Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

  Blz.
   
A.TOELICHTING OP DE WETSARTIKELEN 3
 Wetsartikelen 1, 2, en 4 
   
B.BELEIDSAGENDA6
1.Inleiding6
2.VWS en zijn omgeving6
2.1Terugblik6
2.2De rol van het individu8
2.3Nederland vergeleken met andere landen9
2.4De gevolgen van economische voorspoed10
3.Activiteiten in 200111
3.1Volksgezondheid: naar een gezondere bevolking11
3.2Gezondheidszorg: verzorging, behandeling en genezing15
3.2.1Informatievoorziening18
3.2.2Technologie: mag alles wat kan?18
3.2.3Arbeidsmarktbeleid19
3.3Sociale kwaliteit20
4Bestuurlijke vormgeving23
4.1Toekomst Zorgstelsel24
4.2Toezicht en inspectie25
   
C.TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL26
1.Inleiding26
1.1Leeswijzer bij de Artikelsgewijze Toelichting (AGT) 200126
1.2Budgettaire kaders26
1.3Toelichting prestatiegegevens27
1.4De geïntegreerde verplichtingen-kas-administratie28
1.5Grote stedenbeleid (GSB)29
1.6Aansluitingstabel Begrotingswet 2000 en Ontwerpbegroting 200130
2.Toelichting op wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)33
   
Hoofdbeleidsterrein 22 Algemeen33
22.01Personeel en materieel algemeen34
22.02VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers39
22.03Loonbijstelling40
22.04Prijsbijstelling41
22.05Onvoorzien41
22.06Sociaal en Cultureel Planbureau42
22.07Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming44
22.08Internationale samenwerking en infrastructuur47
22.09Adviesraden48
22.09.01Raad voor de Maatschappelijke ontwikkeling50
22.09.02Raad voor de Volksgezondheid en Zorg51
22.09.03Gezondheidsraad52
22.09.04Raad voor Gezondheidsonderzoek54
   
Hoofdbeleidsterrein 23 Inspectie voor de Gezondheidszorg 56
23.01Personeel en materieel Inspectie Gezondheidszorg56
   
Hoofdbeleidsterrein 24 Welzijn 63
24.02Ouderenbeleid63
24.03Gehandicaptenbeleid67
24.04Jeugdbeleid71
24.05Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen84
24.07Sportbeleid93
24.08Garantie van leningen en aflossingen welzijn99
24.09Sociaal Beleid101
24.10Vrouwenopvang, Maatschappelijke opvang en Verslavingszorg107
   
Hoofdbeleidsterrein 25 Volksgezondheid110
25.01Volksgezondheid algemeen110
25.02Volksgezondheidsbeleid114
25.02 01Wet orgaandonatie en medische ethiek114
25.02 02Onderzoeksinstituten en ontwikkelingswerk115
25.02 03Tweedelijnszorg116
25.02 04Eerstelijnszorg117
25.02 06Geestelijke volksgezondheid118
25.02 07Drug- en alcoholbeleid119
25.02 11Genees- en hulpmiddelen121
25.02 12Illegalenfonds123
25.02 13Projecten, experimenten en onderzoek123
25.02 15Gezondheidsbeleid127
25.02 16Nazorg bij rampen131
25.03Rijksbijdragen volksgezondheid132
25.04Garantie van rente en aflossingen van leningen volksgezondheid137
   
Hoofdbeleidsterrein 26 Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken139
26.02Bijdrage aan Agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken139
   
Hoofdbeleidsterrein 27 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu141
27.01Personeel en materieel Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu143
   
3.Toelichting op wetsartikel 2 (ontvangsten)152
   
Hoofdbeleidsterrein 22 Algemeen152
22.01Algemeen152
22.02Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties153
   
Hoofdbeleidsterrein 23 Staatstoezicht op de Volksgezondheid155
23.01Inspectie gezondheidszorg155
   
Hoofdbeleidsterrein 24 Welzijn158
24.01Welzijn algemeen158
24.02Bijdrage van andere begrotingen159
   
Hoofdbeleidsterrein 25 Volksgezondheid163
25.01Volksgezondheid 163
25.02Medische tuchtwet165
25.04Terugbetaling op effectief geworden garanties166
25.06Verrekening met agentschap CBG166
   
   
   
Hoofdbeleidsterrein 26 Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken168
26.02Ontvangsten van agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken168
   
Hoofdbeleidsterrein 27 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu169
27.01Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu169
27.02Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM171
   
4.Toelichting op wetsartikel 4 (agentschappen) 173
 Agentschappen173
 Agentschap College ter beoordeling van Geneesmiddelen173
 Agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken182
   
