Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2000 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2000. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2000.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 3

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari van het onderhavige begrotingsjaar. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na deze datum van 1 januari, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van dat Staatsblad en werkt zij terug tot en met 1 januari.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

K. G. de Vries

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING(SSTAAT)

Inhoudsopgaveblz.
    
1 Inleiding3
    
2 Kerngegevens en hoofdlijnen van beleid4
 2.1Taken van SZW4
 2.2Beleidsprioriteiten4
 2.3Algemeen budgettair beeld5
  Totale uitgaven5
  Begrotingsgefinancierde sociale zekerheid5
  Premiegefinancierde sociale zekerheid6
  Apparaatuitgaven SZW7
    
3. Arbeidsmarktbeleid9
 3.1Inleiding9
 3.2Beleidsvoornemens voor het jaar 200010
  Sluitende aanpak10
  Arbeidsvoorziening10
  I/D-banen11
  Wet Sociale Werkvoorziening (WSW)11
  Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW)12
  Europees Sociaal Fonds12
 3.3Grotestedenbeleid12
 3.4Handhaving13
    
4 Sociale verzekeringen en arbeidsomstandigheden15
 4.1.Inleiding15
 4.2Beleidsvoornemens voor het jaar 200015
  Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI)15
  Ziekte en arbeidsongeschiktheid16
  Kinderbijslag16
  Herziening TOG17
  Kinderopvang voor reïntegrerende WAO'ers en WW'ers17
  Beperking export uitkeringen17
  Asbestslachtoffers18
  Arbeidsomstandigheden18
 4.3Handhaving19
    
5. Bijstand en voorzieningen20
 5.1.Inleiding20
    
 5.2Beleidsvoornemens voor het jaar 200020
  Fonds voor Werk en Inkomen20
  Wet Voorziening Gehandicapten (WVG)21
  Experimenten met sociale activering21
  Armoedebestrijding en sociale uitsluiting22
 5.3Toezicht gemeenten22
  Doeltreffendheid22
    
6 Arbeidsverhoudingen, emancipatie en arbeid&zorg23
 6.1Inleiding23
 6.2Beleidsvoornemens voor het jaar 200023
  Arbeid en zorg23
  Dagindeling23
  Gelijke behandeling24
  Flexibiliteit en zekerheid in relatie tot arbeid24
    
7 Internationaal beleid26
 7.1Inleiding26
 7.2Internationaal sociaal beleid26
 7.3Europese Unie26
 7.4Samenwerking in de ILO27
  Fundamentele arbeidsnormen27
  Kinderarbeid27
 7.5Bilaterale samenwerking27
  Lidstaten van de EU27
  Nieuwe toetreders tot de Europese Unie28
  Landen buiten Europa28
    
8 Wetgeving en bestuurlijke aangelegenheden29
 8.1Wetgevingskwaliteit29
 8.2Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW)29
  Toetsing specifieke uitkeringen29
  Administratieve lastenverlichting30
 8.3Decentralisatie30
 8.4ZBO-doorlichting30
    
9 Ondersteuning van beleid31
 9.1Misbruik en oneigenlijk gebruik31
 9.2Invoering van de euro32
 9.3Het millenniumprobleem33
 9.4.Voorlichting34

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

In dit algemene deel van de Memorie van Toelichting bij de SZW-begroting voor 2000 worden de beleidsvoornemens met budgettaire consequenties voor het begrotingsjaar 2000 toegelicht. In de Sociale Nota 2000, die gelijktijdig aan het parlement is aangeboden, zijn de beleidsdoelstellingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een breder perspectief geplaatst. Deze Memorie van Toelichting moet in samenhang worden gezien met de Sociale Nota 2000.

Het algemene deel van de Memorie van Toelichting schetst de hoofdlijnen van het beleid en de budgettaire ontwikkelingen (hoofdstuk 2). Vervolgens worden de beleidsterreinen Arbeidsmarkt (hoofdstuk 3), Sociale verzekeringen (hoofdstuk 4) en Bijstand en voorzieningen (hoofdstuk 5) beschreven. Daarna komen de onderwerpen Arbeidsverhoudingen, Emancipatie en Arbeid & Zorg aan de orde (hoofdstuk 6). Het sociaal-economisch beleidsterrein staat internationaal steeds meer in de belangstelling. Dat heeft ook gevolgen voor het beleid van SZW (hoofdstuk 7). Het hoofdstuk over wetgeving en bestuurlijke aangelegenheden (hoofdstuk 8) gaat in op de voornemens op dit gebied. De activiteiten op het gebied van misbruik en oneigenlijk gebruik, voorlichting, euro en millenniumproblematiek staan beschreven in het hoofdstuk over de ondersteuning van het beleid (hoofdstuk 9).

Elk hoofdstuk bevat een korte karakterisering van de hoofddoelstelling op het betreffende beleidsterrein. Vervolgens worden de kerngegevens weergegeven en komen de beleidsvoorstellen voor 2000 aan de orde.

De artikelsgewijze toelichting gaat meer gedetailleerd in op de verschillende beleidsinstrumenten en hun budgettaire gevolgen. Daarbij zijn, waar mogelijk, kengetallen vermeld. De leeswijzer bij de artikelsgewijze toelichting beschrijft het traject waarin SZW tracht deze kengetallen verder te ontwikkelen.

HOOFDSTUK 2 KERNGEGEVENS EN HOOFDLIJNEN VAN BELEID

2.1 Taken van SZW

De taken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gericht op werk en inkomen. Deze taken zijn in het kort de volgende:

• SZW bevordert de werkgelegenheid en het goed functioneren van de arbeidsmarkt. Daarbij richt SZW zich mede op minder kansrijke groepen zoals langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten en etnische minderheden.

• SZW bevordert een evenwichtige inkomensverdeling. SZW is verantwoordelijk voor het vaststellen van het minimumloon en het sociaal minimum bij de uitkeringen.

• SZW bevordert goede arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers. Daarbij gaat het zowel om het faciliteren en stimuleren van moderne arbeidsrelaties, als om de rechtsbescherming van werknemers.

• SZW bevordert dat uitkeringsgerechtigden zo snel mogelijk opnieuw zelfstandig kunnen voorzien in hun bestaan. Voor mensen die niet zelf in staat zijn om door werk in hun eigen onderhoud te voorzien en voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, waarborgt SZW een inkomen.

• SZW bevordert veiligheid en gezondheid op het werk. Dit beleid is mede gericht op preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, en op vroegtijdige reïntegratie.

• SZW bevordert het beleid dat gericht is op de emancipatie van mannen en vrouwen.

2.2 Beleidsprioriteiten

Hoofdstuk 1 van de Sociale Nota schetst de trends in de Nederlandse samenleving waar het SZW-beleid bij aan moet sluiten en die omgekeerd ook door het SZW-beleid beïnvloed worden. De analyse mondt uit in de opgaven voor het SZW-beleid in de komende periode. Een substantieel deel van het SZW-beleid vergt inzet van financiële middelen om de gewenste doelstellingen te realiseren. De concrete doelstellingen die SZW in 2000 wil bereiken en die inzet van begrotingsmiddelen vragen, komen in deze begroting aan de orde.

De beleidsprioriteiten voor 2000 met budgettaire consequenties vloeien voort uit de beleidsopgaven uit hoofdstuk 1 van de Sociale Nota: participatie, kwaliteit, preventie en reïntegratie. Een deel van de prioriteiten betreft beleid dat al in gang is gezet en in 2000 tot concreet resultaat gaat leiden:

• Ingroei in de sluitende aanpak van werkloosheid (zie hoofdstuk 3)

• Uitbouw van de Instroom/Doorstroom-banen (zie hoofdstuk 3)

• Extra arbeidsplaatsen in de sociale werkvoorziening (zie hoofdstuk 3)

• Bestrijding ziekteverzuim, beperking instroom Wao en bevordering uitstroom (hoofdstuk 4)

• Intensivering van de fraudebestrijding (zie hoofdstuk 9)

• Stimuleringsmaatregel dagindeling (zie hoofdstuk 6)

• Totstandkoming van arbo-convenanten in hoogrisicosectoren (zie hoofdstuk 4).

Een ander deel van de prioriteiten betreft beleid dat in voorbereiding is en uiterlijk in 2000 moet leiden tot wetgeving:

• SUWI (Structuur Uitvoering Werk en Inkomen; zie hoofdstuk 4)

• FWI (Fonds Werk en Inkomen; zie hoofdstuk 5)

• Arbeid en Zorg (zie hoofdstuk 6).

Deze in totaal tien beleidsprioriteiten voor het begrotingsjaar 2000 komen in de achtereenvolgende hoofdstukken aan de orde, als onderdeel van een korte beschrijving van het totale beleid met budgettaire aspecten.

2.3 Algemeen budgettair beeld

Totale uitgaven

De collectieve uitgaven zijn onderverdeeld in drie zogenoemde budgetdisciplinesectoren. Voor SZW zijn de sector «sociale zekerheid en arbeidsmarkt» en de sector «rijksbegroting in enge zin» van belang. De twee sectoren verschillen qua omvang en aard van elkaar. Het totaal van de SZW-uitgaven voor beide sectoren bedraagt in 2000 circa f 112 miljard. Hiervan wordt f 33,3 miljard gefinancierd via de begroting. De Memorie van Toelichting gaat vooral in op deze begrotingsgefinancierde uitgaven. Van de begrotingsgefinancierde uitgaven heeft f 0,5 miljard betrekking op de sector «rijksbegroting in enge zin».

Een groot deel van de overige uitgaven op de begroting (f 27,9 miljard) valt onder de sector «sociale zekerheid en arbeidsmarkt». Het resterende gedeelte van de begrotingsuitgaven (f 4,9 miljard) behoort tot geen van beide sectoren. Dit betreffen de Rijksbijdragen aan de sociale fondsen en het AOW-spaarfonds.

Het grootste gedeelte van de SZW-uitgaven heeft betrekking op de premiegefinancierde sociale zekerheid. Het gaat hierbij om f 78,5 miljard. Figuur 2.1 toont de verdeling van de SZW-uitgaven over de beide sectoren.

Figuur 2.1. Totale SZW-uitgaven (f 111,8 miljard)

kst-26800-XV-2-1.gif

Begrotingsgefinancierde sociale zekerheid

Het totaal van de begrotingsgefinancierde socialezekerheidsuitgaven bedraagt f 32,8 miljard. De samenstelling hiervan staat in figuur 2.2. Ongeveer 27 procent van de uitgaven gaat naar arbeidsmarktmaatregelen; voor uitgaven aan bijstand en voorzieningen is het aandeel circa 23 procent. De financiering van enkele sociale verzekeringen bedraagt 28 procent van de uitgaven. De Rijksbijdrage en premiebijdrage aan sv-fondsen en het AOW-spaarfonds beslaan 15 procent. Deze laatste uitgaven vallen niet onder de budgetdisciplinesector SZA, maar staan wel op de begroting van SZW.

Figuur 2.2. Begrotingsgefinancierde sociale zekerheid (f 32,8 miljard; aandelen afgerond op hele procenten)

kst-26800-XV-2-2.gif

Premiegefinancierde sociale zekerheid

De socialezekerheidsuitgaven worden voor een groot deel gefinancierd uit sociale premies. Deze premiegefinancierde socialezekerheidsuitgaven bedragen f 78,5 miljard, waarvan f 31,5 miljard voor de werknemersverzekeringen, f 45,9 miljard voor de volksverzekeringen en f 1,1 miljard voor overige verzekeringen. Op deze premiegefinancierde uitgaven wordt dieper ingegaan in bijlage 1 van de Sociale Nota. De verdeling is weergegeven in figuur 2.3.

Figuur 2.3. Premiegefinancierde sociale zekerheid (f 78,5 miljard; aandelen afgerond op hele procenten)

kst-26800-XV-2-3.gif

Apparaatuitgaven SZW

Voor de ontwikkeling en de uitvoering van het beleid (inclusief het toezicht erop), de zogenaamde apparaatuitgaven, heeft SZW in 2000 f 452 miljoen beschikbaar. Het gaat daarbij vooral om personele (f 259 miljoen) en materiële uitgaven (f 97 miljoen).

Voor automatisering is f 29 miljoen uitgetrokken. Daarnaast gaat er voor de directe ondersteuning van het beleid geld naar onderzoek (f 25 miljoen), voorlichting (f 8 miljoen) en subsidieverstrekking (f 34 miljoen). In afzonderlijke bijlagen bij deze begroting is inzicht gegeven in de activiteiten die SZW op deze terreinen onderneemt. In figuur 2.4 is de verdeling van het geld over de uitgavencategorieën aangegeven.

Figuur 2.4. Apparaatuitgaven (f 452 miljoen; aandelen afgerond op hele procenten)

kst-26800-XV-2-4.gif

Van deze middelen is 57 procent bestemd voor de uitgaven aan personeel. In 2000 heeft SZW in totaal 2335 voltijdbanen. Dat betekent ten opzichte van 1999 een daling met 8 banen. In 2002 – als de gehele taakstelling op de apparaatuitgaven is ingevoerd – is de formatie met 65 banen afgenomen. Dit is het saldo van enerzijds de verwerking van de taakstellingen waartoe het kabinet in 1998 heeft besloten en anderzijds van extra taken die SZW vanaf het aantreden van dit kabinet op zich heeft genomen (zoals de fraude en de uitvoering van arbeidsmarktmaatregelen). Rekening houdend met deeltijdwerk zullen bij SZW in 2000 ongeveer 2500 personen werkzaam zijn. Bijna de helft van het personeel verricht toezichthoudende taken (Arbeidsinspectie en Rijksconsulenten).

HOOFDSTUK 3 ARBEIDSMARKTBELEID

3.1 Inleiding

Het doel van het arbeidsmarktbeleid van SZW is om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren onder meer door de arbeidsparticipatie te bevorderen. De arbeidsmarkt is op dit moment niet in evenwicht. De werkgelegenheid is in de afgelopen jaren sterk gegroeid en de werkloosheid is fors gedaald, terwijl er in bepaalde sectoren een tekort is aan arbeidskrachten. Toch komt een groot aantal mensen niet aan de slag.

Het arbeidsmarktbeleid van SZW richt zich in 2000 op het bieden van instrumenten om werklozen naar een baan te leiden en op ondersteuning van bepaalde sectoren. Daarnaast is er hulp voor specifieke groepen werklozen.

Het programma «sluitende aanpak» is bedoeld om nieuwe werklozen binnen een jaar een traject aan te bieden en weer naar de arbeidsmarkt te geleiden.

Bij de WSW ligt de nadruk op de omschakeling naar de nieuwe vorm van de sociale werkplaats met extra aandacht voor begeleid werken.

Bij de I/D-banen gaat de aandacht uit naar het beter benutten van doorstroombanen en naar uitstroombevordering met een uitstroompremie.

Voor de WIW is voorzien in een stapsgewijze invoering van een nieuwe systematiek voor het scholings- en activeringsbudget meer gericht op outputsturing op termijn.

 
Kerngegevens1998199920002001
Totale uitgaven beleidsterrein (x f 1 mln)*6 6528 1138 9989 587
     
Uitgaven Rijksbijdrage Arbvo (x f 1 mln)1 2511 2851 0541 198
Trajecten Arbvo**79 00075 000**
     
Uitgaven WSW (x f 1 mln)3 6603 8483 8923 942
WSW-plaatsen85 20086 30087 50088 600
     
Uitgaven WIW (x f 1 mln)1 6051 8591 8511 877
WIW-plaatsen47 10045 50048 00052 000
     
Uitgaven Ewlw/ID-banen (x f 1 mln)–-9441 8332 081
I/D-banen***–-27 30047 40052 400

* Exclusief ESF middelen

** Betreft alleen trajecten die gefinancierd worden uit de Rijksbijdrage.

*** Dit zijn plaatsen waarvoor financiering beschikbaar is bij SZW.

SZW richt het beleid erop dat in 2000 een vergelijkbaar aantal werkzoekenden een traject uit het prestatiebudget van Arbvo volgt als in 1999 (75 000). In het najaar zal hierover met het Centraal bestuur van Arbeidsvoorziening bestuurlijk overleg worden gevoerd. Daarnaast wil SZW in 2000 ongeveer 35 000 trajecten starten in het kader van de sluitende aanpak (exclusief de trajecten die gefinancierd kunnen worden uit ESF-middelen en inkoopgelden). In 2000 wordt het aantal arbeidsplaatsen in de WSW tot 87 000 uitgebreid, het aantal I/D-banen tot 50 000.

In totaal is in 2000 f 7,5 miljard beschikbaar voor activerend arbeidsmarktbeleid. Dit is exclusief de bedragen die de EU voor dit doel beschikbaar stelt (f 400 miljoen per jaar).

3.2 Beleidsvoornemens voor het jaar 2000

Sluitende aanpak

Het programma «sluitende aanpak» heeft tot doel iedere nieuwe volwassen werkloze (met of zonder uitkering), die niet zonder aanvullende maatregelen aan het werk komt, binnen twaalf maanden een traject aan te bieden om zo langdurige werkloosheid te voorkomen. Voor nieuwkomers begint deze termijn te lopen na afronding van het inburgeringsprogramma. Deze inspanning komt bovenop de bestaande reïntegratieactiviteiten. SZW is in 1999 gestart met een inzet op 30 000 trajecten voor nieuwe werklozen. SZW verwacht in 2000 naast de middelen uit het regeerakkoord en de inverdieneffecten (samen f 202 miljoen), ook geld uit het Europees Sociaal Fonds in te kunnen zetten.

De beschikbare middelen worden verdeeld over de Uvi's, gemeenten en Arbeidsvoorziening, naar rato van het aantal (type) cliënten in de nieuwe instroom. Het geld mag worden besteed aan scholing, sollicitatietraining, werkervaringplaatsen en aan sociale activering. SZW streeft ernaar de uitvoerders uiteindelijk af te rekenen op basis van het aantal plaatsingen op de arbeidsmarkt. Methoden om de uitvoerders meer te sturen op resultaat en effectiviteit zijn in ontwikkeling (te denken valt aan afspraken over experimenten met outputfinanciering, afspraken over streef-percentages bij plaatsing en dergelijke).

Van het geld dat in het regeerakkoord beschikbaar is gesteld, beoogt SZW in 2000 de start van ruim 35 000 trajecten mogelijk te maken. Voor het ESF-geld dat uitvoerders voor de sluitende aanpak gaan inzetten, kan SZW nog geen schatting over aantallen trajecten maken. In de eindsituatie in 2003 moeten 135 000 extra trajecten per jaar worden gerealiseerd. Ook worden projecten in samenwerking met de sociale partners van sectoren opgezet.

Arbeidsvoorziening

Naar verwachting zal Arbeidsvoorziening in 2000 eenzelfde aantal trajecten uit de prestatiebijdrage realiseren als in 1999 (75 000), waarbij ten opzichte van voorgaande jaren nog meer nadruk zal komen te liggen op de fase 3 cliënten. SZW voert over deze inzet nog overleg met Arbeidsvoorziening.

Ook zal Arbeidsvoorziening in 2000 geld uit het ESF (waarschijnlijk f 250 miljoen) beschikbaar hebben voor het zittende bestand en voor instromers, onder wie ook cliënten uit fase 4. Daarnaast start Arbeidsvoorziening een nog onbekend aantal trajecten uit de inkoopbudgetten die gemeenten en uvi's beschikbaar hebben voor reïntegratietrajecten (respectievelijk f 103,3 en f 50 miljoen).

Tot 2000 dienden gemeenten en uvi's de inkoopbudgetten verplicht bij Arbeidsvoorziening te besteden. SZW is van plan deze gedwongen inkoop vanaf 2000 volledig af te schaffen.

Het sectorbeleid, dat is gericht op het wegnemen van vraagknelpunten in sectoren, krijgt in 2000 een vervolg.

Voor niet-uitkeringsgerechtigde arbeidsgehandicapten verwacht Arbeidsvoorziening dezelfde inzet als in 1999, namelijk 1600 bemiddelingsplannen.

Bij de uitvoering van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) werken gemeenten en Arbeidsvoorziening nauw samen. Voor nieuwkomers verwacht Arbeidsvoorziening in 2000 dezelfde inspanning te leveren als in 1999: 14 000 nieuwkomers helpen bij het inburgeringsonderzoek en de doorstroming naar arbeid. Deze inspanning betaalt Arbeidsvoorziening uit haar basisbudget.

Arbeidsvoorziening zet in 2000 de eerste stap naar de opsplitsing van de organisatie. Vanaf 2000 heeft Arbeidsvoorziening twee intern verzelfstandigde eenheden: het bemiddelingsbedrijf (de huidige basisdienstverlening) en het reïntegratiebedrijf (de huidige prestatiedienstverlening).

Bij het toezicht op Arbeidsvoorziening legt SZW nadruk op het goed functioneren van de planning en control (bedrijfsvoering) en op de output (het realiseren van bemiddelingsplannen en plaatsingen). Vanwege de liquiditeitssituatie in 1998 en 1999 zal SZW ook in 2000 via maandelijkse rapportages de inkomsten en uitgaven van Arbeidsvoorziening volgen.

I/D-banen

In het Regeerakkoord heeft het kabinet afgesproken extra geld beschikbaar te stellen voor I/D-banen. Met dit extra geld kan het aantal I/D-banen in 2000 worden uitgebreid tot 50 000.

Met ingang van 2000 wordt de Regeling In- en Doorstroombanen voortgezet via het Besluit In- en Doorstroombanen voor langdurig werklozen. Deze wijziging betreft een aantal inhoudelijke aanpassingen. Zo komt de uitvoering van de zorgbanen in handen van de gemeenten. De regionale regiepunten in de zorgsector, die een brugfunctie vervullen tussen gemeenten en zorginstellingen, worden gecontinueerd. Op Rijksniveau draagt het ministerie van VWS de verantwoordelijkheid voor de zorgbanen over aan SZW.

Vanaf medio 1999 kunnen gemeenten de uitstroom van werknemers uit een I/D-baan naar regulier werk bevorderen met een premie. Ook biedt het besluit gemeenten vanaf 2000 de mogelijkheid om doorstroombanen te creëren. Gemeenten mogen functies waarvoor hogere eisen gelden dan voor instroombanen, aanmerken als doorstroombaan. Van iedere zes banen kan er één een doorstroombaan worden; de overige vijf zijn instroombanen. Het maximale salaris voor een doorstroombaan is 150 procent van het wettelijk miminimumloon. Werknemers kunnen voor doorstroombanen in aanmerking komen als ze minimaal vijf jaar een instroombaan hebben vervuld.

Wet Sociale Werkvoorziening (WSW)

Het kabinet heeft in het Regeerakkoord afgesproken extra geld beschikbaar te stellen voor de WSW om het aantal plaatsen uit te breiden. In 2000 wordt de tweede stap gezet, waarmee het aantal plaatsen met ongeveer 1100 toeneemt.

In 1999 en 2000 neemt een aantal gemeenten deel aan pilots over de omschakeling van het traditionele SW-bedrijf naar een SW-bedrijf gericht op het creëren van SW-arbeidsplaatsen door begeleid werken en door plaatsing bij reguliere werkgevers. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de nieuwe WSW die sinds 1998 van kracht is.

Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW)

Met de WIW beschikken gemeenten over instrumenten om hun uitstroombeleid uit de bijstand in te vullen. Gedurende 1998 en 1999 ontvangen de vier grote steden extra middelen voor het activeren van bijstandscliënten naar WIW-activiteiten en het bevorderen van uitstroom uit WIW-dienstbetrekkingen naar regulier werk. De medio 1999 ontvangen voortgangsrapportages zijn aanleiding om begin 2000 de effectiviteit van de regeling te evalueren. Mede aan de hand van deze evaluatie zal worden besloten over deze middelen.

Om die reden wordt de huidige regeling voor de vier grote steden met één jaar verlengd. Aan de vier grote steden zal gevraagd worden om binnen de kaders van de verlengde huidige subsidieregeling in de uitvoering in 2000 het accent te verschuiven naar sociale activering van fase 4 bijstandsgerechtigden. Vanaf 2000 zal met een nieuwe subsidieregeling van vier jaar de mogelijkheid aan andere gemeenten geboden worden om hun beleid en uitvoering rond sociale activering van fase 4 bijstandsgerechtigden te ontwikkelen. SZW werkt aan de stroomlijning van het scholings- en activeringsbudget voor de WIW en aan een systematiek die meer inzicht biedt in de relatie tussen deze middelen, de prestaties van gemeenten en de uitstroomresultaten. Dit is nodig omdat «als gevolg van de sluitende aanpak en de SUWI-voornemens» de WIW in toenemende mate het medium wordt voor het onderbrengen van instrumenten en geldstromen voor de reïntegratie van werkzoekenden. SZW werkt thans kaders uit voor de wijze waarop en de mate waarin gemeenten kunnen worden aangesproken op een rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de WIW (en WSW). Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de samenhang tussen WIW en WSW (en ABW).

Europees Sociaal Fonds

Vanaf 2000 begint de nieuwe periode voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). In maart 1999 is 1,686 miljard euro toegekend aan Nederland voor de nieuwe ESF-doelstelling 3 voor de periode 2000–2006. Nederland wil dit geld voornamelijk inzetten voor de activiteiten die zijn genoemd in het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid: de sluitende aanpak, de reïntegratie van het zittende bestand, «een leven lang leren» onderdeel beroepsonderwijs en het sectorbeleid. SZW coördineert de verdeling van dit geld. Nederland zendt in oktober 1999 het Enig Programmerings Document (EPD) met de hoofdpunten van het beleid voor ESF 3 naar Brussel. Mede naar aanleiding van geconstateerde onregelmatigheden, krijgen de controle en de verantwoordelijkheid met betrekking tot de beheersaspecten van het ESF grote aandacht. Door SZW zal in samenspraak met de uitvoeringsorganisatie een nieuwe uitvoeringsstructuur en regelgeving worden uitgewerkt. In die nieuwe structuur zullen in de sfeer van monitoring en controle extra waarborgen worden ingebouwd.

3.3 Grotestedenbeleid

Het grotestedenbeleid heeft in het regeerakkoord een nieuwe impuls gekregen. In deze kabinetsperiode vallen diverse SZW-regelingen onder de noemer van het grotestedenbeleid, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen budgettaire en beleidsmatige betrokkenheid.

Onder de pijler «Economie en Werkgelegenheid» vallen de volgende SZW-regelingen:

• Besluit in- en doorstroombanen

• Gemeentelijk werkfonds/WIW

• Sluitende aanpak door gemeenten

• Inkoopregeling G-86

• G-4-budget Rijksbijdrage Arbvo

Deze regelingen vormen de hoofdmoot van de pijler «Economie en Werkgelegenheid» binnen het grotestedenbeleid. SZW streeft ernaar de regelingen binnen deze pijler te ontschotten en te dereguleren, in samenhang met het voornemen om een Fonds voor Werk en Inkomen op te richten. De gsb-betrokkenheid bij deze SZW-regelingen is zowel beleidsmatig als budgettair, zij het dat het G4-budget binnen de Rijksbijdrage Arbvo niet rechtstreeks door SZW aan de G4 ter beschikking wordt gesteld.

Onder de pijler «Sociale infrastructuur» vallen de volgende SZW-regelingen:

• Stimuleringsmaatregel dagindeling

• Experimenten allochtone jongeren

• Experimenten met sociale activering (ex art. 144 ABW)

• Bijstandsbesluit Zelfstandigen

De gsb-betrokkenheid is bij de laatste twee regelingen alleen beleidsmatig, omdat er geen SZW-middelen mee gemoeid zijn (experimenten sociale activering ex art. 144 Abw), dan wel er sprake is van een open einde-regeling waar alle gemeenten gelijkelijk aanspraak op kunnen maken. Bij de eerste twee regelingen is de gsb-betrokenheid ook budgettair, zij het dat bij de experimenten allochtone jongeren alleen nog sprake is van uitfinanciering van lopende verplichtingen richting gemeenten en dat op de stimuleringsmaatregel dagindeling niet alleen steden of gemeenten, maar ook bedrijven en andere organisaties aanspraak kunnen doen.

Eind 1999 sluit het Rijk met iedere stad van de G-25 zogenoemde stadsconvenanten af, waarin afspraken staan over integrale, meerjarige ontwikkelingsprogramma's.

3.4 Handhaving

De handhavingstaken op de arbeidsmarkt van de Arbeidsinspectie worden uitgebreid. Hiertoe heeft het kabinet besloten op basis van de nota «Fraudebestrijding 1998 – 2002». Twee taken zijn nieuw: de bestrijding van misbruik van arbeidsmarktsubsidies en de signalering van onbekende ondernemingen. Daarnaast is het Westland Interventieteam opgericht om belasting- en socialeverzekeringsfraude en illegale tewerkstelling aan te pakken. Verder neemt de Arbeidsinspectie deel aan een aantal Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams (RIF's).

Om de handhaving van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) effectiever te maken, wordt in de loop van 1999 een voordeelsberekening in het proces-verbaal opgenomen. Hierdoor kan het OM zwaardere straffen eisen en kan de Belastingdienst naheffen. Daarnaast wordt in 2000 de extra capaciteit van de Arbeidsinspectie, ook op het terrein van de WAV, merkbaar. Het convenant met de Belastingdienst en het Lisv is aangepast om gegevensuitwisseling en samenwerking op het gebied van fraudebestrijding te verbeteren. Meestal dragen de overtreders geen premies en verschuldigde belasting af. Er wordt onderzocht hoe notoire overtreders van de WAV beter kunnen worden aangepakt.

De Arbeidsinspectie krijgt geld om haar organisatie en werkwijze verder te professionaliseren. Vanwege de nieuwe taken en de beoogde nieuwe werkwijze wordt geïnventariseerd waar extra voorzieningen nodig zijn. Aansluiting op een aantal geautomatiseerde systemen moet de gegevensuitwisseling met andere diensten effectiever maken. De invoering van telewerken wordt thans voorbereid. Daarnaast wordt onderzocht welke opleidingstrajecten nodig zijn om inspecteurs voor te bereiden op de nieuwe taken en de andere werkwijze.

HOOFDSTUK 4 SOCIALE VERZEKERINGEN EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN

4.1 Inleiding

SZW stelt een aantal beleidswijzigingen voor de sociale verzekeringen voor. De belangrijkste voorstellen betreffen de premiegefinancierde sector, te vinden in het plan van aanpak voor de WAO. Het ministerie van SZW stelt hierin een aantal maatregelen voor om het beroep op de WAO te beperken. Enkele van die maatregelen zijn vernieuwing van het poortwachtersmodel, verbetering van de WAO-keuringspraktijk en de uitvoering van de regeling convenanten ter verbetering van de arbeidsomstandigheden. Deze wijzigingen komen in de Sociale Nota 2000 uitvoerig aan bod. In dit hoofdstuk wordt vooral ingegaan op een aantal andere maatregelen. Het gaat daarbij om het invoeren van een kinderopvangregeling in de WAO en WW, waardoor de reïntegratie in het arbeidsproces wordt vereenvoudigd; de aanpassing van de TOG-regeling en de wijziging van de regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers.

 
Kerngegevens1998199920002001
Totale uitgaven beleidsterrein (x f 1 mln)14 10314 53314 82015 133
     
Uitgaven AKW (x f 1 mln)6 5176 4846 5296 511
Volume AKW (telkinderen)3 415 0003 425 0003 439 0003 457 000
     
Uitgaven Wajong (x f 1 mln)2 5302 7302 7132 766
Volume Wajong (uitkeringsgerechtigden op jaarbasis)113 400117 100119 500121 900
     
Rijksbijdrage AOW-spaarfonds (x f 1 mln)4 3004 5504 8005 050

Het totaalbedrag van de begrotingsgefinancierde uitgaven voor sociale verzekeringen en arbeidsomstandigheden is f 14,8 miljard.

Het ministerie van SZW wil in de periode 1999 tot en met 2002 minimaal twintig convenanten afsluiten over arbeidsomstandigheden in bedrijfstakken met een hoog risico van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.

In het jaar 2000 wordt de kinderbijslag voor ruim 3.4 miljoen telkinderen (1.8 miljoen gezinnen) uitgekeerd. Het gaat om een totaalbedrag van ruim f 6 miljard. Verder krijgen circa 90 000 uitkeringsgerechtigden op jaarbasis een toeslag op hun loondervingsuitkering op grond van de Toeslagenwet en ontvangen 119 500 jonggehandicapten op jaarbasis een uitkering op grond van de wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong-gehandicapten (Wajong). Om de AOW op lange termijn betaalbaar te houden, stort het Rijk in 2000 f 4.8 miljard in het Spaarfonds AOW.

4.2 Beleidsvoornemens voor het jaar 2000

Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI)

Dit kabinet wil op alle onderdelen de activerende werking van de sociale zekerheid verbeteren. Daarbij gaat het ook om verbetering van het rendement van de uitvoering en het creëren van nieuwe financiële prikkels om de effectiviteit van de uitvoering te vergroten. Het kabinet heeft zijn visie over de contouren van de nieuwe organisatiestructuur neergelegd in het kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI).

