «studiehuis», is met de nieuwe tweede fase verbonden. Voor de groep scholen die per 1 augustus 1998 al zijn gestart zullen in het komende kalenderjaar voor het eerst de nieuwe havo-examens gaan gelden.

In 2000 en de daarop volgende jaren zal de voortgang bij het invoeringsproces zorgvuldig bewaakt blijven worden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van regelmatige peilingen in het kader van een monitor-onderzoek dat momenteel wordt geleid door het Procesmanagement Voortgezet Onderwijs (PMVO). Ook de inspectie volgt het invoeren van deze onderwijsvernieuwing nauwlettend.

Instellingenbeleid: mensen en middelen

Kwaliteitsbeleid

Aandacht voor en het zichtbaar maken van kwaliteit staat ook in het voortgezet onderwijs centraal. De kwaliteit van scholen voor voortgezet onderwijs wordt op drie manieren in kaart gebracht:

• via het regulier schooltoezicht door de inspectie;

• met behulp van de kwaliteitskaart (geeft de cognitieve resultaten van leerlingen weer);

• door zelfevaluatie door scholen.

De beleidsnota Variëteit en Waarborg over het nieuwe toezicht door de inspectie zal in het parlementaire jaar 1999–2000 ook voor het voortgezet onderwijs in wettelijke maatregelen worden vertaald. De inspectie gaat jaarlijks regulier schooltoezicht uitoefenen op een aantal scholen. De scholen ontvangen daarvan een verslag dat openbaar is. Dit biedt de mogelijkheid om na te gaan hoe gegevens van de kwaliteitskaart en de uitkomsten van regulier schooltoezicht kunnen worden geïntegreerd in een handzame en inzichtelijke publicatie. Zo'n publicatie is natuurlijk vooral voor ouders en leerlingen belangrijk.

De zelfevaluatie door scholen is de kern van het kwaliteitsbeleid. Omdat er belangrijke onderwijsvernieuwingen worden ingevoerd, is het gewenst dat daarbij aparte ondersteuning wordt verleend. Er is voor gekozen om een vijfjarig project op te zetten dat de implementatie van de kwaliteitszorg op scholen voor voortgezet onderwijs zal ondersteunen en begeleiden. Dit project wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Vereniging voor het management in het voortgezet onderwijs (VVO) en de besturenorganisaties, zodat de sector zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen. De landelijke pedagogische centra en het Cito spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van instrumenten voor kwaliteitszorg.

Het gaat echter niet alleen om de kwaliteit van het onderwijs binnen Nederland. Het niveau van het Nederlandse onderwijs moet zodanig zijn dat het kan concurreren met het buitenland.

Nederland blijft actief deelnemen aan internationale vergelijkingen. Voorbeelden daarvan zijn:

• het Programme for International Student Assessment (PISA);

• de uitgave Education at a glance;

• vergelijkingen in EU-verband;

• vergelijkingen opgezet vanuit de wetenschap, zoals IEA.

Natuurlijk mogen dit soort activiteiten geen onredelijke uitvoeringslasten bij scholen veroorzaken.

Landelijke onderwijsondersteuning

Ook in 2000 zal een deel van de middelen die tot nu toe rechtstreeks naar de landelijke onderwijsondersteunende instellingen zijn gegaan naar de scholen worden overgeheveld. Deze overheveling vindt in drie stappen plaats. De scholen kunnen deze middelen naar eigen inzicht besteden voor het inkopen van onderwijsondersteuning.

In 2001 ontvangt de Tweede Kamer een verslag over de doeltreffenheid en de effecten van het beleid betreffende de verdeling van middelen ten behoeve van het onderzoek voor het onderwijs, zoals in de WSLOA is voorgeschreven.

Arbeidsvoorwaarden en rechtspositie

Het personeel in het voortgezet onderwijs valt onder de cao die voor de sector onderwijs (beleidsterreinen po, vo en bve) is afgesloten. De cao loopt van 1 januari 1999 tot 1 maart 2000. Naast een structurele loonsverhoging per 1 februari 1999 van 2,5% is voor 1999 een eindejaarsuitkering van 0,6% afgesproken. Met ingang van 1 januari 2000 zal onderwijsondersteunend personeel in de salarisschalen 1 tot en met 5 vier jaar eerder dan voorheen het maximum van hun schaal bereiken. Met ingang van dezelfde datum verdwijnt de «periodiekenstop» voor leraren in de salarisschalen 9 tot en met 12.

Verder zijn afspraken gemaakt over de ontwikkeling van integraal personeelsbeleid. Het gaat hierbij onder andere om de verdere professionele ontwikkeling van personeel en management, de realisatie van een scholingsrecht en de begeleiding van personeelsleden. Op termijn (vanaf het schooljaar 2001–2002) worden ook varianten van taak- en beloningsdifferentiatie mogelijk.

De decentrale cao voor het voortgezet onderwijs is met een beperkte aantal wijzigingen verlengd en loopt nu tot en met het schooljaar 1999–2000. De wijzigingen hebben onder andere betrekking op de bapo-regeling en de regeling spaarverlof.

Autonomievergroting en deregulering

Er moet een nieuw evenwicht komen tussen de regelgeving van de overheid en de zelfregulering door scholen. Deregulering en autonomievergroting zijn daarvoor een middel. Op de korte termijn is het beleid gericht op het binnen de kaders van het huidige stelsel wegnemen van knelpunten en belemmeringen die scholen onnodig ondervinden in de huidige regelgeving. Inventarisatie daarvan heeft geleid tot een werkprogramma om dit beleid uit te voeren. Bij de verdere aanpak wordt het onderwijsveld betrokken, vooral om de noodzakelijke inhoudelijke onderbouwing van de maatregelen zeker te stellen. De maatregelen kunnen betrekking hebben op de volle breedte van de regelgeving voor het voortgezet onderwijs. Het gaat dus om de onderwijskundige inrichting, bestuur en organisatorische inrichting, personeel, bekostiging en lokale samenwerking.

Op de langere termijn gaat het om maatregelen die mogelijk ingrijpen op het huidige stelsel en daarom meer voorbereidingstijd vergen.

Cultuur en school

Met ingang van het schooljaar 1999–2000 wordt het vouchersysteem ingevoerd bij het havo/vwo. Daarmee krijgen de scholen voor elke leerling die start met het vak CKV1 de beschikking over een cultuurtegoed in de vorm van bonnen. De bonnen vertegenwoordigen een geldbedrag, waarmee bij culturele instellingen op vertoon van een speciale (gratis verstrekte) CJP-kaart betaald kan worden (zie de brief van 4 juni 1999, Kamerstukken II, 1998–1999, 26 200 VIII, nr. 93H).

Een jaar later, dus per 1 augustus 2000, wordt dit vouchersysteem ingevoerd in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.

Informatie- en communicatietechnologie

Op 23 juli 1999 zijn brieven gestuurd naar alle besturen en scholen in het voortgezet onderwijs over de uitwerking van de plannen voor het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in het voortgezet onderwijs. Daarin is tegen de achtergrond van de bespreking van de voornemens met de Tweede Kamer enkele weken eerder onder andere duidelijkheid gegeven over de middelen die de scholen in de komende jaren ter beschikking worden gesteld.

De scholen zullen zo spoedig mogelijk worden voorzien van een aansluiting op Kennisnet, zij hebben echter zelf zeggenschap over het moment waarop ze daadwerkelijk gebruik zullen gaan maken van de aansluiting.

Jeugdbeleid

Onderwijs is voor jongeren van groot belang als voorbereiding op hun toekomstig functioneren in de samenleving. Het onderwijs reikt daartoe kennis aan en traint in de benodigde vaardigheden. Het onderwijs vormt daarmee een belangrijke, structurerende schakel met overige voorzieningen en ondersteunende instellingen die belangrijk zijn voor een optimale ontplooiing van jongeren. Het komt er op aan veel aandacht te schenken aan samenwerking en afstemming tussen de betrokken instanties om de jongeren zo goed mogelijk te bereiken en op maat ondersteuning te kunnen bieden.

Voortijdig schoolverlaten en leerplicht

Om voortijdig schoolverlaten effectief te kunnen tegengaan is de coördinerende rol van de gemeenten en de samenwerking tussen gemeenten in regionaal verband belangrijk. De leerplichtambtenaar onderhoudt contacten met scholen, verzuimende leerlingen en hun ouders en met instellingen op het terrein van het jeugdwelzijnsbeleid en de jeugdwelzijnszorg. Het plan van aanpak voortijdig schoolverlaten is in mei 1999 naar de Tweede Kamer gestuurd. Dat plan heeft als doel voorwaarden te scheppen voor jongeren om de voor hen hoogst haalbare en meest passende onderwijs- en/of arbeidsmarktpositie te bereiken. Daarvoor zijn sluitende afspraken nodig tussen scholen voor voortgezet onderwijs, bve-instellingen, gemeente, politie, justitie en jeugdhulpverlening.

In de beschrijving van beleidsterrein 20 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) is uitgebreider ingegaan op het plan van aanpak.

Actieplan leerplicht

Een belangrijk aangrijpingspunt om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan is de leerplichtwet. Een strikte handhaving van deze wet moet leiden tot een afdoende reactie op beginnend verzuim (signaalverzuim) en het tegengaan van luxeverzuim en absoluut verzuim. Het «actieplan leerplicht» is tegelijk met het «actieplan voortijdig schoolverlaten» in mei 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het beschrijft hoe het handhaven van de leerplicht zo goed mogelijk kan worden vormgegeven. In 1999 is in samenwerking met het ministerie van Justitie een begin gemaakt met een «proeftuin leerplicht» in de gemeente Breda. Daarin worden de maatregelen uit het actieplan en de daaraan gekoppelde richtlijnen van het Openbaar Ministerie in de praktijk gebracht.

In 1999 en 2000 zal de Nederlandse Vereniging voor leerplichtambtenaren samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Nederlandse Vereniging voor Leerlingbegeleiding het actieplan in een aantal regionale bijeenkomsten bespreken. Daarbij komt ook aan de orde dat het noodzakelijk is vanuit de handhaving van de leerplichtwet op lokaal niveau te zorgen dat jongeren passend onderwijs kunnen volgen.

De veilige school

Scholen worden geconfronteerd met algemeen maatschappelijke verschijnselen als geweld, pesten en vandalisme. In de afgelopen jaren is aandacht besteed aan de gevolgen daarvan voor het schoolklimaat in de campagne de veilige school. Daarin zijn methoden en materiaal ontwikkeld die scholen kunnen gebruiken om geweld tegen te gaan en een veilig en geborgen schoolklimaat te bevorderen, waarin zowel aandacht voor oorzaken van geweld bestaat als voor de positie van slachtoffers. De campagne wordt in het voorjaar van 2000 afgesloten met een door Unesco ondersteunde conferentie.

Het formele einde van de campagne betekent natuurlijk geen einde aan de activiteiten gericht op een veiliger schoolomgeving. Nu komt het er op aan methoden en materialen uit de campagne een plaats te geven in het eigen schoolbeleid.

Parallel daaraan moeten afspraken met de gemeenten worden gemaakt over de wijze waarop scholen, gemeente, politie en justitie samenwerken om geweld te bestrijden. Deze benadering is onderdeel van de afspraken over het fonds leefbaarheid en veiligheid.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Uitgaven en ontvangsten

Op de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) is de lumpsum-bekostiging van toepassing.

Met ingang van 1 augustus 1998 is het voortgezet speciaal onderwijs (vso-lom en -mlk) opgenomen in de WVO als deel II. Het omzettingstraject leidt in de periode 1-8-1999 t/m 1-8-2002 tot afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs, orthopedagogisch- en didactische centra en scholen en afdelingen voor praktijkonderwijs. Voor de afdelingen leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs is de lumpsum-bekostiging van toepassing. De scholen voor praktijkonderwijs hebben in principe een declaratiebekostiging voor de personele uitgaven (FBS) en een lumpsum-bekostiging voor de materiële uitgaven (Velo). Scholen voor praktijkonderwijs die vallen onder een bestuur dat tenminste één school voor voortgezet onderwijs onder zich heeft, mag voor de personele vergoeding ook kiezen voor de lumpsum-bekostiging. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de totale uitgaven en ontvangsten.

Tabel 3.1: Uitgaven en ontvangsten (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven vo17 494,38 167,08 681,78 809,99 014,79 181,09 366,5
Waarvan oploop in loon- en prijsbijstelling 16,546,283,4107,9135,6168,6
Ontvangsten vo232,78,98,98,18,18,18,1
Gesaldeerde uitgaven vo7 461,68 158,18 672,88 801,89 006,69 172,99 358,4

1De uitgaven zijn exclusief de gemeentelijke (huisvestings)uitgaven. Ingaande het schooljaar 1999/2000 zijn de uitgaven inclusief het speciaal voortgezet onderwijs (svo) \ 2De ontvangsten zijn exclusief de vrijwillige ouderbijdrage.

Tabel 3.2: Uitgaven en ontvangsten op andere beleidsterreinen (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven WSF/WTS vo321,7381,4420,4478,3534,7542,7550,6
Uitgaven WSF/WTS vso9,611,212,314,316,116,316,6
        
Ontvangsten lesgelden vo237,5293,9308,6319,8333,4347,8358,9
Ontvangsten lesgelden vso18,224,726,827,928,930,131,1

Exclusief rentedragende leningen, kasschuiven OV-studentenjaarkaart en de bijstelling.

De bedragen zijn exclusief de uitgaven voor leerlingen/studenten in het agrarisch onderwijs. Hiertoe zijn de bedragen met een vaste factor verlaagd.

Circa 95% van het totale beschikbare budget is bestemd voor de reguliere vergoeding van de personele en materiële uitgaven van de scholen voor voortgezet onderwijs en praktijkonderwijs. Daarnaast is circa 3% bestemd voor aanvullende formatie, faciliteiten voor onder meer nascholing en vernieuwing en inlopen van achterstallig onderhoud. In totaal gaat derhalve 98% van het totale budget naar de scholen. De overige 2% zijn bestemd voor onderwijsondersteuning en de projectuitgaven. In de faciliteiten voor vernieuwing zijn begrepen de regeerakkoordmiddelen (f 96 miljoen). Voor het inlopen van achterstallig onderhoud is in de periode van 1999–2002 een bedrag beschikbaar van f 192 miljoen (regeerakkoordmiddelen).

De uitgaven voor de activiteiten zoals vermeld in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA) zullen in 2000 zo'n f 110 miljoen bedragen. Het budget wordt in de komende jaren verminderd door de overheveling van middelen van landelijke pedagogische centra (lpc) naar scholen. Hierdoor is vanaf 1 augustus 2001 eenderde van de bekostiging van de lpc afhankelijk van de vraagstelling van de scholen.

Voor de uitgaven aan diverse vernieuwings- en ontwikkelingsprojecten van het voortgezet onderwijs is een bedrag van ruim f 60 miljoen aflopend naar f 50 miljoen beschikbaar op artikel 19.05. Daarnaast is voor vernieuwing f 96 miljoen beschikbaar uit de regeerakkoordmiddelen. Met deze budgetten wordt de implementatie van een aantal grote onderwijsvernieuwingsoperaties, zoals vmbo en profiel 2e fase, in het voortgezet onderwijs ondersteund.

De oploop in de uitgaven wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door leerling-mutaties (zie tabel 3.3) en de loon- en prijsbijstelling.

Personele bekostiging

De reguliere personele bekostiging van de scholen voor vwo, havo, vmbo en praktijkonderwijs is afhankelijk van het aantal te bekostigen personeelsleden en de prijs van het personeel. De hoeveelheid te bekostigen personeel is weer afhankelijk van het aantal ingeschreven leerlingen.

Bij ministeriële regelingen worden voorschriften vastgesteld voor de aanvullende vergoedingen voor personeelskosten.

Tabel 3.3: Aantal ingeschreven leerlingen (x 1000)
 1998199920002001200220032004
Ingeschreven leerlingen826,2842,6869,1882,6897,5913,7927,9
Waarvan vso 12,229,529,930,230,430,6

Bron: referentieraming 1999

Met ingang van het schooljaar 1999/2000 zijn de leerlingen voortgezet speciaal onderwijs (vso) aan het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs toegevoegd. Daarnaast vertonen de prognoses een duidelijke groei van het aantal leerlingen.

Overigens moet worden opgemerkt dat de feitelijke bekostiging is gebaseerd op de leerlingaantallen per schooljaar en dat deze in de personeelsaantallen doorwerken met een vertraging van één jaar (de zogenaamde t-1-bekostiging).

Tabel 3.4: personeelsaantallen (full-time equivalenten x 1000)1
 1998199920002001200220032004
Totaal bekostigd personeel162,165,368,769,670,972,273,5
Waarvan vso 1,74,54,74,74,84,8
Waarvan onderwijzend 149,452,154,855,556,657,758,8
Waarvan vso 1,33,53,63,73,73,8

1 Deze normatieve cijfers zijn inclusief aanvullende formatie, frictie-opslag, adv, schoolprofiel en seniorenopslag.

Het betreft hier normatief – dat wil zeggen op basis van de personele formatieformules – berekende aantallen. Scholen kunnen afwijken van het normatieve patroon door meer of minder personeel in de categorie directie, onderwijzend of onderwijsondersteunend personeel aan te trekken.

De overgang van het vso-lom en -mlk naar het voortgezet onderwijs per 1-8-1999 veroorzaakt een toename van de personeelsaantallen (structureel ca. 4800 fte). Daarnaast is de oploop van de personeelsaantallen het gevolg van de stijging van het aantal leerlingen.

Materiële bekostiging

De reguliere bekostiging van de scholen voor vwo, havo en vmbo is opgebouwd uit een bedrag per school en een bedrag per leerling (gesplitst een bedrag voor instandhouding gebouwen, een bedrag voor overige exploitatiekosten en een bedrag voor schoonmaakkosten). De reguliere materiële vergoeding voor scholen voor praktijkonderwijs (de zogenaamde velo-vergoeding) kent meer parameters en vergoedingsbedragen.

Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld voor aanvullende vergoedingen voor materiële kosten.

Overige kerngegevens

De in tabel 3.1 gesaldeerde uitgaven voor het voortgezet onderwijs en de op andere beleidsterreinen geraamde uitgaven en ontvangsten op het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs (tabel 3.2) zijn verwerkt tot kengetallen per leerling (tabel 3.5).

Tabel 3.5: Uitgaven door de minister van OCenW in constante prijzen (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven per leerling19,09,79,99,99,99,99,9
Uitgaven WSF/WTS per leerling vo0,40,50,50,50,60,60,6
Ontvangsten lesgeld per leerling vo0,30,30,40,40,40,40,4

1 De uitgaven per leerling = (gesaldeerde uitgaven vo minus oploop in loon- en prijsbijstelling) : totaal aantal leerlingen per kalenderjaar.

De uitgaven per leerling stijgen in 1998 en 1999 door de toevoeging van de ict-middelen, de regeerakkoordmiddelen en de loonbijstelling als gevolg van de cao 1999/2000.

4. RENDEMENT

Ontwikkeling deelname

Kenmerkend voor de positie van het voorgezet onderwijs in het onderwijsbestel is dat het onderwijsaanbod gaat differentiëren. De leerlingen verdelen zich over schoolsoorten. De keuze voor een schoolsoort bepaalt in sterke mate de verdere schoolloopbaan van de leerling. Inzicht in de resultaten van deze determinatie functie van het voortgezet onderwijs levert een voorbode van de opbrengst van het onderwijs.

De verdeling van de deelname in het derde leerjaar is een goede maat om de deelname verhouding tussen de onderlinge schoolsoorten binnen het voortgezet onderwijs in beeld te brengen. In het derde leerjaar bevinden zich nagenoeg geen leerlingen meer in brugjaren.

Tabel 4.1: Ontwikkeling deelname derde leerjaar vo, voor svo 15-jarigen (in procenten)
 1994/19951995/19961996/19971997/19981998/1999
Totaal100,0100,0100,0100,0100,0
Svo-lom1,01,01,11,21,1
Svo-mlk1,41,51,71,81,8
Lwoo6,26,57,07,07,4
Vbo24,424,525,225,223,6
Mavo30,929,728,126,927,1
Havo15,416,416,817,217,8
Vwo16,517,117,117,617,9
Overig4,23,33,03,13,3

Bron: Integrale leerlingtelling en svo-tellingen

Toelichting: Derde leerjaar avo/vbo geteld bij vbo

In de loop van de jaren is de relatieve deelname aan havo en vwo gestegen. Deze trend is al circa 15 jaar zichtbaar. Ongeveer 35% van de leerlingen voortgezet onderwijs bevindt zich in 1998/1999 in een traject dat toegang verleent tot het hoger onderwijs. In 1985 was dit circa 25%. De deelname aan mavo neemt geleidelijk af. De belangstelling van het vbo (exclusief landbouw) is na een periode van stabilisatie in 1998/1999 weer gedaald.

Het aandeel zorgleerlingen (svo en lwoo) is de afgelopen 5 jaar gestegen van 8,6% tot 10,3%.

Doeltreffendheid en doelmatigheid

Aan de hand van doeltreffendheids- en doelmatigheidsindicatoren kan een beeld worden gegeven van rendement van het voortgezet onderwijs. Doeltreffendheid is het percentage instromers (van één generatie) in een schoolsoort dat een diploma haalt. De doelmatigheid geeft aan in hoeverre vertraging is opgelopen.

Voor de onderstaande figuur geldt zowel voor de doelmatigheid als de doeltreffendheid dat 100% de totale instroom is per schoolsoort.

Doeltreffendheid en de mate van doelmatigheid en ondoelmatigheid, stand na 8 jaar

kst-26800-VIII-2-10.gif

Bron: CBS onderwijscohorten

Vooral de doelmatigheid van het voortgezet onderwijs is sterk verbeterd. Dit hangt samen met de vermindering van de vertraging. Leerlingen hebben minder tijd nodig om een vo-diploma te behalen. De doelmatigheidsscore van de havo-opleiding verbetert maar ligt nog op een laag niveau. Hoge percentages zittenblijvers in met name het vierde leerjaar zijn daarvan debet. Het havo-cijfer is gecorrigeerd voor de mavo-gediplomeerden in het havo.

Uit het meeste recente cohort (1993) blijkt uit een tussenstand 5 jaar na instroom, dat de doelmatigheid verder is toegenomen.

Overigens moet worden opgemerkt dat de verblijfsduur in het voortgezet onderwijs voorbereidend voor het hoger onderwijs in Nederland korter is dan in de overige West-Europese landen.

De doeltreffendheid van de instromers in 1989 is ten opzichte van de instromers in 1977 voor alle schoolsoorten gestegen, maar vergeleken met de instroom in 1983 blijft de doeltreffendheid min of meer op hetzelfde niveau. Van de leerlingen die niet doeltreffend zijn geweest, stapt een deel over naar een andere vorm van voltijd onderwijs en de overige verlaten het voltijd onderwijs. Vooral vanuit het havo is de ongediplomeerde doorstroom naar andere voltijd onderwijs (m.n. bol) naar verhouding hoog.

Bestemming gediplomeerden

Het voortgezet onderwijs is bedoeld als vooropleiding voor arbeidsmarkt kwalificerend onderwijs. Het vbo en mavo-diploma biedt primair toegang tot de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg (duaal onderwijs). Havo leidt op tot hbo en vwo tot wo. De onderstaande figuur geeft zicht op de bestemming van de vo-gediplomeerden in 1997.

Percentage gediplomeerden naar bestemming, 1997

kst-26800-VIII-2-11.gif

Niet alle leerlingen volgen de «koninklijke» weg. Circa 30% van de vwo-gediplomeerden kiest niet voor wo maar voor hbo. Van de havo-gediplomeerden gaat 23% naar bol. Daarnaast vindt ook doorstroom plaats binnen vo. Één op de zes mavo-gediplomeerden gaat naar havo(leerjaar 4) en één op de negen havo-geslaagden vervolgt de opleiding in het vwo.

Beleidsterrein 20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld. Uitgaven beroepsonderwijs en volwasseneneducatie f 4,6 mld.

kst-26800-VIII-2-12.gifkst-26800-VIII-2-13.gif

1. ALGEMEEN

Het beleidsterrein van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het secundair beroepsonderwijs en de educatie en landelijke ondersteuning. Het beleidsterrein bve grenst aan een groot aantal terreinen buiten OCenW, zoals het jeugdbeleid, de arbeidsvoorziening, het arbeidsmarktbeleid en het grote steden- en integratiebeleid.

Het bve-veld heeft een veelomvattend veranderingsproces doorgemaakt, zowel wat betreft de instellingsstructuur en de onderwijsstructuur als wat betreft de taakverdeling tussen de onderwijsinstellingen, landelijke organen beroepsonderwijs en gemeenten. De wettelijke grondslag voor de instellingen is vanaf 1996 de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Na de fase van het opzetten van de nieuwe organisaties, is nu de fase van inbedding en verdere verbetering aangebroken. In de Agenda BVE is geschetst hoe dat zal worden aangepakt.

2. BELEID

Zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk toerusten voor de arbeidsmarkt en voor de samenleving, en hen in staat te stellen een leven lang te leren. Dat is in essentie de missie van educatie en beroepsonderwijs. De betrokken actoren opereren binnen de kaders van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Zelfregulerende mechanismen van vraag en aanbod zijn hierbij centrale sturingsconcepten. Dit vergt continue aandacht van alle betrokken partijen ten behoeve van het ontwikkelingsbeleid in de sector.

Agenda BVE

De Agenda BVE, die recent is verzonden aan de Tweede Kamer en betrokken partijen in het bve-veld, geeft de centrale thema's voor dit ontwikkelingsbeleid aan. De inspanningen van het komend jaar zijn gericht op de versterking van kwaliteit, toegankelijkheid en regionale samenwerking. Hierbij is de aansluiting tussen de vooropleidingen, de vervolgopleidingen en de opleidingen in de bve-sector belangrijk. Enerzijds vanuit het oogpunt van het realiseren van een doorlopende leerweg en anderzijds vanuit het principe van een leven lang leren. Tegelijkertijd zijn vergroting van de autonomie en verdere deregulering leidende beginselen. De bedoeling van de Agenda BVE is te komen tot een gezamenlijk gedragen ontwikkelingsperspectief voor educatie en secundair beroepsonderwijs en tot een aanpak om dat ontwikkelingsperspectief te realiseren. Daarom wordt de agendaplanning in samenwerking en samenspraak met alle betrokken partijen ingevuld. Dit interactief proces moet uitmonden in een document waarin een meerjarig beleidsprogramma voor de educatie en secundair beroepsonderwijs geformuleerd is.

Regeerakkoord

De financiële impulsen uit het regeerakkoord maken het mogelijk de sector in een betere positie te brengen. De middelen voor verbetering van het primair proces en verbetering van de apparatuursituatie zijn toegevoegd aan de rijksbijdrage van de bekostigde onderwijsinstellingen. Via integraal Inspectietoezicht en een apparatuurmonitor zullen de effecten van deze impulsen worden gevolgd. Met de middelen ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten en de middelen voor technocentra zal in 2000 nieuw beleid worden vormgegeven.

Evaluatie WEB

In juni 1999 is een begin gemaakt met de evaluatie van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De Stuurgroep evaluatie WEB zal een aantal deelrapporten opstellen. Deze rapporten vormen de grondslag voor een beleidsreactie die, samen met de rapporten, in 2001 als verslag aan de Tweede Kamer wordt toegezonden. De stuurgroep zal zoveel mogelijk op basis van reeds beschikbare informatie (statistiek, onderzoeksuitkomsten, inspectierapportages) een beeld schetsen van wat bekend is over werking en effecten van de WEB. Gedurende de evaluatieperiode zullen noodzakelijke kleine aanpassingen, waaronder die in verband met deregulering, worden doorgevoerd; meer fundamentele wijzigingen van het wettelijk stelsel worden echter waar mogelijk aangehouden tot na de evaluatie.

Autonomie en deregulering

Een verantwoorde invulling van autonomie en deregulering is een essentieel element in de WEB. Naast de aandacht hiervoor in de Agenda BVE, wordt op een aantal specifieke punten in 2000 nadere invulling gegeven aan autonomie en deregulering.

Bekostiging na 2000

Vanaf 1 januari 2000 zullen de instellingen, de educatie en de landelijke organen beroepsonderwijs een nieuwe bekostiging krijgen. Deze nieuwe bekostiging vloeit voort uit de WEB. De toedeling van middelen is gebaseerd op een beperkt aantal criteria. Deze criteria vormen een indicatie van de taakvervulling van de bekostigde instellingen, gemeenten en landelijke organen. De herverdeling die gepaard gaat met de nieuwe bekostiging, wordt opgevangen met overgangsmaatregelen. Recent is de AmvB inzake de bekostiging educatie en beroepsonderwijs voorgehangen bij de Tweede Kamer.

Tevens wordt specifieke bekostiging van activiteiten die voorheen rechtstreeks door de overheid werden gefinancierd, nu omgezet in vraaggestuurde bekostiging. Dit betreft de studie- en beroepskeuze- voorlichting, de onderwijsondersteuning en de subsidiëring van de Bve-Raad.

Vernieuwingsmiddelen naar rijksbijdrage

De vernieuwingsmiddelen voor het primaire proces bij de onderwijsinstellingen (f 72 miljoen) zullen vanaf 2000 deel uitmaken van de reguliere rijksbijdrage. Deze vernieuwingsmiddelen betreffen zowel het primaire proces van het secundair beroepsonderwijs, als van de educatie en de inburgering. Hiermee vervalt de specifieke plan- en verantwoordingscyclus van de beleidsagenda. Via bestuurlijke afspraken en de reguliere instrumenten, waaronder integraal instellingstoezicht en kwaliteitszorgverslagen, zal het vernieuwingsproces worden gevolgd en het toezicht worden ingevuld. Naast de vernieuwingsmiddelen zijn er middelen voor specifieke innovatie (artikel 20.03). Met deze middelen wordt op projectbasis innovatie bevorderd.

Crebo

De jaarlijkse vaststellingsprocedure van het centraal register beroepsonderwijs (CREBO) wordt steeds meer beperkt tot procedurele eisen. Voor de volgende jaren wordt gestreefd naar verdere deregulering. Belangrijk hierbij zijn de ervaringen met zelfregulering door de instellingen. Onderlinge afspraken hierover zijn vastgelegd in het reglement zelfregulering van de Bve Raad. De ontwikkelingen zullen nauwlettend worden gevolgd uit oogpunt van macrodoelmatigheid. Tegelijkertijd zal het ministerie onderzoeken in hoeverre de bestaande informatiebronnen aanvulling behoeven opdat instellingen beter in staat zijn om op verantwoorde wijze keuzen te maken ten aanzien van het onderwijsaanbod.

Kwaliteit en toegankelijkheid

Kwaliteit is dat jongeren en volwassenen in de bve-sector de competenties kunnen verwerven die belangrijk zijn voor het beroepsmatig, maatschappelijk en persoonlijk functioneren. Kwaliteit is ook dat het leren plaatsvindt in een aantrekkelijke en uitdagende leeromgeving die is toegesneden op de maat van de deelnemer. Toegankelijkheid betekent dat zoveel mogelijk mensen kunnen deelnemen aan het onderwijs, ook degenen die minder makkelijk gebruikmaken van de onderwijsvoorzieningen. Toegankelijkheid is nauw met kwaliteit verbonden.

De instelling is primair verantwoordelijk voor de realisatie van kwaliteit en kwaliteitszorg (waaronder het normeren, beoordelen en verbeteren van de diverse kwaliteitsaspecten). Door de inspanningen gericht op het primaire proces van het onderwijs en het maatwerk voor de deelnemer wordt een verdere verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid gerealiseerd. De WEB kent een brede set van – ten dele nieuwe – kwaliteitsinstrumenten, die wordt geïmplementeerd door de instellingen om vorm te geven aan de eigen beleidskeuzen en de aanspraken van andere actoren in het bve-bestel op kwaliteit van de instelling. Zo draagt de WEB instellingen op een kwaliteitszorgsysteem te realiseren en zelfcorrigerend en zelfregulerend op te treden als de kwaliteit tekort schiet. Dit vraagt vervolgens om een toetsing door de overheid. De onderwijsinspectie voert deze toetsing uit.

Publieke verantwoording en inspectietoezicht

Onderwijsinstellingen leggen jaarlijks verantwoording af over de gerealiseerde kwaliteit en tweejaarlijks over de kwaliteitszorg (in het kwaliteitszorgverslag). Actoren kunnen de instelling hierop aanspreken als de kwaliteit niet aan de eigen behoefte voldoet. Als sluitstuk bij de kwaliteitsbewaking speelt de onderwijsinspectie een belangrijke rol. Door middel van de nieuwe inspectiewerkwijze – het integraal instellingstoezicht – levert de onderwijsinspectie een onafhankelijke beoordeling en instellingsrapportage ten behoeve van de Minister. Deze rapportage wordt ook aan de instelling zelf en overige actoren ter beschikking gesteld. De rapportages zullen een belangrijke basis vormen voor het jaarlijkse onderwijsverslag, waarin de inspectie een weergave geeft van de ontwikkelingen binnen het bve-veld. Beoogd wordt (zoals aangegeven in de beleidsnota «Variëteit en waarborg») een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen in het jaar 2000, waarin een specifieke uitwerking van het inspectietoezicht in de bve-sector zal worden opgenomen. Op basis van het inspectierapport kwaliteitszorgverslagen 1999 zal een beleidsreactie naar de Kamer worden gezonden, waarin de ijkpunten 2001 (d.w.z. de reëel haalbaar geachte tussendoelen op het punt van de kwaliteitzorg) zullen worden geformuleerd.

Externe legitimering en examinering

De kwaliteit van de examinering blijft de komende jaren een belangrijk aandachtspunt. De WEB heeft hiervoor een aantal instrumenten aangereikt, waaronder de onderwijs- en examenregeling, de externe legitimering en het kwaliteitszorgverslag. Vanaf 1 augustus 2000 zijn instellingen verplicht ten minste 51% (nu 25%) van de deelkwalificaties van een opleiding extern te laten legitimeren. Daarnaast is een aantal aanvullende maatregelen getroffen. Deze zijn gericht op investeren in kwaliteit via deskundigheidsbevordering, innovaties en op het inzetten van handhavingsmaatregelen.

1000 uur

In nauw overleg met de Bve-Raad wordt het voorstel uit het regeerakkoord tot invoering van een 1000-urennorm in het secundair beroepsonderwijs vormgegeven. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de aard van het primair proces in het beroepsonderwijs en didactische ontwikkelingen waarbij flexibiliteit en versterking van de zelfstandigheid van de deelnemer centraal staan. Beoogd wordt inwerkingtreding in 2003. Dit biedt instellingen de tijd om naar de gewenste situatie toe te groeien. De realisatie van de onderwijsintensiteit dient plaats te vinden binnen het bestaande financiële kader.

Kwalificatiestructuur beroepsonderwijs/educatie

De vraag naar de competenties waarover mensen moeten beschikken met het oog op persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren wordt beantwoord met de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs en de kwalificatiestructuur educatie. De definitie van deze competenties is een proces van continue aandacht en verbetering. De resultaten van het project versterking kwalificatiestructuur beroepsonderwijs moeten in 2000 leiden tot een breed gedragen conceptueel kader voor de verdere ontwikkeling van de kwalificatiestructuur.

Aansluiting voortgezet onderwijs/secundair beroepsonderwijs

Met de invoering van de nieuwe leerwegen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) worden doorlopende leerwegen gerealiseerd naar het secundair beroepsonderwijs. Voor wat betreft de aansluiting van het algemeen voortgezet onderwijs (avo) en het secundair beroepsonderwijs moet de gelijkwaardigheid van de tweede fase avo en opleidingen in het secundair beroepsonderwijs een belangrijker rol gaan spelen. Leerlingen in het voortgezet onderwijs moeten tijdig worden geïnformeerd over de mogelijkheden van doorstroom naar opleidingen in het secundair beroepsonderwijs, waardoor tijdig keuzen worden gemaakt, die tot efficiënte en effectieve leerwegen leiden.

In de beschrijving van beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) wordt uitgebreider aandacht besteed aan de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs.

Aansluiting secundair beroepsonderwijs/hoger beroepsonderwijs

Aandachtspunten bij de aansluiting secundair beroepsonderwijs(sbo) – hoger beroepsonderwijs zijn het uitgangspunt van dubbelkwalificering, de dualisering en de vergroting van de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs. Het doel is belemmeringen voor doorstroom weg te nemen. Het uitgangspunt van dubbelkwalificatie is dat iedere opleiding kwalificeert voor zowel een beroep(sgroep) als voor doorstroom naar opleidingen op het naast hogere niveau. Dit maakt het mogelijk dat deelnemers die met een diploma het secundair beroepsonderwijs verlaten een kwalificatie hebben behaald waarmee zij kunnen gaan werken. Bovendien maakt deze kwalificatie het mogelijk om op een later tijdstip een al dan niet gedualiseerde opleiding in het hoger beroepsonderwijs op te pakken. In 2000 zal dit leiden tot een uitbreiding van het aantal verwante opleidingen in de beroepsopleidende leerweg van het sbo en het hbo. De uitkomsten van de pilotprojecten aansluiting beroepsbegeleidende leerweg (bbl)-hbo zullen in 2000 worden gebruikt bij de verdere vormgeving van beleid, waarin de mogelijkheden voor alle sbo'ers om door te stromen naar een hoger niveau worden vergroot.

Een leven lang leren

Een leven lang leren is het algemene kader voor een groot aantal maatregelen dat in 2000 wordt uitgewerkt. Dit betreft onder meer de bestrijding voortijdig schoolverlaten, maatregelen om het werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken, de oprichting van technocentra, de totstandkoming van brede centra voor leren in de regio en de opheffing van belemmeringen doorstroom secundair beroepsonderwijs – hoger beroepsonderwijs. De aanpak daarvan staat beschreven in de «employability-agenda», die een tiental actiepunten bevat. Het is van belang voortgang te maken met dit dossier. Dit najaar zal een rapportage verschijnen; de inzet is om vervolgens over te gaan tot concrete acties. Een groot aantal van de genoemde maatregelen maakt deel uit van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid.

Landelijke organen beroepsonderwijs

Het Instituut voor onderzoek van overheidsuitgaven heeft in 1998 onderzocht of de invoering van de WEB heeft geleid tot een taakintensivering of taakextensivering van de onderwijsinstellingen. Hierbij is ook aandacht besteed aan taakverschuivingen tussen onderwijsinstellingen en landelijke organen beroepsonderwijs. Voor de onderwijsinstellingen zijn aan dit onderzoek in het kader van het regeerakkoord conclusies verbonden. Voor wat betreft de landelijke organen beroepsonderwijs wordt bekeken in hoeverre een efficiencyslag gemaakt kan worden als gevolg van de taakverschuiving. De efficiëntie en effectiviteit wordt eveneens bekeken in het licht van een optimalisering van de onderlinge afstemming tussen de landelijke organen en het realiseren van voldoende aantal beroepspraktijk vormingsplaatsen in de beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg. In samenhang hiermee wordt het budget landelijke organen gekort vanaf 2000.

Werkend leren en kwaliteit beroepspraktijkvorming

Werkend leren is voor veel deelnemers (jongeren, werkenden en werkzoekenden) een aantrekkelijke route naar een startkwalificatie en een blijvende en brede inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. De komende periode zal de nadruk liggen op de kwaliteit van de beschikbare plaatsen. De landelijke organen beroepsonderwijs zullen op basis van een strategisch actieplan beroepspraktijkvorming in nauwe samenwerking met de onderwijsinstellingen de kwaliteit en kwantiteit van de beroepspraktijkvorming versterken. Bijzondere aandacht is nodig voor de tekorten op de arbeidsmarkt die zich in een aantal sectoren voordoen. De uitdaging daarbij is om door middel van goede leerwerktrajecten tegemoet te komen aan zowel de tekortproblematiek als aan het belang van deelnemers om gekwalificeerd een opleiding te verlaten.

Marktwerking en bestrijding voortijdig schoolverlaten

Het project marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit, waarin de voortijdig schoolverlaters in en rondom de bve-sector centraal staan, zal in april 2000 rapport uitbrengen. Hierin wordt een overzicht gegeven van de «push» en «pull» factoren op individueel niveau die leiden tot voortijdig schoolverlaten. Tevens worden mogelijke prikkels aangegeven waardoor een potentieel voortijdig schoolverlater op school blijft of een startkwalificatie behaalt. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van maatregelen die andere landen nemen in het kader van deze problematiek. De conclusies uit dit rapport kunnen worden benut in aanvulling op en ter versterking van het beleid zoals neergelegd in het plan van aanpak voortijdig schoolverlaten.

Lerarenbeleid

Regionale opleidingscentra hebben behoefte aan maatwerk waar het gaat om leraren. Er dreigt echter ook in deze sector een tekort aan onderwijsgevenden. Door middel van onder andere duale opleidingstrajecten wordt de opleiding voor een grotere doelgroep aantrekkelijk en de uitstroommogelijkheden gevarieerder. Dit zal bijdragen aan het oplossen van de tekortenproblematiek en zorgen voor een betere aansluiting bij de behoeften van de instellingen. Het project «duale initiële opleiding voor (onderwijs)personeel bve» voorziet in twee pilots die zich richten op de eerste fase van het opleidingstraject (dat van onderwijsassistent met uitstroom na één leerjaar). Deze pilots starten eind 1999. In diezelfde periode start ook een cursus die wachtgelders en met ontslag bedreigde docenten omschoolt tot bedrijfscontact functionarissen.

Regionale samenwerking

Bestrijding voortijdig schoolverlaten

De kern van de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten bestaat uit het versterken van de (doorlopende) leerwegen in de eerste fase voortgezet onderwijs en het secundair beroepsonderwijs, het uitbouwen van de Regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC) en de speciale benadering van risicojongeren in de grote steden. Deze gemeenten krijgen extra middelen (f 48 miljoen) om zelf maatregelen en projecten op te zetten, het bestaande instrumentarium te richten op de risicojongeren en de inspanningen te coördineren die (kunnen) worden gepleegd door de scholen, de jeugdzorg, de arbeidsvoorziening, politie en justitie, het lokale bedrijfsleven en de eigen gemeentelijke diensten. Daartoe worden concrete afspraken vastgelegd in de maatwerkconvenanten van het grote steden beleid. De wettelijke verankering van de RMC-functie maakt een sluitende registratie van voortijdig schoolverlaters mogelijk en regelt een meldingsplicht van niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters. Daarnaast maakt de verdubbeling van het budget (vanaf 2000 f 12 miljoen) het mogelijk dat binnen elke gemeente een systeem van melding, registratie en doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters kan functioneren. Voor evaluatie en monitoring zal f 1 miljoen worden ingezet.

Voor een betere handhaving van de leerplichtwet is separaat een Actieplan Leerplicht opgezet. De prestaties van de gemeenten zullen worden gemonitord en de inspectie zal jaarlijks verslag doen van de resultaten op de scholen. In de beschrijving van beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) wordt hier nader op ingegaan.

Samenwerking van scholingsvoorzieningen ARBVO-roc's

Intensivering van de samenwerking tussen roc's en centra vakopleidingen (cv's) is een thema in het regeerakkoord. Als gevolg van het traject Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI) is de situatie voor de cv's veranderd. De cv's zullen worden ondergebracht in private reïntegratiebedrijven. Gezien deze nieuwe context zal een verkenning naar typen samenwerking tussen deze organisaties worden uitgevoerd. De verkenning zal zich richten op varianten voor een zo efficiënt mogelijke realisatie van scholing voor deelnemers. In 2000 zal op basis van de resultaten invulling worden gegeven aan de gewenste samenwerking om knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen.

Technocentra

De technocentra starten in 2000. Technocentra zijn samenwerkingsverbanden die op initiatief van het regionale bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en regionale overheden zijn opgericht. Bij de vorming van technocentra is uitgegaan van een landelijk gespreid stelsel. Nieuwe technologische ontwikkelingen behoren in heel Nederland toegankelijk te zijn, door de bestaande voorzieningen te combineren, de krachten te bundelen en gezamenlijke activiteiten optimaal te laten renderen. Technocentra hebben als intermediaire organisaties een makelende, schakelende en organiserende functie. Zij hebben tot doel:

• het versnellen van de circulatie, diffusie en toepassing van kennis tussen de instellingen, tussen instellingen en ondernemingen en tussen ondernemingen en derden;

• het gezamenlijk benutten van hoogwaardige en moderne apparatuur;

• een effectieve en efficiënte aansluiting van technisch beroepsonderwijs door instellingen of scholing door anderen dan instellingen en de opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt.

Door gestructureerde publiek-private samenwerking in de regio wordt gewerkt aan blijvende, vraaggestuurde verbetering van het aansluiting onderwijs/arbeidsmarkt, kenniscirculatie en appartuurbenutting

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Het overgrote deel van de uitgaven op dit beleidsterrein (circa 97%) bestaat uit exploitatieuitgaven. Het daarvoor beschikbare budget is opgenomen in artikel 20.01 (personele en materiële uitgaven) en artikel 20.04 (huisvesting). De verdeling van de budgetten vindt plaats op basis van de bekostigingsregelingen beroepsonderwijs, landelijke organen en educatie en voor wat betreft inburgering de Wet inburgering nieuwkomers (WIN).

De resterende uitgaven op dit beleidsterrein staan op begrotingsartikel 20.03. Deze middelen worden aangewend voor specifieke activiteiten, zoals innovatie, internationalisering, examenontwikkeling, onderzoek en beleidsevaluatie.

Tabel 3.1 Financiële kerncijfers (bedragen x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven bve4 394,74 643,84 662,44 636,54 636,94 661,04 720,5
waarvan oploop loon- en prijsbijst.31,048,160,675,596,9
waarvan cursusgeldontvangsten– 90,9– 91,6– 97,8– 99,9– 102,1– 102,1– 102,1
Ontvangsten bve– 25,7– 71,8– 52,7– 48,7– 48,7– 36,7– 36,7
Gesaldeerde uitgaven bve4 011,24 572,24 609,64 587,84 588,14 624,34 683,8
– Secundair Beroepsonderwijs3 128,13 304,73 277,63 253,53 249,63 284,13 341,0
– Educatie409,9430,0419,8422,1424,6425,6426,8
– Inburgering175,2198,7186,7187,8188,2188,6189,3
– Landelijke organen166,8180,6177,8179,7180,0179,6180,4
– Overig (incl. examens)131,2146,6188,4181,4182,5170,9170,9
Huisvesting383,5383,5412,1412,1412,1412,1412,1

Secundair beroepsonderwijs

De uitgaven secundair beroepsonderwijs in 2000 zijn per saldo f 18 miljoen hoger dan in 1999. Ten opzichte van de vorige begroting is het budget vooral beïnvloed door algemene salarismaatregelen en prijsbijstellingen, de consequenties van deelnemersontwikkelingen (– f 43 miljoen), de gewijzigde positionering van een aantal budgetten binnen het beleidsterrein als gevolg van de nieuwe bekostiging vanaf 2000 (f 38 miljoen) en een aantal beleidsmatige mutaties. De toevoeging van een aantal budgetten aan de rijksbijdrage voor het secundair beroepsonderwijs die tot 1999 als specifiek budget bij overig zijn opgenomen (Studie- en beroepskeuze voorlichting, Bve Raad en ondersteuning van de educatie bij de onderwijsinstellingen) leiden tot een toename van f 38 miljoen in 2000. Verder is er de overboeking van de huisvestingsmiddelen verpleging en verzorging vanaf 2000 naar het huisvestingsartikel van f 29 miljoen.

De structurele impuls apparatuursituatie (f 12 miljoen) en het budget voor informatie- en communicatietechnologie (f 10 miljoen) leiden tot een budgetstijging. De ramingsbijstellingen in het kader van de voorjaarsnota leiden tot een daling van f 1 miljoen in 2000 oplopend tot f 9 miljoen in 2003 en f 2 miljoen in 2004. Daarnaast leidt het afboeken van de afrekenbudgetten tot een daling van f 15 miljoen.

Educatie

Het educatiebudget is in 2000 per saldo f 11 miljoen lager dan in 1999. Belangrijke oorzaak hiervoor is dat de middelen voor ondersteuning van de educatie (f 15 miljoen) die in 1999 tot educatie worden gerekend, vanaf 2000 worden toegevoegd aan de rijksbijdrage van de onderwijsinstellingen. De toevoeging van de middelen voor studie- en beroepskeuzevoorlichting en ict leiden tot een stijging van f 5 miljoen. Daarnaast zijn salarismaatregelen verwerkt.

Inburgering

In 1999 heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport f 11 miljoen overgeboekt voor inburgering. Deze middelen maken geen deel uit van de budgetten 2000 en verder. Dit verklaart de daling in 2000 ten opzichte van 1999. De stijging in 1999 ten opzichte van 1998 wordt veroorzaakt door de afrekeningen 1996 die in 1998 hebben plaatsgevonden.

Landelijke organen

Het budget landelijke organen is in 1999 bijna f 12 miljoen hoger dan in 1998. Naast de algemene salarismaatregelen is het budget decentralisatie wachtgelden (f 6 miljoen) hiervan de oorzaak. Vanaf 2000 is een korting op het budget van f 5 miljoen gepleegd. De landelijke organen beroepsonderwijs zorgen voor de kwaliteit en de beschikbaarheid van beroepspraktijkvormingsplaatsen voor onder andere de beroepsbegeleidende leerweg (BBL).

De groei van de beroepsbegeleidende leerweg (leerlingwezen) blijft achter bij de verwachting zoals die bij de invoering van de fiscale faciliteit leerlingwezen was voorzien. Deze achterblijvende groei heeft geleid tot lager gebruik en derhalve tot een onderuitputting op de WVA (wet vermindering afdrachtskorting).

Overig

Het budget overig stijgt in 2000 per saldo ten opzichte van 1999 door de extra middelen (f 61 miljoen) voor bestrijding van het voortijdig schoolverlaten die vanaf 2000 aan de begroting zijn toegevoegd. De technocentra veroorzaken een stijging van f 16 miljoen in 2000 en f 12 miljoen in 2001 en 2002. Met de ingang van de nieuwe bekostiging wordt een aantal budgetten toegevoegd aan de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs en de educatie. Het budget voor studie- en beroepskeuzevoorlichting wordt deels toegevoegd aan de rijksbijdrage beroepsonderwijs (f 22 miljoen) en deels aan de rijksbijdrage voor educatie (f 4 miljoen). Het budget voor de Bve-Raad (f 1,4 miljoen) is vanaf 2000 toegevoegd aan de rijksbijdrage beroepsonderwijs. In 1999 zijn deze budgetten opgenomen bij overig. De uitgaven op artikel 20.03 vertonen een daling van f 4 miljoen in 1999 en f 10 miljoen vanaf 2000 ter invulling van de bezuinigingstaakstelling (korting projectmiddelen).

Huisvesting

Het huisvestingsbudget stijgt in 2000 met f 29 miljoen door de overboeking van de huisvestingsmiddelen verpleging en verzorging van de uitgaven secundair beroepsonderwijs naar het huisvestingsbudget.

Ontvangsten

De ontvangsten vertonen in 1999 een stijging ten opzichte van 1998, omdat een deel van de geraamde ontvangsten in het kader van de Europese structuur fondsen (f 23 miljoen) voor 1998, in 1999 is ontvangen. Het afboeken van de afrekenbudgetten vanaf 2000 leidt tot een daling ten opzichte van 1999 van f 12 miljoen. De ontvangen middelen voor de technocentra leiden tot een verhoging van de ontvangsten met f 16 miljoen in 2000 en f 12 miljoen in 2001 en 2002.

4. OVERIGE KERNGEGEVENS

In deze paragraaf worden achtereenvolgens gepresenteerd:

– het aantal deelnemers naar kalenderjaar;

– overige kengetallen

Tabel 4.1 Aantal ingeschreven deelnemers (x 1000)
 1998199920002001200220032004
SBO409,2404,8397,9393,0392,4395,7400,6
Bol260,7256,8252,8250,3251,3255,0259,3
Bbl121,0123,2123,4122,4121,8122,1123,1
Bol-dt27,624,821,620,319,418,718,1
        
Educatie203,9203,7203,3202,7201,7200,5199,0
Regulier181,4181,1182,2181,5180,5179,3177,7
Inburgering22,622,621,221,221,221,221,4
        
Volwassen inwoners Nederland10 106,710 161,210 210,510 254,010 294,010 338,310 378,7

Bron: referentieraming 1999 en CBS

De deelnemersontwikkeling binnen het bve-veld vertoont de eerst komende jaren een daling die vanaf 2003 omslaat in een stijging. Deze ontwikkeling hangt samen met demografische ontwikkelingen. In vergelijking met de raming van vorig jaar is het aantal deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg (bol) lager. Belangrijke oorzaak hiervoor is het gewijzigd keuzegedrag van havisten. Zij kiezen vaker voor het hbo, in plaats van de bol.

Het aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) is bij deze begroting hoger geraamd dan in de vorige begroting. Er blijken meer beroepspraktijkvormings (bpv)-plaatsen in de bbl beschikbaar waardoor meer sbo-deelnemers een bbl-route kunnen volgen.

Het aantal deelnemers educatie vertoont een redelijk stabiel beeld.

Tabel 4.2 Financiële kengetallen (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
SBO       
Uitgaven per deelnemer9,310,010,110,110,110,110,1
VOA-uitgaven per deelnemer niv. 1 en 21,21,21,21,21,21,21,2
        
Educatie       
Uitgaven regulier per volwassen inwoner (f 1)0,040,040,040,040,040,040,04
Uitgaven per inburgeraar7,88,88,88,88,88,88,8

De uitgaven per deelnemer secundair beroepsonderwijs zijn opgebouwd uit de uitgaven beroepsonderwijs uit tabel 3.1, vermeerderd met het aandeel beroepsonderwijs in de overige uitgaven en ontvangsten. Het aandeel beroepsonderwijs in andere posten dan exploitatie, wordt bepaald op basis van het aandeel beroepsonderwijs in de totale exploitatie. Deze uitgaven zijn gedeeld door de deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg en het voor deeltijd-deelname gecorrigeerde aantal deelnemers aan de beroepsbegeleiden – de leerweg en de overige beroepsleerwegen.

De uitgaven voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (voa) maken deel uit van de exploitatieuitgaven. Met de nieuwe bekostiging vanaf 2000 worden zij verdeeld op basis van het aantal deelnemers in niveau 1 en 2. De voa-uitgaven per deelnemer zijn gerelateerd aan het aantal deelnemers in niveau 1 en 2.

De uitgaven aan de educatie per volwassen inwoner in Nederland volgen uit de uitgaven educatie uit tabel 3.1 gedeeld door het aantal volwassen inwoners in Nederland. De uitgaven per inburgeraar ten laste van de OCenW-begroting worden bepaald door de uitgaven inburgering uit tabel 3.1 te delen door het aantal inburgeraars. In 1998 zijn de uitgaven per inburgeraar f 1 000 lager dan in 1999 door het effect van de afrekening 1996 op het niveau van de uitgaven 1998.

Beleidsterrein 21 Hoger beroepsonderwijs

Hoger beroepsonderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld Uitgaven hoger beroepsonderwijs f 2,8 mld.

kst-26800-VIII-2-14.gif

1. ALGEMEEN

Beleidsterrein 21 betreft het hoger beroepsonderwijs (hbo). De begroting voor dit beleidsterrein bestaat uit de rijksbijdrage aan hogescholen voor het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Het aantal hogescholen bedraagt momenteel 55.

Naast de exploitatievergoeding voor personeel, materieel en huisvesting bevat beleidsterrein 21 de rechtspositionele uitkeringen voor de hbo-sector en de middelen voor specifieke activiteiten.

De wettelijke grondslag voor de bekostiging ligt in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De bekostiging vindt plaats volgens het Bekostigingsbesluit WHW, de Regeling aanvullende vergoeding opleiding tot leraar basisonderwijs en de Regeling bekostiging hoger onderwijs.

2. BELEID

Hoger onderwijs en onderzoekplan 2000

In september 1999 wordt tegelijk met deze ontwerp-begroting het ontwerp Hoger onderwijs en onderzoekplan 2000 (ontwerp-HOOP 2000) aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit beleidsdocument worden de beleidsuitgangspunten en aandachtspunten voor de komende vier jaar verwoord. Het toekomstbeeld van de hogeschool dat de komende jaren centraal zal staan, is dat van een sterke en autonome organisatie die vitaal en duurzaam is en tot zelfregie in staat is.

Deze hogeschool:

• is in staat om problemen en uitdagingen waar het hoger onderwijs mee te maken heeft zelf actief op te pakken en oplossingen voor een groot deel op eigen kracht vorm te geven;

• heeft kwaliteit en toegankelijkheid hoog in het vaandel staan en kan aan studenten duidelijk maken wat zij van de instelling kunnen verwachten;

• is in staat vernieuwingen in haar onderwijsaanbod door te voeren en verschuivingen aan te brengen als de markt daarom vraagt;

• is een goede gesprekspartner voor onderwijsinstellingen en bedrijven in hun omgeving;

• is in staat tot een professionele bedrijfsvoering.

Oogmerk van het HOOP is dat de hogescholen in de toekomst zodanig zijn toegerust dat zij, meer nog dan nu, zelf actief kunnen inspelen op nieuwe vraagstukken en oplossingen op eigen kracht vorm kunnen geven. In de volgende alinea's komt een aantal thema's aan bod die een belangrijke rol spelen in het HOOP en belangrijke aandachtspunten zullen zijn in dit begrotingsjaar. Het gaat om de maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden en kwaliteitszorg. Daarnaast wordt aan twee specifieke sectoren in het hbo aandacht besteed: de lerarenopleidingen en het kunstvakonderwijs. De vernieuwing binnen deze sectoren zal dit begrotingsjaar een belangrijk punt op de beleidsagenda zijn.

Maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden

Deelname ontwikkeling

Het hoger beroepsonderwijs heeft de afgelopen jaren een groeiende instroom van studenten opgevangen (van 235 000 in 1990 naar 271 300 in 1998). Voor 2000 en 2001 wordt een verdere groei voorzien. De totale raming voor 2004 is met circa 19 000 studenten naar boven bijgesteld (ten opzichte van referentieraming 1998 in 2003) en bedraagt 228 600 voltijdstudenten en 59 100 deeltijdstudenten.

Het hbo-budget in deze begroting is dan ook verhoogd met f 33,1 miljoen in 2000, f 63 miljoen in 2001, oplopend naar f 92 miljoen vanaf 2004. Deze budgetverhoging is een bijdrage aan de extra inspanningen die hogescholen moeten leveren om meer studenten op te leiden tot een hbo-eindkwalificatie.

Tekort aan hoger opgeleiden

In nagenoeg alle sectoren op de arbeidsmarkt neemt de omvang van hoogwaardige werkgelegenheid toe. In bepaalde sectoren doen zich forse tekorten voor. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt voorspelt, in de prognoses voor het arbeidsmarktperspectief van 1997 tot 2002, dat het aantal sectoren dat tekorten kent de komende periode zal groeien en dat de tekorten zich op langere termijn in vrijwel alle sectoren zullen voordoen. Dit is een gevolg van een gecumuleerd effect van vergrijzing en ontgroening.

Overigens kan de omvang van de tekorten op termijn niet exact worden voorspeld. Ten eerste omdat prognoses slechts met relatief grote onzekerheidsmarge kunnen worden gegeven. Ten tweede omdat een dergelijke voorstelling van zaken voorbij zou gaan aan aanpassingmechanismen die altijd optreden als spanning ontstaat tussen vraag en aanbod. Ten derde omdat conjuncturele ontwikkelingen ook van invloed zijn en niet exact zijn te voorspellen.

De knelpunten op de arbeidsmarkt zullen voor een belangrijk deel opgelost worden door het zelfstandig aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt. De stijging van de studentenaantallen kan daarbij behulpzaam zijn. De werking van de markt is echter niet perfect en zal daarmee niet voor alle knelpunten meteen een oplossing kunnen bieden.

Ook het hoger beroepsonderwijs zelf speelt een belangrijke rol als het gaat om de aanpak van het tekort aan hoger opgeleiden. Ten eerste zal de onderwijsdeelname en het rendement moeten worden vergroot. Het rendement van het hoger onderwijs voor het cohort 1989 is uiteindelijk ongeveer 70%. Dit betekent dat 70% van degenen die in 1989 aan een studie beginnen een hoger onderwijsdiploma haalt, hetzij in de oorspronkelijke opleiding, hetzij in een andere opleiding of andere instelling. In internationaal opzicht heeft Nederland een gemiddeld rendement. Een verbetering van dit rendement blijft een belangrijk streven.

Ten tweede zal er gevarieerd en gedifferentieerd onderwijs moeten worden aangeboden in het traject van op-, om- en bijscholing. Dit zal in de volgende paragraaf aan de orde komen.

Variëteit in leerwegen

Naast een steeds meer heterogene studentenpopulatie maakt het dreigende tekort aan hoger opgeleiden het noodzakelijk dat het hoger beroepsonderwijs nieuwe, meer op maat gesneden vormen van kennisoverdracht en leren gaat ontwikkelen. Het hoger beroepsonderwijs kan zo beter aansluiten bij de onderwijsbehoefte van nieuwe doelgroepen, zoals werkenden en tijdelijk inactieven. Hierdoor kan de instroom in zowel initiële als postinitiële trajecten worden vergroot. Dit is hard nodig gezien het tekort aan hoger opgeleiden en gelet op het feit dat de «reguliere» instroom zijn demografische grenzen bijna bereikt heeft. Meer vraag op de arbeidsmarkt naar hoger opgeleiden zal er toe leiden dat instellingen een ruimer aanbod aan opscholing en nascholing gaan ontwikkelen. Werkgevers hebben er belang bij dat opgeleiden op hbo-niveau op korte termijn beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt. Hogescholen moeten dus geïntegreerde, efficiënte en kortdurende onderwijstrajecten in het reguliere onderwijs en een ruim cursusaanbod gaan ontwikkelen. Dit doet ook recht aan de nu reeds toenemende vraag naar gedifferentieerde leerwegen, zoals duale trajecten. Bij de vormgeving van gedifferentieerde leerwegen kunnen de hogescholen goed gebruik maken van de mogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie om beter aan te sluiten bij individuele wensen en capaciteiten van studenten.

In het ontwerp HOOP 2000 worden voorstellen gedaan waarmee instellingen een grotere variëteit van leerwegen kunnen aanbieden. Voor 2004 wordt geëvalueerd of de ruimte, waarin deze voorstellen voorzien, voor de instellingen voldoende zijn om aan de uiteenlopende onderwijsvraag tegemoet te komen.

Vanaf het collegejaar 91/92 is het mogelijk om duaal onderwijs te volgen. De cijfers tonen een duidelijke en stijgende behoefte aan deze onderwijsvorm. Doel is om het aantal studenten dat een duaal traject volgt verder te laten stijgen. Vanaf studiejaar 98/99 is de duale inschrijfvorm een zelfstandige inschrijfvorm naast voltijd en deeltijd. In 98/99 schreven 3100 studenten zich in als duale student.

Geïntegreerde longitudinale leerwegen mbo-hbo komen in belangrijke mate tegemoet aan de onderwijsvragen van mbo'ers die wensen door te stromen naar het hbo. Inmiddels is duidelijk welke opleidingenkoppels mbo-hbo zodanig verwant zijn, dat de verblijfsduur van de van het mbo afkomstige student in de desbetreffende hbo-opleiding met één jaar kan worden verkort. Een kleine 30% van het aantal mbo'ers dat doorstroomt naar het hbo doet dit in een verwante opleidingskoppel. Daarnaast zijn verkorte trajecten mogelijk via regionale samenwerking en maatwerk gerichte op de individuele student. Verkorte hbo-trajecten voor mbo'ers zijn een belangrijk middel om te voldoen aan veranderende vragen vanuit de samenleving. Voor veel mbo-gediplomeerden is een verkorte leerweg in het hbo een aantrekkelijk opleidingstraject. Dit geldt voor mbo'ers die meteen na hun opleiding willen doorstromen naar het hbo, maar ook voor werkenden en werkzoekenden op mbo-niveau die zich verder willen scholen op hbo-niveau.

In 1999 hebben de hogescholen in totaal f 50 miljoen aan frictiemiddelen te besteden om de omslag te kunnen maken naar een vraaggerichte vitale en duurzame organisatie. Een bedrag van f 35 miljoen wordt toegevoegd aan de lump-sum van de hogescholen, naar rato van de rijksbijdrage. Deze f 35 miljoen wordt dus generiek verdeeld over alle opleidingen als impuls in de te maken omslag. Een bedrag van f 15 miljoen wordt beschikbaar gesteld als impuls voor instellingsoverstijgende activiteiten. Bij instellingsoverstijgende activiteiten valt te denken aan een assesment-procedure voor reeds verworven kennis of een ict-platform om gemeenschappelijke standaarden te ontwikkelen. Verwacht wordt dat in 2000 de eerste effecten van deze omslag waarneembaar zullen zijn.

Kwaliteitszorg

De hogescholen zijn primair zelf verantwoordelijk voor het realiseren van hoge kwaliteit. Kwaliteit moet daarbij ook worden afgemeten aan internationale normen. Deze normen vormen een belangrijk ijkpunt bij de beoordeling van de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs.

De primaire verantwoordelijkheid van de hogescholen voor het realiseren van kwalitatief hoogwaardig onderwijs laat onverlet dat de overheid een eigen verantwoordelijkheid heeft. Zij moet er borg voor staan dat elke instelling en opleiding goede kwaliteit levert.

Medio 1999 is de eerste visitatiecyclus sectorale kwaliteitszorg vrijwel afgerond. In deze eerste cylclus, die in 1990 is gestart, zijn nagenoeg alle hbo-opleidingen gevisiteerd. Van deze visitaties zijn rapporten gepubliceerd. De tweede visitatiecyclus is in 1999 in gang gezet. De planning is dat in de periode 1999–2001 ongeveer de helft van het totaal van circa 200 aan opleidingen binnen de sector hoger beroepsonderwijs wordt gevisiteerd.

De HBO-raad zal in de komende periode bij 2 opleidingen een proef accreditatie uitvoeren. Door middel van de proef wordt bekeken wat de waarde is van accreditatie ten opzichte van het huidige kwaliteitszorgsysteem en bezien in hoeverre accreditatie een waardevolle aanvulling kan zijn op het huidige kwaliteitszorgsysteem.

Lerarenopleidingen

In april 1999 is de beleidsnota Maatwerk voor morgen: het perspectief van een open onderwijsarbeidsmarkt uitgebracht. In die nota zijn voorstellen gedaan voor de omslag van de lerarenopleidingen naar een meer vraaggeoriënteerde werkwijze. Belangrijke thema's bij die omslag zijn: flexibilisering, dualisering en informatie- en communicatietechnologie (ict). Vanuit een vraaggeoriënteerde werkwijze kunnen de lerarenopleidingen nieuwe doelgroepen veroveren en de initiële instroom vergroten.

De lerarenopleidingen basisonderwijs kunnen een aanvullende vergoeding boven op de reguliere bekostiging (de zogenaamde «pabo-up») inzetten voor vernieuwing van hun opleidingen en integratie van ict in het onderwijs.

