Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

INHOUDSOPGAVE

A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL3
   
 Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)3
 Wetsartikel 4 (agentschapbegroting)3
   
B.ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING4
   
 INLEIDING4
 Beleidsintensiveringen6
 Veiligheid7
 ICT7
 Leefbaarheid8
 Enschede8
 Paspoorten8
   
1.CONSTITUTIE EN BESTUUR9
1.1.Constitutionele agenda in 20019
1.2.Dualisme en lokale democratie9
1.3.Toezicht10
1.4.(Inter)bestuurlijke samenwerking11
1.5.Grondrechten en ICT13
1.6.Dejuridisering14
1.7.Europa15
   
2.GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID16
2.1.Grotestedenbeleid16
 Speerpunten in 200117
 Stad en omgeving17
 Sociale integratie en veiligheid18
 GSB-instrumentarium18
 Enschede19
2.2.Integratiebeleid19
 Inburgering20
 Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden21
 Migratie Antilliaanse jongeren22
 Europa22
   
3.INFORMATIEBELEID OPENBARE SECTOR23
 Implementatie van ambities23
 Contract met de toekomst24
 De overheid als «launching customer»24
 Actieprogramma Elektronische Overheid25
 Kiezen op Afstand25
 Identiteitsvaststelling26
   
4.VEILIGHEID27
4.1.Politie27
 Sterkteontwikkeling en arbeidsmarktknelpunten28
 Bekostiging29
 Politiebestel30
 Internationale en Europese aangelegenheden31
4.2.Integraal Veiligheidsprogramma (IVP)32
4.3.ICT33
4.4.Brandweer en Rampenbestrijding34
4.5.Binnenlandse Veiligheidsdienst36
   
5.PERSONEEL37
5.1.Arbeidsmarktknelpunten bij de overheid38
 Versterking arbeidsmarktpositie Rijksdienst39
5.2.Versterking ambtelijke professie40
5.3.Verankering waarden en normen in een gemoderniseerde Ambtenarenwet41
5.4.Algemene Bestuursdienst42
   
C.TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL43
1.Aansluitingstabellen43
2.Bedrijfsvoeringsparagraaf44
3.Uitgaven en verplichtingen51
 01. Algemeen51
 02. Openbaar Bestuur60
 03. Integratie minderheden77
 05. Openbare Orde en Veiligheid84
 06. Binnenlandse Veiligheidsdienst115
 07. Management en Personeelsbeleid118
 08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid132
 09. Algemene Bestuursdienst136
 10. Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties139
4.Ontvangsten142
 02. Openbaar Bestuur144
 03. Integratie minderheden149
 05. Openbare Orde en Veiligheid150
 06. Binnenlandse Veiligheidsdienst153
 07. Management en Personeelsbeleid153
 08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid155
 10. Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties156
   
   
D.TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPPEN157
   
 Agentschap ITO157
 Agentschap KLPD163
 Agentschap BPR168
 Agentschap CAS187
 Agentschap IVOP197
E.BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING204
Bijlage 1Personeelsgegevens204
Bijlage 2Wetgeving205
Bijlage 3Moties en toezeggingen213
Bijlage 4Circulaires283
Bijlage 5Aanbevelingen Nationale ombudsman288
Bijlage 6Subsidies289
Bijlage 7Evaluatieonderzoek291
Bijlage 8Economische en functionele classificaties319
Bijlage 9Voorlichtingsuitgaven321
Bijlage 10Convenanten326
Bijlage 11Burgemeestersbenoemingen327
Bijlage 12Emancipatiebeleid331
Bijlage 13Decentralisatie333
Bijlage 14Extra-comptabel overzicht, budgetten grotestedenbeleid (ECO-GSB)336
Bijlage 15Lijst van afkortingen348
Bijlage 16Lijst van regelingen en publicaties351

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2001 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2001. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2001.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4 (agentschapbegroting)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de agentschappen ITO, KLPD, BPR, CAS en IVOP voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

INLEIDING

In een maatschappij die steeds complexer en meer op interactie is gericht worden hoge, soms tegenstrijdige eisen aan de overheid in het algemeen en de rijksoverheid in het bijzonder gesteld. Eisen, die vooral betrekking hebben op de relatie tussen de overheid en de burgers en op de aanspreekbaarheid van de overheid voor haar handelen of niet-handelen. Naast de vanzelfsprekende belangstelling die de Staten-Generaal, mede-overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en burgers voor de beleidsvorming hebben, is de laatste jaren de aandacht voor de beleidsuitvoering aanmerkelijk toegenomen. De nadruk komt te liggen op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van beleid, alsmede op het klantbewust functioneren van de overheid.

De opgave voor de overheid is in haar optreden tegelijkertijd ruimte en eigen verantwoordelijkheid te laten waar mogelijk, en in te grijpen en aanspreekbaar te zijn waar nodig. Het is goed nog eens te onderstrepen dat de rijksoverheid niet overal een taak heeft. Niet alleen in het private, maar ook in het publieke domein kunnen én moeten burgers, ondernemingen en maatschappelijke organisaties hun verantwoordelijkheid nemen binnen de grenzen die de wetgever stelt. Daarom worden de komende jaren belangrijke (wets)voorstellen van kracht, waarbij de positie van de burger bij zowel het besluitvormingsproces als bij de uitvoering van het beleid aanmerkelijk wordt versterkt.

Bij de Tweede Kamer zijn zowel het grondwetsherzieningsvoorstel voor een correctief referendum als het voorstel voor de tijdelijke referendumwet ingediend, waarbij burgers het initiatief kunnen nemen tot een door de gemeente, provincie of het Rijk te organiseren volksraadpleging. Naar verwachting treedt de tijdelijke referendumwet op 1 januari 2001 in werking. Het voordeel van het correctieve referendum is dat het de legitimiteit van het handelen van de overheid en de politiek vergroot, zonder dat sprake is van een inbreuk op het vertegenwoordigende stelsel zoals wij dat kennen. Ten tweede zullen wetsvoorstellen worden voorbereid waarmee daadwerkelijk tot een dualistische, maar tegelijkertijd evenwichtige inrichting van het provinciale en gemeentelijke bestuur zal worden gekomen. De bestuursverhoudingen worden zodanig aangepast en ingericht dat zowel de colleges van burgemeester & wethouders en van gedeputeerde staten als de gemeenteraad en de provinciale staten heldere verantwoordelijkheden krijgen en daarop beter aanspreekbaar zijn. Ook wordt met het uitgebreide dejuridiseringstraject gepoogd de besluitvorming op bestuurlijk niveau inzichtelijker, sneller en effectiever te laten geschieden zonder afbreuk te doen aan de gerechtvaardigde belangen van betrokken partijen. Tenslotte wijzen wij op de nieuwe mogelijkheden die de informatie- en communicatietechnologie (ICT) de burgers en de overheid biedt. Het project «Kiezen op Afstand», dat de komende jaren met kracht wordt voortgezet is een kenmerkend voorbeeld van een aanspreekbare overheid die besluitvorming – namelijk die over de volksvertegenwoordigers zelf – op moderne leest heeft geschoeid.

Met betrekking tot de beleidsuitvoering is de overheid aanspreekbaar op de resultaten en effecten van haar beleid en de wijze waarop zij die beleidsuitvoering heeft georganiseerd. De toegenomen aandacht voor de uitvoering van beleid is voor de rijksoverheid juist een uitdaging om andere belanghebbenden – mede-overheden zoals provincies of grote steden, werkgevers- en werknemersorganisaties, maatschappelijke groeperingen, minderheden – erbij te betrekken en vervolgens heldere doelen te stellen. Als het gaat om veiligheid, wordt in het kader van het Integraal Veiligheidsprogramma (IVP) een intensief actieplan uitgevoerd, waarbij het primaat op het lokale niveau ligt en waarbij onder meer ook woningbouwcorporaties, de horecasector, de ANWB en openbaar-vervoerbedrijven intensief betrokken zijn. Ook de inspanningen die zijn verricht in het kader van de zgn. millenniumproblematiek zijn karakteristiek voor een op resultaat aanspreekbare overheid: tijdig een potentieel maatschappelijk en economisch probleem onderkennen, de mogelijke gevolgen daarvan in kaart brengen en vervolgens dit niet alleen, maar juist met en door andere partijen – de energiesector, distributiebedrijven, de ICT-sector – (laten) oplossen. De overheid is derhalve aanspreekbaar op haar organiserend vermogen. Bij het succesvol verlopen Europees Kampioenschap voetbal voor landenteams afgelopen zomer, heeft het kabinet ervoor gezorgd dat tijdig maatregelen zijn genomen die eraan hebben bijgedragen dat het toernooi veilig is verlopen. Belangrijk is dat alle verantwoordelijke partijen gezamenlijk ervoor gezorgd hebben dat de voorbereiding en uitvoering van het toernooi adequaat, deugdelijk en efficiënt is geweest. Het ministerie van BZK had in dezen de coördinerende rol. Tenslotte de vuurwerkramp in Enschede: onmiddellijk na de ramp is door ons ministerie een departementsoverstijgende projectorganisatie ingericht zodat de rampenbestrijding, de nazorg voor de slachtoffers en nabestaanden en de wederopbouw van de getroffen wijk daadkrachtig, maar vooral ook ontkokerd, gecoördineerd en in constante afstemming met de lokale en provinciale autoriteiten ter hand is genomen. In toenemende mate zal de rijksoverheid op haar organiserend vermogen worden aangesproken.

Zoals uit de hierboven genoemde voorbeelden blijkt, is een aanspreekbare overheid geenszins een vaag of modieus begrip waarover slechts in ijle abstracties kan worden gesproken. Integendeel, het is tastbaar en concreet. De minister en staatssecretaris van BZK en de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid hebben voor het begrotingsjaar 2001 beleidsdoelstellingen geformuleerd, die in de hiernavolgende hoofdstukken op sobere wijze worden beschreven. In de begroting wordt een meer directe relatie gelegd tussen beleid, geld en prestaties. De beleidsintensiveringen kunnen worden samengevat in de clusters veiligheid, leefbaarheid en ICT.

De minister van BZK zal in nauwe afstemming met de politieregio's de opleidingen en het onderwijs voor het politiepersoneel moderniseren, zodat politie-agenten steviger in hun schoenen staan in de uitoefening van hun dagelijkse werk; de innovaties in de informatie en communicatietechnologie bij de politie zullen moeten leiden tot een meer doelmatiger bedrijfsvoering. De staatssecretaris van BZK ziet erop toe dat de extra middelen voor de brandweer en rampenbestrijdingsorganisatie daadwerkelijk worden aangewend voor onder meer een beleid van pro-actie en preventie, waaronder het oefenen, grensoverschrijdende samenwerking en territoriale congruentie tussen de hulpverleningsregio's.

De middelen die wij ten behoeve van de wijkveiligheid hebben vrijgemaakt zullen op het lokale niveau worden aangewend om het toezicht in (semi-)openbare ruimtes te vergroten en veelvoorkomende criminaliteit te (helpen) voorkomen. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van de begeleiding en vorming van jongeren uit etnische minderheidsgroeperingen die reeds in aanraking zijn gekomen met criminaliteit. De minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid zal hiervoor, in overleg met andere ministeries en gemeenten, jaarlijks (2001 tot en met 2004) een substantieel bedrag inzetten. In de 25 convenanten met de grote steden heeft de minister voor GSI concrete, resultaatgerichte afspraken gemaakt – over de versterking van de sociale infrastructuur, over de economische concurrentiepositie van de steden, over etnisch ondernemerschap, over het leefbaar maken van de stad.

De arbeidsmarktknelpunten bij de overheid in het algemeen zullen strategisch worden aangepakt. Het Rijk zal zich meer als één concern positioneren op de arbeidsmarkt, zodat het aanvaarden van een baan bij het Rijk voor zowel schoolverlaters en afgestudeerden, maar ook voor herintreders, arbeidsgehandicapten, vrouwen en etnische minderheden aantrekkelijker wordt en blijft. Een interdepartementale werkgroep zal nadere analyses verrichten en beleidsvoorstellen over dit onderwerp formuleren.

Als laatste voorbeeld van de aanspreekbare overheid noemen wij het informatiebeleid in de openbare sector. De rijksoverheid heeft hierin niet alleen een faciliterende, maar ook initiërende rol. De overheid zal ook op het terrein van de ICT aanspreekbaar zijn; niet alleen aanspreekbaar in de wijze waarop zij de beleidsvorming, besluitvorming en beleidsuitvoering organiseert, of louter op de effecten van haar beleid – bijvoorbeeld in haar rol als «launching customer» of bij de voortgang van het project «Kiezen op Afstand», maar ook «letterlijk» aanspreekbaar: on-line verbonden met haar burgers en – niet in de laatste plaats – de Staten-Generaal. Dat is de visie die wij in deze begroting willen uitdragen.

Beleidsintensiveringen

Het kabinet heeft voor een beleidspakket gekozen dat nauw aansluit bij de maatschappelijke behoeften. Een belangrijk onderdeel hiervan is een samenspel van maatregelen in de sfeer van veiligheid en leefbaarheid. Tevens heeft het kabinet gekozen voor een pakket ICT-intensiveringen. Op de Europese Raad van Lissabon van 23–24 maart 2000 is als strategisch doel geformuleerd dat de EU de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld moet worden, gekenmerkt door duurzame economische groei, stijgende werkgelegenheid en door sociale samenhang. Hieronder volgt een samenvattend overzicht van de BZK beleidsintensiveringen op het terrein van veiligheid, ICT en leefbaarheid. Daarnaast heeft het kabinet geld beschikbaar gesteld voor de gevolgen van de vuurwerkramp te Enschede. Tenslotte heeft het kabinet besloten tot het doorvoeren van een aanmerkelijke lastenverlichting op het terrein van de reisdocumenten. Bij de begrotingsartikelen en in dit algemeen deel wordt nader op de intensiveringen ingegaan.

Beleidsintensiveringen (in f 1 mln)
 20002001200220032004
1. Veiligheid21766,543,54543
2. ICT1253,533  3328
3. Leefbaarheid3285  74  6969
4. Enschede303    
5. Paspoorten* 47  77  6160
Totaal564252  227,5208200

Veiligheid

1. arbeidsmarktknelpunten politie en preventie ziekteverzuim en instroom WAO: uit diverse studies blijkt dat de arbeidsmarkt voor de politie krap is. Daarom is het zaak om instroombevorderende maatregelen te treffen, zoals de versterking van het traject werving en selectie door het project personeelsvoorziening politie (PPP) en het vergroten van de mogelijkheid op een baan bij de politie voor zij-instromers. Voorts zal onder meer door middel van specifieke projecten op het gebied van preventie en reïntegratie een impuls worden gegeven aan het terugdringen van het ziekteverzuim en het voorkomen van instroom in de WAO;

2. de rampenbestrijding.

3. de stimulering van de modernisering politiezorg; vanaf 2001 zal een herzien bekostigingsstelsel worden ingevoerd. Tevens zullen de korpsen via een (vermogens)verevening in twee jaar tijd in een meer gelijkwaardige financiële positie worden gebracht;

4. de bestrijding van drugsoverlast: uit evaluatieonderzoeken is gebleken dat de straathandel in softdrugs is toegenomen. De extra handhavingsinspanning zal enerzijds worden gericht op de handhaving van de AHOJG-criteria uit de OM-richtlijn over de coffeeshops en anderzijds het tegengaan van straathandel en grootschalige kweek van softdrugs in relatie tot georganiseerde criminaliteit;

5. de herstructurering van het politie-onderwijs; vernieuwing van het onderwijs zal plaatsvinden door verdere professionalisering en het uitwerken van structuur en inhoud van onderwijsprogramma's.

6. In de periode 2000–2003 zal de luchtvloot van het KLPD gefaseerd worden vervangen. Om deze investering mogelijk te maken is besloten tot een investeringsimpuls van f 70 mln in 2000

7. Door een groter beroep op de regeling voor opsporing en ruimen van explosieven als gevolg van grotere projecten zoals de aanleg van VINEX-lokaties, de HSL-Zuid en dijkverbeteringsprojecten wordt het budget in het jaar 2000 het budget verhoogd met f 35 mln.

ICT

De beleidsintensiveringen vinden plaats op het terrein van de overheid als «launching customer», de ontwikkeling van «Kiezen op afstand» , het op internet beschikbaar maken van de wet- en regelgeving. De ambities en doelstellingen uit het Actieprogramma Elektronische Overheid worden onder invloed van de snelle ICT-ontwikkelingen uitgebreid met een aantal acties en verkenningen die zijn gepresenteerd in de nota «Contract met de Toekomst». Voor de uitvoering van die activiteiten is structureel f 25 mln beschikbaar. Uit dit bedrag zal ca. f 10 á 15 mln worden besteed aan de ontwikkeling van innovaties die op de functies van de overheid zijn toegesneden. Vanwege de specifieke eisen die door de overheid gesteld worden aan te implementeren technologie, zullen voor de overheid geschikte toepassingen immers niet alleen door marktwerking tot stand kunnen komen (overheid als «launching customer»). Ten behoeve van het project Kiezen op Afstand zal met f 8 mln in 2001 een extra inspanning worden gepleegd. Deze middelen worden gebruikt om de voorwaarden te verkennen en in te vullen teneinde in 2003 een proef te laten plaatsvinden met plaatsonafhankelijk stemmen via Internet. Om de toegankelijkheid van wet- en regelgeving te bevorderen, wordt een wettenbank van de overheid op Internet geplaatst. Tenslotte zijn, om de achterstanden in de informatietechnologie bij de politie versneld in te lopen, extra middelen vrijgemaakt voor de ICT bij de politie.

Leefbaarheid

De kwaliteit van de leefomgeving en de sociale cohesie in een wijk of buurt is van grote invloed op de veiligheidsbeleving van mensen. Er wordt een stimuleringsbijdrage beschikbaar gesteld van f 15 mln voor een gerichte aanpak van de wijkveiligheid. Deze bijdrage wordt beschikbaar gesteld voor steden met meer dan 100 000 inwoners (exclusief de G25) en gemeenten met 50 000 tot 100 000 inwoners (exclusief de G25), waarvan de bevolking 7% of meer etnische minderheden telt. De vijf partiële GSB-steden komen hiervoor wel in aanmerking. Met deze extra bijdrage krijgen de betreffende gemeenten de mogelijkheid om beleid met betrekking tot jeugd en veiligheid een extra impuls te geven. De in 1999 gestarte CRIEM-pilots (Criminaliteit in relatie tot integratie van etnische minderheden) krijgen een vervolg in de G25 en andere gemeenten met relatief veel etnische minderheden. Daarvoor zal vanaf 2001 voor de periode 2001–2004 jaarlijks f 36 mln beschikbaar worden gesteld. Behalve voor het vervolg van de CRIEM-pilots zal dat budget ook worden ingezet ten behoeve van voor- en vroegschoolse educatie en de ondersteuning van de zogenaamde Antillengemeenten.

Voor de inburgering van zgn. oudkomers zijn voor 13 extra gemeenten, waarvan meer dan 7% van de bevolking uit etnische minderheden bestaat, budgetten beschikbaar (intensivering van f 25 mln structureel). Daarnaast is een Task Force Inburgering ingesteld welke tot taak heeft de uitvoering van het inburgeringsbeleid te bevorderen. Voor die Task Force is zowel in 2001 als in 2002 f 5 mln beschikbaar.

Enschede

Het kabinet heeft besloten om in het kader van de wederopbouw van de wijk Enschede Noord, na de vuurwerkramp, in 2000 een rijksbijdrage ter beschikking te stellen van f 270 mln. Dit bedrag is nadrukkelijk bedoeld als werkkapitaal en bestemd voor de door de gemeente Enschede te maken kosten voor de sloop en ruiming van het gebied en de sanering en verwerving van de grond. Nog in het najaar 2000 zullen de precieze afspraken en voorwaarden omtrent de rijksbijdrage in een «wederopbouw convenant» tussen de gemeente Enschede, de provincie Overijssel en het Rijk worden vastgelegd. Daarnaast is voor de directe kosten samenhangende met de vuurwerkramp voor de gemeente en de hulpverleningsdiensten een bedrag van f 33 mln op de begroting van BZK beschikbaar.

Paspoorten

Het kabinetsbesluit heeft als doel om de rijksleges voor reisdocumenten op een kostendekkend niveau te brengen, op basis van een integrale kostprijsberekening. Per saldo leidt het kabinetsbesluit tot een lastenverlichting voor de burger. De kostendekkende bedragen voor rijksleges worden in 2001 ingevoerd, gelijktijdig met de invoering van de Nieuwe Generatie Reisdocumenten.

1. CONSTITUTIE EN BESTUUR

1.1. Constitutionele agenda in 2001

De afgelopen jaren is met betrekking tot een groot aantal constitutionele onderwerpen wet- of regelgeving voorbereid of zijn er, overeenkomstig het in het regeerakkoord gestelde, in notities interessante en markante voorstellen gedaan ter vernieuwing van ons staatsbestel. Al deze voorstellen bevinden zich thans in een meer of minder ver gevorderd stadium van behandeling in de Staten-Generaal. De behandeling in eerste lezing van het op 2 maart 2000 (wederom) ingediende grondwetsherzieningsvoorstel terzake van het correctief referendum wordt voortgezet. Hetzelfde geldt voor het gelijktijdig ingediende voorstel voor een Tijdelijke referendumwet. De regering streeft ernaar deze laatste wet op 1 januari 2001 in werking te laten treden.

Op 18 januari 2000 is de notitie «Reflecties over de positie van de Eerste Kamer» aan de beide Kamers gezonden. Daarin zijn voorstellen uitgewerkt met betrekking tot de wijze van samenstelling van de Eerste Kamer en de bevoegdheden van de Eerste Kamer, zowel in de gewone wetsprocedure als in de grondwetherzieningsprocedure. De Eerste Kamer heeft de schriftelijke behandeling van de notitie aangevat. De Tweede Kamer wacht de uitkomsten van dit overleg voorshands af. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van deze notitie alsmede van de sedert 20 december 1999 bij de Staten-Generaal liggende notitie over wijziging van het kiesstelsel.

Met het aannemen door de Eerste Kamer in tweede lezing van de herziening van de defensiebepalingen in de Grondwet is nu ook dit deel van de Grondwet gemoderniseerd en aangepast aan de sedert de herziening van 1983 geldende systematiek. Nog aanhangig in de Tweede Kamer in tweede lezing is een voorstel tot wijziging van artikel 12 van de Grondwet, waarin het huisrecht is vastgelegd (wetsvoorstel 26 158). Dit voorstel strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat het binnentreden van een woning zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner in beginsel niet is toegestaan en beoogt het mogelijk te maken dat verstrekking van een verslag over het binnentreden aan de bewoner («notificatie») achterwege wordt gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking daarvan blijvend verzet. De schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel is afgerond. De vaste commissie voor BZK heeft besloten het voorstel voor plenaire behandeling aan te melden, zodra het wetsvoorstel Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gereed is voor plenaire behandeling.

Tenslotte is, ter uitvoering van het regeerakkoord, de Onderwijsraad advies gevraagd over een mogelijke wijziging van artikel 23 van de Grondwet om de bestuurlijke vormgeving van de samenwerkingsschool wettelijk te kunnen regelen. De Onderwijsraad heeft op 10 januari jl. advies uitgebracht. Het kabinet zal op korte termijn zijn standpunt over dit advies aan de Staten-Generaal uitbrengen.

1.2. Dualisme en lokale democratie

De komende jaren zal de inrichting van het lokale en provinciale bestuur ingrijpend van karakter veranderen. Met een heldere toedeling van verantwoordelijkheden en dus een meer gemarkeerde positie van de colleges van burgemeester en wethouders en van gedeputeerde staten zal de bestuurskracht van de decentrale overheden ten aanzien van de beleidsonderwerpen waarover zij zeggenschap hebben worden versterkt. Tegelijkertijd krijgen de gemeenteraad en de provinciale staten meer controlerende instrumenten aangereikt, zodat een daadwerkelijk duaal en evenwichtig stelsel tot stand zal komen. In het kabinetsstandpunt over het op 17 januari 2000 uitgebrachte rapport van de Staatscommissie«Dualisme en lokale democratie», dat de minister van BZK 22 mei jl. aan de Staten-Generaal heeft gezonden worden daarom de meeste aanbevelingen van de commissie overgenomen. Uit het kabinetsstandpunt vloeit een aantal wetgevingstrajecten voort. Het is de bedoeling dat deze voorstellen vóór de gemeenteraads- en provinciale statenverkiezingen van maart 2002 respectievelijk maart 2003 in werking treden. Het betreft een wetsvoorstel inzake de ontvlechting van het raadslidmaatschap en het wethouderschap en een groot aantal maatregelen inzake de dualisering van het gemeentebestuur (de verbetering van de controlemogelijkheden van de raad, de versterking van de verordenende bevoegdheid van de raad, de verbetering van de financiële functie, het instellen van een lokale rekenkamerfunctie, de overdracht van enkele bestuursbevoegdheden aan het college en enkele nieuwe bevoegdheden voor de burgemeester). Een soortgelijk wetsvoorstel inzake dualisering van het provinciebestuur zal kort hierop volgen. Een wetsvoorstel inzake dualisering van op grond van diverse medebewindswetten aan gemeente of provincie opgedragen bestuursbevoegdheden is in voorbereiding en wordt reeds in 2001 in procedure gebracht. Voorts wordt ten aanzien van de aanstellingswijze van de burgemeester de behandeling van het nu in procedure zijnde wetsvoorstel 25 444 (burgemeestersreferendum) overeenkomstig het regeerakkoord voortgezet. Ook wordt op korte termijn een nieuw voorstel tot herziening van art. 131 van de Grondwet met het oog op de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning bij de Kamer ingediend.

Daarnaast is overeenkomstig het advies van de Staatscommissie een voorstel tot modernisering van hoofdstuk 7 van de Grondwet in voorbereiding. Een herziening is om een aantal redenen noodzakelijk. Allereerst vergt een consequente dualisering dat als sluitstuk hiervan ook de autonome bestuursbevoegdheid naar het college van burgemeester en wethouders verschuift. Deze bevoegdheid berust krachtens de Grondwet nu bij de raad. In de tweede plaats vraagt de invoering van een consequent dualistisch model om een bezinning van verschillende grondwetsartikelen die historisch zijn geënt op het sedert 150 jaar in de Grondwet verankerde monistische bestuursmodel. Naast deze beoogde wijzigingen in de structuur van het gemeente- en het provinciebestuur is het ook nodig dat de politiek-bestuurlijke cultuur van karakter verandert. In samenwerking met betrokken organisaties wordt daarom uitvoering gegeven aan de «Vernieuwingsimpuls dualisme en lokale democratie». Het Startdocument hiervoor is op 23 mei jl. aan de Kamer gezonden.

1.3. Toezicht

Naar aanleiding van de financiële activiteiten van de provincie Zuid-Holland is toegezegd dat de minister van BZK een nieuw beleidskader voor het financieel toezicht van BZK op de provincies zal voorbereiden. Tussen het Rijk en de provincies zijn afspraken gemaakt over een minimum-beleidskader voor het financieel toezicht als basis voor de onderscheiden beleidskaders van de 13 toezichthouders (Rijk en provincies). De afspraken betreffen onder meer de beoordeling van de financiële positie en eventueel de instelling van preventief begrotingstoezicht, waarbij de gemeente of provincie aan de toezichthouder goedkeuring zal moeten vragen om uitgaven te kunnen doen; de toetsing van de wijze waarop de gemeente of provincie het financieel beheer heeft georganiseerd en de controle daarop heeft geregeld; de wijze waarop en mate waarin besluiten worden getoetst op rechtmatigheid, waarbij het voldoen van begroting en jaarrekening aan de comptabiliteitsvoorschriften het uitgangspunt is. De wijze waarop de toezichthouder toeziet op een prudente financiering (aantrekken en uitzetten van gelden) zal in het minimum-beleidskader worden opgenomen, zodra het wetsvoorstel financiering decentrale overheden (Wet fido) tot wet is verheven. Inmiddels is ook, op basis van dit minimum-beleidskader, een nieuw beleidskader voor het financieel toezicht van het ministerie op de provincies vastgesteld dat van kracht is met ingang van de begrotingen over 2001.

Op de uitoefening van het toezicht op de decentrale overheden is ook de Europese regelgeving van invloed. Of het bestaande bestuurlijke instrumentarium hierop afdoende is toegesneden is onderwerp van discussie. Van belang daarbij is dat een juist evenwicht wordt gevonden tussen de verplichtingen die het Rijk op zich heeft genomen uit hoofde van de Europese verdragen en de constitutionele positie van onze decentrale overheden.

Meer in het algemeen heeft de wijze waarop het toezicht op andere overheden en overheidsdiensten is ingericht onze nadrukkelijke aandacht. Het gaat erom dat het toezicht zodanig wordt georganiseerd dat de minister zijn verantwoordelijkheid voor de onder zijn gezag ressorterende diensten daadwerkelijk kan waarmaken en daarover op adequate wijze verantwoording kan afleggen aan de Staten-Generaal. In dit kader zal op korte termijn het voorstel voor een Kaderwet op de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) bij de Tweede Kamer worden ingediend. Daarin is een aantal algemene regels opgenomen voor deze organen, die op afstand van de bestuurskernen van de ministeries functioneren maar waarop de minister wel aanspreekbaar is. Ook heeft de minister van BZK in 1999, in vervolg op het rapport «de ministeriële verantwoordelijkheid ondersteund» de Ambtelijke Commissie Toezicht ingesteld. Deze commissie heeft tot taak de zelfevaluaties van toezichtsarrangementen van de onderscheiden ministeries te toetsen en hierover aan het betreffende ministerie te rapporteren. Daarnaast heeft evengenoemde commissie de taak advies uit te brengen aan de minister van BZK over kaders voor toezicht door het Rijk. Dit advies zal de basis vormen van de in het regeerakkoord aangekondigde kaderstellende visie op toezicht die in 2001 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

1.4. (Inter)bestuurlijke samenwerking

Ook de verbetering van de resultaatgerichte interbestuurlijke samenwerking blijft voor het kabinet een belangrijk thema. Voor het functioneren van het binnenlands bestuur zijn, naast het in de vorige paragrafen genoemde vernieuwing en het toezicht op het openbaar bestuur, ook doelmatig en doeltreffend opereren bepalende voorwaarden. Steeds meer doet zich de behoefte aan bovenlokale regie en coördinatie gevoelen, omdat maatschappelijk gewenste activiteiten zoals de inrichting van de jeugdzorg of de plattelandsontwikkeling zich in toenemende mate voltrekken over de grenzen van de onderscheiden bestuurslagen heen. In het kader van BANS (Bestuursakkoord Nieuwe Stijl) heeft nu driemaal – onder leiding van de minister-president – een Overhedenoverleg plaatsgevonden. Daarin staan drie beleidsonderwerpen centraal: jeugdbeleid, vitalisering van het platteland en armoedebestrijding/inkomensbeleid en sociale activering. Als eerste aanzet voor de uitwerking van de visie op het jeugdbeleid wordt gewerkt aan een samenhangende aanpak voor jeugd van 0 tot 6 jaar. In «Jeugdbeleid in Ba(la)ns» zijn hierover gezamenlijke afspraken gemaakt. Aan de vitalisering van het platteland geven Rijk, provincies en gemeenten een impuls via verschillende pilot-projecten. Ook zullen het Rijk, de gemeenten en provincies hun beleid ten aanzien van armoedebestrijding en sociale activering verder op elkaar afstemmen. Tijdens het overhedenoverleg van 18 mei 2000 is vastgesteld dat het gunstige economische klimaat de ruimte biedt om de in BANS benoemde maatschappelijke prioriteiten voortvarender ter hand te nemen.

Met de samenwerkende provincies – op landsdelig niveau – werkt het kabinet aan afspraken om de samenhang tussen fysieke en sociale investeringsopgaven te versterken. Deze afspraken zullen – zoals voorgenomen in het regeerakkoord – worden neergelegd in regioconvenanten. Deze regioconvenanten komen in twee fasen tot stand. In de eerste fase worden in een raamovereenkomst procesafspraken gemaakt over de inbreng van de regio's in de grote ruimtelijke nota's, de koppeling van regionale investeringsvoorstellen aan de voorbereiding van een nieuwe investeringsimpuls en over de totstandkoming van de uiteindelijke regioconvenanten. Zoals het zich nu laat aanzien, worden de eigenlijke convenanten (fase 2), met inhoudelijke afspraken, in de volgende kabinetsperiode afgesloten als de besluitvorming over de grote nota's is afgerond en er besloten kan worden over de invulling van de volgende tranche aan investeringsmiddelen. Uiteraard is dit verloop afhankelijk van de wilsvorming bij en tussen de diverse contractpartners.

Vooral in grootstedelijke gebieden is bestuurlijke samenwerking wezenlijk van belang voor het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. In overleg met andere ministeries en met de desbetreffende regio's zal blijvend worden gestreefd naar vormen van niet-vrijblijvende bovenlokale samenwerking in grootstedelijke gebieden, waarmee de intersectorale samenhang kan worden versterkt.

In samenwerking met andere ministeries, het IPO en de VNG wordt een gezamenlijk expertisebureau voor innovatieve besluitvorming (EIB) opgericht. Het expertisebureau moet ertoe bijdragen dat de overheid adequaat wordt toegerust voor besluitvorming in een beleidsomgeving met meer horizontale verhoudingen en inspeelt op toepassing van de ICT, bijvoorbeeld voor burgerconsultatie. Het EIB zal vanaf 1 januari 2001 zijn diensten aan ministeries en andere overheden verlenen en tevens activiteiten organiseren om onderlinge samenwerking te faciliteren.

Grensoverschrijdende samenwerking wordt voor vele regio's en steden een steeds vanzelfsprekender fenomeen. In het kader van het Europese communautair initiatief Interreg is voor Nederland in de periode 2000–2006 160 mln beschikbaar voor bilaterale grensoverschrijdende projecten. Gelet op het toenemend belang van de grensoverschrijdende samenwerking is een regelmatig overleg inmiddels aangewezen. Een dergelijk bestuurlijk overleg, gecoördineerd door de staatssecretarissen van BZK en Buitenlandse Zaken wordt jaarlijks beoogd met de Duitse Länder Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen, en de Belgische gewesten Vlaanderen en Wallonië. Het eerste bestuurlijk overleg zal plaatsvinden met Noordrijn-Westfalen in het najaar van 2000. Tijdens dat overleg zal onder meer worden gesproken over de voortgang betreffende de onderhandelingen met Duitsland over een nieuw verdrag inzake grensoverschrijdende bedrijventerreinen. Het is het streven dat rond de jaarwisseling Duitsland en Nederland overeenstemming bereiken over de tekst van dit nieuwe verdrag. De staatssecretaris van BZK heeft over deze materie een voortgangsrapportage uitgebracht aan de Kamer (kamerstukken II 1999/2000, 26 670, nr. 3). In paragraaf 1.7 (Europa) wordt nader ingegaan op de meer institutionele aspecten van de relatie tussen Europa en de decentrale overheden.

Bestuurlijke en maatschappelijke problemen kunnen steeds moeilijker via eenrichtingsverkeer van de overheid naar de burger worden opgelost. Van maatregelen van rijkszijde, of deze nu in regelgeving zijn gegoten of anderszins, wordt verwacht dat zij acceptabel en flexibel zijn. Daarom wordt in de voorbereidingsfase van een voorstel overlegd met de betrokken partijen in een interactief beleidsproces. Dit vraagt weer bezinning op de traditionele besluitvormingsprocedures zoals wij die kennen. De rol van de volksvertegenwoordigingen wordt door deze ontwikkeling beïnvloed, maar blijft onmisbaar voor de democratische legitimatie van het overheidsoptreden. Hierover is tijdens de behandeling van de begroting van BZK van het jaar 2000 in de Tweede Kamer uitvoerig gedebatteerd. De Raad voor het Openbaar Bestuur zal worden gevraagd hierover in 2001 een advies uit te brengen.

1.5. Grondrechten en ICT

Op 24 mei jl. heeft de Commissie «Grondrechten in het digitale tijdperk» (Commissie Franken) aan de regering advies uitgebracht. Dit advies bevat voorstellen tot aanpassing en aanvulling van de grondrechten in hoofdstuk 1 van de Grondwet aan de ontwikkelingen op het terrein van de informatie- en communicatietechnologie. De aanpassing van bestaande grondrechten betreft allereerst artikel 7 van de Grondwet, waarin de vrijheid van meningsuiting door middelen als de drukpers is vastgelegd. De Commissie stelt voor dit artikel een techniek-onafhankelijke formulering te geven door het recht op vrije meningsuiting daarin centraal te stellen. Dit recht zou, anders dan het huidige artikel 7, ook handelsreclame gaan beschermen. Voorts zou in het nieuwe artikel een zorgplicht voor de overheid moeten worden opgenomen ten aanzien van de pluriformiteit in het informatieaanbod. Een ander voorstel van de Commissie betreft artikel 13 van de Grondwet. Het brief-, telefoon- en telegraafgeheim dat daarin is vastgelegd, zou moeten worden vervangen door het techniek-onafhankelijke recht om vertrouwelijk te communiceren. Het voorstel bevat ook een verplichting de burger van wie het recht om vertrouwelijk te communiceren, is geschonden, daarvan in kennis te stellen. Ook stelt de Commissie enkele wijzigingen in artikel 10 van de Grondwet voor. Zo zou de opdracht aan de wetgever om ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer regels te stellen met betrekking tot persoonsgegevens moeten worden uitgebreid tot alle fasen van verwerking van dergelijke gegevens. Een laatste wijziging van de bestaande grondrechten betreft artikel 5 van de Grondwet, waarin het recht van petitie is vastgelegd. De eis dat petities een schriftelijke vorm moeten hebben, zou dienen te vervallen. Tot slot stelt de Commissie een nieuw grondrecht voor: een recht op toegang tot overheidsinformatie met een plicht voor de overheid om voor toegankelijkheid van die informatie te zorgen.

Het kabinet streeft ernaar zijn standpunt over de voorstellen van de Commissie voor de behandeling van de begroting van BZK voor 2001 in de Tweede Kamer aan te bieden. Het kabinet zal er vervolgens naar streven om, op basis van het kabinetsstandpunt en de reactie van de Tweede en Eerste Kamer daarop, begin 2001 voorstellen tot wijziging van de Grondwet in te dienen, opdat de eerste lezing van deze voorstellen nog in deze kabinetsperiode kan worden voltooid.

1.6. Dejuridisering

Naast de aanpassingen in werking en inrichting van de gemeenten en provincies, het intensiveren van de bestuurlijke samenwerking tussen de onderscheiden overheden en het moderniseren van onze Grondwet, kan de bestuurlijke slagkracht ook worden versterkt door bovenmatige juridisering van de samenleving tegen te gaan.

Het kabinet heeft sinds de in december 1998 uitgebrachte nota «Juridisering in het openbaar bestuur» (kamerstukken II, 1998/99, 26 360, nr. 1) een reeks maatregelen in gang gezet ter bestrijding van overmatige juridisering in onze samenleving. In het terugdringen van te ver doorgeschoten juridisering hebben zowel wetgever als rechter als bestuur een eigen verantwoordelijkheid. De uitvoering van deze voornemens, waarover ook reeds in de toelichting bij de begroting van 2000 is gerapporteerd, vordert gestaag. Het kabinet heeft inmiddels aan de Tweede Kamer zijn standpunt doen toekomen naar aanleiding van het onderzoek naar alternatieve vormen van geschillenbeslechting tussen bestuursorganen onderling, verricht door de Universiteiten van Amsterdam en Utrecht. De kern van het kabinetsstandpunt is dat niet wordt overwogen een beroep op de rechter uit te sluiten of een wettelijke regeling te treffen voor buitengerechtelijke afdoening van bestuursgeschillen. Er zijn echter wel mogelijkheden voor alternatieve afdoening, waarbij het kabinet met name denkt aan mediation.

In de notitie over termijnen voor bestuur en rechter die op korte termijn aan de Tweede Kamer wordt gezonden, zal aandacht worden gegeven aan niet-juridische maatregelen om de feitelijke besluitvormingsduur te bekorten. Aan de commissie Wetgeving algemene regels van bestuursrecht (commissie-Scheltema) is advies gevraagd in hoeverre op onderdelen wettelijke maatregelen, in het bijzonder aanpassingen van de Algemene wet bestuursrecht, noodzakelijk zijn. Alle bestuursorganen zullen op korte termijn de door het kabinet toegezegde handreiking voor de inrichting van de bezwaarschriftprocedure ontvangen.

Ook zijn de volgende wetsvoorstellen in procedure of in voorbereiding:

1. Het wetsvoorstel Uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (kamerstukken II, 1999/2000, 27 023, nrs.1–2) waarmee de beide openbare voorbereidingsprocedures van de afdelingen 3.4 en 3.5 van de Awb worden samengevoegd tot één sobere procedure is inmiddels in behandeling bij de Tweede Kamer.

2. De Raad van State heeft inmiddels geadviseerd over het wetsvoorstel Rechtstreeks beroep, dat de mogelijkheid biedt om met wederzijds goedvinden van partijen de bezwaarfase bij het bestuursorgaan over te slaan, en zich meteen tot de rechter te wenden. De Tweede Kamer zal naar verwachting in het najaar van 2000 over dit wetsvoorstel worden geïnformeerd.

3. Het wetsvoorstel Eerste Evaluatiewet Awb (kamerstukken II, 1998/99, 26 523, nrs. 1–2), waarin naar aanleiding van de evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht een aantal (kleinere) verbeteringen van de Awb zijn opgenomen, is aanhangig bij de Tweede Kamer.

4. Over het voorontwerp van de commissie-Scheltema inzake de procedurele coördinatie van complexe besluitvorming heeft een consultatieronde plaatsgevonden. Naar verwachting zal dit najaar een wetsvoorstel om advies bij de Raad van State aanhangig worden gemaakt. Het voorstel betreft een stroomlijning van de besluitvormings- en rechtsbeschermingsprocedures voor gevallen waarin sprake is van een samenloop van verschillende besluiten op basis van verschillende bijzondere wetten.

5. Bij de commissie-Scheltema is voorts een voorontwerp inzake de inhoudelijke coördinatie van complexe besluitvorming in voorbereiding.

6. Het wetsvoorstel Tweede Evaluatiewet Awb is in voorbereiding. Daarin zullen de resultaten worden verwerkt van de november 1999 gehouden werkconferentie over de problematiek van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb. Het gaat hier om de bevoegdheid van het bestuur om, hangende beroep bij de rechter, het bestreden besluit te wijzigen; de rechter kan vervolgens het gewijzigde besluit mede in zijn beoordeling betrekken. In de praktijk levert de toepassing van deze artikelen nogal wat problemen op. De globale conclusie van de werkconferentie is dat weliswaar niet alle problemen door wetgeving kunnen worden opgelost – sommige zaken kunnen beter aan de jurisprudentie worden overgelaten – maar dat op een aantal punten vereenvoudiging van de regeling mogelijk en wenselijk is. Dit wetsvoorstel zal ook een aanpas- sing van artikel 6:22 Awb bevatten (het door de rechter passeren van gebreken in een besluit).

1.7. Europa

De invloed van de voortgaande Europese integratie op het openbaar bestuur – zowel de centrale als de decentrale overheden – wordt steeds meer zichtbaar. Er is in toenemende mate sprake van een versmelting van Europees beleid met binnenlands beleid. Het aantal beleidsterreinen dat de Unie bestrijkt wordt steeds groter, en daarnaast grijpt het Europese beleid in op alle niveaus van de bestuurlijke organisatie in Nederland. Ook voorziet de institutionele opbouw van de Europese Unie in een eigen parlement, een eigen rechtsprekende macht en eigen controle-organen. Europa kan daarom worden gezien als een toegevoegde bestuurslaag.

De minister van BZK volgt vanuit zijn betrokkenheid bij de inrichting van het openbaar bestuur, nauwlettend de algemene ontwikkelingen van de Europese integratie en tracht in te spelen op specifieke aspecten van de verdergaande Europese integratie. De inzet is erop gericht bij te dragen aan de opbouw van een integere, efficiënte en transparante Europese bestuurslaag, en gestalte te geven aan beleid dat de coördinatie en samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen, Europees en nationaal, waarborgt. De juiste en soepele doorwerking van Europese regels en beleid en de inpassing in en aan de drie nationale bestuurslagen verloopt niet vanzelf. In 2001 zullen evengenoemde implicaties speerpunt zijn van het beleid ten aanzien van Europa.

In vervolg op de kabinetsreactie op het Rob-advies «Wijken of Herijken: Nationaal Bestuur onder invloed van de Europese Integratie» wordt nader in kaart gebracht wat de gevolgen zijn van de vorming van een Europese bestuurslaag voor de drie bestuurslagen. Het ministerie van BZK neemt actief deel aan de overlegkaders die bestaan voor de behandeling van Europese integratie. Niet alleen om 's rijks belangen te dienen, maar ook met het oog op de belangen van de decentrale overheden. Daarbij verzorgt het ministerie van BZK, samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken, het zgn. Europa-overleg, waarin het Rijk in overleg treedt met het IPO en de VNG om Europese aangelegenheden te bespreken. Tevens is het ministerie betrokken bij de oprichting van een Europees kenniscentrum voor decentrale overheden dat zal dienen als vraagbaak over Europese zaken. De concrete invulling van nadere maatregelen die dienen ter coördinatie en afstemming van de Europese invloeden op de traditionele bestuurslagen zal in 2001 verder gestalte krijgen.

De beginselen van vrijheid en democratie en de eerbiediging van grondrechten liggen ten grondslag aan de Europese Unie. Om daaraan verder vorm te geven en bij te dragen aan de vervolmaking van de Europese bestuurslaag, is besloten tot het opstellen van het Europees Handvest voor Grondrechten. Het Franse voorzitterschap van de Europese Unie heeft voor december 2000, tijdens de Europese Raad van Nice, dit Europees handvest grondrechten geagendeerd. Daarmee vindt een verdere verankering plaats van grondrechten en wordt gestalte gegeven aan het cruciale belang dat ook in Europees verband aan grondrechten wordt toegekend. Vanuit zijn verantwoordelijkheid als hoeder van de grondwet is het ministerie van BZK inhoudelijk betrokken bij de voorbereiding en invulling van dit handvest.

2. GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID

2.1. Grotestedenbeleid

Mensen hebben behoefte aan steden waar zij genoeglijk kunnen wonen, werken en verkeren. Met het grotestedenbeleid wordt vormgegeven aan dit streven. Het adagium van het grotestedenbeleid is het realiseren van complete steden ofwel steden die in ruimtelijk, economisch en sociaal-maatschappelijk opzicht leefbaar en vitaal zijn. De leefbaarheid en vitaliteit van de steden uit zich niet alleen in een goed woon- en leefklimaat, een florerend bedrijfsleven en voldoende mogelijkheden voor vrije tijdsbesteding maar ook en vooral in de betrokkenheid van bewoners bij hun stad, wijk of buurt.

Met de totstandkoming van de stedelijke ontwikkelingsplannen en de daarop gebaseerde convenanten van de vijfentwintig GSB-steden, waarmee f 16,5 mld mee is gemoeid, heeft het grotestedenbeleid zichtbaar aan vorm en inhoud gewonnen. Concreet zijn in de convenanten afspraken gemaakt over onder meer de versterking van de economische concurrentiepositie, over de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, over veiligheid, over versterking van de sociale en fysieke infrastructuur, over ruimte in de stad voor mensen met midden- en hogere inkomens, gezinnen met kinderen en over het bevorderen van het (etnisch) midden- en kleinbedrijf. Dat alles in nauwe samenwerking met partners in de private en (semi)publieke sfeer. Dat neemt niet weg dat verdere ontwikkeling zowel inhoudelijk als instrumenteel nodig is en blijft.

Naast het bevorderen van de leefbaarheid en vitaliteit van de steden, bestaat er ook veel aandacht voor het vergroten van de participatie van de bewoners. De aandacht richt zich hierbij niet alleen op de deelname aan het arbeidsproces, al is dit zeker heel belangrijk. Ook de betrokkenheid in de publieke besluitvormingsprocessen en de participatie in en de ondersteuning van initiatieven uit maatschappelijke verbanden zijn van wezenlijk belang voor de sociale cohesie binnen een wijk of stad. De betrokkenheid van bewoners en maatschappelijke belangenorganisaties bij de publieke besluitvorming heeft vorm gekregen bij het opstellen van de stadsvisies en de Meerjaren Ontwikkelingsprogramma's. Voorts worden diverse initiatieven van bewoners door de stadsbesturen ondersteund, zoals bijvoorbeeld de bewonersvoorstellen van de Digitale Trapveldjes in Nijmegen. Een ander voorbeeld van een bewonersinitiatief is de door het Landelijke Samenwerkingsverband Aandachtswijken georganiseerde praktijkdag voor jongeren over werk, communicatie en de straat in de Bijlmer.

Reeds in de toelichting op de begroting van 2000 is aangegeven dat het grotestedenbeleid gecoördineerd en – zoveel mogelijk – ontkokerd overheidsbeleid inhoudt. Dit beleid kenmerkt zich aldus door een grote betrokkenheid bij alle relevante vraagstukken die de leefbaarheid en vitaliteit van de steden raken. Daarom is de minister voor GSI direct betrokken bij de voorstellen van de staatssecretaris van OCW inzake het onderwijskansenplan en bij de voornemens de staatssecretarissen van VWS en OCW met betrekking tot de ontwikkeling van de brede school als onderdeel van het integraal jeugdbeleid. Voorts is de beleidsbrief VVE, waarin maatregelen op het terrein van voor- en vroegschoolse educatie worden aangekondigd, tot stand gekomen door de gezamenlijke inspanning van de staatssecretarissen van VWS en OCW en de minister voor GSI.

Speerpunten in 2001

De inhoudelijke speerpunten van het grotestedenbeleid voor de komende jaren zijn veiligheid, de ICT, de relatie tussen de overheid en het bedrijfsleven, en de stad en zijn omgeving.

Zowel uit het «Jaarboek Grotestedenbeleid 1999» als uit de «Integrale Veiligheidsrapportage 2000» komt naar voren dat veiligheid het thema is waar de burger de hoogste prioriteit aan toekent. Het bieden van veiligheid in de dagelijkse woon- en werkomgeving is daarmee een van de belangrijkste opgaven voor het Rijk, de mede-overheden zoals de grote steden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en de burger zelf. De thans door velen erkende digitale revolutie zal zonder enige twijfel op termijn ook gevolgen hebben voor de stedelijke ontwikkeling. Wat die gevolgen zullen zijn, is niet gemakkelijk te voorspellen. De commissie «ICT en de Stad» verricht daarvoor onder voorzitterschap van de heer Cerfontaine een verkenning. De bevindingen van de commissie zullen mede bepalend zijn voor het grotestedenbeleid in 2001 en volgende jaren. Vanaf 2001 zijn in de steden ook de Digitale Trapvelden operationeel. Nauwlettend zal daarbij gevolgd worden welke resultaten de Digitale Trapvelden boeken, bijvoorbeeld als het gaat om de samenwerking met het bedrijfsleven. Ook wordt er in 2001 een prijsvraag georganiseerd waarbij de trapvelden kunnen laten zien waartoe zij in staat zijn.

Met het oog op een gezonde stadseconomie is het belang van een goede relatie tussen de overheid en het bedrijfsleven onbetwist. Door bestaande initiatieven zoals het Overleg Platform Stedelijke Vernieuwing (OPS), publiek-private samenwerking en het SER-advies over maatschappelijk ondernemen worden hieraan de noodzakelijke impulsen gegeven. Een goed voorbeeld van publiek-private samenwerking met betrekking tot het grotestedenbeleid is het Amsterdam ArenA Initiatief, waar tussen ondernemers, de gemeente, de Arbeidsvoorziening en het Regionaal Opleidingscentrum afspraken zijn gemaakt om jongeren uit etnische minderheden zonder startkwalificatie voor de arbeidsmarkt een aangepast trainings- en opleidingsprogramma aan te bieden.

Stad en omgeving

Het thema de Stad en haar omgeving dient verder te worden uitgewerkt. Verschillende dimensies van de stedelijke ontwikkeling zijn verbonden met de geografische omgeving van de stad en haar positie in de regio. Dit onderwerp kan onder meer worden gerelateerd aan de evaluatie van de kaderwetgebieden en het nationaal verkeers- en vervoersplan en de vijfde nota ruimtelijke ordening.

Sociale integratie en veiligheid

Voor de inhoudelijke ontwikkeling van het Grotestedenbeleid is het bovendien van groot belang dat de pijlergewijze opbouw van het Grotestedenbeleid zich op evenwichtige wijze voltrekt. De gemeentelijke regiefunctie binnen de sociale pijler behoeft versterking. De inzet zal zich primair toespitsen op het thema «perspectieven bieden aan de jeugd in de stad». Kinderen in achterstandssituaties hebben hierin een herkenbare plaats. Binnen het thema jeugd komen de zorg voor 0- tot 6-jarigen (jeugdgezondheidszorg, kinderopvang, voorschoolse programma's, opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering), de brede (basis)school, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en de jeugdzorg aan de orde. Daarnaast is er een relatie met het verslavingsbeleid, de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor zover het de jeugd betreft, alsmede met het onderwerp veiligheid. Dit onderwerp is 18 mei 2000 ook besproken in het overhedenoverleg in het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS). Het gaat erom dat gemeenten een samenhangend beleid voeren voor de 0- tot 6-jarigen en daarbij een actieve regisserende functie vervullen. Op basis van het SCP-onderzoek terzake dat in oktober 2000 zal verschijnen, zal het kabinet afwegen of wettelijke maatregelen of andere vormen van facilitering van gemeenten nodig en mogelijk zijn.

Een eerste stap naar ontkokering en deregulering binnen de sociale pijler is de Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25. Deze regeling omvat naast een aantal budgetten van het ministerie van BZK ook een budget van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het aandeel van BZK voor 2001 bedraagt f 168,2 mln. Daarnaast zal de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het Rijk en de GSB-steden voor de ontwikkeling van de sociale infrastructuur nadrukkelijker vorm moeten krijgen.

GSB-instrumentarium

Ten aanzien van het GSB-instrumentarium heeft het Centraal Planbureau in de tussenrapportage «Naar een effectiever Grotestedenbeleid» waardevolle suggesties gedaan die nadere overweging verdienen, zoals de introductie van beleidsconcurrentie of het inbouwen van prikkels die de steden aanzetten tot innovatieve, experimentele en stadsspecifieke oplossingen. Een andere suggestie is de instelling van een GSB-fonds waaruit de rijksoverheid grotere projecten kan honoreren in aanvulling op de middelen die worden verdeeld op basis van de overeengekomen verdeelsleutels. Tenslotte zal de komende jaren moeten worden bezien op welke wijze kan worden gekomen tot meer intermediaire, meetbare doelstellingen. Voor een verdieping van evengenoemde suggesties is advies gevraagd aan de Raad voor het openbaar bestuur. De Raad voor het openbaar bestuur zal in het najaar 2001 adviseren over de optimalisatie en de instrumentering van het grotestedenbeleid in de volgende kabinetsperiode.

Voor de huidige GSB-periode maken het Rijk en de steden nadere afspraken over het stelsel van monitoring, zelfanalyse, visitatie en verantwoording. Deze afspraken zijn verbonden met de gezamenlijke invulling van een tussenstand voor het grotestedenbeleid, die in het voorjaar van 2002 verschijnt, en met de eindevaluatie van de huidige periode in 2004. Voorts is de stroomlijning van de financiële verantwoording essentieel. De stroomlijning in de financiële verantwoording is ook van belang voor een gewenste verdere ontschotting. In eerste instantie zal worden onderzocht op welke wijze harmonisering en/of bundeling van de afzonderlijke verantwoordingen kan worden vormgegeven. In de komende periode maken het Rijk en de steden hierover nadere afspraken.

In 2000 is tot slot het Kenniscentrum GSB opgericht. De jaarlijkse begroting van het kenniscentrum wordt voor de helft door het Rijk gedragen en voor de andere helft door de G25. De activiteiten van de verschillende kenniscentra zullen op elkaar afgestemd moeten worden. Samenwerking tussen de centra staat voorop. Na drie jaar zal de positionering van het Kenniscentrum, alsmede van de integrerende kenniscentra binnen de pijlers, worden herijkt.

Enschede

Het kabinet heeft de gemeente Enschede ten behoeve van de wederopbouw van de door de vuurwerkramp getroffen wijk Roombeek een werkkapitaal van f 270 mln. ter beschikking gesteld in het jaar 2000. Nog dit najaar zal met de gemeente Enschede een aanvullend convenant worden overeengekomen, waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over de aanwending van de middelen. Met de gemeente Enschede en de provincie Overijssel vindt intensief overleg plaats over de wijze waarop tot een concreet stappenplan in dit convenant kan worden gekomen. Het additionele wederopbouwconvenant heeft als doel Enschede in staat te stellen daadwerkelijk te starten met het wederopbouwproces van de getroffen wijk. Tevens worden afspraken gemaakt over flankerend sociaal en economisch beleid, noodzakelijk gedurende het wederopbouwproces. Voor de verantwoording en monitoring zal in het convenant worden aangesloten op de vigerende GSB-systematiek.

2.2. Integratiebeleid

Zowel in een publieke discussie als in de Tweede Kamer zijn de doelstellingen, de instrumenten en de doelmatigheid van het integratiebeleid prominent aan de orde gesteld. Dat is niet voor het eerst, maar de intensiteit van de discussie geeft aan dat in brede kringen het besef leeft dat de integratie een van de grote uitdagingen van de huidige tijd is. Het realiseren van een actief en volwaardig burgerschap van leden van etnische minderheden is dan ook één van de belangrijkste taken waarvoor de maatschappij in het algemeen en de overheden in het bijzonder staan. Gelijke behandeling van een ieder die zich in ons land bevindt, en de ruimte om binnen de grenzen van de wet zichzelf te kunnen ontplooien zijn daarbij de sleutelbegrippen. De overheden hebben daarbij tot taak, de vrije uitoefening hiervan te waarborgen en structurele beletselen daarbij, waar deze zich voordoen, weg te nemen.