D.BIJLAGEN 
1AOverzicht inzake personeelssterkte VWS190
1BOverzicht inzake personeelssterkte agentschappen VWS193
2ATot stand gekomen wetgeving194
2BBij de Staten-Generaal aanhangige wetgeving195
2CIn voorbereiding zijnde wetsvoorstellen196
2DZelfstandige bestuursorganen ressorterend onder VWS199
3ADoor de Staten-Generaal aanvaarde moties201
3BDoor bewindslieden gedane toezeggingen209
4Circulaires212
5Aanbevelingen Nationale Ombudsman213
6Subsidiebijlage214
7Beleidsevaluatie229
8Economische en functionele classificaties253
9Voorlichtingsuitgaven256
10Convenanten257
11Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel met economische en functionele classificaties259
12Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel met economische en functionele classificaties264
13Conversietabel artikelen (onderdelen)267
14Sociaal en Cultureel Planbureau268
15Commissie voor Sociaal en Cultureel Beleid270
16Afkortingen272
   
 Index277

A. TOELICHTING OP DE WETSARTIKELEN

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2001 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2001. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2001.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikel 4

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en ontvangsten van zowel het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen als het agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire zaken voor het jaar 2001 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

Uitgaven naar hoofdbeleidsterrein, totaal 15,54 miljard NLGkst-27400-XVI-2-1.gif

Uitgaven exclusief de Rijksbijdragen ziektekosten naar hoofdbeleidsterrein, totaal 5,12 miljard NLGkst-27400-XVI-2-2.gif

Ontvangsten naar hoofdbeleidsterrein, totaal 0,22 miljard NLGkst-27400-XVI-2-3.gif

Uitgaven naar budgetdisciplinesector, totaal 15,54 miljard NLGkst-27400-XVI-2-4.gif

Ontvangsten naar budgetdisciplinesector, totaal 0,22 miljard NLGkst-27400-XVI-2-5.gif

B. BELEIDSAGENDA

1. INLEIDING

«Zorg voor mensen in een gezonde samenleving» is het motto van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het Regeerakkoord 1998 brengt het toenemende maatschappelijke belang van gezondheid, welzijn en sport duidelijk tot uitdrukking. Investeren in de kwaliteit van de samenleving, in het behouden en verbeteren van een goede gezondheid en in het tijdig verlenen van goede zorg, is het uitgangspunt van ons beleid.

De Nederlandse samenleving kenmerkt zich in deze tijd door enkele belangrijke ontwikkelingen. Individualisering, verandering van de bevolkingssamenstelling, economische voorspoed, een steeds sterkere internationale context en toenemende technologische ontwikkelingen drukken een stempel op onze samenleving. Vanuit de kansen en bedreigingen die uit deze ontwikkelingen voortvloeien, presenteren wij in deze beleidsagenda onze activiteiten voor de nabije toekomst.

Halverwege deze kabinetsperiode blikken we terug op de stappen die gezet zijn en kijken we vooruit naar de komende twee jaar. In die komende twee jaar willen wij, naast het verder aanpakken van bestaande knelpunten, de fundamenten leggen voor een hervorming van het besturings- en verzekeringsstelsel van de gezondheidszorg, zodat het systeem bestand zal zijn tegen de bovengenoemde ontwikkelingen.

Deze beleidsagenda geeft de hoofdlijnen van het te voeren beleid aan en vormt het Algemeen Deel van de Memorie van Toelichting van deze begroting. De verdere hoofdstukken (Artikelsgewijze Toelichting) geven gedetailleerder onze voornemens voor komend jaar weer. In het inleidende hoofdstuk van de Zorgnota 2001 is een belangrijk deel van deze beleidsagenda terug te vinden en gaan wij nader in op het zorgbeleid.