Voor lerarenopleidingen voor vo en bve bestaat een dergelijke toeslag niet. Gezien de forse omslag die zij moeten maken, is in de nota Maatwerk voor morgen daarom voorgesteld bij wijze van uitzondering een apart vernieuwingsbudget beschikbaar te stellen. In 1999 is hiervoor f 23 miljoen beschikbaar (waarvan f 1 miljoen voor de experimentele lerarenopleidingen), specifiek voor de integratie van ict. In de periode van 2000 t/m 2004 is jaarlijks een budget van f 9,9 miljoen beschikbaar. Hogescholen met lerarenopleidingen voor vo en bve zullen worden uitgenodigd om innovatieplannen in te dienen, gericht op de omslag naar een meer vraaggeoriënteerde werkwijze. Het grootste deel van de middelen zal naar rato van het aantal ingestroomde studenten op peildatum 1 oktober 1998 aan de instellingen worden toegekend, voor vernieuwingsactiviteiten binnen de eigen instelling. De resterende middelen zijn bestemd voor experimentele voorbeeldprojecten van samenwerkende (leraren-)opleidingen.

Overigens maakt het traject gericht op de integratie van ict in het onderwijs van de lerarenopleidingen ook deel uit van het uitwerkingsplan Onderwijs On Line.

Kunstonderwijs

In juni 1999 is de beleidsnota Zicht op kwaliteit – ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs (Tweede Kamer, 1998/1999, 25 802, nr. 12) uitgebracht. De nota is op 6 september 1999 besproken in nota-overleg in de Tweede Kamer. In de nota zijn voorstellen gedaan om te komen tot een transparanter en meer flexibel kunstonderwijs. Met name de instellingen zijn aan zet om de opleidingen versneld te visiteren, een kwalificatiestelsel te ontwikkelen en herstructureringsplannen op te stellen. In deze plannen zullen zij niet alleen uitspraken doen over samenwerking tussen instellingen, profilering en concentratie van opleidingen maar tevens over een vernieuwd perspectief voor studenten op brede opleidingen en flexibele leerwegen. Voor de uitvoering van deze plannen is per instelling een intentioneel budget beschikbaar. In totaal gaat het om circa f 45 miljoen in de periode 2000–2003. Een onafhankelijke commissie zal in het voorjaar van 2000 adviseren over de finale toekenning van dit budget. In de bekostiging voor 2000 wordt de taakstelling verwerkt conform de brief van 3 maart (Tweede Kamer, 1998/1999, 25 802, nr. 6) over de tranche 2000 in de taakstelling kunstonderwijs 2000+.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Het overgrote deel van de uitgaven aan het hoger onderwijs (circa 93%) bestaat uit de normatief berekende rijksbijdrage voor de hogescholen. Het daarvoor beschikbare budget is opgenomen op artikel 21.01 (personele en materiële uitgaven) en artikel 21.05 (huisvesting). De verdeling van het beschikbare budget over de hogescholen vindt plaats op grond van de WHW volgens het Bekostigingsbesluit WHW en de Regeling bekostiging hoger onderwijs. De rijksbijdrage wordt als een lumpsum aan de hogescholen uitgekeerd. Dit betekent dat de hogeschool zelf beslist over de meest doelmatige besteding van het geld voor personele, materiële en huisvestingsuitgaven. Vervolgens legt de hogeschool in het verslag verantwoording af over het gevoerde beleid. Het verslag bestaat uit de jaarrekening met de bijbehorende begroting, het jaarverslag en overige financiële gegevens en verschaft inzicht in de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de rijksbijdrage is toegekend.

De resterende uitgaven op dit beleidsterrein (circa 7%) zijn terug te vinden op de begrotingsartikelen 21.03 en 21.04. Op artikel 21.03 staan de rechtspositionele uitkeringen, ook wel de wachtgelduitgaven genoemd, en de middelen voor flankerend werkgelegenheidsbeleid. Overigens betreffen de wachtgelduitgaven alleen de personen die vóór 1 juli 1996 in het wachtgeld zijn ingestroomd. De nieuwe instroom in het wachtgeld wordt rechtstreeks verrekend met de rijksbijdrage aan de hogescholen (artikel 21.01). Op artikel 21.04 staan de middelen die aan de hogescholen worden toegekend voor specifieke activiteiten.

In de navolgende tabel worden de geraamde uitgaven 2000–2004 voor het hoger beroepsonderwijs weergegeven, de gerealiseerde uitgaven in 1998 en de verwachte realisatie in 1999.

Tabel 3.1. Totaal uitgaven en ontvangsten, uitgesplitst (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Totale uitgaven2 677,52 855,22 728,82 751,82 701,32 726,62 739,8
Rijksbijdrage2 483,92 668.62 661,32 694,52 652,52 679,42 692,6
Waarvan rechtspositionele uitkeringen*160,1162,2153,7142,3127,8115,4105,1
Waarvan huisvestingsvergoeding367,8367,8367,8367,8367,8367,8367,8
Overig193,6186,667,557,348,847,247,2
Totale ontvangsten– 16,9– 11,4– 5,2– 5,2– 5,2– 5,2– 5,2
Oploop in loon- en prijsbijstelling 020,951,777,8121,1150,9
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen 2 843,82 702,72 694,92 618,32 600,32 583,7

* Wachtgelduitgaven (excl. flankerend werkgelegenheidsbeleid) overeenkomstig het wachtgeldarrangement hbo 1996–2004, de wachtgelduitgaven «oud» zijn aangevuld met loonbijstellingen 1997 en 1998 en staan verantwoord op art. 21.03; de wachtgelduitgaven «nieuw» zijn opgenomen in art. 21.01.

Totale uitgaven

De totale uitgaven voor het hoger beroepsonderwijs liggen in de periode 2000–2004 op een relatief constant niveau. De daling van de totale uitgaven ten opzichte van 1999 is vooral het gevolg van de beëindiging van kwaliteit en studeerbaarheid (onderdeel overig) en de eenmalige toevoeging fractiegelden in 1999. Binnen de reeks totale uitgaven zijn er overigens wel een aantal plussen en minnen. Deze worden toegelicht aan de hand van respectievelijk de ontwikkeling van de rijksbijdrage, de rechtspositionele uitkeringen, de huisvestingsvergoeding en de overige uitgaven.

De rijksbijdrage is in 1999 eenmalig verhoogd met f 50 miljoen voor een bijdrage in de omslag- en frictiekosten die samenhangen met de vernieuwing in het hbo. De rijksbijdrage is vanaf 2000 structureel verhoogd in verband met de stijgende studentenaantallen. In de begroting 1999 was hiervoor al een extra budget beschikbaar gesteld van f 23 miljoen in 2000, f 55 miljoen in 2001, aflopend naar f 46 miljoen vanaf 2004. Daarnaast is er bij de Voorjaarsnota 1999 een extra budget beschikbaar gesteld voor met name de studentonwikkeling van f 33,1 miljoen in 2000 oplopend tot f 92 miljoen in 2004.

De stand rijksbijdrage is tevens verhoogd in verband met algemene salarismaatregelen, waaronder de incidentele loonontwikkeling en de cao. In verband met de cao is sprake van een loonbijstelling in 1999 van f 81 miljoen, oplopend tot bijna f 87 miljoen in 2004; de prijsbijstelling 1999 bedraagt f 15,8 miljoen in 1999, f 15,5 miljoen in 2000 en f 15,2 miljoen vanaf 2001. In de tabel is een aparte reeks (oploop in loon- en prijsbijstelling) gepresenteerd. Voor de invoering van de euro is in de jaren 2000 en 2001 een bedrag van f 3,9 miljoen (per jaar) aan de rijksbijdrage toegevoegd. Een nadere toelichting op deze maatregelen is opgenomen bij artikel 21.01.

Onder meer ter tegemoetkoming aan de verminderde inverdienmogelijkheden van instellingen als gevolg van het gewijzigde studiefinancieringsstelsel, is voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van f 10 miljoen vrijgemaakt ter versterking van de financiële positie van hbo-instellingen

Daarnaast is er sprake van een daling van de rijksbijdrage in verband met de bezuinigingstaakstelling in het kunstvakonderwijs, oplopend tot f 25 miljoen vanaf 2001. Hier staat een incidentele budgetreeks voor herstructureringsmiddelen tegenover: oplopend naar f 13,4 miljoen in 2001 en daarna aflopend naar nul in 2005; in totaal gaat het om f 50 miljoen. Tevens zijn vanaf 1999 de taakstellingen van het regeerakkoord verwerkt. Dit betreft een korting op de arbeidsproductiviteit beginnend in 1999 van f 12,6 miljoen oplopend tot f 49 miljoen in 2002, een taakstelling budgettering incidenteel in 1999 van f 4,6 miljoen oplopend tot f 17,8 miljoen. De laatste taakstelling betreft de indexatie collegegelden in 1999 van f 11,8 miljoen oplopend tot f 47,4 miljoen in 2002.

Rechtspositionele uitkeringen

De rechtspositionele uitkeringen ondergaan een daling. Deze ontwikkeling is overeenkomstig het wachtgeldakkoord dat met de hogescholen in 1996 is gesloten. Deze daling heeft tot gevolg dat er in de toekomst meer middelen beschikbaar blijven voor de exploitatie van de hogescholen.

Huisvesting

De huisvestingsvergoedingen vertonen een constant beeld.

Overige uitgaven

De overige uitgaven ondergaan een daling van 1999 naar 2000. Deze daling is grotendeels het gevolg van de beëindiging van kwaliteit en studeerbaarheid en ict. In 1999 bedraagt de laatste tranche van het studeerbaarheidsfonds f 82,6 miljoen. Daarnaast ontstaat er in 2000 ook een lager niveau doordat er in 1999 nog f 23 miljoen beschikbaar is. In de overeengekomen terugbetaling (in de jaren 1998 tot en met 2001) van de projectgelden die in 1996 zijn onttrokken bij de HBO-raad, is sprake van een aflopende reeks. Dit verklaart het verschil van f 4 miljoen in 2001 en f 3 miljoen in 2002. Een tweede oorzaak van de daling in 2001 houdt verband met de beëindiging in 2000 van de extra middelen (f 2,5 miljoen) voor de verbetering van de samenwerking tussen mbo-hbo. De beëindiging van de middelen voor het project verbetering bèta/techniek in 2001 is ook als tweede oorzaak aan te wijzen, maar dan voor de verdere daling van het uitgavenniveau 2002.

De totale ontvangsten vertonen een constant beeld, van 2000 tot 2004. De daling ten opzichte van 1999 wordt veroorzaakt door een aantal nabetalingen van hogescholen in verband met de afwikkeling van de rijksbijdrage 1998.

4. OVERIGE KERNGEGEVENS

In deze paragraaf worden achtereenvolgens gepresenteerd:

• de met beleidsterrein 21 samenhangende financiële kerncijfers;

• het aantal studenten naar kalenderjaar;

• overige kengetallen.

Tabel 4.1. Met beleidsterrein 21 samenhangende financiële kerncijfers (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Collegegelden1711,5748,1771,1766,7777,5795,9821,6

1Het collegegeld voor studenten die studiefinanciering ontvangen is f 2 750 in 1998 en f 2 816 in 1999. De instelling bepaalt het collegegeld voor de overige studenten. Bij de raming is uitgegaan van eenzelfde collegegeld voor voltijd-studenten en van een collegegeld voor deeltijd-studenten van f 1 700 in 1998 en f 1 730 in 1999. In bovenstaande bedragen is rekening gehouden met de geraamde indexering van het collegegeld vanaf het cursusjaar 200/2001.

Naast de rijksbijdrage verwerven de hogescholen inkomsten uit collegegelden. De collegegelden zijn sinds 1994 eigendom van de instelling. De stijging van de geraamde collegegeldinkomsten hangt samen met de stijgende studentenaantallen, zoals weergegeven in tabel 4.2. en de – geraamde – indexering van de collegegelden.

Tabel 4.2. Aantal studenten naar kalenderjaar (x 1000)
 1998199920002001200220032004
Totaal ingeschreven studenten271,3279,1286,2288,4285,6285,6287,8
– voltijd1227,4232,1236,0233,2226,3226,1228,6
– deeltijd243,947,050,255,259,359,559,1

Bron: referentieraming 1999 1Exclusief de studenten in het hoger agrarisch onderwijs; deze zijn opgenomen in de begroting van LNV. 2Voor de omrekening naar kalenderjaar t wordt een gemiddelde genomen van 2 collegejaren (2/3 x collegejaar t-1/t en 1/3 x collegejaar t/t+1)

De raming van het aantal ingeschreven studenten in het hoger beroepsonderwijs is ten opzichte van vorig jaar naar boven bijgesteld. Tot en met 2000 is er sprake van sterke stijging. In de periode 2000 tot en met 2004 is de raming van het aantal studenten nagenoeg constant. Dit is het gevolg van te verwachten tegengestelde effecten. Enerzijds is er sprake van een stijgende instroom en anderzijds is er sprake van een verkorting van de verblijfsduur van de nieuwe cohorten studenten, onder invloed van de maatregelen in het verblijfsduurakkoord. De stijging van de deelname aan het deeltijdse onderwijs is mede het gevolg van de afspraken met hogescholen over het stimuleren van deeltijdse en duale trajecten.

Kengetallen

Met behulp van de gegevens uit de bovenstaande tabellen kunnen enkele ratio's worden berekend. Deze zijn weergegeven in tabel 4.3.

Tabel 4.3 Kengetallen (uitgaven: x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Uitgaven per student, excl. WSF/WTS, huisvesting8,58,98,28,28,28,28,2
Uitgaven huisvesting per student1,41,31,31,31,31,31,3
collegegelden per student (schatting)2,62,72,72,72,72,82,9
Uitgaven per student, excl. WSF/WTS, huisvesting, in constante prijzen8,98,28,17,97,87,7

De ontwikkeling van de uitgaven per student dalen beduidend van 1999 naar 2000. Dit wordt veroorzaakt door de fluctuaties in de totale uitgaven en de geraamde studentenaantallen. Deze zijn opgenomen in tabel 3.1 en tabel 4.2. In het bijzonder gaat het om de daling van de uitgaven in 2000 vanwege de beëindiging van het studeerbaarheidfonds en de verdere stijging van de studentenaantallen in dat jaar.

Overigens laten de uitgaven na 2000 ook een verdere daling zien tot 2002 wanneer gecorrigeerd wordt voor de oploop in loon- en prijsbijstelling.

De uitgaven per student is een belangrijk kengetal.

Daarnaast zijn in OCenW in kerncijfers gegevens opgenomen over het rendement en de verblijfsduur in het hbo en resultaten van een onderzoek naar de mate waarin afgestudeerde hbo-ers 1,5 jaar na hun afstuderen er in geslaagd zijn een werkkring te vinden.

Beleidsterrein 22 Wetenschappelijk onderwijs

Wetenschappelijk onderwijs t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld. Uitgaven wetenschappelijk onderwijs f 5,7 mld.

1. ALGEMEEN

Dit beleidsterrein omvat de universiteiten en academische ziekenhuizen (artikel 22.01), de instituten van internationaal onderwijs en onderzoek (artikel 22.02) en de overige instituten van hoger onderwijs (artikel 22.03). De bekostiging en subsidiëring van deze instellingen geschiedt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), een aantal subsidieregelingen en in een aantal gevallen op basis van afzonderlijke wetgeving.

2. BUDGETTAIR KADER

Het budgettair kader voor het wetenschappelijk onderwijs is ten opzichte van de vorige begroting aanzienlijk verruimd.

Ten eerste wordt de komende jaren een bedrag oplopend van f 55 tot f 78 miljoen aan het budget voor de universiteiten toegevoegd. Ten opzichte van de begroting 1999 – die als gevolg van taakstellingen uit de regeerakkoorden 1994 en 1998 een dalend budgettair perspectief liet zien – betekent dit een trendbreuk, die aansluit bij de stijgende studentenaantallen. Onder meer door deze extra middelen voor de universiteiten is het mogelijk dat met ingang van het aankomende studiejaar 1999–2000 de eerstejaarsinstroom geneeskunde en de eerstejaarsinstroom tandheelkunde verder wordt uitgebreid. Ook is het hierdoor mogelijk de reeds langer lopende discussie over de financiering van de werkplaatsfunctie tandheelkunde op te lossen. De gezamenlijke universiteiten zullen op dit punt voor het einde van het jaar met een concreet voorstel komen.Ten tweede wordt een vernieuwingsimpuls ingesteld die ten goede komt aan vernieuwend universitair onderzoek. De uitvoering van deze impuls is belegd bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Aan de impuls, die uiteindelijk f 75 miljoen per jaar bedraagt, wordt f 25 miljoen bijgedragen door de universiteiten, f 25 miljoen door NWO en f 25 miljoen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Ten derde wordt de prijscompensatie 1999, die voor het hele beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs ruim f 27 miljoen structureel bedraagt, geheel uitgekeerd. De meerjarige doorwerking van deze prijscompensatie zal worden opgenomen in het budgettair kader voor de instellingen.

Ten vierde is er voor het wetenschappelijk onderwijs een bedrag beschikbaar gesteld van f 3 miljoen in zowel het jaar 2000 als 2001 voor dekking van de kosten van de invoering van de euro.

Naast de extra middelen is met ingang van 2001 een taakstelling van f 5 miljoen opgenomen voor de Open Universiteit Nederland (OUNL), die oploopt tot f 15 miljoen structureel met ingang van 2003.

3. BELEID

HOOP 2000

In het ontwerp Hoger onderwijs en onderzoek plan (HOOP) 2000, dat tegelijkertijd met deze begroting verschijnt, zijn de hoofdlijnen beschreven van het onderwijs- en onderzoeksbeleid voor universiteiten en hogescholen voor de komende jaren. In het regeerakkoord 1998 is afgesproken dat het HOOP nog maar eens in de vier jaar wordt uitgebracht. Het ontwerp-HOOP zal dus meer dan voorheen gericht zijn op het beleid voor de middellange termijn.

Het ontwerp-HOOP 2000 is in overleg met betrokkenen van binnen en buiten het onderwijsveld, tot stand gekomen. Vertrekpunt in het ontwerp-HOOP zijn de vraagstukken waarmee universiteiten de komende jaren te maken krijgen:

• er dreigt een aanzienlijk tekort aan hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt en de vraag naar bij- en omscholing neemt toe;

• internationale ontwikkelingen worden steeds belangrijker voor onderwijs en onderzoek;

• de rol van informatie- en communicatietechnologie (ict) in de samenleving en het onderwijs neemt sterk toe.

Om universiteiten beter in staat te stellen zelfstandig op deze ontwikkelingen in hun omgeving in te spelen wordt de zelfregie van de instellingen versterkt. Daartoe worden regels geschrapt. Zo zullen de macrodoelmatigheidstoets voor nieuwe opleidingen en de Adviescommissie onderwijsaanbod (ACO) komen te vervallen. Ook de mogelijkheden om onderwijs aan te bieden buiten de plaats van vestiging worden verruimd.

Het hoger onderwijs in Europa wordt steeds meer vormgegeven volgens het bachelor-master-model. Ook voor Nederland is dit een wenselijk perspectief. Een adviescommissie zal de gevolgen van deze ontwikkeling voor het Nederlandse hoger onderwijs op langere termijn in beeld brengen. Daarnaast zal het stelsel van kwaliteitszorg voor het onderwijs worden aangescherpt, waarbij ook de mogelijkheden van internationale accreditatie zullen worden verkend. De transparantie van post-initiële master-opleidingen zal worden vergroot door een registratiesysteem, als eerste stap op weg naar accreditatie. Er wordt meer ruimte geboden voor samenwerking tussen hbo en wo, waarbij fusie niet meer wordt uitgesloten. In de toekomst zullen universiteiten nog maar eens in de vier jaar een strategisch plan hoeven uit te brengen.

Bij versterking van de zelfregie van de instellingen zal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vooral sturen op de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Daarnaast is de minister verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, het functioneren van het bestel (waaronder de aansluiting tussen de verschillende onderwijssectoren en de aansluiting op de arbeidsmarkt) en een doelmatige besteding van middelen.

Complement van meer eigen verantwoordelijkheid voor de instellingen is het afleggen van verantwoording over de eigen keuzes van instellingen en inzet van middelen. Streven is de publieke verantwoording een selectief en op hoofdlijnen gericht karakter te geven. In dat verband is de rol van de Raden van Toezicht van belang. Naarmate zij meer invulling geven aan hun toezichthoudende taak worden betere condities geschapen voor zowel deregulering als een selectiever toezicht door de minister op basis van kwaliteit.

Vernieuwingsbeleid

In een sturingsfilosofie waarin de nadruk ligt op zelfregie van de instellingen past terughoudendheid ten aanzien van landelijke stimulering van onderwijsinnovaties. Algemeen uitgangspunt is dat innovatie van het onderwijs behoort tot de reguliere taken van de universiteiten en in beginsel uit de lumpsum bekostigd wordt. Op deze wijze zullen innovaties het beste aansluiten bij het profiel van de instelling, waardoor ook de kans op structurele doorwerking het grootst is. In dat perspectief past ook het besluit om geen vervolg te geven aan het studeerbaarheidsfonds.

Bovenstaande neemt niet weg dat het wenselijk kan zijn om bepaalde ontwikkelingen, die niet vanzelf tot stand komen, tijdelijk te stimuleren. Voor het wetenschappelijk onderwijs staat daarbij inspelen op de hierboven genoemde vraagstukken centraal:

• de maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden;

• internationale ontwikkelingen;

• informatisering.

Maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden

De maatschappelijke behoefte aan hoger opgeleiden zal de komende jaren naar verwachting aanzienlijk toenemen. Om tegemoet te komen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag op de arbeidsmarkt is vernieuwing en verbreding van opleidingen nodig. Daarbij zal – gegeven de problematiek in die sectoren – speciale aandacht worden besteed aan bèta-opleidingen en de universitaire lerarenopleidingen.

Universitaire lerarenopleidingen

Op basis van het convenant met de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) over de universitaire lerarenopleidingen (ulo) komt de komende jaren jaarlijks een extra bedrag, oplopend tot f 6,4 miljoen bovenop de bestaande f 6,4 miljoen, beschikbaar. Van deze extra middelen is voor de jaren 1999 tot en met 2001 in totaal f 6 miljoen bestemd voor financiering van vernieuwingsplannen en voor de jaren 2000 tot en met 2002 in totaal f 5,1 miljoen voor verbetering van de begeleiding van studenten in het voortgezet onderwijs. Een commissie van de Onderwijsraad (de Commissie Ginjaar-Maas) heeft inmiddels de vernieuwingsplannen van de ulo's beoordeeld. Het wetsvoorstel modernisering universitaire lerarenopleidingen is in de zomer van 1999 aangeboden aan de Tweede Kamer.

Dualisering

In 1999 heeft de tweede en laatste tranche van het stimuleringsbeleid voor duale opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs plaatsgevonden. In totaal hebben 26 opleidingen subsidie ontvangen. In 2001 zal de inspectie de ervaringen met het experimentenbeleid evalueren ten behoeve van besluitvorming door het parlement. Dan is de vraag aan de orde of duale opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs een structurele wettelijke basis zullen krijgen.

Aansluiting vwo-wo

Om te voorzien in de behoefte aan hoger opgeleiden is een goede aansluiting tussen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs van belang. Een goede aansluiting draagt er aan bij dat vwo-leerlingen niet op oneigenlijke gronden kiezen voor het hoger beroepsonderwijs. Om het wetenschappelijk onderwijs goed te laten aansluiten op de vernieuwde tweede fase in het voortgezet onderwijs, is voor de periode 1999–2001 jaarlijks f 2,4 miljoen beschikbaar voor samenwerkingsprojecten van universiteiten en scholen voor voortgezet onderwijs. Bij de VSNU is een databank ingericht waarin de ervaringen met deze projecten worden opgenomen.

Internationale ontwikkelingen

Om de Nederlandse universiteiten af te stemmen op internationale ontwikkelingen en een internationale dimensie in de opleiding van studenten te bevorderen, vinden verscheidene stimuleringsmaatregelen plaats.

University College

Aan de Universiteit Utrecht wordt voor het University College voor de jaren 2001 en 2002 een subsidie van f 1,8 miljoen verleend. Het University College is een belangrijk initiatief voor vernieuwing binnen het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs. Naast een gedifferentieerde en interdisciplinaire aanpak vormt internationalisering van het onderwijs een belangrijk element in de activiteiten van het College.

Stimuleringsprogramma's

Naast beurzen en toelagen wordt internationalisering gestimuleerd via twee subsidieprogramma's:

• het grenslandenbeleid, dat samenwerkingsprojecten met Vlaanderen en de Duitse deelstaten Noordrijnland-Westfalen, Bremen en Nedersaksen ondersteunt;

• het Japan-prijswinnaarsprogramma, gericht op stimulering van de kennis onder leidinggevenden in het bedrijfsleven over Japan.

Informatisering

Informatie- en communicatietechnologie (ict) biedt belangrijke mogelijkheden voor meer variëteit en flexibiliteit in het hoger onderwijs. Een verdere invoering van ict in het hoger onderwijs is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de instellingen. Via het studeerbaarheidsfonds is de afgelopen jaren aanzienlijk geïnvesteerd in ict. In 1999 is SURF gestart met het Educatief-programma, gericht op stimulering van ict-gebruik in het hoger onderwijs. Onderdelen van dit programma zijn een on line expertisecentrum, activiteiten voor deskundigheids-bevordering van docenten en een vernieuwingsfonds (educatiefonds), waaruit activiteiten van universiteiten en hogescholen voor vernieuwing van het onderwijs door middel van ict kunnen worden meegefinancierd. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft in 1999 f 4,5 miljoen subsidie aan dit fonds gegeven. Voor de jaren 2000–2002 zal voor het wetenschappelijk onderwijs een bedrag van in totaal f 22,5 miljoen beschikbaar worden gesteld aan dit fonds volgens de volgende reeks: f 5 miljoen in 2000, f 7,5 miljoen in 2001 en f 10 miljoen in 2002.

Bekostiging

Onderwijsbekostiging

Met ingang van het begrotingsjaar 2000 is een nieuwe bekostigingssystematiek voor de universiteiten van toepassing, het Prestatie BekostigingsModel (PBM). De wijzigingen ten opzichte van het bekostigingsmodel 1999 hebben voornamelijk betrekking op het onderwijsdeel. In de nieuwe systematiek wordt het landelijk onderwijsdeel voor 50% afhankelijk van gerealiseerde prestaties in de vorm van diploma's; 37% bestaat uit een basisvoorziening voor studentonafhankelijke onderwijscapaciteit, het restant (13%) wordt verdeeld op basis van de gerealiseerde instroom van eerstejaars studenten.

Onderzoeksbekostiging

In het Wetenschapsbudget 2000 en het ontwerp-HOOP is aangekondigd dat de dieptestrategie en de breedtestrategie komen te vervallen. De breedtestrategie – met een beoordeling van voorstellen van universiteiten door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) – heeft niet naar tevredenheid van alle betrokkenen gefunctioneerd. Wel heeft zij tot gevolg gehad dat universiteiten zich sterker dan voorheen profileren in hun onderzoeksbeleid.

Naar aanleiding van de evaluatie van de eerste tranche van de dieptestrategie is besloten tot het instellen van een vernieuwingsimpuls bij NWO. Achterliggende gedachte is dat er niet zozeer behoefte is aan stimulering van topkwaliteit (de beleidsfilosofie van de dieptestrategie), maar dat vooral ruimte voor vernieuwing ontbreekt. De vernieuwingsimpuls zal in eerste instantie over enkele jaren een omvang van f 75 miljoen per jaar hebben. Hiervan wordt f 25 miljoen bijgedragen door de universiteiten (uit de middelen voor de dieptestrategie), f 25 miljoen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en een bedrag oplopend tot f 25 miljoen door NWO. Wanneer zich op termijn binnen de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen reële mogelijkheden voordoen voor extra uitgaven, zal prioriteit worden gegeven om het bedrag voor de vernieuwingsimpuls verder te verhogen. De universiteiten zullen de resterende middelen (f 25 miljoen) voor de tweede tranche van de dieptestrategie beschikbaar houden om deze, bij verdere groei van de vernieuwingsimpuls, daarvoor in te zetten.

De toezeggingen voor de eerste tranche van de dieptestrategie zijn in de bekostiging verwerkt.

Open Universiteit Nederland

Het kabinet heeft een korting op de rijksbijdrage van de Open Universiteit Nederland (OUNL) vastgesteld, oplopend van f 5 miljoen in 2001, via f 10 miljoen in 2002 naar f 15 miljoen per jaar vanaf 2003. De achtergrond hiervan wordt gevormd door twee ontwikkelingen. Enerzijds is er de afgelopen jaren een daling opgetreden in het aantal studenten aan de OUNL. Anderzijds is er sprake van een doorzettende groei van het relatieve aandeel studenten bij de OUNL dat reeds een hoger onderwijsdiploma heeft verworven. Het aantal tweede kansstudenten bij de OUNL neemt dus af. Aanpassing van de hoogte van de rijksbijdrage in relatie tot het aantal studenten ligt daarmee in de rede, ook indien rekening wordt gehouden met de bijzondere aard van het onderwijs aan de OUNL (afstandsonderwijs voor bijzondere doelgroepen). Tevens zijn er snelle ontwikkelingen op het gebied van teleleren en de toepassing van ict in het hoger onderwijs in samenhang met de ontwikkelingen bij de OUNL. Dit geheel leidt tot een nadere bezinning op het toekomstperspectief voor de OUNL. In het ontwerp-HOOP is een uitvoerige analyse van deze ontwikkelingen opgenomen.

Met de OUNL is afgesproken dat zij in een toekomststudie de twee scenario's zal onderzoeken en op basis van beargumenteerde afweging een strategisch plan opstelt. Een begeleidingscommissie van externe deskundigen, in te stellen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, zal het proces van planvorming door de OUNL begeleiden. Naar aanleiding van het strategisch plan van de OUNL en de opvattingen van de begeleidingscommissie zullen in het voorjaar 2000 conclusies worden getrokken over de verdere ontwikkeling van de OUNL.

Numerus fixus

Voor het studiejaar 1999–2000 zal de instroom van de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde worden verhoogd van 1813 naar 1875 voor geneeskunde en van 225 naar 240 voor tandheelkunde. Daarmee wordt de eerstejaarsinstroom gerealiseerd die in het HOOP 1998 is aangegeven.

Decentralisatie arbeidsvoorwaarden

Met ingang van 1 januari 1999 zijn de werkgevers en werknemers in het wetenschappelijk onderwijs zelf verantwoordelijk voor het arbeidsvoorwaardenoverleg. Nu hiermee ook de primaire arbeidsvoorwaarden (met uitzondering van pensioenen, flexibele pensionering en de sociale zekerheid, voor zover niet bovenwettelijk) zijn doorgedecentraliseerd, zijn de instellingen in staat meer maatwerk te leveren met betrekking tot de inhoud van de arbeidsvoorwaarden. De overheid blijft verantwoordelijk voor het vaststellen van de arbeidsvoorwaardenruimte. In dat kader zal monitoring plaatsvinden van besteding van de financiële ruimte en de mogelijkheden voor universiteiten om personeel te werven.

Academische ziekenhuizen

In vervolg op het rapport Bepaald betaalbaar van de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ) zijn per 1 januari 1997 nieuwe bekostigingsmodellen ingevoerd voor de bepaling van de budgetten per academisch ziekenhuis voor enerzijds het rijksbijdragedeel en anderzijds het zorgbudget voor reguliere en topzorgfuncties. Daarnaast is door het NZI een onderzoek verricht om te komen tot een bekostigingsmodel voor het restant (de zogenaamde «kijkdoos»). Een onderdeel van dit onderzoek is gericht op een bekostigingsmodel voor de topreferentiefunctie. De eindrapportage van dit onderzoek bekostiging bepaald is inmiddels beschikbaar waarna een overlegtraject is gestart met het veld.

4. HORIZONTALE TOELICHTING

Tabel 4.1 Totaal uitgaven en ontvangsten (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Totale uitgaven5 453,05 739,55 707,45 681,95 694,75 722,15 656,3
Universiteiten4 057,14 268,84 308,14 298,24 327,44 363,04 289,8
Universitaire lerarenopleidingen5,66,48,511,412,811,211,2
Huisvesting van universiteiten187,6187,8187,8187,8187,8187,8187,8
Academische ziekenhuizen en klinieken870,7931,5931,2928,8920,6918,9925,8
Totaal universiteiten en academische ziekenhuizen (22.01)5 121,05 394,55 435,65 426,25 448,55 480,85 414,6
Bekostiging overige instellingen (22.02 + 22.03)237,2244,1237,3233,6225,6220,6221,0
Rechtspositionele uitkeringen (22.04)13,915,76,26,67,37,37,3
Overige uitgaven (22.06)80,985,328,415,613,313,413,4
Totale ontvangsten (22.01)– 2,8– 2,4– 2,4– 2,4– 2,4– 2,4– 2,4
Oploop in loon- en prijsbijstelling  217,0262,0291,9364,4364,4
Gesaldeerde uitgaven in constante prijzen 5 737,15 488,05 417,55 400,35 355,35 289,4

In tabel 4.1 worden voor het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs, artikelsgewijs, de gedane uitgaven 1998 (volgens slotwet 1998), de verwachte uitgaven 1999 en de begrote uitgaven voor de periode 2000–2004 getoond. De tabel toont voor het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs als geheel tussen 1999 en 2002 een daling. Na een stijging in 2002 en 2003 is in 2004 weer sprake van een afname van het beschikbare budget. Een viertal hoofdverklaringen ligt hieraan ten grondslag:

• het gecombineerde effect van een taakstelling van uiteindelijk ruim f 300 miljoen structureel en de indexatie van de hoogte van het verschuldigde collegegeld;

• de op de studentenontwikkeling gebaseerde budgetverruiming, oplopend van f 55 miljoen in 2000 tot f 78 miljoen vanaf 2003;

• een mutatie kasbeleid over de periode 2000–2003 (–f 30 miljoen in elk van de jaren 2000 en 2001 en + f 20 miljoen in 2002 en + f 46 miljoen in 2003);

• de taakstelling voor de OUNL van f 5 miljoen in 2001, via f 10 miljoen in 2002 naar f 15 miljoen structureel vanaf 2003.De toename van de collegegeldopbrengsten wordt in mindering gebracht op de universitaire budgetten (de universiteiten ontvangen de collegegelden van de studenten).

Ten laste van artikel 22.01 komen de uitgaven voor universiteiten en academische ziekenhuizen. De op dit artikel genoemde bedragen worden vrijwel volledig over de instellingen verdeeld op basis van de uitkomsten van de gehanteerde verdeelmodellen. Zoals eerder opgemerkt fluctueert deze reeks onder invloed van een uit te voeren taakstelling, de indexatie van de collegegelden en de mutatie kasbeleid.

De ramingen van de uitgaven voor het internationaal onderwijs en onderzoek (artikel 22.02) zijn bijgesteld in overeenstemming met het ministerie van Buitenlandse Zaken. De daarmee gemoeid zijnde bedragen worden voor het belangrijkste gedeelte toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking en zijn grotendeels te beschouwen als officiële ontwikkelingshulp.

Bij de overige instituten voor hoger onderwijs (artikel 22.03) is deels sprake van wettelijke bekostiging zonder open-einde. Daarnaast bestaat er een aantal gesubsidieerde instellingen die onder niet-wettelijke bekostiging vallen. De vaststelling van de hoogte van de subsidie voor deze instellingen is gebaseerd op de specifieke subsidievoorwaarden.

Onder de artikelen 22.02 en 22.03 vallen ook instellingen waarvan Nederland op grond van internationale verdragen medefinancier is. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld in internationale gremia waar Nederland in participeert.

De samengevoegde reeks (artikel 22.02 en 22.03) toont een geringe daling na 1999. In 1999 is sprake van een incidentele ophoging van de subsidie aan de NUFFIC (artikel 22.02) met f 4,7 miljoen in verband met een bijdrage aan het fonds Beurzen Culturele Verdragen / Huygensprogramma. Voorts is de taakstelling voor de OUNL (artikel 22.03) van f 5 miljoen in 2001, via f 10 miljoen in 2002 naar f 15 miljoen per jaar vanaf 2003 hierin begrepen.

Sinds 1991 is een ontwikkeling gaande waarbij de verantwoordelijkheid voor de uitkeringslasten na ontslag van personeel is overgedragen aan de instellingen zelf. De kosten van uitkeringen na ontslag zijn daartoe gebudgetteerd en maken deel uit van de hierboven genoemde artikelbudgetten.

Ten laste van artikel 22.04 komen die kosten die betrekking hebben op oude ontslaguitkeringsrechten en de kosten van pensioenrechten van kerkelijke hoogleraren.

De sterke afname van de omvang van artikel 22.06 na 1999 wordt veroorzaakt door de afloop van het studeerbaarheidsfonds in 1999 en het einde van de stimuleringsregeling voor aankomende hoogleraren in 2000.

In de tabel is als correctieregel de oploop in loon- en prijsbijstelling vermeld. Deze correctie maakt het mogelijk de reële budgetontwikkeling te tonen, waarbij gecorrigeerd is voor nominale invloeden.

5. OVERIGE KERNCIJFERS

Uitgaven en ontvangsten

In tabel 5.1 worden de uitgaven gepresenteerd die samenhangen met het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs en elders in de begroting zijn opgenomen. Van de opbrengst van de collegegelden is een schatting opgenomen op basis van het geraamde aantal studenten en de hoogte van het collegegeld. De collegegelden worden sinds 1993 door de studenten rechtstreeks aan de instellingen betaald. De stijging van de verwachte collegegeldopbrengsten wordt voor het belangrijkste gedeelte verklaard uit de indexatie van de collegegelden.

Tabel 5.1 Met beleidsterrein 22 samenhangende financiële kerncijfers (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Opbrengst collegegelden (schatting)399,2422,0434,3445,9458,7470,7482,6

Gebruiksindicatoren

Tabel 5.2 Aantal studenten naar kalenderjaar/studiejaar (x 1000)
Studiejaar98/9999/0000/0101/0202/0303/0404/05
Eerstejaars studenten (rr'99)29,929,729,028,728,728,729,0
Kalenderjaar1998199920002001200220032004
Ingeschrevenen154,8155,0155,6156,0156,6156,9157,1
Kalenderjaar1998199920002001200220032004
Afgestudeerden (rr'99)22,922,221,320,821,021,421,5

rr'99: referentieraming 1999.

Bron: voor de universiteiten het CBS (1998).

Naast nieuwe telgegevens is de raming ook gewijzigd door een aantal correcties. Voor meer informatie over de studentenramingen wordt verwezen naar de referentieraming 1999.

Doelmatigheidskengetallen

In tabel 5.3 wordt de ontwikkeling van een aantal doelmatigheidskengetallen getoond. Voor wat betreft de onderwijsuitgaven per student heeft daarbij een correctie plaatsgevonden voor loon- en prijsbijstellingen.

Tabel 5.3 Uitgaven per student (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Onderwijsuitgaven per student, gecorrigeerd voor loon- en prijsbijstellingen9,19,79,39,29,29,18,9
Collegegelden per student2,62,82,93,03,13,13,2

Beleidskengetallen

Behoefte aan hoger opgeleiden

Op de arbeidsmarkt dreigt een omslag van overschotten naar tekorten. De instroom in het wetenschappelijk onderwijs dient dan ook op peil te worden gehouden. Een goede toegankelijkheid is van groot belang.

Doorstroom vwo-wo

Het grootste deel van de instroom in het wetenschappelijk onderwijs is vooralsnog instroom direct vanuit het vwo. Met oog op de verwachte tekorten is het van groot belang zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen vwo en wo.

Een indicator hiervoor is het doorstroompercentage van vwo naar wo. Hierbij dient naast de directe instroom (vwo-gediplomeerden die zonder vertraging een wo-opleiding beginnen) ook de indirecte instroom te worden meegenomen. Uit de historische gegevens blijkt dat circa 65% van de vwo-gediplomeerden direct voor het wo kiest, daarnaast stroomt circa 10% indirect door. Hierbij moet worden opgemerkt dat vwo-gediplomeerden die eerst de hbo-propedeuse behalen en vervolgens alsnog een wo-opleiding gaan volgen worden geregistreerd als instroom afkomstig uit het hbo. Het streven is om het huidige doorstroompercentage in stand te houden en te trachten een grotere doorstroom te bewerkstelligen.

Tabel 5.4 Doorstroom vwo – wo
examenjaar1990/911991/921992/931993/941994/951995/961996/971997/98
Aantal vwo-diploma's31 64229 06928 59028 85727 87328 23927 65727 733
Directe instroom in wo21 10419 31519 01419 13217 68117 64017 79818 1001
Totaal ingestroomd in wo tot 98/9924 12622 10421 69321 77620 31720 33620 30518 100
% direct66,7%66,4%66,5%66,3%63,4%62,5%64,4%65,3%
% tot 98/99 toe naar wo76,2%76,0%75,9%75,5%72,9%72,0%73,4%65,3%

1 Voor gediplomeerden uit 1998/99 is de directe doorstroom vanzelfsprekend gelijk aan de totale doorstroom. Zij hebben immers nog geen kans gekregen om vertraagd in te stromen.

Instroom bèta/techniek

De tekorten lijken zich vooral in de technische sectoren te gaan manifesteren. Diverse maatregelen zijn dan ook gericht op het bevorderen van de instroom in juist deze sectoren. Het streven is om zowel relatieve als absolute instroom te verhogen. Naast maatregelen gericht op imagoverbetering van deze opleidingen is het programma van de meeste exacte opleidingen verbreed en is de studieduur verlengd.

Tabel 5.5 Instroom in bèta-opleidingen
 1991/921992/931993/941994/951995/961996/971997/981998/99
Natuur2 8482 7732 8972 8942 6392 6312 8222 645
Techniek5 5545 0914 9354 7514 1583 9674 2464 455
Totaal35 64633 67132 68431 71228 51927 91329 10730 266
% natuur t.o.v. totaal8,0%8,2%8,9%9,1%9,3%9,4%9,7%8,7%
% techniek t.o.v. totaal15,6%15,1%15,1%15,0%14,6%14,2%14,6%14,7%

Doelgroepenbeleid

Naast algemeen deelnamebeleid voert de overheid beleid gericht op de deelname aan het hoger onderwijs van specifieke groepen. De belangrijkste hiervan zijn vrouwen, allochtonen en studenten uit «lagere» sociale milieus. Het percentage allochtone studenten in het hoger onderwijs is momenteel circa 6. Gezien de demografische ontwikkeling ligt het in de lijn der verwachtingen dat dit in de komende jaren zal toenemen.

Bijna de helft van de nieuwe studenten is momenteel vrouw. Indien echter wordt gekeken naar de verschillende CROHO-onderdelen blijkt dat het percentage vrouwen in de sectoren techniek en natuur nog steeds sterk achter blijft. Bij de sectoren gedrag & maatschappij en taal & cultuur zijn vrouwen daarentegen duidelijk in de meerderheid.

Het streven blijft om de deelname aan het wetenschappelijk onderwijs een betere afspiegeling van de maatschappij te laten zijn. Met name de deelname van vrouwen aan opleidingen in de sectoren techniek en natuur heeft dan ook de aandacht.

Tabel 5.6 Percentage vrouwen onder eerstejaars Nederland
 LandbouwNatuurTechniekGezond-heidEconomieRechtGedrag & MaatschappijTaal & CultuurTotaal
Vrouwen52,4%36,7%17,4%66,1%30,3%57,8%70,3%70,3%49,6%

Rendementen

De gediplomeerde uitstroom is de resultante van instroom en rendementen. Een belangrijk streven is om het rendement van het hoger onderwijs te verhogen. Hierover zijn afspraken gemaakt met de universiteiten, bijvoorbeeld in het bèta-convenant. Van de studenten die in 1989/90 begonnen aan een wo-opleiding was na 8 jaar ruim 60 procent in het bezit van een wo-einddiploma. Indien ook de studenten die naar het hbo zijn omgezwaaid en daar een hbo-einddiploma behaalden worden meegerekend, is het rendement voor dit cohort bijna zeventig procent.

Tabel 5.7 Rendementen
wo diploma na 8 jr. NatuurTechniekGezondheidRechtenEconomieG&MT&CLandbouwgemiddeld
1988/89706181546262547862
1989/90676082556059527761
hbo-diploma na 8 jr.NatuurTechniekGezondheidRechtenEconomieG&MT&CLandbouwgemiddeld
1988/896133475657
1989/906153586777
ho-diploma na 8 jr. NatuurTechniekGezondheidRechtenEconomieG&MT&CLandbouwgemiddeld
1988/89767484586967608369
1989/90737585606865598468

Onderzoek

Een substantieel deel van de middelen van de universiteiten wordt ingezet voor onderzoek. Het Nederlandse onderzoek wordt internationaal gezien goed gewaardeerd. Het aantal wetenschappelijke publicaties ten opzichte van de inzet van wetenschappelijk personeel is tussen 1992 en 1997 met ongeveer 15 procent toegenomen.

Tabel 5.8 Onderzoeksinput en -output
Wetenschappelijke publicaties/ wetenschappelijk personeel onderzoek199219931994199519961997
Totaal aantal publicaties44 80848 41950 83649 17249 53249 981
excl. Landbouw42 61245 82248 13946 68146 99647 466
Totale inzet WP onderzoek14 43014 75714 61414 54614 11214 133
excl. Landbouw13 59113 86513 74413 58313 13813 190
Gemiddeld3,13,33,53,43,53,5
excl. Landbouw3,13,33,53,43,63,6

Beleidsterrein 23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

Onderzoek en wetenschapsbeleid t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld Uitgaven onderzoek en wetenschapsbeleid f 1,3 mld.

kst-26800-VIII-2-15.gif

1. ALGEMEEN

De middelen die binnen dit beleidsterrein zijn gereserveerd betreffen allereerst (artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening) de bekostiging op basis van wetten, zoals:

• de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW);

• de Wet op de Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO-wet);

• de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO-wet);

• koninklijke besluiten;

• internationale verdragen en statuten van dertig grote(re) en kleinere instellingen van verschillend karakter.Te onderscheiden zijn:

• de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW);

• de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO);

• de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO);

• de grote technologische instituten (gti's);

• instellingen op het terrein van bibliotheekwezen en informatieverzorging, waaronder de Koninklijke Bibliotheek;

• alfa/gamma onderzoek;

• publieksvoorlichting over wetenschap en technologie;

• maatschappelijke oordeelsvorming en verkenningen;

• internationale onderzoeksinstellingen.

Met de beleidslijnen, opgenomen in opeenvolgende Wetenschapsbudgetten, wordt een kader gegeven voor de strategische plannen en de begrotingen van de instellingen.

Naast de bekostiging van dertig instituten op artikel 23.01 worden er op artikel 23.04 (coördinatie wetenschapsbeleid) middelen gereserveerd voor nationale en internationale coördinerende activiteiten met in totaal een omvang van f 73,3 miljoen. Met deze middelen geeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen invulling aan zijn rol van coördinerend minister van wetenschapsbeleid.

2. BELEID

Zelfregie

De overheid kan en wil niet alles zelf regelen en zal een sterk beroep doen op het zelfregulerend vermogen van het onderzoekbestel. Autonomie, ruimere mogelijkheden om een eigen profiel te kiezen, verantwoording en daaraan te verbinden consequenties moeten zorgen voor een transparant en gedifferentieerd bestel. Daarvoor is een goede bestuurlijke relatie met de instellingen en organisaties nodig. Deze wordt op hoofdlijnen gestalte gegeven in vierjaarlijkse strategische plannen waarop de eerstverantwoordelijke bewindslieden een standpunt innemen. De jaarlijkse begrotingen worden marginaal aan het strategisch plan getoetst. Tegenover grotere autonomie staat heldere verantwoording door de onderzoekorganisaties en universiteiten.

Carrièreperspectief

Wetenschap is mensenwerk. Het zijn de inventiviteit en creativiteit van onderzoekers die nieuwe kennis opleveren en helpen deze kennis toepasbaar te maken. Een sterk en levend onderzoekbestel vraagt gekwalificeerde onderzoekers in een leeftijdsopbouw die een goede mix van ervaring en talent biedt. Dit vereist een goed personeelsbeleid, maar ook de wervende kracht van een uitdagende omgeving. Er zal een diepgaand onderzoek plaatsvinden naar de arbeidsmarkt van onderzoek in internationaal perspectief. Het vak van onderzoeker moet mensen creatieve ruimte, continuïteit van onderzoeklijnen en carrièreperspectief bieden. Om jonge getalenteerde onderzoekers in het onderzoek te houden is een aanpak nodig die de periode tussen promotie en het bereiken van een gevestigde positie overbrugt. De instellingen zijn hier zelf uitdrukkelijk aan zet om een carrièreperspectief te kunnen bieden. Specifiek voor vrouwen komt er een fonds om de in- en doorstroom van vrouwen te bevorderen.

Vernieuwend vermogen

Fundamenteel onderzoek is een belangrijke vernieuwingsbron voor de maatschappij. Om de instellingen in de gelegenheid te stellen het meest vernieuwende onderzoek te beschermen en meer ruimte te bieden, is in het Wetenschapsbudget besloten een extra impuls te geven aan vernieuwend onderzoek gericht op de lange termijn. Voor de versterking van de oriëntatie op lange termijn zetten het ministerie van OCenW, NWO en de universiteiten ieder f 25 miljoen in voor de bij NWO in te stellen vernieuwingsimpuls, die hiermee f 75 miljoen zal omvatten. Van de OCenW-inzet is f 10 miljoen «nieuw»geld. Dit zal vanaf 2003 worden ingezet. De inzet van de universiteiten komt uit de middelen die voor de tweede tranche van de dieptestrategie zijn gereserveerd. De daarvoor resterende middelen (f 25 miljoen) worden in reserve gehouden om in te zetten bij verdere groei van de vernieuwingsimpuls. Deze impuls kan nog groeien wanneer zich daartoe op termijn reële mogelijkheden binnen mijn begroting voordoen. Verkenningen moeten opties aanreiken voor de oriëntatie van onderzoek en keuzes voorbereiden. Bij verkenningen vanuit wetenschappelijk perspectief krijgt de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) een coördinerende taak, bij verkenningen vanuit maatschappelijk perspectief ligt die taak bij de Adviesraad voor wetenschap en technologiebeleid (AWT).

Communicatie

Burgers hebben recht op goede informatie over wetenschap en technologie. Zeker waar toepassingen ervan het dagelijks leven sterk beïnvloeden en aan onze waarden en normen raken. Door goede informatie kan ook het draagvlak voor wetenschap en technologie groeien. Voorlichting over wetenschap, mogelijke maatschappelijke gevolgen ervan in debat brengen en het maatschappelijk debat over ethische vraagstukken stimuleren die met onderzoek samenhangen, maken daarom deel uit van het wetenschapsbeleid van de overheid. De communicatieve inspanningen van de instellingen kunnen verder worden versterkt door samen te werken met de Stichting Wetenschap en Techniek Nederland (WeTeN) en met het Platform Wetenschap en Ethiek van het Rathenau Instituut. De evaluaties van WeTeN en Rathenau Instituut zullen in samenhang worden bezien om een strategische overheidsvisie op communicatie over wetenschap en technologie op te stellen.

Nieuwe vormen van samenwerking

Nieuwe vormen van samenwerking ontstaan over grenzen van huidige instituties en gebieden heen, multidisciplinair, onderzoekers samen met toepassers van kennis, tijdelijk, regionaal, landelijk, internationaal. Wisselwerking krijgt met name gestalte op de werkvloer, op het niveau van programma's en projecten. Samen met het ministerie van Economische Zaken en andere departementen wil OCenW de wisselwerking tussen onderzoek en bedrijfsleven versterken. Samenwerking met de departementen wordt versterkt door ze nauw te betrekken bij het verkenningenproces en door beleidsgerichte onderzoekrapportages. Op europees niveau wordt samengewerkt in projecten en netwerken, maar van institutionele samenwerking tussen onderzoekorganisaties en van een Europese taakverdeling is nog geen sprake. In de aanloop naar het zesde kaderprogramma is een fundamentele gedachtewisseling nodig met als mogelijk toekomstbeeld een Europese onderzoekruimte, zonder grenzen, met een eigen identiteit.

3. DE BELEIDSDOELEN OP BASIS VAN KENGETALLEN

De activiteiten op beleidsterrein 23, gericht op de organisaties binnen dit beleidsterrein zijn uiteindelijk gericht op het bereiken van drie beleidsdoelen:

• het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek;

• het bevorderen van de internationalisering van het wetenschappelijk onderzoek en

• het bevorderen van de maatschappelijke relevantie van het wetenschappelijk onderzoek.Daarnaast is het van belang dat er sprake is van een productieve en doelmatige inzet van de middelen.

Een directe relatie tussen de inzet van de overheidsmiddelen, de activiteiten van de instellingen die wetenschappelijk onderzoek uitvoeren en de uiteindelijk te bereiken beleidsdoelen is moeilijk te maken. Wel kunnen de navolgende kengetallen per beleidsdoel een partieel en globaal inzicht geven in het functioneren van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot deze doelen.

Kwaliteit

Het opnemen van een Nederlandse publicatie in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift geeft een eerste indruk van de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek. Indien deze publicatie vervolgens in andere wetenschappelijke publicaties wordt geciteerd, dan krijgt het kwaliteitsaspect een tweede dimensie. Daarbij gaat het ook om de zichtbaarheid en bruikbaarheid van die publicatie.

Uit diverse publicaties blijkt dat het Nederlandse onderzoek van goede tot zeer goede kwaliteit is:

• In de periode 1995–1996 werden Nederlandse publicaties gemiddeld 24% meer geciteerd dan het wereldgemiddelde; het percentage citaties ligt al geruime tijd ongeveer 20% boven het wereldgemiddelde; sommige (sub)disciplines scoren ruim boven het Nederlandse gemiddelde;

• Nederlandse onderzoekers publiceren in het algemeen in tijdschriften die een relatief hoge citatie-frequentie kennen (met andere woorden de betere tijdschriften);

• De universiteiten van Leiden, Amsterdam en Utrecht behoren tot de tien beste van Europa.

Ook de uitkomsten van de VSNU-onderzoekvisitaties laten zien dat het onderzoek binnen de verschillende wetenschappelijke disciplines van een goed niveau is, zij het dat op onderdelen verbetering mogelijk is. Hiervoor dragen in eerste instantie de universiteiten zelf de verantwoordelijkheid.

Internationalisering

De volgende figuur laat zien dat er in de periode 1983–1996 sprake is van een toegenomen internationale samenwerking tussen Nederlandse onderzoekers en onderzoekers in andere landen. Wel lijkt er aan het einde van de periode sprake te zijn van een stabilisatie, net als in een aantal andere landen. De toename in de internationale samenwerking komt vooral door de samenwerking met EU-landen in het kader van de Europese programma's (EUREKA, de EU-kaderprogramma's). De mate waarin internationaal wordt samengewerkt varieert per discipline en komt vooral voor bij de bèta-disciplines en minder bij de gamma- en de alfadisciplines. Het percentage internationale samenwerking varieert tussen 2% (bij de alfawetenschappen) en 49% (sterrenkunde).

Het blijkt ook dat, wanneer wordt samengewerkt met buitenlandse onderzoekers, de invloed van de gezamenlijke publicaties groter is dan wanneer er alleen nationale samenwerking plaatsvindt of geen samenwerking.

Figuur 3.1 Het percentage internationale co-auteurschappen in Nederlandse wetenschappelijke publicaties, 1983–1996

kst-26800-VIII-2-16.gif

Bron: NOWT (1998)

Maatschappelijke relevantie

Dat kennisinstellingen maatschappelijk relevant onderzoek uitvoeren, blijkt ten eerste uit de omvang van de portefeuille opdrachten van derden. De mate waarin de Nederlandse publieke kennisinstellingen (zoals universiteiten, NWO, KNAW, TNO, gti's, DLO) externe financiering verwerven is vergeleken met andere landen hoog te noemen: 13,5% (1996). Alleen België scoort hoger met een percentage van 17,9% (1995). Overigens varieert dit aandeel externe financiering met de missie van de instelling: het aandeel van extern georiënteerde instellingen als TNO, DLO en de gti's ligt (veel) hoger dan bij universiteiten en bij NWO- en KNAW-instituten.

De maatschappelijke relevantie blijkt daarnaast ook uit de mate waarin de kennis die met wetenschappelijk onderzoek wordt verkregen, neerslaat in octrooien: in hoeverre vinden er in octrooien verwijzingen plaats naar Nederlandse wetenschappelijke publicaties? De volgende tabel geeft de ontwikkeling aan van het aantal octrooien (toegekend door het Amerikaanse patentbureau) dat verwijst naar Nederlandse wetenschappelijk publicaties.

Figuur 3.2 De ontwikkeling van het aantal octrooien dat verwijst naar Nederlandse wetenschappelijke publicaties per sector, de toename tussen 1987 en 1996 in procenten
SectorNederlandse octrooienBuitenlandse octrooien
Medisch-farmaceutisch190680
Chemie en materialen220680
Instrumenten en apparatuur.590
Elektronica, informatie- en communicatietechnologie330380
Machines en machinegereedschappen300210
Consumentenproducten en levensmiddelen*..
Totaal270610

Bron: CWTS (1998)

* Het aantal octrooien is te klein om een verantwoorde vergelijking te maken

Productiviteit

De volgende figuur laat zien dat de productiviteit van Nederlandse bèta-onderzoekers internationaal gezien iets boven gemiddeld is. Deze productiviteit is in de jaren negentig ook niet toegenomen.

Figuur 3.3 Het aantal wetenschappelijke publicaties per bèta-onderzoeker, 1995/96 (100=gemiddeld)

kst-26800-VIII-2-17.gif

Bron: NOWT (1998)

Inzoemend op de Nederlandse universiteiten, dan blijkt dat het aantal wetenschappelijke publicaties per onderzoeker tussen 1992 en 1997 is toegenomen van 3,1 naar 3,5 (in 1996: 3,6), wat duidelijk wijst op een toegenomen productiviteit.

Doelmatigheid

De volgende figuur laat de Research & Development uitgaven per onderzoeker zien voor een aantal landen. Daaruit blijkt dat Nederland goed in de pas loopt met die andere landen. Dit wijst op een goede doelmatigheid op macro-niveau.

Figuur 3.4 R&D-uitgaven per onderzoeker (in 1000 US$ 1990)

kst-26800-VIII-2-18.gif

Bron: NOWT (1998)

Die doelmatigheid is ook van toepassing op TNO en de grote technologische instituten. Vergeleken met 1990 is de omzet per werknemer toegenomen, met name bij TNO en het Expertise Centrum Nederland.

4. HORIZONTALE TOELICHTING

In de horizontale toelichting wordt de cijfermatige ontwikkeling van beleidsterrein 23 in tabel 4.1 onderbouwd.

Artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
KNAW132,8145,4143,1142,2142,1143,4144,1
NWO540,3560,2535,3545,0578,7599,4576,9
TNO385,3384,4348,2377,0375,6365,6375,6
BPRC/Nationaal Herbarium4,76,86,86,86,86,86,8
Grote technologische instituten7,98,18,08,08,08,08,0
Bibliotheken en Informatieverzorging60,661,461,461,461,361,761,9
Instellingen voor alfa/gamma onderzoek13,07,67,67,67,67,77,7
Internationale onderzoek instellingen127,3135,8140,6141,0141,7142,0142,1
COS0,91,01,01,01,01,01,0
AWT3,6      
Publieksvoorlichting en technologisch aspectenonderzoek4,84,84,84,84,84,84,8
Rechtspositionele lasten2,84,75,55,54,84,64,5
Stelselwijziging rijkshuisvesting 19,319,319,319,319,320,3
Totaal artikel 23.011 284,01 339,51 281,81 319,81 351,71 364,31 353,6
Totaal artikel 23.0462,174,873,376,575,149,248,4
Totale uitgaven1 346,11 414,31 355,11 396,31 426,81 413,51 402,1
Totale ontvangsten195,8194,0204,0208,6211,3181,3181,3

De ontvangsten bestaan voornamelijk uit de doelfinancieringsbedragen van de ministeries van Economische Zaken en Defensie voor TNO en het aandeel van dit beleidsterrein in het Fonds Economische Structuurversterking.

Exclusief de uitgaven die zijn gedesaldeerd met de ontvangsten, zijn de uitgaven als volgt:

Bedragen x f 1 miljoen
 199920002001200220032004
Netto uitgaven beleidsterrein1 220,31 151,11 187,71 215,51 232,21 220,7

Met ingang van 1999 is een verhoging van f 19,3 miljoen opgenomen wegens de invoering van de stelselwijziging rijkshuisvesting.

De TNO-reeks wordt verklaard door de eenmalige verlaging van f 30 miljoen in 2000 in het kader van de post kasbeleid, welk bedrag vanaf 2004 weer wordt ingelopen. Vanaf 2003 is een verlaging ingeboekt van f 10 miljoen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de nieuwe mutaties van artikel 23.01 onder mutatie 3.5.

De reeks voor NWO vertoont in het kader van het kasbeleid in 2000 en 2001 een verlaging van in totaal f 40 miljoen, welke in 2002 en 2003 wordt terugbetaald.

De reeks voor de internationale instellingen vertoont een stijging wegens kostenstijging en het relatief aandeel in de contributie bepaald door het BNP. Dit laatste vooral in de eerste twee jaar. De overige stijging is het gevolg van de ophoging van de budgetten van de nationale instellingen in het kader van de loonbijstelling.

Ramingskengetallen huisvesting

Deze zijn nog niet bekend. Er is nog geen contract getekend. De bedragen zijn voorshands gebaseerd op aantallen full-time equivalenten (fte) per vierkante meter.

Beleidsterrein 25 Studiefinancieringsbeleid

Studiefinancieringsbeleid t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld Uitgaven studiefinancieringsbeleid f 4,6 mld.

kst-26800-VIII-2-19.gifkst-26800-VIII-2-20.gif

1. ALGEMEEN

Het beleidsterrein studiefinancieringsbeleid omvat de volgende wetten en regelingen:

• Wet op de studiefinanciering (WSF): In de WSF is bepaald welke studerenden recht hebben op studiefinanciering en hoe die rechten zijn opgebouwd.

• Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS): De WTS bevat bepalingen voor de tegemoetkoming in de studiekosten voor scholieren tot en met 17 jaar die voltijds voortgezet onderwijs of de voltijdse opleidingen in de beroepsopleidende leerweg (bol) in het secundair beroepsonderwijs volgen (ts17-), voor voltijdstuderenden van 18 jaar en ouder die voortgezet onderwijs volgen (vo18+), voor studerenden van 18 jaar en ouder die (deeltijd) voortgezet onderwijs volgen en voltijdstuderenden in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen in de tekortvakken (WTS18+).

• Les en cursusgeldwet (LCW): In de LCW is bepaald welke vo- en bol-scholieren lesgeldplichtig zijn en op welke wijze de hoogte van het les- en cursusgeld wordt vastgesteld.

De beleidsvoornemens op het gebied van de WSF betreffen met name de verdere uitvoering van de voorstellen uit de nota Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past. De voorstellen die direct gevolg hebben voor de raming van de uitgaven betreffen het oprekken van de leeftijdsgrens tot 30 jaar, en de verlenging van de diplomatermijn tot 10 jaar.

Onderdeel van de WSF is de reisvoorziening, met name de OV-studentenkaart. Het huidige contract met de openbaar vervoer bedrijven loopt tot en met 2002. Over de vraag hoe de reisvoorziening na deze periode zal worden vormgegeven, zal het kabinet binnenkort een standpunt bepalen en aan de Kamer voorleggen.

In de WSF wordt de basisbeurs voor uitwonenden jaarlijks geïndexeerd met de prijsindex van de gezinsconsumptie. In de huidige systematiek wordt de basisbeurs voor thuiswonenden met hetzelfde bedrag verhoogd als het bedrag waarmee de basisbeurs voor uitwonenden wordt geïndexeerd. Dit heeft als resultaat dat de basisbeurs voor thuiswonenden met een relatief veel hoger percentage wordt bijgesteld. Door de basisbeurs voor thuiswonenden ook met de prijsindex van de gezinsconsumptie te indexeren, wordt de relatieve verhouding tussen uit- en thuiswonendenbeurs hersteld. Deze maatregel levert een (jaarlijks oplopende) besparing op. Deze besparing wordt in eerste instantie gerealiseerd op de aanvullende post prijsbijstelling in de miljoenennota. Het hiermee corresponderende bedrag is overgeboekt naar de OCenW-begroting, waarna het als besparing is ingeboekt. De opbrengst loopt jaarlijks op, van f 23 miljoen in 2000 tot f 63 miljoen in 2003. Vanaf het jaar 2003 is van deze opbrengst f 50 miljoen gereserveerd voor ophoging van het beschikbare budget voor studiefinanciering. Dit vanwege onzekerheden rondom de ontwikkeling van aantallen, de reisvoorziening en gedragseffecten.

In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over de uitbreiding van de WTS. De uitbreiding vindt in twee fasen plaats. De eerste fase met ingang van het studiejaar 1999/2000. De voorstellen voor de tweede fase van de verbetering van de WTS zijn neergelegd in de nota Meer voor meer. Uitbreiding tegemoetkoming studiekosten: de tweede fase. Op grond van deze voorstellen zullen meer scholieren in aanmerking komen voor een WTS-tegemoetkoming.

Voor wat betreft het lesgeld wordt in de nota over de WTS voorgesteld om voor de aanpassing van de hoogte van het lesgeld over te gaan tot een jaarlijkse indexering op basis van de algemene prijsontwikkeling gezinsconsumptie.

Deze voorstellen zijn verwerkt in de raming van de uitgaven en ontvangsten voor dit beleidsterrein. Het totaalbeeld van de uitgaven en ontvangsten op het beleidsterrein studiefinancieringsbeleid is als volgt:

Tabel 1.1 Opbouw uitgaven beleidsterrein 25 (bedragen x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
WSF-relevant1 734,51 797,81 659,31 848,12 121,12 293,62 520,9
Reisvoorziening834,4777,4678,2486,6508,4487,9575,9
WTS429,2513,3562,8637,9714,8726,7748,9
Overig SF16,218,019,820,720,720,720,7
Subtotaal relevant3 014,33 106,52 920,12 993,33 365,13 528,93 866,4
WSF niet-relevant1 436,11 549,61 724,81 625,81 243,61 258,91 080,1
Totale uitgaven artikel 25.014 450,44 656,14 644,94 619,04 608,74 787,84 946,5
Garanties artikel 25.020,00,10,10,10,10,10,1
Totale uitgaven4 450,44 656,24 645,04 619,14 608,84 787,94 946,6

Tabel 1.2 Opbouw ontvangsten beleidsterrein 25 (bedragen x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
SF-relevant610,3599,4581,8500,2466,2409,4389,2
SF niet-relevant154,1165,7169,6168,3177,1168,6182,8
Totaal ontvangsten artikel 25.01764,4765,1751,4668,5643,3578,0572,0
Lesgeld artikel 25.02609,3779,0808,9827,7855,3888,2904,6
Totale ontvangsten1 373,71 544,11 560,41 496,21 498,61 466,21 476,6

In de volgende paragrafen worden de verschillende onderdelen toegelicht:

– de uitgaven op grond van de WSF;

– de uitgaven voor de reisvoorziening;

– de uitgaven voor de WTS;

– de ontvangsten op grond van de WSF;

– de lesgeldontvangsten.

2. DE UITGAVEN OP GROND VAN DE WET OP DE STUDIEFINANCIERING (WSF)

In dit hoofdstuk worden in vier paragrafen de uitgaven, de aantallen, de normbedragen en enkele kengetallen behandeld.

Uitgaven

Bij de WSF-uitgaven moet onderscheid gemaakt worden tussen relevante en niet-relevante uitgaven. Niet-relevant betekent in dit verband niet-relevant voor het beleidsmatig financieringstekort; deze uitgaven omvatten de rentedragende leningen, maar ook de uitgaven aan prestatiebeurs.