In het algemeen overleg met de Tweede Kamer over dit kabinetsstandpunt bleek er brede steun te bestaan voor de voornemens met betrekking tot marktwerking op het terrein van reïntegratie, de privatisering van het reïntegratiedeel van Arbeidsvoorziening, de totstandkoming van CWI's en de decentralisatie van het opdrachtgeverschap. De verdergaande marktwerking in de uitvoering van de werknemersverzekeringen riep echter vragen op. Dit najaar zal daarom een nader kabinetsstandpunt aan de Kamer worden gestuurd, waarin de consequenties van SUWI voor de uitvoeringsinstellingen in kaart worden gebracht.

Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Ook de komende jaren blijft het van belang de instroom in de sociale zekerheid te beperken en de reïntegratie te bevorderen. Er zijn diverse maatregelen in gang gezet om het ziekteverzuim te bestrijden, de instroom in de WAO te beperken en de uitstroom te bevorderen. Deze maatregelen komen in de Sociale Nota uitgebreid aan bod. In de WAO worden de meeste nieuwe initiatieven ondernomen, die zijn vervat in het plan van aanpak WAO. Het gaat daarbij om de volgende voorstellen.

• Codificatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, waarbij in het nieuwe schattingbesluit arbeidsongeschiktheidswetten de richtlijnen «geen duurzaam benutbare mogelijkheden» en het «medische arbeidsongeschiktheidscriterium» worden neergelegd.

• Wetsvoorstel nieuw poortwachtersmodel, waarmee de bureaucratische belemmeringen tijdens het eerste ziektejaar tussen arbodienst en uitvoerder (uvi) worden weggenomen.

• Verbeterde informatievoorziening om beleidsmakers en uitvoerders beter inzicht te geven in de karakteristieken van het zittend bestand arbeidsongeschikten.

• Betere aansturing van de keuringspraktijk, mede langs de weg van onderlinge toetsing aan de hand van vast te stellen «best practices» onder verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.

• Het functieinformatiesysteem van het Lisv wordt verbeterd, zodat de mate van arbeidsongeschiktheid van de te keuren personen nauwkeuriger kan worden bepaald.

• Heldere richtlijnen voor de wijze waarop de verzekeringsartsen moeten omgaan met psychische klachten.

• De frequentie van herbeoordeling van arbeidsongeschikten wordt meer afgestemd op de individuele situatie van de cliënten, waardoor deze niet langer dan strikt noodzakelijk van de uitkering afhankelijk blijven.

• Een onafhankelijke deskundige zal een rapportage opstellen over de kwaliteitseisen die mogen worden gesteld aan de opleiding voor verzekeringsartsen, waardoor de professionele kwaliteit van de verzekeringsartsen wordt gegarandeerd.

Kinderbijslag

Het kabinet heeft besloten tot een extra verhoging van de kinderbijslag. Het kinderbijslagbedrag voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar wordt verhoogd met 60 gulden. Voor kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 11 jaar is de verhoging 85% daarvan (51 gulden) en voor kinderen tot 6 jaar 70% (42 gulden).

Voor 2001–2003 was een beperkte verhoging van de kinderbijslag voorzien, namelijk voor kinderen geboren na 1995 en voor eerste kinderen geboren voor 1995, ter hoogte van 39,60 gulden per kind per jaar op 100%-niveau. Het besluit van het kabinet houdt in dat deze maatregel naar voren wordt gehaald, het bedrag wordt verhoogd en tevens dat de maatregel zich gaat uitstrekken tot alle kinderen. Met dit geheel is een bedrag gemoeid van 168 miljoen gulden in 2000 op transactiebasis.

De extra verhoging komt bovenop de wettelijke verhoging van het basiskinderbijslagbedrag voor 2000 (14,60 gulden voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar) en de halfjaarlijkse aanpassing aan de prijsstijging.

Voor de kinderbijslag wordt in totaal 6529 miljoen uitgetrokken voor het jaar 2000.

Herziening TOG

In 1998 is de Regeling Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) geëvalueerd. De evaluatie is in grote lijnen positief over de resultaten. Toch kwamen er in de evaluatie ook kritiekpunten over de TOG naar voren, onder meer over de indeling in twee categorieën, een hoog niveau tegemoetkoming voor meervoudig gehandicapte kinderen en een laag niveau tegemoetkoming voor ernstig lichamelijk gehandicapte of chronisch zieke kinderen, en de te strakke voorwaarden die gelden voor degenen die gebruik willen maken van de tegemoetkoming. De TOG wordt daarom herzien. Ook ouders met een kind dat uitsluitend een verstandelijke handicap heeft, kunnen er straks gebruik van maken. De nieuwe doelgroep bestaat daarmee uit (ouders van) kinderen met een lichamelijke of verstandelijke handicap. Het huidige budget is toereikend om deze beleidswijziging op te vangen. Om ouders voor te lichten over de wijziging wordt het bestaande informatiemateriaal aangepast en verspreid via de gebruikelijke instanties.

Kinderopvang voor reïntegrerende WAO'ers en WW'ers

In de nota «Op weg naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg» is aangekondigd dat er een tijdelijke (experimentele) regeling komt om de kinderopvang voor reïntegrerende arbeidsgehandicapten te financieren. Het kabinet onderzoekt of het wenselijk is ook voor reïntegrerende WW'ers een dergelijke regeling in het leven te roepen. De genoemde regelingen zijn tijdelijk, namelijk totdat de voorgenomen Wet Basisvoorziening Kinderopvang van kracht wordt.

Voor de experimentele regeling voor WAO'ers is een wijziging nodig van de Wet (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (REA). Een wetsvoorstel daartoe wordt binnenkort ingediend. Vervolgens wordt in een Algemene maatregel van bestuur de experimentele regeling vormgegeven.

Beperking export uitkeringen

Op 25 mei 1999 aanvaardde de Eerste Kamer het wetsvoorstel Beperking export uitkeringen. Doel van de wet is de handhaving in het buitenland naar het binnenlandse niveau te tillen. De wet treedt 1 januari 2000 in werking. Omdat de wet oorspronkelijk in 1999 in werking zou treden, zijn er besparingsverliezen.

De inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2000 betekent dat mensen die emigreren of al in het buitenland wonen, alleen recht hebben op een socialeverzekeringsuitkering in een land waarmee Nederland een verdrag heeft voor sociale verzekeringen. Dat zijn op dit moment de EU/EER-landen en de landen waarmee Nederland een bilateraal verdrag heeft voor sociale zekerheid, zoals Turkije en Marokko. Nederland onderhandelt over een verdrag met andere landen.

Asbestslachtoffers

De concept-Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers was in april 1999 onderwerp van overleg met de Tweede Kamer. Daarbij uitte de Kamer met de motie-Middel/Schimmel de wens om de ongelijkheid tussen de tegemoetkoming die de regeling biedt en het bedrag dat slachtoffers krijgen van hun werkgever of verzekeraar via een verhaalbare vordering zoveel mogelijk weg te nemen. Het kabinet heeft inmiddels besloten om de voorgenomen tegemoetkoming van f 25 000 te verhogen naar f 35 000. Naar het zich laat aanzien treedt de regeling op 1 januari 2000 in werking.

Arbeidsomstandigheden

In het regeerakkoord is aangekondigd dat het beleid voor arbeidsomstandigheden wordt geïntensiveerd. Het kabinet wil een impuls geven aan de verdere verbetering van arbeidsomstandigheden in ondernemingen en daarmee aan preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.

Om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, heeft de overheid voor de volgende arbeidsrisico's landelijke streefcijfers opgesteld: tillen, werkdruk, RSI («muisarm») en geluid. Per arbeidsrisico is aangegeven naar welke daling van het aantal blootgestelde werknemers het kabinet streeft, en op welke termijn dat zou moeten gebeuren. Dit soort cijfers maken het kabinetsbeleid beter meetbaar en toetsbaar. Om de beleidsdoelstellingen en landelijke streefcijfers te realiseren, zet het kabinet uiteraard bestaande instrumenten in als arbo-regelgeving, handhaving, financiële prikkels, voorlichting en fiscale regelingen. Daarnaast wil het kabinet convenanten afsluiten met bedrijfstakken waar het risico van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid hoog is. De convenanten met werkgevers en werknemers moeten concrete taakstellingen en termijnen omvatten, die gebaseerd zijn op aantallen blootgestelde werknemers en de stand van de techniek in de bedrijfstak. De convenanten worden gesloten over de genoemde arbeidsrisico's en over werken met gevaarlijke stoffen. De keuze voor deze risico's is gebaseerd op de omvang van de risicopopulatie, de omvang en ernst van het gezondheidsrisico, en de relatie van het risico met medische consumptie en arbeidsuitval. Tot nog toe zijn 29 bedrijfstakken geselecteerd waar zowel relatief als absoluut een groot aantal werknemers aan deze risico's is blootgesteld: de zogeheten hoogrisicobedrijfstakken. Daarnaast kunnen ook convenanten met zogeheten zelfmelders worden gesloten. Het streven is minimaal twintig convenanten te sluiten tussen 1999 en 2002. Inmiddels is een arbo-convenant afgesloten tussen SZW, VWS en sociale partners in de thuiszorg. Hierin zijn afspraken gemaakt over terugdringing van de twee belangrijkste veroorzakers van ziekteverzuim, namelijk tillen en werkdruk.

Met sociale partners in de andere hoogrisicosectoren in de zorg en een groot aantal andere branches lopen inmiddels besprekingen over het sluiten van een convenant. Hierbij staat ook het starten van onderzoek naar de huidige toepassing van de techniek op de agenda. Dit onderzoek dient ter onderbouwing van de gezamenlijke taakstelling, het plan van aanpak en de eindevaluatie van het convenant. In het jaar 2000 zullen naar verwachting de partijen de voorbereidingen voor een aantal convenanten afronden en starten met de uitvoering van de convenantafspraken.

4.3 Handhaving

De nieuwe Arbo-wet treedt op 1 november 1999 in werking. Daarmee beschikt de Arbeidsinspectie in het jaar 2000 over een nieuw handhavinginstrument voor arbeidsomstandigheden: de bestuurlijke boete. De Arbeidsinspectie kan hiermee bij wetsovertredingen een lik-op-stukbeleid voeren. Dit verhoogt naar verwachting de effectiviteit van de arbo-handhaving.

In 1999 heeft bij de Arbeidsinspectie een herschikking van de capaciteit plaatsgevonden. Hierdoor kan de inspectie meer tijd besteden aan arbo-inspecties in plaats van aan monitoronderzoeken. Ook wordt de capaciteit voor arbo-inspecties uitgebreid met elf inspecteurs.

De extra capaciteit wordt vooral ingezet in de bouwnijverheid en in sectoren waar werknemers verhoogde veiligheids- of gezondheidsrisico's lopen door onder meer: schadelijk geluid, tillen, OPS, allergene en carcinogene stoffen en werken op hoogte. In alle sectoren zal de inspectie ook extra aandacht geven aan kleine bedrijven.

Het ministerie van SZW wil de zelfwerkzaamheid van sociale partners op het gebied van arbeidsomstandigheden stimuleren. Dit houdt in dat organisaties van werkgevers en werknemers in goed overleg afspraken maken die tot verbetering van de arbeidsomstandigheden leiden. Vanaf het jaar 2000 zal de arbeidsinspectie hiertoe een arbo-convenanten- monitor uitvoeren in sectoren met de grootste arbo-risico's door schade- lijk geluid, RSI, werkdruk, tillen, OPS, allergene stoffen en kwarts. In deze monitor komen gegevens over de effecten van zelfwerkzaamheid op de arbeidsomstandigheden.

Door de nieuwe Europese richtlijn Seveso II is voor Nederland een overgangsregeling van kracht geworden die geldt voor de wet Milieubeheer, de Rampenwet en de Arbo-wet. De overgangsregeling loopt tot 1 januari 2001. Ze houdt in dat bedrijven die een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen hebben opgeslagen, onderhevig zijn aan een wettelijk regime van verplichtingen. Zij moeten onder meer een preventiebeleid voor zware ongevallen voeren en een veiligheidsrapportage opstellen. De Arbeidsinspectie heeft hierbij een toezichthoudende taak en zal daar een groeiende capaciteit voor moeten inzetten.

HOOFDSTUK 5 BIJSTAND EN VOORZIENINGEN

5.1 Inleiding

Het kabinet wil het beroep op en de afhankelijkheid van de sociale zekerheid zoveel mogelijk beperken. Op reïntegratie gerichte uitvoeringsorganisaties zijn hiervoor onontbeerlijk. Voor de bijstand betekent dit dat de gemeenten voor deze taak moeten zijn toegerust. Onderdeel daarvan is dat het financiële belang van gemeenten bij de uitvoering van de bijstand wordt vergroot en gemeenten worden toegerust met een goed arbeidsmarktinstrumentarium. Naast deze op werk gerichte benadering blijft voor mensen met een te grote afstand tot de arbeidsmarkt sociale activering nodig. Het inkomensondersteuningsbeleid van gemeenten garandeert in combinatie met de uitkeringsregelingen een redelijke bestaansvoorziening.

 
Kerngegevens1998199920002001
Totale uitgaven beleidsterrein (x f 1 mln)9 2859 0348 8158 945
     
Uitgaven Abw-personen (x f 1 mln)6 8696 7016 5376 498
Aantal uitkeringen Abw-personen438 300403 566398 687400 457
     
Uitgaven Abw toeslagen (x f 1 mln)1 3991 3201 2761 429
Aantal toeslagen315 500280 903277 005278 902
     
Uitgaven Ioaw (x f 1 mln)390402404407
Aantal Ioaw-uitkeringen20 00019 80019 90020 000

In totaal ontvangen in 2000 naar verwachting ruim 400 000 mensen een bijstandsuitkering. Met de nieuwe regeling voor het bovenregionaal vervoer in de WVG kunnen in 2000 circa 1,4 miljoen ritten worden gemaakt. In totaal is in 2000 f 8,8 miljard beschikbaar voor de bijstand en voorzieningen.

5.2. Beleidsvoornemens voor het jaar 2000

Fonds voor Werk en Inkomen

In het regeerakkoord is afgesproken dat de gelden die gemoeid zijn met de ABW en de WIW gebundeld worden in een Fonds voor Werk en Inkomen en dat het gemeentelijk aandeel in de financiering van de bijstand wordt vergroot. Het Fonds beoogt de uitstroom uit de bijstand te bevorderen door een directe relatie te leggen met gemeentelijke arbeidsmarktinstrumenten en daarbij tevens te bewerkstelligen dat gemeenten voldoende worden beloond voor het voeren van een succesvol uitstroombeleid. Het kabinet is thans doende om in overleg met gemeenten een nadere uitwerking te geven aan deze afspraken. Een eerste stap is daarbij gezet in bestuurlijk overleg van 29 juni jl. tussen een kabinetsdelegatie en vertegenwoordigers van VNG en G25. In dit overleg is in beginsel afgesproken om met ingang van 1 januari 2001 een Fonds voor Werk en Inkomen in te voeren, waarbij gestart zal worden met een 25% budgettering van de bijstandslasten. Ik overweeg de mogelijkheid om het wetsvoorstel toeslagen ABW te incorporeren in het FWI.

De verdere gang van zaken met betrekking tot het wetsvoorstel toeslagen Abw zal worden betrokken bij de nadere afspraken in het komende bestuurlijke overleg met de VNG/G25. Zo spoedig mogelijk na afronding van dit overleg wordt de Tweede Kamer schriftelijk geïnformeerd over de voornemens voor het FWI vanaf 1 januari 2001 alsmede de wijze waarop de toeslagen ABW daarin zullen worden opgenomen.

Wet Voorziening Gehandicapten (WVG)

De belangrijkste ontwikkeling voor de WVG in 2000 en daarna is het kabinetsbesluit om de regeerakkoordintensiveringsmiddelen voor de WVG en chronisch zieken volledig ten goede te laten komen aan de WVG. Dit betekent dat met ingang van 2000 een extra toevoeging aan het Gemeentefonds plaatsvindt van f 50 miljoen, oplopend tot f 175 miljoen in 2002.

In de loop van 2000, als de wetswijziging WVG van kracht is, draagt de Ziekenfondsraad de beslissingsbevoegdheid over woningaanpassingen duurder dan f 45 000 over aan de gemeenten. Uitgangspunt daarbij is dat het geld dat met deze woningaanpassingen is gemoeid, wordt toegevoegd aan het Gemeentefonds. Daarmee komen de beleidsmatige verantwoordelijkheid en financiële verantwoordelijkheid in één hand te liggen. Voor een verantwoorde overheveling naar het Gemeentefonds is een verdeelsleutel nodig die recht doet aan de verschillen in de gemeentelijke kostenstructuur en moet het gemeentelijk beleid ten aanzien van de woningaanpassingen zijn uitgekristaliseerd. Tot die tijd worden deze woningaanpassingen nog gefinancierd met een declaratieregeling ten laste van de SZW-begroting. Voor gemeenten geldt daarbij wel een eigen bijdrage van f 22 000, waarvoor via een storting in het Gemeentefonds compensatie is geboden. Om het financiële risico van deze eigen bijdrage voor kleine gemeenten te beperken, is het aantal eigen bijdragen van deze gemeenten gemaximeerd.

Per 1 juli 1999 is de bovenregionale vervoersvoorziening van start gegaan. Deze regeling voorziet in de bovenregionale vervoersbehoefte van gehandicapten. In totaal is f 57 miljoen beschikbaar. Ketenmanager Connexxion voert de regeling uit.

In 2000 vindt de derde en laatste evaluatie van de WVG plaats. Aandachtspunt bij die evaluatie is de verdeelmaatstaf voor de WVG-middelen in het Gemeentefonds, die in 1999 is ingevoerd. Daarnaast wordt bezien of de tijdelijke bijdrageregeling voor sociaal vervoer in AWBZ-gemeenten toereikend is en of deze op verantwoorde wijze kan worden overgeheveld naar het Gemeentefonds. Ook na deze laatste evaluatie blijft de behoefte aan informatie over de WVG-uitvoering bestaan. SZW zal daarin voorzien.

Experimenten met sociale activering

De experimenten met sociale activering, op basis van artikel 144 ABW, lopen tot en met eind 1999. De experimenteerperiode is inmiddels verlengd met twee jaar. Dit verzekert de continuïteit van de experimenten die later zijn gestart, totdat een eventuele structurele verankering in de ABW is gerealiseerd. Uit een tussentijdse evaluatie van de experimenten blijkt onder meer dat het opzetten en organiseren van de experimenten veel inspanning kost en dat het niet eenvoudig is om binnen de bestaande capaciteit hiervoor voldoende personele ruimte te vinden. Aan de Tweede Kamer is toegezegd om eind 1999 de evaluatie af te ronden en daarna de structurele verankering via een wijziging van de ABW voor te leggen.

Armoedebestrijding en sociale uitsluiting

In het voorjaar van 1999 verscheen de nota «De andere kant van Nederland: voortgangsrapportage 1999». In het regeerakkoord en bij de begrotingsbehandeling van SZW voor 1999 is extra aandacht aangekondigd voor de huursubsidie, de bijzondere bijstand, tegemoetkoming studiekosten en jonggehandicapten. Ook de Sociale Conferentie van eind 1998 droeg bouwstenen aan voor nieuwe activiteiten. Met een groot deel van de actiepunten uit de voortgangsrapportage is al in 1999 een start gemaakt. De effecten op de begroting voor 2000 zijn daarom beperkt.

5.3 Toezicht gemeenten

Single audit

Samen met gemeenten werkt SZW aan de uitwerking van «single audit». SZW wil over het vergoedingsjaar 2000 een volgende stap zetten om gemeenten zelf te laten rapporteren over de uitvoering van de bijstandswet. Het aantal onderwerpen waarover de gemeenten gaan rapporteren, neemt toe. SZW ondersteunt zonodig gemeenten bij de opzet van het interne toezichtssysteem, zodat het Rijk zich bij haar toezicht kan baseren op (verantwoordings)informatie uit dit systeem. Valideringsactiviteiten moeten ervoor zorgen dat SZW kan uitgaan van de betrouwbaarheid en validiteit van de verantwoordingsinformatie die gemeenten verstrekken. De komende periode maakt SZW een analyse van het M&O-beleid bij de afwikkeling van het single audit-traject.

Doeltreffendheid

Het toezicht op de doeltreffendheid van de ABW-uitvoering door gemeenten en van arbeidsmarktmaatregelen wordt nader uitgewerkt. SZW ontwikkelt nog een instrument om de doeltreffendheid van de uitvoering van gemeentelijk armoedebeleid in beeld te kunnen brengen. Daarmee is het raamwerk voor het toezicht op doeltreffendheid voltooid. Voor alle terreinen van de ABW is dan een meetinstrument ontwikkeld en op bruikbaarheid getoetst. In 2000 zullen deze instrumenten worden geïntegreerd en zal nader worden uitgewerkt op welke wijze gemeenten zelf verantwoording kunnen afleggen over de doeltreffendheid van de uitvoering.

HOOFDSTUK 6 ARBEIDSVERHOUDINGEN, EMANCIPATIE EN ARBEID & ZORG

6.1 Inleiding

Het systeem van arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaardenvorming, dat in ons land wordt gekenmerkt door zijn decentrale karakter, voorziet in stabiele arbeidsverhoudingen. Veranderingen in taakverdeling, waardering van taken en de maatschappelijke posities van mannen en vrouwen hebben in de arbeidsverhoudingen ook hun weerslag.

De voornemens die verband houden met het coördineren van het Rijksoverheidsbeleid gericht op emancipatie, zijn verwoord in de Begrotingsbrief Emancipatiebeleid 2000.

In dit hoofdstuk worden de volgende wetten toegelicht, die in 2000 van kracht zijn of bijna afgerond zijn.

• onderdelen van de Wet Arbeid en Zorg

• kinderopvangregelingen voor werkzoekenden, onder wie WAO'ers

• het wetsvoorstel Verbod op leeftijdsdiscriminatie bij arbeid

• het wetsvoorstel Gelijke behandeling mensen met een handicap of chronische ziekte

• het wetsvoorstel Implementatie bewijslastrichtlijn

• het wetsvoorstel Concurrentiebeding

• de Wet implementatie EU-richtlijn overgang ondernemingen

6.2. Beleidsvoornemens voor het jaar 2000

Arbeid en zorg

In 2000 wordt het kabinetsstreven naar een betere verdeling van betaalde arbeid en zorgtaken tussen mannen en vrouwen uitgewerkt. Redenen hiervoor zijn emancipatiedoelstellingen, het oplossen van knelpunten aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt, de verbreding van de financieringsgrondslag van de sociale zekerheid en pensioenen, en de verwachting dat de behoefte aan zorg toeneemt. In de nota «Op weg naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg» heeft het kabinet zijn visie verwoord op de aanpak van deze problematiek. Deze visie krijgt haar weerslag in de Wet Arbeid en Zorg. In deze wet worden bestaande en nieuwe wettelijke regelingen voor verlof en deeltijd, conform het regeerakkoord, samenhangend geregeld.

De wet arbeid en zorg komt in fasen tot stand. Het wetsvoorstel Aanpassing arbeidsduur, dat thans in behandeling is bij de Tweede Kamer, is de eerste fase.

Het vastleggen van een wettelijke recht op zwangersschaps- en bevallingsverlof en een recht op adoptieverlof, alsmede de betaling daarvan, vindt plaats in de tweede fase.

Een wetsvoorstel is onlangs aan de Raad van State voorgelegd. De verdere invulling van de wet zal plaatsvinden in vervolg op de hiervoor genoemde kabinetsnota.

Dagindeling

Voor de Stimuleringsmaatregel dagindeling is voor het jaar 2000 f 14,5 miljoen beschikbaar. Daarmee worden experimenten gefinancierd die het combineren van arbeids- en zorgtaken vergemakkelijken. Er is geld voor kortlopende en langer lopende experimenten. De maximale looptijd is drie jaar. De verdeling van het geld gebeurt aan de hand van beoordelingscriteria zoals de spreiding over aandachtsgebieden, doelgroepen en regio's. De totale subsidiabele kosten van een experiment kunnen variëren van f 30 000 tot f 500 000 per jaar. Hiervan kan maximaal 75 procent uit de Subsidieregeling dagindeling worden gesubsidieerd. Voor de eerste tranche (indieningsdatum 1 juli 1999) zijn 87 subsidieaanvragen ingediend.

Gelijke behandeling

In 2000 worden naar verwachting een aantal wetten van kracht die grotendeels gericht zijn op gelijke behandeling op de arbeidsmarkt.

Het wetsvoorstel Verbod leeftijdsdiscriminatie bij arbeid verbiedt leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie en scholing om te voorkómen dat mensen van arbeid worden uitgesloten vanwege hun leeftijd, in situaties waarin dit niet relevant is. Na advisering door de Raad van State wordt het wetsvoorstel, naar verwachting nog dit najaar, ingediend bij de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel Gelijke behandeling van mensen met een handicap of chronische ziekte, dat wordt voorbereid door het ministerie van VWS, legt het recht op gelijke behandeling voor mensen met een handicap of een chronische ziekte wettelijk vast voor sport, de toegang tot openbare gebouwen en werving en selectie. Bij dit laatste terrein is SZW betrokken.

Op 15 december 1997 heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen richtlijn 97/80/EG «inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van geslacht» aanvaard. Deze richtlijn regelt de verdeling van de bewijslast bij een geschil over discriminatie op grond van geslacht. De richtlijn, die op 1 januari 2001 moet zijn geïmplementeerd, dient ter versterking van de processuele positie van de eisende partij, meestal de werknemer. Het implementatietraject is inmiddels ingezet. Na advisering door de Raad van State wordt het wetsvoorstel, naar verwachting nog dit najaar, ingediend bij de Tweede Kamer.

In 1999 wordt onderzoek verricht naar de werking van de AWGB, de WGB en de artikelen 7:646, 7:647 en 7:648 BW. Naar verwachting is dit onderzoek in september 1999 afgerond. De onderzoeksresultaten zullen in acht worden genomen bij de rapportage van de Commissie Gelijke Behandeling aan de minister van BZK. De ministers van BZK, Justitie, SZW, OCW en VWS sturen naar verwachting begin 2000 een verslag met onderzoeksresultaten naar de Tweede Kamer. In de eerste helft van 2000 worden eventuele aanpassingen van wetgeving voorbereid.

Flexibiliteit en zekerheid in relatie tot arbeid

In 2000 wordt een herhalingsonderzoek uitgevoerd naar de ervaringen met de Wet flexibiliteit en zekerheid. Daarnaast zijn een aantal wetsvoorstellen in voorbereiding die ook gericht zijn op een vergroting van de flexibiliteit op de arbeidsmarkt.

Met het wetsvoorstel concurrentiebeding wordt beoogd de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de mobiliteit van werknemers te vergroten. Het belang voor werkgevers is het tegengaan van oneerlijke concurrentie, terwijl werknemers zich zo vrij mogelijk moeten kunnen bewegen op de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel gaat vermoedelijk eind 1999 naar de Raad van State en wordt begin 2000 bij de Tweede Kamer ingediend.

In het wetsvoorstel Implementatie EU-richtlijn overgang ondernemingen wordt de jurisprudentie van het EU-Hof over de definitie van «overgang onderneming» gecodificeerd en de informatieplicht aan werknemers (zonder vertegenwoordiging) geregeld. Daarnaast komen er maatregelen om frauduleuze insolventieprocedures, met het oogmerk om afbreuk te doen aan de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemer, tegen te gaan. Na goedkeuring van het wetsvoorstel door het kabinet, wordt het naar verwachting medio september 1999 aan de Raad van State voorgelegd.

In 1999 is de Adviescommissie Duaal Ontslagstelsel ingesteld. Deze commissie adviseert het kabinet medio 2000 over de inrichting van het toekomstig ontslagstelsel.

HOOFDSTUK 7 INTERNATIONAAL BELEID

7.1 Inleiding

Het internationale beleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kent twee invalshoeken. Enerzijds is er de groeiende betekenis die in internationaal verband aan sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid wordt gehecht (paragraaf 7.1 tot en met 7.4). Anderzijds is van belang de mate waarin sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid aan de orde zijn in bilaterale relaties (paragraaf 7.5).

7.2 Internationaal sociaal beleid

Wereldwijd groeit de erkenning dat solide sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid onontbeerlijk zijn voor evenwichtige economische groei en maatschappelijke ontwikkeling. In toenemende mate is in internationale verbanden sprake van sociaal beleid als economische factor. Dit geldt niet alleen voor organisaties die zich van oudsher met het sociale beleid bezighouden, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Raad van Europa, maar ook voor organisaties die gericht zijn op economische en financiële vraagstukken, zoals de OESO, de Wereldbank en het IMF. Daarmee neemt ook het belang van dergelijke organisaties voor het ministerie van SZW toe.

De Verenigde Naties hebben in de afgelopen jaren verschillende conferenties over sociaal beleid georganiseerd, zoals de wereld vrouwenconferentie in Beijing (1995) en de Sociale Top van Kopenhagen (1995). Als vervolg op deze conferenties zijn in 1999 nationale overheidsrapportages opgesteld. Beide rapportages worden betrokken bij de voorbereiding van afzonderlijke speciale zittingen van de VN in juni 2000. In het kader van de Sociale Top zullen ook nieuwe initiatieven voor de implementatie van het actieprogramma over armoedebestrijding, werkgelegenheid en sociale integratie aan de orde komen.

7.3 Europese Unie

Binnen de Europese Unie vormt het sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid een belangrijke dimensie van het eenwordingsproces. In het Europees Werkgelegenheidspact, dat de Europese Raad van Keulen op 2 en 3 juni 1999 heeft aangenomen, zijn drie processen met elkaar verbonden: de macro-economische beleidsmix (de interactie tussen loonontwikkelingen, overheidsfinanciën en monetair beleid), de werkgelegenheidsstrategie (richtsnoeren) en het «Cardiff-proces» van structurele economische hervormingen.

Tijdens het Finse voorzitterschap wordt begonnen met de uitvoering van de macro-economische beleidsdialoog, die de kern vormt van het Werkgelegenheidspact. Aan deze dialoog nemen de Ecofin Raad, de Sociale Raad, alsmede de Europese organisaties van sociale partners en de ECB deel. Sociale partners krijgen hiermee een duidelijke plaats en verantwoordelijkheid op het Europese sociaal-economische speelveld. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is ook een impuls gegeven aan de betrokkenheid van sociale partners door de consultatieverplichting over voorgenomen maatregelen voor sociaal beleid.

Ook worden tijdens het Finse voorzitterschap de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor het jaar 2000 en het gezamenlijk verslag van Raad en Commissie over de werkgelegenheidssituatie in de Europese Unie in het jaar 1999 opgesteld. Tijdens de Europese Raad van Helsinki vindt hierover besluitvorming plaats.

In de eerste helft van 2000 wordt onder Portugees voorzitterschap een extra Europese Raad gehouden met als thema «Werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhang – naar een Europa van de innovatie en de kennis». De Raad beoordeelt dan welke vorderingen er in het proces van Keulen, Cardiff en Luxemburg zijn gemaakt.

7.4 Samenwerking in de ILO

Fundamentele arbeidsnormen

Nederland bevordert de acceptatie van de ILO-Verklaring over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en verbetering van het toezicht op de naleving van de fundamentele arbeidsnormen. De in 1999 aangetreden directeur-generaal Somavia van de ILO wil de ILO stroomlijnen langs vier strategische doelstellingen: het bevorderen van de Verklaring inzake fundamentele arbeidsnormen; werkgelegenheid en inkomens; het versterken van sociale bescherming en sociale zekerheid en het versterken van de sociale dialoog. Op basis daarvan worden «In Focus-programma's» voor technische steun opgezet. Nederland streeft ernaar de samenwerking met de ILO te versterken door het opzetten van een partnershipprogramma. Hierbij krijgt de naleving van de Verklaring inzake fundamentele arbeidsnormen bijzondere aandacht.

Kinderarbeid

Op de Internationale Arbeidsconferentie van juni 1999 is een verdrag met een daaraan gekoppelde «aanbeveling» aangenomen over de ergste vormen van kinderarbeid. Nederland heeft met ingang van 1999 structureel een bedrag van f 10 miljoen op de begroting van Buitenlandse Zaken beschikbaar voor het bestrijden van kinderarbeid. Een deel van dit geld wordt via het ILO-Programma ter Bestrijding van Kinderarbeid (IPEC) uitgegeven. Besluitvorming over de toekenning van projecten vindt plaats door Ontwikkelingssamenwerking en SZW. De gehonoreerde projecten staan in tabel 7.1.

Tabel 7.1 Projecten voor de bestrijding van kinderarbeid
ILO-project in Senegalf 0,6 mln
ILO-project in Bangladeshf 3,1 mln
ILO-SIMPOC (statistisch systeem over kinderarbeid)f 0,4 mln
UNICEF-projectf 2,5 mln
ILO-project (IPEC en programma «more and better jobs for women»)f 1,1 mln

7.5 Bilaterale samenwerking

Lidstaten van de EU

Binnen de Europese Unie zijn, in de lijn met het beleid van het ministerie van Buitenlandse Zaken, de betrekkingen met een aantal lidstaten uitgebreid. Aanleiding daarvoor is de toenemende belangstelling voor de Nederlandse sociaal-economische ontwikkelingen in deze landen. Dit leidt tot een toename van de informatie-uitwisseling.

