Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

INHOUDSOPGAVE

  blz.
A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WESTVOORSTEL2
   
 Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)2
 Wetsartikel 4 (agentschap LASER)2
 Wetsartikel 5 (agentschap Bureau Heffingen)2
 Wetsartikel 6 (agentschap Plantenziektenkundige Dienst)2
   
B.ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING(SSTAAT)3
   
C.TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL49
1.Uitgaven en verplichtingen54
2.Ontvangsten141
   
D.TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPSBEGROTING(EN)166
   
E.BIJLAGEN BIJ DE BEGROTING1
   
Bijlage 1Overzichten inzake Personeelsgegevens2
Bijlage 2Het overzicht inzake Wetgeving8
Bijlage 3Overzicht van moties en toezeggingen10
Bijlage 4Overzicht inzake circulaires17
Bijlage 5Overzicht aanbevelingen Nationale Ombudsman23
Bijlage 6Subsidies24
Bijlage 7Evaluatieonderzoek45
Bijlage 8Economische en functionele codes50
Bijlage 9Voorlichting52
Bijlage 10Convenanten54
Bijlage 11Financieel Beheer61
Bijlage 12Landelijk Meerjarenprogramma Groene Ruimte64
Bijlage 13Archiefparagraaf67
Bijlage 14Uitgaven en ontvangsten Europese Unie 68
Bijlage 15Afkortingenlijst74

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het jaar 2001 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2001. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2001.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4 (agentschapbegroting LASER)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het agentschap «LASER» voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 5 (agentschapbegroting Bureau Heffingen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het agentschap «Bureau Heffingen» voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 6 (agentschapbegroting Plantenziektenkundige Dienst)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het agentschap «Plantenziektenkundige Dienst» voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

Memorie van Toelichting

Algemeen Deel

Behorende bij de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het jaar 2001

Inhoudsopgave

1.Hoofdlijnen van de beleidsontwikkeling4
1.1Algemeen kader4
1.2Financieel kader10
   
2.Versterking van het landelijk gebied13
2.1Algemeen13
2.2Groen in en om de stad14
2.3Kwaliteit van de omgeving14
2.4Gebiedsgericht maatwerk15
2.5Recreatie15
2.6Duurzaam waterbeheer16
2.7EU-programma Landelijk gebied16
   
3.EHS en internationaal natuurbeleid17
3.1Algemeen17
3.2Versterking van de EHS18
3.3Natte natuur18
3.4Programma Beheer19
3.5Grondbeleid19
3.6Implementatie Habitat- en Vogelrichtlijn20
3.7Natuurbeleid Noordzee en Waddenzee20
3.8Biodiversiteit21
3.9Internationaal natuurbeleid21
   
4.Economisch perspectief agroketens22
4.1Concurrentiekracht22
4.2Herstructurering primaire sectoren23
4.3Structuur visserijsector25
4.4Pacht25
4.5Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)25
4.6Multilaterale organisaties27
4.7Emancipatiebeleid28
   
5.Bevordering duurzame productie28
5.1Stimulering duurzame landbouw28
5.2Bevordering van biologische landbouw28
5.3Agrarische natuurverenigingen29
5.4Vermindering milieubelasting door mest en ammoniak29
5.5Vermindering milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen30
5.6Verbetering dierenwelzijn31
5.7Klimaat en energie32
5.8Duurzame visserij33
5.9VN-Commissie voor Duurzame Ontwikkeling33
   
6.Voedselveiligheid34
6.1Bevordering voedselveiligheid en diergezondheid34
6.2Identificatie- en registratiesysteem36
6.3Diervoeders37
6.4Kwaliteitsborging: garantiesystemen en modernisering van keuringen37
   
7.Kennis en innovatie38
7.1Biotechnologie38
7.2Ontwikkelingsperspectief voor het kennis- en innovatiebeleid39
7.3Agrarisch onderwijs40
7.4Wageningen UR41
   
8.Bestuurlijke en organisatorische aangelegenheden41
8.1Organisatorische ontwikkelingen bij LNV41
8.2Emancipatiebeleid LNV42
8.3Sturing en toezicht42
8.4Uitvoerende diensten42
8.5Zelfstandige bestuursorganen43
8.6Bestuurlijke samenwerking43
8.7Modernisering PBO44
8.8Euro-aanpak44
8.9Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording (VBTB)45
 Trefwoordenregister46

1. HOOFDLIJNEN VAN DE BELEIDSONTWIKKELING

1.1 Algemeen kader

Visie

De beleidsterreinen van LNV zijn diep geworteld in onze samenleving. Dit komt tot uitdrukking in de betrokkenheid van het ministerie bij tal van discussies die zich kunnen verheugen in een brede belangstelling. Of het nu gaat over voedselveiligheid, biotechnologie, dierenwelzijn, de inrichting van het landelijk gebied of de instandhouding van de biodiversiteit, telkens wordt intensief geparticipeerd in het maatschappelijk debat en wordt (mede) sturing gegeven aan de beleidsontwikkelingen op deze terreinen. Daarbij is een heldere visie op de gewenste beleidsdoelen onontbeerlijk.

Die visie is er. Op afzonderlijke thema's zijn zeer recent of worden binnenkort fundamentele beleidsnota's gepubliceerd. Deze nota's vormen een nadere uitwerking van reeds eerder ingezet beleid, met name in de nota Kracht en Kwaliteit (TK 1998–1999, 26 446, nr. 1). Zij dragen tegelijk bouwstenen aan voor nog te verschijnen beleidsstukken, zoals de Vijfde Nota voor de Ruimtelijke Ordening en het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (SGR2). De dynamiek van dit beleidsproces speelt zich af tegen de achtergrond van een integrale (middel)langetermijnvisie op het landbouwbeleid en het beleid voor natuur, bos en landschap. In de nota's Voedsel en Groen en Natuur voor mensen, mensen voor natuur presenteert het kabinet de hoofdlijnen van het beleid ter zake. De aard en omvang van de overheidstaak kan niet los gezien worden van de veranderende omgeving en voortdurend zal moeten worden beoordeeld welke verantwoordelijkheden behoren tot het publieke domein en welk handelen van de overheid mag worden verwacht.

De samenleving van nu is niet die van over tien jaar. De consument zal zijn eisen ten aanzien van de kwaliteit van het voedsel, de wijze waarop zijn voedsel geproduceerd wordt en de samenstelling van de daarvoor benodigde grondstoffen verhogen. Ook zal de toenemende levensstandaard gevolgen hebben voor onder meer de volkshuisvesting en de daarmee verband houdende eisen aan de fysieke kwaliteit van de woonomgeving, in de stad en op het platteland. In Natuur voor mensen, mensen voor natuur wordt de aanpak beschreven van het natuurbeleid in brede zin voor de komende 10 jaar, vanuit het besef dat natuur en landschap essentiële elementen zijn in een leefbare en duurzame samenleving. Met natuur voor mensen, mensen voor natuur wordt aangegeven dat het natuurbeleid en de daaruit voortvloeiende inrichting van de natuur moeten aansluiten bij de wensen van de samenleving en dat de natuur door mensen bewerkt en ontwikkeld, beheerd en beschermd wordt.

Innovatie

Een krachtig innovatievermogen is een voorwaarde voor de maatschappelijke legitimatie van de agrosector. De moderne agro-ondernemer moet in staat zijn zich voortdurend aan te passen aan zijn veranderende omgeving. Maatschappelijke wensen ten aanzien van natuur en milieu, productiewijze, dierenwelzijn en voedselveiligheid dienen een geïntegreerd onderdeel van de agrarische bedrijfsuitoefening te zijn. In Voedsel en Groen zijn daarom stimulansen opgenomen, waarmee het innovatievermogen van het agrocomplex wordt geactiveerd. Een aanzet hiertoe is het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster, dat onderdeel wordt van de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek. Via het Innovatienetwerk zal een forse impuls gegeven worden aan het innovatievermogen van het agrofoodcomplex en het cluster groene ruimte. Het Innovatienetwerk zal ook een platformfunctie vervullen om regionale, nationale en internationale innovatie-initiatieven op elkaar af te stemmen.

De wijze waarop financiële middelen voor innovatie worden ingezet, zal de komende jaren worden aangepast. Het kabinet zal een Agro-innovatiefonds van publieke en private middelen opzetten, dat een deel van het Stimuleringskader zal vervangen. Vooral voor innovatieve projecten met commerciële vooruitzichten zal het fonds functioneren als revolving fund. De publieke middelen in het Agro-Innovatiefonds zullen breed van karakter zijn, vanwege de verwevenheid van veel innovatieprogramma's met niet specifiek aan LNV gelieerde beleidsterreinen.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Eén van de pijlers van Voedsel en Groen is de uitwerking van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de ondernemer. De agro-ondernemer zal zich scherp bewust moeten zijn van de maatschappelijke wensen ten aanzien van onder meer voedselveiligheid, natuur en milieu, productiewijze en dierenwelzijn. In de komende periode zal met een stevig maatregelenpakket de betrokkenheid bij elk van deze beleidsterreinen worden onderstreept.

Voedselveiligheid

De betrouwbaarheid van ons voedsel bestaat bij de onberispelijkheid van alle schakels in de voedselketen. Dat legt een grote verantwoordelijkheid op alle bij de voedselproductie betrokken sectoren: de primaire sectoren in het produceren en leveren van betrouwbare grondstoffen en de secundaire sectoren in de verwerking van die grondstoffen tot een kwalitatief hoogwaardig eindproduct. Daarbij dient de producent zich rekenschap te geven van de voorwaarden die de consument stelt ten aanzien van de productie van zijn voedsel. Maar alleen een open oor voor de roep van de consument is niet voldoende; naast de consumer concerns staan de producer responsibilities. De overheid vraagt van de producent eigener beweging blijk te geven van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de voedselveiligheid. De verantwoordelijkheid van de voedselproducent heeft in Voedsel en Groen een specifiek accent gekregen door het voornemen om private systemen van ketengarantie en -certificering verder te (doen) ontwikkelen. De voedselproductieketen zal door middel van zelfcontrole waarborgen moeten geven voor de veiligheid van het eindproduct. Daarbij spreekt vanzelf dat een goede communicatie tussen de schakels in de keten essentieel is om volksgezondheidsrisico's in de voedselproductie te minimaliseren.

Meer markt is niet minder overheid. De bescherming van de volksgezondheid is een publiek belang, waarop de overheid primair aanspreekbaar is. De overheid stelt voorwaarden aan de hand waarvan en schept kaders waarbinnen private ondernemers hun activiteiten kunnen ontplooien. Daarnaast ziet de overheid toe op de manier waarop private systemen van ketencertificering functioneren. Door resultaten van productcontroles openbaar te maken, nodigt de overheid het bedrijfsleven uit zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de veiligheid van de producten die het de consument aanbiedt.

In de nota Voedsel en Groen is aangegeven dat de vorming van één nationaal voedselcontrolebureau gewenst is. De komende periode zal dit nader worden onderzocht en uitgewerkt. Controle-activiteiten op het terrein van de voedselveiligheid staan in directe relatie tot de norm waaraan de te controleren producten moeten voldoen. Om te komen tot een eenduidige en wetenschappelijk onderbouwde normstelling wil het kabinet investeren in de totstandkoming van een hoogwaardig onderzoeksinstituut. Deze gedachte sluit aan bij het initiatief tot het instellen van een Europese Voedselautoriteit (EVA), zoals verwoord in het Witboek Voedselveiligheid. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het Witboek, dat in het voorjaar aan de Kamer is gezonden (bij brief van 31 maart 2000, TK 1999–2000, 26 991, nr. 5), is krachtig steun aan deze gedachte gegeven. De EVA kan een harmoniserende rol vervullen door mede controle uit te oefenen op de controle-instanties van de lidstaten.

De bestrijding van salmonella en campylobacter zal krachtig ter hand worden genomen. Het Plan van Aanpak ter bestrijding van deze zoönosen is tekort geschoten. Het in mei 2000 gepubliceerde rapport Voedselinfecties van de Gezondheidsraad heeft hierover duidelijke signalen afgegeven. Op korte termijn zullen wettelijk normen worden vastgesteld. Op de naleving daarvan zal nauwlettend worden toegezien.

Milieu

In het jaar 2001 zal verder worden gewerkt aan de realisering van – mede in EU-verband overeengekomen – milieudoelen. Het begrotingsjaar zal voor een groot deel in het teken staan van de wijziging van de Meststoffenwet ter zake van de introductie van het systeem van mestafzetovereenkomsten en de aanscherping van de verliesnormen in Minas in 2002/2003. Dit wetsvoorstel is in de brief van 10 september 1999 (TK 1999–2000, 26 729, nr. 1) aangekondigd. Een goed functionerend systeem van mestafzetcontracten veronderstelt evenwicht op de mestmarkt. Om die situatie binnen handbereik te krijgen is dit jaar gedurende twee maanden de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) opengesteld. Dit heeft ertoe geleid dat ongeveer 7,5 miljoen kg fosfaat (f 405 mln) is aangeboden. Hiermee kan een flinke stap voorwaarts worden gezet in de richting van het doel om 21,5 mln kg fosfaat uit de markt te halen. Het succes van de regeling heeft het kabinet ertoe doen besluiten veehouders in 2001 nogmaals in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van deze regeling onder de dan geldende voorwaarden.

Met ingang van 2001 zullen de verliesnormen in Minas verder worden aangescherpt. Hiermee wordt een stap gezet in het traject naar de realisering van de doelstellingen zoals vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn. De definitieve stikstofverliesnormen voor grasland zullen pas kunnen worden vastgesteld aan de hand van de uitkomsten van het derogatieverzoek dat in het kader van de Nitraatrichtlijn bij de Europese Commissie is neergelegd en dat middels een RIVM-rapport wetenschappelijk verantwoord onderbouwd is. Het derogatieverzoek heeft de brede en voor het welslagen hiervan onontbeerlijke steun gekregen van het parlement in het algemeen overleg van 25 mei 2000.

De herstructurering van de intensieve veehouderij vergt ook aanpassingen in ruimtelijke zin. Met de Reconstructiewet concentratiegebieden krijgen provincies een instrument in handen waarmee de afstemming van de belangen van het agrarische bedrijfsleven met die van natuur en milieu optimaal kan plaatshebben. De pilotprojecten laten in dat opzicht hoopvolle resultaten zien.

Het realiseren van natuurdoelen in een gebied stelt eisen aan de milieu- en watercondities. Op termijn zijn milieucondities nodig die aanzienlijk verder gaan dan de tussendoelstellingen voor 2010 uit het NMP3. In het NMP4 zal het kabinet aangeven hoe het milieubeleid op langere termijn zal bijdragen aan adequate condities voor de gewenste natuur in Nederland.

Dierenwelzijn

Bij de herstructurering van de verschillende agrosectoren spelen naast milieudoelstellingen overwegingen van dierenwelzijn een prominente rol. De inwerkingtreding van het gewijzigde Varkensbesluit vormt een onlosmakelijk geheel met de Wet Herstructurering Varkenshouderij (WHV). De besluitvorming over de huisvesting van vleeskuikenouderdieren en de afschaffing van de legbatterij in Europees verband zijn eveneens onderdeel van een breder beleid ten aanzien van de pluimveehouderij. Het rapport van de Commissie Alders zal de komende periode onderdeel zijn van besluitvorming over de toekomst van de pluimveehouderij.

In de komende maanden zal nader gesproken worden over de problematiek van de afbouw van de nertsenhouderij.

In Voedsel en Groen is aangekondigd dat de komende jaren nieuwe stappen zullen worden gezet in het maatschappelijk debat over dierenwelzijn. Hierover zullen binnenkort aan de Tweede Kamer voorstellen worden gedaan.

Natuur en landelijk gebied

Onlangs is het beleid voor natuur en landschap voor de komende tien jaar gepresenteerd met de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur. De beleidsvoornemens in deze nota moeten een stevige impuls geven aan de kwaliteit van natuur en landschap en de betekenis van natuur voor de samenleving. De uitvoering van deze beleidsvoornemens zal een flinke inzet vergen van alle betrokkenen: overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers. Natuur voor mensen, mensen voor natuur is in dat opzicht het startpunt van een nieuwe fase in het natuurbeleid.

De realisering van de EHS zal met kracht worden voortgezet. Het voornemen is om tot 2018 jaarlijks gemiddeld 6500 ha EHS-gronden te realiseren door verwerving, inrichting en overdracht aan de eindbeheerders of door middel van particulier natuurbeheer. Dat vergt vanaf het begrotingsjaar een forse inspanning, niet in de laatste plaats vanwege de snel stijgende grondprijzen. Over het grondprijsbeleid en de gevolgen daarvan voor de realisering van de natuurtaakstellingen zal nog in 2000 aan de hand van de uitkomsten van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Grondbeleid een kabinetsstandpunt verschijnen.

De samenhang binnen de EHS zal verder worden versterkt door de realisering van een zevental robuuste verbindingszones per 2020. Deze verbindingen betekenen een belangrijke uitbreiding en versteviging van grotere eenheden natuur in ons land, niet alleen door de oppervlakte van de verbindingen zelf, maar vooral ook door de schakeling van EHS-gebieden ten gevolge van de verbindingen. De oppervlakte bos zal door het realiseren van de robuuste verbindingszones toenemen ten opzichte van de in het SGR opgenomen taakstelling. Ook wordt gewerkt aan de totstandkoming van hoogwaardig groen in en om de stad.

In de inrichting en het beheer van het landelijk gebied spelen naast de landbouw, die meer dan de helft van het Nederlandse grondoppervlak beheert, ook natuur, recreatie en wonen een belangrijke rol. De overheid zet actief middelen in om elk van die functies tot haar recht te laten komen, afzonderlijk of in combinatie. Natuur voor mensen, mensen voor natuur kiest voor een offensieve landschapsaanpak. Het streven is daarbij om de kwaliteit van circa 400 000 ha landelijk gebied aanzienlijk te verbeteren door gericht te investeren in zo'n 40 000 ha kenmerkende landschapselementen (groen-blauwe dooradering). Tevens zullen ruimtelijke ontwikkelingen op alle schaalniveaus worden getoetst op kwaliteit, waarbij onafhankelijke deskundigen de overheden bijstaan.

In het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en het SGR2 zullen deze uitgangspunten en concepten worden afgewogen en hun doorvertaling krijgen in het ruimtelijk beleid. Met de thans beschikbaar gestelde bedragen voor de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur kan reeds de helft van de ambitie voor robuuste verbindingen (13 000 ha) en de kwaliteitsimpuls landschap (200 000 ha) worden gefinancierd.

In internationaal verband blijft Nederland zich sterk maken voor een goede implementatie van het Biodiversiteitsverdrag. Dat brengt niet alleen verplichtingen met zich mee ten aanzien van het realiseren van de EHS, maar vraagt ook inspanningen op het terrein van de soortenbescherming.

Internationale oriëntatie

In de WTO worden de onderhandelingen over liberalisering van de landbouwsector voortgezet. Door de toenemende liberalisering en de daarmee gepaard gaande afbouw van tarifaire handelsbelemmeringen voor de land- en tuinbouw, wordt de mate waarin van deze marktopening kan worden geprofiteerd mede bepaald door de mate waarin voldaan kan worden aan de kwaliteitseisen die aan producten worden gesteld. Vooral ten opzichte van ontwikkelingslanden ziet het kabinet in het licht van deze ontwikkeling de noodzaak tot het plegen van extra inspanningen, in het bijzonder in EU-verband. Het is onder meer zaak aandacht te besteden aan tijdige en heldere communicatie over nieuwe en bestaande normen. In EU-verband zal door Nederland blijvende aandacht worden gevraagd voor de noodzaak van investeringen in voorzieningen en het verlenen van technische assistentie in deze landen, die ertoe bijdragen dat zij de aansluiting met de internationale markt niet missen.

Nederland zet in op een volledige overname van het veterinaire en fytosanitaire acquis op het moment van toetreding van MOE-landen tot de Europese Unie. De nieuwe lidstaten zullen op deze punten nog forse inspanningen moeten plegen.

Biotechnologie

Biotechnologische ontwikkelingen bieden enorme kansen voor de toekomst. Het benutten van de mogelijkheden die deze technologie biedt, moet de aandacht voor de risico's evenwel niet doen verslappen. Wetenschappelijk onderzoek naar de potentiële gevaren zal dan ook eenblijvende stimulans krijgen. Dit neemt niet weg dat genetische modificatie van landbouwgewassen een belangrijke bijdrage kan leveren aan de terugdringing van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De toepassing van genetisch gemodificeerde organismen die gezondheidsbevorderende voedingscomponenten maken, kan de volksgezondheid op een hoger peil brengen.

Duidelijke informatie aan de consument over de toepassing van gemodificeerde grondstoffen in de voedselketen is absoluut noodzakelijk om een breed vertrouwen te wekken. Een en ander laat onverlet dat de keuzevrijheid van de consument gegarandeerd dient te worden. Een ggo-vrij marktsegment voedingsmiddelen zal daarom blijven bestaan. De biologische landbouw kan hierin een waardevolle rol vervullen.

Biologische landbouw

Het kabinet heeft dezer dagen de beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 gepresenteerd. Voor de uitvoering van de voornemens in de beleidsnota wordt ongeveer f 85 mln ingezet, bovenop de reguliere middelen voor biologische landbouw.

Dierziektebestrijding

Het wettelijk instrumentarium op het terrein van de dierziektebestrijding wordt uitgebreid. In het begrotingsjaar zal naar verwachting de behandeling plaatshebben van de wijziging van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), waarmee dierenartsen een meldplicht krijgen bij constatering van onduidelijke dierziekten. Gezondheidsproblemen bij dieren die niet rechtstreeks tot een bepaalde dierziekte te herleiden zijn, kunnen op deze manier toch goed in kaart gebracht worden. De zogenaamde slijtersproblematiek illustreert de noodzaak van de codificatie van deze meldplicht. Dit wetsvoorstel is medio 2000 voor advies naar de Raad van State gestuurd.

De evaluatie van de varkenspestepidemie (TK 1997–1998, 25 229, nr. 49) heeft doen zien dat het wettelijk instrumentarium ter bestrijding van dierziekten toereikend is. De effectiviteit van de regelgeving is evenwel niet los te zien van de manier waarop individuele ondernemers hun verantwoordelijkheid vormgeven. Om de betrokkenheid van de houder van dieren te accentueren is in de wijziging van de GWWD een bepaling opgenomen die verplicht tot het nalaten van handelingen die bijdragen aan de verspreiding van een wettelijk aangewezen besmettelijke dierziekte en het treffen van maatregelen om verspreiding te voorkomen.

Een novum binnen de GWWD is de introductie van tuchtrechtelijke handhaving bij medebewind. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de productschappen PVV en PPE om gespecialiseerde rechtspraak ten aanzien van een bepaalde groep belanghebbenden mogelijk te maken. Naast de tuchtrechtelijke maatregelen, zoals opgenomen in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (WTB), te weten berisping, geldboete en openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de veroordeelde, is in de wijziging van de GWWD een extra tuchtmaatregel opgenomen inhoudende het onder verscherpte controle stellen van de betrokkenen op zijn kosten, voor ten hoogste twee jaren. Met dit instrumentarium worden de productschappen optimaal geoutilleerd om normconform gedrag af te dwingen.

De strafmaat in de WED voor overtreding van voorschriften die betrekking hebben op het voorkomen van besmettelijke dierziekten wordt verhoogd. Opzettelijke overtreding van deze voorschriften zal wordt aangemerkt als een misdrijf, waarop een gevangenisstraf van maximaal zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

Het illegaal gebruik van groeibevorderaars kan niet alleen schade toebrengen aan het welzijn van het dier, maar ook aan de volksgezondheid. Van de huidige strafmaat voor het toedienen van deze middelen, die in vergelijking met ons omringende landen laag is, gaat onvoldoende preventieve werking uit. Ook deze strafmaat zal daarom fors worden verhoogd. De hoogte van de strafmaat wordt afgestemd op de mate waarin belangen van de volksgezondheid door gebruik van illegale groeibevorderaars worden geschaad.

1.2 Financieel kader

De begroting van de uitgaven voor 2001 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2000 verhoogd met f 219 mln. De toename van de LNV-begroting wordt vooral veroorzaakt door de volgende mutaties.

Meerjarencijfers totaal uitgaven (x f 1 mln.)      
 200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 20003 9003 8183 8383 7303 8003 800
NBL 21 eeuw5050100100100100
EHS798886826568
Innovatiefonds40     
Biologische Landbouw1525201510 
Natte natuur / Landschapsbeheer1717    
Voedselveiligheid152020101010
Agenda 2000131818181818
Leerlingenstijging31818181822
Mestbeleid482– 40– 53– 14– 35 
Plattelandsontwikkelingsplan462818202024
Intrekking heffing DGF– 44– 116– 108– 106– 104– 104
Overige 1172111877968101
Stand Ontwerpbegroting 20014 7884 0374 0453 9533 9714 040

1 Dit is het saldo van de ramings-, loon- en prijsbijstelling, eindejaarsmarge, interdepartementale overboekingen en herschikkingen. Bovendien is voor het jaar 2000 extra geld beschikbaar gesteld (f 25 mln), t.b.v. betaling oude verplichtingen, voor landinrichting en verdroging.

In het kader van de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur wordt, voor de periode 2000 tot en met 2020, in totaal circa f 2,0 mld extra beschikbaar gesteld voor de aanleg van groene verbindingszones (robuuste verbindingen) tussen de natuur- en reservaatsgebieden uit de EHS en voor de verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied (kwaliteitsimpuls). Met deze bedragen kan reeds de helft van de ruimtelijke ambitie voor «robuuste verbindingen» (13 000 ha) en «kwaliteitsimpuls landschap» (200 000 ha) worden gefinancierd. Dit betekent een verdere versterking van de EHS en de identiteit en kwaliteit van het landschap. Voor de realisatie van de EHS, conform het afgesproken ambitieniveau, worden extra middelen beschikbaar gesteld ter compensatie van de stijging van de grondprijzen.

Ten behoeve van de bevordering van de biologische landbouw wordt, bovenop de reguliere middelen, in de periode 2000 tot en met 2004 een bedrag van totaal f 85 mln beschikbaar gesteld. In de beleidsnota Biologische Landbouw 2001 tot en met 2004 wordt aangegeven via welke maatregelen de overheid de groei van de biologische productie zal ondersteunen.

Innovatie is één van de drie strategische beleidspijlers uit de nota Voedsel en Groen. In Voedsel en Groen wordt de vorming van het Agro-Innovatiefonds aangekondigd: een fonds waarmee toekomstgerichte vernieuwende investeringen zullen worden gefinancierd. Het innovatiefonds wordt gevoed met publieke en particuliere middelen (50/50) en heeft deels het karakter van een «revolving fund». Om vanuit de overheid een snelle impuls te geven aan innovatie is, ten behoeve van het innovatiefonds, in 2000 eenmalig f 40 mln toegevoegd aan de LNV-begroting. Op dit moment wordt gewerkt aan een verdere uitwerking van het fonds.

De extra middelen voor de uitvoeringskosten van Agenda 2000 zijn nodig voor het ontwikkelen, beheren en onderhouden van de nieuwe inkomensregelingen. Daarnaast is in 2000 voor het eerst het instrument cross-compliance geïntroduceerd, waarbij producenten die inkomenstoeslagen ontvangen daarvoor een tegenprestatie op milieugebied moeten leveren. Dit verzwaart de uitvoering van regelingen voor inkomenstoeslagen, zowel administratief als controletechnisch. Door overheveling van budget uit EOGFL-Oriëntatie naar EOGFL-Garantie worden er voorts zwaardere beheerseisen vanuit de EU gesteld aan de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsplan (POP). Alleen erkende betaalorganen mogen in dit kader betalingen verrichten. Vanaf 2001 is f 18 mln per jaar aan de begroting toegevoegd voor de financiering van deze extra uitvoeringskosten.

Voor de periode 2000 tot en met 2005 is in totaal f 85 mln extra beschikbaar gesteld voor aanvullende maatregelen voor met name de verscherping van het toezicht op de diverse schakels in de productieketen. Het uitgangspunt voor de aanvullende maatregelen is de ketenbenadering en de analyse van de productieprocessen. De overheidscontrole richt zich dan ook vooral op de kritische plekken binnen de ketens en risicovolle producten.

Als uitvloeisel van het Regeerakkoord en om de uitvoering te versnellen is de begroting voor 2000 en 2001 verhoogd met f 17 mln voor de natte natuur en het landschapsbeheer. Deze verhoging komt bovenop de geldmiddelen die reeds bij het vorige Regeerakkoord aan de begroting van het ministerie van LNV tot en met het jaar 2010 zijn toegevoegd.

De verwachting is dat de instroom in het agrarisch Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (voorheen VBO) en vooral het Leerweg Ondersteunend Onderwijs (voorheen Individueel landbouwonderwijs) de komende jaren zal toenemen. De toename van het aantal leerlingen maakt het noodzakelijk de begroting voor de komende jaren structureel te verhogen met f 18 mln.

In het kader van de mestproblematiek is de begroting van LNV generaal verhoogd met f 332 mln in 2000. Binnen de reconstructiemiddelen op artikel 13.03 inrichting was reeds meerjarig f 150 mln voor het mestbeleid gereserveerd. Deze middelen komen via een kasschuif al in 2000 beschikbaar.

Vanaf 2000 wordt het POP opgenomen in de begroting voor wat betreft de uitgaven en ontvangsten van de rijksregelingen.

Met betrekking tot het Diergezondheidsfonds is met het bedrijfsleven overeenstemming bereikt over een nieuwe financieringsstructuur bij de bestrijding van dierziekten. Als gevolg hiervan komen de voorgenomen rijksheffingen met betrekking tot de bestrijding van dierziekten bij runderen, varkens, pluimvee en schapen te vervallen en wordt er een garantiesystematiek ingevoerd. Daarbij stelt het bedrijfsleven zich garant voor de financiering van besmettelijke dierziekten bij varkens voor f 500 mln, bij runderen voor f 500 mln, bij pluimvee voor f 25 mln en bij schapen en geiten voor f 5 mln.

Op 1 januari 2001 wordt de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 ingevoerd. Hierbij vindt een verschuiving plaats van belastingen op inkomen naar belastingen op consumptie en milieu. De IB-tarieven worden fors verlaagd, mede door de inzet van extra budgettaire middelen, ruim f 6 miljard. Ook voor de LNV-beleidsterreinen zal de invoering van het nieuwe IB-stelsel gevolgen hebben. Het ondernemerspakket, dat deel uitmaakt van het nieuwe IB-stelsel, is gericht op versterking van het ondernemerschap. De tweede tranche van dit pakket bevat voorstellen die het aanpassingsvermogen van ondernemingen aan veranderende omstandigheden bevorderen. Het betreft ondermeer verlaging van de kapitaalsbelasting, verruiming van de fiscale doorschuifregeling, van belang bij bedrijfsovername, invoering van de herinvesteringsreserve en intensivering van de investeringsaftrek. In dit pakket zijn verder faciliteiten opgenomen voor de herstructurering van land- en tuinbouw, waarmee een bedrag is gemoeid van structureel f 50 mln. Dit betreft ondermeer een doorschuifregeling voor de fiscale claim over stille reserves bij staking van de onderneming ingeval sprake is van overheidsingrijpen. Dit is met name van belang bij bedrijfsverplaatsing en bij overschakeling naar andere bedrijfsactiviteiten. Voor ondernemers die het bedrijf beëindigen, maar in de bedrijfswoning blijven wonen en belasting verschuldigd zijn over de meerwaarde van die woning wordt een betalingsregeling van 10 jaar ingevoerd, ingeval er liquiditeitsproblemen zijn.

De fiscale regeling Duurzame Ondernemingsaftrek (DOA) zal ook gaan gelden voor andere vormen van duurzame landbouw dan de biologische landbouw. Voorwaarde daarvoor is dat bedrijven in het bezit zijn van een certificaat in het kader van Stimulans Duurzame Landbouw (SDL). Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Geluk (TK 1999–2000, 26 800 XIV, nr. 41). Voor de toepassing van de DOA wordt voor de landbouw uitgegaan van één duurzaamheidsniveau. Om de duurzame landbouw nog een extra stimulans te geven wordt de DOA-aftrek van f 15 000 verhoogd tot f 22 500. Met deze verruimingen is structureel een bedrag gemoeid van f 100 mln, waarvan f 20 mln wordt gefinancierd uit de terugsluisvergroening. Hiernaast zal de milieu-investeringsaftrek (MIA) worden uitgebreid met diergezondheids- en dierenwelzijnsinvesteringen. In de MIA wordt verder een nieuwe schijf ingevoerd van 40% voor landbouwbedrijfsmiddelen die nu zijn opgenomen in de 30%-schijf van de MIA. Deze maatregel kost structureel f 10 mln. Met deze maatregelen wordt een forse impuls gegeven aan bedrijven die op duurzame wijze produceren. De voorstellen behoeven nog de instemming van de Europese Commissie.

In het kader van de derde tranche vergroening van het belastingstelsel zal ondermeer de ecotax en de grondwaterbelasting voor zelfonttrekkers verder worden verhoogd. De hieruit voortvloeiende lasten worden geheel teruggesluisd door middel van een verhoging van de zelfstandigenaftrek, een verruiming van de energie-investeringsaftrek en door verruimingen van de duurzame ondernemingsaftrek. Om het gebruik van WKK-installaties op peil te houden worden fiscale maatregelen getroffen, die ook mede voor de glastuinbouw van belang zijn.

De vrijstelling van overdrachtsbelasting voor grond ingeval van landbouwstructuurverbetering wordt verruimd. Dit is met name van belang voor grondgebonden bedrijven die in verband met extensivering van de productie het bedrijf willen uitbreiden. Dit leidt tot een jaarlijkse lastenvermindering van f 10 mln.

Voor groene beleggingen en durfkapitaal (voorheen tante Agaath) is in het nieuwe belastingstelsel, naast de vrijstelling van deze beleggingen in box 3, voorzien in een extra aftrek van 2,5% in box 1. Hierdoor zal de effectiviteit van deze regelingen op peil blijven. Dit is ondermeer van belang voor de biologische landbouw, natuurontwikkeling, groen labelkassen en de bedrijfsopvolging.

De ecotax-vermindering voor zogenoemde boscertificaten zal ingaan met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000. Door deze regeling kan voor de aanleg van nieuw bos, via het Nationaal Groenfonds, aan bosbouwers een extra bijdrage worden verstrekt van eenmalig f 10 000 per ha. Verder wordt een verruiming van de OZB-vrijstelling voor natuurterreinen in beheer van natuurlijke personen in voorbereiding genomen.

2. VERSTERKING VAN HET LANDELIJK GEBIED

2.1 Algemeen

De versterking van het landelijk gebied is gericht op kwaliteitsverbetering en het in onderlinge samenhang ontwikkelen van de verschillende functies in het landelijk gebied. In 2000 is en wordt een aantal beleidsnota's uitgebracht die richtinggevend zijn voor het LNV-beleid van de komende jaren. Dit zijn met name de nota's Natuur voor mensen, mensen voor natuur, Voedsel en Groen. Het in de nota Voedsel en Groen vastgelegde uitgangspunt is dat de grondgebonden landbouw een bijdrage moet leveren aan de kwaliteit van de gehele groene ruimte. Agrarische ondernemers zullen «landschappelijk verantwoord» moeten werken. Om de ruimtedruk, die vooral in de Randstad buitengewoon hoog is, te verminderen, moet de uitdaging worden aangegaan functies als wonen, werken, infrastructuur, water en groen met elkaar in combinatie te brengen. Het integrale ruimtelijke kader wordt neergelegd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening van VROM.

De ministers van LNV en VROM hebben de Tweede Kamer bij brief van 30 september 1999 (TK 1999/2000, 22 880, nr. 41) geïnformeerd over hun beslissing om het SGR te herzien en te komen tot een SGR2. In de PKB SGR2 zullen de ruimtelijke en instrumentele consequenties van onder meer de nota's Belvedere, Natuur voor mensen, mensen voor natuur en Voedsel en Groen worden aangegeven. De inzet is erop gericht dat het SGR2 mogelijkheden biedt om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen die de vitaliteit van het landelijk gebied ten goede komen. Essentieel daarbij is een offensieve, integrale strategie voor het landelijk gebied, met oog voor regionale differentiatie en het combineren van functies. Versterking van de kwaliteit en identiteit van het landschap weegt expliciet mee bij keuzes voor ruimtelijke ingrepen. Er dient daarbij sprake te zijn van een versterkte koppeling tussen doelen, middelen en instrumenten.

2.2 Groen in en om de stad

Investeren in de kwaliteit van de samenleving vraagt ook om investeren in hoogwaardig groen in de stedelijke omgeving, groen met een hoge belevingswaarde, gebruikswaarde en ecologische waarde. Hiermee wordt een verbetering van het woon- en werkklimaat, en daarmee van het vestigingsklimaat, beoogd en zullen de mogelijkheden voor recreatie dicht bij huis voor de stedelingen toenemen. Dit alles is sterk afhankelijk van de lokale en regionale behoefte. Gemeenten en provincies spelen daarbij dan ook een cruciale rol.

In het kader van het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) geeft het rijk samen met de betrokken provincies en gemeenten een impuls aan het groen in en om de stad. Dit betreft dan zowel kleinschalig groen op buurt- en wijkniveau als grootschalig groen in de zin van parken en groene verbindingen tussen de stad en het landelijk gebied. Hiertoe zijn door de betrokken steden en provincies streefbeelden en plannen opgesteld. Daarbij worden tevens de mogelijkheden verkend van financiering vanuit gemeenten, provincies en private partijen, en wordt nagegaan of vanuit het rijk aanvullende inspanningen nodig zijn.

In de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur worden in het kader van het programma «Stedelijk Natuurlijk» aanvullende taakstellingen geformuleerd bovenop hetgeen is overeengekomen in het kader van onder meer het SGR en de VINAC. Dit alles moet ertoe leiden dat in 2020 de kwaliteit van de leefomgeving in en om de stad aanzienlijk verbeterd is, door herinrichting van de stedelijke omgeving, het realiseren van hoogwaardig groen in combinatie met recreatie, het verbeteren van de samenhang tussen groengebieden en het vergroten van de bereikbaarheid van het groen. Concreet betekent dit dat continuering van het bestaand beleid in de periode tot 2020 circa 15 000 ha extra groen oplevert alsmede 450 kilometer groene verbindingen. Daarbij wordt bezien hoe met name de Randstadgroenstructuur kan worden versneld. De aanvullende taakstellingen leiden tot de realisering van nog eens 10 000 ha, door deze te koppelen aan de nieuwe bouwopgaven die voortvloeien uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Dat wil zeggen dat nieuwe investeringen in woningbouw en bedrijventerreinen gepaard gaan met nieuwe investeringen in natuur en landschap (rood-met-groen/blauw). Een adequate waarborg voor een samenhangende ontwikkeling van rood en groen, en de wijze waarop integrale planvorming, financiering en realisatie plaatsvinden, worden in het kader van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en de herziening van het SGR uitgewerkt.

2.3 Kwaliteit van de omgeving

Het landelijk gebied buiten de EHS en buiten de directe nabijheid van de stad verdient versterking van landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden. De nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur zet daarom in op een algemene kwaliteitsverhoging van het landelijk gebied door een meer offensieve landschapsaanpak bij ruimtelijke inrichtingsopgaven èn door investering in landschappelijke verbetering en duurzaam beheer van waardevolle cultuurlandschappen (de kwaliteitsimpuls landschap). Door gericht te investeren in zo'n 40 000 ha kenmerkende landschapselementen wordt de kwaliteit van ongeveer 400 000 ha verbeterd. Voor een eerste tranche van deze investeringen zijn middelen beschikbaar gesteld, waarmee circa de helft van deze ambitie kan worden gefinancierd. In overleg met de provincies worden voor de inzet van middelen regelingen opgesteld.

Aanvullend op de EHS vragen (inter)nationaal waardevolle cultuurhistorische gebieden ruimtelijke bescherming. In de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt aangegeven welke Belvedere-gebieden PKB-bescherming behoeven. Dit geldt in ieder geval voor de gebieden die op de Werelderfgoedlijst staan. De middelen voor de uitvoering van de Nota Belvedere worden in 2001 beschikbaar gesteld via een subsidieregeling voor gebiedsgerichte en thematische projecten, gericht op versterking van de cultuurhistorische aspecten bij ruimtelijke plannen. Concreet geeft LNV, samen met betrokken gemeenten en provincies, al uitvoering aan het rijksproject Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met het Groenfonds en het Restauratiefonds wordt de mogelijkheid uitgewerkt van revolverende fondsen voor de financiering van projecten die gericht zijn op de Belvedere-doelen. In 2002 zal de aanpak van Belvedere geëvalueerd worden.

2.4 Gebiedsgericht maatwerk

Het beleid voor het landelijk gebied biedt ruimte voor regionale differentiatie en gebiedsgericht maatwerk. Onder andere met het reconstructiebeleid wordt hieraan invulling gegeven. De provinciale besturen zijn gestart met de zogenaamde pilots in de reconstructiegebieden. Naast de resultaten van de pilots, zullen ook de beëindigingsregeling veehouderijtakken en de «ruimte-voor-ruimte» aanpak worden meegenomen bij het opstellen van de reconstructieplannen. De reconstructie kan zodoende optimaal inspelen op de reeds in gang gezette en te verwachten dynamiek in het landelijk gebied. De reconstructieplannen zullen worden uitgevoerd op basis van de Reconstructiewet, waarvan de parlementaire behandeling wordt afgerond. Er ligt een belangrijke relatie met de uitvoering van het nitraatbeleid en de herstructurering van de melkveehouderij, waarvoor de commissie Koopmans voorstellen zal ontwikkelen.

Om de integrale en gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied op basis van maatwerk en snelheid te bevorderen, wordt verder uitvoering gegeven aan de herijking van de Landinrichtingswet. Bovendien wordt een aantal bestaande regelingen op het gebied van milieu (BGM), landschap (WCL) en verdroging (GeBeVe) gebundeld in de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Bezien zal worden of op termijn nog andere gebiedsgerichte regelingen een plaats zullen krijgen in de SGB.

2.5 Recreatie

In vervolg op het verkennings- en discussietraject dat eind jaren negentig heeft plaatsgevonden, zal de Tweede Kamer een Beleidsbrief Recreatie ontvangen. Hierin wordt aangegeven welke beleidsinzet de komende jaren nodig is om adequaat in te spelen op de maatschappelijke behoefte om te recreëren in het landelijk gebied in 2020.

2.6 Duurzaam waterbeheer

Bij de inrichting van gebieden, de realisatie van natuur- en landschapsdoelen en de agrarische bedrijfsvoering speelt water een steeds belangrijker rol. Daarbij geldt het motto van het World Water Forum (maart 2000): er kan te veel, te weinig en te vies water zijn.

De Commissie Waterbeheer 21ste Eeuw heeft onlangs haar rapport uitgebracht. In 2001 staan de kabinetsreactie op dit advies en de EU-Kaderrichtlijn Water centraal in de verdere invulling van het waterbeleid. De ruimtelijke implicaties worden vastgelegd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening.

Waterconservering en waterberging kunnen op regionale schaal uitstekend samengaan met de ontwikkeling van toegankelijke natte natuur. Voor de agrarische sector zijn twee elementen van belang. Waterproductie kan een inkomstenbron vormen voor de landbouw en een ander waterbeheer kan zorgen voor duurzame beschikbaarheid van voldoende en kwalitatief goed water. LNV zal in samenwerking met andere departementen, andere overheden (waaronder uiteraard de waterschappen) en maatschappelijke organisaties, de bestaande instrumenten inzetten om deze verandering te begeleiden. Tevens zal het door LNV gefinancierd onderzoek meer gericht worden op duurzaam waterbeheer in relatie tot de voedselproductie, zoals toegezegd tijdens de Ministeriële Conferentie bij het Wereld Water Forum.

In de Milieubalans 2000 en de rapportage door de provincies (Verdrogingskaart 2000) wordt geconstateerd, dat het tempo van de verdrogingsbestrijding achterblijft bij de doelstelling. Wel zijn er veel projecten in voorbereiding. De inspanning voor de verdrogingsbestrijding zal daarom ook op het beoogde peil moeten blijven. De regeling voor gebiedsgerichte bestrijding van de verdroging (GeBeVe) wordt naar verwachting op 1-1-2001 geïntegreerd in de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB). Daardoor kunnen de maatregelen beter op basis van de watersysteembenadering worden toegepast en beter worden afgestemd met andere functies in het landelijk gebied. De beschikbare middelen voor verdrogingsbestrijding worden in het budget voor deze regeling opgenomen.

In 2001 zal elke provincie in het kader van het Provinciale Waterhuishoudingsplan het Gewenste Grond- en OppervlaktewaterRegime (GGOR) moeten vaststellen. Dit GGOR zal tevens maatgevend zijn voor de watercondities die horen bij de door de provincie vastgestelde streefdoelen voor de natuur. In de toekomst zouden de operationele doelen ten aanzien van de verdrogingsbestrijding gekoppeld moeten kunnen worden aan de GGOR. Hoe aan deze relatie vorm kan worden gegeven, wordt nog in overleg tussen provincies, waterschappen en rijk nader bepaald.

2.7 EU-programma Landelijk gebied

Samen met de provincies is in 2000 besloten tot het opstellen van het EU-programma Landelijk Gebied. Hiermee zal invulling worden gegeven aan de diverse programma's waarvoor de EU middelen beschikbaar stelt (Plattelandsontwikkelingsplan (POP) Nederland, Doelstelling 2/Reconstructie en LEADER+).

Plattelandsontwikkelingsplan (POP) Nederland

Het POP geeft de ambitie aan van Nederland voor de ontwikkeling van het platteland voor de periode 2000–2006. De strategie van het plan is gebaseerd op twee uitgangspunten: herstructurering naar een duurzame landbouw enerzijds en verhoging van de kwaliteit van het platteland anderzijds. Het plan heeft betrekking op geheel Nederland, waarbij aandacht wordt besteed aan de bijzondere regionale situaties. De afspraken tussen rijk en provincie worden vastgelegd in een bestuursovereenkomst op hoofdlijnen en provinciale uitvoeringsprogramma's. Het rijk is eindverantwoordelijk voor uitvoering van het POP. Het jaar 2001 is het tweede uitvoeringsjaar. Met het plan wordt Europese co-financiering verkregen van gemiddeld f 124 mln per jaar. Rijk en provincies zullen naar verwachting gemiddeld f 140 mln respectievelijk f 62 mln per jaar bijdragen.

Rurale Enkelvoudige Programmeringsdocumenten (EPD's)

De middelen die in het kader van de Doelstelling 2/Reconstructie vanuit de Structuurfondsen door de EU beschikbaar worden gesteld, f 372 mln voor de periode 2000–2006, dienen via EPD's geprogrammeerd te worden. Rijk en provincies zorgen gezamenlijk voor de nationale financiering van de EDP's. Het kabinet beoogt hiermee onder meer een impuls te geven aan de noodzakelijke reconstructie van delen van Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg om hier ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen te stimuleren. De provincies hebben de regie bij de uitvoering van de plannen.

LEADER+

Het communautair initiatief LEADER+ richt zich op plattelandsontwikkeling en heeft als belangrijkste doel het stimuleren en integreren van lokale initiatieven voor de ontwikkeling van het platteland. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen steun voor gebiedsgebonden, geïntegreerde en experimentele strategieën voor plattelandsontwikkeling, steun voor samenwerkingsverbanden tussen gebieden en op transnationaal niveau en de vorming van een netwerk voor plattelandsgebieden binnen de Gemeenschap. In totaal is in de periode 2000–2006 ongeveer f 172 mln beschikbaar aan Europese middelen. Per landsdeel (Noord, West, Oost en Zuid) wordt een programmeringsdocument opgesteld. De provincies hebben hierbij het initiatief en zullen ook zorgdragen voor de financiering van het nationale deel.

3. EHS EN INTERNATIONAAL NATUURBELEID

3.1 Algemeen

In de kabinetsnota Natuur voor mensen, mensen voor natuur is aangegeven dat de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), het samenhangend stelsel van natuur- en bosgebieden voor de veiligstelling van ecosystemen en soorten, kern van het natuurbeleid is en blijft. Met de EHS wordt mede invulling gegeven aan de internationale verplichtingen zoals het Biodiversiteitsverdrag en Europese richtlijnen. De EHS is onderdeel van het te ontwikkelen Pan-Europees ecologisch netwerk (Natura 2000).

Eind 1998 zijn aan de Tweede Kamer voor de periode 1999 tot en met 2002 de na te streven tussendoelen voor de realisatie EHS gemeld. Voor het eind van 2001 zijn vrijwel alle nadere begrenzingen, met name van bestaande bos- en natuurgebieden, door de provincies afgerond en is de kwaliteitsverdeling aan de hand van natuurdoeltypenkaarten in bestuurlijke afspraken tussen LNV en de provincies vastgesteld. Deze afspraken worden ruimtelijk verankerd in het SGR2, conform de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur. In 1999 is ongeveer 5500 ha verworven. Het voornemen is om tot 2018 jaarlijks gemiddeld 6500 ha EHS-gronden te realiseren door verwerving, inrichting en overdracht aan de eindbeheerders of door particulier natuurbeheer.

Voor de realisatie van de taakstelling zijn het aanbod van grond en de sterk gestegen grondprijzen van belang. Voor de prijscompensatie grondverwerving is gemiddeld circa f 80 mln per jaar extra beschikbaar gesteld.

3.2 Versterking van de EHS

Om de kwaliteit van de EHS te versterken wordt in de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur extra ingezet op verbeteren, verbinden en vergroten. Zo wordt onder meer de ruimtelijke samenhang binnen de EHS vergroot en tegelijkertijd geïnvesteerd in grotere eenheden natuur door de realisatie van zeven robuuste verbindingen tussen grote natuurterreinen. Bovendien krijgen natte onderdelen een zwaarder accent. Op korte termijn wordt gewerkt aan een natte as «Van Biesbosch tot Lauwersmeer» en aan een verbinding tussen de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug (met elkaar, met rivieren en met de Oostvaardersplassen). Voor de robuuste verbindingen komen in het kader van Natuur voor mensen, mensen voor natuur extra middelen beschikbaar, zodat een begin gemaakt kan worden met de realisatie van de ongeveer 27 000 ha verbindingen. Met de thans beschikbaar gestelde bedragen kan reeds de helft van de ambitie voor robuuste verbindingen (13 000 ha) worden gefinancierd. Voor de belangrijkste van de ongeveer 20 grote eenheden zal gezamenlijk met betrokken overheden en beheerders worden onderzocht op welke wijze het kwalitatieve functioneren kan worden geoptimaliseerd. Dit onderzoek wordt in 2002 afgerond. Op basis daarvan zal besluitvorming over te nemen maatregelen plaatsvinden. Ook de kwaliteitsimpuls landschap (zie paragraaf 2.3) draagt bij aan een beter functioneren van de EHS.

3.3 Natte natuur

Karakteristiek voor Nederland zijn de vele waterrijke gebieden, die vaak ook van internationale betekenis zijn. Natuur voor mensen, mensen voor natuur zet dan ook versterkt in op natte natuur, waarmee een wezenlijke bijdrage aan de (inter)nationale biodiversiteit wordt geleverd. Hier kan worden voortgeborduurd op de succesvolle aanpak uit het rivierengebied: optimaal benutten van kansen voor het samengaan van natuur, waterbeheer, veiligheid en duurzaam gebruik.

De ontwikkeling van natte natuur in en langs de rijkswateren gebeurt in nauwe samenwerking tussen LNV en V&W. In het Regeerakkoord zijn voor de periode 1999–2010 extra middelen beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van natte natuur (f 756 mln). In 2000 werd voor de programmering van deze middelen de Samenwerkingsafspraak «Veiligheid en Natte Natuur» door LNV en V&W getekend.