Totale uitgaven

De totale uitgaven WSF worden verkregen door de relevante en niet-relevante uitgaven te sommeren:

Tabel 2.1 Totale uitgaven WSF (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Relevant1 750,71 815,81 679,11 868,82 141,82 314,32 541,6
Niet-relevant1 436,11 549,61 724,81 625,81 243,61 258,91 080,1
Totaal WSF3 187,03 365,43 403,93 494,63 385,53 573,23 621,7

Relevante uitgaven

In tabel 2.2 is de realisatie 1998 en zijn de relevante WSF-uitgaven van de begroting voor de jaren 1999 en verder weergegeven.

Tabel 2.2 Relevante uitgaven WSF (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Basisbeurs       
– basisraming1 595,21 647,71 619,01 532,41 459,01 455,81 520,9
– correctie svc– 77,5– 83,6– 67,7– 50,0– 35,9– 90,8– 89,2
– correctie prestatiebeurs– 351,7– 633,0– 739,4– 601,5– 341,2– 166,0– 91,2
        
Subtotaal basisbeurs1 166,0931,0811,9880,81 081,81 198,91 340,5
Aanvullende beurs       
– basisraming989,31 049,21 058,31 028,71 025,71 039,81 066,5
– correctie svc– 22,2– 23,6– 18,0– 12,0– 6,8– 27,0– 26,4
– correctie prestatiebeurs– 163,7– 257,3– 262,4– 137,0– 116,1– 48,1– 22,7
        
Subtotaal aanvullende beurs803,4768,3777,9879,7902,8964,81 017,5
Bijstelling184,0183,3154,3172,7221,8214,9247,8
Stoeb / alr– 418,9– 85,0– 85,0– 85,0– 85,0– 85,0– 85,0
Overig SF16,218,019,820,720,720,720,7
Totaal relevant WSF1 750,71 815,81 679,11 868,82 141,82 314,32 541,6

De grootste componenten in de relevante uitgaven voor de WSF zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs.

Het verloop van de ramingen van basis- en aanvullende beurs volgt in de eerste plaats de leerling ontwikkeling. Ten tweede is het verschil in de basisbeurs tussen 1998 en 1999 te verklaren door de hogere basisbeurs. Op 1 januari 1999 is deze beurs op jaarbasis in het hoger onderwijs verhoogd met f 122,88 en in de beroepsopleidende leerweg met f 113,04. De raming van de aanvullende beurs stijgt ten derde in de hele periode door de indexering van het collegegeld.

Een deel van de uitgaven in de raming zijn niet-relevante uitgaven. Dit betreft de omzettingen van uitgaven in leningen als gevolg van de studievoortgangscontrole (svc), en de uitgaven aan prestatiebeurs die nog niet in een gift zijn omgezet. Hiervoor wordt de raming gecorrigeerd. De prestatiebeurs is in het studiejaar 1996/1997 cohortsgewijs ingevoerd. Door de berekeningssystematiek van de prestatiebeurs en vanwege de toename van de groep prestatiebeursstudenten gedurende de periode, vertoont de reeks «correctie prestatiebeurs» een wisselend verloop. Het subtotaal basisbeurs daalt tot en met 2000 en stijgt daarna weer; het subtotaal aanvullende beurs stijgt vanaf 1999.

In de post «bijstelling» zijn de uitgaven aan lesgeldvoorschotten geraamd. Daarnaast is in deze post het effect van de ten onrechte betaalde studiefinanciering meegenomen.

Door de Wet van Otterloo (waardoor studenten niet meer bij de ouders in het ziekenfonds verzekerd zijn) nemen de uitgaven aanvullende beurs toe. Deze toename wordt enerzijds veroorzaakt door compensatie van de meeruitgaven voor een particuliere ziektekostenverzekering voor aanvullende beursgerechtigden. Anderzijds ligt de oorzaak in de verruiming van de reikwijdte van de aanvullende beurs. Deze verruiming is een gevolg van een verlaging van het kortingspercentage en een verhoging van de kortingsvrije voet.

De reeks Stoeb/alr uit tabel 2.2 heeft betrekking op een verschuiving van relevante (beurs) uitgaven naar niet-relevante (lening) uitgaven. Dit komt doordat studenten in het kader van de wet «Student op eigen benen» hun kortlopende schulden om kunnen zetten in langlopende schulden. Omdat aflossingen op deze langlopende schulden als niet-relevante ontvangsten worden geboekt, worden alle daarmee samenhangende uitgaven als niet-relevant geboekt.

In tabel 2.3, waarin de niet-relevante uitgaven zijn gepresenteerd, is deze reeks ondergebracht bij de reguliere rentedragende leningen.

De uitgaven «overig SF» betreffen vergoedingen aan studerenden in Nederland uit landen die deel uitmaken van de Europese Unie.

Met ingang van het studiejaar 2000/2001 wordt deze regeling, op grond waarvan EU-studenten voor een vergoeding voor collegegeld in aanmerking komen, aangepast. De hoogte van de collegegeldvergoeding zal worden vastgesteld op de hoogte van het bedrag dat ook Nederlandse studenten ontvangen, als onderdeel van de basisbeurs. Conform het EU-recht hebben studenten uit de EU die in Nederland komen studeren toegang tot dezelfde generieke vergoeding voor het collegegeld als Nederlandse studenten. Begin jaren negentig was sprake van een volledige compensatie van het collegegeld voor zowel Nederlandse als EU-studenten. Doordat sindsdien de basisbeurs is gedaald en de collegegelden zijn gestegen ontvangen Nederlandse studenten thans in tegenstelling tot EU-studenten alleen een gedeeltelijke vergoeding voor het collegegeld, als onderdeel van de basisbeurs. Daarmee geeft Nederland in vergelijking met veel andere landen overigens nog een ruime tegemoetkoming. Voor Nederlandse studenten in het buitenland zijn de aldaar getroffen voorzieningen via de kinderbijslag of belastingwetgeving veelal onbereikbaar.

Door deze maatregel zal vanaf het jaar 2000 een bedrag oplopend tot jaarlijks f 9 miljoen vrijvallen. Ik stel voor de door de aanpassing van de collegegeldvergoeding vrijvallende middelen blijvend voor internationalisering in te zetten. In de Beleidsbrief internationalisering van het onderwijs wordt ingegaan op de aanwending van deze opbrengst.

De niet-relevante uitgaven

In tabel 2.3 zijn de niet-relevante WSF-uitgaven van de begroting 2000 en de meerjarenramingen 2001–2004 weergegeven.

Tabel 2.3 Niet-relevante uitgaven WSF (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Prestatiebeurs469,0851,71 027,9938,6585,9529,8350,2
Reguliere RL 967,3698,1697,1686,9657,5729,1730,0
Totaal niet-relevant WSF1 436,31 549,61 724,81 625,81 243,61 258,91 080,1

De reeks «prestatiebeurs» laat het effect zien van de als voorwaardelijke lening verstrekte beurzen. De stijging tot en met het jaar 2000 is het gevolg van de cohortsgewijze invoering van de prestatiebeurs. In 1998 hebben de eerste omzettingen in beurzen plaats door de eerstejaars prestatienorm voor het cohort 96/97. De daling in 2001 is het effect van de eerste omzettingen op basis van de diplomatermijn.

Vanaf het jaar 2000 wordt ook de reisvoorziening onder de werking van de prestatiebeurs gebracht. De effecten die dit heeft op de niet-relevante uitgaven zijn verwerkt in de raming voor de prestatiebeurs-uitgaven.

De reguliere rentedragende lening omvat ook de tegenhanger van de reeks Stoeb/ALR zoals die bij de relevante uitgaven is gepresenteerd. Dit verklaart de hoge niet-relevante uitgaven in 1998 ten opzichte van de uitgaven aan de reguliere rentedragende lening in 1999.

Aantallen

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling in het aantal basisbeursgerechtigden en in het aantal aanvullende beursgerechtigden toegelicht, waarbij ook de verdeling tussen tempo- en prestatiebeurs ter sprake komt.

De overige aantallen die samenhangen met de WSF-uitgaven worden in deze paragraaf niet toegelicht, omdat ze niet van invloed zijn op de relevante uitgaven op beleidsterrein 25 (in geval van de rentedragende lening), of omdat het om relatief kleine aantallen gaat (zoals aantallen SF overig en de bijstelling).

Totaal aantal basisbeursgerechtigden

In tabel 2.4 zijn de geraamde aantallen basisbeursgerechtigde studerenden opgenomen.

Tabel 2.4 Totaal aantal basisbeursgerechtigden
 1998199920002001200220032004
wo104 868102 40899 50392 62289 76188 24288 135
hbo209 027211 186208 603195 994192 732192 025194 092
bol174 705172 465169 471166 140164 448165 441168 348
Totaal488 600486 059477 577454 757446 941445 708450 574

De raming van het totaal aantal basisbeursgerechtigden is gebaseerd op de Referentieraming (dit is een raming van alle ingeschreven studenten). Deze raming is gecorrigeerd voor de ingeschreven studenten die niet basisbeursgerechtigd zijn.

Door de maatregelen die voorgesteld zijn in de beleidsnota Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past zal het aantal basisbeursgerechtigden zich uitbreiden. In deze nota wordt voorgesteld de leeftijdsgrens op te rekken tot aan de 30-jarige leeftijd en de diplomatermijn te verlengen tot 10 jaar. De Tweede Kamer is in het voorjaar van 1999 akkoord gegaan met deze voorstellen. Het wetgevingstraject is erop gericht de nieuwe maatregelen per 1 september 2000 in werking te laten treden.

Deze raming van basisbeursgerechtigden die ten grondslag ligt aan de begroting, laat zien dat het totaal aantal basisbeurzen de komende jaren afneemt. De daling is waarneembaar over alle onderwijssoorten. Na 2003 stijgt het aantal beursgerechtigde studerenden.

In het hoger onderwijs is de daling vooral het effect van beleidsmaatregelen uit het verleden (met name de zogenaamde «c+1»-maatregel). Daarnaast speelt in het wetenschappelijk onderwijs de daling van de instroom in de jaren 1995, 1996 en 1997 een rol, die nog doorwerkt in het aantal ingeschrevenen.

De daling in het aantal ingeschrevenen in de beroepsopleidende leerweg werkt door in de raming van basisbeursgerechtigden.

Verdeling naar uit- en thuiswonende studenten

Voor de uitgaven is de verdeling tussen uit- en thuiswonende studenten van belang. De basisbeurs voor uitwonende studenten ligt op jaarbasis immers f 3 600 hoger dan die voor thuiswonenden. In tabel 2.5 en 2.6 is deze uitsplitsing gegeven.

Tabel 2.5 Aantal uitwonende basisbeursgerechtigden
 1998199920002001200220032004
wo83 11381 16378 86173 40871 14069 93669 851
hbo111 577112 730111 351104 620102 879102 501103 605
bol41 76441 22840 51339 71739 31239 54940 244
Totaal236 454235 121230 724217 744213 331211 987213 700

Tabel 2.6 Aantal thuiswonende basisbeursgerechtigden
 1998199920002001200220032004
wo21 75521 24520 64219 21518 62118 30618 284
hbo97 45098 45797 25291 37489 85389 52490 487
bol132 941131 236128 959126 424125 136125 892128 103
Totaal252 146250 937246 853237 012233 610233 721236 874

Het aantal uitwonenden is geraamd op basis van het gerealiseerde uitwonendenpercentage over 1998. Van de totale groep die recht heeft op een basisbeurs, is ruim 48% uitwonend. De drie onderwijssoorten laten onderling echter grote verschillen zien. Zo is in het wetenschappelijk onderwijs bijna 80% uitwonend, in het hoger beroepsonderwijs ruim 53% en in de beroepsopleidende leerweg bijna 24%.

Prestatiebeurs- en tempobeursgerechtigden

De prestatiebeurs is ingevoerd op 1 september 1996 en geldt voor alle studenten die na die datum met een studie in het hoger onderwijs zijn begonnen. Studenten die voor deze datum hun studie zijn begonnen, vallen nog onder het regime van de tempobeurs. Prestatiebeursstudenten krijgen hun beurs in eerste instantie als lening. Wanneer ze de prestatienorm halen, wordt deze voorwaardelijke lening omgezet in een gift; begrotingstechnisch worden de niet-relevante uitgaven dan relevant. Als een student niet aan deze prestatienorm voldoet, verandert de voorwaardelijke lening in een definitieve lening en blijven de uitgaven niet-relevant.

In tabel 2.7 is het totaal aantal basisbeursgerechtigden in het hoger onderwijs gegeven, waarna in tabel 2.8 en 2.9 een uitsplitsing wordt gegeven naar prestatiebeurs- en tempobeursgerechtigden. Aangezien de beroepsopleidende leerweg niet onder de prestatiebeurs valt, zijn deze aantallen in de volgende tabellen niet gepresenteerd.

Tabel 2.7 Totaal aantal basisbeursgerechtigden hoger onderwijs (prestatie- en tempobeurs)
 1998199920002001200220032004
wo104 868102 40899 50392 62289 76188 24288 135
hbo209 027211 186208 603195 994192 732192 025194 092
Totaal313 895313 594308 106288 616282 493280 267282 227

Tabel 2.8 Aantal prestatiebeursstudenten hoger onderwijs
 1998199920002001200220032004
wo45 88562 07774 86481 07284 94686 78087 637
hbo117 812164 449191 203192 272192 732192 025194 092
Totaal163 696226 526266 067273 344277 678278 805281 729

Tabel 2.9 Aantal tempobeursstudenten hoger onderwijs
 1998199920002001200220032004
wo58 98340 33124 63911 5504 8151 462498
hbo91 21546 73717 4003 722000
Totaal150 19987 06942 03915 2724 8151 462498

Aangezien er geen nieuwe studenten meer instromen die nog onder het regime van de tempobeurs vallen, wordt het aantal tempobeursstudenten ieder jaar kleiner. In 2002 zullen er in het hoger beroepsonderwijs geen tempobeursstudenten meer zijn. In het wetenschappelijk onderwijs blijven echter wel tot aan het einde van deze begrotingsperiode studenten onder de tempobeurs vallen.

Aanvullende beursgerechtigden

Het aantal aanvullende beursgerechtigden naar onderwijssoort is in de volgende tabel weergegeven. De raming is gemaakt op basis van het aantal aanvullende beursgerechtigden als percentage van het aantal basisbeursgerechtigden in 1998. Dit percentage wordt in de jaren 1999 tot en met 2004 constant gehouden. De fractie voor het wetenschappelijk onderwijs is 28% van het aantal basisbeursgerechtigden, voor het hoger beroepsonderwijs 41% en voor de beroepsopleidende leerweg 56%. De ontwikkeling van het aantal aanvullende beursgerechtigden volgt dus de ontwikkeling van het aantal basisbeursgerechtigden.

Uit realisatiegegevens blijkt dat 73% van de aanvullende beursgerechtigden in het wetenschappelijk onderwijs uitwonend is, voor het hoger beroepsonderwijs is dit 49% en in de beroepsopleidende leerweg 26%. In de raming zijn ook deze percentages in de planperiode constant gehouden.

Tabel 2.10 Totaal aantal aanvullende beursgerechtigden
 1998199920002001200220032004
wo28 85128 94228 12126 17625 36824 93824 908
hbo83 10385 54584 49979 39178 07077 78378 621
bol93 42297 39895 70893 82792 87193 43295 073
Totaal205 376211 885208 327199 394196 308196 154198 602

Normbedragen

In tabel 2.11 zijn de normbedragen voor basisbeurs, aanvullende beurs, rentedragende lening en de toeslagen op de basisbeurs weergegeven, zoals ze vanaf 1 januari 1999 gelden. Voor het wetenschappelijk en het hoger beroepsonderwijs zijn de normbedragen gelijk.

Tabel 2.11 Normbedragen WSF per maand in guldens (peildatum 1 januari 1999)
 wohbobol
Basisbeurs   
– thuiswonend135,24135,24100,42
– uitwonend435,24435,24400,42
Maximale aanvullende beurs   
– thuiswonend, particulier verzekerd414,09414,09550,97
– thuiswonend, ziekenfonds verzekerd344,10344,10480,98
– uitwonend, particulier verzekerd449,09449,09585,97
– uitwonend, ziekenfonds verzekerd379,10379,10515,98
Rekenmaximum rentedragende lening383,14383,14165,38
Maximaal maandbudget1 267,471 267,471 151,77
Partnertoeslag959,93959,93959,93
Eén-ouder toeslag768,16768,16768,16

Kengetallen

Naast de uitgaven, aantallen en normbedragen zoals in de vorige paragrafen gepresenteerd, kan op het terrein van de WSF-uitgaven een aantal kengetallen gedefinieerd worden.

Het gaat hierbij om het gemiddeld bedrag dat per basisbeursgerechtigde aan basisbeurs wordt betaald en het gemiddeld bedrag dat per basisbeursgerechtigde aan aanvullende beurs wordt uitgekeerd. Bovendien worden de kengetallen naar onderwijssoort gepresenteerd.

Beide indicatoren zijn gedefinieerd exclusief de opbrengst van de studievoortgangscontrole.

Tabel 2.12 Gemiddelde bedragen basisbeurs per gerechtigde op jaarbasis (x f 1)
 1998199920002001200220032004
wo4 5884 7184 7184 7184 7184 7184 718
hbo3 6073 7363 7363 7363 7363 7363 736
bol2 0582 1772 1772 1772 1772 1772 177

Tabel 2.13 Gemiddelde bedragen aanvullende beurs per basisbeursgerechtigde op jaarbasis (x f 1)
 1998199920002001200220032004
wo1 1301 2101 2291 2461 2641 2821 300
hbo1 6041 7061 7341 7591 7841 8091 836
bol3 2253 3433 5513 5723 5923 6123 634

De bedragen voor de periode 1999–2004 zijn gebaseerd op het prijspeil 1 januari 1999. Bij de gemiddelde bedragen in de aanvullende beurs is rekening gehouden met de jaarlijkse aanpassing van de normen door de indexering van het lesgeld en het collegegeld.

3. DE UITGAVEN VOOR DE REISVOORZIENING

Deze toelichting op de uitgaven voor de reisvoorziening is onderverdeeld in een toelichting op de uitgaven en een toelichting op de aantallen.

Uitgaven

Tabel 3.1 Relevante uitgaven reisvoorziening WSF (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Totale uitgaven ovsk822,5765,2744,1742,4736,0781,5784,9
Correctie prestatiebeurs0,00,0– 78,1– 265,2– 225,8– 294,8– 209,9
Correctie svc0,00,00,00,0– 8,2– 8,1– 8,0
Totaal ov-contract822,5765,2666,0477,2502,0478,6566,9
Reisvoorziening overig11,812,212,39,46,49,39,0
Totaal reisvoorziening834,4777,4678,2486,6508,4487,9575,9

Tabel 3.1 geeft de verwachte (relevante) uitgaven voor de reisvoorziening in de WSF weer. De reisvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een ov-studentenkaart (ovsk) die recht geeft op vrij reizen van maandagochtend tot vrijdagavond (weekkaart) of van vrijdagavond tot maandagochtend (weekendkaart). De keuze tussen deze twee kaartsoorten is vrij. Het huidige contract met de openbaar vervoer bedrijven loopt tot en met 31 december 2002. Over de vraag hoe de reisvoorziening vorm te geven na deze periode is een interdepartementaal beleidsonderzoek gedaan. De kabinetsreactie hierop zal de Kamer binnenkort bereiken.

De reeks «totale uitgaven ovsk» betreft de kosten van het contract met de openbaar vervoer bedrijven, die varieert met het aantal rechthebbende studenten. De daling van de uitgaven van 1999 ten opzichte van 1998 wordt veroorzaakt door een lager gemiddelde kaartprijs in het nieuwe ov-studentenkaartcontract dat per 1 januari 1999 is ingegaan. De oploop na 2003 is het gevolg van het handhaven van het huidige voorzieningenniveau.

Vanaf het studiejaar 2000/2001 valt de reisvoorziening onder de werking van de prestatiebeurs voor de cohorten in het hoger onderwijs vanaf cohort 1999/2000. Dat betekent dat de reisvoorziening vooralsnog als een voorwaardelijke lening wordt geboekt. De hoogte van deze lening is de tegenwaarde van de ov-kaart (op dit moment f 1480 per rechthebbende per jaar). De uitgaven aan de reisvoorziening voor deze cohorten gelden dan als niet-relevant voor het financieringstekort. Bij voldoende studieprestaties worden de voorwaardelijke leningen omgezet in een gift conform de systematiek van de prestatiebeurs. De omzettingen gelden als relevante uitgaven. Het saldo van voorwaardelijke leningen en omzettingen wordt aangegeven bij «correctie prestatiebeurs».

Deze reeks neemt vanaf 2000 tot 2003 toe vanwege de cohortsgewijze invoering van de prestatiebeurs voor de reisvoorziening. Vanaf 2003 wordt het effect zichtbaar van de omzettingen van de voorwaardelijke lening in een definitieve beurs voor studenten die aan de studieprestaties hebben voldaan. Vanaf dit jaar neemt de reeks «correctie prestatiebeurs» af.

Bij onvoldoende studieprestaties wordt de voorwaardelijke lening definitief. Dit wordt het studievoortgangscontrole-effect (svc-effect) genoemd.

De post «uitgaven reisvoorziening overig» heeft betrekking op de voorziening voor specifieke doelgroepen onder de WSF-gerechtigden, zoals studerenden die een deel van hun studie in het buitenland volgen, studerenden die woonachtig zijn op de Waddeneilanden en gehandicapte studerenden. Doordat ook deze vergoeding onder de werking van de prestatiebeurs wordt gebracht, dalen de uitgaven vanaf 2001. Vanaf 2003 vinden de eerste omzettingen voorwaardelijke leningen in definitieve beurs plaats, waardoor vanaf 2003 de (relevante) uitgaven weer stijgen.

De in tabel 3.1 opgenomen totale uitgaven uitgaven voor de reisvoorziening betreffen de relevante uitgaven. De niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening zijn opgenomen bij de «voorwaardelijke leningen in het kader van de prestatiebeurs» in tabel 2.3.

Uitgaven reisvoorziening naar onderwijssoort

De uitgaven aan reisvoorziening WSF kunnen als volgt naar onderwijssoort worden verdeeld.

Tabel 3.2 Relevante uitgaven ovsk naar onderwijssoort exclusief reisvoorziening overig (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
wo183,9170,9142,587,994,880,065,7
hbo346,9328,2268,9139,4161,4125,0229,6
bol291,8266,1254,5249,8245,8273,6271,6
Totaal822,5765,2666,0477,2502,0478,6566,9

Er is sprake van een sterke daling van de uitgaven in het hoger onderwijs omdat in tabel 3.2 alleen de relevante uitgaven worden weergegeven.

Aantallen ovsk-gerechtigden

De tabellen 3.3, 3.4 en 3.5 bevatten respectievelijk de totale aantallen ovsk-gerechtigden, de aantallen ovsk-gerechtigden voor wie de reisvoorziening onder de prestatiebeurs valt en de aantallen ovsk-gerechtigden voor wie de reisvoorziening niet onder de prestatiebeurs valt.

Tabel 3.3 De aantallen ovsk-gerechtigden
 1998199920002001200220032004
wo112 127111 821111 589111 468111 531111 582111 583
hbo213 724216 529220 291221 039218 447217 011218 306
bol175 250173 900171 207167 938165 668165 754168 027
Totaal501 100502 251503 086500 446495 645494 346497 917

Het aantal ovsk-gerechtigden omvat zowel degenen die beursgerechtigd zijn als degenen die uitsluitend recht hebben op een integrale rentedragende lening.

Een deel van de gerechtigden valt, vanaf het studiejaar 2000/2001, onder de werking van de prestatiebeurs. De uitsplitsing naar gerechtigden die binnen de prestatiebeurs en die buiten de prestatiebeurs vallen, is in de tabellen 3.4 en 3.5 weergegeven.

Tabel 3.4 De aantallen ovsk-gerechtigden binnen de prestatiebeurs
 1998199920002001200220032004
wo0030 68758 16374 86389 938102 134
hbo0074 849141 856180 653205 040216 421
bol0000000
Totaal00105 536200 019255 516294 978318 556

Tabel 3.5 De aantallen ovsk-gerechtigden buiten de prestatiebeurs
 1998199920002001200220032004
wo112 127111 82180 90253 30636 66721 6439 449
hbo213 724216 529145 44179 18337 79411 9711 885
bol175 250173 900171 207167 938165 668165 754168 027
Totaal501 100502 251397 550300 427240 129199 368179 361

4. DE UITGAVEN OP GROND VAN DE WET TEGEMOETKOMING STUDIEKOSTEN (WTS)

Onderstaand wordt een toelichting op de WTS gegeven, onderverdeeld naar uitgaven, aantallen en normbedragen. Dit resulteert in de tabel 4.10 kengetallen WTS.

Uitgaven

De uitgaven tegemoetkoming studiekosten kunnen worden onderscheiden in drie verschillende regelingen, te weten de tegemoetkoming in de studiekosten voor scholieren tot en met 17 jaar die voltijds voortgezet onderwijs of voltijdse opleidingen in de beroepsopleidende leerweg (bol) in het secundair beroepsonderwijs volgen (ts17-), voor voltijdstuderenden van 18 jaar en ouder die voortgezet onderwijs volgen (vo18+) en voor studerenden van 18 jaar en ouder die (deeltijd) voortgezet onderwijs volgen en voltijdstuderenden in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen in de tekortvakken (WTS18+).

Tabel 4.1 Tegemoetkoming studiekosten (WTS) – (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
TS 17-276,3349,8408,5426,3434,7446,4453,6
WTS 18+6,39,710,210,010,010,010,0
VO 18+146,6153,8151,2146,4146,2148,8152,6
Regeerakkoord:       
– intensivering WTS fase II0,00,0– 2,863,9136,8134,5132,7
– weglek lesgeldverhoging 0,0– 4,3– 8,7– 13,0– 13,0 
Totaal uitgaven WTS429,2513,3562,8637,9714,8726,7748,9

Uit tabel 4.1 blijkt dat de uitgaven WTS fors stijgen. Vanaf schooljaar 1999/2000 wordt ongeveer f 100 miljoen extra besteed aan een uitbreiding in zowel de aantallen als het normbedrag voor de tegemoetkoming overige studiekosten. De reeks «intensivering WTS fase II» wordt ingezet om het inkomen tot waar men recht heeft op een vergoeding te verhogen. Dit wordt zodanig vormgegeven dat men boven dit grensinkomen niet direct terugvalt naar een vergoeding van f 0.

Naast de extra middelen uit het regeerakkoord stijgen de uitgaven door een stijging van het lesgeld en door hogere aantallen gerechtigden, met name in het voortgezet onderwijs.

Uitgaven per onderwijssoort en per hoofdstuk van de WTS

De tabellen 4.2, 4,3 en 4.4 geven de ontwikkelingen weer van de uitgaven per onderwijssoort per hoofdstuk van de WTS.

Tabel 4.2 Uitgaven ts17- naar onderwijssoort exclusief maatregelen tweede fase (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
vo192,6247,7294,1307,3309,9317,6323,5
bol83,7102,2114,4119,0124,8128,8130,1
Totaal276,3349,9408,5426,3434,7446,4453,6

Tabel 4.3 Uitgaven vo18+ naar onderwijssoort exclusief maatregelen tweede fase (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
vo136,8142,6138,9133,4132,8135,1138,7
vso9,811,212,313,013,413,613,9
Totaal146,6153,8151,2146,4146,2148,8152,6

Tabel 4.4 Uitgaven WTS18+ naar onderwijssoort (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
vo2,42,93,23,23,23,23,2
hbo3,86,77,06,86,86,86,8
Totaal6,39,710,210,010,010,010,0

Volume-ontwikkelingen

Tabel 4.5 Aantallen WTS – hoofdstuk II (ts17-)
 1998199920002001200220032004
vo163 675186 104217 615221 088225 422227 767231 373
bol40 00440 08839 27239 95841 27042 40342 862
Totaal203 679226 192256 887261 046266 692270 170274 235

Het aantal ts17-gerechtigden stijgt fors. Dit heeft twee redenen: enerzijds een autonome stijging van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs en anderzijds een stijging als gevolg van de eerste fase van de uitbreiding van de WTS. Het totale aantal stijgt door de uitbreiding van gerechtigden van 12 tot en met 15 jaar. In de beroepsopleidende leerweg (bol) doet zich de stijging van het aantal niet voor. Het aantal tegemoetkomingen «overig» stijgt weliswaar, maar het totale aantal (dit is ongeveer gelijk aan het aantal lesgeldvergoedingen) blijft gelijk. De autonome ontwikkeling van het aantal leerlingen in de bol laat eerst een daling zien en in de latere jaren een lichte stijging. De aantallen in de tabel zijn exclusief de uitbreiding van de WTS in de tweede fase, zie hiervoor tabel 4.11.

Tabel 4.6 Aantallen WTS – hoofdstuk III (vo18+)
 1998199920002001200220032004
vo39 13737 66635 35733 76433 45133 89034 613
(v)so2 5172 7462 9433 0883 1743 2203 266
Totaal41 65440 41238 30036 85236 62537 11037 879

Het dalende aantal vo18+ studerenden vloeit voort uit de daling van het totale aantal scholieren in het voortgezet onderwijs in die leeftijdsgroep. Een aantal studerenden heeft naast de basistoelage ook recht op een tegemoetkoming overige studiekosten en een lesgeldvergoeding. Het aantal tegemoetkomingen voor «overig» neemt wel toe (is in de tabel niet apart zichtbaar), eveneens als gevolg van de uitbreiding eerste fase.

Tabel 4.7 Aantallen WTS – hoofdstuk IV (WTS18+)
 1998199920002001200220032004
vo4 5153 5263 5263 4693 4693 4693 469
hbo2 3853 4873 4873 4313 4313 4313 431
Totaal6 9007 0137 0136 9006 9006 9006 900

Het aantal WTS18+ gerechtigden blijft ongeveer gelijk. Tussen de schoolsoorten is wel een ontwikkeling zichtbaar: het aandeel hbo-studenten met een tegemoetkoming neemt toe. Dit zijn tegemoetkomingen voor studenten in het hoger onderwijs van 18 jaar en ouder aan lerarenopleidingen in de tekortvakken die met ingang van schooljaar 1997/1998 ook recht kregen op WTS18+.

Normbedragen

In tabel 4.8 en 4.9 zijn de normbedragen voor de WTS weergegeven. In tabel 4.8 gaat het om de normbedragen voor de tegemoetkoming in de overige studiekosten en de vergoeding voor het lesgeld. De normbedragen voor de tegemoetkoming overige studiekosten zijn inclusief de verhoging van f 150 als gevolg van het regeerakkoord. In tabel 4.9 wordt de basistoelage per maand voor het voortgezet onderwijs (vo) en het voortgezet speciaal onderwijs (vso) weergegeven, zowel voor uit- als thuiswonenden.

Tabel 4.8 Normbedragen WTS in guldens (in schooljaar 1999/2000)
 bolvo(v)so
inkomen <= 52 023*   
– studiekosten1 4499680
– lesgeld1 7751 7751 775
inkomen > 52 023*   
– studiekosten000
– lesgeld000

* het betreft het belastbaar inkomen van ouders over het jaar 1996

NB: lesgeldvergoeding wordt uitsluitend toegekend aan lesgeldplichtige studerenden

Tabel 4.9 Normbedragen WTS hoofdstuk III (vo18+) in guldens (peildatum 1 januari 1999)
Basistoelage per maandvo(v)so
Uitwonenden416,48416,48
Thuiswonenden178,79178,79

NB: De vergoeding voor vo18+ bestaat uit een inkomensafhankelijke toelage uit tabel 4.8 aangevuld met een basistoelage zoals vermeld in deze tabel.

Ramingskengetallen

In tabel 4.10 staan de uitgaven WTS per gerechtigde, onderverdeeld naar de drie hoofdstukken ts17-, vo18+ en WTS18+.

Tabel 4.10 Uitgaven per gerechtigde (x f 1)
   1998199920002001200220032004
TS17-vo 1 1771 3311 3511 3901 3751 3941 398
 bol 2 0922 5492 9132 9783 0243 0383 035
 Totaal 1 3571 5471 5791 8782 1432 1502 138
          
VO18+vo 3 4903 7863 9293 9513 9703 9864 007
 (v)so 3 8144 0794 1794 2104 2224 2244 256
 Totaal 3 5103 8063 9483 9733 9924 0074 029
          
WTS18+vo 524834916917917917917
 hbo 1 6081 9251 9941 9941 9941 9941 994
 totaal 8991 3771 4521 4521 4521 4521 452
Totaal  1 7001 8761 8772 1212 3462 3542 348

WTS tweede fase

Met ingang van het schooljaar 2001/2002 wordt de WTS verder uitgebreid als gevolg van het regeerakkoord. In onderstaande tabel staan de extra aantallen die door de invoering van een glijdende schaal in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. De aantallen zijn gebaseerd op gegevens uit de nota Meer voor meer. Uitbreiding tegemoetkoming studiekosten: de tweede fase.

Tabel 4.11 Uitbreiding van het aantal gerechtigden als gevolg van het regeerakkoord: de tweede fase
 2001200220032004
vo28 47368 86170 10471 206
bol9 82723 91224 59125 043
Totaal38 30192 77294 69596 249

5. ONTVANGSTEN WSF

In de volgende tabel zijn de relevante en de niet relevante ontvangsten opgenomen. De relevante ontvangsten worden onderscheiden in ontvangsten op kortlopende schulden, renteloze voorschotten en rentedragende leningen die vóór 1992 zijn uitgegeven. Hierin zijn ook de renteontvangsten op rentedragende leningen van na 1991 begrepen.

Tabel 5.1 Ontvangsten studiefinanciering (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Kortlopende vorderingen256,7265,8260,8252,3240,4200,4191,8
Renteloze voorschotten90,782,476,025,115,010,010,0
Relevante rentedragende leningen262,9251,2245,0222,8210,8199,0187,4
Totaal relevant610,3599,4581,8500,2466,2409,4389,2
        
Niet-relevante ontvangsten154,1165,7169,6168,3177,1168,6182,8
Totaal ontvangsten WSF764,4765,1751,4668,5643,3578,0572,0

Kortlopende vorderingen

Onder kortlopende vorderingen worden verstaan: de ontvangsten op schulden die ontstaan als ontdekt wordt dat er ten onrechte studiefinanciering is uitbetaald. Tot de kortlopende vorderingen behoren ook de ontvangsten en verrekeningen op de lesgeldvoorschotten. In 1998 zijn de ontvangsten op de kortlopende vorderingen fors tegengevallen. De verwachting is dat de ontvangsten in 1999 iets hoger zullen uitkomen dan 1998. In de jaren daarna zullen de ontvangsten geleidelijk gaan dalen.

Renteloze voorschotten

Bij de ontvangsten op renteloze voorschotten, dit zijn leningen die voor 1986 werden uitgegeven, is sprake van een aflopende reeks. Dit wordt veroorzaakt doordat er geen nieuwe aflossers meer bijkomen en er steeds meer debiteuren zijn die hun hele schuld hebben afgelost. Vanaf het jaar 2001 zal deze afloop in een versneld tempo plaatsvinden.

Relevante rentedragende leningen

Voor de ontvangsten op relevante rentedragende leningen verstrekt vóór 1992, verlopen de ramingen in een dalende lijn. Deze lening wordt sinds 1992 niet meer verstrekt. Dit betekent ook dat de groep (ex-) studerenden die op deze schuldsoort aflost, steeds kleiner wordt.

Niet-relevante ontvangsten

Bij de niet-relevante ontvangsten (dit zijn leningen die na 1992 zijn verstrekt) verlopen de ramingen in de eerste jaren stijgend, omdat er ieder jaar nieuwe cohorten bij komen die gaan aflossen. Vanaf het jaar 2000 zal de reeks zich vervolgens gaan stabiliseren.

6. ONTVANGSTEN LESGELD

In de tabel 6.1 zijn de lesgeldontvangsten naar onderwijssoort weergegeven:

Tabel 6.1 Ontvangsten lesgeld (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
bol346,3445,0458,1464,2476,8493,6503,8
vo244,8308,9323,5335,2349,2364,1369,8
(v)so18,225,227,328,329,330,531,1
Totaal609,3779,0808,9827,7855,3888,2904,6

De lesgeldontvangsten nemen in de loop van de jaren toe. Deze stijging in de ontvangsten is het gevolg van de jaarlijkse indexering en de driejaarlijkse herijking van het lesgeld. Eens per drie jaar vindt een herijking van de hoogte van het lesgeld plaats aan de dan geldende exploitatie-uitgaven van het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg. Deze uitgaven worden gerelateerd aan de aantallen leerlingen in het secundair onderwijs in het voorgaande cursusjaar. Deze wettelijk voorgeschreven herijking heeft plaatsgevonden in het schooljaar 1999/2000.

Het grote verschil in lesgeldontvangsten tussen 1998 en 1999 is enerzijds het gevolg van de verhoging van het lesgeldbedrag, maar hangt anderzijds ook samen met de introductie van de mogelijkheid het lesgeld vanaf schooljaar 1998/1999 gespreid te betalen. Dit heeft eenmalig geleid tot aanzienlijk lagere ontvangsten in 1998, aangezien een deel van de ontvangsten pas in het volgende begrotingsjaar binnenkomt.

Aantallen lesgeldplichtigen

In de tabel 6.2 zijn de aantallen lesgeldplichtigen naar onderwijssoort weergegeven:

Tabel 6.2 Aantallen lesgeldplichtigen
 1998199920002001200220032004
bol257 798253 075248 765247 438249 743253 617257 617
vo182 199175 671175 641178 684182 887187 064189 092
(v)so13 53414 32214 82115 10415 35915 68715 888
Totaal453 531443 068439 227441 226447 989456 367462 597

Het komende jaar zal het aantal lesgeldplichtigen dalen. Vanaf 2001 stijgt het aantal lesgeldplichtigen. De daling van het aantal lesgeldplichtigen in de beroepsopleidende leerweg is waarschijnlijk het gevolg van het effect van de fiscale stimulering van het leerlingwezen waardoor een verschuiving optreedt van beroepsopleidende leerweg naar leerlingwezen.

Lesgeldbedrag

Zoals uit tabel 6.3 blijkt heeft de herijking geleid tot een verhoging van het lesgeld van f 1507 in schooljaar 1998/1999 tot f 1775 in schooljaar 1999/2000.

Tabel 6.3 Lesgeldbedrag (x f 1)
1998/19991999/20002000/20012001/20022002/20032003/20042004/2005
1 5071 7751 8281 8651 9021 9401 979

Volgens de huidige systematiek uit de Les- en cursusgeldwet kan in de komende twee jaar het lesgeld geïndexeerd worden met de ontwikkeling van de regelingslonen voor overheidspersoneel. In de begroting wordt met deze indexering rekening gehouden. Voor het schooljaar 2002/2003 dient het lesgeld opnieuw herijkt te worden. In de nota Meer voor meer. Uitbreiding tegemoetkoming studiekosten: de tweede fase over de toekomst van de WTS wordt voorgesteld om het systeem van herijken los te laten en over te gaan tot jaarlijks indexering van het lesgeld. Het ligt in de rede om het lesgeld dan ook te herzien op basis van de algemene prijsontwikkeling. Dit is in tabel 6.3 verwerkt.

De mogelijkheid van gespreid betalen lesgeld

In het schooljaar 1998/1999 heeft 32% van het aantal lesgeldplichtigen compensatie ontvangen voor het lesgeld in de WTS en WSF. Lesgeldplichtigen met compensatie komen niet in aanmerking voor de mogelijkheid tot gespreid betalen. Van de overige lesgeldplichtigen heeft 39% gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot gespreid betalen.

Tabel 6.4 Aantal gespreide betalingen
 1998 
Totaal aantal lesgeldplichtigen453 531 
Lesgeldplichtigen met compensatie145 533= 32%
   
Aantal lesgeldplichtigen met mogelijkheid tot gespreid betalen307 998 
   
Aantal gespreidbetalers120 141= 39%

Beleidsterrein 26 Overige programma-uitgaven

Overige programma uitgaven t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld. Uitgaven overige programma uitgaven f 0,6 mld.

kst-26800-VIII-2-21.gif

1. ALGEMEEN

Op het beleidsterrein «overige programma-uitgaven» worden de uitgaven begroot voor veldoverstijgende beleidsprojecten of het faciliteren van beleid. Dit betreft de volgende artikelen:

26.01Bemiddeling wachtgelders
26.03CASO, vakbondsfaciliteiten/voorzieningen en informatie- en communicatietechnologie
26.05Internationale betrekkingen

Naast deze uitgavenartikelen vallen binnen dit beleidsterrein ook artikelen die als intermedium dienen totdat een exacte verdeling over de betrokken beleidsterreinen bekend is, zoals arbeidsvoorwaardelijke bijstellingen uit de aanvullende post van de rijksbegroting. Zodra de verdeling van deze middelen over de beleidsterreinen bekend is, worden ze overgeboekt naar de artikelen van die beleidsterreinen. Op deze artikelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord. Het betreft de artikelen:

26.02Overige rechtspositionele uitkeringen
26.06Loonbijsteling
26.07Prijsbijstelling
26.08Centraal beheerde middelen
26.09Emancipatie-activiteiten
26.10Asielzoekers

2. BELEID

Het beleidsterrein wordt in financieel en beleidsmatig opzicht in 2000 bepaald door diverse beleidsnota's. Op het terrein van informatie- en communicatietechnologie (ict) is de nota Onderwijs on lineuitgebracht. Daarin staat op welke wijze ict in het onderwijs de komende jaren wordt ingevoerd. Op het terrein van het lerarenbeleid is de nota Maatwerk voor morgen over de tekorten op de onderwijsarbeidsmarkt en het leraarsberoep met de Tweede Kamer besproken. Daarnaast zijn op het terrein van de arbeidsvoorwaarden de financiële consequenties van de cao 1999–2000 meerjarig verwerkt.

Hierna worden de beleidsontwikkelingen van de belangrijkste artikelen van dit beleidsterrein toegelicht. Overige ontwikkelingen zijn verwerkt in de artikelsgewijze toelichting.

Bemiddeling wachtgelders

De geraamde budgetten op dit artikel staan ten dienste van het totaal aan activiteiten van het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt. Dit zijn de kosten van de arbeidsvoorziening, de projectkosten en de kosten voor intensieve bemiddeling en eventueel scholing om wachtgelders aan een baan te helpen. In het kader van de afnemende wachtgeldproblematiek en de toenemende tekortenproblematiek treedt er thans een verschuiving op van wachtgeldreductie naar het oplossen van de tekortenproblematiek.

Onderwijsarbeidsmarkt

In de nota Maatwerk voor morgen: «perspectief op een open onderwijsarbeidsmarkt» die in april 1999 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is een samenhangende benadering geschetst om enerzijds op korte termijn tekorten op de onderwijs-arbeidsmarkt op te vangen en anderzijds op langere termijn het leraarsberoep een goede concurrentiepositie te verschaffen. Het leraarsberoep moet aantrekkelijker worden, de lerarenopleidingen moeten wervender worden, in het onderwijs moeten de arbeidsvoorwaarden moderner worden.

In de nota Maatwerk voor morgen staat een aanpak van deze problematiek centraal, waarbij alle actoren in het onderwijs in de gelegenheid worden gesteld hun verantwoordelijkheid te nemen. De Tweede Kamer heeft in een nota-overleg op 31 mei 1999 ingestemd met de hoofdlijnen van de nota. Het jaar 2000 staat in het teken van de implementatie van de beleidsvoornemens die in de nota Maatwerk voor morgen zijn geschetst.

Arbeidsmarktbeleid

Op de onderwijsarbeidsmarkt vindt momenteel een omslag plaats. De afgelopen tien jaar kenmerkten zich door overschotten die tot veel wachtgelders en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten leidden. Thans is evenwel sprake van tekorten. Om de komende periode in de behoefte aan personeel te voorzien wordt kortheidshalve verwezen naar de nota Maatwerk voor morgen. In aanvulling op deze nota wordt beleid ontwikkeld om ook degenen die de afgelopen jaren geheel of gedeeltelijk uit het arbeidsproces zijn gegaan wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid weer in te schakelen. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat een aanzienlijk aantal van hen langdurig niet aan het arbeidsproces heeft kunnen deelnemen en veelal ouder dan vijftig jaar is. Met sociale partners wordt overleg gevoerd om deze doelgroep op een verantwoorde wijze te reïntegreren, onder meer door drempels weg te nemen bij betrokkenen en potentiële werkgevers.

Positionering arbeidsmarktbeleid

De omslag op de onderwijsarbeidsmarkt heeft ook invloed op de organisaties die zich bezig houden met de afstemming van vraag en aanbod. De laatste jaren hebben vooral in het teken gestaan van het voorkomen van het ontstaan (instroombeperking) en de reïntegratie van wachtgelders en arbeidsgehandicapten (uitstroombevordering). Arbeidsmarktbeleid en volumebeleid gericht op inactiviteit vielen dientengevolge samen. De wijze van overleg over het arbeidsmarktbeleid is hierop ingericht, waarbij met name het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt (SBO) een belangrijke rol speelt.

Thans is de situatie echter van een andere orde. Dit maakt het noodzakelijk het arbeidsmarktbeleid te herdefiniëren en de huidige structuur aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Hier komt nog bij dat ten gevolge van de OOW-operatie (overheid- en onderwijspersoneel onder de werknemersverzekeringen) en de nieuwe Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV 2001) taken op het gebied van het volumebeleid voor arbeidsongeschikten en wachtgelders zijn of worden overgeheveld naar andere actoren. Tot slot heeft de voortschrijdende decentralisatie op het terrein van het arbeidsvoorwaardenbeleid er eveneens toe geleid dat de afbakening van verantwoordelijkheden tussen het SBO en de subsectoren voor het volumebeleid en het arbeidsmarktbeleid op zijn merites moet worden bezien. Met de betrokkenen zal met inachtneming van de verschillende verantwoordelijkheden ter zake overleg worden gevoerd over de gevolgen van de beschreven ontwikkelingen op de bestaande structuur.

Informatie- en communicatietechnologie

Informatie- en communicatietechnologie (ict) speelt een steeds grotere rol in de samenleving. In het onderwijs, waar jonge mensen worden voorbereid op hun toekomstige rol in de samenleving, heeft ict ook al een belangrijke plaats. De omgeving dwingt de school als het ware in te spelen op nieuwe technologische mogelijkheden. Informatie- en communicatietechnologie is bovendien een hulpmiddel om onderwijsvernieuwingen in te voeren. In het beleidsplan Onderwijs on line, verbindingen naar de toekomst staat hoe de integratie van ict in het onderwijs de komende jaren wordt gestimuleerd en ondersteund. De volgende centrale thema's komen in het beleidsplan naar voren: deskundigheidsbevordering, methoden en educatieve programmatuur, beheer, kennisnet, emancipatie, cultuur en internationalisering. Hiervoor zijn middelen op de OCenW-begroting gereserveerd. Daarnaast worden de structureel beschikbare middelen voor ict ter beschikking gesteld aan de scholen. Het beleidsplan is op 30 juni 1999 met de Tweede Kamer besproken en heeft daar instemming gekregen.

De inbedding van ict in het onderwijs gebeurt door en op de scholen zelf.

De overheid maakt, door wettelijke deugdelijkheideisen (kerndoelen, eindtermen, examenprogramma's en dergelijke) te stellen, duidelijk wat zij van de scholen verwacht. Per onderwijssector zal uiteen worden gezet aan welke eisen de scholen moeten voldoen als het gaat om de invoering van ict in hun onderwijs, hoe en wanneer dit zal worden getoetst en welke middelen zij voor de invoering ontvangen. Daarnaast krijgen scholen informatie over en hulp bij deskundigheidsbevordering en mogelijke aanpak van beheer en programmatuur. Bovendien maakt de overheid de informatie-uitwisseling mogelijk tussen scholen en instellingen onderling en tussen het onderwijsveld en de wetenschap of het bedrijfsleven.

De beschikbaarheid van computers op de scholen is de laatste jaren al fors toegenomen. Minstens zo belangrijk is de toegang tot internet en kennisnet. Uiteindelijk zijn dit de instrumenten waarmee ict een integraal onderdeel van de leermiddelen en -methoden kan worden.

In de school van de toekomst zal blijken dat ict en de computer «gewoon» zijn geworden. Kinderen, studenten en leraren werken op een vanzelfsprekende manier met de nieuwe technologie. Ict speelt een rol in het leerproces, ook als informatie- en als communicatiemedium.

Met het geld dat scholen structureel extra ontvangen voor ict mogen zij zelf beslissen hoe zij het besteden. Dat kan zijn aan deskundigheidsbevordering van leraren, aan educatieve programmatuur, aan computers of aan beheer. Het geld moet dus wel besteed worden aan ict maar de scholen bepalen zelf aan welke aspecten van ict de middelen worden besteed. Wel wordt door de Onderwijsinspectie gemonitord hoe de scholen met het voor ict bestemde geld omgaan en wat het gebruik oplevert. Over de voortgang van het proces van integratie van ict in het onderwijs zal regelmatig aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd. Op grond van informatie uit de ict-monitor, het actieonderzoek en de rapportages van de Inspectie, zal aangegeven worden in hoeverre de beoogde resultaten worden bereikt.

Achtergrondinformatie over ict in het onderwijs staat op de website: www.ictonderwijs.nl.

Van de impuls onderwijs zal ook een eenmalig extra bedrag van f 70 miljoen worden ingezet voor het ict-project. Het eenmalige bedrag van f 20 miljoen in 1999 zal worden gebruikt voor de opwaardering van gebruikte computers, die aan het onderwijsveld (inclusief asielzoekerscentra) beschikbaar worden gesteld. In de jaren 2000 en 2001 zullen respectievelijk f 30 en f 20 miljoen beschikbaar worden gesteld voor informatie- en communicatietechnologie, in het bijzonder voor de zogenoemde «voorhoedescholen», gelet op het verzoek van de Tweede Kamer tijdens het overleg over deze voornemens in juni 1999.

Internationale betrekkingen

Het internationale OCenW beleid wordt in toenemende mate in samenhang met andere departementen ontwikkeld. Onder regie van het ministerie van Buitenlandse Zaken is OCenW betrokken bij de opstelling van landen- en regiobeleidsplannen.

Op het artikel internationale betrekkingen staan de uitgaven voor de internationale onderwijssamenwerking. De beleidsvoornemens zijn uitgewerkt in het Actieplan Onbegrensd Talent. Naast samenwerking met prioritaire regio's en landen zijn ook de volgende beleidstrajecten onderdeel van het actieplan:

– Leren in Nederland;

– Samenwerking in de grensregio's;

– Europese Unie (EU);

– Samenwerking buiten de Europese Unie.Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting van artikel 26.05 en de Memorie van Toelichting.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Tabel 3.1 Meerjarige ontwikkeling (x f 1 miljoen)
 1998199920002001200220032004
Bemiddeling wachtgelders28,327,320,020,020,120,120,1
Overige Rechtspositionele uitkeringen0000000
CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen197,0228,8309,9338,3297,7161,4161,4
Internationale betrekkingen16,515,720,220,320,319,819,8
Loonbijstelling0– 48,292,1123,8180,2260,1421,7
Prijsbijstelling0000000
Centraal beheerde middelen00,6– 0,313,6– 50,913,961,9
Emancipatie-activiteiten0000000
Asielzoekers0076,090,086,070,070,0
Totaal241,7224,2517,9606,1553,4545,3754,9

De fluctuatie in het verloop van de meerjarencijfers wordt in hoge mate bepaald door de artikelen CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen, loonbijstelling, prijsbijstelling en centraal beheerde middelen.

De stijging van de uitgaven op het artikel CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de middelen voor informatie- en communicatietechnologie naar dit artikel zijn overgeboekt.

Dit bestaat uit middelen die zijn vrijgemaakt binnen de OCenW-begroting, uit incidentele ICES-middelen tot en met 2002 en de aanvullende structurele middelen die bij het regeerakkoord in 1998 beschikbaar zijn gekomen voor informatie- en communicatietechnologie. Na 2002 is eenmalig een bedrag van in totaal f 330 miljoen aan ICES-middelen beschikbaar (inclusief het deel voor LNV). Over de verdeling van dat bedrag over de jaren is nog niets opgenomen, omdat daar over aparte besluitvorming plaatsvindt. Dit verklaart de daling in de uitgaven in 2003.

De begroting van OCenW is vanaf 1999 meerjarig uit de aanvullende post van de Miljoenennota verhoogd in verband met de gemiddelde contractloonontwikkeling en de mutaties in de verschillende werkgeverspremies. Vervolgens is de loonbijstelling over de diverse onderwijssectoren uitgedeeld. Voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie betreft dit de financiële consequenties van de cao 1999–2000 en de wijzigingen in de werkgeverspremies.

Het restant van de middelen op het artikel voor de loonbijstelling betreft met name de budgetten voor competentiebeloning en periodiekenstop, waarover in de cao 1999–2000 afspraken zijn gemaakt en die nog aan de beleidsterreinen moeten worden uitgedeeld.

Bovendien is de begroting van OCenW voor 1999 meerjarig uit de aanvullende post bijgesteld ter compensatie van de prijsontwikkeling 1999 (structureel f 147 miljoen) en ter dekking van de kosten voor de invoering van de euro (f 104,8 miljoen).

Beleidsterrein 27 Cultuur

Cultuur t.o.v. de totale begroting OCenW

Uitgaven OCenW f 43,2 mld. Uitgaven cultuur f 2,7 mld.

1. ALGEMEEN

Het beleidsterrein cultuur omvat het beleid van de rijksoverheid voor:

• Musea, monumenten, archieven en archeologie,

• Podiumkunsten, beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving, film, amateurkunst en kunsteducatie,

• Omroep, pers, nieuwe media, letteren en bibliotheken,

• Internationaal cultuurbeleid.

De bekostiging van de uitgaven op dit beleidsterrein geschiedt in het algemeen op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het daarop gebaseerde Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473). Dit Bekostigingsbesluit dient weer als basis voor twee ministeriële uitvoeringsregelingen, namelijk de Regeling subsidies en specifieke uitkeringen cultuuruitingen (Stcrt. 1995, 4) en de Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994, 150).

De begrotingswet dient als basis voor de kredieten bestemd voor de rijksdiensten (Rijksarchiefdienst, Rijksacademie van beeldende kunsten, Instituut Collectie Nederland, Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek en Rijksdienst Monumentenzorg). De (spoed)aankopen van bedreigd cultuurbezit ingevolge de Wet tot behoud cultuurbezit geschieden op basis van de begrotingswet. De Monumentenwet (Stb. 1988, 638) dient als basis voor de uitgaven bestemd voor restauratie en onderhoud van aangewezen monumenten en het vergoeden van schade als gevolg van beschermings- en opgravingwerkzaamheden. De uitgaven op het terrein van de omroep en pers zijn gebaseerd op de Mediawet (Stb. 1987, 249). Het Mediabesluit (Stb. 1987, 573) dient als basis voor de subsidies mediabeleid.

2. BELEID

Gelet op de beleidsontwikkeling is 2000 een interessant jaar. In 1999 zijn aan de Kamer nota's uitgebracht die de structuur en de uitgangspunten voor het cultuurbeleid 2001–2004 betreffen; achtereenvolgens gaat het om een brief over de fondsenstructuur, de nota Ruim baan voor culturele diversiteit, een notitie over Media en minderheden en de échte uitgangspuntennota Cultuur als confrontatie.

In het vroege najaar volgt nog een nota over Cultureel ondernemerschap.

Over de «fondsenbrief» en de nota Ruim baan voor culturele diversiteit is met de Kamercommissie voor OCenW gesproken tijdens een algemeen overleg op 30 juni 1999. Gebleken is dat het voorstel om naast «meer» ook «ander»publiek (jongeren, minderheden) te trekken, brede steun geniet. De uitwerking daarvan (de zogenaamde drie-procentsmaatregel uit Cultuur als confrontatie) zou evenwel nader besproken moeten worden, mede op basis van een afzonderlijke brief hierover die aan de Tweede Kamer is toegezegd. Verwezen zij naar de motie van het lid Nicolaï c.s., waarin de regering is verzocht nadere voorstellen ter zake te doen (kamerstukken II, 1998/99, 26 565, nr. 2). Over andere uitgangspunten en beleidsvoornemens wordt in het najaar voor het eerst met de Tweede Kamer gesproken. Daarom is ervoor gekozen in de begrotingsvoorstellen voor 2000 niet te zeer vooruit te lopen op het beleid voor de volgende cultuurnotaperiode. De begrotingsvoorstellen voor 2000 bouwen voor wat betreft het onderdeel cultuur voort op de «intensiveringenbrief» voor 1999, waarmee de Kamer eerder heeft ingestemd (brief van 2 november 1998, kamerstukken II 1998/99, 26 200, nr. 8).

In totaal bedragen de intensiveringen voor cultuur in het jaar 2000 f 40 miljoen en f 30 miljoen uit de reserves van de cultuurfondsen waarvan:

• f 43,8 miljoen voor cultureel erfgoed

• f 17,8 miljoen voor kunsten

• f 3,7 miljoen voor media, letteren en bibliotheken en

• f 4,5 miljoen voor algemeen cultuurbeleid.

In aanvulling op de «intensiveringenbrief» 1999, die een bredere uiteenzetting over de achtergronden bevat, worden de belangrijkste impulsen voor 2000 hierna toegelicht. Tenslotte wordt afzonderlijk aandacht besteed aan het ontstaan van reserves bij de cultuurfondsen.

Cultureel erfgoed

De in 1999 ingezette middelen voor versterking van de relatie tussen cultuur, cultuurhistorie en ruimtelijke ordening worden verder verruimd.

In totaal wordt f 8 miljoen gulden ingezet voor het project Belvedere, de implementatie van het Verdrag van Malta en de uitvoering van het Werkplan Monumentenzorg.

Voor een goede uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van de gebouwde monumentenzorg en de archeologie is het noodzakelijk dat het Monumentenregister en de archeologische informatiesystemen Archis en Centraal Monumentenarchief worden geactualiseerd. In totaal wordt hier f 18,1 miljoen voor bestemd.

Voor de herinrichting van het archiefbestel wordt f 4,9 miljoen beschikbaar gesteld. Dit project heeft tot doel (rijks-)archieven te fuseren tot historische informatiecentra die op een publieksvriendelijke manier archieven beschikbaar stellen en hun regionale inbedding te vergroten. Zie hierover ook de agentschapsbegroting van de Rijksarchiefdienst onder wetsartikel 4.

In totaal f 4,9 miljoen wordt ingezet voor ondersteuning van projecten op het gebied van informatie- en communicatietechnieken.

Tot slot wordt f 7,9 miljoen ingezet voor investeringen in huisvesting van musea en archieven, pilots op het gebied van cultuur en school, de versterking van de archiefInspectie en een aantal knelpunten binnen de apparaatskosten van de Rijksdienst Monumentenzorg, de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek en het Instituut Collectie Nederland.

Kunsten

Er zal in 2000 een begin gemaakt worden met het actieplan cultuurbereik. In beginsel gaat het om nieuwe impulsen om de programmering te versterken en de culturele diversiteit te bevorderen (circa f 7 miljoen).

Die impulsen hebben betrekking op het brede terrein van de kunsten maar bijzondere aandacht zal uitgaan naar de sector amateurkunst (f 0,8 miljoen), de popmuziek (f 0,7 miljoen) en de nieuwe media (f 2 miljoen).

De cultuureducatie wordt verder versterkt (ongeveer f 6 miljoen). De vorig jaar in gang gezette versterking van het educatieve potentieel van het jeugdtheater wordt gecontinueerd. Het project Cultuur en School krijgt wat meer ruimte om landelijke voorbeeldprojecten te steunen. In het voortgezet onderwijs zullen gekoppeld aan het vak culturele en kunstzinnige vorming leerlingen (CKV1) zogenaamde cultuurbonnen worden geïntroduceerd in combinatie met een gratis CJP-pas. De financiering van dit initiatief vindt voor de helft plaats ten laste van de cultuurbegroting. De andere helft is gedekt binnen de onderwijsbegroting.

In 1999 zijn diverse impulsen gegeven aan jonge kunstenaars en vernieuwende kunstvormen. Deze zullen ook in 2000 worden gecontinueerd (circa f 4 miljoen). De opstart van een nieuwe organisatie voor het opdrachtenbeleid beeldende kunst zal in 2000 plaatsvinden.

Media, letteren en bibliotheken

De extra middelen worden hier voornamelijk ingezet voor jonge literaire kunstenaars en projecten op het gebied van cultuur, nieuwe media en behoud van literair en audiovisueel erfgoed.

Algemeen cultuurbeleid

Het bedrag van f 4,5 miljoen gulden voor algemeen cultuurbeleid bestaat uit f 4 miljoen voor culturele diversiteit en f 0,5 miljoen voor de nieuwe Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA). De onlangs opgerichte SICA is een serviceorganisatie voor culturele organisaties in Nederland die internationale activiteiten ontplooien.

In de nota Ruim baan voor culturele diversiteit staan voornemens om voorwaarden te scheppen voor een diversere cultuur. Voorafgaand aan de nieuwe cultuurnotaperiode 2001–2004, waarin de maatregelen van kracht worden, is het wenselijk om in een aantal steden reeds pilotprojecten te starten.

Inmiddels hebben enkele fondsen (de Mondriaan Stichting, het Fonds voor de Podiumkunsten en het Fonds voor Amateurkunst) hiertoe voorstellen gedaan.

Ontstaan en aanwending van reserves bij de cultuurfondsen

Sinds 1 januari 1998 is het Handboek financiële verantwoording cultuursubsidies, deel fondsen op de subsidies aan cultuurfondsen van toepassing. In dit handboek wordt gedeeltelijk teruggegrepen op het zogenaamde kasstelsel.

Gevolg van toepassing van het kasstelsel is dat slechts dàt gedeelte van een door een fonds in enig jaar toegezegde subsidie als last moet worden opgenomen, dat ook daadwerkelijk betrekking heeft op de gesubsidieerde activiteiten in dat jaar (handboek, pag. 18, Door fondsen toegezegde subsidies). Het restant valt in het exploitatiesaldo en moet worden verrekend met de algemene reserve (handboek, pag. 15, Algemene reserve). Het totaalbedrag van de uit hoofde van subsidieverstrekking door een fonds nog verschuldigde bedragen wordt niet in de balans opgenomen, maar wel in de toelichting vermeld (handboek, pag. 16, Niet in de balans opgenomen rechten en verplichting).

Tot deze wijziging is besloten omdat fondsen er vanuit mogen gaan dat, in verband met hun taak, in de volgende subsidieperiode opnieuw subsidie beschikbaar zal worden gesteld. Mocht dat anders zijn, is de subsidiënt gehouden garant te staan voor zgn. afwikkelingskosten.

Door de – als gevolg van het kasstelsel – veranderde subsidiebehoefte, kunnen de subsidiebeschikkingen van de fondsen voor de resterende subsidieperiode worden gewijzigd met het oogmerk de bedoelde middelen ten goede te laten komen aan het cultuurbeleid vanaf 2000.

Het is de verwachting dat ongeveer f 80 miljoen eenmalig kan worden gerealiseerd uit de reserves van de cultuurfondsen. Daarvan wordt f 50 miljoen aangewend voor het departementaal kasbeleid in 2000 en 2001, waartegenover een verhoging van het cultuurbudget met structureel f 10 miljoen staat vanaf 2002. Het restant van circa f 30 miljoen wordt eenmalig ingezet voor de financiering van de eerder genoemde beleidsintensiveringen.

Deze bedragen zullen corresponderen met de verlaging van de subsidietermijnen aan de fondsen in die jaren. Indien de verrekening lager uitvalt dan de genoemde f 80 miljoen zullen de prioriteiten overeenkomstig worden verminderd.

3. HORIZONTALE TOELICHTING

Totaal uitgaven en ontvangsten (bedragen x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Totaaluitgaven2 841 3742 699 0842 720 4892 787 0722 850 2462 863 7092 859 488
27.01Kunsten547 783585 880524 636544 798573 048569 124572 057
27.02Bibliotheken86 06892 75792 19390 71490 37990 37990 271
27.03Cultuurbeheer523 771387 719434 500436 501448 373454 973437 322
27.04Media1 672 9051 620 7721 651 6471 656 0161 662 4701 673 2571 683 862
27.05Garanties, rente en aflossing lening0000000
27.07Overige uitgaven10 84711 95617 51359 04375 97675 97675 976
         
Totaal ontvangsten1 682 0041 776 043397 550387 550387 550387 550387 550
27.01Cultuurbeheer19 038      
27.02Media1 662 0621 775 493397 000387 000387 000387 000387 000
27.03Overige ontvangsten904550550550550550550

Uitgaven

Het uitgavenbedrag bij het onderdeel kunsten is in 1999 f 38 miljoen hoger dan in het daaraan voorafgaande jaar. De verhoging van het budget bestaat uit de bijdrage voor loon- en prijsbijstelling van in totaal f 17,8 miljoen, f 8,5 miljoen als gevolg van de toevoeging van de intensiveringsgelden naar aanleiding van het regeerakkoord en is voor f 10,6 miljoen het effect van diverse kasschuiven.

Bibliotheken, letteren en Nederlandse Taalunie kende in 1998 met name op de budgetten «behoud en conservering» en «leesbevordering» een lager uitgavenniveau dan geraamd. Daarnaast is het uitgavenniveau voor 1999 hoger als gevolg van de toevoeging van intensiveringsgelden.

Het uitgavenbedrag bij het onderdeel cultuurbeheer is in 1999 f 136 miljoen lager dan voorgaande jaren. Deze verlaging wordt veroorzaakt door het onttrekken van de uitgaven aan artikel 27.03 voor een bedrag van f 30 miljoen voor de Inspectie cultuurbezit, de Rijksacademie van beeldende kunsten, de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek, de Rijksdienst Monumentenzorg en de Rijksarchiefdienst. Deze uitgaven worden met ingang van 1999 verantwoord op beleidsterrein 17.

Verder is door Financiën in 1998 een eenmalig bedrag toegevoegd van f 100 miljoen ten behoeve van het aankoopfonds.

Daarnaast wordt vanaf 1999 het budget op artikel 27.03 verhoogd met structurele bijdragen voor respectievelijk de loon- en prijsontwikkeling van f 9,3 miljoen en f 6,6 miljoen voor de huisvestingskosten van de voormalige rijksmusea als gevolg van het nieuwe huisvestingsstelsel en tenslotte f 5 miljoen voor de monumentenzorg. De oploop van de extra gelden voor de monumentenzorg uit het regeerakkoord zorgt in 2000 weliswaar voor een daling van f 2 miljoen, maar voor een stijging in 2001 van f 42 miljoen, in 2002 van f 1 miljoen en in 2003 van f 6,6 miljoen.

In 1999 wordt het budget verlaagd met f 0,1 miljoen ter invulling van de taakstelling van de in de Voorjaarsnota aangekondigde beperking van de omvang van de projectmiddelen en vernieuwingsactiviteiten. Met ingang van 2000 betekent dat een structurele verlaging van f 3,0 miljoen. Vanaf 2000 is sprake van een structurele korting van f 5 miljoen op het cultuurbudget als resultaat van de besluitvorming over de begroting 2000.

Met ingang van 1999 wordt op het artikel een bedrag bijgeboekt door een correctie van de overboeking naar VROM van de huisvestingsmiddelen van f 4,3 miljoen in 1999 oplopend tot f 17,7 miljoen in 2003.