2. VWS EN ZIJN OMGEVING

2.1 Terugblik

Het kabinet is nu halverwege deze regeerperiode. Veel voornemens uit het regeerakkoord zijn op de rails gezet; een aantal plannen staat nog in de steigers. Soms zijn we te kort bezig om concrete resultaten te kunnen vaststellen. Ook de laatste jaren van deze kabinetsperiode zal het regeerakkoord – de meerjarige beleidsagenda van het kabinet – richtinggevend zijn bij het vormgeven van ons beleid en de prioriteiten die wij stellen. De gunstige economische situatie biedt ons de ruimte tot versnelde en zelfs extra intensiveringen, waardoor doelen eerder bereikt kunnen worden. In tabel 1 geven we een overzicht van de intensiveringen in 2001 en 2002. Het gaat daarbij in de eerste plaats om middelen die reeds bij regeerakkoord zijn gereserveerd voor onze sectoren. Daarnaast is dit jaar besloten tot omvangrijke additionele intensiveringen. Met de inzet van deze middelen trachten wij een forse reductie van de wachtlijsten te bereiken. Voor de aanpak van de wachtlijsten en de wachttijden zijn met de branche- en koepelorganisaties, binnen de context van de meerjarenafspraken, gedetailleerde afspraken gemaakt over de prestaties die gaan worden geleverd. Zo stellen wij de extra middelen voor de sector verpleging en verzorging en de gehandicaptensector alleen beschikbaar voor de aanbieders als zij de productie-afspraken die zij met de zorgkantoren maken, daadwerkelijk omzetten in capaciteit: boter bij de vis. De afrekening zal geschieden op basis van de feitelijk geleverde zorg. Ook in de cure-sectoren en de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) zal het uitgangspunt zijn dat met het extra geld meer zorg dient te worden geleverd. Het moet duidelijk zijn dat extra investeringen in bijvoorbeeld het terugdringen van wachttijden, er inderdaad toe leiden dat meer mensen binnen acceptabele tijden die zorg ontvangen waaraan zij behoefte hebben. Om dat goed te kunnen beoordelen wordt dit jaar een registratiesysteem ontwikkeld waarmee wachtlijsten in de verschillende sectoren in kaart kunnen worden gebracht (voor de sector verpleging en verzorging is de omvang van de wachtlijst recent in kaart gebracht) en in de tijd kunnen worden gevolgd. Met de betrokken branche-organisaties zullen vervolgens aanvullende afspraken worden gemaakt over het beschikbaar stellen van informatie en de verantwoordingsplicht over de inzet van gelden. De verantwoording zal de inzet van alle middelen betreffen: niet alleen de intensiveringen, maar de volledige instellingsbudgetten. Duidelijk moet zijn, én blijven, dat het geld de zorg volgt. Overigens tekent zich de ontwikkeling af dat niet zozeer budgettaire grenzen als wel tekorten op de arbeidsmarkt het knelpunt vormen bij het kunnen leveren van de gevraagde zorg. Dat brengt ons bij onze tweede beleidsprioriteit: de vermindering van de werkdruk van de beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. Wij zullen alles doen wat in ons vermogen ligt om de sector aantrekkelijk te houden om te gaan werken. Zorg is, en blijft immers mensenwerk en de kwaliteit van de gezondheidszorg wordt in belangrijke mate bepaald door de arbeidssatisfactie van de medewerkers. Voldoende gekwalificeerd personeel is onontbeerlijk voor het realiseren van de extra zorg die nodig is om de te lange wachtlijsten in de zorg te bestrijden. Wij werken aan een instrument om beleidsprestaties vast te kunnen stellen. Er wordt een algemene indicator voor werkdruk ontwikkeld die voor alle sectoren kan worden ingezet. Om de werkdruk van huisartsen te verminderen is geld beschikbaar voor de dienstenstructuur en praktijkondersteuning.

Naast de inzet van middelen voor de wachtlijsten en de werkdruk is veel extra geld beschikbaar voor uitgaven aan geneesmiddelen en voor ICT.

Tabel 1 Volume intensiveringen in f miljoen
 20012002
Reeds bij regeerakkoord gereserveerde middelen   
Tranches 2001 en 2002, BKZ11 4152 830
Tranches 2001 en 2002, rijksbegroting278190
Subtotaal1 4933 020
   
Additionele intensiveringen  
Versnelling capaciteitsuitbreiding cure10 
Versnelling capaciteitsuitbreiding care250 
Versnelling intensivering kinderopvang80 
   
Capaciteitsuitbreiding cure364364
Capaciteitsuitbreiding care259275
Intensivering kinderopvang, jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg5767
Arbeidsmarktbeleid207229
Geneesmiddelen770725
   
Overig  
Indicatiestelling AWBZ2020
Beheerskosten Zorgkantoren i.v.m. wachtlijstaanpak4545
Uitvoeringskosten Uitvoeringsinstellingen2727
ICT in de Zorg110 
Verhoging zak- en kleedgeld3030
Overig (begroting)62
Subtotaal2 2351 784
Totaal33 7284 804

1 Het gaat hier om intensiveringen in onder meer verpleging en verzorging, curatieve zorg en genees- en hulpmiddelen.

2 Het gaat hier om intensiveringen in onder meer sport, kinderopvang en sociale infrastructuur.

3 Exclusief de incidentele middelen die zijn toegekend voor de Vuurwerkramp Enschede (f 22 miljoen in 2001 en f 1 miljoen in 2002).

Onze prioriteiten richten zich niet louter op het inzetten van financiële middelen. In een aantal gevallen gaat het vooral om een betere vormgeving van het beleid. Het kabinet zal het komende jaar dan ook veel energie steken in het verbeteren van de organisatie en de besturing van de zorg, de kinderopvang, de jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg. Een gezamenlijke aanpak met bestuurlijke partners en maatschappelijke organisaties is hierbij noodzakelijk. In paragraaf 4 geven wij aan welke verdere aanpassingen op het bestuurlijk vlak ons op langere termijn voor ogen staan. Hieronder gaan wij eerst in op de context van ons beleid.