Een andere bijdrage aan het volwaardig burgerschap van inwoners met een andere etnische achtergrond is ook de erkenning dat veel van hun voorouders slachtoffer waren van de slavernij. Op 1 juli 2000 is het convenant tussen de gemeente Amsterdam en het Rijk getekend ter realisering van een monument ter herdenking van de afschaffing van de slavernij. Met dit monument zal het begrip tussen medeburgers worden versterkt.

Het debat op 18 en 20 april 2000 met de voorzitters van de fracties van de Tweede Kamer en de ministers voor GSI en van OCW en SZW heeft onderstreept dat het gegeven dat Nederland een immigratieland is geworden, met een diversiteit aan culturen en leefgewoonten, ingrijpende consequenties heeft. In de nota «Kansen krijgen, kansen pakken» en het daarbij behorende uitvoeringsplan heeft het kabinet zijn praktische ambitie aangegeven om daadkrachtig bij te dragen aan de integratie. Een belangrijke doelstelling is om in deze kabinetsperiode het verschil in de werkloosheid tussen minderheden en autochtonen met de helft terug te brengen. Om de halveringsdoelstelling in 2002 te behalen zullen alle betrokken partijen – ondernemingen, werkgevers- en werknemersorganisaties, het Rijk, gemeenten, de onderwijssector, uitvoeringsinstellingen, minderhedenorganisaties en niet in de laatste plaats de werkzoekenden zelf – de komende jaren aanzienlijke inspanningen moeten verrichten. Naast arbeidsmarktsbeleid is daarbij een forse inspanning op het gebied van onderwijs en scholing noodzakelijk. Op het terrein van de arbeidsmarkt worden diverse instrumenten ingezet zoals onder meer de Wet Samen, het Minderhedeninitiatief van de Arbeidsvoorziening en de sociale partners, het stimuleren van etnisch ondernemerschap via het grotestedenbeleid, het convenant dat de ministers voor GSI en van SZW 18 april 2000 hebben gesloten met MKB-Nederland en het convenant dat 21 juni 2000 met vijftien grote ondernemingen is gesloten.

Het kabinet acht het noodzakelijk dat de integrale aanpak nog verder wordt geïntensiveerd. Immers er wordt al veel energie gestoken in het oplossen van integratieproblemen in onderwijs en welzijn, gezondheidszorg, arbeidsmarkt en huisvesting, maar dit gebeurt nog te verkokerd. Voor jongeren van etnische minderheden is bijvoorbeeld gekozen voor een integrale aanpak met een strakke regiefunctie waarbij wordt ingezet op de voorschoolse educatie, schoolse en naschoolse aanpak met het doel de schooluitval onder genoemde categorie jongeren aanmerkelijk te beperken.

De minister voor GSI heeft gekozen voor een nieuwe opzet van de jaarlijkse rapportage over het integratiebeleid. In de rapportage, die tegelijkertijd met deze begroting wordt ingediend, zullen de resultaten van het kabinetsbeleid helder beschreven worden. Ter voorbereiding daarvan is een zgn. integratiemonitor geïntroduceerd, waarvan de eerste proeve door het Sociaal en Cultureel Planbureau is uitgebracht. Deze monitor zal zich in de eerste plaats richten op burgers van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst, waarbij de integratie nog stroef verloopt. In het vervolg zal ook de integratie van meer recentere nieuwkomers, zoals vluchtelingen en asielgerechtigden, in beeld worden gebracht.

Inburgering

Bij de inburgering wordt niet uitsluitend ingezet op nieuwkomers, maar ook op de (eerste generatie) migranten, die reeds lange tijd in Nederland verblijven. Een substantieel deel van deze groep zogenaamde oudkomers verkeert nog in een achterstandspositie, die met behulp van een inburgeringstraject kan worden verbeterd. Om het oudkomersbeleid zo effectief mogelijk te laten zijn binnen de beschikbare financiële kaders, ligt het accent daarbij op twee specifieke doelgroepen, namelijk de opvoeders en werkzoekenden.

Het belang van de inspanningen op het gebied van inburgering is ook in het debat met de Tweede Kamer van 18 en 20 april jl. benadrukt. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om de uitvoering van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) op alle terreinen te verbeteren en de bestaande wachtlijsten voor taalonderwijs oudkomers binnen 1 jaar op te lossen. De Tweede Kamer zal regelmatig een voortgangsrapportage over die wachtlijsten ontvangen. Om daadwerkelijk te komen tot een kwalitatieve uitvoering van de WIN is een Task Force opgericht, die tot taak krijgt het wegwerken van de wachtlijsten voor taalonderwijs te ondersteunen, de outputmeting te stroomlijnen en daarover ook te rapporteren. Voor de Task force is zowel in 2001 als in 2002 f 5 mln beschikbaar gesteld. De inspanningen zullen zich primair richten op de huidige wachtlijsten bij Regionale Opleidingscentra (ROC's) voor taalonderwijs voor oudkomers. De doelstelling is dat degenen die nu op de wachtlijsten staan binnen 1 jaar een cursus Nederlands volgen of hebben gevolgd. Het kabinet heeft in 2000 f 15 mln en vanaf 2001 een extra f 25 mln structureel beschikbaar gesteld voor de inburgering van zgn. oudkomers, voor 13 extra gemeenten waarvan de bevolking uit meer dan 7% uit etnische minderheden bestaat.

Tenslotte zal in 2001, door de invoering van de Vreemdelingenwet 2000, de doelgroep van de WIN worden uitgebreid met de houders van een vergunning voor bepaalde tijd. Dit om ook het tijdelijke verblijf te gebruiken voor de eerste stap naar integratie. In het inburgeringsprogramma zal, gegeven de mogelijkheid dat betrokkene moet terugkeren naar het land van herkomst, aandacht worden gegeven aan het terugkeerperspectief.

Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden

De wijze waarop dit kabinet de criminaliteit onder etnische minderheden poogt terug te dringen, is feitelijk een voorbeeld van de integrale veiligheidsbenadering waarover in paragraaf 4.2 wordt gesproken. Etnische minderheden bevinden zich op diverse terreinen van het maatschappelijk leven in een achterstandssituatie. Mede door de reeds op zeer jonge leeftijd opgelopen taalachterstand, kan een deel van de jongeren al op de basisschool niet meer meekomen. Het niet behalen van de vereiste diploma's en kwalificaties verkleint hun kansen op een betaalde baan. Het percentage werklozen onder etnische minderheden is nog steeds te hoog. Nog erger is dat een gedeelte van die jongeren zich verliest in criminele gedragingen of andere onmaatschappelijke activiteiten.

De laatste jaren is meer en meer het besef doorgedrongen dat een integrale ketenbenadering noodzakelijk is. De nota «Criminaliteit in relatie tot integratie van etnische minderheden» (CRIEM) kent drie sporen. Ten eerste wordt getracht reeds bij zeer jonge kinderen taal- en ontwikkelingsachterstanden te voorkomen. Ten tweede wordt zeer intensief gepoogd het voortijdig schoolverlaten van jongeren van allochtone herkomst te voorkomen, teneinde hen een echte kans op het volwaardig participeren in de samenleving te geven. Ten derde worden met een individuele trajectbegeleiding jongeren van allochtone herkomst die reeds in aanraking zijn gekomen met criminaliteit op het rechte pad gebracht en gehouden. Deze ontschotte benadering van het CRIEM-traject, dat door de gemeenten wordt uitgevoerd en waarbij ook de ministeries van Justitie, OCW en VWS direct betrokken zijn, vergt een strakke regie. De in 1999 gestarte CRIEM-pilots in zeven gemeenten worden eind 2000 afgerond. Vooruitlopend op het advies van de Externe Commissie CRIEM, heeft het kabinet besloten om, op basis van de inmiddels opgedane ervaringen, deze aanpak op gedifferentieerde wijze toe te passen in gemeenten met relatief veel allochtonen. Vanaf 2001 zal daarom voor de periode 2001–2004 jaarlijks f 36 mln op de begroting van BZK beschikbaar worden gesteld. Die middelen zullen, naast bovengenoemde verbreding ook worden ingezet voor- en vroegschoolse educatie en het ondersteunen van de Antillengemeenten.

Migratie Antilliaanse jongeren

De migratie vanuit de Nederlandse Antillen blijft toenemen. Zowel kansrijke als kansarme Antillianen kiezen ervoor om hun land te verlaten om elders een betere toekomst te zoeken. De migratie wordt grotendeels veroorzaakt door de slechte economische omstandigheden en vooruitzichten in de Antillen. Voor de Antillen is deze aanhoudende uittocht te betreuren. Ook in de regulering van de migratie naar Nederland staat de Nederlandse regering een integrale ketenbenadering voor. Die benadering sluit aan bij de nota «Migratie Antilliaanse Jongeren» . De keten bestaat uit de voogdijregeling, de verplichte inburgering in de Nederlandse Antillen en de uitschrijving uit de bevolkingsadministratie. Thans zal de regering van de Nederlandse Antillen moeten aangeven op welke wijze zij invulling wenst te geven aan de met de Nederlandse regering op 6–7 januari 2000 gemaakte afspraak om voor jongeren onder de 25 jaar voor vertrek naar Nederland in de Nederlandse Antillen een deel van het inburgeringsprogramma te volgen. De kern daarvan zal moeten bestaan uit een cursus Nederlandse taal. Voor de inburgering in de Nederlandse Antillen is, naast f 2 mln in 2000, voor 2001 f 4 mln gereserveerd oplopend naar f 8 mln in 2002 tot en met 2004.

Reeds kort na de inwerkingtreding van de Voogdijregeling is gebleken dat de controle die de grensautoriteiten en de immigratiedienst in de Nederlandse Antillen moeten uitoefenen nog gebreken vertoont. De evaluatie van de voogdijregeling zal naar verwachting einde van dit jaar worden afgerond. Ook de begeleiding van de voogd en de minderjarige in Nederland zelf behoeft nog gerede aanpassing. Het ministerie van BZK heeft daarom ten behoeve van de zgn. Antillengemeenten een mentorenstelsel laten ontwikkelen. De elektronische uitwisseling van persoonsgegevens is in voorbereiding. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2001 ingevoerd kan zijn. De elektronische uitwisseling maakt het mogelijk om efficiënter en nauwkeuriger deze gegevens in de bevolkingsadministratie vast te leggen.

De komst van met name kansarme jonge Antillianen naar Nederland heeft een aantal gemeenten voor extra problemen gesteld. Een gedeelte van de Antilliaanse jongeren verliest zich nog te vaak in ongewenst en onmaatschappelijk gedrag. Met betrekking tot de betrokken gemeenten wordt thans overlegd welke mogelijkheden er bestaan om die problemen aan te pakken.

Europa

Tijdens de Europese Raad van Tampere van 15–16 oktober 1999 is besloten dat op korte termijn een gemeenschappelijk antidiscriminatiebeleid van de Europese Unie op basis van artikel 13 van het Verdrag van Amsterdam zal worden ontwikkeld. Het ministerie van BZK is actief betrokken bij de behandeling van de voorstellen van de Europese Commissie dienaangaande. De EU-richtlijn over gelijke behandeling ongeacht ras of etnische afstemming is op 17 juli 2000 vastgesteld. De Europese Raad van Tampere heeft ook aandacht gegeven aan een geharmoniseerd asiel- en migratiebeleid en het daarmee verbonden integratiebeleid: ook dit bepaalt de internationale agenda van het ministerie, maar er zal nog een lange weg te gaan zijn vooraleer op het vlak van een Europees integratiebeleid resultaten geboekt kunnen worden. Dat betreft evenzeer de Europese vastlegging van zoveel mogelijk gelijke rechten voor de zgn. derdelanders die eertijds via arbeidsmigratie of anderszins deel zijn gaan uitmaken van de Unie. Tenslotte is het ministerie van BZK betrokken bij de voorbereiding van de conferentie van de Raad van Europa «All different, all equal: from principle to practice» die van 11–13 oktober 2000 wordt georganiseerd. Die conferentie beoogt de gezamenlijke Europese inbreng te bepalen voor de VN-conferentie tegen racisme die in september 2001 in Zuid-Afrika zal plaatsvinden. De Nederlandse inbreng is erop gericht de betrokkenheid van NGO's bij de conferentie te vergroten, waarbij Internet wordt benut als communicatiemedium. Voorts zijn het bestrijden van racisme op Internet, het uitwisselen van best practices en het bevorderen van een lokale aanpak de specifieke Nederlandse aandachtspunten.

3. INFORMATIEBELEID OPENBARE SECTOR

Het regeerakkoord erkent dat «de invloed van de zich snel ontwikkelende informatie- en communicatietechnologie (ICT) op de samenleving van de 21e eeuw enorm zal zijn». Het kabinet heeft hieraan nadere uitwerking gegeven in de nota «De Digitale Delta» en het Actieprogramma «Elektronische Overheid». Tijdens de Europese Raad van Lissabon van 23–24 maart 2000 heeft ook de Nederlandse regering haar ambities nog eens bevestigd en geïntensiveerd. Vervolgens heeft de Europese Raad van Santa Maria da Feira van 19–20 juni 2000 het actieplan e-Europa aangenomen. De doelstellingen uit dit actieplan zijn een directe bevestiging van de benadering die het kabinet volgt bij de realisering van de elektronische overheid. In 2003 zal de belangrijkste overheidsdienstverlening elektronisch moeten kunnen plaatsvinden. Daarom zijn in 2000 extra impulsen gegeven aan het informatiebeleid in de openbare sector. De uitwerking daarvan wordt in 2001 ter hand genomen. Dit betreft de uitvoering van de nota «Contract met de Toekomst», de rol van de overheid als «launching customer», het project Kiezen op Afstand en de activiteiten op het gebied van identiteitsvaststelling. Daarnaast wil de regering een investering plegen in een democratische informatiesamenleving door het consulteren van burgers en relevante organisaties bij – zoals reeds in de inleiding bij deze begroting is aangegeven – zowel de voorbereiding als de uitvoering van beleid. Dit alles geschiedt natuurlijk in het besef dat het gebruik van Internet, de toenemende snelheid waarmee informatie kan worden verkregen en verloren, alsmede de nog bestaande onevenwichtigheden in de beschikbaarheid van die elektronische informatie, bijzondere eisen stelt aan het beveiligen van vertrouwelijke gegevens en aan het beschermen van de persoonlijke levenssfeer.

Implementatie van ambities

De ambities die het kabinet op het terrein van e-government heeft zullen ook institutioneel moeten worden ondersteund. Daartoe zal er begin 2001 een zelfstandige ICT-implementatie-organisatie worden ingericht. Die organisatie neemt, in opdracht van de verantwoordelijke ministeries en andere overheden, de directievoering voor complexe ICT-programma's ter hand. In deze zelfstandige organisatie zal binnen de publieke sector, maar wel op afstand, de deskundigheid voor het professioneel aansturen van de ICT-bedrijven worden geplaatst.

Een tweede institutionele stimulans voor ICT-implementatie zou een meer toegespitste financieringsfaciliteit kunnen zijn. Hoewel het in veel gevallen duidelijk is dat de overheid een grotere doelmatigheid en doeltreffendheid kan bereiken door de inzet van ICT-middelen, verloopt de financiering vaak nog moeizaam. Het probleem is dat er in het algemeen grote verschillen zijn tussen de plaatsen waar de investeringen moeten worden gedaan en de plaatsen waar deze worden terugverdiend. Vaak gaat het hier zelfs om heel verschillende organisaties of bestuurslagen. Daarnaast gaan juist bij ICT-projecten de kosten ruim voor de baten uit. Thans onderzoekt de minister voor GSI in overleg met de minister van Financiën of een «e-Bank» voor de overheid hiervoor in de toekomst een oplossing zou kunnen bieden.

Contract met de toekomst

Op 22 mei 2000 heeft de minister voor GSI de nota «Contract met de toekomst: een visie op de elektronische relatie overheid-burger» aan de Tweede Kamer aangeboden. In die nota is de relatie tussen overheid en burger meer vraaggericht (vanuit de burger) en minder aanbodgestuurd (vanuit de overheid) geformuleerd. De kernbegrippen zijn bereikbaarheid, keuzevrijheid en geloofwaardigheid. Op basis van deze visie wil het kabinet in en buiten de Staten-Generaal een discussie over de rol van de elektronische overheid in de informatiemaatschappij entameren, zodat zicht ontstaat op een maatschappij, waarin de voordelen van ICT volop worden benut en de nadelen zoveel mogelijk beperkt. De visie zou kunnen worden samengevat in de leuze «vrijheid in verbondenheid». De term vrijheid berust op de overtuiging dat de burger keuzevrijheid behoort te hebben ten aanzien van de manier waarop hij verbonden wil zijn, contact wil hebben, met het Rijk en de decentrale overheid. Het begrip verbondenheid verwijst naar de virtuele netwerken waarin overheidsorganisaties met elkaar, maar ook met bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers verbonden zijn. De overheid heeft met betrekking tot de digitale informatieverstrekking twee onderscheiden taken: enerzijds participeert zij steeds vaker in netwerken en anderzijds staat zij in haar ordenende rol boven de partijen. Daarom verwijst verbondenheid ook naar de afspraken, of het contract, tussen overheid en burger over de vorm van de informatierelatie.

In de nota wordt een aantal verkenningen en voornemens aangekondigd, die voortborduren op de beleidsvoornemens die in het Actieprogramma «Elektronische Overheid» en in de vijfde pijler van de nota «De Digitale Delta» zijn genoemd. De snelle ICT-ontwikkelingen vragen immers om een voortdurende bijstelling van beleidsdoelstellingen. Voor de uitvoering van de nota is vanaf 2001 een structureel budget van f 25 mln beschikbaar.

De overheid als «launching customer»

Uit dat budget zal jaarlijks een bedrag van f 10 à 15 mln worden uitgetrokken om de rol van de overheid als aanjager en gebruiker van technologische innovatie reëel inhoud te geven. In de door de ministers van Economische Zaken en OCW in 2000 uitgebrachte nota «Concurreren met ICT-competenties» wordt het belang van deze zgn. launching customer-rol van de overheid benadrukt. De openbare sector is met ca. f 4 mld. per jaar na de bank- en verzekeringssector de belangrijkste investeerder in de informatietechnologie in Nederland. Ten aanzien van de meeste activiteiten op het terrein van overheidsdienstverlening kan worden gekozen voor bewezen technologie. Maar op andere terreinen worden aan en door de overheid verdergaande eisen gesteld dan aan en door het bedrijfsleven. Om die reden zal de markt die producten niet standaard aanbieden, maar zijn extra impulsen van de overheid nodig om de markt in de volgende noodzakelijke innovatieve technieken te laten investeren: beveiligingstechnieken (zoals encryptie, biometrie en digitale handtekening), «privacy enhancing technologies» (waarbij het mogelijk wordt om zowel gegevensbestanden met elkaar te koppelen als de privacy van de burger te waarborgen), digitalisering van werk- en dienstverleningsprocessen en de integratie van de archieffunctie daarin, en digitale vormen van besluitvorming en inspraak. Daarmee werkt de overheid met de nieuwste technologieën, die haar in staat stelt beleidsdoelstellingen – niet alleen op het terrein van het openbaar bestuur, maar ook bijvoorbeeld in het onderwijs – sneller en beter te realiseren.

Actieprogramma Elektronische Overheid

In 2001 zal worden voortgegaan met de uitvoering van het Actieprogramma Elektronische Overheid. Het Actieprogramma richt zich op drie thema's: een goede elektronische toegankelijkheid van de overheid, een betere dienstverlening aan burgers en bedrijven en een verbeterde interne bedrijfsvoering. De belangrijkste doelstelling is om in 2002 25% van de publieke dienstverlening langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Het Overheidsloket 2000 wordt voortgezet met onder meer een subsidieregeling voor gemeenten die burgers en bedrijven de mogelijkheid bieden om gemeentelijke producten elektronisch aan te vragen. Ook wordt een prototype van een elektronisch loket gepresenteerd dat door publieke dienstverleners kan worden gebruikt om een eigen loket vorm te geven. Deze activiteiten worden gefinancierd uit het Nationaal Actie Programma Elektronische Snelwegen.

De huidige overeenkomst met Kluwer met betrekking tot de Algemene Databank Wet- en regelgeving (ADW) zal niet worden verlengd. De realisatie van een eigen wettenbank van de overheid op Internet wordt Europees aanbesteed. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: de Staat wordt eigenaar wordt van de verzameling geconsolideerde wetteksten; het onderhoud van deze verzameling zal geschieden door een marktpartij; de teksten zijn voor een ieder gratis op het Internet raadpleegbaar en het kopiëren en bewerken van het basisbestand voor commerciële doeleinden zal mogelijk zijn tegen verstrekkingskosten.

Een eerste versie van het Rijksoverheidsintranet komt in 2001 gereed. Daarmee wordt beoogd de interne bedrijfsvoering van de overheid te verbeteren. De besluitvorming over de vraag of deze versie wordt uitgebouwd tot een gemeenschappelijke basisinfrastructuur voor de gehele Rijksoverheid zal nog in 2001 plaatsvinden. In het kader van het programma «Stroomlijning Basisgegevens» zal de actielijn beleidsontwikkeling grotendeels worden afgerond en de actielijn implementatieprojecten (basisbedrijvenregister, gebouwenregister, geografisch kernbestand en verzekerdenadministratie) worden voortgezet.

Kiezen op Afstand

ICT kan niet alleen worden benut voor de verbetering van de kwaliteit, efficiëntie en effectiviteit van het overheidshandelen maar ook om het kiesproces te moderniseren en eenvoudiger en toegankelijker te maken. In 1999 is daartoe het project Kiezen op Afstand gestart. Het doel van dit project is de kiezer in staat te stellen op een willekeurige stemlocatie zijn stem uit brengen, zodat deze niet meer gebonden is aan één stemlokaal. Daarnaast wordt onderzocht of stemmen via een willekeurige (thuis)computer – het zogenaamde «Internetstemmen» – te realiseren is. Tijdens verkiezingen in 2003 zal een grootschalig experiment plaatsvinden. Ten behoeve van dit experiment wordt thans onderzoek verricht naar internationale ervaringen en ontwikkelingen ten aanzien van het «kiezen op afstand». Tevens zal, als locatieonafhankelijk stemmen daadwerkelijk gaat plaatsvinden, een vanuit elk stembureau te raadplegen kiezersregister moeten zijn ontwikkeld. Daarmee zal worden gegarandeerd dat een kiesgerechtigde niet meerdere keren zijn stem uitbrengt. Ook moet een voorziening worden getroffen om te verzekeren dat een uitgebrachte stem anoniem wordt geregistreerd. Voor het project «Kiezen op Afstand» is in 2001 f 8 mln gereserveerd en in de jaren 2002–2003 f 5 mln.

Identiteitsvaststelling

Voor het functioneren van de overheid is het van groot belang dat de identiteit van de burger eenduidig en zorgvuldig wordt vastgesteld, vastgelegd en verstrekt. Om dit te bereiken zijn reisdocumenten en de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) essentiële instrumenten. Beoogd wordt de Nieuwe Generatie Reisdocumenten (NGR) op 2 april 2001 te introduceren. Het eerste kwartaal van 2001 is van cruciaal belang voor het project NGR. In die periode vindt de uitrol van de nieuwe apparatuur naar de verstrekkende autoriteiten plaats, worden de ambtenaren die belast zijn met de aanvraag en verstrekking opgeleid en zullen het Nederlandse publiek en de controlerende instanties geïnformeerd worden over de nieuwe reisdocumenten. Voorts worden vanaf 2 april 2001 de oude blanco reisdocumenten en de bijbehorende apparatuur, die zich nog bij de gemeenten bevinden, ingenomen en vernietigd. In het kader van het onderzoek naar de toepassing van nieuwe technologieën zoals biometrie, chipcardtechnologie en Public Key Infrastructure worden verschillende pilots uitgevoerd. Het geschikt maken van de identiteitskaart voor elektronische dienstverlening op afstand is één van de belangrijke doelstellingen.

Het kabinet heeft besloten de rijksleges voor reisdocumenten op een kostendekkend niveau te brengen, op basis van een integrale kostprijsberekening. Per saldo leidt dit tot een lastenverlichting voor de burger. De kostendekkende bedragen voor rijksleges worden in 2001 ingevoerd, gelijktijdig met de invoering van de Nieuwe Generatie Reisdocumenten.

In 2001 zal het basisregister reisdocumenten worden geïmplementeerd. Met dit register zal de informatievoorziening over reisdocumenten die niet meer in omloop mogen zijn en over meervoudige vermissingen aanzienlijk worden verbeterd. Deze informatie zal beschikbaar worden gesteld aan organisaties die belast zijn met de vaststelling van de identiteit en/of de bestrijding van fraude met en misbruik van reisdocumenten.

Tenslotte zal in het najaar 2000 de adviescommissie Modernisering GBA adviseren over de vraag op welke wijze de GBA moet worden aangepast aan diverse relevante maatschappelijke, economische en technische ontwikkelingen.

Onder invloed van met name de sterke groei van informatieverbindingen tussen de vele (semi)overheidsorganisaties en de nog steeds toenemende behoefte aan authentieke (eenmalig vastgelegde, meervoudig te verstrekken) gegevens, is het belang van de GBA als authentieke bron van algemene persoonsgegevens voor de gehele overheid, in de loop der jaren sterk toegenomen.

Om die positie als basisregistratie van persoonsgegevens ook in de toekomst te kunnen continueren is het van belang dat de GBA anticipeert op de voortdurende ICT-ontwikkelingen waardoor in belangrijke mate kan blijven worden voldaan aan het door de gebruikers gewenste niveau van dienstverlening.

In dit kader stelt de adviescommissie Modernisering GBA uiteraard ook het onderwerp van identiteitsvaststelling aan de orde. Daarbij wordt onder meer de vraag gesteld of en zo ja, onder welke voorwaarden het biometrisch gegeven en/of de elektronische handtekening in aanmerking komen om in de gegevensset van de GBA te worden opgenomen. Naar aanleiding van de advisering door de adviescommissie dit najaar, zal in 2001 de uitvoering van de modernisering van de GBA nader ter hand worden genomen.

4. VEILIGHEID

Veiligheid is een basisvoorwaarde voor het functioneren van de samenleving en een belangrijke toetssteen voor de kwaliteit van het bestaan. Van de overheid wordt verwacht dat zij niet alleen preventief voorziet in een goed niveau van openbare orde en veiligheid, maar ook dat zij slagvaardig en doeltreffend optreedt bij acute dreigingen en rampen. De overheid zal haar gezag juist op het terrein van de openbare orde en veiligheid en de rechtshandhaving moeten behouden en verstevigen. De voortdurende toename en verharding van de criminaliteit alsmede de toegenomen aandacht voor de risico's die een complexe samenleving met zich meebrengt, leiden ertoe dat de veiligheidsrisico's scherper dan voorheen in kaart moeten worden gebracht. Daartoe zullen het komend jaar veiligheidsanalyses worden opgesteld. De gehele veiligheidsorganisatie zal dan ook moeten worden ingericht op het voorkomen van geweld, op pro-actie en preventie van grote ongevallen en op het – zoveel als mogelijk – wegnemen van de onveiligheidsbeleving van de burgers. Daartoe dient de overheid vooraleerst norm- en kaderstellend te handelen en zo nodig wet- en regelgeving aan te passen aan de omstandigheden van deze tijd. Daarnaast berust bij de overheden in het algemeen en bij het Rijk in het bijzonder de verantwoordelijkheid de infrastructuur van de onderscheiden veiligheidsorganisaties in Nederland kwalitatief hoogwaardig in te richten, opdat die organisaties binnen de gestelde wet- en regelgeving hun bevoegdheden kunnen waarmaken en daadwerkelijk hun publieke taak kunnen verrichten. De zorg van de minister van BZK ligt daarom bij het in stand houden van het normenkader en de infrastructuur voor de veiligheidsorganisaties in Nederland. Deze meer kwalitatieve ontwikkeling is reeds in gang gezet met het Beleidsplan Nederlandse Politie (1999–2002) en het Integraal Veiligheidsprogramma en de Beleidsnota Rampenbestrijding «De veiligheidsketen gesmeed».

4.1. Politie

In het Beleidsplan Nederlands Politie 1999–2002 zijn vijf landelijke beleidsthema's genoemd, die een aanvulling c.q. versterking vormen van de door de korpsen vastgestelde prioriteiten. Deze vijf beleidsthema's zijn jeugdcriminaliteit, geweld op straat, zware georganiseerde criminaliteit, verkeersveiligheid en milieu. Ook voor het komend begrotingsjaar is de regionale politiekorpsen gevraagd om afhankelijk van de eigen (regionale) situatie passende acties te ondernemen op de beleidsthema's en de consequenties daarvan inzichtelijk te maken. Op basis van voorgaande beleidsplannen is vastgesteld dat de korpsen een inspanning hebben verricht om de beleidsafspraken invulling te geven. Niettemin zullen het komend jaar verbeteringen gemaakt moeten worden en krijgen de vijf beleidsthema's nadere accenten.

Op het gebied van jeugdcriminaliteit zal meer aandacht worden gegeven aan de organisatorische waarborging en versterking van het jeugdspecialisme. Voor het thema geweld is aanvullende aandacht gevraagd voor concrete doelstellingen voor de samenwerking van politie met partners op lokaal niveau. In 2001 zal worden aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd die in het rapport illegaal wapenbezit zijn opgenomen. Ter versterking van de aanpak van wapengeweld zullen de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals gemeld in de brief van 5 juli 2000 aan de Tweede Kamer, een voorstel tot wijziging van de Wet wapens en munitie en de Gemeentewet voorbereiden. Dit wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid om in bepaalde door de gemeente aangewezen gebieden preventief – dat wil zeggen zonder concrete verdenking van een strafbaar feit – te kunnen fouilleren en vervoermiddelen te kunnen controleren op de aanwezigheid van wapens. Op het gebied van geweld in huiselijke kring wordt zal de deskundigheid worden versterkt en zullen de registraties worden verbeterd. Ten behoeve van de aanpak van zedengeweld zal extra aandacht uitgaan naar de aanbevelingen uit het rapport «De politiële zedenzorg in Nederland».

Ter verbetering van de gegevensuitwisseling op het gebied van zware georganiseerde misdaad zullen informatieplatforms, als onderdeel van de kernteams, worden opgericht, waarbij informatie van verschillende aard wordt gebundeld. Daarnaast zal zware, georganiseerde misdaad worden aangepakt op de daarvoor noodzakelijke schaal. Dit vereist een nauwe samenwerking tussen de kernteams onderling, tussen de kernteams en de verschillende politiekorpsen en tussen de kernteams en het buitenland.

Voor het beleidsthema verkeersveiligheid zal een extra investering nodig zijn vanwege de nadere aanscherping van de handhaving van snelheid, zulks mede in verband met de kabinetsdoelstelling de uitstoot van CO2 te verminderen. Op het gebied van milieu zullen omgevingsanalyses tot stand komen. De omgevingsanalyse is gebaseerd op gegevens uit politie-onderzoek, onder meer van de Landelijke Milieugroep van het Korps landelijke politiediensten, de milieukaart van het Openbaar Ministerie en de inventarisatie van risicobedrijven in de regio. Een concrete blauwdruk voor de omgevingsanalyse zal naar verwachting in het najaar van 2000 beschikbaar zijn voor de politieregio's.

Sterkteontwikkeling en arbeidsmarktknelpunten

In het met de regionale korpsbeheerders afgesloten Convenant Politie 1999, dat een looptijd heeft tot en met 1 juli 2005, zijn vervolgens nadere afspraken gemaakt over de sterkteontwikkeling, informatie- en communicatietechnologie, doelmatigheid, normvergoeding en bekostiging, de financiering van de politie-CAO en de werving, selectie en opleiding van het in het regeerakkoord voorziene extra politiepersoneel.

De regio's hebben zich verplicht per 1 juli 2002 een gezamenlijke sterkte van minimaal 43 622 fte (full-time-equivalenten) te bereiken, hetgeen een groei is met 3 400 fte's. De stand per ultimo 1999 bedroeg 41 370 fte. Daarmee is de beoogde groei over 1999 gerealiseerd. Het betekent wel dat de volgende jaren nog bijna 2 500 medewerkers, bovenop het natuurlijk verloop, moeten worden aangesteld om de doelstelling uit het regeerakkoord te realiseren. De realisatie van de sterktegroei vraagt een grote inspanning van alle betrokken partijen, vooral ook omdat de politie de komende jaren wederom zal worden geconfronteerd met knelpunten in de personeelsvoorziening. Naast de uitbreidingsvraag is er namelijk ook sprake van een toenemende vervangingsvraag. Het politiepersoneel, dat in de jaren zestig is aangetrokken, begint nu de dienst te verlaten. Om te kunnen voorzien in de personeelsbehoefte zijn de nodige maatregelen in gang gezet. Er is een Banenlijn Politie opgericht: een centraal punt waar belangstellenden voor een baan bij politie informatie kunnen aanvragen en van waaruit bemiddeling naar een executieve baan bij de politie plaatsvindt. Tevens is een landelijke wervings- en imagocampagne voor de politie van start gegaan die zich primair zal richten op jongeren, etnische minderheden, vrouwen, herintreders en de zgn. horizontale instromers (personen die reeds elders een baan hebben). Voor deze groepen worden ook speciale, flexibele en meer op reeds verworven kwalificaties toegespitste opleidingsvoorzieningen getroffen. Ter bestrijding van de arbeidsmarktknelpunten voor de politie wordt in 2001 f 12,5 mln extra vrijgemaakt doorlopend naar f 20 mln in 2003 en verdere jaren.

Daarnaast wordt in het Convenant invulling gegeven aan de doelmatigheidseis van het regeerakkoord om 2000 arbeidsjaren beschikbaar te laten komen voor het (in)directe executieve politiewerk. Daarvoor is onder meer het «Afstemmingsoverleg doelmatigheid» opgericht, waarin zowel het ministerie van BZK als de politieregio's zijn vertegenwoordigd. Er is een meetinstrument ontwikkeld, waarmee de korpsen binnen hun beleids- en beheerscyclus de ontwikkelingen met betrekking tot doelmatigheid in beeld kunnen brengen. In het najaar van 2000 worden de uitkomsten van het doelmatigheidsonderzoek aan de Tweede Kamer aangeboden.

De werving, selectie en met name de opleiding van politie moet gemoderniseerd worden. De ministers van BZK en van Justitie hebben daartoe het project Politieonderwijs 2002 gestart. Daarmee moet de flexibiliteit van de politieorganisatie worden vergroot, de mobiliteit van personeel worden bevorderd en de gesloten cultuur van de politieorganisatie worden veranderd. Door de vernieuwing van het politieonderwijs zal wederzijdse in- door- en uitstroom met het reguliere onderwijs mogelijk worden. Op die wijze zullen er volwaardige beroepsopleidingen ontstaan. Het onderwijs wordt uitgevoerd onder regie van het LSOP in samenwerking met de regionale korpsen en het regulier onderwijs, onder de eindverantwoordelijkheid van de ministers van BZK en van Justitie.

Voorts zijn naast het verhogen van de inspanningen op het gebied van werving, selectie en opleiding ook extra maatregelen nodig om het reeds zittende personeel te behouden en de arbeidsproductiviteit daarvan te verhogen. Ten dele zullen dit maatregelen zijn in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zoals het verbeteren van de combinatie van arbeid en zorg. Tevens zullen er maatregelen worden getroffen om het ziekteverzuim (in 1998 ruim 8%) terug te dringen en de uitstroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen te verminderen. Daarvoor is in 2000 f 5 mln en in 2001 f 9 mln extra beschikbaar.

Bekostiging

De Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg (STIMP) heeft, overeenkomstig hetgeen in het Convenant was afgesproken, inmiddels voorstellen gedaan voor de herijking van het budgetverdeelsysteem, dat aan de bekostiging van de regionale politiekorpsen ten grondslag ligt en geadviseerd over de wijze waarop de korpsen in een meer gelijkwaardige financiële positie kunnen worden gebracht. In de brief van 3 juli 2000 aan de Tweede Kamer is reeds aangegeven dat de adviezen van de STIMP grotendeels zijn gevolgd. Het voornemen is om de korpsen, die over een relatief te laag eigen vermogen beschikken, via een onderlinge verevening van alle korpsen en door middel van eenéénmalige Rijksdotatie van f 27,8 mln in het jaar 2000, weer op een gelijkwaardig niveau te brengen. De korpsen die over een relatief te hoog eigen vermogen beschikken, dienen een plan in waarin zij aangeven op welke wijze deze middelen in drie jaar omgezet kunnen worden in (directe) politiezorg in de eigen politieregio. Zodoende zullen de korpsen in twee à drie jaar in een meer gelijkwaardige positie gebracht zijn.

Ten aanzien van de bekostiging wordt – in lijn met het Beleidsplan Nederlandse Politie 1999–2002 – voorgesteld het stelsel te laten bestaan uit vier componenten:

1. Basisbekostiging

Dit betreft het geactualiseerde budgetverdeelsysteem. Door enkele aanpassingen wordt ook meer rekening gehouden met de plattelandsproblematiek, snel in inwonertal groeiende regio's en met de specifieke problematiek van de grote steden. Voor de (twee) «daalkorpsen» zal een op maat gesneden plan worden gemaakt.

2. Regiospecifieke toedeling

De regiospecifieke toedelingen (m.n. voor de haven Rotterdam en 's-Gravenhage) blijven bestaan, evenals de toedelingen voor toezicht water/landsgrenzen en geografische structuur. Ten aanzien van de budgetten in verband met de asielgerelateerde politiebemoeienis is de minister van BZK voornemens per 1 januari 2001 over te gaan tot een aangepaste bepaling van de hoogte van de betreffende budgetten.

3. Bovenregionale toedeling

De met de bovenregionale toedeling gepaard gaande bekostiging zal meer transparant worden gemaakt. Dit gebeurt door de budgetten, die hiermee gemoeid zijn, toe te voegen aan het budget voor basisbekostiging, waarna een proportionele korting op de aldus berekende budgetten plaatsvindt, welke vrijval wordt aangewend voor de bovenregionale toedeling.

4. Prestatiebekostiging

In 2001 zal – na validatie van het nader te ontwikkelen systeem – een deel van de bekostiging worden gerelateerd aan de prestaties van de korpsen. De toekenning van extra budget zal gekoppeld worden aan onderling vergelijkbare output- en outcome-gegevens, ontleend aan het Informatiemodel Nederlandse Politie (INP).

Politiebestel

In het Beleidsplan Nederlandse politie 1999–2002 is – in lijn met het regeerakkoordaangekondigd dat de Politiewet 1993 zal worden aangepast om aan het licht getreden gebreken te herstellen en meer duidelijkheid te scheppen over verantwoordelijkheden en bevoegdheden op regionaal en landelijk niveau. Het streven is erop gericht de benodigde wijzigingen van de Politiewet 1993 dit begrotingsjaar af te ronden. Op rijksniveau wordt de verantwoordelijkheid voor het beheer van de politie geconcentreerd bij de minister van BZK. De minister van Justitie is en blijft verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Een wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de concentratie van beheersbevoegdheden op rijksniveau met betrekking tot de regionale politiekorpsen bij de minister van BZK is inmiddels in behandeling bij de Eerste Kamer en zal naar verwachting nog in 2000 tot wet zijn verheven. Met het wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, dat naar verwachting in het najaar van 2000 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, beoogt het kabinet een meer transparante verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau en in de verhouding tussen het Rijk en de politieregio's te bewerkstelligen. Dit wetsvoorstel is opgesteld op basis van de notitie «Bestel in balans; hoofdlijnennotitie over de toekomst van het regionale politiebestel» en de uitkomsten van het overleg daarover met de Tweede Kamer. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om – in het verlengde van de verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau en het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de begin 2000 afgeronde zelfevaluatie van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten – enkele wijzigingen voor te stellen met betrekking tot de beleids- en beheersstukken voor het Korps landelijke politiediensten.

Aan beide wetsvoorstellen ligt een eenduidige visie op de verantwoordelijkheidsverdeling terzake van politie langs de lijnen van gezag over de politie en beheer van het politiekorps ten grondslag. Het onderscheid tussen gezagsmatige en beheersmatige verantwoordelijkheden wordt geaccentueerd, waarbij het (duale) gezag over de politie nadrukkelijk voorop staat en op basis waarvan de verhouding tussen gezag en beheer nader wordt vormgegeven. Daarmee sluiten beide wetsvoorstellen bovendien aan op de per 1 januari 2000 in werking getreden wet tot wijziging van de Politiewet 1993 en de Wet politieregisters in verband met de overdracht van het beheer van het Korps landelijke politiediensten naar de minister van BZK.

Internationale en Europese aangelegenheden

Voor veel veiligheidsvraagstukken zijn de landsgrenzen steeds minder van belang, waardoor internationale samenwerking hard nodig is. Dit geldt onder meer voor de aanpak van internationale criminaliteit en voor vraagstukken van openbare orde met een internationale component, zoals voetbaltoernooien en internationale demonstraties. Ook is er behoefte vanuit diverse landen aan inbreng van Nederlandse expertise bij de ontwikkeling van de eigen politieorganisatie.

In nauwe samenwerking met de minister van Justitie en de politiekorpsen zal de minister van BZK streven meer structuur en eenheid te brengen in de internationale politiesamenwerking, zowel met betrekking tot de beleidsontwikkeling als de beleidsuitvoering. Daartoe zijn, vooralsnog voor vier jaar, de Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking (STIPS) en het Nederlands Centrum voor Internationale Politiesamenwerking (NCIPS) ingesteld. In de STIPS worden de hoofdlijnen van beleid besproken en het werkprogramma van het NCIPS vastgesteld. Hierin participeren de ministeries van BZK en van Justitie en vertegenwoordigers van de politiekorpsen, de korpsbeheerders en het Openbaar Ministerie. Het NCIPS is een projectorganisatie van het politieveld en de ministeries die onder regie van de STIPS internationale samenwerkingsprojecten uitvoert en adviezen voorbereidt over het door de ministers te voeren internationaal politiebeleid.

Een belangrijk onderdeel van de internationale politiesamenwerking zal de komende jaren tevens bestaan aan de bijdrage van Nederlandse politie aan civiele politiemissies in het buitenland. In een nota die op korte termijn aan de Tweede Kamer zal worden gezonden zullen de ministers van Buitenlandse Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Justitie en van Defensie hun gezamenlijke beleid hiervoor presenteren. Deze nota is mede bedoeld om aan te geven op welke wijze Nederland wenst bij te dragen aan de ambities van de Europese Unie op dit onderwerp zoals die zijn vastgelegd in de conclusies van de Europese Raad van Helsinki van 10–11 december 1999 en van Santa Maria da Feira van 19–20 juni 2000.

4.2. Integraal Veiligheidsprogramma (IVP)

Het Integraal Veiligheidsprogramma (IVP) vormt het kader waarbinnen afspraken worden gemaakt tussen publieke partijen onderling en met private partijen om de veiligheid in Nederland structureel te verbeteren. Het IVP richt zich met name op het voorkomen van onveiligheid in de publieke ruimte en geeft aan wat het Rijk, mede-overheden, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven vooral in onderlinge samenwerking kunnen bijdragen aan het vergroten van de veiligheid. De kerngedachte achter het IVP is – overeenkomstig de visie die in de inleiding bij deze begroting is verwoord – dat het voorkomen en bestrijden van onveiligheid of – misschien wel even belangrijk – onveiligheidsbeleving niet alleen een opgave voor het Rijk is, maar evenzeer voor de andere overheden, maatschappelijke organisaties zoals de koepel van woningcorporaties Aedes en de ANWB, het bedrijfsleven (bijvoorbeeld verzekeraars, midden- en kleinbedrijf en horeca) en burgers. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de regievoering die moet leiden tot samenwerking tussen private en publieke partners ter verbetering van de lokale veiligheid. Deze samenwerking is een noodzakelijke voorwaarde voor een effectieve aanpak van veiligheidsvraagstukken. In het IVP zijn voor de thema's jongeren en veiligheid, overlast in het publieke domein, geweld en horeca, veilige leefomgeving, overvallen en straatroof, voertuigcriminaliteit en verkeersveiligheid 92 actiepunten opgenomen die in de huidige kabinetsperiode, in samenwerking met voornoemde partners, moeten worden uitgevoerd. Bij die uitvoering zullen zo concreet mogelijke resultaten moeten worden geboekt en niet-vrijblijvende afspraken worden gemaakt. Een goed voorbeeld van publiek-private samenwerking is de gezamenlijke samenwerking tussen verschillende partijen bij de aanpak van fietsdiefstal. Samen met partijen zoals de Fietsersbond, de ANWB, branche-organisaties, verzekeraars, politie, en het Openbaar Ministerie wordt thans een projectplan opgesteld ten behoeve van een effectieve aanpak van fietsdiefstal. Een tweede voorbeeld van publiek-private samenwerking behelst de bijdragen van andere partijen dan het Rijk aan de opvang van dak- en thuislozen, waaronder verslaafden en verloederden met psychische stoornissen. Voor deze categorie is thans een zgn. 24-uursstructuur ontworpen. Gelijktijdig met deze begroting wordt, overeenkomstig de toezegging bij de aanbieding van het IVP aan de Tweede Kamer op 8 juni 1999, de voortgangsrapportage IVP aan de Staten-Generaal aangeboden.

Uit de Integrale Veiligheidsrapportage 2000 en het Jaarboek Grotestedenbeleid 1999 blijkt dat vooral de kwaliteit van de leefomgeving en die van de sociale cohesie in de wijk of buurt van grote invloed zijn op de veiligheidsbeleving van mensen. Het is dus van essentieel belang dat het integrale veiligheidsbeleid zich richt op het niveau van wijken en buurten. Om naast de GSB-gemeenten ook in de andere gemeenten het beleid gericht op jeugd en veiligheid een impuls te geven stelt het kabinet in het kader van het IVP voor zowel 2000 als 2001 f 15 mln beschikbaar. Het gaat om alle gemeenten met meer dan 100 000 inwoners, exclusief de G25 maar inclusief de vijf GSB-partiële steden, alsmede de gemeenten met meer dan 50 000 inwoners, waarvan de bevolking 7% of meer uit allochtonen bestaat. Daarbij wordt aangesloten bij het beleid dat in de grotere gemeenten wordt gevoerd, gericht op het vergroten van de veiligheid voor met name jongeren, met extra aandacht voor jongeren uit etnische minderheden. De extra middelen zullen worden aangewend voor het voorkomen van kleine veelvoorkomende criminaliteit en het zichtbaar tegengaan van het redeloos geweld in de samenleving.

Daarnaast zal in het kader van de versterking van de handhaving van het drugsbeleid een extra intensivering van f 15 mln structureel voor de politie worden gerealiseerd, waarbij de nadruk zal worden gelegd op het handhaven van de zgn. AHOJG-criteria (geen verkoop van alcohol en harddrugs in de coffeeshops, geen affichering, geen verkoop aan jongeren onder de achttien jaar, het niet veroorzaken van overlast), het tegengaan van straathandel en het bestrijden van grootschalige kweek van softdrugs.

4.3. ICT

Op 22 november 1999 hebben de ministers van BZK en van Justitie en de voorzitters van het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van Hoofdcommissarissen en het beraad van Hoofdofficieren van Justitie de Regieraad ICT Politie ingesteld. De Regieraad heeft in het voorjaar van 2000 onder de titel «Voorontwerp virtueel 27e korps» een discussie geëntameerd over de informatievoorziening binnen de politie-organisatie op concernniveau, tussen de regiokorpsen onderling en de tussen de korpsen en het KLPD. Daarmee wordt inhoud gegeven aan de afspraak in het Convenant Politie 1999 dat politieregio's en ministeries gezamenlijk een inhaalslag zullen maken op het terrein van de politiële informatievoorziening. De Regieraad heeft een Masterplan opgesteld waarin voorstellen uit het Beleidsplan Nederlandse Politie voor de periode tot 2005 zijn uitgewerkt. In dit Masterplan is aangegeven welke instrumenten in de gemeenschappelijke politiële informatievoorziening zullen worden ontwikkeld en beheerd: standaarden, infrastructurele voorzieningen en een aantal essentiële applicaties. Het is van groot belang dat ten behoeve van opsporingsactiviteiten van politie, justitie en ten behoeve van taakuitvoering van de Binnenlandse Veiligheidsdienst de rechtmatige toegang wordt verzekerd tot relevante datacommunicatie.

In het kader van het Jaarplan 2000 van de Regieraad ICT Politie zijn mede daarom de eerste innoverende maatregelen opgenomen. Er wordt hard gewerkt aan de invoering van het vernieuwde PolitieNet en het Politie Intranet (PIN) en, in samenwerking en afstemming met de Binnenlandse Veiligheidsdienst, aan de ontwikkeling van een nieuwe generatie aftapfaciliteiten.

Ook de kwaliteit van de andere veiligheidsorganisaties en hulpverleningsdiensten wordt door de verworvenheden van de ICT verbeterd. In deze kabinetsperiode is een groot aantal innoverende projecten gestart, die vermoedelijk pas na 2002 tot volle wasdom zullen komen. De twee grootste projecten zijn C2000 en GMS. Met C2000 zullen de huidige technisch gedateerde en economisch afgeschreven radionetten worden vervangen door één digitaal netwerk voor gezamenlijk gebruik door zowel de politie, de brandweer, de geneeskundige hulpverleningdiensten als de Koninklijke marechaussee. De regio Amsterdam is proefregio voor het project C2000. Thans wordt in de proefregio gewerkt aan de bouw van het radionetwerk, het inrichten van een beheerorganisatie en de verwerving van meldkamersystemen, portofoons en mobilofoons. Zoals in de voortgangsrapportage C2000 die op 31 mei 2000 aan de Tweede Kamer is gezonden blijkt, kan op basis van een gespecificeerder, maar minder operationeel testtraject het definitieve besluit in augustus 2001 worden genomen over de landelijke uitrol van het nieuwe netwerk. Essentieel daarbij is dat ook in deze nieuwe opzet geen enkel risico wordt genomen bij het operationele werk van politie-agenten, brandweerlieden en ambulancepersoneel.

Een tweede project is het Geïntegreerd Meldkamer Systeem (GMS), waarmee de operationele samenwerking in de meldkameromgeving van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening optimaal wordt ondersteund. In het vervolg op het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen zal worden voortgegaan met de verbetering van de toerusting van de rampenbestrijdingsorganisatie in het algemeen en de brandweer in het bijzonder. Tenslotte draagt ITO (IT-organisatie) als agentschap van BZK zorg voor het instandhouden en verbeteren van de ICT-infrastructuur voor de gehele sector openbare orde en veiligheid (politie, brandweer, marechaussee en rampenbestrijdingsorganisaties), de strafrechtelijke keten en andere opsporings- en hulpverleningsorganisaties.

4.4. Brandweer en Rampenbestrijding

In de Beleidsnota Rampenbestrijding 2000–2004, «de Veiligheidsketen gesmeed» is gekozen voor een integrale en kwalitatieve benadering van de rampenbestrijdingsorganisatie. Enerzijds is het beleid erop gericht de versterking van de brandweer en geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR) afzonderlijk, op alle onderdelen van de veiligheidsketen, te realiseren. Anderzijds hechten wij zeer aan het bevorderen van de samenhang en samenwerking tussen de verschillende betrokken disciplines en het verstevigen van de bestuurlijke aansturing van de rampenbestrijding. Het voorkomen van rampen en acute dreigingen, alsmede de hulpverlening bij rampen zoals de vuurwerkramp in Enschede, kan alleen adequaat, doeltreffend en vakkundig geschieden als iedere betrokkene weet wat van hem op bestuurlijk en operationeel niveau wordt verwacht. Met het oog op de voortgaande professionalisering van de rampenbestrijding staat de komende jaren de samenwerking op zowel bestuurlijk als operationeel niveau centraal.

Voor de brandweerzorg en de rampenbestrijding geldt dat er nog steeds grote winst is te halen aan de voorkant van de veiligheidsketen, de schakels pro-actie en preventie. Indien in een vroege fase van de besluitvorming over (potentieel) risicovolle zaken aandacht wordt gegeven aan alle veiligheidsaspecten, kunnen effectieve maatregelen worden genomen. Het beleid ter bevordering van veiligheid door middel van pro-actief en preventief handelen is relevant bij maatschappelijke discussies over planvorming op het gebied van nieuwe infrastructuur en het ruimtelijk-ordeningsbeleid. Hierbij zijn vele actoren betrokken, zoals de rijksoverheid, lokale overheid, hulpverleningsorganisaties en partijen uit de marktsector. Ook de vuurwerkramp is aanleiding om in het bijzonder aandacht te besteden aan pro-actie en preventie. De minister en de staatssecretaris van BZK hebben in hun brief van 21 juni 2000 aangegeven dat onderzoeken naar calamiteiten en ernstige ongevallen geheel onafhankelijk van belangen dient plaats te vinden. Het kabinet heeft voorgesteld om een Commissie Rampen en Calamiteiten in te stellen, die ongevallen die buiten de defensie- en transportsector vallen zal gaan onderzoeken, maar die ook als taak krijgt onderzoek te doen naar de gevolgen van een ramp, zoals het verloop van de rampenbestrijding, gevolgen voor de volksgezondheid en de nazorg. Het kabinet heeft voor de werkzaamheden van die commissie in 2001 f 2 mln en vanaf 2002 structureel f 5 mln beschikbaar gesteld.

De ervaringen uit de projecten die de versterking van de brandweer (PVB) en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (PGHOR) tot doel hadden en de recente ongevalpraktijk bevestigen lacunes in de organisatorische structuur ten aanzien van het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen en rampen. Deze signalen geven aan dat er onvoldoende zekerheid is dat juist de inbreng op het gebied van de pro-actie en preventie op korte termijn op gemeentelijk en regionaal niveau daadkrachtig en effectief wordt opgepakt. In veel gemeenten is de (veelal vrijwillige) brandweer nog steeds sterk op repressie gericht of komt zij niet toe aan de noodzakelijke regie ten aanzien van de totale veiligheidsketen (pro-actie, preventie, preparatie, repressie en nazorg).

Uiterlijk in 2003 dient in elke regio het beheersplan rampenbestrijding te zijn vastgesteld. De regelgeving waarin dit als wettelijke taak wordt vastgelegd, wordt eveneens medio 2001 in procedure gebracht. Het beheersplan is erop gericht de organisatie van de rampenbestrijding in regionaal verband, zowel bestuurlijk, organisatorisch als operationeel in samenhang te laten functioneren. Met elke regio zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop deze beheersplannen stapsgewijs worden gerealiseerd. Na een inventarisatie en analyse van de in de regio aanwezige risico's zal een veiligheidsniveau door het bestuur van de regionale brandweer, in overeenstemming met de besturen van de organisatie GHOR en politie worden vastgesteld. Dit veiligheidsniveau dient vervolgens vertaald te worden in operationele prestaties, pro-actie en preventiebeleid en nazorg. De extra middelen die de komende jaren gefaseerd beschikbaar komen zullen worden ingezet om deze versterking daadwerkelijk te realiseren. Een belangrijk beleidsondersteund instrument bij preventie en pro-actie is de zgn. Veiligheidseffectrapportage. Tevens wordt gewerkt aan het formuleren van een maatschappelijk aanvaardbaar niveau van veiligheid bij infrastructurele werken, waaronder niet in de laatste plaats de tunnels.

Het regionale oefenbeleid vormt een belangrijk onderdeel van het evengenoemde beheersplan. Bij elke ramp is duidelijk hoe belangrijk het is een professionele, goed voorbereide en gecoördineerde rampenbestrijdingsorganisatie te hebben. Regelmatig oefenen, zowel op operationeel als bestuurlijk niveau, is derhalve een vereiste. De algemene maatregel van bestuur waarbij een oefenverplichting voor luchtvaartterreinen wordt voorgeschreven zal naar verwachting op 1 januari 2001 in werking kunnen treden. Andere, reeds in gang gezette maatregelen zijn het ontwikkelen van kwaliteitscriteria voor oefenen, het bevorderen van deskundigheid bij multidisciplinair oefenen en het ontwikkelen van een specifiek op rampenbestrijding gerichte oefenbank. Thans wordt onderzocht op welke wijze nieuwe technologieën kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de opleiding en het oefenen. In 2000 is tevens begonnen met een onderzoek naar de wijze waarop gemeentelijke actiecentra oefenen en zich voorbereiden op incidenten.

Mede ter bevordering van de interdisciplinaire samenwerking streeft het kabinet naar territoriale congruentie van de brandweer- en GHOR regio's op de schaal van de politieregio's. De commissarissen van de Koningin zullen in overleg met de gemeenteen regiobesturen voorstellen doen voor de wijze waarop territoriale congruentie kan worden bereikt. De uitkomsten van dit overleg worden vastgelegd in een intentieverklaring, opgesteld door de toekomstige regionale besturen zoals die vanaf 2003 zullen zijn samengesteld. Medio 2001 wordt de regelgeving, waarin de indeling wordt vastgelegd, in procedure gebracht.

Om ook in de toekomst over voldoende gemotiveerde en gekwalificeerde vrijwilligers te kunnen beschikken dienen de werving en selectie van nieuw en de opleiding van zittend personeel te worden geprofessionaliseerd. Daarnaast zal bij de werving en selectie van personeel van hulpverleningsdiensten de aandacht in het bijzonder gericht worden op vrouwen en allochtonen. De opleidingen voor de brandweer zullen meer functiegericht worden. Deze aspecten zijn onderdeel van het project «Kwaliteitszorg brandweerpersoneel» dat in september 2000 van start is gegaan.