Nieuwe toetreders tot de Europese Unie

Enerzijds participeert Nederland in Europese hulpprogramma's, zoals Phare/Twinning. Anderzijds worden bilaterale samenwerkingsverbanden aangegaan. Op basis hiervan worden nieuwe toetreders bij de ontwikkeling van hun sociaal beleid ondersteund. Het gaat dan vooral om de totstandkoming van een adequate sociaal-economische infrastructuur. Een dergelijke samenwerking bestaat er inmiddels met Hongarije, Polen en Slovenië. Met Tsjechië wordt binnenkort een samenwerkingsverband aangegaan. Gebruikelijk is dat deze verbanden worden uitgewerkt in jaarplannen, waarin nadere afspraken staan over gerichte projecten. Dit vergt een extra inspanning van SZW. Om daarin te voorzien werkt SZW aan het opzetten van een «expert pool» met een vaste kern van medewerkers. Naar verwachting lopen er in het jaar 2000 expertise projecten in Hongarije (over deeltijdarbeid), Polen (over werkgelegenheid in de landbouw), Slovenië (over arbeidsmarkt en werkgelegenheid) en Tsjechië (arbeidsomstandighedenbeleid en arbeidsinspectie).

Landen buiten Europa

Het bilaterale pensioenstelselproject van SZW en de Volksrepubliek China gaat in 2000 de derde fase in, gericht op voorbereidingen van de bouw van het geautomatiseerde pensioensysteem in China. SZW levert in deze fase expertise over het Nederlandse pensioenstelsel. De Wereldbank is financieel bij dit project betrokken.

Andere landen in de Aziatische regio hebben laten weten op het terrein van sociaal beleid te willen samenwerken. Voor activiteiten op dit terrein wordt in eerste instantie aansluiting gezocht bij activiteiten van de ILO.

HOOFDSTUK 8 WETGEVING EN BESTUURLIJKE AANGELEGENHEDEN

8.1. Wetgevingskwaliteit

De organisatie en de kwaliteit van het wetgevingsproces blijft een voortdurend punt van aandacht. Een belangrijk hulpmiddel hiertoe is de SZW-wetgevingstoets, die medio 1998 is geïntroduceerd binnen het ministerie. De toets bevat een stappenplan dat op systematische wijze een aantal fasen onderscheidt in het beleids- en wetgevingsproces. Per stap is een aantal aandachtspunten geformuleerd en worden relevante aspecten aan de orde gesteld. De toepassing en verdere ontwikkeling van de toets wordt bevorderd door een meerjarig invoeringsprogramma. Dit voorziet onder andere in een aantal voorbeeldprojecten («best practices») en interne scholing van medewerkers aangaande de toepassing van de wetgevingstoets. In mei 1999 heeft de externe visitatie van de wetgevingsfunctie bij SZW plaatsgevonden. In samenhang met de wetgevingstoets zijn intern initiatieven ontplooid om de aandacht voor de implementatie van nieuwe wetgeving, respectievelijk nieuw beleid, naar een hoger niveau te brengen.

De EG-richtlijn 98/34/EG (voorheen: 83/189/EG) verplicht tot het notificeren van technische productvoorschriften – opgenomen in ontwerp-regelgeving – aan de Europese Commissie. Naar aanleiding van het Securitel-arrest besloot het kabinet in de zomer van 1997 tot een aantal maatregelen om ervoor te zorgen dat de notificatieverplichting wordt nageleefd door de departementen. Deze maatregelen zijn ook door SZW ingevoerd. Zo is een verankering van alle bestaande internationaalrechtelijke notificatieverplichtingen (dus niet alleen die op grond van de richtlijn 98/34/EG) binnen het departement totstandgekomen. De toepassing van deze richtlijn is overigens met ingang van 5 augustus 1999 uitgebreid. Sindsdien strekt de notificatieplicht zich mede tot ontwerp-regelgeving met betrekking tot elektronische interactieve diensten.

Daarnaast wordt – met behulp van een interdepartementaal vastgestelde handleiding – structureel uitvoering gegeven aan de nieuwe verplichtingen om uitvoeringsmaatregelen die tot gevolg hebben dat producten van de markt geweerd worden, aan Brussel te melden.

8.2 Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW)

Toetsing specifieke uitkeringen

In 1999 heeft SZW een nieuwe impuls gegeven aan de toetsingsoperatie «Specifieke uitkeringen» als onderdeel van de rijksbrede MDW-operatie, met als doel te bezien waar de soms zeer aanzienlijke bestuurs- en beheerslasten voor de verschillende bestuurslagen kunnen worden verminderd. Ook de Tweede Kamer heeft om hernieuwde aandacht voor dit onderwerp gevraagd. SZW heeft in 1998 de toetsing van de IOAW en IOAZ afgerond. In de jaren 1999/2000 worden de volgende specifieke SZW-regelingen doorgelicht:

• Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars

• Wet Voorziening Gehandicapten

• Algemene Bijstandswet

• Wet Inschakeling Werkzoekenden

• Wet Sociale Werkvoorziening

• Regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen

SZW wil de toetsing van deze regelingen (inclusief de toetsing door de visitatiecommissie en de rapportage aan de Tweede Kamer) in de eerste helft van 2000 afronden. Voorzover nodig zal met de resultaten van deze toetsing bij het onderhoud en/of voorgenomen wijziging van deze regelingen rekening worden gehouden. Het gedachtegoed maakt voorts deel uit van de SZW-wetgevingstoets en zal dan ook steeds bij nieuwe regelingen worden toegepast.

Administratieve lastenverlichting

Administratieve lasten voor werkgevers zijn alle kosten die voortvloeien uit het voldoen aan administratieve verplichtingen die de overheid oplegt (het verzamelen, bewerken en ter beschikking stellen van informatie).

Het kabinet heeft op 6 november 1998 de Commissie Administratieve Lasten ingesteld. Deze commissie maakt voorstellen die de administratieve lasten voor het bedrijfsleven verminderen en die het bedrijfsleven meer betrekken bij wet- en regelgeving. De commissie heeft op 10 mei 1999 haar tussenrapportage aangeboden aan de minister van Economische Zaken en presenteert in de tweede helft van 1999 haar eindrapportage.

In de tussenrapportage wordt het domein van de sociale zekerheid genoemd als een terrein met omvangrijke administratieve lasten. De commissie heeft een aantal voorstellen gedaan om deze lasten te verminderen. De voorstellen gaan over het vereenvoudigen van de gevraagde gegevens aan werkgevers, het standaardiseren van begrippen en het verbeteren van de informatievoorziening bij uitvoeringsorganen. Daarnaast worden in Europees verband activiteiten ontplooid om de regelgeving te vereenvoudigen.

8.3 Decentralisatie

De afgelopen jaren is in toenemende mate sprake geweest van decentralisatie van het SZW-beleid naar gemeenten. Zo spelen de gemeenten een grote rol bij het bereiken van de doelen van SZW op het gebied van Arbeid en Inkomen. Er is een uitgebreid instrumentarium in het leven geroepen voor gemeentelijk arbeidsmarktbeleid en (bijzondere) inkomensvoorzieningen. Dit instrumentarium wordt verder uitgebreid (bijvoorbeeld met de sluitende aanpak van langdurige werkloosheid) en geïntegreerd (zie de vorming van het FWI). Bijlage 13 gaat in op het decentralisatiebeleid van SZW.

8.4 ZBO-doorlichting

De Tweede-Kamercommissies voor de Rijksuitgaven en voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben verzocht om een jaarlijkse voortgangsrapportage over zelfstandige bestuursorganen, als vervolg op de «Rapportage Doorlichting Zelfstandige Bestuursorganen» van 10 maart 1997. Deze rapportage moet tegelijk worden uitgebracht met de begroting. In antwoord op dit verzoek staat in bijlage 14 een overzicht van de invoering van de verbetervoorstellen, zoals die in de rapportage waren aangekondigd.

HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING VAN BELEID

9.1 Misbruik en oneigenlijk gebruik

Tal van wetten en voorschriften op het beleidsterrein van SZW zijn gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik. Gedurende deze kabinetsperiode wordt de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik aangescherpt (op basis van de kabinetsnotitie Fraudebestrijding 1998–2002, die in april 1998 aan de Kamer is aangeboden). De aanpak richt zich op vier thema's: kwaliteitsverbetering, gegevensuitwisseling, samenwerking en internationale fraude.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de geraamde financiële effecten van het m&o-beleid vanaf het begrotingsjaar 2000. De fraudebestrijding levert op het SZW-beleidsterrein een forse besparing op, waarvan circa f 280 miljoen in 2000.

 
Geraamde financiële effecten (2000) (bedragen x f 1 miljoen) 20002001200220032004
A. Regelgeving      
Beperking export van uitkeringenuitkeringen82643114116
Opdrachtgeversaansprakelijkheid loonconfectiepremies510101010
B. Controle en uitvoering      
Kwaliteitsverbetering fraudebestrijdinguitk./prem.2424242424
Verbetering (geautomatiseerd) gegevensverkeeruitkeringen3793155178186
Verbetering samenwerkingdiversen3636454545
Bestrijding internationale fraudeuitkeringen2333434343
C. Toezicht en opsporing      
Intensiveringen toezichtuitkeringen1010101010
D. Sancties      
Wet boeten en maatregelen      
wv. Wettelijke aanvulling sancties volksverzekeringenuitkeringen55555
wv. Verplichtstelling terugvorderingen sociale verzekeringenuitkeringen5858585858
wv. Administratieve boetenuitkeringen4343434343
wv. Sancties verwijtbaar werkloosheid/passende arbeiduitkeringen288298298298298
wv. Weglek naar Abw a.g.v. sanctiesuitkeringen– 138– 143– 143– 143– 143
       
E. Totaal besparingen uitgaven en inkomsten (A t/m D)399493590685694
F. Uitvoeringskosten A t/m D122159150126122
G. Saldo besparingen en uitvoeringskosten (E -/-F)277334440559572

De maatregelen zoals die zijn opgenomen waren in de kabinetsnota Fraudebestrijding 1998–2002 zijn in de tabel opgenomen onder de tweede en derde cluster (B. Controle en uitvoering resp. C. Toezicht). In het verleden getroffen maatregelen die al vóór 2000 in werking zijn getreden en in 1999 of eerder het geraamde structurele budgettaire effect bereiken, zijn niet meer in het overzicht opgenomen. De m&o-maatregelen die in de tabel zijn opgenomen leveren een geraamde financiële besparing op van bijna f 400 mln (regel E). De daarmee gemoeide uitvoeringskosten bedragen ruim f 120 mln (regel F). Per saldo leveren de opgenomen maatregelen een besparing op van ruim f 275 mln (regel G).

In de rest van deze paragraaf wordt alleen kort ingegaan op een aantal partiële nieuwe ontwikkelingen die voor de begroting 2000 relevant zijn.

Inlichtingenbureau

De besluitvorming over de invoering van het Inlichtingenbureau voor gemeenten is met een jaar vertraagd in verband met de uitloop van de CVCS/IB-pilots. Besluitvorming vindt naar verwachting plaats in 2000.

BEU

De wet Beperking export van uitkeringen treedt op 1 januari 2000 in werking. Deze wet beoogt de juiste uitvoering van sociale zekerheidsuitkeringen in het buitenland te waarborgen. Daarbij is het uitgangspunt dat export van uitkeringen alleen plaatsvindt naar landen waarmee een verdrag is gesloten over wederzijdse hulp bij de toekenning van uitkeringen en de handhaving (verificatie en controle) van wetten en voorschriften. Met een aantal landen vinden onderhandelingen plaats.

Wijziging wetgeving SV

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Coördinatiewet Sociale verzekering en de Invorderingswet 1990 ligt in de Tweede Kamer. Met deze wet wordt de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de kopersaansprakelijkheid in de confectiesector en de invoering van een vrijwaringsregeling in de ketenaansprakelijkheid. De behandeling is vertraagd als gevolg van nader overleg over administratieve aspecten. Naar verwachting worden deze wetswijzigingen in de loop van 2000 van kracht.

M&O ESF-gelden

Op 25 juni 1999 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitvoering van subsidieverstrekking uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en over de acties die zijn ondernomen om de feiten over de financiering van gesubsidieerde projecten boven tafel te krijgen (onder meer ARK-onderzoek, eigen onderzoek Arbvo). Aanleiding hiervoor waren de onregelmatigheden die werden aangetroffen bij een controle (in april 1999) door de Europese Commissie van projecten die in de periode 1994–1997 via de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werden gesubsidieerd uit het ESF. De bekritiseerde projecten worden onderzocht en indien nodig gecorrigeerd. Tevens zal Arbvo bij de verdere afhandeling van lopende projecten en de beoordeling van nieuwe projecten uiterst zorgvuldig te werk gaan.

In 1999 zal het in 1997 in gang gezette verbeteringstraject bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie volledig zijn geïmplementeerd, waardoor naast een verbeterde controle ook sprake zal zijn van een verbeterde aansturing ter preventie van fouten in de nieuwe ESF-programmaperiode vanaf 2000. Verder zullen de verkregen inzichten worden gebruikt voor de vervolmaking van het systeem van beheer, controle en toezicht in de nieuwe ESF-programmaperiode vanaf 2000.

9.2 Invoering van de euro

SZW heeft een aparte projectorganisatie ingesteld om de invoering van de euro in goede banen te leiden. De projectorganisatie richt zich zowel op het eigen departement als op gemeenten en ZBO's, voorzover deze met beleid van SZW te maken hebben. Voor de invoering van de euro is f 26 miljoen aan de SZW-begroting toegevoegd, verdeeld over de jaren 1999 tot en met 2002.

De activiteiten binnen SZW volgen de vijf «primaire mijlpalen» die interdepartementaal gelden. Inmiddels zijn alle wet- en regelgeving, processen en systemen waar de invoering van de euro een rol speelt in kaart gebracht en is duidelijk geworden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. De conclusie is dat SZW op schema ligt.

Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de invoering van de euro in hun organisatie. Een niet tijdige aanpassing van de uitvoeringorganisatie aan de euro brengt grote risico's met zich mee voor de dienstverlening aan cliënten en de wetsuitvoering. De begroting van SZW voorziet in de financiering van de taken die verband houden met regie en toezicht.

Ook Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) zijn zelf verantwoordelijk voor de invoering van de euro in hun organisatie. Naast het monitoren van de voortgang bij de zelfstandige bestuursorganen – wat onder het normale toezicht valt – besteedt SZW veel aandacht aan het faciliteren van de ZBO's. Zo organiseert SZW een aantal euro-bijeenkomsten voor de zelfstandige bestuursorganen en brengt het een «euro-bulletin» uit.

Vanaf 1 januari 2001 wordt het voorlichtingsdrukwerk, evenals de begroting, van SZW voorzien van gewenningsinformatie voor de invoering van de euro. De informatie op de Internet-site volgt een jaar later.

9.3 Het millenniumprobleem

In 1997 is SZW gestart met de aanpak van de millenniumproblematiek. Deze aanpak richt zich op:

• het interne traject, dat zorgdraagt voor de continuïteit van SZW als organisatie;

• het externe traject voor ZBO's, PBO's en andere maatschappelijke organisaties die wetten van SZW uitvoeren;

• het externe traject voor gemeenten.

Daarnaast besteedt SZW aandacht aan de invloed van het millenniumprobleem op de arbeidsveiligheid in de industrie.

De gemeenten en ZBO's zijn zelf verantwoordelijk voor de aanpak van het millenniumprobleem. SZW ziet toe op de voortgang hiervan. In het gemeentelijke traject worden de «risicogemeenten» individueel benaderd.

Om de gemeentelijke millenniumaanpak te ondersteunen is het Kenniscentrum Sociale Diensten 2000 opgericht. Daarnaast is er een Kenniscentrum 2000 Sociale Werkvoorziening voor de SW-bedrijven.

Met de VNG is begin november 1998 een landelijk pakket maatregelen afgesproken ter waarde van f 100 miljoen. Het geld is bestemd voor:

• een subsidieregeling millennium;

• de basisdienstverlening van de kenniscentra (waaronder een helpdesk en het monitoren van de voortgang);

• het centraal testen van systemen van sociale diensten;

• het ontwikkelen van een model nood- en overgangsplan;

• het ondersteunen van risicogemeenten;

• het (samen met SZW) bezoeken van gemeenten.

SZW heeft vastgesteld dat de diverse organisaties waar het gaat om facetten van arbeidsveiligheid en inkomensgarantie zodanige voortgang hebben geboekt dat er geen grote problemen rond de jaarwisseling zijn te verwachten.

9.4 Voorlichting

SZW heeft de afgelopen jaren zijn verdergaande schreden op het digitale pad gezet met de ontwikkeling van SZWweb, het intranet voor interne communicatie en informatieoverdracht. Medio 1997 is een begin gemaakt met publieksvoorlichting via een eigen Internet-site: het Voorlichtingsloket (www.minszw.nl).

In 2000 wordt de Internet-site SZWofficieel geopend: hierop worden openbare stukken gepubliceerd. Deze documenten zullen worden voorzien van (inhoudelijke metagegevens) waardoor de documenten ontsloten worden, met elkaar verbonden kunnen worden en digitale dossiervorming mogelijk is.

Deze meta-gegevens vormen de basis voor alle webtoepassingen van SZW: voorlichtingsteksten, informatie voor specifieke doelgroepen en intranet-informatie worden op dezelfde wijze ontsloten. Uitgangspunt voor SZWofficieel is het Actieprogramma Elektronische Overheid 1999–2002, dat door de ministerraad is aanvaard.

Leeswijzer

1. Inleiding

Het volgende deel van deze SZW-begroting is de artikelsgewijze toelichting, die de verschillende begrotingsartikelen beschrijft. Deze begrotingsartikelen zijn volgens de voorschriften van de Minister van Financiën opgesteld.

Op de artikelen in hoofdbeleidsterrein 11 (ministerie) staan de uitgaven en ontvangsten van het ministerie als organisatie. Het zijn de apparaatsuitgaven en de noodzakelijke beleidsondersteunende uitgaven. Daarna volgen de hoofdstukken over de hoofdbeleidsterreinen 12 (arbeidsmarkt), 13 (sociale verzekeringen) en 14 (bijstandszaken). In het hoofdstuk over hoofdbeleidsterrein 15 (overig beleid) zijn (programma-)uitgaven en ontvangsten voor het overige beleid opgenomen. Voorbeelden van «overig beleid» zijn het emancipatiebeleid en arbeidsomstandighedenbeleid.

2. Budgetdisciplinesectoren

De artikelen onder de hoofdstukken 12, 13 en 14 vallen onder de sector sociale zekerheid en arbeidsmarkt, evenals de artikelen U15.07 Arbo, U15.09 Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers en U15.10 Handhaving en kwaliteitsverbetering van de uitvoering en een gedeelte van de artikelen U15.01 Subsidies en U15.06 SWI. De overige artikelen van hoofdstuk 15 en het hele hoofdstuk 11 vallen onder de sector Rijksbegroting-in-enge-zin.

3. Wijzigingen in de artikelstructuur

Ten opzichte van de begroting 1999 zijn enkele wijzigingen aangebracht. Tabel 1 geeft de wijzigingen in de artikelstructuur aan. Deze zijn met name het gevolg van de budgettaire uitwerking van het Regeerakkoord. Daarnaast zijn enkele regelingen en de daarmee samenhangende uitgaven en ontvangsten beëindigd.

Tabel 1
Nieuwe artikelen t.o.v. begroting 1999Toelichting
– U12.09 Sluitende aanpakIn de 1e suppletore begroting 1999 opgevoerd.
– U15.09 Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffersIn Nota van Wijziging 1999 opgevoerd.
– U15.10 Handhaving en kwaliteitsverbetering van de uitvoeringIn Nota van Wijziging 1999 opgevoerd.
Vervallen artikelen
– U15.04 Voorzieningen in het kader van de wet gewetensbezwaren militaire dienstActiviteiten in 1996 beëindigd.
– M15.04 TewerkstellingsvergoedingenActiviteiten in 1996 beëindigd.

4. Kengetallen

Kengetallen geven inzicht in de opbouw van de begrotingsbedragen (ramingskengetallen), de doelmatigheid en doeltreffendheid. Tabel 2 (zie hierna) geeft per artikel een overzicht van de kengetallen die zijn opgenomen. Doelmatigheidskengetallen hebben betrekking op de uitvoeringskosten per product. Niet altijd is het zinvol of mogelijk die gegevens op te nemen. Met het ministerie van Financiën is een afspraak gemaakt over de begrotingsartikelen waarbij het wel zinvol is doelmatigheidskengetallen op te nemen. SZW kan op de totale begroting van ruim 33 miljard gulden ruim 1 miljard gulden zinvol met doelmatigheidskengetallen onderbouwen.

SZW wil meer inzicht geven in de effecten van beleid en ontwikkelt doeltreffendheidskengetallen voor de verschillende begrotingsartikelen. Dat is in 1999 in samenwerking met het ministerie van Financiën gebeurd. Ook de vragen van de werkgroep Van Zijl (TK 98–99, 26 347 ) en het algemeen overleg met de Vaste Kamercommissie voor SZW over de Financiële Verantwoording 1998 (op 30 juni 1999) hebben in 1999 een stimulerende bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van prestatiegegevens voor de begroting. Waar dat mogelijk is gebleken zijn reeds in deze artikelsgewijze toelichting doeltreffendheidskengetallen opgenomen.

SZW gaat ook in 2000 verder met het ontwikkelen en verbeteren van doeltreffendheidskengetallen. Daarnaast onderzoekt SZW de departementale (beleids)informatievoorziening. De Taskforce die daartoe is ingesteld informeert de Tweede Kamer in het najaar van 1999 over de eerste bevindingen.

5. Kas en verplichtingen

De minister van Financiën heeft op grond van de Comptabiliteitswet een aantal artikelen aangewezen als verplichtingen=kas. Dit houdt in dat voor deze artikelen de uitgaven in het begrotingsjaar de omvang van de verplichtingen bepalen los van het moment waarop de verplichting daadwerkelijk is ontstaan. In de laatste kolom van tabel 2 is aangegeven voor welke artikelen dit geldt.

In een aantal artikelen is de opbouw van de verplichtingen en uitgaven geïntegreerd. Daar waar de verplichtingen en uitgaven slechts voor het realisatiejaar 1998 uiteenlopen, is dat aangegeven. De term VP geeft aan dat dit de realisatie op verplichtingenbasis weergeeft. De term Uitg. geeft aan dat de realisatie op kasbasis is.

6. Mutaties 1e suppletore begroting

In de artikelsgewijze toelichting worden de mutaties die al bij eerste suppletore begrotingswet 1999 zijn ingediend inclusief de daarbij behorende doorwerking naar latere jaren niet meer toegelicht.

Tabel 2 : overzicht kengetallen SZW Begroting 2000*

   RamingskengetallenDoelmatigheidskengetallen  
ArtikelOmschrijvingBedrag (x f 1000)Zinvolniet zinvoltoegelichtZinvolniet zinvoltoegelicht K = VDoeltref- fendheidskengetallen
11.01Personeel & materieel356 161356 161 342 429127 527228 634127 527j 
11.04Automatisering28 98828 988 28 988 28 988 n 
11.05Onderzoek en Beleidsinformatie25 267 25 267  25 267 n 
11.06Voorlichting7 950 7 950  7 950 j 
11.07Onvoorziene uitgaven0 0  0 j 
11.08Loonbijstelling428 428  428 j 
11.09Prijsbijstelling3 218 3 218  3 218 j 
           
12.01Rijksbijdrage aan Arbvo1 054 074 1 054 074 649 900404 174649 900j1
12.02Wet Sociale Werkvoorziening3 891 8003 891 800 3 891 800 3 891 800 n1
12.03Jeugdwerkgarantiewet0        
12.04Banenpools0        
12.05Inkoop sociale diensten bij Arbvo117 000 117 000  117 000 j1
12.06Gemeentelijk werkfonds1 851 1881 851 188 1 417 888 1 851 188 n1
12.07Regeling schoonmaakdiensten particulieren45 70045 10060045 10060045 100600j1
12.08Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen1 832 5041 832 504 1 765 200 1 832 504 j1
12.09Sluitende aanpak205 550205 550 205 550 205 550 j 
           
13.01Algemene Kinderbijslagwet6 528 9006 316 800175 1006 316 800175 1006 316 800175 100j1
13.02Toeslagenwet660 200619 80040 400619 80040 400619 80040 400j1
13.03Rijksbijdragen21 500 21 500  21 500 j 
13.04Premiebijdragen1 9001 900 1 900 1 900 j 
13.05Liquidatiewet invaliditeitswetten0        
13.06Regelingen ex-mijnwerkers        
13.07Waarborg en garantie0        
13.08Wajong2 712 6002 622 30090 3002 622 30090 3002 622 30090 300j1
13.09Tijdelijke wet BIA19 40018 3001 10018 3001 1008 3001 100j1
13.10Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen20 00019 10090019 10090019 100900j1
13.11Rijksbijdr. AOW-Spaarfonds4 800 000 4 800 000  4 800 000 j1
13.12Rijksbijdrage loopbaanonderbreking55 000 55 000  5 000 j 
           
14.01Algemene bijstandswet7 955 0007 955 000 7 955 000 7 955 000 j1
14.02IOAW404 400404 400 404 400 404 400 j1
14.03IOAZ100 50099 60090099 60090099 600900j1
14.04Financiële afwikkeling afgesloten regelingen0        
14.06Experimenten met inzet van uitkeringsgelden0        
14.07WVG133 900 133 900  133 900 n1
14.08Regeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders met kinderen in de Abw92 300 92 300  92 300 n 
14.09Koopkrachttoeslagen0        
14.10WIK128 700110 10018 600110 10018 600110 10018 600j1
14.11Millenniumbijdragen uitvoering sociale voorzieningen500 500  500 n 
           
15.01Subsidies algemeen34 420 34 420  34 420 n 
15.02Emancipatie11 741 11 741  11 741 n1
15.03Migratie0        
15.05Spaarwetten en regelingen24 00024 000 24 000 24 000 n 
15.06SWI17 000 17 000  17 000 j 
15.07Arbeidsomstandigheden37 400 37 400  37 400 n 
15.08Tijdelijke stimuleringsmaatregelen dagindeling11 200 11 200  11 200 n1
15.09Regeling asbestslachtoffers13 00010 1002 90010 1002 90010 1002 900j1
15.10Handhaving en kwaliteitsverbetering69 550 69 550  69 550 n1
 Totaal33 272 93926 412 6916 823 24825 898 3551 108 22732 127 7121 108 227  
     98%  100%  

1 In de artikelsgewijze toelichting is bij deze artikelen een opzet voor doeltreffendheidskengetallen opgenomen.

C. Toelichting per begrotingsartikel

1. Uitgaven en verplichtingen

HOOFDBELEIDSTERREIN 11. MINISTERIE

Het hoofdbeleidsterrein «Ministerie» omvat de beleidsondersteunende uitgavenartikelen, inclusief die voor het apparaat.

11.01 Personeel en Materieel

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de personele en materiële uitgaven van het gehele departement geraamd en verantwoord. Vanaf 1999 zijn de uitgaven voor post-actieven (wachtgelden en uitkeringen) in dit artikel ondergebracht.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  328 879327 114315 660310 675310 675 
1e Suppl.wet 1999:  7 0068 7509 09910 3577 957 
Nieuwe Mutaties:        
1. Loonbijstelling 1999  8 80111 3469 6949 3179 331 
2. Overboeking van onvoorzien/loonbijstelling  2 1351 8875 8846 2736 273 
3. Telewerken Arbeidsinspectie   6 000– 2000– 2000– 2000 
4. Overboeking telewerken naar Automatisering   – 5 200    
5. Overboeking van Justitie voor Commissie Duaal Ontslagstelsel  166133    
6. Overboeking van BuiZa i.v.m. pre-accessie EU-toetreders  200     
7. Overboeking van artikel U1407 Wvg  116     
8. Overboeking naar VROM i.v.m. huisvesting  – 1 276– 951– 804– 804– 804 
9. Eurokosten projectbureau  4 0457 0828 2872 2370 
Stand ontwerp-begroting 2000 (VP) 291 892      
Stand ontwerp-begroting 2000 (Uitg) 290 695350 072356 161345 820336 055331 432333 268

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. De uitdeling van de loonbijstelling 1999 door Financiën.

2. Een overboeking van de artikelen U11.07 (Onvoorzien) en U11.08 (Loonbijstelling) voor financiering van intensiveringen.

3. Een intertemporele verschuiving van middelen ter financiering van de investeringen in 2000 voor de invoering van telewerken bij de Arbeidsinspectie.

4. Een overboeking naar artikel U11.04 voor automatiseringsuitgaven die samenhangen met de invoering van telewerken bij de Arbeidsinspectie.

5. Een overboeking van het Ministerie van Justitie als bijdrage in de kosten van de Commissie Ontslagstelsel (DUA).

6. Een overboeking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (vanuit MATRA) voor departementale initiatieven in het kader van de pre-accessiesteun aan EUtoetreders (Estland, Polen en Tsjechië).

7. Een overboeking van artikel U1407 (Wvg) voor de inhuur van een externe deskundige ten behoeve van de bovenregionale vervoersvoorziening.

8. Een overboeking naar het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als saldo van een nabetaling door SZW voor huisvestingsbudgetten 1998 en een vergoeding door VROM van verrichte bouwkundige aanpassingen in panden die door SZW gehuurd worden en niet vallen onder het reguliere verhuurdersonderhoud.

9. Een verhoging van de ramingen 1999–2003 uit hoofde van toedeling uit de aanvullende post euro voor extra uitgaven in verband met de invoering van de euro.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Ambtelijk personeel 213 878231 350240 381 213 878231 350240 381 11 06.0
Overige personele uitgaven 7 88112 3009 000 7 28312 3009 000 12 06.0
Post-actieven 9 8439 5009 390 9 8439 5009 390 12 06.0
Materieel 43 91352 30153 391 43 65852 30153 391 12 06.0
Huisvesting 11 84237 06437 349 11 67537 06437 349 12 06.0
Primaire processen 4 5357 5576 650 4 3587 5576 650 12 06.01
Totaal 291 892350 072356 161 290 695350 072356 161    

Op het onderdeel «Overige personele uitgaven» worden de uitgaven verantwoord die SZW doet voor inhuur van externe deskundigheid en uitzendkrachten.

De uitgaven voor «primaire processen» hebben betrekking op de inschakeling van externe gespecialiseerde onderzoeksbureaus op het terrein van de Kernfysische dienst, Arbeidsinspectie, Arbeidsomstandigheden, Emancipatiebeleid en Samenwerking werk en inkomen.

E. Kengetallen

Onderstaand lichten wij vier soorten kengetallen toe, namelijk voor apparaatsuitgaven (personeel, materieel, huisvesting), post-actieven, Arbeidsinspectie en huisvesting.

1. Personeel, materieel en huisvesting

 
 Begroting 1998Begroting 1999Begroting 2000
Personeel221 161243 650249 381
Materieel43 65852 30153 391
Huisvesting11 67537 06437 349
    
Totaal276 494328 130333 039
    
De begrotingssterkte in fte's2 2352 3432 335
Gemiddelde uitgaven per fte    
Personeel98 953103 991106 801
Materieel20 53522 32222 866
Huisvesting5 49215 81915 995

De stijging van de gemiddelde uitgaven in 1999 en 2000 zijn een gevolg van de stelselwijziging Rijkshuisvesting. Zie hiervoor de toelichting bij het vergelijkbare huisvestingskengetal.

2. Post-actieven

 
 Rekening 1998Vermoedelijke Uitkomsten 1999Ontwerp-begroting 2000
Verplichtingen/uitgaven (x f 1 000)9 8439 5009 390
Aantal post-actieven ultimo jaar181157150
Gemiddelde kosten (x f 1,–)54 38160 51062 600

3. Arbeidsinspectie

Deze tabel bevat de kosten per eenheid produkt van de Arbeidsinspectie. Bij de berekening van dit doelmatigheidskengetal zijn de uitgaven voor automatisering buiten beschouwing gelaten.

 
 199819992000
 Aantal eenheden realisatieUitgaven x f 1 000Kosten per eenheid x f 1,–Aantal eenheden ramingUitgaven x f 1 000Kosten per eenheid x f 1,–Aantal eenheden ramingUitgaven x f 1 000Kosten per eenheid x f 1,–
Actieve bedrijfsinterventies22 13034 9621 58023 66034 0421 43924 50737 4881 530
Klachtenbehandeling2 6065 22020032 7615 4161 9622 7615 9972 172
Ongevalsonderzoek2 98811 1003 7153 14713 9264 4253 14714 6984 670
Monitoronderzoeken7 86712 7681 6234 9517 1681 4484 9518 2151 659
Wet arbeid vreemdelingen4 07311 0102 7034 10013 9263 3974 33419 0764 402
Algemeen veiligheidsrapportage1632 86317 5671532 32115 1701532 63917 245
Vergunningen/ontheffingen1 5526 6274 2701 3955 8254 1761 3955 6074 019
Toegelicht begrotingsbedrag* 84 550  82 624  93 720 

* Exclusief overheadkosten centrale diensten

De cijfers voor 1998 zijn gerealiseerde aantallen. Voor 1999 zijn het geplande aantallen op basis van het vermoedelijk beloop. Voor 2000 gaat het om geplande aantallen.