In de Zuid-Hollandse Delta en het IJsselmeergebied zal tot 2010 ongeveer 6000 ha grootschalige, natte natuur worden ontwikkeld met de mogelijkheid voor recreatief medegebruik. In Noord-Nederland vindt zowel beekherstel plaats als herstel van zo'n 500 ha natte natuur in het Friese meren/laagveengebied. Het ecologisch herstel van rijkswateren krijgt een stimulans door onder meer natuurvriendelijke oevers, vistrappen en een doorlaatvoorziening voor het Veerse Meer. In de periode 2001–2002 is voor onderstaande voornemens een bedrag van f 70 mln gereserveerd.

In samenhang hiermee zijn afspraken gemaakt voor extra natuurontwikkeling bij de besteding van de f 1,2 mld ICES-veiligheidsmiddelen voor het rivierengebied: tot 2015 zal 3000–4000 ha nieuwe natte natuur worden ontwikkeld langs de Rijntakken en de Maas, aanvullend op de EHS en de NURG-afspraken.

3.4 Programma Beheer

In 2001 worden de nieuwe subsidieregelingen voor het beheer van natuur, bos en landschap voor het tweede jaar uitgevoerd. Daarmee is de overgang van de oude naar de nieuwe regelingen afgerond, waardoor agrarisch en particulier beheer in het natuurbeleid een vaste plek hebben verworven.

Het stelsel kent twee regelingen: de Subsidieregeling Natuurbeheer, voor gebieden met de hoofdfunctie natuur of bos, en de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, voor gebieden met de hoofdfunctie landbouw. Beide regelingen kunnen zowel binnen als buiten de EHS worden ingezet voor het realiseren van natuur- en landschapsdoelen.

Op grond hiervan kan in de loop van 2001 een oppervlakte van 10 000 ha, waarvan 5000 ha binnen het Groene Hart, gericht op weidevogelbeheer voor subsidie in aanmerking komen. Daarnaast kan voor een areaal van 20 000 ha een beheerspakket voor ganzenbeheer worden afgesloten. Verwacht wordt dat dit in 2001 voor meer dan de helft van deze oppervlakte het geval zal zijn. De belangstelling voor het onderdeel «agrarisch natuurbeheer» is zeer groot.

3.5 Grondbeleid

Het grondbeleid is weer sterk in de politieke en maatschappelijke belangstelling komen te staan. De sterke grondprijsstijging van de afgelopen jaren en de lage grondmobiliteit vormen belemmeringen voor (tijdige) realisatie van het SGR/EHS-beleid. Compensatie van de prijsstijging heeft plaatsgevonden tot het niveau van 31 december 1999; ook is op behoedzame wijze rekening gehouden met een zekere prijsstijging in de komende jaren. Afgesproken is dat de prijsontwikkeling jaarlijks opnieuw zal worden bezien.

In het kader van een thans lopend Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Grondbeleid worden vanuit het overheidsperspectief de problemen op de grondmarkt geanalyseerd en beleidsvarianten ontwikkeld. Aandachtspunten daarbij zijn onder andere de verdeling van kosten en baten van overheidsinvesteringen en van bestemmingswijzigingen. Verwacht wordt dat eind 2000 het kabinetsstandpunt Grondbeleid wordt uitgebracht. Voor LNV zijn in dit kader vooral van belang de problematiek rondom de realisering van de EHS en de robuuste verbindingen, alsmede een meer samenhangende realisatie en financiering van groene en rode functies.

3.6 Implementatie Habitat- en Vogelrichtlijn

Dit jaar zijn 49 gebieden aangewezen als speciale beschermingszones in het kader van de Vogelrichtlijn. Gedurende het proces van de aanwijzing hebben nieuwe telgegevens geleid tot gewijzigd inzicht in de begrenzingen. In het najaar van 2000 wordt daarom een vervolgprocedure voor een uitbreiding van vijf bestaande gebieden en de aanwijzing van een geheel nieuw gebied gestart. Deze vervolgprocedure wordt naar verwachting in 2001 afgerond.

Voor de Habitatrichtlijn is het kabinet in afwachting van de lijst van gebieden van communautair belang. Deze wordt opgesteld door de Europese Commissie op basis van de aangemelde gebieden door de verschillende lidstaten. Zodra deze lijst van gebieden van communautair belang is vastgesteld, worden deze gebieden aangewezen als speciale beschermingszones op basis van artikel 27 van de Natuurbeschermingswet.

De implementatie van de rechtsgevolgen van de Vogel- en Habitatrichtlijn zal in 2001 verankerd worden in nationale wetgeving (art. 6 Habitatrichtlijn). Om de toestand in de speciale beschermingszones te kunnen monitoren en evalueren volgens de eisen van de EU-richtlijnen, wordt de gegevensvoorziening aangepast.

3.7 Natuurbeleid Noordzee en Waddenzee

Noordzee

De Noordzee is het grootste kerngebied van de EHS (7 miljoen ha). Het is echter ook een multifunctioneel gebied, zodat een goede afstemming van gebruiksfuncties op de ecologische en landschappelijke waarden essentieel is. Om deze afstemming te verbeteren zijn in 2000 richtinggevende ecosysteemdoelen voor de Noordzee beschreven. Eén van de elementen in het project Ecosysteemdoelen Noordzee is de relatie tussen natuur en visserij. Overleg met andere departementen en gebruikers van de Noordzee over de mate waarin en de manier waarop doelen bereikt moeten worden, zal eind 2000 plaatsvinden. In de eerste helft van 2001 verschijnt een plan van aanpak en zal het beleidsvoornemen voor duurzaam gebruik van de Noordzee naar de Tweede Kamer worden gezonden.

Waddenzee

De regering beschouwt de Waddenzee als een samenhangend natuurgebied van groot internationaal belang. In samenwerking met Duitsland en Denemarken is de afgelopen jaren met het opstellen van de gemeenschappelijke beginselen en ecologische doelen belangrijke voortgang geboekt. In het najaar van 2001 zal de negende Trilaterale Regeringsconferentie te Jutland in Denemarken worden gehouden. Alle landen houden vast aan en zetten in op doorwerking van de tot nu toe gemaakte afspraken in de Verklaring van Stade (de laatst gehouden Regeringsconferentie) en het Trilaterale Waddenzee Plan. Inzet op doorwerking houdt in dat andere overheden, de lokale bevolking en belangengroepen sterker bij de internationale samenwerking worden betrokken. Daartoe worden momenteel, bij het begin van het agendavormingsproces, meerdere consultaties gehouden. Uit de consultaties is onder andere naar voren gekomen dat het accent moet worden gelegd op doorwerking en bredere verankering van bestaande afspraken en dat meer aandacht nodig is voor calamiteitenbestrijding, watervervuiling en historisch medegebruik op de eilanden. Ook blijkt uit de consultaties dat een krachtiger beleid gewenst is ten aanzien van vuil dat op zee overboord wordt gezet. Andere overheden, bevolking en gebruikers zullen ook in het verdere traject betrokken worden.

Binnenkort zal deel 1 van de herziene PKB Waddenzee door het kabinet worden uitgebracht, waarbij mede wordt ingespeeld en voortgebouwd op de lijnen die de internationale samenwerking heeft voortgebracht.

3.8 Biodiversiteit

Nederland wil een geloofwaardige en gezaghebbende bijdrage leveren aan het internationale natuurbeleid. Eén van de hoofdpijlers daarvan is het Verdrag inzake Biodiversiteit. Het Nederlandse beleid voor biodiversiteit is integraal onderdeel van de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur.

Voor de bescherming van (ernstig) bedreigde diersoorten zullen in 2001 vijf nieuwe soortenbeschermingsplannen worden opgesteld, conform de Meerjarenafspraak Soortenbeleid uit 2000 tussen LNV, provincies en soortenbeschermingsorganisaties.

In de EU blijft Nederland aandringen op uitvoering van de EU-Biodiversiteitstrategie en bijbehorende actieplannen (onder andere voor landbouw, visserij en internationale samenwerking) en op het beschikbaar stellen van voldoende middelen, door prioritering binnen de beschikbare budgetten, voor de ondersteuning van programma's van nieuw toetredende landen voor het behoud en beheer van biodiversiteit.

Nederland zal in het voorjaar van 2002 de zesde Conferentie van Partijen van het Biodiversiteitsverdrag organiseren.

Eind 2000 publiceert het kabinet op basis van de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur en het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) een uitgebreide programmering van het Nederlandse internationale beleid voor biodiversiteit. Dit is tevens het vervolg op het Programma Internationaal Natuurbeheer (PIN) 1996–2000. Daarnaast zal in 2001 in een aparte notitie worden aangeven op welke wijze het beleid voor ontwikkelingssamenwerking een verdere bijdrage kan leveren aan het behoud van biodiversiteit.

3.9 Internationaal natuurbeleid

Nederland zet in Europees verband in op de verdere ontwikkeling van een Pan-Europees ecologisch netwerk en voor een stevig natuur- en biodiversiteitsbeleid. Ook waar het gaat om de integratie van natuur en biodiversiteit in het sectorale beleid en het plattelandsbeleid. Bijzondere aandacht krijgt de integratie van biodiversiteit in sectorale programma's, zowel in het Nederlandse beleid (bijvoorbeeld voor ontwikkelingssamenwerking) als in het beleid van internationale organisaties als de FAO en WTO.

Ook zal Nederland de samenwerking versterken tussen instanties op het terrein van de biodiversiteit en bossen. Aandachtspunt is het vergroten van het areaal als natuurgebied te beschermen bos. De afgelopen jaren heeft Nederland zich mondiaal ingezet voor de ontwikkeling van een juridisch bindend instrument voor bossen. Deze discussie heeft in VN-kader nog niet tot resultaat geleid. In de laatste zitting van het International Forum on Forests (IFF) in april 2000 is besloten te komen tot een United Nations Forum on Forests (UNFF). Binnen UNFF zal de discussie over een juridisch bindend instrument worden voortgezet. Over de institutionele ophanging van het toekomstige UNFF is nog geen besluit genomen. Nederland is voorstander van een ophanging van het UNFF in de buurt van de VN-Commssie voor Duurzame Ontwikkeling, omdat daarmee het integrale karakter van de behartiging van aangelegenheden van «sustainable forest management» het best tot zijn recht komt.

Aangezien de discussie rond een «Bossenverdrag» nog niet tot resultaat heeft geleid, legt Nederland de nadruk op de uitvoering van bestaande afspraken over bosbeheer. Dit betreft de overeengekomen principes voor duurzaam bosbeheer in het kader van het Intergovernmental Panel on Forests (IPF) en bovengenoemde IFF met de bijbehorende actievoorstellen, het bossenwerkprogramma van het biodiversiteitsverdrag en de EU-Bossenstrategie.

4. ECONOMISCH PERSPECTIEF AGROKETENS

4.1 Concurrentiekracht

Maatschappelijke acceptatie van producten en productiewijze is een voorwaarde voor de economische duurzaamheid van de agroketens. De economische kracht wordt in belangrijke mate bepaald door de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse agrocomplex. Dit is het belangrijkste thema van de nota Voedsel en Groen. In deze nota geeft het kabinet aan dat de agroketens vanuit een sterke uitgangspositie de komende jaren belangrijke uitdagingen tegemoet kunnen treden:

• Versterken van de maatschappelijke binding door maatschappelijke waarden te creëren en te respecteren;

• Bruggen slaan naar andere sectoren en technologieën om in de belangrijke innovatieve ontwikkelingen mee te kunnen gaan;

• Inspelen op de vergroting en verdieping van het Europese speelveld als uitvalsbasis voor sterk ondernemerschap.

De overheid zal het agrocomplex in zijn streven naar marktoriëntatie stimuleren en waar mogelijk ondersteunen om op de veranderingen in de omgeving en op nieuwe marktbehoeften te anticiperen. In Voedsel en Groen is aangegeven welke nieuwe beleidsimpulsen het kabinet wat dit betreft voor ogen staan. Een van de initiatieven is de vorming van een Agro-Innovatiefonds van private en publieke middelen. Als onderdeel van het LNV-innovatiebeleid zal dit fonds een bijdrage leveren aan de vernieuwingen waaraan het agrocomplex gestalte moet gaan geven. Een deel van het LNV-stimuleringskader wordt in dit verband vervangen door het Agro-Innovatiefonds, dat het karakter krijgt van een revolving fund. Daarnaast draagt de overheid bij aan het concurrentievermogen van het Nederlandse agrofoodcomplex door onder meer het fiscaal beleid in algemene zin, een voorwaardenscheppend ruimtelijk ordeningsbeleid en de versterking van een hoogwaardige kennis- en logistieke infrastructuur. Het agrobedrijfsleven wordt met verschillende instrumenten aangespoord de ambities ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen op te schroeven.

In 2000 is een evaluatie uitgevoerd van de instrumenten die ten behoeve van het exporterende agrobedrijfsleven worden ingezet. In de door externen uitgevoerde benchmark worden de inspanningen van de Nederlandse landbouwposten in het buitenland, op het gebied van handels- en investeringsbevordering, vergeleken met die van concurrerende landen. De resultaten van de studie worden meegenomen in de beleidsontwikkeling en instrumentatie voor de exportbevordering.

4.2 Herstructurering primaire sectoren

Regeling Beëindiging Veehouderijtakken

De omslag naar een maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de veehouderijsectoren, waarbij waarden als dierenwelzijn, dierethiek en milieubescherming leidend zijn, is volop gaande. Door de herstructurering van de veehouderijsector wordt de uitgangspositie om te kunnen voldoen aan de wensen en eisen van de toekomst versterkt. Om in 2003 te kunnen voldoen aan de milieudoelstelling (Nitraatrichtlijn) zal vermindering plaatsvinden van de omvang van de veestapel. Dit zal worden geflankeerd door sociale maatregelen waaronder het Sociaal Economisch Plan (SEP) voor de veehouderij. Het SEP voor de veehouderij loopt van 2000 tot 2003. In totaal is voor flankerende maatregelen f 56 mln beschikbaar. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat in 2001 enkele duizenden veehouders gebruik maken van de mogelijkheden die het SEP biedt. Door de opzet van het SEP met regionale aanspreekpunten, regionale voorlichtingsbijeenkomsten en regionale klankbordgroepen is geprobeerd een laagdrempelige voorziening te realiseren.

In het kader van het flankerend beleid is in 2000 de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV) opengesteld. In de eerste tranche zijn ruim 3500 aanvragen ontvangen. In totaal is circa 7,5 miljoen kg fosfaat, van de ten doel gestelde 21,5 miljoen kg, aangeboden. In 2001 zal openstelling van de tweede tranche plaatsvinden. De ervaring met de RBV in 2000 leert dat de varkenshouderijsector het grootste aandeel levert in de reductie van het mestoverschot.

Melkveehouderij

In de concentratiegebieden en de gebieden met droge zandgronden is er de noodzaak om milieudruk veroorzaakt door de melkveehouderij sterk te verminderen. LNV en VROM hebben een commissie van deskundigen gevraagd voorstellen te doen voor stimulerende maatregelen gericht op bevordering van structurele grondgebondenheid van de intensieve melkveehouderij in deze gebieden. Op basis van de adviezen van deze commissie zullen in 2001 beleidsmaatregelen worden getroffen. Hiervoor is in de periode tot 2010 f 450 mln gulden beschikbaar.

Varkenshouderij

Het perspectief voor de varkenshouderij ligt in een kleinere, maar duurzame sector. Hiertoe is in 1998 onder meer het systeem van varkensrechten geïntroduceerd. De afwikkeling van de terugmelding van de bij Bureau Heffingen geregistreerde hoeveelheid varkensrechten per bedrijf, die als gevolg van rechterlijke uitspraken ernstig is vertraagd, zal naar verwachting voor een groot deel van de bedrijven vóór eind september 2000 plaatsvinden. Voor die bedrijven die een beroep doen op het gewijzigde Besluit Hardheidsgevallen en op de gewijzigde Regeling voor Voorloperbedrijven zullen de terugmeldingen eind 2000 zijn afgerond.

Betrouwbaarheid van het product en maatschappelijke waardering voor de productiewijze zijn voor de toekomst van de sector van groot belang. Certificering is een belangrijk instrument om de betrouwbaarheid van het product aan te geven en te waarborgen dat het productieproces voldoet aan de hoge eisen die daaraan door de consument worden gesteld. De kennis en ervaring die zijn opgedaan in de door LNV gesteunde experimenten van groepen varkenshouders in samenwerking met maatschappelijke organisaties, kunnen naar verwachting in 2001 en volgende jaren worden toegepast in algemeen toegankelijke certificeringssystemen.

Een voorwaarde voor maatschappelijke waardering voor de intensieve veehouderij in het algemeen en de varkenshouderij in het bijzonder is een goede landschappelijke inpassing van deze sector. Het reconstructieproces moet in dit opzicht de nodige dynamiek brengen in de gebieden met veel intensieve veehouderij.

Pluimveehouderij

Ook de pluimveehouderij zal de komende jaren een omslag moeten maken op het gebied van milieu en dierenwelzijn. Eind 1999 heeft het pluimveebedrijfsleven samen met maatschappelijke organisaties in de Stuurgroep heroriëntatie pluimveehouderij een visie op de toekomst van de pluimveehouderij opgesteld. In deze visie, die in de jaren 2000–2001 nader wordt uitgewerkt, zijn voorstellen opgenomen om in het komend decennium knelpunten van de pluimveesector op het gebied van milieu en dierenwelzijn op te lossen. De in de visie neergelegde voorstellen sluiten voor een belangrijk deel aan bij de nationale en internationale beleidsmaatregelen die de komende jaren op het gebied van milieu en dierenwelzijn binnen de pluimveesector zullen worden getroffen.

In 2001 zal naar verwachting een wijziging van de Meststoffenwet in werking treden die strekt tot invoering van een stelsel van pluimveerechten. Hoofddoel van deze wetswijziging is de omvang van de pluimveestapel te bevriezen. De sector zal zich bovendien moeten voorbereiden op de maatregelen die binnen het integrale kader van het nieuwe mestbeleid worden getroffen. Door deze ontwikkelingen zal een situatie ontstaan waarin vrijwel iedere ondernemer de komende jaren toekomstbeslissingen moet nemen of heroverwegen. De inzet van het beleid is om bedrijven die doorgaan in dit veranderingsproces een betekenisvolle stap voorwaarts te laten zetten, zodat toekomstige maatschappelijke knelpunten tot een minimum beperkt worden.

Glastuinbouw

Mede op aangeven van de Tweede Kamer is de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG) in 2000 opnieuw opengesteld. Op basis van een evaluatie is de regeling aangescherpt. Een meer wezenlijke aanpassing van de RSG is voorzien in 2001, waarbij de regeling zal worden gericht op individuele bedrijven of groepen van bedrijven in bestaande gebieden die een bijdrage leveren aan de herstructurering.

Het in januari 2000 met de sector overeengekomen Bestuurlijk Afsprakenkader begint zijn vruchten af te werpen. Begonnen als initiatief vanuit het rijk en de sector geniet de gewenste ruimtelijke ontwikkelingslijn van projectvestigingslocaties toenemend draagvlak bij andere overheden, individuele tuinders en projectinitiatieven. Met de openstelling van de nieuwe Stimuleringsregeling inrichting duurzame glastuinbouwgebieden (Stidug) worden projectvestigingen gestimuleerd. Naar verwachting zal uiterlijk begin 2001 de toewijzing naar aanleiding van de eerste Stidug-openstelling plaatsvinden.

Binnenkort zal op initiatief van LTO en met betrokkenheid van LNV een stallingsbedrijf worden opgericht. Dit bedrijf heeft als taak glastuinbouwgronden met een blijvende glastuinbouwfunctie tijdelijk in voorraad te nemen. Het draagt daarmee bij aan de voortgang van het herstructureringsproces. Via BBL wordt hiervoor f 10 mln beschikbaar gesteld.

In 2000 heeft een vervroegde evaluatie van het Convenant glastuinbouw en milieu (Glami) plaatsgevonden. Het advies van de Stuurgroep om de doelstellingen van het convenant niet aan te passen, is overgenomen. De Stuurgroep zal alle bij het convenant betrokken partijen vragen extra inspanningen te leveren. De in het convenant opgenomen doelstellingen worden vastgelegd in een nieuwe AMvB Glastuinbouw die thans wordt voorbereid en die in 2001 van kracht zal worden.

De Europese Commissie heeft in mei besloten geen bezwaar te maken tegen het aangemelde initiatiefwetsvoorstel inzake vrijstelling onroerende-zaakbelastingen voor substraatteelt, omdat er geen sprake is van staatssteun. Nu de Europese Commissie positief heeft geoordeeld zijn er geen belemmeringen om te bevorderen dat het wetsvoorstel tot wet wordt verheven. De indieners van het wetsvoorstel Vrijstelling OZB voor substraat hebben bij de Tweede Kamer nog een voorstel (TK 1999–2000, 27 215, nr. 2) ingediend om de voorziene wet terug te laten werken tot 1 januari 2000.

4.3 Structuur visserijsector

Op dit moment is een discussie gaande met de Europese Commissie over de toegestane omvang van de vloot in het kader van het Vierde Meerjarige Oriëntatieprogramma (MOP IV) en de resultaten van MOP III. De ontwikkeling van een mogelijke verdere uitbouw van het Biesheuvelsysteem zal na afronding van deze discussie worden voortgezet. De discussie is mede richtinggevend voor structuurmaatregelen in de Nederlandse visserijsector, die genomen kunnen worden met behulp van een Europese bijdrage van maximaal f 68 mln voor de periode 2000 – 2006. Deze gelden komen uit het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) en kunnen met name worden ingezet voor maatregelen die zijn gericht op herstructurering van de vloot. Inzet van de FIOV-gelden in vlootgerichte maatregelen is in de Nederlandse situatie echter alleen mogelijk in de vorm van afbouw van de vloot door middel van sanering. Uitgangspunt daarbij is dat de structuurmaatregelen voor de hele Nederlandse vloot moeten gelden.

4.4 Pacht

De regering heeft op basis van de evaluatie van het pachtbeleid en voorstellen voor een nieuw pachtregime door de Commissie Pachtbeleid geconcludeerd dat modernisering van het pachtbeleid wenselijk en nodig is. In het kabinetsstandpunt worden de contouren van het nieuwe pachtbeleid geschetst.

4.5 Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

Cross-compliance

Mede op initiatief van Nederland is in Agenda 2000 de verplichting opgenomen om passende milieuvoorwaarden te verbinden aan rechtstreekse betalingen (cross-compliance). Dit jaar is een begin gemaakt met de nationale invulling van cross-compliance bij de teelt van snijmaïs en zetmeelaardappelen. In 2001 wordt een uitbreiding naar andere teelten en producten beoogd. Bij de verdere implementatie zullen de resultaten van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek naar beleidsvarianten voor cross-compliance worden betrokken.

Modulatie

Binnen de afspraken van Agenda 2000 is de mogelijkheid opgenomen om op basis van een drietal criteria de directe inkomenssteun te korten met maximaal 20%. De dan beschikbare gelden mogen toegevoegd worden aan het EU-budget voor plattelandsontwikkeling. Ook Nederland gaat gebruik maken van de mogelijkheid tot modulatie van de directe inkomenssteun ter versterking van de kwaliteit van het landelijk gebied.

GLB en uitbreiding EU

In december 1999 is besloten om het aantal landen waarmee wordt onderhandeld over toetreding tot de EU, uit te breiden van zes naar twaalf. Nederland is voorstander van snelle toetreding, waarbij een belangrijke voorwaarde is dat toetredende landen economisch succesvol kunnen integreren in de Europese markt. Hierbij dienen zo min mogelijk tijdelijke uitzonderingen op het «aquis communautair» te worden gemaakt. Met overgangsmaatregelen die inbreuk maken op de interne markt zal zeer terughoudend moeten worden omgegaan. De uitbreiding mag het functioneren van de interne markt niet hinderen.

Nederland is dan ook van mening dat het einddoel moet zijn dat de nieuwe lidstaten volledig worden geïntegreerd in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Het kader voor de discussie over uitbreiding en het landbouwbeleid wordt gevormd door de afspraken van Agenda 2000 en de WTO-afspraken inzake markttoegang, gesubsidieerde export en interne steunverlening. Daarbij moet toetreding worden geplaatst in het perspectief van een verdere liberalisatie en aanpassing van het GLB in het kader van de WTO-onderhandelingen. Nieuwe marktordeningen of uitbreiding van de interventiemechanismen zijn niet aan de orde.

In een aantal sectoren zijn er vanuit het markt- en prijsbeleid geen belemmeringen voor een snelle overgang naar een volledige marktintegratie. Dit betreft onder meer de sectoren groenten en fruit, siergewassen, varkensvlees, pluimvee en eieren.

Het Akkoord van Berlijn gaat niet uit van de verstrekking van directe inkomenstoeslagen aan de kandidaat-lidstaten. De kandidaat-lidstaten lijken meer gebaat te zijn bij een specifiek beleid gericht op structuurversterking van de landbouwsector en diversificatie van de werkgelegenheid op het platteland, dan bij directe inkomenssteun. Nederland hecht groot belang aan het door de Commissie voorgestelde structuurbeleid, en is van mening dat hieraan in de komende periode meer aandacht dient te worden besteed.

Gezien het feit dat het EU-beleid in een aantal landbouwsectoren wordt heroverwogen, zou moeten worden voorkomen dat het huidige beleid geforceerd wordt toegepast in de kandidaat-lidstaten, terwijl in de nabije toekomst verminderingen op stapel staan. Dit punt is bij uitstek van toepassing in de zuivel- en suikersector. In beide sectoren zal de komende jaren een belangrijke discussie plaatsvinden over de beginselen waarop de marktordeningen zijn gebaseerd.

Tenslotte is het voor de werking van de interne markt van essentieel belang dat het aquis waar het gaat om veterinaire, fytosanitaire en voedselveiligheidaspecten effectief is op het moment van toetreding. Het is van belang dat de effectiviteit door onafhankelijke monitoring wordt vastgesteld. LNV ondersteunt kandidaat-lidstaten bij de voorbereiding op de toetreding door verschillende projecten en activiteiten op met name veterinair en fytosanitair terrein.

4.6 Multilaterale organisaties

WTO

Eind 1999 is het in Seattle niet gelukt om een brede WTO-onderhandelingsronde over verdere handelsliberalisatie te starten. De onderhandelingen over landbouw en diensten zijn wel van start gegaan. Voor deze onderwerpen waren over het tijdstip van verdere liberaliseringsonderhandelingen tijdens de vorige ronde reeds afspraken zijn gemaakt. Het is van groot belang dat alles in het werk wordt gesteld om een volgende brede onderhandelingsronde gestart te krijgen. Naast de traditionele handelsonderwerpen moet in deze onderhandelingsronde meer aandacht worden besteed aan de raakvlakken van handel met andere beleidsterreinen. Hierbij wordt gedoeld op onder andere dierenwelzijn en toepassing van het voorzorgprincipe op het gebied van voedselveiligheid en milieu. Dit met inachtneming van de belangen van ontwikkelingslanden. De verwachting is dat alleen in het kader van een brede ronde voortgang kan worden gemaakt op deze niet-traditionele onderwerpen.

Voor de Nederlandse agrosector biedt mondiale afbraak van tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen duidelijke kansen. Wat betreft de afbraak van handelsbelemmeringen blijft het kabinet zich inspannen voor het zo goed mogelijk naleven door derde landen van de voor de agrosector relevante bepalingen van de WTO-verdragen. Aan verschillende landen wordt daartoe onder andere technische assistentie verleend op het gebied van de toepassing van veterinaire en fytosanitaire maatregelen.

FAO

Uit cijfers van de FAO blijkt dat er weinig voortgang is in het bereiken van de doelstelling van de Wereldvoedseltop in 1996 om het aantal ondervoede personen in de wereld met de helft terug te brengen in het jaar 2015. Na vaststelling van het FAO Strategisch Kader 2000–2015, is de aandacht voor het bevorderen van voedselzekerheid nu gericht op het overeenkomen van een plan voor de middellange termijn. Nederland zal zich, onder andere via het lidmaatschap van de FAO Programma Commissie, actief inzetten voor een realistisch plan waarin duidelijke keuzes worden gemaakt en prioriteiten worden gesteld.

In het licht van de sectorale benadering op het gebied van ontwikkelingssamenwerking zal Nederland met de FAO samenwerken binnen een meer gericht beleidskader (partnership programma) om onder meer hervormingen binnen de FAO te stimuleren. Hierbij wordt samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk, dat een gelijke benadering voorstaat. Onderwerpen in dit kader zijn voedselzekerheid, voedselveiligheid, agrobiodiversiteit en bossen.

De regering heeft blijvende aandacht voor concrete acties in multilateraal en bilateraal verband.

4.7 Emancipatiebeleid

Vrouwen spelen een belangrijke rol in de land- en tuinbouw als ondernemer, meewerkend partner en als echtgenote. Vrouwen kijken in het algemeen op een andere wijze aan tegen maatschappelijke en economische vraagstukken, veelal op vernieuwende en de grenzen van het bedrijf overstijgende wijze. In de verdere vormgeving van het emancipatiebeleid zal meer met deze rol rekening worden gehouden, onder andere door vrouwen meer te betrekken bij de beleidsontwikkeling. De eerder in het Actieplan Emancipatie LNV (1999–2003) geformuleerde taakstellingen, worden in 2001 verder uitgevoerd:

1. het uitvoeren van drie Emancipatie Effect Rapportages (EER);

2. de inzet van extra LNV-budget (uit voorlichting en cursorisch onderwijs) voor het vergroten van de participatie van agrarische vrouwen en plattelandsvrouwen bij kennisuitwisseling. Het gezamenlijke voorlichtingsprogramma (opgesteld vanuit het samenwerkingsproces KPN, NAJK, Passage, NBVP, DLV-adviesgroep, AOC-raad, LTO Vrouw en Bedrijf en LTO-advies) zal verder worden uitgewerkt;

3. het implementeren van de resultaten van de commissie Dagindeling en plattelandsvernieuwing. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zal duidelijk worden wat de minimaal noodzakelijke infrastructuur voor het landelijk gebied zou moeten zijn om het combineren van zorg en arbeid op het platteland voor mannen en vrouwen mogelijk te maken.

5. BEVORDERING DUURZAME PRODUCTIE

5.1 Stimulering duurzame landbouw

Het voldoen aan bovenwettelijke eisen zal worden stimuleerd. De voorbereidingen van dit stimuleringsbeleid zijn in een vergevorderd stadium. Om bedrijven die investeren in maatregelen in de sfeer van bedrijfsuitrusting en bedrijfsvoering op verschillende duurzaamheidsthema's positief te onderscheiden, wordt gewerkt aan een systeem van certificering: Stimulans Duurzame Landbouw (SDL). Het gaat hierbij om maatregelen die verder gaan dan hetgeen wettelijk verplicht is. Het voornemen is om bedrijven die in bezit zijn van een SDL-certificaat, in aanmerking te laten komen voor een aantal fiscale regelingen, zoals Vamil, DOA en MIA, en voor garantie door het Borgstellingsfonds.

In de veehouderij gaat het in hoofdzaak om maatregelen op het gebied van ammoniak, mineralen en mest, energie, dierenwelzijn en diergezondheid. Met de invoering van het instrument Stimulans Duurzame Landbouw komt het huidige instrument Groen-Label-stallen te vervallen.

In de plantaardige sector worden maatregelen onderscheiden op een aantal milieuvelden zoals gewasbeschermingsmiddelen, energie, bemesting, afval en water. Het instrument Stimulans Duurzame Landbouw bestaat voor deze sector uit twee onderdelen: een certificaat voor de bedrijfsvoering (niveau Milieukeur) en Groen-Label-kas.

Naar verwachting zal nog in 2000 een instrument gebruiksklaar zijn om te kunnen certificeren.

5.2 Bevordering van biologische landbouw

De biologische landbouw maakt de laatste jaren een forse groei door. Zowel de productie als de afzet van biologische producten is sterk toegenomen. Vooral consumenten in de meer welvarende landen hechten bij aankoop van producten in toenemende mate belang aan milieu, dierenwelzijn, en natuur, naast de bestaande aankoopmotieven als prijs, versheid en gezondheid. Gezien deze trend zal de markt voor biologische producten de komende jaren verder groeien. Hier liggen nadrukkelijk kansen voor de Nederlandse land- en tuinbouw.

De beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 is een uitwerking van de nota Voedsel en Groen. De vraaggerichte benadering, waarbij de marktperspectieven leidend zijn voor ondernemers, staat in deze nota centraal. De gehele biologische keten staat voor de uitdaging om zich in het komende decennium op eigen kracht te ontwikkelen naar een internationaal concurrerende duurzame sector, die midden in de samenleving staat en toonaangevend is in Europa. Dit vergt een nadrukkelijke verantwoordelijkheid van betrokken marktpartijen en organisaties. Samenwerking tussen de biologische en reguliere landbouw is hierbij van groot belang.

Het kabinet zal de ontwikkeling van de biologische landbouw een tijdelijke nieuwe impuls geven gericht op het professionaliseren van vraaggerichte ketens, het optimaliseren van de transparantie en het sluiten van de keten en op kennisontwikkeling en -verspreiding.

5.3 Agrarische natuurverenigingen

Bij brief van 27 juni 2000 (TK 1999–2000, 26 800, XIV, nr. 118) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de beleidslijn ten aanzien van «agrarische natuurverenigingen». De rol van deze verenigingen wordt bezien in het kader van het gebiedenbeleid. Door hun kennis en ervaring kunnen de agrarische natuurverenigingen een belangrijke rol vervullen bij het vormgeven van het regionale beleid. Door de uitvoering van projecten kunnen zij bovendien, met steun vanuit het Programma Beheer, bijdragen aan de realisering van het natuur- en landschapsbeleid. Met de provincies zal worden nagegaan welke mogelijkheden het nationale en het EU-beleid bieden voor ondersteuning van deze organisaties. Voor zover concrete voorstellen en initiatieven tot doel hebben om middels een experiment na te gaan of rijksdoelen op bovengenoemde terreinen beter en sneller kunnen worden gerealiseerd dan door middel van het bestaande instrumentarium mogelijk is, kunnen deze financieel worden ondersteund. De uitkomsten van dergelijke experimenten kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het reguliere beleid.

5.4 Vermindering milieubelasting door mest en ammoniak

Mede op grond van de door de Europese Commissie uitgebrachte ingebrekestelling wegens onvoldoende implementatie van de Nitraatrichtlijn, gevolg door een «met redenen omkleed advies», is besloten tot een ingrijpende bijstelling van het mestbeleid. Het gaat daarbij om een verdergaande aanscherping van de verliesnormen van het stelsel van regulerende mineralenheffingen en de invoering van een stelsel van mestafzetovereenkomsten. In dat stelsel wordt de omvang van de mestproductie direct afhankelijk gesteld van de aanwendings- en afzetmogelijkheden die daarvoor bestaan. Er is sprake van een integrale benadering van alle veehouderijsectoren. Deze benadering wordt sindsdien uitgewerkt in wet- en regelgeving. Een aanzienlijk deel hiervan zal in 2001 zijn beslag krijgen.

Ten behoeve van de controle en handhaving van het stelsel van mestafzetovereenkomsten is een adequate perceelsregistratie van belang. In 2000 is hiertoe het project Basisregistratie percelen gestart, waarvan de afronding te verwachten is in 2001.

Met het integrale beleidspakket, waarvan ook de opkoopregeling (RBV) en andere maatregelen in het kader van het flankerende beleid onderdeel uitmaken, wordt naar het oordeel van het kabinet voldaan aan de in het Nederlandse beleid gestelde milieudoelen en de internationale verplichtingen. Nederland heeft bij de Europese Commissie een derogatieverzoek ingediend voor de aanwending van 250 kg N per ha uit dierlijke mest op grasland .

In 2000 wordt een evaluatie van het mestbeleid uitgevoerd, waarbij de nadruk ligt op het functioneren van het Minas. De Tweede Kamer zal begin 2001 over de resultaten van deze evaluatie worden geïnformeerd. Vanaf najaar 2000 tot in 2002 wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd, teneinde in 2002 de landbouwkundige en milieukundige evaluatie van de verliesnormen optimaal te kunnen uitvoeren.

De pijlers voor het ammoniakbeleid worden gevormd door de middelvoorschriften en het regionaal aanvullend beleid. Over het regionaal beleid zijn in het voorjaar van 2000 afspraken gemaakt met de besturen van de «reconstructieprovincies» en de VNG. De minister van VROM bereidt thans een wetsvoorstel voor waarin het regionaal ammoniakbeleid wordt uitgewerkt.

5.5 Vermindering milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen

Eind 2000 komt het kabinet met een beleidsnota Gewasbescherming voor de jaren 2001–2010. Voor het realiseren van een omslag in het denken over en de omgang met gewasbeschermingsmiddelen en het behalen van de milieudoelstelling zal het nieuwe beleid aangrijpen op het niveau van de individuele ondernemer. De belangrijkste richtlijn in het nieuwe beleid is de geïntegreerde teelt op gecertificeerde bedrijven. De plantaardige productie in Nederland zal op termijn gecertificeerd moeten zijn, minimaal volgens de eisen van een nader te formuleren «basispakket». Het huidige niveau van geïntegreerde teelt zal in 2010 gangbaar moeten zijn op alle bedrijven.

In 2001 wordt begonnen met de implementatie van de beleidsnota. Certificatieschema's zullen worden ontwikkeld en certificerende instellingen kunnen zich laten erkennen door de overheid, certificering zal aantrekkelijk worden gemaakt door economische prikkels en een eventuele koppeling van het gebruik van onmisbare middelen aan certificering. Niet-certificeren zal ontmoedigd worden, onder meer door een extra handhavingsinspanning.

Belangrijke basis voor vermindering van de milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen is het toelatingsbeleid. Hierbij zal de aandacht worden toegesneden op de aansluiting met geïntegreerde teelt en de gevolgen van de beoordeling aan de Europese eisen, welke zal leiden tot een verdere afname van de effectiviteit van het beschikbare middelenpakket. In de beleidsnota wordt een aanpak uitgewerkt die maatwerk en differentiatie in het toelatingsbeleid mogelijk maakt. Het gaat daarbij om het beschikbaar houden van correctiemiddelen, het introduceren van meer middelen van natuurlijke oorsprong en het beschikbaar houden en introduceren van chemische middelen die in kleine hoeveelheden worden toegepast, de zogenaamde kleine toepassingen. Ook worden voorstellen uitgewerkt voor een tijdelijke financiële ondersteuning van toelatingsaanvragen voor kleine toepassingen en middelen van natuurlijke oorsprong. Om de versnippering van kennis en onderzoekscapaciteit voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in de kleine teeltsectoren te beperken, wordt een steunpunt ingesteld dat zich vooral gaat richten op kennisoverdracht op het gebied van de toelatingsprocedure en het initiëren van activiteiten door het landbouwbedrijfsleven en de industrie.

5.6 Verbetering dierenwelzijn

De laatste decennia valt een voortschrijdende ontwikkeling van de maatschappelijke grondhouding ten opzichte van het dier te constateren. Dit vraagt om een herijking van het dierenwelzijnsbeleid. In de nota Kracht en Kwaliteit is reeds aangekondigd dat het beleid voor dierenwelzijn tegen het licht wordt gehouden. In dit kader wordt uitvoering gegeven aan het verzoek van de Tweede Kamer om een evaluatie van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) en de vraag deze te benutten voor het opstellen van een beleidsnotitie die integraal aandacht besteedt aan dierenwelzijn.

In de beleidsnota Voedsel en Groen wordt de kern van de discussie rondom het dierenwelzijnsbeleid geschetst. De tijd is rijp voor een maatschappelijk debat over ethische kwesties als de welzijnsproblemen bij vleeskuikens, diertransport, de castratie van biggen en ontwikkelingen in de fokkerij van landbouwhuisdieren. De overheid zal op dit punt het initiatief nemen door een beleidsnotitie dierenwelzijn op te stellen, op basis van de evaluatie van de GWWD en de nota Voedsel en Groen.

In vervolg op de in paragraaf 4.2 genoemde visie van de Stuurgroep heroriëntatie pluimveehouderij, zal door overheid samen met het pluimveebedrijfsleven en maatschappelijke groeperingen concreet uitwerking worden gegeven aan de volgende dierenwelzijnsdoelstellingen:

Huisvesting legkippen

In 2012 wordt het merendeel van de legkippenstapel in alternatieve, welzijnsvriendelijke systemen gehuisvest.

Welzijn vleeskuikens

Verbetering van huisvesting en verzorging van vleeskuikens en het terugbrengen van uitvalpercentage realiseren door aanscherping van de voorwaarden in het kader van de Integrale Ketenbeheersing (IKB). Hierbij geldt dat de bezettingsgraad maximaal 35 kg/m2 wordt en de gemiddelde uitval per koppel per jaar binnen 5 jaar – uiterlijk in 2005 – moet worden teruggebracht naar het gemiddelde van de 20% beste bedrijven in 1999.

In lijn met de afspraken gemaakt in bovengenoemde stuurgroep wordt Richtlijn nr. 99/74/EG geïmplementeerd. Deze richtlijn stelt minimumeisen aan de huisvesting van legkippen. Daarnaast kan extra welzijnswinst worden bereikt door middel van afspraken met de sector en maatschappelijke organisaties om in Nederland vrijwillig de volière te stimuleren. Ook wordt uitwerking gegeven aan de afspraken over het welzijn van vleeskuikens.

In EU-verband worden op te stellen welzijnseisen ten aanzien van varkens besproken. Nederland zal in dit verband de groepshuisvesting voor zeugen en de scheiding van lig- en mestgebieden voor vleesvarkens aan de orde stellen. Tevens wordt gesproken over de Transportrichtlijn. Onder andere verkorting van de reisduur en verbetering van de klimaatbeheersing zijn voor Nederland speerpunten.

De Raad voor Dierenaangelegenheden werkt een samenhangende aanpak uit van de welzijnsproblemen bij het houden van exoten. De overheid zal op dit gebied waar nodig regulerend optreden, maar de verantwoordelijkheid ligt in eerste instantie bij de betrokken maatschappelijke groepen zelf.

5.7 Klimaat en energie

De afgelopen jaren is nationaal en internationaal de politieke belangstelling sterk toegenomen voor de verandering van het klimaat en de wijze waarop het beleid daarop moet inspelen. De internationale onderhandelingen in het kader van het VN Klimaatverdrag en het Kyoto Protocol zijn hiervoor de drijvende krachten.

Voor het LNV-beleid zijn de volgende aspecten van belang: de bijdrage van de agrosector aan verdergaande reductie van de broeikasgasemissies, de rol van de natuur bij de vastlegging van CO2 en aanpassing van de agrosector en de natuur aan de gevolgen van klimaatverandering. Binnen de door het kabinet beschikbaar gestelde gelden voor het klimaatbeleid worden ook emmissiereductieprojecten in de agrosector gefinancierd en worden projecten ondersteund die tot doel hebben om CO2 vast te leggen.

Binnen de rijksoverheid gaat de primaire verantwoordelijkheid voor de energiebesparing in de agrosectoren over van de Minister van EZ naar de Minister van LNV. Op deze wijze kan sectorspecifieke kennis en ervaring efficiënter worden benut, is synergie in beleid mogelijk, evenals integratie van het instrumentarium. De minister van EZ blijft verantwoordelijk voor het energiebesparingsbeleid op hoofdlijnen en daarmee samenhangende generieke instrumenten. Als gevolg van deze wijziging draagt EZ structurele begrotingsmiddelen over aan LNV. Voor 2001 gaat het om een verplichtingenbedrag van f 6,9 mln voor de primaire landbouw (structureel f 8,1 mln) en structureel f 3,8 mln voor de voedings- en genotmiddelenindustrie. De middelen voor de voedings- en genotmiddelenindustrie zullen met name worden ingezet voor de Meerjarenafspraken Energie (MJA-E's) en voor onderzoek op het gebied van energiebesparing in de agroketen. De middelen voor de primaire sector worden thans ingezet voor de MJA-E's. Voor de primaire landbouw wordt in 2000 f 3,4 mln van de LNV-begroting ingezet voor onderzoek en voorlichting. Deze bijdrage zal (minimaal) gecontinueerd worden. Behalve voor onderzoek en voorlichting worden de middelen ingezet voor demonstratieprojecten. Het bedrijfsleven in de primaire landbouw draagt zelf ongeveer de helft van de kosten voor de MJA-E's.

Als gevolg van de liberalisering van de energiemarkten is de rentabiliteit van warmtekrachtkoppeling (WKK) en restwarmtegebruik sterk onder druk gekomen. Deze opties hebben in de afgelopen jaren ongeveer 75% van de energiebesparing in de glastuinbouw voor hun rekening genomen. Op bijna een derde deel van het glastuinbouwareaal wordt WKK-energie of restwarmte gebruikt. Het onder druk komen van deze opties betekent een knelpunt voor de energiebesparing in de glastuinbouw. Momenteel wordt interdepartementaal bezien hoe dit knelpunt kan worden aangepakt.

5.8 Duurzame visserij

Doelstelling van het Nederlandse visserijbeleid is het bevorderen van een verantwoorde visserij en een evenwichtige exploitatie van de visbestanden. Hierbij staat de balans tussen economie en ecologie centraal. De betrokkenheid en de medeverantwoordelijkheid van belanghebbenden in de sector zijn daarbij van groot belang.

Naast de visserij in de diverse wateren krijgt ook de kweek van vis, aquacultuur, aandacht binnen het visserijbeleid. In april 2000 is over viskweek een beleids- en onderzoekstraject gestart in samenwerking met de meest betrokkenen, waarbij aandacht wordt besteed aan het welzijn van de vissen, het gebruik van diergeneesmiddelen en het beperken van de negatieve gevolgen voor natuur en milieu.

Naar verwachting zal de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) in diverse Europese gremia aan de orde komen. Cruciaal in de Nederlandse visie op de herziening van het GVB is dat de betrokkenheid en de medeverantwoordelijkheid van de belanghebbenden in de sector moeten worden vergroot door middel van vormen van decentralisatie van het visserijbeleid, regionalisering en co-management. De rol van de overheid dient in dit verband meer kaderstellend te worden en de regelgeving minder gedetailleerd, waarbij ook de optie van een meerjarenbenadering bij het TAC en quota-instrument in zicht kan komen.

In het kader van het Beleidsbesluit Binnenvisserij (TK 1999–2000, 26 800, nr. 116) wordt hoge prioriteit gegeven aan de bestrijding van visstroperij en aan visstandbeheer. In maart 2000 is een traject gestart om de visstroperij beter te kunnen bestrijden. Er wordt in overleg met sector en opsporingsdiensten een plan van aanpak opgesteld waarin concrete activiteiten worden uitgewerkt. De hoofdlijnen van dit plan zijn de intensivering van de opsporing in het veld in combinatie met betere afstemming met het Openbaar Ministerie (op korte termijn) en het tegengaan van de afzet van illegale vis via de handel voor resultaten op langere termijn.

De OVB stimuleert en begeleidt de vorming van visstandbeheercommissies voor rijks- en andere binnenwateren. Het betreft de visstandbeheercommissies «nieuwe stijl» waarin de visrechthebbenden samenwerken op het terrein van visstandbeheer en bevissing. De volgende stap is integrale samenwerking met water- en natuurbeheerders. Het gewenste integrale visstandbeheer zal in 2001 door de visstandbeheercommissies worden uitgewerkt in visstandbeheerplannen.

Met producentenorganisaties zijn afspraken gemaakt over de reductie van de visvangst, waaronder die van de paling, in het IJsselmeer. De vaste commissie voor LNV van de Tweede Kamer is hierover bij brief van 4 april 2000 geïnformeerd.

5.9 VN-Commissie voor Duurzame Ontwikkeling

De Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) van de VN heeft in 1999 de resultaten van de implementatie van Agenda 21 op het gebied van duurzame landbouw, plattelandsontwikkeling en geïntegreerd landbeheer geëvalueerd. Dit vond onder meer plaats binnen een zogenaamde «multi stakeholder dialogue» tussen maatschappelijke groeperingen op het gebied van de landbouw. De FAO/Nederland conferentie over het multifunctionele karakter van landbouw en land (Maastricht, september 1999) heeft ten behoeve van deze 8e CSD-bijeenkomst concrete aanbevelingen opgeleverd over de bijdragen die de meervoudige functies van de landbouw kunnen leveren aan het bereiken van duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling. Deze aanbevelingen hebben voor een belangrijk deel hun weg hebben gevonden naar de CSD-besluitvorming.

Inzake duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling wordt een aantal vervolgactiviteiten gesignaleerd. Tijdens de FAO-regionale conferentie voor Europa te Oporto (juli 2000) is een dag besteed aan het thema «Multifunctionele karakter van de landbouw».

Verdere uitwerking van de CSD besluitvorming inzake duurzame landbouw en plattelandsontwikkeling wordt door Nederland nagestreefd in onder meer een beleidsdialoog op politiek niveau op het gebied van de landbouw tussen enkele landen uit de EU en enkele «counterparts» in Zuidelijk Afrika (South African Development Cooperation). Tenslotte heeft de FAO zich bereid verklaard in januari 2001 de eerste bijeenkomst van de voortgezette «multi-stakeholder dialogue» te faciliteren.

6. VOEDSELVEILIGHEID

6.1 Bevordering voedselveiligheid en diergezondheid

De consument stelt hoge eisen aan de kwaliteit van zijn voedselpakket. De overheid waarborgt de veiligheid van voedsel door regels te stellen, binnen het kader waarvan producenten aan hun verantwoordelijkheid gestalte dienen te geven. De overheid zal zich de komende jaren actief inzetten voor de Nederlandse wensen bij de ontwikkeling van internationale normen voor voedselveiligheid en voedselproductie. De verantwoordelijkheid voor een onbesproken voedselkwaliteit ligt in de eerste plaats bij de producent. Die dient ervoor te zorgen dat gezonde grondstoffen worden gebruikt, die in een gewaarborgd procédé tot veilige eindproducten worden verwerkt. Hiervoor is een goede informatie- en communicatie-infrastructuur tussen de afzonderlijke schakels in de keten noodzakelijk, waarbij individuele bedrijven zich bewust zijn van de eigen invloed op de veiligheid van het eindproduct.

Bevordering voedselveiligheid

Het in januari 2000 gepresenteerde Witboek Voedselveiligheid van de Europese Commissie neemt een hoog beschermingsniveau van de consument als uitgangspunt. Daarin speelt het voorzorgsbeginsel een prominente rol. Hierover heeft de Europese Commissie in februari 2000 een afzonderlijke Mededeling uitgebracht. Op basis van het voorzorgsbeginsel kan de overheid reeds tijdelijke maatregelen treffen bij concrete aanwijzingen voor het bestaan van mogelijke voedselveiligheidsrisico's, zonder dat hiervoor onmiddellijk een sluitend wetenschappelijk bewijs kan worden gevonden. De voorstellen in het Witboek sporen op hoofdlijnen met de ideeën die Nederland in EU-verband al langer uitdraagt. Ook door de Europese Commissie wordt de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van voeding bij de producent gelegd.

Het Nederlandse standpunt over het Witboek, zoals dat bij brief van 31 maart 2000 (TK 1999–2000, 26991, nr. 5) aan de Tweede Kamer is gezonden, sluit aan bij de uitgangspunten die zijn beschreven in de nota Kracht en Kwaliteit en zal verder worden uitgewerkt in de Kadernota Voedselveiligheid die rond februari 2001 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Met betrekking tot de LNV-beleidsterreinen zijn vooral van belang de integratie van levensmiddelen- en veterinaire regelgeving, verbetering van de controlesystematiek en snellere markttoelatingsprocedures voor nieuwe producten en productietechnieken.