Om het versterkingsproces van de rampenbestrijding in de regio's te realiseren zijn in 2000 reeds extra gelden beschikbaar gesteld, oplopend tot f 85 mln in 2003. De middelen worden in 2001 en 2002 verdeeld over de brandweer- en geneeskundige regio's volgens een interim-Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen (I-Bdur). Bij de verdeling van de middelen wordt uitgegaan van een vast bedrag per regio, aangevuld met een bedrag gebaseerd op regiospecifieke kenmerken. Medio 2001 vindt een evaluatie plaats waarbij wordt beoordeeld of de extra middelen van het Rijk – naast de bijdragen van gemeenten – voldoende zijn om de knelpunten in de rampenbestrijding op te heffen en of de verdeling van de middelen over de regio's in verhouding staat tot de aanwezige risico's. Vanaf 2003 zal de definitieve verdeelsystematiek (vernieuwde BDUR) in werking treden.

Voor het opleiden en oefenen, territoriale congruentie, internationale bijstand, grensoverschrijdende samenwerking en pro-actie en preventiebeleid worden in deze begroting extra middelen beschikbaar gesteld, namelijk f 10 mln in 2000 en 2001 en f 5 mln in latere jaren.

4.5. Binnenlandse Veiligheidsdienst

Het mede bevorderen van de veiligheid van de Nederlandse samenleving is een kerntaak van de overheid en een van de prioriteiten van het regeringsbeleid. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) levert hieraan, op basis van wettelijk toegekende bevoegdheden, een essentiële bijdrage door het tijdig onderkennen van potentiële dreigingen van onze nationale veiligheid zodat daartoe bevoegde instanties de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Daartoe verricht de BVD onderzoek naar personen, organisaties en ontwikkelingen in binnen- en buitenland, die een (potentiële) bedreiging kunnen vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, voor de staatsveiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.

Veel aandacht is gericht op het in kaart brengen van krachten die het integratieproces van minderheden in de Nederlandse samenleving kunnen belemmeren. Nieuwe vluchtelingenstromen, import van conflicten, illegale migratie en vervlechting van politiek en criminaliteit dragen het risico van polarisatie tussen en binnen bevolkingsgroepen met zich mee.

Bij het optreden van Nederland als gastland voor internationale organisaties en als mediator bij internationale conflicten, draagt de BVD bij aan een ongestoord functioneren daarvan. De BVD is alert op de (daarmee samenhangende) toegenomen activiteiten van buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland, voorkomt al dan niet gewelddadige acties tegen internationale organisaties en buitenlandse vertegenwoordigingen en ziet toe dat er geen ongewenste buitenlandse bemoeienis plaatsvindt. Bijzondere aandacht vergen het Joegoslavië-tribunaal (ICTY) in 's-Gravenhage en het Lockerbie-proces in Kamp Zeist.

Voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van de ICT vormen vanuit veiligheidsoptiek een punt van zorg. De aanhoudende groei van Internet, het gebruik van cryptografie, een stijgend aanbod van telecommunicatiediensten en toenemende informatieverwerkingssnelheden stellen de BVD bij de informatievergaring voor een bijzondere opgave.

Door het verrichten van beveiligingsbevorderende activiteiten en veiligheidsonderzoeken bij de overheid en in vitale sectoren van het bedrijfsleven levert de BVD een bijdrage aan de bescherming van staatsgeheimen en die onderdelen van overheid en bedrijfsleven die van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven. Ook vanuit deze optiek verlangt de voortschrijdende digitalisering van de samenleving inspanningen van de BVD. Veel aandacht wordt gegeven aan de beveiligingsbevordering met betrekking tot de geautomatiseerde opslag en overdracht van gegevens die betrekking hebben op staatsgeheimen of op andere gewichtige belangen van de staat.

Bij de uitvoering van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) worden personen die functies (gaan) vervullen die zijn aangewezen als vertrouwensfuncties, onderworpen aan een veiligheidsonderzoek. Inmiddels is besloten om bij de politie meer vertrouwensfuncties aan te wijzen, hetgeen leidt tot meer veiligheidsonderzoeken en beveiligingsbevorderende activiteiten voor de BVD.

In het parlement is het voorstel voor de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) aanhangig. Bij de Europese Commissie loopt de notificatieprocedure voor de nieuwe wet. In het kader van de nieuwe wet bereidt de BVD zich voor op de daarin opgenomen nieuwe inlichtingentaak buitenland. Daarbij gaat het om het verrichten van onderzoek naar andere landen in het belang van de nationale veiligheid voor zover het onderwerpen betreft met een overwegend niet-militaire relevantie. Daarnaast worden met het oog op de nieuwe wet voorbereidingen getroffen voor de notificatieplicht. Met het oog op deze additionele taken voor de BVD wordt vanaf 2001 structureel f 3 mln extra vrijgemaakt.

5. PERSONEEL

De overheid kan haar taken alleen dan goed vervullen als zij genoeg vakbekwame mensen weet aan te trekken. In een arbeidsmarkt die aanmerkelijk krapper is dan een paar jaar geleden, vergt het een extra inspanning van de overheidswerkgevers om voldoende en goed gekwalificeerde werknemers aan te trekken. Vrijwel alle overheidswerkgevers ondervinden én onderkennen de problematiek van de krapte van de arbeidsmarkt. Belangrijk voor de wervingskracht van de overheid is dat zij – ook naar schoolverlaters en afgestudeerden van de HBO of de universiteit – weet duidelijk te maken hoezeer een goed functioneren van de publieke dienst van belang is. Daarbij moet voor de overheid als geheel het beeld geschetst worden van een professionele organisatie, waarin klantbewustzijn, doelmatigheid en doeltreffendheid, een goede interne samenwerking, een actueel kennisniveau alsmede het hanteren van hoge normen ten aanzien van integriteit en zorgvuldigheid belangrijke doelstellingen zijn.

Met het oog op de professionalisering van het ambtelijk apparaat bij de rijksdienst is in de vorig jaar gelijktijdig met de begroting aan de Staten-Generaal gezonden nota «Management en Personeelsontwikkeling Rijksdienst» een groot aantal te onderscheiden beleidsvoornemens ontwikkeld, die hieronder kort worden getypeerd en later in dit hoofdstuk worden uitgewerkt. Met betrekking tot de arbeidsmarktcommunicatie is inmiddels interdepartementaal een strategie vastgesteld en worden per jaar concrete activiteiten uitgevoerd. Over een rijksdienstbrede invoering van individuele keuzemogelijkheden in de arbeidsvoorwaarden worden afspraken gemaakt met de centrales van overheidspersoneel. De personele functie wordt versterkt door middel van interdepartementale kwaliteitsprojecten ten behoeve van het management in de rijksdienst. De mobiliteit in de rijksdienst zal door de in het kader van het Rijksoverheidsintranet uit te breiden mobiliteitsbank worden bevorderd. Tevens is dit onderwerp van overleg geweest met de centrales van overheidspersoneel, waarbij ook een mobiliteitstoelage onderdeel uitmaakt van de afgesloten CAO voor de rijksambtenaren. Voorts wordt een rijksdienstbreed project onder het motto «investeren in leren» voorbereid, waarbij het ontwikkelen van een aantal rijksbrede opleidingsmodules voor verschillende functiegroepen een belangrijk onderdeel vormt. Tenslotte wordt op korte termijn aangevangen met het ontwikkelen van een aantal meer generieke rijksbrede opleidingsmodules.

5.1. Arbeidsmarktknelpunten bij de overheid

De arbeidsmarktproblematiek voor de overheidswerkgevers zal de komende tijd verder toenemen. In de «Arbeidsmarktrapportage overheid 2000», die op 5 april 2000 door de minister van BZK naar de Tweede Kamer is gezonden, en de «Trendnota Arbeidszaken Overheid 2001» die als bijlage bij deze begroting is gevoegd, wordt hierop nader ingegaan. Naast de uitbreidingsvraag wordt voor de overheid een sterk oplopende vervangingsvraag verwacht die samenhangt met het feit dat er relatief veel ouderen bij de overheid werken die de komende jaren zullen uitstromen. De oplopende vraag naar arbeid bij de overheid doet zich voor in een periode waarin de marktsector ook veel behoefte heeft aan personeel en er zich als gevolg van de demografische ontwikkelingen op dit moment minder jongeren aandienen op de arbeidsmarkt.

Enerzijds vanwege de noodzaak om de kwaliteit van de dienstverlening aan de burger te handhaven en waar mogelijk te versterken en anderzijds omdat een goede kwaliteit van de collectieve sector van belang is voor een duurzame gezonde economische ontwikkeling, vraagt het waarborgen van de kwaliteit van de collectieve sector bijzondere aandacht. Naast een aantal maatregelen op de korte termijn, gericht op het versterken van de arbeidsmarktpositie in diverse sectoren van de overheid, zal ook voor de langere termijn beleid ontwikkeld moeten worden. Daarbij moet de aandacht niet alleen worden gericht op arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, maar ook op kennisbundeling, aanpassing van organisatie en werkwijze en veranderende bedrijfsprocessen door toepassing van de ICT. Het kabinet heeft een interdepartementale werkgroep opdracht gegeven daartoe nadere analyses te verrichten en beleidsvoorstellen te ontwikkelen ter besluitvorming volgend voorjaar.

Bij het te lijf gaan van de problemen bij de personeelsvoorziening wordt een aantal strategieën gevolgd. Allereerst wordt gepoogd om onderbenut arbeidspotentieel te mobiliseren en de arbeidsparticipatie te verhogen. Naast het reservoir herintreders, waarbij in het onderwijs op succesvolle wijze een paar duizend ex-docenten gerecruteerd zijn, biedt de werving onder werklozen en partieel arbeidsgehandicapten mogelijkheden om het nakende personeelstekort terug te dringen. Voorts zijn etnische minderheden een belangrijke doelgroep. De instroom van etnische minderheden bij de overheid is – volgens cijfers uit 1998 – relatief hoger dan die van autochtonen. Arbeidsduurverlenging en het prikkelen van ouderen om langer te blijven werken kunnen ook bijdragen aan de oplossing van knelpunten. In dit verband is ook van belang dat de instroom van schoolverlaters bij de overheid relatief gering is. Daarom is het essentieel dat instrumenten worden ontwikkeld om schoolverlaters te interesseren voor een baan bij de overheid. Het trainee-project bij de sector Rijk is daarvan een succesvol voorbeeld.

Het kabinet heeft in de diverse begrotingen voor 2001 voor een aantal speerpunten additionele middelen gereserveerd, waardoor overheidswerkgevers beter in staat zullen zijn de arbeidsmarktknelpunten aan te pakken. Het waarborgen van de personeelsvoorziening bij de overheid is noodzakelijk teneinde de publieke voorzieningen te realiseren en in stand te houden en de diensten te leveren waar burgers en bedrijfsleven afhankelijk van zijn. Daarbij is een aantal overwegingen van belang. De overheid heeft bij veel publieke voorzieningen en diensten een monopoliepositie. Burgers, bedrijven en andere partijen hebben geen reële optie om elders in hun behoeften voorzien te worden. Het tweede element is de leveringsplicht van de overheid, die ook steeds vaker juridisch afgedwongen wordt. Daarnaast dient gewezen te worden op de grote maatschappelijke en economische impact van veel publieke voorzieningen en diensten. Leerlingen die wegens een lerarentekort naar huis gezonden worden, lange wachtlijsten in de zorgsector en vertraging in de uitvoering van projecten en werkzaamheden spreken in dit kader voor zich. Juist deze elementen plaatsen de arbeidsmarktknelpunten bij de overheid in een ander daglicht dan die van de marktsector.

Versterking arbeidsmarktpositie Rijksdienst

Op de krappe arbeidsmarkt lijkt de sector Rijk een grote werkgever, met ruim 100 000 werknemers, 12,5% van de totale overheid. Dat is ca.1,8% van de gehele beroepsbevolking. Maar in feite is het Rijk een conglomeraat van relatief kleine spelers op een groot en divers aantal arbeidsmarkten. De veelzijdigheid binnen het Rijk en de verscheidenheid in het werk maakt het enerzijds lastig voor de rijkswerkgevers om zich zichtbaar te maken op de voor hen relevante deelarbeidsmarkten. Anderzijds is het ook de kracht die kan worden gebruikt ter versterking van de positie op die markt. Zoals aan het begin van dit hoofdstuk is aangegeven, is een ambitieus meerjarenprogramma arbeidsmarktcommunicatie is in gezamenlijk overleg met de ministeries van start gegaan.

De mate waarin rijksambtenaren open staan om van baan te veranderen is vergelijkbaar met die bij concurrerende werkgevers. De interdepartementale Mobiliteitsbank die in 1999 is ontwikkeld en thans voor meer dan 100 000 rijksambtenaren direct raadpleegbaar is, is een belangrijk instrument om de interne arbeidsmarkt van de rijksdienst transparant te maken. Ten aanzien van het gebruik van de mobiliteitsbank kan worden gemeld dat de bank thans ruim 1 200 bezoekers per dag kent. Gemiddeld ligt het aantal schermen/pagina's dat wordt geraadpleegd op 26 500 per dag. Wat betreft het aantal vacatures dat in de bank wordt ingevoerd is duidelijk sprake van een stijgende lijn. De mobiliteitsbank zal het komende jaar worden ingebed in het Rijksoverheidsintranet, dat is bedoeld als communicatiemiddel met alle medewerkers van de rijksdienst. Naast de interdepartementale mobiliteit, bevordert een dergelijk instrument tevens het behoud van goede werknemers voor het Rijk.

Daarnaast zal ook het beleid dat is gericht op specifieke functiegroepen worden versterkt. Het gaat om een combinatie van om- en opscholingsprogramma's, die mensen geschikt maken voor het vervullen van kritieke functies waar de primaire processen van de Rijksdienst bij onvoldoende arbeidsaanbod direct gevaar lopen: dat van accountants, (wetgevings)juristen, fiscalisten, ICT'ers, financieel-economen en – niet in de laatste plaats – secretaresses. Voor 2001 is voor maatregelen ter versterking van de arbeidsmarktpositie van de sector Rijk extra financiële ruimte geschapen tot een bedrag van f 9,5 mln, voor 2002 en 2003 resp. f 16,5 en 17,5 mln.

5.2. Versterking ambtelijke professie

Kennis is de cruciale factor bij het maken van beleid en bij de aansturing van de uitvoering. Het is daarom belangrijk dat iedere ambtenaar die bijdraagt aan beleidsontwikkeling zowel deskundig op zijn vakgebied is, als een goed ontwikkelde maatschappelijke antenne heeft. Bovendien is het van belang dat hij of zij kan inschatten of informatie wel of niet relevant is voor de minister, zodat deze zijn ministeriële verantwoordelijkheid kan waarmaken. Daarvoor dient de informatiestroom binnen een ministerie geordend en transparant plaats te vinden.

Mede ten gevolge van de snelle en meer fragmentarische ontwikkelingen in de samenleving en de daaruit volgende veranderingen voor bestuur en overheid, zijn de eisen aan de ambtelijke professie aangepast. Naast de aloude, maar nog steeds actuele eisen ten aanzien van de integriteit van de overheidsdienaar, worden ook eisen gesteld aan de mate waarin de ambtenaar doelgericht en innovatief functioneert en de bereidheid heeft om interactief samen te werken. Tevens is een sterker gevoel voor risicobeheersing en voor de publieke en politiek-bestuurlijke context noodzakelijk. Het is belangrijk om tegen de achtergrond van de publieke taak van de rijksdienst de waarden, die verbonden zijn aan het vak van ambtenaar, onder de aandacht te brengen. Kennisvergaring, kennisbehoud en kennis delen zijn essentieel voor een professionele ambtelijke organisatie. Wil de rijksdienst voldoende sturingsmogelijkheden behouden in het maatschappelijk verkeer, dan zal binnen de rijksdienst kwalitatief hoogwaardige, maar ook concurrerende kennis aanwezig moeten zijn. Dit doet een groot beroep op het lerend vermogen van de ambtenaar. In de nota «Management en Personeelsontwikkeling Rijksdienst», die vorig jaar tegelijkertijd met de begroting aan de Staten-Generaal is aangeboden, wordt een aantal concrete beleidsvoornemens geschetst teneinde het lerend vermogen van de ambtenaar nader invulling te geven. Hierbij gaat de aandacht uit naar diverse te onderscheiden categorieën medewerkers. De voornemens zijn thans een opleiding te ontwikkelen voor beginnende jonge ambtenaren in de rijksdienst teneinde hen een aantal basisvaardigheden bij te brengen die van belang zijn voor het vak van ambtenaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de ervaring die is opgedaan in de traineeprogramma's. Voorts zal voor de ambtelijke top een meer systematisch aanbod van opleidingen en trainingen worden ontwikkeld op basis van een gemeenschappelijke visie van wat er op het topniveau noodzakelijk is aan kennis en vaardigheden. Voor de tussenniveaus zullen, daar waar het opleidingsaanbod onvoldoende in voorziet, specifieke modules worden ontwikkeld.

Naast de eerder genoemde inventarisatie van rijksbrede opleidingsprioriteiten zal een aanvang gemaakt worden met het ontwikkelen van modules. Hierbij wordt gedacht aan het inzetten van zgn. «distance learning» waarbij door middel van ICT opleidingsfaciliteiten aan een brede groep ambtenaren kunnen worden aangeboden. De uitdaging wordt om de ICT in het kader van kennisoverdracht ook in de rijksdienst een meer gestructureerde rol te geven, zowel op individueel niveau als op collectief niveau. Dit laatste raakt tevens de ontwikkelingen rond het kennismanagement, dat zich richt op behoud en overdracht van kennis binnen de onderscheiden overheidsorganisaties.

5.3. Verankering waarden en normen in een gemoderniseerde Ambtenarenwet

In het kader van de herwaardering van de publieke dienst is het beleid van het kabinet erop gericht om het bijzondere karakter van de overheidswerkgever alsmede de daaruit voortvloeiende waarden en normen verbonden aan het vak van ambtenaar opnieuw en versterkt onder de aandacht te brengen in een nieuwe gemoderniseerde Ambtenarenwet. Daarbij moet een evenwicht worden gevonden tussen de individuele verantwoordelijkheid van de ambtenaar enerzijds en het behoud en bevordering van de democratische controle van het overheidsapparaat, het waarborgen van de rechtsstatelijkheid van het openbaar bestuur en het vergroten van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de overheidsorganisatie anderzijds. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan normen die samenhangen met de ministeriële verantwoordelijkheid en de ambtelijk politieke verhoudingen. Een belangrijk onderwerp in dit verband is ook de integriteit van zowel iedere individuele ambtenaar als van overheidsorganisaties als geheel.

Een integer overheidsapparaat is onmisbaar voor een goed functionerend openbaar bestuur. In de nota «Integriteit van het openbaar bestuur», die vorig jaar gelijktijdig met de begroting aan de Staten-Generaal is aangeboden, zijn verschillende nieuwe maatregelen aangekondigd, waarover op 24 november 1999 met de Vaste Commissie voor BZK is overlegd. Gezien het belang van de verdere waarborging van de integriteit van het overheidsapparaat wordt thans vooruitlopend op een algehele modernisering Ambtenarenwet reeds drie wijzigingen van de Ambtenarenwet voorbereid. Deze hebben betrekking op het openbaar maken van gemelde nevenfuncties, een meldplicht voor financiële belangen alsmede op de zgn. klokkenluidersproblematiek.

Met betrekking tot dit laatste onderwerp wordt in de Ambtenarenwet opdracht gegeven aan de sectorwerkgevers om te voorzien in een procedure voor de wijze waarop met vermoedens van misstanden binnen de organisatie moet worden omgegaan en te voorzien in de bescherming van de ambtenaar die de procedure heeft gevolgd dan wel volgt. In de nota «Integriteit van het openbaar bestuur» is reeds aangekondigd dat voor het personeel, dat werkzaam in de sector Rijk, voorzien zal worden in een interne procedure waarbij meldingen over misstanden worden doorgeleid naar de ambtelijke top van het ministerie met als sluitstuk de mogelijkheid om zich te wenden tot een commissie, de Commissie Integriteit Rijksoverheid, die een gezaghebbend advies uitbrengt aan de minister onder wiens gezagsbereik zich de vermeende misstand heeft voorgedaan of nog steeds voordoet. De nadere vormgeving van deze procedure en de instelling van de commissie wordt thans voorbereid. Voorts zal voor het personeel bij de ministeries in het Algemeen Rijksambtenarenreglement een bepaling worden opgenomen die de ambtenaar die van die procedure gebruik maakt beschermt tegen negatieve maatregelen vanwege het gebruik maken van de procedure.

5.4. Algemene Bestuursdienst

De Algemene Bestuursdienst (ABD) geeft – om de kwaliteit, integriteit en professionaliteit van de Rijksdienst te waarborgen en te bevorderen – bijzondere aandacht aan het topmanagement van de Rijksdienst. Zij doet dit vanuit de visie dat de persoonlijke en professionele ontwikkeling van topambtenaren een hoog rendement geeft bij de kwaliteitsontwikkeling van de Rijksdienst als geheel. De taken van het Bureau ABD (BABD) zijn daarbij het bevorderen van mobiliteit en loopbaanontwikkeling, het aanbieden van opleidingen, het bevorderen van netwerken en het ontwikkelen van (management development-)beleid en -instrumenten.

Per 1 januari 2000 is de ABD uitgebreid met de managementfuncties in schaal 16 BBRA. Voor de uitbreiding met de managers in schaal 15 BBRA worden condities geschapen die er toe moeten leiden dat in 2002 de uitvoering van de MD-functie van deze doelgroep kan worden bewerkstelligd. Daarnaast is per 1 juli 2000 de systeemwijziging voor topambtenaren (SG's en DG's), overeenkomstig het regeerakkoord, van kracht geworden. Daarbij is sprake van door BABD geregisseerde mobiliteit. Vanuit een vaste aanstelling bij het ministerie van BZK vinden benoemingen voor maximaal 7 jaar op topfuncties bij de vakministeries plaats. Naar verwachting zal per 1 januari 2001 de regelgeving zijn vastgesteld op basis waarvan de zittende topambtenaren geacht worden te zijn aangesteld op voordracht van de minister van BZK. Gestructureerde werkafspraken tussen bewindslieden en topambtenaren maken ook deel uit van deze systeemwijziging. Daarnaast is de mogelijkheid voor de instelling van een project-DG (topfunctionarissen die worden benoemd voor het managen van complexe en veelal departementsoverstijgende projecten) omschreven.

In 2001 zal – naast de reeds genoemde speerpunten rondom de systeemwijziging en de aanstaande uitbreiding naar managers in schaal 15 – veel aandacht worden gegeven aan

• het bevorderen van mobiliteit tussen de Rijksdienst met andere instellingen zoals grote gemeenten, provincies en overige overheidsinstellingen en met internationale organisaties (waaronder de EU), alsook de vertegenwoordiging van Nederlandse topambtenaren daarin;

• het brengen van meer samenhang in het ontwikkelings- en opleidingsbeleid voor de ABD-groep;

• de instroom van nieuw talent in de ABD met het oog op de leeftijdsopbouw binnen de ABD en de in de komende jaren te verwachten uitstroom.Artikelsgewijze Toelichting

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

1. Aansluitingstabellen

Uitgaven (in f 1 000)
 200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 BZK totaal7 529 0027 575 3617 745 1417 806 4247 959 438 
Nota van wijziging 200030 00030 00030 00030 00030 000 
1e suppletore begroting 20001 075 255682 772736 631775 762761 325 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties468 615310 963197 234101 685– 10 207 
Stand ontwerp-begroting 2001 BZK totaal9 102 8728 599 0968 709 0068 713 8718 740 5568 713 697
Uitgaven (in f 1 000) ontwerp-begroting 2001
 200020012002200320042005
01 Algemeen190 409174 609221 735205 223175 335183 374
02 Openbaar Bestuur715 497460 684441 243439 302390 210400 828
03 Integratiebeleid minderheden372 780342 411245 932198 264196 124153 424
05 Openbare orde en Veiligheid7 242 3797 103 9507 290 3627 367 7747 491 9637 494 993
06 Binnenlandse Veiligheidsdienst110 585113 241115 031110 045110 206110 248
07 Management en Personeelsbeleid407 128316 127310 839310 450298 881292 973
08 Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid34 62660 59657 54857 54252 55352 561
09 Algemene Bestuursdienst6 1646 8816 6586 6426 6466 649
10 Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties23 30420 59719 65818 62918 63818 647
Totaal9 102 8728 599 0968 709 0068 713 8718 740 5568 713 697
Ontvangsten (in f 1 000)
 200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 BZK totaal683 126524 922553 402540 427553 598 
1e suppletore begroting 2000242 719– 5 2964 4504 4044 404 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties663 544– 15 875– 80 515– 75 500– 81 668 
Stand ontwerp-begroting 2001 BZK totaal1 589 389503 751477 337469 331476 334486 459
Ontvangsten (in f 1 000) ontwerp-begroting 2001
 200020012002200320042005
01 Algemeen672 71012 58612 48612 48612 48612 486
02 Openbaar Bestuur225 47396 53269 12256 61255 51565 540
03 Integratiebeleid minderheden3 5003 5003 5003 5003 5003 500
05 Openbare orde en Veiligheid526 626369 678372 678379 678387 678387 678
06 Binnenlandse Veiligheidsdienst3 0002 7502 750200200200
07 Management en Personeelsbeleid148 49616 75514 55114 50514 50514 505
08 Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid9 2991 8002 1002 2002 3002 400
10 Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties285150150150150150
Totaal1 589 389503 751477 337469 331476 334486 459

2. Bedrijfsvoeringsparagraaf

2.1. Verantwoordelijkheden Ministerie van BZK

De verantwoordelijkheden van de bewindslieden van het Ministerie van BZK strekken zich tevens over terreinen uit, die niet zijn opgenomen in deze begroting. Zo is de Minister van BZK tevens verantwoordelijk voor de begroting van de Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin (II). Tevens is de Minister van BZK als één van de fondsbeheerders verantwoordelijk voor het gemeentefonds en het provinciefonds. De Minister van BZK en de Staatssecretaris van BZK zijn verantwoordelijk voor de begroting van Koninkrijksrelaties (IV). De Minister voor GSI heeft een budgettaire medeverantwoordelijkheid voor uitgaven op alle begrotingen voor het grotestedenbeleid (GSB).

2.2. Organisatiewijzigingen

Dienst Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel (DZVO). Onderzocht worden momenteel de samenwerkingsmogelijkheden tussen DZVO en (private) organisaties met een vergelijkbaar takenpakket. Met een aantal ondernemingen worden concrete gesprekken gevoerd. Nog dit najaar wordt duidelijkheid verwacht over de uitkomst van deze gesprekken en de mogelijke consequenties daarvan. De Kamer zal in dat geval middels een apart schrijven nader worden geïnformeerd.

Directoraat-Generaal Openbare Orde en Veiligheid (DGOOV). Als gevolg van interne en externe ontwikkelingen (onder meer door overkomst van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) alsmede de inbedding van deze dienst en de IT-organisatie) binnen DGOOV is een andere organisatiestructuur van DGOOV noodzakelijk. Een reorgani- satieproces is in 2000 in gang gezet.

Voor het overige worden voor 2001 geen belangrijke organisatiewijzigingen voorzien.

2.3. Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording (VBTB)

In mei 2000 is de voorbeeldbegroting 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden. Medio 2000 is een plan van aanpak opgesteld om de systeemtechnische gevolgen, alsmede de verdere optimalisering van de begroting nieuwe stijl op te pakken. Deze activiteiten starten in 2000 en lopen door in 2001 en latere jaren. De belangrijkste elementen betreffen het volgende:

– Met de invoering van de VBTB-begroting wijzigt de artikelstructuur en daarmede tevens de interne budgetverdeling. De interne en externe (budget-)verantwoordingsinformatie van het begrotingsadministratiesysteem dient hierop te worden aangepast.

– Prestatiegegevens en doelmatigheidskengetallen, passend bij de geformuleerde (beleids-)doelstellingen en rekening houdend met de ministeriële systeem- dan wel resultaatverantwoordelijkheid zullen verder ontwikkeld moeten worden. Daarbij speelt tevens de vraag op welke wijze de informatie daaromtrent kan worden verkregen.

– Evaluatie wordt binnen BZK op ruime schaal toegepast. Dit betreft zowel beleidsevaluatieonderzoeken, als monitoring, organisatiedoorlichtingen en systemen van kengetallen. In bijlage 7 wordt een overzicht gegeven van de afgeronde, lopende en voorgenomen onderzoeken. Dit overzicht biedt de directie Financieel-economische Zaken (FEZ) tevens de mogelijkheid inzicht te verkrijgen in de voortgang en resultaten van onderzoeken. Het aantal lopende en voorgenomen onderzoeken uitgesplitst naar de volgende drie categorieën is:

• beleidsevaluatieonderzoeken, 42

• monitors 12

• organisatiedoorlichtingen 7

De invoering van de VBTB-begroting wordt beschouwd als het juiste moment om de inzet van het evaluatie-instrument, rekening houdend met de beschikbaarheid van prestatiegegevens en kengetallen, te optimaliseren en de organisatie van de evaluatiefunctie te stroomlijnen.

Dit mede in antwoord op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer.

2.4. Prestatiegegevens en prioriteiten «Van Zijl»

Door middel van prestatiegegevens wordt aan de Staten-Generaal belangrijke beleidsmatige informatie geboden, complementair aan de budgettaire gegevens in de begrotingsstukken. Mede naar aanleiding van de inbreng van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is BZK in 1999 gestart met een traject om te komen tot meer en betere prestatiegegevens. Dit traject vindt plaats in het kader van de invoering van VBTB.

De ontwikkeling van prestatiegegevens in de BZK-begroting is als volgt samen te vatten:

Tabel: gecorrigeerd dekkingspercentage kengetallen (van volgens de definitie van het ministerie «zinvol toe te lichten met kengetallen». Het betreft zowel ramings- als doelmatigheidskengetallen)
percentage van de begrotingbegroting 1998begroting 1999begroting 2000begroting 2001
100%    
95%    
90%    
85%    
80%    
75%    
70%    
65%    
60%    
55%    
50%    
≤ 50%    

De volgende onderwerpen zijn toegelicht met een vorm van kengetal:

 
artikelonderwerp
01.01personeel en materieel algemeen
01.15adviesraden
02.01schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement
02.02uitkering gewezen ministers
02.03div. vergoedingen openbare ambtsdragers
02.06bevordering werking politiek systeem
02.07paspoortbeleid
02.10personeel en materieel openbaar bestuur
02.11waarde overdracht pensioenen politieke ambtsdragers
03.04zorgwet VVTV
03.05remigratiebeleid
05.09dienst geneeskundige verzorging politie
05.15financiële rechtspositie rampenbestrijding
05.20bijdragen LSOP
05.23bijdragen regionale politie
05.26bijdragen NIBRA
05.28personeel en materieel openbare orde en veiligheid
06.01personeel en materieel BVD
07.03onderzoek en analyse arbeidsmarkt en personeelsmanagement
07.05beheer rechtspositie
07.10financiële rechtspositie actieven en post-actieven
07.20ziektekosten voorziening overheidspersoneel sector rijk
07.21personeel en materieel management en personeelsbeleid
07.22rechtspositie post-actieven (voormalige) overzeese gebieden
09.01personeel en materieel algemene bestuursdienst
10.01personeel en materieel constitutionele zaken en koninkrijksrelaties
10.02personeel en materieel vertegenwoordigingen Ned. Antillen en Aruba

Daarenboven wordt door BZK een aantal rapporten en beleidsnota's jaarlijks gepresenteerd die eveneens beleidsmatig relevante kengetallen bevatten. De belangrijkste zijn:

• Mensen en Management;

• Trendnota arbeidsmarkt;

• Trendrapport Openbaar bestuur;

• Beleidsplan Nederlandse Politie 1999–2002 (BNP);

• Rapportage Integratiebeleid Etnische Minderheden;

• Extra-comptabel overzicht GSB.

De werkgroep Financiële Verantwoordingen van de Tweede Kamer (werkgroep «Van Zijl/Van Walsum») heeft drie prioriteiten op het terrein van BZK aangewezen, te weten: politie, GSB en samenwerkingsmiddelen met de Nederlandse Antillen. Aanvullend op hetgeen op deze terreinen bij de artikelsgewijze toelichting is opgenomen (in deze begroting en in de begroting van Koninkrijksrelaties (IV)) worden deze drie beleidsprioriteiten hieronder toegelicht met prestatiegegevens:

Politie. In het regeerakkoord is opgenomen dat voor versterking en uitbreiding van de politie extra middelen beschikbaar worden gesteld die voor de politie moeten resulteren in 3 000 extra agenten en surveillanten (in fte) alsmede 400 extra fte als gevolg van de invoering van de 36-urige werkweek.

Deze input gerichte maatregel kan als randvoorwaardelijk worden gezien om de doelstelling van een veiliger Nederland waar te kunnen maken.

In het Convenant Politie 1999 is vastgelegd hoe die sterktegroei vorm moet krijgen. Uiteindelijk dient dit per 1 juli 2002 te resulteren in een totale feitelijke sterkte van 43 622 fte.

Twee maal per jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd met betrekking tot de ontwikkeling van de feitelijke sterkte.

De Tweede Kamer is meest recentelijk bij brief d.d. 19 mei 2000 (kamerstukken II, 1999/2000, 26 345, nr. 34), over de bevindingen van de beleids- en beheerscyclus, bericht dat de feitelijke sterkte ultimo 1999 in totaal 41 370 fte bedroeg. Vooralsnog zitten wij met deze sterkteontwikkeling op de geprognotiseerde ontwikkeling.

De feitelijke realisatie in de afgelopen tijd was als volgt:

juli 1998 40 222 fte

december 1998 40 320 fte

juli 1999 41 122 fte

december 1999 41 370 fte

De prognose ziet er als volgt uit:

juli 2000 42 072 fte

juli 2001 43 022 fte

juli 2002 43 622 fte

Naast deze groei is er tevens in het regeerakkoord opgenomen dat door diverse doelmatigheid bevorderende maatregelen, binnen de bovengenoemde totale sterkte circa 2000 arbeidsjaren moeten worden vrijgespeeld voor het (in)directe executieve politiewerk. Die 2000 arbeidsjaren moeten onder andere gevonden worden binnen het administratief/technische werk.

Met ondersteuning van een extern onderzoeksbureau, wordt op dit moment door de korpsen de stand van zaken ten aanzien van deze doelmatigheidslag in kaart gebracht. Dit omvat zowel datgene wat vanaf begin 1998 gerealiseerd is op het gebied van doelmatigheid als de voornemens voor de jaren 2000 tot en met 2002. De resultaten van het onderzoek zullen leiden tot kwantitatieve gegevens die inzicht geven in de (verwachte) realisatie van de taakstelling. Zo zal in het najaar gegevens bekend worden die inzicht geven in de verandering in de verhouding (in)direct executief : administratief/technisch personeel.

Naast de aandacht voor de sterkte-ontwikkeling, zijn er in 1999 enkele ontwikkelingen in gang gezet die meer aandacht vragen voor de prestaties van de korpsen. Het BNP, het Integraal Veiligheidsprogramma (IVP), de eerste Landelijke politiebrief (LPB) en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek prestatiefinanciering Politie zijn de basis voor de vernieuwde beleids- en beheerscyclus. De Tweede Kamer is over deze ontwikkelingen geïnformeerd (kamerstukken II, 1999/2000, 26 345, nr. 29) en laatstelijk de LPB 2001.

Op basis van het advies van de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg (STIMP) zal in 2001 – na validatie van het verder te ontwikkelen systeem – een deel van de bekostiging worden gerelateerd aan de prestaties van de korpsen. De gedachten gaan daarbij uit om de prestatiemeting plaats te laten vinden over alle aspecten van de politiezorg, waarbij de beleidsprioriteiten uit het BNP bijzondere aandacht krijgen. De toekenning van extra budget zal daarbij gekoppeld worden aan onderling vergelijkbare output- en outcomegegevens, ontleend aan het Informatiemodel Nederlandse Politie (INP).

GSB. Conform de GSB-filosofie is op rijksniveau in overleg met de steden een aantal beleidskaders vastgesteld. Op basis daarvan hebben de steden hun doelstellingen aangegeven. De concretisering van deze doelstellingen in termen van streefcijfers, doelgroep en tijdsspanne heeft plaatsgevonden op het niveau van de steden. In de zogenoemde Meerjarige Ontwikkelings Programma's (MOP's) hebben de steden deze informatie in de operationalisatie van de beleidsdoelen mee moeten nemen, waarna toetsing door het Rijk heeft plaatsgevonden. Op basis van deze MOP's zijn de convenanten met de steden gesloten op 20 december 1999. Deze aanpak is met de Tweede Kamer gecommuniceerd bij brieven d.d. 29 december 1999, 17 maart 2000, 13 juni 2000 en tijdens het algemeen overleg, d.d. 22 juni 2000, met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Inzicht in de output en outcome van het beleid gedurende de huidige convenantsperiode wordt als volgt verkregen: het beleid wordt gevolgd door middel van een systeem van monitoring, zelfananalyse en visitatie. Met dat systeem wordt inzicht geboden in de resultaten van het GSB. Zo verschijnt er jaarlijks een monitorrapportage (jaarboek GSB). In februari 2000 verscheen het jaarboek 1999, de vijfde op rij (aan de Tweede Kamer aangeboden op 15 mei 2000), waarin conclusies over de doelbereiking GSB zijn opgenomen. Over verdere invulling van het meetinstrumentarium worden afspraken gemaakt tussen Rijk en steden. Vanzelfsprekend wordt de Tweede Kamer regelmatig geïnformeerd over de resultaten zoals deze blijken uit de meetinstrumenten.

Op 17 maart 2000 is de brief «Voortgang Grotestedenbeleid» aan de Tweede Kamer aangeboden, waarin onder andere een inhoudelijke behandeling van de MOP's en de stand van zaken aan de hand van de GSB-pjilers is opgenomen. Belangrijk onderdeel van de brief is de behandeling van het CPB-rapport «Op weg naar een effectiever grote stedenbeleid». Tevens bevat de brief een (eerste) lijst met onderwerpen die de agenda voor het GSB voor de komende jaren gaan vormen.

Daarna is een aanvullende brief aan de Tweede Kamer gestuurd, d.d. 13 juni 2000, ter voorbereiding op het AO van 22 juni, waarin de actuele stand van zaken is opgenomen betreffende enkele ontwikkelingen (onder andere Digitale Trapveld, commissie Cerfontaine, Kenniscentrum GSB), een nadere reactie op de rapportage van het CPB en een korte samenvatting van het Jaarboek GSB.

Door Rijk en steden wordt gezamenlijk een tussenstand opgesteld in het voorjaar van 2002. De tussenstand wordt onder meer gevoed door de jaarlijkse monitor GSB/landelijk beleidseffectenonderzoek, zelfanalyses en visitatie.

Aan het einde van de convenantsperiode (2003) verschaft het gemeentebestuur, conform afspraak in de convenanten uiterlijk 1 oktober 2004, de informatie over de mate waarin de afgesproken resultaten zijn bereikt.

Met deze wijze van programmafinanciering en verantwoording wordt vorm gegeven aan de sturingsfilosofie van het GSB zoals die is verwoord in de Doorstartconvenanten met de G25 van eind 1998.

2.5. Kwaliteitsverbetering financieel beheer

Eind 1998 is gestart met het kwaliteitsprogramma financiële functie, gericht op zowel de beheersmatige als beleidsmatige kant van de financiële functie. Kwaliteitsverbetering en -borging is echter in een levendige organisatie een permanente activiteit. Aan het programma wordt dan ook een vervolg gegeven met de nodige activiteiten. De belangrijkste voor 2001 zijn de volgende:

Agentschappen. Eind 1999 is het project «Sturingsrelaties» gestart met als doel de informatievoorziening van en naar agentschappen en ZBO's te herijken en vast te leggen in een informatiestatuut per (cluster van) instelling. In 2000 is inmiddels het algemene normenkader vastgesteld, alsmede een model informatiestatuut. Eind 2000 zal een informatiestatuut per agentschap gereed zijn. In 2001 zullen vervolgens dezelfde activiteiten worden uitgevoerd voor wat betreft de ZBO's.

Administratieve organisatie (AO). Medio 2000 is het project inhaalslag AO conform de planning afgerond. Doorlopend in 2001 zal specifiek aandacht worden besteed aan de implementatie van de AO en de werking van de onderhoudsorganisatie.

Mandaatbesluit. Eind 1999 is besloten de bestaande organisatie- en mandaatbesluiten samen te brengen in één integraal organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit voor het gehele ministerie. In de 2e helft van 2000 zal dit worden gerealiseerd. In 2001 zal het bijbehorende volmachtregister worden opgesteld en ingericht.

Begrotingsadministratiesysteem (CAFAS). Naast de invoering van de euro en de aanpassing van de rekeningstructuur ingevolge VBTB, zal het begrotingsadministratiesysteem CAFAS worden gemoderniseerd. Tevens zal voor de langere termijn een verkenning worden gestart naar een mogelijke vervanging van het systeem.

Opleidingen. In 2000 is een breed opleidingsprogramma opgezet, waarmee alle aspecten van de financiële functie worden bestreken. Voor een aantal opleidingen heeft reeds een pilotuitvoering plaatsgevonden. In 2001 zal het opleidingsprogramma volledig operationeel zijn.

Inkoopfunctie. In 1999 heeft een herijking plaatsgevonden van de inkoopfunctie. In aansluiting daarop en in overeenstemming met het rijksbrede actieplan «Professioneel Inkopen en Aanbesteden» is binnen BZK een werkplan opgesteld om te komen tot een verdere professionalisering van de inkoopfunctie. De uitvoering van het werkplan is gestart in 2000 en loopt door in 2001. De belangrijkste onderwerpen voor 2001 zijn: het innovatief en electronisch aanbesteden, het optimaliseren van de informatieverzameling omtrent (voorgenomen) aanbestedingen, het bewerkstelligen van de interdepartementale samenwerking, het verzorgen van opleidingen en workshops voor inkoopgemachtigden, alsmede het opzetten van een leverancierscartotheek.

M&O beleid. Voor het M&O-beleid wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 1 bij de toelichting op de Financiële verantwoording van het Ministerie van BZK (VII) over het jaar 1999, waarin per regeling het gevoerd en te voeren beleid ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik aan de orde wordt gesteld.

Invoering euro. Het invoeringsproces van de euro vormt – in lijn met het BZK-sturingsmodel – een integrale verantwoordelijkheid van het lijnmanagement, doch is geborgd in een zgn. europrogramma- organisatie die het proces faciliteert, de voortgang en kwaliteit bewaakt en hierover periodiek rapporteert. De inhoud en planning van de activiteiten van BZK zijn afgestemd op de interdepartementaal vastgestelde mijlpalenplanning. De periode tot 1 januari 2001 wordt gewerkt aan de afronding realisatiefase. Hierbij zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de voorbereiding van de wijzigingen in de wet- en regelgeving, de aanpassing van de geautomatiseerde systemen en de monitoring van de aan BZK gelieerde derdenorganisaties. De periode tot 1 juli 2001 staat in het teken van het testen, waarna de periode tot 1 januari 2002 rest voor het daadwerkelijke implementeren van de aanpassingen.

In deze begroting is een bedrag van f 22,9 mln opgenomen voor de periode 2001 tot en met 2002 voor de invoering van de euro, afkomstig uit de aanvullende post euro. Dit betreft uitgaven voor de projectorganisatie, voorlichting en aanpassing van wet- en regelgeving en informatiesystemen. Het betreft de volgende reeks (in f 1 mln):

 20012002
Aanvullende post euro15,97,0

Bij de toewijzing van deze extra middelen uit de aanvullende post is uitgegaan van cofinanciering. Dit betekent dat maximaal 50% van de totale uitgaven worden uit de aanvullende post wordt gefinancierd.

Leeswijzer. In deze begroting is de volgende indeling van de toelichting per artikel gehanteerd:

* De grondslag van het artikel. In dit tekstblok wordt aangegeven op basis van welke wet, regeling of besluit uitgaven en verplichtingen kunnen worden gedaan respectievelijk aangegaan.

* De cijfers. In tabelvorm wordt per artikel de realisatie 1999, de vermoedelijke uitkomsten 2000, de raming 2001 en de meerjarencijfers 2002–2005 vermeld. Indien uitsluitend de verplichtingenrealisatie 1999 afwijkt van de uitgavenrealisatie 1999 is in de tabel de verplichtingenrealisatie 1999 tussen haakjes opgenomen. Nieuwe mutaties (= nog niet eerder opgenomen in een begrotingsstuk): per mutatie wordt in een paar woorden de kern van de mutatie weergegeven.

De voorgestelde mutaties zijn gespecificeerd in:

beleidsmatige mutaties: mutaties die het gevolg zijn van beleidswijzigingen (de zogenaamde in- en extensiveringen van beleid);

autonome mutaties: niet beïnvloedbare van buitenaf gekomen mutaties, zogenaamde mee- en tegenvallers in het beleid;

beheersmatige (=boekhoudkundige) mutaties:mutaties die niet beleidsmatig van aard zijn, zoals mutaties uit hoofde van loon- en prijsbijstelling, desalderingen, overboekingen tussen artikelen of begrotingen en mineure kasverschuivingen die het gevolg zijn van een ander betalingstempo van lopende verplichtingen dan eerder geraamd.

* De onderverdeling naar artikelonderdelen. Indien een artikel in meerdere artikelonderdelen is gesplitst wordt in een staatje de meerjarige raming op artikelonderdeelniveau gegeven.

* De kengetallen. Indien relevant is een zogenaamde p x q onderbouwing in tabelvorm opgenomen. Voor enkele artikelen is op andere wijze ingegaan op relevante informatie over kengetallen.

Een lijst van gebruikte afkortingen en vindplaats van regelingen en publicaties is opgenomen als bijlagen 15 en 16.

3. Uitgaven en verplichtingen

01. Algemeen

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de uitgaven geraamd die geen betrekking hebben op specifieke onderwerpen van beleid, dan wel niet toegerekend worden aan één van de overige beleidsterreinen. Het betreft ondermeer de personele en materiële uitgaven van de Centrale Stafdiensten (CS), de kosten van subsidies, strategisch onderzoek en de functionele uitgaven van het Koninklijk Huis.

01.01. Personeel en materieel Algemeen

De grondslag van het artikel

Instellingsbesluit CS.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U01.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 122 100118 655120 707119 088117 442 
1e suppletore begroting 2000 12 9905 2111 5641 0451 045 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2 0402 0992 6443 3732 724 
Beleidsmatig  
1. voorlichting verkiezingen  100700200  
Beheersmatig  
2. Postbus 51-infolijn (overboeking AZ) – 12  
3. correctie rijkshuisvesting (overboeking VROM) 309309309309309 
4. overkomst NBV (reallocatie U06.01)  – 200– 200– 200– 200 
5. toedeling loonbijstelling 2000 1 7431 8901 8353 0642 615 
Stand ontwerp-begroting 2001121 896137 130125 965124 915123 506121 211131 748
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00055 31462 227 57 16056 68456 04555 00359 785
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U01.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 122 279118 655120 707119 088117 442 
1e suppletore begroting 2000 12 9905 2111 5641 0451 045 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2 0402 0992 6443 3732 724 
Beleidsmatig  
1. voorlichting verkiezingen  100700200  
Beheersmatig  
2. Postbus 51-infolijn (overboeking AZ) – 12     
3. correctie rijkshuisvesting (overboeking VROM) 309309309309309 
4. overkomst NBV (reallocatie U06.01)  – 200– 200– 200– 200 
5. toedeling loonbijstelling 2000 1 7431 8901 8353 0642 615 
Stand ontwerp-begroting 2001120 499137 309125 965124 915123 506121 211131 748
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00054 68062 30857 16056 68456 04555 00359 785

De toelichting op de cijfers

De personele en materiële uitgaven voor de bedrijfsvoering van het ministerie.

In 1999 is begonnen met de digitalisering van de documenthuishouding binnen het ministerie; het project DigiDoc. In het jaar 2000 worden daartoe een aantal pilots uitgevoerd waaronder de procedure ministerraadstukken en het scannen van facturen. Na evaluatie van de pilots zal de digitalisering in 2001 breed worden uitgevoerd.

Voor het project van VBTB ligt bij de directie FEZ een coördinerende rol voor heel BZK. In 2001 wordt de tweede fase van het project uitgevoerd: de implementatie. Dit betreft onder andere het aanpassen van de geautomatiseerde systemen. (Zie plan van aanpak VBTB.)

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.01/Artikelonderdeel199920002001200220 0320042005Econ. Func.
22 Ambtelijk personeel36 66641 35840 78340 00339 07739 12839 2621101.1
23 Overig personeel9 1295 4164 4663 6663 4943 4943 4941201.1
24 Post-actieven18 97323 00822 52422 12422 12422 12422 1241101.1
25 Materieel55 73167 52758 19259 12258 81156 46566 8681201.1
26 Buitenland uitgaven1101.42
Totaal120 499137 309125 965124 915123 506121 211131 748  

Specificatie huisvestingsbudget

(x f 1 000)
U01.01/Artikelonderdeel 25200020012002200320042005
Centraal14 83715 36721 93821 93820 29220 292
 
Decentraal  
Artikel 05.21 LCZ1 2981 2981 2981 2981 2981 298
Artikel 05.27 ITO742742742742742742
Artikel 05.29 KLPD31 31831 60731 42531 63231 63231 632
Artikel 06.01 BVD6 4456 4456 4456 4456 4456 445
Artikel 07.21 DZVO731731731731731731
Artikel 08.04 CAS1 8561 8561 8561 8561 8561 856
Artikel 08.06 IVOP
Totaal gedecentraliseerd42 39042 67942 49742 70442 70442 704

De kengetallen

(in f 1 000)
U01.01/Artikelonderdeel: 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Bedrijfsvoeringskosten per fte*1 322,942,11 370,749,31 355,642,9
Salariskosten per fte*365,8100,3384,2107,6372,5109,5
Overige personele uitgaven per fte*365,825384,214,1372,512,0
Wachtgelduitgaven per uitkering*43943,246349,744051,2
Toegelicht begrotingsbedrag 120 499 137 309 125 965

* De kengetallen zijn afgerond op 1 cijfer achter de komma waardoor een miniem verschil ontstaat in de berekening, het totaal van het begrotingsbedrag is hiermee wel verantwoord.

01.03. Loonbijstelling

De grondslag van het artikel

Artikel 5, negende lid, van de Comptabiliteitswet 1976.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.031999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 7 64210 9286 0048 4528 452   
1e suppletore begroting 2000 157 173162 057166 974168 985171 036   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 157 279– 170 415– 121 899– 144 049– 171 236   
Beleidsmatig  
1. projecten CAO Rijk 2000–2001 (overboekingen diverse ministeries) 45 89326 52539 36943 45435 176   
2. financiering CAO Rijk 2000–2001 (reallocaties diverse artikelen) 29 966– 18 240– 26 615– 30 530– 29 951   
3. kasschuif arbeidsvoorwaarden CAO Rijk – 75 211 50 07525 136    
Beheersmatig  
4. traineeproject tranche 3–5 (reallocatie U07.02) – 2 325– 9 000– 13 675– 14 000– 6 000   
5. verdeling loonbijstelling 2000 – 155 602– 169 700– 171 053– 168 109– 170 461   
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil7 5362 57051 07933 3888 2525 7520113.9
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil3 4201 16623 17915 1513 7452 610  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkelingen en overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast is de financiële afwikkeling van het onderhandelingsresultaat voor de arbeidsvoorwaardenovereenkomst van de sector Rijk 2000–2001 verwerkt. Zie voor nadere informatie de toelichting bij de uitgavenartikelen 07.02, 07.03 en 07.20.

01.04. Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel

Artikel 5, negende lid, van de Comptabiliteitswet 1976.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.041999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 30 05129 72930 02829 98029 980   
1e suppletore begroting 2000 24 36425 94726 48929 07528 471   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 40 889– 38 715– 39 840– 39 789– 41 644   
Beheersmatig  
1. verdeling prijsbijstelling 2000 – 40 889– 38 715– 39 840– 39 789– 41 644   
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil13 526 16 96116 67719 26616 80716 8070113.9
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil6 1387 6977 5688 7437 6277 627  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toekenning plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen.

01.05. Onvoorzien

De grondslag van het artikel

Artikel 5, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 1976.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.051999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 1919191919   
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil1919191919190113.9
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil999999  

01.07. Subsidies en onderzoeken

De grondslag van het artikel

Koninklijk besluit ten behoeve van subsidie Koninklijk Paleis op de Dam.

Regeling subsidiëring Oorlogsgravenstichting.

Instellingsbeschikking Programmabureau Strategische kennisontwikkeling.

Subsidies aan de Vereniging voor Administratief Recht en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, de wettelijk vastgelegde evaluatie van wetgeving, alsmede de kosten van onderzoek naar de werking en de uitvoering van wetten.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U01.071999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 6 5446 5316 5136 5136 513 
1e suppletore begroting 2000 535– 78– 79– 79– 79 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 7272727272 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 7272727272 
Stand ontwerp-begroting 20016 043(6 170)7 151 6 5256 5066 5066 5066 506
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0002 742(2 800)3 2452 9612 9522 9522 9522 952

De toelichting op de cijfers

De uitvoering van subsidieregelingen en de uitvoering van het programma voor verdere ontwikkeling en invulling van de strategische kennis binnen het ministerie.

De Oorlogsgravenstichting (OGS) heeft de zorg voor twee erevelden in Nederland (Loenen en Grebbeberg) en zeven erevelden in Indonesië (Menteng Pulo, Ancol, Pandu, Kembang Kuning, Kalibanteng, Leuwigajah en Candi). Daarnaast draagt de OGS bij in de kosten voor het onderhoud van ruim 50 000 oorlogsgraven (veelal Commonwealth-graven) verspreid over de gehele wereld.

Voor haar werkzaamheden heeft de OGS in Nederland circa 27 en in Indonesië ongeveer 127 personen in dienst.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.07/Artikelonderdeel199920002001200220 0320042005Econ.Func.
03 Subsidies en bijdragen aan de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam35535535535535535535543F01.1
12 Subsidies aan de Oorlogsgravenstichting4 1774 3824 3924 3924 3924 3924 39243G01.1
14 Overige subsidies en bijdragen19036363636363643F01.11
15 Subsidies aan internationale organisaties43G01.1
16 Strategievormend onderzoek1 3212 3781 7421 7231 7231 7231 7231201.11
Totaal6 0437 1516 5256 5066 5066 5066 506  

01.09. Functionele kosten Koninklijk Huis

De grondslag van het artikel

Wet financieel statuut Koninklijk Huis, artikel 1, lid 4.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U01.091999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 16 93816 96816 96816 96816 968 
1e suppletore begroting 2000 5959595959 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4802 5202 5202 5202 520 
Beleidsmatig  
1. stelselwijziging Koninklijk Huis  2 0322 0322 0322 032 
Beheersmatig  
2. toedeling loonbijstelling 2000 480488488488488 
Stand ontwerp-begroting 200116 04417 47719 54719 54719 54719 54719 547
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0007 2807 9318 8708 8708 8708 8708 870

De toelichting op de cijfers

De materiële en personele uitgaven van het Koninklijk Huis.

Met ingang van 2001 vindt er een stelselwijziging van het Koninklijk Huis plaats hetgeen betekent dat het personeel van het Koninklijk Huis onder de ziektekostenregeling komt te vallen. Het personeel dat nu onder de werking van de Ziekenfondswet valt, komt door middel van de nieuwe regeling van VWS met ingang van 1 januari 2001 onder dezelfde regeling als het personeel van de sector Rijk te vallen. Aan deze stelselwijziging zijn voor de werkgever kosten verbonden, die verband houden met de individueel toe te kennen interimvergoeding ziektekosten conform de sector Rijk.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.09/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Personeel12 29413 72314 72714 72714 72714 72714 7271101.1
02 Non-activiteitswedden, wachtgelden en vervroegd uittreden5965965965965965965961101.1
03 Materieel3 1543 1584 2244 2244 2244 2244 2241201.1
Totaal16 04417 47719 54719 54719 54719 54719 547  

01.14. Vervreemding aandelen

De grondslag van het artikel

Brief van de Minister voor GSI aan de Tweede Kamer inzake Vervreemding aandelenbezit NV SDU.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.141999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
1e suppletore begroting 2000 4 300       
Stand ontwerp-begroting 20015 503(4 066)4 300MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1201.34
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 497(1 845)1 951MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Bij de beursgang van PinkRoccade in 1999 heeft de staat 25% van haar aandelenpakket vervreemd. In 2000 is een traject ingezet om tot een tweede tranche van vervreemding van aandelen te komen. De met de beursgang verbonden kosten worden op dit artikel verantwoord. Voor de opbrengsten van de aandelenverkoop wordt verwezen naar ontvangstenartikel 01.09.

De naam van dit artikel (voorheen «Vervreemding aandelen PinkRoccade NV») is veranderd in de meer algemene omschrijving «Vervreemding aandelen», omdat ook kosten verbonden aan activiteiten die samenhangen met de vervreemding van aandelen van de Staatsdrukkerij en uitgeverij (Sdu) ten laste van dit artikel worden verantwoord.