De stijging van het bedrag per eenheid bij de Wet Arbeid Vreemdelingen wordt veroorzaakt door de instroom van 11 nieuwe arbeidsinspecteurs in 2000 die zal leiden tot extra aanvangskosten voor opleiding en begeleiding.

Als gevolg van de overgangsregeling die in het kader van de richtlijn Seveso II van kracht is geworden, zal de toezichthoudende taak van de A.I. in verband met het beoordelen van de Arbeidsveiligheidsrapportages meer tijd per beoordeling vragen. Dit leidt tot hogere kosten per eenheid produkt.

4. Huisvestingskengetal

 
 Realisatie 1998Begroting 1999Begroting 2000
Bedrag (x f 1000,–)5 58533 69433 807
Aantal fte's2 1262 3432 335
Bedrag per fte (x f 1,–)2 62714 38114 478

Interdepartementaal is afgesproken in de begroting 2000 een vergelijkbaar huisvestingskengetal op te nemen van de uitgaven aan huur, schoonmaak, energie en klein onderhoud. Het kengetal «bedrag per fte» wordt berekend door de gerealiseerde uitgaven te delen door de gemiddeld gerealiseerde bezetting en de begroting te delen door de begrotingssterkte.

Het verschil tussen de realisatie 1998 en de begroting 1999 wordt veroorzaakt door de stelselwijziging rijkshuisvesting. Met ingang van 1999 betalen de departementen een gebruiksvergoeding aan de Rijksgebouwendienst. Hiervoor is een budget van f 27,8 mln aan de begroting van SZW toegevoegd.

Het kengetal voor de begroting 2000 laat een lichte stijging zien. De uitgaven in 2000 nemen als gevolg van prijsstijging iets toe.

11.04 Automatisering

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord voor de informatievoorziening en informatietechnologie van het hele ministerie. De uitgaven omvatten de exploitatie en ontwikkeling van beheersinformatieprojecten en de departementale beheerssystemen.

Binnen het IT-beleid heeft de millenniumproblematiek de hoogste prioriteit.

Automatiseringsprojecten die een bijdrage leveren aan het oplossen hiervan zijn versneld in uitvoering genomen. Verder wordt in 2000 bijzondere aandacht besteed aan het treffen van veiligheidsvoorzieningen en aan de invoering van de euro.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  30 32026 72027 75527 90527 905 
Nota van Wijziging:  – 3 450  
1e Suppl.wet 1999:  2 112818361– 758– 758 
Nieuwe Mutaties:        
1. Beleidsinformatie   – 3 750– 4 850– 5 000– 5 000 
2. Telewerken Arbeidsinspectie   5 200    
3. Desaldering afnamekorting  465  
Stand ontwerp-begroting 2000 41 57329 44728 98823 26622 14722 14722 147

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  31 87027 97027 90527 90527 905 
Nota van Wijziging  – 5 000  
1e Suppl.wet 1999:  2 112818361– 758– 758 
Nieuwe Mutaties:        
1. Beleidsinformatie   – 5 000– 5 000– 5 000– 5 000 
2. Telewerken Arbeidsinspectie   5 200    
3. Desaldering afnamekorting  465  
Stand ontwerp-begroting 2000 35 63029 44728 98823 26622 14722 14722 147

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. Beleidsinformatievoorziening. Sinds enkele jaren zijn de uitgaven aan beleidsinformatieprojecten sterk van karakter veranderd. Slechts aan een beperkt aantal projecten zijn thans nog aspecten van automatisering te onderkennen. Zij vertonen meer overeenkomsten met onderzoeken. In navolging van de overboeking voor 1999 bij nota van wijziging worden ook de bedragen voor 2000 en volgende jaren daarom nu naar artikel U11.05 Onderzoek en beleidsinformatie overgebracht.

2. Telewerken Arbeidsinspectie. De hiermee gepaard gaande automatiseringskosten zijn overgeboekt uit artikel U11.01.

3. Desaldering afnamekorting. De mutatie houdt verband met een gerealiseerde kwantumkorting op basis van in 1998 afgenomen diensten voor maatwerksoftware, hardware kantoorautomatisering, consultancy en technisch beheer. Deze mutatie leidde ook tot verhoging van artikel M15.01.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel.

– De functionele codering is 06.0

– De economische codering is 12

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
uitgaven x f 1 000,–   
totaal (excl. beleidsinformatie)30 51928 98228 988
begrotingssterkte in fte's2 23512 3432 334
gemiddelde kosten per fte in guldens13 65312 37212 418
    
waarvan: exploitatie9 72315 53414 052
gemiddelde kosten per fte in guldens4 3506 6316 020
    
waarvan: investeringen11 9509 46314 936
gemiddelde kosten per fte in guldens5 3454 0406 399
    
waarvan: millenniumprojecten8 8463 9850
gemiddelde kosten per fte in guldens3 9571 7010

1 Dit is een al in de begroting 1999 gebruikte raming van de begrotingssterkte 1998. Er is van afgezien de werkelijke bezetting 1998 te gaan hanteren. Dat zou tot onnodige vertekeningen kunnen leiden omdat de planning van automatiseringsprojecten in eerste instantie op de geraamde bezetting is geïnspireerd.

De gemiddelde totale kosten per voltijdseenheid verschillen tussen 1999 en 2000 weinig. In de uitsplitsing komt echter een sterke stijging van de investeringen naar voren.

De stijging wordt door nieuwe investeringen veroorzaakt, die in 1999 niet worden gedaan. Omdat het totaal beschikbare bedrag op het artikel niet verandert en het wegvallen van de millenniumprojecten onvoldoende compensatie biedt, dalen hierdoor noodzakelijkerwijs de geraamde vervangingsinvesteringen voor de basisvoorziening, die onder exploitatie zijn opgenomen.

11.05 Onderzoek en beleidsinformatie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de verplichtingen en uitgaven verantwoord voor uitbesteed onderzoek en beleidsinformatie.

De onderzoeken ondersteunen alle fasen van het beleidsproces (oriëntatie, voorbereiding, uitvoering en evaluatie). Behalve aan actuele onderzoeksprojecten worden er ook gelden besteed aan onderzoek gericht op de (middel)lange termijn, aan fundamenteel onderzoek en onderzoek ten behoeve van instrumentontwikkeling.

Beleidsinformatie richt zich specifiek op het ontwikkelen en in stand houden van de structurele verzameling en bewerking van met name kwantitatieve gegevens op grond van informatie die beschikbaar komt bij de uitvoering van regelingen en periodieke enquêtes. Voorts vindt financiering plaats van (reken)modellen voor het maken van ramingen, voor de doorrekening van de kosten en effecten van beleidsvoornemens en voor analyses van ontwikkelingen.

Voor de verdeling van onderzoeks- en beleidsinformatiegelden over de verschillende projecten wordt gebruik gemaakt van een departementsbreed prioriterings- en allocatie-instrument. Met dit instrument wordt de noodzaak en prioriteit van afzonderlijke onderzoeksprojecten bepaald.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  16 17518 67516 47516 47519 655 
Nota van Wijziging:  3 450  
1e Suppletore 1999:  3 2772 3092 1151 9461 946 
Nieuwe Mutaties:        
1. Beleidsinformatie   4 1505 2505 4005 400 
Stand ontwerp-begroting 2000 18 77722 90225 13423 84023 82127 00127 001

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  18 05817 55817 55817 55817 558 
Nota van Wijziging:  5 000  
1e Suppletore 1999:  3 2772 3092 1151 9461 946 
Nieuwe Mutaties:        
1. Beleidsinformatie   5 4005 4005 4005 400 
Stand ontwerp-begroting 2000 16 38026 33525 26725 07324 90424 90424 904

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie heeft betrekking op beleidinformatie-projecten. Deze beleidsinformatieprojecten zijn met ingang van 1999 aan dit artikel toegevoegd. De voorgestelde mutatie betreft de doorwerking naar 2000 en volgende jaren van de in 1999 aan dit artikel toegevoegde middelen voor beleidsinformatie.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Projectonderzoek 13 68012 09212 709 11 55013 07513 392 12 06.01
Beleidsinformatieprojecten  5 6606 275  7 2107 525 12 06.01
Meerjarig onderzoek 4 2724 2005 200 4 0625 1003 400 12 06.01
Onderzoek emancipatie 825950950 768950950 12 06.01
Totaal 18 77722 90225 134 16 38026 33525 267    

De artikelonderdelen Projectonderzoek (tot en met 1999 SAMALO-onderzoek) en Beleidsinformatie-projecten (tot en met 1999 SAMALO-Beleidsinformatie) hebben betrekking op de onderzoeken voor het departement met uitzondering van de emancipatie-onderzoeken die door DCE worden geïnitieerd en afzonderlijk zichtbaar worden gemaakt en beleidsinformatieprojecten die, zoals al eerder vermeld, afzonderlijk worden geprioriteerd. Onder de categorie «Meerjarig onderzoek» (tot en met 1999 Overig onderzoek) op dit artikel vallen de uitgaven Onderzoek Wet milieugevaarlijke stoffen, de bijdragen aan OCFEB en NIA/TNO.

11.06 Voorlichting

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de kosten verantwoord van de departementale voorlichtingsprojecten, bibliotheek, documentatie en interne voorlichting aan het personeel. Alle uitgaven voor voorlichting worden op dit artikel verantwoord. Het begrotingsartikel is gesplitst in de onderdelen voorlichting vakdepartement en voorlichting emancipatie.

Een adequate verdeling van het budget voorlichting vakdepartement wordt bereikt door aanvragen voor voorlichtingsprojecten te wegen aan de hand van een inhoudelijke prioriteringsmethodiek. De methodiek weegt het belang van de projecten voor het beleid en de beleidsvoering van het ministerie. In een zwaartepuntennotitie zijn de criteria bepaald op basis waarvan de projecten worden beoordeeld. De directie Coördinatie Emancipatiebeleid prioriteert door middel van een soortgelijke methodiek de voorlichtingsuitgaven zelf.

In de voorlichtingsbijlage (bijlage 9) staat een nadere toelichting op de belangrijkste voorgenomen in- en externe voorlichtingsprojecten van het vakdepartement SZW.

In de bijlage evaluatie-onderzoek (bijlage 7) worden twee projecten van voorgenomen evaluatieonderzoek inzake voorlichting beschreven. De voorgenomen voorlichtings-activiteiten van de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid zijn beschreven in de Begrotingsbrief Emancipatie 2000.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  7 5947 5946 8946 8946 894 
1e Suppl.wet 1999:  1 388356280214214 
Stand ontwerp-begroting 2000 (VP) 8 082      
Stand ontwerp-begroting 1999 (Uitg) 8 2898 9827 9507 1747 1087 1087 108

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Voorlichting vakdepartement 7 6228 5327 500 7 8638 5327 500 12 06.0
Voorlichting DCE 460450450 426450450 12 06.0
Totaal 8 0828 9827 950 8 2898 9827 950    

11.07 Onvoorziene uitgaven

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel omvat een raming van uitgaven die ten tijde van de begrotingsvoorbereiding niet zijn te voorzien. Er doen zich geen feitelijke uitgaven ten laste van dit artikel voor.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  1 8811 5392 3402 7292 729 
Nieuwe Mutaties:        
Overboeking naar Personeel en Materieel (U1101)  – 1 881– 1 539– 2 340– 2 729– 2 729 
Stand ontwerp-begroting 2000  000000

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld.

1. Overboeking naar artikel U1101 voor de financiering van de uitvoering van nieuwe taken bij SZW.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.9.

– De economische codering is 01.

11.08 Loonbijstelling

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» waarop zo nodig tijdelijk uitdelingen uit de aanvullende post Loonbijstelling van Financiën worden opgenomen totdat toerekening kan plaatsvinden naar de relevante begrotingsartikelen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  2543483 5448 8888 888 
1e Suppl.wet 1999:  215 144227 980236 356268 099268 203 
Nieuwe Mutaties:        
1. Correctie loonbijstelling 1999  454428254– 38  
2. Verdeling loonbijstelling 1999  – 215 144– 227 980– 236 356– 268 099– 268 203 
3. Overboeking naar Personeel en Materieel (U1101)  – 254– 348– 3 544– 3 544– 3 544 
Stand ontwerp-begroting 2000  4544282545 3065 3445 344

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld.

1. Een correctie op eerder toegekende bedragen voor loonbijstelling voor 1999.

2. De verdeling van de reguliere loonbijstelling 1999 naar de begrotingsartikelen.

3. Een overboeking naar artikel U1101 Personeel en Materieel voor de financiering van de uitvoering van nieuwe taken bij SZW.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.9.

– De economische codering is 01.

11.09 Prijsbijstelling

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» waarop tijdelijk uitdelingen uit de aanvullende post Prijsbijstelling van Financiën worden opgenomen, totdat toerekening kan plaatsvinden naar de relevante begrotingsartikelen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
1e Suppl.wet 1999:  3 2193 4753 5713 8573 847 
Nieuwe Mutaties:        
1. Aanvulling prijsbijstelling  14 88116 09316 51817 83917 792 
2. Verdeling prijsbijstelling 1999  – 14 965– 16 350– 16 883– 18 676– 18 809 
Stand ontwerp-begroting 2000  3 1353 2183 2063 0202 8302 830

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie betreft:

1. Bij Voorjaarsnota heeft het kabinet besloten slechts vooralsnog een kwart van de prijsbijstelling uit te keren. Op basis van nadere inzichten is het nog niet uitgekeerde deel aan de departementen uitgedeeld.

2. De verdeling van de reguliere prijsbijstelling 1999 naar de begrotingsartikelen.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.9.

– De economische codering is 01.

HOOFDBELEIDSTERREIN 12. ARBEIDSMARKT

12.01 Rijksbijdrage aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel vindt zijn grondslag in de Arbeidsvoorzieningswet 1996. Deze wet is op 1 januari 1997 in werking getreden. De wettelijke taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt met daarbij een nadrukkelijke taak voor de bemiddeling van langdurig werklozen.

Om de sturende werking vanuit de financieringssystematiek te vergroten is de rijksbijdrage onderscheiden in een basis- en een prestatiebijdrage. De basisbijdrage is onder andere bestemd voor het geven van informatie en advies, de registratie van werkzoekenden en vacatures en het bemiddelen van direct plaatsbare werkzoekenden naar vacatures. Het betreft hier de taken die voor iedere werkzoekende en iedere werkgever kosteloos worden verricht. Tevens is de basisbijdrage bestemd voor een aantal overige wettelijke taken die aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn opgelegd, zoals bijvoorbeeld het verlenen van ontslagvergunningen, het uitvoeren van taken in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen, de wet SAMEN en de Wiw. De prestatiebijdrage wordt toegekend voor de taken die verricht worden voor moeilijk plaatsbare werkzoekenden (zoals bemiddelingsplannen, scholing e.d.) en moeilijk vervulbare vacatures.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  1 051,41 193,81 187,41 163,61 158,6 
1e Suppl.wet 1999:  225,0– 150,0  
Nieuwe mutaties:        
1. Loon-/prijsbijstelling  8,610,09,932,532,4 
2. Kosten euro  0,10,30,20,1  
Stand ontwerp-begroting 2000 (VP) 1 255,7      
Stand ontwerp-begroting 2000 (Uitg) 1 251,31 285,1*1 054,11 197,51 196,21 191,01 191,0

* In dit cijferbeeld is nog niet opgenomen een bedrag van f 350 mln ten behoeve van voorfinanciering aan Arbeidsvoorziening in verband met de voorshands geldende kasblokkade van de Europese Commissie op ESF-subsidies. Bij tussentijds suppletoir begrotingswetsontwerp resp. Nota van Wijziging zal worden voorgesteld met dit bedrag de uitgavenbegroting 1999 resp. de ontvangstenbegroting 2000 van SZW te verhogen.

Vanaf 1999 zijn de verplichtingen gelijk aan de kas.

C. Toelichting bij de cijfers

De nieuwe mutatie heeft betrekking op:

1. De raming wordt aangepast voor de kosten van de loon- en prijsontwikkeling.

2. De raming wordt in de jaren 1999 tot en met 2002 verhoogd uit hoofde van een toedeling uit de aanvullende post euro. De middelen zijn voor de extra uitgaven in die jaren voor de invoering van de euro.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG 1 mln) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Basisbijdrage 566,9539,8404,2 566,9539,8404,2 43A 06.43
Prestatiebijdrage 688,8670,3649,9 684,4670,3649,9 43A 06.43
Sluitende aanpak  75,0   75,0  43C 06.43
Totaal 1 255,71 285,11 054,1 1 251,31 285,11 054,1    

De minister van SZW heeft het CBA in juli 1999 kenbaar gemaakt dat, uitgaande van een rijksbijdrage voor 2000 van f 1 204,1 mln volgens de meerjarenramingen, de basisbijdrage voor 2000 voorlopig is vastgesteld op f 554,2 mln en de prestatiebijdrage voorlopig op f 649,9 mln voor de productie 2000 (baten/lasten-sfeer). Rekening houdend met een eerder met Arbeidsvoorziening overeengekomen kasschuif van f 150 mln van 2000 naar 1999 zal Arbeidsvoorziening in 2000 een bedrag van f 1 054,1 mln van het Rijk ontvangen. De kasschuif is administratief-technisch volledig verwerkt in de basisbijdrage, waardoor deze bijdrage in de begroting voor 2000 met een bedrag van f 150 mln is verminderd.

Over de bestemming van de basis- en prestatiebijdrage voor de verschillende taken en over de daarvoor te leveren diensten heeft overleg plaatsgevonden tussen de minister en het CBA. Na overleg met de RBA's stelt het CBA vervolgens een ontwerp-landelijke begroting en beleidsplan 2000 vast. Hierover zal de minister van SZW medio november overleggen met het CBA, waarna de minister van SZW de landelijke begroting en het beleidsplan dient goed te keuren. Deze stukken worden dan aan de Staten-Generaal aangeboden.

E. Kengetallen

 
(aantallen x 1 000)realisatie 1997realisatie 1998taakstelling 1999
Basisdienstverlening   
administratieve intake981963886
kwalificerende intake172247227
    
vacature-intake286256250
vervulde vacatures174183202
vervullingsquote61%71%81%
    
marktaandeel vacatures25%21%24%
    
Prestatiedienstverlening   
totaal aantal plaatsingen niet-werkenden160159160
waarvan langdurig werklozen555568
    
aantal opgestelde bemiddelingsplannen112109110
aantal uitgevoerde bemiddelingsplannen*88100
aantal plaatsingen uit bemiddelingsplannen**734461
    
plaatsingen uit bemiddelingsplannen t.o.v. totaal uitgevoerde (1998: opgestelde) bemiddelingsplannen66%50%61%
plaatsingen uit bemiddelingsplannen t.o.v. totaal aantal plaatsingen niet-werkenden46%28%38%

Bron: jaarverslagen arbeidsvoorziening 1997 en 1998; landelijk beleidsplan 1999;

* In 1997 nog niet geregistreerd.

** In 1997 betreft dit het ruimere begrip plaatsingen na aanbodversterking, waardoor sprake is van een hoger aantal plaatsingen dan in 1998. De gegevens over het aantal plaatsingen uit bemiddelingsplannen in 1998 en 1999 hebben betrekking op plaatsingen van personen waarvoor een compleet bemiddelingsplan is opgesteld én uitgevoerd. Het totaal aantal plaatsingen en ook het aantal plaatsingen voor moeilijk plaatsbare werklozen is, zoals onder andere blijkt uit de gegevens over plaatsing van langdurig werklozen, niet gedaald van 1997 op 1998.

Het aantal bemiddelingsplannen omvat naast de plannen die uit de Rijksbijdrage worden gefinancierd ook de bemiddelingsplannen die voor overige opdrachtgevers worden uitgevoerd. Voor 1999 bedraagt het aantal bemiddelingsplannen, dat uit het prestatiebudget moet worden gefinancierd, circa 75 000. De kosten voor een bemiddelingsplan zijn afhankelijk van de fase waarvoor een werkzoekende wordt geïndiceerd. Naar verwachting zullen de gemiddelde kosten toenemen doordat het aantal bemiddelingen voor fase 3 toeneemt ten opzichte van de bemiddelingen voor fase 2.

Het verwachte aantal vacature-intakes bedraagt in 1999 circa 24% ten opzichte van het totale aantal nieuwe vacatures in Nederland. Het plaatsingspercentage voor de prestatiedienstverlening zal in 1999 naar verwachting 61% bedragen.

Gegevens voor 2000 worden op zijn vroegst pas eind 1999 bekend. Dan worden afspraken gemaakt over aantallen op te stellen plannen en aantallen te realiseren plaatsingen. Voorshands wordt voor dat jaar een aantal plaatsingen na bemiddelingsplannen van 60% verwacht ten opzichte van het totaal aantal uitgevoerde bemiddelingsplannen.

Toelichting op de gehanteerde begrippen

Basisdienstverlening (inschrijving/matching)

* administratieve intake: gesprek met werkzoekende om deze in te schrijven en een eerste globale beoordeling te laten plaatsvinden van de kans op het vinden van werk (indeling in fase 1, fase 4 of nader te bepalen).

* kwalificerende intake: een gesprek met werkzoekende om een nadere beoordeling te laten plaatsvinden van de kans op werk (indeling in fase 2 of fase 3).

* vacature intake: de geaccepteerde werkopdracht voor een vacaturebehandeling.

* vervullingsquote: geeft een indicatie van het aantal geregistreerde vacatures dat vervuld is met een bij Arbeidsvoorziening geregistreerde werkzoekende.

Prestatiedienstverlening (trajectbegeleiding/plaatsing dienstverlening)

* bemiddelingsplan: planmatige beschrijving van activiteiten gericht op arbeidsmarkttoeleiding (o.a. scholing en sollicitatietraining). De activiteiten moeten binnen twee jaar zijn afgerond.

12.02 Wet sociale werkvoorziening

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De gemeente draagt er zorg voor dat aan zoveel mogelijk ingezetenen, die tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoren, een dienstbetrekking wordt aangeboden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden. Niet langer staan de sociale werkvoorzieningsbedrijven maar de arbeidsgehandicapten die tot de doelgroep Wsw behoren centraal.

De doelgroep van de Wsw bestaat uit personen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Het gaat hierbij om de beperking in relatie tot het te verrichten werk en niet om de handicap op zich. Om te bepalen of iemand tot de doelgroep behoort, is met ingang van 1998 bij de inwerkingtreding van de nieuwe Wsw een onafhankelijke en objectieve procedure voor de indicatiestelling geïntroduceerd.

De Wsw wordt door de gemeenten in medebewind uitgevoerd. Gemeenten kunnen voor de uitvoering van de wet naast de bestaande vormen van arbeid ook het instrument begeleid werken inzetten. Voor het bepalen van de subsidie wordt rekening gehouden met de mate van arbeidshandicap van de geplaatsten (licht, matig en ernstig).

Bij de bepaling van de totale lasten voor het Rijk die samenhangen met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening dienen de anticumulatie-afdrachten op het artikel M1301 in mindering te worden gebracht op dit artikel.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  3 705,03 758,13 801,93 850,43 848,5 
1e Suppl.wet 1999:  0,4  
Nieuwe Mutaties:        
1. Spak vlw  1,11,82,42,72,7 
2. Loonbijstelling  271,5138,3140,1140,0140,0 
Stand ontwerp-begroting 2000 7 353,83 978,03 898,23 944,43 993,13 991,23 991,2

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  3 712,53 754,23 802,03 850,43 848,5 
1e Suppl.wet 1999:  0,4  
Nieuwe Mutaties:        
1. Spak vlw   1,11,82,42,7 
2. Loonbijstelling  135,0136,5138,3140,1140,0 
Stand ontwerp-begroting 2000 3 660,13 847,93 891,83 942,13 992,93 991,23 991,2

C. Toelichting bij de cijfers

De nieuwe mutaties hebben betrekking op:

1. De fiscale afdrachtskorting op grond van de regeling Vermindering langdurig werklozen (VLW) is afhankelijk van het aantal uren dat volgens de arbeidsovereenkomst wordt gewerkt. De volledige korting gold tot en met 1998 voor een baan van 32 uur of meer. Vanaf 1 januari 1999 geldt de volledige korting pas bij een arbeidsovereenkomst van 36 uur; wordt korter gewerkt dan geldt een proportionele korting. Bij de raming van de Wsw-uitgaven is met deze aanpassing van de korting geen rekening gehouden. Door de verlaging van deze korting – die naar verwachting geldt voor één-derde deel van de instroom (circa 1 500) – stijgen de Wsw-uitgaven. De verplichtingenmutatie is hoger doordat de verplichtingen steeds één jaar eerder worden aangegaan. Het effect voor 1999 was al bij eerste suppletore wet verwerkt.

2. De verdeling van de reguliere loonbijstelling. De verplichtingenreeks wijkt af van de uitgavenreeks. In 1999 worden niet alleen de verplichtingen en uitgaven voor dát jaar aangepast, maar worden ook de verplichtingen voor 2000 aangegaan. De voor 2000 toegekende loonbijstelling wordt daarom voor de verplichtingen toegevoegd aan de begroting 1999. De toekenningen voor de overige jaren schuiven in de verplichtingensfeer eveneens een jaar op.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 mln.) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Budgetvoorziening op decentraal niveau 7 344,03 955,83 879,4 3 654,03 825,73 873,0 43C 06.34
Budgetvoorziening op centraal niveau 9,822,218,8 6,122,218,8 43C 06.34
Totaal 7 353,83 978,03 898,2 3 660,13 847,93 891,8    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp begroting 2000
Totaal budgetvoorziening (x f 1 mln)3 660,13 847,93 891,8
Volume (in se's*)85 160**86 30087 500
Gemiddelde uitgaven per eenheid (x f 1)42 98044 58544 480

* se = standaardeenheid

** De gemiddelde bezetting 1998 is de bezetting op basis waarvan de bekostiging voor de sociale werkvoorziening in 1998 was gebaseerd. De feitelijke gemiddelde bezetting over 1998 wordt pas in het najaar van 1999 bekend na verwerking van de jaarverantwoordingen van de gemeenten.

Over 1998 zijn nog onvoldoende volumegegevens bekend. Deze gegevens komen in het najaar van 1999 beschikbaar na ontvangst en verwerking van de jaaropgaven.

Uit voorlopige gegevens blijkt dat in 1998 circa 2000 personen in de Wsw zijn geplaatst; hiervan zijn ruim 100 personen (6% van het aantal plaatsingen) in het begeleid werken terecht gekomen. Naar verwachting zal het aantal Wsw'ers de komende jaren nog met ruim 1000 standaardeenheden per jaar toenemen als gevolg van de intensivering uit het Regeerakkoord. De gemiddelde uitgaven per standaardeenheid dalen van 1999 naar 2000 licht als gevolg van effecten van de wet vermindering afdracht loonbelasting en premies volksverzekeringen (WVA).

Als gevolg van herindicatie van een deel van de eind 1997 bestaande wachtlijst, verminderde instroom en de uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen op grond van het Regeerakkoord is de omvang van de wachtlijst in 1998 volgens voorlopige gegevens met ruim 4 500 personen verminderd tot ongeveer 15 800 eind 1998.

Ter toelichting:

* een standaardeenheid is de eenheid die overeenkomt met een arbeidsplaats van 36 uur voor een werknemer die op grond van (her)indicatie is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig.

12.03 Jeugdwerkgarantiewet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Jeugdwerkgarantiewet is per 1 januari 1998 opgegaan in de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Op dit artikel worden eventuele nabetalingen verantwoord.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0  
1e Suppl.wet 1999:        
1. Nabetalingen  7 500  
Stand ontwerp-begroting 2000 14 5277 50000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Loonkosten  12 9667 500  12 9667 500 43C 06.43
Trajectovereenkomsten 1 5610  1 5610  43C 06.43
Totaal 14 5277 5000 14 5277 5000    

Naar verwachting zullen ook in 2000 nog uitgaven ten laste van dit artikel worden verricht. Deze uitgaven houden verband met de afwikkeling van de afrekeningen over de jaren tot en met 1997. De omvang van de uitgaven is vooraf niet te ramen. Tijdens de begrotingsuitvoering 2000 zal de noodzaak van een begrotingsmutatie worden bezien.

12.04 Banenpools

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Banenpools zijn per 1 januari 1998 opgegaan in de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw). Op dit artikel worden eventuele nabetalingen verantwoord.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0  
1e Suppl.wet 1999:        
1. Nabetalingen  15 000  
Stand ontwerp-begroting 2000 11 29115 00000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Vrijvallende uitkeringen 11 29115 000  11 29115 000  43C 06.43
Doorstroomsubsidies         43C 06.43
Invoeringskosten WIW         43C 06.43
Totaal 11 29115 0000 11 29115 0000    

Naar verwachting zullen ook in 2000 nog uitgaven ten laste van dit artikel worden verricht. Deze uitgaven houden verband met de afwikkeling van de afrekeningen over de jaren tot en met 1997. De omvang van de uitgaven is vooraf niet te ramen. Tijdens de begrotingsuitvoering 2000 zal de noodzaak van een begrotingsmutatie worden bezien.

12.05 Inkoop sociale diensten bij arbeidsvoorziening

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten heeft als doel de inschakeling van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden op de arbeidsmarkt te bevorderen. De ministeriële regeling op basis van de begrotingswet SZW 1996 is in 1997 opgevolgd door een AMvB. Dit besluit vindt zijn grondslag in artikel 137A van de Algemene bijstandswet.

In totaal zijn 86 gemeenten in 1998 en 1999 geselecteerd omdat ze meer dan 900 uitkeringsgerechtigden hadden. Daaronder zijn de oorspronkelijke 25 gemeenten van het Grotestedenbeleid nog steeds vertegenwoordigd.

In het kader van verdere ontwikkeling van het inkoopmodel wordt in 2000 vrije inkoop geïntroduceerd. Gemeenten krijgen hierdoor meer mogelijkheden de inkoopmiddelen effectief en efficiënt in te zetten.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  104 400103 400102 300101 200101 200 
Nieuwe Mutaties:        
1. Compensatie BTW gemeenten   11 60011 60011 60011 600 
2. Loon-/prijsbijstelling 1999  200020001 9001 9001 900 
Stand ontwerp-begroting VP 105 397      
Stand ontwerp-begroting kas 106 397106 400117 000115 800114 700114 700114 700

Vanaf 1999 zijn de verplichtingen gelijk aan de kas.

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties betreffen:

1. In tegenstelling tot verplichte inkoop wordt bij vrije inkoop BTW geheven. Om te voorkomen dat gemeenten daardoor minder diensten kunnen inkopen, is het jaarlijkse budget hiervoor verhoogd.

2. De reguliere verdeling van de loon-/prijsbijstelling 1999.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.43

– De economische codering is 12

E. Kengetallen

Volgens voorlopige gegevens zijn met het inkoopbudget over 1998 ongeveer 14 000 trajecten gestart. Eenzelfde aantal trajecten wordt over 1999 nagestreefd.

Medio 1998 is onderzoek afgerond naar de eerste fase van het inkoopmodel sinds de start in 1996. In 1999 is evaluatie-onderzoek over 1998 afgerond en afgezet tegen de ontwikkeling van drie jaren inkoop. Uit de evaluaties blijkt dat uitvoerders ervaring hebben opgedaan met inkoop en marktwerking. Ook blijkt dat ze vooruitgang hebben geboekt met de arbeidsmarkttoeleiding van moeilijk plaatsbaren door middel van inkoop. Wel blijven er nog uitvoeringstechnische problemen, zoals de inzichtelijkheid van het cliëntenbestand en de complexe regelingen. Hiermee wordt rekening gehouden bij de vormgeving van de nieuwe inkoopregelgeving vanaf 2000. De evaluatie levert geen contra-indicatie op voor de verdere ontwikkeling van het inkoopmodel.

12.06 Gemeentelijk werkfonds

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) heeft tot doel langdurig werklozen, arbeidsgehandicapten, uitkeringsgerechtigden en werkloze jongeren tot 23 jaar te stimuleren om aan activiteiten deel te nemen die toetreding tot het arbeidsproces bevorderen en sociale uitsluiting voorkomen. De gemeenten voeren de Wiw uit. Met de Wiw beschikken gemeenten over een uitgebreid instrumentarium om uitstroom uit de bijstand en andere, daarmee gelijkgestelde, wetten naar arbeid te bevorderen. De financiële middelen voor de uitvoering door gemeenten komen uit het Gemeentelijk werkfonds (Gwf).

Gemeenten beschikken met de Wiw over de volgende instrumenten: de dienstbetrekking voor jongeren en langdurig werklozen, de werkervaringsplaats, een plaatsingsbudget of pakket op maat voor arbeidsgehandicapten en scholing, bemiddeling, sociale activering, kinderopvang, incentives, etc. Met het Gemeentelijk werkfonds kunnen gemeenten per dienstbetrekking, werkervaringsplaats of plaatsingsbudget REA een vastgesteld basisbedrag declareren. Daarnaast beschikken gemeenten met het werkfonds over twee andere budgetten, namelijk een vast budget voor aanvullende kosten (het zogenoemde normbudget) van de dienstbetrekkingen en een scholings- en activeringsbudget.