2.2 De rol van het individu

Burgers zijn in de afgelopen jaren zelfbewuster en kritischer geworden. Ze verlangen, of eisen zelfs, zeggenschap over hun eigen leefsituatie. Deze houding gaat gepaard met een verdergaande individualisering, en in het verlengde daarvan, een toenemende diversiteit aan verlangens, voorkeuren en behoeften. De rijke verscheidenheid aan nationaliteiten, culturen en mensen in Nederland vergroot deze heterogeniteit. Dit is een belangrijk uitgangspunt voor ons beleid. De introductie van het persoonsgebonden budget en de snelle uitbreiding daarvan is een voorbeeld van de wijze waarop we inspelen op de wens van het individu: een grotere keuzevrijheid. Bij de modernisering van de AWBZ staat een sterkere vraaggerichtheid centraal. Eveneens moet in de jeugdzorg en de kinderopvang een herdefiniëring van de rollen en de verantwoordelijkheden tot meer op het individu toegesneden zorg of opvang leiden. Ook in het sociaal beleid nemen we een complex van maatregelen en activiteiten die werkelijke participatie van burgers moeten bevorderen, ook van hen die dat minder makkelijk afgaat.

Niet alleen op het niveau van de individuele burger of zorggebruiker wil het kabinet tegemoet komen aan de behoefte van mensen om zelf invulling te geven aan hun leefsituatie. Ook op landelijk niveau vraagt de mondige burger om inspraak en eventueel om aanpassingen in het beleid. Wij stimuleren dat en doen ook in toenemende mate een beroep op patiënten- of cliëntenorganisaties bij het vormgeven van het beleid. We doen dat bijvoorbeeld bij het maken van de meerjarenafspraken op landelijk niveau, maar ook bij het regionaal toedelen van de beschikbare AWBZ-middelen en bij het ontwikkelen van de regiovisie. De bestuurlijke samenstelling van cliëntenorganisaties wisselt echter nogal eens. Daardoor kampen deze organisaties soms met een gebrek aan continuïteit in kennis. Wij vinden het daarom van groot belang deze organisaties goed te faciliteren. Om die reden hebben we het convenant met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Nederlandse Patiënten- en Consumentenfederatie ondertekend. Dit convenant beoogt een versterking van de positie van de patiënt op regionaal niveau. Begin 2001 zullen wij daar in een brief over het patiënten- en consumentenbeleid nader op ingaan.

2.3 Nederland vergeleken met andere landen

Recente publicaties van de OESO1 enWHO2 hebben het bestaan vanaanzienlijke internationale verschillen in gezondheid en zorg bevestigd. Nederland scoort daarbij op sommige onderdelen beter en op andere slechter dan landen, die in sociaal-economische opzicht redelijk met ons land vergelijkbaar zijn. De relatief langzaam toenemende levensverwachting van Nederlandse vrouwen en de enigszins stagnerende daling van onze zuigelingensterfte zijn voorbeelden van gezondheidsaspecten die om verklaring en actie vragen.

Vermijdbare sterfte wordt door veel verschillende factoren bepaald, uiteenlopend van leefstijlfactoren, sociale factoren en omgevingsfactoren tot directer aan zorggebruik gerelateerde invloeden. Bij veranderingen in de levensverwachting spelen vooral leefstijlfactoren zoals voeding, roken, alcoholgebruik en lichaamsbeweging een rol. De WHO stelt bovendien dat de gezondheid en het welzijn van mensen overal in de wereld afhangt van de kwaliteit en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg en voegt daar aan toe dat er in veel landen, ook in Nederland, nog onbenutte kansen liggen.

Enige maanden geleden analyseerde de OESO de financiering en de organisatie van onze zorg. Daarbij komt Nederland er gemiddeld goed vanaf. Wel vindt de OESO dat verzekeraars meer ruimte moeten krijgen om meer zorg te contracteren, als de wachttijden voor geïndiceerde zorg onaanvaardbaar lang blijven. In een recent verschenen rapport van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid3 over onze verzorgingsstaat werden al relevante aspecten van ons zorgstelsel vanuit een internationale sociale context besproken. Hieruit bleek ook dat Nederland in vergelijking met andere landen gunstig scoort op toegankelijkheid van het zorgstelsel en op de gezondheidssituatie in het algemeen.

De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ)4 concludeerde enige tijd geleden dat er sprake is van een sterker wordende invloed van de Europese Unie op het gebied van de gezondheidszorg, bijvoorbeeld ten aanzien van medicijnen, apparatuur en hulpmiddelen, opleidingen en arbeidsvoorwaarden. Ook dit maakt het scheppen van een helder internationaal perspectief belangrijk. Een aantal rapporten en studies – onder meer die van de OESO en de WHO vormt hiertoe een belangrijke inspiratiebron. Door vergelijkingen met andere landen wordt ons immers duidelijk wat we goed doen en wat we beter moeten gaan doen. We moeten leren van de ervaringen van omringende landen. We zijn daarom van plan om de eerdergenoemde internationaal vergelijkende rapporten naast elkaar te leggen en grondig te analyseren. Het resultaat daarvan zal rond de jaarwisseling aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Overigens bevat ook het Sociaal en Cultureel Rapport, dat in september verschijnt, veel internationale vergelijkingen die van belang zijn voor de context waarin wij ons beleid gestalte geven. De vergelijking met het buitenland geeft daarnaast aan dat volksgezondheidsbeleid en gezondheidsbevordering meer aandacht verdienen. Het accent in discussies ligt vaak sterk op voorzieningen, waarbij gemakkelijk over het hoofd wordt gezien dat met gezondheidsbescherming en -bevordering (ook) nog veel winst is te boeken. Deze beleidsagenda speelt daarop in. Voor het bevorderen van de algemene gezondheidstoestand van de bevolking neemt de invloed van goede zorgvoorzieningen enigszins af. Voor zieken, met name chronisch zieken, ouderen en gehandicapten, blijft de betekenis van een goede gezondheidszorg daarentegen onverminderd hoog.