01.15. Adviesraden

De grondslag van het artikel

Artikel 25 Kaderwet adviesorganen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U01.151999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 3 1653 1303 1023 1023 102 
1e suppletore begroting 2000 – 158– 200– 200– 200– 200 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 8492908991 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 8492908991 
Stand ontwerp-begroting 20012 103(2 081)3 0913 0222 9922 9912 9932 995
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000954(944)1 4031 3711 3581 3571 3581 359

De toelichting op de cijfers

De apparaats- en onderzoeksuitgaven, inclusief de vacatiegeldenvergoedingen met betrekking tot de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen en de Kiesraad. De Kiesraad adviseert de Minister en de Staatssecretaris van BZK met betrekking tot Kieswetaangelegenheden. Daarnaast fungeert de Kiesraad als centraal stembureau bij verkiezingen.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U01.15/Artikelonderdeel199920002001200220 0320042005Econ.Func.
01 Raad voor het openbaar bestuur/Raad voor de financiële verhoudingen1 9622 9742 9052 8752 8742 8762 8781201.1
03 Kiesraad1411171171171171171171201.1
Totaal2 1033 0913 0222 9922 9912 9932 995  

De kengetallen

(in f 1 000)
U01.15/Artikelonderdeel: 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Salariskosten per fte*11,4112,112,5137,512,5137,6
Toegelicht begrotingsbedrag 1 289 1 719 1 720

* De kengetallen zijn afgerond op 1 cijfer achter de komma waardoor een miniem verschil ontstaat in de berekening.

02. Openbaar Bestuur

De algehele taakstelling voor de zorg voor de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur, omvat binnen het Directoraat-Generaal Openbaar Bestuur (DGOB) tevens specifieke coördinerende verantwoordelijkheden voor het integratiebeleid minderheden en de informatievoorziening bij de overheid (zie respectievelijk de hoofdbeleidsterreinen 03 en 08).

Het openbaar bestuur in Nederland, in het bijzonder in de stedelijke gebieden, wordt geconfronteerd met omvangrijke en indringende problemen. Het kabinet pakt deze vraagstukken zoals werkloosheid, leefbaarheid, scholing en veiligheid, die veelal worden samengevat onder de noemer grootstedelijke problematiek, op verschillende manieren aan. Door het versterken van de hoofdstructuur, te weten het Rijk, de provincies en de gemeenten, zal het openbaar bestuur effectiever, efficiënter en democratischer kunnen functioneren en derhalve beter in staat zijn problemen op te lossen. De kernactiviteiten daarbij zijn GSB, rol en positie provincies, alsmede stimulering van de kwaliteit van de publieke dienstverlening en verbetering van de relatie overheid/burger. Op het terrein van GSB gaat het daarbij onder meer om activiteiten met betrekking tot de versterking van de economische structuur in achterstandswijken en bevordering van de leefbaarheid, sociale integratie en veiligheid.

Op het hoofdbeleidsterrein Openbaar Bestuur worden naast uitgaven voor bestuurlijke organisatie, GSB, bevordering werking politiek systeem (subsidiëring politieke partijen), tevens uitgaven geraamd die samenhangen met enkele voorzieningen met betrekking tot de financiële rechtspositie van (actieve en gewezen) gekozen en niet-gekozen bestuurders (leden Europees Parlement, gewezen ministers en burgemeesters). Ook komen bijdragen aan het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) ten behoeve van de uitgifte van reisdocumenten ten laste van dit hoofdbeleidsterrein.

02.01. Schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement

De grondslag van het artikel

Wet Schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.011999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 6 1255 9715 8115 8115 811   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 203200194194194   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 203200194194194   
Stand ontwerp-begroting 20015 809(5 787)6 3286 1716 0056 0056 0056 0051101.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 636(2 626)2 8722 8002 7252 7252 7252 725  

De toelichting op de cijfers

De leden van het Europees Parlement ontvangen een schadeloosstelling die gelijk is aan die van de leden van de Tweede Kamer. Dit geldt alleen voor de schadeloosstelling in enge zin; de verschillende onkostenvergoedingen komen voor rekening van het Europees Parlement. Het aantal Nederlandse leden van het Europees Parlement bedraagt 31. Gewezen leden van het Europees Parlement ontvangen gedurende maximaal zes jaar een wachtgelduitkering.

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.01 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
– Schadeloosstelling31 31 31 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 142 145 145
Toegelicht begrotingsbedrag 4 392 4 495 4 495
– Wachtgelden19 14 13 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 48 88 82
Toegelicht begrotingsbedrag 920 1 232 1 075
– Pensioenen23 26 26 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 21 22 22
Toegelicht begrotingsbedrag 485 572 572
Uitvoeringskosten USZO 12 29 29
Totaal 5 809 6 328 6 171

02.02. Uitkering gewezen ministers

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.021999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 7 7067 7067 7067 7067 706   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 217217217217217   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 217217217217217   
Stand ontwerp-begroting 20016 9227 9237 9237 9237 9237 9237 9231101.30
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0003 1413 5953 5953 5953 5953 5953 595  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden geraamd uitkeringen en pensioenen voor bewindslieden en hun nabestaanden.

De kengetallen

De uitvoering van de Appa-uitkeringen berust bij de Stichting Uitvoeringskosten Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO). De uitvoering van de Appa-pensioenen vindt plaats bij de Stichting Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP). Onderstaande kengetallen zijn ontleend aan gegevens van beide instanties.

(in f 1 000)
U02.02 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen:      
– dat een uitkering ontvangt25 35 35 
– dat een pensioen ontvangt184 187 187 
Bedrag per persoon:      
– uitkeringen 42,4 43,58 43,58
– pensioenen 30,3 32,28 32,28
Toegelicht begrotingsbedrag 6 633 7 561 7 561
Uitvoeringskosten 288 362 362

02.03. Diverse vergoedingen openbare ambtsdragers en herindelingswachtgelden

De grondslag van het artikel

Wet Algemene regelingen gemeentelijke indeling.

Wet gemeenschappelijke regelingen.

Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.031999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 6 5835 9515 4135 2075 107 
1e suppletore begroting 2000 250     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 167– 453– 670– 577– 580 
Beheersmatig  
1. wachtgelden ontstaan als gevolg van gemeentelijke herindelingen na 1998 (overboeking gemeentefonds)  – 600– 800– 700– 700 
2. toedeling loonbijstelling 2000 167147130123120 
Stand ontwerp-begroting 20014 711(5 998)7 0005 4984 7434 6304 5274 427
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0002 138(2 722)3 1762 4952 1522 1012 0542 009

De toelichting op de cijfers

Het artikel heeft met name betrekking op wachtgelduitgaven die (zijn) ontstaan als gevolg van gemeentelijke herindelingen (burgemeesters, wethouders en ambtenaren) en in verband met herschikking gemeenschappelijke regelingen. Tevens komen diverse kosten die verband houden met het functioneren van burgemeesters ten laste van dit artikel.

Met betrekking tot ambtenaren en wethouders gaat het alleen om wachtgelden voor zover deze zijn ontstaan ten gevolge van een gemeentelijke herindeling met een datum van herindeling die ligt vóór 1 januari 1988, alsmede om wachtgelden die zijn ontstaan ten gevolge van het proces van aanpassing aan de eisen van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor zover dat proces vóór 1990 is afgerond. Omdat het dus alleen «oude» wachtgeldrechten betreft, zullen de uitgaven geleidelijk afnemen.

Tot de kosten van activiteiten in verband met het functioneren van burgemeesters behoren naast uitgaven voor de werving en selectie van burgemeesters, onder meer activiteiten in het kader van deskundigheidsbevordering, bijdragen aan het Genootschap van Burgemeesters, bijdragen aan scholing en vorming van (aankomende) burgemeesters, uitgaven in het kader van concrete rechtspositionele maatregelen, dan wel externe (individuele) begeleiding van burgemeesters in bijzondere situaties, alsmede uitgaven ten behoeve van het personeelsbeleid voor burgemeesters. In dat kader zullen instrumenten ter bevordering van professionalisering en mobiliteitsbevordering worden ontwikkeld en vervolgens aangeboden aan de beroepsgroep.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.03/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
07 Verplichtingen verband houdende met opheffing van gemeenten en met voormalige drostambten, alsmede uitkeringen en onderstanden aan overige gerechtigden1 0311 6819816815814813814101.1
08 Wachtgelden in verband met herschikking gemeenschappelijke regelingen2923002902802652652654101.1
11 Wachtgelden burgemeesters2 8793 6173 0702 6142 6022 5992 5994101.1
12 Kosten functioneren burgemeesters5091 4021 1571 1681 1821 1821 1821201.1
Totaal4 7117 0005 4984 7434 6304 5274 427  

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.03/Artikelonderdeel: 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
07 Ambtenaren/wethouders47 42 41 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 20 *40 24
Toegelicht begrotingsbedrag 946 1 681 981
08 Ambtenaren6 6 5 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 49 50 58
Toegelicht begrotingsbedrag 292 300 290
11 Burgemeesters26 35 31 
Gemiddeld uitkeringsbedrag 107 97 92
Toegelicht begrotingsbedrag 2 788 3 392 2 845
Uitvoeringskosten USZO 176 225 225
Totaal 4 202 5 598 4 341

* De incidentele hogere uitgaven worden veroorzaakt door naar verwachting in 2000 te verrichten nabetalingen uit hoofde van AOW/AWW/ANW-compensatie.

02.04. Diverse bijdragen aan provincies en gemeenten

De grondslag van het artikel

Regeling Werkgelegenheidsimpuls 1994.

Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Ewlw).

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.041999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 15 00020 000NihilNihilNihil 
1e suppletore begroting 2000 – 10 000     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 3 604– 14 472    
Autonoom  
1. lagere uitgaven nabetalingen Ewlw-regeling – 4 000– 15 000    
Beheersmatig  
2. toedeling loonbijstelling 2000 396528    
Stand ontwerp-begroting 20011461 396 5 528NihilNihilNihilNihil
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00066633 2 508NihilNihilNihilNihil
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.041999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 65 00070 00050 00050 00050 000 
1e suppletore begroting 2000 – 10 350– 350– 350– 350– 350 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 3 604– 14 472    
Autonoom  
1. lagere uitgaven nabetalingen Ewlw-regeling – 4 000– 15 000    
Beheersmatig  
2. toedeling loonbijstelling 2000 396528    
Stand ontwerp-begroting 200156 63351 04655 17849 65049 65049 65049 650
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00025 69923 16425 03922 53022 53022 53022 530

De toelichting op de cijfers

De beschikbare middelen zijn voornamelijk bestemd voor bijdragen in het kader van de regeling Werkgelegenheidsimpuls-1994. Het betreft de jaarlijkse annuïteitenbetalingen aan 32 gemeenten (voor in totaal f 49,45 mln tot 2010), zijnde de vergoeding door het rijk van de jaarlijkse gemeentelijke financieringslasten voor destijds verrichte investeringen in dertien stedelijke knooppuntgebieden voor in totaal 73 werkgelegenheidsprojecten.

Tevens is op dit artikel voor de jaren 2000 en 2001 een voorziening opgenomen voor eventuele nabetalingen (op basis van de verwachte nabetalingen in 2000 met f 4 mln en in 2001 met f 15 mln bijgesteld) op grond van de Ewlw-regeling. Deze regeling is met ingang van 1999 vervangen door de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen. De uitvoering van deze laatste regeling wordt verzorgd door SZW; BZK blijft echter belast met de financiële afwikkeling van de Ewlw-regeling tot en met 1998.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.04/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
10 Incidentele bijdragen aan gemeenten56 47050 84654 97849 45049 45049 45049 45043C06.9
11 Uitvoeringskosten diverse regelingen1632002002002002002001201.1
Totaal56 63351 04655 17849 65049 65049 65049 650  

02.05. Bevordering doelmatig bestuur

De grondslag van het artikel

Besluit organisatorische inrichting DGOB 1999.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.051999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 5 3282 9212 9212 9212 921   
1e suppletore begroting 2000 5511 4401 1851 895905   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  1 1151 3706601 650   
Beleidsmatig  
1. bijstelling raming doelmatig bestuur  1 1151 3706601 650   
Stand ontwerp-begroting 20015 168(6 014)5 8795 4765 4765 4765 4765 4761201.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 345(2 729)2 6682 4852 4852 4852 4852 485  

De toelichting op de cijfers

De algemene doelstelling betreft het bevorderen door de rijksoverheid van het functioneren van het openbaar bestuur door middel van beleidsvorming en regelgeving inzake de bestuurlijke structuur en de financiële verhouding met andere overheden.

Van belang voor de vervulling van een aantal belangrijke maatschappelijke en bestuurlijke opgaven in vooral de grootstedelijke gebieden is de evaluatie van de Kaderwet bestuur in verandering, de invulling van het regionale bestuursniveau binnen het geheel van de drie bestuurslagen en de afronding van de besluitvorming omtrent enkele belangrijke streeksgewijze herindelingsoperaties. Tevens heeft het rapport «Gemeenten: méér dan lokaal bestuur» van de Stuurgroep krachtige gemeenten de discussie omtrent gemeentelijke herindeling in een aantal andere gebieden een belangrijke impuls gegeven.

Daarnaast zal als vervolg op de activiteiten van de Staatscommissie dualisme en lokale democratie, via een intensief wetgevingsprogramma en een samenhangende reeks van vernieuwende impulsen een cultuurveranderingsproces in gang worden gezet door en voor lokale en provinciale overheden. Het belangrijkste doel van deze inspanningen is een veranderingsproces op gang te brengen in de richting van een nieuwe, dualistisch opererende gemeente, waarin het raadslid zich meer gaat concentreren op kaderstelling, controle en vertegenwoordiging en het college van burgemeester en wethouders meer op het bestuur, zodat de burger zich verzekerd weet van een kwalitatief goed en herkenbaar gemeentebestuur.

Een deel van het beschikbare budget zal ook in 2001 worden ingezet voor leeronderzoek met betrokken ministeries en overheden over het thema (boven-)gemeentelijke regie. Dit type onderzoek is er deels op gericht om kwaliteitslacunes in het binnenlands bestuur op te sporen en deels deel om verbeteringen in interbestuurlijke arrangementen voor te stellen die de kwaliteit kunnen verbeteren. Het Bestuursakkoord Nieuwe stijl en de Regiocontracten staan in het teken van dit thema samenwerking tussen sectoren en tussen bestuursorganen.

Activiteiten in het kader van Organisatie en Kwaliteit van de Rijksdienst zoals onderzoek naar de versterking van de kwaliteit van de publieke dienstverlening, en projecten ter bevordering van de kwaliteit van het functioneren van de overheden en voor verbetering van de relatie overheid/burger zullen in 2001 worden voortgezet.

In vervolg op de aanbevelingen van de Ambtelijke Commissie Toezicht zal een – in het regeerakkoord aangekondigde – kaderstellende visie rond toezicht tot stand worden gebracht. Op het terrein van het kwaliteitsbeleid wordt aandacht besteed aan de implementatie van elementen van kwaliteitshandvesten en het stimuleren van het gebruik van kwaliteitsinstrumenten in rijksorganisaties met klantcontacten. Tenslotte zal bezien worden hoe een verdere impuls kan worden gegeven aan het instrument van de interdepartementale beleidsvisitatie.

Bij de parlementaire behandeling van de Financiële verhoudingswet is afgesproken dat de verdeelstelsels van gemeente- en provinciefonds voortdurend op hun werking worden bezien, teneinde grote en schoksgewijze veranderingen in de verdeling van de middelen in relatie tot de kostenontwikkelingen te vermijden. Over dit periodieke onderhoud wordt jaarlijks (in de vorm van een bijlage bij de begrotingen van het provinciefonds en het gemeentefonds) aan de Kamer gerapporteerd.

02.06. Bevordering werking politiek systeem

De grondslag van het artikel

Wet subsidiëring politieke partijen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.061999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 9 6529 6529 6529 6529 652 
1e suppletore begroting 2000 13020202020 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 311318318318318 
Beheersmatig       
1. toedeling loonbijstelling 2000 311318318318318 
Stand ontwerp-begroting 200110 211(10 744)10 093 9 9909 9909 9909 9909 990
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0004 634(4 875)4 580 4 5334 5334 5334 5334 533

De toelichting op de cijfers

De subsidies hebben als doel de werking van het politiek systeem in Nederland te bevorderen door middel van bijdragen aan politieke partijen.

Deze bijdragen voor politiek-wetenschappelijke instituten, voor vormingsactiviteiten en voor jongerenorganisaties, worden in de vorm van een «brede doeluitkering» aan politieke partijen verstrekt.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.06/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Subsidies aan politiek-wetenschappelijke instituten1 946      43F01.1
02 Subsidies aan vormingsactiviteiten politieke partijen1 861      43F01.1
03 Emancipatiesubsidies27520020020020020020043F01.1
04 Bilaterale hulp politieke partijen Midden- en Oost-Europa2 067110     43G01.1
05 Jongerenorganisaties852      43F01.1
06 Subsidiëring politieke partijen3 2109 7839 7909 7909 7909 7909 79043F01.1
Totaal10 21110 0939 9909 9909 9909 9909 990  

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.06/Artikelonderdeel: 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
01 subsidies aan politiek-wetenschappelijke instituten 1 946    
02 subsidies aan vormingsactiviteiten politieke partijen 1 861    
04 bilaterale hulp politieke partijen Midden- en Oost-Europa 2 067 110  
05 subsidies aan jongerenorganisaties 852    
06 algemene subsidie: partijen à basisbedrag f 75 000  *1075010750
per kamerzetel à f 24 000  **1513 6241513 624
subsidie politiek-wetenschappelijke instituten à f 160 000  101 600101 600
per kamerzetel à f 12000  1511 8121511 812
subsidie jongerenorganisaties: beschikbaar subsidiebedrag   1 450 1 450
Totaal artikelonderdeel 06 3 210 9 236 9 236
Beschikbaar voor nabetalingen op grond van afrekening van subsidievoorschotten over voorgaande jaren   547 554
Toegelicht begrotingsbedrag 9 936 9 893 9 790

* Betreft 9 partijen in de Tweede Kamer + 1 partij in de Eerste Kamer die niet in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd.

** Betreft 150 zetels van de Tweede Kamer + 1 zetel in de Eerste Kamer die niet in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd.

02.07. Paspoortbeleid

De grondslag van het artikel

Paspoortwet.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.07t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  32 96142 75647 50942 39941 697 
1e suppletore begroting 2000  5 907608517493493 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  5452 85921 25813 15813 059 
Beleidsmatig  
1. elektronische identiteitskaart   3 500    
Beheersmatig  
2. bijstelling raming   8 2004 800– 1 300– 800 
3. meerkosten paspoorten (desaldering O02.04)   41 10016 40014 40013 800 
4. toedeling loonbijstelling 2000  5459585859 
Stand ontwerp-begroting 200126 29936 69438 92296 22369 28456 05055 24965 050
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00011 93416 65117 66243 66431 44025 43425 07129 518
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.07 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  38 80642 75647 50942 39941 697 
1e suppletore begroting 2000  5 907608517493493 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  5452 85921 25813 15813 059 
Beleidsmatig  
1. elektronische identiteitskaart   3 500    
Beheersmatig  
2. bijstelling raming   8 2004 800– 1 300– 800 
3. meerkosten paspoorten (desaldering O02.04)   41 10016 40014 40013 800 
4. toedeling loonbijstelling 2000  5459585859 
Stand ontwerp-begroting 2001 41 39244 76796 22369 28456 05055 24965 050
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000 18 78320 31443 66431 44025 43425 07129 518

De toelichting op de cijfers

De activiteiten met betrekking tot de instandhouding en verbetering van de «reisdocumentenketen» omvatten behalve de productie en distributie van reisdocumenten, tevens de zorg voor: de beleidsontwikkeling en het kwaliteitsbeleid, activiteiten ter bestrijding van fraude en misbruik, het instandhouden en verbeteren van de dienstverlening en het onderhouden en aanpassen van de wet- en regelgeving op het gebied van reisdocumenten. De taken op dit terrein worden verricht door het agentschap BPR. De agentschapbegroting met bijbehorende toelichtingen is opgenomen onder D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPBEGROTINGEN.

Aan de voor 2 april 2001 voorziene invoering van de nieuwe generatie reisdocumenten (NGR) zijn extra kosten verbonden.

Naast de introductie van de nieuwe (zo optimaal mogelijk beveiligde) reisdocumenten, richt het NGR-project zich ook op de processen die voor de afgifte van reisdocumenten nodig zijn en op de coördinatie en het beheer van deze processen. Tenslotte zullen ook de Paspoortwet en de bijbehorende regelgeving ten behoeve van de reisdocumentenketen worden herzien. De primaire invalshoek is hierbij de verbetering van de beveiliging van de processen ten behoeve van de reisdocumentenketen om fraude met en misbruik van reisdocumenten zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarnaast zijn er middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de ontwikkeling en toepassing van een elektronische identiteitskaart in het kader van het project «kiezen op afstand». Deze middelen zullen worden besteed aan pilots, waarin de toepasbaarheid van elektronische identificatie in de praktijk zal worden getoetst (zie ook de toelichting bij uitgavenartikel 08.01).

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.07/Artikelonderdeel199920002001200220 0320042005Econ.Func.
01 Productie- en distributiekosten35 79732 64590 31467 46254 22853 42663 2261201.1
02 Project (nieuwe generatie) reisdocumenten3 8936 5004 085    1201.1
03 Bijdragen aan het agentschap BPR1 7025 6221 8241 8221 8221 8231 8240301.1
Totaal41 39244 76796 22369 28456 05055 24965 050  

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.07 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Productie/distributie «oude» reisdocumenten:      
Vaste kosten 9 682 9 900  
Variabele kosten:  
paspoorten à f 9,351,7 mln15 8951,6 mln14 960  
Europese identiteitskaarten à f 5,020,9 mln5 5221,0 mln5 020  
 
Productie/distributie nieuwe generatie reisdocumenten:  
Paspoorten à f 21,56    1,636 mln35 280
Europese identiteitskaarten à f 13,55    0,989 mln13 385
eenmalige afkoop ontwikkelkosten nieuwe generatie reisdocumenten     39 700
Met ramingskengetallen toegelicht begrotingsbedrag 21 417 19 980 48 665
 
Project nieuwe generatie reisdocumenten 3 893 6 500 4 085
Overige kosten 4 698 2 765 1 949
 
Bijdrage ten behoeve van agentschap BPR 1 702 5 622 1 824
Totaal toegelicht begrotingsbedrag 41 392 44 767 96 223

In plaats van de (voor de huidige reisdocumenten geldende) «vaste kosten» is voor de per 2 april 2001 in te voeren nieuwe generatie reisdocumenten vooralsnog gekozen voor een eenmalige afkoop van de ontwikkelkosten (f 39,7 mln in 2001).

02.10. Personeel en materieel Openbaar Bestuur

De grondslag van het artikel

Besluit organisatorische inrichting DGOB 1999.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.101999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 31 81732 06931 77830 12430 124 
1e suppletore begroting 2000 1 395320320320320 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 869968941873897 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 869968941873897 
Stand ontwerp-begroting 200131 546(31 365)34 08133 35733 03931 31731 34131 358
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00014 315(14 233)15 46515 13714 99214 21114 22214 230

De toelichting op de cijfers

De uitgaven hebben betrekking op de hoofdbeleidsterreinen 02 (Openbaar Bestuur), 03 (Integratiebeleid minderheden) en uitgavenartikel 08.01 (Bevordering informatievoorziening overheid).Artikelsgewijze Toelichting

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.10/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Ambtelijk personeel26 22028 41728 74528 47926 75726 78126 7981101.1
02 Overig personeel1 2741 2924924924924924921201.1
03 Post-actieven7561 0871 0871 0871 0871 0871 0871101.1
04 Materieel3 2963 2853 0332 9812 9812 9812 9811201.1
Totaal31 54634 08133 35733 03931 31731 34131 358  

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.10/Artikelonderdeel: 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
01Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel227,0 *243,9 *243,9 
 Gemiddelde salariskosten ambtelijk personeel 115,51 117,06 117,6
 Toegelicht begrotingsbedrag 26 220 28 551 28 745
02Uitgaven voor niet-ambtelijk personeel 1 130 800  
 Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel227,0 243,9 243,9 
 Gemiddelde opleidingskosten per personeelslid 0,63 2,02 2,02
 Toegelicht begrotingsbedrag voor opleidingen 144 492 492
03Aantal wachtgeldgerechtigden14 15 15 
 Gemiddeld uitkeringsbedrag 54 54 54
 Toegelicht begrotingsbedrag 756 810 810
 Reservering ten behoeve van toekomstige wachtgelders   277 277
04Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel227,0 243,9 243,9 
 Gemiddelde materiële uitgaven per ambtenaar 14,51 13,47 12,44
 Toegelicht begrotingsbedrag 3 296 3 285 3 033
Totaal  31 546 34 081 33 357

* inclusief ambtelijk personeel met tijdelijke aanstelling (ongeveer 12 tijdelijke – bovenformatieve – plaatsen) ten behoeve van onder andere de projecten Overheidsloket 2000 (OL2000), Overheidsnetwerk 21 (ON21) en KKKP (Kansen krijgen, Kansen Pakken).

02.11. Waarde-overdracht pensioenen politieke ambtsdragers

De grondslag van het artikel

Wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.111999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 2 2639261 3371 5431 337   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 6728404640   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 6728404640   
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil2 3309541 3771 5891 3772 2771101.30
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil1 0574336257216251 033  

De toelichting op de cijfers

Indien (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van het Europees parlement gebruik maken van de mogelijkheid van pensioenwaarde-overdracht en waarde-overname, worden de daarmee verbonden uitgaven ten laste van dit artikel verantwoord.

De kengetallen

(in f 1 000)
U02.11 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen dat een uitkering ontvangt  2 2 
Bedrag per persoon   211,5 211,5
Toegelicht begrotingsbedrag   423 423

02.12. Grotestedenbeleid

De grondslag van het artikel

Bijdrageregeling sociale integratie en veiligheid G25.

Regelingen impuls leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie G19 + G6.

Bijdrageregeling leefbaarheid partiële GSB-steden.

Bijdrageregeling «Digitaal Trapveld».

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.121999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 134 075144 563158 050170 200170 200 
Nota van wijziging 2000 20 68520 68520 68521 00021 000 
1e suppletore begroting 2000 27 31919191919 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 340 97151 64752 00252 4534 453 
Beleidsmatig       
1. bijdrage wederopbouw Enschede 270 000     
Beheersmatig  
2. taallessen voor oudkomers (overboeking OCW) 19 600     
3. voortijdig schoolverlaten (overboeking OCW) 48 00048 00048 00048 000  
4. toedeling loonbijstelling 2000 3 3713 6474 0024 4534 453 
Stand ontwerp-begroting 20011 001 840523 050216 914230 756243 672195 672195 672
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000454 615237 35098 431104 713110 57488  79288 792
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U02.121999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 157 075167 563181 050193 200193 200 
Nota van wijziging 2000 20 68520 68520 68521 00021 000 
1e suppletore begroting 2000 27 31919191919 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 340 97151 64752 00252 4534 453 
Beleidsmatig       
1. bijdrage wederopbouw Enschede 270 000     
Beheersmatig  
2. taallessen voor oudkomers (overboeking OCW) 19 600  
3. voortijdig schoolverlaten (overboeking OCW) 48 00048 00048 00048 000  
4. toedeling loonbijstelling 2000 3 3713 6474 0024 4534 453 
Stand ontwerp-begroting 200145 969546 050239 914253 756266 672218  672218 672
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00020 860247 787108 868115 149121 01099  22999 229

De toelichting op de cijfers

Aan de G25 worden middelen verstrekt (in 2001 ongeveer f 186 mln) voor de volgende doelstellingen: het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving, het verminderen en tegengaan van jeugdcriminaliteit, het vergroten van betrokkenheid van burgers, het bevorderen van het harmonieus samenleven van verschillende groepen, het instandhouden en verbeteren van bedrijvigheid in de buurt, het bestrijden van overlast als gevolg van drugs en alcohol, het tegengaan van racistische en discriminerende tendenzen en een betere matching tussen bewoners en voorzieningen in de wijk. Een deel van de middelen is bestemd voor vijf zogenoemde partiële GSB-steden ter financiering van de uitvoering van wijkplannen voor leefbaarheidsbevordering. Daarbij wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie De Boer (kamerstukken II, 1999/2000, 21 062, nr. 91) waarin gevraagd is een extra bedrag te reserveren voor de partiële GSB-steden, opdat zij in deze convenantsperiode voor de twee wijken per gemeente relatief dezelfde middelen tot hun beschikking hebben als de G25.

Extra middelen (f 19,6 mln) zijn in 2000 toegevoegd voor het vergroten van deelname en succesvolle afronding van trajecten voor beheersing van de Nederlandse taal door werklozen en opvoeders uit de groep oudkomers (zie ook uitgavenartikel 03.01). Ook is in 2000 een bedrag van f 20 mln beschikbaar gesteld voor laagdrempelige gelegenheden in aandachtswijken van de grote steden (zogenoemde «digitale trapveldjes») waar bewoners van deze wijken op een toegankelijke wijze in contact kunnen komen met informatie- en communicatietechnologie (ICT). Tevens is voor de periode 2000 tot en met 2003 f 48 mln per jaar overgeboekt naar de BZK-begroting voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten in beroeps- en voortgezet onderwijs.

Voorts wordt in 2000 aan de gemeente Enschede een eenmalige rijksbijdrage verstrekt van f 270 mln. Deze bijdrage is bestemd voor de noodzakelijke activiteiten inzake de wederopbouw van de wijk Enschede Noord na de vuurwerkramp dit jaar.

Het gemeentebestuur verschaft conform afspraak in de convenanten uiterlijk 1 oktober 2004 de informatie over de mate waarin de afgesproken resultaten zijn bereikt. Met deze wijze van programmafinanciering wordt vorm gegeven aan de besturingsfilosofie van het GSB zoals die is verwoord in de doorstartconvenanten met de G25.

In meerjarige ontwikkelingsprogramma's GSB, die de basis vormen van de convenanten, geven de steden een beschrijving van de problematiek en de omvang en samenstelling van de groepen waar het stedelijk beleid betrekking op heeft en de maatregelen in termen van streefcijfers ten opzichte van de beginsituatie.

Door Rijk en steden wordt gezamenlijk een tussenstand opgesteld in het voorjaar van 2002 en een eindstand in 2004. De tussenstand en eindstand worden onder meer gevoed door de jaarlijkse monitor GSB, een landelijk beleidseffectenonderzoek, zelfanalyses en visitatie. Daarnaast wordt er een Grotestedenbulletin uitgegeven, een jaarboek GSB en vinden er regelmatig seminars en conferenties plaats. Met deze uitvoering is een bedrag van circa f 6 mln gemoeid.

In bijlage 14 is een extra-comptabel overzicht van rijksuitgaven met betrekking tot het GSB opgenomen op basis van de stand Miljoenennota 2001 en de ontwerp-begrotingen die daarmee samenhangen.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U02.12/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Bijdragen aan grote steden42 488538 731233 895247 737260 653212 653212 65343C06.9
02 Uitvoeringskosten diverse regelingen3 4817 3196 0196 0196 0196 0196 0191201.1
Totaal45 969546 050239 914253 756266 672218 672218 672  

03. Integratiebeleid minderheden

De Minister voor GSI is verantwoordelijk voor de coördinatie van het integratiebeleid minderheden. Tot deze coördinerende taak behoort tevens de verantwoordelijkheid voor de uitplaatsing van asielgerechtigden (statushouders) naar, en hun verdere inburgering in gemeenten. Onderdeel daarvan is de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van uitkeringen aan gemeenten in verband met hun zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV-ers), en voor de uitvoering van de Wet inburgering nieuwkomers. Tevens hoort daarbij de verantwoordelijkheid voor het remigratiebeleid en voor de uitvoering van de betreffende regelingen.

03.01. Algemeen integratiebeleid minderheden

De grondslag van het artikel

Regeling subsidiëring samenwerkingsverbanden minderheden en gezamenlijke rechtspersonen minderheden.

Wet inburgering nieuwkomers.

Regeling inburgering oudkomers.

Nota Kansen Krijgen, Kansen Pakken (Nota 3KP).

Nota Migratie Antilliaanse jongeren.

Nota Criminaliteit in relatie tot de Integratie van Etnische Minderheden (CRIEM-nota).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U03.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 15 71119 73223 74522 69522 695 
Nota van wijziging 2000 9 3159 3159 3159 0009 000 
1e suppletore begroting 2000 13 1802 0351 860990  
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 23 86372 11376 25570 96870 218 
Beleidsmatig  
1. project CRIEM  36 00036 00036 00036 000 
2. inburgering oudkomers 15 00025 00025 00025 00025 000 
3. Taskforce Inburgering  5 0005 000   
4. inburgering van Antilliaanse jongeren op de Antillen  4 0008 0008 0008 000 
5. inspraak minderheden voor overleg met Chinese minderheid  500500500500 
Beheersmatig  
6. taallessen voor oudkomers (overboeking OCW) 8 400  
7. inburgering (reallocatie U03.04)  1 0001 000750  
8. toedeling loonbijstelling 2000 463613755718718 
Stand ontwerp-begroting 200119 601(25 282)62 069103 195111 175103 653101 91357 913
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0008 895(11 472)28 16646 82850 44947 03646 24626 280

De toelichting op de cijfers

De doelstelling van het integratiebeleid minderheden is het realiseren van een actief en volwaardig burgerschap van leden van de etnische minderheden en – door het departementoverstijgende karakter van dit beleid – het bevorderen en bewaken van de samenhang in de beleidsdoelstellingen, opdat ieder lid van de samenleving op basis van gelijkberechtiging en respect zich in onze multiculturele samenleving kan ontplooien. Voor het evalueren van maatregelen die in het kader van het integratiebeleid zijn getroffen en voor het verwerven van verder inzicht in de ontwikkeling van de positie van etnische minderheden is periodiek«(wetenschappelijk) onderzoek» nodig.

Ten behoeve van «inspraak minderheden» over de hoofdlijnen van het integratiebeleid zijn er zeven samenwerkingsverbanden van minderheidsgroepen die op landelijk niveau zijn georganiseerd. Vanaf 2000 zal ook overleg worden gevoerd met vertegenwoordigers van de Chinese minderheid.

De voor 3KP geraamde middelen zijn bestemd voor bekostiging van activiteiten op de terreinen van antidiscriminatie (onder andere bijdragen aan (inter)nationale conferenties en professionalisering van antidiscriminatiebureaus), bestrijding werkloosheid, participatie en communicatie.

Uit de uitvoering van de CRIEM-pilots, die tot eind 2000 lopen, blijkt nu al dat de specifieke aandacht voor jongeren uit etnische minderheidsgroepen in het realiseren van een integrale aanpak (samenwerking met alle daarbij betrokken instanties) noodzakelijk is. Van 2001 tot en met 2004 is voor de uitvoering van de CRIEM-nota een bedrag van f 36 mln per jaar beschikbaar. Extra aandacht in dit traject zal er zijn voor de zogenoemde Antillianengemeenten, om een effectief beleid te voeren ten aanzien van de positieverbetering van Antillianen in deze gemeenten (met name op het terrein van onderwijs en arbeidsmarktparticipatie).

In 2001 is voor de inburgering een bedrag beschikbaar van bijna f 28 mln. Dit bedrag is in belangrijke mate bestemd voor de inburgering van oudkomers in de 17 gemeenten die 7% of meer etnische minderheden binnen hun gemeentegrenzen hebben, maar niet tot het GSB behoren. Daarenboven is er voor de inburgering oudkomers voor nog 13 gemeenten met meer dan 7% etnische minderheden in 2000 f 15 mln en voor verdere jaren f 25 mln beschikbaar gekomen. De doelstelling is het vergroten van de deelname aan en de succesvolle afronding van trajecten voor de beheersing van de Nederlandse taal door oudkomers. Er zijn twee prioritaire doelgroepen benoemd: opvoeders en werklozen. Het resterende budget betreft onder meer uitgaven voor de ondersteuning van gemeenten en andere betrokken instellingen bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid (oudkomers en nieuwkomers). Doel is het ondersteunen van de uitvoeringsorganisaties in de vorm van bijvoorbeeld methodiekontwikkeling, conferenties en medefinanciering van de Helpdesk inburgering en Inburgernet. Tevens is onderzoek geraamd, zoals de in de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) aangekondigde evaluatie. De eindrapportage wordt verwacht in het voorjaar van 2002. In de ramingen is ook opgenomen het inburgeringsprogramma voor Antillianen op de Antillen, dat onderdeel uitmaakt van de nota Migratie Antilliaanse Jongeren (tot en met 2004).

Voor een toelichting op de Taskforce Inburgering: zie B. Algemene toelichting bij de begroting.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Wetenschappelijk onderzoek minderhedenbeleid1 3501 5961 5961 5961 5961 5961 5961206.361
02 Inspraak minderheden4 4214 3664 8784 8784 8784 8784 87843F06.36
05 Specifiek minderhedenbeleid7 69312 05138 90638 73137 86136 87187143F06.36
06 Inburgering6 13744 05657 81565 97059 31858 56850 5681201.1
Totaal19 60162 069103 195111 175103 653101 91357 913  

03.03. Wet Rietkerk-uitkering

De grondslag van het artikel

Wet Rietkerk-uitkering.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.031999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 6 0005 7005 4005 1004 900   
Stand ontwerp-begroting 20016 273(6 300)6 0005 7005 4005 1004 9004 7004106.36
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 847(2 859)2 7232 5872 4502 3142 2242 133  

De toelichting op de cijfers

Ter herdenking van het feit dat het in 1986 vijfendertig jaar geleden was dat een groep van ruim 4 000 gezinnen en alleenstaanden (van Molukse afkomst) door de zorg van de Nederlandse regering naar Nederland kwamen, is besloten aan de in de wet Rietkerk-uitkering omschreven personen uit deze groep een herdenkingsuitkering en -penning toe te kennen. De uitvoering vindt plaats door de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP).

De kengetallen

(in f 1 000)
U03.03 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Netto-uitkeringen f 20002 0304 0601 9503 9001 8753 750
Netto-uitkeringen f 1000997997990990950950
Toegelicht begrotingsbedrag 5 057 4 890 4 700
Fiscale afdrachten 1 216 1 050 1 000
Administratiekosten SAIP   60  
Totaal 6 273 6 000 5 700

03.04. Zorgwet VVTV

De grondslag van het artikel

Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Zorgwet VVTV).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U03.041999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 164 382147 320132 320127 320127 320 
1e suppletore begroting 2000 68 5882 3062 1262 1262 126 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  9 941– 81 346– 126 346– 128 746 
Beleidsmatig  
1. Nieuwe Vreemdelingenwet  13 200– 78 200– 123 500– 126 600 
Beheersmatig  
2. inburgering (reallocatie U03.01)  – 1 000– 1 000– 750  
3. correctie prijsbijstelling  – 2 259– 2 146– 2 096– 2 146 
Stand ontwerp-begroting 2001187 986(187 883)232 970159 56753 1 003 100700 
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00085 304(85 258)105 71772 40824 0961 407318 

De toelichting op de cijfers

Middels de Zorgwet VVTV ontvangen gemeenten (via het Centraal Orgaan voor de opvang van Asielzoekers (COA)) een vergoeding voor de verlening van zorg aan statushouders (VVTV-ers). De invoering van de Vreemdelingenwet 2000 leidt tot een gelijktijdige afschaffing van de Zorgwet VVTV. De financiële afwikkeling van de Zorgwet VVTV na invoering van de Vreemdelingenwet 2000 al naar verwachting nog enige jaren in beslag nemen. Dit leidt (per saldo) tot bovenstaande mutatie.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.04/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Uitkeringen aan gemeenten187 015232 120158 71752 2502 250 43C06.36
02 Uitvoeringskosten Zorgwet VVTV971850850850850700 1201.1
Totaal187 986232 970159 56753 1003 100700   

De kengetallen

(in f 1 000)
U03.04 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting VVTV-ers14 610 18 135 12 576 
Gemiddelde uitkering per VVTV-er (inclusief inrichtingskosten) 12,8 12,8 12,8
Toegelicht begrotingsbedrag 187 015 232 120 160 976
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal VVTV-ers14 610 18 135 12 576 
Uitvoeringskosten per VVTV-er 0,07 0,05 0,07
Toegelicht begrotingsbedrag 971 850 850

De uitvoeringskosten van het COA bestaan voor een deel uit kosten die fluctueren met het aantal verleende statussen (variabele kosten) maar ook uit kosten die gelijk blijven, ongeacht het aantal statussen (vaste kosten). Indien het aantal VVTV-ers stijgt, dalen dus de uitvoeringskosten per VVTV-er.

03.05. Remigratiebeleid

De grondslag van het artikel

Remigratiewet.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U03.051999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 76 66378 87081 17888 33290 532 
1e suppletore begroting 2000 – 5 000– 5 000– 5 000– 2 000– 2 000 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 7879797979 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 7879797979 
Stand ontwerp-begroting 200166 656(66 590)71 74173 94976 25786 41188 61190 811
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00030 247(30 217)32 55533 55734 60439 21240 21041 208

De toelichting op de cijfers

Het voor 2001 beschikbare remigratiebudget is voornamelijk (ruim f 69 mln) bestemd voor uitkeringen in het kader van de Remigratiewet.

Deze wet is er op gericht remigratie mogelijk te maken voor personen die wensen terug te keren naar het land van herkomst, en die deze wens niet zelfstandig kunnen verwezenlijken.

Eerste uitgangspunt van het remigratiebeleid is dat de beslissing om te remigreren een vrijwillige en persoonlijke keuze van betrokkenen moet zijn. Ondersteuning van regeringszijde is gewenst omdat er geen belang mee is gediend indien personen vanwege allerlei belemmeringen zich genoodzaakt voelen in Nederland te blijven en af te zien van terugkeer naar hun herkomstland. Een tweede uitgangspunt is dat na terugkeer in het land van herkomst er voor de remigrant een redelijke mate van bestaanszekerheid zal moeten zijn. Ten derde is het van groot belang dat er voor personen die remigratie overwegen, goede mogelijkheden bestaan om zich objectief te laten voorlichten.

De Sociale Verzekeringsbank is belast met de uitvoering van de Remigratiewet. De voorlichting over de Remigratiewet wordt verzorgd door het Nederlands Migratie Instituut.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U03.05/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Uitkeringen aan belanghebbenden61 90066 94869 14871 44881 60283 80286 00243G06.36
02 Uitvoeringskosten remigratieregelingen2 6004 7934 8014 8094 8094 8094 8091206.36
03 Voorlichtingskosten remigratieregelingen2 1561206.36
Totaal66 65671 74173 94976 25786 41188 61190 811  

De kengetallen

(in f 1 000)
U03.05 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLEN REMIGRATIE-UITKERINGaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Remigratie-uitkeringen à gemiddeld f 13 3484 60061 4004 97866 4485 14368 648
Uitkeringen BasisRemigratieregeling à gemiddeld f 11 100455004550045500
Toegelicht begrotingsbedrag 61 900 66 948 69 148
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringen4 645 5 023 5 188 
Gemiddelde uitvoeringskosten (incl. voorlichting) per uitkering 1,02 0,95 0,93
Toegelicht begrotingsbedrag 4 756 4 793 4 801

De verwachte stijging van het aantal uitkeringen drukt de gemiddelde uitvoeringskosten.

05. Openbare orde en Veiligheid

Orde en veiligheid behoren tot de pijlers waarop het functioneren van onze samenleving is gebaseerd.

Dit zijn belangrijke toetsstenen voor de kwaliteit van het bestaan. Van de overheid mag worden verwacht dat zij voorziet in de behoefte aan openbare veiligheid, aan ordening en rust en aan de bescherming van leven, gezondheid en goederen tegen acute of dreigende aantastingen.

De politie, de brandweer en de rampenbestrijdingsorganisatie vervullen hierbij een wezenlijke rol.

Met betrekking tot de politie is de verantwoordelijkheid van de Minister van BZK gericht op het zorgdragen van het op een kwalitatief en kwantitatief adequaat niveau houden van de Nederlandse politieorganisatie.

Deze zogeheten systeemverantwoordelijkheid voor de gehele Nederlandse politie richt zich op de (25) politieregio's, het (26e) KLPD, de IT-organisatie voor de politie (ITO) en op het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP).

De algemene doelstelling wordt bereikt door financiering, monitoring, toezicht en verantwoording enerzijds en door het stellen van kwalitatieve eisen (regelgeving, opleidingen, etcetera) en bevordering en facilitering van samenwerking en gemeenschappelijke voorzieningen anderzijds.

In het aan de Tweede Kamer uitgebrachte BNP zijn op hoofdlijnen de plannen van de regering neergelegd voor deze kabinetsperiode.

De belangrijkste ontwikkelingen daarin zijn:

• de taken van de politie: De politie is als centraal instituut in de veiligheidsketen aanspreekbaar op de feitelijke veiligheidssituatie. De politie heeft daarbij – naast een repressieve – ook een pro-actieve (preventieve, veiligheidsbevorderende) taak;

• de beleidsthema's jeugdcriminaliteit, geweld op straat, zware, georganiseerde criminaliteit, het bevorderen van de verkeersveiligheid en de handhaving van de milieuwetgeving. Hierbij dienen de korpsen in de documenten van de beleids- en beheerscyclus een analyse te geven van de regionale problemen, betrokken op de beleidsonderwerpen. Vervolgens zullen zij jaarlijks op basis van deze analyse moeten beschrijven welke activiteiten worden ondernomen om de gestelde doelen te bereiken thema's en hoe middelen en personeel daarbij worden ingezet;

• internationale politiesamenwerking, waarbij aandacht voor de coördinatie van internationale activiteiten van korpsen;

• verbetering in organisatie en bedrijfsvoering van de korpsen: beter gebruik van beleids- en beheerscyclus, bevorderen van transparantie en benchmarking van prestaties en effecten;

• personele ontwikkeling : uitbreiding van de sterkte deze kabinetsperiode, inventarisatie van belemmeringen voor een flexibele inzet van de politie die voortkomen uit de organisatie of rechtspositionele regelingen. Stroomlijning van de werving en selectie.

Al deze onderwerpen krijgen een plaats in de in gang gezette beleids- en beheerscyclus politie.

Dit betekent dat in de jaarverslagen van de regio's genoemde onderwerpen een nadere invulling krijgen op basis waarvan de Kamer jaarlijks nader kan worden geïnformeerd.

BZK wil nader invulling geven aan het kabinetsbrede veiligheidsbeleid, onder andere door inzicht te geven in lopende en vereiste activiteiten op rijksniveau en de doorwerking daarvan naar en vanuit mede-overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Naast de verantwoordelijkheid voor de gehele politieorganisatie, is de Minister van BZK met ingang van 2000 ook korpsbeheerder van het KLPD. Het KLPD heeft zelfstandige- en ondersteunende taken, die het al dan niet in samenwerking met de regiokorpsen verricht. De kerntaken en het BNP geven richting aan de beleidsthema's van het korps.

Door BZK wordt in samenspraak met het politieveld in de door de Minister van BZK ingestelde Regieraad ICT Politie inhoud gegeven aan de ICT-paragraaf van het Convenant Politie 1999. De Regieraad ICT Politie is bezig om een organisatiestructuur vorm te geven om de inhaalslag op het terrein van de ICT te kunnen realiseren. Op basis van Jaarplannen stuurt de Regieraad de inhaal- en vernieuwingsslag aan en legt vervolgens verantwoording af aan de Minister van BZK over de mate waarin de voorgenomen activiteiten/projecten zijn gerealiseerd. De Regieraad ICT Politie is in december 1999 ingesteld tot uiterlijk 31 december 2005.

Door BZK wordt een verdere invulling gegeven aan het ontwikkelen van standaardisatie activiteiten op het gebied van gegevensuitwisseling voor de crisisbeheersing en rampenbestrijding. Het doel is om te komen tot een «standaard organisatie» die door alle betrokken partijen als gezaghebbend wordt ervaren.

De komende jaren zal versneld worden zorgdragen voor het op een kwalitatief hoger niveau brengen en houden van de brandweer- en rampenbestrijdingsorganisatie, zodat de maatschappelijke schade als gevolg van brand, rampen en zware ongevallen wordt voorkomen, dan wel geminimaliseerd.

Bevorderd wordt dat de betreffende (met name lokale) autoriteiten hun bevoegdheden respectievelijke taken op het gebied van brandweer en rampenbestrijding adequaat uitoefenen.

Beleid en regelgeving wordt ontwikkeld en geïmplementeerd ter ondersteuning van ieders verantwoordelijkheid en er wordt bijgedragen in de financiering.

Deze zogeheten systeemverantwoordelijkheid richt zich primair op de regionale en de gemeentelijke brandweer, de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen(GHOR)-regio's, het Nbbe en het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA).

05.09. Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

De grondslag van het artikel

Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.091999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 325 365337 825350 765364 200378 768   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  – 7 825– 17 765– 24 200– 30 768   
Beheersmatig  
1. geneeskundige verzorging politie (desaldering O05.01)  – 7 825– 17 765– 24 200– 30 768   
Stand ontwerp-begroting 2001294 180(294 169)325 365330 000333  000340 000348 000348 00043B05.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000133 493(133 488)147 644149 747151  109154 285157 916157 916  

De toelichting op de cijfers

De Dienst Geneeskundige Verzorging Politie (DGVP) voert deze ziektekostenregeling uit. Hij fungeert als een verplichte ziektekostenverzekeraar voor alle werknemers bij de politie en voor diegenen die met pensioen zijn of gebruik hebben gemaakt van een ontslagregeling die vooraf gaat aan het pensioen. De gezinsleden van deze verzekerden zijn meeverzekerd, voorzover zij geen eigen aanspraken op een ziektekostenregeling hebben of anderszins zijn uitgesloten.

Het Rijk kent, volgens de bepalingen van het besluit en volgens nader door de Minister van BZK vast te stellen regels, de vergoeding of tegemoetkoming toe. Op grond van geactualiseerde gegevens wordt de raming van de dienst GVP bijgesteld. De regeling gaat in beginsel uit van een kostendekkende premieheffing.

De op dit artikel geraamde uitgaven hangen samen met de (premie) ontvangsten op het ontvangstenartikel 05.01. De premie wordt gemeenschappelijk opgebracht door de deelnemers en werkgevers.

Eind 1999 is gestart met het Interdepartementaal beleidsonderzoek geneeskundige verzorging politie. Aanleiding voor dit onderzoek is de in het regeerakkoord opgenomen taakstelling op de ziektekostenregelingen overheid. Onderzocht wordt in hoeverre de ziektekostenregeling zich qua aanspraken, doelgroepen en premiestelling verhoudt tot hetgeen gangbaar is in de markt en andere overheidssectoren. De uitkomsten van het onderzoek kunnen aanknopingspunten bieden om zowel in financiële als in inhoudelijke zin deze taakstelling in te vullen.

De kengetallen

(in f 1 000)
U05.09 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantallen rechthebbenden138 372 140 000 141 000 
Gemiddeld uitkeringsbedrag per rechthebbende 2,126 2,325 2,340
Toegelicht begrotingsbedrag 294 180 325 365 330 000

05.15. Financiële rechtspositie rampenbestrijding

De grondslag van het artikel

Artikel 16 van de Intrekkingswet Bescherming Bevolking (IBB).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.151999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 3 4692 4691 4691 4691 469   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 10679515151   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 10679515151   
Stand ontwerp-begroting 20013 124(3 463)3 5752 5481 5201 5201 5201 52043E03.5
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001 418(1 571)1 6221 156690690690690  

De toelichting op de cijfers

De IBB voorziet in een wachtgeld, of in een uitkering aan voormalig noodwachtpersoneel. Het aantal wachtgeldgerechtigden loopt gestaag terug, vooral omdat de betrokken personen met ouderdomspensioen gaan.

Per 29 februari 2000 bedroeg het aantal wachtgeldgerechtigden 53 (31 maart 1999: 65).

Op dit artikel worden tevens de uitgaven verantwoord van het werkgeversaandeel in de ziektekostenvoorziening voor voormalige noodwachtambtenaren, die reeds een ouderdomspensioen genieten. Deze uitgaven stijgen als gevolg van de voornoemde pensionering voorlopig nog. Als gevolg van natuurlijk verloop zullen op termijn ook deze kosten gaan afnemen.

De kengetallen

(in f 1 000)
U05.15 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal uitkeringsgerechtigden63 53 33 
Bedrag per eenheid 28 44 40
Toegelicht begrotingsbedrag 1 786 2 333 1 305

Het verschil tussen het toegelicht begrotingsbedrag en de stand ontwerp-begroting 2001 betreft het werkgeversaandeel in de ziektekostenvoorziening van voormalige noodwachtambtenaren. Het aantal uitkeringsgerechtigden betreft het (geraamd) gemiddeld aantal uitkeringsgerechtig-den in het betreffende jaar. Het lagere bedrag in 1999 ten opzichte van de voorgaande ontwerp-begroting wordt veroorzaakt door het niet belasten van de uitgaven in november en december 1999.

05.20. Bijdragen LSOP

De grondslag van het artikel

In de LSOP-wet is vastgelegd dat het LSOP valt onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de Ministers van Justitie en van BZK.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.201999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 105 852105 852105 352105 352105 352 
1e suppletore begroting 2000 63 87038 8933 3823 3523 352 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2 3752 3992 3832 3832 383 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 2 0512 0762 0622 0622 062 
2. toedeling prijsbijstelling 2000 324323321321321 
Stand ontwerp-begroting 2001280 900172 097147 144111 117111 08711 1 087111 087
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000127 46778 09466 77150 42350 40950 40950 409
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.201999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 105 957105 852105 352105 352105 352   
1e suppletore begroting 2000 54 22932 09438 5073 3523 352   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2 3752 3992 3832 3832 383   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 2 0512 0762 0622 0622 062   
2. toedeling prijsbijstelling 2000 324323321321321   
Stand ontwerp-begroting 2001156 656162 561140 345146 242111 087111 087111 08743A03.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00071 08773 76763 68666 36250 40950 40950 409  

De toelichting op de cijfers

Tot de taken van het LSOP worden onder meer gerekend de landelijke werving en selectie, de primaire opleidingen (agent, surveillant en officier) alsmede vervolgopleidingen op het terrein van management, verkeer, handhaving en recherche.

De capaciteit van het LSOP is tot en met 2002 afgestemd op de in het regeerakkoord afgesproken extra instroom van 3 000 politiefunctionarissen. Voor het aandeel van Justitie in de jaarlijkse kosten van het LSOP wordt verwezen naar het ontvangstenartikel 05.09.

Relevante ontwikkelingen in het jaar 2001:

* Herstructurering onderwijs politie. Binnen het project Politieonderwijs 2002 is fase 1, de formulering van de beroepsprofielen en de vaststelling daarvan door de beide politieministers, afgerond. In fase 2 worden momenteel de eindtermen voor de verschillende opleidingen geformuleerd zodat vervolgens de feitelijke onderwijsontwikkeling ter hand genomen kan worden. Het vernieuwde onderwijs zal een afwisseling kennen tussen leren en werken in de korpsen. Aandacht wordt geschonken aan de gevolgen van de implementatie van het vernieuwde onderwijs voor de politieregio's.

* LSOP-wet. In de LSOP-wet zal de bestuursstructuur van het LSOP worden aangepast. Voorts wordt in de wet de beheersbevoegdheid op rijksniveau bij de Minister van BZK neergelegd en wordt rekening gehouden met de vernieuwing van het politieonderwijs.

* Bekostiging. Om een financieel gezonde basis te creëren voor het vernieuwde onderwijs is een onderzoek verricht naar de mogelijkheid om te komen tot een balanssanering van het LSOP. Voordat hierover besluitvorming kan plaatsvinden zal nader onderzoek noodzakelijk zijn. Dit onderzoek zal in 2000 worden afgerond.

Ook is onderzoek gedaan naar een nieuw bekostigingsstelsel voor het LSOP. In het eindrapport is een aantal uitgangspunten en een plan van aanpak voor een vernieuwd stelsel aangegeven, waarbij is gepleit voor het uitvoeren van een benchmark. Dit onderzoek is in 2000 gestart. In de eerste fase gaat het om het formuleren van een voorstel voor een bekostigingsstelsel voor het LSOP gebaseerd op het principe van integrale kostprijsberekening. In de tweede fase moet de hoogte van het budget voor het politieonderwijs in de jaren 2002 en verder worden bepaald, waarbij ook rekening wordt gehouden met de uitkomsten van het project Politieonderwijs 2002.

De kengetallen

Instroomcijfers LSOP over de periode 1995–1999 en de prognose 2000–2001kst-27400-VII-2-1.gif

05.21. Openbare Veiligheid

De grondslag van het artikel

Brandweerwet 1985.

Wet rampen en zware ongevallen.

Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen.

Verder zijn verdragen inzake de wederzijdse hulpverlening bij rampen gesloten met Duitsland en België. Tevens vloeien verplichtingen voort uit het Ondersteuningsverdrag met Hongarije, het NAVO- en het EU-lidmaatschap.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.21t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  98 956141 608141 266152 531150 906 
1e suppletore begroting 2000  51 2081 0041 0551 0511 051 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  71 24116 53714 62314 92414 924 
Beleidsmatig  
1. directe kosten vuurwerkramp Enschede  33 000     
2. commissie Rampen en Calamiteiten   2 0005 0005 0005 000 
3. versterking rampenbestrijding   10 0005 0005 0005 000 
4. bommenregeling  35 000     
Beheersmatig  
5. toedeling loonbijstelling 2000  2 1963 1623 4273 8053 805 
6. toedeling prijsbijstelling 2000  1 0451 3751 1961 1191 119 
Stand ontwerp-begroting 200149 254598 715221 405159 149156 944168 506166 881166 881
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 00022 350271 685100 46972 21971 21876 46575 72775 727
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.21 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  109 352147 190147 026153 973153 973 
1e suppletore begroting 2000  51 2081 0041 0551 0511 051 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  71 24116 53714 62314 92414 924 
Beleidsmatig  
1. directe kosten vuurwerkramp Enschede  33 000     
2. commissie Rampen en Calamiteiten   2 0005 0005 0005 000 
3. versterking rampenbestrijding   10 0005 0005 0005 000 
4. bommenregeling  35 000     
Beheersmatig  
5. toedeling loonbijstelling 2000  2 1963 1623 4273 8053 805 
6. toedeling prijsbijstelling 2000  1 0451 3751 1961 1191 119 
Stand ontwerp-begroting 2001 592 477231 801164 731162 704169 948169 948169 948
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000 268 854105 18774 75273 83277 11977 11977 119

De toelichting op de cijfers

De vuurwerkramp in Enschede benadrukt het belang van een samenhangend geheel aan maatregelen die er op gericht zijn de kans op branden, zware ongevallen en rampen te minimaliseren. Dit kan worden bereikt door het op een kwalitatief hoog niveau brengen en houden van de Nederlandse brandweer- en rampenbestrijdingsorganisatie. Hiertoe wordt bevorderd dat de betrokken autoriteiten hun bevoegdheden en taken op het gebied van brandweer, spoedeisende medische hulpverlening en rampenbestrijding adequaat uitoefenen. De implementatie van de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 staat thans centraal.