Voor jongeren tot 23 jaar is sprake van een sluitende aanpak binnen de Wiw. Voor arbeidsgehandicapten zijn reeds middelen beschikbaar voor een sluitende aanpak. Met ingang van 1 juli 1999 beschikken de 25 grote steden over extra middelen, die beschikbaar zijn gesteld in het kader van de sluitende aanpak en bestemd zijn voor het voorkomen van langdurige werkloosheid van niet-arbeidsgehandicapte personen van 23 jaar en ouder, met een Abw, Ioaw of Ioaz uitkering voordat zij twaalf maanden werkloos zijn.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  1 840 4111 892 2881 915 5141 955 6621 963 100 
1e Suppl.wet 1999:  – 80 800– 26 1009 400900  
Nieuwe Mutaties:        
1. Kinderopvang   – 90 000– 90 000– 90 000– 90 000 
2. Correctie normbudget  29 600     
3. Sociale activering   – 23 000– 17 000   
4. Loon-/prijsbijstelling  87 00045 90060 70055 80057 000 
5. BTW-compensatie   3 5003 5003 5003 500 
6. IHS-banenpools  27 80017 40010 400  
Stand ontwerp-begroting 2000 2 400 4101 904 0111 819 9881 892 5141 925 8621 933 6001 906 100
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  1 836 2111 898 8881 917 4141 955 6621 963 100 
1e Suppl.wet 1999:  – 61 700– 66 200  
Nieuwe Mutaties:        
1. Kinderopvang   – 90 000– 90 000– 90 000– 90 000 
2. Correctie normbudget   29 600    
3. Sociale activering    – 23 000– 17 000  
4. Loon-/prijsbijstelling  56 70058 00058 70060 00060 200 
5. BTW-compensatie   3 5003 5003 5003 500 
6. IHS-banenpools  27 80017 40010 400  
Stand ontwerp-begroting 2000 1 604 5701 859 0111 851 1881 877 0141 912 1621 936 8001 937 000

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties betreffen:

1. De voor kinderopvang beschikbare middelen worden structureel overgeboekt naar het voor dit beleid beschikbare begrotingsartikel U1408 «Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders in de Abw».

2. Bij 1e suppletore wet is het normbudget 2000 verlaagd met f 29,6 mln. Dit had niet mogen gebeuren, omdat door deze verlaging gemeenten minder normbudget toegekend zouden krijgen dan bij de totstandkoming van de Wiw was bepaald. Met deze mutatie wordt het normbudget weer gecorrigeerd naar het gewenste niveau. Een soortgelijke correctie voor het normbudget 1999 is binnen dit artikel opgevangen.

3. Ter dekking van de uitgaven voor sociale activering in de jaren 2000 tot en met 2003 wordt het Wiw-budget voor 2001 en 2002 met totaal f 40 mln verlaagd (zie verder artikel U1501, toelichting onder C, op mutatie «Sociale activering»).

4. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling. Omdat voor een gedeelte van dit artikel de verplichtingen voor enig jaar al een jaar eerder worden aangegaan, wijkt de verplichtingenreeks af van de uitgavenreeks.

5. Gemeenten worden gecompenseerd voor de BTW die geheven wordt voor activiteiten die worden ontplooid voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten.

6. De voormalige banenpoolers krijgen door het vervallen van de Wet Vermeend-Moor minder huursubsidie. Dit koopkrachtverlies wordt voor de jaren 1999 tot en met 2001 gecompenseerd. De uitvoering is in handen van het ministerie van VROM; zij brengt de kosten – naar raming totaal circa f 50 mln in 3 jaar – bij SZW in rekening.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Normbedrag dienstbetrekkingen 893 263517 100452 600 452 663481 700439 300 43C 06.43
Basisbedrag dienstbetrekkingen 800 077794 911869 988 800 077794 911869 988 43C 06.43
Werkervaringsplaatsen 0105 000108 600 0105 000108 600 43C 06.43
REA-plaatsingen 124 10389 00092 500 61 10389 00092 500 43C 06.43
Scholing en activering 558 087357 760278 900 278 287348 160310 960 43C 06.43
Regeling G4 24 88012 4400 12 44012 44012 440 43C 06.43
IHS-banenpools  27 80017 400  27 80017 400    
Totaal 2 400 4101 904 0111 819 988 1 604 5701 859 0111 851 188    

De realisatie 1998 van de werkervaringsplaatsen is om administratief-technische redenen in de begrotingsadministratie volledig verantwoord onder het basisbedrag dienstbetrekkingen.

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998*Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Normbedrag   
Uitgaven (x f 1 mln)452 663481 700439 300
Aantal dienstbetrekkingen (x 1)54 10052 80051 500
Gemiddelde uitgaven (x f 1)8 3659 1258 530
    
Basisbedrag**   
Uitgaven (x f 1 mln)800 077794 911869 988
Aantal dienstbetrekkingen (x 1)47 06545 40048 100
Gemiddelde uitgaven (x f 1)17 00017 49818 100
    
Werkervaringsplaatsen   
Uitgaven (x f 1 mln) 105 000108 600
Aantal dienstbetrekkingen (x 1) 6 0006 000
Gemiddelde uitgaven (x f 1) 17 49818 100

* De in de realisatie 1998 weergegeven gemiddelde bezetting is de bezetting op basis waarvan de bekostiging voor deze onderdelen in 1998 is gebaseerd.

** Om administratief-technische redenen zijn in de realisatie 1998 impliciet de werkervaringsplaatsen begrepen.

In de uitgaven 1999 is bij het normbedrag de loon-/prijsbijstelling verwerkt voor het basisbedrag en de werkervaringsplaatsen. Reden hiervoor is een administratief-technische. Door de bekostigingssystematiek is het niet mogelijk om in de loop van het uitvoeringsjaar het basisbedrag per dienstbetrekking/werkervaringsplaats te wijzigen. Om gemeenten niet tekort te doen, wordt daarom de toegekende loon-/prijsbijstelling voor deze onderdelen toegewezen aan het normbudget. De normbedragen per categorie worden hiertoe in het uitvoeringsjaar extra verhoogd.

De onder «ontwerp-begroting 2000» genoemde gemiddelde uitgaven zijn voorlopige bedragen.

Vóór 1 oktober 1999 worden de definitieve bedragen voor 2000 vastgesteld.

De opbouw van het Wiw-budget is als volgt. Voor elke Wiw-dienstbetrekking respectievelijk werkervaringsplaats is in 2000 een te declareren basisbedrag van f 17 498 beschikbaar; dit bedrag is op loon-/prijsniveau 1999. Naast dit basisbedrag krijgt elke gemeente voor de dienstbetrekkingen de beschikking over een vast budget voor aanvullende loonkosten. In de besteding van dit budget wordt uitgegaan van normbedragen per categorie. Daarnaast ontvangt elke gemeente een vast scholings- en activeringsbudget waarmee ze activiteiten op dit terrein kunnen bekostigen.

Op het moment van afronden van de begroting waren bij SZW nog onvoldoende gegevens bekend over de realisatie en het aantal plaatsingen over 1999. Uit eerste – voorlopige – gegevens over het 1e kwartaal 1999 lijkt naar voren te komen dat het aantal dienstbetrekkingen zich stabiliseert, na een daling in de loop van 1998. Het aantal werkervaringsplaatsen is in het 1e kwartaal 1999 verder gestegen.

Ontwikkeling WIW dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen over 1998
 1-01-98instroom 1998uitstroom 199831-12-98*
jeugd, dienstbetrekkingen18 7307 75012 50014 000
langdurig werkloos, dienstbetrekkingen23 6335 5004 50024 750
Totaal dienstbetrekkingen42 36313 25017 00038 750
     
Werkervaringsplaatsen06 5001 5005 000

* De eindstanden 1998 zijn voorlopig en gebaseerd op extrapolaties van ongeveer 75% dekking. Ook de instroom en uitstroomcijfers zijn voorlopig. Om deze reden zijn ze afgerond op 250.

De Wiw kent dienstbetrekkingen (DB) voor jongeren en voor langdurig werklozen en werkervaringsplaatsen (WEP). De voormalige banenpoolers en deelnemers aan de jeugdwerkgarantiewet zijn per 1-1-1998 overgegaan naar de Wiw-dienstbetrekkingen. De WEP is nieuw; dit verklaart de beginstand.

De gunstige arbeidsmarkt in 1998 had een sterk effect op de Wiw-dienstbetrekkingen. De instroom in de dienstbetrekkingen was in 1998 lager dan de uitstroom. Dat had tot gevolg dat het aantal personen met een dienstbetrekking is afgenomen. Het aantal jongeren in een Wiw-dienstbetrekking is in 1998 sterk teruggelopen; daarentegen is het aantal langdurig werklozen in een dienstbetrekking iets gestegen. Overigens is het aantal arbeidsovereenkomsten voor 32 uur gestegen in verhouding tot het aantal arbeidsovereenkomsten voor 36 uur. Dit wijst op een uitstroom van voormalige banenpoolers (met arbeidsovereenkomsten voor 36 uur) en instroom van langdurig (langer dan 3 jaar) werklozen (met arbeidsovereenkomsten van meestal 32 uur).

Met de Wiw zijn er in de dienstbetrekkingen twee nieuwe doelgroepen bijgekomen, namelijk de langdurige werklozen met een werkloosheidsduur tussen één en twee jaar en die met een werkloosheidsduur tussen de twee en drie jaar. De instroom van deze twee nieuwe doelgroepen, met een eindstand van totaal ongeveer 700 dienstbetrekkingen, was in 1998 nog gering. Los van de plaatsingsmogelijkheden op reguliere banen die de gunstige arbeidsmarkt bood, zijn vermoedelijk de werkervaringsplaatsen eerder dan de dienstbetrekkingen als instrument voor deze doelgroep ingezet. De nieuwe instroom betrof in 1998 vooral langdurig werklozen met een werkloosheidsduur langer dan drie jaar.

De uitstroom uit de dienstbetrekkingen betrof voor 56% van de gevallen uitstroom naar andere reguliere arbeid. Onder de voormalige JWG'ers was dat beeld gunstiger (64%). De tweede reden van uitstroom was ontslag: gemiddeld 21%, waarbij ook de voormalige JWG'ers gunstiger scoren (16%) dan de langdurig werklozen. De uitstroom naar scholing was laag (2%).

Het aantal aanstellingen op een werkervaringsplaats steeg in 1998 sterk. De instroom in de laatste twee kwartalen van 1998 lag boven de 2000 per kwartaal, de totale instroom over 1998 lag boven de 6 000 personen. Omdat ook al personen zijn uitgestroomd (de meeste plaatsingen betreffen banen tussen een half en een heel jaar), is de groei van het totaal aantal werkervaringsplaatsen later in het jaar minder sterk, de eindstand zal op ongeveer 5 000 liggen. Omdat de werkervaringsplaatsen – met een gangbare arbeidsduur van 6 tot 12 maanden – in de loop van 1998 voor het eerst gerealiseerd werden, zijn nog geen representatieve gegevens over de uitstroombestemmingen bij dit instrument beschikbaar.

Profielen

1. Leeftijdsopbouw

De gemiddelde leeftijd van de mensen met een dienstbetrekking is met 36,4 jaar ruim 2,5 jaar hoger dan de deelnemers met een werkervaringsplaats die gemiddeld 33,9 jaar zijn. Bij de dienstbetrekkingen valt op dat de leeftijdsgroep 28 tot 34 jaar sterk ondervertegenwoordigd is. Deze leefstijdsopbouw is het gevolg van de overgang van de oude doelgroepen JWG (jongeren) en Banenpool (langdurig werklozen, meest ouderen) naar de Wiw-dienstbetrekkingen.

Leeftijdsverdeling per leeftijdsklasse

kst-26800-XV-2-5.gif

2. Opleidingsniveau

In onderstaande grafiek is af te lezen dat het opleidingsniveau van de deelnemers aan een werkervaringsplaats gemiddeld hoger lag dan bij de dienstbetrekkingen, conform het beleid waarbij de werkervaringsplaats dichter bij de reguliere arbeidsmarkt ligt dan de dienstbetrekking.

Opleidingsniveau WIW en de totale beroepsbevolking

3. Fase-indeling

kst-26800-XV-2-6.gif

De personen met een dienstbetrekking in 1998 blijken voor meer dan 50% een fase 4 indeling (grootste afstand tot de arbeidsmarkt) te hebben. Opvallend is dat dit percentage toenam. Bij de werkervaringsplaatsen blijken de plaatsingen zich vrijwel volledig te concentreren op mensen met een fase 3 indeling. Ook dat percentage is licht toegenomen vanaf half 1998. Het geconstateerde verschil tussen dienstbetrekking en werkervaringsplaats naar fase-indeling is eveneens conform het beleid. kst-26800-XV-2-7.gif

4. Geslacht

Het aantal mannen met een werkervaringsplaats was in 1998 2 maal zo groot (66%) als het aantal vrouwen (34%). Bij de dienstbetrekkingen is de verdeling meer evenredig, hoewel ook hier meer mannen werken (54%) dan vrouwen (46%). Het bereik van het instrument dienstbetrekkingen onder vrouwen is relatief hoog vergeleken met de algemene arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland. Onder de zeer laag opgeleiden is die 34%, onder lager en middelbaar opgeleiden ongeveer 40%. Onder de werkervaringsplaatsen daarentegen is arbeidsparticipatie van vrouwen lager dan gemiddeld in Nederland, ook vergeleken met categorieën met vergelijkbaar opleidingsniveau als de doelgroep van de werkervaringsplaatsen.

5. Sector van tewerkstelling.

Er blijkt een groot verschil te bestaan tussen de sectoren waar de personen met een dienstbetrekking feitelijk werkzaam zijn en de sectoren die werkervaringsplaatsen bieden. De werkervaringsplaatsen zijn in meerderheid te vinden in het bedrijfsleven, terwijl de dienstbetrekkingen vrijwel uitsluitend in de publieke sector worden ingezet. Dat dienstbetrekkingen vooral in de publieke sector te vinden zijn is mede het gevolg van de overgang van werknemers uit de oude banenpoolregeling (beperking tot publieke sector) en Jeugdwerkgarantiewet (recent opengesteld voor de marktsector) naar de Wiw.

 
SectorDB in %WEP in %
1 Bedrijfsleven, Industrieel318
2 Bedrijfsleven, dienstverlening537
3 Overheid en welzijn4921
Onderwijs171
Gezondheidszorg173
Uitzendbureau09
Overig/onbekend911
 100100

Toelichting op sectoren

1. landbouw en visserij, delfstoffenwinning, industrie, bouwnijverheid en installatiebedrijven

2. openbare nutsbedrijven, handel, horeca, reparatiebedrijven, transport, opslag, communicatie

3. openbaar bestuur, maatschappelijke dienstverlening, sociaal-culturele instellingen, sport en recreatie en overige dienstverlening

12.07 Regeling schoonmaakdiensten particulieren

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Regeling schoonmaakdiensten particulieren (RSP) beoogt enerzijds verruiming van de markt voor huishoudelijke dienstverlening. Anderzijds beoogt de regeling de inschakeling van minder kansrijke werkzoekenden in het arbeidsproces. Hiertoe voorziet de regeling in een subsidie voor werkgevers die schoonmaakdiensten aan particulieren aanbieden voor zover zij (voorheen langdurig werkloze) werknemers in de zin van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekering (WVA) in dienst hebben. De uitvoering van de regeling is uitbesteed aan de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en bedrijfsdiensten (OSB).

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  19 60044 10068 70098 10098 100 
1e Suppl.wet 1999:  400  
Nieuwe mutaties:        
1. Loon-/prijsbijstelling 1999  7001 6002 4003 4003 400 
Stand ontwerp-begroting 2000 3 62020 70045 70071 100101 500101 500101 500

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie betreft:

1. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling 1999.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Loonkostenvergoeding 2 71020 20045 100 2 71020 20045 100 43C 06.43
Uitvoeringskosten 910500600 910500600 12 06.43
Totaal 3 62020 70045 700 3 62020 70045 700    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Vergoeding loonkosten   
Totaal uitgaven (x f 1 000):4 200*20 20045 100
Gemiddeld aantal 32-uurs arbeidscontracten2201 0352 230
Gemiddeld bedrag (x f 1,–)19 00019 50020 200
    
Uitvoeringskosten   
Totaal uitgaven (x f 1 000)910500600
Uitvoeringskosten per 32-uurs arbeidscontract (x f 1,–)4 135485270

* hiervan is in 1998 f 2,7 mln betaald (zie tabel onder D.); het restant is betaald in 1999.

In de realisatie 1998 is het gemiddeld aantal arbeidscontracten van 220 gebaseerd op 32-uurs banen. In de praktijk ligt het aantal werknemers hoger, aangezien in 1998 gemiddeld ongeveer 22,5 uur per werknemer werd gewerkt. Ultimo 1998 zijn volgens een rapportage van de OSB over het 1e kwartaal 1999 ongeveer 625 werknemers actief via de regeling. Verwacht wordt dat het gemiddeld aantal 32-uurs contracten zal toenemen tot ongeveer 1 000 in 1999 en ruim 2 200 in 2000.

De uitvoeringskosten 1998 zijn overeenkomstig de goedgekeurde begroting van de uitvoeringsorganisatie en bevat naast de uitvoeringskosten ook de eenmalige invoeringskosten die samenhangen met de implementatie van deze regeling in 1998. De gemiddelde uitvoeringskosten per 32-uurs contract zijn hierdoor in 1998 hoog. De gemiddelde uitvoeringskosten dalen na 1998 overigens, doordat het aantal werknemers in de regeling groeit bij gelijkblijvende vaste kosten als onderdeel van de totale uitvoeringskosten.

De onder «ontwerpbegroting 2000» genoemde gemiddelde bedragen zijn voorlopig. In het najaar 1999 worden definitieve bedragen vastgesteld.

12.08 Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In 1999 is, voortvloeiend uit het regeerakkoord, de regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen (EWLW) omgezet in de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (regeling ID-banen). De beloning van de instroombanen vangt aan op 100% van het wettelijk minimum(uur)loon (WML) en mag niet hoger zijn dan 130% WML. De beloning van de doorstroombanen zal maximaal 150% WML bedragen.

De grondslag voor de uitgaven van de ID-banen zal worden vastgelegd in een amvb, die in werking treedt op 1 januari 2000. Deze grondslag ligt voor 1999 vast in een ministeriële regeling.

Met ingang van 1 januari 1999 is de uitvoering en financiering van de banen in de gemeentelijke sector (de zogenaamde gemeentebanen) overgedragen van BZK aan SZW. Met ingang van 1 januari 2000 worden uitvoering en financiering van de banen in de sectoren zorg en welzijn (de zogenaamde zorgbanen) overgedragen van VWS aan SZW. De beleidsvorming en -uitvoering van de ID-banen ligt vanaf 1 januari 2000 dus geheel in handen van SZW.

Vanwege de overdracht van de zorgbanen aan SZW komt er een tijdelijke overhevelingsbijdrage in de uitvoeringskosten voor gemeenten: voor iedere naar de gemeente overgehevelde zorgbaan wordt een eenmalig extra bedrag ter beschikking gesteld. Dit bedrag is nodig voor de opstart van het beheer en de uitvoering van de zorgbanen door de gemeenten.

Er komt een uitstroompremie voor mensen die blijvend uit de regeling ID-banen stromen naar ander regulier werk. Het recht op de premie ontstaat voor werknemers twee jaar nadat zij in dienst zijn getreden op basis van de regeling ID-banen. Zij krijgen een half jaar na uitstroom de premie onder bepaalde voorwaarden uitbetaald.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  200 000400 000600 000800 000800 000 
1e Suppl.wet 1999:  737 100– 73 900– 62 100– 31 000101 300 
Nieuwe Mutaties:        
1. Overboeking van BZK   959 088979 931998 980998 980 
2. Overboeking van VWS   533 116542 081540 968542 002 
3. Loon-/prijsbijstelling  7 10014 20021 30028 40028 400 
Stand ontwerp-begroting 2000  944 2001 832 5042 081 2122 337 3482 470 6822 475 882

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties kunnen als volgt worden toegelicht.

1. De bij BZK nog beschikbare begrotingsmiddelen voor de voormalige regeling EWLW – variërend van f 959,1 mln voor 2000 naar f 999,0 mln voor 2003 – worden overgeboekt naar de SZW-begroting ter financiering van de gemeentebanen van de regeling ID-banen. Op de BZK-begroting resteren dan vanaf 2000 geen middelen meer voor deze regeling met uitzondering van de prijsbijstelling (zie 3.).

2. De bij VWS voor de zorgbanen beschikbare begrotingsmiddelen, oplopend van f 533,1 mln voor 2000 tot f 542,0 mln vanaf 2003, worden vanwege de overdracht van de uitvoering en financiering ervan vanaf 2000 overgeboekt naar de SZW-begroting. Voor de jaren 2000 tot en met 2002 zijn deze bedragen met f 1 mln verminderd ter financiering van de regiepunten; deze financiering geschiedt door VWS, waardoor de betreffende middelen op de begroting van dat ministerie blijven staan. Daarnaast heeft VWS op haar begroting nog de toegekende prijsbijstelling vanaf 2000 (zie 3.).

3. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling. Deze reeks bevat uitsluitend de bijstelling voor de bij Regeerakkoord toekende extra middelen, welke bij ontwerp-begroting 1999 in de begroting zijn verwerkt. De door VWS en BZK overgeboekte middelen (zie 1. en 2.) zijn inclusief de loonbijstelling, maar nog exclusief de prijsbijstelling. Deze prijsbijstelling zal uiterlijk in het voorjaar 2000 door beide ministeries naar de begroting van SZW worden overgeboekt.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Instroombanen  944 2001 659 800  944 2001 659 800 43C 06.43
Doorstroombanen   160 704   160 704 43C 06.43
Uitstroompremie   12 000   12 000 43C 06.43
Totaal  944 2001 832 504  944 2001 832 504    

E. Kengetallen

 
 Vermoedelijke uitkomst '99Ontwerp-begroting 2000
Loonkostenvergoeding incl. aanvullende kosten  
Op SZW-begroting beschikbaar budget voor loonkosten c.s. (in mln)944,2**1 765,2***
   
Gemiddeld aantal bezette banen gedurende het jaar27 30047 400
Waarvan:  
* instroombanen27 30043 700
* doorstroombanen3 700
   
Instroom in het jaar10 00010 500
Uitstroom in het jaar2 5005 000
   
Gemiddelde vergoeding per baan (in guldens)38 00037 240
   
Uitstroompremie:  
Budget voor uitstroompremie (in mln) 12,0
   
Totaal aantal werknemers waarop regeling van toepassing is18 50026 500
Waarvan uitstroomt naar ander werk buiten de regeling en aanspraak maakt op premie8001 400
   
Uitstroompremie per persoon (in guldens) 8 000
   
Overhevelingstoelage  
Budget voor overhevelingstoelage (in mln) 55,3
   
Aantal overgehevelde banen 13 830
   
Gemiddelde overhevelingstoelage (in guldens) 4 000

* Er zijn geen cijfers over 1998 opgenomen, omdat de uitvoering voor dat jaar nog bij BZK en VWS lag. De cijfers 1999 bevatten alleen de gemeentebanen; de banen uit de zorgsector worden in 1999 nog via VWS bekostigd.

** Op de begroting van BZK resteert nog een begrotingsbedrag van f 64,2 mln plus de loon-/prijsbijstelling over 1999. Bij de berekening van de gemiddelde vergoeding per baan is hiermee, voor zover mogelijk, rekening gehouden.

*** Deze bedragen zijn exclusief de prijsbijstelling 1999 van BZK en VWS.

Het geraamde gemiddeld aantal bezette banen gedurende het jaar is gebaseerd op de veronderstelling dat het gemiddeld ongeveer een half jaar duurt voordat de nieuwe tranche banen bezet is. Uit het voor SZW beschikbare budget voor loonkosten en het gemiddelde aantal bezette banen gedurende het jaar, vloeit het gemiddeld beschikbare vergoedingsbedrag per baan voort.

Omdat de uitstroompremie een half jaar na uitstroom wordt uitgekeerd, komen de kosten van de uitstroom in 1999 volledig, en die van de uitstroom 2000 voor de helft ten laste van de begroting voor 2000; de andere helft van de premieuitgaven 2000 komt ten laste van de begroting 2001. De uitstroompremie is van toepassing op die ID-werknemers die twee jaar of langer in de regeling zitten; voor 1999 en 2000 is dit aantal geraamd op respectievelijk 18 500 en 26 500 ID-werknemers. De premie wordt uitbetaald aan die werknemers die de regeling verlaten omdat ze een andere baan hebben gevonden. Omdat de regeling van de uitstroompremie pas op 1 januari 2000 een feit zal zijn, is het aantal deelnemers dat aanspraak kan maken op de premie nog beperkt.

In totaal worden er van de zorgsector 13 830 banen van de uitvoeringsorganisaties naar de gemeenten overgeheveld. Als een eenmalige vergoeding ontvangen de gemeenten hiervoor f 4000 per baan.

Er is extra aandacht gevraagd voor de instroom van arbeidsgehandicapten. Aan gemeenten is gevraagd om tenminste 10% van de nieuwe instroom in de ID-banen voor deze categorie te reserveren. Voorts wordt er rekening mee gehouden dat – zoals toegestaan – ongeveer één op de zes banen een doorstroombaan zal worden. Deze banen ontstaan vanaf 2000, waardoor de verhouding instroom-/doorstroombanen in dat jaar anders is.

12.09 Sluitende aanpak

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In de notitie «Langdurige Werkloosheid Voorkomen», die in november 1998 aan de Tweede Kamer is aangeboden, is de ambitie verwoord om te komen tot een sluitende aanpak voor de jaarlijkse nieuwe instroom van volwassen werkzoekenden voordat zij twaalf maanden werkloos zijn.

Dit artikel omvat de extra middelen die, in aanvulling op de bestaande inzet voor deze groep, jaarlijks voor dit doel beschikbaar zijn. Deze extra middelen zijn bedoeld om een samenhangend pakket maatregelen te treffen gericht op scholing, het verkrijgen van werkervaring en integratie in het arbeidsproces. De sluitende aanpak is daarmee complementair aan reeds bestaande arbeidsmarktinstrumenten. Voor de uitvoering van de sluitende aanpak wordt aangesloten bij activiteiten van de op dit terrein reeds actieve instanties: Arbeidsvoorziening, gemeenten en de uitvoeringsinstanties voor de sociale verzekeringen.

De sluitende aanpak voor WW-gerechtigden heeft als basis de Wet Experimenten WW. Het Tijdelijk Besluit Sluitende Aanpak regelt de verdere uitwerking van dit wetsartikel ten behoeve van de sluitende aanpak. Voor Abw-gerechtigden wordt gebruik gemaakt van het scholings- en activeringsinstrumentarium van de WIW. Het Besluit Uitvoering en Financiering Wiw is daartoe aangepast. Ten behoeve van werkzoekenden zonder, of met een andersoortige werkloosheidsuitkering worden middelen toegevoegd aan de rijksbijdrage Arbeidsvoorziening. De beschikbare middelen per uitkeringstype worden vanuit het artikel sluitende aanpak naar de relevante artikelen overgeboekt en van daaruit besteed.

Reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt volledig gefinancierd vanuit de wet REA. Vanuit het artikel sluitende aanpak zijn voor deze groep derhalve geen extra middelen gereserveerd.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0  
1e Suppl.wet 1999:  8 550166 150244 750272 450278 050 
Nieuwe mutaties:        
1. BTW-compensatie  16 00035 00051 00060 00064 000 
2. Loon-/prijsbijstelling  2 3004 4006 7007 4007 400 
Stand ontwerp-begroting 2000  26 850205 550302 450339 850349 450349 450

C. Toelichting bij de cijfers

De feitelijke uitgaven voor de sluitende aanpak worden niet op dit artikel verantwoord, maar de middelen worden naar de relevante begrotingsartikelen overgeboekt. Dit gebeurt jaarlijks voorafgaand aan de aanvang van het betreffende jaar. Hiertoe worden met Arbeidsvoorziening, gemeenten en uvi's afspraken gemaakt. De budgettaire verwerking van deze afspraken zal worden verwerkt bij nota van wijziging op deze begroting, danwel bij 1e suppletore wet 2000.

De voorgestelde nieuwe mutaties betreffen:

1. De drie uitvoeringskolommen worden gecompenseerd voor de BTW die geheven wordt voor activiteiten die worden ontplooid voor de sluitende aanpak.

2. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.43.

– De economische codering is 43C.

E. Kengetallen

Voor de sluitende aanpak is voor 2000 in totaal circa f 240 mln beschikbaar. Van dit bedrag wordt via de rijksbegroting f 205 mln gefinancierd (dit bedrag is inclusief inverdieneffecten Abw, maar exclusief ESF middelen en inverdieneffecten WW); het restant wordt gefinancierd in de premiesfeer. Uitgaande van de in de Nota Langdurige Werkloosheid Voorkomen gehanteerde gemiddelde prijzen – aangepast voor de BTW-kosten en de stijging van de lonen en prijzen in 1999 – zullen voor het totaal budget ad f 240 mln in 2000 circa 35 000 trajecten gerealiseerd kunnen worden. SZW moet hierover nog afspraken maken met de uitvoerders. Op basis van ervaringscijfers van Arbeidsvoorziening lijkt een plaatsingspercentage van circa 60% voor fase 2 en 3 haalbaar. Voor fase 4 is geen plaatsingspercentage te geven.

HOOFDBELEIDSTERREIN 13. SOCIALE VERZEKERINGEN

13.01 Algemene Kinderbijslagwet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voorziet in een tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van eigen, aangehuwde en pleegkinderen tot 18 jaar (en onder voorwaarden voor een overgangsperiode tot 25 jaar) van de rechthebbenden die belast zijn met hun verzorging.

Alle kosten worden vergoed via dit begrotingsartikel. De Sociale Verzekeringsbank (SVb) keert de kinderbijslag uit.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  6 424,06 276,26 238,16 263,16 320,1 
1e Suppl.wet 1999:  4,513,217,132,318,2 
Nieuwe mutaties:        
1. Uitstel BEU  0,30,40,54,33,0 
2. Aanpassing uitvoerings-kosten   7,40,7   
3. Indexering uitkeringen  49,499,9100,9104,6107,5 
4. Loon- en prijsbijstelling uitvoeringskosten  5,55,65,65,65,6 
5. Verhoging kinderbijslag   126,2148,1120,592,4 
Stand ontwerp-begroting 2000 6 517,16 483,76 528,96 511,06 530,46 546,86 519,2

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. De ramingen voor 1999 en volgende jaren zijn verhoogd door uitstel van de veronderstelde invoeringsdatum van de Wet Beperking export uitkeringen van 1 oktober 1999 naar 1 januari 2000. De besparingen op de AKW worden hierdoor later gerealiseerd.

2. De uitvoeringskosten AKW zijn in 2000 opwaarts bijgesteld als gevolg van een aanpassing van de fasering van de taakstelling op de uitvoeringskosten SVB. De bijstelling van de uitvoeringskosten in 2001 betreft een toedeling uit de aanvullende post euro voor extra kosten in verband met de invoering van de euro.

3. De ramingen voor 1999 en volgende jaren zijn verhoogd in verband met de wettelijke indexering van de kinderbijslagbedragen per 1 januari en 1 juli 1999.

4. De ramingen voor de uitvoeringskosten zijn verhoogd met de toedeling van de reguliere de loon- en prijsbijstelling 1999.

5. Het kabinet heeft besloten tot een extra verhoging van de kinderbijslag. Het kinderbijslagbedrag voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar wordt verhoogd met 60 gulden. Voor kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 11 jaar is de verhoging 85% daarvan (51 gulden) en voor kinderen tot 6 jaar 70% (42 gulden).

Voor 2001–2003 was een beperkte verhoging van de kinderbijslag voorzien, namelijk voor kinderen geboren na 1995 en voor eerste kinderen geboren voor 1995, ter hoogte van 39,60 gulden per kind per jaar op 100%-niveau. Het besluit van het kabinet houdt in dat deze maatregel naar voren wordt gehaald, het bedrag wordt verhoogd en tevens dat de maatregel zich gaat uitstrekken tot alle kinderen.

De extra verhoging komt bovenop de wettelijke verhoging van het basiskinderbijslagbedrag voor 2000 (14,60 gulden voor kinderen tussen de 12 en 18 jaar) en de halfjaarlijkse aanpassing aan de prijsstijging.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1mln) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
AKW-uitkeringen 6 347,46 308,06 353,8 6 347,46 308,06 353,8 41E 06.13
AKW-uitvoeringskosten 169,7175,7175,1 169,7175,7175,1 12 06.13
Totaal 6 517,16 483,76 528,9 6 517,16 483,76 528,9    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Uitgaven AKW (x f 1 mln.)6 517,16 483,76 528,9
– Uitkeringslasten (x f 1 mln.)6 308,96 270,06 316,8
– Achteraf vastgestelde rechten (x f 1 mln.)42,542,041,0
– Overige baten (x f 1 mln.)– 4,0– 4,0– 4,0
– Uitvoeringskosten (x f 1 mln.)169,7175,7175,1
    
Volume (jaargemiddelde)*   
– Aantal telkinderen (x 1 000)3 4153 4253 439
– Aantal gerechtigden (gezinnen x 1 000)1 8091 8151 825
    
Hoogte gemiddelde uitkering *   
– Per telkind (x f 1,–)1 8461 8311 837
– Per gerechtigde (x f 1,–)3 4863 4553 461
    
Uitvoeringskosten   
– In % van de uitkeringslasten2,72,82,8
– Per telkind (x f 1,–)505151
– Per gerechtigde (x f 1,–)949796

* Sinds 1994 worden de bedragen die zijn gemoeid met de achteraf vastgestelde rechten niet meegeteld in het volume en/of de gemiddelde uitkering. Het betreft hier uitkeringslasten, waarvan bij de vaststelling van dat recht sprake is van een terugwerkende kracht van meer dan één kwartaal.