2.4 De gevolgen van economische voorspoed

De economische groei in Nederland is nu al een aantal jaren achtereen uitzonderlijk hoog. Veel bedrijven, organisaties en instituties draaien al lange tijd «op volle toeren». Van de medewerkers wordt elke dag een grote betrokkenheid en een hoge inzet verwacht. Een goede gezondheid van de bevolking is in dat licht een belangrijke voorwaarde voor economische groei. Ook de Wereldbank deelt deze mening en getuigt van een veranderende visie op gezondheid en gezondheidszorg. Wereldwijd wordt de gezondheidszorg steeds minder gezien als een kostenpost en steeds meer als een nuttige investering. Ook in Nederland tekent zich deze omslag in het denken af. De huidige economische situatie wordt gekenmerkt door aan de ene kant een krappe arbeidsmarkt en aan de andere kant een hoog ziekteverzuim en een groot aantal arbeidsongeschikten. Gezondheidsbevordering en preventie, en zonodig goede curatieve zorg, leveren een belangrijke bijdrage aan het oplossen van deze knelpunten. Dit verklaart ook de grote belangstelling van werkgevers voor een goede, op de vraag toegesneden volksgezondheiden gezondheidszorgbeleid.

De gunstige economische omstandigheden hebben ook gevolgen voor het beleid dat het kabinet wil voeren. Zo brengt de groei van de welvaart steeds meer voorzieningen en activiteiten binnen het bereik van steeds meer mensen. In materiële zin lijken er voor velen geen belemmeringen te zijn om behoeften te bevredigen; mensen kopen wat ze willen hebben. Deze ervaringen worden ook op de overheid geprojecteerd: zodra er een behoefte aan zorg ontstaat – door ziekte, gebrek, of anderszins – eist de burger dat adequaat in die zorgbehoefte wordt voorzien. Cliënten en patiënten ervaren het ontbreken van voldoende keuzemogelijkheden steeds meer als een gebrek en burgers accepteren niet langer dat zorg niet tijdig wordt geleverd. Burgers eisen dat hun verwachtingen worden waargemaakt, of anders gezegd: burgers eisen waar voor hun (premie-)geld, desnoods bij de rechter. Ook werkgevers zoeken nieuwe wegen om snelle en adequate zorg voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers te kunnen waarborgen. Budgettaire beperkingen worden daarbij steeds minder als verklaring voor uitblijvende zorg geaccepteerd. «Er is geld op zoek naar zorg», wordt steeds vaker gehoord.

Er is echter een toenemende spanning tussen de vraag naar zorgen welzijnsdiensten en onze mogelijkheden om hieraan, op basis van de huidige collectieve financiering, tegemoet te komen. Deze spanning vraagt om beleid dat méér wordt gestuurd door de reële vraag dan door de wens om de kosten zoveel mogelijk te beperken. Anders gezegd: de kwaliteit van de capaciteit moet in overeenstemming worden gebracht met de gevraagde kwaliteit. Bewerkstelligen wij dat niet, dan dreigt de ontwikkeling van een alternatief privé-gefinancierd aanbod naast het collectief gefinancierde zorgaanbod. Tegelijkertijd blijft de doelmatigheid van de zorgverlening een cruciale voorwaarde om de uitgaven te beheersen en zodoende de essentiële zorg voor iedereen bereikbaar te houden. Dit geldt ook bij een meer door de vraag gestuurde capaciteitsontwikkeling.

De huidige economische groei heeft ook een schaduwzijde. De krapte op de arbeidsmarkt en de oplopende werkdruk voor de medewerkers in de gezondheidszorg zijn daar voorbeelden van. Pijnlijker is dat door de voor velen toegenomen welvaart het contrast tussen hen die meegroeien en degenen voor wie dat moeilijker is, scherper wordt. Een samenleving met een hoge sociale kwaliteit moet de ruimte bieden aan alle burgers om daarin een rol te spelen. Investeringen in de sociale infrastructuur, in jeugd, minderheden en achterstandswijken zijn daarom naar onze mening van groot belang. Gelukkig bieden de economische omstandigheden ook de ruimte om extra geld in te zetten om de participatie en integratie van deze mensen in de samenleving te bevorderen. Het gaat daarbij ook om het verkleinen van sociaal-economische (gezondheids)verschillen door een combinatie van direct gezondheidsbeleid en facetbeleid (onderwijs, huisvesting, milieu, leefomgeving en inkomen). Dat vereist een actieve, open opstelling naar andere beleidsterreinen en het maken van afspraken om te komen tot optimale onderlinge afstemming. Het kabinet heeft hiertoe extra geld vrijgemaakt voor onder meer vroegen voorschoolse educatie, kinderopvang, jeugdgezondheidszorg en algemeen maatschappelijk werk.