De coördinatie van de rampenbestrijding is in Nederland een taak van de regionale brandweer, een samenwerkingsverband van gemeenten. De bekostiging van de regionale brandweer geschiedt door gemeenten en door het rijk. De bijdrage van het rijk richt zich vooral op de uniformering van de regionale rampenbestrijding. Zij bestaat uit:

• een bijdrageregeling,

• het van rijkswege verstrekken van rampenbestrijdingsmaterieel,

• de ontwikkeling, het beheer en het ter beschikking stellen van landelijke systemen en

• het ontwikkelen van (flankerend) beleid.

In 2001 zal het laatste deel van het materieel van de geneeskundige combinaties aan de regio's ter beschikking worden gesteld. De geneeskundige hulpverlening is gebaseerd op een samenwerking van vrijwilligers en professionals in de geneeskundige combinatie. Nagenoeg de gehele uitrusting is reeds aangeschaft, met uitzondering van die van de mobiel medische teams. De teams vormen het zogenaamde professionele deel van die samenwerking en ten behoeve van deze teams zal de uitrusting worden aangeschaft. Hierbij moet zowel worden gedacht aan anesthesiologisch en chirurgisch materiaal als aan voertuigen voor het vervoer van de mobiel medische teams. De aanbesteding van de uitrusting heeft in 2000 plaatsgevonden.

In de periode 1990–1997 zijn ten behoeve van het waarschuwingsstelsel (WAS) 3 800 sirenes geplaatst. De verdichting van het stelsel met circa 250 sirenes, vooral als gevolg van het groeiende woningbouwcontingent, zal in 2001 worden voortgezet. De introductie van het digitale verbindingsnetwerk C2000 zal de wijze van aansturing van het WAS, dat thans nog op analoge wijze plaatsvindt, doen wijzigen. Het WAS zal in de toekomst door middel van C2000 worden aangestuurd.

Bijdragen

Interim-Besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen (I-BDUR)

De financieringssystematiek voor de rampenbestrijding zal worden herzien als onderdeel van de beleidsvoornemens genoemd in de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004. De verdeelsystematiek zal meer worden toegesneden op de in de regio's aanwezige risico's. Met ingang van 1 januari 2001 treedt het I-BDUR in werking. Op 1 januari 2003 zal een definitief bijdragebesluit in werking moeten treden.

De nieuwe bijdrageregeling berekent de bijdrage op basis van objectief vast te stellen grootheden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van het bestuur ter plaatse om de middelen adequaat te besteden aan de wettelijke taken.

Directe kosten vuurwerkramp Enschede

BZK heeft een coördinerende rol bij de afwikkeling van de vuurwerkramp. Voor de directe kosten samenhangend met de ramp is voor 2000 f 33 mln beschikbaar. Hieruit wordt met name gefinancierd de gemeente Enschede met een voorschot voor de additionele gemeentelijke kosten (de definitieve rijksbijdrage in de directe gemeentelijke kosten wordt nader bepaald), de additionele kosten gemaakt voor de bijstandsverlening van andere politie- en brandweerregio's en de ingestelde commissie onderzoek Vuurwerkramp (commissie-Oosting).

Commissie Rampen en Calamiteiten

Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede heeft het Kabinet op 9 juni 2000 besloten tot de oprichting van de Commissie Rampen en Calamiteiten. Deze Commissie krijgt tot taak diepgaande en onafhankelijke onderzoeken van ernstige ongevallen te verrichten die buiten het werkterrein vallen van de Raad voor de Transportveiligheid en de nog op te richten Ongevallenraad Defensie. Hieronder vallen onder andere het inhuren van specifieke expertise en het uitvoeren van hoorzittingen. De Commissie zal tevens coördinerend optreden bij ongevallen, waarbij meerdere ongevalsraden een wettelijke onderzoekstaak hebben.

Beleidsontwikkeling

De beleidsnota Rampenbestrijding beoogt een geïntegreerd overzicht te geven van hetgeen tot nu toe bereikt is, wat nog verbetering behoeft en de beleidsvoornemens voor de komende jaren om tot een adequate bestrijding van rampen te komen. Met de beleidsnota wordt een traject ingezet dat grotendeels in 2003 zal zijn voltooid. In 2001 komen onder andere de volgende beleidsvoornemens aan de orde:

Verhoging veiligheidsniveau. De vuurwerkramp in Enschede benadrukt het belang om de pro-actie en preventie ten aanzien van risicovolle situaties te verbeteren. Het is noodzakelijk dat het inzicht in de bestaande en mogelijke risico's wordt vergroot. Er moet worden bevorderd dat de regionale brandweer de aanwezige risico's in kaart brengt. Op basis daarvan kan de regionale brandweer beter bepalen welke operationele prestaties de (parate) diensten en de overige betrokkenen moeten kunnen leveren om die risico's te beheersen. In de beleidsnota is reeds aangekondigd dat zal worden gestimuleerd dat op regionaal niveau voldoende personele capaciteit beschikbaar komt om de gemeenten op het gebied van pro-actie en preventie naar behoren te ondersteunen.

Een instrument hiervoor, de Veiligheidseffectrapportage is in 2000 gereed gekomen. Om in de toekomst de geheel zelfstandige effectieve toepassing van dit instrument door betrokkenen te kunnen waarborgen, zal gewerkt worden aan opleidingsprogramma's, lesmateriaal en trainingen en cursussen. In 2001 worden de eerste trainingen gestart.

Tevens wordt gewerkt aan het formuleren van een maatschappelijk aanvaardbaar niveau van veiligheid voor infrastructuur, waaronder tunnels. In 2001 komen de eerste resultaten in de vorm van een afwegingskader voor tunnels beschikbaar.

Internationale hulpverlening en bijstand. Nederland wil bijstand leveren bij rampen in het buitenland. Met name voor natuurrampen, waarbij sprake is van instorting van gebouwen, kan de brandweer – in samenwerking met andere hulpverleningsorganisaties en eventueel defensie – een «Search and Rescue-eenheid» formeren. Thans is in overleg met onder meer BuiZa en Defensie een voorstel in ontwikkeling voor de organisatorische samenstelling van deze eenheid en de benodigde uitrusting. Naar verwachting zal in het najaar van 2000 worden gestart met de formatie en training van deze eenheid, zodat deze vanaf de eerste helft van 2001 operationeel inzetbaar is.

In het kader van de bestrijding van rampen en zware ongevallen in de grensgebieden met Duitsland en België, wordt gestreefd naar structurele regelingen en oplossingen voor knelpunten. Daarbij speelt het rijk een ondersteunende rol. Met de gesloten bijstandsovereenkomsten is de grondslag gelegd voor grensoverschrijdende bijstand en voor grensoverschrijdende regelingen op decentraal niveau. Het grensoverschrijdend oefenen en de totstandkoming van grensoverschrijdende rampenplannen worden gestimuleerd.

Meer en beter opleiden en oefenen. De kwaliteit van het optreden bij branden en rampen wordt sterk beïnvloed door de mate waarin de betrokken bestuurders en het personeel van de betrokken diensten voor hun taken zijn opgeleid en geoefend.

In 2000 is een onderzoeksrapport verschenen over de opleidingen voor GHOR. Op basis van dit rapport is in 2000 een start gemaakt met het actualiseren van enkele initiële opleidingen. In 2001 zullen ook de post-initiële opleidingen GHOR worden ontwikkeld.

Naar aanleiding van het algemeen overleg, dat is gevoerd over de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004, wordt grote prioriteit gegeven aan het stimuleren van het oefenbeleid rampenbestrijding. Hiervoor is in 2000 gestart met een onderzoek naar de mate van geoefendheid van gemeentelijke actiecentra.

In 2000 is voor de brandweer het project Kwaliteitszorg brandweerpersoneel gestart, dat zich onder meer richt op het verwezenlijken van meer functiegerichte opleidingen. Ook voor het bijhouden van kennis en vaardigheden worden in dit project normen ontwikkeld. Het project heeft een doorlooptijd van drie jaar. Een knelpunt voor de brandweer is dat de mogelijkheden om realistisch te oefenen beperkt zijn. In overleg met het brandweerveld worden de capaciteit en de kwaliteit van oefencentra verbeterd.

In 2000 is een onderzoek afgerond naar de bijdrage die nieuwe technologieën kunnen leveren aan de kwaliteit van opleiding en (realistische) oefening bij de brandweer. Als vervolg hierop worden in 2001 pilots gestart waarin potentieel geschikte hulpmiddelen worden beproefd. Bij gebleken geschiktheid zullen de hulpmiddelen vervolgens ter beschikking komen aan het brandweerveld.

Met het brandweerveld worden de capaciteit en de kwaliteit van oefencentra besproken. Uiteindelijk zal elk korps binnen 60 minuten een oefencentrum moeten kunnen bereiken, dat voldoende is toegerust om ervaren brandweermensen goed te oefenen in het bestrijden van binnenbranden.

In 2001 wordt gestart met de ontwikkeling van een evaluatiemethode voor realistisch oefenen en voor incidenten. Een dergelijke methode dient geschikt te zijn voor evaluatie van brandweerinzet en daarnaast dienen de gegevens stapelbaar te zijn voor landelijke evaluatie. Hiermee kunnen landelijke trends worden gesignaleerd.

Vergroting participatie van vrouwen bij de brandweer.Bij de brandweer zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. De werving van vrouwen bij de brandweer is een primaire verantwoordelijkheid van gemeenten en regio's. De VNG en de koepelorganisaties van de brandweer zijn uitgenodigd deel te nemen in een projectgroep die zich zal inzetten om de participatie van vrouwen bij de brandweer te verhogen. Nog in 2000 zal een landelijke campagne worden begonnen voor het werven van vrouwen bij de brandweer.

Daarnaast wordt een officiersopleiding begonnen die geheel of grotendeels uit vrouwen bestaat. Ook worden selectie-eisen voor de brandweer ontwikkeld die kandidaten, ongeacht afkomst of sekse, gelijke kansen bieden om te worden aangesteld bij de brandweer.

Versterking rampenbestrijding. Voor het wegwerken van landelijke knelpunten bij de rampenbestrijding is structureel een extra bedrag van f 5 mln beschikbaar gesteld boven op de eerder ter beschikking gestelde middelen. Hierbij valt onder andere te denken aan financiële prikkels ter bevordering van het houden van oefeningen. In gang gezette maatregelen zijn gericht op het ontwikkelen van kwaliteitscriteria voor oefenen, het beoefenen van rampenbestrijdingsplannen voor vliegtuigongevallen op luchtvaartterreinen, deskundigheidsbevordering met betrekking tot multidisciplinair en bestuurlijk oefenen en het ontwikkelen van een specifiek op rampenbestrijding gerichte oefenbank. Een ander voorbeeld is de stationering van drie procescoördinatoren die zich bezighouden met pro-actie op het terrein van veiligheid bij grote infrastructurele werken als HSL en Betuweroute. De besteding van deze gelden gebeurt in overleg met de koepelorganisaties.

Revitalisering van het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK). Het NPK wordt gerevitaliseerd. Dit plan vormt de basis voor een gecoördineerde inzet van de verschillende bestuurslagen en uitvoerende diensten ten tijde van een ongeval met een kerncentrale. In samenwerking met VROM, die de coördinatie voert, is een project gestart tot revitalisering van het NPK. Doel is om te komen tot een organisatie voor de bestrijding van nucleaire ongevallen, die duurzaam, slagvaardig en efficiënt is en in staat is zich voortdurend te vernieuwen in reactie op de veranderde omgeving. In de eerste helft van 2002 zal het project worden afgerond.

Bommenregeling

Per 1 januari 2000 is de Bijdrageregeling kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog overgeheveld van het Financiën naar BZK.

Het huidige budget bedraagt f 10,009 mln per jaar. Dit jaar is er echter sprake van een aantal ontwikkelingen die er toe geleid hebben dat gemeenten veelvuldig een beroep op de regeling doen. Met name door de huidige intensivering van het gebruik van de openbare ruimte, waaronder grote (infrastructurele) projecten als Vinex locaties, aanleg HSL en dijkverbeteringswerken in het kader van de Delta Wet Grote Rivieren, worden er veelvuldig opsporingswerkzaamheden verricht. Het budget voor het jaar 2000 is naar aanleiding hiervan incidenteel verhoogd met f 35 mln.

Naar de toekomstige verdeling van de kosten over Rijk en gemeenten, wordt onderzoek gedaan.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.21/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Crisisbeheersing1751751751751751203.5
02 Specifieke uitgaven rampenbestrijding77 577104 879133 989135 829145 153145 153145 15343F03.4
03 Investeringen rampenbestrijding29 43715 34418 05814 19112 11112 11112 1115203.4
04 Brandweerzorg485 46366 5692 5002 5002 5002 5002 5003103.4
05 Opsporing en ruiming explosieven 45 00910 00910 00910 00910 00910 00943A06.35
Totaal592 477231 801164 731162 704169 948169 948169 948  

05.22. Nationaal Coördinatiecentrum

De grondslag van het artikel

Instellingsbesluit DGOOV en Regeling NCC 1998.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.2219992000200120022003200420 05Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 1 5591 5601 5601 5601 560   
1e suppletore begroting 2000 2526262525   
Stand ontwerp-begroting 20011 127(1 305)1 5841 5861 5861 5851 5851 5851203.6
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000511(592)719720720719719719  

De toelichting op de cijfers

Het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) heeft tot taak de Minister van BZK bij te staan in de uitoefening van zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheid op het gebied van crisisbeheersing en de handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede de voorbereiding daarop.

Bij een (dreigende) verstoring van de openbare orde en veiligheid of in acute noodsituaties coördineert het NCC het overheidsoptreden en verzorgt de coördinatie van de informatievoorziening tussen de verschillende bestuurslagen.

Wanneer in geval van calamiteiten of incidenten van een grotere omvang een intensieve interdepartementale coördinatie is vereist, zorgt het NCC voor de structuren en faciliteiten.

Bij grote calamiteiten vindt een opschaling plaats, waarbij de vaste formatie wordt uitgebreid. Iedereen binnen de opgeschaalde situatie moet weten hoe te handelen. Het is daarom van belang dat de deelnemers vanuit de diverse beleidsvelden goed op elkaar zijn ingespeeld. Voor dit doel is een meerjarig opleidings- en oefenplan in uitvoering.

Een aanzienlijk deel van de uitgaven heeft betrekking op uitgaven voor exploitatie en aanschaf van infrastructurele voorzieningen. Deze omvatten in hoofdzaak communicatiefaciliteiten, voorzieningen voor het informatiebeheer, het berichtencentrum en de uitwijklocatie. De uitwijklocatie, die tevens dienst doet als Regeringsnoodzetel, wordt in stand gehouden om een permanent functioneren van het NCC te waarborgen.

05.23. Bijdragen regionale politie

De grondslag van het artikel

Artikel 44 van de Politiewet 1993 bepaalt onder andere dat de Minister van BZK aan de politieregio's bijdragen beschikbaar stelt voor politiezorg; dit artikel is nader uitgewerkt in het Besluit financiën regionale politiekorpsen (BFRP). Dit besluit geeft drie wijzen van bekostiging, te weten de algemene bijdrage, de bijzondere bijdragen en de aanvullende bijdrage.

Met de bijdragen op de uitgavenartikelen 05.23 en 05.24 wordt voorzien in de financiering van de regionale politiekorpsen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.23t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  5 219 4605 364 6845 543 0205 637 6955 684 790 
1e suppletore begroting 2000  35 42960 528– 44 689– 11 559– 40 859 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  160 007190 702159 290149 773138 632 
Beleidsmatig  
1. oplossen financiële knelpunten politieregio's   20 000    
2. politie-inzet vierde aanmeldcentrum asielzoekers   5 5005 5005 5005 500 
3. Nieuwe Vreemdelingenwet   600– 21 700– 37 800– 56 800 
4. herziening taakstelling doorberekening handhavingskosten   5 00010 00015 00020 000 
Beheersmatig  
5. veiligheidsonderzoeken (reallocatie U06.01)  – 350– 3 200– 3 900– 3 900– 3 900 
6. toedeling loonbijstelling 2000  127 017128 938134 155135 409137 673 
7. toedeling prijsbijstelling 2000  33 34033 86435 23535 56436 159 
Stand ontwerp-begroting 20014 788 3125 429 2205 414 8965 615 9145 657 6215 775 9095 782 5635 821 063
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0002 172 8412 463 6732 457 1732 548 3912 567 3162 620 9932 624 0132 641 483
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.231999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 5 193 2195 274 8905 488 3425 539 6285 632 228   
1e suppletore begroting 2000 – 101 243– 46 674– 63 183– 36 159– 40 859   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 160 007190 702159 290149 773138 632   
Beleidsmatig         
1. oplossen financiële knelpunten politieregio's  20 000      
2. politie-inzet vierde aanmeldcentrum asielzoekers  5 5005 5005 5005 500   
3. Nieuwe Vreemdelingenwet  600– 21 700– 37 800– 56 800   
4. herziening taakstelling doorberekening handhavingskosten  5 00010 00015 00020 000   
Beheersmatig         
5. veiligheidsonderzoeken (reallocatie U06.01) – 350– 3 200– 3 900– 3 900– 3 900   
6. toedeling loonbijstelling 2000 127 017128 938134 155135 409137 673   
7. toedeling prijsbijstelling 2000 33 34033 86435 23535 56436 159   
Stand ontwerp-begroting 20015 011 7375 251 9835 418 9185 584 4495 653 2425 730 0015 768 50143A03.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 274 2272 383 2462 458 9982 534 1122 565 3292 600 1612 617 632  

De toelichting op de cijfers

De algemene bijdrage. De algemene bijdrage per regio wordt grotendeels bepaald op basis van de uitkomsten van het Budgetverdeelsysteem (BVS). Daarnaast zijn er toevoegingen voor de inzet voor de asieltaken. Het beschikbare budget wordt periodiek gewijzigd als gevolg van een stijging in het aantal budgetverdeeleenheden (BVE's), loon- en prijsstijgingen, en specifieke aanpassingen bijvoorbeeld voortvloeiend uit het regeerakkoord. Ook de budgettaire gevolgen van de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet per 1 januari 2001 zijn hierin verwerkt.

Zoals opgenomen in het convenant Politie 1999 verplichten de regio's zich per 1 juli 2002 minimaal 43 622 fte in dienst te hebben (zie grafiek).

De relatie tussen fte en BVE's op basis van het Convenant Politie 1999kst-27400-VII-2-2.gif

De bijzondere bijdragen. Dit betreffen ondermeer bijdragen ten behoeve van of aan regio's die voortvloeien uit overgangsmaatregelen en/of bijdragen waarvan het oogmerk is deze op termijn (binnen een beperkt aantal jaren) in de algemene bijdrage regionale politie op te nemen. Na een experimentele fase dient te worden besloten om de activiteit te beëindigen dan wel op te nemen in de algemene bijdrage. Andere bijzondere bijdragen worden op uitgavenartikel 05.24 begroot.

Op 1 september 1997 is de Unit Synthetische Drugs opgericht met als doel een intensievere en beter gecoördineerde bestrijding en opsporing van handel in en productie van synthetische drugs. Medio 2000 heeft er een tussenevaluatie plaatsgevonden. Bezien wordt of continuering van de eenheid voor de komende jaren wenselijk is. Tevens moet duidelijk worden of de capaciteit, bezien in het licht van de opgedragen taken, de juiste omvang heeft.

Aanvullende bijdrage. Indien blijkt dat voor een regio de middelen aanmerkelijk tekort zullen schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, kan door de Minister van BZK een aanvullende bijdrage beschikbaar worden gesteld (artikel 4 bijdrage). Deze bijdrage wordt generiek afgeroomd van de algemene bijdrage. Voor 2001 is aan de politieregio's Drenthe, Noord-Holland-Noord en Noord-Oost-Gelderland een bijdrage toegezegd.

Ontwikkeling van de normvergoeding. Om de taak van de politie adequaat te kunnen blijven uitoefenen is een verhoging van de normvergoeding noodzakelijk gebleken. Additionele middelen om de financiële positie van regio's te verbeteren zijn hiervoor bij Voorjaarsnota 1999 beschikbaar gesteld. Tot het jaar 2005 zal de normvergoeding stapsgewijs worden verhoogd om deze verbetering te bereiken. In het BNP staat aangegeven dat het voornemen bestaat om de korpsen in de toekomst aan te sturen op resultaten.

De ontwikkeling van de normvergoeding vanaf 1998 tot en met 2004kst-27400-VII-2-3.gif

De STIMP had onder meer als taak het ontwikkelen van normen voor de bedrijfsvoering en de financiële positie van de politieregio's alsmede advisering over mogelijke aanpassingen in het bekostigingsstelsel vanaf het jaar 2001. Daarbij is ook gekeken naar de mogelijkheden voor het invoeren van prestatiebekostiging. Vlak voor de zomer heeft de STIMP hierover advies uitgebracht. Ik heb besloten nagenoeg alle adviezen van de STIMP over te nemen. Inmiddels heb ik mijn standpunt hierover aan de Tweede Kamer gezonden. Kern van mijn standpunt is ten eerste dat via een verevening in twee jaar tijd de korpsen in een meer gelijkwaardige financiële positie worden gebracht. Ten tweede zal (geleidelijk) een herzien bekostigingsstelsel worden ingevoerd.

Op basis van het in 2001 geldende bekostigingsstelsel wordt de verdeling van de budgetten voor de korpsen berekend.

Voor het oplossen van de financiële knelpunten van de regionale politie zijn er bij Voorjaarsnota 2000 extra middelen toegevoegd aan het politiebudget. De implementatie van de STIMP-adviezen zal invoeringskosten met zich meebrengen. Door de implementatie van een gewijzigd bekostigingsstelsel en een andere wijze van bekostiging van de asielgerelateerde politietaken zal het naar verwachting noodzakelijk zijn om in 2001 aan een aantal korpsen extra specifieke middelen toe te wijzen ter verzachting van de overgangsproblematiek.

Zoals in het BNP wordt aangegeven, dienen de politieprestaties beter inzichtelijk en meetbaar gemaakt te worden. Het INP, de Geïntegreerde Interactieve Databank voor Strategische bedrijfsinformatie (GIDS) en het instrument politiemonitor bevolking, passen hierin. In het politie beleidsinformatiesysteem (POLBIS) worden gegevens opgeslagen met betrekking tot het functioneren van en het beheer van de korpsen alsmede het KLPD en het LSOP. De modules personeel en financiën alsook een module met de uitkomsten van de politiemonitor bevolking zijn in het POLBIS opgenomen. De aandacht is gericht op betrouwbaarheid en de onderlinge vergelijking van de aangeleverde informatie (standaardisatie). Grote nadruk wordt daarbij gelegd op kwaliteitscontroles en een toetsingsprotocol.

Naar aanleiding van het rapport van de werkgroep-Mans heeft de ministerraad besloten dat doorberekening van politiekosten niet wenselijk is. Burgers hebben in hoge mate recht op bescherming tegen onveiligheid als gevolg van ordeverstorende gedragingen in het publieke domein. Om deze reden dienen de aan dergelijk politieoptreden verbonden kosten uit de algemene middelen van de rijksoverheid te worden bekostigd. De bij ontwerp-begroting 2000 opgenomen taakstelling van f 5 mln in 2001 oplopend tot f 20 mln in 2004 en volgende jaren wordt hiermee ongedaan gemaakt.

05.24. Overige uitgaven regionale politie

De grondslag van het artikel

Artikel 44 van de Politiewet 1993 bepaalt onder andere dat de Minister van BZK aan de politieregio's bijdragen beschikbaar stelt voor politiezorg.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.24t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  203 077238 947232 228234 625234 625 
1e suppletore begroting 2000  186 93515 50129 05652 59754 057 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  5 82871 26950 89452 43450 434 
Beleidsmatig  
1. versnelling regeerakkoord   14 000    
2. bestrijding drugsoverlast   15 00015 00015 00015 000 
3. arbeidsmarktknelpunten   12 50017 50020 00020 000 
4. ziekteverzuimbestrijding   9 0003 0002 000  
5. wijkveiligheid   15 000    
Beheersmatig  
6. FLO (overboeking Financiën/aanvullende post)    10 00010 00010 000 
7. toedeling loonbijstelling 2000  3 5763 5073 1113 1113 111 
8. toedeling prijsbijstelling 2000  2 2522 2622 2832 3232 323 
Stand ontwerp-begroting 2001272 089273 791395 840325 717312 178339 656339 116354 116
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000123 469124 241179 624147 804141 660154 129153 884160 691
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.24 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  247 531244 970232 842234 840234 840 
1e suppletore begroting 2000  198 45556 59757 74854 46854 468 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  5 82871 26950 89452 43450 434 
Beleidsmatig  
1. versnelling regeerakkoord   14 000    
2. bestrijding drugsoverlast   15 00015 00015 00015 000 
3. arbeidsmarktknelpunten   12 50017 50020 00020 000 
4. ziekteverzuimbestrijding   9 0003 0002 000  
5. wijkveiligheid   15 000    
Beheersmatig  
6. FLO (overboeking Financiën/aanvullende post)    10 00010 00010 000 
7. toedeling loonbijstelling 2000  3 5763 5073 1113 1113 111 
8. toedeling prijsbijstelling 2000  2 2522 2622 2832 3232 323 
Stand ontwerp-begroting 2001 316 034451 814372 836341 484341 74233 9 742354 742
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 000 143 410205 024169 186154 959155 0761 54 168160 975

De toelichting op de cijfers

(in f 1 mln)
U05.24/Regionale en Centrale UitgavenRaming 2000Raming 2001
bovenregionale teams52,2103,0
rechtspositie92,699,1
veiligheidsbeleid42,973,3
ziektekostenvergoeding23,023,3
arbeidsmarkt- en opleidingsprojecten10,523,2
politiële bedrijfsvoering2,419,9
onderwijs/loopbaanbeleid11,213,1
internationale samenwerking4,44,9
diversiteitsplan4,03,3
materiële voorzieningen2,02,0
overig (inclusief loon- en prijsbijstelling 2000)2,37,7
Totaal247,5372,8

Bovenregionale teams. Een aantal taken kan slechts worden uitgevoerd op een schaal die de individuele politieregio's overstijgt Hiervoor zal mede naar aanleiding van een advies van de overleggroep bovenregionale organisatie van de Nederlandse politie worden bezien welke maatregelen moeten worden genomen. Daarbij zal onder meer een relatie worden gelegd met de taken van het KLPD (zie uitgavenartikel 05.29).

Deze taken worden uitgevoerd door landelijke en interregionale teams. Voorbeelden daarvan zijn: de kernteams (bestrijding van georganiseerde criminaliteit), het Landelijk Rechercheteam (LRT) als onderdeel van het KLPD, Grensoverschrijdende Observatieteams, de Unit Mensensmokkel en fraudeteams. De verdubbeling van de raming ten opzichte van de raming 2000 is het gevolg van de reallocatie van de gelden van uitgavenartikel 05.23 voor de kernteams. De financiering van de kernteamregeling is op grond van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden per 1 januari 2000 gewijzigd.

Rechtspositie. Vanaf 15 maart 1999 is de tijdelijke ouderenregeling van kracht voor executieve politieambtenaren. Krachtens deze regeling kan, de executieve politieambtenaar onder omstandigheden verzoeken om met inlevering van een deel van zijn bezoldiging, eerder dan de functioneel leeftijdsontslag(FLO)-gerechtigde leeftijd geen actieve dienst meer te hoeven verrichten. De korpsen worden op declaratiebasis gecompenseerd.

De huidige FLO-regeling zal met ingang van 1 januari 2001 worden vervangen door de Aanvullende Flexibele Uittredingsregeling Politie (AFUP). De AFUP is een premie-gefinancierde regeling.

Degene die op 12 maart 1999 en op 31 december 2000 een aanstelling heeft waaraan FLO-ontslag was gekoppeld en op 1 januari 2001 50 jaar of ouder is, behoudt in het kader van de overgangsmaatregelen materieel het FLO-recht.

Het betreft een gecombineerde uitkering bestaande uit de basisuitkering krachtens de Regeling van flexibel pensioen en uittreden (FPU) en de aanvulling tot het FLO-niveau. Deze gecombineerde uitkering wordt door de Stichting ABP verzorgd. Het FPU-deel van de uitkering komt ten laste van het fonds voor Vervroegd Uittreden (het zogenaamde VUT-fonds) en het FLO-deel komt direct voor rekening van BZK.

Bij de Voorjaarsnota 2000 is een impuls gegeven voor het terugdringen van het ziekteverzuim en het beperken van de uitstroom naar de WAO. Ter oplossing van arbeidsmarktknelpunten zijn bij de Voorjaarsnota 2000 middelen aan de politiebegroting toegevoegd. De inspanningen met betrekking tot de werving kunnen worden geïntensiveerd teneinde de doelstelling voor 2002 (43 622 fte) te realiseren. Uitgangspunt voor beide posten is dat wordt bezien in welke mate dit in de politie-CAO kan worden ingebed.

Veiligheidsbeleid. Het kader voor het veiligheidsbeleid voor de komende jaren is opgenomen in zowel het BNP als in het Integraal Veiligheidsprogramma. Hierin wordt de integrale aanpak van jeugdcriminaliteit, geweld op straat, verkeersveiligheid, milieu en zware georganiseerde criminaliteit genoemd en uitgewerkt.

De politie en lokale overheden worden in hun aanpak door middel van expertise- en informatie-uitwisseling ondersteund door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Nederlands Politie Instituut. Een onderzoeksprogramma voor de Nederlandse politie en de integrale Veiligheidsrapportage zal worden uitgevoerd om het inzicht in de veiligheidssituatie en de resultaten van het veiligheidsbeleid te vergroten. De samenwerking met maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven zal verder worden geïntensiveerd in het kader van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing en het platform voor het Integraal Veiligheidsprogramma.

Bij Voorjaarsnota 2000 is een extra impuls voor een wijkgerichte aanpak gegeven. De impuls is gericht op jongeren en veiligheid in relatie met «veilige school» en «geweld op straat» met extra aandacht voor allochtone jongeren.

Drugsbeleid. Met de toegevoegde middelen voor de achterdeurproblematiek van coffeeshops wordt beoogd een extra impuls te geven aan de handhaving van het drugsbeleid. De extra handhavingsinspanning door de politie kan worden gericht op zowel de handhaving van de AHOJ-G criteria (geen Affiches, geen Harddrugs, geen Overlast, geen verkoop aan Jeugdigen en geen Grote hoeveelheden, alleen eigen gebruik) uit de OM-richtlijn als het tegengaan van de straathandel en grootschalige kweek van softdrugs.

Ziektekostenvergoeding. Vergoedingen voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar. DGVP wordt hiervoor gecompenseerd.

Arbeidsmarkt- en opleidingsprojecten. Het arbeidsvoorwaardenoverleg is gesectoraliseerd. De hieruit ingestelde subsidiecommissie Arbeidsmarkt- en Opleidingsprojecten Politie is paritair samengesteld en kent zelfstandig subsidies toe aan de regionale politiekorpsen voor werkgelegenheids-, vormings- en scholingsprojecten alsmede voor projecten voor personen met een zwakke arbeidsmarktpositie.

Politiële bedrijfsvoering. De Minister van BZK heeft een algemene verantwoordelijkheid voor zowel de bedrijfsvoering als de taakuitvoering bij de korpsen. Hiervoor is inzicht in en de mogelijkheid tot sturing van de korpsen noodzakelijk. Op basis van het INP zijn op termijn de resultaten van het politiewerk beter vergelijkbaar.

Het BNP schetst de gewenste ontwikkelrichting van de Nederlandse politie en verbindt hieraan concrete doelstellingen en acties. In de komende periode zullen rijk en regio's nadrukkelijk met elkaar overleggen in hoeverre deze doelstellingen gehaald worden.

De Inspectie voor de Politie toetst de wijze waarop de politiekorpsen en het LSOP voorzien in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van de politie. Verder toetst de Inspectie periodiek specifieke onderdelen van de taakuitvoering en het beheer.

Onderwijs/loopbaanbeleid. De belangrijkste doelen van het project «Politieonderwijs 2002» (voorheen het project «Toekomstig Onderwijs Politie») zijn:

– het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs,

– een betere aansluiting tussen het onderwijs en de praktijk alsmede

– het verbeteren van de aansluiting tussen het reguliere en politieonderwijs.

Dit project zal er toe leiden dat er in het jaar 2002 gestart kan worden met een vernieuwde opleiding bij het LSOP.

Voor diverse afzonderlijke taken binnen de politieorganisatie zijn beroepsprofielen beschreven en worden competentiegerichte eindtermen/kernopgaven vastgesteld. Op basis daarvan worden vervolgens onderwijsprogramma's uitgewerkt. Tevens zal er een systeem van externe legitimering van de politie examens worden ingevoerd.

Op deelaspecten wordt gecontroleerd of binnen de te kiezen opleidingen het onderwijs zodanig is gegeven dat de vastgestelde eindtermen zijn gehaald. Het beschrijven van de eindtermen vindt plaats van februari 2000 tot en met juli 2001.

Het Landelijk Management Developmentbeleid (LMD) heeft tot doel de vervulling van de strategische topfuncties binnen de Nederlandse politie op een adequate en transparante wijze te realiseren en te komen tot een breed gedragen MD-traject. Uitgangspunt daarbij is om de kwaliteit van de doelgroep, met behulp van een verder te ontwikkelen instrumentarium, op het gewenste niveau te brengen en te houden. Daarbij is afgesproken dat de aansluiting van het regionaal MD-beleid op het LMD de komende jaren bijzondere aandacht behoeft. Hiervoor zal een bovenregionaal adviescollege worden ingesteld. Ook zal in samenwerking met dit college worden gewerkt aan een nieuw te ontwikkelen systeem voor de integrale aanpak van het LMD.

In het regeerakkoord is opgenomen dat in de huidige regeerperiode de politie wordt uitgebreid met 3 000 politiefunctionarissen (agenten en surveillanten). Voor deze personeelsuitbreiding en de reguliere vervanging is het Project Personeelsvoorziening Politie (PPP) opgezet. Jaarlijks dienen voor de vervanging en de uitbreiding 2000 nieuwe politiemensen te worden aangesteld. Het PPP faciliteert en ondersteunt de politiekorpsen bij het realiseren van deze doelstelling. Het PPP kent drie deelprojecten/thema's: werving en selectie, imago en arbeidsvoorwaarden.

Ter ondersteuning van de korpsen voor de werving zijn de Banenlijn Politie, een landelijke wervingen imagocampagne en een promotieteam Politie opgezet. De inspanningen zijn in 2000 en 2001 gericht op het face-to-face aanspreken van wervingsdoelgroepen als allochtonen, vrouwen, herintreders, zij-instromers (elders werkenden), WAOers en groepen van Defensiepersoneel. Medio 2000 is een externe audit van het hele proces van werving, selectie en opleiding gehouden.

Internationale samenwerking. De samenwerking betreft ondersteuning en stimulering van politiesamenwerking in EU-verband als daarbuiten ter uitvoering van ministeriële akkoorden. De steeds verdergaande samenwerking vergt een verbetering van de sturing van de ontwikkeling en de coördinatie van de uitvoering van internationale politiële samenwerking. Hiervoor zijn de stuurgroep internationale politiesamenwerking en het Nationaal Centrum voor Internationale Politiesamenwerking opgericht waarin het politieveld en BZK en Justitie samenwerken.

Diversiteitsbeleid. De personele samenstelling van de politiekorpsen moet een representatieve afspiegeling zijn van de beroepsbevolking. De politiecultuur, integriteit en respect voor elkaar staan hierbij centraal. De doelgroepen van dit beleid zijn vrouwen, allochtonen en homoseksuelen. Ter ondersteuning en stimulering van het regionale diversiteitsbeleid fungeert het Infopunt «Een Kleurrijk Korps». Dit Infopunt in de huidige vorm wordt geëvalueerd en ultimo 2000 beëindigd. Gestreefd wordt naar één centraal expertisepunt voor de verschillende diversiteitsonderwerpen per 1 januari 2001.

Materiële voorzieningen. Op centraal niveau bestaat een beheerstaak ten aanzien van bijzondere materiële voorzieningen, zoals waterwerpers, voertuigen voor verscherpt rijdend toezicht, bewakingscontainers. In het verlengde van de toenemende aandacht voor (on)veiligheidsgevoelens van politiefunctionarissen, maar ook vanuit het oogpunt van effectiviteit en proportionaliteit, worden nieuwe mogelijkheden op het gebied van bewapening en uitrusting onderzocht.

Overig. De post overig bestaat uit de volgende elementen:

– op verzoek kan een bijdrage worden verstrekt aan een aantal instellingen die een sterke relatie hebben met de politie, zoals de Stichting Maatschappij, Veiligheid en Politie;

– onderzoek dat zal worden verricht op het terrein van de taakontwikkeling van de politie; in 2000 heeft er een inhaalslag plaatsgevonden met betrekking tot de inventarisatie van verrichte onderzoeken. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 7;

– de Ambassaderaad te Parijs alsmede de coördinator politiële ondersteuning voor de Nederlandse Antillen en Aruba;

– (tijdelijke) toedeling loon- prijsbijstelling.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.24/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Regionaal beleid143 957247 306220 187220 438222 176222 176237 17643A03.2
02 Centraal beleid172 077204 508152 649121 046119 566117 566117 5661203.2
Totaal316 034451 814372 836341 484341 742339 742354 742  

De regionale uitgaven op grond van artikel 3 BFRP onderscheiden zich op dit artikel ten opzichte van artikel 05.23 doordat er sprake is van

* uitgaven op individuele en incidentele basis, dan wel

* onvoldoende zicht op de omvang van de kosten, dan wel

* een aanmerkelijke ongelijkmatige spreiding van kosten tussen regio's waardoor opname in de algemene bijdrage onredelijk is, dan wel

* budgetten waarvoor het stellen van specifieke bestedingsvoorwaarden aantoonbaar noodzakelijk is.

05.26. Bijdragen Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding

De grondslag van het artikel

Brandweerwet 1985.

Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.26t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  6 8866 8866 8866 8866 886 
1e suppletore begroting 2000  21288817878 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  7475757575 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000  7475757575 
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil7 0147 1727 0497 0427 0397 0397 039
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil3 1833 2553 1993 1963 1943 1943 194
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.261999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 6 8756 8866 8866 8866 886   
1e suppletore begroting 2000 21288817878   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 7475757575   
Beheersmatig         
1. toedeling loonbijstelling 2000 7475757575   
Stand ontwerp-begroting 20017 0147 1617 0497 0427 0397 0397 03943A03.4
Stand ontwerp-begroting 2001in € 1 0003 1833 2503 1993 1963 1943 1943 194  

De toelichting op de cijfers

Als centraal instituut voor de brandweer verzorgt het NIBRA een groot aantal opleidingen, waaronder de officiersopleidingen voor de brandweer. Voorts is het NIBRA de producent en uitgever van opleidingsboeken voor de brandweeropleidingen en van publicaties op het terrein van brandweer en rampenbestrijding. Door de groei in activiteiten weet het NIBRA thans het merendeel van de inkomsten uit andere bronnen dan de rijksbijdrage te verwerven.

Sinds een aantal jaren is de opleidingscapaciteit van het NIBRA voor de voltijd officiersopleidingen bepaald op 24 personen. Sinds kort is gebleken dat het aanbod aan brandweerofficieren door de sterk toegenomen vraag niet meer toereikend is. Dit is mede een gevolg van het proces van versterking van de brandweeren rampenbestrijdingsorganisatie. Gedacht wordt aan maatregelen om de capaciteit uit te breiden. Daarnaast verzorgt het NIBRA deeltijdofficiersopleidingen voor personeel dat al bij een brandweerorganisatie in dienst is.

In 2000 komt de wettelijke evaluatie beschikbaar over het functioneren van het NIBRA als ZBO. De projectgroep Markt en Overheid heeft een aanbeveling gedaan om de marktactiviteiten van het NIBRA te staken. Thans wordt onderzoek gedaan om te achterhalen in hoeverre vanuit het perspectief van de veiligheid aanleiding bestaat om van deze aanbeveling af te wijken. De uitkomsten van de evaluatie en het onderzoek kunnen in 2001 tot (een begin van) aanpassing van de werkzaamheden van het NIBRA leiden.Artikelsgewijze Toelichting

De kengetallen

(in f 1 000)
U05.26 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal AHBM-studenten18 26 26 
Gemiddelde bijdrage 230 175 175
Toegelicht begrotingsbedrag 4 138 4 540 4 547

Gemiddeld aantal studenten per begrotingsjaar; 24 studenten per opleiding.

05.27. Informatiebeleid Openbare Orde en Veiligheid

De grondslag van het artikel

Artikel 6 van het Besluit Informatievoorziening Rijksdienst (IVR 1990) inzake Brandweer en Rampenbestrijding. Artikelen 2 en 3 van het Besluit beheer Regionale Politiekorpsen voor wat betreft de Nederlandse politie.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.271999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 57 85247 47848 22048 70149 516 
1e suppletore begroting 2000 14 895– 34 57242 16081 15664 923 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4 74650 541– 22 504– 16 1325 071 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 8187741 1621 3101 203 
2. toedeling prijsbijstelling 2000 3 9283 1502 9512 5583 868 
3. bijstelling verplichtingen  46 617– 26 617– 20 000  
Stand ontwerp-begroting 2001743 71377 49363 44767 876113 725119 51066 243
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000337 48235 16528 79130 80151 60654 23130 060
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.271999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 190 083157 048159 265147 696197 096 
1e suppletore begroting 2000 4 895– 34 57212 16051 15639 656 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4 7463 9244 1133 8685 071 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 8187741 1621 3101 203 
2. toedeling prijsbijstelling 2000 3 9283 1502 9512 5583 868 
Stand ontwerp-begroting 2001137 331199 724126 400175 538202 720241 823188 823
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00062 31890 63157 35879 65691 990109 73485 684

De toelichting op de cijfers

Het informatiebeleid voor de openbare orde en veiligheid richt zich op bevordering van de onderlinge samenhang tussen de organisaties betrokken bij de politiezorg, de brandweerzorg en (de voorbereiding op) de rampenbestrijding. Hiertoe is onder andere in 1996 door de Ministers van BZK en van Justitie de Regiecommissie standaardisatie politiële informatievoorziening ingesteld (EIB96/U265). Conform haar instellingsbeschikking zou de regiecommissie in 1999 haar werkzaamheden beëindigen. De werkzaamheden op het terrein van standaardisatie zijn echter nog niet afgerond. Vanaf 2000 worden de standaardisatie activiteiten een onderdeel van de activiteiten van de door de Minister van BZK in december 1999 ingestelde Regieraad ICT Politie en derhalve gefinancierd vanuit de begroting van de Regieraad ICT Politie.

Door BZK/IBOOV wordt in samenspraak met de Regieraad ICT Politie in 2001 gewerkt aan de verdere ontwikkeling van een strategische visie op de politiële informatievoorziening en wordt een aanvang gemaakt met de uitwerking van deze visie naar concrete projecten/activiteiten.

BZK heeft een aantal landelijke- en bovenregionale geautomatiseerde politiële informatiesystemen en -infrastructuren in eigendom. De eigendom berust bij BZK vanwege het landelijke karakter van de systemen. Als eigenaar voert BZK het beheer van deze systemen en infrastructuren, wat inhoudt dat de systemen in stand worden gehouden, dat de goede werking van de systemen gewaarborgd blijft, dat de integriteit van de opgeslagen gegevens wordt bewaakt, dat gebruikerswensen worden geïmplementeerd en dat voor zover gewenst de systemen worden aangepast aan de steeds vernieuwende technologische ontwikkelingen.

Ter verbetering van de bereikbaarheid van de Nederlandse politie wordt voorzien in de vervanging van de huidige regionale toegangsnummers door één landelijk toegangsnummer waardoor de telefonische bereikbaarheid van de Nederlandse politie wordt verbeterd. Het korpsbeheerdersberaad heeft ingestemd met een landelijk invoering van het landelijk toegangsnummer uiterlijk 31 december 2000. In april 2000 zal het landelijk toegangsnummer technisch beschikbaar komen. Na een testperiode van een half jaar wordt in september 2000 een publiciteitscampagne gevoerd om het landelijk toegangsnummer onder de aandacht te brengen van het Nederlandse publiek. De deelname van BZK is vooral gericht op de ontwikkeling van de publiciteitscampagne. De publiciteitscampagne zal worden gekoppeld aan een «opfrisser» van de campagne rond de invoering van het alarmnummer 112.

De ontwikkeling van het Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS) dient ter versterking en ondersteuning van de samenwerking tussen meldkamers van politie, brandweer en ambulancediensten. De in het systeem vastgelegde informatie is direct beschikbaar voor alle betrokken diensten. GMS vormt het hart van de meldkamer en voorziet in koppelingen met verschillende andere systemen. Door het gebruik van GMS wordt kostbare tijd gewonnen en neemt de kans op fouten af. Voor het realiseren van de wijzigingen uit de eerste ronde beproevingen, het bouwen van de nog resterende koppelingen met andere systemen, waaronder de koppeling met C2000, en het uitvoeren van de tweede ronde beproevingen is in totaal een doorlooptijd van circa twee jaar (2000 en 2001) voorzien.

Het project C2000 behelst de realisatie van een landelijk digitaal netwerk voor mobiele communicatie voor politie, brandweer, ambulancediensten en Koninklijke marechaussee. Om reden van het risicovolle en innovatieve karakter van het project is door de ministerraad een onderscheid aangebracht in een proefproject in de startregio Amsterdam en omstreken (periode 1999 – 2002) en in een daarop volgende landelijke uitrol (periode 2002 – 2004) indien dit op basis van een evaluatie technisch, organisatorisch en financieel haalbaar wordt geacht. De evaluatie zal tevens leerpunten opleveren om de eventuele uitrol van C2000 in de rest van het land zo goed mogelijk te laten verlopen.

De taken, samenstelling en werkwijze van de verschillende stuur- en adviesgroepen binnen het project zijn geformaliseerd door middel van instellingsbesluiten. De Stuurgroep Startregio heeft als functie het ten behoeve van de gebruikers in de Startregio geven van sturing aan de implementatie van C2000 in de Startregio. De Landelijke Stuurgroep heeft als functie het ten behoeve van de landelijke gebruikers geven van sturing aan de landelijke implementatie van C2000 en het adviseren over de Go/No-go beslissing terzake.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.27/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Uitgaven IBOOV algemeen62 75874 35562 42561 10461 41762 36463 2735203.2
02 Groot project C200074 573125 36963 975114 434141 303179 459125 5505203.2
Totaal137 331199 724126 400175 538202 720241 823188 823  

05.28. Personeel en materieel Openbare Orde en Veiligheid

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden zowel de personele als materiële uitgaven geraamd van DGOOV.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.28t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  48 92246 79842 80741 81341 813 
1e suppletore begroting 2000  889– 2 4318101 5791 579 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  1 1931 2941 2521 2361 267 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000  1 1931 2941 2521 2361 267 
Stand ontwerp-begroting 200143 80746 89351 00445 66144 86944 62844 65944 681
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00019 87921 27923 14520 72020 36120 25120 26520 275
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U05.281999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 49 11246 79842 80741 81341 813 
1e suppletore begroting 2000 1 343– 2 2019251 5791 579 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 1 1931 2941 2521 2361 267 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 1 1931 2941 2521 2361 267 
Stand ontwerp-begroting 200146 65451 64845 89144 98444 62844 65944 681
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00021 17123 43720 82420 41320 25120 26520 275

De toelichting op de cijfers

De organisatie van DGOOV zal als gevolg van interne en externe ontwikkelingen worden gewijzigd. De budgettaire consequenties zullen in de eerste suppletore begroting 2001 worden verwerkt.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.28/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Ambtelijk personeel39 72541 08938 07137 76037 68837 71937 7411101.1
02 Overig personeel2 6613 2473 3173 2343 2343 2343 2341201.1
03 Post-actieven2108118118118118118111101.1
04 Materieel4 0586 5013 6923 1792 8952 8952 8951201.1
Totaal46 65451 64845 89144 98444 62844 65944 681  

De kengetallen

(in f 1 000)
U05.28 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel334 330 316 
Gemiddeld aantal post-actief3,5 9 9 
Gemiddelde salariskosten ambtelijk personeel 119 125 120
Gemiddelde salariskosten post-actief 60 92 90
Toegelicht begrotingsbedrag 39 762 42 000 38 955

05.29. Bijdrage Korps landelijke politiediensten

Grondslag van het artikel

Het KLPD is een agentschap van BZK. De minister is korpsbeheerder van het KLPD (artikel 38, vierde lid van de Politiewet 1993).

Op dit artikel worden de algemene bijdrage en een doeluitkering in verband met de euro aan het agentschap KLPD geraamd. De agentschapbegroting met bijbehorende toelichtingen is opgenomen onder D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPBEGROTINGEN.

Het beheer van het KLPD wordt primair bepaald door het besturingsregime van de Politiewet 1993. Beheer betreft daarin de zorg voor de organisatie, instandhouding van het politieapparaat en de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen, opdat het korps zo doeltreffend mogelijk functioneert. Het beheer van het KLPD is in het besturingsmodel van BZK ingepast.

Binnen de beleids- en beheerskaders, die de korpsbeheerder stelt, is het dagelijkse beheer primair aan de korpschef opgedragen. In managementafspraken worden beleidsprioriteiten vastgelegd, en de budgettaire en formatieve kaders vastgesteld. Over de wijze waarop de korpschef gebruik maakt van zijn bevoegdheden, verantwoordt hij zich iedere vier maanden aan de korpsbeheerder.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U05.291999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000         
1e suppletore begroting 2000 485 163498 646496 813499 263501 559   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 70 000– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000   
Beleidsmatig         
1. investering luchtvloot 70 000– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000   
Stand ontwerp-begroting 2001 555 163493 646491 813494 263496 559499 0670303.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000 251 922224 007223 175224 287225 329226 467  

De toelichting op de cijfers

In de periode 2000–2003 zal de luchtvloot van de KLPD gefaseerd worden vervangen. Naast vervanging van de huidige zes helikopters wordt een verdere homogenisering van de luchtvloot gerealiseerd door het vervangen van twee vleugelvliegtuigen door eveneens twee helikopters. Om deze investering mogelijk te maken is besloten tot een investeringsimpuls van f 70 mln in 2000. De investeringsbeslissing leidt tot efficiencyvoordelen (exploitatie, onderhoud, inzet personeel). Hierdoor valt er in de jaren 2001 tot en met 2007 een besparing van jaarlijks f 5 mln vrij.

06. Binnenlandse Veiligheidsdienst

De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) heeft tot taak bij te dragen aan de bescherming van de democratische rechtsorde, de veiligheid van de staat en de instandhouding van het maatschappelijk leven. De BVD verzamelt daartoe gegevens over verschijnselen in de samenleving die een aantasting kunnen betekenen van een veiligheidsbelang, stelt onderzoeken in naar personen die een vertrouwensfunctie (gaan) vervullen en verstrekt adviezen omtrent de beveiliging van staatsgeheimen en van vitale voorzieningen in de samenleving.

06.01. Personeel en materieel Binnenlandse Veiligheidsdienst

De grondslag van het artikel

Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (Wiv).

Wet Veiligheidsonderzoeken (Wvo). Momenteel is bij het parlement het ontwerp voor een nieuwe Wiv in behandeling, waarin onder meer wordt voorzien in een toevoeging van de inlichtingentaak buitenland. Daarbij gaat het om het verrichten van onderzoek naar andere landen in het belang van de nationale veiligheid en de vitale economische belangen van Nederland.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U06.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 94 17694 35595 34695 53695 536 
1e suppletore begroting 2000 6 884785787789789 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 5 44613 92214 6199 3419 402 
Beleidsmatig  
1. uitvoering Wiv  3 0003 0003 0003 000 
2. WOB-onderzoeken  450450   
Beheersmatig  
3. intensivering Wiv 3 0504 8004 800   
4. overkomst NBV (reallocatie U01.01)  200200200200 
5. Wvo Politie (reallocatie U05.23) 3503 2003 9003 9003 900 
6. toedeling loonbijstelling 2000 2 0462 2722 2692 2412 302 
Stand ontwerp-begroting 200195 245(93 449)106 506109 062110 752105 666105 727105 769
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00043 220(42 405)48 33049 49050 25747 94947 97747 996

De toelichting op de cijfers

De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) vergaart betrouwbare en specifieke informatie over de aard en omvang van dreigingen voor de democratische rechtsorde, de staatsveiligheid en andere gewichtige belangen van de Staat. Deze informatie wordt tijdig aan belangendragers (bijvoorbeeld politie, Openbaar Ministerie, ministeries) verstrekt, zodat bevoegde instanties adequate maatregelen kunnen treffen.

De BVD draagt tevens bij aan de instandhouding van het maatschappelijk leven door het verrichten van beveiligingsbevorderende activiteiten in vitale sectoren bij overheid en bedrijfsleven en door het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken naar personen die een vertrouwensfunctie (gaan) vervullen. Integriteit, geheimhouding van staatsgeheime, vitale en vertrouwelijke gegevens en een hoogwaardig fysieke beveiliging van personen, gebouwen, terreinen en processen in vitale sectoren staan hierbij centraal.

Lopende activiteiten

• het analyseren van informatie die verkregen is uit openbare bronnen, menselijke bronnen (al dan niet op instructie van de BVD) en het internationale relatienetwerk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

• het gebruik maken van de wettelijke bevoegdheid om inlichtingenmiddelen in te zetten die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer (uitsluitend in specifieke omstandigheden en na zorgvuldige afweging van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit);

• het adviseren rondom het aanwijzen van vertrouwensfuncties en het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken naar personen die een vertrouwensfunctie (gaan) bekleden;

• het instellen van onderzoeken naar de fysieke beveiliging in vitale sectoren en naar de beveiliging van opslag en overdracht van staatsgeheime, vitale en vertrouwelijke gegevens;

• het adviseren omtrent beveiligingsrisico's en het bevorderen van beveiligingsmaatregelen in vitale sectoren;

• het bevorderen van integriteitszorg in vitale sectoren, mede door het fungeren als meldpunt voor integriteitsaantastingen in vitale sectoren.

De uitbreiding van het BVD-budget in 2001 met circa f 14 mln (ten opzichte van de stand ontwerp-begroting 2000) hangt vooral samen met het Lockerbie-proces, de overkomst van het NBV naar de BVD, uitbreiding van het aantal vertrouwensfuncties bij de politie, illegale migratie en de voorbereiding op de inlichtingentaak buitenland. Ook de Wet openbaarheid van bestuur brengt extra werk met zich mee. Steeds vaker wordt de BVD geconfronteerd met WOB-verzoeken waarvan de behandeling bijzonder arbeidsintensief is.

Nieuwe activiteiten

• het bevorderen van een ongestoord verloop van het Lockerbie-proces;

• het verrichten van veiligheidsonderzoeken en beveiligingsbevorderende activiteiten ten behoeve van de politie;

• het in kaart brengen van aspecten van illegale migratie die van negatieve invloed zijn op de nationale veiligheid of op de instandhouding van de Nederlandse samenleving;

• het voorbereiden van de opbouw van een inlichtingentaak buitenland.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U06.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Personeel60 82069 23578 69180 36376 42276 48376 5251103.6
02 Materieel33 99236 83929 93929 95728 81228 81228 8121203.6
03 Post-actieven4334324324324324324321103.6
Totaal95 245106 506109 062110 752105 666105 727105 769  

De kengetallen

(in f 1 000)
U06.01/Artikelonderdeel 01 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantallen541 599 677 
Bedrag per fte 99 110 111
Toegelicht begrotingsbedrag 53 731 65 635 75 091
Overige personele uitgaven 3 000 3 600 3 600

06.03. Geheime uitgaven

De grondslag van het artikel

De Wiv en de Wvo.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U06.031999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 4 0794 1794 2794 3794 479   
Stand ontwerp-begroting 20014 0554 0794 1794 2794 3794 4794 479  
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001 8401 8511 8961 9421 9872 0322 0321203.6

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden de uitgaven van de BVD met een geheim karakter geraamd.

07. Management en Personeelsbeleid

Tot de kerntaken van de overheid behoort het leveren van collectieve goederen. Teneinde deze taak te kunnen vervullen dient de overheidsorganisatie te beschikken over voldoende personeel van een bepaalde kwaliteit. Om dit mogelijk te maken is het van belang, dat de verschillende overheidsorganen kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. Op dit hoofdbeleidsterrein worden in de eerste plaats geraamd de uitgaven nodig voor het scheppen van zodanige voorwaarden, dat voor de gehele openbare dienst een goede positie op de arbeidsmarkt mogelijk wordt. Daarnaast worden geraamd de uitgaven samenhangend met diverse regelingen voor actief en post-actief overheidspersoneel.

07.02. Vormings- en opleidingsbeleid

De grondslag van het artikel

Bijdragebeschikking Stichting A&O fonds rijksoverheid.