De stijging in 2002 is verder ook het gevolg van een bijstelling van f 8,0 miljoen voor de Wet behoud cultuurbezit en f 2,0 miljoen voor het oplossen van knelpunten bij de rijksdiensten.

Tenslotte een ophoging van het artikel in 2000 met f 43,8 miljoen als gevolg van de verdeling van de beleidsintensiveringsgelden.

Ontvangsten

De ontvangsten van media zijn in 1998 hoger uitgevallen dan geraamd. Naast hogere reclame-inkomsten, zijn ook de ontvangen omroepbijdragen, mede als gevolg van de gewijzigde incassomethode hoger uitgevallen. Verder vertonen de ontvangsten van media een piek in 1999 als gevolg van de opbrengst van de verkoop van het Nederlands Omroepproductie Bedrijf (NOB) van f 155 miljoen.

Het kabinet heeft het besluit genomen de omroepbijdrage per 1 januari 2000 af te schaffen. Vanaf dat jaar zal de publieke omroep grotendeels worden gefinancierd uit de algemene middelen. Hiertoe verdwijnen vanaf 2000 op het ontvangstenartikel de ramingen omroepbijdragen. Op het uitgavenartikel worden de hierin verwerkte ramingen omroepbijdragen vervangen door een rijksbijdrage voor de media, welke is gebaseerd op de realisatie van de omroepbijdragen in 1998, de prijsindex voor de gezinsconsumptie en de verwachte groei van het aantal huishoudens.

De ontvangsten op artikel 27.03 (overige ontvangsten cultuur) zijn vanaf 1999 in overeenstemming gebracht met de werkelijk te verwachten inkomsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten.

D. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

Beleidsterrein 17 Ministerie algemeen

Uitgaven ministerie algemeen f 873 mln. Ontvangsten ministerie algemeen f 23 mln.

kst-26800-VIII-2-22.gifkst-26800-VIII-2-23.gif

Inleiding

De begroting van OCenW onderscheidt apparaatsuitgaven en programma-uitgaven. De van de programma-uitgaven gescheiden apparaatsuitgaven worden op dit beleidsterrein gepresenteerd.

Ramingskengetallen huisvesting

Deze kengetallen zijn nog niet bekend. De reden is dat er nog geen contract tussen OCenW en de Rijksgebouwendienst is getekend.

Artikel 17.10 Bestuursdepartement

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven aan apparaatskosten voor het bestuursdepartement geraamd. Hierbij moet gedacht worden aan kosten voor salarissen, materieel, waaronder huisvesting, automatisering, opleidingen, voorlichtingscampagnes, arbo-zorg, wachtgeld en dergelijke.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.101998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 256 847247 238236 275224 518224 518 
Nieuwe mutaties 31 47055 48534 97341 81341 824 
Stand ontwerpbegroting 20000288 317302 723271 248266 331266 342267 298
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0130 832137 370123 087120 856120 861121 295
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.10 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 11 97735 3337 9906 8396 850 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 12 36838 6279 6507 7877 798 
2. Overboekingen (extern) 1 903893    
3. Overboekingen (intern) – 2 294– 4 187– 1 660– 948– 948 
2. Autonome mutaties 800     
1. Diversen 800     
3. Beleidsmatige mutaties 18 69320 15226 98334 97434 974 
1. Amendement Lambrechtse 1 5001 500    
2. Apparaatskosten 1 200     
3. Grote stedenbeleid 725725    
4. Intertemporele compensatie 4 153     
5. Taakstelling regeerakkoord 11 11517 92726 98334 97434 974 
Totaal 31 47055 48534 97341 81341 824 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999, de prijsbijstelling tranche 1999 en een bijstelling voor het spaarverlof van f 0,1 miljoen in 1999. Verder heeft er voor 1999 tot en met 2001 een bijstelling plaatsgevonden voor de invoeringskosten van de euro. Deze middelen (f 5,4 miljoen in 1999, f 29,6 miljoen in 2000 en f 1,6 miljoen in 2001) zijn bestemd voor het gehele departement (beleidsterrein 17) en worden later dit jaar verdeeld.

Er heeft een structurele bijstelling van f 1,0 miljoen naar artikel 17.11 (Inspectie van het onderwijs) plaatsgevonden ter compensatie van de nadelige gevolgen van de herstructurering van de salarisschalen zoals geregeld in de voorlaatste cao.

1.2

In het kader van het traineeproject rijksoverheid tranche 1998 is door het ministerie van BZK f 1,2 miljoen in 1999 en f 0,9 miljoen in 2000 toegevoegd aan de OCenW-begroting. Verder is door het ministerie van BZK eenmalig, in 1999, een bedrag van f 0,7 miljoen bijgeboekt als meevaller op de uitkering Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijksoverheid.

1.3

Toegevoegd aan dit artikel is f 7,1 miljoen in 1999:

• een structurele overboeking van artikel 17.14 agentschappen (f 1,8 miljoen) door de uitbesteding van de automatiseringsdiensten OCenW voor het agentschap CFI;

• voor het «Grote stedenbeleid» is f 1,3 miljoen voor de jaren 1999 en 2000 en f 0,8 miljoen voor het jaar 2001 aan dit artikel toegevoegd;

• voor de salaris- en huisvestingskosten CEVO/COB is eenmalig in 1999 een bedrag van f 0,9 miljoen van artikel 19.06 naar dit artikel overgeboekt;

• voor het College van beroep hoger onderwijs is eenmalig een bedrag van f 0,3 miljoen van beleidsterrein 22 (wetenschappelijk onderwijs) overgeboekt naar dit artikel;

• in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting wordt structureel een bedrag van f 0,6 miljoen overgeboekt van artikel 17.13 naar artikel 17.10;

• aan dit artikel is in 1999 een bedrag van f 0,3 miljoen en vanaf 2000 structureel een bedrag van f 0,2 miljoen toegevoegd, afkomstig van de artikelen 17.11, 17.12 en 17.14, voor het voeren van de personele salarisadministratie van de cultuurinstellingen;

• voor de kennisunit bij het Centraal Planbureau is structureel een bedrag van f 0,3 miljoen toegevoegd;

• aan dit artikel is f 1,6 miljoen toegevoegd van de beleidsterreinen 18 (primair onderwijs), 19 (voortgezet onderwijs), 20 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie), 21 (hoger beroepsonderwijs) en 22 (wetenschappelijk onderwijs) als bijdrage in de apparaatskosten van het project Leraren.

Afgeboekt van dit artikel is f 9,3 miljoen in 1999:

• f 0,9 miljoen is structureel overgeboekt naar artikel 17.14 voor het voeren van het secretariaat van de interne bezwaarschriftencommissie door CFI;

• voor de overplaatsing van personeel is structureel f 0,3 miljoen naar artikel 17.11 (Inspectie van het onderwijs) overgeboekt;

• van dit artikel is f 4 miljoen in 1999 en structureel, vanaf 2000, f 3 miljoen overgeboekt naar artikel 17.15 om de telefonische bereikbaarheid van de IB-Groep te realiseren;

• van dit artikel is f 1 miljoen in 1999 en f 2,9 miljoen in 2000 overgeboekt naar artikel 17.15 als aandeel in de dekking van de verhoging van het apparaatskostenbudget 1999 van de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs (USZO);

• van dit artikel is eenmalig f 0,8 miljoen overgeboekt naar artikel 17.15 (IB-Groep) voor de afwikkeling van een tweetal uitvoeringstoetsen;

• naar artikel 17.15 (USZO) is f 0,6 miljoen in 1999 overgeboekt voor de extra uitvoeringskosten wachtgelden voor het departementspersoneel in verband met het meerjarencontract USZO 1998–2000. In 2000 wordt hiertoe f 0,2 miljoen overgeboekt;

• van dit artikel is eenmalig f 0,3 miljoen naar artikel 17.14 (CFI) overgeboekt voor de uitvoeringstoets WHW 1998;

• een correctie vanaf 1999 op het huisvestingsbudget, waaronder in 1999 f 1,4 miljoen en in 2000 f 1,1 miljoen. Deze aanpassing bestaat uit een correctie op het huisvestingsbudget die in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting in de Miljoenennota 1999 aan dit artikel is toegevoegd. Daarnaast zijn de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd.

2.1

Voor het project Vereenvoudiging financiële administratie is in 1999 f 0,8 miljoen bijgeboekt voor het uitvoeren van definitiestudies en contra-expertise.

3.1

De jaren 1999 en 2000 zijn elk gecorrigeerd voor f 1,5 miljoen. Dit is een correctie op een eerdere verlaging als gevolg van een amendement uit 1996 ter dekking van de Cultuurnota 1997–2000.

3.2

Voor het uitkeren van de eindejaarsmarge aan de directies van het bestuursdepartement is in 1999 een bedrag van f 1,2 miljoen aan dit artikel toegevoegd. Dit bedrag is een compensatie. De directies van het bestuursdepartement, die het jaar 1998 met een positief bedrag aan apparaatskosten hebben afgesloten, hebben een eindejaarsmarge van 2% van het eigen apparaatbudget ontvangen.

3.3

In 1999 en 2000 wordt het «Grote stedenbeleid» verhoogd met een bedrag van f 0,7 miljoen. Het betreft hier een aanvulling van de eerdere f 1,3 miljoen (zie onder 1.3) tot f 2,0 miljoen. Het «Grote stedenbeleid» is een maatregel, voortvloeiend uit afspraken in 1996 tussen kabinet en middelgrote steden, om deze middelgrote steden extra middelen te geven. De extra middelen worden uitbetaald in menskracht (ambtenaren). Op deze wijze hebben deze steden (extra) armslag om op het terrein van onderwijs een bijdrage te leveren aan een integrale aanpak gericht op het bestrijden van onderwijsachterstanden, het voorkomen van uitval en de zorg dat geen jongere de school verlaat zonder startkwalificatie.

3.4

Via intertemporele compensatie zijn de middelen voor het millenniumproof maken van de geautomatiseerde systemen en de projectorganisatie millennium, die niet zijn besteed in 1998, in 1999 ter beschikking gekomen. Het betreft een bedrag van f 4,2 miljoen.

3.5

Op dit artikel was de taakstelling regeerakkoord voor de apparaatskosten geparkeerd: f 12 miljoen in 1999 tot f 42 miljoen in 2002 en volgende jaren. De specifieke toedeling van de taakstelling naar de diverse artikelen is doorgevoerd.

Voor het bestuursdepartement heeft een verlaging plaatsgevonden van f 6,4 miljoen in 1999, oplopend tot f 17,6 miljoen in 2003 en 2004. Verder is een bedrag van f 5,5 miljoen in 1999, oplopend tot f 10,6 miljoen in 2003 en 2004, binnen het beleidsterrein 17 gerealloceerd dat departementaal kan worden ingezet om mogelijke tegenvallers en bijkomende kosten op te vangen in het kader van de uitwerking van het regeerakkoord.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.10 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel departement incl. CROSS      155 113150 220 11 04.0
Materieel departement incl. CROSS      102 904123 794 12 04.0
Postactieven  n.v.t.   16 81215 865 11 04.0
Taakstelling regeerakkoord Procesmanagement      0– 500 01 04.0
Huisvesting      13 48813 344 12 04.0
Totaal      288 317302 723    

Artikel 17.11 Inspecties

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven aan apparaatskosten (personeel en materieel) voor de Inspectie van het onderwijs en de Inspectie cultuurbezit geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.111998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 73 96673 90774 15774 15874 158 
Nieuwe mutaties 4 1921 9841 9111 8611 865 
Stand ontwerpbegroting 2000078 15875 89176 06876 01976 02375 995
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO035 46634 43834 51834 49534 49734 485
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.11 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 4 8784 0944 0434 0044 008 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 3 2993 9893 7313 6883 692 
2. Overboekingen (intern) 1 579105312316316 
3. Beleidsmatige mutaties – 686– 2 110– 2 132– 2 143– 2 143 
1. Taakstelling regeerakkoord – 686– 2 110– 2 132– 2 143– 2 143 
Totaal 4 1921 9841 9111 8611 865 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999 en de prijsbijstelling tranche 1999. Daarnaast heeft een bijstelling van f 0,02 miljoen voor de Inspectie cultuurbezit voor de algemene salarismaatregelen tranche 1998 plaatsgevonden.

De herstructurering van de salarisschalen in 1997, zoals geregeld in de voorlaatste cao heeft geleid tot aanvankelijk niet geraamde meerkosten voor de Inspectie van het onderwijs. Om deze kosten te dekken is vanaf artikel 17.10 structureel f 1,0 miljoen toegevoegd.

1.2

Voor de publicatie van de onderwijskaart door de Inspectie van het onderwijs is van artikel 19.06 (voortgezet onderwijs) in 1999 eenmalig f 1 miljoen aan dit artikel toegevoegd. Voor de overplaatsing van personeel naar de Inspectie van het onderwijs is structureel f 0,3 miljoen overgeboekt van artikel 17.10.

Van artikel 27.03 is in 1999 f 0,5 miljoen naar de Inspectie cultuurbezit overgeboekt naar aanleiding van het proefonderzoek naar de herkomst van gerecupereerde Nederlandse kunst.

Tot slot heeft er een correctie vanaf 1999 op het huisvestingsbudget plaatsgevonden, waaronder in 1999 en 2000 min f 0,2 miljoen. Deze aanpassing bestaat uit een correctie op het huisvestingsbudget die in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting in de Miljoenennota 1999 aan dit artikel is toegevoegd. Daarnaast zijn de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd.

3.1

In het kader van de taakstelling regeerakkoord heeft op dit artikel een verlaging plaatsgevonden.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.11 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel Inspectie van het onderwijs      61 35960 993 11 04.0
Materieel Inspectie van het onderwijs      10 69110 679 12 04.0
Huisvesting Inspectie van het onderwijs      5 0975 097 12 04.0
Taakstelling regeerakkoord Inspectie van het onderwijs      – 675– 2 077 01 04.0
Personeel Inspectie cultuurbezit  n.v.t.   871881 11 08.1
Materieel Inspectie cultuurbezit      751276 12 08.1
Huisvesting Inspectie cultuurbezit      7575 12 08.1
Taakstelling regeerakkoord Inspectie cultuurbezit      – 11– 33 01 08.1
Totaal      78 15875 891    

Artikel 17.12 Buitendiensten cultuur (RDMZ, ROB, RABK, ICN)

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven aan apparaatskosten (personeel en materieel) geraamd voor de Rijksdienst voor de monumentenzorg (RDMZ), de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek (ROB), de Rijksakademie van beeldende kunsten (RABK) en het Instituut collectie Nederland (ICN). De RABK wordt per 1 november 1999 geprivatiseerd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.121998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 72 74772 30072 28872 14272 142 
Nieuwe mutaties 15 5085 2864 0733 6303 632 
Stand ontwerpbegroting 2000088 25577 58676 36175 77275 77472 627
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO040 04835 20734 65134 38434 38532 957
Specificatie nieuwe mutaties (x 1000)
Artikel 17.12 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 14 3585 4615 3515 4605 462 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 3 7561 6331 3761 3281 330 
2. Desalderingen 6 859423423423423 
3. Overboekingen (intern) 3 7433 4053 5523 7093 709 
3. Beleidsmatige mutaties 1 150– 175– 1 278– 1 830– 1 830 
1. Apparaatskosten 1 6001 6001 6001 6001 600 
2. Intertemporele compensatie 101     
3. Taakstelling regeerakkoord – 551– 1 775– 2 878– 3 430– 3 430 
Totaal 15 5085 2864 0733 6303 632 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999, de prijsbijstelling tranche 1999 en de prijsbijstelling tranche 1998. Verder heeft in 1999 een bijstelling van f 2,5 miljoen plaatsgevonden voor het millenniumproof maken van geautomatiseerde systemen.

Tot slot is er een structurele herverdeling van het op dit artikel (17.12) geparkeerde bedrag van f 0,7 miljoen naar artikel 17.14 (Rijksarchiefdienst) en naar artikel 17.11 (Inspectie cultuurbezit) geweest. Deze bijstelling heeft betrekking op de algemene salarismaatregelen tranche 1998.

1.2

De totale bijstelling (desaldering) in 1999 van f 6,9 miljoen bestaat uit:

• een eenmalige bijstelling van f 0,3 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 van de Rijksdienst voor de monumentenzorg;

• een eenmalige bijstelling van f 2,2 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 van het Instituut collectie Nederland;

• een eenmalige bijstelling van f 3,9 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 uit de projecten derden van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek;

• een bijstelling in 1999 van f 0,5 miljoen en een structurele bijstelling van f 0,4 miljoen voor 2000 en volgende jaren naar aanleiding van de algemene ontvangsten van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek.

Het corresponderende ontvangstenartikel 17.01 is met hetzelfde bedrag verhoogd.

1.3

De totale overboeking van f 3,7 miljoen in 1999 bestaat uit:

• van artikel 27.03 een structurele bijdrage van f 0,7 miljoen naar aanleiding van de stelselwijziging rijkshuisvesting;

• van artikel 27.03 een incidentele bijdrage voor het monumentenregister van f 0,4 miljoen;

• een correctie vanaf 1999 op het huisvestingsbudget, waaronder in 1999 en 2000 f 2,8 miljoen. Deze aanpassing bestaat uit een correctie op het huisvestingsbudget die in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting in de Miljoenennota 1999 aan dit artikel is toegevoegd. Daarnaast zijn de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd;

• van dit artikel een structurele overboeking van f 0,1 miljoen naar artikel 17.10 (bestuursdepartement) in verband met de overdracht van de salarisadministratie van de buitendiensten cultuur naar het bestuursdepartement per 1 oktober 1998.

3.1

De structurele verhoging van f 1,6 miljoen in 1999 is nodig voor:

• de ROB (f 1,3 miljoen) voor de benodigde extra capaciteit om tegemoet te komen aan de veranderingen in het archeologisch bestel in Nederland;

• de RDMZ (f 0,3 miljoen) door de uitbreiding van het takenpakket en de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de dienstverlening (de RDMZ als service- en kennisinstituut).

3.2

Het budget voor het millenniumprobleem bij de Rijksakademie van beeldende kunsten is via intertemporele compensatie van 1998 naar 1999 doorgeschoven.

3.3

In het kader van de taakstelling regeerakkoord heeft op dit artikel een verlaging plaatsgevonden.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.12 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel RDMZ      15 87915 502 11 08.1
Materieel RDMZ      9 8707 210 12 08.1
Personeel ROB      12 86812 654 11 08.1
Materieel ROB      10 4306 415 12 08.1
Personeel RABK      3 2173 256 11 08.1
Materieel RABK  n.v.t.   2 0671 966 12 08.1
Personeel ICN      8 4758 437 11 08.1
Materieel ICN      9 3006 864 12 08.1
Taakstelling regeerakkoord RDMZ, ROB, ICN      – 551– 1 775 01 08.1
Huisvesting buitendiensten cultuur      14 97414 974 12 08.1
Alg. salarismaatregel 1999 onverdeeld RDMZ, ROB, ICN      1 1241 491 11 08.1
Prijsbijstelling 1999 onverdeeld RDMZ, ROB, ICN      602592 12 08.1
Totaal      88 25577 586    

Artikel 17.13 Adviesraden

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven aan apparaatskosten (personeel en materieel) geraamd voor de adviesraden van het ministerie. Dit zijn de Onderwijsraad, de Raad voor cultuur en de Adviesraad voor het wetenschaps- en technologiebeleid.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.131998199920002001200220032004  
Stand ontwerpbegroting 1999 11 19511 19511 21611 22311 230   
Nieuwe mutaties – 180– 361– 771– 879– 877   
Stand ontwerpbegroting 2000011 01510 83410 44510 34410 35310 419  
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO04 9984 9164 7404 6944 6984 728  

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.13 19992000200120022003 
1. Technische mutaties – 304– 207– 254– 262– 260 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 325422375367369 
2. Overboekingen (intern) – 629– 629– 629– 629– 629 
3. Beleidsmatige mutaties 124– 154– 517– 617– 617 
1. Intertemporele compensatie 226160    
2. Taakstelling regeerakkoord – 102– 314– 517– 617– 617 
Totaal – 180– 361– 771– 879– 877 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999 en de prijsbijstelling tranche 1999.

1.2

Van zowel het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs (21) als het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs (22) is structureel f 0,03 miljoen overgeboekt voor (het voeren van) het secretariaat van de Adviescommissie onderwijsaanbod (ACO). Verder is in verband met de stelselwijziging huisvesting structureel een bedrag van f 0,6 miljoen overgeboekt naar artikel 17.10 (bestuursdepartement).

Tot slot heeft een correctie vanaf 1999 op het huisvestingsbudget plaatsgevonden, waaronder in 1999 en 2000 min f 0,07 miljoen. Deze aanpassing bestaat uit een correctie op het huisvestingsbudget die in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting in de Miljoenennota 1999 aan dit artikel is toegevoegd. Daarnaast zijn de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd.

3.1

Deze mutatie betreft middelen voor een extra formatieplaats en reiskosten naar het buitenland bij de Raad voor cultuur. Deze middelen, in totaal f 0,4 miljoen, zijn van 1998 doorgeschoven naar 1999 (f 226 000,–) en naar 2000 (f 160 000,–).

3.2

In het kader van de taakstelling regeerakkoord heeft op dit artikel een verlaging plaatsgevonden.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.13 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel Onderwijsraad      4 3614 287 11 04.0
Materieel Onderwijsraad      8279 12 04.0
Huisvesting Onderwijsraad      167167    
Personeel Raad voor cultuur      2 9372 932 11 08.0
Materieel Raad voor cultuur      1 6591 558 12 08.0
Huisvesting Raad voor cultuur  n.v.t.   307307 12 08.0
Personeel Adviesraad wetenschaps- en technologiebeleid (AWT)      978980 11 04.6
Materieel AWT      358358 12 04.6
Huisvesting AWT      166166 12 04.6
Totaal      11 01510 834    

Artikel 17.14 Agentschappen

Algemeen

Op dit artikel worden de apparaatskosten (personeel en materieel) voor de agentschappen, de Rijksarchiefdienst (RAD) en Centrale Financiën Instellingen (CFI), geraamd.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.141998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 148 571145 502145 811145 811145 811 
Nieuwe mutaties 1 4794 9211 097– 2 063– 2 058 
Stand ontwerpbegroting 20000150 050150 423146 908143 748143 753142 248
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO068 09068 25966 66465 23065 23264 549

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.14 19992000200120022003  
1. Technische mutaties 5 3556 4936 0965 9635 968  
1. Bijstelling uit aanvullende posten 4 5635 5205 1234 9754 980  
2. Overboekingen (extern) 175175175175175  
3. Overboekingen (intern) 617798798813813  
3. Beleidsmatige mutaties – 3 876– 1 572– 4 999– 8 026– 8 026  
1. Apparaatskosten 1 4001 4001 4001 4001 400  
2. Rente agentschappen  857857857857  
3. Taakstelling regeerakkoord – 5 276– 3 829– 7 256– 10 283– 10 283  
Totaal 1 4794 9211 097– 2 063– 2 058  

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999 en de prijsbijstelling tranche 1999. Van artikel 17.12 (buitendiensten cultuur) is f 0,7 miljoen afkomstig (oplopend tot f 0,8 miljoen in 2000 en volgende jaren), bestemd voor de prijsbijstelling tranche 1998 en de algemene salarismaatregelen tranche 1998.

1.2

Deze externe overboeking betreft de structurele overdracht van formatie, à f 0,2 miljoen, van het ministerie van Verkeer en Waterstaat naar de Rijksarchiefdienst in het kader van het project Invoering verkorting overbrengingstermijnen. Dit project is binnen de gehele rijksoverheid ingericht om op een versnelde manier de overbrenging van archiefbestanden naar het algemeen rijksarchief te verwezenlijken. Dit als gevolg van de nieuwe archiefwet uit 1995, die de overbrengingstermijn verkort van 50 naar 20 jaar.

1.3

Voor CFI is de bijstelling min f 0,3 miljoen in 1999. Deze bestaat uit:

• van artikel 17.10 (bestuursdepartement) is structureel f 0,9 miljoen overgeboekt voor het secretariaat van de bezwaarschriftencommissie dat CFI voert;

• de bijdrage van CFI in de uitbesteding van de automatiseringsdiensten van OCenW (f 1,8 miljoen) is van dit artikel structureel overgeboekt naar artikel 17.10;

• voor de overdracht van de basisregistraties BRIN/BROI van de IB-Groep naar CFI is structureel een bedrag van f 0,3 miljoen overgeboekt van artikel 17.15 naar dit artikel;

• van artikel 17.10 is eenmalig f 0,3 miljoen naar dit artikel overgeboekt voor de uitvoeringstoets WHW 1998.Voor de Rijksarchiefdienst is de bijstelling f 0,9 miljoen in 1999, welke bestaat uit:

• van artikel 27.03 is eenmalig f 0,6 miljoen overgeboekt als bijdrage in de eerste inrichting archieven Zeeland;

• van artikel 27.03 is eenmalig f 1,0 miljoen overgeboekt bestemd voor het luchtzuiveringsproject rijksarchieven;

• structureel is f 0,1 miljoen van dit artikel overgeheveld naar artikel 17.10 (bestuursdepartement) in verband met de overdracht van de salarisadministratie van de cultuurinstellingen naar het bestuursdepartement per 1 oktober 1998;

• een correctie vanaf 1999 op het huisvestingsbudget, waaronder in 1999 min f 0,6 miljoen en in 2000 f 1,5 miljoen. Deze aanpassing bestaat uit een correctie op het huisvestingsbudget die in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting in de Miljoenennota 1999 aan dit artikel is toegevoegd. Daarnaast zijn de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd.

3.1

Voor algemene knelpunten in de bedrijfsvoering en noodzakelijke investeringen in de informatietechnologie is structureel f 1,4 miljoen toegevoegd aan het budget van de Rijksarchiefdienst.

3.2

CFI en de RAD worden door het ministerie van Financiën vanaf 2000 structureel gecompenseerd voor de rentekosten die verbonden zijn aan de conversie van het eigen naar het vreemd vermogen.

3.3

In het kader van de taakstelling regeerakkoord heeft op dit artikel voor CFI en de RAD een verlaging plaatsgevonden.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.14 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel Rijksarchiefdienst      29 61529 769 11 08.1
Materieel RAD      15 86814 155 12 08.1
Taakstelling regeerakkoord RAD      – 401– 1 203 01 08.1
Rente-ontvangst RAD       430 01 08.1
Huisvesting RAD  n.v.t.   20 34922 689 12 08.1
Personeel Centrale Financiën Instellingen      49 50050 129 11 04.0
Materieel CFI      39 99436 653 12 04.0
Taakstelling RA CFI      – 4 875– 2 626 01 04.0
Rente-ontvangst CFI       427 01 04.0
Totaal      150 050150 423    

Artikel 17.15 Zelfstandige uitvoeringsorganisaties

Algemeen

Op dit artikel worden de bijdragen van het departement aan de apparaatskosten voor de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), de Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO), de Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO) en het Vervangingsfonds (voornamelijk het onderdeel bedrijfsgezondheidszorg) geraamd.

IB-Groep

Momenteel voert de IB-Groep een aantal forse investeringsprojecten uit. Het doel is het opleveren van een nieuw studiefinancieringssysteem, een reorganisatie en het invoeren van integrale klantafhandeling ondersteunt door een zogenoemde «schil», waarmee medewerkers van de IB-Groep direct inzicht verkrijgen in welke systemen een student geregistreerd staat. Over de stand van zaken van dit traject is de Tweede Kamer in een separate brief geïnformeerd (kamerstuk 24 724 nummer 34).

USZO

USZO en het ministerie hebben voor de periode 1998–2000 een meerjarige budgetafspraak gesloten over de uitvoering van de werkloosheidsregeling in het onderwijs. Ook andere sectoren, waaronder de sector Rijk, hebben dergelijke meerjarencontracten afgesloten. In de meerjarenovereenkomst voor de sector onderwijs zijn nadere afspraken gemaakt over de wijze van uitvoering van de werkloosheidsregeling, en zijn afspraken gemaakt over enkele specifieke projecten, waaronder het millenniumproject en het herontwerp van de administratieve processen binnen USZO. De totale omvang van het contract bedraagt f 175,9 miljoen over drie jaren.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.151998199920002001200220032004 
Stand ontwerpbegroting 1999 220 117217 537213 737211 333211 333  
Nieuwe mutaties 116 82337 7918 5367 4197 419  
Stand ontwerpbegroting 20000336 940255 328222 273218 752218 752218 752 
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0152 897115 863100 86399 26699 26699 266 

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.15 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 30 52314 79111 53611 41911 419 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 7 2047 2387 0736 9566 956 
2. Overboekingen (extern) 793793793793793 
3. Desalderingen 663     
4. Overboekingen (intern) 21 8636 7603 6703 6703 670 
2. Autonome mutaties 31 30015 000    
1. Diversen 31 30015 000    
3. Beleidsmatige mutaties 55 0008 000– 3 000– 4 000– 4 000 
1. Herontwerp IBG 45 00010 000    
2. Taakstelling regeerakkoord  – 2000– 3 000– 4 000– 4 000 
3. Telefonische bereikbaarheid IB-groep 10 000     
Totaal 116 82337 7918 5367 4197 419 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling tranche 1999 en de prijsbijstelling tranche 1999.

1.2

Door het ministerie van BZK is structureel f 0,8 miljoen overgeboekt naar artikel 17.15 voor de uitgaven voor het gebruik door de IB-Groep van de gemeentelijke bevolkingsadministratie.

1.3

Op het ontvangstenartikel 17.01 is eenmalig in 1999 een bedrag van f 0,7 miljoen bijgeboekt op basis van nacalculatie over het jaar 1997 door USZO van de aan OCenW toe te rekenen uitvoeringskosten in verband met de uitvoering van de suppletieregeling. Door middel van deze desaldering is dit bedrag opgenomen in het beschikbaar budget van de USZO, ter dekking van de kosten voor het meerjarencontract.

1.4

Totaal is voor dit artikel in 1999 een bedrag van f 2,1 miljoen afgeboekt:

• voor de overdracht van de basisregistaties BRIN/BROI van de IB-Groep naar CFI is structureel f 0,3 miljoen overgeboekt naar artikel 17.14 (agentschappen);

• de academische ziekenhuizen sluiten zelf een contract af met USZO voor de afhandeling van de uitkeringen aan personeel van academische ziekenhuizen. Het voor deze sector beschikbare deel van het budget voor uitvoeringslasten van de werkloosheidsregeling (f 1,8 miljoen) is structureel overgeboekt naar beleidsterrein 22 (wetenschappelijk onderwijs).

Totaal is in 1999 een bedrag van f 23,9 miljoen op dit artikel bijgeboekt:

• als onderdeel van de bijdragen van OCenW aan de financiering van het herontwerpen van de IB-Groep is het budget eenmalig met f 10 miljoen verhoogd. Dit bedrag vormt onderdeel van de reservering op de OCenW-begroting van f 50 miljoen, waarvan f 30 miljoen al in 1998 beschikbaar was gesteld;

• van artikel 17.10 is f 4 miljoen in 1999 naar dit artikel overgeboekt als bijdrage in de kosten voor de telefonische bereikbaarheid van de IB-Groep over de periode 1997–1999. Vanaf 2000 zal structureel f 3,0 miljoen van artikel 17.10 aan het budget van de IB-Groep voor de telefonische bereikbaarheid worden toegevoegd;

• van artikel 17.10 is eenmalig f 0,8 miljoen naar dit artikel (IB-Groep) overgeboekt voor de afwikkeling van een tweetal uitvoeringstoetsen;

• van beleidsterrein 20 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) is eenmalig f 4,8 miljoen naar dit artikel overgeboekt voor de organisatie van examens;

• voor de meerkosten in verband met het af te sluiten contract met USZO 1998–2000 is f 1,0 miljoen overgeboekt van artikel 17.10 naar dit artikel. In 2000 is hiertoe f 2,9 miljoen overgeboekt. Met deze gelden wordt de begroting van de apparaatsuitgaven USZO op het in het meerjarencontract afgesproken bedrag gebracht;

• van artikel 17.10 is een bedrag van f 0,6 miljoen in 1999 en f 0,2 miljoen in 2000 aan dit artikel (USZO) toegevoegd voor de extra uitvoeringskosten wachtgelden voor het departementspersoneel in verband met het meerjarencontract USZO 1998–2000;

• voor de opvang van de toegenomen apparaatskosten van DZVO is structureel f 2,7 miljoen van artikel 26.03 naar dit artikel overgeboekt.

2.1

Met de autonome verhoging van f 31,3 miljoen, waarvan f 12,3 miljoen meerkosten, wordt de begroting van de apparaatsuitgaven USZO, op het in het meerjarencontract afgesproken bedrag gebracht. Voor 1999 houdt dit, naast het bedrag voor de uitvoering van de werkloosheidsregeling in dat jaar, tevens een nabetaling over 1998 in, in verband met de over dat jaar afgesproken uitvoeringsprijs (die pas in 1999 definitief is geworden voor 1998) en de betaling van de incidentele projecten herontwerp USZO en millennium. De doorwerking van de contractonderhandeling 1998–2000 bedraagt f 15,0 miljoen in 2000.

3.1

Voor de financiering van het herontwerpen van de IB-Groep is het budget in 1999 met f 45 miljoen en in 2000 met f 10 miljoen verhoogd. In de periode 2001–2004 wordt deze verhoging terugbetaald (intertemporele compensatie).

3.2

In het kader van de taakstelling regeerakkoord is vanaf 2000 het budget van de IB-Groep verlaagd, te beginnen met f 2 miljoen in 2000.

3.3

Het budget van de IB-Groep is in 1999 met f 10 miljoen verhoogd, zijnde de restantbijdrage in verband met de kosten voor de telefonische bereikbaarheid 1996–1999.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.15 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Personeel en materieel IB-Groep      226 125163 057 10 04.0
Personeel en materieel DZVO      75 49856 935 10 01.1
Personeel en materieel USZO  n.v.t.   6 4096 417 10 01.1
Personeel en materieel Vervangingsfonds      28 90828 919 10 04.0
Totaal      336 940255 328    

Artikel 17.01 Ontvangsten van algemene aard

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd die corresponderen met de uitgaven van beleidsterrein 17.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 17.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 3651 3651 3651 3651 365 
Nieuwe mutaties 7 52222 133423423423 
Stand ontwerpbegroting 20002 7508 88723 4981 7881 7881 7881 788
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO1 2484 03210 663811811811811

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 17.01 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 7 522423423423423 
1. Desalderingen 7 522423423423423 
3. Beleidsmatige mutaties  21 710    
1. Conversie agentschappen  21 710    
Totaal 7 52222 133423423423 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Op het ontvangstenartikel 17.01 is van artikel 17.15 eenmalig in 1999 een bedrag van f 0,7 miljoen bijgeboekt op basis van nacalculatie over het jaar 1997 door USZO van de aan OCenW toe te rekenen uitvoeringskosten in verband met de uitvoering van de suppletieregeling. Verder is in 1999 op dit artikel f 6,9 miljoen van artikel 17.12 bijgeboekt.

Dit betreft:

• een eenmalige bijstelling van f 0,3 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 van de Rijksdienst voor de monumentenzorg;

• een eenmalige bijstelling van f 2,2 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 van het Instituut collectie Nederland;

• een eenmalige bijstelling van f 3,9 miljoen als gevolg van de ontvangsten in 1999 uit de projecten derden van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek;

• een structurele bijstelling van f 0,5 miljoen in 1999 en f 0,4 miljoen vanaf 2000 naar aanleiding van de algemene ontvangsten van de Rijksdienst voor het oudheidkundig bodemonderzoek.

3.1

In 2000 is het gehele eigen vermogen van de agentschappen CFI en RAD omgezet in een leenfaciliteit aan de beide agentschappen met het ministerie van Financiën, behoudens een exploitatiereserve van 5% over hun gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaar.

Economische en functionele coderingen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 17.01 Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten van algemene aard 2 7502 0281 365 16 04.0
Ontvangsten cultuurbeheer (m.i.v. 1999)  6 859423 16 08.1
Conversie eigen vermogen RAD   10 748 06 08.1
Conversie eigen vermogen CFI   10 962 06 08.1
Totaal 2 7508 88723 498    

Beleidsterrein 18 Primair onderwijs

Uitgaven po f 11 356 mln. Ontvangsten po f 34 mln.

kst-26800-VIII-2-24.gif

Artikel 18.01 Personele uitgaven

Algemeen

Dit artikel is opgebouwd uit vier onderdelen:

1. De wettelijk verplichte formatie

2. Het aanvullend formatiebeleid

3. Vervanging / bedrijfsgezondheidszorg

4. Rechtspositionele uitkeringen

Ad 1.

De wettelijk verplichte formatie voor het primair onderwijs is gebaseerd op de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC), formatiebesluiten die op deze wetten zijn gebaseerd en het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO). Op 1 augustus 1998 zijn deze wetten in de plaats gekomen van de Wet op het basisonderwijs (WBO) en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO).

Het voortgezet speciaal onderwijs en het onderwijs op de speciale scholen voor basisonderwijs is geregeld in de WPO. Het voortgezet speciaal onderwijs categorie 1 (voorheen: vso lom en mlk) is ondergebracht in de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en is overgegaan naar beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs). Het overige (voortgezet) speciaal onderwijs is in de WEC ondergebracht.

Onder de WPO vallen tevens de personele uitgaven voor het Nederlands onderwijs in het buitenland en voor scholen voor trekkende bevolking.

Ad 2.

Het aanvullend formatiebeleid betreft de jaarlijkse uitvoering van de artikelen 120 derde lid van de WPO en artikel 117, vierde lid van de WEC. Deze artikelen bieden de mogelijkheid op grond van bijzondere omstandigheden goed te keuren, dat er meer formatie aan een school verbonden is dan de formatie toegekend krachtens het formatiebesluit. Een van deze bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld de aanwezigheid van gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs.

Ad 3.

In het kader van het formatiebudgetsysteem wordt de vervanging vanaf 1 augustus 1992 in een zelfstandig fonds, het Vervangingsfonds, geregeld. Hiermee samenhangend is gelijktijdig een stelsel van bedrijfsgezond- heidszorg ingevoerd.

Ad 4.

Vanaf 1995 zijn de budgetten voor rechtspositionele uitkeringen overgeboekt van artikel 18.04 naar artikel 18.01. De uitgaven, die via een opslag op de gemiddelde personele lasten worden berekend, komen met de oprichting van het Participatiefonds ten laste van artikel 18.01.

De projecten en beleidsprogramma's die op dit artikel betrekking hebben zijn onder andere:

– Groepsgrootte en kwaliteit basisonderwijs;

– Leerlinggebonden financiering.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 9 599 4829 839 13410 206 09110 543 50810 764 838 
Nieuwe mutaties 186 186– 8 859– 79 687– 155 647– 66 205 
Stand ontwerpbegroting 20009 130 1089 785 6689 830 27510 126 40410 387 86110 698 63310 766 203
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO4 143 0624 440 5434 460 7844 595 1624 713 8054 854 8284 885 490

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.01 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 251 27261 75637 46943 682110 439 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 331 334407 464397 117456 518516 288 
2. Overboekingen (extern) – 12 100– 10 300– 3 000– 1 600  
3. Overboekingen (intern) – 67 962– 335 408– 356 648– 411 236– 405 849 
2. Autonome mutaties – 40 509– 16 110– 46 640– 108 458– 61 871 
1. Diversen 8 000– 16 000– 44 000– 77 000– 27 000 
2. Formatie – 2 732– 2 723– 2 777– 2 827– 2 827 
3. Gemiddelde personeelslasten – 42 041– 35 464– 45 995– 67 623– 66 007 
4. Leerlingen volume – 3 73638 07746 13238 99233 963 
3. Beleidsmatige mutaties – 24 577– 54 505– 70 516– 90 871– 114 773 
1. 1.25 leerlingen – 10 000– 11 244– 11 000– 10 000– 10 000 
2. Beperking incidenteel – 14 415– 29 562– 30 680– 52 837– 75 502 
3. Beperking projectmiddelen/vernieuwings-activiteiten  – 7 900– 8 100– 8 300– 8 300 
4. Bestuurlijke krachtenbundeling – 8 000     
5. Frictieregeling  – 10 000– 25 000– 25 000– 25 000 
6. Intertemporele compensatie 2 8381 1951 1951 195  
7. Kinderopvang 5 0004 0004 0005 0005 000 
8. Toerusting en bereikbaarheid  – 994– 931– 929– 971 
Totaal 186 186– 8 859– 79 687– 155 647– 66 205 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten van f 407,5 miljoen heeft betrekking op budgetten voor asielzoekers en loonbijstellingen.

Voor asielzoekers is f 10,6 miljoen aan artikel 18.01 toegevoegd.

De loonbijstellingen op artikel 18.01 bestaan uit:

• Een bijstelling in het kader van de verwerking van de cao afspraken 1999–2000 (f 296,8 miljoen);

• Een bijstelling als gevolg van premiewijzigingen per 1-1-1999 (f 99,6 miljoen);

• Incidentele looncomponent (f 51,0 miljoen in 2002 en f 106,0 miljoen vanaf 2003);

• Doorwerking van de wijziging van de premies ouderdomspensioen / nabestaandenpensioen (op/np) per 1-7-1998 (- f 5,2 miljoen);

• Spaarverlof in het kader van de cao afspraken 1996–1998 (f 4,6 miljoen);

• «Prick-experiment» (seniorenbeleid) (f 1,0 miljoen).

Voor een nadere toelichting op de aanvullende post mutaties wordt verwezen naar beleidsterrein 26.

1.2

Dit betreft een overboeking van – f 4,5 miljoen van artikel 18.01 naar de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in het kader van de uitvoering van de motie Noorman-Den Uyl. Voor een verhoging van het budget voor leerlingenvervoer in het Gemeentefonds met f 9 miljoen dragen OCenW en Verkeer en Waterstaat ieder f 4,5 miljoen bij.

Verder zijn de budgetten voor de uitvoering van het beleid «jeugd en veiligheid» overgeboekt naar BZK (– f 5,8 miljoen).

1.3

Onder de noemer «overboekingen intern» hebben de onderstaande mutaties plaatsgevonden.

• Met ingang van 1 augustus 1999 zijn de budgetten voor het speciaal voortgezet onderwijs (vso lom en mlk) overgeboekt van het beleidsterrein primair onderwijs naar beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) (– f 419,5 miljoen).

• Van beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) is f 48,8 miljoen overgeboekt naar beleidsterrein 18 (primair onderwijs). In het kader van het Gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid (GOA) is, als gevolg van onderlinge afspraken tussen de directies primair en voortgezet onderwijs (po en vo), de «regierol uitvoering GOA» neergelegd bij po. Een en ander impliceert dat de desbetreffende budgetten centraal geparkeerd worden bij het beleidsterrein primair onderwijs teneinde de uitvoering te vergemakkelijken.

• Een overboeking van f 32,7 miljoen van artikel 18.02 (materiële uitgaven) naar artikel 18.01 (personele uitgaven). Dit bedrag is op artikel 18.02 beschikbaar gekomen uit de opbrengsten van de fusietranches tot en met 1997 (herbesteding opbrengst Toerusting en bereikbaarheid). Op artikel 18.01 zal het worden ingezet voor zorgmiddelen Weer samen naar school (wsns).

• De maatregel «aanscherping gewicht 1.25» genereert op artikel 18.02 opbrengsten van f 2,3 miljoen. Dit bedrag wordt overgeboekt naar artikel 18.01, waar het toegevoegd wordt aan het budget herbesteding opbrengst 1.25 en waar de uitgaven gedaan worden.

• Een overboeking van f 0,9 miljoen uit het wsns-budget op artikel U18.01 naar U18.02 voor extra materiële uitgaven die ontstaan bij de overgang van speciaal onderwijs lom/mlk/iobk naar speciale scholen voor basisonderwijs.

• Een overboeking van f 0,9 miljoen van het budget voor materiële instandhouding voor ziekenhuisscholen van artikel U18.02. In het budget voor ziekenhuisscholen wordt geen onderscheid meer gemaakt in personele en materiële uitgaven. Het gehele budget is nu op artikel 18.01 geboekt.

• Een overboeking van f 0,4 miljoen in verband met «stabilisatie wsns». Dit is een opbrengst op artikel 18.02 door een afname van het aantal leerlingen so-lom/mlk/iobk als gevolg van het wsns-beleid. Deze leerlingen zijn in het basisonderwijs ingestroomd. Deze opbrengst wordt toegevoegd aan het budget wsns dat op artikel 18.01 staat.

• Een overboeking van extra pabo-up-gelden van f 10 miljoen in 2001 en 2002 naar beleidsterrein 21 (hoger beroepsonderwijs). De extra pabo-up-gelden worden ingezet voor de tekortenproblematiek in het primair onderwijs. Pabo's kunnen de middelen aanwenden voor projecten die samenhangen met het terugdringen van de spanningen op de arbeidsmarkt.

2.1

Deze mutatie bestaat uit 3 onderdelen. De eerste is een correctie op het budget voor de uitvoering van de regeling «bestuurlijke krachtenbundeling» in 1999 met f 8,0 miljoen.

De tweede is een correctie van het benodigde budget voor groepsverkleining. Nadat per 01-08-1998 een eerste stap is gezet naar verkleining van de genormeerde groepsgrootte in de onderbouw, zal per 1 augustus 2000, 1 augustus 2001 en 1 augustus 2002 een voortgaande verkleining plaatsvinden. In het kader van de begrotingsvoorbereiding 2000 zijn de budgetten die beschikbaar zijn voor het groepsgroottebeleid bijgesteld en heeft er op basis van de voorgenomen omvang van de vervolgstappen een geactualiseerde uitgavenberekening plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat de uitgaven gedurende de aanloopjaren 2000 tot en met 2002 lager uitvallen dan het gereserveerde budget. Dit verschil wordt thans op de begroting gemuteerd. Voor de jaren 2000, 2001 en 2002 gaat het om f 16 respectievelijk f 44 en f 50 miljoen.

De derde mutatie onder het kopje diversen is een ramingbijstelling met – f 27,0 miljoen vanaf 2002.

2.2

De realisatiegegevens voor de formatie in het primair onderwijs in 1998 leiden tot een neerwaartse bijstelling. Deze bijstelling wordt veroorzaakt door het verschil in geraamde en toegekende formatie. De doorwerking hiervan naar het jaar 2000 leidt tot een bijstelling van – f 2,7 miljoen.

2.3

Deze mutatie van – f 35,5 miljoen betreft de verwachte meerjarige doorwerking van de verschillen tussen ramingen en realisaties van componenten gemiddelde personele lasten (algemene salarismaatregelen, de incidentele loonsomcomponent 1998 en realisatieverschillen toelagen en kortingen) .

2.4

Deze mutatie van f 38,1 miljoen betreft de budgettaire gevolgen van de nieuwe bevolkingsprognose, de leerlingentelling van 1 oktober 1998 en de daaruit voortvloeiende leerlingenraming (referentieraming 1999).

3.1

Uit het budget van de opbrengst 1,25 worden de volgende posten bekostigd: een korting in verband de budgettaire problematiek in de begroting 2000, een herbesteding ten behoeve van de uitgaven aan kinderopvang en de uitgaven aan de cao 1999 – 2000, alsmede een herschikking met het budget opbrengst Toerusting en bereikbaarheid.

3.2

Deze mutatie betreft een ramingbijstelling van de incidentele looncomponent.

3.3

Deze mutatie van – f 7,9 miljoen hangt samen met het uitgedeelde budget loonbijstelling in het kader van de verwerking van de cao afspraken 1999–2000 (zie de aanvullende post mutaties bij punt 1.1). Besloten is dat de dekking deels binnen de eigen begroting van het beleidsterrein primair onderwijs zou worden gevonden. De in deze mutatie opgenomen reeks betreft het door primair onderwijs zelf te dekken deel van de loonbijstelling. De dekking is gevonden door verlaging van het projectenbudget (artikel 18.05). Dit budget is vervolgens via een aanvullende post van artikel 18.05 overgeboekt naar artikel 18.01 waar het nu deel uitmaakt van het totale budget loonbijstelling (zie de aanvullende post mutaties bij punt 1.1).

3.4

Voor de dekking van de bijstelling voor de uitvoering van de regeling «bestuurlijke krachtenbundeling» (zie 2.1) zal voor f 8,0 miljoen naar herschikkingen binnen de begroting 1999 worden gezocht.De dekking wordt in de 2e suppletoire begroting 1999 toegelicht.

3.5

Onderdeel van de afspraken die binnen het kabinet zijn gemaakt over het budgettaire kader van de begroting 2000, is onder meer een verlaging van het personele budget voor de scholen voor basisonderwijs per 1 augustus 2000 met f 25 miljoen op jaarbasis. Deze verlaging zal in de normatieve onderbouwing van de formatie voor het basisonderwijs worden verwerkt door een aanpassing van de zogenaamde opslag voor formatieve frictie. Voor deze opslag is thans jaarlijks circa f 40 miljoen in de begroting opgenomen. Sinds de invoering van het formatiebudgetsysteem, moet het risico voor formatieve frictie worden opgevangen binnen het formatiebudget van de school. Het formatiebesluit WPO bevat voor basisscholen een opslag ten behoeve van deze formatieve fricties van 12 formatierekeneenheden per school. Bevoegde gezagsorganen die ondanks deze frictieopslag worden geconfronteerd met onvermijdbare garantiekosten die de eigen draagkracht te boven gaan, kunnen een beroep doen op het Noodfonds. Dit Noodfonds wordt rechtstreeks uit de OCenW-begroting gevoed (jaarlijks circa f 5 miljoen).

Gegeven de maatregelen voor groepsverkleining en een stijging van het aantal leerlingen in het basisonderwijs in de komende jaren, ligt het in de lijn der verwachting dat er een afname zal plaatsvinden van onvermijdbare garantiekosten. In verband daarmee wordt voorgesteld het gereserveerde budget in verband met formatieve fricties met f 28 miljoen te verlagen. Van deze f 28 miljoen zal in de schooljaren 2000/2001 en 2001/2002 incidenteel f 3 miljoen worden gebruikt ter dekking van invoeringskosten samenhangend met het beleid op het terrein van de leerlinggebonden financiering. Met ingang van het schooljaar 2002/2003 zal f 3 miljoen gereserveerd worden voor een eventuele verhoging van het budget van het Noodfonds. Dit als in individuele gevallen scholen in de problemen komen door de verlaging van de frictieopslag. Per saldo is er derhalve sprake van een uitgavenreductie op de personele kosten van f 25 miljoen.

Het voornemen is om per 1 augustus 2000 de formatieregeling voor het basisonderwijs te vereenvoudigen. De opslag voor formatieve fricties zal daarbij als aparte formatiecategorie vervallen. De aanpassing van deze opslag zal dan ook in de nieuwe systematiek worden verwerkt in de vorm van een verlaging van het aantal formatierekeneenheden dat per leerling aan scholen beschikbaar wordt gesteld.

3.6

Ter stimulering van de kinderopvang mogen werkgevers vanaf 1 januari 1996 van de gelden die zij jaarlijks aan kinderopvang besteden 20% in mindering brengen op de loonheffing. Dit is geregeld in de Wet vermindering afdracht loonheffing. Voor de kinderopvang in het primair en voortgezet onderwijs alsmede in het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, moest met het ministerie van Financiën een aparte regeling worden overeengekomen, aangezien de bekostiging van kinderopvang in deze sector collectief geregeld is via de Stichting Uitvoering Kinderopvang. Deze regeling was in 1998 gereed en moest met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 worden uitgevoerd. Aangezien verplichtingen voor kinderopvang over het algemeen voor vier jaren worden aangegaan, is het, op grond van de terugwerkende kracht voor de jaren 1996 en 1997 in 1998 incidenteel beschikbaar gekomen budget in de begroting via kasbeleid verdeeld over vier jaren. De mutatie bedraagt f 1,2 miljoen.

3.7

Het budget voor kinderopvang wordt als gevolg van de cao-afspraken verhoogd met f 4,0 miljoen (zie ook toelichting punt 3.9) voor de opvang van kinderen van «vervangers».

3.8

De vermindering van het budget voor Toerusting en bereikbaarheid betreft een herbesteding voor de uitgaven van kinderopvang.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
BO gemeentelijk     2 424 6102 642 9212 719 834 43C 04.2
BO bijzonder lonen onderwijzend personeel     4 849 2195 285 8385 439 670 43A 04.2
BO bijzonder lonen overig     000 43A 04.2
BO Ned. onderwijs in het buitenland     21 93322 61323 362 43G 04.0
SBO gemeentelijk  n.v.t.  0215 860213 863 43C 04.2
SBO bijzonder lonen onderwijzend personeel     0345 375342 180 43A 04.2
SBO bijzonder lonen overig     086 34485 545 43A 04.2
(V)SO gemeentelijk     611 449395 572335 274 43C 04.36
(V)SO bijzonder lonen onderwijzend personeel     978 318632 915536 438 43A 04.36
(V)SO bijzonder lonen overig     244 579158 228134 109 43A 04.36
Totaal     9 130 1089 785 6689 830 275    

Artikel 18.02 Materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven aan gemeenten en schoolbesturen, die op grond van de artikelen 113 tot en met 119 en 134 tot en met 136 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de artikelen 111 tot en met 116 en 128 tot en met 130 van de Wet op de expertisecentra (WEC) worden gedaan.

Dit artikel omvat de uitgaven, die nodig zijn voor de exploitatie (materiële instandhouding en andere voorzieningen) van een gebouw. Te denken valt aan verlichting, verwarming, schoonhouden. Dit artikel omvat tevens de uitgaven voor het verzorgen van het onderwijs zoals meubilair, leermiddelen etcetera.

Ontvangsten als gevolg van afwikkeling van oude dienstjaren worden geboekt op het ontvangstenartikel 18.01. Nabetalingen oude jaren worden ten laste van het uitgavenartikel van het lopende jaar gebracht.

De projecten en beleidsprogramma's die op dit artikel betrekking hebben zijn onder andere:

– Groepsgrootte en kwaliteit basisonderwijs;

– Leerlinggebonden financiering.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 291 5921 341 8681 369 0681 392 0951 411 470 
Nieuwe mutaties 49 02536 71141 50488 87087 110 
Stand ontwerpbegroting 20001 338 8981 340 6171 378 5791 410 5721 480 9651 498 5801 502 024
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO607 565608 346625 572640 090672 032680 026681 589

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.02 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 37 14629 61336 75082 70284 340 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 94 012109 703118 091164 863167 228 
2. Overboekingen (intern) – 56 866– 80 090– 81 341– 82 161– 82 888 
2. Autonome mutaties 11 87912 86012 82312 23912 415 
1. Diversen – 618– 759– 660– 557– 501 
2. Leerlingen volume 2 4363 9233 8683 0083 037 
3. Materiele kenmerken 2 6002 6002 6002 6002 600 
4. Verschil prijsbijstelling 7 4617 0967 0157 1887 279 
3. Beleidsmatige mutaties  – 5 762– 8 069– 6 071– 9 645 
1. Toerusting en bereikbaarheid  – 762– 3 069– 1 071– 645 
2. Vereenvoudiging londostelsel  – 5 000– 5 000– 5 000– 9 000 
Totaal 49 02536 71141 50488 87087 110 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze aanvullende post mutatie bestaat uit:

• de boeking van het budget voor Informatie- en communicatietechnologie naar artikel 18.02 (f 101,0 miljoen);

• de prijscompensatie 1999 voor de materiële instandhouding primair onderwijs (f 25,0 miljoen);

• tegemoetkoming in de kosten samenhangend met de invoering van de euro in de schooladministraties (f 13,8 miljoen);

• verschuiving via de aanvullende post van de middelen voor schoonmaak, leermiddelen en management naar artikel 18.01 ten behoeve van de in de collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen toeslag voor directiepersoneel (– f 30,0 miljoen).

1.2

De interne overboekingen hebben betrekking op:

a. overboeking naar beleidsterrein 19 (voortgezet onderwijs) van – f 46,3 miljoen

Met ingang van 1 augustus 1999 zijn de budgetten voor het speciaal voortgezet onderwijs (vso lom en mlk) overgeboekt van het beleidsterrein primair onderwijs naar het beleidsterrein voortgezet onderwijs.

b. overboekingen met artikel 18.01

• Herbesteding Toerusting en bereikbaarheid / Weer samen naar school (– f 32,7 miljoen)

• Herbesteding 1.25 (– f 2,3 miljoen)

• Weer samen naar school (f 0,9 miljoen)

• Ziekenhuisscholen (– f 0,9 miljoen)

• Stabilisatieopbrengst (– f 0,4 miljoen)

Zie artikel U18.01 voor een toelichting op deze mutaties.

c. Een overboeking van artikel 26.03

Een bedrag van f 1,6 miljoen ter dekking van de verhoging van de bijdrage die CASO de scholen in rekening brengt. Dit bedrag is toegevoegd aan het budget voor de programma's van eisen 1999 en verwerkt in de desbetreffende vergoedingsbedragen.

2.1

De doorwerking van de nacalculatie 1998 heeft enkele kleine mutaties voor o.a. bijzondere omstandigheden, artikel 82a, visueel gehandicapte kinderen en trekkende bevolking van per saldo – f 0,8 miljoen tot gevolg.

2.2

Dit betreft het saldo van:

a. de budgettaire gevolgen van de nieuwe bevolkingsprognose, de leerlingentelling van 1 oktober 1998 en de daaruit voortvloeiende leerlingenraming (f 3,8 miljoen);

b. herberekening van het benodigde budget voor de uitgaven voor de experimenten «Almere» (opvang van leerlingen van het speciaal onderwijs in het reguliere basisonderwijs) en «Oost-Nederland» (opvang van dove leerlingen op scholen voor slechthorenden (f 0,1 miljoen).

2.3

Dit betreft een verhoging van het budget vereenvoudigd Londo op basis van de doorwerking van de nacalculatie 1998.

Dit wordt veroorzaakt door:

a. een hoger beroep op de materiële uitgaven in het kader van de groeiregeling (bij toename van meer dan 0,6 fte tijdens het schooljaar heeft een school recht op extra personele en materiële vergoedingen (f 0,7 miljoen);

b. een ramingtechnische bijstelling (f 1,9 miljoen).

2.4

Met deze bijstelling van f 7,1 miljoen wordt het budget voor de programma's van eisen op het definitieve prijspeil 1998 gebracht. Daarnaast is via de aanvullende post mutatie een budget beschikbaar gesteld voor prijsbijstelling voor de programma's van eisen van de materiële instandhouding naar het verwachte prijspeil 1999 (zie punt 1.1).

3.1

De vermindering van het budget voor Toerusting en bereikbaarheid betreft een herbesteding voor de kosten van kinderopvang (zie ook artikel 18.01 punt 3.8).

3.2

Jaarlijks vindt een aanpassing plaats van de programma's van eisen op het onderdeel toeslag technisch onderhoud. Naar aanleiding van de afspraken in het kabinet over het budgettaire kader voor de begroting 2000 is besloten deze toeslag 1 jaar achterwege te laten en het vrijvallende budget te gebruiken voor kinderopvang en de budgettaire problematiek in de begroting 2000.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.02 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
BO gemeentelijk     358 124359 888378 710 43C 04.2
BO bijzonder     767 148771 894812 267 43A 04.2
BO Ned. onderwijs in het buitenland     000 43G 04.0
SBO gemeentelijk  n.v.t.  025 28325 525 43C 04.2
SBO bijzonder     054 22854 746 43A 04.2
(V)SO gemeentelijk     56 25833 63227 912 43C 04.36
(V)SO bijzonder     157 36895 69279 419 43A 04.36
Totaal     1 338 8981 340 6171 378 579    

De verdeling gemeentelijk / bijzonder is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de peildatum 1 oktober 1995 ingeschreven was bij openbare en bijzondere scholen.

Artikel 18.03 Onderwijsverzorging

Algemeen

Bij het artikel 18.03 zijn de uitgaven ondergebracht voor de schoolbegeleidingsdiensten. Vanaf 1 januari 1998 worden de schoolbegeleidingsdiensten niet meer rechtstreeks via het Rijk bekostigd, maar ontvangen de gemeenten een specifieke uitkering ten laste van de onderwijsbegroting. Als na vier jaar bij evaluatie blijkt dat een adequaat aanbod aan schoolbegeleiding in stand blijft, gaan de middelen daarna naar het Gemeentefonds.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 108 664108 207108 220108 044108 044 
Nieuwe mutaties 4 6762 1562 1562 1492 147 
Stand ontwerpbegroting 2000107 259113 340110 363110 376110 193110 191110 191
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO48 67251 43250 08050 08650 00350 00250 002

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.03 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 4 6764 6564 6564 6494 647 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 4 6764 6564 6564 6494 647 
3. Beleidsmatige mutaties  – 2 500– 2 500– 2 500– 2 500 
1. Efficiencykorting  – 2 500– 2 500– 2 50 0– 2 500 
Totaal 4 6762 1562 1562 1492 147 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Dit betreft een toedeling uit de aanvullende post van artikel 18.01 naar 18.03.

Het gaat om loonbijstellingen 1998 en de collectieve arbeidsovereenkomst 1999–2000.

3.1

Gezien de daling van de wachtgelduitgaven van de schoolbegeleidingsdiensten in 1998 en de prognoses voor 1999 en latere jaren, is besloten vanaf 2000 structureel f 2,5 miljoen minder beschikbaar te stellen voor de opslag Participatiefonds aan de diensten. De reguliere dienstsubsidie zal op het vereiste niveau worden gehouden.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.5.

Artikel 18.05 Overige uitgaven

Algemeen

Artikel 18.05 heeft betrekking op de volgende projectactiviteiten in het primair onderwijs:

Versterking van kwaliteit in het basisonderwijs (f 5,7 miljoen)

Ook in 2000 vindt uitvoering plaats van de maatregelen uit de nota «Groepsgrootte en kwaliteit». Het accent ligt het komende jaar op de verdere ontwikkeling van leerlijnen voor het taal- en rekenonderwijs. Ook wordt voortgegaan met de ontwikkeling van «methodegidsen» waarmee scholen geïnformeerd worden over de kwaliteit van de diverse onderwijsmethoden.

Het Procesmanagement primair onderwijs (PMPO) zal in 2000–2002 de implementatie en ondersteuning van het onderwijsachterstandenbeleid, waaronder de voor- en vroegschoolse educatie op zich nemen. Naar aanleiding van het integraal schooltoezicht zal het PMPO scholen ondersteunen bij de ontwikkeling van een vraaggestuurd aanbod van schoolbegeleidingsdiensten.

Ouderorganisaties (f 2,8 miljoen)

De vier grote ouderorganisaties ontvangen jaarlijks subsidie, waarmee zij in staat worden gesteld de deskundigheid van ouders op het gebied van de medezeggenschap te bevorderen. De subsidie per organisatie bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per leerling naar rato van het aantal leerlingen met een denominatieve of openbare achtergrond.

Leerlinggebonden financiering (f 3,8 miljoen)

Ter voorbereiding en ondersteuning van de implementatie van de leerlinggebonden financiering voor gehandicapte leerlingen in het basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het beleidsplan «Rugzak» ook in 2000 uitgevoerd. Daarnaast is er beperkte ruimte, tijdelijke overgangskosten voor de vorming van regionale expertise centra te financieren.

Personeelsvoorziening primair onderwijs (f 2,7 miljoen)

In antwoord op de toenemende vraag naar gekwalificeerde leraren voor de klas is samen met de vak- en besturenorganisaties het urgentieprogramma primair onderwijs vastgesteld. Het bevorderen van de instroom van (her)intreders is een gezamenlijk agendapunt van OCenW en de betrokken partners.

Onderwijsachterstanden (f 1,2 miljoen)

Er wordt een actieprogramma ontwikkeld dat scholen, besturen en gemeenten instrumenten aanreikt het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid vorm te geven. In het bijzonder voor de scholen die te maken hebben met een grote (allochtone) achterstandsproblematiek.

Overige uitgaven

Ten aanzien van de overige onder dit artikel gereserveerde middelen wordt kortheidshalve verwezen naar de subsidiebijlage (bijlage 6) bij deze begroting.

De ontvangsten die met dit artikel verband houden, worden geboekt op het ontvangstenartikel 18.01.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 29 77831 50637 27936 13936 114 
Nieuwe mutaties 18 810– 7 359– 9 140– 8 121– 10 593 
Stand ontwerpbegroting 200040 30448 58824 14728 13928 01825 52131 629
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO18 28922 05310 95812 76812 71411 58114 353

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 41 27840 37041 77141 77941 779 
Nieuwe mutaties 2 119– 3 247– 8 324– 8 634– 8 634 
Stand ontwerpbegroting 200047 16843 39737 12333 44733 14533 14533 145
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO21 40419 69316 84615 17815 04015 04015 040

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.05 19992000200120022003 
1. Technische mutaties – 157– 8 247– 8 324– 8 634– 8 634 
1. Bijstelling uit aanvullende posten – 512– 8 422– 8 499– 8 809– 8 809 
2. Overboekingen (intern) 355175175175175 
3. Beleidsmatige mutaties 2 2765 000    
1. Achterstandenbeleid  5 000    
2. Beperking projectmiddelen/vernieuwingsactiviteiten – 2 200     
3. Intertemporele compensatie 4 476     
Totaal 2 119– 3 247– 8 324– 8 634– 8 634 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Bij de begroting 1999 was uit de aanvullende post een structureel bedrag van circa f 1 miljoen geboekt voor het Prick-experiment, het project professionalisering van het takenpakket van het onderwijspersoneel. Aangezien de uitputting van het budget voor deze activiteit plaatsvindt op artikel 18.01 is dit bedrag structureel overgeheveld van artikel 18.05 naar artikel 18.01.

Voor algemene salarismaatregelen is voor de cao-afspraken 1999–2000 uit de aanvullende post f 0,5 miljoen structureel overgeheveld van artikel 18.01 naar artikel 18.05.

Deze mutatie omvat tevens een overboeking van – f 7,9 miljoen in 2000 oplopend tot – f 8,3 miljoen vanaf 2002 ter dekking van de cao-afspraken 1999–2000.

1.2

Dit betreft de een overboeking van f 0,2 miljoen naar artikel 18.05 van artikel 20.03 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) omdat de subsidie aan de Landelijke Stichting Educatie Molukkers vanuit het primair onderwijs wordt gecoördineerd.

3.1

In aanvulling op het implementatietraject «voor- en vroegschoolse educatie» (vve) (met onder andere aandacht voor de programma's «Kaleidoscoop» en «Piramide») wordt f 5,0 miljoen ingezet voor het inlopen van taalachterstanden bij jonge kinderen in het kader van het actieprogramma «zwarte» scholen.

3.2

In de 1e suppletoire begroting 1999 is reeds een departementale korting van f 15 miljoen op projectmiddelen en vernieuwingsactiviteiten gemeld. Daarbij was aangegeven dat de besluitvorming over de verdeling over de onderwijssectoren nog moest plaatsvinden. Inmiddels is besloten dat het primair onderwijs in 1999 f 2,2 miljoen aan deze korting moet bijdragen. Dekking is gevonden doordat bij een aantal activiteiten, onder andere voor techniek, cursus Nederlands voor oalt-leraren als gevolg van minder cursisten, het uiteindelijke verplichte bedrag lager lag dan het begrote bedrag en is een aantal activiteiten onder andere voor dyslexie en recencies onderwijsmehtoden (deels) doorgeschoven naar 2000.