3. ACTIVITEITEN IN 2001

In deze paragraaf gaan wij nader in op onze activiteiten en voornemens in de komende jaren. In paragraaf 3.1 gaan wij in op het volksgezondheidsbeleid. Onze voornemens ten aanzien van de gezondheidszorg bespreken wij in paragraaf 3.2. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de informatievoorziening, technologische ontwikkelingen en het arbeidsmarktbeleid. Ten slotte worden in paragraaf 3.3 onze voornemens voor het welzijnsbeleid beschreven.

3.1 Volksgezondheid: naar een gezondere bevolking

De onderwerpen waar VWS voor staat, raken alle inwoners van ons land. Gezondheid staat bij hen hoog op de agenda. Een goede gezondheid is van vele factoren afhankelijk, erfelijke factoren, maar ook gedrags- en sociale factoren. In een goed volksgezondheidsbeleid is aandacht voor al deze factoren afzonderlijk en in hun onderling verband van belang. Onvermijdelijk is dat mensen ondanks dit beleid toch op zorgvoorzieningen zijn aangewezen. De aandacht daarvoor lijkt wel eens de aandacht voor volksgezondheid in het algemeen te overschaduwen. In deze beleidsagenda wordt mede daarom het onderscheid nog eens extra belicht. Eerst bespreken we het volksgezondheidsbeleid, te weten het beleid gericht op het bevorderen van de algemene gezondheidstoestand, het bevorderen van gezond gedrag, het wegnemen of terugdringen van gezondheidsbedreigende factoren en het waar mogelijk beschermen tegen schadelijke invloeden. Daarbij hanteren we twee uitgangspunten: het behouden van reeds behaalde gezondheidswinst en het versterken van de aandacht voor gebieden met de grootste nog te behalen gezondheidswinst.

Eerst enkele kenmerken van preventie en gezondheidsbevordering: preventie-maatregelen komen niet altijd op basis van een specifieke vraag tot stand. Zij zijn niet voor elk individu even effectief, maar voor de bevolking als geheel leveren zij een grote gezondheidswinst op. Voorts is preventie per Qaly (Quality adjusted life year) relatief goedkoop. In het gezondheidszorgbeleid gaat het vervolgens om de kwaliteit, kwantiteit en financiering van de zorgvoorzieningen.

Een goede volksgezondheid is om individuele, sociale, en economische redenen van belang. Wat de laatste betreft, geldt dat het behouden en bevorderen van de gezondheid van werkenden een gedeelde verantwoordelijkheid is van de overheid, werkgevers, werknemers, arbodiensten en de preventieve en curatieve gezondheidszorg. We streven naar een verdere integratie van preventie, begeleiding, behandeling en reïntegratie van (zieke) werknemers. Daarbij richten we ons op de volgende activiteiten: het verbeteren van de samenwerking tussen de arbosector en de preventieve en curatieve zorgsector; op een toegankelijke kennisinfrastructuur; op een verdere professionalisering van de bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde; op het versterken van de positie van chronisch zieken en arbeidsgehandicapten op de arbeidsmarkt; en op het stimuleren van gezondheidsbevordering op de werkplek.

Er is vaak een relatie tussen ziekteverzuim en psychische aandoeningen. Maar er is nog weinig bekend over preventie, zorg, begeleiding en reïntegratie bij ziekte of uitval uit arbeid om psychische redenen. Daarom hebben we, samen met staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid – onder leiding van mr. J.P.H. Donner – ingesteld. Deze commissie analyseert dit vraagstuk en zorgt ervoor dat betrokken partijen afspraken voor verbetering maken. Een eerste analyse van de problematiek is inmiddels verschenen. De commissie werkt intussen met alle betrokkenen verder aan meerjarenafspraken op dit terrein.

Uit internationaal vergelijkende studies blijkt dat er grote verschillen in de levensverwachting van de bevolking tussen landen zijn, maar ook binnen landen. Zo blijkt uit nationale studies dat er in Nederland nog steeds relatief grote sociaal-economische gezondheidsverschillen zijn. Mensen met een lage opleiding leven gemiddeld 3,5 jaar korter dan mensen met een hogere opleiding. Bovendien brengen laagopgeleiden bijna twaalf jaar minder door in goede gezondheid dan hoger opgeleiden. In bepaalde wijken van grote steden concentreren zich groepen met een gezondheidsachterstand. Met name bij allochtonen is deze concentratie zichtbaar. Voor de Volksgezondheidstoekomst Verkenningen (VTV 2002) wordt de gezondheid van de bevolking in de grote steden in kaart gebracht. Tevens gaan we na op welke wijze gezondheidsbeleid een plaats kan krijgen in het grotestedenbeleid. Eerder, in het najaar van 2000, zal de Commissie Albeda ons adviseren hoe we de verschillen in gezondheid tussen sociaal-economische klassen kunnen verkleinen. Daarbij gaat het niet alleen om VWS-beleid, maar vooral om zaken als onderwijs, werk, inkomen en woon- en leefomgeving.