Beschikking van de Minister van BiZa houdende regels met betrekking tot de subsidieverlening aan het Europees Instituut voor Bestuurskunde.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.021999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 28 56224 27916 57516 57616 576 
1e suppletore begroting 2000 – 5 803– 5 300    
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 856– 1 5154 7425 064– 2 930 
Beheersmatig  
1. traineeproject Rijksoverheid (overboeking VWS, V&W, RvSt en TK) – 2 344– 1 837    
2. A&O fonds (overboeking gemeentefonds)  – 9 506– 9 506– 9 506– 9 506 
3. traineeproject tranche 3–5 (reallocatie U01.03) 2 3259 00013 67514 0006 000 
4. toedeling loonbijstelling 2000 875828573570576 
Stand ontwerp-begroting 200118 760(18 775)23 61517 46421 31721 64013 6467 650
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0008 513(8 520)10 7167 9259 6739 8206 1923 471

De toelichting op de cijfers

De uit dit artikel gefinancierde activiteiten hebben als doelstelling het stimuleren van arbeidsmarkt-, werkgelegenheids- en scholingsactiviteiten binnen de sectoren Rijk en Gemeenten, het in het licht van een verkrappende arbeidsmarkt op peil houden van een evenwichtige leeftijdsopbouw binnen de rijksdienst en het in stand houden van een bestuurskundige advies-, onderzoeks- en opleidingscapaciteit ten behoeve van de Europese samenwerking.

Ter realisatie van deze doelstellingen worden de volgende beleidsinstrumenten ingezet. Middels een jaarlijkse bijdrage uit de BZK-begroting (artikelonderdeel 07) worden de A&O fondsen Rijk en Gemeenten in staat gesteld diverse activiteiten te subsidiëren met betrekking tot arbeid en scholing. Per 1 januari 2001 verandert de financieringswijze van het gemeentelijk deel. Vanaf die datum wordt de bijdrage aan het A&O fonds Gemeenten rechtstreeks uit het gemeentefonds betaald. Met het oog hierop vindt een structurele budgetoverheveling plaats van f 9,506 mln.

Via een breed opgezette wervingscampagne wordt een jonge generatie trainees aangesteld voor een periode van twee jaar. Na afloop van deze periode kan bij gebleken geschiktheid instroom in een reguliere functie plaatsvinden. In het kader van het traineeproject vindt ter financiering van de aangestelde trainees een budgetoverheveling plaats naar VWS (2000: -f 0,787 mln en 2001: f 0,630 mln), V&W (2000: -f 1,137 mln en 2001: -f 0,892 mln), Raad van State (2000: -f 0,280 mln en 2001: -f 0,210 mln) en Tweede Kamer (2000: -f 0,140 mln en 2001: -f 0,105 mln).

Daarnaast vindt ter financiering van de afspraken uit de CAO's Rijk 1999/2000 en 2000/2001 een verhoging van het budget plaats. Dit betreft de derde, vierde en vijfde lichting trainees. Vanuit het budget zullen te zijner tijd de loonkosten worden gesubsidieerd van de bij de diverse ministeries en Hoge Colleges van Staat aan te stellen trainees.

Met behulp van een jaarlijkse bijdrage aan het EIB wordt voldoende advies-, onderzoeks- en opleidingscapaciteit gegarandeerd ten behoeve van diverse instanties. De bijdrage aan het EIB wordt gefinancierd door budgetoverheveling van OCW (circa f 1,5 mln), BuiZa (circa f 0,5 mln) en BZK (circa f 0,5 mln). Deze ministeries zijn tevens vertegenwoordigd in het bestuur van het EIB. De Minister van OCW is namens Nederland eerstverantwoordelijk.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.02/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
07 Uitgaven in het kader van vormings- en opleidingsactiviteiten16 02616 6484 1393 1307 1287 1347 13843C06.40
09 Subsidies aan de Stichting Europees Instituut Bestuurskunde (EIB)51251251251251251251243A01.34
13 Jongerenproject2 2226 45512 81317 67514 0006 00043A01.33
Totaal18 76023 61517 46421 31721 64013 6467 650  

07.03. Onderzoek en analyse van de arbeidsmarkt en personeelsmanagement bij de overheid

De grondslag van het artikel

Wijziging organisatiebesluit DGMP (Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.031999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 45 41015 3635 3295 3295 329 
1e suppletore begroting 2000 54 304– 7 3011 0741 0741 074 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 1 90034 53442 57346 43245 939 
Beleidsmatig  
1. investeren in leren  300    
2. intensivering arbeidsmarktbeleid (reallocatie U01.03) 2 30032 61940 95844 81744 299 
Beheersmatig  
3. expertisecentrum (reallocatie U07.05)  135133133133 
4. financiering projectorganisatie investeren in leren (reallocatie U07.21) – 400     
5. toedeling loonbijstelling 2000  1 4801 4821 4821 507 
Stand ontwerp-begroting 200126 264(26 400)101 61442 59648 97652 83552 34252 317
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00011 918(11 980)46 11019 32922 22423 97523 75223 740

De toelichting op de cijfers

De Minister van BZK is als coördinerend bewindspersoon verantwoordelijk voor het functioneren van het sectorenmodel en de beheersbaarheid en samenhang van de arbeidsvoorwaarden.

In aansluiting daarop wordt beleidsinhoudelijke ondersteuning verleend aan het Verbond Sectorwerkgevers Overheid.

Ten behoeve van de coördinatie en ondersteuning wordt de noodzakelijke expertise onderhouden, met als doel de ontwikkeling en uitvoering van een adequaat arbeidsmarktbeleid. Hiervoor worden op basis van statistieken, enquêtes, administratieve databestanden etcetera in eigen beheer analyses uitgevoerd. Daarnaast wordt onderzoek uitbesteed. Uitgaven op dit artikelonderdeel betreffen onder meer:

• onderzoek naar de arbeidsmobiliteit van overheidswerknemers, de wervingsproblemen bij de overheid en de beloningsverhoudingen tussen de overheid en de marktsector;

• een bijdrage aan de ontwikkeling en uitvoering van het onderzoeksprogramma van de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek;

• een bijdrage aan de Raad voor het Overheidspersoneel.

De resultaten de onderzoeken en analyses worden verwerkt in de Arbeidsmarktrapportage Overheid, Kerngegevens Overheidspersoneel en de Trendnota Arbeidszaken. Met ingang van 2001 zal het onderzoeksprogramma worden geïntensiveerd met een bedrag van circa f 1,5 mln.

Voorts zijn in de arbeidsvoorwaardenovereenkomsten van de sector Rijk 1999/2000 en 2000/2001 gelden gereserveerd voor beleid gericht op het kwantitatief en kwalitatief op peil houden van de rijksdienst. Instrumenten die hiertoe worden ontwikkeld zijn onder andere een duidelijke en consequente arbeidsmarktcommunicatie, aandacht voor bijzondere groepen op de arbeidsmarkt (ouderen, minderheden, specialisten) en het aantrekkelijker maken van het werken bij de overheid (verbetering kinderopvangmogelijkheden, duidelijke koppeling tussen prestatie en beloning, opzet expertprojecten).

Als gevolg van de Wet privatisering ABP eindigt per 1 januari 2001 de gedwongen winkelnering bij dit pensioenfonds. Aan de gevolgen daarvan alsmede aan de voorgenomen sectoralisatie van de overheidspensioenen, zal aandacht worden besteed.

BZK onderhoudt internationale contacten op het gebied van management en personeelsbeleid. De hier geraamde uitgaven hebben betrekking op de ontwikkeling van opleidingen voor ambtenaren in Europees verband en het realiseren van stages voor ambtenaren uit Midden- en Oost-Europese landen bij de overheid in Nederland. Uit een nieuw wetsvoorstel leeftijdsdiscriminatie zullen extra werkzaamheden voortvloeien voor de Commissie Gelijke Behandeling. De financiering hiervan vindt plaats door BZK, Justitie en SZW.

Om in te spelen op de ontwikkelingen die relevant zijn voor de arbeidsmarktpositie en het functioneren van het rijk wordt onderzoek gedaan. Zo zullen op het terrein van arbeidsvoorwaarden en personeelsmanagement onderzoeken worden gedaan naar een effectieve inrichting van het beloningssysteem, naar de mogelijkheden voor verbetering van het preventie- en reïntegratiebeleid arbeidsongeschikten en naar specifieke, schaarse functiegroepen.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.03/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
05 Arbeidszaken overheid2 5324 0473 9433 9433 9433 9433 943120 1.33
06 Personeelsmanagement in de sector Rijk3 7967 56738 65345 03348 89248 39948 3741201.33
07 Financiering invoeringsuitgaven ZW/WW19 93690 00072B01.20
Totaal26 264101 61442 59648 97652 83552 34252 317  

07.05. Beheer rechtspositie

De grondslag van het artikel

Rijkswachtgeldbesluit 1959.

Kabinetsstandpunt van eind 1985, op grond waarvan BZK betrokken blijft bij de afwikkeling van de vóór 1985 gedane toezeggingen met betrekking tot het spreiden van rijksdiensten, voor zover deze extra personele lasten met zich meebrengen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.051999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 263260258258258   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 7– 128– 127– 128– 127   
Beheersmatig  
1. expertisecentrum (reallocatie U07.03)  – 135– 133– 133133   
2. toedeling loonbijstelling 2000 77656   
Stand ontwerp-begroting 20011242701321311301311291201.33
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000561236059595959  

De kengetallen

De uitvoering van de regeling wordt verzorgd door de Stichting USZO. Onderstaande kengetallen zijn op basis van gegevens van deze instantie.

(in f 1 000)
U07.05 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen dat een uitkering ontvangt6 6 6 
Bedrag per persoon 18,3 19,5 19,5
Toegelicht begrotingsbedrag 110 117 117
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen dat een uitkering ontvangt6 6 6 
Uitvoeringskosten per persoon 2,2 2,5 2,5
Toegelicht begrotingsbedrag 13 15 15

07.10. Financiële rechtspositie actieven en post-actieven

De grondslag van het artikel

Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering.

Rechtspositie oud-gouverneurs Suriname en hun nagelaten betrekkingen.

Rechtspositie voormalig personeel Suriname.

Rechtspositie gewezen overheidsdienaren voormalig Nederlands Nieuw-Guinea.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.101999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 1 0021 0021 0021 0021 002 
1e suppletore begroting 2000 – 206– 267– 267– 267– 267 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 3030303030 
Beheersmatig       
1. toedeling loonbijstelling 2000 3030303030 
Stand ontwerp-begroting 2001693826765765765765765
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000314375347347347347347

De toelichting bij de cijfers

Op dit artikel worden geraamd de uitgaven voor wachtgelden, uitkeringen en pensioenen aan voormalig werknemers van PTT en SDU, gewezen overheidspersoneel van Suriname en voormalig Nederlands Nieuw-Guinea.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.10/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
05 WWV-vervangende uitkeringen3684944334334334334331101.30
06 Pensioenen aan gewezen overheidsdienaren van Suriname1301461461461461461461101.30
07 Overtocht van en naar Suriname en de Nederlandse Antillen1101.30
08 Wachtgelden, uitkeringen en overige uitgaven1951861861861861861861101.30
Totaal693826765765765765765  

De kengetallen

De uitvoering van de regelingen wordt verzorgd door de stichtingen USZO en ABP. Onderstaande kengetallen zijn op basis van gegevens van beide instanties.

(in f 1 000)
U07.10 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen dat een uitkering ontvangt39 39 36 
Bedrag per persoon 16,77 20,13 20,19
Toegelicht begrotingsbedrag 654 785 727
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal personen dat een uitkering ontvangt39 39 36 
Uitvoeringskosten per persoon 1 1,05 1,05
Toegelicht begrotingsbedrag 39 41 38

07.16. Garanties

De grondslag van het artikel

Beschikking van 23 augustus 1974, nr. AB74/U1271, van de Minister van BiZa.

Wijziging organisatiebesluit DGMP.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.161999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie 
Stand ontwerp-begroting 2001NihilMemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000NihilMemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.16/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Garantie van rente en aflossing63E01.30
05 Overige garanties63Z01.30
TotaalNihilMemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De garanties

Naam garantieregeling: Rijkshypotheekgarantieregeling
  1999200020012002200320042005
garantieplafond 10 2009 7009 2008 7008 2007 7007 200
uitstaand renterisico        
uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari 10 2009 7009 2008 7008 2007 7007 200
aflossingen–/–       
(rente(bijtellingen+       
gerealiseerd risico–/–       
vervallen garanties–/–500500500500500500500
verleende garanties+       
uitstaand risico in hoofdsom per 31 december 9 7009 2008 7008 2007 7007 2006 700

In 1974 is door de Minister van BiZa de mogelijkheid geschapen om een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. De rijkshypotheekgarantieregeling brengt in principe geen kosten met zich mee. Voor het burgerlijk rijkspersoneel is de rijkshypotheekgarantieregeling met ingang van 8 december 1990 ingetrokken. Dit betekent dat vanaf die datum geen rijkshypotheekgaranties meer worden verleend aan burgerlijke rijksambtenaren. Reeds toegekende garanties blijven gehandhaafd.

07.17. Bijdragen ten behoeve van werknemersorganisaties in verband met arbeidsverhoudingen in de overheidssector

De grondslag van het artikel

Circulaire Minister van BiZa van 21 juni 1982, nr. AB82/U1164.

Regeling subsidiëring CAOP.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.171999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 8 6168 6168 6168 6168 616 
1e suppletore begroting 2000 8080808080 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4 815169169169169 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 169169169169169 
2. bijstelling verplichtingen 4 646     
Stand ontwerp-begroting 20018 67313 5118 8658 8658 8658 8658 865
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0003 9366 1314 0234 0234 0234 0234 023
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.171999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 8 6098 6168 6168 6168 616 
1e suppletore begroting 2000 8080808080 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 169169169169169 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 169169169169169 
Stand ontwerp-begroting 20018 6738 8588 8658 8658 8658 8658 865
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0003 9364 0204 0234 0234 0234 0234 023

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden geraamd de financiële bijdrage aan de centrales van overheidspersoneel voor de uitvoering van het vakbondswerk en de werknemersbijdrage in de exploitatiekosten van de stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP).

Voorts vindt een eenmalige correctie van de verplichtingenraming plaats als gevolg van de bepaling in de Regeling subsidiëring CAOP, dat de minister uiterlijk in de maand december de bijdrage voor het volgende jaar vaststelt.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.17/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Vakbondsfaciliteiten4 1334 2124 2124 2124 2124 2124 21243F01.33
02 Bijdragen aan de Stichting CAOP4 5404 6464 6534 6534 6534 6534 65343F01.33
Totaal8 6738 8588 8658 8658 8658 8658 865  

07.18. Werkgeversbijdrage aan het overlegstelsel overheidspersoneel

De grondslag van het artikel

Regeling subsidiëring CAOP, naar aanleiding van een overeenkomst met de centrales voor overheidspersoneel.

De cijfers

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.181999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 4 5224 5224 5224 5224 522 
1e suppletore begroting 2000 267267267267267 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4 96089898989 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 8989898989 
2. bijstelling verplichtingen 4 871     
Stand ontwerp-begroting 20014 5409 7494 8784 8784 8784 8784 878
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 0604 4242 2142 2142 2142 2142 214
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.181999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 4 5154 5224 5224 5224 522   
1e suppletore begroting 2000 267267267267267   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 8989898989   
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 8989898989   
Stand ontwerp-begroting 20014 5404 8714 8784 8784 8784 8784 87843F01.33
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 0602 2102 2142 2142 2142 2142 214  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel wordt geraamd de financiële werkgeversbijdrage in de exploitatiekosten van de stichting CAOP.

Voorts vindt een eenmalige correctie van de verplichtingenraming plaats als gevolg van de bepaling in de Regeling subsidiëring CAOP, dat de minister uiterlijk in de maand december de bijdrage voor het volgende jaar vaststelt.

07.20. Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel sector Rijk

De grondslag van het artikel

Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel (ZVR).

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.201999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 84 71384 32884 25284 25684 256 
1e suppletore begroting 2000 17 500     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 29 825– 11 695– 11 712– 11 694– 11 685 
Beleidsmatig  
1. financiering CAO's Rijk 1999/2000 en 2000/2001 – 32 266– 14 379– 14 343– 14 287– 14 348 
Beheersmatig  
2. toedeling loonbijstelling 2000 2 4412 6842 6312 5932 663 
Stand ontwerp-begroting 200166 93172 38872 63372 54072 56272 57172 641
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00030 37232 84832 95932 91732 92732 93132 963

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden de programma-uitgaven met betrekking tot de ZVR geraamd. Deze uitgaven betreffen zowel de uitkeringen, als de daarover verschuldigde loonbelasting. Tevens worden hier geraamd de uitvoeringskosten van de ZVR.

Voorts vindt uit dit artikel de financiering plaats van de financiële consequenties van de arbeidsvoorwaardenovereenkomsten sector Rijk 1999/2000 en 2000/2001. Zie voor nadere informatie bij de inzet van deze middelen de toelichting bij de mutaties op de artikelen 01.03, 07.02 en 07.03.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.20/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Programma-uitgaven63 62767 61667 86167 76867 79067 79967 8691105.2
02 Uitvoeringskosten3 3044 7724 7724 7724 7724 7724 7721205.2
Totaal66 93172 38872 63372 54072 56272 57172 641  

De kengetallen

De uitvoering van de ZVR wordt verzorgd door DZVO. Onderstaande kengetallen zijn op basis van gegevens van DZVO.

(in f 1 000)
U07.20 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal gehonoreerde aanvragen  23 300 23 300 
Aantal versterkte uitkeringen22 326     
Bedrag per beschikking (excl. aansprakenbelasting) 2,10 2,20 2,22
Aansprakenbelasting 16 698 16 250 16 250
Toegelicht begrotingsbedrag 63 627 67 616 67 861
DOELMATIGHEIDSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Aantal aanvragen  26 450 26 450 
Aantal uitkeringen27 600     
Uitvoeringskosten per aanvraag   0,180 0,180
Uitvoeringskosten per uitkering 0,119    
Toegelicht begrotingsbedrag 3 304 4 772 4 772

07.21. Personeel en materieel Management en Personeelsbeleid

De grondslag van het artikel

Ambtenarenwet, ARAR, BBRA, Rijkswachtgeldbesluit 1959 en overige (personele) wetgeving.

Wijziging organisatiebesluit DGMP.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.211999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 55 39752 75846 57042 57042 570 
1e suppletore begroting 2000 1 282– 4 971– 5 022– 3 018– 3 018 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 1 3881 0781 0411 0261 055 
Beheersmatig  
1. investeren in leren (reallocatie U07.03) 400     
2. toedeling loonbijstelling 2000 9881 0781 0411 0261 055 
Stand ontwerp-begroting 200148 771(50 376)58 06748 86542 58940 57840 60740 627
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00022 131(22 860)26 35022 17419 32618 41318 42718 436

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden geraamd de uitgaven in verband met de loonkosten voor ambtelijk en niet-ambtelijk personeel, opleidingen, wachtgelden en exploitatiekosten (waaronder de kosten verbonden aan de invoer van de euro).

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.21/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Ambtelijk personeel25 96628 62828 85528 82128 80828 08328 1001101.1
02 Overig personeel1 7911 4757757757757757751201.1
03 Post-actieven5 9706 1155 8785 6255 3735 1274 8801101.1
04 Materieel15 04421 84913 3577 3685 6226 6226 8721201.1
Totaal48 77158 06748 86542 58940 57840 60740 627  

De kengetallen

(in f 1 000)
U07.21 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel266,5 266,5 266,5 
Gemiddelde loonkosten 95,01 107,42 108,27
Toegelicht begrotingsbedrag 25 324 28 628 28 855

07.22. Rechtspositie post-actieven (voormalige) overzeese gebiedsdelen

De grondslag van het artikel

Indische reglementen voor militairen of voormalige leden van de landmacht in Suriname en de Nederlandse Antillen; Toelageregeling; Reglement voor den militair geneeskundige dienst in Nederlands-Indië; Pensioenreglement van Nederlands Nieuw-Guinea; Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956; bijdrage aan de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen; verschillende Indische pensioenreglementen, Indische Staatsbladen en ordonnanties; Koninklijk besluit van 1954; Uitkeringswet tegemoetkoming twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U07.221999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 137 210127 318123 298120 798117 798 
1e suppletore begroting 2000 – 5 000     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 4 409– 7 389– 12 520– 12 601– 12 722 
Autonoom  
1. lager beroep op regelingen  – 10 000– 15 000– 15 000– 15 000 
Beheersmatig  
2. toedeling loonbijstelling 2000 4 4092 6112 4802 3992 278 
Stand ontwerp-begroting 2001144 982136 619119 929110 778108 197105 076105 101
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00065 79061 99554 42150 26949 09847 68147 693

De toelichting op de cijfers

Het betreft regelingen waarin geen nieuwe instroom meer plaats vindt. Wegens een verwacht lager beroep op de regelingen is het mogelijk het budgettair kader te verlagen met f 10 mln in 2001 en vanaf 2002 met f 15 mln.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U07.22/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Rechtspositie post-actieven Suriname en Nederlandse Antillen7 5227 6547 4107 0456 6856 3255 9651101.30
02 Rechtspositie post-actieven Nederlands en West Nieuw-Guinea21 56519 77819 55019 47519 39519 30519 2101101.30
03 Rechtspositie post-actieven Indonesië115 645108 38292 28683 59581 47478 82379 3231101.30
04 Rechtspositie post-actieven bijzondere voorzieningen1902051871671471271071101.30
05 Uitkeringswet twee- tot vijfjarige diensttijd veteranen606004964964964964961101.30
Totaal144 982136 619119 929110 778108 197105 076105 101  

De kengetallen

De uitvoering van de diverse regelingen wordt verzorgd door de SAIP. Overeenkomstig de door de SAIP ingediende begroting is uitgegaan van de verwachte gemiddelde aantallen uitkeringsgerechtigden. De aantallen 1999 betreffen de aantallen personen, die in het derde kwartaal van dat jaar een uitkering hebben ontvangen. De bedragen 1999 komen overeen met de werkelijke realisatie.

(in f 1 000)
U07.22 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 016557 5226907 6546937 410
Artikelonderdeel 021 47221 5651 44619 7781 40819 550
Artikelonderdeel 037 374102 1076 89899 9865 84089 566
Artikelonderdeel 04181901920518187
Toegelicht begrotingsbedrag 131 384 127 623 116 713

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

In het kader van de algemene zorg voor de bevordering van het functioneren van het openbaar bestuur, heeft BZK een coördinerende en stimulerende rol op het terrein van de toepassing van de informatievoorziening en de inzet van geautomatiseerde hulpmiddelen daarbij. Dit hoofdbeleidsterrein omvat activiteiten met betrekking tot de inzet van ICT voor de dienstverlening van de overheid, voor het toegankelijk maken van overheidsinformatie, bij de rol van burgers in de democratische besluitvorming en ter bevordering van een meer doelmatige bedrijfsvoering bij de overheid.

08.01. Bevordering informatievoorziening overheid

De grondslag van het artikel

Actieprogramma Elektronische Overheid.

Nota Contract met de Toekomst; een visie op de elektronische relatie overheid/burger.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U08.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 13 2699 7659 7639 7639 763 
1e suppletore begroting 2000 5 981– 555– 555– 555– 555 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 13636 17033 16733 16428 169 
Beleidsmatig  
1. ICT-overheid  25 00025 00025 00025 000 
2. kiezen op afstand  4 5005 0005 000  
3. Algemene Databank Wet- en regelgeving (ADW)  6 5003 0003 0003 000 
Beheersmatig  
4. onderzoek ministeriële websites (overboeking AZ) – 18     
5. toedeling loonbijstelling 2000 154170167164169 
Stand ontwerp-begroting 200145 935(49 058)19 38645 38042 37542 37237 37737 380
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00020 844(22 262)8 79720 59319 22919 22816 96116 962

De toelichting op de cijfers

Doel van het «Actieprogramma Elektronische Overheid» is met een gerichte inzet van ICT een impuls te geven aan het verbeteren van de kwaliteit, efficiëntie en effectiviteit van het overheidshandelen. Voor deze impuls is vanaf 2001 een extra bedrag van f 25 mln per jaar beschikbaar. De doelstellingen van het informatiebeleid voor de openbare sector richten zich op de volgende drie thema's: een goede elektronische toegankelijkheid van de overheid, een betere dienstverlening aan burgers en bedrijven en een verbeterde interne bedrijfsvoering.

Op de eerste twee thema's zullen in 2001 vervolgstappen worden gezet voor de portalsite www.overheid.nl en (in het kader van het programma OL2000) voor een Vraaggerichte Gemeentelijke Producten Catalogus. Via een subsidieregeling zullen de gemeenten worden gestimuleerd deze ook daadwerkelijk te implementeren en daarbij de mogelijkheid te bieden aan burgers en bedrijven om gemeentelijke producten elektronisch aan te vragen. Ten behoeve van alle overheidsorganisaties zal tenslotte een handreiking worden opgesteld over de wijze waarop de overheid de burger interactief bij de publieke zaak kan betrekken.

Ter verbetering van het intern functioneren van de overheid zal dit jaar een eerste versie van het Rijksoverheidsintranet worden opgeleverd. De initiële versie zal personeelsinformatie bevatten, een elektronische adresgids met werkplekgegevens van alle rijksambtenaren, een nieuwsvoorziening, groupware voor het samenwerken in groepen en voor het bevorderen van kennismanagement en de nodige handboeken.

In het kader van het programma Stroomlijning Basisgegevens zal in 2001 de actielijn Beleidsontwikkeling (conceptontwikkeling, wetgevings- en kostenverrekeningskader) grotendeels worden afgerond. In de actielijn Implementatieprojecten worden de projecten Basisbedrijvenregister, Gebouwenregister, Geografisch Kernbestand en Verzekerdenadministratie voortgezet en zullen eventuele nieuwe worden opgestart, alsmede een stimuleringsregeling voor zogeheten quick-win's.

Voortvloeiend uit de nota «Contract met de toekomst» zullen onder meer verkenningen en onderzoeken worden gedaan naar de kosten en baten van volledige uitrol van de elektronische overheid, naar ervaringen en wensen van burgers, naar geschiktheid van overheidsdiensten voor een pro-actieve benadering en de randvoorwaarden voor zo'n benadering, naar participatie van non-profit- en vrijwilligersorganisaties, naar de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan een «recht op regie over de eigen persoonsgegevens» en aan een «recht op eenmalig aanleveren van gegevens aan de overheid» en naar randvoorwaarden voor de betrokkenheid van de overheid bij digitale debatten.

In 2002 zouden alle gemeenten in Nederland een site op het Internet moeten hebben. In overleg met de VNG zal worden bezien hoe deze doelstelling kan worden gerealiseerd. In 2001 wordt gestart met territoriaal geïntegreerde pilots. Doel hiervan is om in een aantal proefgebieden te komen tot een volledig aanbod van elektronische overheidsdiensten.

Om haar rol als aanjager en gebruiker van technologische innovatie reëel inhoud te geven zal de overheid als «launching customer» in verschillende innovatieve technieken investeren, zoals beveiligingstechnieken (encryptie, digitale handtekening en biometrische identificatie), «privacy enhancing technologies» die het op termijn mogelijk moeten maken de schijnbaar tegengestelde doelen van koppeling van bestanden en privacybescherming met elkaar te combineren, alsmede digitalisering van werkprocessen en integratie van de archieffunctie.

Ter voorbereiding op een grootschalig experiment met elektronisch stemmen tijdens verkiezingen in 2003 worden in 2001 verschillende activiteiten uitgevoerd. Er wordt onderzoek verricht naar (inter-)nationale ervaringen en ontwikkelingen om mogelijke organisatorische en technische knelpunten en succesformules in kaart te brengen. Voor identificatie op afstand lijkt een elektronisch identiteitsbewijs (eID) het meest geschikt. Onderzoek hiernaar vindt plaats binnen het bestaande NGR-project (zie ook uitgavenartikel 02.07). De geschiktheid van de eID voor gebruik tijdens verkiezingen wordt in 2001 door middel van pilots getest.

De realisatie van een eigen wettenbank van de overheid op Internet zal Europees worden aanbesteed. Voor de aankoop van een wettenbestand is in beginsel in het kader van het Nationaal Actieprogramma Elektronische snelwegen een éénmalig bedrag van f 4 mln gereserveerd. Voor de bouw is een bedrag van f 6,5 mln op de BZK-begroting opgenomen. Voor redactioneel en technisch onderhoud is vanaf 2001 structureel een bedrag van f 6,5 mln nodig. Omdat ministeries zullen besparen op de abonnementen die zij voorheen in het kader van de overeenkomst tussen de Staat en Kluwer voor de ADW-namen, zal BZK vanaf 2002 f 3,5 mln doorberekenen aan de overige ministeries naar rato van de ADW-licenties die tot nu toe uit de verschillende begrotingen werden gefinancierd.

De uitgaven voor samenwerkingsverband informatiebeveiliging worden vanaf 2000 geraamd en verantwoord bij de specifieke uitgaven overheidsinformatievoorziening.

De bijdrage van BZK aan het agentschap BPR met betrekking tot de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) in de jaren 2001 tot 2003 omvat mede de bijdrage ten behoeve van het project «kiezen op afstand». De agentschapbegroting met bijbehorende toelichtingen is opgenomen onder D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPBEGROTINGEN.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Specifieke uitgaven overheidsinformatievoorziening en organisatie van de rijksdienst32 80313 20037 07333 52233 52232 47232 4721201.1
06 Samenwerkingsverband informatiebeveiliging959      1201.1
07 Bijdragen aan het agentschap BPR12 1736 1868 3078 8538 8504 9054 9080301.34
Totaal45 93519 38645 38042 37542 37237 37737 380  

08.04. Personeel en materieel Centrale Archiefselectiedienst

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden bijdragen geraamd van BZK aan het agentschap Centrale Archiefselectiedienst (CAS).

De agentschapbegroting met bijbehorende toelichtingen is opgenomen onder D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPBEGROTINGEN.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U08.041999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 10 30010 28710 28210 28210 282 
1e suppletore begroting 2000 6565656565 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 213235230227233 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 213235230227233 
Stand ontwerp-begroting 200110 114(12 406)10 57810 58710 57710 57410 58010 585
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0004 590(5 630)4 8004 8044 8004 7984 8014 803

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.04/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
10 Bijdragen aan het agentschap CAS10 11410 57810 58710 57710 57410 58010 5850301.34
11 Incidentele investeringsbijdrage5201.34
Totaal10 11410 57810 58710 57710 57410 58010 585  

08.06. Integratie van personeels- en salarisadministraties

De grondslag van het artikel

Wijziging organisatiebesluit DGMP.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U08.061999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 4 6624 6294 5964 5964 596   
Stand ontwerp-begroting 20014 1544 6624 6294 5964 5964 5964 5961201.33
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001 8852 1162 1012 0862 0862 0862 086  

De toelichting op de cijfers

De Minister van BZK is in het verlengde van de coördinerende taak voor het overheidspersoneelsbeleid verantwoordelijk voor de coördinatie van de personeelsinformatievoorziening binnen de overheid in het algemeen en voor de rijksoverheid in het bijzonder. In dat kader is de minister tevens verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de Interdepartementale Personeelsinformatie Automatiseringssystemen (IPA-systemen). De bijdragen zijn bedoeld ter financiering van de door het agentschap Informatievoorziening Overheidspersoneel (IVOP) door te berekenen exploitatiekosten.

09. Algemene Bestuursdienst

De Algemene Bestuursdienst (ABD) wordt gevormd door zijn leden, te weten alle topambtenaren in de rijksdienst werkzaam in functies die gewaardeerd zijn op schaal 16 en hoger (voor de schalen 16 zijn dit integrale managementfuncties, i.e. functies met eindverantwoordelijkheid op minimaal personeel en financieel gebied). Het doel van de ABD is de kwaliteit, integriteit en professionaliteit van de rijksdienst te waarborgen en te bevorderen. Hiertoe wordt bijzondere aandacht gegeven aan het topmanagement vanuit de visie dat de persoonlijke en professionele ontwikkeling van topambtenaren een hoog rendement geeft bij de kwaliteitsontwikkeling van de rijksdienst. Het bureau voor de ABD, een zelfstandig onderdeel van BZK, ontwikkelt, coördineert en voert het beleid uit met betrekking tot dit segment.

09.01. Personeel en materieel Algemene Bestuursdienst

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Instellingsbeschikking bureau voor de vorming van de Algemene Bestuursdienst.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U09.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 4 7185 3995 1835 1695 169 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 132168161159163 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 132168161159163 
Stand ontwerp-begroting 20013 247(3 234)4 8505 5675 3445 3285 3325 335
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001 473(1 468)2 2012 5262 4252 4182 4202 421

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U09.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
03 Materieel2983843842882742742741201.1
04 Ambtelijk personeel2 8694 3415 0484 9214 9194 9234 9261101.1
05 Overig personeel801251351351351351351201.1
06 Post-actieven1101.1
Totaal3 2474 8505 5675 3445 3285 3325 335  

De kengetallen

(in f 1 000)
U09.01 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel23,3 34,5 40 
Gemiddelde salariskosten 123,1 125,8 126,2
Toegelicht begrotingsbedrag 2 869 4 341 5 048

09.02. Personeelsbeleid Algemene Bestuursdienst

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Instellingsbeschikking bureau voor de vorming van de Algemene Bestuursdienst.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U09.021999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 1 3141 3141 3141 3141 314   
Stand ontwerp-begroting 20011 445(1 487)1 3141 3141 3141 3141 3141 3141201.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000656(675)596596596596596596  

De toelichting op de cijfers

De activiteiten van het Bureau ABD voor de leden van de ABD richten zich op de volgende resultaatgebieden:

mobiliteit: bedoeld om de samenwerking en ontkokering in de rijksdienst te versterken met als neveneffect de versterking van de mobiliteit van het middenkader. Via het realiseren van de match tussen capaciteiten van mensen en eisen van de organisatie worden functionarissen in staat gesteld zich in de functie te ontwikkelen en biedt de organisatie de mogelijkheid om te groeien door de inzet van die specifieke functionaris;

loopbaanadvisering: via periodieke gesprekken aan de hand van het ABD-competentie-instrumentarium worden de ABD-leden geadviseerd over (het vervolg van) hun loopbaan, teneinde kansen en potenties zowel voor de organisatie als voor de individuele medewerker zo goed mogelijk inzichtelijk te hebben en van daaruit bij te dragen aan de kwaliteit van de rijksdienst;

individuele ontwikkeling: bedoeld om de eigen horizon van het ABD-lid te verbreden, waardoor nieuwe inspiratie en motivatie worden opgedaan. Het gaat hierbij om identificatie van gebieden waar individuele ontwikkeling wenselijk en mogelijk is;

interdepartementale synergie: hiermee wordt beoogd de samenhang en samenwerking in de rijksdienst te vergroten. Dit krijgt gestalte door de bevordering van de onderlinge bekendheid van de ABD-leden middels ABD-bijeenkomsten voor en door ABD-leden, congressen, opleidingen, studiereizen en projecten;

strategie, beleid en ontwikkeling: bedoeld om te voldoen aan de eisen van professionaliteit en het ondersteunen van de taakuitoefening van het Bureau ABD. Onderzoeken worden geïnitieerd, ontwikkelingen worden gevolgd teneinde de professionaliteit van de ABD in de breedste zin van het woorden te bevorderen.

10. Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties

Het Directoraat-Generaal Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties (DGCZK) heeft de zorg voor het constitutionele, staatsrechtelijke bestel, de coördinatie van de samenwerkingsrelatie met de Nederlandse Antillen en Aruba en de coördinatie van Europese en Internationale aangelegenheden.

De invulling van het samenwerkingsbeleid met de Nederlandse Antillen en Aruba is in een aparte begroting Koninkrijksrelaties (IV) opgenomen.

10.01. Personeel en materieel Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties

De grondslag van het artikel

Instellingsbesluit DGCZK.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U10.011999200020012002
Stand ontwerp-begroting 2000 14 04813 90613 960
1e suppletore begroting 2000 4 181567566
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2901 516501
Beleidsmatig    
1. referendumwet  1 200200
Beheersmatig    
2. toedeling loonbijstelling 2000 290316301
Stand ontwerp-begroting 200114 788(15 350)18 51915 98915 027
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0006 711(6 966)8 4047 2556 819

De toelichting op de cijfers

Ter invoering van het raadgevend referendum begin 2001 dienen voorbereidende werkzaamheden in 2000 te worden uitgevoerd op het gebied van de benodigde wetgeving. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet moeten voorlichtingscampagnes worden voorbereid om burgers, provincies en gemeenten voor te lichten over de referendumwet.

Daarnaast dient structureel capaciteit beschikbaar te zijn om de aanhangige wetsvoorstellen te toetsen en bekend te maken in de Staatscourant.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U10.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Ambtelijk personeel10 31411 13110 31310 0079 5469 5539 5591101.1
02 Overig personeel5243803803803803803801201.1
03 Post-actieven1573313313313313313311101.1
04 Materieel3 6796 5674 8554 1993 6323 6323 6321201.1
05 Buitenland uitgaven1141101101101101101101101.42
Totaal14 78818 51915 98915 02713 99914 00614 012  

De kengetallen

(in f 1 000)
U10.01/Artikelonderdeel 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
01 Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel88,5 91,2 86 
Gemiddelde salariskosten 117 119 119
Toegelicht begrotingsbedrag 10 314 10 798 10 154
03 Aantal uitkeringsgerechtigden uitkeringsregelingen post-actieven2 3 3 
Gemiddeld uit te keren bedrag 79 125 125
Toegelicht begrotingsbedrag 157 374 374

10.02. Personeel en materieel Vertegenwoordigingen Nederlandse Antillen en Aruba

De grondslag van het artikel

Regeling positie en functie vertegenwoordiger Nederlandse regering bij regering Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba en het Instellingsbesluit DGCZK.

De cijfers

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
U10.021999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 4 4844 4964 5214 5214 521 
1e suppletore begroting 2000 200     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 101112110109111 
Beheersmatig  
1. toedeling loonbijstelling 2000 101112110109111 
Stand ontwerp-begroting 20014 7754 7854 6084 6314 6304 6324 635
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002 1672 1712 0912 1012 1012 1022 103

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (in f 1 000) en de economische en functionele codering
U10.02/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Ambtelijk personeel3 2983 5933 4083 4133 4123 4143 4171101.42
02 Overig personeel334040404040401201.42
03 Post-actieven706060606060601101.42
04 Materieel1 3741 0921 1001 1181 1181 1181 1181201.42
Totaal4 7754 7854 6084 6314 6304 6324 635  

De kengetallen

(in f 1 000)
U10.02  1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
Artikelonderdeel 01– Gemiddelde bezetting ambtelijk personeel21 22 22 
 – Gemiddelde salariskosten 157 150 150
 – Toegelicht begrotingsbedrag 3 297 3 492 3 296
Artikelonderdeel 03– Aantal uitkeringsgerechtigden uitkeringsregelingen post-actieven1 1 1 
 – Gemiddeld uit te keren bedrag 69 60 60
 – Toegelicht begrotingsbedrag 69 60 60

4. Ontvangsten

01.06. Ontvangsten A&O subsidies

De grondslag van het artikel

Wijziging organisatiebesluit DGMP.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O01.061999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 NihilNihilNihilNihilNihil   
1e suppletore begroting 2000 430100      
Stand ontwerp-begroting 2001330430100NihilNihilNihilNihil1606.40
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00015019545NihilNihilNihilNihil  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden geraamd de ontvangsten van subsidies van het A&O fonds Rijk voor de opleiding van mentoren voor het traineeproject en de ontwikkeling van de interdepartementale mobiliteitsbank. De corresponderende uitgaven zijn geraamd op de uitgavenartikel 07.02 respectievelijk 07.03.

01.08. Overige ontvangsten

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
O01.081999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 9 68617 18617 18617 18617 186 
1e suppletore begroting 2000 12 000     
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: – 11 000– 4 700– 4 700– 4 700– 4 700 
Beleidsmatig  
1. verlaging dividendraming – 11 000– 4 700– 4 7004 700– 4 700 
Stand ontwerp-begroting 200122 18410 68612 48612 48612 48612 48612 486
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00010 0674 8495 6665 6665 6665 6665 666

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in f 1 000) en de economische en functionele codering
01.08/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Inhouding op salarissen voor dienstverlening44594594594594594591601.1
02 Bijdragen van belanghebbenden voor inkoop van diensttijd voor pensioen224545454545451101.1
03 Ontvangsten Hoge Raad van Adel52020202020202601.1
05 Diverse ontvangsten1 4991 6621 6621 6621 6621 6621 6621601.1
06 ZVO-doorberekening aan ministeries1105.2
07 Dividendontvangsten20 6548 50010 30010 30010 30010 30010 3002701.34
Totaal22 18410 68612 48612 48612 48612 48612 486  

De toelichting op de cijfers

Tengevolge van de 2e tranche van de vervreemding van PinkRoccade NV dient de dividendraming met ingang van 2001 met structureel f 4,7 mln te worden verlaagd.

De structurele verlaging met f 4,7 mln is gebaseerd op een verwachte vermindering van de dividendopbrengst uit hoofde van de vervreemding met circa 55%. Daarnaast dient de raming over 2000 met f 11 mln te worden verlaagd.

De éénmalige verlaging van de dividendopbrengst in 2000 met f 11 mln wordt veroorzaakt door het feit dat de dividendopbrengst 1999 PinkRoccade NV niet als cashdividend maar als stockdividend is ontvangen. Resteert op dit artikel een geraamde dividendopbrengst van f 8 mln uit hoofde van de deelneming in SDU.

01.09. Ontvangsten vervreemding aandelen

De grondslag van het artikel

Brief van de Minister voor GSI aan Tweede Kamer inzake Vervreemding aandelenbezit NV SDU.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O01.091999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
1e suppletore begroting 2000 4 300       
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 657 294       
Beleidsmatig  
1. vervreemding aandelen PinkRoccade (2e tranche) 657 294       
Stand ontwerp-begroting 2001247 840661 594MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie78D01.34
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000112 465300 218MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd samenhangend met de vervreemding van een deel van het aandelenpakket van de Roccade Informatica Groep NV (voorheen N.V. RCC) en de NV Sdu (Staatsdrukkerij en uitgeverij).

Op 23 juni 2000 heeft de Staat der Nederlanden haar belang in PinkRoccade NV teruggebracht van 76 naar 34% (2e tranche vervreemding). Met deze vervreemding is een opbrengst gemoeid van f 657,294 mln.

02. Openbaar Bestuur

02.01. Inhoudingen voor pensioenen van de leden van het Europees Parlement of hun betrekkingen

De grondslag van het artikel

Appa.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.011999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 390380370360350   
Stand ontwerp-begroting 20012003903803703603503401101.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00091177172168163159154  

De toelichting op de cijfers

Op grond van de Appa betalen de leden van het Europees Parlement pensioenpremies. Dit premiebijdrageverhaal bedraagt op dit moment 3,125% van de schadeloosstelling.

02.02. Werking politiek systeem

De grondslag van het artikel

In de Kieswet zijn onder de artikelen G 1, H 12, en Y 2 regelingen opgenomen omtrent het betalen (en restitueren) van waarborgsommen door een politieke partij aan het Rijk bij verkiezingen.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.021999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
Stand ontwerp-begroting 2001102MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie68F01.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00046MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Een waarborgsom van duizend gulden moet worden betaald aan het Rijk door de politieke partij die haar aanduiding laat registreren bij het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer (artikel G 1, tweede lid). De waarborgsom wordt teruggestort, indien de politieke groepering bij de eerstvolgende verkiezing een geldige kandidatenlijst inlevert. Een politieke partij die aan de verkiezing van de Tweede Kamer wil deelnemen en niet reeds een of meer zetels in de Tweede Kamer heeft, dient voorafgaand aan de inlevering van een kandidatenlijst een waarborgsom van vijfentwintigduizend gulden te betalen aan het Rijk (artikel H 12). De waarborgsom wordt teruggestort indien de partij niet daadwerkelijk een kandidatenlijst inlevert, en ook indien de partij bij de verkiezing een aantal stemmen behaalt dat meer dan 75% van de kiesdeler bedraagt.

Beide regelingen zijn van overeenkomstige toepassing op de verkiezing van de leden van het Europees Parlement (artikel Y 2). De waarborgsommen die niet worden teruggestort, vervallen aan het Rijk. Gezien de onzekerheid van deze ontvangsten wordt een memorieraming opgenomen.

02.03. Diverse ontvangsten

De grondslag van het artikel

Regeling Werkgelegenheidsimpuls 1994.

Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Ewlw).

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.031999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 91 301MemorieMemorieMemorieMemorie   
1e suppletore begroting 2000 24 804       
Stand ontwerp-begroting 200157 674116 105MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1601.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00026 17152 686MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden diverse ontvangsten geraamd op het terrein van het openbaar bestuur. Het betreft mogelijke ontvangsten als gevolg van afrekening van in voorgaande jaren verstrekte voorschotten, ontvangsten wegens medefinanciering door derden van door BZK uitgevoerde activiteiten, van derden ontvangen onkostenvergoedingen, alsmede opbrengsten van de verkoop van brochures/publikaties op het gebied van het openbaar bestuur. Op voorhand is de hoogte van dergelijke ontvangsten niet te ramen.

De voor 2000 geraamde ontvangsten betreffen voor een belangrijk deel terugontvangsten wegens afrekening van in voorgaande jaren aan gemeenten verstrekte voorschotten in het kader van de Regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Melkert-banen). Deze terugontvangsten betreffen in feite gerealiseerde onderuitputting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door gemeenten die destijds voor het eerst deelnamen aan de regeling voor Melkert-banen. Door organisatie- en startproblemen (zoals het opzetten van de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie, het zoeken naar de juiste kandidaten, het werven van werkgevers) is de daadwerkelijke realisatie achtergebleven bij de aanvankelijke ramingen.

02.04. Paspoortleges

De grondslag van het artikel

Paspoortwet.

Besluit Paspoortgelden.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.041999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 108 978102 052129 352102 852101 365   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  – 5 900– 60 600– 46 600– 46 200   
Beleidsmatig         
1. verlaging rijksleges  – 47 000– 77 000– 61 000– 60 000   
Beheersmatig  
2. ontvangsten paspoorten (desaldering U02.07)  41 10016 40014 40013 800   
Stand ontwerp-begroting 200195 635108 97896 15268 75256 25255 16565 2001601.40
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00043 39749 45243 63231 19825 52625 03329 586  

De toelichting op de cijfers

Dit artikel betreft de raming van de ontvangsten in verband met de af te dragen rijksleges voor de afgifte van reisdocumenten. De ontvangsten zijn lager geraamd dan aanvankelijk in de meerjarenraming was aangegeven. Dit is het uiteindelijke resultaat van twee bewegingen: hogere ramingen en de verlaging van de rijksleges tot een kostendekkend niveau. De hogere ramingen zijn het gevolg van hogere ramingen van de aantallen reisdocumenten, waarover leges zal worden geheven, ten gevolge van actualisatie van de cijfers van het begrotingsmodel VB-accounts. Daarnaast zijn de ontvangsten in 2001 hoger geraamd ten gevolge van de wijziging van de systematiek van verrekening na de invoering van de NGR, waardoor de leges eerder kunnen worden geïnd. De rijkslegestarieven bedragen momenteel f 56,55 voor het paspoort en f 16,30 voor de Europese identiteitskaart. Na de invoering van de NGR zullen de tarieven worden aangepast. De definitieve prijzen die gelden na de verlaging van de rijksleges tot kostendekkend niveau moeten nog worden vastgesteld.

De kengetallen

(in f 1 000)
O02.04 1999 2000 2001
RAMINGSKENGETALLENaantalbedragaantalbedragaantalbedrag
paspoorten à f 54,901,44 mln79 056    
paspoorten à f 55,30  1,668 mln92 288  
paspoorten à f 56,55    * 
Europese identiteitskaarten à f 15,850,94 mln14 899    
Europese identiteitskaarten à f 16,00  1,043 mln16 690  
Europese identiteitskaarten à f 16,30    * 
Eenmalige extra ontvangst      
Overige ontvangsten reisdocumenten 1 680    
Totaal 95 635 108 978 96 152

* Definitieve prijzen moeten nog worden vastgesteld.

02.05. Ontvangsten sociale vernieuwing

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.051999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
Stand ontwerp-begroting 2001NihilVervallenVervallenVervallenVervallenVervallen 1201.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil        

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel zijn in voorgaande jaren ontvangsten op het terrein van sociale vernieuwing verantwoord, voornamelijk bestaande uit terugbetalingen van bijdragen (uit het fonds stimulering) sociale vernieuwing. In 1999 en naar verwachting ook vanaf 2000 waren/zijn er geen daadwerkelijke terugbetalingen, zodat het artikel kan komen te vervallen.

02.06. Ontvangsten in verband met aansluiting mede-overheden bij de Nationale ombudsman

De grondslag van het artikel

Wet Nationale ombudsman.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O02.061999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
Stand ontwerp-begroting 2001157MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1601.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00071MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Het kabinet streeft naar de totstandkoming van een landelijk dekkend stelsel van externe klachtvoorzieningen. Dit betekent dat de ideale situatie bereikt is wanneer burgers ten aanzien van gedragingen van alle overheidsorganen de mogelijkheid hebben een klacht in te dienen bij een onafhankelijke, externe instantie. Decentrale overheden kunnen er voor kiezen een eigen ombudsman of commissie in het leven te roepen of zich te doen aansluiten bij de Nationale ombudsman. Voor de aansluiting bij de Nationale ombudsman zijn de mede-overheden een vergoeding verschuldigd. Op dit artikel worden de ontvangsten van de rijksoverheid in verband met de aansluiting van provincies, waterschappen en gemeenten bij de Nationale ombudsman geraamd.

03. Integratiebeleid minderheden

03.01. Ontvangsten remigratiebeleid

De grondslag van het artikel

Werkloosheidswet (WW).

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
O03.011999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 3 5003 5003 5003 5003 500 
Stand ontwerp-begroting 20011 0853 5003 5003 5003 5003 5003 500
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0004921 5881 5881 5881 5881 5881 588

De toelichting op de cijfers

Op grond van artikel 95 van de WW is het Algemeen Werkloosheidsfonds verplicht vergoedingen te geven aan het Rijk voor verstrekte remigratiebijdragen aan remigranten voor zover die een WW-uitkering zouden hebben ontvangen als zij niet waren geremigreerd.

Daarnaast worden op dit artikel eventuele terugbetalingen en overige ontvangsten van (r)emigranten en instellingen geraamd.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in f 1 000) en de economische en functionele codering
03.01/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Algemeen Werkloosheidsfonds1 0851 0001 0001 0001 0001 0001 00043B06.36
02 Retributies (R)emigratie43B06.36
03 Diverse ontvangsten migratie2 5002 5002 5002 5002 5002 5000606.36
Totaal1 0853 5003 5003 5003 5003 5003 500  

05. Openbare Orde en Veiligheid

05.01. Ontvangsten Dienst Geneeskundige Verzorging Politie

De grondslag van het artikel

Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O05.011999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 325 365337 825350 765364 200378 768   
1e suppletore begroting 2000 – 7 500       
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties:  – 7 825– 17 765– 24 200– 30 768   
Beheersmatig  
1. geneeskundige verzorging politie (desaldering U05.09)  7 825– 17 765– 24 200– 30 768   
Stand ontwerp-begroting 2001312 367317 865330 000333 000340 000348 000348 00047B05.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000141 746144 241149 747151 109154 285157 916157 916  

De toelichting op de cijfers

De premie wordt jaarlijks, op voorstel van DGVP door de Minister van BZK, na overleg met de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken, vastgesteld.

Voor informatie over het fungeren van DGVP, de rechthebbenden alsmede de relatie met de uitgaven, wordt verwezen naar het uitgavenartikel 05.09.

05.05. Ontvangsten Brandweerzorg

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
O05.051999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 8888888888 
Stand ontwerp-begroting 2001283888888888888
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000128404040404040

De toelichting op de cijfers

De ontvangsten op dit artikel betreffen de doorberekende kosten van de door de directie Brandweer en rampenbestrijding verstrekte publicaties en overige ontvangsten die betrekking hebben op de brandweerzorg. De directe kosten van de publicaties, die de directie in het kader van de serviceverlening verkoopt, worden volledig in rekening gebracht.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O05.05/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Retributies voor bewezen diensten1311603.4
02 Keuringen (Beproevingsstation)951603.4
03 Diverse ontvangsten578888888888881603.4
Totaal283888888888888  

05.07. Ontvangsten Rampenbestrijding en hulpverlening

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O05.071999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie   
Stand ontwerp-begroting 2001775MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1603.5
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000352MemorieMemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

De ontvangsten die kunnen optreden als gevolg van de rampenbestrijdingstaak worden op dit artikel geraamd en verantwoord. Het betreft ontvangsten uit inruil van in onbruik geraakt materieel voor de rampenbestrijding, eventuele huuropbrengsten van medegebruik van infrastructurele voorzieningen en overige ontvangsten die betrekking hebben op de rampenbestrijding en hulpverlening.

05.09. Ontvangsten Politie

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de diverse ontvangsten van politie geraamd.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O05.091999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 48 80633 04633 04633 04633 046   
1e suppletore begroting 2000 159 8676 5446 5446 5446 544   
Stand ontwerp-begroting 200149 444208 67339 59039 59039 59039 59039 5901603.2
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 00022 43794 69217 96517 96517 96517 96517 965  

06. Binnenlandse Veiligheidsdienst

06.01. Diverse ontvangsten

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de diverse ontvangsten van de BVD geraamd.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O06.011999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 100100100100100   
1e suppletore begroting 2000 350100100100100   
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 2 5502 5502 550     
Beheersmatig  
1. Lockerbie-proces (desaldering U06.01) 2 5502 5502 550     
Stand ontwerp-begroting 20012473 0002 7502 7502002002001603.6
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001121 3611 2481 248919191  

07. Management en Personeelsbeleid

07.06. Diverse ontvangsten

De grondslag van het artikel

Wijziging organisatiebesluit DGMP.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000)
O07.061999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 90 90228 79516 74516 74516 745 
1e suppletore begroting 2000 42 894– 12 040– 2 194– 2 240– 2 240 
Nog niet in een begrotingsstuk opgenomen mutaties: 14 700     
Autonoom       
1. afrekening Uitkeringsregeling KNIL Beroepsmilitairen 14 700     
Stand ontwerp-begroting 200121 970148 49616 75514 55114 50514 50514 505
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0009 97067 3857 6036 6036 5826 5826 582

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden geraamd de ontvangsten verband houdend met onder andere de verkoop van abonnementen van het Functiewaarderingssysteem, de doorberekening van exploitatiekosten van de interdepartementale mobiliteitsbank, de aflossing van door de Staat verstrekte leningen aan de Arbo Management Groep, de doorberekening van uitvoeringskosten van DZVO en de verrekening van de door het ministerie voorgefinancierde en nog voor te financieren invoeringskosten Ziektewet (ZW) en WW voor overheidspersoneel.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (in f 1 000) en de economische en functionele codering
07.06/Artikelonderdeel1999200020012002200320042005Econ.Func.
01 Diverse ontvangsten8 99818 5202 4042 3792 3792 3792 3791601.33
04 Doorberekening uitvoeringskosten DZVO12 67515 87612 30112 17212 12612 12612 1261201.1
05 Ontvangsten aflossing leningen2974 1002 050    77B01.20
06 Ontvangsten verrekening voorfinanciering invoeringsuitgaven ZW/WW 110 000    77B01.20
Totaal21 970148 49616 75514 55114 50514 50514 505  

08. Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid

08.02. Diverse ontvangsten

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O08.021999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 1 0001 8002 1002 2002 300   
1e suppletore begroting 2000 5 250       
Stand ontwerp-begroting 20014 2406 2501 8002 1002 2002 3002 4001601.34
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0001 9242 8368179539981 0441 089  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden diverse ontvangsten met betrekking tot het hoofdbeleidsterrein Informatievoorziening en Automatiseringsbeleid geraamd. Het betreft voor een belangrijk deel van derden ontvangen bijdragen ter medefinanciering van door BZK uitgevoerde activiteiten op het terrein van de overheidsinformatievoorziening. Daarnaast worden ontvangsten in het kader van project Overheids Telefonie (OT) geraamd.

Voor de jaren 2000 en volgende zijn conform de planning van het project ON21 ontvangsten geraamd. Deze ontvangsten komen tot stand middels opcenten op te realiseren individuele contracten onder de OT2000-mantelovereenkomst en is afhankelijk van: het moment van gunning en daaraan gerelateerd de start van de exploitatie, het uiteindelijke aantal deelnemers, de omvang van het dienstenpakket per deelnemer, alsmede van de nog vast te stellen hoogte van de opcenten (1 à 1,5%) en de duur waarover deze wordt geheven.

08.05. Ontvangsten Centrale Archiefselectiedienst

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O08.051999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 2 860MemorieMemorieMemorieMemorie   
1e suppletore begroting 2000 189       
Stand ontwerp-begroting 2001Nihil3 049MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie1601.34
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 000Nihil1 384MemorieMemorieMemorieMemorieMemorie  

De toelichting op de cijfers

Op dit artikel worden eventuele ontvangsten geraamd uit hoofde van het agentschap CAS.

10. Constitutionele Zaken en Koninkrijksrelaties

10.01. Diverse ontvangsten

De grondslag van het artikel

Dit artikel bevat ramingen voor ontvangsten in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Het betreft huurontvangsten van een aantal woningen van uitgezonden ambtenaren, opbrengst bij een eventuele verkoop van dienstwoningen en diverse overige ontvangsten.