Vanaf 2000 bedraagt deze korting f 6 miljoen structureel, waarvoor dekking is gevonden op artikel 18.01 (zie 3.1 bij artikel 18.01).

3.3

De overheid heeft van 1995 tot en met 1997 geld naar het Algemeen pedagogisch studiecentrum (APS) overgemaakt voor de financiering van de eerste drie tranches van het InterActie-project ter stimulering van de methodegebonden softwareontwikkeling.

Bij het vaststellen van de bijdrage voor de vierde tranche, die van start is gegaan in 1998, heeft het APS een opgave verstrekt van de gerealiseerde en verwachte verplichtingen en betalingen. Bij het aangaan van de verplichtingen tussen APS en de uitgevers is afgesproken dat er pas bij het bereiken van kwalitatief goede half- en eindproducten uitbetaald zou worden. Deze afspraak leidde ertoe dat de verwachte liquiditeitspositie over 1998 zodanig was, dat geen aanvullend voorschot voor dat jaar verstrekt hoefde te worden. Besloten is de bekostiging (f 4,5 miljoen) voor projecten uit de vierde tranche over te hevelen naar 1999.

Toelichting op de verplichtingenmutaties

De verplichtingenstand is in 2000 per saldo met f 12,3 miljoen verlaagd, hiervan is – f 8,2 miljoen reeds bij de uitgavenmutaties toegelicht. Het restant van – f 4,1 miljoen is een verlaging de verplichtingenstand in 2000 (zonder kasgevolgen) door het naar voren halen van verplichtingen naar 1999. Dit betreft onder meer:

• een verplichting van f 1,2 miljoen met de Landelijke Stichting Educatie Molukkers als gevolg van een 10-jarige overeenkomst in 1999;

• een verplichting van f 0,3 miljoen voor een deskundigennetwerk tussen de medewerkers van schoolbegeleidingsdiensten en educatieve voorzieningen;

• een verplichting van f 1,2 miljoen voor uitbreiding van de opfriscursus herintreders;

• een verplichting voor een internationaal onderzoek naar de leesvaardigheid van 8 en 9 jarigen f 0,3 miljoen;

• een verplichting voor formatiegarantie voor het instituut Gehrels f 0,1 miljoen;

• een verplichting voor tussendoelen Nederlands f 0,3 miljoen;

• een verplichting aan de vier grote gemeenten voor kern- en GOA-monitor onderwijs f 0,3 miljoen;

• diverse kleinere verplichtingen van totaal f 0,4 miljoen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.05 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Overige uitgaven BO 32 24340 82420 283 37 73436 45331 184 43A 04.2
Overige uitgaven SBO 02 9151 449 02 6042 227 43A 04.2
Overige uitgaven (V)SO 8 0614 8592 415 9 4344 3403 712 43A 04.36
Totaal 40 30448 59824 147 47 16843 39737 123    

Artikel 18.01 Ontvangsten primair onderwijs

Op dit artikel worden de ontvangsten geboekt die verband houden met de uitgavenartikelen 18.01 tot en met 18.05.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 18.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 42 46833 86833 86833 86833 868 
Nieuwe mutaties 38 1000000 
Stand ontwerpbegroting 200046 12880 56833 86833 86833 86833 86833 868
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO20 93236 56015 36915 36915 36915 36915 369

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 18.01 19992000200120022003 
2. Autonome mutaties 38 100     
1. Afrekeningen 38 100     
Totaal 38 1000000 

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1

De geraamde ontvangsten zijn toegenomen met f 38,1 miljoen, doordat terug te vorderen materiële vergoedingen in verband met de invoering van het vereenvoudigd londostelsel (velo) niet in 1998 zijn terug ontvangen en nu in 1999 verrekend zullen worden.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 18.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
BO teveel betaalde voorschotten p+m gemeentelijk 6 31917 4385 323 43C 04.2
BO teveel betaalde voorschotten p+m bijzonder 13 53637 40211 417 43A 04.2
Overige ontvangsten BO (niet wettelijk) 16 100401401 43A 04.2
Ontvangsten onderwijsverzorging 2 705859859 43C 04.5
SBO teveel betaalde voorschotten p+m gemeentelijk 013 4684 868 43C 04.2
SBO teveel betaalde voorschotten p+m bijzonder 020002000 43A 04.2
(V)SO teveel betaalde voorschotten p+m gemeentelijk 1 9672 3412 341 43C 04.36
(V)SO teveel betaalde voorschotten p+m bijzonder 5 5016 6596 659 43A 04.36
Totaal 46 12880 56833 868    

Beleidsterrein 19 Voortgezet onderwijs

Uitgaven vo f 8 682 mln. Ontvangsten vo f 9 mln.

kst-26800-VIII-2-25.gif

Artikel 19.03 Onderwijsverzorging

Algemeen

Op dit artikel zijn de budgetten ondergebracht voor de ramingen van de uitgaven voor de activiteiten zoals vermeld in de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (WSLOA).

De ontvangsten voor de instellingen die onder dit uitgavenartikel vallen, worden geraamd op het ontvangstenartikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs.

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

• de aanpassing van de budgetten als gevolg van de loonbijstelling ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst 1999–2000 en de wijziging van het premiebeeld 1999;

• een algemene volumebeperking van het budget voor de landelijke onderwijsondersteunende activiteiten.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 119 165109 423103 667100 634100 634 
Nieuwe mutaties 2 349– 231– 325– 375– 375 
Stand ontwerpbegroting 2000114 375121 514109 192103 342100 259100 259100 259
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO51 90155 14149 54946 89545 49645 49645 496

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.03 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 2 3492 2692 1752 1252 125 
1. Bijstelling uit aanvullende posten 2 3492 2692 1752 1252 125 
3. Beleidsmatige mutaties  – 2 500– 2 500– 2 500– 2 500 
1. Efficiencykorting  – 2 500– 2 500– 2  500– 2 500 
Totaal 2 349– 231– 325– 375– 375 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten betreft de loonbijstelling ingevolge de cao 1999–2000 (van f 1,7 miljoen in 1999 aflopend naar f 1,5 miljoen in 2003) en een gewijzigd premiebeeld 1999 (structureel f 0,7 miljoen).

3.1

De mutatie in de uitgaven vanaf 2000 van jaarlijks f 2,5 miljoen betreft een algemene volumebeperking van het budget voor de landelijke onderwijsondersteunende activiteiten in het kader van de generale budgettaire problematiek.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.03 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Instellingen leerplanontwikkeling     28 97200 43A 04.5
Instellingen toetsontwikkeling     29 99700 43A 04.5
Landelijke pedagogische centra  n.v.t.  51 09500 43A 04.5
Instellingen voor nabetalingen     4 31100 43A 04.5
Activiteiten i.h.k.v. artikel 2 WSLOA     0121 514109 192 43A 04.5
Totaal     114 375121 514109 192    

Artikel 19.05 Overige uitgaven

Algemeen

Op dit artikel zijn de ramingen opgenomen van de uitgaven voor diverse vernieuwings- en ontwikkelingsprojecten van het voortgezet onderwijs. Met deze vernieuwingsbudgetten wordt de implementatie van een aantal grote onderwijsvernieuwingsoperaties, zoals mavo/vbo en profiel tweede fase, binnen het voortgezet onderwijs ondersteund. De belangrijkste ontwikkelingen binnen het voortgezet onderwijs zijn hieronder nader toegelicht. Naast deze middelen zijn er als gevolg van het regeerakkoord extra gelden beschikbaar voor onderwijsvernieuwingen in het voortgezet onderwijs. Deze middelen zijn ondergebracht bij artikel 19.06.

Minderhedenbeleid/overige doelgroepen

Gemeentelijke Onderwijsachterstandenbeleid

Met ingang van 1 augustus 1998 is de Wet gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA) in werking getreden. Deze wet legt de basis om maatwerk te leveren op lokaal niveau. De middelen voor het bestrijden van onderwijsachterstanden zijn overgeheveld van de rijksoverheid naar de gemeenten in de vorm van een specifieke uitkering. Samen en in overleg met de scholen heeft de gemeente een vierjarig plan gemaakt voor het bestrijden van achterstanden op basis waarvan de beschikbare middelen worden ingezet.

Nederlands als tweede taal (NT2)

Met ingang van 1998 is de procesvoering van NT2-beleid voor het voortgezet onderwijs opgedragen aan het Procesmanagement voortgezet onderwijs (pmvo). Voor de periode 1998 tot en met 2001 is er door het pmvo een plan van aanpak opgesteld. In dit plan is uiteengezet dat de implementatie van ontwikkelde NT2 materialen en -methoden een speerpunt is. Uit onderzoek van de Inspectie is namelijk gebleken dat de implementatie van materialen de afgelopen jaren nog een punt van veel zorg was. Ter uitvoering van het plan van aanpak stelt het pmvo jaarlijks in samenwerking met het Katholiek Pedagogisch Centrum te 's-Hertogenbosch een uitvoeringsplan op. Het uitvoeringsplan voor 2000 wordt in het najaar van 1999 opgesteld.

Basisvorming

De activiteiten in dit kader staan mede in de context van de evaluatie basisvorming die op 15 september 1999 is uitgebracht. Deze evaluatie is door de Inspectie uitgevoerd.

Mavo/vbo

Per 1 augustus 1999 is een begin gemaakt met de invoering van de vier leerwegen in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De vormgeving van het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs zal voor 1 augustus 2002 afgerond zijn. Om dit gehele invoeringsproces te bespoedigen en te ondersteunen zijn pilotprojecten, samenwerkingsverbanden en nascholingstrajecten gestart. Ook op het terrein van de herschikking van vbo-afdelingen lopen er nog activiteiten.

Profiel tweede fase

Per 1 augustus 1999 zijn alle scholen begonnen met de invoering van de profielen in de tweede fase van havo/vwo en het studiehuis. Sinds de start van de invoering – augustus 1998 – vindt een intensieve monitoring plaats van het invoeringsproces. De uitkomsten kunnen aanleiding geven tot nadere activiteiten.

Examens

Onder dit budget zijn de middelen gereserveerd voor schoolexamens vbo voor de beroepsgerichte vakken, de verdere ontwikkeling van examenprogramma's en ontwikkelingsprojecten voor examens. Alle drie in relatie tot de beleidsontwikkelingen rond mavo/vbo en profiel tweede fase.

Internationalisering

De internationalisering van scholen zal zich onder invloed van de invoering van het Europese programma Socrates kwantitatief, maar vooral ook kwalitatief ontwikkelen. In het voortgezet onderwijs en ook in het primair onderwijs moet de komende jaren een infrastructuur tot stand komen voor de internationale samenwerking, waardoor internationalisering een vanzelfsprekend onderdeel van de schoolpraktijk zal worden. Naast de uitwisselingsprogramma's (voor docenten) wordt in de Europese programma's veel aandacht besteed aan de bevordering van de kennis van moderne vreemde talen. Voor de uitvoering van deze programma's is voor de periode 1999 tot en met 2001 jaarlijks een bedrag beschikbaar van circa f 11,0 miljoen.

Emancipatie

In de emancipatienota Een kristal van kansen wordt het onderwijsemancipatiebeleid voor de periode 1998–2002 beschreven. Centraal staat het verankeren van emancipatie in kansrijke innovaties in het voortgezet onderwijs. Emancipatie moet steeds meer een kenmerk van kwaliteit worden. Daartoe zullen activiteiten ontplooid worden die tot doel hebben diversiteit niet alleen in sekse, maar ook in leeftijd, etniciteit, seksuele voorkeur, religie en sociaal-economische achtergrond (kortom de waarde van verschillen tussen mensen) te benutten. Daarnaast worden er activiteiten gecontinueerd inzake de preventie van seksuele intimidatie.

Overige uitgaven

Ten aanzien van de overige onder dit artikel gereserveerde middelen wordt kortheidshalve verwezen naar de subsidiebijlage (bijlage 6) bij deze begroting.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 62 53462 62063 49159 98359 983 
Nieuwe mutaties 2 579– 5 567– 7 022– 10 972– 18 998 
Stand ontwerpbegroting 200069 59765 11357 05356 46949 01140 98550 560
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO31 58129 54725 89025 62522 24018 59822 943
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 66 57563 20863 49159 98359 983 
Nieuwe mutaties – 394– 4 977– 6 973– 9 035– 9 135( 
Stand ontwerpbegroting 200068 42066 18158 23156 51850 94850 84850 848
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO31 04830 03126 42525 64723 11923 07423 074

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.0519992000200120022003 
1. Technische mutaties1 8061 7231 7271 6651 665 
1. Bijstelling uit aanvullende posten1 8061 7231 7271 6651 665 
3. Beleidsmatige mutaties– 2 200– 6 700– 8 700– 10 700– 10 800 
1. Beperking projectmiddelen/vernieuwingsactiviteiten– 2 200– 6 700– 8 700– 10 700– 10 800 
Totaal– 394– 4 977– 6 973– 9 035– 9 135 

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

• de aanpassing van de budgetten als gevolg van de loonbijstelling ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst 1999–2000 en de wijziging van het premiebeeld 1999;

• een bezuiniging (taakstelling) vanaf 1999.

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten betreft de loonbijstelling in gevolge de collectieve arbeidsovereenkomst 1999–2000 (van f 1,2 miljoen in 1999 aflopend tot f 1,0 miljoen in 2003) en een gewijzigd premiebeeld 1999 (f 0,7 miljoen structureel).

3.1

De projectgelden worden gekort in verband met de generale budgettaire problematiek en de collectieve arbeidsovereenkomst (zie de brief aan de Tweede Kamer van 4 maart 1999 over de cao 1999–2000). De uitgaven voor 1999 worden met f 2,2 miljoen verlaagd. De korting loopt op tot f 10,8 miljoen structureel vanaf 2003. De verlaging van de uitgaven wordt voor een deel gevonden door versobering van activiteiten op de terreinen onderwijs in allochtone levende talen, NT2 en emancipatie. In het nieuw aan te gane interdepartementale natuur en milieu-educatiebeleid zal vanaf 2000 op bescheiden schaal worden deelgenomen. Het internationaliseringsbeleid zal voor de nieuwe contractperiode vanaf 2002 worden versoberd. Eveneens zal per 2002, in het kader van de verdergaande decentralisatie, afgezien kunnen worden van de landelijke ondersteuning GOA. Het ioniserende stralen project zal – indien en voor zover scholen daartoe bereid zijn – op decentrale financiering via de schoolbudgetten overgaan. Een onderzoek daartoe is in voorbereiding.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 19.06 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte personele en materiële uitgaven geraamd voor de volgende scholen:

• de categorale scholen voor praktijkonderwijs;

• de categorale scholen voor vbo;

• de categorale scholen voor mavo;

• de categorale scholen voor havo;

• de categorale scholen voor vwo;

• scholen en afdelingen voor svo-lom en svo-mlk;

• de scholengemeenschappen voor avo/vwo/vbo;

• de scholengemeenschappen voor havo en vwo (al dan niet met een school voor mavo);

• leerwegondersteunend onderwijs aan scholen(gemeenschappen) met vbo;

• vo aan scholengemeenschappen voor vo/bve.

De ontvangsten voor de scholen die onder dit uitgavenartikel vallen, worden geraamd op het ontvangstenartikel 19.01.

De belangrijkste ontwikkelingen op dit artikel zijn:

• de aanpassing van de budgetten aan de nieuwe leerlingenraming;

• de aanpassing van de budgetten ingevolge de cao 1999–2000 en de prijsbijstelling;

• de aanpassing van de budgetten ingevolge de extra middelen uit het regeerakkoord voor onderwijsvernieuwingen in het voortgezet onderwijs. Deze middelen worden ingezet voor scholen, omscholing, extra faciliteiten samenwerkingsverbanden, netwerken vmbo, cultuurparticipatie en overige invoeringsactiviteiten.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.061998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 7 745 8777 896 4378 013 8238 251 9588 270 792 
Nieuwe mutaties 984 043687 451716 076684 078848 610 
Stand ontwerpbegroting 20007 601 7068 729 9208 583 8888 729 8998 936 0369 119 4029 329 964
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 449 5033 961 4653 895 1993 961 4554 054 9964 138 2044 233 753
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.061998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 7 676 1117 809 0707 903 4108 167 7708 187 598 
Nieuwe mutaties 303 194705 182746 600695 732842 343 
Stand ontwerpbegroting 20007 311 4677 979 3058 514 2528 650 0108 863 5029 029 9419 215 422
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 317 7993 620 8503 863 5993 925 2034 022 0814 097 6094 181 777

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 19.0619992000200120022003 
1. Technische mutaties435 337753 044774 046839 783858 063 
1. Bijstelling uit aanvullende posten326 456346 856349 767357 296367 036 
2. Diverboekingen (extern)– 15 200– 11 600– 6 000– 3 2000 
3. Diverboekingen (intern)124 081417 788430 279485 687491 027 
2. Autonome mutaties– 56 412– 26 699– 12 996– 6 73719 962 
1. Diversen– 50 959– 34 899– 28 044– 30 195– 23 343 
2. Formatie– 1 2815022 144– 605– 457 
3. Gemiddelde personeelslasten1 9286 8987 8047 9639 662 
4. Leerlingen kenmerken– 2 900– 4 200– 3 900– 3 900– 3 900 
5. Leerlingen volume– 3 2005 0009 00020 00038 000 
3. Beleidsmatige mutaties– 75 731– 21 163– 14 450– 137 314– 35 682 
1. Beperking incidenteel– 4 331– 18 163– 32 450– 47 314– 62 682 
2. Intertemporele compensatie1 200– 3 000– 6 0006 0003 000 
3. Temporisatie  24 000– 96 00024 000 
4. Versnelling– 72 600     
Totaal303 194705 182746 600695 732842 343 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de volgende onderdelen:

• Loonbijstelling (f 237,7 miljoen in 1999 tot f 254,7 miljoen in 2003). Het betreft hier salarismaatregelen ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst 1999–2000 en een gewijzigd premiebeeld 1999. Daarnaast is voor het spaarverlof vanaf 1999 tot 1–8-2002 op jaarbasis f 2,9 miljoen aan het budget toegevoegd.

• Prijsbijstelling 1999 (f 16,5 miljoen in 1999, 2000 en 2001, f 18,9 miljoen in 2002 en vanaf 2003 structureel f 16,9 miljoen).

• Een bijstelling in verband met de kosten van de invoering van de euro (f 4,2 miljoen in 2000 en 2001).

• Een bijstelling in verband met het aantal asielzoekers (f 14,7 miljoen in 1999, f 7,0 miljoen in 2000, f 5,4 miljoen in 2001 en vanaf 2002 structureel circa f 4,4 miljoen).

• Voor een nabetaling aan de voorhoedescholen voor informatie- en communicatietechnologie is het budget voor 1999 met f 24,6 miljoen verhoogd ( zie ook punt 3.6).

• Ten behoeve van de uitgaven voor informatie- en computertechnologie zijn meerjarig budgetten toegevoegd. Het betreft een bedrag van f 30 miljoen in 1999 oplopend tot f 91 miljoen vanaf 2003.

Voor een toelichting op de bijstelling uit aanvullende posten wordt kortheidshalve verwezen naar beleidsterrein 26.

1.2

Naar het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn voor de regeling «leefbaarheid en school-veiligheid» budgetten overgeboekt (1999: f 15,2 miljoen aflopend tot f 3,2 miljoen in 2002).

1.3

Deze mutatie betreft de volgende overboekingen:

• Naar beleidsterrein 18 (primair onderwijs) is het budget voor het gemeentelijk onderwijs achterstandenbeleid ( f 48,0 miljoen in 1999 en f 48,8 miljoen in 2000 en 2001) overgeboekt, omdat de uitvoering hiervan bij de directie primair onderwijs berust.

• Van beleidsterrein 18 (primair onderwijs) zijn meerjarig budgetten overgeboekt voor de personele en materiële uitgaven van de leerlingen vso-lom en -mlk. Vanaf 1 augustus 1998 is deze categorie van het voortgezet speciaal onderwijs ondergebracht onder de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Het gaat om een bedrag van f 173,6 miljoen in 1999 oplopend tot f 495,5 miljoen in 2004.

• Naar beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) is in 1999 f 0,9 miljoen overgeboekt voor de apparaatskosten van de CEVO/COB, f 0,4 miljoen voor de dekking van de apparaatskosten van het project Leraren, opleidingen, tekorten en f 1,0 miljoen voor de kwaliteitskaart.

• Van beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven) is vanaf 1999 structureel f 0,7 miljoen overgeboekt in verband met een wijziging van de bekostiging Caso.

2.1

De deelname aan de regeling bestuurlijke samenwerkingsverbanden loopt minder snel op dan geraamd. De uitgaven voor deze post vallen in 1999 f 13,0 miljoen lager uit, aflopend tot f 7 miljoen lager in 2002.

Voorts is het budget voor 1999 verlaagd met f 21,9 miljoen in verband met het vertraagd doorwerken van de loonbijstellingen 1999.

Daarnaast is het met het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te verrekenen bedrag voor landbouwonderwijs bijgesteld (van –f 5,5 miljoen in 1999 aflopend tot –f 12,3 miljoen in 2003).

Tenslotte heeft er een ramingtechnische bijstelling plaatsgevonden (–f 10,5 miljoen in 1999, –f 15,8 miljoen in 2000, –f 12,9 miljoen in 2001, –f 10,5 miljoen in 2002 en –f 11,0 miljoen in 2003).

2.2

Deze mutatie bestaat uit een geringe bijstelling van de uitgaven voor de aanvullende formatie (fusiefaciliteiten, nevenvestigingen en overige aanvullende formatie).

2.3

Het betreft hier het verschil tussen de uitdeling en realisering van de incidentele looncomponent en de algemene salarismaatregelen (f 1,9 miljoen in 1999 oplopend tot f 9,7 miljoen in 2003).

2.4

Op grond van de meest recente ontwikkelingen is de fusieraming bijgesteld (–f 2,9 miljoen in 1999, –f 4,2 miljoen in 2000 en vanaf 2001 structureel –f 3,9 miljoen).

2.5

Het gaat hier om het effect van de meest recente leerlingtelling. Dit leidt ten opzichte van de eerdere prognose tot een bijstelling van –f 3,2 miljoen in 1999 tot +f 38,0 miljoen in 2003.

3.1

Als onderdeel van de dekking van de cao 1999–2000 is de normatieve incidentele looncomponent verlaagd van – f 4,3 miljoen in 1999 tot –f 62,7 miljoen in 2003 (zie de brief aan de Tweede Kamer van 4 maart 1999 over de cao OenW 1999–2000).

3.2

De betaling van de in de begroting 1998 opgenomen scholingsgelden sabbatsverlof (f 1,2 miljoen) vindt plaats in 1999. Daarnaast wordt rekening gehouden met een ander uitgavenpatroon in de jaren 2000 tot en met 2003 van een deel van de vernieuwingsmiddelen (per saldo nul).

3.3

In de begroting 1999 is in het kader van het regeerakkoord voor achterstallig onderhoud f 192,0 miljoen (waarvan f 120,0 miljoen in 2002) beschikbaar gesteld.

Als onderdeel van het afsluiten van de onderwijs-cao 1999/2000 diende het kasbeeld van het departement weer op orde gebracht te worden. Hierdoor is het toekenningsritme van de regeerakkoordmiddelen gewijzigd. Met deze mutatie zijn de gelden gelijkmatig over de jaren 1999 tot en met 2003 verdeeld en worden als zodanig aan de scholen ter beschikking gesteld.

3.4

Deze mutatie is het gevolg van de in de 2e suppletoire wet 1998 opgenomen kasversnelling van de middelen voor vernieuwingsoperaties mavo/vbo (–f 48,0 miljoen) en de nabetaling aan de voorhoedescholen voor informatie- en communicatietechnologie (– f 24,6 miljoen). Deze betalingen waren oorspronkelijk voorzien voor 1999, maar zijn vervroegd in 1998 aan de scholen verstrekt.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.06 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
MAVO openbaar 14 44316 58716 309 13 89215 16116 177 43C 04.33
MAVO bijzonder 144 432165 868163 094 138 918151 607161 771 43A 04.33
SG AVO openbaar 446 980513 319505 733 429 914469 183500 638 43C 04.35
SG AVO bijzonder 1 308 2541 502 4191 477 287 1 258 3031 373 2381 465 303 43A 04.35
SG AVO/VBO openbaar 1 591 7971 828 0451 797 466 1 531 0211 670 8661 782 884 43C 04.35
SG AVO/VBO bijzonder 3 858 6264 431 3084 357 182 3 711 3024 050 2964 321 835 43A 04.35
VBO openbaar 11 40313 09512 876 10 96711 96912 771 43C 04.34
VBO bijzonder 203 726233 962230 048 195 947213 845228 182 43A 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen openbaar 14 44316 58716 309 13 89215 16116 177 43C 04.34
VBO aan verticale scholen-gemeenschappen bijz. 7 6028 7308 584 7 3117 9798 514 43A 04.34
Totaal 7 601 7068 729 9208 583 888 7 311 4677 979 3058 514 252    

Artikel 19.01 Ontvangsten voortgezet onderwijs

Algemeen

De uitgaven voor de scholen en instellingen die onder dit ontvangstenartikel vallen, worden geraamd op de uitgavenartikelen 19.03 Onderwijsverzorging, 19.05 Overige uitgaven en 19.06 Personele en materiële uitgaven.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 19.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 8 9008 9008 1008 1008 100 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 200032 7298 9008 9008 1008 1008 1008 100
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO14 8514 0394 0393 6763 6763 6763 676

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 19.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Teveel betaalde voorschotten        
– MAVO openbaar 291313 43C 04.33
– MAVO bijzonder 290125125 43A 04.33
– AVO/VWO openbaar 899388388 43C 04.35
– AVO/VWO bijzonder 2 6311 1361 136 43A 04.35
– AVO/VWO/VBO openbaar 3 2011 3821 382 43C 04.35
– AVO/VWO/VBO bijzonder 7 7613 3513 351 43A 04.35
– VBO openbaar 522222 43C 04.34
– VBO bijzonder 425183183 43A 04.34
– Overige ontvangsten 17 4412 3002 300 43C 04.34
Totaal 32 7298 9008 900    

Beleidsterrein 20 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Uitgaven bve f 4 662 mln. Ontvangsten bve f 52 mln.

Artikel 20.01 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de scholen voor beroepsonderwijs en educatie. Vanaf 1997 bestaat het beroepsonderwijs uit de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De educatie betreft het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, de basiseducatie en de inburgering.

Daarnaast bevat dit artikel de uitgaven voor de landelijke organen voor beroepsonderwijs. Eveneens zijn de uitgaven voor school- en staatsexamens opgenomen zover het de logistieke ondersteuning door de Informatie Beheer Groep te Groningen betreft. Op het ontvangsten artikel 20.01 staan ontvangstendie met dit artikel samenhangen.

De instellingen die onder dit artikel vallen vinden vanaf 1 januari 1996 hun juridische grondslag in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).

De belangrijkste ontwikkeling in artikel 20.01 is de aanpassing van de budgetten aan de nieuwe leerlingenraming en de kortingen samenhangend met de bezuinigingstaakstelling voor het ministerie.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 4 056 7594 074 2164 078 7844 138 1534 117 909 
Nieuwe mutaties 116 43598 25769 9049 18553 184 
Stand ontwerpbegroting 20003 940 0194 173 1944 172 4734 148 6884 147 3384 171 0934 230 605
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO1 787 9021 893 7131 893 3861 882 5921 881 9801 892 7601 919 765

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties172 095153 891154 863163 078162 183 
1. Bijstelling uit aanvullende posten165 365182 026182 998191 213175 218 
2. Overboekingen (extern)11 0750000 
3. Overboekingen (intern)– 4 345– 28 135– 28 135– 28 135– 28 135 
2. Autonome mutaties– 30 769– 59 000– 76 000– 79 000– 72 000 
1. Afrekeningen – 15 000– 15 000– 15 000– 15 000 
2. Diversen – 1 000– 9 000– 9 000– 9 000 
3. Leerlingen volume– 30 769– 43 000– 52 000– 55 000– 48 000 
3. Beleidsmatige mutaties– 24 8913 366– 8 959– 74 893– 36 999 
1. Beperking incidenteel– 7 191– 14 634– 21 959– 29 293– 36 999 
2. Efficiencykorting – 5 000– 5 000– 5 000–  5 000 
3. FES 16 00012 00012 0000 
4. Indexering cursusgeld 1999/2002 – 5 000– 6 000– 7 000– 7 000 
5. Intertemporele compensatie20 700     
6. Temporisatie 12 00012 000– 45 60012 000 
7. Versnelling– 38 400     
Totaal116 43598 25769 9049 18553 184 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat uit de prijsbijstelling, de loonbijstelling die in het kader van afspraken bij de cao 1999–2000 is overeengekomen, premiebijstellingen en het spaarverlof. De middelen voor informatie- en communicatietechnologie (f 16 miljoen in 1999, oplopend tot f 39 miljoen in 2002) zijn tevens op deze post opgenomen. Daarnaast is het budget verhoogd voor asielzoekers en de euro-middelen. Voor een verdere toelichting op de bijstellingen uit de aanvullende posten wordt verwezen naar beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven).

1.2

In 1999 is een bedrag van f 11 miljoen overgeboekt van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de inburgering van nieuwkomers.

1.3

De bekostiging verpleging en verzorging maakt vanaf 2000 deel uit van de reguliere bekostiging beroepsonderwijs. De huisvestingsmiddelen (f 28,6 miljoen) worden voor de periode vanaf 2000 overgeboekt naar het huisvestingsartikel 20.04. Daarnaast is een overboeking van beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven) voor CASO-middelen opgenomen. Deze middelen komen nu ten gunste van de bekostigingsbudgetten van de bve-instellingen, dit in verband met de geleidelijke afbouw van de OCenW-bijdrage aan CASO-informatiesystemen. Daarnaast zijn de apparaatskosten voor de examendiensten van f 4,8 miljoen in 1999 overgeboekt naar beleidsterrein 17 (ministerie algemeen).

2.1

Zowel bij de uitgaven als bij de ontvangsten is een afrekenbudget opgenomen, waarop correcties worden geboekt voor bekostiging van vorige jaren. De overgang van de bekostiging vanaf 2000 naar een t-2 systematiek betekent dat de aantallen die leiden tot de budgetverdeling, niet meer kunnen wijzigen. De noodzaak tot correcties op basis van gewijzigde aantallen vervalt hiermee (zie ook het ontvangstenartikel 20.01).

2.2

Deze middelen waren gereserveerd voor bezwaren en beroepen en overige bekostigingsrisico's. Gezien de relatieve onzekerheid over de noodzaak van dergelijke uitgaven enerzijds en de te realiseren taakstellingen binnen de OCenW-begroting anderzijds, zijn deze middelen gekort.

2.3

In het secundair beroepsonderwijs is enerzijds sprake van een daling van het geraamde aantal deelnemers in de beroepsopleidende leerweg, anderzijds is er een stijging van het geraamde aantal deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg Per saldo leidt dit tot een budgetdaling van f 43 miljoen in 2000.

3.1

Voor de dekking van de kosten van de cao is de jaarlijkse ruimte voor de incidentele loonontwikkeling verlaagd met 0,2% tot 0,4%.

3.2

Deze korting betreft de rijksbijdrage voor de landelijke organen beroepsonderwijs (lob). De lob's hebben een centrale rol bij de werving en kwaliteitsbewaking van beroepspraktijkvormingsplaatsen in het bve-veld. Met de fiscale faciliteit leerlingwezen (Wet vermindering afdrachtskorting) wordt extra groei van de beroepsbegeleidende leerweg bevorderd. Deze heeft zich minder voorgedaan dan verwacht bij de invoering van de Wet vermindering afdrachtskorting (WVA). Dit leidt tot een lager gebruik en derhalve tot een onderuitputting van de WVA.

3.3

Van het Fonds Economische Structuurversterking (FES), wat beheerd wordt door de ministeries van Economische Zaken en Financiën, is een bedrag van f 16 miljoen in 2000 en jaarlijks f 12 miljoen in 2001 en 2002 ontvangen voor de kaderregeling technocentra (zie ook het ontvangstenartikelen 20.01). Deze middelen worden aan het uitgavenbudget toegevoegd.

3.4

De herberekening van de in het regeerakkoord opgenomen maatregel tot indexering van het cursusgeld leidt tot een hoger effect.

3.5

Deze mutatie betreft de intertemporele compensatie voor de tijdelijke regeling steunmaatregelen financiële positie instellingen (f 9,9 miljoen), huisvestingsproblematiek (f 10 miljoen) en het sanctiebeleid voor de onderwijsen examenregeling (f 0,8 miljoen) welke niet in 1998 maar in 1999 tot betaling leiden.

3.6

Het betreft hier de gelden voor apparatuur uit het regeerakkoord. Het uitgavenritme van deze middelen is gewijzigd. In plaats van een incidentele impuls van f 57,6 miljoen in 2002 is het budget vanaf 2000 structureel verhoogd met f 12 miljoen.

3.7

Deze versnelling betreft de middelen voor de apparatuursituatie die niet in 1999, maar reeds in 1998 zijn uitgegeven.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 20.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Secundair beroepsonderwijs     3 115 7093 304 6573 277 598 43A 04.34
Educatie     419 324429 989419 765 43C 04.5
Inburgering     179 450198 655186 703 43C 04.5
Landelijke organen  n.v.t.  165 507180 572177 800 43A 04.37
Overkoepelende en ondersteunende organisaties     52 64252 27298 811 43A 04.37
Examens     7 3877 05011 796 12 04.30
Totaal     3 940 0194 173 1944 172 473    

Artikel 20.03 Overige uitgaven

Algemeen

Op dit artikel worden overige uitgaven geraamd conform artikel 2.2.3 van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) en artikel 4 van de Wet overige OCenW-subsidies. De uitgaven betreffen:

1. Specifieke innovatie van primair onderwijs proces met accent op de innovatie van leermiddelen en methoden (BVE-2000).

2. Clusterprogrammering Rijksoverheid voor beleidsuitvoering van kennis en beweging (waaronder het project aantrekkelijk technisch beroepsonderwijs) en veiligheid op school.

3. Overige uitgaven, geraamd voor projecten en regelingen op het gebied van examenontwikkeling, internationale activiteiten, onderzoek en beleidsevaluatie en scholing voor bevoegdheidscursussen leraren beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Voorzover subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage opgenomen.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 96 17597 71791 87090 73682 911 
Nieuwe mutaties – 21 979– 20 996– 16 175– 13 275– 5 450 
Stand ontwerpbegroting 200073 28874 19676 72175 69577 46177 46177 461
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO33 25733 66834 81434 34935 15035 15035 150

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 107 19599 59791 93090 73687 911 
Nieuwe mutaties – 19 925– 21 775– 16 175– 13 275– 10 075 
Stand ontwerpbegroting 200071 16387 27077 82275 75577 46177 83677 836
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO32 29239 60135 31434 37635 15035 32035 320

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0319992000200120022003 
1. Technische mutaties– 15 925– 11 775– 6 175– 3 375– 175 
1. Overboekingen (extern)– 15 200– 11 600– 6 000– 3 200  
2. Overboekingen (intern)– 725– 175– 175– 175– 175 
3. Beleidsmatige mutaties– 4 000– 10 000– 10 000– 9 900– 9 900 
1. Beperking projectmiddelen/vernieuwingsactiviteiten– 4 000– 10 000– 10 000– 9 900– 9 900 
Totaal– 19 925– 21 775– 16 175– 13 275– 10 075 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De middelen voor Jeugd en Veiligheid zijn overgeboekt naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze middelen zullen worden betrokken bij de bijdrageregeling Sociale integratie en veiligheid (G25).

1.2

Het betreft een overboeking naar beleidsterrein 22 (wetenschappelijk onderwijs) voor de Stichting Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek in 1999. Daarnaast is er een structurele overboeking naar beleidsterrein 18 (primair onderwijs onderwijs) voor de Stichting Landelijke Educatie Molukkers. Tot slot was er in 1999 een overboeking naar beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) voor de apparaatskosten van het project lerarenbeleid.

3.1

De projectmiddelen zijn gekort in verband met de taakstelling in de voorjaarsnota.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 20.04 huisvesting

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting voor de bve-sector. De uitgaven zijn bestemd voor investeringen, rente en aflossing, huur en verzekeringspremies. Vanaf 2000 worden de huisvestingsmiddelen verdeeld op basis van het Uitvoeringsbesluit WEB.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 383 455383 455383 455383 455383 455 
Nieuwe mutaties 028 60028 60028 60028 600 
Stand ontwerpbegroting 2000383 484383 455412 055412 055412 055412 055412 055
Stand ontwerpbegroting 2000 in EUR174 018174 004186 982186 982186 982186 982186 982

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0419992000200120022003 
1. Technische mutaties 28 60028 60028 60028 600 
1. Overboekingen (intern) 28 60028 60028 60028 600 
Totaal028 60028 60028 60028 600 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bekostiging verpleging en verzorging maakt vanaf 2000 deel uit van de reguliere bekostiging beroepsonderwijs. De huisvestingsmiddelen (f 28,6 miljoen) worden voor de periode vanaf 2000 overgeboekt van het exploitatie-uitgavenartikel 20.01.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.30.

Artikel 20.01 Ontvangsten beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Algemeen

Op dit artikel worden de examengelden voor staatsexamens voor voorgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger beroepsonderwijs en de subsidies van het Europees Sociaal Fonds voor het project bestrijding voortijdig schoolverlaters geraamd. Daarnaast worden de ontvangsten uit het Fonds Economische Structuurversterking ten behoeve van de technocentra op dit artikel geboekt.

De uitgaven met betrekking tot dit ontvangstenartikel worden geraamd op de uitgavenartikelen 20.01, 20.03 en 20.04.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 20.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 48 70748 70748 70748 70748 707 
Nieuwe mutaties 23 0544 00000– 12 000 
Stand ontwerpbegroting 200025 67371 76152 70748 70748 70736 70736 707
Stand ontwerpbegroting 2000 in EUR11 65032 56323 91722 10222 10216 65716 657
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 20.0119992000200120022003 
1. Autonome mutaties – 12 000– 12 000– 12 000– 12 000 
1. Afrekeningen – 12 000– 12 000– 12 000– 12 000 
2. Beleidsmatige mutaties23 05416 00012 00012 000  
1. Intertemporele compensatie23 054     
2. FES 16 00012 00012 000  
Totaal23 0544 00000– 12 000 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Zowel bij de uitgaven als bij de ontvangsten is een afrekenbudget opgenomen, waarop correcties worden geboekt voor bekostiging van vorige jaren. Aangezien de bekostiging vanaf 2000 overgaat op een t-2 systematiek, worden deze afrekenbudgetten afgeboekt (zie ook het uitgavenartikel 20.01).

2.1

Deze intertemporele compensatie betreft de gelden van het Europees Sociaal Fonds die niet in 1998 tot ontvangsten hebben geleid, maar in 1999 zijn ontvangen.

2.2

Van het Fonds Economische Structuurversterking, wat beheerd wordt door de ministeries van Economische Zaken en Financiën, is een bedrag van f 16 miljoen in 2000 oplopend tot f 20 miljoen in 2003 ontvangen voor het project technocentra (zie ook het uitgavenartikel 20.01). Deze middelen worden aan het uitgavenbudget toegevoegd.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 20.01 Verplichtingen Ontvangsten Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Teveel betaalde voorschotten            
– beroepsonderwijs     12 00611 504929 43A 04.34
– educatie     1331 375111 43C 04.5
– landelijke organen     26017514 43A 04.37
Examengelden  n.v.t.  2 3281 6531 653 16 04.30
Ontvangsten FES     0016 000 47A 04.30
Ontvangsten Europees Sociaal Fonds     10 94657 05434 000 47A 04.30
Totaal     25 67371 76152 707    

Beleidsterrein 21 Hoger beroepsonderwijs

Uitgaven hbo f 2 729 mln. Ontvangsten hbo f 5 mln.

kst-26800-VIII-2-26.gifkst-26800-VIII-2-27.gif

Artikel 21.01 Personele en materiële uitgaven

Algemeen

Dit artikel omvat het exploitatiedeel van de rijksbijdragen die de hogescholen ontvangen voor de initiële opleidingen, de voortgezette opleidingen en de opleidingen op grond van de overgangsbepalingen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Deze exploitatievergoeding heeft betrekking op de personele en materiële uitgaven van de hogescholen. Ook de kosten voor de nieuwe instroom (vanaf 1 juli 1996) in het wachtgeld komen rechtstreeks ten laste van dit artikel. In de toelichting bij artikel 21.03 wordt ingegaan op de wachtgelders die zijn ingestroomd voor 1 juli 1996.

De vergoeding voor de huisvestingslasten is opgenomen in artikel 21.05.

Binnen het totale budget van f 2 168,8 miljoen in 2000 is een bedrag van f 45 miljoen geraamd voor wachtgelduitgaven (nieuwe instroom) en een bedrag van f 11,4 miljoen voor herstructurering kunstonderwijs. Het resterende budget is bestemd voor rijksbijdragen aan hogescholen, inclusief de aanvullende vergoeding voor de lerarenopleidingen basisonderwijs, de voorziening voor het programma excellente studenten muziek, de overgangsregeling voor het in-service onderwijs en de paramedische opleidingen, alsmede eventuele nabetalingen op eerdere rijksbijdragen.

Het beschikbare budget is op het loon- en prijsniveau 1999, aangevuld met de vergoeding voor incidentele loonsomstijging 2000 en latere jaren.

In het algemeen is de berekeningswijze op grond waarvan de rijksbijdrage aan de hogescholen wordt bepaald, volgens artikel 2.6, eerste lid, van de WHW, vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW.

De toekenning voor de aanvullende vergoeding voor de opleidingen tot leraar basisonderwijs (de «pabo-up».) vindt plaats op basis van de Regeling aanvullende vergoeding opleidingen leraar basisonderwijs.

Vanaf 2000 wordt de pabo-up bevroren op een niveau van f 25 miljoen per jaar.

In 2001 en 2002 is jaarlijks vanuit het beleidsterrein primair onderwijs f 10 miljoen beschikbaar voor de tekortenproblematiek. Pabo's kunnen de middelen aanwenden voor projecten die samenhangen met het terugdringen van spanningen op de arbeidsmarkt. De pabo's dienen hiervoor projectplannen op te stellen. De verdeling van de middelen vindt plaats conform de «pabo-up regeling». De Inspectie hoger onderwijs evalueert in 2003 of de middelen conform de doelstellingen en projectplannen zijn ingezet.

Voor het programma voor de opvang en begeleiding van excellente studenten muziek, wordt aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten voor 2000 een bedrag van f 1 miljoen beschikbaar gesteld; over voortzetting wordt besloten op basis van een advies van de Raad voor Cultuur over de voortgezette kunstopleidingen muziek.

Het in-service onderwijs, alsmede een aantal paramedische opleidingen, zijn overgedragen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bekostiging van het inservice-onderwijs vindt plaats op basis van de Regeling overname in-service onderwijs in het hbo. De bekostiging van de paramedische opleidingen vindt plaats op basis van de reeds eerder vastgestelde opleidingsbudgetten.

Het voornemen is om de bekostiging van deze opleidingen op budgettair neutrale wijze onder te brengen in de reguliere bekostiging van de hogescholen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 2 031 2522 064 4992 072 0332 037 4782 047 205 
Nieuwe mutaties 131 395104 273141 350148 296178 042 
Stand ontwerpbegroting 20001 949 5422 162 6472 168 7722 213 3832 185 7742 225 2472 248 746
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO884 663981 366984 1461 004 390991 8611 009 7731 020 436

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties80 44575 97687 88985 85894 799 
1. Bijstelling uit aanvullende posten96 20091 73193 64491 613110 554 
2. Desalderingen6 150     
3. Overboekingen (intern)– 21 905– 15 755– 5 755– 5 755– 15 755 
2. Autonome mutaties50 00033 10063 00073 00084 000 
1. Diversen50 000     
2. Leerlingen volume 33 10063 00073 00084 000 
3. Beleidsmatige mutaties950– 4 803– 9 539– 10 562– 757 
1. Beperking incidenteel – 4 803– 9 539– 14 062– 18 757 
2. Intertemporele compensatie950     
3. Normatieve exploitatievergoeding   – 11 500  
4. Studiefonds   5 0008 000 
5. Versterking financiële positie hbo   10 00010 000 
Totaal131 395104 273141 350148 296178 042 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft de bijstelling van het beleidsterrein hbo voor de kabinetsbijdrage in de gestegen arbeidskostenontwikkeling 1999 en de wijziging van de franchise op/np/ip.

Daarnaast heeft een correctie plaatsgevonden van –f 3 miljoen in 1999 aflopend naar –f 1,5 miljoen in 2004. Eerder is de loonbijstelling 1998 volledig ten gunste van artikel 21.01 gebracht, terwijl een deel betrekking had op artikel 21.03. Dit wordt met deze mutatie gecorrigeerd. De loonruimte voor het hoger onderwijs wordt vanaf 1 januari 1999 door het kabinet bepaald aan de hand van ontwikkelingen in de marktsector (het zogenaamde referentiemodel). In de beschikbare budgetten zijn de loonbijstellingen uit voorgaande jaren reeds eerder verwerkt, zoals die voor het ABP-complex. Verder is de prijscompensatie 1999 verwerkt. Voor het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs bedraagt deze in totaal f 15,8 miljoen in 1999, f 15,5 miljoen in 2000 en f 15,2 miljoen vanaf 2001. De prijscompensatie is voorlopig in zijn geheel toegevoegd aan artikel 21.01. Verdeling van de prijscompensatie over de artikelen 21.01, 21.04 en 21.05 zal later plaatsvinden. Tenslotte is voor de invoering van de euro voor de jaren 2000 en 2001 een bedrag opgenomen van f 3,9 miljoen per jaar.

1.2

In verband met de bevriezing van de budgetfactor in 1998 was in dat jaar een extra bedrag benodigd van f 6,2 miljoen. Dit is toen gefinancierd ten laste van het budget voor informatie- en communicatietechnologie. De in 1998 extra beschikbaar gestelde middelen worden in 1999 met de hogescholen verrekend (zie de toelichting bij het ontvangstenartikel 21.01) en weer toegevoegd aan het budget ict 1999 (zie de toelichting bij mutatie 1.3).

1.3

De interne overboeking bestaat uit de volgende mutaties:

• een overboeking in 1999 naar artikel 21.04 van f 6,2 miljoen. De middelen die in 1998 nodig waren voor de dekking van de kosten vanwege de bevriezing van de budgetfactor 1998, zijn in 1998 tijdelijk gefinancierd ten laste van het budget voor informatie- en communicatietechnologie (ict). In 1999 wordt dit bedrag verrekend met de hogescholen (zie de toelichting bij mutatie 1.2) en weer toegevoegd aan het budget voor ict dat onderdeel uitmaakt van artikel 21.04.

• een overboeking van artikel 26.03 van structureel f 0,2 miljoen in verband met de toevoeging van (een deel van) de bijdrage van OCenW in de exploitatie van Caso aan de budgetten van de hogescholen.

• een overboeking naar artikel 21.03 van f 16 miljoen. Uitgaande van de verwachting dat jaarlijks een bedrag van f 16 miljoen ten laste van artikel 21.03 zal worden ingezet voor flankerend arbeidsmarktbeleid (gericht op het voorkomen en terugdringen van wachtgelduitgaven) wordt structureel een bedrag van deze omvang overgeboekt om het wachtgeldbudget op voldoende niveau te houden.

• een overboeking van artikel 18.01 in 2001 en 2002 van f 10 miljoen per jaar in verband met de bijdrage van het beleidsterrein primair onderwijs voor de tekortenproblematiek.

2.1

Ter uitvoering van de toezegging aan de Kamer tijdens de begrotingsbehandeling 1999 is in 1999 incidenteel een extra bedrag van f 50 miljoen voor het hoger beroepsonderwijs beschikbaar als tegemoetkoming in de omslag- en frictiekosten in de sector van het hoger beroepsonderwijs. Een nadere toelichting is opgenomen in de toelichting op het beleidsterrein hbo.

2.2

In verband met onder andere de hogere studentenramingen in het hoger beroepsonderwijs is het macro-budget verhoogd met f 33,1 miljoen in 2000, f 63 miljoen in 2001, f 73 miljoen in 2002, f 84 miljoen in 2003 en f 92 miljoen in 2004.

3.1

Deze beleidsmatige verlaging heeft betrekking op een beperking van de incidentele looncomponent tot 0,4% per jaar, mede ter dekking van de benodigde middelen voor de gemaakte cao-afspraken 1999–2000. De verlaging bedraagt in 2000 f 4,8 miljoen oplopend tot f 18,8 miljoen vanaf 2003.

3.2

Eind 1998 is om praktische redenen de wachtgeldfactor niet meer bijgesteld. Hierdoor is er in 1998 bij de hogescholen f 1 miljoen teveel ingehouden aan compensatie voor wachtgelduitgaven. Dit is in 1999 verrekend met de hogescholen. Het hiervoor benodigde budget is doorgeschoven van 1998 naar 1999.

3.3

In de begroting 1999 was in de raming 2002 een tegemoetkoming voorzien voor de hogescholen van f 11,5 voor de late vaststelling van de rijksbijdrage 1997. Deze tegemoetkoming is vervroegd van 2002 naar 1998. De verlaging in 2002 heeft hier betrekking op.

3.4

In het Verblijfsduurakkoord is vastgelegd dat extra middelen beschikbaar zullen worden gesteld voor het Studiefonds. Mede gelet op de omvang van verwante doorstroom wordt f 5 miljoen in 2002 en f 8 miljoen in 2003 aan het hbo-budget toegevoegd. Vanaf 2004 is een substantieel hoger budget beschikbaar van f 15 miljoen. Dit biedt de hogescholen extra ruimte om de aansluiting mbo-hbo te verbeteren en tot verkorte leertrajecten voor mbo-ers te komen.

3.5

Onder meer ter tegemoetkoming aan de verminderde inverdienmogelijkheden van instellingen als gevolg van het gewijzigde studiefinancieringsstelsel, is voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van f 10 miljoen vrijgemaakt ter versterking van de financiële positie van hbo-instellingen.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.44.

Artikel 21.03 Rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

De wachtgelduitgaven zijn sinds 1993 gebudgetteerd. Dit betekent dat de gerealiseerde wachtgelduitgaven betaald worden uit de budgetten behorende tot het beleidsterrein hbo. Het wachtgeldbudget is complementair aan het exploitatiebudget, wat inhoudt dat eventuele over- of onderschrijdingen van het wachtgeldbudget in een begrotingsjaar verrekend worden met het exploitatiebudget (artikel 21.01).

Met ingang van 1 juli 1996 geldt voor de instroom in het wachtgeld een nieuwe verrekeningsmethodiek. De kosten voor de nieuwe instroom in het wachtgeld komen rechtstreeks ten laste van de rijksbijdragen van de hogescholen (artikel 21.01). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in enerzijds wettelijke en anderzijds bovenwettelijke uitkeringskosten, die ontstaan naar aanleiding van een ontslag. De individuele hogescholen dragen in dit systeem zelf de bovenwettelijke uitkeringskosten van de ontslagen die zij veroorzaken, terwijl de wettelijke uitkeringskosten gezamenlijk door het collectief van de hogescholen worden gedragen.

Aangezien de kosten voor de nieuwe instroom in het wachtgeld rechtstreeks ten laste komen van de rijksbijdrage, maken deze kosten onderdeel uit van begrotingsartikel 21.01. Op artikel 21.03 zijn alleen nog de (aflopende) kosten opgenomen van het wachtgeldbestand dat vóór 1 juli 1996 is ingestroomd.

De uitkeringen vinden plaats op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel.

Daarnaast omvat het artikel een bedrag van f 16 miljoen voor flankerend arbeidsmarktbeleid gericht op het voorkomen en terugdringen van wachtgelduitgaven.

Deze middelen worden besteed op basis van het plan van aanpak dat werkgevers en werknemers binnen de vastgestelde kaders overeenkomen. Dit is vastgelegd in het zogenaamde Convenant II uit 1993.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 119 145106 01994 91280 77668 660 
Nieuwe mutaties 19 03818 70318 42018 06017 751 
Stand ontwerpbegroting 2000166 583138 183124 722113 33298 83686 41176 056
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO75 59262 70556 59651 42844 85039 21234 513

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
 19992000200120022003 
1. Technische mutaties19 03818 70318 42018 06017 751 
1. Bijstelling uit aanvullende posten3 0382 7032 4202 0601 751 
2. Overboekingen (intern)16 00016 00016 00016 00016 000 
Totaal19 03818 70318 42018 06017 751 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Ten laste van artikel 21.01 heeft een correctieboeking plaatsgevonden voor de loonbijstelling van f 3 miljoen in 1999 aflopend naar f 1,5 miljoen in 2004. Eerder was de totale loonbijstelling uit de aanvullende post bijgeboekt op artikel 21.01.

1.2

De uitgaven voor flankerend arbeidsmarktbeleid hebben een structureel karakter. Geraamd wordt dat jaarlijks ten laste van dit artikel een betaling zal plaatsvinden van f 16 miljoen aan het Mobiliteitsfonds, die belast is met de uitvoering. Gelet op het beschikbare budget en het geraamde uitgavenniveau voor wachtgelders die zijn ingestroomd vóór 1 juli 1996, moet er op grond van de budgetafspraken in het wachtgeldakkoord een bedrag van f 16 miljoen worden gecompenseerd ten laste van de exploitatievergoeding (zie artikel 21.01).

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.9.

Artikel 21.04 Overige uitgaven

Algemeen

Dit artikel omvat de middelen die aan de instellingen voor hoger beroepsonderwijs worden toegekend ten behoeve van specifieke activiteiten. Onderstaand is een opsomming gegeven van deze activiteiten voorzien met de bestedingsdoelen en aangevuld met de belangrijkste ontwikkelingen.

Vernieuwing lerarenopleidingen

Zoals in de toelichting op het beleidsterrein al is aangegeven, is er een afzonderlijk vernieuwingsbudget voor de omslag van de 1e en 2e graads lerarenopleidingen. In 1999 is circa f 23 miljoen beschikbaar (waarvan f 1 miljoen voor de experimentele lerarenopleidingen); voor elk van de jaren 2000 t/m 2004 bedraagt het beschikbare budget afgerond f 9,9 miljoen. Dit geldt komt beschikbaar voor de 2e graads lerarenopleidingen waarover het procesmanagement lerarenopleidingen in het kader van het gemeenschappelijk curriculum een advies heeft uitgebracht , de technische 2e graads lerarenopleidingen en de 1e graads pendanten van deze opleidingen in het hbo.

Uit het evaluatie-onderzoek ict-monitor lerarenopleidingen 1997/1998 blijkt dat alle lerarenopleidingen de afgelopen jaren hebben geïnvesteerd in informatie- en communicatietechnologie. Alle opleidingen hebben een netwerk en toegang tot internet. Zij beschikken over circa één, meestal moderne, computer op negen studenten. Aandachtspunten bij de lerarenopleidingen zijn de beschikbaarheid van programmatuur ter ondersteuning van het primaire onderwijsproces alsmede ter ondersteuning van het secundaire proces (registratie, toetsing e.d.), de onderwijskundige inbedding van ict en verbreding van het draagvlak binnen de hogescholen.

Vernieuwing hoger beroepsonderwijs

Uit het Vernieuwingsfonds worden bijdragen gefinancierd aan projecten op het grensvlak van onderwijs en arbeid, die direct of indirect bijdragen aan de vernieuwing van het primaire proces in het hoger beroepsonderwijs. Een daartoe ingestelde commissie Vernieuwingsfonds adviseert de minister over de toekenningen van de bijdragen. Het huidige arrangement is met een jaar verlengd, waarmee de kasuitgaven tot en met 2000 zijn verplicht. Over de voortzetting van het Vernieuwingsfonds vindt nadere besluitvorming plaats. De intentie is het Vernieuwingsfonds nogmaals vier jaar te laten functioneren. Vanaf 2001 is hiervoor gemiddeld f 6,8 miljoen beschikbaar.

Samenwerkingsprojecten mbo-hbo

Het jaar 2000 is het laatste jaar van een periode van vier jaar, waarin op zowel het beleidsterrein hbo als het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, extra middelen zijn gereserveerd voor het verbeteren van de aansluiting mbo-hbo en het bevorderen van verwante doorstroomtrajecten. Voor de periode 1997 tot en met 2000 is in totaal f 24 miljoen uitgetrokken. Van de f 2,5 miljoen die voor het begrotingsjaar 2000 voor de hogescholen beschikbaar is, zal f 1,5 miljoen beschikbaar worden gesteld als aanvulling op de rijksbijdrage voor het intensiveren van hun inspanningen op het terrein van de verbetering van de aansluiting en samenwerking tussen mbo en hbo. De resterende f 1 miljoen zal worden aangewend voor de financiering van pilots en andere landelijke activiteiten.

Techniek

De verbetering van de aansluiting tussen technische hbo-opleidingen en de arbeidsmarkt vraagt zowel kwalitatief als kwantitatief grote aandacht. Oplossing van dit vraagstuk vereist een brede aanpak met betrokkenheid van het toeleverend onderwijs en het bedrijfsleven. Tegen die achtergrond heeft de overheid (OCenW, EZ, SZW en LNV) samen met onderwijs (COLO, BVE, HBO, WO), werkgevers (MKB-NL en VNO-NCW) en Arbeidsvoorziening de Stichting AXIS opgericht met als taak de versterking van bèta/techniek in onderwijs en beroep.

Voor het aanjagen van gewenste acties is vanuit de ministeries van OCenW en EZ over een periode van vier jaar een bedrag van f 40 miljoen beschikbaar, op voorwaarde dat de betreffende actoren een even groot bedrag als co-financiering inbrengen.

Jaarlijks stelt de Stichting AXIS een werkplan op dat door het bestuur wordt vastgesteld en voor medefinanciering wordt voorgelegd aan eerdergenoemde ministeries.

De bijdrage van OCenW in 2000 is geraamd op f 5,3 miljoen.

Internationalisering

In 2000 zal verdere uitvoering worden gegeven aan de onderscheiden activiteiten in het activiteitenprogramma Onbegrensd Talent. In het bijzonder betreft dit de regelingen ter stimulering van internationale structurele samenwerking van hogescholen en ter stimulering van grensoverschrijdende samenwerking in het hoger onderwijs. Ook zal in 2000 worden bijgedragen aan Europese programma's. In dat jaar vindt ook nog financiering plaats van de samenwerkingsprojecten met Indonesië.

Profilering en positionering van het hoger onderwijs op de internationale onderwijsmarkt maakt eveneens deel uit van het beleid. Het centraal beschikbare projectenbudget voor 2000 bedraagt f 7 miljoen en in de daaropvolgende jaren ongeveer f 3 miljoen per jaar. Het initiatief ligt echter in belangrijke mate bij de instelling zelf. Bedoeling is te komen tot meer gerichte relaties, waarbij instellingen bewuste keuzes maken waarbij kwaliteit voorop dient te staan.

Allochtonenbeleid

Uit de evaluatie over de periode 1994/1999 is gebleken dat het ECHO een belangrijke rol vervult in de ondersteuning van de hogescholen en universiteiten bij het bevorderen van de doorstroom van allochtone studenten naar het hoger onderwijs. Uitgaande van een onverminderde maatschappelijke noodzaak om te investeren in het minderhedenbeleid hoger onderwijs is het eerste contract met het Expertise centrum allochtonen hoger onderwijs (ECHO) dat medio 1999 afliep, met een tweede contractperiode van vier jaar verlengd. Per jaar is een bedrag van f 4,3 miljoen beschikbaar.

Emancipatie

Twee organisaties t.w. het Landelijk steunpunt emancipatie hbo (LSE) en de Landelijke organisatie vrouwen in hogere technische opleidingen en functies (VHTO) ontvangen jaarlijks een basissubsidie ter ondersteuning van het uitvoeren van hun kerntaken, tezamen een bedrag van f 0,3 miljoen. Daarnaast is jaarlijks ongeveer f 0,4 miljoen beschikbaar voor het financieren van projecten die aansluiten bij de emancipatiedoelstellingen die geformuleerd zijn in de emancipatie nota «Een kristal van kansen» en het HOOP.

Maritiem Simulator Trainingscentrum Terschelling (MSTC)

Het MSTC is een landelijke voorziening voor alle opleidingen tot maritiem officier (secundair beroepsonderwijs en hbo). Het vervult een onmisbare functie als geïntegreerd onderdeel bij de beroepspraktijkvorming. Het trainingsprogramma wordt als zodanig ook door het ministerie van Verkeer en Waterstaat erkend in het kader van de toekenning van de vaarbevoegdheid.

In 1997 heeft in opdracht van het ministerie van OCenW een evaluatie plaatsgevonden van het functioneren van het MSTC gedurende de eerste contractperiode van 1993 tot en met 1997. De uitkomst was positief. Simulatietraining in het nautisch onderwijs zal, zo blijkt uit de evaluatie, alleen maar belangrijker worden. Daarop is een nieuwe contractperiode van 5 jaar ingegaan. De jaarlijkse bijdrage is f 3,6 miljoen.

Bijzondere uitgaven Hogeschool van beeldende kunsten, muziek en dans te Den Haag

Naast enkele specifieke doelen hebben de uitgaven met name betrekking op de reguliere financiering van het aan de Hogeschool van beeldende kunsten, muziek en dans te Den Haag verbonden basis- en algemeen voortgezet onderwijs. Vanaf 2000 is structureel een bedrag begroot van f 6,9 miljoen.

Overige uitgaven

Dit budget is gereserveerd voor allerlei onvoorziene en ad hoc activiteiten met een beperkt financieel beslag. Gelet op de omvang van het budgettaire macro-kader van het hbo en de ervaringen uit het verleden is een «werkbaar bedrijfskapitaal» van f 3,6 miljoen begroot.

Stagevergoeding

De lerarenopleidingen ontvangen een budget om als stagevergoeding uit te keren aan scholen voor basis-, voortgezet en beroepsonderwijs als bijdrage voor de begeleidingskosten van stagiaires. Het bedrag per onderwijsvragende student is in totaal over 4 jaar f 1 000,–. Op basis van de huidige studentenraming wordt een benodigd budget geraamd voor 2000 van f 10,1 miljoen.

Commissies

Uit dit budget worden de uitgaven gefinancierd van de door de minister ingestelde commissies. Genoemd worden onder meer de Adviescommissie onderwijsaanbod en de Commissie Decentrale toelating.

Projectgelden HBO-raad

In 1996 is tijdelijk een bedrag van f 31 miljoen aan liquide middelen bij de HBO-Raad onttrokken en grotendeels toegevoegd aan de exploitatievergoeding ter demping van de wachtgelduitgaven. De liquide middelen zullen in de jaren na 1996 weer ter beschikking dienen te worden gesteld aan deze Raad voor de uitvoering van de – eerder meerjarig verplichte – projecten. Tot en met 1998 is reeds een bedrag van f 7 miljoen terugbetaald. De geraamde liquiditeitsbehoefte in 1999 en 2000 bedraagt respectievelijk f 14,1 miljoen en f 7 miljoen.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 65 41133 53039 04579 26632 090 
Nieuwe mutaties 21 83612 3888 177– 22 79610 504 
Stand ontwerpbegroting 2000105 90287 24745 91847 22256 47042 59443 954
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO48 05639 59120 83621 42925 62519 32919 946

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 153 70458 02751 91443 45943 084 
Nieuwe mutaties 32 8579 4865 3865 3864 070 
Stand ontwerpbegroting 2000193 567186 56167 51357 30048 84547 15447 154
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO87 83784 65830 63726 00222 16521 39821 398

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 21.0419992000200120022003 
1. Technische mutaties28 13711 48611 18611 1869 870 
1. Bijstelling uit aanvullende posten23 0009,9009,900   
2. Overboekingen (intern)5 1371 5861 28611 1869 870 
3. Beleidsmatige mutaties4 720– 2 000– 5 800– 5 800– 5 800 
1. Beperking proj.mid/vern.activ.– 2 200– 2 000– 7 800– 7 800– 7 800 
2. Intertemporele compensatie6 920     
3. Kwaliteitszorg  2 0002 0002 000 
Totaal32 8579 4865 3865 3864 070 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten van f 23 miljoen in 1999 en f 9,9 miljoen per jaar in 2000 en 2001, betreffen de middelen die beschikbaar zijn voor de omslag van de betreffende lerarenopleidingen (zie de paragraaf Algemeen van artikel 21.04).

1.2

De interne overboekingen bestaan uit de volgende mutaties:

• een overboeking in 1999 van f 6,2 miljoen van artikel 21.01. Het betreft middelen voor informatie- en communicatietechnologie (ict) uit 1998 die weer worden toegevoegd aan het budget voor ict (zie de toelichting bij artikel 21.01).

• een overboeking naar artikel 22.06 van f 2,3 miljoen in verband met een bijdrage in 1999 aan de financiering van het zogenaamde Educatiefonds van SURF (samenwerkingsorganisatie van het hoger onderwijs op het gebied van netwerkdienstverlening en informatie- en communicatietechnologie);

• een overboeking van artikel 22.06 van f 1,3 miljoen voor elk van de jaren 1999 tot en met 2002 voor de medefinanciering van het Expertise centrum allochtonen hoger onderwijs;

• enkele interne overboekingen van geringe omvang, gesaldeerd in 1999: –f 0,1 miljoen, in 2000: +f 0,3 miljoen.

• een overboeking van f 9,9 miljoen per jaar voor de jaren 2002 tot en met 2004 voor de omslag van de betreffende lerarenopleidingen (zie de paragraaf Algemeen van artikel 21.04).

3.1

Het aandeel van het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs in de financiering van een tekort op de OCenW-begroting bedraagt f 2 miljoen in 2000 en f 1,9 miljoen vanaf 2001. De verlaging is verwerkt op het budget internationalisering.

Daarnaast is vanwege de besluitvorming Kaderbrief een taakstelling op de projectmiddelen verwerkt van f 2,2 miljoen in 1999 en f 5,9 miljoen vanaf 2001. Deze taakstelling is ook grotendeels verwerkt op het budget internationalisering.

3.2

De intertemporele compensatie van f 6,9 miljoen in 1999 bestaat uit twee mutaties.

• In de gesloten overeenkomst voor het project versterking bèta/techniek was voor 1998 een bijdrage van OCenW voorzien van f 5,2 miljoen. Doordat de Stichting AXIS, die belast is met de uitvoering van het programma bèta/techniek, vanwege het tijdstip van oprichting pas in het laatste kwartaal met haar werkzaamheden is gestart, is het bedrag van f 5,2 miljoen uit 1998 doorgeschoven naar 1999.

• In de tweede plaats is een bedrag van f 1,7 miljoen doorgeschoven uit 1998 voor informatie- en communicatietechnologie. Van de f 26 miljoen die voor 1998 beschikbaar was in het kader van het actieprogramma «Investeren in voorsprong» is vanwege de aanvangsdata van de diverse projecten in 1998 in totaal f 7,8 miljoen niet uitgekeerd. Hiervan is f 1,7 miljoen met een beleidsmatige mutatie doorgeschoven naar 1999. De schuif van de overige middelen is toegelicht bij uitgavenartikel 21.01.

3.3

Gezien de gewenste versnelling van de 2e cyclus sectorale kwaliteitszorg en de intensivering van de kwaliteitsbeoordelingen in het kunstonderwijs wordt vanaf 2001 een bedrag beschikbaar gesteld van f 2 miljoen op jaarbasis.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 21.04 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Overige uitgaven 104 70286 04744 718 192 367185 36166 313 43A 04.44
Internationale samenwerking 1 2001 2001 200 1 2001 2001 200 43A 01.5
Totaal 105 90287 24745 918 193 567186 56167 513    

Artikel 21.05 Huisvesting

Algemeen

Dit artikel omvat de normatieve huisvestingsvergoeding voor de hogescholen. Deze vergoeding is complementair aan de vergoeding voor personele en materiële lasten (zie artikel 21.01).