De komende jaren zal fors worden ingezet op de totstandkoming van een onafhankelijk, hoogwaardig nationaal onderzoeksinstituut op het terrein van de voedselveiligheid. Het instituut zal op basis van wetenschappelijke analyse deugdelijke informatie moeten leveren op basis waarvan de overheid haar regelgevende en controlerende taken adequaat kan uitoefenen. De oprichting van een nationaal onderzoeksinstituut loopt parallel met het voornemen uit het Witboek Voedselveiligheid om te komen tot een Europese Voedselautoriteit (EVA). Nederland heeft dit onderdeel van het Witboek krachtig ondersteund. In de Nederlandse reactie op het Witboek is daarbij benadrukt, dat de EVA zich niet alleen moet richten op risicobeoordeling, maar ook een rol dient te vervullen in het toezicht op de nationale controlesystemen.

Om de overheidscontrole te verbeteren wordt stroomlijning en herschikking van de vele activiteiten die door de verschillende organisaties worden uitgevoerd op het vlak van controle, keuring en inspectie noodzakelijk. De vorming van één nationaal voedselcontrolebureau is in dit verband gewenst. Met de minister van VWS zal een en ander in gezamenlijkheid worden onderzocht en uitgewerkt.

Een belangrijk aandachtspunt blijft het informeren van de consument over veiligheid van voedsel. De communicatie over voedselveiligheid met de burger/consument zal de komende jaren worden geïntensiveerd. Daarbij zal intensief worden samengewerkt met het Voedingscentrum. Bij calamiteiten is een adequaat risicomanagement van belang, met duidelijkheid over de verantwoordelijkheidsverdeling van overheid en bedrijfsleven en een heldere communicatie. Het Voedingscentrum zal nog in 2000 een aanvang maken met de ontwikkeling en uitwerking van een meerjarig communicatieplan inzake voedselveiligheid. Voor intensivering van de voorlichtingsactiviteiten, de modernisering van het voorlichtingsinstrumentarium en de opzet van een database voor vraagstukken rond voedselveiligheid is voor de komende jaren f 5 mln gereserveerd.

In juni 2000 heeft de PVE de eindconclusies gerapporteerd omtrent de aanpak voor het terugdringen van de besmettingsniveaus van salmonella en campylobacter in kippenvlees. De besmetting van salmonella is teruggedrongen van ca. 30% naar 15%, campylobacter van 50% naar zo'n 30 tot 40%. Ondanks de vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt, baren de nog steeds hoge besmettingsniveaus zorgen. De inzet van LNV is om zo spoedig mogelijk een situatie te realiseren waarin aan de consument alleen onbesmet vers vlees wordt aangeboden. In het najaar van 2000 komt meer duidelijkheid omtrent de wijze waarop en wanneer deze doelstelling kan worden bereikt. Het is al duidelijk dat dit van alle schakels in de keten inspanning zal gaan vergen. Op korte termijn zullen in ieder geval wettelijke normen voor salmonella en campylobacter worden vastgesteld.

Voor BSE en scrapie zal de monitoring worden uitgebreid en, op basis van nieuwe testen, geoptimaliseerd.

Diergezondheid

Op het terrein van de dierziektebestrijding zijn voor de belangrijkste dierziekten beleidsmaatregelenpakketten en draaiboeken vastgesteld of worden in 2000 nog vastgesteld.

Het betreft de draaiboeken Klassieke Varkenspest en Mond- en Klauwzeer die tevens zijn aangepast aan de systematiek van betaalorganen.

Voor de financiering van dierziektebestrijding in de varkens-, pluimvee- en schapen- en geitensector is een convenant gesloten met de betrokken productschappen. Essentie van het convenant is dat de productschappen garant staan voor de kosten van de bestrijding van dierziekten in de betreffende sectoren tot bepaalde overeengekomen bedragen en dat het rijk de eventuele meerkosten draagt. Het systeem van rijksheffingen is daarmee voor de convenantsperiode verlaten.

Voor de varkenssector zijn maatregelen genomen om de kans op insleep en verspreiding van ziekten te verminderen. Nog in 2000 zal voor de rundveehouderij een pakket van preventieve maatregelen worden vastgesteld, waarvan de implementatie deels in 2001 zal plaatsvinden. Eveneens wordt er gewerkt aan een algemene benadering van bedreigingen van de diergezondheid door dierziekten. Op basis hiervan vindt prioriteitstelling voor het opstellen van plannen van aanpak plaats. Voor de schapensector wordt gestart met een risicoanalyse.

In het begrotingsjaar zal een grote dierziektebestrijdingsoefening worden gehouden, waarbij ook het bedrijfsleven zal worden betrokken. Daarnaast zal in overleg met het bedrijfsleven invulling worden gegeven aan een voorlichtingscampagne gericht op preventie en herkenning van dierziekten.

Voor de zeer besmettelijke dierziekten wordt de ontwikkeling voortgezet van een monitorings- en early warning systeem, waarmee deze ziekten in een zo vroeg mogelijk stadium kunnen worden gedetecteerd. Naast het verder ontwikkelen van instrumenten als vroegdiagnostica en meldverplichtingen zal daarbij speciale aandacht worden geschonken aan de alarmfase, zodat reeds bij een dreiging van een uitbraak van een zeer besmettelijke dierziekte (preventieve) maatregelen kunnen worden genomen. Bij het ontwikkelen van deze detectiemethoden zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij ontwikkelingen die reeds in de sector plaatsvinden in het kader van de gecertificeerde ketensystemen.

6.2 Identificatie- en registratiesysteem

Belangrijke voorwaarde voor een effectieve en efficiënte dierziektebestrijding is een goed functionerend identificatie- en registratiesysteem voor alle diersoorten. Ten aanzien van het verbetertraject voor de identificatie en registratie van runderen (I&R-rund) geldt dat veel technische voorbereidingen in de tweede helft van 1999 zijn getroffen. Een tweetal maatregelen is in de eerste maanden van 2000 geïmplementeerd. Het betreft de koppeling van I&R-doodmelding aan de kadavermelding door de destructor en het online kunnen raadplegen van de database door slachterijen en RVV-medewerkers ter plaatse. In februari 2000 is het traject naar een onafhankelijk bureau I&R ingezet. In de komende maanden zal ook het traject dat moet leiden tot nieuwbouw van het systeem worden gestart. Met uitzondering van de nieuwbouw van het systeem, zal het verbeteringstraject voor runderen in 2000 worden afgerond. Op basis van de ervaringen opgedaan met het verbeteringstraject voor runderen zal in 2000 worden gestart met een analyse van de I&R-systemen van de overige diersoorten. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien welke verbeteringen in de I&R-systemen voor andere diersoorten gewenst zijn. In 2001 zullen vervolgens de beleidsvoornemens worden uitgewerkt.

6.3 Diervoeders

In het Beleidsbesluit Diervoeder (TK 1999–2000, 26 991, nr. 22) zijn de uitgangspunten voor het beleid voor de komende jaren neergelegd. In dit beleid staat het voorzorgsprincipe centraal. De maatregelen hebben tot doel om diervoeder(-grondstoffen) van een onbesproken kwaliteit te garanderen. Een belangrijk instrument hiervoor wordt de Kaderwet Diervoeders. Deze wet biedt de rijksoverheid mogelijkheden om adequaat invulling te geven aan haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van diervoeders. Op basis van deze Kaderwet kunnen eisen worden gesteld aan de producenten van diervoeders en aan de kwaliteit van de gebruikte grondstoffen. In de Kaderwet zullen tevens voorzieningen worden opgenomen om adequaat te kunnen optreden in geval van calamiteiten. De diervoederregelgeving is op Europees niveau grotendeels geharmoniseerd. De Europese regelgeving zal in de toekomst geïmplementeerd worden in het kader van de Kaderwet Diervoeders. De Kaderwet Diervoeders zal naar verwachting in 2001 aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

LNV zal zich in 2001 vooral richten op het aanscherpen van voorwaarden die gesteld worden aan het gebruik van diervoeders en (grond-)stoffen die hierin verwerkt worden. Belangrijke elementen hierbij zijn normstelling voor ongewenste stoffen en voorwaarden aan het gebruik van grondstoffen. Verder wordt in communautair verband ingezet op een toelatingssysteem voor diervoedergrondstoffen op basis van het «nee-tenzij» principe. Tevens zal het in 2000 geïntensiveerde toezicht van de overheid (RVV en AID) op de kwaliteit van diervoeders in 2001 worden voortgezet en verder worden vormgegeven. Ook zal in de ontwikkeling van een early warning systeem worden geïnvesteerd. Dat heeft tot doel signalen over mogelijke risico's in een vroegtijdig stadium te signaleren. Een verdere optimalisatie van het monitoringssysteem op ongewenste stoffen is hierbij een belangrijk element.

Het bedrijfsleven is en blijft verantwoordelijk om diervoeder van een onberispelijke kwaliteit te leveren die, vanzelfsprekend, voldoet aan de wettelijke vereisten. Met behulp van kwaliteitssystemen op basis van HACCP zullen hiervoor waarborgen moeten worden gegeven. In 2000 zijn hier door de diervoedersector op vrijwillige basis grote stappen voorwaarts gezet. In 2001 zal hieraan een vervolg worden gegeven. De overheid wil naar een wettelijke verplichting tot het hanteren van een dergelijk kwaliteitssysteem.

6.4 Kwaliteitsborging: garantiesystemen en modernisering van keuringen

De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het voedselpakket kan de producent alleen waarmaken binnen het kader van een doorzichtig productieproces. De transparantie van de productieketen maakt het mogelijk dat de overheid haar toezicht met name richt op de kritische momenten in de keten. Bovendien houdt deze transparantie openheid in voor de consument. Het vertrouwen van de consument in de door hem geconsumeerde voedingsmiddelen kan slechts verkregen worden door een betrouwbare informatievoorziening over de wijze van productie en veiligheid van de ingrediënten.

De opzet van private controlesystemen gericht op preventie in de productieketen wordt verder gestimuleerd. Een gezamenlijke inspanning van de partijen in de keten op het gebied van onderzoek, voorlichting en de ontwikkeling van geautomatiseerde systemen voor tracking en tracing is daartoe noodzakelijk. Voor deze gezamenlijke inspanning is in totaal voor de jaren 2000–2004 een bedrag van f 5 mln benodigd.

De ketengarantiesystemen zijn ook van belang voor de modernisering van de vleeskeuring. Hieraan zal in 2001, mede op basis van de resultaten van het in 2000 gestarte pilotproject «Modernisering vleeskeuring», verder worden gewerkt. Het einddoel is om door middel van een systeem van toezicht-op-toezicht in de gehele keten de veiligheid van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong te gegaranderen.

De overheid dient – ten behoeve van goed risicomanagement – over informatie te beschikken aangaande de veiligheid van voedingsmiddelen. Daarom stimuleert de overheid de ontwikkeling en uitbreiding van een monitoringsysteem, het Kwaliteitsprogramma Agrarische Producten (KAP), teneinde een adequate kennisinfrastructuur op het terrein van voedselveiligheid tussen betrokken instituten te realiseren. In 2001 zal daartoe geïnvesteerd moeten worden in het (verder) ontwikkelen van meetmethoden en het starten met het opzetten van laboratoriumfaciliteiten en een uitvoeringsorganisatie.

Ook de ontwikkeling van early warning systemen (door overheid en bedrijfsleven) wordt gestimuleerd. Deze systemen moeten gericht zijn op het pro-actief identificeren van nieuwe voedselveiligheidsrisico's en zorgdragen voor een snelle communicatie. Een door LNV geïnitieerd systeem wordt nader uitgewerkt en krijgt een structureel karakter. Naar verwachting komt daarvoor in 2000 een eerste opzet gereed. Voor het opzetten van een kennisinfrastructuur op het terrein van de voedselveiligheid tussen betrokken instituten, het ontwikkelen van early warning systemen, het opzetten van een database en het ontwikkelen van indicatoren is een bedrag van f 10 mln gereserveerd voor de periode 2000–2004. Het bedrijfsleven dient vergelijkbare systemen te ontwikkelen om de eigen verantwoordelijkheid inzake de veiligheid van producten te kunnen garanderen.

7. KENNIS EN INNOVATIE

7.1 Biotechnologie

De laatste jaren zijn de ontwikkelingen in de moderne biotechnologie in een stroomversnelling gekomen. Enerzijds neemt de kennis en technologie op dit gebied wereldwijd exponentieel toe, anderzijds krijgt de samenleving steeds meer weet van toepassingen bij plant en dier die op de markt zijn gekomen. Bij planten gaat het met name om de productie van genetisch gemodificeerde gewassen die als grondstof dienen voor voedingsmiddelen, bij dieren gaat het om biomedische toepassingen.

In de Nederlandse samenleving, maar ook in andere lidstaten van de Europese Unie, bestaan zorgen over de veiligheid van dergelijke producten voor mens, dier en milieu en worden vragen gesteld over nut en noodzaak. De Tweede Kamer heeft in 1999 hierover uitvoerig gediscussieerd. In dat debat heeft het kabinet toegezegd te komen met een Integrale Beleidsnota Biotechnologie.

Deze ontwikkelingen zullen er toe leiden dat de LNV-inzet op dit terrein wordt versterkt in relatie tot het agrofoodcomplex. Vooral het genoomonderzoek en de bioinformatica ( tezamen genomics) hebben ingrijpende gevolgen voor het agrofoodcomplex en de landbouwwetenschappen. Biotechnologie kan een wezenlijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken op het gebied van milieu, voeding en (volks)gezondheid. Daarom wil de overheid voor deze technologie ruimte creëren om zich te ontwikkelen en te bewijzen. Dit doet zij door te investeren in kennisontwikkeling en innovaties en in maatschappelijke appreciatie. De overheid rekent het tot haar taak om op te treden als bewaker en regulator, die bij nieuwe biotechnologische toepassingen de veiligheid, de gezondheid en de keuzevrijheid van consumenten borgt. Daarnaast wil zij ook alle belanghebbenden inspireren tot een constructieve maatschappelijke dialoog over de condities waaronder moderne biotechnologie kan worden toegepast in de voedselproductie. Hiertoe zal een commissie in het leven worden geroepen die het voorgenomen publieksdebat zal organiseren. De inzet is een constructieve ontwikkeling van de biotechnologie zelf, een ontwikkeling die bijdraagt aan de kwaliteit van leven en samenleving.

Voor de uitvoering van dit beleid heeft LNV het projectbureau Biotechnologie in het leven geroepen. Dit bureau zal samen met VWS de strategische vraagstukken op het gebied van biotechnologie aanpakken.

7.2 Ontwikkelingsperspectief voor het kennis- en innovatiebeleid

Met het kennis- en innovatiebeleid wil LNV een impuls geven aan vernieuwingen in de agrosector en in de groene ruimte. Kennis is cruciaal voor de Nederlandse agrosector, gezien het feit dat productiefactoren als arbeid en grond in Nederland duur zijn. De Nederlandse agrosector is daardoor noodgedwongen kennisintensief. In de nota Voedsel en Groen zijn de contouren van het toekomstig kennis- en innovatiebeleid weergeven voor de agrosector. Ook in de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur speelt het kennis- en innovatiebeleid een belangrijke rol.

De kennismarkt wordt steeds competitiever en internationaler. Innovatie en permanent leren van mensen en organisaties zijn de sleutelfactoren voor succes in de internationale netwerk- en kenniseconomie zoals die zich in toenemende mate ontwikkelt. Hedendaagse innovaties verlopen niet lineair, zoals in het verleden werd verondersteld, maar steeds meer als complex interactief proces. Samen met andere partijen wil het kabinet daarom inspanningen verrichten op een aantal terreinen.

Kennisinfrastructuur

Allereerst blijft het terrein van de kennisinfrastructuur (onderwijs, onderzoek, voorlichting) van groot belang. Gezien de opkomst van nieuwe, generieke technologieën zullen nieuwe eisen worden gesteld aan de LNV-kennisinfrastructuur. Bij nieuwe technologieën valt te denken aan biotechnologie, informatietechnologie en nieuwe materialen (food en non-food). Voor deze nieuwe technologieën is het ook van belang om buiten het traditionele agrocluster te kijken, bijvoorbeeld farmaceutische industrieën, retail en logistieke wereld. Met name Wageningen UR zal zich moeten ontwikkelingen tot een netwerkuniversiteit. Door samenwerking in Nederland en Europa op het gebied van fundamenteel, wetenschappelijk onderzoek met relevante disciplines kan de kritische massa van Wageningen UR worden vergroot.

Naast fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek in de pre-competitieve fase wordt ook ervaringskennis, kennis in hoofden van mensen belangrijk. De combinatie van wetenschappelijke kennis en kennis vanuit de praktijk (burgers, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties) levert nieuwe inzichten op. De in dit kader gestarte pilots voor regionale innovatienetwerken lopen in 2001 door. Ook het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster, onderdeel van de NRLO, vervult hierin een belangrijke rol. Dit innovatienetwerk zal de komende vijf jaar in de praktijk werkwijzen ontwikkelen en beproeven waarmee organisaties gezamenlijk kansen op innovaties kunnen herkennen, uitwerken en gereed maken voor implementatie.

De belangstelling en het enthousiasme voor en de kennis van wetenschap en technologie worden, samen met OCW en EZ, krachtig gestimuleerd. In het kader van de in april 2000 verschenen nota «Boeiend, betrouwbaar en belangrijk; nota wetenschap en techniekcommunicatie» wordt hiervoor over een periode van vier jaar gezamenlijk een extra bedrag van bijna f 12 mln uitgetrokken.

Innovatievermogen

Naast bovengenoemde onderwerpen, met name betrekking hebbend op de kennisinfrastructuur, is een tweede terrein binnen het kennis- en innovatiebeleid van belang, namelijk dat van het innovatievermogen van de actoren in de agrosector en in de groene ruimte. In het verlengde van bovengenoemd ontwikkelingsperspectief zal ook hier het accent verschuiven van financiële ondersteuning van innovatieve ondernemers naar ondersteuning van integrale vernieuwingen, vernieuwingen waarbij meerdere ondernemers c.q. meerdere bedrijfstakken betrokken zijn. Hieruit kunnen win-win-situaties ontstaan, waarbij meer doelen worden gerealiseerd (bijvoorbeeld èn economische versterking èn milieuwinst). Naast de eerdergenoemde inzet op strategische samenwerking (netwerken) betekent dit het beter benutten van het huidig subsidie-instrumentarium voor innovaties. Een deel van het Stimuleringskader zal opgaan in een Agro-Innovatiefonds, een revolving fund met publieke en private middelen. Daarmee wordt het bedrijfsleven ook risicodrager bij de financiering van innovaties. Voorts zal contra-financiering (de contractueel verplichte inzet van LNV-programmamiddelen bij deels extern gefinancierde projecten) worden ingevoerd waarmee Wageningen UR beter kan inspelen op de maatschappelijke vraag naar onderzoek en meer marktgericht kan opereren.

Tot slot wordt het LNV-innovatiebeleid sterker gericht op maatschappelijk relevante thema's. Zo wordt de inzet van onderzoek naar biologische bedrijfssystemen in het praktijkonderzoek versterkt. Bij DLO worden nieuwe onderzoeksactiviteiten naar de biologische productie van plantaardige uitgangsmateriaal en naar de verpakking en bewaring van biologische producten gestart in 2001. Daarnaast wordt het onderzoek ingezet om de kennis over de biotechnologie te vergroten en de discussie daarover te stimuleren. Het betreft hier vooral het verbinden van deze nieuwe technologie met de maatschappelijke discussie over de wenselijkheid ervan.

7.3 Agrarisch onderwijs

Binnenkort wordt een visie op het agrarisch onderwijs aan de Tweede Kamer gezonden. Hierin wordt het toekomstperspectief voor het agrarisch onderwijs geschetst. In de visie wordt het belang aangegeven van de aanpassingen in het agrarisch onderwijs. Centrale elementen daarbij zijn de vernieuwing van de agrarische opleidingen in aansluiting op het verbrede agrodomein en de toekomstgerichtheid van het agrarisch onderwijs. Opleidingen worden sterker toegesneden op nieuwe thema's zoals maatschappelijk verantwoord, innovatief en flexibel ondernemerschap.

LNV zal het inslagbeleid versterken om het landbouwonderwijs beter als instrument voor het LNV-beleid te benutten. Vernieuwing van de inhoud zal gericht worden gestimuleerd. Daarnaast zal de introductie van nieuwe leerconcepten worden ondersteund.

Voor het praktijkleren dat door de Innovatie- en Praktijkcentra (IPC) wordt verzorgd, is vanaf het schooljaar 1999/2000 vraagsturing geïntroduceerd. Besloten is om voor de andere activiteiten van de IPC's nadrukkelijker het profijtbeginsel te hanteren. Door deze ontwikkeling zullen de IPC's zich ontwikkelen als marktorganisaties. Een gevolg hiervan is dat de positionering in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs op termijn heroverwogen moet worden.

7.4 Wageningen UR

De afgelopen periode is, onder andere als gevolg van het kabinetsstandpunt Herijking van de LNV-kennisinfrastructuur (Peper), veel geïnvesteerd in veranderingen in de kennisinfrastructuur. Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) vormt hier een belangrijk onderdeel van. Wageningen UR komt tot stand door de vorming van een samenwerkingsverband tussen de Stichting DLO – verzelfstandigd per 1 juni 1999 – en Wageningen Universiteit. In de loop van het jaar 2000 zullen het Praktijkonderzoek Veehouderij (PV) en het Plantaardig Praktijkonderzoek (PPO) met de Stichting DLO fuseren. Interne integratie van Wageningen Universiteit, de DLO-instituten en het praktijkonderzoek zal zich verder voltrekken in de vijf kenniseenheden Plant, Dier, Agrotechnologie en Voeding, Groene Ruimte en Maatschappijwetenschappen.

8. BESTUURLIJKE EN ORGANISATORISCHE AANGELEGENHEDEN

8.1 Organisatorische ontwikkelingen bij LNV

De sterk toegenomen aandacht in de maatschappij voor voedsel en voedselveiligheid, de belangstelling voor het gebruik van de groene ruimte, de gewijzigde opvattingen over rol en betekenis van de landbouw in de samenleving, alsmede de veranderende verhoudingen binnen Europa en de EU vereisen reflectie op de positie, organisatie en werkwijze van LNV. LNV wordt steeds meer het ministerie van landbouw, natuurbeheer en voedsel(veiligheid). LNV functioneert bovendien in een maatschappij waarin innovatie hoog op de agenda staat. Het is daarom noodzakelijk dat het departement zich bezint op innovatief beleid en zichzelf voortdurend blijft vernieuwen. Binnen het ministerie van LNV worden daarom nieuwe impulsen gegeven aan de ontwikkeling van de organisatie, zodat tijdig op veranderingen kan worden ingespeeld.

8.2 Emancipatiebeleid LNV

Naast het vergroten van de participatie van vrouwen in hogere functies, is het behouden van vrouwen in de organisatie een thema waaraan LNV de komende jaren aandacht wil besteden. Hoewel de instroom van vrouwen vrijwel gelijk is aan die van mannen (47% versus 53%), is de uitstroom van vrouwen beduidend groter dan hun aandeel in het totale personeelsbestand (41,5% van de uitstroom is vrouw). Lopend onderzoek naar de oorzaken daarvan moet leiden tot een gerichte aanpak om de uitstroom terug te dringen. Hierbij is bijzondere aandacht voor de combinatiemogelijkheden van werk en zorg nodig.

8.3 Sturing en toezicht

Onlosmakelijk verbonden met de beleidsinhoudelijke thema's zijn de veranderingen in het bestuurlijke landschap. Naar aanleiding van de discussies over de (reikwijdte van de) ministeriële verantwoordelijkheid en toenemend belang van verantwoording over beleidsuitvoering en beleidsrealisatie is besloten om in een notitie helder aan te geven welke taakafbakening tussen publiek en privaat op welk LNV-terrein passend wordt geacht en welke rolverdeling tussen publieke organen wordt nagestreefd. Met name de internationale dimensie vraagt uit een oogpunt van ministeriële verantwoordelijkheid bijzondere aandacht. Met het wetsvoorstel Toezicht Europese gelden heeft het kabinet een eerste stap gezet om op rijksniveau nakoming van internationale verplichtingen in het gehele openbaar bestuur beter te waarborgen. Ook op andere terreinen is versterking van bevoegdheden op centraal niveau onontkoombaar. De wijze waarop dit op de terreinen van LNV richting territoriaal of functioneel gedecentraliseerde organen, alsmede richting zelfstandige bestuursorganen het beste kan gebeuren, wordt onderdeel van de hiervoor bedoelde notitie. Dat geldt ook voor de wijze van aansturing van de beleidsuitvoering en van het toezicht daarop.

Voor de Inspectie van het Landbouwonderwijs is de Toezichtwet voor het Onderwijs mede van kracht. Belangrijke elementen die deze wet regelt, zijn de positie van de Inspectie, waarbij de onafhankelijkheid van de oordelen wordt gewaarborgd, de kwaliteitskenmerken die worden beoordeeld en de werkwijze bij het uitvoeren van het toezicht. Voor toezicht en inspectie wordt een goede afstemming met kwaliteitssystemen bij de onderwijsinstellingen zelf en de werkwijze bij de Inspectie van het Onderwijs van OCW beoogd.

8.4 Uitvoerende diensten

Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

Het jaar 2001 zal bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) in het teken staan van de voltooiing van het in 1998 ingezette veranderingsproces. De teamvorming van het keuringspersoneel zal definitief verankerd worden in de organisatie en zo ook het integraal management. De RVV zal het pad ingeslagen zijn naar een topkeuringsinstelling. Voor alle medewerkers is er een opleidingstraject, waarmee de benodigde kennis en vaardigheden op peil blijven. Invoering van de agentschapsstatus met bijbehorend baten/lastenstelsel wordt per 1 januari 2002 mogelijk geacht.

Algemene Inspectiedienst

Het kabinet heeft op 15 december 1999 aan de Tweede Kamer laten weten dat er een duidelijker onderscheid moet komen tussen diensten met een bestuurlijke inspectietaak en bijzondere opsporingsdiensten die zijn belast met strafrechtelijke handhaving. In de brief van de minister van Justitie wordt een samenvatting gegeven van het onderzoeksrapport «Transparantie en samenhang in de bijzondere opsporing». De AID blijft belast met zowel opsporing (een algehele opsporingsbevoegdheid) als «handhaving van de beleidsinstrumentele wetgeving».

Plantenziektenkundige Dienst

Vanuit de Plantenziektenkundige Dienst (PD) is op basis van een externe organisatiediagnose een organisatieveranderingsproces van start gegaan. De managementstructuur van de buitendienst zal worden aangepast aan de groei en aan de toenemende kwetsbaarheid van kritische processen. De inbedding van de buitendienst in de organisatie als geheel zal worden versterkt. Naast de reguliere taken participeert de PD in twinningrelaties met kandidaat EU-lidstaten door intensieve samenwerking met zusterorganisaties van Midden- en Oosteuropese landen. Nieuwe samenwerkingsovereenkomsten zijn gesloten met Polen, Slovenië en Tsjechië. Met ingang van 1 januari 2001 zal de PD voor het uitvoeren van importinspecties van plantaardig materiaal een kostendekkend tarief in rekening gaan brengen bij importeurs.

Bureau Heffingen

De toename van taken van Bureau Heffingen door nieuwe wet- en regelgeving heeft een sterke groei van het personeelsbestand tot gevolg gehad. Bovendien heeft het Bureau Heffingen de status van agentschap gekregen. Om de inrichting van de organisatie hierop toe te snijden is een organisatieontwikkelingstraject in gang gezet dat in 2001 zijn beslag zal krijgen.

Belangrijkste uitgangspunt in de ontwikkelde visie is de externe oriëntatie. Bureau Heffingen hecht groot belang aan een goede dienstverlening aan de doelgroep waarbij een klantgerichte benadering voorop staat. Daarvoor zet het bureau in op de uitvoering van werkzaamheden op basis van duidelijke planningen en via helder beschreven procedures. Op deze manier kan de kwaliteit gewaarborgd worden en kunnen voortgang en mogelijke risico's inzichtelijk gemaakt worden.

8.5 Zelfstandige bestuursorganen

Sinds 1 januari 2000 functioneert het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen als zelfstandig bestuursorgaan.

Een extern onderzoek naar de marktperspectieven van de Organisatie voor de Binnenvisserij als private organisatie is inmiddels afgerond. Over de uitkomsten van dit onderzoek vindt nog nader beraad plaats.

8.6 Bestuurlijke samenwerking

In het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS), afgesloten tussen de gemeenten, de provincies en het rijk, is vitalisering van het platteland benoemd als één van de drie kernthema's. Het BANS beoogt door een andere werkwijze, maar zonder ingrepen in de structuur van het binnenlands bestuur, bij te dragen aan de beheersing en oplossing van maatschappelijke vraagstukken. In december 1999 is afgesproken dat er een nieuwe aanpak in het plattelandsbeleid moet worden gevonden: niet langer reactief, maar gericht op initiatief. Onderdelen van de nieuwe aanpak zijn:

• versterking van de sociale en economische vitaliteit in samenhang;

• in een beperkt aantal pilotgebieden concreet aan de slag gaan;

• faciliteren van de lokale en regionale initiatieven (innovaties);

• meerwaarde creëren (aansluiten op bestaand beleid, dubbelingen voorkomen);

• beleidsmatige belemmeringen wegnemen (ontkokering, ontschotting, deregulering)

Op voordracht van IPO en VNG is in 13 gebieden van start gegaan met pilots voor versterking van de sociale en economische vitaliteit. De Minister van LNV coördineert op rijksniveau de inzet van de verschillende betrokken departementen. In het halfjaarlijks overleg tussen de BANS-partners wordt de voortgang bewaakt en worden de knelpunten geagendeerd. In het voorjaar van 2001 zal een eerste balans van de resultaten worden opgemaakt.

In het kader van de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen provincies en LNV/VROM is afgesproken dat het rijk de beleidsdoelen vaststelt, de provincies aan het roer staan bij het uitwerken daarvan in concrete plannen en dat de uitvoering in overleg met gemeenten plaatsvindt door uitvoeringsdiensten op basis van regelingen die door de EU zijn goedgekeurd. Dit laatste is onder meer van belang voor het verkrijgen van medefinanciering van de EU. Deze afspraken leiden ertoe dat er een bestuursovereenkomst en een uitvoeringscontract zullen worden gesloten tussen provincies en LNV/VROM over het gebiedsgericht beleid. Dit stelsel vervangt de bestaande afspraken. Tevens zal het bestaande stelsel van regelingen voor het landelijk gebied worden gestroomlijnd en vereenvoudigd.

8.7 Modernisering PBO

Op 1 juli 1999 is de wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die verband houdt met de modernisering van het PBO-stelsel, in werking getreden. Met deze wijziging zijn de mogelijkheden voor bedrijfslichamen om regelgeving op te stellen nader ingekaderd en is het toezicht van de rijksoverheid op bedrijfslichamen versterkt. Met de overige bij het PBO-stelsel betrokken ministeries wordt nadere invulling gegeven aan het gewijzigde toezichtsarrangement van de rijksoverheid.

Bij de hergroepering en clustering van bedrijfslichamen is inmiddels een reductie van het aantal bedrijfslichamen van 38 tot 28 gerealiseerd. Een reductie tot 18 is voorzien.

8.8 Euro-aanpak

De aanpassingen die noodzakelijk zijn om de introductie van de euro bij LNV in goede banen te leiden verlopen volgens schema. De aanpak bij LNV voorziet in een centrale regie en een decentrale uitvoering. De Projectgroep Euro LNV rapporteert periodiek over de voortgang van het implementatietraject ten aanzien van de interdepartementaal afgesproken mijlpalen. In 2000 zal de realisatiefase worden afgerond. In de eerste helft van 2001 zullen de aanpassingen aan de systemen worden getest.

De aanpassingen op het juridisch domein verlopen volgens het interdepartementaal afgesproken tijdpad. De aanpassing van wetten, AMvB's en ministeriële regelingen vindt plaats via een rijksbreed wetgevingstraject. In 2001 zullen met name de ministeriële regelingen worden aangepast, dit conform de overeengekomen afrondingsregels.

De communicatie over de invoering van de euro en de voorlichting aan doelgroepen op de LNV-terreinen worden in 2001 voortgezet.

8.9 Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording (VBTB)

In het verleden hadden wijzigingen van de begrotingsopzet doorgaans een technisch karakter. Deze keer is dat niet het geval. De insteek vanaf begroting 2002 is een begrotingsindeling naar algemene beleidsdoelstellingen, die vervolgens worden uitgewerkt in operationele doelstellingen gekoppeld aan te hanteren instrumenten en in te zetten middelen. Deze systematiek vraagt om het helder formuleren van reële en haalbare tussendoelen en meer aandacht voor de meetbaarheid hiervan (onder andere door het gebruik van streefwaarden en kengetallen). De begroting 2002 zal aan de VBTB-uitgangspunten moeten voldoen. Daartoe is binnen LNV een traject uitgezet waarin een en ander in verschillende stappen wordt uitgewerkt. Het plan van aanpak, waarin de verbeteringen ten opzichte van de voorbeeldbegroting zijn opgenomen, is met brief van op 8 mei 2000 (TK 1999–2000, 26 573, nr. 18) naar de Tweede Kamer gestuurd.

TREFWOORDENREGISTER

Agenda 2000 10, 11, 25, 26

Agrarisch onderwijs 3, 40

Agrarische natuurverenigingen 29

Agro-innovatiefonds 5, 11, 22

Ammoniakbeleid 30

BANS 43, 44

Belvedere 13, 15

Biodiversiteit 4, 18, 21, 22, 27

Biologische landbouw 3, 9, 10, 28

Biotechnologie 3, 4, 8, 38, 39, 40

BSE 35

Campylobacter 6, 35

Commissie voor Duurzame Ontwikkeling 3, 33

Concurrentiekracht 3, 22

Convenant glastuinbouw en milieu 25

Cross-compliance 11, 25

Dierenwelzijn 3, 4, 5, 7, 23, 24, 27, 28, 29, 31

Diergezondheidsfonds 12

Diergezondheid 3, 12, 28, 34, 36

Diervoeders 3, 37

Dierziektebestrijding 9, 36

EHS 3, 7, 8, 10, 14, 15, 17, 18, 19, 20

EU-Kaderrichtlijn Water 16

EU-programma Landelijk gebied 3, 16

Europese Voedselautoriteit 6, 35

FAO 21, 27, 33, 34

FIOV 25

Gewasbescherming 30

Glastuinbouw 24, 25

GLB 3, 25, 26

Groen in en om de stad 8, 14

Grondbeleid 3, 7, 19

GVB 33

GWWD 9, 31

Habitatrichtlijn 20

Herstructurering 6, 7, 15, 17, 23, 24, 25

Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster 5, 40

Innovatie 4, 5, 22, 39, 40, 41

Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing 14

I&R 36

Kennis- en innovatiebeleid 3, 39, 40

Kennisinfrastructuur 39

Ketencertificering 5

Klimaatbeleid 32

Kracht en Kwaliteit 4, 31, 34

Kwaliteitsimpuls landschap 10, 14, 18

Landinrichtingswet 15

Meerjarenafspraken Energie 32

Melkveehouderij 15, 23

Mestafzetovereenkomsten 6, 29, 30

Mestbeleid 11, 24, 29, 30

Meststoffenwet 6, 24

MIA 28

Minas 6, 30

Modulatie 26

MOP 25

Natte Natuur 11, 16, 18, 19

Natuur voor mensen, mensen voor natuur 4, 7, 8, 10, 13, 14, 17, 18, 21, 39

Natuurbeschermingswet 20

Nertsenhouderij 7

Nitraatbeleid 15

Nitraatrichtlijn 6, 23, 29

Noordzee 20

Pacht 3, 25

PKB Waddenzee 21

Pluimveehouderij 7, 24, 31

POP 11, 16, 17

Programma Beheer 3, 19, 29

Programma Internationaal Natuurbeheer 21

Randstadgroenstructuur 14

RBV 6, 23, 30

Reconstructie 11, 15, 17, 24, 30

Reconstructiewet 6, 15

RSG 24

Salmonella 6, 35

Scrapie 35

SDL 28

SEP 23

SGB 15, 16

SGR2 4, 13, 18

SGR 8, 13, 14, 19

Soortenbescherming 8, 21

Stidug 24

Vamil 28

Varkenshouderij 23, 24

Verdrogingsbestrijding 16

Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. 14, 16

Visserij 3, 20, 21, 25, 33

Voedsel en Groen 4, 5, 6, 7, 13, 22, 31, 39

Voedselcontrolebureau 6, 35

Voedselveiligheid 3, 4, 5, 6, 27, 34, 35, 38, 41

Vogelrichtlijn 3, 20

Waddenzee 20, 21

Wageningen UR 3, 39, 41

Waterbeheer 3, 16, 18

WED 10

WHV 7

Witboek Voedselveiligheid 6, 34, 35

WTO 8, 21, 26, 27

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

1. Aansluiting op de ontwerpbegroting 2000; Uitgaven

In totaal is voor de uitgaven f 4 036,9 mln. geraamd. Ten opzichte van de begroting 2000 betekent dit een verhoging van f 136,8 mln.. In 2000 was een meerjarencijfer voor 2001 opgenomen dat per saldo f 82,4 mln. lager was dan het begrotingsbedrag voor 2000. Ten opzichte van het meerjarencijfer 2000 is derhalve sprake van een verhoging met f 219,2 mln..

Meerjarencijfers totaal uitgaven (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 3 900,13 817,73 837,63 730,43 800,1 
1e suppletore begroting       
– Mestbeleid 481,7– 39,6– 53,0– 14,0– 35,0 
– EHS 79,088,086,082,065,0 
– Loonbijstelling 63,363,463,362,963,2 
– Nota NBL 21e eeuw 50,0     
– Prijsbijstelling 20,119,920,718,720,0 
– Eindejaarsmarge 31,6     
– BTW-compensatie 17,04,02,0   
– Landschapsbeheer/Natte natuur 17,0     
– Biologische landbouw 15,0     
– Voedselveiligheid 15,0     
– Agenda 2000 10,010,010,010,010,0 
– Integratie Praktijkonderzoek 5,0     
– Leerlingenstijging 3,03,03,03,03,0 
– VBTB 2,32,3    
– Voortgezet Agrarisch Onderwijs 1,01,01,01,01,0 
– Herschikkingen/Ramingsbijstellingen – 12,5– 12,5– 12,5– 12,5– 12,5 
– Desalderingen – 11,4– 6,9– 7,0– 6,8– 16,0 
– Interdepartementale overboekingen – 4,3– 9,0– 11,7– 4,9  
– overige 0,1– 0,4– 0,3– 0,4– 0,3 
Subtotaal 4 683,03 940,93 939,13 869,43 898,5 
Nieuwe wijzigingen       
– Nota NBL 21e eeuw  50,0100,0100,0100,0 
– Plattelandsontwikkelingsplan 45,827,718,420,520,3 
– Innovatie Fonds 40,0     
– Biologische landbouw  25,020,015,010,0 
– Voedselveiligheid  20,020,010,010,0 
– Natte natuur/Landschapsbeheer  17,0    
– Landinrichting/Verdroging 25,0     
– Onderwijsintensiveringen 13,911,25,74,44,4 
– Leerlingenstijging VAO  15,015,015,015,0 
– Integratie praktijkonderzoek  10,05,0– 5,0– 10,0 
– Patrouillevaartuig 7,58,2    
– BTW-compensatie  5,45,45,45,4 
– Onderwijsintensiveringen (FES) 4,04,03,03,03,0 
– Nitraatprojecten 4,01,0    
– Agenda 2000 3,38,38,38,38,3 
– Huisvesting AID 3,20,40,40,40,2 
– Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland 3,13,02,92,92,9 
– Uitgaven KVP 3,0     
– Stelselwijziging Rijkshuisvesting 2,02,02,02,02,0 
– Desalderingen 1,7– 0,1– 0,1– 0,1– 0,1 
– Project «aanvullend stikstofbeleid» 0,7     
– COKZ 0,50,50,50,50,5 
– Intrekking Heffing DGF – 44,0– 116,0– 108,0– 106,0– 104,0 
– Onderzoeksprojecten – 5,2– 1,0    
– Integratie IAC/ILRI in WUR  – 0,6– 0,6– 0,6– 0,6 
– Interdepartementale Overboeking – 2,85,07,68,39,9 
– Overige – 1,2  0,1– 5,0 
Stand ontwerpbegroting 20014 463,34 787,54 036,94 044,53 953,33 970,64 039,6
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.2 025,42 172,51 831,91 835,31 793,91 801,81 833,1

Toelichting

De belangrijkste budgettaire veranderingen van de begroting 2001 worden nader toegelicht in de memorie van toelichting paragraaf 1.2. financieel kader en in de artikelsgewijze toelichtingen.

Verdeling uitgaven over de Hoofdbeleidsterreinenkst-27400-XIV-2-1.gif

Uitgaven meerjarig (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-2.gif

Toelichting

De hogere uitgaven in 2000 worden vooral veroorzaakt door de éénmalige uitgaven in het kader van het Mestbeleid. Het uitgavenbudget voor de komende jaren is structureel hoger ten opzichte van de ontwerp begroting 2000 door vooral de extra middelen die zijn toegevoegd aan de begroting voor de Ecologische Hoofd Structuur, Biologische Landbouw, voedselveiligheid, POP en de leerlingenstijging in het Voortgezet Agrarisch Onderwijs.

2. Aansluiting op de ontwerpbegroting 2000; Ontvangsten

In totaal is voor de ontvangsten f 596,0 mln. geraamd. Ten opzichte van de begroting 2000 betekent dit een verlaging met f 171,5 mln. In 2000 was een meerjarencijfer voor 2001 opgenomen dat per saldo f 27,3 mln. hoger was dan het begrotingsbedrag voor 2000. Ten opzichte van het meerjarencijfer 2000 is derhalve sprake van een verlaging met f 144,2 mln.

Meerjarencijfers totaal ontvangsten (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 740,2767,5767,1760,5762,5 
1e suppletore begroting       
– Wijziging financiering agentschappen – 12,5     
– Desalderingen – 11,4– 7,0– 7,0– 6,8– 16,0 
Subtotaal 716,3760,5760,0753,7746,5 
Nieuwe wijzigingen       
– Plattelandsontwikkelingsplan 45,827,718,420,520,3 
– EU-ontvangsten patrouillevaartuig 6,88,2    
– EU bijdrage KVP 3,2     
– Perceptie kostenvergoedingen 3,33,313,18,28,2 
– Schuif perceptiekostenvergoeding  – 87,087,0  
– Desaldering 1,7– 0,1– 0,1– 0,1– 0,1 
– Integratie IAC/ILRI in WUR  – 0,6– 0,6– 0,6– 0,6 
– Intrekken heffing DGF – 44,0– 116,0– 108,0– 106,0– 104,0 
– Overige – 0,20,0– 0,3– 0,4– 2,5 
Stand ontwerpbegroting 2001779,5732,9596,0769,5675,2667,8671,3
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.353,7332,6270,5349,2306,4303,0304,6

Verdeling ontvangsten over de hoofdbeleidsterreinenkst-27400-XIV-2-3.gif

Ontvangsten meerjarig (x f 1 mln.)kst-27400-XIV-2-4.gif

Toelichting

De lagere ontvangsten in 2001 worden vooral veroorzaakt doordat de tijdige ratificering van het nieuwe Eigen Middelen besluit op dit moment onzeker is. Hetgeen leidt tot een jaar vertraging van de implementatie. Gevolg is dat de verhoging van de perceptiekosten vergoeding voor Nederland over 2001 eerst in 2002 wordt ontvangen.

3. Leeswijzer

Bij het opstellen van de ontwerpbegroting zijn, met het oog op het geven van een optimaal inzicht, de volgende uitgangspunten gehanteerd:

– Mutaties kleiner dan f 0,5 mln. worden per artikel opgeteld en onder de post overige opgenomen;

– Mutaties tussen f 0,5 mln. en f 3,0 mln. worden concreet benoemd, maar niet nader toegelicht;

– Mutaties groter dan f 3,0 mln., of meer dan 10% van het artikelbedrag of van inhoudelijk belang worden toegelicht.

Naast een toelichting van de mutaties bij de artikelen worden de belangrijkste mutaties bij de beschrijving van het hoofdbeleidsterrein weergegeven.

Uitgebreidere informatie over apparaatsuitgaven en subsidies is opgenomen in bijlage 1 respectievelijk bijlage 6.

Op ieder eerste artikel van een hoofdbeleidsterrein worden de apparaatsuitgaven van een aantal directies en diensten geraamd. Deze bestaat altijd uit de volgende artikelonderdelen:

– ambtelijk personeel: de loonkosten en overig tot het loon te rekenen kosten van het ambtelijk personeel;

– overig personeel: de kosten van het niet-ambtelijk personeel (o.a. uitzendkrachten);

– materieel: de materiële uitgaven, waaronder reis-, pension- en verhuiskosten;

– post-actieven: de uitgaven ten behoeve van post-actieven van ná 1 april 1995 (onder andere de Regeling Rijkswachtgeldbesluit, de Uitkeringsregeling 1966 en de wachtgeld/VUT-regeling).

1. UITGAVEN EN VERPLICHTINGEN

10. Algemeen

Onder het hoofdbeleidsterrein Algemeen worden de personele en materiële uitgaven geraamd van directies die niet tot één van de andere hoofdbeleidsterreinen behoren. Daarnaast zijn onder dit hoofdbeleidsterrein de technische artikelen voor prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien opgenomen, alsmede een artikel 10.05 voor overige subsidies en uitgaven en artikel 10.06 bijdrage agentschap LASER.

Aandeel uitgaven 10 Algemeen in de begroting 2001 (x f mln.) Indeling uitgaven 10 Algemeen kst-27400-XIV-2-5.gifkst-27400-XIV-2-6.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 10 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 395,7375,7364,4367,0370,3 
1e Suppletore begroting 96,990,890,387,087,3 
Nieuwe wijzigingen       
– Huisvesting AID 3,20,40,40,40,2 
– Stelselwijziging Rijkshuisvesting 2,02,02,02,02,0 
– Desaldering 1,7– 0,1– 0,1– 0,1– 0,1 
– Patrouillevaartuig 0,8     
– COKZ 0,50,50,50,50,5 
– Loonbijstelling – 51,9– 63,1– 63,1– 62,7– 63,0 
– Agenda 2000 – 9,45,05,05,05,0 
– Interdepartementale overboeking – 2,8– 0,9– 1,3– 1,6– 1,1 
– Overige – 4,3– 0,71,03,13,1 
Stand ontwerpbegroting 2001421,7432,4409,6399,1400,6404,2404,1
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.191,3196,2185,9181,1181,8183,4183,4

10.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd van de politieke en ambtelijke leiding, de stafdirecties, de Algemene Inspectiedienst, de directie Juridische Zaken en de regionale beleidsdirecties.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 320 861303 205294 585298 134301 476 
1e Suppletore begroting 5 2584 7875 3375 7374 437 
Nieuwe wijzigingen       
1 Prijsbijstelling/herschikking 14 47517 64119 86820 05021 596 
2 Agenda 2000 – 9 4005 0005 0005 0005 000 
3 Loonbijstelling 7 075– 3 038– 3 596– 3 850– 3 310 
4 Huisvesting AID 3 199389389389207 
5 Stelselwijziging rijkshuisvesting 2 0002 0002 0002 0002 000 
6 Desaldering 1 734– 100– 100– 100– 100 
7 Patrouillevaartuig 750     
8 COKZ 500500500500500 
9 Interdepartementale overboeking VROM 351370370370370 
10 Overige 1 3101 8821 8821 4821 482 
Stand ontwerpbegroting 2001336 371348 113332 636326 235329 712333 658333 566
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000152 639157 967150 944148 039149 617151 407151 366

Toelichting

2. Agenda 2000

In het kader van de besluitvorming Voorjaarsnota 2000 is de LNV-begroting bijgesteld ten behoeve van hogere uitvoeringskosten over de begrotingsvoorbereiding i.v.m. Agenda 2000. Voor 2000 vindt de toedeling van de budgetten plaats. Voor 2001 en latere jaren worden de budgetten bij Voorjaarsnota 2001 toegewezen.

3. Loonbijstelling

Bij het toedelen van de loonbijstelling 2000 is uitgegaan van de maatregelen voor de CAO Rijk 2000–2001 benodigde loonbijstelling. Hierbij wordt geanticipeerd op de nog te ontvangen loonbijstelling 2001. Het hierdoor ontstane meerjarig tekort wordt vooruitlopend op deze loonbijstelling in mindering gebracht op het beschikbare budget van uitgavenartikel 10.01.

4. Huisvesting AID

De Algemene Inspectiedienst in Eindhoven heeft, uit het oogpunt van arbeidsomstandigheden, een ander pand moeten betrekken. Hiervoor wordt een eenmalige bijdrage verstrekt voor de inrichting. De structurele bijdrage heeft betrekking op de hogere huursom van het pand.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 165 707176 017163 845 11 10.0
02 Overig personeel 5 8091 424550 11 10.0
03 Post-actieven 18 82215 21713 456 11 10.0
04 Materieel 146 033155 455154 785 12/52 10.0
Totaal 336 371348 113332 636    

Prestatiegegevens

Algemene Inspectiedienst

De Algemene Inspectiedienst is belast met de handhavingsfunctie op de beleidsterreinen van het ministerie van LNV. De kerntaken van de dienst zijn:

– het controleren, opsporen en verifiëren van de naleving van de LNV-regelgeving c.q. het signaleren van het ontbreken daarvan en

– het geven van adviezen over de controleerbaarbeid en de handhavingsaspecten van voorgenomen beleid en regelgeving.

De onderkende primaire prestaties van de AID zijn: controles, opsporingen en verificaties. Bij de hiervoor benodigde tijdsinzet wordt rekening gehouden met de tijdsinzet ten behoeve van beleidsadvisering en voorlichting. Deze activiteiten zijn derhalve in de uitgaven per prestatie verdisconteerd.

 
Omschrijving prestatie-eenheden bedragen in guldens199920002001
01 Akkerbouw/tuinbouw/sierteelt   
– Aantal prestaties938950950
– Totale kosten1 271 8851 338 4261 338 426
– Gemiddelde kosten per prestatie1 3561 4091 409
02 Bestrijdingsmiddelen   
– Aantal prestaties13 3166 9006 900
– Totale kosten6 393 8016 378 5236 378 523
– Gemiddelde kosten per prestatie480926926
03 Diergeneesmiddelen/diervoeder   
– Aantal prestaties1 508870870
– Totale kosten6 632 8614 684 4904 684 490
– Gemiddelde kosten per prestatie4 3985 3845 384
04 Meststoffen   
– Aantal prestaties5 77311 70011 700
– Totale kosten14 661 98919 168 05219 168 052
– Gemiddelde kosten per prestatie2 5401 6381 638
05 Natuurbescherming   
– Aantal prestaties4 0133 1003 100
– Totale kosten4 881 2895 219 0975 219 097
– Gemiddelde kosten per prestatie1 2161 6841 684
06 Paardensport   
– Aantal prestaties102140140
– Totale kosten550 004501 910501 910
– Gemiddelde kosten per prestatie5 3923 5853 585
07 TAB/zuivel   
– Aantal prestaties6 6128 4608 460
– Totale kosten15 860 49017 284 59417 284 594
– Gemiddelde kosten per prestatie2 3992 0432 043
08 Varkensmaatregelen   
– Aantal prestaties5 7108 1308 130
– Totale kosten8 480 69110 536 47510 526 475
– Gemiddelde kosten per prestatie1 4851 2961 296
09 Veehouderij/GBCS   
– Aantal prestaties11 28410 81710 817
– Totale kosten9 436 01310 216 65510 216 655
– Gemiddelde kosten per prestatie836944944
10 Visserij   
– Aantal prestaties18 03618 94418 944
– Totale kosten12 204 26711 847 98111 847 981
– Gemiddelde kosten per prestatie677625625
11 Vlees/Pluimvee   
– Aantal prestaties2 006910910
– Totale kosten4 331 2853 805 6713 805 671
– Gemiddelde kosten per prestatie2 1594 1824 182
12 Fraude/Recherche   
– Aantal prestatiesnvtnvtnvt
– Totale kosten6 736 4267 382 1297 382 129
– Gemiddelde kosten per prestatienvtnvtnvt
13 Overige   
– Aantal prestatiesnvtnvtnvt
– Totale kosten   
– Gemiddelde kosten per prestatie    
    
Totaal   
– Aantal prestaties69 29870 92170 921
– Totale kosten (x f 1 mln.)91 441 00098 373 00098 373 000
– Gemiddelde kosten per prestatie1 3201 3871 387

Toelichting

De gemiddelde kosten ten opzichte van 1999 stijgen enigszins. Factoren die hieraan ten grondslag liggen zijn onder andere een hogere gemiddelde personeelslast en specifieke investeringen (met name in automatisering) voor bepaalde vakgebieden.