De cijfers

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (in f 1 000) en de economische en functionele codering
O10.011999200020012002200320042005Econ.Func.
Stand ontwerp-begroting 2000 150150150150150   
1e suppletore begroting 2000 135       
Stand ontwerp-begroting 20014532851501501501501501601.1
Stand ontwerp-begroting 2001 in € 1 0002061296868686868  

D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPBEGROTINGEN

Agentschap ITO

1. Algemeen

1.1. Doel en taken agentschap ITO

Het agentschap Informatie en Communicatie Technologie Organisatie (ITO) is sinds 1 mei 1998 het agentschap van BZK dat als opdracht heeft het voorzien in de ICT-behoeften en -ondersteuning van de hele sector Openbare Orde en Veiligheid (OOV). Tevens verleent ITO diensten op het gebied van ICT aan Justitie en andere ministeries die raakvlakken hebben met de OOV-sector.

De taken van ITO zijn:

• het ontwikkelen en beheren van netwerkinfrastructuren, zoals C2000, het Politie Datacommunicatie Systeem (PODACS) en het JustitieNet;

• het ontwikkelen en beheren van landelijke en bovenregionale (concern)informatiesystemen, zoals GMS, Mobiele datacommunicatie Politie (Mobipol) en Opsporings Persoon Systeem;

• de uitvoering van de rekencentrumfunctie (centraal en zo nodig decentraal) en het beschikbaar stellen van rekencentrum faciliteiten;

• het (mede) ontwikkelen en beheren van standaards;

• het opbouwen van kennisfuncties voor innovatie en voor ondersteuning van opdrachtgevers en beleidsmakers met advies en met strategische en conceptuele beleidsontwikkeling.

Tegen de achtergrond van bovengenoemde taken zal in 2001 een specifiek accent liggen op:

• de ontwikkeling van een Politienet en een Politie Intranet Nederland;

• de ondersteuning van de ontwikkeling van bovenregionale ICT-servicecentra voor beheer en support van rekencentrumfaciliteiten en andere ICT-diensten;

• de eventuele onderbrenging van de werkzaamheden van de projectorganisatie C2000 in de staande IT-organisatie (en gelijktijdige opheffing van de projectorganisatie), als na evaluatie van de proef in de Startregio in 2001 wordt besloten tot landelijke verbreiding van C2000.

1.2. Verbeteren doelmatigheid

ITO hanteert voor haar dienstverlening integrale (uur)tarieven. Jaarlijks publiceert ITO een producten- en dienstenoverzicht waarin voor de verschillende vormen van netwerkdiensten, netwerkbeheer en applicatiegebruik tarieven zijn weergegeven. Dit overzicht geeft de klanten de mogelijkheid om prijsvergelijkingen te maken met commerciële aanbieders en stimuleert tevens het kostenbewustzijn binnen ITO. De tarieven worden jaarlijks voorgelegd aan de IT-raad1 en vastgesteld door BZK.

In deze begroting is voorlopig uitgegaan van de voor 2000 vastgestelde tarieven. Het onderscheid tussen het lage en het hoge tarief hangt samen met het salarisniveau van de werkzaamheden (hoog tarief vanaf BBP schaal 10).

Tarieven per afdeling in 2001Bedragen in f per uur
afdelingen tarieven
 laaghoog
Netwerken184208
Engineering Bureaus155 
Applicaties155177

2. Begroting van baten en lasten

Meerjarige presentatie van de begroting van baten en lasten van het agentschap ITO (inclusief de economische en functionele codering) in f 1 000
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
BATEN          
opbrengst moederministerie99 890155 293113 20051 36863 37264 40077 70077 7001603.2
opbrengst overige ministeries34 68532 82523 90010 84523 90023 90023 90023 9001603.2
opbrengst derden25 86429 08821 0009 53020 80020 80020 80020 8001603.2
rentebaten582630807366807807807807  
buitengewone baten88         
Totaal baten161 109217 836158 90772 109108 879109 907123 207123 207  
           
LASTEN       
apparaatskosten      
• personele kosten64 56271 60666 48330 16956 75253 61256 34456 3441103.2
• materiële kosten85 017136 84088 74440 27047 45544 49555 06355 0631203.2
rentelasten 6957803548008008008002103.2
afschrijvingskosten6 29712 7609 0004 08411 00011 00011 00 011 0001503.2
dotaties voorzieningen 700     
Totaal lasten155 876222 601165 00774 877116 007109 907123 207123 207  
Saldo van baten en lasten5 233– 4 765– 6 100– 2 768– 7 127000  

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

De belangrijkste wijzigingen in de meerjarencijfers worden veroorzaakt door de activiteiten voor het project C2000. Na evaluatie van de proef in de regio Amsterdam in 2001, zal worden besloten of het mobiele communicatienetwerk landelijk zal worden ingevoerd. Indien wordt besloten tot landelijke verbreiding zal de projectfinanciering vanuit uitgavenartikel 05.27 worden aangepast. Dit betekent aanpassing van de meerjarencijfers van de agentschapbegroting.

Aansluitend op de conversie van het eigen vermogen in 2000 vindt in 2001 een verdere afbouw plaats van de reserves 2000 gebaseerd op het uitgangspunt, dat deze reserves niet meer mogen bedragen dan 5% van de gemiddelde jaaromzet berekend over drie jaren. Deze afbouw vindt plaats met behulp van een in de maand september uit te betalen rabat aan de afnemers. Hierdoor blijven de tarieven ongewijzigd en zullen de afnemers na de afbouwperiode niet worden geconfronteerd met scherpe tariefstijgingen. Deze afbouw van het eigen vermogen leidt tot een negatief bedrijfsresultaat in de jaren 2000 tot en met 2002.

Onder de post rentebaten is opgenomen de rentecompensatie die wordt verstrekt als gevolg van het beroep op de leenfaciliteit uit hoofde van de conversie. Onder de post rentelasten is opgenomen de rentelast voortvloeiend uit het beroep dat zal worden gedaan op de leenfaciliteit ten behoeve van de vervanging van activa respectievelijk de uitbreiding van activa.

2.2. Toegepaste waarderingsgrondslagen

De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs, verminderd met de afschrijvingen. De verkrijgingsprijs is voor alle materiële vaste activa, de factuurprijs inclusief (niet verrekenbare) BTW.

De afschrijvingen zijn gebaseerd op de geschatte levensduur casu quo economische levensduur, rekening houdend met een eventuele restwaarde.

De afschrijvingstermijnen zijn voor de verschillende categorieën:

• Meubilair en stoffering 5 – 10 jaar

• Technische installaties 5 – 10 jaar

• Gebouwen/verbouwingen 10 jaar

• Voertuigen 5 jaar

• Telefoon- e.a. verbindingsapparatuur 5 – 10 jaar

• Automatiseringsapparatuur en software 3 – 5 jaar

• Overige apparatuur, installaties, etcetera 5 – 10 jaar

2.3. Niet uit de balans blijkende verplichtingen en risico's

Voor de invoering van het nieuwe landelijk dekkende mobiele communicatienet C2000 is bij ITO een omvangrijk geheel van proefprojecten opgestart. Als na evaluatie van deze proef in 2001 wordt besloten om niet tot landelijke verbreiding over te gaan, moet de projectorganisatie bij ITO worden afgebouwd. Als tot landelijke verbreiding wordt besloten, moeten de beheersorganisatie van het netwerk en de meldkamers in hoog tempo worden opgezet.

In samenhang met C2000 is er behoefte aan gemeenschappelijke meldkamersystemen (voor politie, brandweer en ambulancediensten), waarvoor BZK en ITO inmiddels voorbereidende activiteiten hebben gestart. Het streven van BZK naar het gelijktrekken van de geografische indeling van politie, brandweer en Centrale post ambulancevervoer zal deze behoefte verder versterken.

ITO zal met name een rol spelen in de ontwikkeling van het meldkamerconcept, de ontwikkeling van de applicatie GMS en het bevorderen van de faciliteiten voor co-locatie van meldkamers voor politie, brandweer en ambulancediensten.

2.4. Specificatie baten

In de volgende tabel zijn de baten (exclusief de rentebaten) voor het jaar 2001 per productgroep en per opdrachtgever weergegeven:

OpdrachtgeversTotaalProductgroepen  
Data communicatie (incl. rekencentrum)  Mobiele communicatieGMSTelefonieApplicatiesAfbouw vermogenDiversen
ITO excl. C2000C2000
Moederministerie113 20015 5008 20063 9005 70090021 100–  5 1003 000
Ministerie van Justitie23 90024 000500– 1 000400
Politieregio's14 5007 6001 1002004 9000700
KLPD2 8502 7001500
KMar1 8002501 5500
Overig1 8501 4001503000
Totaal158 10051 45011 15064 1005 70090026 800– 6 1004 100

BZK is financieel gezien de belangrijkste opdrachtgever, met name als gevolg van het project C2000 en het beheer van de landelijke applicaties. Met de overgang van het KLPD van Justitie naar BZK per 1 januari 2000 is ook een aantal budgetten voor landelijke applicaties overgeheveld van Justitie naar BZK.

Justitie en BZK zijn op het terrein van datacommunicatie (Justitienet en PODACS) de belangrijkste opdrachtgevers.

De omzet politieregio's betreffen producten en (netwerk)diensten op contractbasis.

De post afbouw vermogen is de voorlopige raming van de in de vorige paragraaf beschreven rabatregeling.

2.5. Specificatie lasten

personele bezetting en kosten
 1999 realisatie200020012002
 kostenftekostenftekostenftekostenfte
ITO personeel29 25127333 64633742 38238440 061363
Inhuur personeel35 31111737 96012124 1019816 69166
Totaal64 56239071 60645866 48348256 752429
Bedrag per fte per jaar 165 544 156 345 137 932 132 289

De inhuur van ITO bedraagt in 2001 circa 25% van het totaal. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt, wordt in 2001 nog steeds gestreefd naar een afbouw tot 20% inhuur.

Het percentage extern personeel (en het gemiddeld bedrag per fte) wordt met name beïnvloed door het project C2000 dat tot 2002 van ongeveer 35% extern personeel gebruik maakt.

2.6. Specificatie materiële kosten 2001

 
C200042 318
Automatiseringskosten35 750
Huisvestingskosten5 600
Verbindingskosten4 300
Kosten voertuigen776
Totaal88 744

De post automatiseringskosten heeft betrekking op de apparatuur, die ITO voor rekening van opdrachtgevers aanschaft. ITO komt hiervoor vervolgens een onderhouds- en vervangingsplicht met de opdrachtgever over- een.

2.7. Overzicht begrote afschrijvingskosten 2001

 
ActivagroepRaming 2001 afschrijvingskosten
Automatiseringsapparatuur en software6 700
Overige apparatuur, installaties, etcetera.500
Telefoon- e.a. verbindingsapparatuur500
Meubilair en stoffering400
Voertuigen600
Technische installaties250
Gebouwen50
Totaal9 000

Met name de investeringen in 2001 met betrekking tot het politie- en justitienet en GMS zijn van invloed op de component automatiseringsapparatuur.

3. Meerjarige begroting van kasstromen

Kasstroomoverzicht van het agentschap ITO (in f 1 000):
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
1. Rekening-courant RHB 1 januari40 95550 53441 92919 02731 82924 70124 70124 701  
2. Kasstroom uit operationele activiteiten18 880– 1 305– 1 100– 4993 87211 00011 00011 000  
           
3a. -/- totaal investeringen– 9 301– 8 579– 9 000– 4 084– 11 000– 11 000– 11 000– 11 0005203.2
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen0      
3. Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 9 301– 8 579– 9 000– 4 084– 11 000– 11 000– 11 000– 11 0005903.2
           
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederministerie – 16 131      0811.7
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie       
4c. -/- aflossingen op leningen – 7 300– 9 000– 4 084– 11 000– 11 000– 11 000– 11 00082A14.1
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit 24 7109 0004 08411 00011 00011 00011 00087A14.1
4. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten01 279000000  
5. Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4) (maximale roodstand f 1 mln)50 53441 92931 82914 44324 70124 70124 70124 701  

3.1. Toelichting bij het kasstroomoverzicht

Met ingang van de begroting 2000 is dit overzicht ingrijpend veranderd als gevolg van de wijziging in de financiering van agentschappen. De daling van het bedrag bij de RHB per 31 december 2001 wordt veroorzaakt door de afbouw van het eigen vermogen als gevolg van de gewijzigde financiering van agentschappen en de mutaties in het debiteurensaldo, de overige vorderingen en overlopende activa, de crediteuren, het saldo projecten vooruitontvangen en de overige kortlopende schulden en overlopende passiva. Voorts wordt verwacht dat naast de vervanging van de thans in gebruik zijde activa de komende jaren ook extra investeringen moeten plaatsvinden om de dienstverlening van ITO op een concurrerend kwalitatief niveau te houden. Dit betreft onder andere de voorbereiding en realisatie van een PolitieNet, de verhoging van de functionaliteit van de netwerken en de uitbreiding van bij ITO in beheer zijnde systemen (GMS, GIDS).

4. Kengetallen

 
Ramingskengetalleneenheidrealisatie 1998199920002001
Serviceniveau     
• servicecallsaantal7 3757 5007 8008 000
• externe beschikbaarheid backbone PODACS%99,499,099,099,0
• uitgebrachte offertesaantal167190190190
• ordersaantal186170170190
Uren  
• uren declarabelaantal311 802315 000410 000463 000

Toelichting

• het aantal servicecalls geeft aan hoeveel telefonische meldingen binnenkomen bij het callcentre van ITO. De stijging van het aantal geraamde servicecalls voor 2000 wordt veroorzaakt door de ingebruikname van een afzonderlijk datanetwerk voor Justitie (JustitieNet);

• de beschikbaarheid van de backbone van PODACS wordt nauwkeurig geregistreerd. Als raming wordt opgenomen de gestelde norm van 99%;

• de omvang van de orderportefeuille van ITO blijft gelijk;

• de stijging van het aantal declarabele uren in 2001 wordt veroorzaakt door de toename van werkzaamheden in het kader van de projecten C2000 en GMS.

Agentschap KLPD

1. Algemeen

1.1. Doel, taken en korpsbrede beleidsthema's

Het KLPD maakt deel uit van de Nederlandse politie. Het KLPD heeft zelfstandige en ondersteunende taken, al dan niet in samenwerking met de regiokorpsen. Bij de zelfstandige taken ligt de nadruk op het (inter)nationale belang. Bij de ondersteunende taken ligt de nadruk op de regionale en/of lokale belangen.

Als kerntaken van het KLPD zijn in samenspraak met de (toenmalige) korpsbeheerder gedefinieerd: criminaliteitsbestrijding, mobiliteits- en verkeersveiligheidsbevordering, handhaving milieuwetgeving, handhaving van de openbare orde en rampenbestrijding, persoonsbeveiliging, informatietechnologische ontwikkeling en ondersteuning, en logistieke dienstverlening. Deze kerntaken, het BNP en de LPB geven richting aan de korpsbrede beleidsthema's:

Jeugdcriminaliteit. Een speerpunt voor de divisie Spoorwegpolitie is de aanpak van de jeugdcriminaliteit op en rond het spoor.

Geweld op straat. De divisie Ondersteuning levert technologische hulpmiddelen en personele inzet aan de politieregio's, vooral bij grootschalige incidenten. De divisie Spoorwegpolitie werkt aan het verbeteren van openbare orde en veiligheid op en rond de stations, onder meer door samen met alle relevante partners integrale veiligheidsplannen op te stellen.

Zware georganiseerde criminaliteit. Mensenhandel en mensensmokkel, zedencriminaliteit, wapencriminaliteit en fraude zijn belangrijke thema's voor het KLPD. De inzet van gecombineerde rechercheactiviteiten tegen zware en georganiseerde criminaliteit met een (inter)nationale (regio-overschrijdende) dimensie gebeurt in overleg met en in aanvulling op de inzet van regionale politiekorpsen en bijzondere opsporingsdiensten.

Verkeersveiligheid. Om het aantal verkeersongevallen met dodelijke afloop terug te dringen zijn de hoofditems binnen de divisie Mobiliteit: snelheidstoezicht, terugdringen van het alcoholgebruik en het verbeteren van de naleving van de gordeldraagplicht. Bij deze activiteiten wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de door V&W op te stellen kalender «publiekscampagnes».

Milieu. De milieu-inspanningen van de divisie Mobiliteit zijn in specialismen georganiseerd. Bij het wegverkeer ligt de nadruk op het beroepsvervoer en bij water onder andere op de verontreiniging van het oppervlaktewater.

1.2. Beheer KLPD

Op het gebied van beheer zijn er binnen het KLPD een aantal ontwikkelingen waar te nemen. De belangrijkste zijn:

1.2.1. Beheersovergang en overgang Spoorwegpolitie

Sinds 1 januari 2000 is het KLPD agentschap van BZK. De Minister van BZK is sindsdien de korpsbeheerder van het KLPD. Tevens is conform besluitvorming in de ministerraad van 4 december 1998 sinds 1 januari 2000 de Spoorwegpolitie een onderdeel van het KLPD.

1.2.2. Project KLPD 2000–2005

In het kader van de beheersovergang is in 1999 het project KLPD 2000–2005 gestart om te komen tot een duurzaam evenwicht tussen taken en middelen. Daartoe is het structurele kader in 2000 verhoogd met f 20 mln. In 2001 wordt daaraan nog eens f 10 mln toegevoegd. Tevens zijn de activiteiten gestart om met een stroomlijning van het ondersteunende proces een kostenbesparing van uiteindelijk f 10 mln te realiseren. De verwachting is dat deze besparing vanaf 2002 volledig kan worden ingeboekt. In 2000 is het niet mogelijk gebleken f 10 mln aan extra baten te genereren bij de divisie Logistiek. Op dit moment vindt een herbezinning plaats op de manier waarop bij de divisie Logistiek de kosten en de opbrengsten in evenwicht kunnen worden gebracht.

1.2.3. Inrichting divisie Recherche

In 1999 is na instemming van de Minister van Justitie gestart met het onderbrengen van de recherchetaken van het KLPD in één divisie, de divisie Recherche i.o. De recherche-activiteiten van het korps komen daarmee onder één operationele leiding. Doelstelling is in de divisie Recherche i.o. expertise, informatie en opsporing dichter bij elkaar te brengen, en de samenwerking met de regio's te verstevigen. De voor 2000 geplande afstemming en integratie van diensten en recherche-processen zal in 2001 worden afgerond.

1.2.4. Administratieve organisatie

Hoewel opzet en beheer van de administratieve organisatie in 2000 verder zijn verbeterd, zijn nog niet alle tekortkomingen opgeheven. Met name de naleving van procedures verdient nog aandacht. In overleg met de korpschef wordt bezien op welke termijn het verbeterproces definitief kan worden afgerond.

2. Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten KLPD (bedragen x f 1 000):

Begroting van baten en lasten KLPD (bedragen x f 1 000):
    € 1000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
BATEN      
opbrengst moederministerie418 853506 863520 608236 241515 340518 063520 359522 8670803.2
opbrengst overige ministeries40 95647 34044 49920 19346 36440 87734 94934 9490803.2
opbrengst derden41 78817 43219 8058 98723 90523 90523 90522 7870303.2
rentebaten5569405502505505505505502603.2
buitengewone baten1 652      
Totaal baten503 805572 575585 462265 671586 159583 395579 763581 153  
           
LASTEN       
apparaatskosten      
* personele kosten323 206371 660374 174169 793370 232368 251358 762358 6323103.2
* materiële kosten135 104141 369142 16464 511146 189145 809145 851145 7451203.2
rentelasten 9 1309 1284 1428 6979 25610 88210 9881103.2
afschrijvingskosten39 02847 74656 89025 81660 97860 47260  64360 8305203.2
buitengewone lasten14 625     
Totaal lasten511 963569 905582 356264 262586 096583 788576 138576 195  
Saldo van baten en lasten– 8 1582 6703 1061 40963– 3933 6254 958  

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

De algemene bijdrage van het moederministerie is conform de overheveling van Justitie en V&W naar BZK bij eerste suppletore begroting 2000. De opbrengst van het moederministerie is dientengevolge inclusief de bijdrage voor de Spoorwegpolitie.

Daarnaast verstrekt BZK een aantal doeluitkeringen. De belangrijkste zijn:

• een structurele bijdrage van f 8,3 mln in de kosten van het LRT;

• een incidentele bijdrage van f 3,7 mln voor de 1-1-2 centrale in 2000 en 2001;

• een bijdrage voor DRSNAA, oplopend van f 9,7 mln in 2000 tot f 10,5 mln in 2005.

De belangrijkste doeluitkeringen van de overige ministeries zijn:

• Justitie verstrekt in totaal f 17,5 mln ten behoeve van beveiligingsadviezen aan de Rechterlijke Organisatie, bestrijding van mensensmokkel, het gedetineerden recherche informatiepunt (GRIP), bijzondere bijstandseenheden, bestrijding van zware criminaliteit en het LRT;

• V&W betaalt tot en met 2003 een bijdrage voor de uitvoering van het project «Samen Werken Aan Bereikbaarheid»;

• Het Openbaar Ministerie levert tot 2003 een bijdrage voor het verkeerstoezicht op de auto(snel)wegen en een bijdrage voor het gericht verkeerstoezicht op de rijkswegen A9 en A12.

De opbrengst derden bestaat uit:

• de verkoop van activa;

• doorberekening van de salariskosten van gedetacheerd personeel;

• de doorberekening van kosten van extra vlieguren door de Politie Luchtvaartdienst. Bij een proportioneel hoge aanvraag van ondersteuning worden de gecalculeerde extra kosten als bijdrage bij de betreffende aanvrager in rekening gebracht;

• de opbrengst uit de verkoop van kleding en uitrusting, en het leveren van diensten zoals het verrichten van onderhoud van (vuur)wapens;

• incidentele bijdragen in 1999 en 2000 in verband met de overgang van de Spoorwegpolitie.

2.1.2. Lasten

In de verdeling naar personele en materiële kosten is uitgegaan van het regionale rekeningschema zoals dit binnen de financiële administratie van het KLPD wordt gehanteerd.

Onder de personele kosten vallen de kosten voor actief personeel, niet-actief personeel, post-actief personeel, niet regulier personeel en uitzendkrachten, en de personeelsgebonden kosten. De personeelskosten worden berekend aan de hand van het aantal fte. Uitgangspunt is de in 1999 in het kader van de overdracht vastgestelde budgetsterkte van 2751 fte. In 2000 zijn hieraan 495 fte toegevoegd in verband met de overgang van de Spoorwegpolitie.

De exploitatiekosten zijn gebaseerd op voortzetting van het huidige bedrijfsvoering, met een toevoeging voor de exploitatiekosten bij de Spoorwegpolitie en uitvoering van nieuwe taken zoals BLOM en TAP. Door een toename van de huisvestingskosten, daalt het vrije gedeelte in de exploitatiekosten.

De afschrijvingskosten zijn gecalculeerd op basis van de historische aanschafwaarde. De afschrijvingskosten in verband met reeds bij het KLPD aanwezige activa zijn verhoogd met de afschrijvingskosten in verband met investeringen die in de loop van 2001 plaatsvinden.

2.2. Investeringen

Het KLPD streeft naar een zo efficiënt mogelijke invulling van de ondersteuningsbehoefte met kapitaalintensieve communicatie-, opsporings-, meet- en controlemiddelen. Dit vereist continue afwegingen in het investeringsbeleid. Het operationele proces vraagt daarbij om een zo effectief mogelijke oplossing, terwijl vanuit financieel-economische overwegingen meer naar een efficiënte invulling wordt gezocht.

Het KLPD staat op een keerpunt in het activabeheer. Vanuit een decentrale afweging, zal de prioriteitstelling in de toekomst meer centraal plaatsvinden. De toekomstige investeringsplanning is gebaseerd op een lange termijnplanning, gebaseerd op de door de Korpsleiding vastgestelde en door de Korpsbeheerder goedgekeurde beleidsplannen.

Uit een eerste opstelling van het meerjarige investeringsplan 2000–2004 blijkt dat de afschrijvingskosten de komende jaren snel zullen stijgen. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door verkorting van de levensduur van het activabestand als gevolg van een verschuiving naar meer technologie. Anderzijds leidt het in hoog tempo plegen van de achterstallige vervangingen tot een verhoging van de historische aanschafprijs. In het oog springende investeringen zijn helikopters, schepen en beveiligde voertuigen.

3. Meerjarige begroting van kasstromen

In onderstaand kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven- en ontvangsten meerjarig weergegeven (bedragen x f 1 000):
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
1. Rekening-courant RHB 1 januari48 70034 64637 31616 93340 42240 35939 96643 591803.2
2. Kasstroom uit operationele activiteiten45 11650 41659 99627 22560 91560 07964  26865 788803.2
3a. -/- totaal investeringen– 77 224– 90 831– 81 081– 36 793– 84 469– 71 512– 58 434– 58 384303.2
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen5 387pmpmpmpmpmpmpm2603.2
3. Kasstroom uit investeringsactiviteiten– 71 837– 90 831– 81 081– 36 793– 84 469– 71 512– 58 434– 58 384  
4a. -/-eenmalige uitkering aan moederministerie – 152 218      303.2
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie6 290       803.2
4c. -/- aflossingen op leningen – 47 746– 56 890– 25 816– 60 978– 60 472– 60 643– 60 8307703.2
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit6 377243 04981 08136 79384 46971 51258 43458 384803.2
4. Netto kasstroom uit financieringsactiviteiten12 66743 08524 19110 97723 49111 040– 2 209– 2 446  
5. Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4) (maximale roodstand f 1 mln)34 64637 31640 42218 34340 35939 96643  59148 549  

4. Kengetallen

Kerntaken. In samenspraak met de Korpsbeheerder zijn door het KLPD kerntaken geformuleerd waarop de speerpunten van beleid nader worden ingevuld (zie ook paragraaf 1.1.). In onderstaand overzicht is een (indicatieve) onderverdeling naar deze kerntaken weergegeven:

 
KerntaakMobLogOndRechKDBSpopoStafTotaal
Mobiliteit37 33    14
Veiligheid29 15  100 21
Criminaliteit18 4100   31
Milieu16 34    9
Persoonsbeveiliging    100  5
Dienstverlening logistiek 100     2
Interne dienstverlening  14   867
Korpsbrede act.      1411
Totaal100100100100100100100100

In 2000 zal het model verder worden verbeterd. Tevens is in overleg met de Korpsbeheerder een traject in gang gezet waarbij wordt onderzocht in hoeverre het bij de Nederlandse politie ontwikkelde en gebruikte infor- matiesysteem GIDS op korte termijn kan worden geïntegreerd in het KLPD.

Agentschap BPR

1. Algemene toelichting

1.1. Doelen en taken van het agentschap BPR

Het agentschap BPR is per 1 januari 1999 ingesteld ten behoeve van:

– de instandhouding en verbetering van de reisdocumentenketen;

– de instandhouding en ontwikkeling van het GBA-stelsel.

Het agentschap heeft als missie te bevorderen dat de identiteit van de burger zorgvuldig wordt vastgesteld, vastgelegd en verstrekt ten behoeve van publieke dienstverlening.

De doelstellingen van BPR hebben betrekking op de uitvoering van de Wet GBA en de Paspoortwet. De taken van het agentschap BPR worden uitgevoerd namens de Minister van BZK en laten zich als volgt omschrijven:

– de voorbereiding van het beleid en de wet- en regelgeving ten aanzien van de GBA en reisdocumenten;

– de ontwikkeling en uitvoering van het kwaliteitsbeleid inzake de GBA en reisdocumenten;

– het voorbereiden van beleid en het uitoefenen van controle ten aanzien van de ontwikkeling, productie en distributie van reisdocumenten;

– het operationele, tactische en strategische beheer van het GBA-netwerk;

– het geven van voorlichting en ondersteuning ten aanzien van de GBA en reisdocumenten aan burgers en overheden;

– het bijhouden van een signaleringsregister paspoorten;

– de schouwing en toetsing van de aangesloten GBA-systemen;

– het zorgdragen voor de inning van de paspoortleges.

1.2. Hoofdproducten

Het agentschap BPR berekent al zijn kosten door aan gebruikers en opdrachtgevers. In dit verband worden vier hoofdproducten onderscheiden:

* Het beheer van het GBA-stelsel ten behoeve van de gebruikers. Dit hoofdproduct omvat alle activiteiten die worden verricht ten behoeve van de gebruikers van het GBA-stelsel. De kosten, de door BPR te betalen berichtkosten en de beheerkosten van de organisatie BPR ten behoeve van de gebruikers van de GBA, worden conform het financieringsmodel GBA doorberekend aan deze gebruikers, die een kostendekkende prijs per bericht betalen.

* Beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving GBA. Dit betreft de activiteiten voor de GBA die voortvloeien uit de verantwoordelijkheid BZK voor het GBA-stelsel als geheel. Voor deze activiteiten fungeert BPR in feite als een reguliere beleidsafdeling binnen BZK. De bijbehorende kosten worden door BZK betaald aan BPR.

* De zorg voor de reisdocumentenketen, inclusief beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving. Dit hoofdproduct omvat de activiteiten en kosten voor de productie en distributie van reisdocumenten, voor het instandhouden en verbeteren van de dienstverlening, voor beleidsontwikkeling en voor het wijzigen en onderhouden van de wet- en regelgeving op het gebied van reisdocumenten. BPR krijgt voor deze kosten een vergoeding van BZK, die afhankelijk is van het aantal geproduceerde reisdocumenten.

* Ondersteunende activiteiten ten behoeve van het project NGR. De activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwe generatie reisdocumenten zijn ondergebracht in een apart project onder verantwoordelijkheid van BZK, NGR genaamd. Dit project maakt geen deel uit van de BPR-organisatie. Deze organisatie verleent wel personele en materiële ondersteuning aan het project. De kosten hiervan worden doorbelast aan de opdrachtgever voor het project, BZK.

Alle kosten van BPR worden toegerekend aan één van de hoofdproducten of via een daartoe geëigende verdeelsleutel verdeeld over verschillende hoofdproducten. De verdeling over hoofdproducten is in deze begroting opgenomen.

1.3. Verbetering doelmatigheid

Binnen het agentschap BPR wordt een verbetering van de doelmatigheid in de bedrijfsvoering door resultaatgericht management nagestreefd. De nagestreefde meerwaarde, zoals die met name ook in de missie van BPR is verwoord, wordt zo doelmatig mogelijk gerealiseerd. De belangrijkste instrumenten voor het verbeteren van de doelmatigheid zijn de aansturing van en binnen het agentschap en het meetbaar maken van de resultaten en de kosten van het agentschap.

Het agentschap wordt aangestuurd door DGOB. DGOB stuurt op basis van vooraf gemaakte afspraken over door het agentschap te leveren producten en diensten. Hiertoe heeft het agentschap haar producten en diensten gedefinieerd en wordt door gebruik te maken van kengetallen zicht verkregen op de doelmatigheid van de organisatie. De aansturing door DGOB betreft alle hoofdproducten van het agentschap, ook het hoofdproduct «GBA-beheer». Voor dit laatste hoofdproduct vindt daarnaast afstemming plaats in het gebruikersoverleg GBA, waarin gemeenten en afnemers van de GBA zijn vertegenwoordigd.

Ten behoeve van de interne sturing wordt de directeur BPR ondersteund door een directieteam met alle afdelingshoofden. Binnen de BPR-organisatie leveren alle afdelingen een bijdrage aan ieder van de hoofdproducten. Hierdoor kan de beoogde meerwaarde met een zo doelmatig mogelijke inzet van de beschikbare deskundigheid worden gerealiseerd. Om dezelfde redenen, inhoudelijke meerwaarde en doelmatigheid, zijn ook de taken ten behoeve van beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving, zowel voor reisdocumenten als voor de GBA, geïntegreerd in de organisatie BPR.

Het zichtbaar maken van de agentschapkosten en het toerekenen van deze kosten aan de te leveren producten en diensten moet leiden tot een meer transparant bedrijfsproces. Om dit te realiseren zijn verschillende instrumenten ontwikkeld:

• een informatieprotocol, waarin de afspraken over de informatievoorziening zijn vastgelegd;

• een verantwoordingssysteem met kwartaalrapportages aan DGOB op basis van de begroting en het jaarplan van BPR;

• het onderscheid tussen verschillende hoofdproducten van BPR, die ieder hun eigen systematiek voor de verrekening met gebruikers of BZK kennen;

• een doorberekeningsmodel, waarmee kosten worden toegerekend aan de verschillende hoofdproducten;

• de invulling van de kengetallen, zoals die in het statuut zijn vastgelegd, en de periodieke rapportage hierover aan DGOB.

1.4. Financieel beheer

De wijze van financiële verrekening verschilt per hoofdproduct. Alleen voor GBA-beheer geldt, vanuit BZK gezien, een volledig sluitend kostendekkend systeem. De kosten ten behoeve van het beheer van het GBA-stelsel worden volgens de regels van het financieringsmodel GBA doorberekend aan de gebruikers van de GBA.

De drie andere hoofdproducten worden betaald door BZK. Ten aanzien van de activiteiten voor het hoofdproduct beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving GBA treedt BPR op als beleidsafdeling van dit ministerie, dat alle hieruit voortvloeiende kosten betaalt. Voor de activiteiten op het gebied van reisdocumenten zijn specifieke afspraken gemaakt. BPR ontvangt een bijdrage van BZK ten hoogte van de werkelijk gemaakte kosten van BPR ten behoeve van de reisdocumentenketen. De doorberekening van kosten in verband met de productie en distributie van de reisdocumenten wordt periodiek aan BZK in rekening gebracht. BZK verstrekt maandelijks een voorschot op deze afrekening volgens een kasritme dat de te verwachten uitgaven in de loop van het jaar representeert. De kosten van BPR ten behoeve van het NGR-project worden betaald door BZK vanuit het projectbudget NGR.

De inkomsten voor reisdocumenten, de rijksleges, worden, in een apart traject, los van de kosten, geïncasseerd en overgedragen aan Financiën. BPR bereidt de incasso van de rijksleges voor, die door BZK wordt geïnd onder verantwoordelijkheid van het stafbureau openbaar bestuur. Op het gebied van reisdocumenten is dus geen sprake van een kostendekkend stelsel voor «reisdocumenten», maar van twee, in principe gescheiden, diensten aan BZK. De sturing op deze beide geldstromen verloopt via afzonderlijke trajecten, hetgeen de sturing op het geheel compliceert.

Vanaf 1999 zijn de activiteiten ten behoeve van de verschillende hoofdproducten van BPR – beide, voorheen gescheiden, onderdelen van BZK (GBA en reisdocumenten) – ondergebracht binnen één financiële administratie, waarin ook de verdeling over de hoofdproducten en het doorberekeningsmodel zijn opgenomen. Aansluitend op deze financiële administratie is een rapportagesysteem ontwikkeld, dat wordt gebruikt ten behoeve van de interne sturing van activiteiten, de kwartaalrapportages en de jaarver- antwoording. De financiële processen zijn beschreven in een nieuwe administratieve organisatie voor de afdeling Financiën van BPR.

1.5. Toegepaste grondslagen

In deze begroting worden de volgende grondslagen toegepast:

– de baten en lasten worden toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben;

– voor zover niet anders vermeld worden activa en passiva verantwoord tegen nominale waarde;

– materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs (inclusief BTW) onder aftrek van afschrijvingen;

– op materiële vaste activa wordt afgeschreven op basis van de aanschaffingsprijs: afschrijvingen vinden plaats op basis van de geschatte gebruiksduur en een restwaarde van 5%;

– de vorderingen worden opgenomen tegen nominale waarde; er worden geen voorzieningen getroffen voor mogelijke oninbaarheid;

– BPR is niet BTW-plichtig.

2. Begroting BPR

(in f 1 000)
    € 1000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
BATEN       
Opbrengst BZK       
• berichtenverkeer GBA2 0111 3401 3406081 3401 3401 3401 340161.34
• beleid GBA2 0764 8466 9673 1627 5137 5103 5653 568161.34
• reisdocumenten34 31238 26792 13841 81069 28456 05055 24065 050161.34
• doorberekening500543509231300300300300161.34
Opbrengst derden15 28819 57119 3808 79420 13017 67017 67017 670161.34
Specifieke bijdragen LO-3.09 87511 091000000161.34
Rentebaten22500000002613.1
Exploitatietoevoeging gebruikers01 2001 5977250000161.34
Exploitatietoevoeging LO-BZK0000462000161.34
Exploitatieonttrekking/toevoeging005492490000161.34
           
Totaal64 28776 858122 48055 57999 02982 87078 12487 928  
           
LASTEN          
Apparaatskosten          
• personeel5 0326 4756 6393 0136 6396 6396 6396 639111.34
• materieel1 7081 8081 9408801 9401 9401 9401 940121.34
Berichtkosten GBA9 0729 70010 0634 56610 06310 06310 06310 063121.34
Overige kosten GBA-beheer1 0681 6971 6357421 6351 6351 6351 635121.34
Verrekening LO-39 87514 004000000121.34
Terugbetaling aan BZK (LO-3)04583 4201 5522 922000121.34
Berichtenverkeer CBS01 3041 3045921 3041 3041 3041 304121.34
GBA-beleid en wet- en regelgeving2 1183 7972 3621 0722 3582 3552 3602 363121.34
Kiezen op afstand003 4001 5433 9503 95000121,34
Productie en distributie reisdocumenten30 90129 17188 27740 05865 53352 46751 61561 400121.34
Overige kosten reisdocumenten1 8436 7122 0099121 8001 6321 6831 699121.34
Rentelasten0515123515151512113.1
Afschrijvingskosten5325838133698138138138131513.5
Dotatie innovatiefonds18813912757240240240240151.34
Forfaitaire bijdragen440440440200440440440440121.34
           
Totaal62 77776 339122 48055 57999 68883 52978 78388 587  
           
VERWACHT RESULTAAT1 51051900– 659– 659– 659– 659  

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

De baten voor het begrotingsjaar 2001 zijn als volgt over de hoofdproducten verdeeld (in f 1 000):
Verdeelstaat batenGBA-beheerGBA-beleidReisdocumentenNGRTotaal
Opbrengst BZK     
• berichtenverkeer GBA01 340001 340
• BZK beleid GBA06 967006 967
• BZK reisdoc.0092 138092 138
• doorberekening000509509
Opbrengst derden19 38000019 380
Exploitatietoevoeging gebruikers1 5970001 597
Exploitatietoevoeging materieel005490549
Totaal20 9778 36792 687509122 480

Opbrengst BZK is nader uitgesplitst in:

Opbrengst berichtenverkeer GBA. Het CBS participeert als enige afnemer van de GBA (nog) niet in het financieringsmodel GBA. Voor het berichtenverkeer ten behoeve van het CBS wordt van BZK een bijdrage van f 1,304 mln ontvangen. In 2000 betrof dit ook nog bijdragen voor andere afnemers die inmiddels participeren in het financieringsmodel GBA. Aangezien eventuele verschillen tussen deze bijdrage en de daadwerkelijke kosten niet voor rekening van de gebruikers komen, maar door BPR zelf moeten worden betaald, is deze bijdrage geraamd bij het hoofdproduct beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving. Tevens is onder deze opbrengst de rentecompensatie in het kader van de conversie van eigen vermogen naar vreemd vermogen opgenomen, voor zover deze betrekking heeft op het berichtenverkeer voor de GBA (f 0,036 mln).

Opbrengst beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving GBA. Dit betreft de bijdrage van BZK voor beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving GBA. De hogere bedragen in de jaren 2001, 2002 en 2003 zijn het gevolg van extra bijdragen in het kader van de eerste suppletore begroting 2000 om het elektronisch stemmen op afstand mogelijk te maken. Dit betreft f 8 mln in 2001, f 5 mln in 2002 en f 5 mln in 2003. Van het bedrag van f 8 mln in 2001 staat f 3,4 mln op de BPR-begroting. In 2002 en 2003 is dit f 3,950 mln. In 2001 zal f 3,5 mln worden besteed aan de ontwikkeling en toepassing van een elektronische identiteitskaart. Dit geld zal worden toegevoegd aan het NGR-budget (niet op de BPR-begroting). Het resterende geld maakt deel uit van budgetten van de andere BZK-partners binnen het project.

Voor 2000 is de eenmalige bijdrage van ongeveer f 1,3 mln in het kader van de eerste suppletore begroting 2000 in het overzicht opgenomen. In totaal is hierdoor in 2001 f 2,1 mln meer beschikbaar dan in 2000 (f 3,4 mln voor «kiezen op afstand» minus f 1,3 mln). Tenslotte is onder deze opbrengst de rentecompensatie in het kader van de conversie van eigen vermogen naar vreemd vermogen opgenomen, voor zover deze betrekking heeft op beleidsontwikkeling en wet- en regelgeving voor de GBA (f 0,003 mln).

Opbrengst reisdocumenten. Deze opbrengst betreft de vergoeding voor de jaarlijkse uitgaven op het gebied van reisdocumenten. De bedragen zijn in de jaren 2001–2005 verhoogd naar aanleiding van de resultaten van de aanbesteding van de nieuwe generatie reisdocumenten. De ramingen zijn na overleg met Financiën bij eerste suppletore begroting 2000 in de BZK-begroting aangepast aan de nieuwe gegevens.

Voor 2000 zijn de extra bijdrage voor reisdocumenten van f 2,5 mln (eerste suppletore begroting 1999) en een eenmalige bijdrage van bijna f 3,8 mln in 2000 (eerste suppletore begroting 2000, bijna f 2,8 mln voor verschillende beleidsmatige activiteiten en f 0,999 mln voor materiële lasten in 2000 en 2001) in het overzicht opgenomen. Deze bedragen komen uiteraard in 2001 niet meer terug. Tenslotte is onder deze opbrengst de rentecompensatie in het kader van de conversie van eigen vermogen naar vreemd vermogen opgenomen, voor zover deze betrekking heeft op reisdocumenten (f 0,012 mln).

Opbrengst doorberekening. Voor het gebruik van personele en materiële middelen van BPR door het project Nieuwe Generatie Reisdocumenten (NGR) worden kosten doorberekend aan BZK. De vergoeding van f 0,509 mln is gebaseerd op het doorberekeningsmodel dat bij de kosten wordt beschreven. De doorberekening heeft betrekking op:

– de personele en materiële kosten voor regulier personeel van BPR dat wordt ingezet voor NGR (op jaarbasis f 0,338 mln voor personeel en f 0,080 mln voor de bijbehorende materiële kosten, totaal f 0,418 mln);

– materiële kosten voor het gebruik van ruimte en andere faciliteiten van BPR door NGR (f 0,3 mln) op jaarbasis.

Deze kosten zullen na afloop van het project NGR niet meer aan NGR worden doorbelast. Bij het bepalen van de door te belasten kosten van BPR-personeel in 2001 is uitgegaan van afronding van het project NGR in de loop van dat jaar, waardoor de helft van dit bedrag (f 0,209 mln) wordt doorbelast aan NGR en de andere helft ten laste komt van het hoofdproduct reisdocumenten. Deze laatste kosten kunnen worden betaald uit het reguliere budget voor apparaatskosten. Vanaf 2002 vervalt ook de doorbelasting van de overige f 0,209 mln. Dit betreft kosten voor regulier personeel van BPR die al vanaf de start van het agentschap worden doorbelast aan NGR, waarvoor vooralsnog geen dekking is.

De overige materiële kosten ten behoeve van het project NGR (f 0,3 mln) kunnen na afloop van het project mogelijk worden doorbelast aan anderen (bijvoorbeeld door onderverhuur van de ruimte) of komen te vervallen. Aangezien dit nog niet duidelijk is wordt in de meerjarenraming vooralsnog uitgegaan van een continuering van de doorbelasting van deze kosten.

Opbrengst derden. Hieronder wordt de jaarlijkse facturering op basis van over het GBA-netwerk verzonden berichten opgenomen. Het opgenomen bedrag van f 19,380 mln is gebaseerd op:

– 57 mln berichten ten behoeve van gebruikers van de GBA;

– een tarief voor 2001 van f 0,28 per bericht;

– een opslag van 6 cent per bericht in de jaren 2000–2002 ten behoeve van generieke wijzigingen van het logisch ontwerp GBA, die op deze wijze worden doorbelast aan alle gebruikers van de GBA.

In de begroting 2000 is het aantal doorberekende berichten geraamd op 60 mln. In 1999 zijn echter slechts ruim 57 mln berichten direct doorberekend aan de gebruikers, een daling ten opzichte van 1998. Op basis hiervan wordt nu voor 2001 uitgegaan van 57 mln doorberekende berichten.

Het tarief van f 0,28 in 2001 is gebaseerd op de geraamde kosten voor 2001, die resulteren in een «kaal» tarief van f 0,31, met een correctie van f 0,03 voor de saldi uit 1999 en 2000. Door deze correctie zijn de kosten voor deze berichten in 2001 hoger dan de baten uit het berichtenverkeer. Het verschil wordt als toevoeging aan de exploitatie betaald uit de saldi van 1999 en 2000. De berichtprijs wordt medio 2000 definitief vastgesteld.

Rentebaten. Voor 2001 worden vooralsnog geen materiële rentebaten verwacht.

Exploitatietoevoeging uit vordering gebruikers. Ten gevolge van de verrekening van de saldi uit 1999 en 2000 in de berichtprijs voor 2001 zijn de baten uit het berichtenverkeer in dit jaar lager dan de geraamde kosten. Het verschil wordt betaald uit en is gelijk aan de saldi voor 1999 en 2000. Het totaal van de te verrekenen saldi is f 1,597 mln: f 1,998 mln (saldo 1999) plus f 0,104 mln (verdisconteerd in de berichtprijs voor 2000) minus f 0,505 mln (voorzien saldo voor 2000).

Exploitatietoevoeging materieel. In het jaar 2000 is een extra bedrag van circa f 1 mln ter beschikking van BPR gesteld (zie opbrengst reisdocumenten). Dit betreft een toevoeging vanuit de reserve van BPR aan de exploitatie om het tekort op de materiële apparaatskosten voor reisdocumenten aan te vullen.

2.1.2. Lasten

De lasten voor de begroting 2001 zijn als volgt over de vier hoofdproducten verdeeld (in f 1 000):
Verdeelstaat lastenGBA-beheerGBA-beleidReisdocumentenNGRTotaal
Apparaatskosten     
• personeel3 8179541 6991696 639
• materieel9302064643401 940
Berichtkosten GBA10 06300010 063
Overige kosten GBA-beheer1 6350001 635
Terugbetaling aan BZK (LO-3.0)3 4200003 420
Berichtenverkeer CBS01 304001 304
GBA-beleid en wet- en regelgeving02 362002 362
Kiezen op afstand03 400003 400
Productie en distributie reisdocumenten0088 277088 277
Overige kosten reisdocumenten002 00902 009
Rentelasten03912051
Afschrijvingskosten545422260813
Dotatie innovatiefonds127000127
Forfaitaire bijdragen440000440
Totaal20 9778 30792 687509122 480

Doorbelasting apparaatskosten. De personele en materiële apparaatskosten voor de organisatie BPR worden doorberekend naar de verschillende hoofdproducten. Hiertoe worden al deze kosten toegerekend aan de afdelingen van BPR. Voor iedere afdeling is op basis van de relatieve inzet van alle personeelsleden binnen die afdeling ten behoeve van de verschillende hoofdproducten, een verdeelsleutel vastgesteld.

De toedeling van de kosten aan een afdeling vindt plaats op basis van de volgende criteria:

* personele kosten worden herleid naar personeelsleden en vervolgens toegerekend aan de afdeling waartoe een personeelslid behoort;

* huur, servicekosten en huisvestingskosten worden toegerekend aan afdelingen naar rato van het gebruik dat deze afdelingen maken van de ruimte die in het gebouw «Lange Vijverberg 11» wordt gehuurd;

* kantoorkosten worden toegerekend aan de afdelingen naar rato van het aantal formatieplaatsen per afdeling.

Periodiek wordt geëvalueerd in hoeverre de verschillende verdeelsleutels, zoals deze eind 1998 voor het eerst zijn vastgesteld, nog in overeenstemming zijn met de personele inzet en met het ruimtegebruik. Naar aanleiding van een evaluatie eind 1999 zijn de verdeelsleutels voor 2000 enigszins aangepast. Voor de begroting 2001 wordt gebruik gemaakt van deze laatste verdeelsleutels.

Personele kosten. De personele kosten zijn als volgt samengesteld (kosten in f 1 000):

 
 GBA-beheerGBA-beleidReisdocumentenNGRTotaal
Loonkosten3 1676841 6241695 644
Extern personeel50025000750
Opleiding/werving10015500165
Reiskosten50525080
Totaal3 8179541 6991696 639

De geraamde loonkosten zijn gebaseerd op de vastgestelde formatieve bezetting van 51 fte, waarbij rekening is gehouden met de schaalindeling van de medewerkers. De geraamde kosten zijn over de gehele linie verhoogd met 3% om de verwachte loonstijging te compenseren.

De doorbelasting aan NGR heeft betrekking op personeel, dat deel uitmaakt van de reguliere formatie van BPR, waarvan de kosten worden doorbelast aan het project NGR. Aangenomen is dat de helft (f 0,169 mln) van de over een heel jaar geraamde kosten ten behoeve van het project NGR in 2001 weer ten laste komt van «reisdocumenten» (zie bij baten onder «doorberekening»).

De kosten voor extern personeel zijn gebaseerd op de geraamde noodzakelijke extra inzet gedurende het jaar ten gevolge van onderbezetting door ziekte of vacatures en voor incidentele werkzaamheden.

De kosten voor opleiding, werving en reiskosten zijn gebaseerd op ervaringscijfers.

Materiële kosten. De materiële kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd (in f 1 000):

 
 GBA-beheerGBA-beleidReisdocumentenNGRTotaal
Huur454107232158951
Servicekosten89214532187
Huisvestingskosten112265839235
Kantoorkosten27552129111567
Totaal9302064643401 940

De huur betreft de huur van kantoorruimte (Lange Vijverberg) volgens het huurcontract.

Onder servicekosten zijn alle met het huurcontract samenhangende kosten verantwoord, zoals huur, parkeerruimte, servicekosten, beveiliging en catering. De ramingen zijn verhoogd in verband met trendmatige aanpassingen en de huur van extra kantoorruimte.

De huisvestingskosten omvatten andere kosten die ten laste van de huurder komen, zoals gas, water en elektra, klein onderhoud en schoonmaken. De kantoorkosten omvatten de kosten voor kantoorartikelen, computerbenodigdheden, onderhoud aan hard- en software, onderhoud aan kantoormachines, telefoon, fax, porti en dergelijke. De geraamde kosten voor deze twee kostencategorieën zijn verhoogd met 3% om de verwachte prijsstijging te compenseren.

Aangenomen is dat de helft (f 0,040 mln) van de over een heel jaar geraamde materiële kosten van medewerkers, die deel uitmaken van de reguliere formatie van BPR, die nu worden doorbelast aan het project NGR, in 2001 weer ten laste komt van «reisdocumenten» (zie bij baten onder «doorberekening»).

Berichtkosten GBA. De berichtkosten hebben betrekking op de kosten van berichten die direct aan gebruikers worden doorbelast door middel van doorberekening in de kostprijs van een bericht. De ramingen voor deze berichten zijn gebaseerd op een omvang van 57 500 000 berichten, de direct via de berichtprijs doorbelaste berichten, plus 500 000 berichten van en naar de beheerorganisatie (BPR) en het vestigingsregister. Aangezien het huidige contract met de netwerkleverancier in oktober 2000 afloopt moet rekening worden gehouden met een hogere prijs en migratiekosten. Vooralsnog wordt uitgegaan van een all-in prijs van f 0,175 per bericht (in 2000 f 0,1616).

Overige kosten GBA-beheer. Dit betreft de volgende kosten (in f 1 000):
– kosten voor de periodieke audit1 230
– kosten voor voorlichting en documentatie325
– onderzoekskosten80
Totaal1 635

De kosten voor de audit omvatten de kosten met betrekking tot de door de gemeenten uit te voeren periodieke audit. De audit zal voor iedere gemeente eens in de drie jaar plaatsvinden. De kosten van de gemeenten worden vergoed op basis van geïndexeerde normbedragen voor drie grootteklassen. De kosten in 2001 worden geraamd op f 1,230 mln.

De kosten voor voorlichting en documentatie betreffen het GBA-aandeel in de kosten voor:

– productie en onderhoud van diverse documenten (handleidingen en voorschriften);

– het vervaardigen van een periodiek voorlichtingsblad (Profiel);

– het vervaardigen van een periodieke kwaliteitsbrochure;

– de jaarlijkse klantendag;

– andere voorlichtingsactiviteiten, onder andere via internet.

Het aandeel van GBA-beheer in de totale kosten voor voorlichting en documentatie is in vergelijking met het jaar 2000 gedaald, omdat ervaring heeft uitgewezen dat het aandeel van het hoofdproduct reisdocumenten hoger is dan eerder werd aangenomen. Het aandeel van GBA-beheer en reisdocumenten in de totale reguliere kosten voor voorlichting en documentatie is nu gelijk en geraamd op f 0,325 mln (50% van f 0,650 mln) voor ieder van deze hoofdproducten. Tegenover de verlaging bij «GBA-beheer» staat een verhoging van deze kosten bij «reisdocumenten».

De onderzoekskosten omvatten de reguliere onderzoekswerkzaamheden en zijn gebaseerd op schattingen.

Terugbetaling aan BZK. In 1999 heeft BZK geld ter beschikking gesteld ten behoeve van de voorfinanciering van de wijziging van het logisch ontwerp GBA (LO-3.0). Het bedrag van f 3,420 mln moet worden terugbetaald uit de berichtopbrengsten.

Berichtenverkeer CBS. Hier is de bijdrage van circa f 1,304 mln van BPR aan het berichtenverkeer ten behoeve van het CBS geraamd. De omvang van de bijdrage is naar verwachting even hoog als de bijdrage van BZK aan BPR.

GBA-beleid en wet- en regelgeving. De afname ten opzichte van het jaar 2000 is het gevolg van extra kosten in 2000 in het kader van de voorjaarsnota 2000 (zie ook bij baten). Het betreft voor 2001 de volgende posten (in f 1 000):

 
Modernisering GBA680
Technische vernieuwing GBA400
GBA-audit225
Project ID-vaststelling150
Vestigingsregister200
Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba460
Publieksvoorlichting GBA150
Diversen97
Totaal2 362

* Modernisering GBA. De onlangs ingestelde Adviescommissie modernisering GBA zal in het jaar 2000 een advies uitbrengen aan de Minister voor GSI over de gewenste inrichting, positionering en wijze van functioneren van de GBA binnen de toekomstige overheidsinformatievoorziening. In 2001 zullen vervolgactiviteiten worden verricht naar aanleiding van de uitkomsten van de rapportage van de commissie. Hierbij moet worden gedacht aan onderzoeken en pilots waarin met name de uitwerking en de gevolgen van het advies nader worden getoetst (f 0,680 mln). Uiteindelijk zullen de studies moeten leiden tot de uitwerking van een functioneel ontwerp voor de GBA conform de nieuwe eisen. Vervolgens zal dit in een breed opgezette pilot in de praktijk moeten worden getoetst.

* Technische vernieuwing GBA. In 2001 is een haalbaarheidsstudie voorzien naar de mogelijkheid om tot een uniform kernsysteem voor de GBA te komen, waarbij ook rekening wordt gehouden met een integratie met de burgerlijke stand (f 0,1 mln). Technologische ontwikkelingen maken bovendien een heroriëntatie op de voor de GBA gehanteerde technologie noodzakelijk. Dit betreft onder andere het concept van de berichtendienst, de netwerkprotocollen en het gebruik van internettechnologie. In 2001 zullen, evenals in 2000, verschillende onderzoeken worden uitgevoerd om de mogelijkheden te verkennen en te toetsen (f 0,3 mln).

* GBA-audit. In 2000 wordt de verplichte periodieke GBA-audit geëvalueerd. Inmiddels is al duidelijk dat gemeenten meer aandacht zullen moeten gaan besteden aan de proceskant (beheer en beveiliging). Voor aanvullende maatregelen, zoals voorlichting, opleiding en instructie, zal een bedrag van f 0,2 mln nodig zijn. Daarnaast zullen in 2001 enkele nieuwe audittoetsen worden ontwikkeld en afgenomen (f 0,025 mln).

* Project ID-vaststelling. De identiteit van personen wordt vastgelegd in de GBA en verstrekt in de vorm van identiteitsdocumenten. Bij verschillende publieke, maar ook private instellingen wordt de identiteit vervolgens geverifieerd. Om een zo goed mogelijke identiteitsvaststelling te kunnen blijven waarborgen, is op initiatief van BPR samen met verschillende andere betrokken organisaties een project identiteitsvaststelling in gang gezet. De kosten, die hieraan voor BPR verbonden zijn hebben betrekking op twee deelprojecten:

– de ontwikkeling van een elektronische database ten behoeve van brondocumenten (f 0,225 mln);

– een regionaal samenwerkingsproject (met onder andere het OM en burgerzaken) om fraude te bestrijden (f 0,075 mln).

Van de geraamde kosten van f 0,3 mln komt f 0,150 mln ten laste van het hoofdproduct «GBA-beleid» en f 0,150 mln ten laste van het hoofdproduct «reisdocumenten» (zie aldaar onder «kwaliteitssysteem reisdocumenten»).

* Vestigingsregister. De hier opgenomen kosten hebben betrekking op:

– wijzigingen van het logisch ontwerp GBA in het kader van de positionering van het vestigingsregister, mede in het licht van de modernisering van de GBA (f 0,1 mln);

– extra structurele kosten voor het vestigingsregister ten gevolge van maatregelen in het kader van het bestuursakkoord met de Nederlandse Antillen en Aruba (f 0,1 mln).