De wettelijke grondslag van dit artikel is het Bekostigingsbesluit WHW.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 21.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 367 827367 827367 827367 827367 827 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 2000367 827367 827367 827367 827367 827367 827367 827
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO166 913166 913166 913166 913166 913166 913166 913

Toelichting

De prijscompensatie 1999 is voorlopig volledig toegevoegd aan artikel 21.01. Later zal een deel hiervna worden overgeboekt naar artikel 21.05.

Tezamen met de decentralisatie van de huisvesting zijn de uitstaande bouwleningen aan de betreffende hogescholen overgedragen. In de gevallen waarin deze leningen onder rijksgarantie waren afgesloten, blijft deze garantie gedurende de resterende looptijd van kracht (zie onderstaand overzicht). Op nieuw aan te gane leningen wordt geen rijksgarantie verstrekt.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
 1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari35 54430 45826 42622 99319 86316 83513 927
Vervallen of te vervallen garanties– 5 086– 4 032– 3 433– 3 130– 3 028– 2 908– 2 683
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december30 45826 42622 99319 86316 83513 92711 244

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.44.

Artikel 21.01 Ontvangsten hoger beroepsonderwijs

Algemeen

Dit artikel betreft de ontvangsten voor het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs. Een gering deel heeft betrekking op de geraamde ontvangsten als gevolg van de afwikkeling van de jaarrekeningen van hogescholen. Het restant (ruim f 5 miljoen) betreft de raming van overige ontvangsten en heeft betrekking op teveel betaalde (wachtgeld)uitkeringen.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 5 2045 2045 2045 2045 204 
Nieuwe mutaties 6 1500000 
Stand ontwerpbegroting 200016 89411 3545 2045 2045 2045 2045 204
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO7 6665 1522 3612 3612 3612 3612 361

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
 19992000200120022003 
1. Technische mutaties6 150     
1. Desalderingen6 150     
Totaal6 1500000 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De ontvangsten zijn in 1999 met f 6,2 miljoen verhoogd. Door bevriezing van de budgetfactor is in 1998 f 6,2 miljoen teveel aan de hogescholen betaald. In 1999 wordt dit met de hogescholen verrekend (zie ook de toelichting bij het uitgavenartikel 21.01).

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 21.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten jaarrekeningen hogescholen 3 1813838 43A 04.44
Overige ontvangsten 13 71311 3165 166 43A 04.9
Ontvangsten internationale samenwerking 000 43A 01.5
Totaal 16 89411 3545 204    

Beleidsterrein 22 Wetenschappelijk onderwijs

Uitgaven wo f 5 707 mln. Ontvangsten wo f 2 mln.

Artikel 22.01 Universiteiten

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de universiteiten en academische ziekenhuizen als bedoeld in de onderdelen a, b en i van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), uitgezonderd de openbare universiteit te Wageningen.

Universiteiten

Volgens artikel 1.3 van de WHW hebben de universiteiten tot taak het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Op grond van deze taak hebben de universiteiten aanspraak op bekostiging door de overheid.

De berekeningswijze op grond waarvan de rijksbijdrage per universiteit wordt bepaald, is volgens artikel 2.6, eerste lid, van de WHW, vastgelegd in het Bekostigingsbesluit WHW. Hieronder is weergegeven hoe het landelijk beschikbare budget voor de universiteiten voor 2000 is opgebouwd. De bedragen zijn in miljoenen guldens en gebaseerd op het salarisniveau van 1 februari 1999 en het prijsniveau 1998, omdat de prijsbijstelling 1999 voor het beleidsterrein nog centraal op dit artikel is geparkeerd. Het salarisniveau is inclusief de meerjarige doorwerking van de overheidsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling 1999. Tevens is in het meerjarenbudget de vergoeding voor de loonsomstijging 2000 tot en met 2004 verwerkt.

De extra middelen voor de stijging van studentenaantallen zijn toegevoegd aan het onderwijsdeel. Het verwevenheidsdeel is opgegaan in het onderwijsdeel vanwege de invoering van een nieuwe bekostigingssystematiek voor de universiteiten, het Prestatiebekostigingsmodel (PBM). De verschillen met bedragen elders in de begroting zijn te verklaren door kasbeperkingen, nader toe te delen middelen en dergelijke.

Bedragen x f 1 miljoen
Onderwijsdeel1 461,6
Onderzoekdeel2 622,6
Universitaire lerarenopleiding5,6
Investeringen in huisvesting voor universiteiten187,8
Uitkeringen na ontslag209,7
Academische ziekenhuizen931,4

Academische ziekenhuizen

In artikel 1.4 van de WHW is opgenomen dat de academische ziekenhuizen verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van het wetenschappelijk onderwijs in de geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden. Zij fungeren als werkplaats voor de medische faculteiten. Op grond van deze werkplaatsfunctie maken academische ziekenhuizen aanspraak op een door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen vast te stellen deel van de rijksbijdrage van de universiteiten.

In de bijdrage voor academische ziekenhuizen, die deel uitmaakt van de rijksbijdrage voor de universiteiten, zijn onder meer de meerjarige doorwerking van de loonbijstellingen 1998 (nacalculatie) en 1999 (voorlopig) verwerkt.

Overig

Op artikel 22.01 zijn naast de budgetten voor universiteiten en academische ziekenhuizen nog middelen geraamd voor onder meer technische bijstellingen op het gebied van de arbeidsvoorwaarden en herstructureringsmiddelen wetenschappelijk onderzoek.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 5 213 7735 252 4495 240 5155 195 8975 175 172 
Nieuwe mutaties 180 728183 147185 661252 623305 671 
Stand ontwerpbegroting 20005 121 0365 394 5015 435 5965 426 1765 448 5205 480 8435 414 569
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO2 323 8252 447 9182 466 5652 462 2912 472 4302 487 0982 457 025
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.01 19992000200120022003 
1. Technische mutaties 180 347169 723172 955177 293205 711 
1. Bijstelling uit aanvullende posten181 729172 401173 738176 555203 413 
2. Overboekingen (extern) 3 7593 8163 8733 9093 909 
3. Overboekingen (intern) – 5 141– 6 494– 4 656– 3 171– 1 611 
2. Autonome mutaties  55 00066 00073 00078 000 
1. Leerlingen volume  55 00066 00073 00078 000 
3. Beleidsmatige mutaties 381– 41 576– 53 2942 33021 960 
1. Beperking incidenteel  – 7 039– 14 036– 20 915– 27 785 
2. herstructureringsmiddelen  – 5 000– 10 000   
3. Kasbeleid  – 30 000– 30 00020 00046 000 
4. Taakstelling regeerakkoord 3814637423 2453 745 
Totaal 180 728183 147185 661252 623305 671 

Toelichting op de nieuwe mutaties:

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten betreft:

• loonbijstelling 1998, wijziging franchise-bedragen voor de berekening van de premies ouderdomspensioen/nabestaandenpensioen en invaliditeitspensioen: circa – f 1,8 miljoen per jaar vanaf 1999;

• loonbijstelling 1998, nacalculatie overheidsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling (ova) academische ziekenhuizen: fluctuerend van f 7,2 miljoen in 1999 tot f 7,4 miljoen in 2003;

• loonbijstelling 1999, sector hoger onderwijs voor de universiteiten: f 121,9 miljoen in 1999, f 110,2 miljoen in 2000, f 111,5 miljoen in 2001, f 117,7 miljoen in 2002 en f 144,7 miljoen in 2003;

• voorlopige ova 1999 voor de academische ziekenhuizen: fluctuerend van f 25,9 miljoen in 1999 tot f 26,0 miljoen in 2003;

• stimulering informatie- en communicatietechnologie (ict) voor de universitaire lerarenopleidingen (ulo): f 0,9 miljoen in 1999 en f 0,1 miljoen jaarlijks in 2000 en 2001;

• prijscompensatie 1999; f 27,7 miljoen in 1999 aflopend naar f 27,1 miljoen structureel vanaf 2003;

• vergoeding van kosten voor de invoering van de EURO; zowel in het jaar 2000 als 2001: f 3,0 miljoen.

1.2

De externe overboeking heeft betrekking op een compensatie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de budgettaire gevolgen van de overheidsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling (ova) 1998 voor het rijksbijdragedeel van academische ziekenhuizen.

1.3

De interne overboekingen hebben betrekking op:

• overboekingen binnen beleidsterrein 22 als gevolg van ontvangen middelen voor salarismaatregelen 1998: van – f 2,4 miljoen in 1999 tot – f 2,0 miljoen in 2003;

• een overboeking naar artikel 22.06 voor de regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen: – f 1,8 miljoen in 1999, – f 3,0 miljoen in 2000 en – f 1,2 miljoen in 2001;

• een viertal overboekingen binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen:

– beleidsterrein 20 (bve), en beleidsterrein 23 (owb), in verband met de doorwerking van de bijdrage aan de Stichting Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA). Deze stichting is vanaf 1998 onderdeel van de Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg: f 0,6 miljoen in 1999 en f 0,3 miljoen jaarlijks vanaf 2000;

– beleidsterrein 21 (hbo) circa – f 1,3 miljoen per jaar over de periode 1999–2002 als bijdrage in de subsidie aan het Expertisecentrum voor allochtonen in het hoger onderwijs;

– beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) voor het project lot (leraren, opleidingen, tekorten): – f 0,2 miljoen in 1999;

– beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven): stimulering informatie- en communicatietechnolgie (ict) voor de universitaire lerarenopleidingen (ulo): jaarlijks f 0,1 miljoen vanaf 2002.

2.1

Bijstelling van de meerjarenraming als gevolg van de stijging van studenten-aantallen in het wetenschappelijk onderwijs.

3.1

Deze reeks betreft de bijdrage in de dekking van de loonbijstelling 1999, sector hoger onderwijs voor de universiteiten.

3.2

Dit betreft een verlaging van de herstructureringsmiddelen in relatie tot de vertraging van de bezuinigingstaakstelling bij de Open Universiteit Nederland (OUNL). Deze bezuinigingstaakstelling bij de OUNL wordt in plaats van in 2000 nu voor het eerst verwerkt met ingang van het jaar 2001.

3.3

Als bijdrage in de budgettaire problematiek in meerjarig perspectief van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als geheel, is een zogenaamde kasschuif nodig over de jaren 2000–2003.

3.4

Deze reeks betreft een herverdeling van de taakstelling uit het regeerakkoord 1998 over de artikelen 22.01, 22.02 en 22.03.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Universiteiten  nvt  4 250 3414 462 9594 504 354 43A 04.43
Academische ziekenhuizen     870 695931 542931 242 43A 04.6
Totaal 000 5 121 0365 394 5015 435 596    

Artikel 22.02 Instituten internationaal onderwijs en onderzoek

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek:

• Stichting Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (NUFFIC);

• International institute for infrastructural, hydraulic and environmental engineering (IHE);

• Institute for housing and urban development studies (IHS);

• Stichting Maastricht school of management (MSM);

• Institute of social studies (ISS);

• Internationaal instituut voor lucht- en ruimtekaartering en aardkunde (ITC);

• Stichting Afrika studiecentrum (ASC);

• United Nations university Maastricht (UNU).

Op de uitgaven voor 2000 van de instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek zijn subsidievoorwaarden van toepassing.

De bestuurlijke reactie op het interdepartementaal onderzoek internationaal onderwijs is op 31 mei 1999 aan de Tweede Kamer gezonden. Het jaar 2000 zal worden benut om nieuw gewenst beleid vorm te geven. Aangekoerst wordt op integratie van instituten voor internationaal onderwijs en onderzoek in universiteiten.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 100 756100 658100 43699 73699 736 
Nieuwe mutaties 10 4265 2514 6354 4104 310 
Stand ontwerpbegroting 2000106 324111 182105 909105 071104 146104 046103 846
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO48 24750 45248 06047 67947 25947 21447 123

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0219992000200120022003 
1. Technische mutaties10 4265 3514 9354 9104 910 
1. Bijstelling uit aanvullende posten181182181181181 
2. Overboekingen (extern)4 8124 8014 7954 7954 795 
3. Overboekingen (intern)5 433368– 41– 66– 66 
3. Beleidsmatige mutaties – 100– 300– 500– 600 
1. Taakstelling regeerakkoord – 100– 300– 500– 600 
Totaal10 4265 2514 6354 4104 310 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze reeks houdt verband met bijstellingen van de subsidies voor salarismaatregelen 1997 en 1998, incidentele looncomponent en prijsbijstelling 1998 en seniorenbeleid.

1.2

Deze overboeking van het ministerie van Buitenlandse Zaken houdt verband met bijstellingen van de subsidies voor salarismaatregelen 1997 en 1998, incidentele looncomponent en prijsbijstelling 1998 en seniorenbeleid.

1.3

Dit is het saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22 en een drietal overboekingen binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, alle ten gunste van de NUFFIC:

• beleidsterrein 22: f 0,4 miljoen in 1999, f 0,3 miljoen in 2000, – f 41 000 in 2001 en – f 66 000 jaarlijks vanaf 2002;

• beleidsterrein 21 (hbo) in verband met een bijdrage aan het programma Talentvolle Indonesische studenten: f 0,1 miljoen in 1999;

• beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven) in verband met aanpassing van de subsidie van de Nationale Unesco Commissie: f 0,1 miljoen in 1999 en 2000 en een bijdrage aan het fonds Beurzen Culturele Verdragen/Huygensprogramma 1999: f 4,7 miljoen.

3.1

Deze reeks betreft een herverdeling van de taakstelling uit het regeerakkoord 1998 over de artikelen 22.01, 22.02 en 22.03.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.02 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (NUFFIC)     9 67010 2518 90210 5243 70410 571 43A43A 04.4301.5
             
International institute for Infrastructural, hydraulic and Environmental engineering (IHE)     3 17511 6643 53611 9323 53611 979 43A43A 04.4301.5
             
Institute for housing and urban development studies (IHS)     444 49104 57804 592 43A43A 04.4301.5
             
Stichting Maastricht school of management (MSM)  nvt  444 08104 16704 184 43A43A 04.4301.5
             
Institute of social studies (ISS)     7516 5601 03616 91093216 971 43A43A 04.4301.5
             
Internationaal instituut voor Lucht- en ruimtekaartering en aardkunde (ITC)     10939 9932 28040 7402 07240 870 43A43A 04.4301.5
             
Stichting Afrika studiecentrum (ASC)     2 4292 3962 7562 4442 6602 453 43A43A 04.4301.5
             
United Nations university     01 34201 37601 383 43A43A 04.4301.5
             
Overige     012 43A 04.43
Totaal     106 324111 182105 909    

Artikel 22.03 Overige instituten hoger onderwijs

Algemeen

Op dit artikel zijn de verwachte uitgaven geraamd voor de volgende instituten en activiteiten:

• Open Universiteit Nederland

• Universiteit voor Humanistiek

• Katholieke Theologische Faculteit Tilburg

• Katholieke Theologische Universiteit Utrecht

• Katholieke Theologische Universiteit Nijmegen

• Theologische Universiteit der Gereformeerde Kerken in Nederland (Kampen)

• Theologische Universiteit der Christelijke Gereformeerde Kerken (Apeldoorn)

• Nederlandse Hervormde Kerk

• Evangelisch-Lutherse Kerk

• Remonstrantse Broederschap

• Algemene Doopsgezinde Sociëteit

• Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland

• Oud Katholieke Kerk

• Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland

• Nederlands-Israëlitisch Genootschap

• Europees Universitair Instituut Florence

• Nederlandse deelneming aan studiecentra en commissies van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

• Nederlands Vlaams Instituut Caïro

• Japan-Nederland Instituut

• Netherlands America Commission for Educational Exchange (NACEE)

• Stichting Handicap en Studie

• Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF (Universitair Asiel Fonds)

• Confederation of EU Rectors' Conferences

• Interstedelijk Studentenoverleg

• Landelijke Studenten Vakbond

De volgende wettelijke regelingen zijn van toepassing op de bekostiging van de instellingen van hoger en postacademisch onderwijs:

• voor de Open Universiteit Nederland de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), Stb. 1992, 593;

• voor de theologische opleidingen en voor de opleidingen vanwege kerkgenootschappen de nog gehandhaafde bepalingen uit de Wet op het wetenschappelijk onderwijs 1960, zoals gewijzigd bij Wet van 23 december 1988, Stb. 682, Rijksbijdrage wetenschappelijk theologisch en levensbeschouwelijk onderwijs.Daarnaast is ook een aantal subsidies en bijdragen aan instellingen en commissies opgenomen die inhoudelijk nauw verwant zijn aan de onder artikel 22.03 vallende activiteiten.

Open Universiteit Nederland

De wijze waarop de rijksbijdrage aan de Open Universiteit Nederland wordt berekend, is neergelegd in hoofdstuk 4 van het Bekostigingsbesluit ter uitvoering van artikel 2.6 van de WHW. Het totaalbudget voor 2000 is als volgt samengesteld (bedragen in miljoenen guldens en gebaseerd op het salarisniveau per 1 december 1998 en het prijsniveau 1998):

• Basisvoorziening 58,1

• Prestatiegebonden deel 14,5

• Wachtgelden 1,2

• Investeringen 1,0

• Totaal 74,8

Universiteit voor Humanistiek en theologische opleidingen

De bekostiging van de Universiteit voor Humanistiek en de theologische opleidingen is gebaseerd op een overgangsmodel dat met de betrokken kerkgenootschappen en de Universiteit voor Humanistiek was overeengekomen. Voor het jaar 2000 wordt de uitkomst constant gehouden op het niveau 1999.

Ambtsopleidingen kerkgenootschappen

De bekostiging van de ambtsopleidingen van een aantal kerkgenootschappen verloopt deels via reguliere middelentoewijzing aan openbare universiteiten. Het restant wordt rechtstreeks aan de betrokken kerkgenootschappen toegekend. Met de Nederlandse Hervormde Kerk is een convenant gesloten over de bekostiging van de ambtsopleiding.

Deelname aan internationale instellingen

De bekostiging van de NACEE is gebaseerd op de Fulbrightovereenkomst van 1949 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Ook de bijdragen aan de OESO en het Europees Universitair Instituut Florence zijn gebaseerd op internationale afspraken.

De subsidies aan het Nederlands Vlaams Instituut Caïro en het Japan-Nederland Instituut worden via de Universiteit Leiden verstrekt. Op deze instituten zijn subsidievoorwaarden van toepassing.

Stichting Handicap en Studie

De Stichting Handicap en Studie ontvangt een subsidie voor het leveren van diensten aan hbo- en wo-instellingen ter ondersteuning en bevordering van onderwijsmogelijkheden voor studenten met een lichamelijke of zintuiglijke functiestoornis. Deze diensten bestaan uit het treffen van organisatorische maatregelen en het tot stand brengen van faciliteiten voor een lichamelijke of zintuiglijke functiestoornis.

Op deze stichting zijn subsidievoorwaarden van toepassing.

Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF (Universitair Asiel Fonds)

Bij het opstellen van de meerjarenramingen van het UAF is van een stabilisatie in studentenaantallen uitgegaan. Van de compensatieregeling prestatiebeurs 1997–1998 zijn inmiddels de eerste uitvoeringsresultaten bekend. Gelet op deze resultaten wordt overwogen om, na overleg met het UAF, de subsidie voor dit onderdeel neerwaarts bij te stellen vanaf het jaar 2000.

Aan het UAF is in 1998 verzocht om bij inburgeringscontracten een makelaarsfunctie te vervullen. Zo kan het UAF aan gemeenten advies geven over scholingsbehoeften van de vluchteling-studenten of scholing en voorlichting verzorgen aan instellingen binnen de gemeenten die bij de opvang van nieuwkomers betrokken zijn. Hiermee was een bedrag van f 100 000,- op jaarbasis gemoeid. Deze makelaarsfunctie is inmiddels geëvalueerd. Het resultaat van deze evaluatie was positief. De makelaarsfunctie zal daarom worden gecontinueerd.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

Met het ISO en de LSVb wordt jaarlijks overleg gevoerd over de hoogte van het budget dat betrekking heeft op de activiteiten van ISO en LSVb gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Van het bedrag dat maximaal beschikbaar is voor beide organisaties, is een klein gedeelte (circa f 25 000,–) bedoeld als reguliere subsidie ter bestrijding van de kosten van de organisatie en de reiskosten van vrijwilligers en kaderleden.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 131 000131 432131 746132 061132 861 
Nieuwe mutaties 1 945– 69– 3 177– 10 654– 16 298 
Stand ontwerpbegroting 2000130 843132 945131 363128 569121 407116 563117 163
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO59 37460 32859 61058 34255 09252 89453 166

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0319992000200120022003 
1. Technische mutaties2 3262942 2652 0911 847 
1. Bijstelling uit aanvullende posten – 1 987    
2. Overboekingen (intern)2 3262 2812 2652 0911 847 
3. Beleidsmatige mutaties– 381– 363– 5 442– 12 745– 18 145 
1. Korting Open Universiteit  – 5 000– 10 000– 15 000 
2. Taakstelling regeerakkoord– 381– 363– 442– 2 745– 3 145 
Totaal1 945– 69– 3 177– 10 654– 16 298 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstelling 1999, sector hoger onderwijs voor de universiteiten en betreft een bijdrage in de dekking.

1.2

Deze reeks heeft betrekking op overboekingen binnen beleidsterrein 22 als gevolg van ontvangen middelen voor salarismaatregelen 1998.

3.1.

Voor deze maatregel wordt verwezen naar de toelichting in het algemeen gedeelte van dit beleidsterrein.

3.2

Deze reeks betreft een herverdeling van de taakstelling uit het regeerakkoord 1998 over de artikelen 22.01, 22.02 en 22.03.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.03 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Open universiteit Nederland     74 93774 61974 841 43A 04.43
             
Universiteit voor humanistiek     6 2446 6366 567 43A 04.43
             
Katholieke instellingen wetenschappelijk theologisch onderwijs     22 65423 02823 159 43A 04.43
             
Theologische universiteit der gereformeerde kerken in Nederland     7 4847 7977 841 43A 04.43
             
Theologische universiteit der christelijke gereformeerde kerken     1 1031 0931 100 43A 04.43
             
Nederlandse hervormde kerk     6 2166 3026 338 43A 04.43
             
Evangelisch-Lutherse kerk     263270273 43A 04.43
             
Remonstrantse broederschap     142146148 43A 04.43
             
Algemene doopsgezinde sociëteit     122126128 43A 04.43
             
Unie van baptisten gemeenten in Nederland  nvt  141145147 43A 04.43
             
Oud katholieke kerk     141145147 43A 04.43
             
Bond van vrije evangelische gemeenten in Nederland     141145147 43A 04.43
             
Nederlands-Israëlitisch Genootschap     251259262 43A 04.43
             
Europees Universitair Instituut Florence     1 8762 4722 481 43G 04.40
             
Nederlandse deelneming aan studiecentra en commissies van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)     105156156 43G 04.40
             
Nederlands Vlaams Instituut Caïro     140140140 43A 04.40
             
Japan-Nederland Instituut     195295295 43A 04.40
             
Netherlands America Commission for Educational Exchange     850850850 43A 04.40
             
Stichting Handicap en Studie     670685692 43A 04.40
             
Stichting UAF Steunpunt (SUS)/UAF (Universitair Asiel Fonds)     6 9375 2955 300 43A 04.40
             
Confederation of EU Rectors' Conferences     161616 43A 04.40
             
Interstedelijk studentenoverleg     190200200 43A 04.40
             
Landelijke studenten vakbond     25300200 43A 04.40
             
Overige      1 825– 65 43A 04.40
Totaal     130 843132 945131 363    

Artikel 22.04 Rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

Alle instellingen voor wetenschappelijk onderwijs, voor zover het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) op (het personeel van) die instellingen van toepassing is, zijn nu gebudgetteerd. Daarmee zijn de instellingen zelf verantwoordelijk voor de financiering van deze uitgaven binnen hun totale rijksbijdrage c.q. subsidie.

De budgetreeks voor de drie katholieke instellingen voor wetenschappelijk theologisch onderwijs (Katholieke Theologische Universiteit Utrecht, Theologische Faculteit Tilburg en Faculteit der Godgeleerdheid bij de Katholieke Universiteit Nijmegen) zal pas aan de subsidies (artikel 22.03) worden toegevoegd als de verdeling over de drie instellingen bekend is.

Ten laste van dit begrotingsartikel worden nog de kosten van oude ontslaguitkeringsrechten betaald van ex-personeel van niet meer of niet meer rechtstreeks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gesubsidieerde instellingen.

Daarnaast komen ten laste van dit artikel onder andere ook nog de kosten van pensioenrechten van kerkelijke hoogleraren.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 13 79714 24714 65515 35515 355 
Nieuwe mutaties 1 863– 8 085– 8 093– 8 079– 8 079 
Stand ontwerpbegroting 200013 87215 6606 1626 5627 2767 2767 276
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO6 2957 1062 7962 9783 3023 3023 302

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0419992000200120022003 
1. Technische mutaties1 8631 9151 9071 9211 921 
1. Overboekingen (intern)1 8631 9151 9071 9211 921 
3. Beleidsmatige mutaties – 10 000– 10 000– 10 000– 10 000 
1. Wachtgelden – 10 000– 10 000– 10 000– 10 000 
Totaal1 863– 8 085– 8 093– 8 079– 8 079 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22 en een overboeking binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen:

• beleidsterrein 22: f 0,1 miljoen in 1999 en f 0,2 miljoen jaarlijks vanaf 2000;

• beleidsterrein 26 (overige programma-uitgaven) f 1,8 miljoen jaarlijks vanaf 1999 in verband met de vergoeding 1999 aan USZO (Uitvoeringsinstelling sociale zekerheid overheid en onderwijs) voor de uitvoering van de ontslaguitkeringsregelingen voor academische ziekenhuizen.

3.1

Een deel van de middelen van dit artikel is aangewend voor de aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen opgelegde taakstelling in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2000.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.43.

Artikel 22.05 Garantie voor rente en aflossing investeringen academische ziekenhuizen

Op dit artikel worden de verplichtingen van het Rijk geraamd voor garanties op leningen van investeringen in ruimtelijke voorzieningen van academische ziekenhuizen.

De garanties zijn aangegaan in de periode dat de Garantieregeling academische ziekenhuizen 1987 van kracht was. De regeling is met ingang van 15 april 1991 ingetrokken.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari1 207 8321 169 4941 132 7181 095 9481 059 4271 023 240987 353
Vervallen of te vervallen garanties– 38 338– 36 776– 36 770– 36 521– 36 187– 35 887– 35 888
Verleende of te verlenen garanties  
Uitstaand risico per 31 december1 169 4941 132 7181 095 9481 059 4271 023 240987 353951 465

Economische en functionele codering

De economische en functionele code is 63A respectievelijk 04.6.

Artikel 22.06 Overige uitgaven

De op dit artikel geraamde bedragen kunnen als volgt worden gespecificeerd (in miljoenen guldens).

 
 1998199920002001200220032004
a. Vernieuwingsactiviteiten:       
– Innovatiebudget wo3,38,38,38,3   
– vernieuwingsplannen ulo 1,83,01,2   
– Stimulering internationalisering8,15,53,82,35,05,05,0
b. Studeerbaarheidsfonds56,055,5     
c. Jonge hoogleraren10,010,010,0    
d. Adviseurs0,20,10,10,10,10,10,1
e. Ontwikkelingsgeneeskunde2,0      
f. Diverse instituten/commissies0,10,30,60,60,60,60,6
g. Beurzen en toelagen0,60,51,01,01,01,01,0
h. Overige uitgaven0,73,31,72,16,76,86,8
Totaal80,985,328,415,613,313,413,4

Ter toelichting dient het volgende.

a. Vernieuwingsactiviteiten

innovatiebudget wo

In de ontwerpbegroting 1998 is aangekondigd dat voor een aantal actuele beleidsprioriteiten een innovatiebudget wo zou worden ingericht, waaruit snel en op maat nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gestimuleerd. Om de bijdrage van het innovatiebudget aan de beleidsontwikkeling optimaal te laten zijn, zal de inzet van dit budget meerjarig worden vastgelegd. Uit het innovatiebudget worden in elk geval de volgende activiteiten gefinancierd:

dualisering

Hierbij gaat het om de uitvoering van de ministeriële regeling stimulering experimenten duale opleidingen wo (1998 f 3,2, 1999 f 3,9 en 2000 f 1,9 miljoen).

aansluiting tussen vwo en wo

Voor de periode 1999–2001 ontvangen universiteiten hiervoor jaarlijks f 0,2 miljoen, onder voorwaarde dat zij een even grote eigen bijdrage leveren.

decentrale toelating

Hierbij gaat het om de kosten van de begeleidingscommissie decentrale toelating, ingesteld 4 maart 1999, en bijdragen voor incidentele uitgaven en ontwikkelingskosten aan universiteiten die deelnemen aan decentrale toelating en waarbij sprake is van numerus fixusopleidingen.

bèta-convenant

Hierbij gaat het om de uitvoering van het mede door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ondertekende bèta-convenant van 1 mei 1998, waarin is toegezegd ingrijpende herprogrammeringsactiviteiten van de universiteiten ten aanzien van de universitaire bèta-opleidingen financieel op projectbasis te zullen ondersteunen.

Vernieuwingsplannen ulo

De hier opgenomen middelen houden verband met de ministeriële regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen 1999–2001.

Stimulering internationalisering

Deze middelen dienen ervoor om door middel van gerichte stimuleringssubsidies de internationale positie van Nederland en het Nederlands wetenschappelijk onderwijs verder te versterken.

Hiertoe behoren in 2000 onder meer de volgende activiteiten:

• Japan prijswinnaarsprogramma (een programma om de kennis over Japan bij leidinggevenden in het bedrijfsleven te stimuleren): f 1,8 miljoen;

• grenslandenbeleid in het kader van de ministeriële regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997–2000: f 3,2 miljoen.

b. Studeerbaarheidsfonds

De hier opgenomen middelen dienen voor verdere ondersteuning van projecten gericht op verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid. Deze regeling is beëindigd in 1999.

c. Jonge hoogleraren

Het betreft hier middelen voor de tijdelijke stimuleringsregeling voor aanstelling van jonge hoogleraren, de zogenoemde «Van der Leeuw hoogleraren», uit te voeren door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Eind 1997 is de procedure voor het toekennen van plaatsen gestart.

d. Adviseurs

Dit budget dient ter dekking van de kosten voor adviseurs die adviseren over voorgestelde en in uitvoering zijnde investeringsprojecten van academische ziekenhuizen en die worden ingeschakeld voor incidentele onderzoeken.

e. Ontwikkelingsgeneeskunde

Met ingang van 1999 is de directe financiële bijdrage ten laste van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan het programma ontwikkelingsgeneeskunde beëindigd. Het programma, waar de academische ziekenhuizen in overwegende mate gebruik van maken, wordt door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gecontinueerd.

f. Diverse instituten en commissies

Dit budget betreft de kosten van het ingevolge artikel 7.64 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) ingestelde College van Beroep.

g. Beurzen en toelagen

Het begrote bedrag heeft betrekking op verplichtingen van beurzen en toelagen voor studenten aan het Europees Universitair Instituut te Florence en voor vertegenwoordigers van de organisaties in de Studentenkamer. Voor de laatste categorie is een bedrag van f 290 000,– beschikbaar.

h. Overige uitgaven

De geraamde budgetten zijn onder meer voor onvoorziene gebeurtenissen en risico's in het veld van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.

Tevens is in deze budgetten een bedrag van f 0,2 miljoen voorzien voor de financiering van schade van een grote omvang als gevolg van brand, storm en dergelijke voor de aangewezen instellingen van wetenschappelijk onderwijs en een bedrag van f 0,3 miljoen voor lasten van rente en afschrijving bij academische ziekenhuizen.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.061998199920002001200220032004 
Stand ontwerpbegroting 1999 17 2439 35215 54320 29420 294  
Nieuwe mutaties 9 197– 2 027– 2 831– 8 737– 6 887  
Stand ontwerpbegroting 200032 23326 4407 32512 71211 55713 40713 407 
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO14 62611 9983 3245 7685 2446 0846 084 

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.061998199920002001200220032004 
Stand ontwerpbegroting 1999 83 54726 33118 54320 29420 294  
Nieuwe mutaties 1 7032 083– 2 987– 6 987– 6 887  
Stand ontwerpbegroting 200080 94485 25028 41415 55613 30713 40713 407 
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO36 73138 68512 8937 0596 0386 0846 084 

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 22.0619992000200120022003  
1. Technische mutaties2 8034 9833 813– 187– 187  
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 1662 7332 634– 166– 166  
2. Overboekingen (extern)100      
3. Overboekingen (intern)2 8692 2501 179– 21– 21  
3. Beleidsmatige mutaties– 1 100– 2 900– 6 800– 6 800– 6 700  
1. Beperking projectmiddelen– 1 100– 2 900– 6 800– 6 800– 6 700  
Totaal1 7032 083– 2 987– 6 987– 6 887  

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten heeft betrekking op de loonbijstellingen 1997, 1998 en 1999.

1.2

Overboeking van het ministerie van Economische Zaken als eenmalige bijdrage aan de haalbaarheidsstudie European Universities Online.

1.3

Dit is het saldo van diverse mutaties binnen beleidsterrein 22 en een zevental overboekingen binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen:

• diverse mutaties binnen beleidsterrein 22: – f 0,6 miljoen in 1999, – f 0,3 miljoen in 2000 en f 9 000 jaarlijks vanaf 2001;

• een overboeking van artikel 22.01 voor de regeling vernieuwingsplannen universitaire lerarenopleidingen: f 1,8 miljoen in 1999, f 3,0 miljoen in 2000 en f 1,2 miljoen in 2001;

• beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) in verband met de secretariële ondersteuning van de Adviescommissie onderwijsaanbod: – f 30 000 jaarlijks vanaf 1999;

• beleidsterrein 17 (ministerie algemeen) in verband met de te betalen personele kosten van het College van Beroep voor het hoger onderwijs: – f 0,3 miljoen in 1999;

• beleidsterrein 21 (hbo) in verband met diverse gezamenlijke hbo/wo-projecten: – f 0,2 miljoen in 1999 en – f 0,3 miljoen in 2000;

• beleidsterrein 21 (hbo) in verband met een te betalen subsidie aan het SURF-educatiefonds: f 2,3 miljoen in 1999;

• beleidsterrein 23 (owb) in verband met het duo-fellowshipprogramma: – f 0,2 miljoen in 1999 en 2000.

3.1

Deze reeks betreft een bijdrage in de dekking van de loonbijstelling 1999, sector hoger onderwijs voor de universiteiten, en in de dekking van de aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen opgelegde taakstelling in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2000.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.06 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Overige uitgaven universiteiten 26 94519 757161 69 27378 56721 250 43A 04.43
Overige uitgaven academische ziekenhuizen  400400 2 221400400 43A 04.6
Beurzenprogramma     1 3001 3001 300 43A 01.5
Diverse commissies en voorzieningen 5 2886 2836 764 8 1504 9835 464 43A 04.40
Totaal 32 23326 4407 325 80 94485 25028 414    

Artikel 22.01 Ontvangsten wetenschappelijk onderwijs

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 22.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 2 4202 4202 4202 4202 420 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 20002 7802 4202 4202 4202 4202 4202 420
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO1 2621 0981 0981 0981 0981 0981 098

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 22.01 ontvangsten Ontvangsten codering 
  199819982000 Econ. Funct.
Ontvangsten universiteiten 38400 43A 04.43
Ontvangsten internationale samenwerking 2 3962 4202 420 43A 01.5
Totaal 2 4202 4202 420    

Beleidsterrein 23 Onderzoek en wetenschapsbeleid

Uitgaven owb f 1 355 mln. Ontvangsten owb f 204 mln.

kst-26800-VIII-2-28.gifkst-26800-VIII-2-29.gif

Artikel 23.01 Instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening

Algemeen

Met het budget voor instellingen voor onderzoek en wetenschapsbeoefening worden op basis van wetten, koninklijke besluiten, internationale verdragen en statuten een dertigtal grote(re) en kleinere instellingen van verschillend karakter bekostigd. Dit budget omvat f 1 282 miljoen voor 2000.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

Volgens de huidige NWO-wet is de primaire taak van de NWO het bevorderen van kwaliteit in het wetenschappelijk onderzoek. Dit zal ook in de toekomst een zeer belangrijke taak blijven. De hoofdlijnen van het onderzoek- en wetenschapsbeleid van de regering zijn geschetst in de nota «Wie oogsten wil, moet zaaien (Wetenschapsbudget 2000)», die eerder dit jaar aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Daarin wordt de belangrijke positie van de Nederlandse tweede-geldstroomorganisatie duidelijk gemarkeerd. Zo krijgt NWO een centrale rol bij de uitvoering van de vernieuwingsimpuls: NWO bepaalt immers op basis van een landelijke competitie welke programma's worden gefinancierd. De criteria die daarvoor gelden zijn wetenschappelijke kwaliteit en vernieuwingspotentie. Ook de bestuurlijke verhouding tot NWO zal een wijziging ondergaan. Zoals in de bovengenoemde nota is aangekondigd zal de plancyclus worden aangepast en zullen de bestuurlijke verhoudingen worden gekenmerkt door veel minder sturing vooraf en veel meer nadruk op verantwoording achteraf.

Voor NWO als geheel is een bedrag van f 535 miljoen gereserveerd.

Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)

De KNAW heeft een drievoudige taak. Zij is een internationaal forum voor de uitwisseling van geleerden, zij adviseert de regering over vragen over wetenschapsbeoefening en zij beheert een aantal onderzoeksinstituten. Daarnaast financiert de KNAW het succesvolle akademie onderzoekersprogramma. Verreweg het grootste deel van de KNAW-begroting (f 143 miljoen) is bestemd voor beide laatstgenoemde onderwerpen. Per 1 januari 1999 is het voormalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie toegetreden tot de onderzoekorganisatie van de KNAW. Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft extra middelen gekregen voor de uitbouw van het onderzoekprogramma in internationaal verband.

Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)

Begin 1999 heeft de minister van OCenW een positief oordeel uitgesproken over het meerjarenprogramma basisfinanciering TNO 1999–2002. TNO is inmiddels gestart met de uitvoering van dit programma en zal de middelen uit de basisfinanciering inzetten ten behoeve van strategische kennisinvesteringen.

Tabel 1.1 (bruto bedragen x f 1000 loon en prijsgevoelig)
Basisfinanciering116 790
Doelfinanciering Defensie98 785
Doelfinanciering EZ82 457
Doelfinanciering velddepartementen totaal49 989
Geoormerkt voor VROM12 979
LNV6 959
SZW10 211
VenW6 799
VWS13 041
OCenW overig224

Grote technologische instituten (gti's)

Uit de post gti's worden de bijdragen bekostigd aan de begrotingen voor het speurwerk van de Stichting Nationaal Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam, van het Maritiem Instituut Nederland (MARIN) in Wageningen, de Stichting Waterloopkundig Laboratorium en Grondmechanica Delft. Over de relatie tussen de overheid en deze instituten heeft de Adviesraad voor Wetenschap en Technologiebeleid het advies «Het nut van de grote technologische instituten» uitgebracht. In het onlangs uitgebrachte kabinetsstandpunt wordt aangegeven hoe de komende jaren de financieel-bestuurlijke relatie met de instituten zal worden vormgegeven.

Bibliotheken en informatieverzorging

Onder de categorie bibliotheken en informatieverzorging, waarvoor in 2000 een budget van f 61,4 miljoen beschikbaar is, vallen als grootste posten de Koninklijke Bibliotheek (KB), de bibliotheek van de KNAW en de exploitatie van de landelijke functie van de centrale bibliotheek van de Technische Universiteit Delft. Deze bibliotheken leveren, als houder van centrale catalogi en/of leverancier van documenten, diensten in aanvulling op de basisvoorzieningen van wetenschappelijke bibliotheken in Nederland.

Instellingen voor alfa- en gamma-onderzoek

Het budget voor instellingen voor alfa- en gamma-onderzoek bedraagt f 7,6 miljoen. Hieruit wordt ondermeer bekostigd de Stichting Parlementaire Geschiedenis, het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut.

Stichting Parlementaire Geschiedenis

De Stichting Parlementaire Geschiedenis beheert een subsidie voor het centrum van parlementaire geschiedenis van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Het centrum beschrijft de parlementaire geschiedenis na 1945.

Instituut voor Nederlandse Lexicologie

Deze bijdrage aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie voor woordenboekenprojecten, waartoe het comité van ministers van de Nederlandse taal besloten heeft, bedraagt f 2 miljoen. Het instituut is begonnen met de ontwikkeling van een geïntegreerde taalbank van het Nederlands van de 8e tot de 21e eeuw. Tevens is een begin gemaakt met het woordenboek van het 20e en vroeg 21e eeuws Nederlands, dat in elektronische en grafische vorm beschikbaar zal komen.

Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI)

Het NIDI heeft tot taak om demografisch onderzoek naar bevolkingsvraagstukken uit te voeren, in het bijzonder georiënteerd op maatschappelijke of voor het overheidsbeleid relevante vraagstukken op nationaal en internationale schaal. Voorts verleent het NIDI diensten voor demografisch onderzoek buiten de stichting en voor opleiding van demografische onderzoekers. Het instituut draagt bij aan informatievoorziening op haar terrein en geeft voorlichting in bredere kring. Tenslotte verstrekt het NIDI adviezen over uit demografisch onderzoek verkregen gegevens en inzichten.

Internationale Onderzoekinstellingen

Nederland is lid van de volgende Europese wetenschappelijke samenwerkingsorganisaties:

CERN Europese organisatie voor kern- en hoge-energiefysica

ESAEuropese ruimte agentschap

ESOEuropese organisatie voor astrologisch onderzoek op het zuidelijk halfrond

EMBLEuropees moleculair biologisch laboratorium

EMBCEuropese moleculaire biologie conferentie

CERN

De Nederlandse bijdrage van circa 4,5% van het totale beschikbare budget beloopt voor 2000 circa f 59 miljoen. Vanaf 1997 zijn de bijdragen van de 19 Europese lidstaten met ongeveer 10% verlaagd. Bij CERN worden de arbeidsvoorwaarden marktconform gehouden en de toekomstige pensioenlasten afgedekt. Dit is het resultaat van een onderhandelingsproces waarin de Nederlandse delegatie de leiding heeft. De grootste versneller, de Large Electron Positron Collider, wordt in 2000 gesloten. De fysici krijgen in het jaar 2005 de beschikking over de nieuwe Large Hadron Collider. De kosten bedragen ongeveer f 3750 miljoen die binnen het constante jaarbudget over 10 jaar gefinancierd moeten worden. CERN heeft de ambitie het topinstituut in de wereld op het gebied van deelfysica te blijven.

ESA

De ESA begroting voor 2000 bedraagt ongeveer f 6 miljard, waaraan Nederland bijdraagt met circa f 180 miljoen. Het aandeel van OCenW hierin is ongeveer f 63 miljoen, inclusief de middelen voor nationaal flankerend beleid en de OCenW bijdrage aan de European organisation for the exploitation of meteorological satellites. Op basis van de ministersconferentie in Brussel van 11 en 12 mei 1999 zal binnen het Nederlandse ruimtevaartbeleid door OCenW de komende jaren het geld met prioriteit worden ingezet voor het wetenschappelijk programma en de aardobservatieprogramma's van de ESA.

ESO

De Nederlandse bijdrage aan ESO van 7,5% bedraagt voor 2000 circa f 12 miljoen. Nederlandse sterrenkundigen maken goed gebruik van de faciliteiten van ESO in Chili. De bouw van de very large scale telescope verloopt volgens schema. Inmiddels zijn twee van de vier telescopen operationeel en functioneren nog beter dan de strenge ontwerpeisen. In 2000 moet het systeem als geheel werken en heeft Europa daarmee de achterstand op de Verenigde Staten meer dan ingelopen. ESO blijft ambitieus en werkt samen met de Verenigde Staten aan de voorbereiding van een nieuw project in Chili, een millimeter radiotelescoop, de ALMA.

EMBL

Het EMBL in Heidelberg is een Europees onderzoeksinstituut voor moleculaire biologie. Het leidt talentvolle jonge onderzoekers uit Europa op tot toponderzoekers, ontwikkelt nieuwe apparatuur voor moleculair biologisch onderzoek en verzorgt de toegang tot en de aanpassing van faciliteiten die voor de ontwikkeling van dit onderzoeksterrein van belang zijn. Onder druk van de Nederlandse delegatie wordt gewerkt aan het opbouwen van een pensioenreserve, die tot nu toe ontbrak.

De bijdrage van OCenW bedraagt voor 2000 circa f 4 miljoen.

EMBC

De bijdrage van OCenW bedraagt f 1 miljoen (4,3% van het totale budget). Het geld is bestemd voor opleidings- en trainingsprogramma's en de uitwisseling tussen landen van jonge onderzoekers in de moleculaire biologie. De activiteiten worden uitgevoerd door de leden van de European moleculair biology organisation, een organisatie van vooraanstaande Europese moleculair biologen.

Verkenningen

Commissie van overleg sectorraden

Een bedrag van circa f 1 miljoen is enerzijds bestemd voor programmeringsstudies, verkenningen en methodiekontwikkeling, ondergebracht in het Coördinatiefonds sectorraden, en anderzijds voor de bekostiging van het secretariaat van deze commissie. Op basis van de evaluatie over voortgang en voortzetting van de commissie onder het voorzitterschap van drs.W.J. Deetman zal de instellingsbeschikking van de commissie worden verlengd.

Verkenningenbudget Adviesraad voor Wetenschap en Technologiebeleid (AWT)

De AWT heeft, naast advisering, de taak op verzoek van de minister van OCenW verkenningen te verrichten. Hiervoor heeft de AWT een voorstel voor een meerjarige verkenningenagenda ingediend.

Publieksvoorlichting en maatschappelijke oordeelsvorming

Stichting Wetenschap en Techniek Nederland

De Stichting Wetenschap en Techniek Nederland (WeTeN) is een onafhankelijke organisatie die wordt gesubsidieerd door de ministeries OCenW en EZ. De subsidie bedraagt f 7 miljoen voor 2000, waarvan het OCenW-deel f 3,2 miljoen bedraagt en het EZ-deel f 3,8 miljoen. In de onlangs aan de Tweede Kamer aangeboden nota «Wie oogsten wil, moet zaaien (wetenschapsbudget 2000)» wordt het traject geschetst dat de overheid zal volgen naar aanleiding van de evaluatie van WeTeN.

Rathenau Instituut

Het Rathenau Instituut richt zich op het maatschappelijk debat en op de oordeelsvorming met betrekking tot de maatschappelijke consequenties van ontwikkelingen in wetenschap en technologie voor vooral het parlement. Het onderzoek dat het Rathenau instituut heeft verricht en uitgezet, heeft daarbij een ondersteunende functie. De taken van het platform wetenschap en ethiek zijn inmiddels toegevoegd aan het instituut.

Het budget dat binnen de begroting van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is opgenomen, bedraagt voor 2000 f 4,6 miljoen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 23.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 302 9881 304 1841 303 1381 302 3491 305 719 
Nieuwe mutaties 36 517– 22 31916 68649 33758 563 
Stand ontwerpbegroting 20001 283 9961 339 5051 281 8651 319 8241 351 6861 364 2821 353 642
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO582 652607 841581 685598 910613 368619 084614 256
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties30 81729 34729 41929 13933 380 
1. Bijstelling uit aanvullende posten33 62632 45833 02133 06837 309 
2. Desalderingen– 441– 783– 1 124– 1 465– 1 465 
3. Overboekingen (intern)– 2 368– 2 328– 2 478– 2 464– 2 464 
2. Autonome mutaties2 4002 4002 4002 4002 400 
1. Materiele kenmerken2 4002 4002 4002 4002 400 
3. Beleidsmatige mutaties3 300– 54 066– 15 13317 79822 783 
1. Beperking incidenteel – 1 066– 2 133– 3 202– 4 217 
2. Intertemporele compensatie1 300     
3. Kasbeleid – 55 000– 15 00019 00025 000 
4. Nationaal Herbarium20002000200020002000 
5. Bijdrage bezuinigingen TNO 000– 10 000 
6. Vernieuwingsfonds    10 000 
Totaal36 517– 22 31916 68649 33758 563 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De ontvangen bijstelling van de arbeidsvoorwaardenruimte alsmede wettelijk noodzakelijke bijstellingen. Tevens is een bijdrage voor de kosten verbonden aan de invoering van de euro ontvangen.

1.2

Betreft de bezuiniging in het kader van het regeerakkoord op de doelsubsidies TNO met gelijktijdige verlaging van het ontvangstenartikel. Voorts een saldering van de ontvangsten van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie met de uitgaven.

1.3

De interne overboekingen bestaan voornamelijk uit de onderbrenging van het budget van de Stichting Film en Wetenschap bij beleidsterrein 27 en een correctie op de stelwijziging huisvesting.

2.1

Bijstelling van het budget in het kader van de stelselwijziging huisvesting.

3.1

Beperking op de raming van de incidentele looncomponent van 0,6% naar 0,4%.

3.2

Kasritmeverschuiving in het onderzoeksbudget van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

3.3

In het kader van de bij voorjaarsnota en miljoenennota aan OCenW opgelegde taakstellingen is een kasritmeverschuiving noodzakelijk, die wordt aangebracht op NWO en TNO. De kaspositie van beide instituten laat deze verschuiving toe.

3.4

Bijdrage in de gemeenschappelijke regeling van het Nationaal Herbarium.

3.5

Gelet op de ontwikkeling van de financiële positie van TNO in de afgelopen jaren is de vraag aan de orde of TNO een bijdrage kan leveren aan de bezuinigingen. Uit dien hoofde wordt gedacht – bij handhaving van het activiteitenniveau van het lopend strategisch plan 1999–2002 – aan een tijdelijke beperkte latere betaling van de voorziene rijksbijdrage. Het gaat dan om een bedrag van f 30 miljoen, dat onderdeel is van de post kasbeleid, die hierna ook nog wordt toegelicht. Voor TNO is voorzien in het inlopen via een kasritmeversnelling vanaf 2004. Daarnaast wordt bezien in hoeverre het mogelijk is met ingang van het nieuwe strategische plan vanaf 2003 een structurele verlaging van f 10 miljoen aan te brengen bij de basissubsidie, mede afhankelijk van de vraag of TNO de doelstelling van de marktomzet uit het lopend strategisch plan 1999–2002 realiseert. Over beide voorstellen zal bestuurlijk overleg met TNO worden gevoerd.

3.6

Vanaf 2003 is structureel f 10 miljoen extra uitgetrokken voor de vernieuwingsimpuls voor het universitaire onderzoek. Het bedrag is opgenomen in het budget van NWO.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 23.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Nationale onderzoekinstellingen     1 084 0251 118 0691 056 514 43A 04.6
             
Wetenschappelijke bibliotheek-instellingen     60 56561 40961 387 43A 04.40
             
RIOD     4 70000 43A 04.6
             
EMBC     9509501 000 43G 04.6
             
EMBL     3 8004 2004 400 43G 04.6
             
CERN     52 20057 00059 500 43G 04.6
             
ESO  n.v.t.  12 20011 50011 900 43G 04.6
             
ESA     58 10062 10063 785 43G 04.6
             
Instituut voor Nederlandse Lexicologie     20002 0982 098 43A 04.0
             
Adviesraad Wetenschaps- en Technologiebeleid     3 55600 12 04.6
             
Verkenningen     01 0441 041 12 04.6
             
Stelselwijziging rijkshuisvesting     019 23519 240 12 13.9
             
Internationale samenwerking     1 9001 9001 000 43A 01.5
Totaal     1 283 9961 339 5051 281 865    

Artikel 23.04 Coördinatie wetenschapsbeleid

Algemeen

Met het budget coördinatie wetenschapsbeleid geeft de minister van OCenW invulling aan zijn rol van coördinerend minister voor wetenschapsbeleid. Het geld wordt ingezet voor nationaal coördinerende activiteiten (f 2,2 miljoen), het budget voor internationale faciliteiten (f 5 miljoen), bilaterale samenwerking (f 20,6 miljoen), het OCenW-aandeel in het programma Economie, ecologie en technologie (f 23,5 miljoen) en de gelden uit het Fonds Economische Structuurversterking (f 22 miljoen).

Nationale coördinatie

Het geld wordt mede ingezet voor de implementatie van voorstellen die mede zijn gebaseerd op beleidslijnen die in opeenvolgende wetenschapsbudgetten zijn opgenomen.

Internationale faciliteiten

De doelstelling van het budget internationale onderzoekfaciliteiten is het ondersteunen van kansrijke initiatieven voor de vestiging van internationale onderzoeksinstituten in Nederland of van internationale initiatieven met een aanmerkelijk belang voor het Nederlands onderzoek. De conclusie uit een evaluatie van lopende projecten was dat deze initiatieven, zeker bij toekenning van kleinere subsidies voor een beperkte tijd, vaak moeilijk blijvend te verankeren zijn in de bestaande infrastructuur en dat echte mede-investeringen van buitenlandse overheden moeilijk te realiseren zijn. Daarom is met de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek afgesproken voorlopig geen nieuwe voorstellen in behandeling te nemen. Het genoemde budget beslaat dan ook uitsluitend bestaande verplichtingen van subsidies die in eerdere jaren zijn toegekend.

Bilaterale samenwerking

Bilateraal wordt vanuit OCenW samengewerkt met een beperkt aantal selectief gekozen landen en op gebieden van wederzijds belang. Het doel van deze selectieve, geconcentreerde aanpak is om structurele en langdurige samenwerking te bevorderen. Samengewerkt wordt met Frankrijk, Hongarije, Rusland, Indonesië, China en met de grenslanden (Vlaanderen, Duitsland en de Duitse deelstaten). De bilaterale onderzoekssamenwerking is regelmatig punt van bespreking in het internationale beleidsoverleg van de grote onderzoeksinstellingen met de departementen, alsmede in nationale stuurgroepen en bilaterale gemende commissies.

Economie, ecologie en technologie (EET)

EET is een programma van EZ en OCenW, uit de gelden van «cluster 3» van het vorige regeerakkoord (sociale woningbouw, economische infrastructuur, natuur en milieu). In dit programma worden projecten gestimuleerd die op termijn voor doorbraken zorgen die zowel economisch rendabel als ecologisch gunstig of tenminste verantwoord zijn. Het gaat hierbij om het doorbreken van de paradox dat economische rentabiliteit leidt tot extra milieubeslag en/of ecologische doorbraken economisch onrendabel zouden zijn. Verkleining van het milieubeslag in grondstoffenverbruik en afval gaat in EET samen met versterking van de economie.

Fonds Economische Structuurversterking (FES)

In het kader van de versterking economische structuur middels versterking van de kennisinfrastructuur, is OCenW het penvoerende departement voor drie projecten; Delft Cluster, Biomade en het Wetenschap en Technologiecentrum Watergraafsmeer. Voor deze drie projecten zijn FES-middelen beschikbaar gesteld voor de periode 1999 – 2002 van in totaal f 87 miljoen. De projecten zijn in het regeerakkoord opgenomen en maken deel uit van het kennispakket van ICES dat voor de genoemde periode in totaal f 465 miljoen bedraagt.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 23.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 55 12651 84651 80649 82055 889 
Nieuwe mutaties 15 03418 33522 27023 405– 6 662 
Stand ontwerpbegroting 200051 95770 16070 18174 07673 22549 22748 424
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO23 57831 83731 84733 61533 22822 33821 974

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 23.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 56 97753 74853 70851 68955 889 
Nieuwe mutaties 17 86419 52522 77023 405– 6 662 
Stand ontwerpbegroting 200062 08474 84173 27376 47875 09449 22748 424
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO28 17233 96133 25034 70534 07622 33821 974

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.0419992000200120022003 
1. Technische mutaties8 75419 50017 00020 000  
1. Overboekingen (extern)2 5002 500    
2. Desalderingen6 25417 00017 00020 000  
3. Beleidsmatige mutaties9 110255 7703 405– 6 662 
1. Beperking incidenteel – 65– 130– 195– 262 
2. Beperking proj.mid/vern.activ.– 2 600– 5 500– 6 500– 7 400– 7 400 
3. EET1 0001 0001 0001 0001 000 
4. FES5 0005 00010 00010 000  
5. Infodrome1 3001 4001 400   
6. Intertemporele compensatie2 910– 1 810    
7. New Metropolis1 500  
Totaal17 86419 52522 77023 405– 6 662 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Door het ministerie van Financiën beschikbaar gestelde bijdrage aan de Stichting onderzoek terugkeer en opvang.

1.2

Betreft de gedesaldeerde uitgaven gefinancierd uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Op het ontvangstenartikel onderzoek en wetenschapsbeleid is hetzelfde bedrag aan ontvangsten geboekt.

3.1

Beperking op de raming van de incidentele looncomponent van 0,6% naar 0,4%.

3.2

Betreft structurele ombuigingen op de projectmiddelen in het kader van de bij voorjaarsnota en miljoenennota aan OCenW opgelegde taakstellingen.

3.3

Tijdelijke verhoging tot en met 2003 van de bijdrage in het programma economie, ecologie, technologie (EET).

3.4

Betreft de uitgaven uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) voor het Wetenschap en Technologiecentrum Watergraafsmeer.

3.5

Gelden ten behoeve van het INFODROME-programma. Dit is een programma van onderzoek, kennisoverdracht en communicatieprojecten gericht op het beleid van de overheid in de informatiemaatschappij.

3.6

Wijziging van het kasritme van onderzoeksprojecten zonder budgettaire consequenties.

3.7

Voor extra steun aan het wetenschaps- en techniekmuseum New Metropolis is f 1,5 miljoen uitgetrokken in 1999.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.6

Artikel 23.01 Ontvangsten onderzoek en wetenschapsbeleid

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 23.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 183 177182 755182 755182 755182 755 
Nieuwe mutaties 10 81321 21725 87628 535– 1 465 
Stand ontwerpbegroting 2000195 774193 990203 972208 631211 290181 290181 290
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO88 83888 02992 55994 67395 88082 26682 266
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 23.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties10 81321 21725 87628 535– 1 465 
1. Desalderingen10 81321 21725 87628 535– 1 465 
Totaal10 81321 21725 87628 535– 1 465 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Betreft enkele reeds onder de uitgavenartikelen genoemde desalderingen van de uitgaven en ontvangsten voor TNO doelsubsidies en FES.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 23.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten andere ministeries 194 456193 780203 742 47A 04.6
Ontvangsten overig 1 318210230 43A 04.6
Totaal 195 774193 990203 972    

Beleidsterrein 24 Huisvesting

Artikel 24.01 Huisvesting primair onderwijs

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 00000 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 20006 623000000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 006000000

Dit artikel heeft betrekking op de uitgaven voor voorzieningen in de huisvesting voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs.

De uitgaven voor het basisonderwijs geschieden op grond van de artikelen 64a t/m 91 van de Wet op het basisonderwijs (WBO), alsmede de daarvan afgeleide algemene maatregelen van bestuur, te weten het Huisvestingsbesluit WBO, het Bouwbesluit WBO, het Besluit oude eigendoms- en huurscholen WBO en het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

De uitgaven voor het (voortgezet) speciaal onderwijs geschieden op grond van de artikelen 88i, 88j en 88k van de Interimwet speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO), alsmede de daarvan afgeleide algemene maatregelen van bestuur, te weten het Huisvestingsbesluit ISOVSO, het Bouwbesluit ISOVSO en het Huisvestingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

Op grond van de wijziging op de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van huisvestingsvoorzieningen, is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting primair onderwijs ingaande 1 januari 1997 naar de gemeenten gedecentraliseerd. Uitgaven in verband met de nazorg voor het afrekenen van oude vergoedingsjaren en de afwikkeling van bezwaren en beroepen tegen deze afrekenbeschikkingen komen echter nog ten laste van het ministerie van OCenW op het onderhavige artikel.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.2.

Artikel 24.02 Huisvesting voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Algemeen

De bekostiging van de huisvesting is nader uitgewerkt in het huisvestingsbesluit WVO/WCBO, bekostigingsbesluit WVO en de jaarlijks gepubliceerde programma's van eisen.

Op grond van respectievelijk de wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het (voortgezet) speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van huisvesting en de wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met decentralisatie van huisvestingsbeslissingen en vervallen van het economisch claimrecht, is ingaande 1 januari 1997 de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het voortgezet onderwijs naar de gemeenten en voor de huisvesting van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie naar de bve-instellingen gedecentraliseerd. Uitgaven in verband met de nazorg voor het afrekenen van oude vergoedingsjaren vo/bve en de afwikkeling van bezwaren en beroepen bve komen echter nog ten laste van dit artikel.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 24.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 00000 
Nieuwe mutaties 4 6330000 
Stand ontwerpbegroting 20009 8844 63300000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO4 4852 10200000

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 24.0219992000200120022003 
1. Technische mutaties459     
1. Overboekingen (extern)459     
2. Autonome mutaties4 174     
1. Afrekeningen4 174  
Totaal4 6330000 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De technische mutatie betreft een overboeking in verband met de realisatie van opbrengsten verkoop van voormalige schoolgebouwen door de Dienst der Domeinen. Deze middelen worden aangewend ter dekking van de uitgaven voor de afwikkeling van bezwaren en beroepen van huisvestingszaken.

2.1

De autonome mutatie op het onderhavige artikel betreft een raming van de uitgaven voor de afwikkeling van bezwaren en beroepen van huisvestingszaken uit de periode vóór de decentralisatie. Deze uitgaven worden gedekt uit nog gerealiseerde verkoopopbrengsten van schoolgebouwen (zie ook het ontvangstartikel 24.01).

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
Artikel 24.021998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari311 053249 553212 311179 694149 787121 77996 201
Vervallen of te vervallen garanties– 61 500– 37 242– 32 617– 29 907– 28 008– 25 578– 22 593
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december249 553212 311179 694149 787121 77996 20173 608

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43C respectievelijk 04.30.

Artikel 24.01 Ontvangsten huisvesting

Algemeen

Dit artikel heeft betrekking op de ontvangsten gerealiseerd in verband met het afrekenen van huisvestingsvoorzieningen en verkopen van onroerend goed geïnitieerd vóór 1 januari 1997.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 24.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 00000 
Nieuwe mutaties 3 9840000 
Stand ontwerpbegroting 20007 6513 98400000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 4721 808     

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 24.0119992000200120022003 
2. Autonome mutaties3 984     
1. Diversen3 984  
Totaal3 9840000 

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1

De nieuwe mutatie op het onderhavige artikel betreft in 1999 gerealiseerde verkoopopbrengsten van schoolgebouwen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 24.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Teveel betaalde voorschotten bve 000 43A 04.4
Teveel betaalde voorschotten vo 1 78300 43A 04.30
Verkoop onroerend goed 5 8683 9840 69A 04.44
Totaal 7 6513 9840    

Beleidsterrein 25 Studiefinancieringsbeleid

Uitgaven sfb f 4645 mln.Ontvangsten sfb f 1560 mln.

kst-26800-VIII-2-30.gif

Artikel 25.01 Studiefinanciering

Algemeen

Het totaal van de uitgaven voor studiefinanciering en tegemoetkoming studiekosten in het jaar 2000 valt f 79,8 miljoen hoger uit dan in de vorige begroting was voorzien. Dit is onderverdeeld in een verhoging van f 117 miljoen voor de relevante uitgaven en een verlaging van f 37 miljoen voor de niet-relevante uitgaven.

Aan het einde van de planperiode vallen de totale uitgaven f 206 miljoen hoger uit. Hiervan is f 177 miljoen niet-relevant en f 29 miljoen relevant.

Deze verhogingen vormen het saldo van een aantal mutaties op de verschillende onderdelen. Deze mutaties zijn gebaseerd op de realisatie over 1998 en op de doorwerking van de nieuwe inzichten omtrent de leerling en studentaantallen en op aangepaste normbedragen. Verder is sprake van een aantal mutaties die voortvloeien uit beleidsmaatregelen. Voor een deel gaat het hierbij om mutaties die ook in de eerste suppletoire wet op de begroting 1999 zijn voorgesteld en die een meerjarige doorwerking hebben.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 4 489 9594 565 1484 467 4884 550 5934 581 940 
Nieuwe mutaties 166 11179 780151 51158 084205 858 
Stand ontwerpbegroting 20004 450 4044 656 0704 644 9284 618 9994 608 6774 787 7984 946 498
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO2 019 5062 112 8332 107 7772 096 0112 091 3262 172 6082 244 623

Toelichting op de nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties doen zich voor op de verschillende onderdelen van dit begrotingsartikel. De nieuwe mutatie van f 79,8 miljoen bestaat in het jaar 2000 uit mutaties op de volgende onderdelen:

Nieuwe mutaties 2000 (bedragen x f 1 miljoen)
Basisbeurs+13,9
Aanvullende beurs8,4
Overig SF+1,5
Reisvoorziening+108,2
WTS+2,0
Niet relevante uitgaven37,4

Deze onderdelen worden hieronder nader toegelicht.

De totale uitgaven (prestatiebeurs en tempobeurs samen) voor de basisbeurs in het jaar 2000 stijgen met f 13,9 miljoen. De basisbeurs is immers gestegen als gevolg van de indexering. Anderzijds daalt het aantal basisbeursgerechtigden – met name in de beroepsopleidende leerweg, waar het met ruim 9000 studenten daalt. Met de hogere uitgaven hangt een hogere correctie op de basisbeursuitgaven voor de prestatiebeurs samen. Ook de omzettingen van de prestatiebeursuitgaven in een gift zijn hoger dan in de begroting 1999 waren geraamd.

Aan het einde van de planperiode vallen de basisbeursuitgaven f 62,6 miljoen lager uit dan in de vorige begroting was geraamd. Belangrijkste oorzaak hier van is dat de omzettingen van de prestatiebeurslening in gift lager uitvallen.

De totale uitgaven bij de aanvullende beurs (de som van prestatie en tempobeurs) zijn voor het jaar 2000 f 8,4 miljoen hoger geraamd. De basisraming voor de aanvullende beurs (dit is de raming voordat de correcties voor de prestatiebeurs en studievoortgangscontrole plaatsvinden) valt f 89 miljoen hoger uit, terwijl de totale correcties van studievoortgangscontrole en prestatiebeurs f 97,5 miljoen hoger zijn.

De basisraming voor de aanvullende beurs valt hoger uit vanwege een stijging van het aantal gerechtigden aanvullende beurs met 3000. Het gemiddelde bedrag is als gevolg van de stijging van het normbudget door de verhoging van het lesgeld en de indexering van het collegegeld gestegen. Net als bij de basisbeurs is ook hier sprake van een forse stijging van de prestatiebeursuitgaven.

Aan het einde van de planperiode vallen de uitgaven voor de aanvullende beurs f 33 miljoen hoger uit dan in de vorige begroting was geraamd. Dit hangt ook weer samen met een hogere basisraming dan in de begroting 1999 was voorzien (f 85 miljoen). De correctie die hierop aangebracht wordt, bedraagt f 52 miljoen meer.