De toename van het volume hangt samen met de demografische ontwikkeling; vanaf 1998 is sprake van een toename van het aantal geboorten. Omdat daarmee de relatief goedkope categorie kinderen toeneemt, daalt de hoogte van de gemiddelde uitkering. Dat de gemiddelde uitkering in 2000 toch enigszins hoger ligt dan in 1999 wordt veroorzaakt door de extra verhoging van de kinderbijslag in 2000.

13.02 Toeslagenwet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op grond van de Toeslagenwet (TW) kan een loondervingsuitkering bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid worden aangevuld tot het relevante sociaal minimum. De TW kent een inkomenstoets. De wet wordt uitgevoerd door de uitvoeringsinstellingen (uvi's) die de daarmee samenhangende uitkeringslasten declareren bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV). Het LISV beheert en administreert het Toeslagenfonds. Het LISV declareert deze lasten, aangevuld met de door de uvi's aan hem gedeclareerde en door het LISV zelf gemaakte administratiekosten, op zijn beurt bij het Rijk.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  699 000670 600644 700640 600640 600 
1e Suppl.wet 1999:  – 36 20010 30027 10029 10019 500 
Nieuwe mutaties:        
1. Uitstel BEU  1 4006 3006 3006 3003 900 
2. Volume Mev  – 8 100– 29 300– 23 400– 20 900– 6 000 
3. Aanpassing uitvoerings-kosten  800 – 100– 900– 900 
4. Koppeling uitkeringen  16 90017 20017 20017 10017 200 
5. Loon- en prijsbijstelling uitvoeringskosten  1 9001 8001 6001 5001 500 
6. Herverdeling uitvoeringskosten LISV-fondsen  – 16 200– 16 700– 17 200– 17 600– 18 100 
Stand ontwerp-begroting 2000 663 590659 500660 200656 200655 200657 700653 600

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. De ramingen voor 1999 en volgende jaren zijn verhoogd door uitstel van de veronderstelde invoeringsdatum van de Wet Beperking export uitkeringen van 1 oktober 1999 naar 1 januari 2000. De besparingen op de TW worden hierdoor later gerealiseerd.

2. De ramingen voor 1999 en volgende jaren zijn verlaagd op basis van de geraamde volume-ontwikkeling bij de Macro-economische verkenning.

3. De aanpassing uitvoeringskosten betreft een saldoreeks van een verrekening over 1998 op basis van de juni-nota van het Lisv, extra uitgaven voor activiteiten in het kader van de millenniumproblematiek en de invoering van de euro, alsmede uitgaven voor doelmatigheidsprojecten van de uvi's. Deze laatste leiden tot een verlaging van de uitgaven in latere jaren.

4. De ramingen van de uitkeringslasten zijn bijgesteld voor de loonontwikkeling 1999 (WKA).

5. De ramingen van de uitvoeringskosten zijn verhoogd met de toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

6. De ramingen van de uitvoeringskosten zijn aangepast op grond van een kostenneutrale herverdeling van de totale uitvoeringskosten van de verschillende LISV-fondsen.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Uitkeringen TW 609 647614 900619 800 609 647614 900619 800 41E 06.2
Uitvoeringskosten TW 53 94344 60040 400 53 94344 60040 400 12 06.2
Totaal 663 590659 500660 200 663 590659 500660 200    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Toeslagen op uitkeringen (x f 1 mln)   
– Waz/Wajong100,5106,7107,4
– WAO255,9266,9268,6
– WW143,5131,5133,3
– Overig3,08,08,0
Subtotaal toeslagen op uitkeringen502,9513,1517,3
Vakantietoeslagen (x f 1 mln)37,040,040,3
Sociale lasten (x f 1 mln)69,861,862,2
Subtotaal uitkeringslasten TW609,7614,9619,8
    
Uitvoeringskosten (x f 1 mln)53,944,640,4
Totaal uitgaven TW663,6659,5660,2
    
Volume (x 1000 jaaruitk.)   
– Waz/Wajong14,114,414,5
– WAO51,351,651,9
– WW27,123,323,6
– Overig0,72,02,0
Totaal volume93,291,392,0
    
Gemiddelde uitkering exclusief vakantietoeslag en sociale lasten (x f 1,–)   
– Waz/Wajong7 1287 4227 426
– WAO4 9885 1735 174
– WW5 2955 6375 635
– Overig4 2863 8853 885
Subtotaal5 3845 6205 623
Gemiddelde vakantietoeslag (x f 1,–)396438438
Gemiddelde sociale lasten (x f 1,–)747677676
Gemiddelde uitkering inclusief vakantietoeslag en sociale lasten (x f 1,–)6 5276 7356 737
    
Gemiddelde uitvoeringskosten per eenheid volume (x f 1,–)577489439
Uitvoeringskosten in % van de bruto-uitkeringslasten8,87,36,5

De daling van het volume toeslagen ten opzichte van 1998 is vooral het gevolg van een daling van het aantal toeslagen (jaaruitkeringen) op WW-uitkeringen. De totale gemiddelde uitkering stijgt ten opzichte van 1998 onder andere door de koppeling van de uitkeringen aan de gemiddelde loonontwikkeling.

De daling van de totale en gemiddelde uitvoeringskosten in 1999 en 2000 wordt in hoofdzaak veroorzaakt door een kostenneutrale herverdeling van de totale uitvoeringskosten van de verschillende Lisv-fondsen. Deze herverdeling leidt tot een daling van de uitvoeringskostenvan het Toeslagenfonds. De verdere daling van 1999 naar 2000 houdt onder meer verband met de verwachte toename van de efficiency als gevolg van de doelmatigheidsprojecten.

13.03 Rijksbijdragen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden rijksbijdragen aan socialeverzekeringsfondsen verantwoord. Op dit moment zijn er de volgende rijksbijdragen.

1. Met ingang van 1997 is de AOW-premie aan een maximum bovengrens gebonden. Deze maximum bovengrens kan tot een resterende financieringsbehoefte leiden als de eis tot volledige lastendekkendheid leidt tot een premie die boven de maximum bovengrens uitgaat. De premie-inkomsten worden dan aangevuld met rijksbijdragen.

2. De premiestelling in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz), die per 1 januari 1998 in werking is getreden, vindt zodanig plaats dat het totaal van de premies verschuldigd door zelfstandigen gelijk is aan de uitkeringslasten voor ex-zelfstandigen. Naast zelfstandigen zijn ook beroepsbeoefenaren verplicht verzekerd voor de Waz. Zij zijn premie verschuldigd over hun overige inkomen. Voorzover deze premie-inkomsten niet lastendekkend zijn voor de uitkeringslasten van deze groep wordt het tekort aangevuld door middel van een rijksbijdrage.

3. In het kader van de sluitende aanpak, met als doel aan iedere nieuwe werkzoekende van 23 jaar en ouder binnen een jaar een arbeidsbemiddelingstraject aan te bieden, is voor de WW-cliënten het Besluit Slui- tende aanpak WW van toepassing. Ten behoeve van deze reïntegratie van WW-gerechtigden wordt op dit artikel voorzien in rijksbijdragen aan het Algemeen Werkloosheidsfonds.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  21,521,521,521,521,5 
1e Suppl.wet 1999:  40,0  
Stand ontwerp-begroting 2000 (VP) 6,0      
Stand ontwerp-begroting 2000 (Utg.) 56,061,521,521,521,521,521,5

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1mln) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Rijksbijdragen AOW 0   50,0   43B 06.15
Rijksbijdragen Waz 6,021,521,5 6,021,521,5 43B 06.15
Rijksbijdragen WW  40,0   40,0  43B 06.15
Totaal 6,061,521,5 56,061,521,5    

Er zijn vanaf 1998 (afgezien van de kasoverloop van 1997 naar 1998) geen rijksbijdragen AOW meer opgenomen, omdat de AOW-premie op basis van lastendekkendheid niet boven de maximum bovengrens van 18,25% uitgaat.

De rijksbijdrage WW voor het jaar 2000 maakt vooralsnog deel uit van de middelen op artikel U12.09 Sluitende aanpak. Zodra de verdeling van die middelen bekend is, wordt het bedrag voor de reïntegratie van WW-cliënten naar dit artikel overgeboekt.

13.04 Premiebijdragen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen kunnen aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen waarbij natuurlijke personen werkzaam zijn, vrijstelling verlenen voor de verplichting tot premiebetaling wegens gemoedsbezwaren.

Indien een ontheffing is verleend in het kader van één of meer werknemersverzekeringen, wordt geen premie geheven. In plaats daarvan wordt voor die verzekeringen aan de werkgever een naheffingsaanslag in de loonbelasting – zonder verhoging – opgelegd, tot het bedrag waarvoor de werkgever aansprakelijk zou zijn geweest indien hem de vrijstelling wegens gemoedsbezwaren niet was verleend.

Het Rijk verstrekt aan de centrale fondsen vergoedingen in verband met de verleende vrijstellingen. Deze komen overeen met de aan de belastingdienst betaalde premievervangende inkomsten- of loonbelasting en naheffing in de loonbelasting.

In verband met de invoering van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen per 1 januari 1998 is de regelgeving zodanig aangepast dat de met deze wet samenhangende premie-afdrachten gemoedsbezwaarden eveneens op dit artikel worden verantwoord.

B. De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  1 9001 9001 9001 9001 900 
1e Suppl.wet 1999  600     
Stand ontwerp-begroting 2000 1 5292 5001 9001 9001 9001 9001 900

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele code is 06.10.

– De economische codering is 43B.

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Vergoedingen werknemers-verzekeringen i.v.m. vrijstelling wegens gemoedsbezwaren (x f 1000,–)1 5292 5001 900
Aantal premievrijstellingen (x 1 jaaruitk.)6610780
Gemiddelde vrijstelling (x f 1,–)23 16123 32823 328

De vermoedelijke uitkomst 1999 is aanmerkelijk hoger dan de realisatie 1998. Dit wordt met name veroorzaakt doordat een in 1998 opgelopen achterstand in het declaratiepatroon van uitvoeringsinstellingen in 1999 wordt ingelopen.

13.05 Liquidatiewet invaliditeitswetten

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van 1 januari 1965 is de liquidatie van de Invaliditeitswet, de Mijnwerkers-invaliditeitswet en de Interimwet Invaliditeitsrentetrekkers in gang gezet. Deze liquidatie is neergelegd in de Liquidatiewet Invaliditeitswetten (LIW).

Op 1 januari 1994 zijn alle rechten op afkopen en uitkeringen uit hoofde van de Invaliditeitswet verjaard.

Na liquidatie van het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds (IOF) komt het resterende saldo ten laste of ten gunste van het Rijk. Ultimo 1998 bedroeg het vermogensoverschot bijna 0,4 mln.

Momenteel lopen er nog enkele beroepszaken, waaruit nog claims ten laste van het IOF kunnen voortvloeien. Als de beroepszaken zijn afgewikkeld, kan het IOF geliquideerd worden en het definitieve saldo verrekend worden met het Rijk. Vooralsnog is die verrekening op nihil geraamd.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0     
Stand ontwerp-begroting 2000 0000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele code is 06.15.

– De economische codering is 63B.

13.06 Regelingen ex-mijnwerkers

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de verplichtingen en uitgaven van de op 1 juli 1979 in werking getreden «Regeling vervroegde uittreding ex-mijnwerkers» verantwoord. Nieuwe instroom in de derde, per 1 januari 1987 verlengde, regeling was nog mogelijk tot 1 januari 1995.

Naast de verplichtingen en uitgaven in het kader van de VVU-regeling worden op dit artikel de verplichtingen en uitgaven ten behoeve van oud-mijnwerkers met silicose verantwoord.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0     
1e Suppl.wet 1999:  1 000     
Stand ontwerp-begroting 2000 8031 00000000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  400     
1e Suppl.wet 1999:  1 000     
Stand ontwerp-begroting 2000 3 9731 40000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
VVU-regeling ex-mijnwerkers 8031 0000 3 9731 4000 41E 06.43
Silicose-regeling 000 000 63E 06.15
Totaal 8031 0000 3 9731 4000    

E. Kengetallen

 
 Realisatie 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Uitgaven (x f 1 000,–)3 9731 400 
– VVU-uitkeringen (x f 1 000,–)3 009915 
– Nadeclaraties backservice-pensioenverplichtingen VVU-regeling (x f 1 000,–)803437 
– Uitvoeringskosten AZL (x f 1 000,–)16148 
– Uitgaven silicose-regeling00 
Volume (x 1 persoon)9230 
Gemiddelde VVU-uitkering (x f 1,–)*32 70030 500 
Gemiddelde uitvoeringskosten per persoon (x f 1,–)1 7471 586 

* Bij de berekening van de gemiddelde VVU-uitkering zijn de nadeclaraties voor backservice-pensioenverplichtingen buiten beschouwing gelaten.

Het aantal VVU-rechthebbenden en daarmee ook de lasten verminderen jaarlijks doordat de regeling is beperkt tot bestaande gevallen die geleidelijk uitstromen. De daling van de gemiddelde uitkering houdt verband met de samenstelling van het bestand: de duurdere categorie stroomt eerder uit.

De hogere gerealiseerde uitvoeringskosten per persoon in 1998 ten opzichte van de raming hiervan voor 1999 houden verband met de zogenaamde «nihilgevallen». Het betreft hier potentiële rechthebbenden die wel administratieve kosten met zich brengen, maar uiteindelijk geen uitkering ontvangen. In de raming wordt met nihilgevallen geen rekening gehouden.

Afgezien van eventuele nadeclaraties worden voor het jaar 2000 geen uitgaven voorzien in verband met de VVU- regeling. Ook voor de aflopende silicoseregeling worden vooralsnog geen uitgaven meer verwacht.

13.07 Waarborg en garantie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden garantstellingen van de overheid verantwoord.

Het gaat om twee soorten garanties: een uitkeringsgarantie en (krediet)garanties aan instellingen. De uitkeringsgarantie bestaat hierin dat het Rijk in laatste instantie garant staat voor uitkeringen van alle onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ressorterende sociale verzekeringswetten.

Verder is de garantstelling van de Staat voor een onderhandse geldlening aan de Stichting Werkenrode te Groesbeek in dit artikel opgenomen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0     
Stand ontwerp-begroting 2000 0000000

C. Toelichting bij de cijfers

Evenals in de ontwerpbegrotingen van voorgaande jaren worden ook voor 2000 de onderdelen garanties aan uitkeringsgerechtigden en kredietgaranties aan instellingen op nul geraamd. De reden hiervoor is dat het onmogelijk is om op voorhand te beoordelen of het Rijk haar garantstelling ten opzichte van de uitkeringsgerechtigden en de Stichting Werkenrode zal moeten effectueren.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Garanties uitkeringsgerechtigden 000 000 63B 06.10
Garanties aan instellingen 000 000 63F 06.10
Totaal 000 000    

E. Kengetallen

De kredietgarantie aan de Stichting Werkenrode te Groesbeek door het Rijk loopt door tot het jaar 2011. Bij deze garantstelling horen voor de jaren 1998 tot en met 2004 de volgende specificaties.

 
(bedragen x f 1 000)1998199920002001200220032004
Garantieplafond467,7431,8395,9360,0324,1288,2252,3
Uitstaand risico per 1 januari467,7431,8395,9360,0324,1288,2252,3
Vervallen of te vervallen garanties35,935,935,935,935,935,935,9
Uitstaand risico per 31 december431,8395,9360,0324,1288,2252,3216,4

13.08 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op grond van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheids-verzekeringen (Pemba) is met ingang van 1 januari 1998 de AAW vervallen.

Voor zelfstandigen is voorzien in een door hen zelf gefinancierde arbeidsongeschiktheidsverzekering (Waz). Voor vroeggehandicapten is een afzonderlijke Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) tot stand gebracht, die gefinancierd wordt uit de algemene middelen.

De Wajong voorziet voor jonggehandicapten in een wettelijke bescherming op minimumniveau tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en wordt uitgevoerd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  2 577,22 582,32 634,42 686,02 684,7 
1e Suppl.wet 1999:  24,524,124,924,123,9 
Nieuwe mutaties:        
1. Actualisatie raming      42,4 
2. Aanpassing uitvoeringskosten  22,10,1– 0,3– 0,9– 1,0 
3. Koppeling uitkeringen  94,794,195,398,8100,3 
4. Loon- en prijsbijstelling uitvoeringskosten  1,41,81,91,91,9 
5. Herverdeling uitvoeringskosten LISV-fondsen  10,210,210,210,210,2 
Stand ontwerp-begroting 2000 2 530,12 730,12 712,62 766,42 820,12 862,42 907,0

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. Bij de stand ontwerpbegroting 1999 was voor het jaar 2003 (toen extrapolatiejaar) nog sprake van een vrijwel ongewijzigd doortrekken van de raming voor 2002. De mutatie is het gevolg van een actualisatie van de raming voor 2003 (en 2004).

2. De aanpassing uitvoeringskosten betreft een saldoreeks van een verrekening over 1998 op basis van de juni-nota van het Lisv, extra uitgaven voor activiteiten in het kader van de millenniumproblematiek en de invoering van de euro, alsmede uitgaven voor doelmatigheidsprojecten van de uvi's. Deze laatste leiden tot een verlaging van de uitgaven inlatere jaren.

3. De ramingen van de uitkeringslasten zijn bijgesteld voor de loonontwikkeling 1999 (WKA).

4. De ramingen van de uitvoeringskosten zijn verhoogd met de toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

5. De ramingen van de uitvoeringskosten zijn aangepast op grond van een kostenneutrale herverdeling van de totale uitvoeringskosten van de verschillende LISV-fondsen.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1mln) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Uitkeringen 2 476,62 628,82 622,3 2 476,62 628,82 622,3 41E 06.15
Uitvoeringskosten 53,5101,390,3 53,5101,390,3 12 06.15
Totaal 2 530,12 730,12 712,6 2 530,12 730,12 712,6    

E. Kengetallen

 
 Rekening1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Uitgaven Wajong (x f 1 mln.)2 530,12 730,12 712,6
– uitkeringslasten (x f 1 mln.)2 476,62 628,82 622,3
– uitvoeringskosten (x f 1 mln)53,5101,390,3
    
Volume (x 1 000)113,4117,1119,5
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)21 83422 44921 944
    
Gemiddelde uitvoeringskosten per eenheid volume (x f 1,–)471865756
Uitvoeringskosten in % van de uitkeringslasten2,23,93,4

De toename van het volume hangt samen met de demografische ontwikkeling.

De stijging van de totale en gemiddelde uitvoeringskosten in 1999 en 2000 ten opzichte van 1998 is het gevolg van een kostenneutrale herverdeling van de totale uitvoeringskosten van de verschillende Lisv-fondsen die leidt tot een stijging van de uitvoeringskosten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, de 5e-jaars herbeoordelingen, alsmede een verrekening in 1999 over 1998. Het feit dat de uitvoeringskosten in 1999 op een hoger niveau liggen dan in 2000 houdt voornamelijk verband met laatstgenoemde verrekening in 1999 over 1998.

13.09 Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het kader van de wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) worden arbeidsongeschikten herbeoordeeld. De herbeoordeling aan de hand van de nieuwe arbeidsongeschiktheidscriteria kan ertoe leiden dat betrokkene uiteindelijk op een bijstandsuitkering aangewezen is. De daarin geldende middelentoets werd als ongewenst gezien, met name voor oudere arbeidsongeschikten. Hiervoor is een voorziening getroffen: de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (Bia).

De doelgroep van deze voorziening betreft:

a: personen die op 1 augustus 1993 45 jaar of ouder waren en op 31 juli 1993 recht hadden op een AAW/WAO-uitkering en deze uitkering op het moment van herbeoordeling ontvingen.

b: personen die op 31 december 1986 35 jaar of ouder waren, toen reeds recht hadden op een AAW/WAO-uitkering en deze uitkering op het moment van herbeoordeling ontvingen.

Rechthebbenden wordt een uitkering geboden overeenkomstig de vervolguitkering van de Werkloosheidswet (WW).

Omdat de doelgroep bij afwezigheid van deze regeling een beroep zou doen op de IOAW, IOAZ of de bijstand is er gekozen voor een begrotingsgefinancierde regeling.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  26 50029 70041 50041 50041 700 
Nieuwe mutaties:        
1. Volume KMev  – 8 900– 11 100– 21 000– 20 200– 19 700 
2. Aanpassing uitvoeringskosten  – 200     
3. Koppeling uitkeringen  800800900900900 
Stand ontwerp-begroting 2000 10 08618 20019 40021 40022 20022 90023 700

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. De ramingen voor 1999 en volgende jaren zijn verlaagd op basis van de geraamde volume-ontwikkeling ten tijde van de KMev.

2. De aanpassing van de uitvoeringskosten in 1999 betreft voornamelijk een verrekening over 1998 op basis van de juni-nota van het Lisv.

3. De ramingen van de uitkeringslasten zijn bijgesteld voor de loonontwikkeling 1999 (WKA).

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Uitkeringen 8 49817 50018 300 8 49817 50018 300 43B 06.15
Uitvoeringskosten 1 5887001 100 1 5887001 100 12 06.15
Totaal 10 08618 20019 400 10 08618 20019 400    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Uitgaven BIA (x f 1 000)10 08618 20019 400
– uitkeringslasten (x f 1 000)8 49817 50018 300
– uitvoeringskosten (x f 1000)1 5887001 100
    
Volume (x 1 jaaruitkering)8001 4701 500
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)10 66711 88712 202
    
Gemiddelde uitvoeringskosten per uitkering (x f 1,–)1 985476733
Uitvoeringskosten in % van de uitkeringslasten18,74,06,0

De prijsontwikkeling van de BIA-uitkeringen volgt de loonontwikkeling uit hoofde van de WKA en kent hierdoor een stijgend verloop.

De daling van de totale uitvoeringskosten in 1999 ten opzichte van 1998 hangt ondermeer samen met een verrekening in 1999 over 1998. Bij de ontwikkeling van de gemiddelde uitvoeringskosten speelt daarnaast een rol de forse toename van het verwachte volume in 1999 (t.o.v. 1998). Hierdoor nemen de gemiddelde uitvoeringskosten (per jaaruitkering) extra af in 1999.

13.10 Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op 1 mei 1997 trad met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen in werking. Als wettelijke basis voor de toekenningen geldt vanaf 1 januari 1998 de Kaderwet SZW-subsidies.

De regeling voorziet onder bepaalde voorwaarden in een belastingvrije tegemoetkoming aan ouders of verzorgers van gehandicapte of chronisch zieke kinderen (van 3 tot en met 17 jaar), die thuis verzorgd worden.

De uitvoering van de regeling is in handen van de Sociale Verzekeringsbank (SVb).

De medische indicatiestelling geschiedt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De tegemoetkomingen worden per kwartaal achteraf betaald, nadat hiervoor (éénmalig) een aanvraag is ingediend bij de SVb. Betrokkenen hebben de mogelijkheid om een tegemoetkoming met één jaar terugwerkende kracht aan te vragen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  21 40021 30021 30021 30021 300 
1e Suppl.wet 1999:  – 4 000– 300– 300– 300– 300 
Nieuwe mutaties:        
1. Uitstel invoering herziening regeling  – 1 300– 1 300    
2. Indexering uitkeringen  100300300300 300
Stand ontwerp-begroting 2000 20 24716 20020 00021 30021 30021 30021 300

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. De voorgenomen herziening van de regeling, waardoor deze naar verwachting beter zal worden benut, zal niet vóór 1 januari 2000 in werking kunnen treden. In verband hiermede zijn de ramingen voor 1999 en 2000, die nog uitgingen van wijziging per 1 juli 1999, neerwaarts aangepast.

2. De ramingen van de uitkeringslasten zijn verhoogd in verband met de indexering van de tegemoetkomingen voor 1999.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Uitkeringen 19 17615 20019 100 19 17615 20019 100 41E 06.13
Uitvoeringskosten 1 0711 000900 1 0711 000900 12 06.13
Totaal 20 24716 20020 000 20 24716 20020 000    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp- begroting 2000
Uitgaven TOG (x f 1 000)20 24716 20020 000
Uitkeringslasten (x f 1 000)19 17615 20019 100
– uitkeringslasten10 933  
– uitkeringslasten met terugwerkende kracht8 243  
Uitvoeringskosten (x f 1 000)1 0711 000900
Volume (jaargemiddelde)*7 63910 50012 400
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)*1 4311 4441 543
    
Gemiddelde uitvoeringskosten per uitkering (x f 1,–)1409573
Uitvoeringskosten in % van de uitkeringslasten5,66,64,7

* De «uitkeringslasten met terugwerkende kracht» worden niet meegeteld in het volume en de gemiddelde uitkering.

De regeling Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig gehandicapte kinderen is inmiddels geëvalueerd. Over de resultaten van het evaluatieonderzoek en over het kabinetsstandpunt naar aanleiding daarvan is de Kamer bij brief van staatssecretaris Hoogervorst van 20 mei 1999 geïnformeerd. Op 17 juni 1999 heeft over die brief een algemeen overleg plaatsgevonden.

De belangrijkste conclusie uit het evaluatie-onderzoek was dat mede als gevolg van te strakke criteria de regeling niet optimaal werd benut. De regeling wordt daarom herzien en verruimd. De bestaande twee categorieën met een hoog niveau tegemoetkoming (voor meervoudig gehandicapte kinderen) en een laag niveau tegemoetkoming (voor ernstig lichamelijk gehandicapte of chronisch zieke kinderen) worden teruggebracht tot één.

Ook wordt de TOG in beginsel toegankelijk voor alle gehandicapten, dus ook voor kinderen met uitsluitend een verstandelijke handicap, omdat deze minstens zo hulpbehoevend kunnen zijn als meervoudig of lichamelijk gehandicapte kinderen.

De mate van hulpbehoevendheid wordt bepalend voor het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming. Hiervoor wordt aangesloten bij de criteria voor verhoging van de uitkering die gelden voor de Wajong-regeling (arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten).

De volumetoename in 1999 (t.o.v. 1998) is deels het gevolg van de doorwerking van de «uitkeringslasten 1998 met terugwerkende kracht» naar het gemiddelde jaarvolume 1999 en deels van een verwacht volume-effect van extra voorlichtingsactiviteiten.

De verdere volumetoename in 2000 houdt verband met de voorgenomen aanpassing (versoepeling) van de regeling per 1 januari 2000 waardoor de regeling naar verwachting beter zal worden benut. Ook de stijgende gemiddelde uitkering houdt verband met de aanpassing van de regeling, omdat de hoogte van de uitkering voor de gehele groep gerechtigden in de nieuwe situatie gelijk is en gemiddeld op een hoger niveau komt te liggen dan vóór de aanpassing.

De daling van de gemiddelde uitvoeringskosten in 1999 en 2000 ten opzichte van 1998 wordt in hoofdzaak veroorzaakt doordat in 1998 sprake was van extra kosten in verband met de afhandeling van een groot aantal aanvragen met terugwerkende kracht. Ook wordt de regelgeving door de aanpassing vereenvoudigd, waardoor de uitvoeringskosten per uitkering naar verwachting zullen dalen.

13.11 Rijksbijdrage AOW-Spaarfonds

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Bij wet van 29 april 1998 (Stb. 262) is een Spaarfonds AOW ingesteld voor aanvullende financiering van toekomstige AOW-uitgaven in verband met de toenemende vergrijzing van de bevolking. In de wet is bepaald dat tot het jaar 2020 geen middelen aan het fonds onttrokken zullen worden. Het spaarfonds is een apart begrotingsfonds dat gevoed wordt vanuit dit begrotingsartikel.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  4 550,04 800,05 050,05 300,05 550,0 
Stand ontwerp-begroting 2000 4 300,04 550,04 800,05 050,05 300,05 550,05 800,0

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele code is 06.15

– De economische codering is 43B.

13.12 Rijksbijdrage loopbaanonderbreking

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Wet financiering loopbaanonderbreking voorziet in een tegemoetkoming voor werknemers die met hun werkgever overeenkomen verlof op te nemen, waarbij zij voor de verlofperiode worden vervangen door werklozen, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten of herintreders, die daarmee werkervaring opdoen.

De wet, die in werking is getreden op 1 oktober 1998, wordt uitgevoerd door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (LISV). De met de uitvoering samenhangende tegemoetkomingen en uitvoeringskosten worden gefinancierd uit de besparingen op de uitkeringen van de vervangers en betaald uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf).

De bespaarde WW-uitkeringen van de vervangers zijn reeds in het AWf beschikbaar. De benodigde middelen voor de betaling van de tegemoetkomingen aan verlofgangers, die worden vervangen door herintreders zonder uitkering, door personen met een ABW-, IOAW-, IOAZ-,Wajong- of wachtgelduitkering of invaliditeitspensioen op grond van een publiekrechtelijke regeling, worden door middel van een rijksbijdrage ter beschikking gesteld aan het AWf.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  55,083,0110,0138,0138,0 
Nieuwe mutaties:        
Ramingsaanpassing  – 45,0– 28,0– 27,0– 28,0  
Stand ontwerp-begroting 2000 0,010,055,083,0110,0138,0138,0

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld:

Op basis van informatie van het LISV is er vooralsnog sprake van een minimaal gebruik van de regeling. In verband hiermee is in afwachting van nader onderzoek de meerjarige uitgavenraming een jaar opgeschoven.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele code is 06.15

– De economische codering is 43B.

HOOFDBELEIDSTERREIN 14. BIJSTANDSZAKEN

14.01 Algemene bijstandswet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) verstrekken de gemeenten bijstand aan iedere Nederlander – en hiermee gelijkgestelde vreemdeling – die in Nederland in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat deze niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke algemene bestaanskosten te voorzien.

De bijstand kent voor 21-jarigen en ouderen aan het minimumloon gekoppelde normbedragen die afhankelijk zijn van de leefsituatie. Voor 65-jarigen en ouderen gelden aparte normbedragen. De Abw geeft gemeenten de mogelijkheid tot het verlenen van een toeslag op de normbedragen voor 21-jarigen en ouderen doch jonger dan 65 jaar, die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, voor zover de rechthebbende, als gevolg van de leefsituatie, hogere noodzakelijke algemene bestaanskosten heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet. De uitvoering van de Abw is in handen van de gemeenten. Deze stellen het recht op uitkering vast en betalen de uitkering aan rechthebbenden. Het Rijk vergoedt 90% van de kosten van algemene bijstand.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1mln)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  8 451,18 315,58 227,28 152,48 181,6 
Nota van Wijziging:  – 65,4– 68,5– 78,7– 59,2– 72,0 
Amendement:  50,0  
1e Suppl.wet 1999:  – 18,850,4– 23,5– 158,3– 117,6 
Nieuwe mutaties:        
1. Correctie overboeking Gemeentefonds toeslagen   – 8,4– 8,4– 8,4– 8,4 
2. Uitstel invoer IB   27,627,627,6  
3. MEV  – 615,9– 539,0– 401,0– 214,6– 215,4 
4. Loopbaanonderbreking  38,323,723,123,9  
5. loonbijstelling 1999  2,12,32,72,52,7 
6. Koppeling uitkeringen 1999  305,3306,9320,3322,6332,5 
7. terugboeking toeslagen   – 155,5  
Stand ontwerp-begroting 2000 8 370,18 146,77 955,08 089,38 088,58 103,48 102,2

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties kunnen als volgt worden toegelicht.

1. Naar aanleiding van de voorgenomen decentralisatie van de toeslagen Abw zijn bij 2e suppletore wet 1998 middelen overgeboekt van het Gemeentefonds naar de SZW-begroting. Met deze mutatie wordt een kleine correctie op de overboeking verwerkt.

2. Door het uitstel van de invoering van het Inlichtingenbureau zullen de geraamde besparingen op de Abw-uitkeringen zich later voordoen, waardoor de geraamde bijstandsuitgaven voor de jaren 2000 t/m 2002 met f 27,6 mln per jaar stijgen.

3. De door het CPB in de MEV geraamde daling van de werkloosheid en de doorwerking van de ontwikkeling van de bijstandsuitgaven in 1999 naar 2000 en volgende jaren leiden er toe dat de geraamde bijstandsuitgaven vanaf 2000 dalen, afnemend van ca. f 539,0 mln in 2000 tot ca. f 215 mln in 2003.

4. De latere inwerkingtreding (1 oktober 1998) van de Wet financiering loopbaanonderbreking leidt ertoe dat de geraamde bijstandsuitgaven vanaf 1999 stijgen, van ca. f 38 mln in 1999 tot ca. f 24 mln in 2002.

5. De toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

6. Een bijstelling van de meerjarenraming voor de kosten van de volledige koppeling in 1999 van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling.