* Persoonsinformatievoorziening Nederlandse Antillen en Aruba. Deze post van f 0,460 mln omvat de structurele kosten ter ondersteuning van de persoonsinformatievoorziening op de Nederlandse Antillen en Aruba, die begin 1999 een nieuwe impuls heeft gekregen in de vorm van een bestuursakkoord. In 2001 worden de volgende kosten voorzien:

– nazorg in het kader van de aangebrachte wijzigingen (f 0,230 mln);

– de structurele kosten van uitzending van deskundigen naar de Nederlandse Antillen en Aruba, zoals toegezegd in het bestuursakkoord (f 0,110 mln);

– cursusfaciliteiten (f 0,120 mln).

* Publieksvoorlichting GBA. In het kader van de inwerkingtreding van de aanpassing van de GBA aan de Europese privacyrichtlijn vindt in het jaar 2000 specifieke voorlichting plaats over de gevolgen van deze richtlijn voor de privacybescherming van burgers in de GBA. Gelet op het grote aantal lopende en aankomende wijzigingen in de GBA-wetgeving (koppeling prestaties aan een juiste inschrijving in de GBA, Vreemdelingenwet, de wijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet voorkoming schijnhuwelijken, de wetsvoorstellen inzake huwelijk en adoptie door personen van gelijk geslacht) zal het noodzakelijk zijn om in 2001 het publiek aanvullend voor te lichten over hun rechten en verplichtingen in het kader van de GBA (f 0,150 mln). Hierbij wordt nauw samengewerkt met de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken.

* Diversen. Onder deze post zijn de kosten opgenomen voor:

– onderzoek naar de verdere intensivering van de afstemming tussen GBA-gegevens en sectorale gegevens in het kader van het traject «koppeling overheidsprestaties aan een juiste inschrijving in de GBA» (versterken terugmeldingsverplichting, f 0,037 mln);

– het klanttevredenheidsonderzoek (f 0,030 mln ten laste van deze post en f 0,030 mln ten laste van «reisdocumenten»);

– de verstrekking van A-nummers (f 0,030 mln).

Kiezen op afstand. In 1999 zijn activiteiten gestart om het (elektronisch) kiezen op afstand in de toekomst mogelijk te maken. De kosten in 1999 en 2000 worden gedekt uit reguliere budgetten. In het kader van de voorjaarsnota 2000 zijn voor de jaren 2001–2003 extra budgetten toegekend. Voor 2001 is dit in totaal f 8 mln, waarvan f 3,4 mln voor activiteiten die door BPR zullen worden uitgevoerd: f 3 mln voor het ontwerp van een landelijk raadpleegbaar kiesregister en f 0,4 mln voor organisatiekosten (projectleider, ondersteunend personeel, huisvesting).

Productie en distributie van reisdocumenten. Op basis van de resultaten van de Europese aanbesteding is rekening gehouden met hogere prijzen per document en zijn de aantallen reisdocumenten per jaar gecorrigeerd voor de voorgenomen nieuwe wijze van verrekening.

De kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd:
Bedragen x f 1 00020012002200320042005
Nationale paspoorten35 27947 13937 95337 21943 883
Europese identiteitskaarten13 38518 82615 11714 98217 987
Overige documenten1 2841 4581 2871 3041 420
Ontwikkelkosten39 757    
Totale kosten89 70567 42354 35753 50563 290
Taakstelling– 1 428– 1 890– 1 890– 1 890– 1 890
Totaal begroot88 27765 53352 46751 61561 400
Aantallen x 1 000/Productiekosten x f 120012002200320042005
Aantal nationale paspoorten1 6362 1861 7601 7262 035
Aantal Europese identiteitskaarten9891 3911 1171 1071 329
Productiekosten nationaal paspoort21,56421,56421,56421,56421,564
Productiekosten Europese identiteitskaart13,53413,53413,53413,53413,534

De ontwikkelkosten worden bij de invoering van NGR eenmalig afgekocht voor een bedrag van ruim f 39,7 mln. Dit levert een voordeel van ongeveer f 7 mln voor de structurele kosten over de vijf jaren samen op. Op de resulterende kosten is de taakstelling op de inkoop van reisdocumenten in mindering gebracht. Het streven is om de kosten nog zodanig terug te brengen dat deze taakstelling kan worden ingevuld.

Overige kosten reisdocumenten. De afname ten opzichte van de begroting 2000 is het gevolg van extra kosten in 2000 in het kader van de voorjaarsnota 1999 en de voorjaarsnota 2000 (zie ook bij baten). De overige kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd (in f 1 000):

 
 20012002200320042005
Kwaliteitssysteem990990990990990
Voorlichting/documentatie475325325325325
Automatisering100100100100100
Onderzoek160160160160160
Diversen28422557108124
Totaal2 0091 8001 6321 6831 699

Kwaliteitssysteem: De kosten voor het kwaliteitssysteem ten behoeve van reisdocumenten hebben betrekking op:

– het basisregister voor reisdocumenten (f 0,6 mln);

– het ondersteunen van het toezicht op de beveiliging op het gebied van reisdocumenten bij gemeenten (het beveiligingsnet, f 0,240 mln);

– activiteiten in het kader van het project identiteitsvaststelling (f 0,150 mln).

Voor de invoering van het basisregister voor reisdocumenten zal een bedrag van f 0,3 mln nodig zijn. Vanaf 2001 moet daarnaast rekening gehouden worden met jaarlijkse exploitatiekosten voor het basisregister. Aangezien het register in de eerste helft van 2001 zal worden ingevoerd zullen de onderhoudskosten met name voor software in 2001 nog aanzienlijk lager zijn. De kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd (in f 1 000):

 
 Structurele jaarlijkse kostenkosten in 2001
Personele kosten200150
Onderhoud apparatuur/netwerkvoorzieningen150100
Onderhoud software25050
Totaal600300

Ten aanzien van het beveiligingsnet zijn de volgende activiteiten voorzien:

– een onderzoek naar de gevolgen van de introductie van nieuwe reisdocumenten voor het huidige beveiligingsnet (f 0,020 mln);

– een evaluatie van het gebruik van het beveiligingsnet en de CD-ROM-versie (f 0,020 mln)

– aanpassing van het beveiligingsnet (f 0,050 mln);

– implementatie van de wijzigingen met behulp van workshops (f 0,150 mln).

Tenslotte is ook het aandeel van «reisdocumenten» in de deelprojecten in het kader van het project ID-vaststelling bij deze post geraamd (f 0,150 mln, zie onder GBA-beleid en wet en regelgeving).

Voorlichting/documentatie: De kosten voor voorlichting en documentatie betreffen het aandeel voor «reisdocumenten» in de kosten voor:

– de productie en het onderhoud van diverse documenten (handleidingen en voorschriften);

– het vervaardigen van een periodiek voorlichtingsblad (Profiel);

– het vervaardigen van een periodieke kwaliteitsbrochure;

– aanvullingen op het handboek (jaarlijks twee aanvullingen);

– de jaarlijkse klantendag;

– andere voorlichtingsactiviteiten, onder andere via internet.

Het aandeel van reisdocumenten in de reguliere kosten is gestegen van f 0,202 mln naar f 0,325 mln (zie verder onder GBA-beheer). In verband met de invoering van de nieuwe generatie reisdocumenten wordt daarnaast in 2001 rekening gehouden met f 0,150 mln aan extra kosten, die specifiek betrekking hebben op reisdocumenten.

Automatisering: De automatiseringskosten hebben betrekking op de kosten van onderhoud van specifieke geautomatiseerde toepassingen ten behoeve van de paspoortketen, alsmede op de kosten voor materialen. Aangezien de kosten in 1999 beperkt bleken te zijn, is dit bedrag ten opzichte van 2000 met f 0,075 mln verlaagd.

Onderzoek: De onderzoekskosten omvatten de reguliere onderzoekswerkzaamheden en zijn gebaseerd op schattingen.

Diversen: Onder diversen zijn weergegeven:

– de kosten van verschreven reisdocumenten (deze kosten zullen ten gevolge van de introductie van nieuwe reisdocumenten teruglopen naar ongeveer f 0,050 mln);

– kosten ten gevolge van de implementatie van de nieuwe generatie reisdocumenten, die ten laste van BPR zullen komen:

• organisatiekosten (f 0,124 mln);

• aanpassing van het informatieblad over (on)geldige reisdocumenten en hun kenmerken (f 0,080 mln);

• het aandeel van «reisdocumenten» in de klanttevredenheidsmeting (f 0,030 mln, zie ook GBA-beleid en wet- en regelgeving).

Rentelasten. Ten gevolge van de conversie van eigen vermogen naar vreemd vermogen in het kader van de «Vermogensvoorschriften Agentschappen 2000» is het in vaste activa geïnvesteerde vermogen van BPR per 1 januari 2000 omgezet in een rentedragende lening. De verwachte rente bedraagt f 0,051 mln (5% van f 1 023 174). Deze rente wordt naar rato van de afschrijvingen verdeeld over GBA en reisdocumenten.

Afschrijvingskosten. De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële vaste activa en op een nieuwe investering in een relatiebeheersysteem. Ze zijn als volgt verdeeld over de hoofdproducten:

 
AfschrijvingskostenGBA-beheerGBA-beleidReisdocu- mentenTotaal
Automatiseringsapparatuur/programmatuur39334135561
Inventaris en overige92832132
Relatiebeheersysteem60 60120
Totaal54542227813

De afschrijvingen voor automatisering en inventaris zijn gebaseerd op de activa-administratie, vermeerderd met de afschrijvingen van in 2000 nog te verwachten investeringen. De kosten worden verdeeld over de verschillende hoofdproducten volgens de verdeelsleutel voor afschrijvingen, zoals die in 2000 wordt gehanteerd.

De materiële activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, verminderd met lineaire afschrijvingen. De verkrijgingsprijs is voor alle activa de factuurprijs inclusief BTW. De afschrijvingskosten zijn gebaseerd op de geschatte economische levensduur (voor automatiseringsapparatuur/programmatuur is dit 3 jaar en voor inventaris en overige 5 jaar) en een restwaarde van circa 5% van de aanschafwaarde.

De huidige klantenbank zal worden vervangen door een relatiebeheersysteem. De afschrijvingen voor de verwachte investering zijn apart in het overzicht opgenomen. Het investeringsbedrag van f 0,6 mln zal uit eigen middelen van BPR worden betaald en wordt over 5 jaar afgeschreven ten laste van de hoofdproducten «GBA-beheer» en «reisdocumenten».

Dotatie innovatiefonds. De dotaties ten behoeve van het innovatiefonds dienen voor de noodzakelijke stabilisatie van het GBA-tarief. Jaarlijks zal worden bezien of de opgebouwde voorziening (geheel of gedeeltelijk) zal worden uitgekeerd aan de gebruikers door middel van verlaging van de berichtprijs. Gezien de ontwikkeling van het tarief voor 2001 ten opzichte van 2000 (een verhoging met f 0,01) is er vooralsnog geen aanleiding om de opgebouwde voorziening in 2001 aan te spreken. De dotatie is in deze begroting als sluitpost gehanteerd om te voorkomen dat de berichtprijs moet worden afgerond. Dit resulteert in een dotatie van f 0,127 mln in 2001.

Forfaitaire bijdragen. De forfaitaire bijdragen betreffen de vaste bijdragen van f 0,175 mln en f 0,265 mln aan respectievelijk de Belastingdienst en Justitie (Vreemdelingen Administratie Systeem) ter compensatie van verzonden berichten in het kader van het sofi-nummer (Belastingdienst) en verblijfstitel (Justitie). Deze bijdrage wordt op grond van het financieringsmodel GBA in rekening gebracht bij de afnemers van de GBA.

2.1.3. Saldo van baten en lasten

Vanaf 2002 wordt een negatief saldo van f 0,659 mln voorzien. Dit is het gevolg van het tekort op de personele en materiële apparaatskosten ten behoeve van reisdocumenten, zoals dit bij de vorming van het agentschap is ontstaan. In eerdere begrotingen is een tekort van f 0,450 mln geraamd voor het gebrek aan dekking voor een deel van de materiële apparaatskosten voor reisdocumenten. Het tekort neemt in 2002 toe met f 0,209 mln doordat een deel van de kosten voor personeel, dat tot de reguliere formatie van BPR behoort, vanaf het begin van het agentschap BPR is doorbelast aan NGR, maar deze kosten zullen vanaf 2002 weer volledig drukken op het hoofdproduct «reisdocumenten».

Over de dekking van het tekort over 2001 zijn afspraken met DGOB gemaakt. De kosten zullen worden gedekt uit de extra bijdrage ten behoeve van het materieel budget, die in 2000 in het kader van de voorjaarsnota 2000 aan BPR is toegekend. Dit is in deze begroting verwerkt, waardoor het saldo voor 2001 0 wordt.

3. Kasstroomoverzicht

(in f 1 000)
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
1. Rekening-courant RHB 1 januari6 90814 9909 3084 2247 2896 8706 4516 032  
           
2. Totaal operationele kasstroom9 512– 5 099– 1 206– 547394394394394  
           
3a. -/- totaal investeringen– 431– 583– 813– 369– 813– 813– 813–  8135211.7
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen0         
3. Totaal investeringskasstroom– 431– 583– 813– 369– 813– 813– 813– 813  
           
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederministerie– 999– 1 023      0811.7
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie          
4c. -/- aflossingen op leningen0– 583– 813– 369– 813– 813– 813– 81382A14.1
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit01 60681336981381381381387A14.1
4. Totaal financieringskasstroom– 9990000000  
           
5. Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4) (maximale roodstand f 1 mln)14 9909 3087 2893 3086 8706 4516 0325  613  

In 2000 en 2001 is sprake van een hoge negatieve operationele kasstroom. Dit is het gevolg van het uitgangspunt dat de schuld aan de gebruikers van het GBA-netwerk en de overige kortlopende schulden in die jaren zullen worden terugbetaald. Dit leidt tot een aanzienlijk lager saldo bij de RHB. De afname vanaf 2002 is het gevolg van het tekort op de personele en materiële apparaatskosten voor reisdocumenten, verminderd met de toename van de omvang van de voorziening (innovatiefonds).

4. Kengetallen

Om de transparantie van de organisatie te vergroten en een meer resultaatgerichte wijze van sturing mogelijk te maken heeft BPR kengetallen gedefinieerd. Deze zijn als volgt weergegeven:

 
 19981999199920002001
 realisatiebegrootrealisatiebegrootbegroot
GBA-stelsel  
a. Netwerkbeheer  
• berichtentarief (excl. te verrekenen saldi en LO)f 0,30f 0,31f 0,30f 0,29f 0,31
• berichtenvolume63,1 mln54,0 mln57,4 mln60,0 mln57,0 mln
b. Kosten  
• kosten GBA24,0 mln19,2 mln18,8 mln20,7 mln29,2 mln
• kosten door te belasten aan gebruikers17,3 mln16,8 mln15,4 mln17,4 mln21,0 mln
• beheerkosten GBA5,9 mln5,7 mln5,4 mln5,9 mln5,8 mln
c. Aansluiting afnemers  
• doorlooptijd aansluiten11 mnd10 mnd9 mnd9 mnd9 mnd
• aantal aangesloten afnemers352470365450450
• aantal gemeenten aangesloten als afnemer124(incl. GABA's)157250170
d. Aantal periodieke audits  89179169
e. Ondersteuning  
• aantal vragen infodesk2 9382 7003 4603 1304 000
• aantal vragen netwerk service deskpmpmpm5 0005 000
• aantal schouwingen en toetsingen:109350274120120
• waarvan regulier  52  
• waarvan millennium gerelateerd  222  
   
Reisdocumenten  
a. Aantal afgegeven reisdocumenten  
• Nationale paspoorten1,445 mln1,285 mln1,463 mln1,489 mln1,636 mln
• Europese identiteitskaarten0,919 mln0,960 mln0,944 mln0,972 mln0,989 mln
b. Aantal reisdocumenten voor incasso rijksleges gemeenten  
• Nationale paspoorten1,370 mln1,120 mln1,436 mln1,668 mln1,526 mln
• Europese identiteitskaarten0,830 mln0,950 mln0,926 mln1,043 mln0,987 mln
c. Geïncasseerde Rijksleges gemeenten87 mln78,4 mln94,3 mln109 mln108 mln
• eenmalige extra opbrengst 2001    35 mln
d. Aantal verzoeken om signalering (excl. handhavingen)pmpm4901 500500
Aantal openstaande signaleringen  1 8573 0002000
e. Ondersteuning  
• aantal vragen infodesk pm3 0392 9004 000

4.1. Toelichting op kengetallen

GBA-stelsel

Netwerkbeheer. De opgenomen berichtprijzen zijn de kale tarieven, exclusief de verrekening van saldi van voorafgaande jaren en exclusief specifieke opslagen, zoals die voor wijzigingen in het logisch ontwerp. De stijging van deze kale berichtprijs is het gevolg van een hogere kostprijs per bericht in combinatie met lagere berichtaantallen. Bij de berekening van het tarief voor 2001 is zowel in 2000 als in 2001 rekening gehouden met 57 mln berichten. Aangezien het eerder geraamde aantal van 60 mln berichten in 2000 het ijkpunt blijft voor de berekening van het saldo over 2000 en voor de verantwoording over 2000 is dit aantal in dit overzicht niet gewijzigd.

Kosten. De hogere bedragen voor de totale kosten van de GBA en de door te belasten kosten GBA zijn met name het gevolg van het gegeven dat de kosten in het kader van de verrekening van LO-3 in 2000, vanwege onduidelijkheid over de mogelijkheid om de leenfaciliteit te benutten voor de financiering, niet in de begroting zijn meegenomen (dit beïnvloedt de totale kosten en de door te belasten kosten) en van de toevoeging van de kosten voor «Kiezen Op Afstand» aan de begroting 2001 (dit beïnvloedt alleen de totale kosten). De beheerkosten voor de GBA zijn hoger dan de in 1999 gerealiseerde kosten, maar iets lager dan de voor het jaar 2000 begrote kosten.

Aansluitingen. Het aantal aansluitingen van gemeenten als buitengemeentelijke afnemers in 2001 ligt aanzienlijk lager dan het aantal in het jaar 2000. Dit is gelegen in het feit dat de realisatie voor 2000 naar verwachting veel lager gaat uitvallen dan het in de begroting 2000 opgenomen aantal van 250 GABA's. Het eerste kwartaal 2000 is er namelijk pas één nieuwe GABA aangesloten. Voor 2001 is rekening gehouden met een zeer beperkte toename.

Audits. Het kengetal «aantal periodieke audits» is dit jaar voor het eerst in de begroting opgenomen. Ieder jaar wordt bij eenderde van de gemeenten een audit uitgevoerd. Halverwege 1999 is met de audits gestart. De afname van het aantal verwachte audits in 2001 is het gevolg van de afname van het aantal gemeenten ten gevolge van herindelingen.

Ondersteuning. Het aantal vragen aan de infodesk zal in 2001 stijgen ten opzichte van het jaar 2000. Deze stijging wordt veroorzaakt door extra vragen in verband met de invoering van LO-3 per 1 februari 2001.

Het kengetal «aantal vragen aan de netwerk service desk» is in deze begroting voor de eerste keer opgenomen. Dit jaar is begonnen met de registratie van de vragen. Het eerste kwartaal 2000 werden zo'n 1 250 vragen geregistreerd door de netwerk service desk. De verwachting is dat deze orde van grootte zich eveneens in de overige drie kwartalen gaat voortzetten. Aangezien er nog weinig relevant vergelijkingsmateriaal beschikbaar is voor het jaar 2001 is vooralsnog van hetzelfde aantal uitgegaan.

Reisdocumenten

Aantal afgegeven reisdocumenten en rijksleges.Ten aanzien van de aantallen reisdocumenten is onderscheid gemaakt tussen de aantallen in de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 af te geven reisdocumenten (incl. de overige autoriteiten, te weten BuiZa, KMar en NA/A) en de aantallen reisdocumenten waarvoor per incasso zal worden geïnd. De ramingen in het kader van de invoering van de nieuwe generatie reisdocumenten zijn in de cijfers voor 2001 verdisconteerd.

Verzoeken om signalering. Het aantal verzoeken om signalering ligt in 2001 aanzienlijk lager dan het verwachte aantal in 2000. Dit is het gevolg van het feit dat de realisatie 2000 naar verwachting lager gaat uitvallen dan het in de begroting 2000 opgenomen aantal van 1 500. Bij deze raming was namelijk rekening gehouden met de inwerkingtreding van artikel 24b van de Paspoortwet, die echter (nog) niet is gerealiseerd. Vooralsnog wordt uitgegaan van 500 signaleringen per jaar. Het totale aantal openstaande signaleringen neemt iets toe door een lichte stijging van het aantal signaleringen en van het aantal handhavingen (verzoeken om de signalering na de standaardtermijn van twee jaar te verlengen).

Ondersteuning. Het aantal vragen aan de infodesk zal in 2001 stijgen ten opzichte van het jaar 2000. Deze stijging wordt veroorzaakt door extra vragen in verband met de invoering van de NGR.

Overig

Ook in 2001 zal een klanttevredenheidsonderzoek worden gehouden. Dit levert informatie uit het veld op waarmee de door de organisatie BPR geleverde prestaties kunnen worden geëvalueerd en de organisatie haar bedrijfsprocessen kan verbeteren.

Agentschap CAS

1. Inleiding

1.1. Algemeen

De CAS te Winschoten heeft als taak (zie Koninklijk Besluit van 12 december 1996) om «in opdracht van een zorgdrager, in casu ministeries en Hoge Colleges van Staat, werkzaamheden te verrichten in verband met archiefbewerking». Archiefbewerking is gedefinieerd als «het geheel van activiteiten gericht op het realiseren van de bij artikel 3 van de Archiefwet aan overheidsorganen gestelde verplichting de onder hen berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren».

Achter deze formuleringen van het KB gaat een uitgebreid pakket van diensten en producten schuil. Als facilitaire dienst op het terrein van waardering en beheer van overheidsinformatie speelt de CAS een steeds belangrijker rol ten aanzien van een efficiënt informatiebeheer ter waarborging van rechtmatige en doelmatige bestuurlijke en bedrijfsmatige processen.

De kerndeskundigheid van de CAS, het kunnen «waarderen» van informatie binnen diverse inhoudelijke en wettelijke kaders, is ook in een digitale omgeving van essentieel belang. Juist de elektronische overheid is kwetsbaar met betrekking tot de vitale thema's van authenticiteit, volledigheid, controleerbaarheid en duurzaamheid van informatie.

In het begrotingsjaar 2001 zal de CAS volop actief zijn op het terrein van digitale dienstverlening. Vooral in 2000 zijn forse investeringen gepleegd in hard- en software om deze dienstverlening mogelijk te maken. Voor 2001 wordt een voortzetting van dit investeringsniveau gezien, maar tegelijkertijd zal in toenemende mate de ICT een belangrijk instrument zijn bij archiefbewerkingsprojecten. De eind 1999 doorgevoerde reorganisatie heeft tot doel om de CAS in de complexe digitale omgeving een sterker kennisgericht karakter te geven. In 2001 kunnen, in het licht van de groei van het aantal digitale projecten, de vruchten van deze «kennisinvestering» worden geplukt.

1.2. Convenantenstelsel

Binnen het convenantenstelsel hebben de ministeries en Hoge Colleges van Staat een trekkingsrecht op een bepaald deel van het budget dat voor de komende jaren op de Rijksbegroting voor de CAS is opgenomen. Per te bewerken archief worden afspraken gemaakt over de te verrichten werkzaamheden en de kosten die daarvoor gemaakt mogen worden. In 2000 is gestart met een stelsel van flexibele convenanten waardoor beter kan worden ingespeeld op de behoeften van de opdrachtgevers. Binnen dit kader worden ook in 2001 belangrijke opdrachten verricht in het kader van politieke en bestuurlijke prioriteiten (toegankelijkheid archieven veiligheidsdiensten, WOB-onderzoeken, en dergelijke). Ook kan binnen het kader van de flexibilisering effectief worden ingespeeld op de behoefte aan bewerking en verduurzaming van digitale archiefbestanden.

De tarieven die in het convenantenstelsel worden gehanteerd zijn gebaseerd op de integrale kostprijs, verhoogd met een risico-opslag. Om de werkelijke kosten van het bewerken van archieven inzichtelijk te maken heeft de CAS in 1994 het baten/lastenstelsel ingevoerd. De kosten en opbrengsten worden volgens dit stelsel in een jaarrekening gepresenteerd. Deze rekening wordt voorzien van een accountantsverklaring.

1.3. Uitvoering kerntaak

Het primaire proces van de CAS is in de afgelopen jaren, vooral na de invoering van de agentschapstatus, zeer transparant gemaakt. Ten aanzien van de verantwoording op politiek en bestuurlijk niveau is natuurlijk het verschaffen van inzicht in de uitvoering van de kerntaak van essentieel belang. Het centrale kengetal van de CAS is het kengetal «productierealisatie». Dit getal geeft de verhouding aan tussen het aantal meters archief dat volgens convenant moet worden bewerkt en het aantal uren dat volgens de begroting hieraan besteed had mogen worden. Nogmaals, het kengetal «productierealisatie» is van essentieel belang in de verantwoording op politiek niveau, omdat het aangeeft in hoeverre de CAS erin slaagt de «macrodoelstelling» te realiseren: het wegwerken van archiefvolumes (meters) binnen de budgettaire kaders, uitgedrukt in uren. Afgezien van de hierboven genoemde flexibilisatie van het convenantenstelsel, komt het er in hoofdzaak op neer dat de CAS de huidige convenanten met een doorlooptijd van 10 jaar en een archiefvolume van 111 358 meter dient te bewerken met een capaciteit van 991 951 uur. Tot en met 1999 (het vijfde jaar van de lopende convenantsperiode) heeft de CAS in 47% van de uren 45% van de contractueel vastgelegde meters bewerkt. Voor het jaar 2001 (het zevende jaar van de lopende convenantsperiode) wordt uitgegaan van de verhouding 70:70.

In 2000 en 2001 is, op basis van het door OCW aan de Tweede Kamer te presenteren evaluatierapport over methode en praktijk van archiefselectie, een nadere analyse vereist van de effecten van de discussie omtrent de selectiemethode op de doorloopsnelheid van de bewerking. Vooral vanuit oogpunt van het belang van archiefmateriaal als cultureel erfgoed is er een tendens naar intensievere bewerking en beschrijving van de bestanden. In de loop van 2000 en 2001 kunnen ook de effecten van ICT-toepassingen op het terrein van informatie-ontsluiting nader in beeld worden gebracht. Het gaat hier om fundamentele aanpassingen en modernisering van het productieproces van de CAS.

1.4. Kwaliteitszorg

Sinds 1998 voert de CAS jaarlijks programma's uit in het kader van «total-quality-management». In 2001 is het TQM-programma gekoppeld aan de doelstellingen van de reorganisatie van 1999. De nadruk ligt op research en development op digitaal gebied en op de versterking van het kennisgerichte karakter van de CAS door middel van een intensief trainings- en opleidingsprogramma.

1.5. Kostprijsontwikkeling

Het jaar 2001 geeft een tariefstijging te zien van circa 1% ten opzichte van 2000. Het gaat hier om de doorberekening van de stijging van de reguliere personele en materiële lasten. Extra druk op het tarief ontstaat door de afschrijvingskosten op investeringen die nodig zijn in het kader van digitale dienstverlening. Er mag worden gesteld dat de tariefstijging per saldo gering is. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat het begrote positieve resultaat «opslag archieven» is doorberekend in de uurtarieven.

In het kader van het kwaliteitsprogramma van de CAS zullen de medewerkers extra uren gebruiken voor training en opleiding. Dit verlies aan direct productieve uren dient te worden gecompenseerd door een hogere effectiviteit per uur. In 2001 kunnen de effecten van het kennisprogramma over 2000 inzichtelijk worden gemaakt.

2. Begroting van baten en lasten

Meerjarige presentatie van de begroting van baten en lasten van een agentschap (inclusief de economische en functionele codering)

De begroting van baten en lasten (in f 1 000) van het agentschap CAS
    € 1000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
BATEN          
Opbrengst moederministerie9 3359 1259 4214 2759 4319 4429 4459 4491601.34
Opbrengst overige ministeries1 174       1601.34
Opbrengst opslag t.b.v. ministeries181       1601.34
Opbrengst derden 1 5801 6207351 6101 5991 5961 5921601.34
Opbrengst opslag nieuwbouw 7711 0744871 0741 0741 0741 0741601.34
Overige opbrengsten2 153       1601.34
Exploitatiebijdrage1 3041 0009364259369369369360801.34
Rentebaten66       2601.34
Totaal baten14 21312 47613 0515 92213 05113 05113 05113 051  
           
LASTEN      
Apparaatskosten       
Personele kosten      
– loonkosten8 2468 0068 1093 6808 1098 1098 1098 1091101.34
– fictieve wachtgeldverplichtingen33535233015033033033033043A01.34
Materiële kosten          
– gebruikersvergoeding huur gebouwen1 7481 8561 9879011 9871 9871 9871 9871201.34
– huisvestingskosten3572853721693723723723721201.34
– kantoorkosten2272482781262782782782781201.34
– productiekosten5213604992264994994994991201.34
– marketingkosten100634922494949491201.34
– algemene kosten226163196891961961961961201.34
– fictieve verzekeringspremie60606027606060601201.34
Afschrijvingskosten5368971 0234641 1078017367401201.34
Desinvesteringskosten3251201.34
Rentelasten-11410749734636292113.1
Onttrekkingen voorzieningen– 481201.34
Kosten toegerekend aan projecten9451201.34
Totaal lasten13 57812 40413 0105 90313 06012 72712 65212 649  
Saldo van baten en lasten635724119– 9324399402  

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten van het agentschap CAS over 2001

Het opstellen van een agentschapbegroting betekent het maken van een aantal keuzes. In deze toelichting worden die keuzes inzichtelijk gemaakt. Vervolgens worden de gevolgen voor capaciteit, baten, lasten, en tariefberekening uitgewerkt. Het geheel resulteert in een overzicht van baten en lasten zoals dat ook in de agentschapbegroting is opgenomen.

Keuzes

Bij het opstellen van de agentschapbegroting zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

1) De formatie van de CAS bestaat uit 110 fte, waarvan 16,21 overhead en 93,79 direct productief.

2) De meerjarencijfers uit de Rijksbegroting bepalen hoeveel omzet dient te worden gemaakt voor het moederministerie casu quo de convenanten.

3) Het aantal productieve uren per jaar wordt gesteld op 1 366 voor de medewerkers archiefbewerking en uitlening, 1 150 voor de archiefspecialisten en 736 voor de clustermanagers.

4) Er wordt gewerkt op basis van de integrale kostprijs, welke wordt verhoogd met een onzekerheidsmarge ter dekking van verliezen in de voorcalculatie. Voor deze onzekerheidsmarge wordt 3 837 uur gereserveerd.

5) De loonkosten zijn gebaseerd op de vastgestelde formatieve bezetting van 110 fte, waarbij rekening is gehouden met de werkelijke schaalindeling van de medewerkers. Voor de bepaling van de salariskosten voor het jaar 2001 is uitgegaan van de geldende salarissen, sociale premies en werkgeverslasten zoals die per 1 januari 2000 van toepassing zijn.

6) Het begrote positieve resultaat met betrekking tot het in opslag nemen van archieven wordt verwerkt in de uurtarieven.

Gevolgen

Capaciteit

De maximale productiecapaciteit van de CAS bestaat uit:
86,84 formatieplaatsen à 1 366 uur per jaar118 623 uur
3 formatieplaatsen à 1 150 uur per jaar3 018 uur
3,95 formatieplaatsen à 736 uur per jaar2 907 uur
totaal 93,79 fte124 548 uur
gedetacheerde medewerker VROM850 uur
Totale productiecapaciteit125 398 uur

N.B. van de groep formatieplaatsen à 1 150 uur maakt 1 medewerker gebruik van de Regeling Partiële Arbeidsparticipatie Senioren en 1 medewerker wordt ingezet voor het verzorgen van interne opleidingen, vandaar minder dan 3 x 1 150 uur bij deze groep.

Baten (in f 1)

Te verrichten archiefwerkzaamheden ten behoeve van het moederministerie in het kader van het convenantensysteem:  
Ontwerp-begroting 2001 8 035 000
Loonbijstelling 1999 282 000
Rentecompensatie114 000 
Hiervan ten behoeve van opslaghal-/- 43 649 
   
> 70 351
Fictieve wachtgeldverplichting 329 450
Fictieve verzekeringspremie 60 000
Rijkshuisvestingsbudget1 856 000 
Hiervan ten behoeve van opslaghal-/- 275 100 
Verantwoord als exploitatiebijdrage-/- 936 428 
   
   
  644 472
Totale opbrengst moederministerie in het kader van het convenantensysteem 9 421 273
   
De rentecompensatie ten behoeve van de opslaghal van f 43 649 en het huisvestingsbudget van de opslaghal van f 275 100 worden door de CAS aan het einde van het jaar opgenomen op de balans als zijnde te leveren verplichting in liquide middelen aan het moederministerie, omdat deze posten zijn verwerkt in de kostprijs opslag meters archieven en zodoende worden betaald door de klanten.  
Er vindt in feite dubbele dekking van bovengenoemde kosten plaats, namelijk ontvangst via klanten en via budget moederministerie. Deze posten hebben geen betekenis voor wat betreft de te leveren uurprestaties aan het moederministerie (convenantensysteem).  
   
De opbrengst moederministerie kan als gevolg van eventuele suppletore begrotingen in 2000 nog een wijziging ondergaan. Als gevolg hiervan zal de opbrengst derden (archiefbewerking niet-convenanten) evenredig worden aangepast.  
   
Om de hiervoor genoemde opbrengst te realiseren worden van de beschikbare capaciteit de volgende uren ingezet ten behoeve van het convenantensysteem (zie ook tariefberekening):  
Tariefgroep middel79 655 uur 
Tariefgroep laag19 019 uur 
Tariefgroep hoog2 887 uur 
VROM-medewerker850 uur 
Totaal102 411 uur 
   
De beschikbare capaciteit is dan als volgt te verdelen:
Archiefbewerking t.b.v. convenanten, betaling door moederministerie102 411 uur 
Archiefbewerking, niet zijnde convenanten10 250 uur 
Uitleenactiviteiten8 900 uur 
Te realiseren opbrengsten121 561 uur 
Onzekerheidsmarge ter dekking van calculatieverliezen3 837 uur 
Totale beschikbare capaciteit125 398 uur 
De opbrengst archiefbewerking niet-convenantensysteem bedraagt (in f 1):  
Tariefgroep middel 10 250 uur943 000 
   
De opbrengst uitleenactiviteiten bedraagt (in f 1):  
Tariefgroep uitleen 8 900 uur676 400 
Totale opbrengst derden 1 619 400
   
Opbrengst opslag nieuwbouw (in f 1): 1 074 354
De beschikbare opslagcapaciteit bedraagt 51 km archief voor het jaar 2001. De opbrengst is begroot op basis van de lopende contracten en een taakstelling van 10,5 km opslag archief.  
   
Exploitatiebijdrage (in f 1): 936 428
Voor de huur van het hoofdgebouw en de opslaghal wordt door de RGD een bedrag van f 1 986 798 in rekening gebracht. Van dit bedrag wordt f 936 428 niet meegenomen in de tariefberekening en als zodanig dus niet gedekt. Vandaar dat dit bedrag als exploitatiebijdrage wordt verantwoord. Zie ook hetgeen is vermeld onder de kostenpost gebruikersvergoeding.  
Totale baten 13 051 455

• Lasten (in f 1)

 
Personele kosten, bestaande uit:   
– Loonkosten gebaseerd op 110 fte   
loonkosten directe medewerkers 93,79 fte6 157 526  
loonkosten medewerkers overhead 16,21 fte1 522 090  
– Inhuurkrachten, ter vervanging van indirecte medewerkers wegens ziekte e.d.55 000  
– Inhuurkracht gedetacheerde medewerker VROM36 000  
– Overige personeelskosten, waaronder reiskosten woon-werk verkeer, reis- en verblijfkosten voor dienstreizen, opleidingskosten, kinderopvang, maatschappelijk werk, representatiekosten e.d.338 690  
Totale loonkosten 8 109 306 
– Fictieve wachtgeldverplichtingen   
Om tot een integrale kostprijs te komen dient deze post te worden meegenomen in de tariefberekening. De wachtgeldcomponent bedraagt f 2 995 per fte, conform Handleiding Overheidstarieven 2000, Financiën.   
fictieve wachtgeldcomponent directe medewerkers280 901  
fictieve wachtgeldcomponent medewerkers overhead48 549  
Totale fictieve wachtgeldverplichtingen 329 450 
    
Materiële kosten, bestaande uit:   
– Gebruikersvergoeding RGD t.b.v. huur gebouwen   
De gebruikersvergoeding is gebaseerd op het prijsniveau van het jaar 2000 en bestaat uit:   
gebruikersvergoeding hoofdgebouw966 082  
gebruikersvergoeding opslaghal826 486  
subtotaal1 792 568  
extra gebruikersvergoeding opslaghal als gevolg van uitbreiding in het 4e kwartaal 2000194 230  
Totale gebruikersvergoeding 1 986 798 
Van de totale gebruikersvergoeding wordt f 936 428 niet meegenomen in de tariefberekening, omdat de CAS bij de bepaling van de integrale kostprijs uitgaat van de huurprijzen die voor regio Winschoten van toepassing zijn. Het bedrag van f 936 428 wordt verantwoord als exploitatiebijdrage BZK.   
– Huisvestingskosten (huurderslasten) 372 238 
Hiertoe behoren de volgende kosten: energie, schoonmaak, beveiliging en klein onderhoud gebouwen en terreinen.   
– Kantoorkosten 278 620 
Hiertoe behoren de volgende kosten: onderhoud kantoormachines, onderhoud hard- en software, kantoorartikelen, papier en enveloppen en computerbenodigheden.   
– Productiekosten 498 860 
Hiertoe behoren de kosten voor het transporteren van de archieven van en naar de klanten, de vernietigingskosten van voor vernietiging aangewezen archiefbestanddelen en de kosten van archiefdozen en omslagen.   
– Marketingkosten 48 990 
Hiertoe behoren de kosten voor advertenties, folders en kosten PR.   
– Algemene kosten 196 550 
Hiertoe behoren de kosten van telefoon, porti, catering en advieskosten.   
– Fictieve verzekeringspremie 60 000 
Om te komen tot een integrale kostprijs dienen alle kosten, ongeacht of deze door de CAS worden betaald, in de kostprijs te worden verwerkt. Voor bedrijfsschadeverzekeringspremie is f 60 000 meegenomen.   
Afschrijvingskosten   
    
De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële vaste activa en op de geplande investeringen voor de jaren 2000 en 2001.   
    
De afschrijvingskosten zijn verdeeld over het hoofdgebouw en de opslaghal en kunnen als volgt worden gespecificeerd:
AfschrijvingskostenHoofdgebouwOpslaghal 
Gebouwen en terreinen6 6606 660
Machines en installaties49 98775 607125 594
Inventaris79 99183 244163 235
Automatiseringsapparatuur727 416727 416
Totale afschrijvingskosten857 394165 5111 022 905
    
Van het totaal heeft f 763 283 betrekking op de aanwezige activa per 1 januari 2000. De overige afschrijvingskosten ad f 259 622 hebben betrekking op de investeringen in de jaren 2000 en 2001. 
 
Rentelasten  106 983
Vanaf 2000 wordt in de begroting de rentelast opgenomen voortvloeiend uit het beroep dat zal worden gedaan op de Leenfaciliteit bij Financiën. De rentelasten voor 2001 hebben alleen betrekking op de conversie van het agentschapvermogen per 1 januari 2000. Voor investeringen in de jaren 2000 en 2001 wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit. De rentelasten zijn gebaseerd op een indicatieve berekening, daar er nog geen leningconvenant is afgesloten tussen de CAS en Financiën. 
Totale lasten  13 010 700

Tariefberekening (in f 1)

 
De kosten zijn als volgt verdeeld:   
– directe loonkosten  6 157 526
– fictieve wachtgeldverplichting  280 901
totale directe loonkosten  6 438 427
    
– loonkosten gedetacheerde medewerker VROM  36 000
    
– loonkosten overhead  1 522 090
– fictieve wachtgeldverplichting  48 549
totale loonkosten overhead  1 570 639
– materiële kosten, afschrijvingskosten en rentelasten zijn te verdelen in kosten t.b.v. de uurtarieven en t.b.v. de opslagprijs per meter archief in de opslaghal   
 
 t.b.v. uurtarieven inhuurkrachtent.b.v. opslagprijstotaal
overige personeelskosten338 690 338 690
gebruikersvergoeding RGD581 040469 3301 050 370
huisvestingskosten305 97366 265372 238
kantoorkosten278 620 278 620
productiekosten498 860 498 860
marketingkosten48 990 48 990
algemene kosten196 550 196 550
fictieve verzekeringen60 000 60 000
afschrijvingskosten857 394165 5111 022 905
rentelasten63 33443 649106 983
subtotaal3 229 451744 7553 974 206
lump-sum– 325 000325 0000
Totaal materiële kosten, afschrijvingskosten en rentelasten2 904 4511 069 7553 974 206
Opmerking lump-sum: voor het jaar 2001 wordt er tegenover de kosten van f 744 755 een opbrengst als gevolg van opslag meters archief verwacht van f 1 074 354.
Van het begrote resultaat opslag archieven is een bedrag van f 325 000 in mindering gebracht op de kosten welke gedekt moeten worden door het in rekening brengen van de diverse uurtarieven.

Onzekerheidsmarge

Om tot een verkoopprijs te komen wordt de kostprijs van een uurtarief verhoogd met een onzekerheidsmarge.

Deze marge dient ter dekking van verliezen in de voorcalculatie.

De tariefberekening is als volgt (in f 1):

 
Tariefgroepdirecte loonkostenindirecte kostentotale kostenproductie urendir. kosten per uurind. kosten per uurkosten per uurmargeTARIEFmarge in uren
middel4 885 3343 385 9938 271 32793 09252,4836,3788,853, 15923 187
laag920 121696 4741 616 59519 14948,0536,3784,420,5885130
hoog294 436109 769404 2053 01897,5636,37133,936,07140131
uitleen338 536337 854676 3909 28936,4536,3772,823,1876389
subtotaal6 438 4274 530 09010 968 517124 548     3 837
inhuurkracht VROM36 000 36 000850      
opslaghal 1 069 7551 069 755       
subtotaal6 474 4275 599 84512 074 272125 398      
Niet in tarief opgenomen gebruikersvergoeding RGD  936 428       
Totale kosten 2001  13 010 700       

3. Meerjarige begroting van kasstromen

Kasstroomoverzicht voor de begroting van het agentschap CAS (inclusief economische en functionele codering) (in f 1 000):

 
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
1. Rekening-courant RHB 1 januari3 1792 6781 126511182– 707– 459– 303  
           
2. Totaal operationele kasstroom1 5122886082767956401 1101 123  
           
3a. -/- totaal investeringen– 2 338– 604– 717– 325– 1 054– 213– 487– 1 1195211.7
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen325         
3. Totaal investeringskasstroom– 2 013– 604– 717– 325– 1 054–  213– 487– 1 119  
           
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederministerie – 3 438– 72– 33– 41– 324– 3990811.7
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie          
4c. -/- aflossingen op leningen – 847– 763– 346– 589– 179– 143– 13082A14.1
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit 3 049        
4. Totaal financieringskasstroom – 1 236– 835– 379– 630– 179–  467– 529  
           
5. Rekening-courant RHB 31 december (=1+2+3+4) (maximale roodstand f 1 mln)2 6781 12618283– 707– 459– 303– 828  

3.1. Toelichting bij het kasstroomoverzicht (in f 1 000)

De afname van het saldo bij de RHB met 3 506 in de periode 2000 tot en met 2005 wordt veroorzaakt door:

– investeringen 2000 tot en met 2005 via rekening-courant voor een bedrag van 4 194;

– aflossing van de lening bij Financiën met 2 651, welke aflossing het gevolg is van de conversie van 1 januari 2000 naar aanleiding van de gewijzigde financiering van agentschappen;

– afname werkkapitaal met 1 969;

– afdracht aan het moederministerie van de resultaten, welke zijn begroot over de jaren 2001 tot en met 2005 met 836;

– uitkering aan het moederministerie van de afroming van het agentschapvermogen als gevolg van de conversie van 1 januari 2000, zijnde 389;

– toename liquiditeit als gevolg van de begrote positieve resultaten over de periode 2000 tot en met 2005 van 1 229;

– toename liquiditeit als gevolg van afschrijvingen met 5 304.

4. Kengetallen

 
RAMINGSKENGETALLENEenheidRealisatie 199920002001
Tarief laagUren738185
Tarief middelUren858892
Tarief hoogUren128140140
Tarief uitleenUren707576
Productieve uren per jaar per persoonUren1 3611 3661 366
Bruto marge projectenIn f 1– 81300
DekkingsresultaatIn f 138 36428 75036 250
Productierealisatie convenanten uren/meters in %%60/6070/70
   
Omzet productgroepen  
Archiefbewerking, uitlening en advisering:  
– ministeries en Hoge CollegesIn f 110 185 3329 011 0009 421 262
– derdenIn f 11 761 0821 580 0001 619 504
– opslagIn f 1527 560771 0001 074 354

4.1. Toelichting bij de kengetallen

– Het kengetal brutomarge geeft weer in hoeverre de kosten van projecten zich verhouden tot de opbrengsten van projecten. Door het gebruik van dit kengetal is het mogelijk om inzicht te verschaffen in hoeverre het toegepaste systeem van voorcalculatie voldoet.

– Het kengetal dekkingsresultaat is de resultante van 2 componenten, namelijk budgetresultaat en productieresultaat.

– Budgetresultaat geeft de verhouding weer tussen de begrote en gerealiseerde kosten.

– Productieresultaat geeft de verhouding weer tussen de begrote en gerealiseerde productie uren.

– Het kengetal productierealisatie convenanten uren/meters in % geeft weer in hoeverre de CAS er in slaagt om de meerjarig afgesloten convenanten, tussen de CAS en de diverse ministeries en Hoge Colleges, binnen het afgesproken tijdstip af te werken.

Agentschap IVOP

1. Inleiding

1.1. Algemeen

Sinds 1995 heeft de dienst IVOP de agentschapstatus. Het agentschap IVOP verzorgt diensten op het gebied van personele en personeel-financiële informatievoorziening ten behoeve van een groep samenwerkende deelnemers uit de kring van de rijksoverheid, de universiteiten en een kleine groep overige gebruikers. Tot deze diensten behoren met name het beschikbaar houden van geautomatiseerde systemen ten behoeve van de salarisverwerking en de hierop aansluitende begrotings- en verantwoordingscyclus.

IVOP is de uitvoeringsorganisatie van het samenwerkingsverband en berekent de kosten sinds 1994 integraal door aan gebruikers van de systemen.

De deelnemers zijn vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering van Deelnemers (AVD). Het agentschap IVOP wordt direct aangestuurd door een bestuur dat verantwoording aflegt aan de AVD. De AVD stelt de begroting (en daarmee expliciet de tarieven) en de jaarrekening vast.

IVOP draagt zorg voor de beschikbaarheid van de systemen door ze te (laten) ontwikkelen, onderhouden en exploiteren. Daarbij staat voorop dat steeds de voor de leden van het samenwerkingsverband economisch meest gunstige oplossing wordt gezocht. In 1996 is besloten om het IPA-salarissysteem te laten renoveren door Raet Personele Systemen en ook de exploitatie, het onderhoud en het beheer vanaf het moment van ingebruikneming door dit bedrijf te laten verzorgen. Op 13 maart 1998 heeft de AVD met machtiging van de Minister van BiZa en de ministerraad besloten tot stopzetting van de renovatie van het IPA-salarissysteem. Het stopzetten van de renovatie van het IPA-salarissysteem heeft geresulteerd in een juridisch geschil. Zowel de Staat der Nederlanden als RAET hebben een claim ingediend wegens geleden schade. Een definitieve rechterlijke uitspraak wordt voorlopig niet verwacht.

De samenwerking met Roccade is tot 1 januari 2003 gecontinueerd. Thans worden voorbereidingen getroffen voor de invoering van de euro in de verschillende systemen.

1.2. Producten van het agentschap IVOP

De producten van het agentschap kunnen in twee hoofdgroepen worden onderverdeeld:

1. Salarisinformatie;

2. Personeels- en personeel/financiële informatie.

ad 1.

Salarisinformatie. IVOP is volledig verantwoordelijk voor een correcte «inhoud» van de systemen voor de salarisverwerking. De producten op het gebied van salarisverwerking betreffen het beheer en onderhoud van het salarissysteem Kern en de standaard interface. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal verschillende vormen van onderhoud en beheer, te weten:

– centrale regelgeving,

– basisonderhoud,

– individueel onderhoud.

De eerste twee categorieën worden doorberekend op basis van een tarief per individuele arbeidsrelatie (= een dienstbetrekking met een werknemer) (IAR), die een opdrachtgever in een van de systemen geregistreerd heeft. De totale kosten van de onderwerpen in de categorieën centrale regelgeving en basisonderhoud worden per systeem gedeeld door het aantal IAR's van de opdrachtgevers die van het systeem gebruik maken. Zo ontstaat voor die systemen een kostprijs per IAR. Op basis van de berekende kostprijs per IAR wordt – rekening houdend met eventuele tekorten of overschotten uit voorgaande jaren – door de AVD een in meerjarig perspectief kostendekkend tarief per IAR vastgesteld.

Het individueel onderhoud wordt doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp. Wanneer hierbij sprake is van meerdere opdrachtgevers per onderwerp wordt het aantal IAR's als verdeelsleutel voor de door te berekenen bedragen gehanteerd.

De kosten van de exploitatie van het salarissysteem worden door Roccade rechtstreeks bij de gebruikers in rekening gebracht. Het agentschap IVOP kan namens de deelnemers afspraken maken over het verrekenen van de exploitatiekosten.

ad 2.

Personeels- en personeel/financiële informatie. De producten van IVOP op het gebied van de personeelsen personeel/financiële informatievoorziening betreffen de ontwikkeling, het beheer en onderhoud van diverse personeels- en personeel/financiële systemen. Ten aanzien van deze informatiesystemen worden twee soorten van beheer en onderhoud gevoerd, te weten basisonderhoud en individueel onderhoud.

Het basisonderhoud wordt doorberekend op basis van een tarief per IAR.

Het individuele onderhoud wordt doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp.

De «meetbaarheid» van de producten van IVOP in termen van input en output is afhankelijk van het heterogene karakter van de producten en diensten van het agentschap IVOP. De aard en omvang van de werkzaamheden worden immers enerzijds bepaald door de wensen van de deelnemers en anderzijds door de ontwikkelingen in wet- en regelgeving en arbeidsvoorwaarden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het gestelde bij paragraaf 4 «Kengetallen».

2. Resultatenrekening

(in f 1 000)
    € 1 000    Codering
 19992000200120012002200320042005Econ.Funct.
BATEN          
Omzet moederministerie410533492223394389395400  
Omzet overige ministeries16 79026 78223 45210 64215 53315 10815 56616 039  
Omzet overige3 7765 9965 2562 3853 4963 4023 5043 611  
Totaal omzet20 97633 31129 20013 25019 42318 89919 46520 0501611.7
Rentebaten92505023505050502613.7
Buitengewone baten18000000001603.2
Totaal Baten21 24733 36129 24913 27319 47318 94919 51620 100  
           
LASTEN          
Kostprijs van de omzet          
Kosten IVOP6 3478 5547 7393 5127 7177 9488 1878 4331211.7
Kosten Extern10 63723 87920 4299 27010 4149 1819 4579 7401211.7
Totaal kostprijs van de omzet16 98432 43328 16812 78218 13117 12917 64418 173  
Dekkingsresultaat          
Apparaatskosten          
Personeelskosten6 2907 9418 1793 7118 4258 6778 9389 2061111.7
Materiële kosten1 9501 8731 9298751 9872 0472 1082 1711211.7
Afschrijvingskosten1852382451112522602682761511.7
Totale apparaatskosten8 42510 05210 3534 69710 66410 98411 31411 653  
Dekking door declarabele uren6 84210 05210 3544 69710 66410 98411 31411 6531211.7
Totaal dekkingsresultaat1 5830000000  
Totaal kosten van de omzet18 56732 43328 16812 78218 13117 13017 64318 173  
Directe kosten voor opdrachten1 2221 4931 5386981 5841 6311 6801 7311211.7
Afschrijvingskosten systemen590209215982222282352421513.5
Dotaties aan voorzieningen          
Dotatie voorziening assurantie eigen risico1800000001511.7
Dotatie voorziening ramingsverschillen000000001511.7
Dotatie voorziening dubieuze debiteuren000000001511.7
Dotatie voorziening Staat-RAET40000000001511.7
Totaal dotaties aan voorzieningen4180000000  
Rentelasten000000002113.1
Buitengewone lasten27700000001511.7
Totaal lasten21 07434 13529 92113 57819 93718 98919 55820 146  
           
NETTO RESULTAAT IVOP173– 774– 672– 305– 463– 40– 43– 46  

2.1. Toelichting

Sinds 1997 is de indeling van de begroting van baten en lasten aangepast aan de opzet en indeling zoals die in het Jaarverslag van het agentschap IVOP wordt gehanteerd. Dit jaarverslag wordt aan de AVD ter goedkeuring voorgelegd. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat in alle vormen van financiële rapportage en verslaglegging, die door het agentschap IVOP worden vervaardigd, een eenduidige indeling en begripsbepaling wordt gehanteerd.

In deze begroting wordt opnieuw dezelfde systematiek gevolgd. Derhalve wordt in de resultatenrekening voor het jaar 2000 (met inachtneming van – met name – de door te berekenen kosten van invoering van de euro) gebruik gemaakt van de cijfers zoals die in het jaarplan 2000 staan vermeld.

2.1.1. Baten

Bij de raming van de omzet 2001 is er van uitgegaan dat de tarieven zodanig zullen worden vastgesteld, dat er sprake zal zijn van dekking van de totale kosten. De tarieven voor 2001 zijn eind 2000 door de AVD vastgesteld. Hierbij is het uitgangspunt dat de tarieven in meerjarig perspectief gezien kostendekkend zullen zijn.

De baten in de jaren 1999 tot en met 2002 zijn inclusief de door te berekenen kosten van de aanpassingen in verband met de euro.

Overzicht Baten (in f 1 000)
Omschrijving199920002001
Salarissysteem12 36511 85112 979
PF/PI systemen4 6264 6944 835
Overige omzet4 25616 81611 435
Totaal21 24733 36129 249

Verdeling omzet 2001 (in f 1 000)
Omschrijvingmoederministerieandere ministeriesoverigen
Salarissysteem23610 3572 336
PF/PI systemen1313 834870
Overige1259 2612 050
Totaal49223 4525 256

2.1.2. Lasten

Kostprijs van de omzet

Kosten IVOP. Deze post is de som van de direct aan de opdrachten toe te wijzen kosten van IVOP. De IVOP-kosten zijn opgebouwd uit het aantal uren per type activiteit vermenigvuldigd met de kostprijs per uur.

Kosten Extern. De raming van de externe kosten is in 2001 lager dan in 2000. Dit wordt veroorzaakt door lagere kosten als gevolg van de invoering van de euro.

Personeelskosten. De geraamde personeelskosten zijn gebaseerd op de veronderstelde benodigde capaciteit voor het jaar 2001.

Materiële kosten. Onder deze post zijn alle reguliere materiële kosten van IVOP opgenomen voor het jaar 2001.

Afschrijvingskosten. Onder deze post zijn de afschrijvingen op de bedrijfsmiddelen van IVOP opgenomen.

Nadat in 1998 sprake is geweest van een inhaalafschrijving op de hardware, is er vanaf 1999 sprake van een gelijkmatig vervangingsregime. Hierdoor zijn de schommelingen in de afschrijvingskosten genivelleerd.

Afschrijvingskosten (in f 1 000)
Omschrijving1999200020012002200320042005
Salarissysteem0000000
PF/PI systemen590209215222228235242
Hardware123123127129134138142
Software28697173757880
Inventaris31434446474850
Kantoorapparatuur3334444

Directe kosten voor opdrachten. Hieronder zijn begrepen de bestuurs- en controlekosten. Dit zijn de kosten IVOP ten behoeve van de ondersteuning van het bestuur en de AVD alsmede de kosten van de EDP-auditpool.

Afschrijvingskosten systemen. De voor 2001 begrote afschrijvingskosten systemen liggen ten opzichte van 2000 op hetzelfde niveau. De afschrijvingskosten hebben uitsluitend betrekking op de PF/PI-systemen.

Dotaties aan voorzieningen. Het stopzetten van de renovatie van het IPA-salarissysteem in maart 1998 heeft geresulteerd in een juridisch geschil. Zowel de Staat der Nederlanden als RAET hebben een claim ingediend wegens geleden schade. Een definitieve rechterlijke uitspraak wordt niet voor eind 2000 verwacht.

Ter dekking van de kosten verbonden aan het afwikkelen van de rechtszaak Staat-RAET is in 1999 een voorziening opgebouwd. Ten laste van deze voorziening kunnen de betreffende kosten 2000 en volgende worden betaald.

De voorziening assurantie eigen risico, de voorziening dubieuze debiteuren en de voorziening ramingsverschillen hebben het voor deze voorzieningen vastgestelde maximum reeds bereikt. Er wordt voorals- nog van uitgegaan dat in 2000 geen beroep op deze voorziening hoeft te worden gedaan, zodat in 2001 aan deze voorziening geen dotatie meer hoeft te worden gedaan.

Netto resultaat. Het geprognosticeerde negatieve resultaat wordt ten laste van de algemene reserve gebracht.

3. Kasstroomoverzicht (in f 1 000)

 
    € 1 000    Codering
 199920002001200120022003