De grote verschillen geven aan hoe belangrijk het is om gezond gedrag te stimuleren. Daarbij gaat het om meer bewegen, niet roken, matig alcoholgebruik, veilig vrijen, gezonde voeding en veiligheid in en rond het huis.

De hoeveelheid lichaamsbeweging neemt met name bij jongeren tussen de twaalf en de achttien drastisch af. Terwijl bewezen is dat beweging goed is voor lijf en leden, voldoet slechts 30% van de Nederlandse bevolking aan de norm van vijf keer per week minstens dertig minuten matig intensieve activiteiten. Wij willen een campagne starten om bewegen te stimuleren. Ook met het project Jeugd in Beweging hopen wij jongeren te stimuleren meer en blijvend sportactiviteiten te ontplooien. Overigens ondernemen ook gemeenten, op basis van de Breedtesportregeling, activiteiten om jeugdigen aan te sporen tot meer bewegen. Al met al willen we bereiken dat een aanzienlijk hoger percentage aan de genoemde norm voldoet; in 2004 zou dat circa 40% moeten zijn.

Een belangrijke oorzaak van de relatief niet sterk stijgende levensverwachting is het roken. We ondervinden nu de gevolgen van het grote tabaksgebruik in het verleden. Het tabaksgebruik is gelukkig wel iets afgenomen, maar met name onder vrouwen en jongeren is weer sprake van een stijging. Die zal onvermijdelijk leiden tot een scherpe stijging van aan roken gerelateerde kwalen, zoals hart- en vaatziekten, longkanker en andere luchtwegziekten.

In het regeerakkoord is een intensivering van het tabaksontmoedigingsbeleid afgesproken. Inmiddels is een voorstel tot wijziging van de Tabakswet gereed voor behandeling in de Tweede Kamer. Met deze wijziging kan een wezenlijke stap worden gezet ter bescherming van niet-rokers en preventie onder de jeugd. Het kabinet komt binnenkort met een tweede wijzigingsvoorstel van de Tabakswet (reclamebeperking als invulling van EU-regelgeving). Komend voorjaar sturen wij de Tweede Kamer de Tabaksnota II waarin alle beleidsinstrumenten aan de orde komen, aangevuld met alternatieve maatregelen. In het bijzonder voorlichting en preventie en het bevorderen van stoppen met roken krijgen daarbij onze aandacht. Ons doel is om het aantal rokers te reduceren van 34% naar 28% in 2004. Daarbij gaat onze aandacht vooral uit naar reductie bij jongeren; één op de twee achttienjarigen rookt namelijk.

Ook het tegengaan van overmatig alcoholgebruik is een van de prioriteiten uit het regeerakkoord. Circa 85% van de volwassen bevolking gebruikt alcohol; 9% behoort tot de probleemdrinkers. Onlangs is de Drank- en Horecawet aangescherpt met enkele matigingsbepalingen. De gewijzigde wet zal naar verwachting dit najaar ingaan. Verder is het NIGZ op ons verzoek gestart met twee campagnes om alcoholmisbruik onder jongeren te beperken. Bovendien is via Postbus 51 een massamediale voorlichtingscampagne gevoerd, gericht op volwassenen. Eind 2000 zal een nieuwe integrale Alcoholnota aan de Tweede Kamer worden aangeboden. In deze nota zullen alle beleidsinstrumenten van het alcoholmatigingsbeleid aan de orde komen.

De individuele burger kan veel doen op het gebied van veiligheid. Het bevorderen van veilig vrijen, waaronder het promoten van condoomgebruik, is van belang voor de preventie van SOA. Landelijk wordt hier aandacht aan besteed via massamediale voorlichting. Daarnaast vinden regionale activiteiten plaats. Doelstelling is om het veilig vrijen bij wisselende seksuele contacten te bevorderen van 73% in 1999 tot 77% in 2002. Dit geldt zowel voor Nederlanders van allochtone als autochtone afkomst.

In de privé-sfeer en tijdens sportbeoefening gebeuren veel ongevallen. Het aantal ongevallen dat bij kinderen en ouderen tot ziekenhuisbehandeling leidde, is de afgelopen jaren met 15% gestegen. Dit aantal mag niet verder stijgen.

Voor iedere burger is gezonde voeding een belangrijke factor om gezondheid te behouden en te bevorderen. Dit betreft zowel de samenstelling van de maaltijd als de kwaliteit van de producten zelf. De samenleving verwacht van de overheid dat zij toeziet op de kwaliteit en de veiligheid van het voedsel. De dreiging van incidenten versterkt deze verwachting alleen maar. Het is onze verantwoordelijkheid de burger de veiligheid van producten te garanderen. Met onze collega's van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) werken wij aan een kadernota Voedselveiligheid. Daarin komt onder meer de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en bedrijfsleven en het stroomlijnen van de controle op levensmiddelen aan de orde. We sturen de Tweede Kamer deze nota begin 2001 toe. Ook onderzoeken we samen met LNV de realisatie van één voedselcontrolebureau. In dit kader vindt tevens een analyse van hiaten in de wet- en regelgeving plaats. De kadernota is bepalend voor de Nederlandse inbreng in Brussel bij de bespreking van het Witboek voedselveiligheid.