De fluctuatie van de gemiddelde kosten heeft vooral te maken met een verschil in controle-intensiteit zowel binnen als tussen de vakgebieden. De belangrijkste fluctuaties worden hier genoemd:

• Bestrijdingsmiddelen. Er is sprake van verschuiving van controle-object, waardoor de controles arbeidsintensiever zijn en daardoor ook meer kosten met zich mee brengen. Met dezelfde capaciteit konden in 2000 dan ook minder controles worden uitgevoerd.

• Diergeneesmiddelen/diervoeders. Het aantal prestaties lag in 1999 hoger vanwege de dioxinecrisis. De lagere gemiddelde kosten in 1999 worden veroorzaakt door een lagere arbeidsintensiviteit per controle in 1999.

10.02 Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel

Het artikel dient ter verwerking van de gevolgen van prijsontwikkelingen. De toegekende prijsbijstelling wordt tijdelijk aan het artikel toegevoegd waarna toerekening plaatsvindt aan de relevante artikelen.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000  
1e Suppletore begroting 20 13819 93720 71418 66920 031 
Nieuwe wijzigingen        
1 Verdeling prijsbijstelling – 20 138– 19 937– 20 714– 18 669– 20 031 
Stand ontwerpbegroting 2001
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000

Toelichting

1. Verdeling Prijsbijstelling

De prijsbijstelling is bijna volledig toegevoegd aan artikel 10.01 voor het oplossen van een aantal knelpunten.

Economische codering: 12

Functionele codering: 10.9

10.03 Loonbijstelling

De grondslag van het artikel

Het artikel dient ter verwerking van de gevolgen van loonontwikkelingen. De toegekende loonbijstelling wordt tijdelijk aan het artikel toegevoegd waarna toerekening plaatsvindt aan de loongevoelige artikelen.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000  
1e Suppletore begroting 63 34363 40763 26062 90163 152 
Nieuwe wijzigingen        
1 Verdeling loonbijstelling – 60 190– 62 092– 61 550– 60 897– 61 707 
2 Interdepartementale overboeking BZK – 3 153– 1 315– 1 710– 2 004– 1 445 
Stand ontwerpbegroting 2001
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000

Toelichting

1. Verdeling loonbijstelling

Het saldo van de loonbijstelling is als volgt over de artikelen verdeeld.

 
  200020012002200320042005
U10.01Personeel en materieel7 075– 3 038– 3 596– 3 850– 3 310– 2 917
U10.06Agentschap LASER1 1932 0642 0432 0472 0472 047
U11.01Personeel en materieel458440439440440440
U11.05Uitvoering EU-maatregelen1 6181 6181 6181 6181 6181 618
U12.01Personeel en materieel7441 3571 3411 3431 3431 343
U12.06Agentschap BH6741 2321 230995995995
U13.01Personeel en materieel3 1875 7065 5505 5555 5565 556
U13.03Inrichting111111
U13.04Beheer4 3346 2616 3006 3386 3646 364
U13.05Overige subsidies en uitgaven528538535535535535
U14.01Personeel en materieel222404401401401401
U15.01Personeel en materieel4 1287 8667 8907 9417 9917 991
U15.02Agentschap PD482875862863863863
U15.03Gezondheid en Kwaliteitszorg100180179180180180
U16.01Personeel en materieel812572568569569569
U16.02Wetenschappelijk Onderzoek8 3669 1929 1488 9628 9628 962
U16.03Praktijkonderzoek1 2601 2801 2641 2641 2641 264
U16.04Bedrijfsontwikkeling836830802928898898
U16.05Wetenschappelijk onderwijs5 9396 0486 0306 0386 0736 073
U16.06Hoger agrarisch onderwijs3 1863 2503 2403 2613 2803 280
U16.07Voortgezet agrarisch onderwijs13 86814 20814 49314 25114 41414 414
U16.08Agrarisch praktijkschoolonderwijs1 1791 2081 2121 2171 2231 223
Totaal Loonbijstelling60 19062 09261 55060 89761 70762 100

2. Interdepartementale overboeking

In het CAO akkoord sector Rijk 2000 – 2001 is een aantal maatregelen en projecten voorzien die centraal, door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, worden uitgevoerd. Deze middelen staan op de LNV begroting en worden nu naar BZK overgeheveld.

Economische codering: 11

Functionele codering: 10.9

10.04 Onvoorzien

De grondslag van het artikel

Ingevolge artikel 5, zesde lid van de Comptabiliteitswet is een begrotingsartikel voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Het artikel is bestemd voor uitgaven die ten tijde van de begrotingsvoorbereiding niet zijn voorzien.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2001393393393393393393
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000178178178178178178

Economische codering: 12

Functionele codering: 10.9

10.05 Overige subsidies en uitgaven

De grondslag van het artikel

Het artikel bevat een raming van subsidies en uitgaven die niet onder één van de andere hoofdbeleidsterreinen vallen. Het betreft middelen die beschikbaar zijn voor emancipatieprojecten in de landbouw en voor aan ambtenaren verstrekte voorschotten.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 1 6333 4531 753753753 
Nieuwe wijzigingen        
1 Prijsbijstelling 105     
2 Kasschuif Floriade  – 300 300  
Stand ontwerpbegroting 20011 1611 7383 1531 7531 053753753
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10005277891 431795478342342

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Emancipatie 373500500 43F 10.0
02 Overige 7881 2382 653 72E 10.0
Totaal 1 1611 7383 153    

10.06 Agentschap LASER

De grondslag van het artikel

Met ingang van 1 januari 1999 is het Agentschap LASER ingesteld. Op dit artikel wordt de bijdrage van het Ministerie van LNV aan het Agentschap LASER geraamd. Deze bijdrage is ter financiering van de producten en diensten die LASER aan LNV levert. Voor het jaar 2000 is in deze bijdrage tevens een bedrag ad. f 1,2 mln. opgenomen, waarmee een gedeelte van de vordering van LASER op LNV inzake Euro wordt ingelost. De begroting van het Agentschap wordt nader toegelicht onder wetsartikel 4 van deze begroting.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 72 78268 63867 69367 69367 693 
1e Suppletore begroting 8 1652 681981– 319– 319 
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 1 1932 0642 0432 0472 047 
Stand ontwerpbegroting 200184 12882 14073 38370 71769 42169 42169 421
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100038 17637 27433 30032 09031 50231 50231 502

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

11. Internationale aangelegenheden

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de uitgaven geraamd die in hoofdzaak dienen ter ondersteuning van het LNV-beleid in internationaal verband. Hiertoe behoren de uitgaven die betrekking hebben op de directie Internationale Zaken, de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland (AVB) en t/m 2000 het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en het International Institute for Land Reclamation and Improvement (ILRI).

Daarnaast worden op dit hoofdbeleidsterrein de uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de aan- en verkoop van de interventieproducten opgenomen alsmede de uitgaven samenhangend met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie.

De uitgaven voor de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland, de contributies aan de FAO en de UNEP en de bijdrage aan het Afrika Studiecentrum (ASC), worden volledig aan de homogene groep Internationale Samenwerking toegerekend.

Aandeel uitgaven 11 Internationale aangelegenheden in de begroting 2001 (x f 1 mln) Indeling uitgaven 11 Internationale aangelegenheden kst-27400-XIV-2-7.gifkst-27400-XIV-2-8.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 11 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 129,4130,1130,0130,0130,0 
1e Suppletore begroting 3,8– 0,3– 0,3– 0,3– 0,3 
Nieuwe wijzigingen       
– Agenda 2000 5,03,33,33,33,3 
– Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland 3,13,02,92,92,9 
– Loonbijstelling 2,12,12,12,12,1 
– BTW-compensatie IAC/ILRI  2,22,22,22,2 
– Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 14,4– 14,4– 14,4– 14,4 
– Overige 1,8– 0,6– 0,6– 0,6– 0,6 
Stand ontwerpbegroting 2001109,4145,2125,4125,2125,2125,2125,2
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100049,765,956,956,856,856,856,8

11.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd van de directie Internationale Zaken en de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland. In het kader van de integratie per 1 januari 2001 van de stichting Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en de stichting International Institute for Land Reclamation and Improvement (ILRI) in het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) zijn de apparaatsuitgaven van het IAC en ILRI met ingang van 2001 ondergebracht bij hoofdbeleidsterrein 16 Wetenschap en kennisoverdracht.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 45 19245 07145 00545 00545 005 
1e Suppletore begroting 11  
Nieuwe wijzigingen       
1 Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland 3 0902 9912 8772 8772 877 
2 BTW-compensatie IAC/ILRI  2 2002 2002 2002 200 
3 Loonbijstelling 458440439440440 
4 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 12 025– 11 976– 11 976– 11 976 
5 Overige – 386– 386– 469– 469– 469 
Stand ontwerpbegroting 200151 61148 36538 29138 07638 07738 07738 077
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.23 42021 94717 37617 27817 27917 27917 279

Toelichting

1 Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland

De verhoging van het onderhavige artikel wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van de loonkosten van het lokaal personeel alsmede de huurkosten van de Agrarische Vertegenwoordiging.

De verhoging van het artikel komt ten laste van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

4 Integratie IAC/ILRI in WUR

In het kader van de integratie per 1 januari 2001 van de stichting Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en de stichting International Institute for Land Reclamation and Improvement (ILRI) in het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) worden de apparaatsuitgaven van het IAC en ILRI samengevoegd tot een nieuw artikelonderdeel op uitgavenartikel 16.02 Wetenschappelijk onderzoek. (zie ook U11.03 Overige subsidies en uitgaven, M11.01 Ontvangsten voor apparaat en M11.03 Overige ontvangsten).

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 38 89537 28927 322 11 10.0
02 Overig personeel 5 4065 4005 400 11 10.0
03 Post-actieven 17615460 11 10.0
04 Materieel 7 1345 5225 509 12/52 10.0
Totaal 51 61148 36538 291    

11.02 Bijdrage aan het LEF

Op dit artikel worden vanaf 2000 geen uitgaven meer geraamd in verband met de integratie van het LEF-A in de begroting van LNV.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 200139 863-
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100018 089-

11.03 Overige subsidies en uitgaven

De grondslag van het artikel

Het artikel bevat een raming van uitgaven, die dienen ter ondersteuning van het LNV-beleid in internationaal verband, inclusief de uitgaven in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Het betreft ramingen voor bijdragen en contributies aan internationale organisaties, waaronder de FAO, en de bijdrage aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ten behoeve van de Stichting Afrika Studiecentrum.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 17 91318 72118 72118 72118 721 
1e Suppletore begroting – 187– 337– 337– 337– 337 
Nieuwe wijzigingen        
1 FAO-contibutie 1 824     
2 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 2 393– 2 3932 393– 2 393 
3 Overige 390– 89– 89– 89– 89 
Stand ontwerpbegroting 200117 96619 94015 90215 90215 90215 90215 902
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10008 1539 0487 2167 2167 2167 2167 216

Toelichting

1 FAO-contributie

Het onderhavige artikel wordt verhoogd in verband in verband met een aanpassing aan de dollarkoers.

Deze verhoging werkt door in de raming van de FAO-contributie en komt ten laste van de Homogene Groep Internationale Samenwerking.

2 Integratie IAC/ILRI in WUR

Zie de toelichting bij artikel 11.01 Personeel en Materieel.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Contributies en bijdragen aan (internationale) organisaties 14 23015 83114 566 43G 01.53
02 Internationaal Agrarisch Centrum/Afrika Studiecentrum 2 3022 8111 336 43A 10.0
03 Bouwkundige voorzieningen 1 2981 298  52 10.0
04 Overige 136   43 01.53
Totaal 17 96619 94015 902    

11.04 Interventievoorraden.

De grondslag van het artikel

Op dit artikel zijn de uitgaven uit hoofde van de aankoop van interventieproducten opgenomen. De aankoop van interventieproducten wordt gefinancierd uit de nationale middelen. Hiertegenover staan de opbrengsten uit verkopen (M11.04), alsmede de door de EU te vergoeden verliezen op deze verkopen. De gefinancierde eindvoorraad die als gevolg van deze transacties ultimo van het begrotingsjaar resulteert, wordt als beginvoorraad overgeboekt naar het volgende jaar. De voorraadontwikkeling heeft aldus geen invloed op de begroting van LNV. In de onderhavige begroting zijn de artikelen die betrekking hebben op de voorraadontwikkeling pro memorie geraamd.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2001pm
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000pm-

11.05 Uitvoering EU-maatregelen

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden uitgaven samenhangend met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie geraamd, inclusief de aankopen uit hoofde van de regeling Sociale Boter.

Op het artikelonderdeel «interventiekosten» worden de kosten van in-, op- en uitslag geraamd van de marktordeningsproducten zuivel, rundvlees en granen.

De medebewindskosten betreffen de vergoedingen voor taken die door de productschappen in medebewind worden verricht. Deze taken omvatten de uitvoering van maatregelen in het kader van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie en hebben in hoofdzaak betrekking op het opleggen van heffingen, het verlenen van exportrestituties, alsmede de administratie hiervan.

Ten behoeve van de afwikkeling van declaraties over afgesloten jaren met het EOGFL, afdeling Garantie, door middel van de zogenaamde apurement-procedure en de uitgaven in het kader van de regeling Sociale Boter, zijn op dit artikel stelposten opgenomen.

Op het onderdeel «overige uitgaven» worden onder andere de kosten van schikkingen geraamd die samenhangen met de uitvoering van de Superheffing.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 66 28266 28266 28266 28266 282 
1e Suppletore begroting 3 947     
Nieuwe wijzigingen        
1 Agenda 2000 5 0003 3003 3003 3003 300 
2 Loonbijstelling 1 6181 6181 6181 6181 618 
Stand ontwerpbegroting 200176 84771 20071 20071 20071 20071 200
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 100034 87232 30932 30932 30932 30932 309

Toelichting

1 Agenda 2000

De besluitvorming in het kader van Agenda 2000 leidt zowel tot een uitbreiding van bestaande activiteiten (controle-activiteiten, invoercertificaten) alsmede tot nieuwe werkzaamheden (inkomensregelingen) bij de productschappen.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Interventiekosten 2 0002 000 12 10.1
02 Medebewindskosten 62 34758 200 11/12/52 10.1
03 Apurement 5 0005 000 43G 10.1
04 Regeling Sociale Boter 5 0005 000 41 10.1
05 Overige uitgaven 2 5001 000 12 10.1
Totaal 76 84771 200    

Prestatiegegevens

De gepresenteerde prestatiegegevens geven een globaal beeld van het aantal aanvragen voor exportrestituties, productiesteun, de invoer van landbouwproducten alsmede het aantal mutaties m.b.t. superheffing. Voorts zijn enkele gegevens opgenomen met betrekking tot het gemiddelde aantal afgehandelde aanvragen per mensjaar, de gemiddelde personeelsinzet, de berekende gemiddelde uitgaven per mensjaar, de gemiddelde uitvoeringskosten per aanvraag en het gemiddelde financieel belang per aanvraag.

Het betreft hier uitdrukkelijk alleen gegevens met betrekking tot werkzaamheden die in medebewind worden uitgevoerd door de productschappen. Voor de prestatiegegevens met betrekking tot interventie-uitgaven en inkomenssteunmaatregelen door het Agentschap LASER wordt verwezen naar wetsartikel 4 Agentschap LASER.

 
Aanvragen voor exportrestituties/Productiesteun/certificaten invoer Landbouwproducten/superheffingmutaties1999 aantal aanvragen(x 1000)2000 aantal aanvragen(x 1000)2001 aantal aanvragen(x 1000)2001 Geraamde uitgaven aan restituties(x f 1 mln.)2001 Gem. financieel belang per aanvraag(x f 1,-)
Akkerbouw     
Restituties, productiesteun en invoer van akkerbouwproducten6868684376 426
Restituties voor verwerkte grondstoffen in voedselproducten1441301051651 571
      
Zuivelproducten en melk     
Restituties en veredeling van zuivelproducten62626290614 613
Uitvoercertificaten655  
Invoercertificaten192020  
Superheffing434242   
      
Vlees en eieren     
Exportrestituties4845432225 163
Invoerformulieren192020  
Certificaten191717   
      
Slachtpremies kalveren228736 250
(aantal premiabele kalveren) (1 300)(1 300)   
      
Groenten en fruit     
Exportrestituties en marktordening141212705 833
Certificaten899   
      
Margarine, vetten en oliën     
In- en uitvoerformulieren/certificaten111  
Totaal aantal aanvragen (x 1000)451433406   
Uitgaven medebewind (x f 1 mln.)65,562,358,2   
Totale personeelsinzet medebewind     
In mensjaren450,6424,7420   
Berekend gemiddeld aantal     
Aanvragen per mensjaar1 0001 020967   
Berekende gemiddelde uitvoeringskosten per aanvraag (x f 1,-)145,3143,9143,3   
Berekende gemiddelde uitgaven     
Per mensjaar (x f 1000)145147139  

12. Landbouw

Zoals in de Nota Voedsel en Groen is aangegeven is het beleid de komende jaren gericht op een duurzaam werkend, op eigen kracht internationaal concurrerende agro-food complex, dat midden in de samenleving staat en toonaangevend binnen Europa is. Het beleid van de overheid speelt in op belangrijke technologische en economische veranderingen die van grote invloed zijn op de ontwikkeling van de productie, productiewijze en productie-omstandigheden in de land- en tuinbouw. De overheid stelt daarbij de kaders waarbinnen ondernemingen kunnen handelen. Boeren en tuinders moeten hun inkomen zoveel mogelijk in de markt verdienen, waarbij de agrarische productie dient plaats te vinden op een wijze die maatschappelijk verantwoord is. Onder meer in de Beleidsnota Biologische Landbouw (2001–2004) wordt hieraan een verdere stimulans gegeven. Met het oog op het belang voor de afzet op de Duitse markt wordt geïnvesteerd in een verbetering van het imago van het Nederlandse product.

Voor de herstructurering van de glastuinbouw wordt, naast de reeds bestaande individuele subsidieregeling ter bevordering van de infrastructuur, ingezet op de ontwikkeling van een aantal hoogwaardige, duurzame projectvestigingslocaties.

Om in 2003 te voldoen aan de Europese Nitraatrichtlijn, is een samenhangend pakket flankerende maatregelen samengesteld, dat moeten leiden tot het binnen enkele jaren wegwerken van het mineralen overschot. Daarmee wordt invulling gegeven aan een aantal hoofddoelen:

• het wegwerken van het nationale mestoverschot;

• een herstructurering van de intensieve veehouderij;

• een goede uitgangspositie voor het functioneren van het in te voeren stelsel van mestafzetcontracten;

• een versterking van de samenhang tussen het mestbeleid en het reconstructiebeleid.

Het centrale thema van het stimuleringsbeleid is het aanjagen van dynamiek en vernieuwing in de samenleving, waarbij het belang en de eigen verantwoordelijkheid van sectoren belangrijke uitgangspunten zijn. Een effectieve en doelmatige inzet van overheidsmiddelen voor innovatie zal worden bevorderd door de oprichting van een agro-innovatiefonds. Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met de in EU-verband gestelde kaders.

M.i.v. 2001 zal de verantwoordelijkheid voor de inzet van de middelen voor het sectorspecifieke energiebesparingsbeleid voor de agrosectoren van EZ overgaan naar LNV. De middelen zullen met name worden ingezet in het kader van de Meerjarenafspraken energiebesparing.

In het kader van het klimaatbeleid (CO2-reductieplan) wordt een aantal projecten o.b.v. duurzame grondstoffen ondersteund.

Aandeel uitgaven 12 Landbouw in de begroting 2001 (x f 1 mln.) Indeling uitgaven 12 Landbouw kst-27400-XIV-2-9.gifkst-27400-XIV-2-10.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 12 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 285,8282,6281,0201,3203,4 
1e Suppletore begroting 514,26,98,626,526,3 
Nieuwe wijzigingen       
– Biologische Landbouw  25,020,015,010,0 
– Innovatie Fonds 40,0     
– Agenda 2000 4,2     
– EZ-Energiebesparingsbeleid  6,09,09,910,9 
– Loonbijstelling 1,42,62,62,32,3 
– Plattelandsontwikkelingsplan 3,8– 0,71,3– 9,1– 12,6 
– CO2-reductieplan – 12,57,92,71,3– 2,1 
– Onderzoeksprojecten – 5,2– 1,0    
– Intrekking heffing DGF – 4,7– 4,7– 4,7– 4,7– 4,7 
– Agentschap PD – 2,7     
– Controle diervoeder  – 2,0– 2,5– 3,0– 3,0 
– Overige – 1,9– 1,6– 1,5– 1,4– 1,3 
Stand ontwerpbegroting 2001652,5822,4321,0316,5238,1229,2226,9
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.296,1373,2145,7143,6108,0104,0103,0

12.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd van de directie Landbouw, inclusief het Expertisecentrum LNV, en van de directie Industrie en Handel.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 36 25635 81235 32335 32335 323 
1e Suppletore begroting – 6 350– 6 272– 6 229– 6 624– 6 624 
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 7441 3571 3411 3431 343 
2 Energiebesparingsbeleid 250250250250 
3 Overig – 194– 191– 188– 188– 188 
Stand ontwerpbegroting 200142 64830 45630 95630 49730 10430 10430 104
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100019 35313 82014 04713 83913 66113 66113 661

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 27 63825 64826 203 11 10.1
02 Overig personeel 1 546   11 10.1
03 Post-actieven 544569624 11 10.1
04 Materieel 12 9204 2394 129 12/52 10.1
Totaal 42 64830 45630 956    

12.02 Structuurverbetering

De grondslag van het artikel

Het beleid dat is gericht op de structuur van het individuele primaire landbouwbedrijf betreft met name de subsidiëring van bedrijfsinvesteringen. Hiervoor is een aantal regelingen beschikbaar, zoals de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw. De regeling ter verbetering van de verkaveling bestaat uit een subsidie op de afbraak van glas en een subsidie op het doen van investeringen op bestaande glaskavels van voldoende formaat.

De beschikbare middelen uit de ICES voor de glastuinbouw (deze kabinetsperiode f 45 mln.) worden ingezet ten behoeve van nieuwe grootschalige projectvestigingslocaties. De ondersteuning vindt plaats via de stimuleringsregeling Duurzame Glastuinbouwgebieden.

In het Actieprogramma Energiebesparing 1999/2002 is aangegeven dat de primaire verantwoordelijkheid voor het energiebesparingsbeleid voor de relevante beleidsterreinen overgaat van EZ naar de betrokken departementen. Het ministerie van LNV is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het energiebesparingsbeleid voor de primaire landbouwsectoren, toegesneden op de situatie in deze sectoren. De middelen worden besteed in het kader van de Meerjarenafspraken Energie in de glastuinbouw-, paddestoelen- en bloembollensector en het energie-onderdeel uit GLAMI voor de glastuinbouw. Deze middelen worden met name besteed aan onderzoek gericht op (teelt)techniek en energievoorziening, aan voorlichting en demonstratieprojecten.

Voor de komende jaren wordt nog rekening gehouden met de uitfinanciering van enkele reeds gesloten investerings- en beëindigingsvergoedingsregelingen. Tevens is voor de instandhouding van het eigen vermogen van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw een voorziening getroffen.

Voor het mestbeleid is in de periode 2000 tot en met 2004 in totaal f 929 mln. beschikbaar. Met deze extra middelen voor het mestbeleid worden met name de uitgaven voor de beëindigingsregeling veehouderijtakken (RBV) gefinancierd, alsmede de uitgaven voor sociaal-economische maatregelen waaronder het Sociaal Economisch Plan voor de veehouderij en de inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij, en de handhavings- en uitvoeringskosten van het mestbeleid. Het doel van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken is om 21,5 kilogram fosfaat uit de markt te halen. Dit gebeurt door boeren een subsidie te geven voor het laten doorhalen van hun varkens- respectievelijk mestproductierechten. In 2000 heeft de 1e openstelling van RBV plaatsgevonden (zie tabel).

Raming mestreductie en uitgaven (regeling beëindiging veehouderijtakken)
  2000
reductiedoelstellingmln. kg fosfaat21,5*
ingediende aanvragenmln. kg fosfaat7,5
 • aantal vleesvarkens1 012 500
 • aantal vleeskuikens13 500 000
 • aantal vleeskalveren54 375
 fl. mln.405
toezeggingenmln. kg fosfaat6,0
 fl. mln. (verplichtingen)324
betalingenmln. kg fosfaat0,8
 fl. mln.41

* Betreft de totale reductie doelstelling in kg. fosfaat tot en met 2002 Ter adstructie zijn de aantallen berekend o.b.v. fosfaatproductienormen per dier categorie

De maatregelen worden gefinancierd uit de beschikbare middelen op de LNV-begroting. Daar waar deze middelen niet toereikend zijn, worden deze gefinancierd uit een aparte voorziening binnen het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw.

Daarnaast is voor het nitraatbeleid tot en met 2009 f 600 mln. beschikbaar gesteld voor flankerende maatregelen. Het betreft f 225 mln. op de VROM-begroting en f 375 mln. op de LNV-begroting (artikel 12.02/13.03) voor de periode 1999–2010. Van deze f 600 mln. is f 150 mln. gereserveerd voor kennisontwikkeling en -verspreiding (t/m 2003) en wordt f 450 mln. besteed aan structurele aanpassingen in de melkveehouderij (t/m 2009).

De uitgaven die specifiek op de akkerbouw zijn gericht bestaan voornamelijk nog uit uitgaven ten behoeve van de Beschikking ter zake van het uit de productie nemen van bouwland.

Voorts worden uitgaven voor het structuurbeleid als onderdeel van het Stimuleringskader op dit artikel verantwoord. Het betreffende programma, Markt en Concurrentiekracht, bestaat uit twee onderdelen: een innovatieprogramma, gericht op het stimuleren van innovatie door vernieuwers, en een verspreidingsprogramma, dat beleidsmatig gewenste en beproefde ontwikkelingsrichtingen door koplopers ondersteunt.

Jaarlijks vindt besluitvorming plaats over de verdeling van de beschikbare middelen over de programma's Markt en Concurrentiekracht en Vernieuwing Landelijk Gebied (zie uitgavenartikel 13.05). Hierbij wordt rekening gehouden met reeds geoormerkte beleidsprioriteiten en de uitfinanciering van lopende projecten binnen het Stimuleringskader. Binnen het programma Markt en Concurrentiekracht is, onder andere, ruimte geschapen voor het stimuleringsbeleid in het kader van de Integrale Notitie en voor het stimuleren van modern ondernemerschap in de glastuinbouw, alsmede de ondersteuning van initiatieven die passen binnen de boegbeelden in het kader van de Nota Milieu en Economie (NME).

Voor de Beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 is f 85 mln. extra beschikbaar gesteld. Er wordt gestreefd naar een aandeel van de biologische landbouw in het totale agrarische areaal van ca. 10% in 2010. Voor het realiseren van deze ambitie ligt er een nadrukkelijke verantwoordelijkheid bij bedrijfsleven.

De overheid zal het agrocomplex stimuleren en waar mogelijk ondersteunen om op de veranderingen in de omgeving en op nieuwe marktbehoeften te anticiperen. In de visie nota Voedsel en Groen is aangegeven welke nieuwe beleidsimpulsen het kabinet wat dit betreft voor ogen staan. Om de diverse innovatieprogramma's die in de komende jaren worden ontwikkeld te kunnen financieren, streeft het kabinet naar de vorming van een agro-innovatiefonds van private en publieke middelen. Hiertoe behoort ook een gefaseerd actieplan voor de herschikking van financiële middelen ten gunste van het innovatiefonds.

De opbouw van de raming

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 169 871170 022169 560110 642111 673 
1e Suppletore begroting 490 79411 22512 82533 22033 517 
Nieuwe wijzigingen        
1 Biologische Landbouw  25 00020 00015 00010 000 
2 Innovatiefonds 40 000     
3 Agenda 2000 4 200     
4 Energiebesparingsbeleid  6 6706 6707 8707 870 
5 Bureau Heffingen  – 47 420– 39 890– 41 288– 38 843 
6 Vertraging regeling RSBP – 20 00020 000    
7 Naar Onderzoek diverse projecten – 5 000     
8 Agentschap PD (U15.02) – 2 653     
9 Controle diervoeder (U15.01)  – 2000– 2 500– 3 000– 3 000 
10 Overige – 3 227– 1 232– 1 275– 1 275– 1 275 
Stand ontwerpbegroting 2001481 767673 985182 265165 390121 169119 942111 827
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000218 616305 84182 70875 05154 98454 42750 745

Toelichting

6 Vertraging regeling RSBP

In verband met de late openstelling van de Regeling Stimulering Biologische Landbouwproductiemethoden wordt een deel van het verplichtingenbudget van 2000 naar 2001 geschoven.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 169 460173 889176 202111 724111 724 
1e Suppletore begroting 494 21910 74012 32133 04332 875 
Nieuwe wijzigingen        
1 Biologische Landbouw  25 00020 00015 00010 000 
2 Innovatiefonds 40 000     
3 Agenda 2000 4 200     
4 Energiebesparingsbeleid  2 7014 9695 8966 943 
5 Bureau Heffingen  – 47 420– 39 890– 41 288– 38 843 
6 Onderzoeksprojecten – 5 161– 1 000    
7 Agentschap PD – 2 653      
8 Controle diervoeder  – 2000– 2 500– 3 000– 3 000 
9 Plattelandsontwikkelingsplan 3 782– 7461 289– 9 079– 12 629 
10 Overige – 2 066– 1 232– 1 275– 1 275– 1 275 
Stand ontwerpbegroting 2001452 217701 781159 932171 116111 021105 79599 967
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000205 207318 45472 57477 64950 37948 00845 363

Toelichting

1 Biologische Landbouw

In de Beleidsnota Biologische Landbouw (NPA) 2001–2004 staat aangegeven via welke maatregelen de overheid de komende jaren de groei van de biologische teelten zal ondersteunen en stimuleren. De overheidsondersteuning richt zich o.a. op de omschakeling naar biologische landbouw, op een zodanige manier dat de vraag naar en het aanbod van biologische producten goed op elkaar worden afgestemd. Hierin is ook een belangrijke rol voor de supermarkten weggelegd. Daarnaast richt de aandacht op versterking en professionalisering van de (biologische) ketens.

 
Biologische landbouwbegroot2001streefcijfer2001 t/m 2010
groei biologische productie (ha.)7 18037 000
groei biologische bedrijven (aantal)3803 175
RSBP (ha.)4 720 

2 Innovatiefonds

Innovatie is één van de drie strategische beleidspijlers uit de LNV visienota «Voedsel en Groen». In «Voedsel en Groen» wordt de vorming van een agro-innovatiefonds aangekondigd: een fonds waarmee LNV toekomstgerichte vernieuwende investeringen wil financieren. Het innovatiefonds wordt gevoed met publieke en particuliere middelen (50/50) en heeft het karakter van een «revolving fund». Om vanuit de overheid een snelle impuls te geven aan innovatie is, ten behoeve van het innovatiefonds, in 2000 eenmalig f 40 mln. toegevoegd aan de LNV-begroting. Op dit moment wordt gewerkt aan een verdere uitwerking van het fonds.

3 Agenda 2000

In het kader van de uitvoering van Europese maatregelen (Agenda 2000) wordt het onderhavige artikel bijgesteld ten behoeve van de slachtpremie runderen.

4 Energiebesparingsbeleid

Het ministerie van LNV wordt met ingang van 2001 verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het energiebesparingsbeleid voor de primaire landbouwsectoren. De hiervoor bestemde middelen worden vanuit de begroting van het ministerie van Economische Zaken overgeheveld.

5 Bureau Heffingen

Uit de middelen voor de mestproblematiek wordt vanaf 2001 geld beschikbaar gesteld voor uitvoeringslasten van het mestbeleid bij het Bureau Heffingen. Het betreft een budgetoverheveling van artikel 12.02 Structuurverbetering naar artikel 12.06 bijdrage Bureau Heffingen. De toenemende uitvoeringswerkzaamheden van Bureau Heffingen zijn een gevolg van o.a. de uitbreiding van Minas, nieuw mestbeleid (stelsel van mestafzetovereenkomsten), het stelsel van pluimveerechten en het intensiveren van de communicatie met de agro-sector over de mestregelgeving.

6 Onderzoeksprojecten

De verlaging wordt voornamelijk veroorzaakt door de Dienst Landbouwkundig Onderzoek, die een onderzoek tot het omschakelen van het proefbedrijf «Aver Heino» uitvoert. Vanuit de zogenaamde «nitraatgelden» wordt bijgedragen aan de omschakeling van dit proefbedrijf. Dit gebeurt onder de condities dat het onderzoek bijdraagt aan kennisontwikkeling en -verspreiding met betrekking tot mineralenmanagement in de biologische en gangbare melkveehouderij. De uitgaven ter zake worden verantwoord op hoofdbeleidsterrein 16 Wetenschap en Kennisoverdracht.

9 Plattelandsontwikkelingsplan

Vanaf het jaar 2000 wordt het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) ten uitvoer gebracht. Het POP is de Nederlandse uitwerking van de Europese Kaderverordening plattelandsontwikkeling. In het kader hiervan ontvangt LNV, onder voorbehoud van definitieve goedkeuring van het POP door de Europese Commissie in september, co-financiering vanuit het Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL-G). De uitgaven op dit artikel worden gewijzigd met het bedrag van de EU-bijdrage zoals in het POP is geraamd. Op de ontvangstenbegroting vindt een spiegelbeeldige mutatie plaats. Het gaat bij het onderhavige artikel om een viertal zaken.

Actualisatie van EU-ontvangsten met betrekking tot de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG).

De inkomsten betreffen zowel de EU-bijdrage vanwege de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen, alsmede de EU-bijdrage als gevolg van nieuwe openstellingen van de RSG. De nieuwe openstellingen worden gecofinancierd uit het Garantiefonds voor de landbouw via het Plattelandsontwikkelingsplan (POP).

VAL-regeling

Tot en met 2001 vindt de uitfinanciering van de Regeling Verwerking en Afzet Landbouwproducten (VAL) plaats uit het Oriëntatiefonds voor de landbouw. Als gevolg van de gehanteerde betalingssystematiek worden de EU-ontvangsten tot en met 2001 buiten begrotingsverband geraamd. In 2002 en 2003 vindt de uitfinanciering van de VAL plaats vanuit het Garantiefonds voor de Landbouw (in het kader van het POP). De EU-ontvangsten voor de VAL kunnen in deze jaren wel binnen begrotingsverband worden geraamd. Na 2003 vindt er volgens de huidige ramingen geen uitfinanciering meer plaats.

Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden (RSBP)

In het kader van het Nieuwe Plan van Aanpak voor de biologische landbouw 2001 t/m 2004 zijn de uitgaven -en daarmee ook de EU-cofinanciering- voor de RSBP verhoogd. Voor de nieuwe openstellingen van de RSBP vindt de EU-bijdrage plaats uit het Garantiefonds voor de landbouw via het Plattelandsontwikkelingsplan (POP).

Demo-projecten

Het betreft hier de uitfinanciering van de subsidieregeling demonstratie- en bewustmakingsprojecten duurzame Landbouw (EU-demo). De EU-cofinanciering vindt plaats vanuit het Garantiefonds voor de landbouw en wordt in het kader van het POP binnen begrotingsverband gebracht.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Bedrijfsstructuur 30 25437 72848 357 37 61038 18247 529 43 A/62A 10.1
02 Mest 387 363541 49233 495 377 035541 43329 317 43D 07.35
03 Akkerbouw 7601 882 2 4652 6192 656 31D 10.1
04 Innovatiestimulering 1 297   1 297   62A 10.1
05 Stimuleringskader markt en concurrentiekracht 62 85354 00598 531 33 81079 54780 430 62D 10.1
06 Innovatiefonds  40 000   40 000  62D 10.1
Totaal 481 767673 985182 265 452 217701 781159 932    

Prestatiegegevens

Een van de onderdelen van het Stimuleringskader is de innovatieregeling markt en concurrentiekracht. Met deze regeling wordt beoogd het innovatieve vermogen en de concurrentiepositie van de agro-sector te versterken. Er zijn vanaf 1997 toen de regeling in werking trad, tot en met 1999, 4 beoordelingsrondes (tenderopenstellingen) geweest. In totaal is aan 165 projecten subsidie verleend. Omdat de gesubsidieerde projecten vaak meerdere jaren lopen, zijn de meeste projecten nog in uitvoering: in 1998 zijn er acht projecten afgerond, in 1999 zijn dat er 26 geweest. Door dit geringe aantal is het slechts in beperkte mate mogelijk effecten te meten.

De effectindicatoren zijn gebaseerd op de resultaten van een enquête die bij de bedrijven met afgeronde projecten is uitgevoerd. De gepresenteerde prestatiegegevens zijn daarom vooral indicatief van aard. Om inzicht te verkrijgen in de effectiviteit is de doelstelling van de regeling vertaald in het economisch perspectief van de gesubsidieerde projecten en het uitstralingseffect van de projecten. Om een beeld te geven van de kwaliteit van de regeling zijn gegevens opgenomen over de ingediende en gehonoreerde bezwaarschriften.

 
 realisatie 1998realisatie 1999raming 2000raming 2001
Volume- en prijsinformatie    
1. aantal gehonoreerde aanvragen39324032
2. gemiddelde verleende subsidie per gehonoreerde aanvraag (x f 1000)250250275248
3. toegelicht verplichtingenbudget (x f 1 mln)108118
     
Kostprijzen en kwaliteitsindicatoren    
1. aantal ingediende aanvragen175195250230
beoordelingskosten per aanvraag4 2213 7673 8403 720
2. aantal lopende projecten106124120110
beheerskosten per project per jaar1 7611 2862 1901 720
3. aantal beoordeelde bezwaarschriften126778080
kosten per bezwaarschrift3 8132 7592 1002 170
     
Effectindicatoren \    
1. economisch perspectief per afgerond project:    
gemiddelde terugverdientijd (in jaren)43,83,83,8
% leidend tot vervolgactiviteiten op eigen bedrijf62,577%77%77%
2. uitstralingseffect:     
% leidend tot publicaties87,585%85%85%
% leidend tot vervolgactiviteiten op andere bedrijven37,554%54%54%
     
Kwaliteitsindicatoren (in %)    
1. aantal bezwaarschriften tov aantal ingediende aanvragen17%23%20%20%
2. (gedeeltelijk) gehonoreerde bezwaarschriften t.o.v. afgehandelde bezwaarschriften7%4%5%5%

Toelichting

Kostprijzen en kwaliteitsindicatoren

De beoordelingskosten per aanvraag hebben betrekking op het beoordelingstraject van de aanvraag tot en met de beslissing op de aanvraag; deze aanvragen zijn ingediend in een bepaalde openstellingsperiode (deze hoeft overigens niet overeen te komen met een kalenderjaar). De beheerskosten per project hebben betrekking op de fase na de beslissing op de aanvraag t/m de eindafrekening van het gesubsidieerde project en betreffen gemiddelde jaarkosten (dus niet van een specifieke tender). De kosten per bezwaarschrift hebben betrekking op de totale kosten. Het aantal beoordeelde bezwaarschriften betreft een gemiddelde per jaar.

Effectindicatoren

Ongeveer 3/4 van de projecten hebben geleid tot vervolgactiviteiten op het eigen bedrijf; het gaat hier in de meeste gevallen om het perfectioneren van de innovatie. Bijna alle afgeronde projecten hebben geleid tot een publicatie in de vakbladen van de agro-sector. Naar verwachting zal circa de helft van de gesubsidieerde projecten bij andere agro-bedrijven leiden tot gebruik van de innovatie of een follow-up van het project.

Kwaliteitsindicatoren

De kwaliteitsindicatoren hebben betrekking op bezwaarschriften zoals deze door uitvoerende dienst LASER worden behandeld. Het blijkt dat ongeveer 1/5 van de ingediende aanvragen leidt tot bezwaarschriften. Van de bezwaarschriften wordt circa 5% gehonoreerd.

Volume- en prijsinformatie Stimuleringskader
 1999 20002001
RegelingKasritmeGem. subs. bedragAantal gesubs. Totale verpl. Totale uit-gavenGem. subs. bedragAantal gesubs. Totale verpl.Totale uit-gavenGem. subs. bedragAantal gesubs.Totale verpl. Totale uit-gaven
  x 1000 x 1000x 1000x 1000 x 1000x 1000x 1000 x 1000x 1000
Opengestelde regelingen:             
Innovatieregeling4 jaar265328 4728 1892754011 00015 643275298 0005 872
Demo Markt- en Concurrentiekracht4 jaar248194 7141 454250164 0002 727250164 0002 257
Omschakeling Biologische Landbouw *5 jaar1829918 0311 86100011 22010045045 00028 970
Kwaliteitszorg Biologische Landbouw4 jaar313144 3751 01328672 0001 2760002 112
              
Labelingen en diversen             
In Beslaggenomen Goederen (IBG)1 jaar  2 1032 059  1 3001 300  1 300900
Verbetering productie en afzet van honing2 jaar17071 180565887615615887615615
Nota Milieu en Economie4 jaar40828157500001 22440012,55 0002 017
Integrale Notitie Mest- en Ammoniakbeleid/NUBL2 jaar  9 5305 162  5 3006 859  1 9501 877
BF+ Glastuinbouw     800204 0004 000800255 0005 000
Totale uitfinanciering gesloten regelingen   13 63312 757   34 683   30 810
Verplichtingen die niet tot betaling leiden       25 790   27 666 
Totaal   62 85333 810  54 00579 547  98 53180 430

* Het gemiddeld subsidiebedrag in 2000 en 2001 is lager omdat de subsidie per aanvrager is gebonden aan een maximum. Dit was in 1999 niet het geval.

12.03 Industrie en handel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden uitgaven geraamd ter verbetering van de marktstructuur van de nationale agrarische handel en industrie en voor de stimulering van de internationalisering van de Nederlandse agribusiness.

Uitgaven worden gedaan die zijn gericht op de versterking van de concurrentiekracht, verbetering van de agrologistiek en stimulering van de samenwerking van de agro/foodketens met andere sectoren.

Tevens worden op het artikel uitgaven geraamd voor een aantal projecten in het kader van het CO2-reductieplan.

Met ingang van 2001 worden de uitgaven voor het energiebesparingsbeleid voor de voedings- en genotmiddelenindustrie op de LNV-begroting geraamd.

Een (aflopend) deel van de uitgaven houdt verband met de verplichte nationale bijdragen aan goedgekeurde projecten ingevolge Verordening EEG nr. 866/90. Tenslotte is er sprake van uitfinanciering van projecten uit de VROM-stimuleringsregeling Milieutechnologie en enkele EZ-clusterprojecten.

Daarnaast worden op dit artikel uitgaven geraamd verband houdende met de versterking van de internationale marktpositie van de agribusiness, zowel in hoog ontwikkelde als opkomende markten. Het gaat onder meer om uitgaven voor marktverkenningen, missies, symposia, bijdrage aan vakbeurzen en uitgaven voor het Masterplan Duitsland. Dit is een publiek-privaat meerjarenplan met als doel het verbeteren van de beeldvorming van Nederlandse producten en van Nederland als agrarisch herkomst land.

De opbouw van de raming

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 13 37515 20115 39510 90710 943 
1e Suppletore begroting 30 0581 7901 8909090 
Nieuwe wijzigingen        
1 CO2 reductieplan – 23 30023 300    
2 EZ/Energiebesparing  3 7543 7543 7543 754 
Stand ontwerpbegroting 200123 69120 13344 04521 03914 75114 78714 787
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100010 7519 13619 9879 5476 6946 7106 710
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 27 27520 09516 90111 70713 843 
1e Suppletore begroting 7 3972 5052 5439090 
Nieuwe wijzigingen        
1 CO2 reductieplan – 12 5007 9002 7001 300– 2 100 
2 EZ/Energiebesparing  3 0033 7543 7543 754 
Stand ontwerpbegroting 200119 14822 17233 50325 89816 85115 58720 587
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10008 68910 06115 20311 7527 6477 0739 342

Toelichting

1. CO2 reductieplan

In de begroting 2000 is het artikel voor de jaren 1999–2004 in het kader van het CO2-reductieplan bijgesteld ten behoeve van de uitvoering van projecten m.b.t. duurzame grondstoffen. Als gevolg van een vertraging in de uitvoering van de geplande projecten worden de hiervoor bestemde middelen doorgeschoven naar volgende jaren.

2. Energiebesparingsbeleid

Het Ministerie van LNV wordt met ingang van 2001 verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het energiebesparingsbeleid voor o.a.de voedings- en genotmiddelenindustrie. De hiervoor bestemde middelen worden vanuit de begroting van het Ministerie van Economische Zaken overgeheveld.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Verbetering marktstructuur 2 5872 83430 527 4 1353 34118 870 12 10.1
02 Internationalisering en economische samenwerking 21 10417 29913 518 15 01318 83114 633 12 10.1
Totaal 23 69120 13344 045 19 14822 17233 503    

Prestatiegegevens

Door middel van prestatiegegevens worden de ramingen van de verplichtingenbedragen onderbouwd.

 
Omschrijving prestatie-eenheden 199920002001
01 Verbetering marktstructuur    
Aantal projecten 151519
Gemiddeld bedrag per project(x f 1 000)1731891 409
Overige(x f 1 mln.)3,7
Verplichtingen(x f 1 mln.)2,62,830,5
     
02 Internationalisering en economische samenwerking    
Aantal projecten 141151151
Gemiddeld bedrag per project(x f 1 000)15011589
Verplichtingen(x f 1 mln.)21,117,313,5

12.04 Overige subsidies en uitgaven

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de overige subsidies en uitgaven verantwoord van het hoofdbeleidsterrein Landbouw. De subsidies betreffen additionele projectfinancieringen aan het Nederlands Agrarisch Jongerencontact (NAJK). De overige uitgaven betreffen activiteiten in het kader van beleidsvoorbereiding.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 256423423423423 
1e Suppletore begroting 7 782– 100    
Nieuwe wijzigingen 250     
Stand ontwerpbegroting 200187 1518 288323423423423423
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100039 5473 761147192192192192

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Overige 720418323 43A 10.0
02 Schade-uitkeringen 86 4317 870  63D 10.01
Totaal 87 1518 288323    

12.05 Garanties

De grondslag van het artikel

Met de in 1994 tot stand gekomen wijziging van de financiële verhouding met de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw is de staatsgarantie gestabiliseerd op f 110 mln. Het eigen vermogen van de stichting is eind 1999 ca. f 47 mln. Tezamen met het garantiekapitaal dat wordt aangehouden bij de rijkshoofdboekhouding van ca. f 40 mln. is het totale garantievermogen f 196 mln. Dit vermogen dient ter dekking van het uitstaande borgbedrag dat ultimo 1999 ca. f 1 147 mln. bedroeg. Het uitstaande borgbedrag is het totaal van de leningen die land- en tuinbouwers bij banken hebben afgesloten en waarvoor de stichting borg staat. De inkomsten van de Stichting Borgstellingsfonds, bestaande uit rente, verhaalsvorderingen en provisie, dienen tot betaling van de schaden, respectievelijk tot versterking van het eigen vermogen.

Middels de regeling BF-bijzondere financiering wordt een aantal financiële voorwaarden van het huidige BF aangescherpt en wordt het nieuwe BF-plus opgericht. Het BF-plus biedt naast de mogelijkheid van garantie op gewone leningen ook de mogelijkheid van garantie op achtergestelde leningen (risicodragend vermogen). Doelgroep zijn de voorlopers uit de primaire agrarische sector. BF-plus wordt gericht ingezet op de zogenaamde «bedrijven van de toekomst». Dit zijn bedrijven die voorlopen in het voldoen aan de maatschappelijke randvoorwaarden zoals milieu, diergezondheid en welzijn. Vooralsnog zal het BF-plus alleen worden opengesteld voor de glastuinbouw (met groen label). De eisen aan het bedrijf van de toekomst voor de overige sectoren worden nog ontwikkeld.

In het kader van het CO2-beleid is het gewenst de restwarmte te (her)gebruiken. De mogelijkheid doet zich thans voor om de restwarmte van de Shell-fabriek te Moerdijk te gebruiken voor het daar nieuwe geplande glastuinbouwgebied door de installatie van een restwarmte-aftap. LNV heeft zich in 2000 garant gesteld voor de door Shell hiervoor gemaakte kosten (max. f 0,6 mln) in het geval dat het glastuinbouwgebied onverhoopt en, om redenen buiten Shell niet zou worden gerealiseerd.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantie-overeenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
 1999200020012002 e.v.j.
Garantie plafond196 100203 000209 900216 000
Uitstaand risico per 1 januari110 000110 000110 600110 600
Vervallen of te vervallen garanties
Verleende of te verlenen garanties600
Verliesdecalaraties jaar t
Uitstaand risico per 31 december110 000110 600110 600110 600

Prestatiegegevens

 
Omschrijving prestatie-eenheden199920002001
Borgstelling   
Lopende overeenkomsten5 8465 3424 800
Bij: nieuwe351328237
Af: afgewikkeld– 842– 830– 830
Af: verliesdeclaraties– 13– 40– 60
Saldo5 3424 8004 147
    
Uitstaande borgbedragen (x f 1 mln.)   
Saldo aanvang1 046,61 147,31 277,8
Bij:– 168,3– 101,5– 117,0
Af:272,6237,0130,0
Af: verliesdeclaraties– 3,6– 5,0– 12,0
Saldo ultimo1 147,31 277,81 278,8

12.06 Agentschap Bureau Heffingen

De grondslag van het artikel

Met ingang van 1 januari 1998 is het Agentschap Bureau Heffingen ingesteld. Bureau Heffingen voert wet- en regelgeving op het gebied van mestbeleid uit. Op dit artikel wordt de bijdrage aan het Agentschap Bureau Heffingen geraamd. Deze bijdrage is ter financiering van de producten en diensten die Bureau Heffingen aan LNV levert.

Het mestbeleid is continu aan veranderingen onderhevig. De weg die de afgelopen jaren is ingeslagen (invoering van een stelsel van varkensrechten, invoering van Minas) heeft grote uitvoeringsconsequenties met zich meegebracht, en daarmee een stijging van de uitgaven bij Bureau Heffingen. In september 1999 is het nieuwe integraal mestbeleid vormgegeven. Het nieuwe mestbeleid leidt tot extra uitvoeringswerkzaamheden (invoering van het stelsel van mestafzetcontracten) bij Bureau Heffingen.