7. De behandeling van het wetsvoorstel decentralisatie toeslagen Abw is een jaar vertraagd. Overwogen wordt dit wetsvoorstel te betrekken bij de voorgenomen vorming van het Fonds voor Werk en Inkomen per 1-1-2001. Het 10% aandeel in de toeslagen ad. f 155,5 mln wordt voor 2000 daarom teruggeboekt naar het gemeentefonds.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Algemene bijstand 6 868,96 700,96 537,5 6 868,96 700,96 537,5 43C 06.2
Toeslagen 1 399,31 320,31 276,3 1 399,31 320,31 276,3 43C 06.2
Zelfstandigen 55,389,2104,0 55,389,2104,0 43C 06.2
Inrichtingen 26,528,829,9 26,528,829,9 43C 06.2
Rechtstreeks 7,27,57,3 7,27,57,3 43G 06.2
Overig 12,8   13,2   43C 06.2
Totaal 8 370,08 146,77 955,0 8 370,48 146,77 955,0    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
a. Algemene bijstand aan personen tot 65 jaar:
– uitkeringslasten (x f 1 mln)6 756,96 562,36 391,4
– aantal personen (x 1)424 000388 166382 987
– gemiddelde uitkering (x f 1,–)15 93616 90616 688
    
b. Algemene bijstand aan personen van 65 jaar en ouder:
– uitkeringslasten (x f 1 mln)112,0138,6146,0
– aantal personen (x 1)14 30015 40015 700
– gemiddelde uitkering (x f 1,–)7 8329 0009 300
    
c. Toeslagen:
– uitkeringslasten (x f 1 mln)1 399,31 320,31 276,3
– aantal personen (x 1)315 550280 903277 005
– gemiddelde uitkering (x f 1,–)4 4344 7004 608
    
d. Zelfstandigen uitkeringen:
– uitkeringslasten (x f 1 mln.)39,352,259,4
– aantal personen (x 1)2 5002 9003 300
– gemiddelde uitkering15 71018 00018 000
    
e. Zelfstandigen kredieten:
– uitkeringslasten (x f 1 mln.)3,223,429,7
– aantal personen (x 1)2 0002 1002 300
– gemiddelde uitkering1 60011 15012 930
    
f. Zelfstandigen onderzoekskosten:
– onderzoekskosten (x f 1 mln.)12,813,614,9
– aantal personen (x 1)5 8795 9006 200
– gemiddelde uitkering (x f 1,–)2 1782 3002 400
    
g. Inrichtingen:
– uitkeringslasten (x f 1 mln.)26,528,829,9
– aantal personen (x 1)4 5004 5004 600
– gemiddelde uitkering ( x f 1,–)5 8856 4006 500
    
h. Rechtstreeks:
– uitkeringslasten (x f 1 mln.)7,27,57,3
– aantal personen (x 1)803760740
– gemiddelde uitkering (x f 1,–)8 9739 9009 900
    
i. Overig13,200

Het voor 2000 geraamde aantal bijstandsuitkeringen daalt ten opzichte van 1999, ten opzichte van 1998 is sprake van een meer aanzienlijke daling. Dit wordt geheel veroorzaakt door de daling van het aantal bijstandsuitkeringen aan personen tot 65 jaar. De bedragen in de kolom Rekening 1998 hebben betrekking op de uitgaven, die aan het jaar 1998 kunnen worden toegerekend. Deze cijfers zijn gebaseerd op declaraties over het jaar 1998. Verrekeningen van declaraties over vorige jaren (voorzover deze op wetsniveau hebben geleid tot een terugbetaling ten gunste van het Rijk) zijn verantwoord bij het middelenartikel M1401 Ontvangsten bijstandszaken. De bedragen in de kolommen Vermoedelijke uitkomst 1999 én Ontwerp-begroting 2000 zijn ramingen, inclusief verrekeningen over vorige jaren. De gegevens in de laatste twee kolommen zijn daardoor niet direct vergelijkbaar met de gegevens van de Rekening 1998.

Evaluatie van de nAbw

Eind 1999 zal de (wettelijk verplichte) integrale evaluatie van de nieuwe Algemene Bijstandswet beschikbaar komen. Het bereik van de doelstellingen van de nAbw zal worden getoetst aan de meetpunten activering, inkomenswaarborg, handhaving en uitvoering.

Tussentijdse evaluatie van de experimenten op grond van artikel 144 Abw

Op grond van artikel 144 van de Abw, het zogenaamde experimenteerartikel, is door SZW aan een groot aantal gemeenten toestemming verleend experimenten op te zetten die als doel hebben het voorkomen en bestrijden van sociale uitsluiting en het bevorderen van deelname aan trajecten die leiden tot een toetreding tot de arbeidsmarkt. Deze experimenten zijn bestemd voor rechthebbenden in de Abw waarvan wordt verwacht dat zij niet binnen afzienbare termijn tot de arbeidsmarkt zullen toetreden. Uit een tussentijdse evaluatie over de periode begin 1996 – voorjaar 1998 blijkt onder meer dat ruim de helft van de deelnemers aan de experimenten al langer dan vijf jaar een bijstandsuitkering heeft en 13 procent is uitgestroomd naar vormen van (gesubsidieerde) arbeid, arbeidsmarktgerichte trajecten, vrijwilligerswerk of een opleiding. Zowel de uitvoerders als de deelnemers zijn positief over de resultaten. Op basis van de tussentijdse evaluatie kan nog onvoldoende worden vastgesteld welke elementen een positieve bijdrage hebben geleverd aan de doelstelling van de experimenten. Hierin zal het eindrapport, dat naar verwachting begin 2000 beschikbaar komt, meer inzicht moeten geven. Voor de deelnemende gemeenten zal de periode worden verlengd om te voorkomen dat er een ruimte ontstaat tussen het einde van de experimenten en eventuele nieuwe wetgeving.

Evaluatie experimenten schuldhulpverlening (Bijstandszaken)

De Commissie Schuldenproblematiek (Commissie Boorsma) heeft in 1994 aanbevelingen gedaan over de wijze waarop een integraal schuldenbeleid vorm moet krijgen. In reactie hierop heeft SZW in 1995 en 1996 acht experimenten op het gebied van integraal schuldenbeleid gesubsidieerd. Vijf experimenten hadden betrekking op het in leven roepen van lokale of regionale meldpunten gewijd aan de preventie van schulden en de koppeling tussen schuldhulpverlening en arbeidsbemiddeling. Drie experimenten betroffen het opzetten van grensoverschrijdende schuldhulpverlening, de ontwikkeling van een computerprogramma voor schuldhulpverlening en de nadere uitwerking van een facilitaire organisatie voor schuldhulpverleners. Drie van de vijf meldpuntexperimenten bleken succesvol; bij een vierde werd de doelgroep niet bereikt, de vijfde was vertraagd door een reorganisatie. De drie andere experimenten waren ten dele succesvol. Succesfactoren waren: centrale aansturing, tijdige signalering en doorverwijzing, voldoende menskracht en goede samenwerking met GSD, kredietbank en crediteuren. Het rapport is aangeboden en besproken met het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening. Daarbij is afgesproken dat dit platform aandacht zal besteden aan de aanbevelingen voor het opstellen van modelcontracten voor de verbetering van de samenwerking met schuldeisers, voor de verbetering van de relatie tussen schulden en het verkrijgen van werk, en voor de aanpak van grensoverschrijdende schulden.

14.02 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Ioaw is een inkomensvoorziening op minimumniveau voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. De Ioaw vult het inkomen uit of in verband met arbeid van de rechthebbende en zijn eventuele echtgenoot of partner aan tot het voor de betrokkene geldende sociaal minimum.

De Ioaw is met de Abw vergelijkbaar, maar heeft geen vermogenstoets en geen normen- en toeslagensystematiek. De Ioaw kent aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen die afhankelijk zijn van de leefsituatie en leeftijd.

De uitvoering van de Ioaw is in handen van de gemeenten. Deze stellen het recht op uitkering vast en betalen de uitkering aan de rechthebbende. Het Rijk vergoedt aan de gemeenten 90% van de rechtmatig verstrekte uitkeringen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  382 200376 900372 900367 500367 000 
1e Suppl.wet 1999:  3 90011 20017 10024 50026 900 
Nieuwe mutaties:        
Koppeling uitkeringen 1999  15 80016 30017 00017 40017 900 
Stand ontwerp-begroting 2000 390 265401 900404 400407 000409 400411 800412 000

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie heeft betrekking op een bijstelling van de meerjaren-raming voor de kosten van de volledige koppeling in 1999 van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.2.

– De economische codering is 43C

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Uitkeringslasten (x f 1 mln)390 265401 900404 400
Aantal personen (x 1)20 00019 80019 900
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)19 51520 30020 320

14.03 Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz)

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Ioaz is een inkomensvoorziening op minimumniveau voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen die hun eigen bedrijf of beroep hebben moeten beëindigen. De Ioaz vult het inkomen uit of in verband met arbeid van de rechthebbende en zijn eventuele echtgenoot of partner aan tot het voor betrokkene geldende sociaal minimum.

Evenals de Ioaw is de Ioaz vergelijkbaar met de Abw. Wel kent de Ioaz een beperkte vermogenstoets, maar net als de Ioaw geen normen- en toeslagensystematiek. De Ioaz kent aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen die afhankelijk zijn van de leefsituatie en leeftijd.

De uitvoering van de Ioaz is in handen van de gemeenten. Deze stellen het recht op uitkering vast en betalen de uitkering aan de rechthebbende. Het Rijk vergoedt aan de gemeenten 90% van de rechtmatig verstrekte uitkeringen en van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor een bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  102 200107 70098 60095 10095 000 
1e Suppl.wet 1999:  – 7 200– 11 200– 1 700– 100– 100 
Nieuwe mutaties:        
Koppeling uitkeringen 1999  3 9004 0004 2004 2004 400 
Stand ontwerp-begroting 2000 93 61698 900100 500101 10099 20099 30099 400

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie heeft betrekking op een bijstelling van de meerjarenraming voor de kosten van de volledige koppeling in 1999 van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.2.

– De economische codering is 43C.

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Uitkeringslasten (x f 1 mln)92,898,099,6
Aantal personen (x 1)4 2954 2004 250
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)21 61423 33523 435
    
Onderzoekskosten (x f 1 mln)0,80,90,9
Aantal onderzoeken (x 1)800900900
Gemiddelde uitkering (x f 1,–)1 0001 0001 000

14.04 Financiële afwikkeling afgesloten regelingen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel is voor de financiële afwikkeling en verantwoording van de afgesloten regelingen bedoeld. Het gaat hier uitsluitend nog om nadeclaraties voor de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV). Deze hebben betrekking op de vergoeding aan gemeenten van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 180000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één onderdeel. De codering is als volgt:

– de functionele code is 06.14

– de economische code is 43C.

14.06 Experimenten

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Per 18 januari 1995 is het Tijdelijk besluit subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden (EAU) in werking getreden. Instroom van langdurig werkloze uitkeringsgerechtigden was mogelijk tot en met 31 december 1997. Vanaf 1998 wordt er alleen nog financieel afgerekend. Op dit artikel worden eveneens de uitgaven voor het experiment marktverruiming in de schoonmaakbranche verantwoord. Dit experiment is met ingang van 1 januari 1998 vervallen, en vervangen door de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (zie artikel U1207).

De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 127000000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 123 552000000

Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Experimenten activering uitkeringsgelden     123 425   43C 06.43
Dienstverlening particuliere marktsector 127   127   31D 06.43
Totaal 12700 123 55200    

Kengetallen

 
 Rekening 1998
EAU-projectuitgaven in 1998 
Subsidielasten (x f 1 mln)123,4
Aantal jaaruitkeringen (x 1)6 857
Gemiddeld subsidiebedrag (x f 1)18 000
EAU-projectuitgaven vanaf 1995 
Aantal arbeidsovereenkomsten21 563
Gemiddelde kosten per arbeidsovereenkomst17 030
Toegelichte projectuitgaven (x f 1 mln)367,2
Berekende verblijfsduur (x 1 maand)10,4

EAU-projectuitgaven in 1998

Deze cijfers zijn gebaseerd op de uitgaven, die aan het jaar 1998 kunnen worden toegerekend. Dit zijn de uitgaven op basis van de bevoorschotting aan gemeenten voor het eerste tot en met vierde kwartaal 1998. In 1998 was geen nieuwe instroom meer mogelijk. De uitgaven vormen dus de uitfinanciering van nog lopende contracten. In de loop van 1998 is het zittende bestand geleidelijk aan het uitstromen. De realisatie voor 1998 is daardoor uitgekomen op een aantal van 6.857 jaaruitkeringen.

EAU-projectuitgaven vanaf 1995

Deze cijfers zijn gebaseerd op de uitgaven, die vanaf het jaar 1995 aan de EAU kunnen worden toegerekend. Het aantal instromers lag met 21 563 boven de doelstelling van 20 000 arbeidsovereenkomsten. Dit was mogelijk doordat de gerealiseerde gemiddelde bezettingsduur per plaats 10,4 maanden bedroeg, terwijl de maximaal toegestane verblijfsduur van een plaats maximaal 2 jaar was. Daardoor is het totale bedrag van de regeling (f 367 mln) ook lager uitgevallen dan de oorspronkelijk geraamde f 720 mln (over vier jaar). De evaluatie van de EAU-regeling wordt in de zomer van 1999 afgerond. Naar verwachting zullen de resultaten van deze evaluatie in het najaar van 1999 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

14.07 Specifieke uitkeringen Wvg

Op dit artikel wordt een deel van de beschikbare middelen voor de WVG verantwoord. Het merendeel van de WVG-middelen wordt via de algemene uitkering op de begroting van het Gemeentefonds verantwoord.

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

1. Sinds 1 januari 1996 is de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen van kracht. In deze regeling is een vervoersvoorziening getroffen voor bewoners van instellingen voor zwakzinnigen, psychiatrische ziekenhuizen, verpleeghuizen en centra voor auditief en visueel gehandicapten. Deze instellingen zijn geconcentreerd in een beperkt aantal gemeenten. De verdeelmethodiek van het Gemeentefonds is op een dergelijke specifieke verdeling over een beperkt aantal gemeenten niet toegerust. Om de AWBZ-gemeenten toch een adequate vergoeding voor de te maken kosten te geven is met de Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten een specifieke uitkering gecreëerd. Gemeenten kunnen deze middelen op dezelfde wijze besteden als de Wvg-middelen die aan het Gemeentefonds zijn toegevoegd. De tijdelijke bijdrageregeling is met één jaar verlengd en loopt per 1 januari 2001 af. Het is de bedoeling dat de bekostiging dan geheel via het gemeentefonds zal lopen.

2. Voor noodzakelijke woningaanpassingen voor gehandicapten bestonden tot en met 1997 twee regelingen, één voor woningaanpassingen tot en met f 45 000 in de Wvg en één voor woningaanpassingen boven f 45 000 in de AWBZ. Het kabinet heeft in 1998 besloten beide regelingen te integreren in één regeling onder de Wvg. De uitvoering van de woningaanpassingen boven f 45 000 blijft tot 2000 in handen van de Ziekenfondsraad (ZFR). In de loop van 2000 wordt de zorgplicht voor alle woningaanpassingen bij gemeenten gelegd, binnen het kader van de Wvg. De uitvoering van de woningaanpassingen boven f 45 000 zal daardoor worden overgeheveld van de ZFR naar de gemeenten.

3. Het kabinet heeft in 1998 besloten dat het Rijk zal voorzien in de organisatie van een bovenregionale vervoersvoorziening voor gehandicapten. Daarvoor zijn met ingang van 1998 structureel middelen beschikbaar gesteld. Onder deze vervoersvoorziening valt de organisatie en planning van vervoer, assistentie bij vervoer, voor- en natransport en vervoer van gehandicapte sporters. Hiervoor is een landelijk contract afgesloten met de vervoersorganisatie Connexxion. Het bovenregionale vervoer is vanaf juli 1999 operationeel geworden.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  129 400119 200120 300121 600121 600 
1e Suppl.wet 1999:  13 600  
Nieuwe mutaties:        
1. Monitor Wvg   400400400400 
2. Overboeking naar U1101  – 116     
3. Loon/prijsbijstelling 1999  2 5002 3002 3002 3002 300 
4. Overboeking sociaal vervoer van gemeentefonds   11 000  
Stand ontwerp-begroting 2000 158 939145 384132 900123 000124 300124 300124 300

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  127 600117 300117 300117 300117 300 
1e Suppl.wet 1999:  13 600  
Nieuwe mutaties:        
1. Monitor WVG   400400400400 
2. Overboeking naar U1101  – 116     
3. Loon/prijsbijstelling 1999  2 5002 3002 3002 3002 300 
4. Overboeking sociaal vervoer van gemeentefonds   11 000    
5. Reservering sociaal vervoer  – 2 9002 900  
Stand ontwerp-begroting 2000 145 439140 684133 900120 000120 000120 000120 000

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld:

1. Bij de decentralisatie van de Wvg is afgesproken de gemeentelijke Wvg-uitgaven gedurende een aantal jaren te volgen en op drie momenten te evalueren. De resultaten van de laatste evaluatie komen in 2000 beschikbaar. Voor de periode na 2000 wordt een monitor gecreëerd waarmee de ontwikkelingen op het Wvg-terrein structureel kunnen worden gevolgd.

2. Een overboeking naar artikel U1101 (Personeel en Materieel) voor de inhuur van een externe deskundige op het terrein van bovenregionaal gehandicapten vervoer inzake de beoordeling van de logistieke aanpak bij de uitvoering van het landelijk contract, waaronder de automatisering, de inrichting en bemensing van het call center, de te gebruiken voertuigen en de dekkingsgraad van het vervoer.

3. De toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

4. De tijdelijke bijdrageregeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen is met één jaar verlengd en loopt per 1 januari 2001 af. Het is de bedoeling dat de bekostiging dan geheel via het gemeentefonds zal lopen. De gemeentelijke bijdrage voor 2000 van deze regeling wordt uit het gemeentefonds overgeboekt naar SZW.

5. Bij de regeling sociaal vervoer ontvangen de gemeenten medio jaar een voorschot van 95% van het beschikbare bedrag. De definitieve bijdrage wordt ultimo jaar vastgesteld. De afrekening wordt het daaropvolgend jaar uitbetaald. Om deze reden wordt in de uitgavenraming een bedrag vanf 2,9 mln van 1999 naar 2000 overgeheveld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Sociaal vervoer AWBZ 47 60344 30043 400 47 60341 40046 000 43C 06.34
Bovenregionaal vervoer  58 08458 100  58 08458 100 43C 06.34
Woningaanpassing 33 40043 00031 400 19 90041 20029 800 43C 06.34
Eenmalige uitkering Wvg 1998 77 936   77 936   31D 06.43
Totaal 158 939145 384132 900 145 439140 684133 900    

E. Kengetallen

 
Woningaanpassingen > f 45 00019981999
Macro-budget (x f 1 mln op transactiebasis)25,530,5
Aantal aanvragen (x 1)373188
aantal toezeggingen (x 1)1896
aantal afgewezen aanvragen (x 1)563
aantal nog in behandeling (x 1)128179

* Bron: Voortgangsrapportage Ziekenfondsraad 8 juni 1999

Met betrekking tot de woningaanpassingen is het streven om uiterlijk na de derde evaluatie van de Wvg in 2000, te komen tot een goede verdeelsleutel op basis waarvan woningaanpassingen volledig gedecentraliseerd kunnen worden naar het gemeentefonds.

Ten aanzien van het bovenregionaal vervoer zijn afspraken gemaakt met de vervoersorganisatie Connexxion die maandelijks een overzicht zal aanleveren van onder meer het aantal pashouders en het aantal afgelegde reizen. De reizen worden afgerekend tegen een vast contractstarief per prestatie. Aangezien het bovenregionale vervoer vanaf juli 1999 operationeel is geworden, zullen volume- en prestatiegegevens in de volgende begroting worden opgenomen.

De bijdragen voor de regeling Sociaal vervoer AWBZ zijn bestemd voor instellingen waar gehandicapten woonachtig zijn en die ingevolge artikel 8 van de AWBZ zijn erkend. Deze bijdragen worden als lump-sum aan gemeenten verstrekt. Gezien dit lump-sum karakter zijn volume- en prestatiegegevens niet beschikbaar.

14.08 Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders met kinderen in de Abw

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders met kinderen in de Abw is bedoeld om de uitstroom uit de bijstand naar betaald werk van alleenstaande ouders te bevorderen door gemeenten de mogelijkheid te bieden kinderopvangcapaciteit in te kopen bij derden.

Continuering van de regeling is afhankelijk van de totstandkoming van de aangekondigde Wet Basisvoorziening Kinderopvang en de mogelijkheden dat deze regeling c.q. doelgroep van deze regeling hierin kan worden opgenomen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  90 000  
1e Suppl.wet 1999:  200  
Nieuwe mutaties:        
1. Overboeking van Wiw   90 00090 00090 00090 000 
2. Loonbijstelling 1999  2 2002 3002 7002 7002 800 
Stand ontwerp-begroting 2000 90 08892 40092 30092 70092 70092 80092 900

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  90 00018 000  
1e Suppl.wet 1999:  200  
Nieuwe mutaties:        
1. Overboeking van Wiw   72 00090 00090 00090 000 
2. Loonbijstelling 1999  2 2002 3002 7002 7002 800 
Stand ontwerp-begroting 2000 73 84992 40092 30092 70092 70092 80092 900

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutaties worden voorgesteld.

1. Een overboeking uit het Gemeentelijk werkfonds (artikel U1206) voor 2000 en verdere jaren ter structurele financiering van de kinderopvangregeling. Het was oorspronkelijk de bedoeling om binnen de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) de regeling vorm te geven. In afwachting van de definitieve vormgeving van de aangekondigde Wet Basisvoorziening Kinderopvang wordt de afzonderlijke regeling voortgezet.

2. De toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.2.

– De economische codering is 43C.

E. Kengetallen

In de regeling voor 1999 worden voor de verschillende soorten van kinderopvang en buitenschoolse opvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week op jaarbasis de volgende bedragen beschikbaar gesteld:

• f 19 050 voor een gerealiseerde kinderopvangplaats in de vorm van hele dagopvang;

• f 12 575 voor een gerealiseerde kinderopvangplaats in de vorm van halve dagopvang of buitenschoolse opvang;

• f 7 620 voor een gerealiseerde kinderopvangplaats in de vorm van gastouderopvang.

Voor de regeling 1999 hebben 492 gemeenten (90% van alle gemeenten) een aanvraag ingediend. Ten opzichte van 1998 is dit een toename van circa 5%. Informatie over de toegekende subsidie komt in het najaar van 1999 beschikbaar. De kinderopvangregeling 1998 is geëvalueerd. Doel van de evaluatie was te onderzoeken in welke mate de regeling heeft bijgedragen aan het vergroten van de toegang tot de arbeidsmarkt. Als belangrijkste resultaat kwam naar voren dat ruim 70 procent van de gebruikers van de kinderopvangregeling (meer) is gaan werken of met een opleiding is gestart. Deze groep schrijft dit effect grotendeels toe aan de kinderopvangregeling. Voor de overige 30 procent van de gebruikers van de kinderopvangregeling is er geen verandering in hun situatie ten aanzien van werk of opleiding opgetreden. Zij waren al bezig met werk of opleiding, waarbij hun kinderopvang niet of anders geregeld was. De aanbevelingen inzake de uitvoeringsaspecten zijn voorts geïmplementeerd in de regeling 1999.

Gemeenten dienen vóór 1 oktober 1999 verantwoording af te leggen over de uitvoering van de regeling 1998. Vervolgens worden de verantwoordingsgegevens betrokken bij het vaststellingsproces. In het najaar van 1999 zijn definitieve realisatiegegevens over de regeling 1998 beschikbaar.

14.09 Koopkrachttoeslagen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In 1997 is aan personen jonger dan 65 jaar, die in het huursubsidiejaar 1996–1997 aanspraak op huursubsidie hadden, een eenmalige koopkrachttoeslag toegekend ter verbetering van hun financiële positie. Dit artikel is bedoeld voor de financiële afwikkeling en verantwoording van deze inmiddels afgesloten regeling.

Het ministerie van VROM verzorgt namens SZW de uitvoering van deze regeling.

Het gaat hier uitsluitend nog om verrekeningen met VROM voor de betaalde uitkeringslasten en uitvoeringskosten. De administratieve afhandeling van deze koopkrachttoeslag wordt in 1999 afgerond.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
1e Suppl.wet 1999:  400  
Stand ontwerp-begroting 2000 2 16940000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.2

– De economische codering is 41E.

14.10 Wet inkomensvoorziening kunstenaars

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) is op 1 januari 1999 inwerking getreden. De WIK is bedoeld om kunstenaars te ondersteunen bij de opbouw van een renderende beroepspraktijk, dan wel hun in staat te stellen een tijdelijke terugval in inkomsten op te vangen. Er zijn twee voorwaarden om voor de WIK in aanmerking te komen: de inkomens- en vermogenstoets conform de Abw en de beroepsmatigheidstoets. Daarnaast geldt er voor het jaar 1999 een overgangsmaatregel voor kunstenaars die per 1 januari 1999 in de Abw zaten. De WIK biedt de alleenstaande kunstenaar een uitkering op 70% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm (inclusief toeslag). Voor alleenstaande ouders en gehuwden geldt een relatief hogere norm, zodat hun afstand tot het sociaal minimum in guldens gelijk is aan de afstand tot het sociaal minimum voor alleenstaanden. Betrokkene krijgt geen arbeidsverplichting opgelegd. De kunstenaar mag bijverdienen tot 125% van de anders voor hem geldende bijstandsnorm, waarbij rekening wordt gehouden met een forfaitair bedrag voor beroepskosten. De kunstenaar kan maximaal vier jaar van deze voorziening gebruik maken in een periode van tien aaneengesloten jaren.

De uitvoering van deze wet is opgedragen aan 39 centrumgemeenten. Het Rijk vergoedt deze gemeenten 100% van de uitkeringslasten; tevens krijgen de gemeenten een vast bedrag per verstrekte uitkering ter compensatie van de uitvoeringskosten van deze wet.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  121 800124 400130 40097 20061 200 
1e Suppl.wet 1999:  600  
Nieuwe mutaties:        
1. Loonbijstelling 1999  300400400300200 
2. Koppeling uitkeringen 1999  3 9003 9004 5003 4002 200 
Stand ontwerp-begroting 2000 12001126 600128 700135 300100 90063 60063 600

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties hebben betrekking op :

1. De toedeling van de reguliere loon- en prijsbijstelling 1999.

2. Een bijstelling van de meerjarenraming voor de kosten van de volledige koppeling in 1999 van de netto-uitkeringen aan de loonontwikkeling.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Uitkeringen  108 400110 100  108 400110 100 43C 06.2
Uitvoeringskosten 12 00118 20018 600 12 00118 20018 600 12 06.2
Totaal 12 001126 600128 700 12 001126 600128 700    

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Uitkeringslasten (x f 1 mln) 108,4110,1
Aantal personen (x 1) 5 7006 000
Gemiddelde uitkering (x f 1) 19 01518 350
    
Uitvoeringskosten gemeenten (x f 1 mln) 12,513,2
Aantal personen (x 1) 5 7006 000
Gemiddelde kosten (x f 1) 2 2002 200
    
Uitvoeringskosten VvK (x f 1 mln) 5,75,4
Aantal adviezen (x 1) 8 2377 800
Gemiddelde kosten (x f 1) 692692
    
Invoeringskosten (x f 1 mln)12,0  
Aantal gemeenten39  
Gemiddelde kosten (x f 1)307 700  

Van het geraamde aantal kunstenaars dat in 2000 een beroep doet op een WIK-uitkering (6000) is het merendeel (5800) afkomstig uit de bijstand. Volgens de wet hebben betrokkenen recht op deze uitkering gedurende maximaal vier jaar binnen een periode van tien aaneengesloten jaren. Het effect van de invoering van de WIK op de Abw-uitgaven is (spiegelbeeldig) op gelijke wijze geraamd. De centrumgemeenten en de Vereniging van Kunstenaars (VvK), die de beroepsmatigheidstoets uitvoert, worden gecompenseerd voor de uitvoeringskosten. De compensatie aan centrumgemeenten bedraagt voor 2000 op jaarbasis f 2200 per Wik-gerechtigde. De uitvoeringskosten van het Vvk zijn op jaarbasis f 1,5 mln voor de vaste kosten en voor de variabele kosten f 500 per advies.

14.11 Millenniumbijdragen uitvoering sociale voorzieningen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de verplichtingen en uitgaven verantwoord op grond van

a. de Regeling financiële tegemoetkoming aanpak millenniumprobleem in het kader van de uitvoering van sociale voorzieningen door gemeenten en sw-bedrijven (Stcrt. 1998, 240) en

b. centrale faciliteiten voor de gemeentelijke uitvoeringsprocessen, zoals kenniscentra (die voorzien in helpdeskfunctie, modelplannen en monitoring), testen van systemen en ondersteuning van de ontwikkeling van nood- en overgangsvoorzieningen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Nota van Wijziging:  4 200500  
1e Suppl.wet 1999:  17 450  
Stand ontwerp-begroting 2000 78 05121 6505000000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Nota van Wijziging:  4 200500  
1e Suppl.wet 1999:  22 500  
Stand ontwerp-begroting 2000 72 99726 7005000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden thans geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.2

– De economische codering is 43C.

HOOFDBELEIDSTERREIN 15. OVERIG BELEID

15.01 Subsidies algemeen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Dit artikel heeft betrekking op subsidies die de Kaderwet SZW-subsidies als formeel juridische basis hebben en niet op subsidies die gebaseerd zijn op een afzonderlijke regeling welke via aparte begrotingsartikelen worden verantwoord. Uitzondering zijn de subsidies waarvoor de directie Coördinatie Emancipatiebeleid verantwoordelijk is. Deze lopen via artikel U1502.

Jaarlijks kent SZW subsidies toe via een departementale prioriteringsmethodiek. De beleidsmatige uitgangspunten zijn vertaald in de Memorie van Toelichting bij de Kaderwet SZW-subsidies. De voor 2000 geprioriteerde subsidies staan in de subsidiebijlage bij deze begroting vermeld. Het met deze subsidies gemoeide bedrag is minder dan wat er in 2000 beschikbaar zal zijn. Het verschil is een reservebudget, waaruit noodzakelijkerwijs nakomende aanvragen kunnen worden gefinancierd. Door de prioriteringsmethodiek is sprake van een voortdurende heroverweging van het SZW-subsidiepakket, zodat flexibel op beleidsontwikkelingen kan worden ingespeeld.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  28 51717 78117 58217 68219 282 
Nota van Wijziging:  – 8 900  
1e Suppl.wet 1999:  4 251140– 77– 267– 267 
Nieuwe Mutaties:        
1. Asbest en handhaving   – 6 900– 6 900– 6 900– 6 900 
2. Loonbijstelling 1999  732599400405405 
3. Overboeking KBOH   1 6001 6001 6001 600 
4. Overboeking arbeidsomstandigheden   1 2001 2001 2001 200 
5. Sociale activering   10 00010 00010 00010 000 
Stand ontwerp-begroting 2000 38 44524 60024 42023 80523 72025 32025 720

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  32 31727 78119 58219 68219 682 
Nota van Wijziging:  – 8 900  
1e Suppl.wet 1999:  2 351140– 77– 267– 267 
Nieuwe Mutaties:        
1. Asbest en handhaving   – 6 900– 6 900– 6 900– 6 900 
2. Loonbijstelling 1999  732599400405405 
3. Overboeking KBOH   1 6001 6001 6001 600 
4. Overboeking arbeidsomstandigheden   1 2001 2001 2001 200 
5. Sociale activering   10 00010 00010 00010 000 
Stand ontwerp-begroting 2000 27 81126 50034 42025 80525 72025 72025 720

C. Toelichting bij de cijfers

De nieuwe mutaties betreffen:

1. De middelen voor de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers en voor handhavingsbeleid worden, evenals voor 1999, voor 2000 en volgende jaren ook naar de artikelen U15.09 en U15.10 overgeboekt. Voor de asbestslachtoffers is voor deze jaren f 5 miljoen beschikbaar.

2. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling voor 1999.

3. De overboeking uit het Gemeentefonds voor de jaren 2000 tot en met 2004 ter continuering van de subsidie aan de Stichting KBOH (Kwaliteits- en bruikbaarheidsonderzoek van hulpmiddelen voor gehandicapten en ouderen).

4. In verband met de aanwijzing van een instelling waarbij volgens de nieuwe Arbeidsomstandighedenwet arbodiensten beroepsziekten moeten aanmelden, moet een subsidie worden verleend. De middelen worden overgeboekt uit artikel 15.07 Arbeidsomstandigheden.

5. Voor vier jaar wordt subsidie gegeven aan gemeenten voor de ontwikkeling van beleid en uitvoering rond sociale activering.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.9.

– De economische codering is 43A.

15.02 Emancipatie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de budgetten geraamd ten behoeve van de ondersteuning en stimulering van het emancipatieproces in de Nederlandse samenleving. De budgetten ter ondersteuning van het primair proces en de Raden en Commissies worden verantwoord onder artikel 11.01. De budgetten voor de Stimuleringsmaatregel Dagindeling worden verantwoord onder art.15.08.

De artikelonderdelen Ondersteuning en Instellingen in de begroting 1998 zijn vanaf 1999 samengvoegd tot het nieuwe artikelonderdeel «Subsidies».