De overige uitgaven voor studiefinanciering bestaan uit de post bijstelling (lesgeldvoorschotten en achterstallig lager recht), de collegegeldvergoeding voor EU-studerenden, en de omzetting van kortlopende schulden in langlopende schulden (student op eigen benen/achterstallig lager recht). Per saldo valt in 2000 het geheel van deze uitgaven f 1,5 miljoen hoger uit. Deze ontwikkeling bestaat uit verschillende onderdelen. Door de stijging van het lesgeld vallen de uitgaven voor de lesgeldvoorschotten iets hoger uit; op grond van de realisatie 1998 is de raming voor achterstallig lager recht verlaagd; de omzetting van kortlopende in langlopende schulden levert een tegenvaller in de raming op. Doordat er meer studerenden uit de Europese Unie in Nederland komen studeren stijgt de collegegeldvergoeding voor deze groep.

Deze ontwikkeling is vrij stabiel in de planperiode: In 2003 is de stijging van de uitgaven ongeveer f 0,5 miljoen.

Bij de ov-studentenkaart is per saldo sprake van meeruitgaven van ruim f 108 miljoen in 2000. Dit wordt met name veroorzaakt doordat het wetsvoorstel, waarmee de ov-studentenkaart onder het prestatieregime wordt gebracht een jaar later wordt ingevoerd. Dit leidt in 2000 tot bijna f 76 miljoen aan meeruitgaven. Verder vallen de aantallen rechthebbenden op een ov-studentenkaart hoger uit. Dit leidt tot een tegenvaller van f 35 miljoen op de basisraming van de ov-studentenkaart. Voorts is op de restpost «reisvoorziening overig» een meevaller van f 2,6 miljoen geboekt.

In 2003 zijn de uitgaven op de reisvoorziening per saldo f 49 miljoen hoger dan geraamd, met name als gevolg van het handhaven van het huidige voorzieningenniveau.

De uitgaven voor de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) in deze begroting zijn in het jaar 2000 f 2 miljoen hoger dan geraamd. Dit kan met name worden verklaard door een stijging van het lesgeld en de aantallen gerechtigden.

Aan het einde van de planperiode vallen de WTS-uitgaven f 8 miljoen hoger uit.

De niet-relevante uitgaven (rentedragende leningen en uitgaven die onder de prestatiebeurssystematiek vallen) vallen in 2000 in totaal f 37 miljoen lager uit. Enerzijds betreft dit minder niet-relevante uitgaven van f 76 miljoen, doordat het voorstel waarmee de ov-studentenkaart onder de prestatiebeurs wordt gebracht, later is ingevoerd. Anderzijds zijn er meer niet-relevante uitgaven van f 39 miljoen, door het geheel van de mutaties in de raming van met name de basisbeurs en aanvullende beurs, waaronder de indexering van de basis- en aanvullende beurs. Aan het einde van de planperiode vallen de niet-relevante uitgaven f 177 miljoen hoger uit.

Specifiek

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0119992000200120022003
1. Technische mutaties146 31147 880337 811237 884357 858
1. Bijstelling uit aanvullende posten126 901150 180185 811216 824248 228
2. Overboekingen (extern)19 410– 102 300152 00021 060109 630
2. Autonome mutaties19 80054 900– 155 300– 92 800– 139 000
1. Diversen46 80083 900– 125 100– 55 500– 95 300
2. Leerlingen kenmerken4 500    
3. Leerlingen volume– 31 500– 21 000– 22 200– 29 300– 35 700
4. Verschil prijsbijstelling – 8 000– 8 000– 8 000– 8 000
3. Beleidsmatige mutaties – 23 000– 31 000– 87 000– 13 000
1. Indexering – 23 000– 31 000– 47 000– 63 000
2. Intertemporele compensatie   – 40 000 
3. Ramingsbijstelling    50 000
Totaal166 11179 780151 51158 084205 858

Toelichting op de specificatie van de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende post betreft de bijstelling van de begroting voor de prijsstijgingen 1999 voor zowel de relevante uitgaven (waaronder ook de ov-studentenkaart) als de niet-relevante uitgaven (rentedragende leningen, waaronder de prestatiebeursuitgaven). Niet-relevant betekent in dit kader «niet relevant voor het beleidsmatig financieringstekort».

1.2

De externe overboeking heeft betrekking op een overboeking van het ministerie van Financiën voor de niet relevante uitgaven. Dit betreft het totaal van de mutatie van de niet-relevante uitgaven, voorzover deze niet door de prijsbijstellingsmutatie wordt gedekt. De stijging van de niet relevante uitgaven is met name het resultaat van hogere uitgaven voor de prestatiebeurs.

2.1

Deze mutatie is het saldo van de muaties op de Wet studiefinanciering (WSF) en de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS), voorzover die niet door de overige mutaties worden verklaard. In deze mutatie zijn ook de mutaties begrepen op de post «overige SF». Eveneens is hierin begrepen het effect van de verlate invoering van het wetsvoorstel waarmee de ov-studentenkaart onder het prestatieregime wordt gebracht.

2.2

Door deze mutatie wordt het budget in het jaar 1999 met f 4,5 miljoen verhoogd als compensatie voor de verhoging van het lesgeld tot f 1775. Dit heeft immers zijn doorwerking in de uitgaven voor de WTS en de WSF.

Voor de periode vanaf 2000 zijn de mutaties die een gevolg zijn van de prijsontwikkeling al weergegeven in de reeks bijstelling uit de aanvullende posten.

2.3

Deze mutatie betreft het geheel van mutaties als gevolg van een wijziging in het aantal leerlingen die WSF en WTS-gerechtigd zijn. Er is vooral sprake van lagere aantallen bij de WSF en dus een verlaging van de uitgaven als gevolg hiervan.

2.4

Met deze mutatie wordt de ov-studentenkaart vanaf 2000 op het juiste prijsniveau gebracht.

3.1

In de WSF wordt de basisbeurs voor uitwonenden jaarlijks geïndexeerd met de prijsindex van de gezinsconsumptie. In de huidige systematiek wordt het bedrag van de indexering van de basisbeurs voor thuiswonenden hetzelfde als het bedrag waarmee de basisbeurs voor uitwonenden wordt geïndexeerd. Dit heeft als resultaat dat de basisbeurs voor thuis- wonenden met een relatief veel hoger percentage wordt bijgesteld. Door de basisbeurs voor thuiswonenden ook met de prijsindex van de gezins- consumptie te indexeren, wordt de relatieve verhouding tussen uit- en thuiswonendenbeurs hersteld. Deze maatregel levert een (jaarlijks oplopende) besparing op. Omdat deze besparing wordt gerealiseerd op de aanvullende post prijsbijstelling in de miljoenennota, is het hiermee corresponderende bedrag overgeboekt naar de OCenW-begroting. Vervolgens is de opbrengst als beleidsmatige mutatie ingeboekt. De opbrengst bedraagt f 23 miljoen in 2000 en loopt op tot f 63 miljoen in 2003.

3.2

De uitvoering van de nota over de WSF, «Flexibele studiefinanciering; een stelsel dat past», geeft een eenmalige ruimte van f 40 miljoen in 2002, waar tegenover meeruitgaven staan van f 19 miljoen in 2004.

3.3

Vanwege de onzekerheden rond de jaarlijkse indexering van het ov-kaart contract, en de ontwikkeling van leerling- en studentenaantallen, wordt een groot deel van de besparing die ontstaat door de gewijzigde indexering van de basisbeurs voor thuiswonenden vanaf 2003 ingezet voor ophoging van het beschikbare budget voor de studiefinanciering.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 25.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
WSF 18+ relevant     1 733 5571 796 7701 658 310 41 04.4
WSF 18+ niet relevant     1 436 1621 549 6001 724 807 72E 04.4
OV-studentenkaart  n.v.t.  834 368777 400678 202 43D 04.4
WTS     429 148513 300562 803 41 04.4
Overig     16 16918 00019 806 41 04.4
Internationale samenwerking     1 0001 0001 000 41 01.5
Totaal     4 450 4044 656 0704 644 928    

Artikel 25.02 Garanties

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd die voortvloeien uit de in het verleden afgegeven garanties op leningen studiefinanciering die bij private bankinstellingen zijn opgesloten.

Op dit artikel doen zich geen mutaties voor. Jaarlijks wordt nog een klein bedrag gereserveerd. In 1998 is er geen beroep gedaan op de garanties.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 100100100100100 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 20000100100100100100100
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0454545454545

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 63D respectievelijk 04.4.

Artikel 25.01 Ontvangsten studiefinanciering

Algemeen

Bij de ontvangsten studiefinanciering wordt in 2000 een verlaging voorgesteld van ruim f 100 miljoen. Dit is de som van f 70 miljoen lagere relevante en f 30 miljoen lagere niet-relevante ontvangsten. De verlaging op de ontvangstenraming voor studiefinanciering is met name gebaseerd op inzichten uit de realisatie over 1998.

In 2003 vallen de totale ontvangsten op artikel 25.01 f 39 miljoen lager uit dan in de vorige begroting berekend was.

De ontvangsten op dit artikel bestaan uit kortlopende en langlopende schulden die voortvloeien uit de Wet studiefinanciering (WSF). De kortlopende schulden bestaan uit ten onrechte uitbetaalde studiefinanciering in vorige jaren. Tot de ontvangsten op langlopende schulden behoren de aflossingen op renteloze voorschotten en de rente en aflossingen op de rentedragende leningen.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 875 312852 625741 000703 000617 300 
Nieuwe mutaties – 110 200– 101 200– 72 500– 59 700– 39 300 
Stand ontwerpbegroting 2000764 422765 112751 425668 500643 300578 000572000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO346 879347 192340 981303 352291 916262 285259 562

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties– 27 500– 30 500– 29 500– 14 1006 300 
1. Overboekingen (extern)– 27 500– 30 500– 29 500– 14 1006 300 
2. Autonome mutaties– 82 700– 70 700– 43 000– 45 600– 45 600 
1. Diversen– 82 700– 70 700– 43 000– 45 600– 45 600 
Totaal– 110 200– 101 200– 72 500– 59 700– 39 300 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De externe overboeking betreft de mutatie op de niet-relevante ontvangsten. De niet-relevante ontvangsten waren in 1998 lager dan geraamd. De meerjarenraming van de niet-relevante ontvangsten wordt daarom neerwaarts bijgesteld. In het jaar 2000 bedraagt deze bijstelling f 30,5 miljoen.

2.1

In 1998 heeft zich een forse tegenvaller voorgedaan, met name op de ontvangsten op rente en aflossingen van oude leningen (die zijn verstrekt tot 1992), en op de ontvangsten op de kortlopende schulden.

In de begroting 1999 was rekening gehouden met een structurele daling ten opzichte van de oorspronkelijke raming. Uit de realisatie 1998 is gebleken dat deze daling nog sterker is dan was verondersteld. Dit drukt zich met name uit in sterk afnemende spontane aflossingen. De raming is hiervoor meerjarig verlaagd. Op basis van de realisatie 1998 is ook de raming van de ontvangsten op de kortlopende schulden verlaagd. De totale bijstelling van deze mutatie bedraagt f 70,7 miljoen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 25.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten kortlopende schulden 256 713265 906260 818 98 04.4
Ontvangsten langlopende schulden 507 709499 206490 607 82 04.4
Ontvangsten internationale samenwerking 000 43E 01.5
Totaal 764 422765 112751 425    

Artikel 25.02 Lesgelden

Algemeen

Bij de lesgeldontvangsten wordt in het jaar 2000 een daling voorgesteld van ruim f 5 miljoen. In 2003 vallen de lesgeldontvangsten f 18 miljoen lager uit dan in de vorige begroting geraamd was.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 25.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 773 500814 838850 299888 499906 099 
Nieuwe mutaties 5 500– 5 900– 22 600– 33 200– 17 900 
Stand ontwerpbegroting 2000609 297779 000808 938827 699855 299888 199904 600
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO276 487353 495367 080375 594388 117403 047410 489

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 25.0219992000200120022003 
2. Autonome mutaties5 500– 5 900– 22 600– 33 200– 17 900 
1. Diversen8 00011 100– 3 400– 13 900– 200 
2. Leerlingen kenmerken11 000     
3. Leerlingen volume– 13 500– 17 000– 19 200– 19 300– 17 700 
Totaal5 500– 5 900– 22 600– 33 200– 17 900 

Toelichting op de nieuwe mutaties

2.1 en 2.2

Het lesgeld is voor het schooljaar 1999/2000 op basis van de bepalingen van de Les- en cursusgeldwet herijkt. Deze herijking leidt in 1999 tot meer ontvangsten.

Het voornemen is om in komende jaren niet over te gaan tot herijking, maar tot een jaarlijkse indexering op basis van de algemene prijsontwikkeling. De jaarlijkse stijging van het lesgeld valt hierdoor lager uit dan oorspronkelijk geraamd. Dit vindt zijn weerslag in lagere ontvangsten vanaf 2001 (f 3,4 miljoen lagere ontvangsten in 2001, f 13,9 miljoen lagere ontvangsten in 2002). Als gevolg van beide ontwikkelingen is de raming voor de lesgeldontvangsten in 1999 en 2000 verhoogd en voor latere jaren verlaagd.

2.3

Er is sprake van een fors lager aantal lesgeldplichtigen, hetgeen leidt tot minder ontvangsten. De raming is hiervoor in 2000 met f 17 miljoen verlaagd en in de jaren daarna met een bedrag variërend van f 17 miljoen tot f 20 miljoen.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 16 respectievelijk 04.4.

Beleidsterrein 26 Overige programma-uitgaven

Uitgaven opu f 518 mln. Ontvangsten opu f 0,2 mln.

kst-26800-VIII-2-31.gif

Artikel 26.01 Bemiddeling wachtgelders

Algemeen

De maatregelen voor arbeidsbemiddeling en scholing van wachtgelders worden sinds 1 januari 1996 mede ontworpen en uitgevoerd door subsectorale organisaties als het Participatiefonds, de Stichting mobiliteitsfonds hoger beroepsonderwijs en de Stichting SOFOKLES. De coördinatie is in handen van het sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt. Het sectorbestuur verricht tevens adviestaken op het gebied van het arbeidsmarktbeleid en «informatievoorziening. Het op dit artikel geraamde budget staat ten dienste van het totaal aan activiteiten van het sectorbestuur en de subsectoren.

De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor:

• externe ondersteuning voor projectontwikkeling en informatievoorziening, onderzoek en beleidsadvisering, kosten voor arbeidsvoorzieningsorganisaties, kosten voor het sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt;

• additionele middelen voor een decentraal te ontwikkelen aanbod op het gebied van bemiddeling en scholing.

In het kader van de afnemende wachtgeldproblematiek en de toenemende tekortenproblematiek treedt er thans een verschuiving op van wachtgeldreductie naar het oplossen van de tekortenproblematiek.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 28 81728 78128 56428 34728 347 
Nieuwe mutaties – 1 482– 8 751– 8 520– 8 289– 8 289 
Stand ontwerpbegroting 200028 25627 33520 03020 04420 05820 05820 058
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO12 82212 4049 0899 0969 1029 1029 102

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0119992000200120022003 
1. Technische mutaties787787787787787 
1. Bijstelling uit aanvullende posten787787787787787 
2. Autonome mutaties7 500     
1. Diversen7 500     
3. Beleidsmatige mutaties– 9 769– 9 538– 9 307– 9 076– 9 076 
1. Bemiddeling wachtgelders– 10 000– 10 000– 10 000– 10 000– 10 000 
2. Incidentele loonsommutatie231462693924924 
Totaal– 1 482– 8 751– 8 520– 8 289– 8 289 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De budgetten op dit artikel zijn geïndexeerd voor de loonkostenontwikkeling. De middelen hiervoor komen uit de aanvullende post op de Rijksbegroting.

2.1 en 3.1

Onder coördinatie van het Sectorbestuur voor de onderwijsarbeidsmarkt (SBO) worden programma's uitgevoerd voor bemiddeling van wachtgelders. Gezien de problematiek lag de afgelopen jaren het accent van de programma's op volumereductie van wachtgelden. Door de inmiddels gestaag dalende wachtgelduitgaven kunnen de activiteiten voor bemiddeling van wachtgelders beperkt worden en is een verlaging van f 10 miljoen structureel mogelijk. De verlaging maakt onderdeel uit van de dekking van de cao 1999–2000 (zie voor een nadere toelichting de brief van 4 maart aan de Tweede Kamer kamerstuk 23 328 nr. 43). De korting op het budget gaat eerst in 2000 in, voor 1999 is de korting ongedaan gemaakt door f 7,5 miljoen uit de centrale middelen aan dit budget toe te voegen.

3.2

Het budget voor de bemiddeling wachtgelden is structureel verhoogd voor de incidentele looncomponent.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43A respectievelijk 04.5.

Artikel 26.02 Overige rechtspositionele uitkeringen

Algemeen

Dit artikel is gereserveerd voor de budgetten voor rechtspositionele uitkeringen die niet aan een beleidsterrein zijn toegekend. In de begroting 2000 zijn dergelijke budgetten niet aanwezig.

Artikel 26.03 CASO, vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

Algemeen

Deelbudget CASO

Op artikel 26.03 worden ondermeer de beheerskosten voor CASO (Commissie Automatisering Salarisadministratie Onderwijs) geraamd.

Het CASO-systeem is een salarisberekeningssysteem voor het onderwijsveld. Het systeem is van OCenW. Het beheer en de exploitatie van het systeem zijn uitbesteed. Met de privatisering van CASO in 1995 is een situatie ontstaan waarin CASO beter kan inspelen op de wensen van de marktpartijen. Als onderdeel hiervan zijn stapsgewijs de vergoedingen voor de kosten van exploitatie en beheer naar de reguliere bekostiging van de instellingen overgeheveld.

De uitgaven in 2000 voor CASO worden geraamd op f 5 miljoen. Dit bedrag is bestemd voor:

– de beleidsinformatie die OCenW aan het CASO-systeem ontleent;

– een bijdrage in de kosten van beheer en exploitatie van het systeem.

Deelbudget vakbondsfaciliteiten en voorzieningen

Deze middelen worden bestemd voor de volgende activiteiten:

• de Integrale personeelstelling onderwijspersoneel (IPTO);

• projecten op het gebied van lerarentekorten: om- en nascholing; instroom pabo's en instroom stille reserve en taakbelasting;

• projecten op het gebied van kwaliteitsbevordering: vitaal leraarschap; loopbaanfasering en competentiebeoordeling; oprichting beroepsgroep en lerarenregister; startbekwaamheden en beroepsprofielen;

• projecten op het gebied van de invoering van een integraal personeelsbeleid op scholen;

• de personele en logistieke kosten van het secretariaat van het georganiseerd overleg betreffende de onderwijssector, ondergebracht bij het Centrum voor arbeidsverhoudingen overheidspersoneel (CAOP);

• facilitering van organisaties van onderwijspersoneel voor werkzaamheden voor het georganiseerd overleg en vakbondswerkzaamheden. Voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger beroepsonderwijs is f 18,4 miljoen beschikbaar en voor de sectoren wetenschappelijk onderwijs en de onderzoeksinstellingen is een bedrag van f 3,6 miljoen beschikbaar;

• voor cursorische activiteiten van werknemersorganisaties ten behoeve van het personeel (leden en niet-leden) in het kader van de Wet medezeggenschap onderwijspersoneel is f 2,5 miljoen beschikbaar conform de cao 1995/1996.

Deelbudget informatie- en communicatietechnologie (ict)

Op het artikelonderdeel ict worden de uitgaven voor het ict-project verantwoord die niet aan de onderwijssectoren zijn toe te rekenen.

Hieronder wordt ingegaan op de totaal beschikbare middelen voor ict, de herkomst van de middelen en de aanwending ervan.

Herkomst van het ict-budget

Het ict-budget bestaat uit 3 onderdelen. Ten eerste uit middelen die al eerder hiervoor zijn vrijgemaakt binnen de OCenW-begroting. Dit betreft een reeks van structureel f 50 miljoen. In 1999 is deze post overigens verlaagd met f 24,6 miljoen in verband met een kasschuif naar 1998, zodat in 1998 de voorhoedescholen in het voortgezet onderwijs volledig gefinancierd konden worden. Daarnaast is in 1999 f 4,2 miljoen aan het budget toegevoegd via de eindejaarsmarge. In 1999 zal f 20 miljoen worden gebruikt voor de opwaardering van gebruikte computers, die aan het onderwijsveld (inclusief asielzoekerscentra) beschikbaar worden gesteld.

Het totale bedrag voor de uitgaven op het terrein van informatie- en communicatietechnologie zal additioneel in 2000 en in 2001 worden verhoogd, in het bijzonder voor de zogenoemde «voorhoedescholen». Hiervoor is in 2000 f 30 miljoen en 2001 f 20 miljoen extra beschikbaar. Vanaf 2003 wordt uit de OCenW-begroting f 40 miljoen aan het ict-budget toegevoegd.

Ten tweede uit incidentele ICES-middelen. Deze betreffen f 670 miljoen in de jaren tot en met 2002 (respectievelijk f 160 miljoen, f 170 miljoen, f 170 miljoen en f 170 miljoen (inclusief het deel LNV)). Aanvullend is eenmalig in totaal f 330 miljoen beschikbaar (inclusief het deel LNV) voor de periode na 2002. Over de verdeling van dat laatste bedrag over de jaren is niets opgenomen, omdat daarover nog aparte besluitvorming plaatsvindt.

Tenslotte zijn er bij het regeerakkoord vanaf 1999 aanvullende structurele middelen beschikbaar gekomen voor ict. Dit is een reeks die oploopt tot f 250 miljoen per jaar in 2002.

Herkomst ict-budget (bedragen x f 1 miljoen)
 19992000200120022003
OCW-begroting3050505090
ICES160170170170p.m.
Regeerakkoord42150200250250
Prijsbijstelling24566
Impuls onderwijs203020  
Totaal254404445476346 +p.m.

De tweede en derde reeks bevatten tevens de middelen voor ict voor het landbouwonderwijs. Deze middelen zijn op de LNV-begroting terug te vinden (4% van de structurele middelen en 2,8% van de incidentele ICES-middelen).

Aanwending van het ict-budget

Zoals in de nota «Onderwijs on line» is aangegeven ligt de verantwoordelijkheid voor de invoering van ict in het onderwijs bij de scholen.

Hiervoor ontvangen de scholen een financiële bijdrage op basis van een bedrag per leerling. De verdeling over de onderwijssectoren staat in de eerste 6 reeksen van onderstaande tabel. Deze bijdrage zal onderdeel gaan uitmaken van de reguliere bekostiging van de scholen en daarom wordt dit deel van het ict-budget overgeboekt naar de desbetreffende beleidsterreinen op de begroting.

Aanwending ict-budget (voor zover op OCenW-begroting) bedragen x f 1 miljoen
 19992000200120022003
Primair onderwijs68,999,8108,3166,9169,1
Speciale doelgroepen0,81,31,31,91,9
Voortgezet onderwijs30,373,774,981,690,7
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie16,025,827,639,339,4
Agrarisch onderwijs6,210,812,814,810,0
Lerarenopleidingen23,910,010,00,00,0
Kennisnet37,0100,0140,0140,0p.m.
Centrale activiteiten43,047,040,020,00
Onvoorzien8,05,710,011,434,8
Impuls onderwijs20,030,020,000
Totaal254,1404,1444,9475,9345,9 + p.m.

Het restant van de ict-middelen, de onderste 4 reeksen van de tabel, zal vooralsnog op dit budget in de begroting blijven staan en is met name gereserveerd voor de financiering van de beleidsthema's zoals aangegeven in de nota Onderwijs on line: deskundigheidsbevordering, methoden en educatieve programmatuur, beheer, kennisnet, emancipatie, cultuur en internationalisering.

Deelbudget Dienst ziektekostenverzekering overheidspersoneel (DZVO)

De kosten van de regeling ziektekostenvoorziening voor onderwijs- en onderzoekspersoneel (ZVOO; Staatsblad 1997, 357) worden uit dit deelbudget betaald. Deze regeling houdt in dat bij excessieve ziektekosten het personeel een beroep kan doen op een financiële tegemoetkoming.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 212 662336 570384 377431 683431 683 
Nieuwe mutaties 16 131– 26 670– 46 066– 133 991– 270 231 
Stand ontwerpbegroting 2000224 988228 793309 900338 311297 692161 452161 452
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO102 095103 822140 627153 519135 08773 26473 264
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 212 662336 570384 377431 683431 683 
Nieuwe mutaties 16 131– 26 670– 46 066– 133 991– 270 231 
Stand ontwerpbegroting 2000196 959228 793309 900338 311297 692161 452161 452
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO89 376103 822140 627153 519135 08773 26473 264

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0319992000200120022003 
1. Technische mutaties– 9 838– 43 938– 53 173– 121 267– 297 507 
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 4 118– 38 218– 47 453– 115 547– 291 787 
2. Overboekingen (intern)– 5 720– 5 720– 5 720– 5 720– 5 720 
2. Autonome mutaties – 15 000– 15 000– 15 000– 15 000 
1. Diversen – 15 000– 15 000– 15 000– 15 000 
3. Beleidsmatige mutaties25 96932 26822 1072 27642 276 
1. A&O-fonds– 2 100     
2. Beroepskwaliteit vitaal leraar2 9002 9002 9002 9002 900 
3. ICT24 20030 00020 000 40 000 
4. Incidentele loonsommutatie169668507676676 
5. Intertemporele compensatie2 100     
6. Taakstelling regeerakkoord– 1 300– 1 300– 1 300– 1 300– 1 300 
Totaal16 131– 26 670– 46 066– 133 991– 270 231 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat met name uit een overboeking van ICES-middelen voor informatie- en communicatietechnologie. Voor het overige betreft het de loonbijstelling voor de cao 1999–2000, de prijsbijstelling 1999 en de uitdeling voor de euro.

1.2

De directe bijdrage van OCenW in de kosten van beheer en exploitatie van het CASO-systeem wordt geleidelijk overgeheveld naar de bekostigingsbudgetten van de onderwijsinstellingen. In 1999 bedroeg deze overheveling f 3 miljoen. Daarnaast is een bedrag van f 2,7 miljoen overgeboekt naar beleidsterrein 17 ter dekking van de apparaatskosten van de Dienst ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (DZVO).

2.1

Gezien de realisatie van de uitgaven van het budget ziektekostenvoorziening overheidspersoneel in 1998 is f 15 miljoen van het ZVO-budget ingezet ten gunste van de budgettaire problematiek.

3.1 en 3.5

Het restant van het Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds voor de overheid van f 2,1 miljoen over het jaar 1998 is doorgeschoven naar 1999 en vervolgens zijn de middelen ingezet ter dekking van de onderwijs cao 1999–2000

3.2

Het budget voor het lerarenbeleid is in samenhang met de nota «Maatwerk voor morgen» structureel verhoogd met f 2,9 miljoen. Deze verhoging wordt gedekt uit een verlaging van artikel 26.08.

3.3.

Uit de eindejaarmarge 1998 wordt in 1999 f 4,2 miljoen aan het ict-budget toegevoegd. In 1999 zal f 20 miljoen worden gebruikt voor de opwaardering van gebruikte computers, die aan het onderwijsveld (inclusief asielzoekerscentra) beschikbaar worden gesteld.

Het bedrag voor de uitgaven op het terrein van informatie- en communicatietechnologie zal additioneel in 2000 en in 2001 worden verhoogd, in het bijzonder voor de zogenoemde «voorhoedescholen». Hiervoor is in 2000 f 30 miljoen en 2001 f 20 miljoen extra beschikbaar. Vanaf 2003 wordt uit de centraal beheerde middelen f 40 miljoen structureel aan het ict-budget toegevoegd.

3.4

Het budget op artikel 26.03 is structureel verhoogd voor de incidentele looncomponent.

3.6

Door opwaardering kan het CASO-systeem efficiënter onderhouden worden. Dat maakt een korting van f 1,3 miljoen op het budget mogelijk. De korting maakt onderdeel uit van de dekking van de taakstelling uit het regeerakkoord op de apparaatskosten.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.03 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Vakbondsfaciliteiten en voorzieningen     26 92132 33932 750 43A 04.5
DZVO     66 90883 78789 591 43A 01.1
CASO  nvt  8 8465 3505 448 12 04.0
USZO     57 10000 12 01.1
ICT     37 184107 317182 111 43A 04.0
Totaal     196 959228 793309 900    

Artikel 26.05 Internationale betrekkingen

Algemeen

Onder dit artikel zijn de uitgaven opgenomen voor de internationale onderwijssamenwerking, opgesplitst in de artikelonderdelen:

• bilaterale samenwerking

• multilaterale samenwerking

• emancipatie activiteiten

• internationalisering

• internationale samenwerking

• samenwerking midden- en oost Europa

Tevens zijn onder dit artikel de uitgaven voor de Nederlandse Taalunie opgenomen.

In de beleidsbrief internationalisering van het onderwijs, die tegelijk met de begroting en het HOOP 2000 aan de Kamer wordt aangeboden, wordt nader in gegaan op het internationaliseringsbeleid voor de komende periode.

Naast de uitgaven op artikel 26.05 worden op de verschillende beleidsterreinen uitgaven voor internationalisering gedaan die gericht zijn op de specifieke sectoren.

Bilaterale samenwerking

Ten laste van het artikelonderdeel bilaterale samenwerking zullen activiteiten worden uitgevoerd met partners in prioritaire landen en regio's, zoals beschreven in de beleidsbrief internationalisering van het onderwijs

– Samenwerking met landen binnen Europa

De samenwerking zal primair gericht zijn op intensivering van de samenwerking ten behoeve van de kwaliteit van het onderwijs met de volgende landen: Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Italië. Deze landenkeuze komt overeen met het samenwerkingsbeleid van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

– Samenwerking met prioritaire landen buiten Europa

Met Zuid-Afrika zal het CENESA-programma worden voortgezet, dat vooral gericht is op curriculumontwikkeling, toetsontwikkeling, versterking van management-capaciteit en kwaliteitszorg.

De samenwerking met Indonesië en China is gericht op de versterking van human resource development, onder meer door het stimuleren van combinaties van bedrijven en onderwijsinstellingen uit de zogenaamde Azië-faciliteit (Hoofdstuk V Rijksbegroting).

Omdat aan het Nederlandse onderwijs veel leerlingen van Turkse en Marokkaanse herkomst deelnemen, wordt nagegaan in hoeverre er mogelijkheden zijn de samenwerking met die landen te intensiveren, gericht op internationalisering en innovatie van het onderwijs in Nederland.

Ook de uitgaven voor het samenwerkingsprogramma met de Nederlandse Antillen en Aruba komen ten laste van dit artikel.

Multilaterale samenwerking

Op het artikelonderdeel multilaterale samenwerking staan de uitgaven voor het OESO/INES project «Producing Student Achievement Indicators» (in het kader van het leren in het buitenland) en het Unesco-programma «Disaster Reduction», alsmede de bijdrage voor het Centrum voor moderne talen te Graz van de Raad van Europa en enkele kleinere projecten in het kader van de EU en de Unesco.

Emancipatie-activiteiten

Op dit artikelonderdeel staan de uitgaven voor het samenwerkingsverband van het expertisecentrum Gender, etniciteit en multiculturaliteit van de Universiteit Utrecht.

Nederlandse Taalunie

Dit artikelonderdeel betreft een deel van de uitgaven voor de Nederlandse Taalunie, waarvoor de budgetverantwoordelijkheid vorig jaar onder artikel 26.05 is gebracht.

Internationalisering

Het artikelonderdeel internationalisering heeft betrekking op het ontwikkelen en onderhouden van de mobiliteitsmonitor, beleidsonderzoek gericht op het leren in het buitenland en het inzetten van «native speakers in de klas».

Internationale samenwerking

Op dit artikelonderdeel staan de uitgaven voor de beurzen in het kader van het Huygensprogramma voor studenten uit niet Europese landen en de kosten voor de plv. PV Unesco in Parijs. Dit artikelonderdeel valt geheel onder de Homogene groep internationale samenwerking (HGIS).

Midden- en oost Europa

Dit artikelonderdeel betreft de uitgaven van bureau CROSS (Coördinatie Rusland Onderwijs Samenwerking) voor de onderwijssamenwerking met de landen in midden- en oost Europa. Op grond van een evaluatie van de huidige samenwerking met de Russische Federatie en Hongarije zal worden bezien met welke nieuwe toetreders tot de Europese Unie samenwerking tot stand kan worden gebracht.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 19 36619 44519 44519 34519 345 
Nieuwe mutaties – 7 722– 2 224442921420 
Stand ontwerpbegroting 200021 48211 64417 22119 88720 26619 76519 765
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO9 7485 2847 8159 0259 1968 9698 969

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.051998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 19 41119 44519 44519 34519 345 
Nieuwe mutaties – 3 663758840988420 
Stand ontwerpbegroting 200016 52915 74820 20320 28520 33319 76519 765
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO7 5007 1469 1689 2059 2268 9698 969

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0519992000200120022003 
1. Technische mutaties– 4 231309425420420 
1. Bijstelling uit aanvullende posten370379379374374 
2. Overboekingen (extern)200     
3. Overboekingen (intern)– 4 801– 70464646 
3. Beleidsmatige mutaties568449415568  
1. UNESCO568449415568  
Totaal– 3 663758840988420 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft de loon- en prijsbijstelling voor het jaar 1999 en volgende jaren. De bedragen zijn afkomstig uit de aanvullende post van de miljoenennota.

1.2

Dit betreft een overboeking van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar dit artikel. Dit is bestemd voor de internationale samenwerking en met name voor de OCenW-module binnen de MATRA Pre-accessie faciliteit. Deze faciliteit is gericht op de ondersteuning van de kandidaat lidstaten bij de toetreding tot de EU door een versterking van de overheidscapaciteit.

1.3

Deze mutatie betreft met name een overboeking naar artikel 22.02 (wetenschappelijk onderwijs). Er is f 4,7 miljoen overgeboekt, bestemd voor de uitvoering van het «Huygens beurzenprogramma» (voorheen culturele verdragen) door de NUFFIC. Deze overboeking vindt jaarlijks plaats.

3.1

De beleidsmatige mutatie betreft een verhoging, voor vier jaar, voor de bekostiging van het Unesco Disaster Reduction Programme.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.05 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Bilaterale samenwerking 6 1032 7212 945 3 4204 0734 288 43A 04.0
Multilaterale samenwerking 1 780615620 1 080983861 43A 04.0
Emancipatie activiteiten 192171209 154209209 43A 04.0
Nederlandse Taalunie 5 2425 4385 554 5 2425 4385 554 43A 04.0
internationalisering 1 593224311 1 123475474 43A 04.0
Midden- en oost Europa 6 2132 1642 765 5 1514 2704 000 43A 04.0
Internationale samenwerking 3593114 817 3593004 817 43A 01.5
Totaal 21 48211 64417 221 16 52915 74820 203    

Artikel 26.06 Loonbijstelling

Algemeen

Het artikel loonbijstelling vervult dezelfde functie op de OCenW-begroting als de overeenkomstige zogenaamde aanvullende post op de Rijksbegroting. De bijstelling van de begroting voor de nominale loonontwikkeling wordt in eerste instantie geraamd op deze post. Na de vaststelling van de feitelijke loonontwikkeling per begroting worden de daarbij vastgestelde bedragen overgeheveld naar artikel 26.06 (loonbijstelling). Zolang de verdeling van deze bedragen over de beleidsterreinen binnen de OCenW-begroting niet vaststaat, worden ze op dit artikel verantwoord.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.061998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 – 205 316– 98 262– 99 53616 85590 870 
Nieuwe mutaties 157 086190 391223 355163 315169 272 
Stand ontwerpbegroting 20000– 48 23092 129123 819180 170260 142421 744
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0– 21 88541 80756 18781 757118 047191 379

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.0619992000200120022003 
1. Technische mutaties29 82215 07730 316– 29 704– 126 055 
1. Bijstelling uit aanvullende posten29 82215 07730 316– 19 704– 116 055 
2. Overboekingen (intern)   – 10 000– 10 000 
2. Autonome mutaties – 20 000– 20 000   
1. Diversen – 20 000– 20 000   
3. Beleidsmatige mutaties127 264195 314213 039193 019295 327 
1. Intertemporele compensatie14 461     
2. Loonruimte   – 70 000  
3. Onderwijs cao 1999–2000180 803195 314213 039263 019295 327 
4. Taakstellende onderuitputting– 68 000     
Totaal157 086190 391223 355163 315169 272 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

In onderstaande tabellen wordt de bijstelling aangegeven van dit artikel uit de aanvullende post van de Miljoenennota en de uitdeling van de loonbijstelling naar de verschillende beleidsterreinen. In 1999 betekent dit als gevolg van het verschil tussen de ontvangen loonbijstelling en de uitgedeelde loonbijstelling per saldo een ophoging van dit artikel met f 29,8 miljoen, f 15,1 miljoen in 2000, f 30,3 miljoen in 2001, en een verlaging van f 19,7 miljoen in 2002 en f 116,1 miljoen in 2003.

Ontvangen loonbijstelling (bedrag x f 1 miljoen)
 19992000200120022003
Loonruimte 1999987,01 054,31 067,81 086,01 102,1

De bijstelling uit de aanvullende post betreft de loonbijstelling 1999 voor de gehele begroting van OCenW. De loonbijstelling omvat zowel de kabinetsbijdrage in verband met de gemiddelde contractloonontwikkeling, als de loonbijstelling door mutaties in verschillende werkgeverspremies.

Onderverdeling uitdeling naar categorie (bedrag x f 1 miljoen)
Categorie19992000200120022003
Sector Rijk– 18,1– 22,4– 20,3– 19,8– 19,9
Sector overig (G&G-sector)– 55,3– 56,0– 55,9– 56,2– 56,1
Sector OenW:     
– CAO-sector (PO/VO/BVE)– 663,5– 717,6– 719,0– 742,7– 806,3
– HO-sector (HBO/WO/OWB)– 217,0– 239,8– 238,9– 236,6– 236,0
Incidentele looncomponent PO   – 51,0– 106,0
Overige loonbijstelling– 3,3– 3,4– 3,40,66,1
Totaal uitdeling– 957,2– 1 039,2– 1 037,5– 1 105,7– 1 218,2

De verdeling van de verwerkte loonbijstelling over de verschillende beleidsterreinen is als volgt:

Onderverdeling uitdeling naar beleidsterrein (bedrag x f 1 miljoen)
Beleidsterrein19992000200120022003
Ministerie algemeen– 18,1– 22,3– 20,2– 19,7– 19,7
Primair onderwijs– 276,5– 363,0– 355,1– 415,5– 475,3
Voortgezet onderwijs– 244,8– 249,2– 252,6– 255,7– 258,5
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie– 130,6– 137,2– 136,4– 135,5– 135,7
Hoger beroepsonderwijs– 83,4– 75,0– 76,9– 78,5– 97,1
Wetenschappelijk onderwijs– 153,1– 142,7– 146,1– 149,4– 176,3
Onderzoek en wetenschapsbeleid– 25,8– 24,2– 24,7– 25,4– 29,6
Overige programma uitgaven– 2,0– 2,1– 2,1– 2,1– 2,1
Cultuur– 22,9– 23,5– 23,4– 23,9– 23,9
Totaal uitdeling– 957,2– 1 039,2– 1 037,5– 1 105,7– 1 218,2

1.2

Het betreft hier een overboeking van f 0,1 miljoen naar het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs en een overboeking van f 9,9 miljoen naar het beleidsterrein hoger beroepsonderwijs voor de verbetering van de betreffende lerarenopleidingen.

2.1

Vanuit de concrete verwachting dat het kaseffect van de loonbijstelling bij het voortgezet onderwijs, zoals zich dat in 1999 voordoet ook in 2000 en 2001 zal voordoen, is voor de jaren 2000 en 2001 een bedrag van f 20 miljoen als autonome verlaging ingeboekt.

3.1

Deze mutatie betreft een kasverschuiving van f 14,5 miljoen uit de eindejaarsmarge van 1998/1999 ter dekking van de onderwijs cao 1999–2000.

3.2

Bij het budgettaire beeld van de cao 1999–2000 was, uitgaande van voorlopige looncijfers voor 1999, rekening gehouden met een post intertemporele compensatie die in 1999 voor geheel OCenW circa f 70 miljoen hoger was. De definitieve loonbijstelling voor 1999 viel echter f 70 miljoen hoger uit, waardoor in 1999 eenzelfde bedrag minder nodig was voor intertemporele compensatie. In 2002 was voorzien in de terugbetaling van deze f 70 miljoen. Dit bedrag kan nu vrijvallen voor het budgettaire beeld.

3.3

De hier opgenomen bedragen hebben betrekking op de kosten van de onderwijs cao 1999–2000. De totale kosten en dekking van de cao 1999–2000 zijn toegelicht in de brief van 4 maart 1999 aan de Tweede Kamer (zie kamerstuk 23 328 nr. 43). De dekking van deze cao voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie bestaat uit diverse ramingbijstellingen en herschikkingen, zoals een korting op de projectmiddelen, de incidentele looncomponent en de inzet van centraal beheerde middelen. Om de kosten over de jaren heen te kunnen dekken is voorzien in een intertemporele compensatie. Binnen het kader van de onlangs afgesloten cao 1999–2000 is overigens het tekort als gevolg van de cao 1996–1998 meegenomen en opgelost. De budgetten die nog op het artikel loonbijstelling staan betreffen de budgetten voor compententiebeloning en periodiekenstop waarover in de cao 1999–2000 afspraken zijn gemaakt.

3.4

Deze mutatie betreft een taakstellende onderuitputting van f 68 miljoen in 1999. Bij najaarsnota zal deze post definitief worden ingevuld.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.07 Prijsbijstelling

Algemeen

Dit artikel heeft dezelfde functie als het artikel loonbijstelling, maar dan voor de uitdeling van de prijscompensatie.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.071998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 00000 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 20000000000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0000000

De verdeling van de verwerkte prijsbijstelling over de verschillende beleidsterreinen is als volgt:

Onderverdeling uitdeling naar beleidsterrein (bedrag x f 1 miljoen)
Beleidsterrein19992000200120022003 
Ministerie algemeen– 5,5– 5,4– 5,4– 5,3– 5,3 
Primair onderwijs– 24,0– 25,0– 25,4– 25,9– 26,3 
Voortgezet onderwijs– 16,5– 16,5– 16,5– 18,9– 16,9 
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie– 16,1– 15,1– 15,1– 16,2– 15,1 
Hoger beroepsonderwijs– 15,8– 15,5– 15,2– 15,2– 15,2 
Wetenschappelijk onderwijs– 27,7– 27,5– 27,4– 27,2– 27,1 
Onderzoek en wetenschapsbeleid– 7,8– 7,8– 7,8– 7,7– 7,7 
Studiefinancieringsbeleid– 15,2– 14,4– 13,9– 13,8– 13,8 
Overige programma uitgaven– 4,4– 6,3– 7,9– 8,4– 12,3 
Cultuur– 7,8– 8,0– 8,0– 8,1– 8,0 
Totaal uitdeling– 140,8– 141,5– 142,6– 146,7– 147,7 

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.08 Centraal beheerde middelen

Algemeen

Op dit artikel worden in de eerste plaats uitgaven geraamd die pas worden verdeeld over de artikelen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dit geldt voor de besteding van projectgelden bij het ministerie of de IB-Groep, waarbij in geval van extra uitgaven in de bedrijfsmatige en automatiseringssfeer als gevolg van beleidsontwikkelingen een onderbouwd bestedingsplan moet worden overlegd.

In de tweede plaats komt op dit artikel een aantal boekhoudkundige mutaties tot uitdrukking die veroorzaakt worden door het niet altijd synchroon lopen van bezuinigingen waartoe het kabinet besluit en de bedragen die door de feitelijk genomen maatregelen worden gegenereerd. Eventuele verschillen worden niet op de betrokken artikelen verwerkt (dat zou de kwaliteit van de raming aantasten), maar op dit centrale artikel bijgehouden.

Ook bezuinigingen die nog niet zijn ingevuld, worden eerst op dit artikel gezet.

Op dit artikel worden geen feitelijke uitgaven gedaan. Uitgaven zijn pas mogelijk nadat de benodigde bedragen via een suppletoire begroting zijn overgeboekt naar het van toepassing zijnde artikel.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.081998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 34 54312 78246 40325 795232 155 
Nieuwe mutaties – 33 949– 13 129– 32 800– 76 695– 218 275 
Stand ontwerpbegroting 20000594– 34713 603– 50 90013 88061 872
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0270– 1586 173– 23 0986 29828 076
Specificatie nieuwe mutaties (x 1000)
Artikel 26.0819992000200120022003 
1. Technische mutaties– 25 927– 9 285– 4 803– 7 702– 6 677 
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 12 69926 6832 9643 989 
2. Overboekingen (extern)– 600– 1 3092 2608 4038 403 
3. Overboekingen (intern)– 12 628– 10 596– 13 746– 19 069– 19 069 
2. Autonome mutaties– 16 1521 2116 0988 6028 302 
1. Diversen– 17 580– 6 326– 4 314– 1 814– 2 114 
2. Materiële kenmerken1 4287 53710 41210 41610 416 
3. Beleidsmatige mutaties8 130– 5 055– 34 095– 77 595– 219 900 
1. Centraal beheerde middelen2 472 – 20 000– 23 500– 222000 
2. Efficiencykorting  – 10 000– 20 000– 25 000 
3. Intertemporele compensatie8 558– 2 155– 1 195– 1 195  
4. Kasbeleid   – 30 00030 000 
5. Leraren in opleiding– 2 900– 2 900– 2 900– 2 900– 2 900 
Totaal– 33 949– 13 129– 32 800– 76 695– 218 275 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Ter dekking van de kosten van de invoering van de euro is de begroting meerjarig vanuit de aanvullende post bijgesteld voor in totaal f 104,8 miljoen. Deze middelen zijn vervolgens verdeeld over de verschillende beleidsterreinen en zijn de budgetten bijgesteld voor de prijscompensatie 1999. Bovendien is onder deze mutatie voor het jaar 1999 de tegenboeking van de uitdeling van middelen voor asielzoekers van f 13,3 miljoen opgenomen (zie ook artikel 26.10).

De verdeling van de euro-middelen over de verschillende beleidsterreinen is als volgt:

Onderverdeling uitdeling naar beleidsterrein (bedrag x f 1 miljoen)
Beleidsterrein19992000200120022003
Ministerie algemeen– 5,4– 29,6– 1,6  
Primair onderwijs – 13,8– 13,8  
Voortgezet onderwijs – 4,2– 4,2  
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie – 2,9– 2,9  
Hoger beroepsonderwijs – 3,9– 3,9  
Wetenschappelijk onderwijs – 3,0– 3,0  
Onderzoek en wetenschapsbeleid – 0,5– 0,5  
Overige programma uitgaven– 0,1– 0,2– 7,2– 2,8 
Cultuur – 0,6– 0,6  
Totaal uitdeling– 5,5– 58,7– 37,7– 2,8 

1.2

Dit bedrag bestaat uit een overboeking naar het ministerie van Justitie voor de Commissie gelijke behandeling van f 0,2 miljoen voor de jaren 1999 en 2000 en een meerjarige overboeking met het ministerie van VROM voor de stelselwijziging rijkshuisvesting.

1.3

De interne overboeking betreft enerzijds een aantal overboekingen naar het beleidsterrein ministerie algemeen voor: herontwerp IB-Groep van f 10 miljoen in 1999, grote stedenbeleid van f 1,3 miljoen en CPB-kennisunit van f 0,3 miljoen. Zie voor een nadere toelichting op deze mutaties beleidsterrein 17. Anderzijds betreft de interne overboeking de uitdeling van de middelen voor de stelselwijziging rijkshuisvesting.

2.1

Het artikel wordt met f 9 miljoen in 1999 verlaagd voor de meerkosten van het meerjarencontract 1998–2000 dat is afgesloten met USZO en zijn de overige programma-uitgaven op dit artikel verlaagd met een bedrag aflopend van f 8,6 miljoen in 1999 tot f 2,1 miljoen in 2003.

2.2

De mutatie betreft een correctie op het huisvestingsbudget die verband houdt met de stelselwijziging rijkshuisvesting die in de miljoenennota 1999 is toegevoegd aan de begroting (zie ook de toelichting op beleidsterrein 17)

3.1

De centraal beheerde middelen worden verhoogd met f 2,5 miljoen in 1999 en verlaagd met f 20 miljoen in 2001, f 23,5 miljoen in 2002 en f 222 miljoen in 2003 voor onder andere de dekking van de kosten van de cao 1999–2000. Daaronder is ook begrepen de restantdekking voor de vervallen taakstelling van de doorstroom van vo-leerlingen naar het bve-domein.

3.2

Deze mutatie betreft het restant van de efficiencykorting oplopend van f 10 miljoen in 2001 tot f 25 miljoen in 2003 op de onderwijsverzorgende instellingen in het primair- en voortgezet onderwijs en de landelijke organen beroepsonderwijs in het bve-veld. Deze restant taakstelling is voorlopig centraal op dit artikel geparkeerd om de gedachtegang nader te bepalen. Het accent van de efficiencykorting ligt op de landelijke organen beroepsonderwijs (lob). De lob's hebben een centrale rol bij de werving en kwaliteitsbewaking van beroepspraktijkvormingsplaatsen in het bve-veld. Met de fiscale faciliteit leerlingwezen (Wet vermindering afdrachtskorting (WVA)) wordt extra groei van de beroepsbegeleidende leerweg bevorderd. Deze heeft zich minder voorgedaan dan verwacht bij de invoering van de WVA. Dit leidt tot een lager gebruik en derhalve tot een onderuitputting van de WVA.

3.3

Deze mutatie bestaat uit een toewijzing uit de eindejaarsmarge 1998/1999 van f 4,6 miljoen in 1999 en vervolgens een verlaging met f 2,2 miljoen in 2000 en f 1,2 miljoen in 2001 en 2002. Daarnaast betreft deze mutatie een toewijzing van f 4 miljoen voor de uitvoeringskosten van wachtgeldregelingen in 1999.

3.4

Om de dekking van de cao 1999–2000 per jaar sluitend te maken is het noodzakelijk via kasbeleid in de jaren 2002 de begroting met f 30 miljoen te verlagen, waarna in 2003 de begroting weer met f 30 miljoen wordt verhoogd.

3.5

Deze mutatie betreft de dekking voor de verhoging van het budget voor lerarenbeleid van f 2,9 miljoen. Zie hiervoor ook de post op artikel 26.03.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.09 Emancipatie-activiteiten

Algemeen

Op artikel 26.09 werden de middelen geraamd voor stimulering van emancipatie-projecten. Met ingang van de begroting 1999 zijn de middelen naar de artikelen van de beleidsterreinen overgeboekt. Het artikel 26.09 is leeg.

Artikel 26.10 Asielzoekers

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven opgenomen voor de asielzoekers.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.101998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 25 72918 40414 07711 73711 737 
Nieuwe mutaties – 25 72957 59675 92374 26358 263 
Stand ontwerpbegroting 20000076 00090 00086 00070 00070 000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO0034 48740 84039 02531 76531 765

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 26.1019992000200120022003 
1. Technische mutaties– 25 72957 59675 92374 26358 263 
1. Bijstelling uit aanvullende posten– 25 72957 59675 92374 26358 263 
Totaal– 25 72957 59675 92374 26358 263 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft een bijstelling in verband met gewijzigde aantallen asielzoekers. Voor het jaar 1999 betreft dit een bijstelling van f 37,4 miljoen uit de aanvullende post, een overboeking van f 13.3 miljoen en een uitdeling van f 76,4 miljoen. Per saldo betekent dit een verlaging van dit artikel met f 25,7 miljoen. Voor het jaar 2000 betekent dit per saldo een verhoging van f 57,6 miljoen, f 75,9 miljoen in 2001, f 74,3 miljoen in 2002 en f 58,3 miljoen in 2003.

In de onderstaande tabel wordt de bijstelling uit de aanvullende post weergegeven.

(bedrag x f 1 miljoen)
 19992000200120022003
Aanvullende post37,476,090,086,070,0

De verdeling van de aanvullende post over de beleidsterreinen is opgenomen in de onderstaande tabel.

Onderverdeling uitdeling naar beleidsterrein (bedrag x f 1 miljoen)
Beleidsterrein19992000200120022003
Primair onderwijs– 59,0– 10,6– 8,1– 6,8– 6,8
Voortgezet onderwijs– 14,7– 7,0– 5,4– 4,4– 4,4
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie– 2,7– 0,8– 0,6– 0,5– 0,5
Nog te verdelen middelen0,076,090,086,070,0
Totaal– 76,457,675,974,358,3

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 43Z respectievelijk 04.9.

Artikel 26.01 Ontvangsten van algemene aard

Algemeen

Deze ontvangsten kunnen niet aan één onderwijssoort worden toegerekend.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 26.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 219219219219219 
Nieuwe mutaties 00000 
Stand ontwerpbegroting 20008 791219219219219219219
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 990999999999999

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 26.01 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten nader te verdelen 219219219 06 13.9
Ontvangsten overige programmakosten 8 57200 43A 04.0
Ontvangsten internationale samenwerking 000 43A 01.5
Totaal 8 791219219    

Beleidsterrein 27 Cultuur

Uitgaven cultuur f 2 720 mln. Ontvangsten cultuur f 398 mln.

Artikel 27.01 Kunsten

Algemeen

De op dit artikel geraamde uitgaven zijn bestemd voor activiteiten en instellingen op het gebied van de podiumkunsten (muziek, opera, dans, toneel en mime), film, beeldende kunst, bouwkunst en vormgeving, amateurkunst en kunsteducatie. Verder worden uit dit artikel bijdragen verstrekt aan bovensectorale subsidies op het terrein van de kunsten.

Voor zover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6) opgenomen.

Op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473) worden de uitgaven gedaan.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 113 318116 172541 688535 149531 349 
Nota van wijziging 8 500     
Geautoriseerd totaal 121 818116 172541 688535 149531 349 
Nieuwe mutaties – 201– 53 0173 11037 89937 775 
Stand ontwerpbegroting 2000130 896121 61763 155544 798573 048569 124572 057
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO59 39855 18728 659247 218260 038258 258259 588

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.011998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 555 726557 697541 688535 149531 349 
Nota van wijziging 8 500     
Geautoriseerd totaal 564 226557 697541 688535 149531 349 
Nieuwe mutaties 21 654– 33 0613 11037 89937 775 
Stand ontwerpbegroting 2000547 783585 880524 636544 798573 048569 124572 057
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO248 573265 860238 070247 218260 038258 258259 588

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
 19992000200120022003 
1. Technische mutaties14 89415 12914 61014 39914 275 
1. Bijstelling uit aanvullende posten17 82718 06217 54317 33217 208 
2. Overboekingen (intern)– 2 933– 2 933– 2 933– 2 933– 2 933 
3. Beleidsmatige mutaties6 760– 48 190– 11 50023 50023 500 
1. Beperking proj.mid/vern.activ.– 200– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500 
2. Korting cultuurbudget – 2 700– 2 700– 2 700– 2 700 
3. BTW verlaging1 7001 7001 7001 7001 700 
4. Intensivering cultuur  16 00016 00016 000 
5. Intertemporele compensatie5 260800    
6. Kasbeleid – 25 000– 25 00010 00010 000 
7. Verdeling beleidsintensivering – 21 490    
Totaal21 654– 33 0613 11037 89937 775 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten f 17,8 bestaat uit salarismaatregelen 1999 voor de gepremieerde en gesubsidieerde sectoren voor f 14,5 miljoen. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op beleidsterrein 26. Daarenboven een prijsbijstelling 1999 voor f 3,3 miljoen.

1.2

In de Miljoenennota 1999 is een stelselwijziging rijkshuisvesting tot stand gekomen, op grond waarvan een voorlopige budgetverdeling is vastgesteld.

Op basis van de huidige gegevens vloeroppervlakken, wordt deze verdeling gecorrigeerd. Daarnaast zijn nu de middelen voor het onderhanden werk toegevoegd en heeft een correctie plaatsgevonden in het kader van deltaplan Cultuur en de EER-middelen cultuur.

3.1

De bijstelling betreft de invulling van de taakstelling in het kader van de bezuiniging op de projectmiddelen met ingang van 1999.

3.2

Dit maakt deel uit van de structurele korting op de cultuurbegroting van f 5 miljoen met ingang van 2000.

3.3

De bijstelling betreft een compensatie ter dekking van het restant tekort als gevolg van de btw-verlaging podiumkunsten.

3.4

De bijstelling betreft het continueren van de motie-Van Nieuwenhoven-cs vanaf 2001, conform de brief van het ministerie van Financiën (kenmerk IRF98/572M) aan de Tweede Kamer.

3.5

De bijstelling betreft intertemporele compensaties van f 1,3 miljoen voor het flankerend beleid in het kader van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars; f 0,8 miljoen voor het oplossen van de knelpunten als gevolg van de btw-problematiek (1999 en 2000) en f 2,0 miljoen voor het ouderenbeleid. Daarnaast een bedrag van f 1,2 miljoen voor projecten Cultuur en school, waarvoor de verplichtingen reeds in 1997 zijn aangegaan.

3.6

Door de toepassing van het kasstelsel vindt er een wijziging plaats in de subsidiebehoefte van de Kunstenfondsen. Dit betekent dat een bedrag aan liquide reserves terugvloeit naar het ministerie van OCenW. Deze reserves zijn betrokken bij het kasbeleid. In 2000 en 2001 wordt f 25 miljoen ingeleverd, waartegenover een verhoging van het cultuurbudget met structureel f 10 miljoen staat vanaf 2002.

3.7

Deze mutatie heeft betrekking op de herverdeling van de beleidsintensiveringen cultuur.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.01 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Podiumkunsten 49 82941 54926 640 323 284327 990313 315 43F 08.1
Film 6805 661457 26 27637 63133 401 43F 08.1
Beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst 48 01739 07623 076 139 106135 311119 813 43F 08.1
Amateurkunst en kunsteducatie 13 38914 58310 481 34 31741 00236 181 43F 08.1
Overige subsidies kunsten 18 98120 74823 791 24 80043 94643 416 43F 08.1
Verdeling beleidsintensivering 00– 21 490 00– 21 490 43F 08.1
Totaal 130 896121 61763 155 547 783585 880524 636    

Artikel 27.02 Bibliotheken, letteren en Nederlandse Taalunie

Algemeen

Op dit artikel treft men de uitgaven aan voor de Friese taal en cultuur, het landelijk openbaar bibliotheekwerk, de Nederlandstalige letteren en de Nederlandse taalunie. De uitgaven zijn mede gebaseerd op de Wet op hetspecifiek Cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473).

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 30 74584 51589 13188 80888 808 
Nota van wijziging 1 250     
Geautoriseerd totaal 31 99584 51589 13188 80888 808 
Nieuwe mutaties 9402 1301 5831 5711 571 
Stand ontwerpbegroting 200015 45832 93586 64590 71490 37990 37990 271
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO7 01414 94539 31841 16441 01241 01240 963

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 89 49989 25289 13188 80888 808 
Nota van wijziging 1 250     
Geautoriseerd totaal 90 74989 25289 13188 80888 808 
Nieuwe mutaties 2 0082 9411 5831 5711 571 
Stand ontwerpbegroting 200086 06892 75792 19390 71490 37990 37990 271
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO39 05642 09141 83641 16441 01241 01240 963

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0219992000200120022003 
1. Technische mutaties2 00820011 9831 9711 971 
1. Bijstelling uit aanvullende posten2 7802 7732 7552 7432 743 
2. Desalderingen– 880– 880– 880– 880– 880 
3. Overboekingen (intern)108108108108108 
3. Beleidsmatige mutaties 940– 400– 400– 400 
1. Korting cultuurbudget – 400– 400– 400– 400 
2. Verdeling beleidsintensivering 1 340    
Totaal2 0082 9411 5831 5711 571 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de loonbijstelling 1999 en de prijsbijstelling 1999.

1.2

Deze mutatie betreft het verlagen van zowel de uitgaven als de ontvangsten (zie ontvangstenartikel 27.03) tot een meer realistischer niveau van de terugontvangsten in het kader van de vaststelling van subsidies uit voorgaande jaren.

1.3

Het betreft hier de correctie van de voorlopige budgetverdeling als gevolg van de stelselwijziging rijkshuisvesting.

3.1

Dit maakt deel uit van de structurele korting op de cultuurbegroting van f 5 miljoen met ingang van 2000.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.02 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Nederlandse Taalunie 1911 5621 562 1 5001 5621 562 31 08.2
Bibliotheken 11 00915 44850 663 48 24553 34952 682 31 08.2
Letteren 4 0173 48922 044 24 78225 30225 573 31 08.1
Rechtspositionele uitkeringen 67011 68711 627 11 26311 79511 627 43F 13.9
Werkgelegenheids- en investeringsprojecten – 429749749 278749749 43F 08.2
Totaal 15 45832 93586 645 86 06892 75792 193    

Artikel 27.03 Cultuurbeheer

Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van de musea, de monumentenzorg, de archieven, de archeologie en de overige activiteiten op het gebied van cultureel erfgoed. Voor de te verstrekken subsidies en voor spoedaan-kopen geldt de Wet op het specifiek cultuurbeleid als basis voor de uitgaven.

Voorzover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6) opgenomen.

De Monumentenwet (Stb. 1988, 638) dient als basis voor de uitgaven voor restauratie en onderhoud van aangewezen monumenten en voor uitgaven bestemd voor het vergoeden van schade als gevolg van beschermings- en opgravingswerkzaamheden van een monumententerrein.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 260 089159 755280 366284 568284 568284 568
Nota van wijziging 2 750     
Geautoriseerd totaal 262 839159 755280 366284 568284 568284 568
Nieuwe mutaties 22 59468 17969 71075 38081 98064 329
Stand ontwerpbegroting 2000304 867285 433227 934350 076359 948366 548348 897
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO138 343129 524103 432158 858163 337166 332158 322
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 362 375366 321366 791372 993372 993 
Nota van wijziging 2 750     
Geautoriseerd totaal 365 125366 321366 791372 993372 993 
Nieuwe mutaties 22 59468 17969 71075 38081 980 
Stand ontwerpbegroting 2000523 771387 719434 500436 501448 373454 973437 322
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO237 677175 940197 167198 075203 463206 458198 448

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0319992000200120022003 
1. Technische mutaties9 98539 77953 11065 78078 380 
1. Bijstelling uit aanvullende posten11 80131 32241 29449 54362 143 
2. Overboekingen (extern)– 2 954– 754– 754– 754– 754 
3. Overboekingen (intern)– 1 1389 21112 57016 99116 991 
2. Autonome mutaties6 6006 6006 6006 6006 600 
1. Materiële kenmerken6 6006 6006 6006 6006 600 
3. Beleidsmatige mutaties6 00921 80010 0003 000– 3 000 
1. Beperking proj.mid/vern.activ.– 100– 1 200– 1 200– 1 200– 1 200 
2. Korting cultuurbudget – 1 800– 1 800– 1 800– 1 800 
3. Eindejaarsmarge– 1 920     
4. Intertemporele compensatie8 029– 19 00013 0006 000  
5. Verdeling beleidsintensivering 43 800    
Totaal22 59468 17969 71075 38081 980 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De bijstelling uit de aanvullende posten bestaat uit middelen ter compensatie van de algemene salarismaatregelen 1999, de prijsbijstelling 1999 en een correctie van de prijsbijstelling 1998, voor een totaal bedrag van f 9,3 miljoen. Daarnaast een mutatie van f 5 miljoen in 1999 oplopend tot f 52,6 miljoen in 2003 als gevolg van de in het regeerakkoord overeengekomen verdeling van de intensiveringsgelden (ICES) voor de monumentenzorg ten behoeve van de rijksmonumenten. En tenslotte een eenmalige overboeking naar artikel 17.12 van f 2,5 miljoen ten behoeve van de millenniumproblematiek.

1.2

Deze negatieve bijstelling van in totaal f 3,1 miljoen wordt veroorzaakt door een overboeking naar het ministerie van BZK voor toevoeging aan het Provinciefonds. Dit in verband met een vergoeding van de bestuurslasten van de regeling voor de monumentenrestauratie, f 3,6 miljoen in 1999 en daarna structureel f 1,4 miljoen. Daarnaast werd van het ministerie van Financiën een structureel bedrag van f 0,6 miljoen ontvangen ter compensatie van de huurverhoging bij het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen en de Kastelen.

1.3

Het bedrag als gevolg van interne overboekingen bestaat uit de volgende boekingen:

• een overboeking in 1999 van f 0,5 miljoen eenmalig naar artikel 17.11 voor het proefonderzoek naar de herkomst van gerecupereerde Nederlandse kunst;

• een overboeking in 1999 van f 1,1 miljoen naar artikel 17.12 betreffende mutaties voor het Monumentenregister (eenmalig f 0,4 miljoen) en daarnaast structurele bijdragen als gevolg van de stelselherziening rijkshuisvesting (f 0,7 miljoen);

• een overboeking in 1999 van f 1,7 miljoen naar artikel 17.14 ten behoeve van respectievelijk de gemeenschappelijke huisvesting Rijksarchief Zeeland (f 0,5 miljoen), het programma luchtzuivering rijksarchieven (f 1,1 miljoen) en een bijdrage voor het Inktvraat onderzoek (f 50 000).

• en tenslotte een ophoging van het artikel met f 4,3 miljoen in 1999 oplopend tot f 17,7 miljoen in 2003 als gevolg van een correctieboeking in verband met de stelselwijziging rijkshuisvesting. Dit na het bekend worden van meer definitieve cijfers aangaande vloeroppervlak en het voor het eerst uitboeken van onderhanden werk. Tevens is er sprake van een correctie in het kader van het Deltaplan voor het cultuurbeleid en de EER-middelen cultuur.

2.1

De bijstelling van f 6,6 miljoen is nodig voor het doen van vervangings-investeringen voor de instandhouding van de huisvesting van musea. Dit leidt in het nieuwe huisvestingsstelsel namelijk tot hogere huren die met dit budget kunnen worden gecompenseerd.

3.1

Deze negatieve bijstelling van f 0,1 miljoen in 1999 en structureel f 1,2 miljoen met ingang van 2000, dient ter invulling van de taakstelling van de in de Voorjaarsnota aangekondigde beperking van de omvang van de projectmiddelen en de vernieuwingsactiviteiten.

3.2

Dit maakt deel uit van de structurele korting op de cultuurbegroting van f 5 miljoen met ingang van 2000.

3.3

Een negatieve bijstelling van f 1,9 miljoen voortvloeiend uit de eindstand over 1998.

3.4

Deze bijstelling van in totaal f 8 miljoen in 1999, bestaat volledig uit een intertemporele compensatie als gevolg van een aantal kasschuiven van 1998 naar 1999 voor onder andere de volgende projecten: het millenniumproject (f 2,4 miljoen), rekening courant Nationaal Restauratiefonds (f 3 miljoen), het monumentenregister (f 0,4 miljoen), gemeenschappelijke huisvesting Rijksarchief Zeeland (f 0,6 miljoen) en het bouwproject Stedelijk Van Abbemuseum te Eindhoven (f 0,9 miljoen), het proefonderzoek naar de herkomst van gerecupereerde Nederlandse kunst (f 0,5 miljoen) en tenslotte het Belvedere-project (f 0,1 miljoen).

Daarnaast is er sprake van een intertemporele compensatie van f 19 miljoen als gevolg van een kasschuif van de intensiveringsgelden voor de monumentenzorg van 1999 naar 2000 en 2001.