Daarnaast brengen o.a. het tweede besluit harheidsgevallen en het stelsel van pluimveerechten eveneens extra werkzaamheden met zich mee. De bijdrage aan het Bureau Heffingen is in lijn met deze intensiveringen structureel verhoogd.

De begroting van het Agentschap wordt nader toegelicht onder wetsartikel 5 van deze begroting.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 52 58652 37352 11342 11342 113 
1e Suppletore begroting 11 112– 3– 3– 3– 3 
Nieuwe wijzigingen       
1 Uitvoering nieuw mestbeleid  47 42039 89041 28838 843 
2 loonbijstelling 6741 2321 230995995 
3 Intrekking heffing DGF – 4 700– 4 700– 4 700– 4 700– 4 700 
Stand ontwerpbegroting 200151 29059 67296 32288 53079 69377 24875 848
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 100023 27427 07843 70940 17336 16335 05434 418

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.01

13. Natuur, Groene Ruimte en Recreatie

Het hoofdbeleidsterrein Natuur, Groene Ruimte en Recreatie heeft betrekking op de inrichting en het beheer van het landelijke gebied. Het beleid beoogt de verschillende functies in het landelijk gebied – landbouw, natuur, landschap, bosbouw en recreatie – optimaal tot hun recht te laten komen. Het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) vormt het beleidsmatige en financiële kader voor de integratie van het ruimtebeslag van de verschillende sectoren. Prioriteit heeft de realisering van de 18 Strategische Groenprojecten en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Versterking van de leefbaarheid en de kwaliteit van het landelijk gebied zijn belangrijke thema's in het beleid voor de Groene Ruimte. Door middel van plattelandsvernieuwing wordt gezocht naar nieuwe economische dragers, het ontwikkelen van nieuwe productiemethoden in land- en tuinbouw en het bevorderen van de samenhang in overheidsbeleid waar een gebiedsspecifieke benadering vereist is.

Het instrumentarium voor de inrichting en beheer van de «groene ruimte» omvat o.a. de verwerving van landbouwgronden met natuuren recreatiebestemming, (land) inrichting en beheer van natuur, bos en landschap.

Daarnaast vindt in een aantal gebieden, waaronder Waardevolle Cultuurlandschappen (WCL), een – tijdelijke – gebiedsspecifieke benadering plaats. In deze gebieden doen zich specifieke knelpunten en kansen voor die met het generieke instrumentarium onvoldoende kunnen worden aangepakt.

Met een eeuw natuurbescherming en met tien jaar gericht natuurbeleid achter de rug, kan worden vastgesteld dat het met de natuur, het bos en het landschap wel de goede kant op gaat, maar dat realisatie van de al afgesproken doelen een extra inzet vereist. Tegelijkertijd is het natuurbeleid ook toe aan een verdere verbreding, die meer recht doet aan de maatschappelijke betekenis van natuur en de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor natuur. Het gaat daarbij om natuur die aansluit bij de wensen van mensen, bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar moet zijn, maar ook natuur die door mensen beschermd, beheerd, bewerkt en ontwikkeld wordt.

In het Regeerakkoord is aangegeven te streven naar een duurzame ontwikkeling en versterking van de kwaliteit van de samenleving. Dit onder meer door een evenwichtige ruimtelijk-economische ontwikkeling te koppelen aan investeren in de kwaliteit van het landschap. Het gaat hierbij om het landelijk gebied als de leefomgeving van nu 16, straks ruim 18, miljoen Nederlanders, als voorraadschuur van water, ruimte, biodiversiteit, als drager van economische activiteiten en als internationaal visitekaartje.

Vanuit deze meervoudige functionaliteit van het landelijk gebied is in de nota NBL'21 (natuur, bos en landschap in de 21e eeuw) een visie beschreven met betrekking tot de toekomst van natuur en landschap.

Om de maatschappelijke verbreding van het natuurbeleid (breed) vorm te geven en de realisering van de hoofddoelstelling van het natuurbeleid dichterbij te brengen, wordt de komende tien jaar ingezet op drie speerpunten:

1. het met kracht en overtuiging voortzetten van de realisering van de Ecologische hoofdstructuur, met een versterkt accent op «verbinden»

2. de verbetering van de kwaliteit van het gehele landelijk gebied, met een accent op multifunctioneel grondgebruik en kwaliteit als richtsnoer voor het (economisch) handelen.

3. de versterking van het duurzaam gebruik van natuur en landschap, met een accent op «duurzaam ondernemen», waarbij natuurlijke producten en diensten worden benut en verzilverd.

Om de ruimtelijke samenhang en het functioneren van de EHS te versterken is het nodig op nationale schaal te investeren in een eerste tranche van zeven robuuste verbindingen met een totale omvang van ca. 13 000 ha. Deze verbindingen versterken tegelijkertijd de recreatiemogelijkheden, de landschappelijke identiteit en de mogelijkheden voor natuurlijk waterbeheer en waterberging.

Het primaire doel bij de verbetering van de kwaliteit van het landelijk gebied buiten de EHS is het veiligstellen en versterken van de identiteit en beleefbaarheid van het Nederlandse landschap. Beoogd wordt om in de periode tot 2020 een kwart (400 000 ha) van het huidige landbouwareaal een stevige kwaliteitsimpuls te geven door te investeren in 40 000 ha kenmerkende landschapselementen. Het gaat bij «groenblauwe dooradering» om het realiseren van een vlechtwerk van landschappelijke, recreatieve en ecologische verbindingen en (kleinere) vlakken. Met de thans beschikbare middelen kan reeds de helft (200 000 ha) van deze ambitie worden gefinancierd.

In 2000 is het subsidiestelsel Programma Beheer in werking getreden. Dit stelsel bestaande uit 2 regelingen, de Regeling Natuurbeheer en de Regeling Agrarisch Natuurbeheer, staat open voor particulieren, samenwerkingsverbanden van particulieren, natuurbeschermingsorganisaties en gemeenten. Met Programma Beheer wordt beoogd particulieren meer te betrekken bij natuurbeheer, meer bos, natuur en landschap buiten de EHS te realiseren alsmede een zakelijker verhouding met de beheerders te introduceren door de subsidie af te rekenen op bereikte natuurkwaliteiten (outputsturing). Beide regelingen komen in de plaats van diverse bestaande subsidie-instrumenten voor bos, natuur en landschap zoals de Regeling Functiebeloning bos en natuur, Beheer Samenwerking Bos, de Regeling Particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties en de Regeling Beheerovereenkomsten en Natuurontwikkeling (RBON).

De subsidies, gekoppeld aan natuurdoelpakketten, bestaan ondermeer uit een bijdrage voor beheer, inrichting, functieverandering, recreatie, landschap en overgangsbeheer en worden in de meeste gevallen verleend voor een tijdvak van 6 jaar. Beide regelingen zijn ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie.

Op grond van de evaluatie in Natuurbalans 1999 en de graadmeters natuurbeleid kan geconcludeerd worden dat het areaal natuur toe neemt, maar dat de diversiteit aan soorten blijft afnemen. Bij de begrenzing wordt er bij de provincies op aangedrongen te streven naar een optimale afstemming van water-, ruimte- en milieucondities.

Grote stedenbeleid

In het kader van het Grote Stedenbeleid worden de volgende middelen op de begroting geraamd en verantwoord.

Groene hart impuls

Van de uitgavenartikelen 13.03 en 13.04 wordt in totaal f 5 mln. structureel toegerekend aan het Grote Stedenbeleid. Het betreft een deel van de Groene Hart Impuls. Dit geld slaat overigens niet neer in de stad, maar draagt wel, gezien de ligging van het Groene Hart, bij aan het Grote Stedenbeleid.

Groen in en om de stad

Samen met het Ministerie van VROM wordt de jaren 2000 t/m 2004 f 100 mln. ingezet voor projecten in het kader van Groen In en Om de Stad (GIOS). Het Ministerie van LNV financiert hiervan 50% (f 50 mln.). Deze bedragen zijn beschikbaar op de diverse artikelen van het onderhavige beleidsterrein. De verdeling over de genoemde jaren is als volgt: (bedragen x f 1 000). Een deel van deze bedragen slaat neer in niet-G25 steden.

 
 200020012002200320042005
GIOS7 00012 00015 5007 5008 000

Aandeel uitgaven 13 Natuur, Groene Ruimte en Indeling uitgaven 13 Natuur, Groene Ruimte en Recreatie in de begroting 2001 (x f 1 mln.) Recreatiekst-27400-XIV-2-11.gifkst-27400-XIV-2-12.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 13 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 1 134,51 142,31 179,31 166,01 221,4 
1e Suppletore begroting 144,630,17,229,7– 11,0 
Nieuwe wijzigingen       
– Nota NBL 21  50,0100,0100,0100,0 
– Plattelandsontwikkelingsplan 42,030,018,631,034,4 
– Landinrichting/verdroging 25,0     
– Natte natuur  10,0    
– Landschapsbeheer  7,0    
– Loonbijstelling 8,012,512,412,412,5 
– Kasverschuiving inrichting 12,5– 7,9– 2,7– 1,32,1 
– Agenda 2000 3,5     
– Overige 4,05,94,83,1– 2,0 
Stand ontwerpbegroting 20011 091,01 374,11 279,91 319,61 340,91 357,41 409,6
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.495,1623,5580,8598,8608,5616,0639,6

Toelichting

Nota NBL 21

Aan de begroting van dit hoofdbeleidsterrein worden middelen toegevoegd in het kader van de nota NBL 21 (Natuur, Bos en Landschap in de 21e eeuw). Deze nota bevat voorstellen om via de aanleg van groene verbindingszones de natuur- en reservaatsgebieden uit de Ecologische Hoofdstructuur aan één te schakelen en tevens de kwaliteit van het Landelijk Gebied te verbeteren door te investeren in een vlechtwerk van landschappelijke, recreatieve en ecologische verbindingen en (kleinere) vlakken, de zgn. «groenblauwe dooradering».

Plattelandsontwikkelingsplan

Vanaf het jaar 2000 wordt het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) ten uitvoer gebracht. Het POP is de Nederlandse uitwerking van de Europese Kaderverordening plattelandsontwikkeling. In het kader hiervan ontvangt LNV, onder voorbehoud van definitieve goedkeuring van het POP door de Europese Commissie in september, co-financiering vanuit het Garantie-

fonds voor de Landbouw (EOGFL-G). De uitgaven op dit hoofdbeleidsterrein worden gewijzigd met het bedrag van de EU-bijdrage zoals in het POP is geraamd.

Op de ontvangstenbegroting vindt een spiegelbeeldige mutatie plaats. Het gaat hier om de uitgaven- en ontvangstenartikelen 13.02 t/m 13.05.

13.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post actieven geraamd van de directies Natuurbeheer, Groene Ruimte en Recreatie en de Dienst Landelijk Gebied.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 146 137139 149135 596135 517135 543 
1e Suppletore begroting 5 624– 5 600– 5 600– 6 600– 6 600 
Nieuwe wijzigingen        
1 Agenda 2000 3 500     
2 Loonbijstelling 3 1875 7065 5505 5555 556 
3 Overige 1352 5352 5352 5352 535 
Stand ontwerpbegroting 2001167 973158 583141 790138 081137 007137 034137 034
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100076 22371 96264 34162 65862 17162 18362 183

Toelichting

1 Agenda 2000/POP

In het kader van de besluitvorming Voorjaarsnota 2000/Kaderbrief is de LNV-begroting bijgesteld ten behoeve van hogere uitvoeringskosten in verband met Agenda 2000: 2000 f 10 mln.; 2001 e.v.j. f 15 mln. Deze middelen zijn geparkeerd op uitgavenartikel 10.01 Personeel en materieel. Voor 2000 wordt op artikel f 3,5 mln. toegedeeld aan het onderhavige artikel.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 109 297112 842107 578 11 10.2
02 Overig personeel 10 3488 9581 615 11 10.2
03 Post-actieven 4881 3691 337 11 10.2
04 Materieel 47 84035 41431 260 12/52 10.2
Totaal 167 973158 583141 790    

13.02 Verwerving

De grondslag van het artikel

Het beleidsterrein verwerving omvat alle grondverwervingsactiviteiten ten behoeve van de uitvoering van het beleid inzake landinrichting, natuur, openluchtrecreatie (inclusief bufferzones) en bos- en landschapsbouw, zoals opgenomen in het Structuurschema Groene Ruimte (SGR).

Op basis van de provinciale invloedsferenkaarten komt het totaal te verwerven areaal natuur, recreatie, bos en landschap uiteindelijk in vrijwel gelijke mate in beheer bij Staatsbosbeheer respectievelijk de particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties. De aankoop van gronden t.b.v. Staatsbosbeheer wordt volledig door het Rijk bekostigd. De natuuraankopen door de particuliere organisaties worden door het Rijk en de provincies ieder voor de helft gesubsidieerd.

De gronden ten behoeve van de doorlevering aan Staatsbosbeheer worden, binnen en buiten landinrichting, verworven door het Bureau Beheer Landbouwgronden. Deze aankopen bestaan uit relatienota-reservaten, natuurontwikkelingsgebieden, landschapselementen en – incidenteel – natuurterreinen en bossen.

Daarnaast verwerft het Bureau Beheer Landbouwgronden terreinen voor de uitvoering van landinrichtingsprojecten. Indien het bureau bij de afronding van een landinrichtingsproject minder grond krijgt toebedeeld dan zij heeft ingebracht (zgn. Onderbedeling) dan wordt dit waardeverschil door het Rijk voorgefinancierd en door de belanghebbenden in termijnen terugbetaald via de landinrichtingsrente; de overige doorleveringen worden contant afgerekend.

Het Rijk subsidieert de rente en aflossing van de leningen die door de Vereniging Natuurmonumenten (onder garantstelling van het Rijk) zijn aangegaan voor de financiering van het rijksaandeel in de aankopen van relatienota-reservaten en natuurterreinen door de particuliere terreinbeherende organisaties. Met ingang van de zomer van het jaar 2000 zal bovengenoemde taak van de Vereniging Natuurmonumenten overgedragen worden aan het Groenfonds.

Ook subsidieert het Rijk de aankopen van natuurontwikkelingsgebieden door de particuliere terreinbeherende organisaties.

Voor de verwerving van gronden door het Bureau Beheer Landbouwgronden op bovengenoemde beleidscategorieën is via het Groenfonds een financieringsfaciliteit beschikbaar. De gronden die aldus onder provinciale garantstelling worden verworven, blijven tot het moment van doorlevering aan de eindbeheerders in bezit en beheer bij het Bureau.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 191 589196 939218 939235 939303 439 
1e Suppletore begroting 101 48598 04093 65096 30084 300 
Nieuwe wijzigingen        
1 Nota NBL 21  37 50075 00075 00075 000 
2 Plattelandsontwikkelingsplan 38 79018 63011 75015 83021 090 
3 Herschikking POP – 7 340     
4 Randstadgroenstructuur 5 0009 1509 1509 1509 800 
5 NUBL 1 100     
6 Overige  – 233– 286– 286– 286 
Stand ontwerpbegroting 2001171 235330 624360 026408 203431 933493 343500 463
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100077 703150 031163 373185 234196 003223 869227 100

Toelichting

1 Nota NBL 21

Aan de begroting van dit hoofdbeleidsterrein worden middelen toegevoegd in het kader van de nota NBL 21 (Natuur, Bos en Landschap in de 21e eeuw). Deze nota bevat voorstellen om via de aanleg van groene verbindingszones de natuur- en reservaatsgebieden uit de Ecologische Hoofdstructuur aaneen te schakelen en tevens de kwaliteit van het Landelijk Gebied te verbeteren door te investeren in een vlechtwerk van landschappelijke, recreatieve en ecologische verbindingen en (kleinere) vlakken, de zgn. «groenblauwe dooradering». Van deze middelen wordt vooralsnog 75% geraamd op het onderhavige artikel en 25% op artikel 13.03 Inrichting. Hiermee kunnen voor ca 13 000 ha groene verbindingszones en 13 000 ha groen-blauwe dooradering worden gefinancierd.

3 Herschikking POP

Met ingang van het jaar 2000 valt de regeling Beheersovereenkomsten en Natuurontwikkeling (RBON) onder de nieuwe Europese kaderverordening. Dit brengt met zich mee dat vanaf 2000 een lager cofinancierings-percentage geldt en als zodanig minder beroep kan worden gedaan op co-financiering van deze regeling.

Om aan de RBON-verplichtingen die vòòr het jaar 2000 zijn aangegaan te kunnen voldoen zullen de lager dan geraamde inkomsten gecompenseerd moeten worden. Hiertoe wordt het onderhavige artikel verlaagd onder gelijktijdige verhoging van artikel 13.04 Beheer, alwaar de RBON-uitgaven worden verantwoord.

4 Randstadgroenstructuur

Op het onderhavige artikel worden o.a. de aankopen ten behoeve van de Randstadgroenstructuur verantwoord. In dit kader wordt voor 2000 f 5,0 mln. vanuit het budget voor Inrichting Recreatie beschikbaar gesteld (artikel 13.03).

De onderverdeling in artikelonderdelen

 
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Aankopen t.b.v. SBB 67 294178 838167 316 67 294178 838167 316 72A 10.2
02 Overige staatsaankopen 23 88147 569– 3 202 23 88147 569– 3 202 72A 07.5
03 Natuurterreinen en reservaten 60 78140 04841 380 60 31341 54840 680 62A 07.5
04 Natuurontwikkeling 19 80464 494139 207 19 74762 669139 582 62A 07.5
05 Randstadgroenstructuur   15 650   15 650 162C 08.3
Totaal 171 760330 949360 351 171 235330 624360 026    

Prestatiegegevens

(Uitgaven x f 1000)
 199920002001
Nadere onderverdeling 01 Aankopen t.b.v. Staatsbosbeheer   
– Aankopen SBB88 778161 500161 500
– Ruilingen SBB 196196
– Plattelandsontwikkelingsplan 17 1425 620
Totaal88 778178 838167 316
    
Nadere onderverdeling 02 Overige staatsaankopen   
– Overdracht van gronden als onderbedeling26 04123 88224 369
– Financiering BBL– 23 64323 687– 27 571
Totaal2 39747 569– 3 202

De door het Bureau Landbouwgronden in 1998 gerealiseerde en voor de jaren 1999 en 2000 geplande areaaluitbreiding bij Staatsbosbeheer en overige staatsaankopen zien er als volgt uit.

 
Omschrijving prestatie-eenheden 199920002001
01 Aankopen t.b.v. Staatsbosbeheer( ha.)   
– relatienota-reservaten 8011 4801 480
– natuurontwikkeling 817740740
– nota nadere uitwerking rivierengebied (NURG) 543  
– natuurterreinen 296620620
– bos- en landschap 3629090
– bufferzones 201300300
Totaal aantal hectares 2 4773 2303 230
Gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)45 59550 00050 000
Uitgaven(x f 1 mln.)112,9161,5161,5
waarvan uitbreiding in bufferzones(x f 1 000)9 401  
waarvan aandeel RWS (NURG)(x f 1 000)14 762  
Ruilingen SBB(x f 1 000) 196196
Plattelandsontwikkelingsplan (x f 1 mln.)  17,15,6
Totaal 01(x f 1 mln.)88,8178,8167,3
     
02 Overige Staatsaankopen    
Overdracht van gronden als onderbedeling     
– Aantal hectares 476478487
– Gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)54 70850 00050 000
– Uitgaven(x f 1 000)26 04123 88224 369
     
Financiering Bureau Beheer Landbouwgronden    
Aankopen:     
– Aantal hectares 6 9803 7693 043
– Gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)73 48674 74575 875
     
Totaal uitgaven Bureau Beheer Landbouwgronden (x f 1 000)512 929281 692230 921
Overdrachten en Verkopen/Ontvangsten:     
Overdrachten/Verkopen:     
– Aantal hectares 6 4534 4464 455
– Gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)59 81154 88654 876
– Uitgaven(x f 1 000)385 963244 005244 492
Waarvan onderbedeling(x f 1 000)26 04123 88224 369
Ontvangsten financiering derden(x f 1 000)144 295
Exploitatie-saldo(x f 1 000)6 31414 00014 000
Totaal ontvangsten Bureau Beheer Landbouwgronden(x f 1 000)536 572258 005258 492
     
Saldo Bureau Beheer Landbouwgronden(x f 1 000)– 23 64323 687– 27 571
Totaal 02 (overdrachten + saldo Bureau)(x f 1 mln.)2 39747 569– 3 202
     
03 Natuurterreinen en reservaten    
Bijdrage voor rente en aflossing: \    
Stand leningen ultimo(x f 1 mln.)356360364
Aantal jaartranches leningen 293030
Gem. Rente/afl. Per jaartranche(x f 1 mln.)1,351,311,35
Rente(x f 1 mln.)24,623,323,7
Aflossingen(x f 1 mln.)14,516,116,7
Rente en aflossingen(x f 1 mln.)39,139,440,4
Bijdrage à fonds perdu:     
Aantal ha. 1 3073 000
Gem. Bijdrage per ha. (50%)(x f 1 000)16
Bijdrage à fonds perdu(x f 1 mln.)20,977,0
Afrekening oude verplichtingen(x f 1 mln.)0,32,10,3
Totaal 03(x f 1 mln.)60,341,540,7
     
04 Natuurontwikkeling    
Verwerving     
Aantal ha. 622950 
Gem. Bijdrage per ha. (50%)(x f 1 000)2945 
Uitgaven(x f 1 mln.)18,143,239,7
Afrekening oude verplichtingen(x f 1 mln.)1,1
Inrichting natte natuur     
Aantal ha 167167167
Bijdrage per ha(x f 1 000)605964
Uitgaven(x f 1 mln.)10,03,710,7
Overige activiteiten(x f 1 mln.)0,11,4
Waarvan uitvoering door DLG(x f 1 mln.)– 9,5
NBL 21(x f 1 mln.)37,5
Herverdeling ICES/EHS(x f 1 mln.)38,5
Plattelandsontwikkelingsplan (x f 1 mln.) 14,413,4
Totaal 04(x f 1 mln.)19,762,7139,6

Informatie met betrekking tot de voortgang van de EHS

Met verwijzing naar mijn brief van 28 december 1998 aan de Tweede Kamer is de Kamer toegezegd om periodiek te worden geïnformeerd over de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur middels het formuleren van tussendoelen.

Deze tussendoelen hebben zowel een kwantitatief als kwalitatief karakter en omvatten een periode van 4 jaar. In onderstaand schema valt te lezen dat voor wat betreft de kwantiteit het Rijk en de provincies een taakstelling hebben om – gegeven de beschikbare meerjarencijfers binnen de begroting van LNV – ca. 20 000 ha door middel van gerichte aankopen te realiseren.

Ten aanzien van particulier natuurbeheer kan vermeld worden dat als gevolg de Regeerakkoord – ombuiging uit hoofde van doelmatig natuurbeheer – (voor de lopende kabinetsperiode een bezuiniging van 80 mln) de oorspronkelijke taakstelling van 6 700 ha verhoogd is tot 19 400 ha. Dit betekent concreet minder verwerving van met name relatienotareservaten en meer inschakeling van vooral boeren bij het natuurbeheer hetgeen een versterking van het draagvlak voor het natuurbeleid betekent.

Meer aandacht voor particulier natuurbeheer is overigens één van de doelstellingen van het subsidiestelsel Programma Beheer, dat met ingang van 1 februari 2000 operationeel is.

Met betrekking tot de gewenste kwaliteit van de EHS in 2018 zijn afspraken met de provincies gemaakt te komen tot het opleveren van de zgn. Provinciale afrondingskaarten en meer informatie over de kwaliteit van bestaande bos- en natuurterreinen.

 
 TaakstellingGerealiseerd per 1-1-2000Restant t/m 2018Prognose 2001Taakstelling 1999–2003
Natuurreservaat*100 00045 26034 7403 5009 000 – 15 000
Natuurontwikkeling50 00017 25032 7501 7506 000 – 8 000
Natuurterreinen36 00014 20021 8001 2504 000 – 6 000
Totaal186 00076 71089 2906 50019 000 – 29 000

* Inclusief de 19 400 hectares Particulier Natuurbeheer

Naast de financiële verantwoording zal ook jaarlijks door middel van de Natuurbalans gerapporteerd worden over de voortgang van de tussendoelen.

Jaarlijks wordt berekend welke gevolgen de grondprijsstijging voor de verwervingsbudgetten heeft, waarna in principe bijstelling van de budgetten plaatsvindt. De thans verwerkte compensatie betreft de grondprijsstijging sinds het laatste regeerakkoord, te weten van f 47 754,– naar f 65 000,– gemiddeld per hectare. Dat laatste bedrag komt vrijwel overeen met de gemiddelde grondprijs per 1 januari 2000.

Uit bovenstaand overzicht valt af te lezen dat de totale verwervingsdoelstelling tot en met 2018 ca. 186 000 hectare bedraagt. Daarvan was per 1 januari 2000 circa 76 000 hectare gerealiseerd.

Er moet dus nog circa 89 000 ha. (exclusief particulier natuurbeheer) worden verworven.

De taakstelling en realisatie per 1 januari 2000 voor de overige categorieën van het Structuurschema Groene Ruimte zijn als volgt:

 
 TaakstellingBegrensd/in planvormingWaarvan verworvenWaarvaningericht
Recreatie:    
Recreatie bos9 090 ha9 010 ha5 680 ha4 000 ha
Staatsbos4 110 ha3 940 ha1 810 ha1 230 ha
Groene verbindingen450 km320 km10 km
Recreatie in landinrichting4 320 ha687 ha570 ha/470 km
     
Recreatienetwerken:    
Recreatie Toervaart Nederland4 200 km1 680 km1 470 km
Landelijk Fietsplatform3 500 km3 560 km2 980 km
Lange afstandspaden4 500 km4 500 km4 300 km
     
Bos- en landschap    
Bos in uitbreidingslocaties3 000 ha1 930 ha1 530 ha1 170 ha
Overig bos en landschap in landinrichting7 180 ha4 190 ha2 980 ha/570 km

13.03 Inrichting

De grondslag van het artikel

Op het onderhavige begrotingsartikel worden de uitgaven geraamd voor de uitvoering van inrichtingsactiviteiten in het landelijk gebied. Het instrumentarium omvat verschillende (wettelijke) regelingen die zowel sectoraal als integraal in het landelijk gebied kunnen worden ingezet voor de realisatie van de doelstellingen op het terrein van natuur, recreatie, bos, landschap, milieu en land- en tuinbouw.

De belangrijkste basis voor de uitgaven op dit artikel wordt gevormd door de landinrichtingswet. Daarnaast bestaat er een aantal regelingen en wetten die specifiek gericht zijn op de uitvoering van maatregelen in een bepaald gebied c.q. sector (bv. Reconstructiewet Midden Delfland en Regeling Reconstructie Oude glastuinbouwgebieden).

De landinrichtingsprojecten kunnen variëren van relatief eenvoudige (herverkavelings)plannen tot complexe inrichtings- en reconstructieplannen. De Herijking Landinrichting, welke in 1998 met de Tweede Kamer is besproken, zal leiden tot een flexibeler landinrichtingsinstrument. Dit komt onder meer tot uiting in een kortere looptijd van projecten.

Op dit artikel wordt voorts het merendeel van de uitgaven ten behoeve van de Kwaliteitsimpuls Groene Hart geraamd. Het gaat daarbij o.a. om een samenstel van maatregelen gericht op verbetering van de ontsluiting van het Groene Hart (zoals de aanleg van bruggen, tunnels, recreatieve verbindingen) en versnelling van landinrichtingsprojecten.

Het onderdeel Agrarisch natuurbeheer van de kwaliteitsimpuls Groene Hart wordt op artikel 13.04 Beheer geraamd.

Vanuit dit artikel wordt de inrichting van recreatieve voorzieningen in de Randstadgroenstructuur (buiten landinrichting) en de realisatie van routenetwerken gesubsidieerd en worden bijdragen verstrekt aan particuliere terreinbeherende organisaties voor de inrichting van reservaats- en natuurontwikkelingsgebieden. Ook de uitgaven in het kader van de bosuitbreiding op landbouwgronden worden op dit artikel geraamd.

Op dit artikel worden tevens uitgaven geraamd voor enkele projecten in het kader van het klimaatbeleid, onderdeel «Overige klimaatgelden». Dit betreft de ontwikkeling van een systeem van CO2-certificaten en enkele houtprojecten.

De opbouw van de raming

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 333 841306 724315 196291 096270 196 
1e Suppletore begroting 35 696– 68 550– 83 050– 53 050– 73 400 
Nieuwe wijzigingen        
1 Nota NBL 21  12 50025 00025 00025 000 
2 Plattelandsontwikkelingsplan 5 2602– 4 297– 66– 2 452 
3 Verlaging verplichtingenbudget – 41 005– 37 005– 29 575– 29 675– 13 175 
4 Herschikking Programma Beheer – 34 336– 41 483– 42 859– 39 182– 36 782 
5 Randstadgroenstructuur – 5 000– 9 150– 9 150– 9 150– 9 800 
6 Bebossing landbouwgronden – 1 500– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500 
7 NUBL – 1 100     
8 Overige 111– 799– 799 
Stand ontwerpbegroting 2001343 035291 857161 539169 766182 674157 288208 662
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000155 662132 43973 30377 03682 89471 37494 687

Toelichting

3 Verlaging verplichtingenbudget

In 1999 is, in het kader van de herijking landinrichting, een omschakeling ingezet van langlopende verplichtingen naar kortlopende verplichtingen. Onderdeel van deze herijking is de versnelde afbouw van de oude verplichtingenstanden, hetgeen een groter beslag legt op de kasbudgetten. Vanwege de systeemwijziging van langlopend naar kortlopend én in verband met de versnelde afbouw van verplichtingen is tijdelijke verlaging van de verplichtingenbudgetten noodzakelijk. Thans wordt het verplichtingenniveau hierop aangepast hetgeen effect heeft op de jaren tot en met 2004. Deze mutatie dient in samenhang te worden bezien met de meerjarige kasschuif (zie «Opbouw uitgaven vanaf de ontwerpbegroting»).

Ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting 2002 zullen onderliggende cijfers wederom op de dan geactualiseerde stand rondom de verplichtingen worden beoordeeld om de verplichtingenruimte voor met name de jaren 2005 en verder te bepalen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 410 481408 349413 919384 319363 419 
1e Suppletore begroting 14 194– 61 550– 76 050– 44 050– 73 400 
Nieuwe wijzigingen        
1 Nota NBL 21  12 50025 00025 00025 000 
2 Landinrichting/verdroging 25 000     
3 Kasverschuiving Inrichting 12 500– 7 900– 2 700– 1 3002 100 
4 Plattelandsontwikkelingsplan 5 2602– 4 297– 66– 2 452 
5 Randstadgroenstructuur – 5 000– 9 150– 9 150– 9 150– 9 800 
6 Herschikking Programma Beheer  – 7 431– 10 846– 11 182– 12 782 
7 Bebossing landbouwgronden – 1 500– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500 
8 NUBL –1 100     
9 Overige 111– 799– 799 
Stand ontwerpbegroting 2001379 549459 836333 321334 377341 272289 786318 485
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000172 232208 664151 254151 734154 862131 499144 522

Toelichting

1 Nota NBL 21e eeuw

Aan de begroting van dit hoofdbeleidsterrein worden middelen toegevoegd in het kader van de nota NBL 21 (Natuur, Bos en Landschap in de 21e eeuw). Deze nota bevat voorstellen om via de aanleg van groene verbindingszones de natuur- en reservaatsgebieden uit de Ecologische Hoofdstructuur aaneen te schakelen en tevens de kwaliteit van het Landelijk Gebied te verbeteren door te investeren in een vlechtwerk van landschappelijke, recreatieve en ecologische verbindingen en (kleinere) vlakken, de zgn. «groenblauwe dooradering». Van deze middelen wordt vooralsnog 25% geraamd op het onderhavige artikel en 75% op artikel 13.02 Verwerving. Hiermee kunnen voor ca 13 000 ha groene verbindingszones en ca. 13 000 ha groen-blauwe dooradering worden gefinancierd.

2 Landinrichting/verdroging

3 Horizontale verschuiving

Zoals reeds eerder aangegeven, worden in het kader van de herijking landinrichting niet langer langlopende verplichtingen aangegaan. Wel worden de komende jaren reeds aangegane langlopende verplichtingen uitgefinancierd. Om een soepele en snelle overgang naar het nieuwe, kortlopende verplichtingenregime mogelijk te maken is het noodzakelijk om in het jaar 2000 over aanvullende kasruimte te beschikken. Dit wordt gerealiseerd door middel van een kasschuif (12,5 mln in 2000) met compensatie vanuit de jaren 2001 t/m 2005.

Tevens zal de LNV-begroting uit generale middelen voor het jaar 2000 worden bijgesteld met 25,0 mln. In dit bedrag zijn tevens middelen begrepen voor de besteding van verdroging. Deze middelen zijn bestemd voor de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen.

5 Herschikking

Het onderhavige artkel wordt verlaagd ter compensatie van de budgettaire problematiek op artikel 10.01 Personeel en Materieel.

6 Herschikking Programma Beheer

Dit jaar treedt het subsidiestelsel Programma Beheer in werking. Op grond hiervan vindt een herschikking plaats naar artikel 13.04 Beheer. Van kas- en verplichtingenbudgetten van die regelingen die met ingang van het jaar 2000 onderdeel zullen uitmaken van het nieuwe subsidiestelsel Programma Beheer. Het betreft hier een technische mutatie. Zie de toelichting bij artikel 13.04 Beheer.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Landinrichtingsprojecten 222 553237 141116 626 323 513368 979247 177 51 10.2
02 Waterbeheersing 32 95113 86510 695 18 62413 86510 695 62C 07.35
03 Gebiedsgerichte bestrijding van verdroging 29 48611 3601 980 15 50928 76023 160 62C 07.35
04 Recreatie 6 82416 71913 443 9 16122 66519 389 62C 08.3
05 Natuurterreinen en reservaten 1 68210 070 2 71217 172 62C 07.5
06 Bosaanleg 44 1715 4244 193 5 90517 80911 196 31 10.3
07 landschap 4951 741527 1 2091 121527 62A 10.3
08 Overige 6 5553 9254 005 5 6283 9254 005 62D 10.2
Totaal 343 035291 857161 539 379 549459 836333 321    

Prestatiegegevens

De gepresenteerde prestatiegegevens geven een onderbouwing van de ramingen van artikelonderdelen en geven een indicatie van de voortgang van landinrichtingsprojecten.

 
01 Landinrichtingsprojecten 1999 2000
 aantal projectennominaleopp. (ha)aantal projectennominale opp. (ha)
In voorbereiding per 31 december82354 09667298 860
waarvan:    
– integrale projecten35149 12632122 770
– projecten met een administratief karakter2787 8301863 230
– Aanpassingsrichtingen68 010510 650
– Strategische Groen Projecten14109 13012102 210
     
In voorbereiding met 1 of meer modules in uitvoering per 31 december1078 53926149 707
waarvan:    
– integrale projecten317 540948 594
– projecten met een administratief karakter243 494964 298
– regeling infrastructuur glastuinbouw2PM2PM
– aanpassingsrichtingen11 960
– Strategische Groen Projecten317 505534 855
     
In uitvoering per 31 december109581 53899525 541
waarvan:    
– integrale projecten85543 59075487 593
– projecten met een administratief karakter1333 8551333 855
– Reconstructiegebieden op basis van de regeling Reconstructie Oude Glastuinbouwgebieden92 25592 255
– aanpassingsrichtingen14901490
– Strategische Groen Projecten11 34811 348
 
Omschrijving prestatie-eenheden 199920002001
01 Landinrichtingsprojecten    
Nieuwe toezeggingen:    
– aantal toezeggingen 101161151
– aantal hectares    
– gemiddelde toezegging per ha.    
– totale toezegging(x f 1 mln.)149,886,5
     
Herzieningen en overig(x f 1 mln.)25,11,9
Kwaliteitsimpuls Groene Hart(x f 1 mln.)6,44,7
Recontructie/Bevar(x f 1 mln.)53,919,5
Plattelandsontwikkelingsplan(x f 1 mln.) 1,94,0
Totaal 01 (verpl.)(x f 1 mln.)222,6237,1116,6
02 Waterbeheersing    
– aantal rijksbijdragentoezeggingen 1204735
– gemiddeld bedrag per toezegging/project(x f 1 000)275,0285,0285,0
Plattelandsontwikkelingsplan(x f 1 mln.) 0,40,7
Totaal 02 (verpl.)(x f 1 mln.)33,013,910,7
     
03 Gebiedsgerichte bestrijding verdroging    
– aantal rijksbijdragentoezeggingen 10132
– gemiddeld bedrag per toezegging(x f 1 000)292,0305,0
verplichtingen 29,59,9
     
Natuur    
– aantal hectares 1 700  
– gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)– 1 212  
– aangegaan door DLG(x f 1 mln.)4,0  
verplichtingen(x f 1 mln.)– 2,12,0
Plattelandsontwikkelingsplan(x f 1 mln.) 3,6
     
Totaal 03 (verpl.)(x f 1 mln.) 11,42,0
     
04 Recreatie    
Totaal 04 (uitgaven)(x f 1 mln.)9,122,719,4
     
05 Natuurterreinen en reservaten    
– Nota NBL 21 12,5
1. Inrichting N.O.projecten    
aantal ha. 669715985
gem. uitgaven per ha. (50%)(in glds.)7 4259972 713
uitgaven(x f 1 mln.)5,00,72,7
2. A2-EHS     
aantal projecten 151515
gemiddelde bijdrage (25%)(x f 1 000)133133133
uitgaven(x f 1 mln.)2,02,02,0
Totaal uitgaven inrichting natuurterreinen(x f 1 mln.)7,02,74,7
waarvan uitvoering door DLG(x f 1 mln.)– 7,0   
Totaal 05 (uitgaven)(x f 1 mln.)2,717,2
     
06 Bosaanleg    
A. Publiek Private Samenwerking (PPS)     
aantal ha.  150150
gem. bijdrage per ha. (in glds.)  9 3338 000
uitgaven(x f 1 mln.)0,21,41,2
B. Reg. Stim. Bosuitbr. op Landb.gronden (SBL)     
     
Bebossing     
aantal opgeleverde ha. 181 0001 000
gem. bijdrage per ha. (in glds.) 35 4025 0005 000
uitgaven(x f 1 mln.)0,65,05,0
Inkomenscompensatie     
Aantal opgeleverde ha.     
cumulatief 2 0533 6003 600
gem. bijdrage per ha. (in glds.) 1 4981 371555
uitgaven(x f 1 mln.)3,14,92,0
Totale uitgaven SBL(x f 1 mln.)3,69,97,0
Overige uitgaven(x f 1 mln.)2,17,17,0
Plattelandsontwikkelingsplan (x f 1 mln.) – 0,7– 5,0
Totaal 06 (uitgaven)(x f 1 mln.)5,917,811,2
     
07 Landschap    
Landschapsplannen     
Aantal plannen 141320
Gem. bijdrage per plan(x f 1 000)184026
Uitgaven(x f 1 mln.)0,20,50,5
Landschapsverzorgingsbijdrage    
Aantal ha. 130156
Gem. bijdrage per ha. 7 3852 635
Uitgaven(x f 1 mln.)1,00,4
Overige uitgaven(x f 1 mln.)0,2
Totaal 07 (uitgaven)(x f 1 mln.)1,21,10,5
     
08 Overig    
Particuliere werken     
– aantal aktes kavelruil 335165207
– gemiddeld bedrag per akte(x f 1 000)141415
– bijstelling op toezeggingen voorgaande jaren(x f 1 mln.)1,81,50,8
– verplichtingen(x f 1 mln.)4,72,33,1
– Overige subsidies(x f 1 mln.)0,10,10,1
Totaal 08 (verpl.)(x f 1 mln.)6,63,94,0

1 I.v.m. de uitvoering van het projekt «Drieslag» is op dit moment geen nadere onderbouwing van de cijfers te geven.

13.04 Beheer

De grondslag van het artikel

Grondslag voor dit artikel vormen de uitgaven voor het beheer van terreinen uit hoofde van het recreatie- en het natuurbeleid. Het systeem van het beheer van de natuur in Nederland is herzien in het kader van het Programma Beheer (Kamerstukken II, 25 420 nr 1). Deze herziening is aanleiding geweest voor een aantal wijzigingsvoorstellen. In de eerste plaats is besloten de beheerbijdrage afhankelijk te maken van de gerealiseerde natuurkwaliteit via de systematiek van natuurdoeltypen. De beheerbijdrage voor een bepaalde kwaliteit is gebaseerd op de genormeerde netto-kosten van de benodigde maatregelen om die kwaliteit te bereiken (normkosten). In de tweede plaats worden de mogelijkheden verruimd voor particulier natuurbeheer, zowel binnen als buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Binnen de EHS worden daartoe – naast de bijdragen voor het beheer – toeslagen verstrekt ter compensatie van de financiële gevolgen van de functiewijziging van de grond. Buiten de EHS worden in het kader van het Programma Beheer extra middelen beschikbaar gesteld voor de instandhouding van leef- en verspreidingsgebieden van soorten en voor trekvogelroutes (beheer van ganzen en smienten c.q. weidevogels), alsmede voor het beheer van landschapselementen.

Op dit artikel wordt voorts de Rijksbijdrage aan Staatsbosbeheer geraamd. Deze bijdrage is gebaseerd op de systematiek van normkosten en natuurdoeltypen, zoals die bij het Programma Beheer ten algemene wordt voorgestaan. Verder worden op dit artikel de uitgaven geraamd voor het reguliere beheer van bos- en natuurterreinen en landschappen door particulieren, recreatieschappen, terreinbeherende organisaties, andere overheden en organisaties, alsmede voor het onderhoud van landschappen en historische tuinen. In het kader van het herstelbeleid voor bos en natuur worden uitgaven gedaan voor aanvullende beheermaatregelen in verband met verzuring, verdroging en vermesting. Ten behoeve van investeringen en exploitatie van bezoekerscentra, specifiek beheer, educatie en voorlichting worden op basis van opgestelde beheer- en inrichtingsplannen bijdragen verstrekt.

Tenslotte worden op dit artikel de uitgaven geraamd voor de Regeling Beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling (RBON) en de bergboerenregeling.

De opbouw van de raming

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 369 309327 615334 535335 880344 580 
1e Suppletore begroting 126 641– 700– 1 000– 1 700– 1 700 
Nieuwe wijzigingen        
1 Horizontale verschuiving Programma Beheer 109 073114 213– 19 022– 17 205– 34 901 
2 Verhoging Programma Beheer 40 000     
3 Herschikking Programma Beheer 38 20546 36846 75443 07740 677 
4 Natte natuur  10 000    
5 Landschapsbeheer  7 000    
6 Plattelandsontwikkelingsplan – 2 0684 0474 3727 3827 792 
7 Herschikking POP 7 340     
8 Loonbijstelling 4 3346 2616 3006 3386 364 
9 Mainport Rotterdam – 650– 650– 650– 650  
10 Overige 609500– 467– 1 606– 1 606 
Stand ontwerpbegroting 2001408 004692 793514 654370 822371 516361 206381 454
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000185 144314 376233 540168 272168 587163 908173 096

Toelichting

1 Horizontale verschuiving Programma Beheer

De veranderde systematiek van het nieuwe subsidiestelsel Programma Beheer, waarbij van kortlopende verplichtingen wordt overgegaan naar langlopende verplichtingen noopt tot een ophoging van de verplichtingenbudgetten voor de jaren 2000 en 2001. Hiertoe vindt een verplichtingenverschuiving plaats uit latere jaren.

2 Verhoging Programma Beheer

De éénmalige ophoging van het verplichtingenbudget Programma Beheer met f 40 mln. is bedoeld voor die groep van aanvragers van de RBON-subsidie, waarvan in de loop van het jaar 2000 de overeenkomst afloopt en die als gevolg van de uitputting van het budget van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer voor het jaar 2000 niet in aanmerking zouden komen voor een nieuwe subsidie in het kader van Programma Beheer.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 319 659333 709349 729350 729359 429 
1e Suppletore begroting 15 080– 700– 1 000– 1 700– 1 700 
Nieuwe wijzigingen        
1 Natte natuur  10 000    
2 Landschapsbeheer  7 000    
3 Herschikking Programma Beheer  7 43110 84611 18212 782 
4 Plattelandsontwikkelingsplan – 2 0684 0474 3727 3827 792 
5 Herschikking POP 7 340     
6 Loonbijstelling 4 3346 2616 3006 3386 364 
7 Mainport Rotterdam – 650– 650– 650– 650  
8 Overige 609500– 467– 1 606– 1 606 
Stand ontwerpbegroting 2001299 036344 304367 598369 130371 675383 061398 491
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000135 697156 238166 809167 504168 659173 826180 827

Toelichting

1 Natte Natuur

2 Landschapsbeheer

In het kader van een extra impuls van de Regeerakkoordintensiveringen wordt aan dit artikel voor 2001 f 17,0 mln. toegevoegd ten behoeve van investeringen in natte natuurontwikkelingsgebieden en het herstel en beheer van landschappen.

3 Herschikking Programma Beheer

Als gevolg van de introductie van het nieuwe subsidiestelsel Programma Beheer worden met ingang van het jaar 2000 alle kas- en verplichtingenbudgetten van de regelingen die opgaan in Programma Beheer toegevoegd aan het onderhavige artikel. Het betreft hier een technische mutatie.

5 Herschikking POP

Met ingang van het jaar 2000 valt de regeling Beheersovereenkomsten en Natuurontwikkeling (RBON) onder de nieuwe Europese kaderverordening. Dit brengt met zich mee dat vanaf 2000 een lager cofinancierings-percentage geldt en als zodanig minder beroep kan worden gedaan op co-financiering van deze regeling.

Om aan de RBON-verplichtingen die vóór het jaar 2000 zijn aangegaan te kunnen voldoen zullen de lager dan geraamde inkomsten gecompenseerd moeten worden, hetgeen een verhoging van het onderhavige artikel betekent. Hiertegenover wordt artikel 13.02, Verwerving, met hetzelfde bedrag verlaagd.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Rijksbijdrage SBB 154 106168 727144 848 150 507161 590142 921 43A 10.3
02 Recreatie 3 1003 100 363 1003 100 43C 08.3
03 Bos 15 956424 12 24711 21212 363 31 10.3
04 Natuur 71 21234 71711 172 40 12735 76710 806 43C 07.5
05 Landschap 13 90915 44117 768 15 62816 23017 760 43C 07.5
06 Herstelbeheer 16 28217 0167 864 12 87016 4027 897 43C 07.5
07 Nationale Parken 7 4368 0698 524 7 1607 7708 525 43C 07.5
08 Relatie Nota 129 10327 4530 60 46161 75258 983 43C 07.5
09 Overige 1 7845 367 2 6395 367 43D 07.5
10 Programma beheer 416 062316 011 27 84299 876 43C 07.5
Totaal 408 004692 793514 654 299 036344 304367 598    

Prestatiegegevens

 
Omschrijving prestatie-eenheden 199920002001
01 Rijksbijdrage SBB    
Doeltype Natuur, Bos, Landschap1    
– aantal hectares 198 571199 691203 371
– prijs per hectare2(in glds.)248270270
Totaalbedrag Natuur, Bos, Landschap(x f 1 000)49 15153 99354 889
Doeltype Recreatie1    
– aantal hectares 201 335202 970206 135
– prijs per hectare2(in glds.)226218224
Totaalbedrag Recreatie(x f 1 000)45 54644 23446 190
Kampeerterreinen    
– aantal 515151
– opbrengst per terrein(in glds.)6 86311 29410 824
Totale opbrengst(x f 1000)350576552
Natuuractiviteitencentra     
– aantal 778
– prijs(in glds.)307 143323 571335 500
Totale kosten(x f 1 000)2 1502 2652 684
     
Doeltype-onafhankelijke kosten3(x f 1 000)20 85616 49616 149
Overige producten en activiteiten4(x f 1 000)18 96823 76023 561
Sanering vervuilde bodems 8 900   
     
O.B.N. en nationale parken(x f 1 000)5 2864 418p.m.
     
Totaal 01(x f 1 000)150 507144 590142 921
BTW compensatie(x f 1 000) 17 0004 000
     
02 Recreatie    
Beheer recreatiegebieden Grevelingen en Midden Delfland     
– aantal hectares 4 7504 750
– gemiddeld bedrag per hectare(in glds.)653653
Totaal 02(x f 1 mln.)3,13,1
     
03 Bos    
A. Uitloop Bijdrage Bos- en Landschapsbouw     
Aantal ha. 639
Bijdrage per ha. (in glds.)
Uitgaven(x f 1 mln.)
B. Uitloop Regeling Samenwerking Bos     
Aantal ha. 88 24018 50018 500
Bijdrage per ha. (in glds.)101010
Uitgaven(x f 1 mln.)0,90,20,2
C. Regeling functiebeloning bos    
Aantal ha. 78 865119 000119 000
Bijdrage per ha. (in glds.)14493102
Uitgaven(x f 1 mln.)11,411,012,2
Totaal 03(x f 1 mln.)12,211,212,4
     
04 Natuur    
Beheersbijdrage     
Aantal ha. 138 995155 000100 000
Bijdrage per ha.(in glds). 200148140
Uitgaven(x f 1 mln.)27,923,08,0
Natuurbeschermingswet     
Aantal terreinen beschermd natuurmonument 233233233
Aantal ha. Terreinen 321 000321 000321 000
Aantal beheersplannen 707070
Aantal ha. Beheersplannen 4 3004 3004 300
Gem. bijdrage per ha. Beheersplan(in glds.)420484534
Uitgaven(x f 1 mln.)1,82,12,3
Regeling functiebeloning natuur    
Aantal ha. 18 81710 00010 000
Bijdrage per ha. (in glds.)9919789
Uitgaven(x f 1 mln.)1,92,0
Ganzenbeheer     
Aantal ha. 13 00018 00018 000
Bijdrage per ha. (in glds.)377296
Uitgaven(x f 1 mln.)4,95,3
Weidevogelbeheer     
Aantal ha. 6 000
Bijdrage per ha. (in glds.)267
Uitgaven(x f 1 mln.)1,6
Natuurbraak     
Aantal ha. 1 3213 2003 200
Bijdrage per ha. (in glds.)67152152
Uitgaven(x f 1 mln.)0,10,50,8
Particulier Natuurbeheer     
Aantal ha. 234
Bijdrage per ha. (in glds.)1 274
Uitgaven(x f 1 mln.)0,3
Schaapskuddes    
Aantal 141818
Gem. bijdrage per kudde. (x f 1 000)101212
Uitgaven(x f 1 mln.)0,10,2
Implementatie Programma Beheer     
Aantal projecten 20
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)36
Uitgaven(x f 1 mln.)0,7
Overige uitgaven/ontvangsten(x f 1 mln.)0,72,7– 0,3
Totaal 04(x f 1 mln.)40,135,810,8
     
05 Beheer Landschap    
Besch. Bijdr. Achterst. Onderh. hist. parken/tuinen en buitenplaatsen     
Aantal parken in herstel 4135460
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)151646
Uitgaven(x f 1 mln.)0,60,60,6
Regeling niet-terreinbeh. org., onderd. ST.PHB     
Aantal parken en tuinen in onderhoud 250260
Gem. bijdrage per park/tuin(x f 1 000)1817
Uitgaven(x f 1 mln.)4,54,54,0
Regeling niet-terreinbeh. org., overige uitgaven     
Aantal gesubsidieerde organisaties 1112
Gem. bijdrage per organisatie(x f 1 000)819702
Uitgaven(x f 1 mln.)9,08,49,1
Landschapsprogramma     
Aantal projecten 2012
Bijdrage per ha. (x f 1 000)1790
Uitgaven(x f 1 mln.)0,31,10,1
Natuur in en om de stad     
Aantal projecten 8
Bijdrage per project(x f 1 000)146
Uitgaven(x f 1 mln.)1,2
Landschapsprogramma agrarisch natuurbeheer    
Aantal projecten 12542
Bijdrage per project(x f 1 000)30067156
Uitgaven(x f 1 mln.)0,31,76,6
waarvan uitvoering door DLG(x f mln.)– 0,3
Plattelandsontwikkelingsplan(x f 1 mln.) – 2,5
Totaal 05(x f 1 mln.)15,616,217,8
     
06 Herstelbeheer    
EGM-Natuur en Bos     
Aantal projecten 265300300
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)675467
Uitgaven(x f 1 mln.)17,916,27,7
waarvan uitgevoerd door Staatsbosbeheer(x f 1 mln.)– 5,0
Overige uitgaven(x f 1 mln.) 0,20,2
Totaal 06(x f 1 mln.)12,916,47,9
     
07 Nationale parken    
Aantal parken 141517
Gem. bijdrage per park. (x f 1 000)532545519
Uitgaven(x f 1 mln.)7,48,28,8
waarvan uitgevoerd door Staatsbosbeheer(x f 1 mln.)– 0,20,4– 0,3
Totaal 07(x f 1 mln.)7,27,88,5
     
08 Relatienota    
Relatienota (stand per 31 december)    
– Gebieden/oppervlakte met vastgesteld beheersplanha.198 242
– Totale oppervlakte met afgesloten beheersovereenkomstenha.71 57866 98275 385
– Gemiddelde beheersvergoeding(in glds.)845845845
Plattelandsontwikkelingsplan(x f 1 mln.) – 5,2– 4,7
Totaal 08 1)(x f 1 mln.)60,561,859,0
waarvan:     
Bergboerenregeling (stand per 31 december)     
– Oppervlakte met een berg-overeenkomstha.9 9419 1718 443
– Gemiddelde beheersvergoeding(in glds.)205205205
Ruime Jas-overeenkomsten    
– Oppervlakteha.2 188395
– Gemiddelde beheersvergoeding(in glds.)1 1691 169
     
10 Programma Beheer    
Particulier natuurbeheer    
Aantal ha. 20002000
Bijdrage per ha. (in glds.) 451713
Uitgaven(x f 1 mln.)0,91,4
Overige uitgaven(x f 1 mln.)26,998,5
Totaal 10(x f 1 mln.)27,899,9

1 Naast de hectares waarop doelstellingsgericht beheer plaats vindt, heeft SBB 28 936 ha in eigendom die vallen onder de categorie «overig terrein». Dit betreft terreinen waarvan het beheer is overgedragen aan een andere beheersinstantie (o.a. natuurbeschermingsorganisaties en recreatieschappen). Bovendien vallen onder deze categorie de oppervlakten, die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering of op andere wijze indirect bijdragen aan het behalen van de doelstellingen (wegen etc.).