Het emancipatie-ondersteuningsbeleid is noodzakelijk om het proces van de gewenste verandering in de richting van een geëmancipeerde samenleving te blijven stimuleren. De «Subsidieregeling emancipatie-ondersteuning 1998» is gebaseerd op dit uitgangspunt.

Bij de subsidiëring gaat het om activiteiten of initiatieven die sector- c.q. departementsoverschrijdend zijn, een landelijke uitstraling hebben, vernieuwend van karakter zijn en/of gericht zijn op verbreding van het draagvlak voor het emancipatiebeleid. In de «Subsidieregeling emancipatie-ondersteuning 1998» is een clustering aangebracht in een drietal type:

a. activiteiten die passen in de actuele thema's van het emancipatiebeleid;

b. activiteiten die gericht zijn op het wegnemen van structurele en culturele belemmeringen en (in)directe discriminatie of een wezenlijke bijdrage leveren aan de mogelijkheid van die groepen om volwaardig en gelijktijdig te participeren in verschillende levenssferen (de persoonlijke sfeer, de sfeer van werk en inkomen en de politiek-sociale sfeer);

c. activiteiten (veelal meerjarig) die gericht zijn op verbreding van het draagvlak voor het emancipatieproces of bijdragen aan expertisevorming.

De activiteiten die mogelijk voor subsidie in aanmerking komen worden met elkaar vergeleken en beoordeeld op geschiktheid om bij te dragen aan de beoogde doelstellingen.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  4 8527 2077 2077 20711 807 
1e Suppl.wet 1999:  – 123– 246– 376– 490– 490 
Nieuwe Mutaties:        
1. Loonbijstelling 1999  180180180180180 
Stand ontwerp-begroting 2000 24 8054 9097 1417 0116 89711 49711 497

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  11 80711 80711 80711 80711 807 
1e Suppl.wet 1999:  – 123– 246– 376– 490– 490 
Nieuwe Mutaties:        
1. Loonbijstelling 1999  180180180180180 
Stand ontwerp-begroting 2000 10 17411 86411 74111 61111 49711 49711  497

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld:

1. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling 1999.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Ondersteuning 2 148   2 259   43A 06.36
Instellingen 22 657   7 915   43A 06.36
Totaal 24 8054 9097 141 10 17411 86411 741    

De beschikbare f 11,7 mln zal in 2000 conform de genoemde subsidieregeling worden besteed. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in ten eerste subsidies voor activiteiten, die passen in de actuele thema's van emancipatiebeleid en ten tweede subsidies voor het wegnemen van structurele culturele belemmeringen en directe/indirecte discriminatie, zodat diversiteit als bron van kwaliteit van de samenleving tot haar recht kan komen. Voor de preciese invulling hiervan moet nog nadere besluitvorming plaatsvinden. Ten derde worden jaarlijks subsidies verstrekt aan organisaties gericht op verbreding van het draagvlak voor het emancipatieproces of emancipatie. Het betreft hier subsidies voor onder meer IIAV, E-quality, Opportunity, de Vrouwenalliantie en Toplink. Over de hoogte van de beschikbare budgetten per cluster, vindt nadere besluitvorming plaats in het najaar van 1999.

15.03 Migratie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Met ingang van 1 januari 1997 is het remigratiebeleid met de bijbehorende remigratieregelingen overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkszaken. Dit betekent dat de raming van verplichtingen en uitgaven en de toelichting op het te voeren beleid in de begroting van BZK weergegeven wordt. Dit artikel wordt thans opgeheven.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 307000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Remigratieregeling         43G 06.36
Basisremigratieregeling         43E 06.36
IOM 176   176   43G 06.36
NMI         43A 06.36
Uitvoeringskosten 131   131   12 06.36
Kredietgarantie migratie         63A 06.36
Totaal 30700 30700    

15.05 Spaarwetten en regelingen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd en verantwoord die betrekking hebben op de betalingen van premies op grond van de Jeugdspaarwet en de Spaareffectenregeling.

Jeugdspaarwet

De premiëring van jeugdspaarovereenkomsten is gebaseerd op de Jeugdspaarwet, die per 1 januari 1992 is ingetrokken. De intrekking betekent uitsluitend, dat vanaf 1992 geen nieuwe – door de overheid te premiëren – spaarovereenkomsten meer kunnen worden afgesloten.

De raming van de uitgaven heeft betrekking op de halfmaandelijkse declaraties door de spaarinstellingen van premies die zij aan spaarders betalen en is gebaseerd op de uitfinanciering van de aangegane jeugdspaarovereenkomsten.

Spaareffectenregeling

Dit artikelonderdeel wordt thans opgeheven.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000  000000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  25 00024 0009 0009 0009 000 
Stand ontwerp-begroting 2000 25 60825 00024 0009 0009 0009 0009 000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
Jeugdspaarwet     25 60825 00024 000 63E 06.32
Spaareffectenregeling         63E 06.36
Totaal 000 25 60825 00024 000    

E. Kengetallen

Jeugdspaarwet
 199920002001200220032004
Te premiëren aantal67 00062 00023 00023 00023 00023 000
Gemiddelde premie (x f 1,–)363375385385385385
Uitgaven (x f 1 mln)25,024,09,09,09,09,0

De aantallen-ramingen

Het aantal te betalen premies wordt voor 2000 lager geraamd dan de jaren daarvoor. De lagere raming (62000) hangt samen met het voortschrijden van de afwikkeling. De premies die in 2000 worden betaald, hebben overwegend betrekking op jeugdspaarovereenkomsten die minstens 7 jaar zijn aangehouden.

De geraamde gemiddelde premie

Voor 2000 wordt een hogere gemiddelde premie geraamd dan in voorgaande jaren. Dit is het gevolg van de wetsbepalingen in samenhang met het voortschrijden van de afwikkeling. Doordat in 2000 en later alleen nog premiëringen plaatsvinden van jeugdspaarovereenkomsten met een jaarlijks toenemende gemiddelde looptijd, resulteren daaruit stijgingen van geraamde gemiddelde jaarpremies.

15.06 Samenwerking Werk en Inkomen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt inzake het advies van de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) «Samenwerking in dynamisch perspectief» zijn met ingang van 1997 middelen beschikbaar voor de financiële ondersteuning van het SWI-proces.

Dit artikel is onderverdeeld in drie onderdelen:

– een budgettaire voorziening voor het functioneren van het procesmanagement SWI;

– uitgaven in het kader van de stimuleringsregeling SWI;

– uitgaven ten behoeve van het Cliënt-volg-communicatie-stelsel (CVCS).

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  15 0005 000  
1e Suppl.wet 1999:  62 2001200015 000  
Stand ontwerp-begroting 2000 (VP) 35 000  
Stand onwerp-begroting 2000 (Uitg) 37 50077 20017 00015 000   

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199819992000 199819992000 econ. funct.
CVCS 35 0007 200  37 5007 200  43A 06.43
SWI  70 00017 000  70 00017 000 12 06.43
Totaal 35 00077 20017 000 37 50077 20017 000    

E. Kengetallen

Op dit moment (per 1 juli 1999) zijn 63 CWI's operationeel en zijn 63 subsidie-aanvragen ingediend, waarvan er 57 zijn toegekend. De toegekende subsidie-aanvragen vertegenwoordigen een totaalwaarde van f 27,5 miljoen.

Naar verwachting zullen er uiteindelijk 204 CWI's komen. Op een totaal van ruim 10,6 miljoen inwoners van 15 tot en met 64 jaar (per 1 januari 1997) betekent dit een gemiddelde van circa 52 000 inwoners per CWI. De gemiddelde gebiedsgrootte van het gebied dat per CWI wordt afgedekt, bedraagt op dat moment ongeveer 166 vierkante kilometer.

15.07 Arbeidsomstandigheden

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het kabinet geeft een impuls aan een verdere verbetering van de arbeidsomstandigheden en de sociaal medische begeleiding van werknemers.

De ter beschikking gestelde extra financiële middelen worden ingezet voor het afsluiten van convenanten met hoge risicobedrijfstakken ter vermindering van de arbeidsrisico's, de versterking van de arbo-infrastructuur en andere activiteiten in het kader van preventie en reïntegratie.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  25 00050 00075 000100 000100 000 
1e Suppl.wet 1999:  – 2 600– 12 300– 22 300– 12 300– 2 300 
Nieuwe Mutaties:        
1. Overboeking arbeidsomstandigheden   – 1 200– 1 200– 1 200– 1 200 
2. Loonbijstelling 1999  4009001 4001 9001 900 
3. Uitfinanciering      – 30 000 
Stand ontwerp-begroting 2000  22 80037 40052 90088 40068 40028 400

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutaties betreffen:

1. In verband met de aanwijzing van een instelling waarbij volgens de nieuwe Arbeidsomstandighedenwet arbodiensten beroepsziekten moeten aanmelden, moet een subsidie worden verleend. De middelen van deze subsidie worden van dit artikel overgeboekt naar het subsidie-artikel (U15.01).

2. De verdeling van de reguliere loon-/prijsbijstelling 1999.

3. Bij de uitfinanciering van de in de periode 1999–2002 af te sluiten convenanten treedt een verschuiving op van f 30 mln van 2003 naar 2004.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.42

– De economische codering is 43D.

E. Kengetallen

SZW verwacht 20 convenanten af te sluiten in de periode 1999–2002. Voordat een convenant tot stand komt, wordt in gezamenlijk overleg tussen SZW en de partners over de strekking van een te sluiten convenant onderhandeld. De uitkomsten van dat overleg worden neergelegd in een zogenaamde intentieverklaring, waarin partijen de wil uitspreken om gezamenlijk tot een convenant te komen gericht op één of meerdere specifieke arbeidsrisico's. Vanwege de daarmee gemoeide belangen en de vereiste nauwkeurigheid is dit een proces dat tijd vraagt. Op dit moment is SZW met 22 bedrijfstakken in onderhandeling. Volgens plan moeten deze besprekingen dit jaar leiden tot 12 intentieverklaringen, waarvan er reeds twee zijn getekend (thuiszorg en horeca).

Na ondertekening van de intentieverklaring wordt het plan van aanpak, dat een onderdeel vormt van het convenant, uitgewerkt. Ook vindt het onderzoek naar de stand der techniek plaats. De resultaten hiervan gebruikt SZW voor het opstellen van het convenant. Op dit moment is 1 convenant afgesloten (thuiszorg). Het aantal werknemers onder de werking van dit convenant bedraagt circa 150 000.

15.08 Stimuleringsmaatregel dagindeling

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In het Regeerakkoord is opgenomen dat het beter kunnen combineren van taken bij de opvoeding van kinderen en bij de uitoefening van het beroep zowel de persoonlijke als de maatschappelijke belangen dient. In dit kader zullen aanbevelingen van de Commissie Dagindeling door middel van een tijdelijke stimuleringsmaatregel worden uitgewerkt in experimenten, ervaringsuitwisseling en informatievoorziening.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  10 00020 00020 00010 000  
1e Suppl.wet 1999:  4 3703 950– 10 420– 10 000  
Stand ontwerp-begroting 2000  14 37023 9509 580000

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  10 00020 00020 00010 000  
1e Suppl.wet 1999:  – 6 200– 8 800– 3 4003 7002 600 
Stand ontwerp-begroting 2000  3 80011 20016 60013 7002 6000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.36

– De economische codering is 43C

15.09 Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Bij brief van 30 maart 1999 is de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers in concept aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1998/99, 25 834, nr. 7). De Regeling heeft tot doel een eenmalige tegemoetkoming te verstrekken aan asbestslachtoffers met maligne mesothelioom, die vanwege het ontbreken van een aansprakelijke werkgever of vanwege verjaring van de vordering, geen schadevergoeding meer kunnen verkrijgen langs civielrechtelijke weg. De tegemoetkoming is een maatschappelijke erkenning van het leed van asbestslachtoffers. Bij brief van 10 juni 1997 aan de Tweede Kamer kondigde het toenmalige kabinet deze regeling aan in reactie op het advies «Asbestslachtoffers» van prof. J. de Ruiter (Kamerstukken II 1996/97, 25 000 XV, nr. 58).

Het voorstel is de hoogte van de tegemoetkoming te stellen op 35 000 gulden. Een aanvraag voor een tegemoetkoming kan alleen worden ingediend door het slachtoffer zelf. Een uitzondering is gemaakt voor die gevallen, waarin het asbestslachtoffer op 6 juni 1997 in leven was maar is komen te overlijden voordat de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers van kracht werd. In die gevallen kan een aanvraag voor een tegemoetkoming door de nabestaanden worden ingediend.

De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2000 van kracht worden. De Sociale Verzekeringsbank zal de regeling uitvoeren. Daarbij zal de Bank gebruik maken van een advies van het Instituut Asbestslachtoffers over de vraag of sprake is van de ziekte maligne mesothelioom als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan asbest. Tot de oprichting van dit instituut is besloten door de organisaties van verzekeraars, werkgevers en werknemers om een einde te maken aan de juridische lijdensweg voor asbestslachtoffers met maligne mesothelioom, die wel een schadevergoeding langs civielrechtelijke weg kunnen vorderen. Het instituut zal eveneens per 1 januari 2000 operationeel zijn. Op dit artikel worden ook in 1999 de uitgaven verantwoord voor de eenmalige startsubsidie aan dit instituut.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  
Nota van Wijziging:  7 0005 0005 0005 0005 000 
1e Suppl.wet 1999:  2 500  
Nieuwe mutaties:        
1. Aanpassing ramingen  – 6 0008 0008 0001 0001 000 
Stand ontwerp-begroting 2000  3 50013 00013 0006 0006 0006 000

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld:

De ramingen zijn aangepast in verband met een latere inwerkingtreding van de regeling (naar verwachting 1 januari 2000) en wijziging van de hoogte van de voorgenomen tegemoetkoming van f 25 000,– in f 35 000,–. De hogere ramingen in 2000 en 2001 houden verband met de behandeling van een «stuwmeer» van aanvragen. Voor 1999 is rekening gehouden met de startsubsidie aan het Instituut Asbestslachtoffers en met een reservering voor voorbereidingskosten voor de uitvoering van de regeling.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.15

– De economische codering is 63E

E. Kengetallen

 
 Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
Uitgaven (x f 1 mln)3,513,0
– Eenmalige startsubsidie Instituut2,5 
– Voorbereidingskosten uitvoering SVB1,0 
– Uitkeringen (x f 1 mln) 10,1
– Uitvoeringskosten SVB (x f 1 mln) 2,9
   
Aantal uitkeringen (x 1) 288*
   
Hoogte uitkering (x f 1) 35 000
   
Uitvoeringskosten  
– Per uitkering (x f 1) 10 000
– In % van de uitkering 28,6

* Gerekend is met 125 uitkeringen per jaar, vermeerderd met de helft van een stuwmeer van 325 aanvragen (juni 1997 tot 1 januari 2000).

15.10 Handhaving en kwaliteitsverbetering van de uitvoering

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de verplichtingen en uitgaven verantwoord voor handhavingsprojecten, fraudebestrijding en projecten gericht op verbetering van de uitvoering van SZW-beleid. De verplichtingen en uitgaven hebben in belangrijke mate betrekking op de intensivering van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik op basis van de kabinetsnotitie fraudebestrijding 1998–2002 die in april 1998 aan de Kamer is aangeboden. De intensiveringen op het terrein van SZW richten zich vooral op de centrale thema's kwaliteitsverbetering, gegevensuitwisseling, samenwerking en bestrijding van internationale fraude.

B. De verplichtingen en de uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999   
Nota van Wijziging:  63 10069 90080 60061 10073 900 
1e Suppl.wet 1999:  7 650– 350– 350– 350– 350 
Nieuwe Mutaties:        
– Uitstel Inlichtingenbureau  – 35 0000022 5000 
Stand ontwerp-begroting 2000  35 75069 55080 25083 25073 55071 250

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld.

De besluitvorming over invoering van het Inlichtingenbureau ten behoeve van gemeenten voor centrale verificatie van cliëntgegevens is met een jaar uitgesteld. In verband daarmee zijn ook de met de implementatie van het Inlichtingenbureau samenhangende en in de kabinetsnotitie fraudebestrijding van april 1998 opgenomen uitgavenramingen (f 35 mln in de jaren 1999, 2000 en 2001 en f 12,5 mln in de jaren daarna) een jaar opgeschoven.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt.

– De functionele codering is 06.2

– De economische codering is 43A.

2. ONTVANGSTEN

HOOFDBELEIDSTERREIN 11. MINISTERIE

11.01 Algemene ontvangsten

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Algemene ontvangsten

Op dit onderdeel worden de volgende algemene ontvangsten ten gunste van het ministerie verantwoord:

– De Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO) betaalt de vervolguitkeringen van de WAO-conforme regelingen van langdurig ziek SZW-personeel terug aan het ministerie.

– Ontvangsten vanwege de overgang per 1 juni 1994 van de voormalige Dienst voor het Stoomwezen naar een private onderneming (Stoomwezen b.v). Enerzijds betreft dit de contractueel vastgelegde ontvangsten uit de verkoop van de Dienst, anderzijds de opbrengsten van de tewerkstelling van voormalige ambtenaren van de Dienst bij de private onderneming Stoomwezen b.v. conform een leaseconstructie. Bij de tariefsbepaling is de «Handleiding Tarieven» van het Ministerie van Financiën gehanteerd (100% kostendekkend).

– De van uitgeverij SDU jaarlijks te ontvangsten royalties uit hoofde van de privatisering van de SZW-publicatiebladen (sinds 1 januari 1993).

Overige ontvangsten

Op dit onderdeel worden de ontvangsten uit tarieven voor verrichte werkzaamheden en diensten verantwoord. Dit betreft de volgende heffingen:

– Vergunningen Stralingsbescherming. In het Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981 zijn de bedragen vastgesteld, die door vergunninghouders aan SZW dienen te worden betaald als bijdrage in de aan de uitvoering van de Kernenergiewet verbonden kosten. De tarieven zijn voor 40% kostendekkend.

– Voorts worden diverse overige ontvangsten verantwoord. Dit betreft de raming van de ontvangsten uit onderhoud en beheer automatisering (kwantum-kortingen), terugbetaalde voorschotten uit de definitieve afrekening van onderzoekopdrachten en verplichte ouderbijdrage bij vakantie-opvang.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  6 7116 7116 7116 7116 711 
Nieuwe Mutaties:        
1. Afnamekorting desaldering   465  
Stand ontwerp-begroting 2000 9 5007 1766 7116 7116 7116 7116 711

C. Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie betreft:

1. Een verhoging van het Automatiseringsbudget met een gerealiseerde kwantumkorting betreffende in 1998 betrokken producten en diensten op basis van lopende mantelcontracten (onder gelijktijdige verhoging van het middelenartikel M1101 Algemene ontvangsten alwaar de daadwerkelijke ontvangst is verantwoord).

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199819992000 econ. funct.
Algemene ontvangsten 7 9277 1386 673 16 06.0
Overige ontvangsten 1 5733838 16 06.0
Totaal 9 5007 1766 711    

HOOFDBELEIDSTERREIN 12. ARBEIDSMARKT

12.01 Ontvangsten Arbeidsmarkt

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De ontvangsten op dit artikel hebben voornamelijk betrekking op de gemeentelijke uitvoering van de Wiw en de WSW en vanaf 2000 ook van de ID-banen. Daarnaast worden nog ontvangsten verantwoord voor onder meer de JWG en de Banenpools, die beide vanaf 1 januari 1998 zijn opgegaan in de Wiw. De ontvangsten zijn het gevolg van onder meer lagere afrekeningen dan waarop bij de bevoorschotting was gerekend en van terugvorderingen in het kader van het vaststellings- en maatregelenbeleid.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  336336336336336 
1e Suppl.wet 1999:  75 000  
Nieuwe mutaties:        
1. Bijstelling  2 300   
2. Afboeken taakstelling  – 336– 336– 336– 336– 336 
Stand ontwerp-begroting 2000 71 81577 30000000

C. Toelichting bij de cijfers

De raming voor dit artikel is nul omdat vooraf – ook aan de hand van historische gegevens – niet is in te schatten wat de omvang van de ontvangsten zal zijn.

De voorgestelde nieuwe mutatie betreft:

1. De raming 1999 wordt vanwege de inmiddels in het tweede kwartaal gerealiseerde ontvangsten met f 2,3 mln verhoogd.

2. Op dit artikel was f 0,336 mln ontvangsten geraamd. Deze raming hield verband met vergoedingen die SZW ontving, omdat het ministerie vertegenwoordigers had in het bestuur van Arbeidsvoorziening. Omdat SZW al enige jaren niet meer in het bestuur zit, is deze raming afgeboekt.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199819992000 econ. funct.
Ontvangsten WSW 7 2081 2000 43C 06.34
Ontvangsten WIW  74 0000 43C 06.43
Ontvangsten ID-banen   0 43C 06.43
Overige ontvangsten AM 64 6072 1000 43C 06.43
Totaal 71 81577 3000    

Onder «Overige ontvangsten AM» worden restituties en ontvangsten verantwoord voor de Rijksbijdrage arbeidsvoorziening, JWG, Banenpools, Inkoop sociale diensten bij arbeidsvoorziening en de Regeling schoonmaakdiensten particulieren.

HOOFDBELEIDSTERREIN 13. SOCIALE VERZEKERINGEN

13.01 Samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met WSW-loon

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In de arbeidsongeschiktheidswetten gelden anticumulatiebepalingen indien uitkeringsgerechtigden in WSW-verband werkzaam zijn en uit hoofde daarvan, naast hun uitkering, loon ontvangen.

Krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz), de WAO respectievelijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil) wordt het niet (langer) genoten deel van de uitkering afgedragen aan het Rijk. De afdracht van de gelden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot de Wajong vindt maandelijks plaats door middel van verrekening met de afdracht van het rijk aan het LISV voor de uitkeringen op grond van de Wajong. De afdracht van de gelden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot de overige hier genoemde wetten vindt steeds na afloop van het kalenderkwartaal plaats.

Bij de beschouwing van de totale lasten voor de rijksbegroting samenhangend met de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening dienen de op dit ontvangstenartikel verantwoorde baten in mindering te worden gebracht op de uitgaven onder artikel U 12.02 (WSW).

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  807 300818 400829 500840 500840 500 
Nieuwe mutaties;        
Doorwerking realisatie 1998 en nadere inzichten effecten Pemba  – 30 900– 51 800– 51 900– 51 900– 51 900 
Stand ontwerp-begroting 2000 794 412776 400766 600777 600788 600788 600788 600

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld.

De ontvangstenramingen voor 1999 en latere jaren zijn neerwaarts aangepast als gevolg van de in het voorjaar beschikbaar gekomen realisatiegegevens over 1998, alsmede nadere inzichten in de effecten van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsregelingen (Pemba) op de samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met WSW-loon.

Een deel van de structurele verlaging (ca f 24 mln) betreft de bespaarde werkgeverspremies. Vanaf Pemba geldt dat ook de bespaarde werkgeverslasten moeten worden afgedragen. Bij de raming hiervan is destijds uitgegaan van een uniform premiepercentage. De realisatie 1998, gebaseerd op de feitelijke (gedifferentieerde) werkgeverspremies, is beduidend lager gebleken. Het andere deel van de structurele verlaging (ca f 27 mln) is het gevolg van bijgestelde volume- en prijsramingen op basis van informatie van het LISV.

Voor 1999 is de verlaging van de ontvangstenraming circa f 20 mln minder groot dan vanaf 2000. De reden hiervoor is een na-afdracht in 1999 van werkgeverspremies Wajong over 1998.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel omvat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.15

– De economische codering is 47B

E. Kengetallen

 
 Rekening 1998Vermoedelijke uitkomst 1999Ontwerp-begroting 2000
AAW*   
Niet uitbetaalde uitkeringen (x f 1 mln)128,9
    
WAZ   
Niet uitbetaalde uitkeringen (x f 1 mln)3,05,56,0
Volume (x 1 000 uitkeringsjaren)0,20,30,4
Gemiddelde (niet uitbetaalde)   
uitkering (x f 1,–)15 00016 30016 300
    
Wajong   
Niet uitbetaalde uitkeringen (x f 1 mln.)422,9475,1461,1
Volume (x 1 000 uitkeringsjaren)21,521,922,3
Gemiddelde (niet uitbetaalde)   
uitkering (x f 1,–)19 67021 67520 772
    
WAO   
Niet uitbetaalde uitkeringen (x f 1 mln)239,4295,6299,3
Volume (x 1 000 uitkeringsjaren)17,317,617,9
Gemiddelde (niet uitbetaalde) uitkering (x f 1,–)13 84116 75916 759
    
WAMIL   
Niet uitbetaalde uitkeringen (x f 1 mln)0,20,20,2
    
Totaal artikel (x f 1 mln)794,4776,4766,6

* De AAW is per 1 januari 1998 komen te vervallen. De gerealiseerde ontvangsten 1998 hebben betrekking op het vierde kwartaal van 1997. Dit houdt verband met het feit dat het Lisv deze ontvangsten na afloop van een kalenderkwartaal aan SZW beschikbaar stelt.

De volumestijging bij de anticumulatiebaten WAZ, Wajong en WAO hangt vooral samen met de uitbreiding van het aantal WSW-plaatsen vanaf 1999 conform Regeerakkoord. De stijging van de gemiddelde (niet uitbetaalde) uitkering bij de Wajong houdt verband met het feit dat vanaf 1998 ook de bespaarde werkgeverslasten worden afgedragen.

De gemiddelde Wajong-uitkering in 1999 ligt hoger dan in 2000, omdat de afdracht 1998 niet volledig in datzelfde jaar heeft plaatsgevonden. In 1999 wordt deze achterstand ingelopen, waardoor de gemiddelde prijs in 1999 op kasbasis op een hoger niveau uitkomt dan in 2000.

Omdat de ontvangsten WAO in 1998 deels betrekking hebben op 1997 (vierde kwartaal) en deels op 1998 (eerste tot en met derde kwartaal) zijn in dat jaar over drie kwartalen werkgeverspremies afgedragen. In 1999 en 2000 gebeurt dat over vier kwartalen waarmee het verschil in prijsniveau (op kasbasis) met 1998 voor een belangrijk deel wordt verklaard.

13.02 Overige ontvangsten Sociale Verzekeringen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord die met name betrekking hebben op de Algemene Kinderbijslagwet, de Toeslagenwet, de premiebijdragen, de regelingen voor ex-mijnwerkers, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria en de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen. Vanwege het onvoorziene karakter van deze restituties (terugontvangsten in het kader van de afwikkeling van voorgaande jaren) worden deze in de ontwerpbegroting doorgaans pro memorie geraamd.

Sinds 1993 is verder een ontvangstenraming opgenomen ter compensatie van extra uitgaven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die gemoeid zijn met de competentie-uitbreiding van de Nationale ombudsman tot de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen. In de Organisatiewet sociale verzekeringen is vanaf 1996 geregeld dat het College van toezicht sociale verzekeringen jaarlijks aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een door deze minister vast te stellen bijdrage in de kosten van de Nationale ombudsman betaalt. Voor de jaren tot en met 2000 is deze bijdrage vastgesteld op f 0,6 miljoen per jaar.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  600600600600600 
1e Suppl.wet 1999:  10 000  
Nieuwe mutaties:        
Restituties  15 900  
Stand ontwerp-begroting 2000 9 40426 500600600600600600

C. Toelichting bij de cijfers

De volgende nieuwe mutatie wordt voorgesteld.

De ontvangstenraming is verhoogd met f 15,9 mln als gevolg van afrekeningen AKW, TW en TOG over 1998.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199819992000 econ. funct.
Ontvangsten regelingen ex-mijnwerkers 73   63D 06.43
Ontvangsten premiebijdragen     43C 06.19
Ontvangsten Toeslagenwet 4 025500  41E 06.2
Ontvangsten AKW 2 00022 600  41E 06.13
Ontvangsten TOG 2 7032 800  41E 06.13
Overige ontvangsten SV 603600600 43C 06.19
Ontvangsten BIA 0   43B 06.15
Totaal 9 40426 500600    

HOOFDBELEIDSTERREIN 14. BIJSTANDSZAKEN

14.01 Ontvangsten bijstandszaken

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord, die het gevolg zijn van terugvorderingen in het kader van het zogeheten vaststellings- en maatregelenbeleid. Daarnaast worden verrekeningen van declaraties over vorige jaren ten gunste van dit artikel verantwoord voor zover de verrekeningen op wetsniveau leiden tot een terugbetaling. De terugvloeiende middelen hebben voornamelijk betrekking op de uitvoering van de Abw, Ioaw, Ioaz, Wvg, Wik, de regeling EAU en de regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang. De laatste twee worden op het onderdeel «Overige ontvangsten BZ» verantwoord. De raming voor dit artikel is nul omdat vooraf – ook aan de hand van historische gegevens – niet is in te schatten wat de omvang van de ontvangsten zal zijn.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  0  
1e Suppl.wet 1999:  190 000  
Nieuwe Mutaties:        
1. Ontvangsten 2e kwartaal  2 700  
Stand ontwerp-begroting 2000 215 881192 7000    

Toelichting bij de cijfers

De voorgestelde nieuwe mutatie betreft:

1. De raming 1999 wordt vanwege de inmiddels in het tweede kwartaal gerealiseerde ontvangsten met f 2,7 mln verhoogd.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199819992000 econ. funct.
Ontvangsten Abw 178 507165 965   43C06.2
Ontvangsten Ioaw 10 27114 230   43C06.2
Ontvangsten Ioaz 3 4694 370   43C06.2
Ontvangsten Wvg      43C06.34
Ontvangsten WIK      43C06.2
Overige ontvangsten BZ 23 6348 135   43C06.9
Totaal 215 881192 7000    

Het laatste onderdeel «Overige ontvangsten BZ» heeft betrekking op de regeling EAU en de regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang.

HOOFDBELEIDSTERREIN 15. OVERIG BELEID

15.01 Ontvangsten subsidies algemeen

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden ontvangsten verantwoord ontstaan op het moment dat moet worden overgegaan tot gehele of gedeeltelijke terugvordering van verstrekte subsidies. Gezien de aard van de ontvangsten is niet vooraf vast te stellen of er restituties zullen plaatsvinden en zo ja hoe groot de omvang van de restituties zal zijn. Daarom is de raming voor 2000 en volgende jaren op nihil gesteld.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 991000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel omvat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.9

– De economische codering is 43A

15.02 Ontvangsten emancipatie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden hoofdzakelijk restituties geraamd en verantwoord die in directe relatie staan met het beleidsartikel U1502 Emancipatie. De ontvangsten komen tot stand wanneer overgegaan wordt tot terugvordering van de verstrekte subsidies.

Gezien de aard van de ontvangsten is niet vooraf vast te stellen hoe groot de omvang van de restituties zal zijn.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  5050505050 
Stand ontwerp-begroting 2000 226505050505050

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel bevat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.36

– De economische codering is 43A.

15.03 Ontvangsten Migratie

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden ontvangsten verantwoord vanwege:

– Vergoedingen aan het Rijk van het Algemeen Werkloosheidsfonds op grond van artikel 95 van de Werkloosheidswet, in verband met verstrekte remigratiebijdragen aan remigranten die een WW-uitkering zouden hebben ontvangen als zij niet waren geremigreerd,

– Terugbetalingen en overige ontvangsten van (r)emigranten en instellingen.

Met ingang van 1 januari 1997 is het remigratiebeleid met bijbehorende regelingen (zie artikel U1503) overgeheveld naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkszaken en is de raming daardoor nul. Dit artikel wordt thans opgeheven.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  00000 
Stand ontwerp-begroting 2000 404000000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in NLG1000) en de economische en functionele codering
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199819992000 econ. funct.
Algemeen Werkloosheidsfonds 362   43B 06.36
Restituties (Re)migratie 42   43G 06.36
Diverse ontvangsten migratie 0   43G 06.36
Totaal 40400    

15.05 Ontvangsten Jeugdspaarwet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de teruggevorderde premies inzake de Jeugdspaarwet verantwoord. De teruggevorderde premies hebben betrekking op meerdere spaarrekeningen, dat wil zeggen dat door één persoon bij verschillende spaarinstellingen JSW-overeenkomsten zijn afgesloten.

B. De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  55555 
Stand ontwerp-begroting 2000 1555555

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel omvat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– De functionele codering is 06.32.

– De economische codering is 63E.

15.06 Ontvangsten bestuurlijke boeten arbeidsomstandighedenwet

A. De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord die voortvloeien uit de nieuwe Arbeidsomstandighedenwet. In deze wet wordt de bestuurlijke boete geïntroduceerd. De bestuurlijke boete kan ten hoogste f 10 000 bedragen voor beboetbare feiten die een gering risico kunnen veroorzaken. De boete bedraagt ten hoogste f 25 000 voor ernstiger beboetbare feiten.

De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in NLG1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999  6252 5004 3755 0005 000 
Stand ontwerp-begroting 2000  6252 5004 3755 0005 0005 000

C. Toelichting bij de cijfers

Er worden geen nieuwe mutaties voorgesteld.

D. De onderverdeling in artikelonderdelen

Dit artikel omvat één artikelonderdeel. De codering is als volgt:

– de functionele codering is 06.42

– de economische codering is 47D.

Licence