3.5

In 2000 vindt er een ophoging plaats als gevolg van de nadere verdeling van de beleidsinstensiveringen van f 43,8 miljoen.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.03 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Materieel musea 44 23240 61950 032 18 66510 78116 878 12 08.1
Personeel musea 8 65800 8 54200 11 08.1
Subsidies musea 45 506110 52346 766 296 643253 134254 359 43A 08.1
Materieel RDMZ 5 47300 9 67000 12 08.1
Personeel RDMZ 15 59000 16 76500 11 08.1
Subsidies monumentenzorg 121 038121 28774 283 95 237105 599102 783 63A 08.1
Materieel ROB 12 25100 15 30700 12 08.1
Personeel ROB 9 74000 11 08400 11 08.1
Subsidies archeologie 301301301 2 6413 1831 906 43A 08.1
Materieel RAD 10 65200 14 83000 12 08.1
Personeel RAD 28 10400 28 94900 11 08.1
Subsidies archieven 3 3223 3223 322 5 4385 6415 344 43A 08.1
Bijstellingen 03 78447 697 03 78447 697 01 08.1
Alg. salarismaatregelen 05 5975 533 05 5975 533 01 08.1
Totaal 304 867285 433227 934 523 771387 719434 500    

Vanaf 1 januari 1999 worden de uitgaven voor de Inspectie cultuurbezit verantwoord op artikel 17.11.

De uitgaven voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en het Instituut Collectie Nederland worden verantwoord op artikel 17.12.

De uitgaven voor de Rijksarchiefdienst worden verantwoord op artikel 17.14.

Artikel 27.04 Media

Algemeen

Op dit artikel treft men de vergoeding aan voor de omroepinstellingen (landelijk, regionaal en wereldomroep), de beheertaken, het muziekcentrum voor de omroep en de overige uitgaven op het terrein van de media. De uitgaven zijn gebaseerd op de Mediawet (Stb. 1987, 249) en voor zover het de aan opbrengst van rente op omroepreserves gekoppelde subsidies mediabeleid betreft, de Wet op het specifiek Cultuurbeleid.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.041998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 557 2761 583 7761 615 3761 639 8761 665 876 
Nota van wijziging 2 500     
Geautoriseerd totaal 1 559 7761 583 7761 615 3761 639 8761 665 876 
Nieuwe mutaties 60 99667 87140 64022 5947 381 
Stand ontwerpbegroting 20001 672 9051 620 7721 651 6471 656 0161 662 4701 673 2571 683 862
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO759 131735 474749 485751 468754 396759 291764 103

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0419992000200120022003 
1. Technische mutaties63 39815 370– 3 530– 12 730– 19 030 
1. Desalderingen62 19314 200– 4 700– 13 900– 20 200 
2. Overboekingen (intern)1 2051 1701 1701 1701 170 
3. Beleidsmatige mutaties– 2 40252 50144 17035 32426 411 
1. Afboeking omroepbijdrage – 1 202 000– 1 220 000– 1 240 000– 1 259 700 
2. Bijdrage omroepen 1 252 6511 264 1701 275 3241 286 111 
3. Intertemporele compensatie– 2 402     
4. Verdeling beleidsintensivering 1 850    
Totaal60 99667 87140 64022 5947 381 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De desalderingen zijn gebaseerd op de begrotingsbrief, die op 25 november 1998 aan de Tweede Kamer is verzonden en zijn het gevolg van mutaties in de ontvangsten voor radio- en televisiereclame en lagere renteontvangsten op de algemene omroepreserve en hogere opbrengsten omroepbijdragen. Het corresponderende ontvangstenartikel 27.02 is met dezelfde bedragen verhoogd, respectievelijk verlaagd.

1.2

De interne overboeking bestaat uit een overboeking van artikel 26.08 (centraal beheerde middelen) voor de Stichting Film en Wetenschap.

3.1

Deze mutatie is het gevolg van het besluit van het kabinet om per 1 januari 2000 de omroepbijdrage af te schaffen. Het uitgavenartikel 27.04 wordt verlaagd met de in de Miljoenennota 1999 opgenomen omroepbijdragen. Dezelfde verlaging wordt aangebracht op het ontvangstenartikel 27.02.

3.2

Het bedrag voor 1999 is gebaseerd op de brief van 25 november 1998 (zie toelichting 1.1). Het uitgavenartikel wordt vanaf 2000 verhoogd met een bijdrage voor de omroep, welke is gebaseerd op de gerealiseerde ontvangst van omroepbijdragen in 1998 (f 1,2 miljard).

De oploop in de bedragen vanaf 2000 is het gevolg van de verwachte groei van het aantal huishoudens.

3.3

Deze mutatie is het gevolg van een te hoge bevoorschotting aan het Commissariaat voor de Media in 1998. Het te hoog in 1998 bevoorschotte bedrag wordt nu verrekend met de bevoorschotting aan het Commissariaat voor de Media in 1999.

3.4

Deze mutatie heeft betrekking op de verdeling van de intensiveringsgelden voor het jaar 2000.

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 16 respectievelijk 08.4.

Artikel 27.05 Garanties, rente en aflossing leningen

Algemeen

De verleende garanties hebben betrekking op aangegane leningen voor de aankoop van panden voor de Nederlandse Operastichting en de Stichting het Nederlands Filmmuseum en voor het Nederlands Bibliotheek- en Leercentrum.

Door een indemniteitsregeling van maximaal f 500 miljoen per jaar is het mogelijk de kosten van het verzekeren van tentoonstellingen van uitzonderlijk belang (georganiseerd door museale instellingen die van overheidswege structureel, in overwegende mate gefinancierd worden) omlaag te brengen.

De garanties worden verstrekt op grond van een ministeriële beschikking en de Welzijnswet.

De garanties volgens de indemniteitsregeling worden verstrekt op basis van de Subsidieregeling indemniteit bruiklenen (Stcrt. 16 januari 1996, nr.11).

Het Rijk heeft een garantie-overeenkomst afgesloten met het Nationaal Restauratiefonds (NRF) met een plafond van f 1,5 miljard. Hierdoor is het NRF in staat leningen met een lage rente te verstrekken aan eigenaren van monumenten.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantieovereenkomsten van het Rijk (x f 1000)
Indemniteitsregeling1998199920002001200220032004
Garantieplafond500 000500 000500 000500 000500 000500 000500 000
Uitstaand risico per 1 januari28 50040 00000000
Vervallen of te vervallen garanties28 50040 00000000
Verleende of te verlenen garanties40 000000000
Uitstaand risico per 31 december40 000000000

 
Nationaal Restauratiefonds1998199920002001200220032004
Garantieplafond1 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 0001 500 000
Uitstaand risico per 1 januari060 000100 000160 000220 000280 000340 000
Vervallen of te vervallen garanties020 00020 00020 00020 00020 00020 000
Verleende of te verlenen garanties60 00060 00080 00080 00080 00080 00080 000
Uitstaand risico per 31 december60 000100 000160 000220 000280 000340 000400 000
 
Archeologisch dienstencentrum1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari05 0004 0003 0002 0001 0000
Vervallen of te vervallen garanties01 0001 0001 0001 0001 0000
Verleende of te verlenen garanties5 000000000
Uitstaand risico per 31 december5 0004 0003 0002 0001 00000

 
Nederlandse Operastichting1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 4272 0811 7341 3881 041694347
Vervallen of te vervallen garanties346347346347347347347
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 0811 7341 3881 0416943470

 
Bibliotheken1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 2702 1462 0221 8981 7741 6501 526
Vervallen of te vervallen garanties124124124124124124124
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 1462 0221 8981 7741 6501 5261 402

 
Stichting Nederlands Filmmuseum1998199920002001200220032004
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico per 1 januari2 3632 3012 2332 1592 0822 0051 928
Vervallen of te vervallen garanties62687477777777
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico per 31 december2 3012 2332 1592 0822 0051 9281 851

Economische en functionele codering

De economische en functionele codering is 63Z respectievelijk 08.0.

Artikel 27.07 Overige uitgaven

Algemeen

De op dit artikel geraamde uitgaven hebben betrekking op de beleidsuitgaven voor Culturele Zaken. Hieronder vallen onderzoeksopdrachten aan derden voor de actuele beleidsvoering op het terrein van de cultuur.

Daarnaast zijn uitgaven ten laste van dit artikel bestemd voor de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid, zowel via culturele activiteiten en programma's in multilateraal verband (Raad van Europa, EU en Unesco) als door veldorganisaties binnen het cultuurterrein.

Ook culturele voorlichting aan het buitenland valt onder dit artikel.

Voor zover op dit artikel subsidieregelingen aan de orde zijn, zijn deze in de subsidiebijlage (bijlage 6) opgenomen.

De Wet op het specifiek cultuurbeleid dient als basis voor de uitgaven.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.071998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 21 75836 84257 13074 12074 120 
Nota van wijziging – 15 000     
Geautoriseerd totaal 6 75836 84257 13074 12074 120 
Nieuwe mutaties – 642– 24 2741 7881 7311 731 
Stand ontwerpbegroting 20007 3726 11612 56858 91875 85175 85175 601
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO3 3452 7755 70326 73534 41934 41934 306

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.071998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 26 60541 59457 13074 12074 120 
Nota van wijziging – 15 000     
Geautoriseerd totaal 11 60541 59457 13074 12074 120 
Nieuwe mutaties 351– 24 0811 9131 8561 856 
Stand ontwerpbegroting 200010 84711 95617 51359 04375 97675 97675 976
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO4 9225 4267 94826 79234 47634 47634 476

Specificatie nieuwe mutaties (x  1000)
Artikel 27.0719992000200120022003 
1. Technische mutaties7011 8192 3132 2562 256 
1. Bijstelling uit aanvullende posten7011 8192 3132 2562 256 
3. Beleidsmatige mutaties– 350– 25 900– 400– 400– 400 
1. Beperking proj.mid/vern.activ.– 400– 300– 300– 300– 300 
2. Korting cultuurbudget – 100– 100– 100– 100 
3. Intertemporele compensatie50     
4. Verdeling beleidsintensivering – 25 500    
Totaal351– 24 0811 9131 8561 856 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1.

De bijstelling uit aanvullende posten bestaat uit de toedeling van loon- en prijsbijstelling 1999. In 2000 en 2001 wordt er een bedrag toegevoegd voor de implementatie van de Euro van f 0,6 miljoen per jaar.

3.1

De bijstelling betreft de invulling van de taakstelling in het kader van de bezuiniging op de projectmiddelen 1999 en volgende jaren.

3.2

Dit maakt deel uit van de structurele korting op de cultuurbegroting van f 5 miljoen met ingang van 2000.

3.3

Cultuur heeft zich gecommitteerd voor een bijdrage aan een Haagse diplomatieke conferentie over bescherming van culturele goederen in geval van gewapend conflict. Omdat er onvoldoende voortgang is geweest is f 50 000 doorgeschoven naar 1999.

3.4

Deze mutatie heeft betrekking op de verdeling van de intensiveringsgelden voor het jaar 2000.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdelen 27.07 Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 Econ. Funct.
Emancipatiebeleid 375375375 375375375 43D 08.2
Subsidie Boekmanstichting 107170170 1 5061 4881 488 43D 08.2
Kosten van onderzoek 2 6509081 215 1 7661 5201 520 43Z 08.0
Internationaal cultuurbeleid 7128161 032 1 8651 9702 090 43A 08.0
Internationaal cultuurbeleid 299333300 289343300 43G 08.0
Internationaal cultuurbeleid 554233330 2 5262 4102 425 43Z 08.0
Internationale samenwerking 2 3002 0632 370 2 1452 5122 370 43A 01.5
ACB Algemeen 3751 2186 776 3751 3386 945 43Z 08.0
Totaal 7 3726 11612 568 10 84711 95617 513    

Artikel 27.01 Ontvangsten cultuurbeheer

Algemeen

Vanaf 1 januari 1999 worden de ontvangsten voor de inspectie Cultuurbezit, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, de Rijksarchiefdienst en het Instituut Collectie Nederland verantwoord op het ontvangstenartikel 17.01.

Artikel 27.02 Ontvangsten media

Algemeen

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd ter dekking van de uitgaven op het gebied van de media. Het betreft opbrengsten uit omroepbijdragen, radio- en televisiereclame, rente en overige ontvangsten. De ontvangsten zijn gebaseerd op de Mediawet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.021998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 713 3001 584 8001 611 7001 640 9001 666 900 
Nieuwe mutaties 62 193– 1 187 800– 1 224 700– 1 253 900– 1 279 900 
Stand ontwerpbegroting 20001 662 0621 775 493397 000387 000387 000387 000387 000
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO754 211805 684180 151175 613175 613175 613175 613
Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0219992000200120022003 
1. Technische mutaties62 19314 200– 4 700– 13 900– 20 200 
1. Desalderingen62 19314 200– 4 700– 13 900– 20 200 
3. Beleidsmatige mutaties – 1 202 000– 1 220 000– 1 240 000– 1 259 700 
1. Afboeking omroepbijdrage – 1 202 000– 1 220 000– 1 240 000– 1 259 700 
Totaal62 193– 1 187 800– 1 224 700– 1 253 900– 1 279 900 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

De desalderingen zijn gebaseerd op de begrotingsbrief, die op 25 november 1998 aan de Tweede Kamer is verzonden en zijn het gevolg van mutaties in de ontvangsten voor radio- en televisiereclame en lagere rente-ontvangsten op de omroepreserve. Het corresponderende uitgavenartikel 27.04 is met dezelfde bedragen verhoogd respectievelijk verlaagd.

3.1

Deze mutatie is het gevolg van het besluit van het kabinet om per 1 januari 2000 de omroepbijdrage af te schaffen. Het ontvangstenartikel 27.02 wordt verlaagd met de in de Miljoenennota 1999 opgenomen omroepbijdragen. Dezelfde verlaging wordt aangebracht op het uitgavenartikel 27.04.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikel 27.02 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Onttrekking algemene omroepreserve 41 36900 16 08.4
Opbrengst omroepbijdragen 1 203 5331 233 4930 16 08.4
Opbrengst radio- en tv-reclame 398 000380 000390 000 16 08.4
Opbrengst rente 19 0007 0007 000 26 08.4
Overige ontvangsten media 160155 0000 16 08.4
Totaal 1 662 0621 775 493397 000    

Artikel 27.03 Overige ontvangsten

Algemeen

Op dit artikel worden ontvangen gelden verantwoord die niet plaatsbaar zijn op enig ander onderdeel, en middelen die worden ontvangen uit afrekeningen. Dit laatste ontstaat als in voorgaande jaren verstrekte subsidievoorschotten te hoog blijken te zijn.

De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet o het specifiek cultuurbeleid.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
Artikel 27.031998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999 1 4301 4301 4301 4301 430 
Nieuwe mutaties – 880– 880– 880– 880– 880 
Stand ontwerpbegroting 2000904550550550550550550
Stand ontwerpbegroting 2000 in EURO410250250250250250250

Specificatie nieuwe mutaties (x f 1000)
Artikel 27.0319992000200120022003 
1. Technische mutaties– 880– 880– 880– 880– 880 
1. Desalderingen– 880– 880– 880– 8 80– 880 
Totaal– 880– 880– 880– 880– 880 

Toelichting op de nieuwe mutaties

1.1

Deze mutatie betreft het verlagen van zowel de uitgaven, (zie uitgavenartikel 27.02) als de terugontvangsten in het kader van de vaststelling van subsidies uit voorgaande jaren, tot een realistischer niveau.

Economische en functionele codering

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikel 27.03 ontvangsten Ontvangsten Codering
  199819992000 Econ. Funct.
Ontvangsten a.g.v. in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten 1508080 06 13.9
Algemene ontvangsten 752470470 16 08.1
Ontvangsten internationale samenwerking 200 43A 01.5
Totaal 904550550    

E. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPSBEGROTINGEN

AGENTSCHAP CENTRALE FINANCIËN INSTELLINGEN (Cfi)

 
Art.OmschrijvingNLG1000EUR1000
1.Agentschap Centrale Financiën Instellingen (Cfi)  
    
 Totale baten83 70637 994
 Totale lasten83 70637 994
    
 Saldo van baten en lasten00
 Totale kapitaalontvangsten23 14713 134
 Totale kapitaaluitgaven28 98813 157

1. Algemeen

Opgedragen werkzaamheden

Sinds 1 januari 1996 is Cfi het agentschap van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dat:

1. de rechtmatige en doelmatige distributie verzorgt van de financiële middelen aan de door de minister van OCenW bekostigde instellingen voor onderwijs, onderzoek en verzorging, op basis van wet- en regelgeving;

2. instellingsgerelateerde gegevens verzamelt, beheert en beschikbaar stelt, ten behoeve van de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid;

3. overige opgedragen taken uitvoert zoals de comptabele functie voor de apparaatsuitgaven van het bestuursdepartement.

Evaluatie agentschap

In 1998 is in opdracht van het bestuursdepartement een evaluatie uitgevoerd over de eerste twee jaren van Cfi als agentschap, waarbij onder meer aandacht is geschonken aan de eis dat Cfi als agentschap aantoonbaar doelmatiger is gaan werken. Het onderzoek is uitgevoerd door Berenschot. Het resultaat van het onderzoek is begin 1999 opgeleverd en met de brief van 7 mei 1999 door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer aangeboden. De algemene conclusie van Berenschot is dat invoering van de agentschapstatus een positieve uitwerking heeft gehad op de bedrijfsvoering van Cfi, de relatie tussen Cfi en de andere departementsonderdelen en de dienstverlening van Cfi. De aanbevelingen ter verbetering richten zich op een implementatie van een adequaat informatiemodel binnen OCenW, het beter op elkaar laten afstemmen van de interne- en externe plancyclus van Cfi en een verankering van de plaats van Cfi in het bestuurlijk patroon van het departement. De uitvoering van de aanbevelingen wordt ter hand genomen in de financiële verantwoording 2000. In de begroting 2001 zal de voortgang aan de orde komen.

Verbeteren efficiency

Gegeven de gevolgen van de taakstelling uit het regeerakkoord, laat de toenemende verbetering van de efficiency van Cfi zich vertalen in het doel om in 2000 de agentschapsproducten minimaal op hetzelfde kwalitatieve niveau uit te voeren. Ten opzichte van 1999 zijn de normen van de prestatie-indicatoren die de kwaliteit van het presteren van Cfi weerspiegelen, dan ook gelijk gebleven en bij enkele indicatoren zelfs gestegen.

Daarnaast zal Cfi in overleg met het bestuursdepartement het proces rond de uitvoeringstoets van de wet- en regelgeving zodanig aanscherpen dat alle regelingen (en wijzigingen daarop) tijdig aan Cfi worden voorgelegd om de consequenties van de uitvoering te beoordelen. Hierdoor kan Cfi de uitvoering beter inpassen binnen de bestaande bedrijfsprocessen en bedrijfsondersteunende systemen, wat de efficiëntie van de uitvoering zal verbeteren.

2. Begroting van baten en lasten van het agentschap Cfi

Tabel 2.1 begroting van baten en lasten van het agentschap Cfi (x f 1000)
Omschrijving19981999200020002001200220032004Codering
   NLG1000EUR1000    Econ.Funct.
Baten          
Opbrengst:          
– Moederdepartement92 11185 00080 69536 62778 26775 64275 65575 655  
– Tweeden en Derden2 9822 9002 6111 1852 6112 6112 6112 611  
Rentebaten706400400182400400400400  
Bijzondere baten34         
Totale baten95 83388 30083 70637 99481 27878 65378 66678 666  
           
Lasten          
* personeel55 41252 48950 00022 69447 50045 00045 00045 0001104.0
* materieel41 61333 70126 47912 01825 02424 94224 53624 6281204.0
           
Afschrijvingen4 4305 0005 7902 6287 3168 2738 6928 6001504.0
Rente lasten  438199438438438438  
Dotatie aan voorzieningen1 075 1 0004541 000     
           
Totale lasten102 52991 19083 70637 99481 27878 65378 66678 666  
Saldo van baten en lasten– 6 696– 2 890000000  

3. Toelichting op de begroting van baten en lasten

Algemeen

Uitgangspunt bij de begroting is dat de baten de lasten volledig dekken. Investeringen in toekomstige jaren worden gefinancierd door een beroep te doen op de leenfaciliteit. De lening wordt afgelost uit de jaarlijkse afschrijvingen, op basis van de aanschafprijs inclusief btw. Het realiseren van de taakstelling volgens het regeerakkoord zal, zoals hieronder blijkt, leiden tot een afnemende reeks van kosten op het gebied van personeel en materieel. Enerzijds is de besparing mogelijk als het bestuursdepartement de uitvoeringslast door deregulering beperkt, anderzijds zal Cfi maatregelen treffen tot een nog verdergaande doelmatigheid op het gebied van de bedrijfsvoering.

De volgorde in de toelichting op de rekening van baten en lasten is gelijk aan de gepresenteerde volgorde in de rekening van baten en lasten.

Baten en lasten 1999

De gepresenteerde reeks bij 1999 komt uit het managementcontract dat de secretaris-generaal met Cfi heeft afgesloten. Hierdoor wordt de meest actuele stand van de baten en lasten gepresenteerd. Bij de opstelling van het managementcontract is ten eerste rekening gehouden met de gevolgen van de taakstelling regeerakkoord. Ten tweede is er ten opzichte van de vorige begrotingen een correctie gepleegd in de verdeling van de budgetten personeel en materieel. In de post materieel waren alle kosten voor extern personeel opgenomen. De correctie houdt in dat het externe personeel dat wordt ingezet voor reguliere werkzaamheden in de post personele lasten wordt verantwoord.

BATEN

De baten van Cfi vallen uiteen in de volgende categorieën:

Opbrengst moederdepartement

Een toelichting op de inzet van de baten van het moederdepartement is opgenomen in tabel 7.1 «productcategorieën en hun kosten».

Opbrengsten tweeden en derden

De opbrengst van derden bestaat uit diverse componenten. Cfi ontvangt van het Participatiefonds een vergoeding van f 2,4 miljoen voor de uitvoering van de instroomtoets. Daarnaast ontvangt Cfi conform de Wet openbaar bestuur een vergoeding voor de gemaakte kosten voor het leveren van informatie aan derden. Het betreft hier informatie die op verzoek beschikbaar wordt gesteld aan externe organisaties als scholen, onderzoeksinstellingen, gemeenten en dergelijke. De opbrengsten voor tweeden worden verkregen voor de werkzaamheden die Cfi verricht in verband met de helpdesk inburgering voor de ministeries van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In totaal gaat het om circa f 0,2 miljoen.

Rentebaten

De rentebaten zijn berekend op basis van het gemiddelde verwachte saldo op de rekening courant bij het ministerie van Financiën en de vergoeding daarvoor in de vorm van creditrente. Gegeven de huidige en de toekomstige liquiditeitspositie van Cfi (zie ook de begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten) verwacht Cfi rentebaten van f 0,4 miljoen. Hiernaast is in de post opbrengst moederdepartement een rentevergoeding van f 0,438 miljoen opgenomen als compensatie voor te betalen rente in verband met de conversie van eigen naar vreemd vermogen.

LASTEN

De lasten van Cfi vallen uiteen in de volgende categorieën:

Personeel

In de meerjarenraming is een neerwaartse trend te herkennen voor de personele kosten, deze trend is het gevolg van de taakstelling uit het regeerakkoord. Bij deze taakstelling is verondersteld dat deregulering ook zal leiden tot een lagere uitvoeringslast voor Cfi. Deze veronderstelling zal in de loop van 2001 worden getoetst. Momenteel wordt binnen Cfi een intensief opleidingstraject afgelegd om het zittend personeel verder te bekwamen op de huidige en nieuwe taken op het gebied van de informatievoorziening en automatisering. Dit heeft onder andere tot gevolg dat Cfi door vervanging met meer externe capaciteit moet opereren. Cfi blijft zich inspannen de externe capaciteit tot het meest noodzakelijke te beperken.

Materieel

Het merendeel van de lasten heeft betrekking op beheer en exploitatie van systemen. Daarnaast bevat deze post de kosten van onderhoud van hardware, meubilair en overige inventaris.

De daling van de geraamde materiële exploitatiekosten in 2000 ten opzichte van 1999 wordt veroorzaakt door het definitief buiten gebruik stellen van oude systemen, outsourcing en de ingezette koerswijziging die tot een besparing zal moeten leiden, waarbij rekening gehouden wordt met de taakstelling voor Cfi uit het regeerakkoord.

Afschrijvingen

De voornaamste investeringen en bron van de afschrijvingskosten betreffen de bedrijfsprocesondersteunende systemen. De vrijkomende middelen zijn nodig voor herinvestering. De berekening is gemaakt op basis van het investeringsplan en heeft geleid tot de gepresenteerde reeks. Omdat de gevolgen van de invoering van de euro voor de bedrijfsondersteunende systemen nu nog niet volledig in beeld zijn, hanteert Cfi hier een voorzichtige raming voor de investeringen. Overigens streeft Cfi naar een ideaalcomplex waarin de afschrijvingen en investeringen naar een gelijk niveau tenderen.

Rentelasten

Cfi heeft in haar begroting van baten en lasten f 0,438 miljoen aan rentelasten opgenomen. Dit bedrag is de rente die betaald moet worden voor de lening van het ministerie van Financiën die verstrekt wordt bij de conversie van eigen naar vreemd vermogen.

4. Kasstroomoverzicht

Tabel 4.1 kasstroomoverzicht
 199819992000Euro2001200220032004Codering
    2000    Econ.Funct.
Rekening courant 1 jan.25 44718 6923 6731 6664 6225 6225 6225 622  
           
Operationele kasstroom2 304– 5 5856 7903 0828 3168 2738 6928 600  
           
– Investeringen– 9 059– 9 434– 12 185– 5 531– 10 000– 8 000– 8 000– 8 000  
+ Totale boekwaarde desinvesteringen          
– Totaal investeringen– 9 059– 9 434– 12 185– 5 531– 10 000– 8 000– 8 000– 8 0005204.00
           
– eenmalige uitkeringen aan moederdepartement  – 11 013– 4 999      
+ eenmalige storting door moederdepartement          
– aflossing op leningen  – 5 790 – 7 316– 8 273– 8 692– 8 6007704.00
+ Beroep op leenfaciliteit  23 1477 87910 0008 0008 0008 000  
           
Totale financieringsstroom  6 3442 8802 684– 273– 692– 600  
           
Rekening courant rhb 31 december18 6923 6734 6222 0975 6225 6225 6225 622  

Het beroep op de leenfaciliteit bestaat uit de lening met het ministerie van Financiën in verband met de conversie van het eigen naar vreemd vermogen (f 11 miljoen) en een beroep op de leenfaciliteit voor de financiering van investeringen in hard- en software, bedrijfsondersteunende systemen en meubels in 2000 (f 12,2 miljoen). Het overgrote deel van de investeringen zijn vervangingsinvesteringen op het gebied van de bedrijfsondersteunende systemen mede in relatie tot de invoering van de euro. Na 2001 zullen investeringen gedaan worden voor nieuwbouw. Gestreefd wordt naar een ideaalcomplex waarbij investeringen en afschrijvingen naar een gelijk niveau tenderen.

De omvang van de investeringen en hiermee verband houdende beroep op de leenfaciliteit en de rentekosten in 2000 zullen in het managementcontract 2000 worden opgenomen. De definitieve conversie wordt vastgesteld bij slotwet 1999.

5. Aansluiting baten en lastenbegroting cfi en begroting OCenW

Cfi voert een begroting op basis van het baten en lastenstelsel; het moederdepartement voert een begroting op basis van het kasstelsel. Door dit verschil in uitgangspositie kan de begroting van baten en lasten van Cfi verschillen met de begroting van Cfi in de apparaatskostenbegroting van het ministerie van OCenW op kasbasis. Het verschil in 2000 is te herleiden naar de aflossing van de vordering Flankerend Beleid. Deze vordering betreft de voorziening die in 1994 is getroffen voor de verwachte uitgaven aan de decentralisatie van de huisvestingstaken. De vordering is opgenomen op de beginbalans van Cfi. Het bovenstaande kan als volgt worden samengevat:

Tabel 5.1 Aansluiting baten en lasten begroting Cfi – begroting OCenW
Omschrijving20002000
 NLG1000EUR1000
Baten moederdepartement80 69536 627
Aflossing vordering flankerend beleid900408
   
Kasstroom OCenW81 59537 035

6. Relatie productcategorie en kwaliteit

De kwaliteit van functioneren van Cfi wordt gemeten door per productcategorie genormeerde prestatie-indicatoren te benoemen waarvan de voortgang is te monitoren. De ervaringen van de afgelopen jaren met de prestatie-indicatoren hebben geleid tot een kwaliteitslag op het gebied van herkenbaarheid, stuurbaarheid en meetbaarheid. Hierdoor is de set met prestatie-indicatoren ten opzichte van de begroting 1999 verder verbeterd . De aanpassingen hebben betrekking op het formuleren van kwalitatieve eisen aan de producten en de klantgerichtheid van Cfi. Door periodieke meting van de prestatie-indicatoren en communicatie over de resultaten met de secretaris-generaal, is het mogelijk tijdig maatregelen te nemen indien daartoe aanleiding bestaat. Om de resultaten van de indicator «verloren bezwaarschriften» te verbeteren, heeft Cfi inmiddels een aantal bedrijfsprocessen aangepast zodat het aantal bezwaarschriften zal afnemen. Wat betreft de indicator «tijdig afgehandelde informatiebrieven» zijn nog geen verbeterpunten geformaliseerd anders dan een vergrote aandacht voor directe sturing op dit gebied.

In overleg met het bestuursdepartement kunnen deze prestatie-indicatoren het komende jaar nog verder worden aangevuld naar aanleiding van de resultaten van de evaluatie vanhet agentschap Cfi.

Tabel 6.1 relatie productcategorie en kosten
Te leveren productcategoriePrestatie-indicatorRealisatie 1998Doel 1999Doel 2000
1. Uitvoeren van regelingen    
(reguliere vergoedingen, aanvullende – tijdig afgehandelde beslissingen97%100%100%
vergoedingen en– verloren bezwaarschriften0,47%0,35%0,35%
niet bekostigingsbeslissingen)– tijdig afgehandelde ambtsberichtenNiet gemetenPM80%*
     
2. Informatievoorziening    
– aan onderwijsveld– aantal afhakers9,5%< 10%< 10%
 – tijdig afgehandelde telefoongesprekken95%> 95%> 95%
 – tijdig afgehandelde informatiebrieven70%100%100%
     
– aan ministerie– tijdige levering conform protocollen87%95%95%
     
3. Overige productcategorieën:    
– compt. functie voor apparaatsuitgaven OCenW– positieve managementletterjajaja

* Deze nieuwe indicator meet in hoeverre Cfi binnen de eigen invloedssfeer de bezwaarschriftenprocedure tijdig afrondt. In 1999 vindt een nulmeting plaats. Aan de hand daarvan zal worden bepaald in hoeverre het gestelde doel voor 2000 haalbaar is.

7. Productcategorieën en hun kosten

Voor de begroting 2000 gebruikt Cfi het kosten informatie model (kim). De belangrijkste doelstellingen van kim zijn:

1. Vergroten van het inzicht in de lasten ter verbetering van de efficiency;

2. Vervaardigen van kosteninformatie voor het opstellen van begrotingen;

3. Vergroten van de transparantie van de kostentoerekening aan de agentschapsproducten;

4. Verbeteren van de interne kostenbeheersing.

Tabel 7.1 Productcategorieën en hun kosten
Productcategorie19981999200020002001200220032004 Volume
(bedragen in miljoenen)NLGEUR     Kengetallen
Reguliere bekostiging48,543,642,419,242,442,442,442,4  
           
  (30)(30)(30)(30)(30)(30)(30) Regelingen
 (87 000)(36 400)(36 400)(36 400)(36 400)(36 400)(36 400)(36 400) Beschikkingen
 (7 500)(7 500)(7 500)(7 500)(7 500)(7 500)(7 500)(7 500) Correspondentie
           
Niet-reguliere bekostiging18,516,616,27,416,216,216,216,2  
           
  (80)(80)(80)(80)(80)(80)(80) Regelingen
 (41 000)(60 500)(60 500)(60 500)(60 500)(60 500)(60 500)(60 500) Beschikkingen
 (1 800)(1 800)(1 800)(1 800)(1 800)(1 800)(1 800)(1 800) Correspondentie
           
Niet-bekostigingsbeslissingen13,312,011,75,311,711,711,711,7  
  (5 800)(5 800)(5 800)( 5800)(5 800)(5 800)(5 800) Beschikkingen
  (140)(140)(140)(140)(140)(140)(140) Regelingen
 (350)(350)(350)(350)(350)(350)(350)(350) Beroepen
 (1 600)(1 600)(1 600)(1 600)(1 600)(1 600)(1 600)(1 600) Bezwaarschriften
 (700)(700)(700)(700)(700)(700)(700)(700) Correspondentie
           
Informatievoorziening aan het bestuursdepartement5,73,93,81,73,83,83,83,8  
           
 (10)(700)(700)(700)(700)(700)(700)(700) Leveringen*
           
Informatievoorziening aan het veld9,78,78,43,88,48,48,48,4  
           
 (85 000)(85 000)(85 000)(85 000)(85 000)(85 000)(85 000)(85 000) Telefoongesprekken
 (45)(45)(45)(45)(45)(45)(45)(45) Gele katern
           
Informatievoorziening aan derden3,43,02,91,32,92,92,92,9  
           
 (700)(700)(700)(700)(700)(700)(700)(700) Leveringen**
           
Uitvoering regelingen voor derden2,42,52,41,12,42,42,42,4  
           
 (3 750)(3 750)(3 750)(3 750)(3 750)(3 750)(3 750)(3 750) Instroomtoetsen
 (150)(150)(150)(150)(150)(150)(150)(150) Bezwaarschriften
 (400)(400)(400)(400)(400)(400)(400)(400) Correspondentie
           
Comptabele functie0,90,80,80,40,80,80,80,8  
           
APK bestuursdepartement(44 000)(44 000)(44 000)(44 000)(44 000)(44 000)(44 000)(44 000) Betalingen
           
Besparing  – 5,0– 2,3– 7,4– 10,0– 10,0– 10,0 ***
TOTAAL102,591,283,738,081,378,778,778,7 (kosten in mln)

Toelichting op tabel 7.1 productcategorieën en hun kosten

* Het getal 10 stond voor het aantal afnemende directies binnen OCenW hetgeen geen relatie heeft met aantal informatie- en gegevensleveringen dat Cfi verzorgt op basis van de protocolafspraken. Het aantal van 700 is een prognose. De meting in 1999 moet dan ook gezien worden als een 0-meting op grond waarvan een meer objectieve uitspraak kan worden gedaan.

** Het gaat om gerealiseerde gegevensleveringen conform de Wet openbaarheid bestuur waarvan de verzoeker de offerte van Cfi heeft geaccepteerd. Dit aantal is niet gelijk aan het aantal binnenkomende verzoeken om gegevenslevering. Dit komt omdat de indiener van het verzoek niet altijd de offerte van Cfi accepteert of dat Cfi niet over de gewenste gegevens beschikt. De kosten die Cfi hiervoor maakt worden niet doorberekend naar «derden», maar ontvang Cfi als een baat van het bestuursdepartement.

*** Indien de veronderstelde de regulering plaatsvindt zal de uitvoeringslast voor Cfi beperkt worden; naast een interne efficiencyslag moet dit resulteren in lagere kosten.

Dit overzicht maakt zichtbaar op basis van welk productievolume en kosten per productcategorie het bestuursdepartement en Cfi afspraken maken over de werkzaamheden. De volumina zijn in deze tabel tussen haakjes geplaatst. Enkele kengetallen die bij de agentschapsproducten in deze begroting staan vermeld zijn gewijzigd ten opzichte van de begroting van voorgaande jaren. De wijziging heeft te maken met de continue ontwikkeling van het zuiver definiëren van kostendragers. Het streven om de prestaties op output zichtbaar te maken brengt met zich mee dat kengetallen moeten worden ontwikkeld op de gebieden volumina en prestaties, waardoor het ook mogelijk wordt gemaakt om de doelmatigheidsontwikkeling van Cfi te beoordelen.

Agentschap rijksarchiefdienst

1.1 Inleiding: naar een vernieuwd archiefbestel

Ieder mens kent van jongs af aan een zekere behoefte aan kennis over zijn afkomst en over het ontstaan van de omgeving waarin hij leeft. Archieven zijn authentieke bronnen die in ruime mate aan deze en andere behoeften aan cultuurhistorische informatie kunnen voldoen. Het is echter nu een beperkte groep die in staat is de benodigde informatie aan archieven te ontlenen. Dit is vooral het gevolg van de vorm waarin op dit moment archieven beschikbaar zijn en worden gepresenteerd. Wil aan de groeiende behoefte aan historische informatie, met name ook bij jongeren, worden voldaan, dan zijn verdere inspanningen nodig. Intensieve educatieve programma's en de mogelijkheid om het publiek langs digitale weg van historische informatie kennis te laten nemen, zijn dan van belang. Op deze manier kan een ieder genieten van het culturele erfgoed zoals dat in archieven aanwezig is.

De huidige inrichting van het archiefwezen, waarvan de Rijksarchiefdienst deel uitmaakt, staat het leveren van dergelijke inspanningen in de weg. De archiefinstellingen zijn over het algemeen te kleinschalig, waardoor het lastig is bovenstaande ambities krachtdadig vorm te geven. De ambities zullen door schaalvergroting sneller tot stand moeten komen. In 1999 is een project opgestart dat vorm geeft aan de integratie van archiefdiensten van gemeente en rijk.

Wil de culturele functie van archieven ook werkelijk worden versterkt, dan kan het op den duur niet bij deze integraties van archiefdiensten in de provinciehoofdsteden blijven. Ook in de rest van het archiefwezen moet schaalvergroting optreden. Hoe die bereikt kan worden is onderwerp van onderzoek dat het ministerie van OCenW samen met alle betrokkenen in de loop van dit jaar zal doen. Dat onderzoek moet leiden tot voorstellen voor een herziening van huidige archiefbestel, die in de nieuwe Cultuurnota periode (2001 – 2004) tot stand moet komen.

De hierboven geschetste trajecten waarlangs de culturele functie van de Rijksarchiefdienst in het bijzonder en het archiefwezen in het algemeen wordt versterkt, zullen in 2000 en volgende jaren majeure invloed hebben op de organisatie en dus op de begroting van de Rijksarchiefdienst.

1.2 Digitalisering

Een belangrijk element in de bestelherziening is, naast schaalvergroting, de versterking van de samenhang binnen het archiefwezen. Zonder het één heeft het ander geen zin. Samenhang wordt mede bereikt door de toepassing van de moderne informatieen communicatietechnologie (ict).

De inzet van ict richt zich op een tweetal hoofdpunten.

In de eerste plaats is de inzet van ict een middel om te komen tot een grotere mate van toegankelijkheid van de collectie historische informatie. De inzet van ict maakt het mogelijk een integraal overzicht aan te bieden van het totaal aan historische informatie. In vergelijking met de huidige situatie, waarin het inzicht zich beperkt tot de inhoud van de afzonderlijke depotruimten, een fundamentele verbetering.

Binnen dit integrale bestand dienen, gelet op de complexiteit en grootte, keuzes te worden gemaakt ten aanzien van de raadpleeg- en gebruiksmogelijkheden. Accent dient te liggen op het terrein van educatie met name gebruik in het onderwijs en de grootschalige vraag. Voorlopig wordt dit complex aangeduid met het containerbegrip «gebruik en bereik».

Een tweede speerpunt betreft het behoud van het digitale erfgoed. In toenemende mate maken overheidsorganen gebruik van de inzet van informatie- en communicatietechnologie bij de uitvoering van hun taken. Ook een deel van deze digitale bestanden – tekst en databases – komt op basis van de archiefwet 1995 in aanmerking voor blijvende bewaring in een archiefbewaarplaats als onderdeel van het cultureel erfgoed. Voor de uitvoering daarvan dienen voorzieningen te worden getroffen, voorlopig aangeduid onder het containerbegrip «digitaal depot».

Bij beide begrippen, zowel «gebruik en bereik» als «digitaal depot», gaat het niet alleen om bestanden waarvoor het Rijk de zorg heeft, maar ook om bestanden van andere overheden. Een vruchtbare ontwikkeling van goede instrumenten vraagt bundeling van krachten en nauwe samenwerking van alle betrokkenen, zowel vanwege de complexiteit van de problemen die zich voordoen als met het oog op het gebruik door publiek, dat om een integraal aanbod vraagt.

Producten in de periode 2000–2004

Wat concreet gewenste producten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie zullen zijn in de komende jaren moet dus door overleg binnen verschillende circuits worden bepaald. Dat overleg vindt voor een deel al plaats. Enkele grote lijnen zijn daaruit al te trekken:

1. Terrein van «gebruik en bereik»

Het ontwikkelen van een systeem dat alle functionaliteiten en niveaus van beheer, benadering en ontsluiting van de archieven en verzamelingen in alle levensfasen omvat voor het hele Nederlandse archiefwezen, waarbij de zoekvraag van de onderzoeker centraal staat. De eerste componenten van zo'n systeem zijn de afgelopen jaren reeds gebouwd.

2. Terrein van «digitaal depot»

Het vaststellen van een ontwerp voor een «digitaal depot»: functioneel en technisch ontwerp, alsmede de bouw van een digitaal depot, waarbij in eerste instantie een ontwerp wordt opgesteld. Dit «digitaal depot» wordt in de eerste fase gebruikt ten behoeve van de rijksarchieven. In de tweede fase kan worden bezien of het digitale depot ook inzetbaar is voor andere archiefinstellingen.

3. Terrein van «Kennisontwikkeling en -behoud»

Het opbouwen en verder ontwikkelen van het Kenniscentrum Digitale Duurzaamheid, zoals afgesproken met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.

1.3 Bestuurlijke vernieuwing: integratie archieven

De huidige rijksarchieven hebben te weinig mogelijkheden om de ambities van de Rijksarchiefdienst waar te maken. Hun publieke functie kan beter tot zijn recht komen wanneer zij integreren met andere instellingen op dit gebied en daardoor kunnen uitgroeien tot historische informatiecentra voor provincie en regio. Deze integraties zullen zowel de effectiviteit als de efficiency moeten verhogen.

Op dit moment worden in vrijwel alle provinciehoofdsteden, de vestigingsplaatsen van de rijksarchieven, met de locale overheid gesprekken gevoerd over integratie van de archiefdiensten van rijk en gemeente. In enkele gevallen zijn daarbij ook andere cultuur historische instellingen betrokken. In Utrecht is een samenwerkingsverband met de gemeenten reeds in 1998 gerealiseerd.

Integratie van een rijks- en gemeentearchief betekent dat de bestuurlijke en financiële zorg die het rijk en de gemeente voorheen hadden voor het beheer van hun archieven blijft bestaan, maar dat zij de uitvoering ervan uitbesteden aan een zelfstandige organisatie (openbaar lichaam). De samenstelling van het bestuur van dit openbaar lichaam en de bekostiging van de activiteiten ervan worden in gezamenlijkheid vastgesteld door Rijk en gemeente. De rijksarchieven maken dan organisatorisch geen deel meer uit van de Rijksarchiefdienst.

1.4 Doelmatiger werken

Binnen de Rijksarchiefdienst wordt voortdurend gekeken op welke wijze zaken efficiënter kunnen worden georganiseerd. Een voortdurende kritische blik is nodig om het huidige takenpakket tegen dezelfde kosten te blijven uitvoeren. Daarnaast zijn de ambities van de dienst zodanig dat bekeken wordt of met de huidige hoeveelheid ter beschikking staande middelen meer activiteiten gerealiseerd kunnen worden.

Ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding 2000 en verder zijn een aantal gebieden geïdentificeerd waarop efficiëntie cq verhoging van eigen inkomsten te realiseren zijn. Het gaat daarbij om:

• Het gebruik van onbenutte depotruimte. De Rijksarchiefdienst bezit vanaf 1 januari 2000 totaal 287 kilometer depotruimte. Over de gehele Rijksarchiefdienst genomen is dit momenteel 34% (97 kilometer) daarvan niet benut. Daarbinnen passen plannen tot het afstoten van het hulpdepot Schaarsbergen. De daar ondergebrachte archieven kunnen elders worden geplaatst. Sluiting per 1 januari 2003 is mogelijk.

• Clustering van restauratieateliers. Om efficiënter te kunnen werken is een clustering van de huidige restauratieateliers in de provincies van belang. Bovendien is een verdere standaardisering van processen mogelijk hetgeen leidt tot betere kwaliteitsbewaking.

• Een klantenkaart. Er wordt gewerkt aan de introductie van een klantenkaart voor het gehele archiefwezen. Deze kaart biedt toegang tot het archiefwezen, diensten en producten zijn tegen kortingen verkrijgbaar.

1.5 Evaluatie agentschapstatus

De Rijksarchiefdienst (RAD) heeft in 1996 de agentschapstatus verkregen. Uit de evaluatie van afgelopen jaar is gebleken dat dit instrument in hoge mate als katalysator voor de huidige ontwikkelen heeft gediend, zowel in termen van cultuuromslag, maar ook als praktische voorbereiding op de verzelfstandigingen waar de RAD nu op af koerst. In de evaluatie is tevens geconstateerd dat de RAD niet aan alle instellingseisen voor agentschappen voldoet. In een aparte brief wordt de Kamer in september geïnformeerd over de wijze waarop de RAD invulling geeft aan de conclusies en aanbevelingen uit het evaluatieonderzoek.

2. Begroting 2000

2.1 Inleiding

Door de integratie van de rijksarchieven met voornamelijk gemeentearchieven is de begroting voor de jaren 2001 (en verder) erg onzeker. De integratie gaat gepaard met een vorm van verzelfstandiging, waarbij de financiën ontvlochten moeten worden. Het tempo waarin de afsplitsingen plaatsvinden is nog onzeker. Ook zal bij elk archief de financiële situatie veranderen (personele, organisatorische en aanpassingen in de huisvesting), daardoor zullen de huidige bijdragen aan de afzonderlijke archieven aan verandering onderhevig zijn.

Afgesplitste archieven zullen via een lumpsum gefinancierd gaan worden. Voor de begrotingsopstelling houdt dit in dat delen van de apparaatskosten verschuiven naar de kosten voor de afgesplitste/zelfstandige archieven. In het onderstaande overzicht zijn alleen de kosten van het Utrechts archief zichtbaar gemaakt.

De begroting van baten en lasten van het agentschap Rijksarchiefdienst (bedragen x f 1000)
 199819992000Euro2001200220032004Codering
    2000    Econ.Funct.
Totale baten50 18554 04378 55631 51865 21465 09465 06965 47112.308.1
           
Opbrengsten OCenW43 88145 47542 88419 46037 31736 89736 89736 899  
* beleidsintensivering  9 100       
* huisvesting  21 0729 56221 07221 07221 07221 072  
Opbrengsten derden5 4144 5005 5002 4965 5005 5005 5005 500  
Opbrengsten div. departementen (pivot)    1 0001 3001 6002 000  
Buitengewone baten890         
Onttrekking uit voorzieningen 4 068  325325    
           
Totale lasten52 51054 04776 47334 70265 20365 10365 07365 43316.108.1
           
Apparaatskst. index          
* personeel 100%29 80131 15031 50014 29426 85025 90026 20026 550  
* materieel 100%13 07914 05013 0005 89910 90010 85010 30010 250  
* doelmatiger werken  – 380– 172– 380– 380– 380– 380  
* huisvesting  21 6009 80221 80022 00022 50022 500  
           
Afschrijvingen          
* materieel5 7006 0208 7533 9724 0334 7334 4534 513  
* immaterieel 0000000  
Dotaties aan voorzieningen1 954750000000  
Buitengewone lasten0280000000  
           
Bijdrage aan zelfst. archieven (Utrecht)          
* personeel1 9761 4791 5006811 5001 5001 5001 500  
* materieel 318500227500500500500  
* huisvesting pmpmpmpmpmpmpm  
Saldo baten en lasten– 2 325– 42 08394511– 9– 438  

2.2 Toelichting bij de baten

Opbrengsten departement

De opbrengsten vanuit het kerndepartement laten een dalende lijn zien. Dit wordt veroorzaakt doordat er vanaf 2001 een aantal projecten moeten worden afgerond (deltaplan en pivot), en anderzijds doordat de volledige taakstelling uit het regeerakkoord (6%) op de bijdrage van het departement in mindering is gebracht. Voor de RAD geldt echter dat er nog wordt onderzocht of deze taakstelling van 6% (zoals bij de overige diensten) ook voor de RAD moet gaan gelden.

Vooruitlopend op de besluitvorming rondom de nieuwe cultuurnota 2001–2004, zijn in 2000 incidenteel middelen beschikbaar gesteld voor de trajecten digitalisering, integratie archieven en archiefinspectie (in totaal f 9,1 miljoen). Structurele verplichtingen kunnen hiermee niet worden aangegaan, vooralsnog worden deze ingezet voor het wegwerken van achterstandskosten en de geplande incidentele uitgaven (vooral onderzoeken, en reorganisatiekosten), in het traject van bestuurlijke vernieuwing.

De stelselherziening huisvesting zal in 2000 worden doorgevoerd. Daardoor wordt zowel aan de baten als lasten kant de begroting met ruim f 20 miljoen opgehoogd. Vooralsnog verloopt de stelselherziening niet budgettair neutraal voor de RAD. Het (negatieve) verschil tussen de baten en kosten bedraagt f 0,5 miljoen oplopend tot f 1,4 miljoen in 2004.

Opbrengsten derden

De opbrengsten van derden vertoonden in 1997 en 1998 een stijgende lijn. Deze lijn kan niet worden voortgezet. De opbrengsten zullen stabiliseren. De oorzaak hiervan is gelegen in de aangescherpte richtlijnen in verband met zakelijke dienstverlening (commissie Cohen), waardoor er minder marktactiviteiten ontplooid kunnen worden. Ondanks het feit dat inkomsten uit depot verhuur gaan stijgen, zullen andere onderdelen uit de zakelijke dienstverlening per saldo voor een daling zorgen.

Dit zal worden gecompenseerd door het ontwikkelen van een nieuwe inkomstenbron, zijnde de klantenkaart.

Opbrengst van derden (bedragen x f 1000) agentschap Rijksarchiefdienst
 199819992000EURO20002001200220032004
Opbrengsten zakelijke dienstverlening3 7973 2003 4001 5432 9002 9002 9002 900
Opbrengsten faciliteiten657500600272600600600600
Opbrengsten dienstverlening studiezaal18815020091200200200200
Opbrengsten bronnenmateriaal19215020091200200200200
Opbrengsten educatieve activiteiteiten580500600272600600600600
Klantenkaart  5002271 0001 0001 0001 000
Totale opbrengsten van derden5 4144 5005 5002 4965 5005 5005 5005 500

De ambities rond bestuurlijke vernieuwing en digitalisering gaan gepaard met een grotere oriëntatie op het publiek. Uiteindelijk zijn het voorwaarden om een groter publiek te kunnen bereiken. Er wordt intensief gezocht om de hogere bezoekersaantallen te vertalen in extra inkomsten. Daartoe zal een klantenkaart worden geïntroduceerd die inkomsten moet genereren oplopend tot f 1 miljoen per jaar.

Opbrengsten Pivot

Bij de archiefwet van 1995 is vastgelegd dat de overbrengingstermijn van 50 jaar wordt teruggebracht naar 20 jaar. Om deze versnelling van archiefmateriaal te realiseren is het project Pivot in 1991 van start gegaan. Tot en met 2000 wordt dit project door het kerndepartement gefinancierd. De afspraak is dat, zodra een ministerie is afgerond, er een budget overheveling plaatsvindt. Inmiddels is dit door 5 ministeries gedaan (het budget is verdisconteerd in de bijdrage van het kerndepartement).

Rente

In verband met de leenfaciliteit zal er een conversie van het eigen vermogen van de RAD plaatsvinden in vreemd vermogen. Voorlopig is de omvang van dit conversiebedrag f 10,75 miljoen. Dit is exclusief het vermogen van 3 archieven die mogelijk per 1 januari 2000 afsplitsen. De rentecompensatie die gepaard gaat met deze conversie (hier begroot tegen de rekenrente van 4%) is verrekend in de opbrengsten van het kerndepartement, alsmede in de materiële lasten.

Onttrekking uit de voorzieningen

In de jaarrekening 1998 is voor een bedrag van ruim f 4 miljoen aan reserveringen gemaakt voor projecten die volledig in 1999 zullen worden uitgevoerd. (Victor, millennium, achterstandsproblematiek). Mede in verband met de introductie van de leenfaciliteit zullen de bestaande voorzieningen begin 2000 volledig zijn uitgeput. De voorziening die in 1999 wordt gevormd zal gefaseerd in 2001 en 2002 vrijvallen.

2.3 Toelichting bij de lasten

Personeelskosten

De salariskosten en sociale lasten zijn gebaseerd op de bezetting van de formatie in 1999 met prijspeil 1999. Aan formatieve personele lasten wordt (inclusief de zelfstandige archieven) f 28 miljoen uitgegeven. Daarbovenop is f 3,5 miljoen bestemd voor kosten van tijdelijk, niet formatief personeel. Gemiddeld wordt er per medewerker een bedrag van f 83 000,– uitgegeven. De Rijksarchiefdienst maakt veel gebruik van niet formatieve medewerkers die vooral projectmatig worden ingezet. Het betreft ongeveer 25% van de totale personeelssterkte.

De personele sterkte kent een dalende lijn; deze wordt veroorzaakt door:

• De taakstelling van 6%. Indien deze in volle omvang wordt opgelegd aan de RAD zullen vanaf 2001 taken moeten worden afgestoten, met dito personele consequenties.

• Het wegvallen van de budgetten voor Pivot en Deltaplan in 2001.

Overzicht personeelssterkte
 199819992000EURO20002001200220032004
Formatief318343338338311299301305
* lager personeel112148143 139140140140
* middelbaar personeel144135135 120110111115
* hoger personeel626060 52495050
         
Tijdelijke medewerkers op projecten11013612612635353535
* projectplaatsen Deltaplan en Pivot151616 0000
* opheffing Sticht. Archiefpers. 1/702515 0000
* overig tijdelijke krachten959595 35353535
Totaal428479464464346334336340
Gemiddelde salariskosten formatief83 33380 75882 98837 65883 11983 27883 72183 770
Gemiddelde salariskosten niet formatief30 00925 36827 38112 42528 57128 57128 57128 571

Materiële kosten

De grootste component betreft onderhoud en energie kosten van de 14 gebouwen en depots van de rijksarchiefdienst (ruim 60%). Verder zijn hier ondergebracht de indirecte personeelskosten (20%) en de organisatiekosten. Verder zijn te noemen de directe lasten van de verschillende producten (materiaal verbruik voor bijvoorbeeld verfilming en verpakken van archieven).

De afschrijvingslasten betreffen kosten voortvloeiend uit de bestaande inventaris, en de investeringen die in 1999 en voorgaande jaren in informatisering en digitalisering zijn gedaan. In 2000 zullen de afschrijflasten eenmalig fors hoger uitvallen. De incidentele beleidsintensivering wordt voor een deel aangewend om inhaalafschrijvingen te plegen. Dit is nodig om de zogenaamde Troostwijk-problematiek op te lossen. Met de vorming van het agentschap in 1996 is de toen aanwezige inventaris gewaardeerd en als activa op de balans opgenomen. Voor het bepalen van de afschrijfcomponent werd vervolgens uitgegaan van de actuele waarde en niet de historische kostprijs. Hierdoor ontstond het probleem van «achterstallige» afschrijving. Door nu een inhaalafschrijving te plegen ontstaat budgettaire ruimte voor nieuwe investeringen.

Overzicht van investeringen en afschrijven (bedragen x f 1000)
 199819992000EURO20002001200220032004
Totaal kapitaalsinvesteringen 6 9754 6001 3613 5003 5003 0004 500
Investeringen onroerend goed 0000000
Investeringen (vervanging & apparaat) 3 2603 0001 3612 0002 0002 0002 000
Beleidsinvesteringen 3 7151 6007261 5001 5001 0002 500
         
Afschrijfkosten5 7006 0208 7533 9724 0334 7334 4534 513
Afschrijfkosten huidige inventaris 3 4253 4251 5541 3701 370540400
Inhaal afschrijving «Troostwijk» 1 8353 4751 577    
Afschrijfkosten investeringen 7609504311 4501 8502 1502 000
Afschrijfkosten beleidsinvesteringen  9034101 2131 5131 7632 113
Boekwaarde aanvang begrotingsjaar 15 83016 7857 61712 63212 09910 8669 413

Gemiddeld genomen kent de RAD een afschrijftermijn van 5 jaar. Specifiek voor de afzonderlijke investeringen gelden de volgende afschrijftermijnen:

• Kantoormeubilair/inr. studiezaal 10 jaar

• Automatiseringsapparatuur/software 3 jaar

• Depotinrichting

• Vaste stellingen 25 jaar

• Verrijdbare stellingen 15 jaar

• Apparatuur verfilming en fotografie 5 jaar

• Apparatuur conservering en fotografie 10 jaar

• Readers en readerprints 5 jaar

Vanwege de opgelopen tekorten in de afgelopen jaren en vanwege de aanstaande investeringen in het kader van de integratie van archieven en digitalisering zal er een liquiditeitstekort ontstaan voor grote investeringen. Mede afhankelijk van de besluitvorming rondom de cultuurnota 2001 – 2004 wil de RAD gebruik gaan maken van de leenfaciliteit die voor agentschappen gaat gelden.

2.4 Kastroom overzicht

De kasstromen van de RAD zijn niet in evenwicht. Er is een positieve kasstroom omdat de afschrijflasten hoger zijn dan de investeringen, met name in 2000. Hierdoor ontstaat er een fors liquide saldo. Deze kan echter niet zondermeer aangewend worden voor investeringen, in verband met de structurele consequenties hiervan.

In 2000 vindt de conversie plaats van het eigen vermogen naar vreemd vermogen (leenfaciliteit). De boekwaarde van de RAD bedraagt eind 1999 bijna f 16 miljoen; vanwege de afsplitsing van mogelijk 3 archieven per 1 januari 2000, is het conversiebedrag vastgesteld op f 10,75 miljoen. Deze is gebaseerd op de boekwaarde van de overblijvende 8 archieven.

Zodra er meer helderheid bestaat over het aantal afsplitsingen in 2000, zal steeds per suppletoire wet de begroting worden gewijzigd.

Kasstroomoverzicht (bedragen x f 1000)
    EURO    Codering
 19981999200020002001200220032004econ.func.
Rekening Courant RHB 1 jan.1 2163 011– 986– 447432– 112– 27669  
           
Kasstroom uit operationele activiteiten4 0242 69810 8364 9173 7194 3994 4494 5511208.1
           
Uitgaven onroerende goederen 0000000  
Investeringen overige kapitaalgoederen– 2 229– 6 975– 4 600– 2 087– 3 500– 3 500– 3 000– 4 500  
Desinvesteringen 280000000  
Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 2 229– 6 695– 4 600– 2 087– 3 500– 3 500– 3 000– 4 5005208.1
           
Uitkering aan moederdepartement.00– 10 748– 4 8770000  
Storting aan moederdepartement00000000  
Aflossingen 0– 4 818– 2 186– 2 763– 3 063– 1 104– 1 000  
Beroep op leenfaciliteit0010 7484 8772 0002 00000  
           
Kasstroom uit financieringsactiviteiten00– 4 818– 2 186– 763– 1 063– 1 104– 1 0007708.1
Rekening courant RHB 31 dec.3 011– 986432196– 112– 27669– 880  

2.5 Prestaties en kengetallen

Bij de Rijksarchiefdienst wordt gewerkt met een planning- en controlcyclus die inzicht geeft in de kosten en prestaties van de 11 rijksarchieven en het inmiddels zelfstandige Utrechts Archief. Met de bestuurlijke vernieuwing zal er een ander sturings- en bekostigingsmodel ontstaan. Dit heeft gevolgen voor de set van kengetallen die gehanteerd gaat worden.

Een aantal oude kengetallen zal ook in de nieuwe situatie van belang zijn. Het betreft dan vooral de bezoekersaantallen, en de omvang en groei van de collectie (in relatie tot de depotruimte). Kentallen rond het gebruik en bereik van de archieven zullen de komende jaren ontwikkeld moeten worden.

Toelichting bij de kengetallen

De omvang van de collectie bedraagt ultimo 1999 173 kilometer, op een depotruimte van 275 kilometer. De beschikbare depotruimte zal per 1 januari, als het nieuwe Zeeuws archief wordt opgeleverd, met ruim 12 kilometer toenemen. Andere uitbreidingen van depotruimtes zijn nog niet aan de orde. Jaarlijks is een instroom gepland oplopend tot 12 kilometer per jaar, dit heeft positieve effecten op de bezettingsgraad (huisvestingslasten per km archief nemen af) anderzijds een nadelig effect op de inkomsten, omdat hierdoor verhuurde ruimte beschikbaar moet komen voor eigen gebruik.

In het kader van het deltaplan zal de komende jaren een groot deel van de archieven moeten worden herverpakt. Na 2001 zal de achterstand zijn weggewerkt.

De bezoekersaantallen zullen de komende jaren fors moeten stijgen. Er wordt een stijging van 10% aan fysieke bezoekers per jaar nagestreefd. Het raadplegen van de archieven via internet zal nog sterker moeten stijgen. Voor de haalbaarheid zijn de plannen rond digitalisering van wezenlijk belang.

Kengetallen producten en diensten
 199819992000EUR20002001200220032004
Beheer en behoud        
* omvang eigen collectie (einde jaar)169 500172 900180 100 189 100201 100213 100225 100
* netto instroom archieven in meter3 4007 2009 000 12 00012 00012 00012 000
Depotruimte in meter275 600275 600287 000 287 000287 000287 000287 000
Bezettingsgraad (einde jaar)63%65%66% 70%74%78%83%
         
Herverpakken bestaand archief in meter11 20020 00020 000 2 0002 0002 0002 000
Stand verpakt archief (einde jaar)104 900124 900144 00 146 900148 900150 900152 900
Percentage verpakt archief62%74%85% 87%88%89%90%
         
Gebruik en bereik        
Toegankelijk maken in meter 7 5007 500 7 5007 5007 500 
% primair toegankelijk archief92%       
         
Bezoeken en bezoekers        
Fysiek        
* aantal bezoekers34 38538 50042 400 46 70051 30056 50062 150
* aantal bezoeken137 266154 000169 000 186 000205 000226 000248 600
Digitaal (internat)        
* bezoekers60 00075 00094 000 112000140 000175 000192 500
* raadplegingen17 50022 00028 000 35 00044 00055 00060 500
Aantal uren openstelling 2 0002 000 2 0002 0002 0002 000
         
Kostenratio's        
* kosten beheer en behoud per meter archief 9512958105989288
* kosten beschikbaarstelling per bezoek/raadpleging 555676307496424362332

Toelichting bij de kostenratio's

De totale kosten per kilometer beheerd archief nemen af. Dit wordt veroorzaakt door de stijgende bezettingsgraad.

De dalende lijn van de kosten rond het beschikbaarstellen van archieven wordt veroorzaakt door de doelstellingen rond de vergroting van het aantal bezoekers.

2.6 Processen RAD/Kosten per proces

Overzicht kostenverdeling naar hoofdproces (bedragen x f 1000)
 1998 in %199819992000EURO20002001200220032004
Inspectie14281 0001 4006001 2001 2001 2001 200
Beheer en onderhoud         
* collectievorming41 4233 9005 5002 5004 7004 7004 6004 700
* materieel beheer145 18512 50017 7008 00015 10015 00015 00015 100
Gebruik en bereik         
* toegankelijk maken143 74112 30017 4007 90014 80014 80014 80014 900
* dienstverlening195 80316 80023 80010 80020 30020 20020 20020 300
* educatie31 1592 9004 1001 8003 5003 5003 5003 500
* onderzoek en ontwikkeling26411 6002 3001 0001 9001 9001 9002 000
Zakelijke dienstverlening41 7653 1004 4002 0003 8003 8003 8003 800
          
Bedrijfsondersteuning4032 365       
Totaal kosten (excl. programma)10052 51054 04776 47334 70265 20365 10365 07365 433

Inspectie en toezicht

Sedert medio 1997 wordt het toezicht op het archiefbeheer van de rijksadministratie door een centrale afdeling Rijksarchiefinspectie uitgevoerd. Het doel van het toezicht is om ervoor te zorgen dat er een regelmatige instroom plaats vindt van archieven en dat de kwaliteit ervan, zowel in materiële zin als in toegankelijkheid voldoende is.

De inspectie zal zich inzetten om de invoering van een kwaliteitssysteem bij de archiefvormers te bevorderen. Daartoe zijn 5 formatieplaatsen in de begroting opgenomen. Voor 2000 is er incidenteel budget beschikbaar gesteld voor verdere uitbreiding.

Beheer en behoud

Hieronder wordt verstaan alle activiteiten die te maken hebben met de «acquisitie», het bewerken en conserveren van archieven. In het kader van het cultuurprogramma Deltaplan heeft de Rijksarchiefdienst zich als doel gesteld om in het jaar 2000 al zijn archieven (170 kilometer) goed verantwoord verpakt en geconserveerd te hebben. Extra gelden zijn hiervoor beschikbaar gesteld. Na 2000 zullen in het kader van «bijhouden» deze activiteiten via de reguliere budgetten gefinancierd worden.

Binnen beheer en behoud valt ook het digitale depot. Het betreft het behouden van digitaal gevormde archieven. In 2000 wordt er gestart met de ontwikkeling hiervan. Parallel hieraan loopt de ontwikkeling van het kenniscentrum «Digitale Duurzaamheid».

Gebruik en bereik

Hét loket bij uitstek om de informatie in archieven op te vragen, is tot nu toe de studiezaal van het archief. Beoogd wordt om met een frontoffice concept, de bezetting en het gebruik van de studiezalen in kwalitatief en kwantitatief opzicht optimaal ten nutte van de gebruiker te laten komen.

Op tal van gebieden is de Rijksarchiefdienst bezig om digitaal naar buiten te treden. Belangrijke activiteiten in dit kader zijn de websites van de archieven, en projecten rond de digitale (persoons) geschiedenis (Genlias). De ambities richten zich op het digitaal beschikbaar krijgen van een integraal overzicht van het totaal aan historische informatie, en informatie verstrekking aan de klant op afstand (via internet).

Accenten daarbij liggen op het gebied van educatie (met name in het onderwijs) waardoor een groter en breder publiek in aanraking komt met het culturele erfgoed dat is opgeslagen in de depots.

Zakelijke dienstverlening en bedrijfsvoering

De zakelijke dienstverlening en bedrijfsvoering zijn secundaire processen. Een relatief klein aandeel betreft het in opdracht van derden verrichten van activiteiten op bijvoorbeeld het gebied van archiefbeheer en depotverhuur. De bedrijfsvoering bestaat uit activiteiten met betrekking tot het ondersteunen/faciliteren van de archieven op het gebied van management, financiën, en dergelijke.

Kosten van de processen

De kosten van de afzonderlijke processen worden bepaald door de directe materiële kosten en de personele kosten via tijdschrijfgegevens hieraan toe te rekenen. De indirecte materiële kosten worden verantwoord onder de bedrijfsvoering. Hiertoe zal een verdere kostentoerekening worden opgezet.

BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING

1. Personeelsgegevens296
2. Wetgeving298
3. Moties en toezeggingen308
4. Circulaires329
5. Aanbevelingen Nationale Ombudsman330
6. Subsidies/projectfaciliteiten331
7. Evaluatieonderzoek361
8. Economische en functionele classificaties368
9. Voorlichtingsuitgaven371
10. Convenanten377
Licence