2 De prijs per eenheid is gebaseerd op de integrale kostprijs. Onder doeltype-onafhankelijke kosten zijn o.a. opgenomen waterschapslasten en schouw.

3 Onder overige producten en activiteiten zijn o.a.opgenomen de kosten voor voorlichting, educatie en vermaatschappelijking alsmede de kosten voor achterstallige inrichting en de invoering van de euro.

13.05 Overige subsidies en uitgaven

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor de ondersteuning van de algemene activiteiten van, met name, particuliere organisaties op het terrein van recreatie, bos en natuur, inclusief de uitgaven voor het internationale natuurbeleid.

In het kader van het soortenbeleid worden uitgaven gedaan ter compensatie van de schade aan landbouwgewassen en voor de uitvoering van soortenbeschermingsplannen zoals uiteengezet in het Plan van Aanpak (TK 25 000 XIV 43). Ook op artikel U 13.04 worden uitgaven geraamd voor soortenbeleid (o.a. weidevogelbeheer).

Voorts worden op dit artikel de uitgaven geraamd voor Rijksprioritaire gebieden, regionale (plattelandsvernieuwing, het beleid voor de waardevolle cultuurlandschappen (WCL) en het onderdeel Vernieuwing Landelijk Gebied van het Stimuleringskader. Dit beleid beoogt onder meer het stimuleren van (regionale) vernieuwende initiatieven in de groene ruimte en het bevorderen van de samenhang in het beleid door een integrale benadering. De uitgaven voor de boegbeelden «recreatie en milieu» en «natuur en markt» uit de Nota Milieu en Economie maken onderdeel uit van het stimuleringskader.

De opbouw van de raming

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 73 19567 96264 91163 37363 373 
1e Suppletore begroting 2 696– 1 941– 5 422– 14 210– 13 560 
Nieuwe wijzigingen        
1 VROM/NME 21 10 000      
2 OS/NME 21 8 000     
3 Plattelandsontwikkelingsplan  7 2946 7647 8887 999 
4 Verplichtingenverschuiving 6 000– 2000– 2000– 2000  
5 OCW/NME 21 2000      
6 Mainport Rotterdam 650650650650  
7 Loonbijstelling 528538535535535 
8 Herschikking Programma Beheer – 3 869– 4 885– 3 895– 3 895– 3 895 
9 Overige – 300– 300– 392– 360– 360 
Stand ontwerpbegroting 200175 97598 90067 31861 15151 98154 09255 062
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100034 47644 87930 54827 74923 58824 54624 986

Toelichting

4 Verplichtingenverschuiving

In het kader van het Meerjarenprogramma Natuur, Milieu en Educatie in de 21e eeuw (zie toelichting bij de uitgaven) worden alle verplichtingen aangegaan in het jaar 2000. Als zodanig worden de op dit artikel geraamde LNV-bijdragen voor de jaren 2001 t/m 2003 naar het jaar 2000 geschoven.

8 Herschikking Programma Beheer

Als gevolg van de introductie van het nieuwe subsidiestelsel Programma Beheer worden met ingang van het jaar 2000 alle verplichtingenbudgetten van die regelingen die opgaan in Programma Beheer toegevoegd aan artikel 13.04 Beheer. Het betreft hier een technische mutatie.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 66 62464 12861 07659 53859 538 
1e Suppletore begroting 8 210– 110– 3 810– 14 210– 13 560 
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan  7 2946 7647 8887 999 
2 VROM/NME 21 2 5002 5002 5002 500  
3 OS/NME 21 2000200020002000  
4 Mainport Rotterdam 650650650650  
5 Loonbijstelling 528538535535535 
6 OCW/NME 21 500500500500  
7 Overige – 300– 300– 392– 360– 360 
Stand ontwerpbegroting 200173 18680 71277 20069 82359 04154 15255 122
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100033 21036 62635 03231 68426 79224 57325 013

Toelichting

2 VROM/NME 21 (M13.05)

3 OS/NME 21

6 OCW/NME 21

Het Ministerie van LNV coördineert het project «Leren voor Duurzaamheid» in het kader van het meerjarenprogramma Natuur, Milieu en Educatie in de 21e eeuw. De Ministers van Ontwikkelingssamenwerking, Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stellen voor de jaren 2000 t/m 2003 eveneens middelen beschikbaar. In het jaar 2000 worden de verplichtingen aangegaan met uitfinanciering in de kas t/m het jaar 2003.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Recreatie 6 1865 6605 915 4 2065 6605 915 43A 08.3
02 Bos 1 5551 7231 200 1 2281 8391 167 43A 10.3
03 Natuur 20 71324 24119 829 16 95720 45222 407 43A 07.5
04 Soortenbescherming en faunabeheer 8 9384 1773 258 9 4714 1683 258 43C 07.5
05 Gebiedsgericht beleid 11 5742 8346 892 15 2287 9516 992 43C 07.5
06 WCL projecten 14 66819 64416 860 14 52016 52316 860 43C 07.5
07 Stimuleringskader vernieuwing landelijk gebied 12 34140 62113 364 11 57624 11920 601 62D 10.1
08 Overige   43C 10.1
Totaal 75 97598 90067 318 73 18680 71277 200    

Prestatiegegevens

 
Omschrijving prestatie-eenheden 199920002001
02 Bos    
Overige subsidies bosbouw     
Aantal projecten 66
Gem. kosten per project(x f 1 000)49
Uitgaven(x f 1 mln.)0,30,1
Overige uitgaven(x f 1 mln.)0,1
Projectsubsidies bosbouw(x f 1 mln.)  
Versterking natuur/bosbeheer     
Aantal ha. 100 000100 000100 000
Gem.kosten per ha.(in glds.)121512
Uitgaven(x f 1 mln.)1,21,51,2
Totaal 02(x f 1 mln.)1,21,91,2
     
03 Natuur    
Internationaal natuurbeleid     
1. Tropische natuur     
Aantal projecten 456
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)506067
Uitgaven(x f 1 mln.)0,20,30,4
2. Europese natuur     
Aantal projecten 788
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)214213250
Uitgaven(x f 1 mln.)1,51,72,0
3. Wetlands en kusten     
Aantal projecten 787
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)1296371
Uitgaven(x f 1 mln.)0,90,50,5
4. Integratie biodiversiteit in andere beleidssectoren     
Aantal projecten 101212
Gem. bijdrage per project(x f 1 000)405050
Uitgaven(x f 1 mln.)0,40,60,6
Totaal internationaal natuurbeleid(x f 1 mln.) 2,73,1
Overige activiteiten(x f 1 mln.)16,817,819,3
waarvan uitgegeven door anderen(x f 1 mln.)– 3,0
Totaal 03(x f 1 mln.)16,920,522,4
     
04 Soortenbescherming en faunabeheer    
Schadeuitkeringen onbejaagbaar wild     
Aantal uitkeringen ganzen 1 7001 5001 500
Gem. uitkering(in glds.)2 2352 5002 500
Uitgaven(x f 1 mln.)3,83,83,8
Overige onbejaagbare soorten     
Aantal uitkeringen 800800800
Gem. uitkering(in glds.)2 5002 5002 500
Uitgaven(x f 1 mln.)2,02,02,0
Overige uitgaven(x f 1 mln.)0,2
Gedoogovereenkomsten dassen     
Aantal 550500500
Gem. uitkering(in glds.)9091 0001 000
Uitgaven(x f 1 mln.)0,50,50,5
Vogelwetsoorten     
Aantal uitkeringen 100200250
Gem. uitkering(in glds.)1 0001 000800
Uitgaven(x f 1 mln.)0,10,20,2
Totaal schadeuitkering(x f 1 mln.)6,36,56,5
Meeropbrengsten uit jachtakten (f 40)(x f 1 mln.)– 1,3– 1,21,2
Uitgaven(x f 1 mln.)5,0– 0,2– 1,2
Soortenbesch.plannen in uitvoering     
Aantal plannen 9910
Gem. uitkering per plan(x f 1 000)422389350
Uitgaven(x f 1 mln.)3,83,53,5
Diverse projecten(x f 1 mln.)0,60,6
Totaal soortenbescherming(x f 1 mln.)3,84,04,1
waarvan uitgegeven door IBN, DLO of SBB(x f 1 mln.)– 0,2
Overige activiteiten(x f 1 mln.)0,90,40,4
Totaal 04(x f 1 mln.)9,54,23,3
     
05 Gebiedsgericht beleid 13,58,07,0
     
06 WCL-projecten    
Aantal WCL-projecten 111111
Gem. LNV-bijdrage per WCL-project(x f 1 000)1 2901 5001 536
Totaal 06(x f 1 mln.)14,216,516,9

07 Stimuleringskader: Vernieuwing van het landelijk gebied

Gegevens met betrekking tot effectiviteit

Het doel van de stimuleringsregeling «Vernieuwing Landelijk Gebied» is het bevorderen van dynamiek en vernieuwing in de agrarische sectoren en het landelijk gebied door het ondersteunen van initiatieven.

Deze regeling is gericht op drie thema's. Ten eerste heeft de regeling tot doel het sociaal-economisch draagvlak in het landelijk gebied te versterken. Tevens wordt beoogd de relatie tussen de stad en het landelijk gebied te verbeteren. Als laatste heeft de regeling tot doel het particulier natuurbeheer te bevorderen.

Bij deze subsidieregeling is gekozen voor een «tendersysteem» voor de beoordeling van de ingediende projectaanvragen. Dit houdt in dat de regeling jaarlijks voor een bepaalde periode wordt opengesteld. Over het algemeen is er sprake van één à twee aanvraagperiodes per jaar. De eerste periode liep van 24 april tot 30 juni 1997, de tweede van 18 december 1997 t/m 16 februari 1998, de derde periode van 2 juni 1998 t/m 13 juli 1998, de vierde openstellingsperiode liep van 20 mei 1999 t/m 5 juli 1999 en de laatste van 1 mei 2000 t/m 6 juni 2000. De gegevens van deze laatste openstellingstermijn zijn pas eind 2000 beschikbaar.

Tijdens bovenstaande openstellingen konden individuen en organisaties projectvoorstellen indienen. Na de sluiting zijn de projectvoorstellen door een onafhankelijke commissie van deskundigen onder leiding van professor Van der Zwan beoordeeld op mate van vernieuwing, landelijke voorbeeldwerking en samenwerking. Voor de eerste vier openstellingsperiodes heeft dit tot de volgende resultaten.

Aangevraagde projecten per thema

 
ThemaAantal aangevraagde projecten
 1e tender2e tender3e tender4e tenderTotaal
Sociaal-economische versterking1022847141
Verbetering relatie stad-land106431114
Vernieuwing in het beheer2281435
Combinatie van bovenstaande 722755154
niet ingevuld 5  5
Totaal2301173567449

Zoals in onderstaande tabel naar voren komt werd door de onafhankelijke beoordelingscommissie geconcludeerd dat slechts een klein deel van de totale aanvragen aan de gestelde criteria voldeed. De realisatie van vernieuwingen in het landelijk gebied is een complexe activiteit. Er zijn vele actoren bij betrokken en de vernieuwing stijgt uit boven het bedrijfsniveau doordat er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak. Hierdoor komen vernieuwingen langzamer op gang dan innovaties op bedrijfsniveau. In dit kader is het resultaat van de regeling goed te noemen.

Goedgekeurde aanvragen naar thema

 
ThemaAantal goedgekeurde projecten
 1e tender2e tender3e tender4e tenderTotaal
Sociaal-economische versterking10212
Verbetering relatie stad-land1313
Vernieuwing in het beheer314
Combinatie van bovenstaande1161128
Totaal261461157

De inschrijving op de eerste tender bedroeg ca.129 miljoen gulden. Voor de eerste tender was 11,6 miljoen gulden beschikbaar. Na de selectie door de commissie Van der Zwan is hiervan 10,8 miljoen gulden daadwerkelijk verplicht.

De inschrijving op de tweede tender bedroeg ca. 100 miljoen gulden. In de tweede tender is, na de beoordeling, 5,2 miljoen gulden verplicht van de beschikbare 15 miljoen gulden.

De inschrijving op de derde tender bedroeg ca. 15 miljoen gulden. In deze tender is voor een bedrag van ruim 3 miljoen gulden aan projecten goedgekeurd hetgeen betekent dat van de beschikbare 15 miljoen gulden voor een bedrag van ruim 3 miljoen aan verplichtingen is aangegaan.

Voor de vierde tender was een bedrag van 5 miljoen gulden beschikbaar. De inschrijving voor deze tender bedroeg ruim 98 miljoen gulden. Na beoordeling van de ingediende projecten is voor een bedrag van ruim 3 miljoen gulden aan verplichtingen aangegaan.

De gemiddelde toegekende verplichting van een aangevraagd en goedgekeurd project bedroeg:

 
gemiddeldtoegekende verplichtingaangevraagd project (x f 1 000)toegekend project(x f 1 000)
1e tender 561415
2e tender 548443
3e tender 435534
4e tender 496307

Mate vernieuwing

In de eerste twee tenders zijn 36 van de 347 aanvragen afgewezen omdat niet werd voldaan aan het criterium vernieuwing. Bij 233 aanvragen was het ontbreken van vernieuwing één van de redenen om af te wijzen naast het ontbreken van samenwerking en/of uitstraling naar anderen.

In de derde tender zijn in totaal 29 projecten afwezen. Van deze projecten zijn er 7 afgewezen op formele gronden en zijn 22 projecten afgewezen omdat ze niet voldeden aan de doelstelling van de regeling. In nagenoeg alle gevallen betekende dit dat de beoordelingscommissie van mening was dat de projecten in onvoldoende mate beschikken over een innovatief karakter, samenwerking dan wel uitstraling.

In de vierde tender zijn in totaal 56 projecten afgewezen waarvan 5 op formele gronden zijn afgewezen. De overige 51 projecten beschikken in onvoldoende mate over een innovatief karakter, samenwerking dan wel uitstraling.

Samenwerking met anderen bij de goedgekeurde projecten

 
 1e tender2etender3etender4etenderTotaal
Afgesloten contracten252211
Opgerichte verenigingen11
Opgerichte stichtingen112
Overlegorganen22
Informeel538
Overig13114
niet ingevuld   77
Totaal161451045

Het grootste deel van de aanvragers werkt officieel samen met anderen en heeft daartoe een contract of convenant afgesloten. Een klein deel heeft de intentie tot samenwerking. De samenwerking bestaat op grond van het afsluiten van een contract, de oprichting van een stichting, vereniging, CV of BV. Daarnaast komt het voor dat er een intentie tot samenwerking is getekend.

Dit betekent dat voor het overgrote deel van de goedgekeurde projecten sprake is van een officiële samenwerking. Dit betekent niet dat bij de overige goedgekeurde projecten geen sprake is van inzet en betrokkenheid van meerdere partijen/personen. In de vierde tender bijvoorbeeld zijn alle goedgekeurde aanvragen ingediend door een vereniging, stichting of coöperatie.

Landelijke voorbeeldwerking

Uit de evaluatie van de eerste twee tenders blikt dat van de 347 ingediende projecten in 212 projecten een voorbeeldfunctie aan bod komt. Voor deze tenders ligt de verhouding binnen de categorie goedgekeurde projecten als volgt: 31 projecten met een voorbeeldfunctie en 9 projecten zonder voorbeeldfunctie. De voorbeeldfuncties zijn onderverdeeld in een aantal categorieën.

Bij de goedgekeurde projecten treffen we de volgende voorbeeldfuncties aan: publikatie, demonstratie, rondleiding, voordrachten tijdens symposia en dergelijke, informatieverspreiding naar achterban direct of via intermediaire organisaties en combinaties van de genoemde functies. Een combinatie van functies komt het meeste voor.

De derde en vierde tender zijn nog niet op dit punt geëvalueerd.

Conclusie

De regeling Vernieuwing Landelijk Gebied zal medio 2001 geëvalueerd worden. Op dit moment is er nog geen sprake van een grondig inzicht in de doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Dit wordt veroorzaakt doordat de regeling slechts enkele jaren (sinds 1997) van kracht is. Derhalve zijn nog niet voldoende projecten afgerond om uitspraken te kunnen doen over de doeltreffendheid van het ingezette beleid.

13.06 Garanties

De grondslag van het artikel

Door de Staat worden garanties verleend voor leningen die met ingang van medio 2000 worden aangegaan door het Groenfonds ten behoeve van de gesubsidieerde aankoop van natuurterreinen en reservaten, op grond van de regeling «bijdragen particuliere terreinbeherende organisaties».

Daarnaast is de garantie van de Staat aan de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport met ingang van 1999 verlaagd naar f 2,5 mln. Deze garantie loopt vooralsnog tot eind 2000.

Overzicht risico-ontwikkeling met betrekking tot garantie-overeenkomsten van het Rijk (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
01 Natuurgebieden en landschappen       
Garantieplafond45 90025 35420 00020 00020 00020 00020 000
uitstaand renterisico24 69423 55323 82223 94724 05824 12424 225
uitstaand risico per 1 jan.355 816356 004359 717362 968366 221368 928372 924
aflossingen (-/-)14 81216 28716 74916 74717 29316 00415 067
vervallen of te vervallen garanties (-/-)27 5005 354     
verleende of te verlenen garanties42 50025 35420 00020 00020 00020 00020 000
uitstaand risico per 31 dec.356 004359 717362 968366 221368 928372 924377 857
02 Stichting Nederlandse Draf- en rensport        
garantieplafond       
uitstaand risico per 1 jan.        
Vervallen of te vervallen garanties       
verleende of te verlenen garanties 2 500      
uitstaand risico per 31 dec. 2 500     

Prestatiegegevens

 
omschrijving prestatie-eenheden (aantal hectares)199920002001
01 Natuurgebieden en landschappen    
te verlenen (verleende) garantie   
– natuurgebieden561500500
– relatienota-reservaten900500500
Totaal1 4611 0001 000

14. Visserij

Op dit hoofdbeleidsterrein worden uitgaven geraamd ter realisatie van het Nederlandse beleid voor de sectoren zee-, kust- en binnenvisserij en aquacultuur alsmede de apparaatsuitgaven van de directie Visserij.

De Structuurnota zee- en kustvisserij «Vissen naar evenwicht» (TK 1992–1993, 22 993) is de beleidsgrondslag voor het overheidshandelen. Ook de Nota Milieu en Economie (TK 1996–1997, 25 405, nr .1) richt zich tot de Nederlandse visserij; de beperking van de bijvangst vormt daarbij één van de prioritaire actiepunten. Een tussentijdse evaluatie van het beleid ten aanzien van de schelpdiervisserij in de kustwateren heeft zijn beslag gekregen in het beleidsbesluit Schelpdiervisserij in de Kustwateren 1999–2003. Het nieuwe beleidsbesluit Binnenvisserij is het resultaat van de evaluatie van het beleid ten aanzien van de binnenvisserij.

Doelstelling van het Nederlandse visserijbeleid is een (ecologisch, sociaal en economisch) verantwoorde visserij en een evenwichtige exploitatie van visbestanden te bevorderen. Bij de verwezenlijking van de beleidsdoelen wordt een grote eigen verantwoordelijkheid gelegd bij het visserijbedrijfsleven.

Het Gemeenschappelijke Visserij Beleid (GVB) van de Europese Unie stelt de kaders voor het Nederlandse zeevisserijbeleid. Het GVB zal in 2002 worden herzien.

Voor structurele maatregelen in de visserijsector kan in de jaren 2000–2006 worden geput uit het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). De uitvoeringsbepalingen die de inzet van dit Europese structuurfonds regelen, zijn momenteel bij de Europese Commissie in voorbereiding. In het licht van de taakstelling uit het Vierde Meerjarige Oriëntatie Programma (MOP IV) 1997–2001 is het de inzet van Nederland om het merendeel van de FIOV-gelden aan te wenden voor vloot gerichte maatregelen.

Aandeel uitgaven 14 Visserij in de begroting 2001 (x f 1 mln.)Indeling uitgaven 14 Visserij kst-27400-XIV-2-13.gifkst-27400-XIV-2-14.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 14 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 18,217,915,115,115,1 
1e Suppletore begroting 2,21,91,91,91,9 
Nieuwe wijzigingen       
– EU-medefinanciering patrouillevaartuig 6,88,2    
– Loonbijstelling 0,20,40,40,40,4 
– Overige – 0,50,20,20,20,2 
Stand ontwerpbegroting 200131,426,928,617,617,617,617,6
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.14,212,213,08,08,08,08,0

14.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd van de directie Visserij. De post materieel betreft hoofdzakelijk de uitgaven voor de huidige acht onderzoeks- en beheersvaartuigen, die bij de rederij van Visserij in beheer zijn. Op deze post worden verder de exploitatie-uitgaven van het patrouillevaartuig voor de AID controles op zee begroot.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 14 35314 21014 08314 08314 083 
1e Suppletore begroting 1 9091 5301 5301 5301 530 
Nieuwe wijzigingen        
1 EU-medefinanciering patrouillevaartuig 6 7918 185    
2 Loonbijstelling 222404401401401 
3 Overige – 750  
Stand ontwerpbegroting 200126 11522 52524 32916 01416 01416 01416 014
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100011 85010 22111 0407 2677 2677 2677 267

Toelichting

1 EU-medefinanciering patrouillevaartuig

De bouw van het patrouillevaartuig voor de versterking van de controle op zee wordt mede-gefinancierd door de Europese Commissie. De betreffende ontvangsten worden verantwoord op ontvangstenartikel 14.01. Hiertegenover staan hogere uitgaven op het onderhavige artikel.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 8 1947 6107 720 11 10.4
02 Overig personeel 943513510 11 10.4
03 Post-actieven 1599295 11 10.4
04 Materieel 16 81914 31016 004 12 10.4
Totaal 26 11522 52524 329    

14.02 Structuurverbetering en overige subsidies en uitgaven

De grondslag van het artikel

Op dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor de huidige Regeling capaciteitsvermindering zeevisserij (de saneringsregeling 1999), de tijdelijke regeling voor aquacultuur en de uitgaven voor enkele projecten van uiteenlopende aard.

Op het terrein van capaciteitsvermindering van de vloot mag Nederland FIOV-middelen slechts inzetten voor klassieke saneringssteun, aangezien ons land in de ogen van de Europese commissie niet aan de doelstellingen van het meerjarige oriëntatieprogramma voldoet.

De andere structurele maatregelen, die voortkomen uit het programma van het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV 1994–1999), worden deels buiten begrotingsverband (geheel of gedeeltelijk) uit Europese middelen gefinancierd. Het betreft de tijdelijke subsidieregelingen voor de promotie van visserijproducten, de verbetering van de uitrusting van vissershavens, diversificatie vissershavens, alsmede de vergoedingsregeling voor uittreding van vissers uit de visserijsector. De uitgaven voor de regeling ter bevordering van investeringen in de verwerking en afzet van visprodukten als onderdeel van de investeringsregeling Markt en Concurrentiekracht (Stimuleringskader) worden begroot op het artikel 12.02 Structuurverbetering.

De besluitvorming over het Nederlandse FIOV-programma voor de jaren 2000 tot en met 2006 is op dit moment nog niet afgerond.

Opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 3 8333 6761 0121 0121 012 
1e Suppletore begroting 278360360360360 
Nieuwe wijzigingen       
1 Overige 250250250250250 
Stand ontwerpbegroting 20015 2454 3614 2861 6221 6221 6221 622
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10002 3801 9791 945736736736736

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 structuurverbetering 6 7531 1131 183 5 2153 7833 843 43A 10.4
02 overige 181578443 30578443 43D 10.4
Totaal 6 9341 6911 626 5 2454 3614 286    

15. Milieu, Gezondheid en Kwaliteit

Op dit hoofdbeleidsterrein worden de uitgaven geraamd voor het veterinaire en fytosanitaire beleid en het milieu- en kwaliteitsbeleid. Het nationale beleid wordt in sterke mate internationaal bepaald (EU en WTO). De aspecten milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn spelen een belangrijke rol in het bewerkstelligen van consumentenvertrouwen.

Het diergezondheidsbeleid is onderworpen aan een intensieve herijking gericht op het versterken van de diergezondheidszorg. Het uitgangspunt is dat primair de veehouder zelf de verantwoordelijkheid draagt voor degezondheid van zijn veestapel, ook in financiële zin. De overheid zal zich nadrukkelijker gaan richten op haar maatschappelijke en EU-rechtelijke verantwoordelijkheden door het stellen van duidelijke kaders en randvoorwaarden. Dit betreft in hoofdzaak de bestrijding van zeer besmettelijke dierziekten en zoönosen (dierziekten die een gevaar vormen voor de volksgezondheid), de bewaking van de preventieve diergezondheidszorg en veterinaire exportcertificering voor dierziekten waarvoor de EU vrijwaring voorschrijft en een bijdrage aan effectief destructiebeleid.

De ondernemer zal waar mogelijk de kosten van de preventieve zorg en de ziektebestrijding moeten dragen.

Hiertoe is in overleg met het bedrijfsleven een systematiek ontwikkeld waarbij de kosten van besmettelijke dierziektenuitbraken door het bedrijfsleven worden gefinancierd in de vorm van een bankgarantie.

In het kader van het voedselveiligheids- en diergezondheidsbeleid zet de overheid middelen in ter ondersteuning van de ontwikkeling van diagnostiek, de uitroeiing van ziekten en de opzet van ketenbrede bewakings- en garantiesystemen. Naar aanleiding van de in 1997 uitgebroken Klassieke Varkenspest zijn de veterinaire hygiëne-eisen verscherpt, met name op het gebied van reiniging en ontsmetting. De eisen aan diervoeders en de grondstoffen die hierin verwerkt worden en de controle daarop, zullen worden verscherpt.

Aandeel uitgaven 15 Milieu, Gezondheid en kwaliteit Indeling uitgaven 15 Milieu, Gezondheid en kwaliteitin de begroting 2001 (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-15.gifkst-27400-XIV-2-16.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 15 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 331,0403,1397,7398,3399,3 
1e Suppletore begroting 16,3– 5,6– 5,2– 5,0– 5,0 
Nieuwe wijzigingen       
– Voedselveiligheid  20,020,010,010,0 
– Loonbijstelling 4,78,98,99,09,0 
– BTW compensatie (GD)  1,91,91,91,9 
– Uitgaven KVP 3,0     
– Exploitatie bijdrage PD 2,7     
– Diervoeder  2,02,53,03,0 
– Intrekking Heffing DGF – 39,3– 111,3– 103,3– 101,3– 99,3 
– Overige – 1,3– 3,3– 3,9– 4,0– 3,9 
Stand ontwerpbegroting 2001309,4317,1315,7318,6311,9315,0315,0
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.140,4143,9143,2144,6141,5142,9142,9

15.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post actieven geraamd van de directie Veterinaire, Voedings- en Milieuaangelegenheden en de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees.

De opbouw van de raming

Opbouwuitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 223 814225 370227 135229 618232 676 
1e Suppletore begroting – 1 331– 3 295– 3 278– 3 278– 3 278 
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 4 1287 8667 8907 9417 991 
2 Diervoeder 1 5002 0002 5003 0003 000 
3 Projectdirectie Biotechnologie 1 3001 400200   
4 Herschikking – 1 836– 3 749– 4 260– 4 305– 4 307 
5 Overige 300300300300300 
Stand ontwerpbegroting 2001208 389227 875229 892230 487233 276236 382236 382
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100094 563103 405104 320104 590105 856107 265107 265

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 147 636165 112169 132 11 10.1
02 Overig personeel 5 612   11 10.1
03 Post-actieven 7451 4041 446 11 10.1
04 Materieel 54 39661 35959 314 11/52 10.1
Totaal 208 389227 875229 892    

15.02 Agentschap Plantenziektenkundige Dienst

De grondslag van het artikel

Op dit artikel wordt de bijdrage van het ministerie van LNV aan het Agentschap Plantenziektenkundige Dienst geraamd. De begroting van het Agentschap wordt nader toegelicht onder wetsartikel 6 van deze begroting.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 20 99020 78520 39220 39220 392 
1e Suppletore begroting – 3– 3– 3– 3– 3 
Nieuwe wijzigingen        
1 Exploitatie bijdrage PD 2 653     
2 loonbijstelling 482875862863863 
Stand ontwerpbegroting 200123 84124 12221 65721 25121 25221 25221 252
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100010 81910 9469 8289 6439 6449 6449 644

Toelichting

1 Exploitatiebijdrage Plantenziektenkundige Dienst

De LNV-bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst voor 2000 dient eenmalig te worden verhoogd met f 2,7 mln. De verhoging van de bijdrage is noodzakelijk in verband met tegenvallende opbrengsten uit exportinspecties, hogere kosten voor het uitvoeren van groente- en fruitinspecties en het niet volledig realiseren van voorgenomen besparingen. Compensatie wordt geboden op artikel 12.02 Structuurverbetering.

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

15.03 Gezondheid en Kwaliteitszorg

De grondslag van het artikel

Het diergezondheidsbeleid is onderworpen aan een intensieve herijking gericht op het versterken van de diergezondheidszorg. Het uitgangspunt is dat primair de veehouder zelf de verantwoordelijkheid draagt voor de gezondheid van zijn veestapel, ook in financiële zin.

De overheid zet middelen in ter ondersteuning van de ontwikkeling van diagnostiek, de uitroeiing van ziekten en de opzet van ketenbrede bewakings- en garantiesystemen. Per dierziekte dient een traject te worden afgelegd van achtereenvolgens diagnostiekontwikkeling, onderzoek dierziektestatus, opzet van certificeringssystemen, bestrijding van ziekte en uiteindelijk het permanent volgen van de gezondheidssituatie. De eerste jaren zal derhalve de nadruk liggen op de ontwikkeling van diagnostiek en het bepalen van de dierziektestatus in Nederland. De activiteiten zullen in overleg met het bedrijfsleven nader vorm worden gegeven.

In het kader van de uitvoering van taken op het gebied van het preventieve diergezondheidsbeleid werd een subsidie van f 12,5 mln. aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) verleend. Met ingang van 1-1-2000 is de subsidierelatie met de GD geleidelijk afgebouwd en zal de GD vergoedingen ontvangen voor diensten die worden verricht in het kader van samenwerking met of op verzoek van LNV. Deze diensten zullen worden belast met BTW. LNV is voor de hieruit voortvloeiende extra kosten generaal gecompenseerd.

De uitgaven en inkomsten voor de dierziektebestrijding bij varkens, runderen, schapen, geiten en pluimvee t.a.v. varkens worden met ingang van 1 september 1998 verantwoord op het Diergezondheidsfonds (DGF). Dit begrotingsfonds is in de plaats gekomen van het Fonds Politionele Dierziektebestrijding van de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren.

Zoals in het Regeerakkoord 1998 is aangegeven vormt dierenwelzijn een belangrijk onderdeel van de noodzakelijke herstructurering van de veehouderij. Naast wetgeving zijn financiële middelen beschikbaar voor de ondersteuning van dit beleid. Een ander kwaliteitsaspect in de bedrijfsvoering heeft betrekking op de ondernemingsrisico's die verbonden zijn aan het werken met levende productiemiddelen.

Het bieden van waarborgen voor de betrouwbaarheid van voedsel staat voorop in het beleid voor de voedselproductie en -consumptie. De veiligheid van dierlijke producten en de hiermee vervaardigde levensmiddelen wordt in belangrijke mate bepaald door het gebruikte diervoeder. Het beleidsbesluit diervoeder geeft een belangrijke impuls aan de verbetering van de gewenste kwaliteitsborging. De hiermee samenhangende controlewerkzaamheden alsmede de kosten voor een aantal onderzoeksprojecten worden op onderhavig artikel verantwoord.

Tevens worden op dit artikel de uitgaven verantwoord voor beleidsondersteunende activiteiten op het gebied van milieu en kwaliteitszorg. De initiatieven op het gebied van voorlichting ten aanzien van voeding worden verricht door het Voedingscentrum Nederland. LNV draagt bij in de kosten van het Voedingscentrum Nederland.

De opbouw van de raming.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 86 224156 987150 173148 273146 273 
1e Suppletore begroting 17 584– 2 263– 1 927– 1 692– 1 692 
Nieuwe wijzigingen       
1 Voedselveiligheid  20 00020 00010 00010 000 
2 Uitgaven KVP 3 000      
3 BTW Compensatie (GD)  1 9001 9001 9001 900 
4 Loonbijstelling 100180179180180 
5 Diervoeder – 1 500      
6 Projectdirectie Biotechnologie – 1 300– 1 400– 200   
7 Intrekken heffing DGF – 39 300– 111 300– 103 300– 101 300– 99 300 
8 Overige 271     
Stand ontwerpbegroting 200177 12665 07964 10466 82557 36157 36157 361
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100034 99829 53229 08930 32426 02926 02926 029

Toelichting

1 Voedselveiligheid

Naar aanleiding van een reeks incidenten op het gebied van de voedselveiligheid (BSE, dioxine en hormonen) worden aanvullende maatregelen genomen. Het gaat hierbij met name om verscherping van het toezicht op de diverse schakels in de productieketen. Tevens zullen initiatieven worden genomen om de consument/burger te informeren over het onderwerp voedselveiligheid. Hiertoe zal door het Voedingscentrum Nederland (VCN) een communicatieplan worden ontwikkeld. Voor deze voorlichtingsactiviteiten is voor de komende jaren f 5 mln. aan middelen beschikbaar gesteld.

7 Intrekken heffing Diergezondheidsfonds

Met betrekking tot het Diergezondheidsfonds is met het bedrijfsleven overeenstemming bereikt over een nieuwe financieringsstructuur bij de bestrijding van dierziekten. Als gevolg hiervan komen de voorgenomen Rijksheffingen met betrekking tot de bestrijding van dierziekten bij runderen, varkens, pluimvee en schapen te vervallen en wordt er een garantiesystematiek ingevoerd. Daarbij stelt het bedrijfsleven zich garant voor de financiering van besmettelijke dierziekten bij varkens voor f 500 mln., bij runderen voor f 500 mln., bij pluimvee voor f 25 mln. en bij schapen en geiten voor f 5 mln.

Als gevolg van de nieuwe systematiek komen de geraamde heffingen op het ontvangstenartikel 15.03 te vervallen, vervallen de uitvoeringskosten bij Bureau Heffingen en vervalt de bijdrage op artikel 15.03 aan het DGF.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Gezondheidszorg dieren 25 91436 18053 434 38 57748 66756 081 43A 10.01
02 Dierenwelzijn en risico-afdekking 1 8106 6621 584 1 7146 2891 584 12 10.01
03 kwaliteitszorg 2 1232 8032 438 5 8713 1952 438 43A 10.01
04 Voorlichting Voeding 1103 9284 001 1063 9284 001 43A 10.01
05 Klassieke Varkenspest 30 8583 000  30 8583 000  43D 10.01
06 Diergezondheidsfonds         43A 10.01
Totaal 60 81552 57361 457 77 12665 07964 104    

16. Wetenschap en Kennisoverdracht

Kennis is van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving. Daarbij is de kwaliteit van het kennissysteem van essentiële betekenis. Voor het LNV-beleid staan daarbij de beleidsinstrumenten Onderwijs, Onderzoek en Voorlichting centraal. De specifieke overheidsverantwoordelijkheid ligt op het terrein van het fundamenteel onderzoek en (lange termijn) kennis-ontwikkeling, het publieke «groene» onderwijs en de verantwoordelijkheid voor een adequate LNV-kennisinfrastructuur als geheel. De verantwoordelijkheid voor de korte termijn kennisontwikkeling via het praktijkonderzoek, de voorlichting en het cursusonderwijs wordt primair gelegd bij ondernemers en andere belanghebbenden in de agrosector en de groene ruimte.

Het kennissysteem en de infrastructuur moeten bijdragen aan een optimale ondersteuning bij het realiseren van veranderingen waarvoor de LNV-sectoren zich gesteld zien. Het LNV-kennissysteem staat niet op zichzelf, maar in open verbinding met andere kennisintensieve instellingen en organisaties.

In de afgelopen jaren is de Landbouwkennisinfrastructuur ingrijpend aangepast. Dit biedt een sterke positie bij samenwerking met andere kennisactoren en het aanpakken van nieuwe thema's.

Het fundamenteel, strategisch- en toepassingsgericht onderzoek wordt uitgevoerd door de stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) en de Landbouwuniversiteit Wageningen (LUW). Thans wordt het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) nader vorm gegeven en uitgebouwd tot een wetenschappelijk centrum met een unieke en gerenommeerde internationale positie. Hiertoe worden ingaande 2001 het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en het Internationel Institute for Landreclamation and Improvement (ILRI) eveneens geïntegreerd in Wageningen UR.

Het praktijkonderzoek wordt uitgevoerd door proefstations en regionale onderzoekscentra. Dit onderzoek is erop gericht de resultaten van het fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek te vertalen voor, en te implementeren in de verschillende agrarische bedrijfstakken. Eind 2000 wordt het Praktijkonderzoek verzelfstandigd. Alsdan zal het deel uit gaan maken van het Wageningen UR.

Bedrijfsvoorlichting richt zich op de verspreiding van kennis met het oog op een duurzame ontwikkeling van agrarische ondernemingen. De DLV Adviesgroep NV geeft advies, voorlichting en begeleiding met betrekking tot bedrijfsvoeringsaspecten in alle agrarische sectoren.

Het agrarisch onderwijs leidt leerlingen en studenten op voor de LNV-werkterreinen. Het agrarisch onderwijs valt onder dezelfde wet- en regelgeving als het overige algemene onderwijssysteem en heeft in grote lijnen dezelfde structuur. Vanaf 1999 is de regeling «Versterking Innovatie Agrarisch Onderwijs (VIA)» van kracht. Deze regeling moet een nieuwe impuls geven aan de vernieuwing en innovatie van het agrarisch beroepsonderwijs.

Aandeel uitgaven 16 Wetenschap en kennis - Indeling uitgaven 16 Wetenschap en kennisoverdracht in de begroting 2001 (x f 1 mln.)overdrachtkst-27400-XIV-2-17.gifkst-27400-XIV-2-18.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 16 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 1 605,51 466,01 470,11 452,71 460,5 
1e Suppletore begroting 5,0– 0,5– 0,9– 0,8– 0,8 
Nieuwe wijzigingen       
– Loonbijstelling 35,436,536,736,436,6 
– Leerlingenstijging VAO  15,015,015,015,0 
– Integratie IAC/ILRI in WUR  13,813,813,813,8 
– Integratie praktijkonderzoek  10,05,0– 5,0– 10,0 
– Onderwijsintensiveringen 13,911,25,74,44,4 
– Onderwijsintensiveringen (FES) 4,04,03,03,03,0 
– Nitraatprojecten 4,01,0    
– Project «aanvullend stikstofbeleid» 0,7     
– BTW compensatie  1,31,31,31,3 
– desaldering begeleidende maatregelen  – 1,5– 1,5– 1,5– 1,5 
– Overige 1,1– 0,1– 0,2– 0,3– 0,2 
Stand ontwerpbegroting 20011 848,11 669,61 556,71 548,01 519,01 522,11 541,1
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.838,6757,6706,4702,4689,3690,7699,3

16.01 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de uitgaven voor personeel, materieel en post-actieven geraamd van de directie Wetenschap en Kennisoverdracht en de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 12 18712 02011 87911 87911 879 
1e Suppletore begroting 1 230     
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 812572568569569 
2 Veranderkosten Praktijkonderzoek 500  
Stand ontwerpbegroting 200115 48214 72912 59212 44712 44812 44812 448
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10007 0256 6845 7145 6485 6495 6495 649

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Ambtelijk personeel 12 57711 97810 689 11 04.0
02 Overig personeel 881313 11 04.0
03 Post-actieven 388383395 11 04.0
04 Materieel 2 4292 3551 495 11/52 04.4
Totaal 15 48214 72912 592    

16.02 Wetenschappelijk onderzoek

De grondslag van het artikel

Het artikel heeft betrekking op uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek in relatie tot de beleidsterreinen van LNV dat uitgevoerd wordt bij wetenschappelijke kennisinstellingen. Het betreft hier hoofdzakelijk fundamenteel en strategisch onderzoek dat explorerend en/of ondersteunend is aan LNV-beleid. Naast lange-termijnonderzoek kan het hierbij ook kortdurend onderzoek betreffen. Ingaande 2001 is, in verband met de integratie van deze instellingen in Wageningen UR, eveneens onderdeel van dit artikel de te verstrekken bijdrage aan het Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en het International Institute for Landreclamation and Improvement (ILRI).

Vanaf het jaar 2000 wordt gestreefd naar meer integrale en probleemgerichte onderzoekprogramma's waarin een meer interdisciplinaire benadering gevolgd wordt. Tevens vindt een verschuiving plaats van capaciteit van de primaire sector naar vraagstukken in de kolom en bevordering van maatschappelijke gewenste productiewijzen.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 338 580335 103332 331318 549318 549 
1e Suppletore begroting 11 8612 6293 2861 860– 1 840 
Nieuwe wijzigingen        
1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  13 81813 76913 76913 769 
2 Loonbijstelling 8 3669 1929 1488 9628 962 
3 Nitraatprojecten 4 0001 000    
4 Overige 5145555 
Stand ontwerpbegroting 2001740 691363 321361 747358 539343 145339 445339 445
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000336 111164 868164 154162 698155 712154 033154 033

Toelichting

1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR

In het kader van de integratie per 1 januari 2001 van de stichting Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) en de stichting International Institute for Landreclamation and Improvement (ILRI), in het Wageningen UR worden de betreffende budgetten overgeheveld naar het wetenschappelijk onderzoek. De personele en materiële budgetten worden, onder aftrek van de middelen, samengevoegd en ondergebracht op een nieuw artikelonderdeel «Bijdrage IAC/ILRI» op begrotingsartikel U16.02.

3 Nitraatprojecten

Bij de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek wordt onderzoek tot het omschakelen van het proefbedrijf «Aver Heino» uitgevoerd. Vanuit de zogenaamde «nitraatgelden» wordt bijgedragen aan de omschakeling van dit proefbedrijf. Dit gebeurt onder de condities dat het onderzoek bijdraagt aan kennisontwikkeling en -verspreiding met betrekking tot mineralenmanagement in de biologische en gangbare melkveehouderij.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Bijdrage Stichting DLO 703 042328 650312 407 705 994327 583313 645 43A 10.01
02 Overige Subsidies en uitgaven 37 69836 11933 852 34 69735 73833 886 34A 10.01
03 Bijdrage IAC/ILRI 14 216 14 216 43A 10.01
Totaal 740 740364 769360 475 740 691363 321361 747    

Prestatiegegevens

In onderstaande tabel is de bijdrage aan de Stichting DLO weergegeven per onderzoeksthema over 2000 en de prognoses voor 2001. Voor 1999 is een zo goed mogelijke verdeling gemaakt per thema zoals die met ingang van de ontwerpbegroting 2001 wordt gehanteerd.

01 Bijdrage Stichting DLO bedragen x f 1 mln.
ThemaRealisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Vitaal Platteland19,519,319,2
– aantal programma's 87
– gem. inzet per programma 2,42,7
Gezonde land- en tuinbouw en visserij115,3114,9108,7
– aantal programma's 4138
– gem. inzet per programma 2,82,9
Natuur voor mensen30,127,911,8
– aantal programma's 94
– gem. inzet per programma 3,13,0
Kwaliteit van de voeding31,329,620,9
– aantal programma's 129
– gem. inzet per programma 2,52,3
Inspelen op internationalisering8,78,58,4
– aantal programma's 43
– gem. inzet per programma 8,42,8
Specifieke bijdragen7,56,57,5
Nieuwe projecten  28,0
Programmering212,4206,7204,5
Overige onderzoekopdrachten10,36,25,2
Strategische expertise ontwikkeling (SEO)41,140,641,9
Niet Gealloceerde Programmamiddelen 6,12,9
 263,8259,6254,5
BTW38,036,237,3
 301,8295,8291,8
Overdracht bouwtaken praktijkonderzoek 12,04,0
Bijstelling a.g.v. BTW4,03,03,0
Aflossing lening6,26,26,2
Kasimpuls5,05,05,0
Voorziening loonbijstelling 2,0  
Vaste lasten onroerend goed1,11,11,1
Compensatie vraaguitval derden2,52,52,5
Lening aankoop gebouwen298,4  
Subsidie aankoop gebouwen79,5  
Reorganisatielasten7,5  
Totaal706,0327,6313,6
02 Overige subsidies en uitgaven bedragen x f 1 mln.
ThemaRealisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Vitaal Platteland1,21,30,8
Gezonde Land- en Tuinbouw9,36,34,7
Kwaliteit van de voeding10,310,310,8
Natuur voor mensen2,64,32,9
Kennis en innovatie2,02,83,3
Inspelen op internationalisering2,83,02,8
Diversen6,57,88,6
Totaal34,735,833,9

16.03 Praktijkonderzoek

De grondslag van het artikel

Dit artikel bevat de LNV-financiering van het praktijkonderzoek. Het praktijkonderzoek bestaat uit proefstations en regionale onderzoekscentra en houdt zich naast het vertalen en het implementeren van de resultaten van het fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek in de verschillende agrarische sectoren bezig met toegepast onderzoek. Het praktijkonderzoek voert onderzoek uit voor het bedrijfsleven en het ministerie van LNV. Het praktijkonderzoek zal in 2000 worden verzelfstandigd en op gaan in Wageningen UR door middel van fusie van de stichtingen voor praktijkonderzoek met de Stichting DLO. Voor het Praktijkonderzoek Veehouderij zal dit eind 2000 zijn afgerond en voor het Plantaardige Praktijkonderzoek zal dit begin van het jaar 2001 zijn beslag krijgen.

Aandachtspunten in de onderzoeksprogrammering voor de komende jaren zijn:

* Geïntegreerde bedrijfssystemen

* Biologische teelt- en bedrijfssystemen

* Problematiek van mineralen en ammoniak

* Gewasbeschermingsproblematiek

* Emissiebeperking bestrijdingsmiddelen

* Welzijn en diergezondheidszorg

* Agrarisch natuurbeheer

* Integraal waterbeheer

* Energiebeleid in de tuinbouw

* Arbeid en arbeidsomstandigheden

* Innovaties ter versterking van de concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw

* Integrale kwaliteitszorg

Tevens worden op dit artikel de uitgaven aan bouwkundige investeringen, aankopen van onroerend goed en bouwkundig onderhoud van gebouwen in gebruik bij de proefstations geraamd. Voor 2000 is hier tevens inbegrepen de voorgenomen overdracht van de onroerende zaken in eigendom bij Domeinen aan Wageningen UR/DLO.

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 201 59270 00069 32069 32069 320 
1e Suppletore begroting – 8 358– 4 000– 5 000– 3 700  
Nieuwe wijzigingen        
1 Integratiekosten Praktijkonderzoek  10 0005 000– 5 000– 10 000 
2 Loonbijstelling 1 2601 2801 2641 2641 264 
3 Aanvullend stikstofbeleid 690     
4 Veranderkosten Praktijkonderzoek – 500     
Stand ontwerpbegroting 200154 582194 68477 28070 58461 88460 58470 584
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100024 76888 34435 06832 03028 08227 49232 030

Toelichting

1 Integratiekosten Praktijkonderzoek

Het praktijkonderzoek wordt in de Wageningen UR geïntegreerd. Hiermee wordt het geheel aan wetenschappelijk-fundamenteel onderzoek tot en met het toegepaste onderzoek in één organisatie ondergebracht. Voor dit nieuwe centrum wordt het praktijkonderzoek ingrijpend vernieuwd. De hiermee gepaard gaande kosten zoals verplaatsings-, verhuis- en inrichtingskosten hebben een verhoging van de uitgaven tot gevolg. De bijstelling betreft een eerste voorziening voor de overgangskosten.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Verplichtingen Uitgaven Codering
  199920002001 199920002001 econ. funct.
01 Bijdrage Praktijkonderzoek 50 51063 65975 061 49 94564 52275 942 43A 10.01
02 Gebouwen en grond 3 481130 2021 378 4 637130 1621 338 12/52 10.01
Totaal 53 991193 86176 439 54 582194 68477 280    

Prestatiegegevens

Onderstaand overzicht geeft weer de indicatieve verdeling voor 1999 en 2000 van de netto LNV-bijdrage over de sectoren. Het totaalbedrag correspondeert met het totaalbedrag met onderdeel 01 «Bijdrage Praktijkonderzoek».

LNV-bijdrage aan Praktijkonderzoek over de sectoren bedragen x f 1 mln.
UitgavenRealisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Bloembollen4,54,44,5
Bloemisterij/glasgroenten8,88,78,8
Champignons1,41,41,4
Boomteelt2,12,12,2
Fruitteelt2,52,02,0
Akkerbouw/vollegrondsgroenten8,98,98,9
Varkens2,92,92,6
Rundvee/paarden6,66,06,4
Pluimvee1,91,92,0
Bijenhouderij0,30,30,3
Kleine aarde0,10,10,0
Bouw en herstructurering fruitteelt en overbruggingskosten5,20,4  
Diversen4,74,60,8
Integratie Praktijkonderzoek in Wageningen UR 5,010,0
Omzetstijging PV/PPO 5,110,8
Startinvesteringen PV/PPO 1,1  
BTW-invoering 9,69,6
Nog te alloceren middelen  5,6
Totaal49,964,575,9

16.04 Bedrijfsontwikkeling

De grondslag van het artikel

Dit artikel heeft betrekking op de voorlichtingsactiviteiten inzake de sociaal en technisch economische aangelegenheden. In het jaar 2000 wordt voor de laatste maal specifiek aan de Sociaal Economische Voorlichting (SEV)-organisaties en de DLV Adviesgroep NV subsidie verstrekt voor het uitvoeren van thematische voorlichtingsprogramma's. Met ingang van 2001 zal de gunning van voorlichtingsopdrachten plaatsvinden op basis van openbare aanbesteding.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 30 39225 28224 36028 61727 617 
1e Suppletore begroting 538– 239– 217   
Nieuwe wijzigingen       
1 BTW-compensatie  1 3001 3001 3001 300 
2 Loonbijstelling 836830802928898 
3 Overige 648– 122– 132– 241– 241 
Stand ontwerpbegroting 200133 12232 41427 05126 11330 60429 57429 574
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100015 03014 70912 27511 85013 88713 42013 420

Toelichting

1 BTW-compensatie

De aansturing en bekostiging van de Sociaal Economische voorlichting zal ingaande 2001 dusdanig worden vormgegeven dat over de bijdrage aan de SEV BTW verschuldigd is. Dientengevolge wordt het budget overeenkomstig opgehoogd.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Sociaal-Economische voorlichting 7 50510 49210 991 43A 10.1
02 Demoprojecten 2 346 43A 10.1
03 Technische-economische ontwikkelingen 23 27121 92216 060 43A 10.1
Totaal 33 12232 41427 051    

Prestatiegegevens

Uitgaven per thema bedragen x f 1 mln.
ThemaRealisatie 1999Raming 2000Raming 2001
1. Milieu8,59,4  
2. Diergezondheid en Welzijn2,22,2  
3. Vrouw en bedrijf1,32,8 
4. Concurrentiekracht6,75,6 
5. Biologische Landbouw2,22,5 
6. Multifunctioneel grondgebruik3,95,6 
7. Gezin, bedrijfsovername en -beëindiging1,21,8 
8. SEP4,22,3 
9. Diversen0,60,21,2
10. Vitaal Platteland  5,0
11. Gezonde Land- en Tuinbouw  16,8
12. Kwaliteit van de voeding  0,5
13. Natuur voor mensen  3,0
14. Kennis en innovatie  0,5
Totaal30,832,427,0

16.05 Wetenschappelijk onderwijs

De grondslag van het artikel

De uitgaven voor het Wetenschappelijke onderwijs vinden hun grondslag in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Het betreft de uitgaven ten behoeve van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Het op de WHW gebaseerde Bekostigingsbesluit WHW bepaalt de rijksbijdrage aan de universiteiten. Overeenkomstig dit bekostigingsbesluit wordt voor de Landbouwuniversiteit Wageningen jaarlijks de rijksbijdrage met de daarin samenstellende delen vastgesteld: het onderwijsdeel, het onderzoekdeel, het deel uitkeringen na ontslag en het investeringsdeel.

Vanaf 2000 is voor de universiteiten het Prestatie Bekostigingsmodel (PBM) van toepassing. Het PBM, waarin het verwevenheidsdeel als apart onderdeel is verdwenen, werkt – evenals het voorgaande bekostigingsmodel – als een verdeelmodel tussen universiteiten. Het PBM maakt de bekostiging meer afhankelijk van prestaties, met name in het onderwijsdeel. Daar het ministerie van LNV één universiteit bekostigt, werkt het PBM voor de Landbouwuniversiteit Wageningen niet als een verdeelmodel en ontbreken derhalve de prestatieprikkels die de andere universiteiten ondervinden. Daarom wordt met de Universiteit Wageningen een model uitgewerkt dat aansluit bij het PBM met voor de Landbouwuniversiteit Wageningen relevante prestatieprikkels.

Naast bovengenoemde rijksbijdrage worden aan instellingen werkzaam op het terrein van het wetenschappelijk onderwijs project- en exploitatiebijdragen verstrekt, die betrekking hebben op innovatie en dienstverlening (onderdeel overige subsidies en uitgaven).

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 253 127250 426247 231248 478249 673 
1e Suppletore begroting 350     
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 5 9396 0486 0306 0386 073 
2 Onderwijsintensiveringen 1 3001 3001 3001 3001 300 
Stand ontwerpbegroting 2001256 126260 716257 774254 561255 816257 046258 270
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000116 225118 308116 973115 515116 084116 642117 198

Toelichting

2 Onderwijsintensiveringen

Bij Kaderbrief 2000 is geld vrijgemaakt voor intensiveringen in het onderwijs. Hiermee zullen de overheidsvoorwaarden voor AIO's worden verbeterd en aantrekkelijker gemaakt. Het landbouwonderwijs volgt hiermee de ontwikkelingen in het door OC&W gefinancierde onderwijs.

Onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Rijksbijdrage LUW        
– Onderwijs 67 24770 421  43A 04.43
– Basisfinanciering onderwijs   23 383 43A 04.43
– Prestatiefinanciering onderwijs   26 973 43A 04.43
– Onderzoek 162 689164 052  43A 04.43
– Basisfinanciering onderzoek   153 188 43A 04.43
– Prestatiefinanciering onderzoek   27 544 43A 04.43
– Uitkering na ontslag 8 1608 1678 319 43A 04.43
– Investeringen 13 55213 55213 552 62A 04.43
02 Overige subsidies en uitgaven 4 4784 5244 815 43A 04.43
Totaal 256 126260 716257 774    

Prestatiegegevens

 
Studentenaantallen/prestatie eenheden1999 (1997/1998)2000 (1998/1999)2001 (1999/2000)
Prestatie-indicatoren bekostiging    
Totaal aantal ingeschreven studenten*3 8603 7813 640
Aantal instroom eerste jaars excl. extraneï en toehoorders902815757
Aantal afgestudeerden935651563
Promoties174181183

* m.i.v. 2001 zal naar verwachting een nieuw bekostigingsmodel worden ingevoerd

 
Uitgaven per ingeschreven student (x f 1 000)199920002001
Onderwijs17,418,613,8
Collegegeld voltijd2 8002 8502 900
Collegegeld deeltijd1 2751 3001 325

Het collegegeld wordt jaarlijks met ca. 2% verhoogd op grond van de in het regeerakkoord afgesproken indexatie.

 
Aantal netto ingeschrevenen Universiteit Wageningen per studiejaar per opleiding (exclusief extraneï en auditoren)1999totaal19991e jaars1999 einddiploma2000totaal
Biologie4008854386
Bosbouw/Bos- en Natuurbeheer1606525206
Tropische cultuurtechniek2 11
Landbouwtechniek104151498
Agrosysteemkunde462947
Landinrichtingswetenschappen3055851306
Tropisch landgebruik2264321217
Boden, water en atmosfeer2334517239
Econ. van landbouw en milieu2575243236
Rurale ontwikkelingsstudies1632423164
Huishoud en consum. wetenschappen1522923136
Landbouwplantenteelt (incl. Tropische Plant.)3120414
Tuinbouw43 1023
Plantenveredeling en gewasbescherming1741427185
Zoötechniek3218839334
Levensmiddelentechnologie2644246255
Voeding van de mens2346039263
Milieuhygiëne3524965281
Moleculaire wetenschappen1393018141
Bioprocestechnologie2543334249
     
Totaal3 8607575633 781

16.06 Hoger Agrarisch Onderwijs

De grondslag van het artikel

De uitgaven voor het Hoger Agrarisch Onderwijs vinden hun grondslag in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Voor de minister van LNV betreft het de uitgaven ten behoeve van zes instellingen voor Hoger Agrarisch Onderwijs waaronder de Agrarische Pedagogische Hogeschool.

De rijksbijdrage volgens het huidige bekostigingsmodel is samengesteld uit een exploitatiedeel, inclusief een huisvestingsdeel en uit een deel uitkeringen voor ontslag.

Bij de normstelling, die betrekking heeft op het exploitatiedeel is rekening gehouden met de inkomsten uit collegegelden.

Over de wachtgelden in het HAO (onderdeel uitkeringen na ontslag) zijn budgettaire afspraken gemaakt in het kader van het wachtgeld arrangement voor het HBO.

Naast bovengenoemde rijksbijdrage worden middelen toegekend ten behoeve van specifieke activiteiten. zoals: inhoudelijke onderwijsvernieuwing, onderwijsondersteuning, internationalisering, informatie en communicatie technologie (ICT) en flankerend personeelsbeleid (mobiliteitsbevordering). In de komende jaren zal een groot deel van de specifieke middelen worden ondergebracht in het budget voor de regeling Versterking Innovatie Agrarisch Onderwijs (VIA-regeling; Stcrt. 134 dd. 20 juli 1998).

De opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 127 607127 677127 367128 058128 717 
1e Suppletore begroting – 381100    
Nieuwe wijzigingen       
1 Loonbijstelling 3 1863 2503 2403 2613 280 
2 Overige   – 200– 350– 350 
Stand ontwerpbegroting 2001126 681130 412131 027130 407130 969131 647132 308
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100057 48559 17859 45759 17659 43159 73960 039

Onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Rijksbijdrage     43A 04.44
– Exploitatie (incl. huisvesting) 104 508109 904101 283 43A 04.44
– Uitkering na ontslag 5 8495 2574 900 43A 04.44
02 Overige subsidies en uitgaven 16 32415 25124 844 43A 04.44
Totaal 126 681130 412131 027    

Prestatiegegevens

 
Studentenaantallen1999 (1997/1998)2000 (1998/1999)2001 (1999/2000)
Totaal aantal studenten HAO8 7698 6988 537
Afgestudeerden1 6721 5391 683
Uitvallers809895892
Instroom2 4102 3632 414
    
gemiddelde studieduur afgestudeerden4,41 jaar4,37 jaar4,25 jaar
gemiddelde studieduur uitvallers1,74 jaar1,76 jaar1,70 jaar
 
Uitgaven per ingeschreven student20002001 
– exploitatie12,611,9 
– uitkeringen na ontslag0,60,6 

16.07 Voortgezet agrarisch onderwijs

De grondslag van het artikel

De uitgaven voor het Voortgezet Agrarisch Onderwijs zijn voor het agrarisch voorbereidend beroepsonderwijs gebaseerd op de Wet Voortgezet Onderwijs (WVO) en voor het voortgezet agrarisch onderwijs gebaseerd op artikel 2.2.1 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Het voortgezet agrarisch beroepsonderwijs wordt voornamelijk verzorgd door Agrarische Opleidings Centra (AOC's).

De bekostiging van de AOC's vindt plaats in de vorm van een lump-sumbijdrage. Per 1 januari 2000 zal een nieuwe bekostigingssystematiek worden ingevoerd. Daarin is (voor het MBO-deel) sprake van 80% input en 20% diploma-bekostiging.

In het kader van de per 1 juli 1997 van kracht geworden «verzelfstandiging huisvesting BVE-sector», zijn ook de huisvestingskosten in de lump-sum opgenomen. De uitgaven voor wachtgelden worden in de vorm van een opslag op de lump-sum, in de rijksbijdrage aan de instellingen vergoed. Per 1 augustus 1998 is de verantwoordelijkheid voor deze uitgaven verder gedecentraliseerd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in wettelijke uitgaven (collectieve last) en bovenwettelijke uitgaven (instellingslast).

Ter stimulering van innovaties binnen het agrarisch onderwijs is medio 1998 de regeling Versterking Innovatie Agrarisch Onderwijs (VIA) van kracht geworden (Stb. 134 d.d. 20 juli 1998).

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor het middelbaar agrarisch onderwijs, het agrarisch voorbereidend beroepsonderwijs, het deeltijd middelbaar agrarisch onderwijs, de opleidingen leerlingwezen en de door de scholen uitgevoerde cursussen.

Opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 589 952593 099605 001594 906601 661 
1e Suppletore begroting – 491 0001 0001 0001 000 
Nieuwe wijzigingen        
1 Leerlingenstijging VAO  15 00015 00015 00015 000 
2 Loonbijstelling 13 86814 20814 49314 25114 414 
3 Onderwijsintensiveringen 12 5949 8904 3953 0503 050 
4 Onderwijsintensiveringen (FES) 4 0004 0003 0003 0003 000 
5 Plattelandsontwikkelingsplan  – 1 499– 1 499– 1 499– 1 499 
6 Overige   200350350 
Stand ontwerpbegroting 2001565 744620 365635 698641 590630 058636 976643 881
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000256 723281 509288 467291 141285 908289 047292 180

Toelichting

1 Leerlingen stijging VAO

Als gevolg van een stijging van het aantal leerlingen in het voortgezet agrarisch onderwijs, is de begroting met f 15 mln. verhoogd. Hiermee is het budget voor het voortgezet agrarisch onderwijs aangepast aan het leerlingenaantal in het cursusjaar 1999/2000.

3 Onderwijsintensiveringen

Er is geld vrijgemaakt voor intensiveringen in het onderwijs. Hiermee zal onder andere het beroep van leraar (financieel) aantrekkelijker worden gemaakt. Ook wordt er extra geld beschikbaar gesteld voor beroepsopleidingen, schoolspecifieke budgetten en leermiddelen. Het landbouwonderwijs volgt hiermee de ontwikkelingen in het door OC&W gefinancierde onderwijs.

4 Onderwijsintensiveringen (FES)

Om de toepassing van ICT in het onderwijs te vergroten, worden extra middelen beschikbaar gesteld. Deze onderwijsintensiveringen worden gefinancierd uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

5 Plattelandsontwikkelingsplan

In het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan vervalt de co-financiering voor de regeling cursus onderwijs vanaf 2001.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Rijksbijdrage        
– Exploitatie 451 857486 924506 220 43A 04.34
– Huisvesting 48 93651 10752 662 43A 04.34
– Uitkeringen na ontslag 19 87820 33520 350 43A 04.34
02 Overige subsidies en uitgaven        
Onderwijsvernieuwing 16 75720 34417 194 43A 04.34
Onderwijsondersteuning 8 92210 0737 767 43A 04.34
Internationalisering 245445284 43A 04.34
– Flankerend personeelsbeleid 717480898 43A 04.34
– Volwasseneneducatie 8 1046 6506 000 43A 04.34
– Informatie en Communicatie Technologie 5 11615 80018 000 43A 04.34
– ESF-VSV  3 0003 000 43A 04.34
– Overig 5 2125 2073 323 43A 04.34
Totaal 565 744620 365635 698    

Prestatiegegevens

 
Aantal leerlingen (basis voor de bekostiging)1998 1999 2000 2001(raming)
Agrarisch VBO18 49219 01919 68120 317
Agrarisch Leerweg Ondersteunend Onderwijs (LOO)8 5579 2129 82510 644
     
Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL):    
– primair5 0805 3465 2265 226
– secundair/tertiair2 7792 7822 7792 779
     
Beroeps Opleidende Leerweg (BOL):    
– 2/3/4 jarig16 71616 45016 20316 545
 
Verdeling van de leerlingen over de volgende schooltypes in het schooljaar 1999/2000TotaalAgrarische Opleidings centraCategorale scholenScholen gemeen schappen*
Agrarisch VBO19 68116 1225553 004
Agrarisch LOO9 8258 6092021 014
     
Beroeps Begeleidende Leerweg:     
– primair5 2265 226  
– secundair/tertiair2 7792 779   
     
Beroeps Opleidende Leerweg16 20316 203  

* Scholengemeenschappen ressorterend onder het ministerie van OCW met een agrarische afdeling

 
Normatieve kostprijzen VAO (prijs per leerling)199920002001
LOO13 85614 27214 414
VBO9 5859 8739 971
BOL9 80810 10210 203
BBL primair5 1755 3305 384
BBL secundair/tertiair5 0135 1635 215

16.08 Agrarisch Praktijkschoolonderwijs

De grondslag van het artikel

De uitgaven voor het agrarisch praktijkschoolonderwijs zijn gebaseerd op artikel 2.2.12 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). De bekostiging van de exploitatie-uitgaven vindt plaats in de vorm van een lump-sum vergoeding per instelling. De uitgaven voor wachtgelden worden in de vorm van een opslag op de lump-sum, in de rijksbijdrage aan de instellingen vergoed. De verantwoordelijkheid voor deze uitgaven is verder gedecentraliseerd, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in wettelijke uitgaven (collectieve last) en bovenwettelijke uitgaven (instellingslast).

Het agrarisch praktijkschoolonderwijs richt zich voornamelijk op de praktische ondersteuning van met name het voortgezet agrarisch onderwijs. Op de drie innovatie- en praktijkcentra (IPC's) wordt instructie gegeven over o.a. bosbouw, champignonteelt, cultuurtechniek, dierverzorging, internationaal onderwijs, landen tuinbouwtechniek, levensmiddelentechnologie, mengvoederindustrie, pluimvee-, rundvee-, en varkenshouderij.

De besluitvorming inzake het rapport Peper heeft tot gevolg dat de verplichting voor de AOC's om hun leerlingen praktijkonderwijs te laten volgen bij de IPC's wordt opgeheven. Met ingang van het schooljaar 1999/2000 is een deel van het budget van dit artikel bestemd voor de ingeschreven deelnemers in het 1e leerjaar van het Voortgezet Agrarisch Onderwijs.

Opbouw van de raming

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 52 09852 41552 64652 88853 119 
1e Suppletore begroting – 172     
Nieuwe wijzigingen       
1 loonbijstelling 1 1791 2081 2121 2171 223 
2 Overige – 125– 119– 109   
Stand ontwerpbegroting 200155 63852 98053 50453 74954 10554 34254 588
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100025 24724 04124 27924 39024 55224 65924 771

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1 000)
Artikelonderdeel Uitgaven Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Rijksbijdrage        
– Exploitatie 44 89829 99622 430 43A 04.34
– Uitkeringen na ontslag 1 8251 9131 913 43A 04.34
02 Bijdragen aan de AOC's voor praktijkleren 3 65912 10020 000 43A 04.34
03 Overige subsidies en uitgaven 5 2568 9719 161 43A 04.34
Totaal 55 63852 98053 504    

Prestatiegegevens

 
Prestatie-indicatoren bekostiging199920002001
Aantal leerlingcursistweken50 84050 84050 840
Aantal logiescursistweken28 95427 30427 500
Gemiddelde prijs per cursistweek838842850
    
Gemiddelde personeelslast (GPL):    
– ondersteunend en beheerspersoneel69 81875 24575 500
– instructiepersoneel88 77993 67993 850

16.09 Garanties

De grondslag van het artikel

Dit artikel bevat de garantie voor de rente en aflossing van leningen voor gebouwen en terreinen van gesubsidieerde scholen voor agrarisch onderwijs.

De onderverdeling in artikelonderdelen

Overzicht risico-ontwikkeling (xf 1 000) met betrekking tot garantie-overeenkomsten van het Rijk
 1999200020012002200320042005
garantieplafond        
uitstaand risico per 1 januari14 70013 30012 00010 7909 4008 3007 100
vervallen of te vervallen garanties1 4001 3001 2101 3901 1001 2001 400
verleende of te verlenen garanties
uitstaand risico per 31 december13 30012 00010 7909 4008 3007 1005 700

WETSARTIKEL 2 (ONTVANGSTEN)

10 Algemeen

Daar waar bij de ontvangsten sprake is van tarieven zijn deze in beginsel kostendekkend. De integrale kostprijs vormt de basis voor de tariefstelling. Uitzondering hierop zijn publikaties waar in bepaalde gevallen de differentiële kosten de basis vormen voor de tarieven.

Aandeel ontvangsten 10 Algemeen in de begroting 2001 (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-19.gif

Indeling ontvangsten 10 Algemeen kst-27400-XIV-2-20.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 10 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 48,312,512,312,312,4 
1e Suppletore begroting – 11,8 
Nieuwe wijzigingen       
– Desaldering 1,7– 0,1– 0,1– 0,1– 0,1 
– Overige     – 0,1 
Stand ontwerpbegroting 2001240,338,212,412,212,212,212,2
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.109,017,35,65,65,65,65,6

10.01 Ontvangsten voor apparaat

De geldende tariefregelingen

Dit artikel bevat ramingen voor onder meer ontvangsten voor door directies en diensten geleverde diensten en verrichte werkzaamheden. De met deze ontvangsten samenhangende uitgaven worden verantwoord op artikel 10.01 Personeel en Materieel. Voorts worden op dit artikel ontvangsten in de sociale sfeer verantwoord.

Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de tarieven en andere factoren welke voor enkele ontvangsten bepalend zijn. Hierbij is de indeling volgens de artikelonderdelen aangehouden.

Tarieven

 
Artikelonderdeellaatstelijk gewijzigd
01 Jaarcijnzen, waarvan de tarieven zijn gebaseerd op het Koninklijk Besluit van 5 april 19676 januari 1993
01 Griffierechten (Raad voor het Kwekersrecht), waarvan de tarieven zijn gebaseerd op een Ministeriële beschikking13 december 1991
01 Griffierechten (Pachtzaken), waarvan de tarieven zijn gebaseerd op het Koninklijk Besluit van 14 augustus 19957 augustus 1998
01 Besluit Tarieven Europees Kwekersrecht, Verordening (EU) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautair Kwekersrecht van 27 juli 199426 augustus 1997

Overige ontvangsten

 
ArtikelonderdeelBepalende factor voor ontvangsten
03 Diverse ontvangsten; hieronder vallen verkopen van publikaties, abonnementen, diverse doorberekeningen. Omwille van de toegankelijkheid en stimulerende functie wordt in de meeste gevallen de marginale of directe kosten doorberekend
03 Bijdragen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in de AAW-uitkeringen

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 12 23612 02311 89311 89311 983 
1e Suppletore begroting 724– 3    
Nieuwe wijzigingen       
1 Desaldering 1 734– 100– 100– 100– 100 
2 Overige     – 90 
Stand ontwerpbegroting 200114 06014 69411 92011 79311 79311 79311 793
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10006 3806 6685 4095 3515 3515 3515 351

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Jaarcijnzen en Griffierechten 7 7688 3898 389 16 10.0
02 Verrichte werkzaamheden  16 10.1
03 Overige 6 2926 3053 531 16 10.1
Totaal 14 06014 69411 920    

Prestatiegegevens

De kengetallen geven een globale indruk van de werkzaamheden van een aantal onderdelen die ondergebracht zijn bij de directie Juridische zaken.

 
Omschrijving prestatie-eenheden (aantallen)1998199920002001
01 Jaarcijnzen en griffierechten Raad van het Kwekersrecht    
– Aanvragen893901900900
– Aantal toegewezen aanvragen met inschrijving in rassenregister751555600600
– Aanhangige rechten4 9624 6964 3004 000
– Bemiddeling Europese aanvragen80595050
     
02 Grondkamers    
– Ter goedkeuring voorgelegde pachtovereenkomsten (artikel 5)18 70313 34416 98316 983
– Bijzondere pachten (éénmalige- en teeltpachten)9 76810 26111 63111 631
– Ter beoordeling voorgelegde verzoeken tot herziening tegen prestatie pachtovereenkomst (artikel 19)5557571 5611 561
– Overige voorgelegde zaken643599566566
     
03 Diverse ontvangsten (Kamer van de Binnenvisserij)    
– Verzoeken tot goedkeuring huurovereenkomsten visrecht591661450450
– Verzoeken toestemming tot uitgifte visvergunningen507358400400
– Waarmerking/toestemming50 00025 00025 00025 000
     
03 Diverse ontvangsten Veterinair Tuchtcollege    
– Aantal klachten67949595
     
03 Diverse ontvangsten Veterinair beroepscollege    
– Aantal klachten14172020

10.05 Overige ontvangsten

Dit artikel bevat ontvangsten met betrekking tot rente en aflossing van aan ambtenaren verstrekte rentedragende en renteloze leningen. De conversie van het Agentschapsvermogen, waarbij de waarde van de vaste activa minus de langlopende voorzieningen bij de agentschappen, wordt als ontvangst door het moederdepartement op dit artikel begroot.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 36 034446446446446 
1e Suppletore begroting – 12 494     
Stand ontwerpbegroting 2001226 19423 540446446446446446
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1000102 64210 682202202202202202

Economische codering: 77E

Functionele codering: 10.0

11. Internationale aangelegenheden

Aandeel ontvangsten 11 Internationale aangelegenheden in de begroting 2001 (x f 1 mln.)kst-27400-XIV-2-21.gif

Indeling ontvangsten 11 Internationale aangelegenheden kst-27400-XIV-2-22.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 11 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 73,3155,3155,3155,3155,3 
Nieuwe wijzigingen       
– Perceptiekostenvergoeding 3,33,313,18,28,2 
– Schuif perceptiekostenvergoeding  – 87,087,0   
– Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 0,6– 0,6– 0,6– 0,6 
– Overige – 0,1– 0,1– 0,1– 0,1– 0,1 
Stand ontwerpbegroting 20010,876,570,9254,7162,8162,8162,8
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.0,434,732,2115,673,973,973,9

11.01 Ontvangsten voor apparaat

De grondslag van het artikel

Dit artikel bevat ramingen voor ontvangsten van de directie Internationale Zaken.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 303303303303303 
Nieuwe wijzigingen       
1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 100– 100– 100– 100 
2 Overige – 123– 123– 123– 123– 123 
Stand ontwerpbegroting 20012661808080808080
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000121823636363636

Toelichting

1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR

In het kader van de integratie per 1 januari 2001 van de stichting International Institute for Land Reclamation and Improvement (ILRI) in het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) worden de apparaatsuitgaven van het ILRI op uitgavenartiekl 11.01 Personeel en materieel en de ontvangsten van het ILRI op het onderhavige artikel samengevoegd tot een nieuw artikelonderdeel op uitgavenartikel 16.02 Wetenschappelijk onderzoek. (zie ook U11.01 Personeel en materieel, U11.03 Overige subsidies en uitgaven en M11.03 Overige ontvangsten).

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.0

11.02 Bijdrage van het LEF

Op dit artikel worden vanaf 2000 geen ontvangsten meer geraamd in verband met de integratie van het LEF-A in de begroting van het ministerie van LNV.

11.03 Overige ontvangsten

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden t/m 2000 de terugontvangen subsidievoorschotten van het Internationaal Agrarisch Centrum geraamd.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (*xf 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 500500500500500 
Nieuwe wijzigingen       
1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR  – 500– 500– 500– 500 
Stand ontwerpbegroting 2001515500
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1000234227

Toelichting

1 Integratie IAC/ILRI in Wageningen UR

In het kader van de integratie per 1 januari 2001 van de stichting Internationaal Agrarisch Centrum (IAC) in het Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Wageningen UR) worden de apparaatsuitgaven van het IAC op uitgavenartikel 11.01 Personeel en materieel, de subsidie aan het IAC op uitgavenartikel 11.03 Overige subsidies en uitgaven en de terugontvangen subsidievoorschotten van het IAC op het onderhavige artikel samengevoegd tot een nieuw artikelonderdeel op uitgavenartikel 16.02 Wetenschappelijk onderzoek. (zie ook U11.01 Personeel en materieel, U11.03 Overige subsidies en uitgaven en M11.01 Ontvangsten voor apparaat).

Economische codering: 43A

Functionele codering: 10.0

11.04 Interventievoorraden

Op dit artikel worden de opbrengsten uit hoofde van de verkopen van interventieprodukten geraamd, de bijdrage van het EOGFL wegens afzetverliezen en de waarde van de gefinancierde eindvoorraad.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000/2001 pm 
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000pm

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Verkoop interventieproducten pmpm 57 10.1
02 Bijdrage van het EOGFL wegens verlies op aan- en verkopen pmpm 57 10.1
03 Gefinancierde eindvoorraad pmpm 57 10.1
Totaal pmpm    

11.05 Uitvoering EU-Maatregelen

Op dit artikel worden de ontvangen vergoedingen van de EU voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen geraamd. Daarnaast worden op dit artikel de verkoopopbrengsten en bijdragen van het EOGFL met betrekking tot de Regeling Sociale Boter geraamd. Tenslotte worden op dit artikel de ontvangsten samenhangend met de uitvoering van EU maatregelen geraamd, niet zijnde EU vergoedingen. Het gaat daarbij met name om vervallen waarborgen en terugontvangen voorschotten op medebewindskostenvergoedingen.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 72 526154 526154 526154 526154 526 
Nieuwe wijzigingen       
1 Perceptiekostenvergoeding 3 3003 30013 1008 2008 200 
2 Schuif perceptiekostenvergoeding  – 87 00087 000   
Stand ontwerpbegroting 200175 82670 826254 626162 726162 726162 726
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 100034 40832 139115 54473 84273 84273 842

Toelichting

1 Perceptiekostenvergoeding

Door de verdergaande liberalisering wordt de toegang tot de Europese markt vergroot. De hiermee gepaard gaande volumestijging van de import, zorgt voor een toename van de ontvangsten in het kader van douanerechten en productieheffingen.

2 Schuif perceptiekostenvergoeding

Tijdige ratificering van het nieuwe Eigen Middelen besluit is op dit moment onzeker, hetgeen leidt tot een jaar vertraging van de implementatie. Gevolg is dat de verhoging van de perceptiekostenvergoeding voor Nederland over 2001 eerst in 2002 wordt ontvangen.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Rentevergoeding openbare opslag 600600 26 10.1
02 Vergoeding in-, op- en uitslagkosten 3 4263 426 12 10.1
03 Perceptiekostenergoeding heffingen 58 30053 300 47G 10.1
04 Apurement  43G 10.1
05 Regeling Sociale Boter 5 0005 000 47G 10.1
06 Vervallen waarborgen 7 0007 000 47D 10.1
07 Overige ontvangsten 1 5001 500 47D 10.1
Totaal 75 82670 826    

12. Landbouw

Aandeel ontvangsten 12 Landbouw in de begroting 2001 (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-23.gif

Indeling ontvangsten 12 Landbouw kst-27400-XIV-2-24.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 12 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 64,751,452,251,651,6 
1e Suppletore begroting – 4,4– 5,0– 5,0– 6,8– 7,0 
Nieuwe wijzigingen       
– Plattelandsontwikkelingsplan 3,8– 0,71,3– 9,1– 12,6 
– Overige – 0,7– 0,8– 0,8– 0,7– 0,8 
Stand ontwerpbegroting 200148,363,444,947,735,031,232,8
Stand ontwerpbegroting 2001in 1 mln.21,928,820,421,615,914,214,9

12.01 Ontvangsten voor apparaat

De grondslag van het artikel

Dit artikel bevat ramingen voor ontvangsten van de directie Landbouw met betrekking tot de CBS-structuur enquêtes alsmede een raming van ontvangsten in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 1 3121 3121 3121 3121 312 
1e Suppletore begroting – 414– 414– 414– 414– 414 
Stand ontwerpbegroting 20011 503898898898898898898
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1000682407407407407407407

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.1

12.02 Structuurverbetering

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden ontvangsten uit heffingen in het kader van het mestbeleid en de ontvangsten uit hoofde van EU-bijdragen aan structuurverbeteringsregelingen geraamd.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 56 31442 97143 75343 22143 221 
1e Suppletore begroting 76– 128– 177– 177– 345 
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan 3 782– 7461 289– 9 079– 12 629 
Stand ontwerpbegroting 200137 79460 17242 09744 86533 96530 24731 847
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100017 15027 30519 10320 35915 41313 72514 452

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar artikel 12.02 bij de uitgavenbegroting.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 EU-ontvangsten bedrijfsstructuur 7725 9074 340 47G 10.1
02 Heffingen Mestbeleid 33 56934 00016 000 47G 10.1
03 EU-ontvangsten akkerbouw 898810810 36 07.35
04 Overige ontvangsten 1 0351 8371 837 77A 10.1
05 Stimuleringskader 1 52017 61819 110 47G 10.1
Totaal 37 79460 17242 097    

12.03 Industrie en handel

De grondslag van het artikel

De ontvangsten op dit artikel hebben betrekking op kosten voor vakbeurzen en tentoonstellingen. De door LNV ten behoeve van het bedrijfsleven gemaakte kosten worden aan hen doorberekend. Daarnaast wordt op dit artikel de bijdrage van het bedrijfsleven ten behoeve van het Masterplan Duitsland geraamd.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 100100100100100 
1e Suppletore begroting 2 2001 8001 800   
Stand ontwerpbegroting 20011 5192 3001 9001 900100100100
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10006891 044862862454545

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.1

12.04 Overige ontvangsten

Op dit artikel werden t/m 1999 de ontvangsten geraamd en verantwoord, die voortvloeiden uit de tarieven voor de registratie van bestrijdingsmiddelen. In verband met de verzelfstandiging van het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) per 1 januari 2000 is dit artikel komen te vervallen.

13. Natuur, Groene Ruimte en Recreatie

Aandeel ontvangsten 13 Natuur, Groene Ruimte en Recreatie in de begroting 2001 (x f 1 mln.)kst-27400-XIV-2-25.gif

Indeling ontvangsten 13 Natuur, Groene Ruimte en Recreatie kst-27400-XIV-2-26.gif

 
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 197,6193,9195,3194,8195,6 
1e Suppletore begroting – 3,31,31,33,3– 5,7 
Nieuwe wijzigingen       
– Plattelandsontwikkelingsplan 42,030,018,631,034,4 
– Overige 1,00,80,70,6– 1,4 
Stand ontwerpbegroting 2001199,4237,3226,0215,9229,7222,9224,8
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 1 mln.90,5107,7102,697,9104,2101,1102,0

13.01 Ontvangsten voor apparaat

Op dit artikel worden de ontvangsten verantwoord van de directies Natuurbeheer, Groene Ruimte en Recreatie en de Dienst Landelijk Gebied.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 3 9723 9723 9723 9723 972 
Nieuwe wijzigingen       
1 Herschikking 378378125   
Stand ontwerpbegroting 200114 2294 3504 3504 0973 9723 9723 972
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 10006 4571 9741 9741 8591 8021 8021 802

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.2

13.02 Verwerving

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000  
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan 38 79018 63011 75015 83021 090 
Stand ontwerpbegroting 200138 79018 63011 75015 83021 09023 210
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100017 6028 4545 3327 1839 57010 532

Economische codering: 47G

Functionele codering: 10.3

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

Zie de toelichting bij Hoofdbeleidsterrein 13 van de uitgavenbegroting.

13.03 Inrichting

De ontvangsten op dit artikel betreffen:

• landinrichtingsrente, deze wordt geïnd over afgesloten landinrichtingsprojecten met een tijdshorizon van 26 of 30 jaar,

• bijdragen van derden in het kader van landinrichting,

• diverse ontvangsten in het kader van landinrichting,

• ontvangsten van de Europese Unie in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan,

• ontvangsten van de Europese Unie in het kader van het aanleggen van bossen op landbouwgronden (vroegere begeleidende maatregelen) zowel in het kader van landinrichting als daarbuiten.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (* f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 170 043164 726165 026164 526165 326 
1e Suppletore begroting – 165200020004 000– 5 000 
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan 5 2602– 4 297– 66– 2 452 
2 Bebossing landbouwgronden (U13.03) – 1 500– 1 500– 1 5001 500– 1 500 
Stand ontwerpbegroting 2001166 911173 638165 228161 229166 960156 374155 073
Stand ontwerpbegroting 2001 in EUR 100075 74178 79374 97773 16375 76370 95970 369

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

Zie de toelichting bij Hoofdbeleidsterrein 13 van de uitgavenbegroting.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Landinrichtingsrente 94 23794 12088 503 77D 10.2
02 Bijdragen van derden 63 81465 20064 700 16 10.2
03 Diverse ontvangsten landinrichting 3 4261 4731 473 16 10.2
04 EU-structuurfondsen 1 417 47G 10.2
05 EU-begeleidende maatregelen 4 01712 84510 552 47G 10.3
Totaal 166 911173 638165 228    

13.04 Beheer

Op dit artikel worden de EU-ontvangsten voor relatienota-beheersovereenkomsten (vroegere begeleidende maatregelen) geraamd. Bovendien is in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan EU co-financiering voorzien voor Programma Beheer.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 19 79421 32322 50822 50822 508 
1e Suppletore begroting – 2 396     
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan – 2 0684 0474 3727 3827 792 
Stand ontwerpbegroting 200115 18515 33025 37026 88029 89030 30030 480
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10006 8916 95611 51212 19813 56313 75013 831

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

Zie de toelichting bij Hoofdbeleidsterrein 13 van de uitgavenbegroting.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Staatsbosbeheer     16 10.3
02 Beheersovereenkomsten 15 18514 10012 610 47G 07.5
03 EU-financiering Programma Beheer  1 23012 760 47G 07.5
Totaal 15 18515 33025 370    

13.05 Overige ontvangsten

Het artikel bevat een raming van de ontvangsten uit de verkoop van jachtakten en diverse ontvangsten op het terrein van recreatie, bos en natuur.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 3 8333 8333 8333 8333 833 
1e Suppletore begroting – 700– 700– 700– 700– 700 
Nieuwe wijzigingen       
1 Plattelandsontwikkelingsplan  7 2946 7647 8887 999 
2 OS/NME 21 (U13.05) 2000200020002000  
3 Overige 54     
Stand ontwerpbegroting 20013 0905 18712 42711 89713 02111 13212 102
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10001 4022 3545 6395 3995 9095 0515 492

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

Zie de toelichting bij Hoofdbeleidsterrein 13 van de uitgavenbegroting.

2 OS/NME 21 (U13.05)

Het Ministerie van LNV coördineert het project «Leren voor duurzaamheid» in het kader van het programma Natuur, Milieu en Educatie in de 21e eeuw (NME 21). Hiervoor wordt ook door het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking bijgedragen. Dit gebeurt via een interne verrekening waardoor zowel het ontvangstenbudget op het onderhavige artikel als het uitgavenbudget op artikel 13.05 wordt verhoogd.

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Jachtakten 2 1292 2722 272 16 10.4
02 Diversen 9612 91510 155 16 07.5
Totaal 3 0905 18712 427    

14. Visserijen

Aandeel ontvangsten 14 Visserij in de begroting 2001 (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-27.gif

Indeling ontvangsten 14 Visserij kst-27400-XIV-2-28.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 14 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 6,66,46,46,46,4 
1e Suppletore begroting 0,41,51,51,51,5 
Nieuwe wijzigingen       
– EU-ontvangsten patrouillevaartuig 6,88,2    
Stand ontwerpbegroting 20017,013,716,17,97,97,97,9
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1 mln.3,26,27,33,63,63,63,6

14.01 Ontvangsten voor apparaat

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de apparaatsontvangsten verantwoord van de directie Visserij.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 130130130130130 
1e Suppletore begroting 3231 5001 5001 5001 500 
Nieuwe wijzigingen        
1 EU-ontvangsten patrouillevaartuig 6 7918 185    
Stand ontwerpbegroting 2001787 2449 8151 6301 6301 6301 630
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 1000353 2874 454740740740740

Toelichting

1 EU-medefinanciering patrouillevaartuig

De bouw van het patrouillevaartuig voor de versterking van de controle op zee wordt mede-gefinancierd door de Europese Commissie. De betreffende ontvangsten worden verantwoord op het onderhavige artikel. Hiertegenover staan hogere uitgaven op uitgavenartikel 14.01.

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.4

14.02 Overige ontvangsten

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten geraamd uit vergunning verlening en verhuur van percelen en visrechten.

Opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 6 4406 2956 2956 2956 295 
1e Suppletore begroting 50     
Stand ontwerpbegroting 20016 8886 4906 2956 2956 2956 2956 295
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10003 1262 9452 8572 8572 8572 8572 857

Economische codering: 29

Functionele codering: 10.4

01 Privaatrechtelijke en publiekrechtelijke vergunningen

(x f 1 000) Ontvangsten
 199920002001
– Mosselpercelen4 9724 8004 800
– Verwater- en fondspercelen177150150
– Oesterpercelen861860860
– Visrechten binnenvisserij519500275
– Overige ontvangsten359180210
Totaal6 8886 4906 295

15. Milieu, Gezondheid en Kwaliteit

Aandeel uitgaven 15 Milieu, Gezondheid en Kwaliteit in de begroting 2001 (x f 1 mln.) kst-27400-XIV-2-29.gif

Indeling ontvangsten 15 Milieu, Gezondheid en Kwaliteit kst-27400-XIV-2-30.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 15 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 312,1312,5310,9312,4313,5 
Nieuwe wijzigingen       
– EU bijdrage KVP 3,2     
– Intrekken heffing DGF – 44,0– 116,0– 108,0– 106,0– 104,0 
– Overige – 0,2     
Stand ontwerpbegroting 2001247,7271,1196,5202,9206,4209,5209,5
Stand ontwerpbegroting 2001in 1 mln.112,4123,089,292,193,795,195,1

15.01 Ontvangsten voor apparaat

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de ontvangsten van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees en de apparaatsontvangsten van de directie Veterinaire, Voedings- en Milieuaangelegenheden en het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen verantwoord.

De geldende tariefregelingen

De tarieven van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen zijn gebaseerd op de Diergeneesmiddelenwet in het bijzonder de Regeling registratie diergeneesmiddelen 1995 (Stcrt. 1994,208, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 1999, 248) en het Besluit jaarlijkse registratievergoeding, (Stb. 1988, 482, laatstelijk gewijzigd bij KB van 31 augustus 2000).

Keuringsgelden Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees

De ontvangsten van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees zijn gebaseerd op de volgende tariefregelingen.

 
 PublikatieLaatste wijziging
• Regeling tarieven keuring vlees en vleesproducten 1993Stcrt. 1993, 99Stcrt. 2000, 98
• Regeling RVV-tarieven Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 1994Stcrt. 1994, 113Stcrt. 2000, 98
• Artikel 7 van de regeling betreffende het bijeenbrengen van dierenStcrt. 1996, 61Stcrt. 2000, 98
• Warenwetregeling Gezondheidscontroles levensmiddelen van dierlijke oorsprong (derde landen)Stcrt. 1994, 245Stcrt. 1999, 19
• Besluit rijksinvoerkeurlonen voor vleesStcrt. 1957, 164Stcrt. 1977, 21
• Regeling Rijksinvoerkeurloon voor vleeswarenStcrt. 1968, 47Stcrt. 1999, 19
• Besluit tarieven in- en doorvoer veeproducten 1993Stcrt. 1993, 120Stcrt. 1999, 38
• Regeling tarieven in- en doorvoer overige producten 1993Stcrt. 1993, 120Stcrt. 2000, 98
• Regeling vergoeding werkzaamheden op verzoek 1993Stcrt. 1993, 99Stcrt. 2000, 98
• Regeling gebruik Rijksquarantainestation te Hoek van HollandStcrt. 1975, 49Stcrt. 1993, 40

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 192 185196 076202 497205 980209 037 
Nieuwe wijzigingen       
– Overige – 300     
Stand ontwerpbegroting 2001151 359191 885196 076202 497205 980209 037209 037
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100068 68487 07488 97591 88993 47094 85794 857

De onderverdeling in artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Diergeneesmiddelenregistratie 2 7243 3633 663    
02 Keuringsgelden Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees 144 586186 522190 413     
03 Diverse ontvangsten 4 0492 0002 000    
Totaal 151 359191 885196 076 16 10.1

Prestatiegegevens

Onderstaande prestatiegegevens geven een onderbouwing van de raming van de ontvangsten van keuringsgelden door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees.

 
 RVV-outputProduktie-eenheidAantal in 1 000Ontvangsten x f 1 mln.Ontvangsten per produkt
1999vleeskeuringbezoeken1699 04953,54
 vleeskeuringslachtvarkens18 60563 0433,39
 vleeskeuringoverige slachtdieren*2 84928 49410,00
 vleeskeuringslachtpluimvee466 13212 0270,03
 vleeskeuringkwartier uitsnijden, vleesproduktie, koel/vries58015 65326,99
 invoertonnage3374 92714,62
 uitvoer veekwartieren1606 84042,75
 werkzaamheden op verzoekkwartieren342 11662,24
 werkzaamheden op verzoekcertificaten972 43725,12
      
 Totaal  144 586 
      
2000vleeskeuringbezoeken18111 54463,63
 vleeskeuringslachtvarkens19 97480 3834,02
 vleeskeuringoverige slachtdieren*3 05936 35211,88
 vleeskeuringslachtpluimvee500 44215 3440,03
 vleeskeuringkwartier uitsnijden, vleesproduktie, koel/vries67119 86429,60
 invoertonnage3626 26817,37
 uitvoer veekwartieren1838 72647,81
 Aanvoer vistonnage1292 21417,18
 werkzaamheden op verzoekkwartieren372 69973,94
 werkzaamheden op verzoekcertificaten1043 10929,86
      
 Totaal  186 522 
      
2001vleeskeuringbezoeken18511 78563,63
 vleeskeuringslachtvarkens20 39182 0604,02
 vleeskeuringoverige slachtdieren*3 12337 11111,88
 vleeskeuringslachtpluimvee510 88215 6640,03
 vleeskeuringkwartier uitsnijden, vleesproduktie, koel/vries68520 27829,60
 invoertonnage3696 41717,37
 uitvoer veekwartieren1868 90847,81
 Aanvoer vistonnage322 26017,18
 werkzaamheden op verzoekkwartieren372 75573,94
 werkzaamheden op verzoekcertificaten1063 17429,86
      
 Totaal  190 413 

* De categorie «overige slachtdieren» bestaat uit runderen, kalveren en schapen

Toelichting

De ontvangsten van de RVV stijgen in 2000 en 2001 ten opzichte van 1999 door de stijging van het aantal gedeclareerde uren. Dit wordt veroorzaakt door de toename van het aantal dierenartsen en keuringsassistenten en een hogere productiviteit door een efficiëntere inzet in het keuringsproces. Tevens zijn de tarieven per 1 juni 2000 voor een aantal sectoren verhoogd.

15.03 Gezondheid en kwaliteitszorg

De grondslag van het artikel

Op dit artikel worden de terugontvangen subsidievoorschotten en de Eu-vergoeding KVP geraamd.

De opbouw van de raming

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 119 941116 441108 441106 441104 441 
Nieuwe wijzigingen        
1 EU-bijdrage KVP 3 249     
2 Intrekken heffing DGF – 44 000– 116 000– 108 000– 106 000104 000 
Stand ontwerpbegroting 200196 32779 190441441441441441
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100043 71135 935200200200200200

Toelichting

1 EU-bijdrage KVP

De Europese Commissie heeft bij beschikking van 25 mei 2000 de laatste tranche van de totale bijdrage voor de uitroeiing van de Klassieke Varkenspest in 1997 in Nederland vastgesteld op f 78 249 000. Op onderhavig artikel was voor de bijdrage van de EU een stelpost opgenomen van f 75 mln. De ontvangstentaakstelling dient derhalve te worden verhoogd met f 3,2 mln.

2 Intrekken heffing Diergezondheidsfonds

Met het bedrijfsleven is overeenstemming bereikt over een nieuwe financieringsstructuur bij de bestrijding van dierziekten. Als gevolg hiervan komen de voorgenomen Rijksheffingen met betrekking tot de bestrijding van dierziekten bij runderen, varkens, pluimvee en schapen te vervallen en wordt er een garantiesystematiek ingevoerd. Daarbij stelt het bedrijfsleven zich garant voor de financiering van besmettelijke dierziekten bij varkens voor f 500 mln., bij runderen voor f 500 mln., bij pluimvee voor f 25 mln. en bij schapen en geiten voor f 5 mln.

Als gevolg van de nieuwe systematiek komen de geraamde heffingen op het ontvangsten artikel 15.03 te vervallen, vervallen de uitvoeringskosten bij Bureau Heffingen en vervalt de bijdrage op artikel 15.03 aan het DGF.

Economische codering: 08/47G

Functionele codering: 10.1

16. Wetenschap en kennisoverdracht

Aandeel ontvangsten 16 Wetenschap en kennisoverdracht in de begroting 2001 (x f 1 mln.)kst-27400-XIV-2-31.gif

Indeling ontvangsten 16 Wetenschap en kennisoverdracht kst-27400-XIV-2-32.gif

Totaalbeeld Hoofdbeleidsterrein 16 (x f 1 mln.)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 37,535,534,527,527,5 
1e Suppletore begroting – 4,8– 4,8– 4,8– 4,8– 4,8 
Nieuwe wijzigingen       
– Desaldering begeleidende maatregelen  – 1,5– 1,5– 1,5– 1,5 
Stand ontwerpbegroting 200136,132,729,228,221,221,221,2
Stand ontwerpbegroting 2001in 1 mln.16,414,813,212,89,69,69,6

16.01 Ontvangsten voor apparaat

Op dit artikel worden algemene ontvangsten geraamd die niet zijn toe te rekenen aan de programma-artikelen.

De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 200170373737373737
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100032171717171717

Economische codering: 16

Functionele codering: 04.0

16.02 Diverse ontvangsten onderzoek

Dit artikel bestaat uit de bijdrage uit het Fonds Economische Structuurverbetering alsmede de rente en aflossing over de lening van de Stichting DLO inzake de aankoop van gebouwen.

De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 32 50030 50029 50022 50022 500 
1e Suppletore begroting – 1 840– 1 840– 1 840– 1 8401 840 
Stand ontwerpbegroting 200126 09930 66028 66027 66020 66020 66020 660
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 100011 84313 91313 00512 5529 3759 37510 736

Economische codering: 16

Functionele codering: 10.01

16.03 Diverse ontvangsten onderwijs

Op dit artikel worden de terug te ontvangen subsidievoorschotten van de onderwijsinstellingen geraamd.

De ontvangsten

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1 000)
 1999200020012002200320042005
Stand ontwerpbegroting 2000 4 9994 9994 9994 9994 999 
1e Suppletore begroting – 3 000– 3 000– 3 000– 3 0003 000 
Nieuwe wijzigingen        
1 Plattelandsontwikkelingsplan  – 1 499– 1 4991 499– 1 499 
Stand ontwerpbegroting 20019 9131 999500500500500500
Stand ontwerpbegroting 2001in EUR 10004 498907227227227227227

Toelichting

1 Plattelandsontwikkelingsplan

In het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan vervalt de co-financiering voor de regeling cursus onderwijs vanaf 2001.

De onderverdeling in artikelenonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de ontvangsten (x f 1 000)
Artikelonderdeel Ontvangsten Codering
  199920002001 econ. funct.
01 Wetenschappelijk onderwijs  100100 43C 04.0
02 Hoger Agrarisch Onderwijs  300300 43C 04.0
03 Voortgezet Agrarisch Onderwijs 9 9135 4994 000 43C 04.0
04 Agrarisch Praktijkschoolonderwijs  100100 43C 04.0
Totaal 9 9135 9994 500    

16.04 Bedrijfsontwikkeling

Op dit artikel worden vanaf 1999 geen ontvangsten meer geraamd.

D. TOELICHTING BIJ DE AGENTSCHAPSBEGROTING(EN)

WETSARTIKEL 4 (agentschap LASER)

1. Profiel van LASER

De kerntaak van LASER is de uitvoering van regelingen op het terrein van primaire landbouw, visserij, verwerkende industrie, natuur, bos, landschap en recreatie. In overwegende mate betreft het subsidieregelingen van de Minister van LNV, waaronder de programma's die tot vernieuwing aanzetten om zo de concurrentiekracht van de Nederlandse agrosector te vergroten en duurzame ontwikkeling van natuur, bos, landschap en recreatie te bevorderen.

De beleidsdirecties van het Ministerie zijn opdrachtgever van LASER. Daarnaast werkt LASER ook voor andere opdrachtgevers, zoals andere departementen, provincies en gemeenten.

De bestuursraad van LNV is de eigenaar van LASER.

LASER is erkend als betaalorgaan van de Europese Unie. LASER voert een aantal, kwantitatief omvangrijke, Europese subsidie- en interventieregelingen uit namens het Ministerie.

De regelingen die LASER uitvoert hebben in veel gevallen betrekking op de uitvoering van financiële regelingen in de vorm van subsidies, interventies en garanties. Ook worden op grond van wettelijke bepalingen vergunningen verstrekt en ontheffingen verleend. Advies over de uitvoerbaarheid van regelingen maakt deel uit van het werk. Daarnaast worden gegevens verzameld, bewerkt en verstrekt. In noodsituaties is LASER onder meer actief op het terrein van crisisbeheersing (o.a. de uitbraak van klassieke varkenspest) en de uitvoering van schaderegelingen zoals de uitvoering van de Wet tegemoetkoming Schade bij ongevallen en rampen (WTS) als gevolg van de hevige regenval en de Oogstschade regeling van LNV. Het totale werkterrein van LASER is daarmee zeer gevarieerd en onderhevig aan wisselende politiek-maatschappelijke accenten.

De omvang van LASER is afhankelijk van het werkpakket waarvoor LASER opdracht krijgt en fluctueert over de jaren heen. Een groot deel van de piekbelasting in de werkzaamheden wordt opgevangen door de inzet van tijdelijke krachten. De formatie omvang die ten grondslag ligt aan de personele lasten in de staat van baten en lasten is gebaseerd op een meerjarige extrapolatie van de opdrachten voor 2000, exclusief de Oogstschade regeling en de WTS schaderegelingen welke een incidenteel karakter hebben.

Het agentschap LASER voert een administratie waarbij de kosten die verbonden zijn aan de LASER-producten inzichtelijk worden gemaakt. Hierdoor zijn op basis van integrale kostprijzen afspraken met opdrachtgevers gemaakt over de te leveren producten met de bijbehorende tarieven. Het creëren van een opdrachtgevers-/opdrachtnemers relatie vormt een goede basis om aantoonbaar doelmatiger te werken.

De taakstelling tot het verbeteren van de doelmatigheid wordt ook zichtbaar gemaakt doordat in de meerjarenramingen de personeelsuitgaven afnemen bij een gelijkblijvend werkpakket. Het gaat hierbij om een besparing van ruim 12% op de personele kosten over een periode van 4 jaar vanaf 1998. Ook het volgen van de tariefontwikkelingen over de jaren heen is een prikkel om de doelmatigheid te verbeteren.

Produkten en tarieven

De regelingen die LASER uitvoert voor de opdrachtgevers zijn de produkten van LASER. LASER voert ca. 140 regelingen uit. Jaarlijks worden de uit te voeren regelingen, de betreffende volumina en uitvoeringsmodaliteiten in een managementafspraak («regelingsafspraak») overeengekomen met de opdrachtgevers van LNV. Voor opdrachtgevers buiten LNV worden afspraken geformaliseerd in de vorm van samenwerkingsovereenkomsten (tweeden) resp. contracten (derden). De kosten gemoeid met de uitvoering worden per produkt gecalculeerd en door middel van tarieven doorberekend aan de opdrachtgever. De door te berekenen tarieven zijn gebaseerd op de integrale kostprijs. De integrale kostprijs van LASER omvat – naast de reguliere personele en materiële exploitatiekosten en afschrijvingskosten – zogenaamde verborgen kosten. Dit zijn kosten die gemaakt worden ten behoeve van de bedrijfsvoering van LASER, doch waarvan de uitgaven ten laste komen van andere directies of diensten binnen LNV. Deze verborgen kosten worden niet doorberekend aan de interne LNV opdrachtgevers. De belangrijkste verborgen kosten zijn in de toelichting op de staat van baten en lasten van deze begroting opgenomen.

2. Begroting van baten en lasten van het agentschap LASER (bedragen x f 1 000)
Omschrijving199920002001EUR 20012002200320042005
Baten        
Opbrengst LNV85 70980 94973 38333 29970 71769 42169 42169 421
Opbrengst Tweeden/Derden44 2427 0757 0153 1837 0157 0157 0157 015
Rente265       
Buitengewone Baten1 997       
Subtotaal Baten132 21388 02480 39836 48277 73276 43676 43676 436
         
Verborgen opbrengsten12 35713 76813 7686 24713 76813 76813 76813 768
Totaal Baten144 570101 79294 16642 72991 50090 20490 20490 204
         
Lasten        
Personele kosten58 36758 72953 19624 13950 71349 88249 79349 720
Materieel55 44520 89417 9168 13015 88915 53115 60415 641
Huisvestingskosten2 2442 3582 3581 0702 3582 3582 3582 358
Opdrachtafhankelijke kosten1 0311 031431196431431431431
Afschrijvingskosten Immat.1 8322 3073 0551 3864 9005 0005 0194 973
Afschrijvingskosten Mat.1 8471 8312 2321 0132 0081 9031 8881 935
Dotaties Voorzieningen7 8428217077172175178188
Buitengewone Lasten3 364       
Rente conversielening 231562556   
Rente leningen 212635288856807816841
Subtotaal Lasten130 94187 67580 04936 32477 38376 08776 08776 087
         
Verborgen Lasten12 35714 11714 1176 40514 11714 11714 11714 117
Totaal Lasten143 298101 79294 16642 72991 50090 20490 20490 204
         
Saldo van baten en lasten1 272

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

Toelichting

De opbrengsten LNV volgen uit het meerjarig beeld van de uit te voeren regelingen op grond van het werkpakket 2000. Dit betreft de vergoeding voor de door LASER met opdrachtgevers overeengekomen uitvoering van regelingen die onder de respectievelijke beleidsvelden vallen, vanaf 2000 inclusief de rentekosten die voortvloeien uit de per 1 januari 2000 te effectueren conversie van het eigen vermogen van LASER en de rentekosten samenhangende met de financiering van de investeringen via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. Op artikel U10.06 is de totale vergoeding van het ministerie aan het Agentschap LASER weergegeven. De opbrengst LNV in het baten-lasten overzicht is voor 2000 f 1,2 mln. lager dan de bijdrage op artikel U10.06. Dit houdt verband met de bijdrage voor de Euro conversie die wordt beschouwd als kapitaalbijdrage.

De omzetraming voor 2001 en verder heeft een voorlopig karakter. In het najaar wordt conform de jaarplan cyclus binnen LNV het opdrachten pakket 2001 voor LASER definitief vastgesteld, inclusief bijbehorende tarieven. De daling in de opbrengst in 2001 hangt samen met de beëindiging van de Oogstschade regeling en de financiering van de uitvoeringskosten van de regeling agressieve diersoorten via leges heffing aan derden.

De opbrengsten tweeden en derden betreffen enerzijds het in rekening brengen van regelingen die uitgevoerd worden voor andere ministeries (tweeden) en diensten voor lagere overheden (derden), en anderzijds vergoedingen voor verstrekte vergunningen, de verkoop van kaarten etc.

Voor 2001 zijn de opbrengsten en lasten van de uitvoering van WTS regelingen in het kader van de hevige regenval niet meegenomen. In de omzet is rekening gehouden met de legesheffing in verband met de regeling agressieve diersoorten aan derden.

– De verborgen opbrengsten hebben een fictief karakter. Het is de tegenpost van de kosten die bij andere LNV-diensten worden verantwoord ten behoeve van de voortbrenging van producten en diensten van LASER, maar die niet aan LASER worden doorberekend en dus ook niet door LASER aan LNV- opdrachtgevers in rekening worden gebracht. Wel worden deze kosten aan opdrachtgevers buiten LNV in rekening gebracht. De uitgaven van deze LNV-diensten zijn als stelpost onder de verborgen lasten geraamd.

De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel de vaste als tijdelijke formatie. Op de personele inzet is een efficiëntie taakstelling verwerkt, die in 2000 2,5% en in 2001 en 2002 4% van de in 1998 geldende basisformatie van 590 fte bedraagt. Deze efficiëntie winst komt tot uiting in de aflopende reeks van de personele kosten.

De materiële kosten hebben o.a. betrekking op opleidingen, reis- en verblijfkosten en bureaukosten. Daarnaast zijn er kosten geraamd voor de inhuur van derden om regelingen te kunnen uitvoeren. Het betreft o.a. kosten verband houdend met het onderhoud van de geautomatiseerde systemen.

De huisvestingskosten hebben betrekking op de exploitatielasten voor de huisvesting. De (gecalculeerde) huur die aan de RGD betaald zou moeten worden voor de vijf regionale vestigingen zijn verantwoord onder de verborgen lasten.

De afschrijvingen op immateriële vaste activa hebben vnl. betrekking op het gebruik van informatie technologie (IT) voor de uitvoering van regelingen. LASER is een IT-intensieve organisatie; het merendeel van de activa en afschrijvingskosten heeft betrekking op hard- en software. De afschrijvingskosten volgen uit de boekwaarde van de activa en uit het investeringsprogramma van LASER.

Dotaties voorzieningen bestaan uit een dotatie aan de voorziening groot onderhoud panden welke conform richtlijnen in de toekomst voor rekening komen van het agentschap.

De opdrachtafhankelijke kosten zijn directe kosten die gemaakt worden als «meerwerk» op verzoek van een opdrachtgever. Deze additionele kosten worden één op één doorberekend en maken geen deel uit van de reguliere kostenstructuur van LASER.

Rente conversie lening hangt samen met de conversie van eigen vermogen naar vreemd vermogen zoals geëffectueerd per 1 januari 2000 volgens richtlijn van het Ministerie van Financiën. De lening wordt in 3 jaar afgelost.

Rente leningen heeft betrekking op de rente kosten samenhangend met de financiering van de investeringen van het agentschap via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. De rentekosten worden via de tarieven doorbelast aan de opdrachtgevers. Vanaf 2000 zullen de tarieven als gevolg hiervan licht stijgen. Voor het beroep op de leen- en depositofaciliteit is het meerjarig investeringsbeeld gebruikt.

– De verborgen lasten betreffen kosten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van LASER, maar die elders op de begroting van LNV worden verantwoord. Het betreft de gecalculeerde huur voor de regionale vestigingen en een verborgen aandeel in de huur van het hoofdgebouw van LNV. Voorts worden hieronder kosten geraamd voor verrichte werkzaamheden van interne LNV-diensten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering van LASER. Deze kosten worden elders ten laste van de LNV-begroting verantwoord.

De gehanteerde afschrijvingstermijnen voor de kapitaalgoederen LASER zijn als volgt:

– Machines en installaties 7 jaren

– Overige kantoormachines 3 jaren

– Kantoorinventaris 7 jaren

– Hardware 3 jaren

– Overige materiële vaste activa 5 jaren

– Immateriële vaste activa 4 jaren

– Licenties 3 jaren

De afschrijvingen vinden lineair plaats.

3. Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (bedragen x f 1 000) De specificatie van de rekening van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten: het kasstroom overzicht van het agentschap LASER
Omschrijving20002001EUR20012002200320042005
Rekeningcourant RHB 1 januari10 9937 9623 6138 6678 8758 9129 226
        
Totaal operationele kasstroom4692 8921 3126 2906 1756 9896 990
        
-/- totaal investeringen– 8 438– 10 638– 4 827– 5 314– 3 815– 9 379– 4 770
+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
Totaal investeringskasstroom– 8 438– 10 638– 4 827– 5 314– 3 815– 9 379– 4 770
        
-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 4 625      
+ eenmalige storting door moederdepartement       
-/- aflossing op conversielening– 3 500  – 1 125   
-/- aflossingen op leningen – 2 188– 933– 4 957– 6 138– 6 676– 6 465
+ beroep op leenfaciliteit13 10810 6384 8275 3143 8159 3794 770
        
Totaal financieringskasstroom4 9838 4503 835– 768– 2 3232 704– 1 695
Rekeningcourant RHB 31 december7 9628 6673 9338 8758 9129 2269 750

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

4. KENGETALLEN EN INDICATOREN

In dit hoofdstuk worden beheersmatige kengetallen en indicatoren weergegeven die een indruk geven van de uitvoering van het beleid door LASER.

4.1 Prestaties en doelmatigheidskengetallen

In onderstaande tabel is een categorisering van de produkten van LASER aangebracht, verdeeld naar de soorten regelingen die door LASER worden uitgevoerd. In kolom E worden de gemiddelde uitvoeringskosten per prestatie in beeld gebracht. In kolom B is daartoe het totaal aantal prestaties opgenomen, geënt op het aantal behandelde aanvragen. Voor de categorieën Marktordening, Overige regelingen en Niet-structurele regelingen is de gemiddelde uitvoeringskosten per prestatie niet opgenomen, vanwege de diversiviteit in prestatie definiëring binnen deze categorieën. De totale kosten van de marktordeningsregelingen geeft een beeld van de beschikbaarheidsorganisatie en van de (bij planning reeds bekende) maatregelen. Daarbij is het laatste sterk indicatief aangezien dit van ontwikkelingen op de internationale markt afhankelijk is. Binnen de categorie «Overig» zijn o.a. de regeling In Beslaggenomen Goederen (f 0,9 mln.) en de WTS (opzet structurele organisatie ad. f 1,0 mln.) opgenomen. Voor de categorie «Niet structurele regelingen» geldt dat de regelingen WTS (u.h.v. overvloedige regenval 1998) en de Oogstschaderegeling in 2000 zullen aflopen.

 
2000CategorieAOutputBAantal prestatiesCTotale uitvoeringskosten (x f 1 mln.)DAantal regelingenEGemiddelde uitvoeringskosten per prestatieFVermoedelijk beloop subsidie-omvang (x f 1 mln.)
Subsidieregelingen EUsubsidie verstrekking270 079f 41,633f 154,–420
Subsidieregelingen Nationaalsubsidie verstrekking6 548f 4,328f 648,–32
Stimuleringsregelingen Nationaalsubsidie verstrekking2 801f 3,714f 1 332,–66
Vergunningsregelingen Nationaalafgifte vergunningen115 275f 13,621f 118,–n.v.t.
Registrerende regelingenverzamelen en verstrekken van gegevens243 100f 11,27f 46,–n.v.t.
Adviserende regelingenverstrekken van adviezen7 828f 5,37f 680,–n.v.t.
 
CategorieOutputTotale uitvoeringskosten (x f 1 mln.)Aantal regelingenVermoedelijk beloop subsidie omvang
Marktordeningsregelingen EUaan- en verkoop interventie-productenf 15,125316
Overige regelingendiversf 2,25n.v.t.
Niet structurele regelingen (WTS/Oogstschaderegeling) f 4,8316
Totaal f 101,8143f 850

Voor 2001 geldt dat de opgenomen gegevens in onderstaande tabel een indicatief karakter hebben, omdat het uit te voeren werkpakket regelingen en de tarieven voor 2001 nog definitief moeten worden vastgesteld. De bepaling van de kengetallen 2001 vindt plaats middels een extrapolatie van de vastgestelde kostprijzen/tarieven uit 2000, gegeven de opgestelde begroting 2001 ad. f 94,2 mln (cf. overzicht baten en lasten).

 
2001CategorieA OutputBAantal prestatiesCTotale uitvoeringskosten (x f 1 mln.)DAantal regelingenEGemiddelde uitvoeringskosten per prestatieFRaming subsidie-omvang (x f 1 mln.)
Subsidieregelingen EUsubsidie verstrekking270 079f 40,433f 150,–420
Subsidieregelingen Nationaalsubsidie verstrekking6 548f 4,128f 630,–32
Stimuleringsregelingen Nationaalsubsidie verstrekking2 801f 3,614f 1 293,–66
Vergunningsregelingen Nationaalafgifte vergunningen115 275f 13,221f 115,–n.v.t.
Registrerende regelingenverzamelen en verstrekken van gegevens243 100f 10,97f 45,–n.v.t.
Adviserende regelingenverstrekken van adviezen7 828f 5,27f 660,–n.v.t.
 
CategorieOutputTotale uitvoerings-kosten (x f 1 mln.)Aantal regelingenRaming subsidie omvang
Marktordeningsregelingen EUaan- en verkoop interventie-productenf 14,625316
Overige regelingendiversf 2,25n.v.t.
Niet structurele regelingen (WTS/Oogstschaderegeling) f – 
Totaal f 94,2140f 834

4.2 Beheersmatige indicatoren

In aanvulling op bovenstaande tabel onderscheidt LASER de volgende indicatoren om het (financieel) beheer van LASER te kunnen monitoren. Deze indicatoren geven inzicht in de betreffende ontwikkelingen over de jaren heen.

 
Indicator199920002001200220032004
Gemiddelde tariefontwikkeling(1999=100)*10096,395,190,390,390,3
Resultaatontwikkeling**1,300000
Flexibiliteit personele inzet***0,320,250,250,250,250,25

* De gemiddelde tariefontwikkeling kan gerelateerd worden aan de gemiddelde uurtarieven die door LASER worden gehanteerd bij het bepalen van de kosten per regeling. Als kanttekening geldt dat in de weergegeven tarieven geen rekening wordt gehouden met een prijsindexering (u.h.v. loon- en prijsontwikkelingen) vanaf 2001.

** De indicator resultaatontwikkeling heeft betrekking op de resultante van lasten en baten (realisatie). Voorcalculatorisch zijn de baten en lasten in evenwicht.

*** De flexibiliteit is gedefinieerd als de formatie bezet door uitzendkrachten en contractanten, gedeeld door de totale bezette formatie.

4.3 Kwaliteitsindicator

Als kwaliteitsindicator is gekozen voor het aantal bezwaarschriften in verhouding tot het aantal prestaties. Onderstaande categorieën komen overeen met de categorieën uit paragraaf 4.1.

 
2001 CategorieOutputAantal BezwaarschriftenAantal prestaties%bezwaar-schr. t.o.v. prestaties
Subsidie regelingen EUSubsidie verstrekking3 396270 0791,3%
Subsidieregelingen NationaalSubsidie verstrekking1066 5481,6%
Stimuleringsregelingen NationaalSubsidie verstrekking1932 8016,9%
Vergunningsregelingen NationaalAfgifte vergunningen2 595115 2752,3%
Adviserende regelingenverstrekken van adviezen147 8280,2%

WETSARTIKEL 5 (AGENTSCHAP BUREAU HEFFINGEN)

1. Profiel van Bureau Heffingen

Bureau Heffingen zet, met gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologie, wet- en regelgeving om in administratieve processen en registreert en beoordeelt gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van wet- en regelgeving.

De uitvoeringswerkzaamheden van Bureau Heffingen bestaan uit:

• Uitvoering van de Meststoffenwet, waaronder het MINeralen Aangifte Systeem, de Wet verplaatsing mestproductie en de Wet herstructurering varkenshouderij. Hierbij gaat het onder meer om de registratie en beoordeling van gegevens, zoals oppervlakten landbouwgrond en aantallen dieren, mestproductierechten en varkensrechten, om het opleggen en innen van heffingen, maar ook om de erkenning van intermediaire ondernemingen, het omzetten van mestproductierechten varkens/kippen naar varkensrechten en de uitvoering van de Opkoopregeling varkensrechten.

• Registratie van meststromen. Centraal hierin staat de verwerking van afleveringsbewijzen dierlijke meststoffen en overige organische meststoffen.

• Controleren van internationale mesttransporten. In het kader van de Regeling keuring en handel dierlijke producten en de Europese Verordening op de Overbrenging van Afvalstoffen zorgt Bureau Heffingen voor de administratieve controle van grensoverschrijdende mesttransporten.

• Afhandelen bezwaar- en beroepszaken.

• Uitvoeren van de Regeling administratieve voorschriften bestrijdingsmiddelen.

• Leveren van inbreng bij de vormgeving van het nieuwe mestbeleid en de totstandkoming van regelgeving.

• Het verschaffen van gegevens ter beoordeling van de effectiviteit van het gevoerde beleid.

• Optimalisatie bedrijfsprocessen d.m.v. automatisering (b.v. Analyst notebook, Datamining en Warehousing en Rebus).

• Voorlichting en communicatie.

Er zijn veel ontwikkelingen gaande. Het aantal Minas-plichtigen zal in 2001 uitgebreid worden met ca. 40 000 bedrijven door verlaging van de GVE-grens (GrootVeeEenheid) en door het verplicht stellen van Minas voor akkerbouwbedrijven. Daarnaast worden de verliesnormen van Minas aangescherpt. Dit stelsel moet per 1 januari 2002 ingaan. De voorbereiding van werkzaamheden vinden nu reeds plaats.

Bureau Heffingen levert capaciteit voor het project Basisregistratie Percelen en een centrale registratie van mestafzetovereenkomsten vanuit het nieuwe mestbeleid. Verder is het project MAORI (MestAfzetOvereenkomsten Registratie Informatiesysteem) van start gegaan. Om te zorgen dat in Nederland niet meer dieren worden gehouden dan er ruimte is voor de door hen geproduceerde mest komt er een stelsel van mestafzetcontracten voor alle bedrijven met vee. Tevens toetst Bureau Heffingen de ingediende aanvragen in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV).

De omzetting van mestproductierechten naar pluimveerechten voor ca. 8 000 bedrijven is in voorbereiding. Het stelsel van pluimveerechten bevat een nieuw productieplafond voor het aantal kippen en kalkoenen dat maximaal op het bedrijf mag worden gehouden, en komt voor deze diersoorten in de plaats van mestproductierechten. Tenslotte is Bureau Heffingen begonnen met de werkzaamheden voor de uitvoering van het 2e Wijzigingsbesluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij.

Bekostiging

Voor de uitvoering van wettelijke taken en voor ondersteuning van de beleidsdirecties ontvangt Bureau Heffingen jaarlijks een vergoeding van het ministerie van LNV.

Door invoering van het stelsel van baten en lasten kunnen de kosten per product en dienst beter inzichtelijk worden gemaakt. Het budget van Bureau Heffingen wordt op basis van te leveren producten bepaald.

Voor het registreren van wijzigingen in de mestproductierechten en varkensrechten wordt het profijtbeginsel toegepast. Bureau Heffingen brengt in beginsel een kostendekkend tarief in rekening. Tevens wordt voor het registreren van een blokkaderecht (bij overdracht van mestproductierechten/varkensrechten) het profijtbeginsel toegepast.

Stelsel van baten en lasten

Bureau Heffingen hanteert als agentschap het stelsel van baten en lasten. Dit ter bevordering van een flexibele en transparante bedrijfsvoering. Het aanbrengen van een causale relatie tussen baten en lasten verbetert het bedrijfseconomisch inzicht. Ook voor het uitvoeren en het hanteren van het profijtbeginsel is een stelsel van baten en lasten een nuttig instrument.

Planning en verslaglegging

Ten behoeve van de planning en de verslaglegging is een productenkader (zie paragraaf 4.1) opgesteld waarin de kerntaken van Bureau Heffingen zijn benoemd. Per kerntaak worden de gerealiseerde output, de bestede uren, de lasten, de baten LNV en de overige baten vermeld.

Begin 2000 is de aansturingsrelatie tussen de Bestuursraad van LNV en Bureau Heffingen aangepast. Het aansturingsconvenant vormt de basis voor het protocol dat is opgesteld. In het protocol zijn de afspraken vastgelegd tussen de directie Landbouw (aansturing en coördinatie van het beleidsproces) en Bureau Heffingen (uitvoering van de onder het protocol vallende beleidsinstrumenten) inzake de te volgen procedure bij de totstandkoming en het onderhouden van opdrachten. Bureau Heffingen is met ingang van het jaar 2000 gestart met het via offertes inzichtelijk maken op welke wijze zij de uitvoering het meest efficiënt ter hand kan nemen en welke kosten en tijd daarmee gemoeid zijn.

Over de planning van de uit te voeren activiteiten, die in het jaarplan en de begroting zijn opgenomen, wordt vooraf met de Bestuursraad van het ministerie van LNV overleg gevoerd. Over de realisatie van het jaarplan en de begroting wordt aan de Bestuursraad gerapporteerd. Dit gebeurt op basis van het productenkader in de CCS-rapportage.

Bureau Heffingen heeft voor een belangrijk deel te maken met frequent wijzigende wet- en regelgeving (bv. Whv, MINAS, Varkensheffing). Het gevolg is dat gedurende het jaar allerhande interventies plaats vinden die nopen tot bijstelling van de geplande productie en doelstellingen.

2. Begroting van baten en lasten van het agentschap Bureau Heffingen (bedragen x f 1 000)
Omschrijving199920002001EUR20012002200320042005
Baten        
Opbrengst LNV50 04359 67296 32243 70981 78779 69377 24875 848
Opbrengst derden1 4672 000400182400400400400
Opbrengst VROM/RGD  2 3001 0442 3002 3002 3002 300
Rente25880803680808080
Buitengewone baten364       
         
Totale baten52 13261 75299 10244 97184 56782 47380 02878 628
         
Lasten        
Personele kosten23 57724 64041 49818 83136 81135 83036 70837 007
Materieel20 02021 20037 37416 96026 44426 57124 19623 257
Huisvesting1 9436 4209 1824 1679 4699 3479 2839 100
Afschrijvingskosten        
materieel2 2533 3534 1681 8914 7154 2683 5612 850
immaterieel2 8144 6815 6932 5836 0295 3825 1515 342
Rentelasten 1 4581 1875391 0991 0751 1291 072
Dotaties voorzieningen744       
Buitengewone lasten320       
         
Totale lasten51 67161 75299 10244 97184 56782 47380 02878 628
Saldo van baten en lasten461

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

De opbrengst LNV in 2001 sluit aan bij de in de begroting van LNV geraamde bedragen op artikel U 12.06 Agentschap Bureau Heffingen. Het betreft een vergoeding voor de in het productenkader geraamde diensten en producten die het agentschap levert aan het ministerie van LNV, vanaf 2000 inclusief de rentekosten die voortvloeien uit de per 1 januari 2000 geëffectueerde conversie van het eigen vermogen van Bureau Heffingen en de rentekosten samenhangende met de financiering van de investeringen via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. Het mestbeleid is continu aan veranderingen onderhevig. De weg die de afgelopen jaren is ingeslagen (invoering van een stelsel van varkensrechten en invoering van Minas) heeft grote uitvoeringsconsequenties met zich meegebracht. Zowel intensivering van bestaand beleid (o.a. uitbreiding van Minas-plichtigen) alsmede nieuw beleid (o.a. invoering van systeem van mestafzetcontracten, het tweede besluit hardheidsgevallen en het stelsel van pluimveerechten) brengt nog steeds een voortdurende groei aan werkzaamheden voor Bureau Heffingen met zich mee, en daarmee een verhoging van de LNV-bijdrage. Daarnaast is het streven om het negatieve eigen vermogen van Bureau Heffingen binnen enkele jaren terug te brengen tot tenminste nihil. E.e.a. zal mede afhangen van het moment waarop de activiteiten van Bureau Heffingen beginnen te stabiliseren.

• In 1998 is door het moederdepartement een bijdrage ad. f 9,4 mln. verstrekt voor de voorbereiding en uitvoering van de varkensheffing in het kader van het Diergezondheidsfonds. De f 9,4 mln. is toegekend onder de restrictie dat het niet benodigde bedrag wordt teruggestort. Aangezien inmiddels is besloten af te zien van de varkensheffing, is er een afrekening gemaakt met betrekking tot de uitvoeringskosten in de jaren 1998 en 1999. Deze afrekening bedraagt totaal f 2,657 mln. In 2002 stort Bureau Heffingen het niet benodigde deel (f 6,743 mln.) terug aan LNV. Deze terugstorting loopt rechtstreeks via de balans van Bureau Heffingen.

• De opbrengst derden heeft grotendeels betrekking op opbrengsten als gevolg van het registreren van blokkaderecht en het toepassen van het profijtbeginsel bij overdracht mestproductierechten en varkensrechten.

De opbrengst VROM/RGD heeft voorlopig een fictief karakter en betreft de huurcompensatie als gevolg van de stelselwijziging bij de RGD. Deze opbrengst komt overeen met een deel van de huur die vanaf 2001 aan de RGD betaald zou moeten worden.

• De rentebaten hebben betrekking op het voordelige saldo van de Rekening-courant, gebaseerd op het ervaringscijfer uit 1999.

• De personele kosten in 2001 hebben betrekking op de salariskosten van het personeel op de vaste en tijdelijke formatieplaatsen (470 fte) en van uitzendkrachten (37 fte).

• De materiële kosten in 2001 bestaan uit personeelsgebonden kosten (f 5,2 mln.), automatiseringskosten (f 12,7 mln.) en logistieke kosten (f 19,4 mln.).

De huisvestingskosten betreffen de exploitatielasten (huur en schoonmaakkosten etc.) van de panden waarin Bureau Heffingen is gehuisvest. Vanaf 2001 is de (gecalculeerde) huur die aan de RGD betaald zou moeten worden meegenomen in de exploitatielasten voor de huisvesting.

De afschrijvingen voeden de begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten. De afschrijvingen vinden lineair plaats en zijn gebaseerd op de historische aanschafwaarde. De afschrijvingslasten in 2001 bestaan uit afschrijvingen van investeringen vòòr 2000 (f 4,1 mln.) en van investeringen vanaf 2000 (f 5,8 mln.).

• De rentelasten vloeien voort uit de wijzigingen die het Ministerie van Financiën per 1 januari 2000 heeft doorgevoerd met betrekking tot de financiering van de vaste activa. Zie bij opbrengst LNV.

3. Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (bedragen x f 1 000) De specificatie van de rekening van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten: Het kasstroomoverzicht van het agentschap Bureau Heffingen
Omschrijving20002001EUR20012002200320042005
Rekeningcourant RHB 1 januari6 4086 4082 9086 4086 4086 4086 408
        
Totaal operationele kasstroom8 0339 8614 47510 7449 6508 7128 193
        
-/- totaal investeringen– 14 551– 9 135– 4 145– 7 384– 6 904– 7 971– 7 061
+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
Totaal investeringskasstroom– 14 551– 9 135– 4 145– 7 384– 6 904– 7 971– 7 061
        
+ eenmalige uitkeringen door moederdep.– 14 608      
-/- aflossingen op leningen– 8 033– 9 861– 4 475– 10 744– 9 650– 8 712– 8 193
+ beroep op leenfaciliteit29 1599 1354 1457 3846 9047 9717 061
        
Totaal financieringskasstroom6 518– 726– 330– 3 360– 2 746– 741– 1 132
Rekeningcourant RHB 31 december6 4086 4082 9086 4086 4086 4086 408

Economische codering: 03

Functionele codering: 10.1

De investeringen 2001 ad. f 9,1 mln. zijn onderverdeeld in:

• Immateriële vaste activa (f 4,7 mln.) bestaande uit f 0,6 mln. voor het ontwerpen van formulieren door derden en f 4,1 mln. voor het ontwikkelen van programmatuur (afschrijvingstermijn 3 jaren)

• Hard- en software (f 2,9 mln.) (afschrijvingstermijn 3 jaren)

• Inventaris/installaties en overige materiële vaste activa (f 1,5 mln.) bestaande uit kantoormeubilair, kantoormachines en overige aanschaffingen uit (afschrijvingstermijn 5 jaren)

• Verbouwingen en huisvesting (f 0,1 mln.) (afschrijvingstermijn 10 jaren)

4. KENGETALLEN EN INDICATOREN

In dit hoofdstuk worden beheersmatige kengetallen en indicatoren weergegeven die een indruk geven van de uitvoering van het beleid door Bureau Heffingen.

4.1 Prestaties

In onderstaande tabel is per productgroep een indicatie gegeven van de in 2001 te verrichten prestaties met de daarmee gemoeid zijnde lasten en baten. De productgroepen komen overeen met de kernactiviteiten van Bureau Heffingen. Het productenkader geeft aan welke producten door het agentschap worden geleverd tegen het daarvoor toegekende budget.

Door telkens veranderende wetgeving is het pakket werkzaamheden van Bureau Heffingen continu aan verandering onderhevig. Dit heeft gevolgen voor de lasten (en baten) per producteenheid. Een vergelijking tussen de verschillende jaren wordt hierdoor vooralsnog bemoeilijkt.

Voor de Begroting 2002 zal het productenkader aangepast worden waarbij een onderverdeling in dynamische producten en stabiele producten zal worden onderzocht. Bureau Heffingen is reeds bezig met een andere inrichting van het productenkader om efficiency en transparantie te verbeteren.

 
Productenkader 2001Product-Eenhedenx 1 000Urenx 1 000Personeelx 1 000Lasten Materieelx 1 000Totaalx 1 000Baten LNVx 1 000Baten overigx 1 000uren per product Eenheidlasten per product-Eenheid
1) Registraties1 62325410 30013 55023 85022 8599910,1614,70
2) Heffingen4301 2121 6112 8232 753697,11705,75
3) Mineralen Aangifte Systeem*69033113 44117 29230 73329 9627710,4844,54
4) Bezwaar en beroep15933 7715 0148 7858 5692166,14585,67
Subtotaal2 33270828 72437 46766 19164 1432 0470,3028,38
5) Informatievoorziening3511405 6897 56313 25212 9263260,4037,75
6) Ondersteuning beleid1251757 08412 57619 66019 2534061,40157,28
Totaal2 8081 02341 49757 60599 10296 3222 7800,3635,29

* de registrerende werkzaamheden in het kader van MINAS zijn ondergebracht bij punt 1 Registraties.

Toelichting productenkader:

1) Registraties: betreft o.a. de registraties van mestproductierechten, afleveringsbewijzen, registraties in het kader van Minas en registraties in het kader van de Wet herstructurering varkenshouderij.

2) Heffingen: betreft de afronding van werkzaamheden in het kader van de overschotheffing en de varkensheffing (aflopend).

3) Minas: betreft de aangiften Minas en de invordering daarvan.

4) Bezwaar en beroep: betreft aantallen bezwaren en beroepszaken

5) Informatievoorziening: betreft grotendeels aantallen telefoontjes, en verder bezoeken en internet.

6) Ondersteuning beleid: betreft beleidsondersteuning door Bureau Heffingen vnl. m.b.t. nieuw mestbeleid.

Het productenkader 2000 zoals dat was opgenomen in de begroting van 2000:

 
Productenkader 2000Product-Eenhedenx 1 000Urenx 1 000Personeelx 1 000Lasten Materieelx 1 000Totaalx 1 000Baten LNVx 1 000Baten overigx 1 000uren per product Eenheidlasten per product-Eenheid
1) Registraties1 0532288 89718 03026 92724 7852 1420,2225,56
2) Heffingen47135147211 2341 173620,2826,00
3) Mineralen Aangifte Systeem*701335 1886 90612 09411 4916031,89172,34
4) Bezwaar en beroep341084 2204 4348 6548 2234313,14251,57
Subtotaal1 20548218 81830 09048 90845 6713 2380,4040,58
5) Informatievoorziening149742 9123 0605 9725 6752970,5040,19
6) Ondersteuning beleid 176376681 3051 24065  
Totaal1 35457222 36833 81856 18652 5863 6000,4241,50

* de registrerende werkzaamheden in het kader van MINAS zijn ondergebracht bij punt 1 Registraties.

Het productenkader 1999 zoals dat is opgenomen in de financiële verantwoording van 1999 (realisatie):

 
Productenkader 1999Product-Eenhedenx 1 000Urenx 1 000Personeelx 1 000Lasten Materieelx 1 000Totaalx 1 000Baten LNVx 1 000Baten overigx 1 000uren per product Eenheidlasten per product-Eenheid
1) Registraties1 36935812 67515 81528 48926 9061 6200,2620,81
2) Heffingen29642 2802 4044 6844 839982,22161,91
3) Mineralen Aangifte Systeem*381113 9215 9199 8408 3231692,89256,95
4) Bezwaar en beroep4301 0548581 9122 238457,36473,36
Subtotaal1 44056219 93024 99544 92642 3031 9320,3931,19
5) Informatievoorziening175712 5012 1674 6685 3091080,4026,66
6) Ondersteuning beleid0321 1459322 0772 43149  
Totaal1 61566523 57728 09451 67150 0432 0890,4131,99

* de registrerende werkzaamheden in het kader van MINAS zijn ondergebracht bij punt 1 Registraties.

4.2 Doelmatigheid en produktiviteit

In onderstaande tabel wordt een vergelijking gepresenteerd van de gewogen gemiddelde uren, lasten en baten per producteenheid van bovenstaande productenkaders. Dit overall-kengetal zal op termijn een indicatie van de doelmatigheid en productiviteit geven. Bureau Heffingen opereert in een zeer dynamische omgeving wat vergelijking van de doelmatigheidsontwikkeling tussen verschillende jaren vooralsnog bemoeilijkt.

 
Over-all kengetalUren 1999Lasten 1999Baten 1999Uren 2000Lasten 2000Baten 2000Uren 2001Lasten 2001
Gewogen gemiddelde per producteenheid0,4131,9932,270,4241,541,50,3635,29
op index basis10010010010213012988110

4.3 Aanvullende kengetallen

Voor Minas is aangeven in welke trajecten de Minas plichtige bedrijven zullen deelnemen. Het betreft het aantal aanmeldingen (= geregistreerde bedrijven). Per bedrijf kunnen er meerdere aangiften ter afhandeling binnenkomen.

 
Minas1999%2000%2001%2002%
Minas aanmelding95 50010099 50010099 50010099 500100
Beperkt35 5003735 50036
Forfaitair13 0001413 8001420 9002120 90021
Verfijnd45 5004748 7004977 1007777 10077
Intermediairs1 50021 50011 50021 5001

Toelichting bij Minas aanmelding:

1. Jaar 2000: verwacht aantal bedrijven met bijbehorende registratie. Door verlaging aanvoernormen in 2000, vindt er een verschuiving plaats van ongeveer 4 000 beperkte bedrijven die van beperkte aanmelding overstappen naar forfaitair en verfijnd volgens de verhouding 20/80. Tevens is er een groei van 4 000 (akkerbouw)bedrijven t.o.v. 1999 opgenomen. Deze (natuurlijke) groei betreft bedrijven die nog niet in kaart waren gebracht. Per saldo blijft het aantal «beperkte» bedrijven contant en stijgt het aantal forfaitaire en verfijnde bedrijven met respectievelijk 800 en 3 200.

2. Jaar 2001: vanwege het verdwijnen van de GVE/grens per hectare verdwijnen de «beperkte» bedrijven. Deze gaan naar forfaitair en verfijnd in de verhouding 20/80. Afhankelijk van politieke besluitvorming komt er mogelijk toch een «tussencategorie» type aangifte (vergelijkbaar met beperkt) voor de «pure akkerbouwbedrijven».

4.4 Kwaliteitsindicator

 
2001ingediende aangiftenbezwaarschriften1beroepschriften1
 ##%#%
MINAS95 75012 39413%6001%
wv. Forfaitair22 5004 19519%   
wv. Verfijnd71 0007 92411%   
wv. Intermediairs2 25027512%  

1 inclusief het aantal bezwaar- en beroepsschriften dat wordt ingediend in 2000 en 2001 naar aanleiding van de afhandeling van de aangiften

De ingediende bezwaren bij de forfaitaire, verfijnde en intermediaire aangifte hebben grotendeels betrekking op het aangiftejaar 1998 en zijn inclusief bezwaren tegen de ambtshalve aanslagen en naheffingsaanslagen, alsmede de principiële bezwaren tegen het Minas-systeem. Aangezien Minas in 1998 is ingevoerd zijn er nog geen ervaringscijfers met betrekking tot de afhandeling van de Minas-aangiften bekend.

WETSARTIKEL 6 (AGENTSCHAP PLANTENZIEKTENKUNDIGE DIENST)

1. Profiel van de Plantenziektenkundige Dienst

De Plantenziektenkundige Dienst (PD) heeft tot taak om ziekten en plagen in de plantaardige sector te weren en waar mogelijk te helpen beheersen en bestrijden. Dit om de wereldwijde handel in planten en plantendelen, die voor ons land in economisch opzicht zo belangrijk is, mogelijk te maken en desgewenst uit te breiden. Daarnaast zijn de activiteiten erop gericht om aantasting van natuur en landschap door vreemde organismen tegen te gaan. Tenslotte wordt, door de introductie van ziekten en plagen te voorkomen dan wel te beperken bijgedragen aan de vermindering van het gebruik en geringere afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen.

De PD voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet, Europese regelgeving en internationale verdragen.

Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is, en voor beleidsondersteuning ten behoeve van LNV ontvangt de PD een bijdrage van het ministerie (begrotingsartikel 15.02 Agentschap Plantenziektenkundige Dienst). Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de PD een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Daar waar de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor derden uitvoert in concurrentie, gelden marktconforme tarieven.

LNV streeft naar een verbreding van de toepassing van het profijtbeginsel. Daarom zal met ingang van 1 januari 2001 voor importinspecties een (kostendekkend) tarief gaan gelden. Waar mogelijk zal aandacht worden geschonken aan het realiseren van kostenbesparingen, opdat wordt verzekerd dat de diensten van de PD tegen redelijke kosten worden voortgebracht.

2. Begroting van baten en lasten van het agentschap Plantenziektenkundige Dienst (bedragen x f 1 000)
Omschrijving199920002001EUR20012002200320042005
Baten        
Opbrengst LNV23 14124 82221 6579 82821 25121 25221 25221 251
Opbrengst derden16 62516 69821 1759 60920 50020 50020 50020 500
Rente– 12       
Overige baten48       
         
Totale baten39 80241 52042 83219 43641 75141 75241 75241 752
         
Lasten        
Apparaatskosten        
Vaste personele kosten25 51926 70727 25612 36827 46127 46327 46327 463
Variabele pers. Kosten4 5294 4714 7182 1413 3213 3553 3583 367
Materieel10 1099 0339 4354 2819 3259 3599 3629 371
Huisvestingpmpmpmpmpmpmpm
Afschrijvingen        
Immaterieel16417319287230218217214
Materieel7998439384261 1211 0641 0591 045
Rente 19319388193193193193
Dotaties voorzieningen 10010045100100100100
Overige lasten60       
         
Totale lasten41 18041 52042 83219 43641 75141 75241 75241 752
         
Saldo van baten en lasten– 1 378

De opbrengst LNV sluit aan bij de in de meerjarenraming van LNV verantwoorde uitgaven op artikel U15.02 Agentschap PD. Het betreft een vergoeding voor de geraamde diensten en produkten ten behoeve van LNV inclusief de rentekosten die voortvloeien uit de per 1 januari 2000 te effectueren conversie van het eigen vermogen van de PD en de rentekosten samenhangende met de financiering van de investeringen via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. Daarnaast is in de LNV-bijdrage voor 2000 rekening gehouden met een vooruitbetaling aan de PD in 1999 van f 0,7 mln. waardoor de LNV-bijdrage op artikel U15.02 lager is dan de «opbrengsten LNV» in de begroting van baten en lasten.

De opbrengst derden (retributies en marktinkomsten) zal ten opzichte van voorgaande jaren aanzienlijk stijgen als gevolg van de introductie van een tarief voor het verrichten van importinspecties. Daarnaast wordt voor 2001 rekening gehouden met incidentele extra opbrengsten als gevolg van een groot aantal af te geven verlengingen van Vergunningen Vakbekwaamheid Gewasbescherming.

De vaste personele kosten betreffen de salarissen van de vaste personeelsformatie.

De variabele personele kosten (ingehuurd personeel) betreffen de kosten van detacherings- en uitzendkrachten.

– De materiële kosten betreffen hoofdzakelijk reis- en verblijfsvergoedingen, bureau- en laboratoriumbenodigdheden en dienstverlening door derden.

Huisvesting: de huisvestingskosten zijn vooralsnog opgenomen als pm-post, omdat er nog onvoldoende zekerheid bestaat over de gevolgen van de Stelselwijziging Rijkshuisvesting. In lijn hiermee zijn ook de huisvestingsbaten van LNV en derden niet in de begroting verwerkt.

De afschrijvingen op immateriële activabetreffen door de PD zelf ontwikkelde software. De betreffende afschrijvingstermijn is gesteld op 5 jaar.

– Inzake de afschrijvingen op materiële activa wordt, afhankelijk van de economische/technische levensduur, een afschrijvingstermijn van 3 tot 10 jaar gehanteerd.

– De rente betreft de rentelast als gevolg van de Vermogensconversie Agentschappen en de rente op de leningen voor het doen van nieuwe investeringen.

De dotaties voorzieningen betreffen wachtgeldverplichtingen, dubieuze debiteuren en assurantie eigen risico.

3. Begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten (bedragen x f 1 000) De specificatie van de rekening van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten: Het kasstroomoverzicht van het agentschap Plantenziektenkundige Dienst
Omschrijving20002001EUR20012002200320042005
Rekening courant RHB 1 januari– 904– 884– 401– 884– 884– 884– 884
        
Totaal operationele kasstroom1 0161 1315131 3501 2821 2771 259
        
-/- totaal investeringen– 1 000– 1 000– 454– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
Totaal investeringskasstroom– 1 000– 1 000– 454– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
        
-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 3 861      
+ eenmalige storting door moederdepartement       
-/- aflossingen op leningen– 1 016– 1 131– 513– 1 350– 1 282– 1 277– 1 259
+ beroep op leenfaciliteit4 8611 0004541 0001 0001 0001 000
        
Totaal financieringskasstroom– 16– 131– 59– 350– 282– 277– 259
Rekening courant RHB 31 december– 884– 884– 401– 884– 884– 884– 884

4. KENGETALLEN EN INDICATOREN

4.1 Kosten en opbrengst derden per productgroep

Onder productgroep wordt een cluster van taken begrepen, die naar hun aard bijeenhoren of samenhangen. In onderstaande tabellen worden de kosten en opbrengsten weergegeven.

Kosten per productgroep (x f 1 000)
Productgroep199920002001
Import5 8915 9406 127
Export10 66810 75711 096
Fytosanitaire acties10 35110 40010 728
Systeemborging233235242
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen303305315
Fytofarmaceutische acties800806832
Diagnose en identificatie6 4926 5456 752
Expertise en faciliteiten2 5762 5972 679
Beleidsvoorbereiding en -uitwerking3 4813 5103 621
Beleidsevaluatie422425440
Totaal kosten41 18041 52042 832
Verdeling opbrengsten (x f 1 000)
Opbrengst derden (retributies en marktinkomsten) Productgroep199920002001
Importn.v.t.n.v.t.3 000
Export7 2017 2327 190
Fytosanitaire acties3 8973 9143 891
Systeemborging282828
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen591594590
Fytofarmaceutische acties4204221 994
Diagnose en identificatie2 9602 9732 956
Expertise en faciliteiten1 5281 5351 526
Beleidsvoorbereiding en -uitwerkingn.v.t.n.v.t.n.v.t.
Beleidsevaluatien.v.t.n.v.t.n.v.t.
Totaal opbrengst derden16 62516 69821 175
    
Opbrengst LNV23 14124 82221 657
Overige opbrengsten36  
Totaal opbrengsten39 80241 52042 832

De omvang van de uit te voeren wettelijke taken kan per jaar sterk wisselen door uitbraak van ziekten en ontwikkelingen op het gebied van import en export. Met ingang van 2001 zal voor het uitvoeren van importinspecties een tarief in rekening gebracht worden.

4.2 Prestaties

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van de belangrijkste prestaties weer. Deze opsomming is niet limitatief.

Prestaties (aantallen)
ProductProductgroep199920002001
Inspecties importzendingImport45 11645 00045 000
Gewaarmerkte exportcertificatenExport227 159236 000236 000
BedrijfsbezoekenFytosan. Acties6 0457 5007 500
PerceelsbezoekenFytosan. Acties72 59972 50072 500
Mutaties besmetverklaringenFytosan. Acties661500500
Monstername bruinrotFytosan. Acties78 42178 00078 000
Diagnostische inzendingenDiagnose/identificatie56 31756 00056 000
Adviesuren landbouwkundige deugdelijkheidDeugd. beoordeling Bestrijdingsmiddelen3 7332 9002 900
Verstrekte vergunningenFytosan./fytofarm. Acties13 85414 00049 000

Het aantal verstrekte vergunningen stijgt in 2001 ten opzichte van 2000. Dit wordt veroorzaakt door het afgeven van verleningen van Vergunningen Vakbekwaamheid Gewasbescherming. Deze vergunningen zijn in 1996 voor het eerst afgegeven en hebben een looptijd van 5 jaar.

4.3 Doelmatigheid

In de onderstaande tabellen zijn indicatoren van doelmatigheid weergegeven.

 
Inzet arbeidscapaciteit (%)1999 %2000 %2001 %
Bruto capaciteit100,0100,0100,0
Bezettingsgraad (= netto capaciteit)85,985,985,9
Afwezigheid (verlof en ziekte)14,114,114,1
    
Netto capaciteit100,0100,0100,0
Primair proces64,766,666,3
Management en beheer28,127,227,2
Kennis- en methodenontwikkeling7,26,26,5

Onder bruto capaciteit wordt de totaal beschikbare arbeidscapaciteit verstaan. Het betreft hier zowel de vaste personeelsformatie als de detacherings- en uitzendkrachten.

 
Indexcijfer rendement financieringsaandeel LNV (1994=100)199920002001
Arbeidscapaciteit/vergoeding LNV95110110

De relatie tussen de arbeidscapaciteit (uren bruto capaciteit) en de financiering uit algemene middelen (vergoeding LNV), geeft een overall-indicatie van de doelmatigheid. Dit indexcijfer geeft namelijk aan wat de Nederlandse samenleving aan produkten en activiteiten terugkrijgt voor elke gulden belastinggeld die in de Plantenziektenkundige Dienst wordt gestoken. Dit verhoudingsgetal is geïndexeerd, waarbij 1994 op 100 is gesteld. Het streven is om de index minimaal op 110 te houden.

 
Gemiddelde duur prestaties (in uren)199920002001
Inspectie importzending0,80,60,8
Inspectie exportzending0,30,40,3
Verstrekken vergunning0,60,40,5

Het uitvoeren van inspecties en het afgeven van vergunningen behoort tot de kerntaken van de PD.

4.4 Doeltreffendheid

Wering van ziekten en plagen (die niet in Nederland voorkomen) is één van de kerntaken van de PD. De volgende tabel geeft van alle geïnspecteerde importzendingen het aantal geweerde zendingen met schadelijke organismen weer.

 
Wering schadelijke organismen199920002001
Aantal geïnspecteerde zendingen45 11645 00045 000
Aantal geweerde zendingen247250250
Percentage geweerde zendingen0,55%0,56%0,56%

Het aantal onderschepte zendingen met quarantaine-organismen is met name afhankelijk van de aard en omvang van de importactiviteiten, bij gelijkblijvende inspectie-intensiteit.

4.5 Kwaliteit

Naast doelmatigheid en doeltreffendheid dient de PD vooral naar optimale kwaliteit in de uitvoering van zijn wettelijke taken en dienstverlening te streven. Deze kwaliteitseis komt voor een overheidsdienst in eerste instantie neer op naleving van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals gebruikelijk worden bezwaarschriften beoordeeld door LNV (niet de PD) en beroepsschriften door een rechtbank. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de zorgvuldigheid in het handelen van de PD.

 
Beroep- en bezwaarschriften199920002001
Aantal uitspraken101812
Afgewezen (%)100100100
Toegekend (%)000

De PD werkt permanent aan kwaliteitsprojecten binnen een vastgesteld kwaliteitsbeleid op hoofdlijnen. Het meest omvangrijke kwaliteitsverbeteringproject is het project Kwaliteit Export- en Importinspecties. Hiervoor is een erkenning aangevraagd bij de Raad voor Accreditatie.

Licence