Wat betreft de samenstelling van de maaltijd geldt dat een toenemend aantal Nederlanders geconfronteerd wordt met de gevolgen van een slecht voedings- en bewegingspatroon. Deze gevolgen kennen twee uitersten. Aan de ene kant lijdt een groeiend aantal mensen aan obesitas. 40% van de Nederlanders boven de twintig jaar is te zwaar. Bij 9% is er zelfs sprake van ernstig overgewicht. Als we nu niets doen, lijdt over dertig jaar een meerderheid van de bevolking aan overgewicht, met alle gezondheidsproblemen van dien. Aan de andere kant lijdt een toenemend aantal mensen in Nederland, met name ouderen, aan ondervoeding. Bij niet-poliklinische ziekenhuisingrepen leidt dit bijvoorbeeld tot langere opnames. Gezond eten, dat wil zeggen minder vet eten, en voor ouderen vooral een rijker dieet, moet dan ook worden gestimuleerd. In de nota «Nederland: Goed gevoed», die we naar de Tweede Kamer hebben gestuurd, schetsen we de maatregelen op dit terrein.

 
Resumerend:NuStreefcijferTermijn
 CircaCirca 
Voldoende bewegen30%40%2004
Roken34%28%2004
Probleemdrinkers9%8%2004
Veilig vrijen73%77%2002
Ongevallen (in aantallen)1,1 mln1,1 mln2002
Te vet eten (verzadigd vetiname)14%12%2002

Voor een goed volksgezondheidsbeleid is de openbare gezondheidszorg van groot belang. Het accent ligt daarbij op het lokale en regionale niveau. Door uitvoering van de adviezen van de Commissie Lemstra wordt hieraan een belangrijke impuls gegeven. Het verhogen van de kwaliteit en slagvaardigheid van GGD-en krijgt hierbij de nodige aandacht. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) vormt in de openbare gezondheidszorg een belangrijk element. Een gedegen JGZ draagt bij aan de algehele volksgezondheid. Het kabinet streeft ernaar de huidige verschillen in invulling van de zorg voor onze jeugd te overbruggen en één toegankelijk systeem te ontwerpen, waarvoor de verantwoordelijkheid op gemeentelijk niveau komt te liggen. In dit gemoderniseerde stelsel schrijft de rijksoverheid voor welke activiteiten onder regie van de gemeenten verplicht moeten worden aangeboden in het kader van de JGZ. Het gemoderniseerde JGZ-stelsel zal worden verankerd in de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv).

Bijzondere aandacht in ons volksgezondheidsbeleid gaat uit naar het bestrijden van infectieziekten. De afgelopen tijd hebben zich diverse incidenten voorgedaan. De legionella-besmettingen staan nog vers in het geheugen. Aan de ene kant maken deze incidenten duidelijk dat infectieziekten niet overwonnen zijn, maar een reële bedreiging blijven vormen. Aan de andere kant laten deze gebeurtenissen zien dat – bij de bestrijding van infectieziekten – de verantwoordelijkheden van internationale organisaties, de landelijke en de lokale overheid beter kunnen en moeten worden afgebakend. In 2001 komt het kabinet met een nota over dit onderwerp. Hierin zullen ook de prioriteiten op het gebied van vaccinatie aan de orde worden gesteld.

3.2 Gezondheidszorg: verzorging, behandeling en genezing

Bij gezondheidszorg gaat het niet om de bevordering van de algemene gezondheidstoestand, maar om het geheel van voorzieningen dat nodig is als iemand zorg nodig heeft. Een van onze hoofddoelstellingen is en blijft een adequaat stelsel van zorgvoorzieningen. Wij willen burgers tijdig die zorg en diensten verlenen waarvoor zij verzekerd zijn en waarop zij recht hebben. Voldoende capaciteit en keuzemogelijkheid zijn daarbij centrale begrippen, gekoppeld aan optimale doelmatigheid. Op de langere termijn vereist dit een gewijzigde inrichting van ons zorgstelsel (zie ook paragraaf 4 en hoofdstuk 1 van de Zorgnota 2001).

Een van de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren betreft de veranderende rol van de patiënt die, terecht, steeds meer het karakter krijgt van cliënt of kritische consument. Deze ontwikkeling heeft grote, overwegend positieve consequenties en die willen wij dan ook stimuleren.

Het is onze ambitie om aan het eind van deze kabinetsperiode een forse stap te hebben gezet op weg naar aanvaardbare wachttijden, zowel in de care (verpleging en verzorging, gehandicaptenzorg, GGZ) als in de cure (ziekenhuizen, medisch specialisten). Wij stellen hier veel extra middelen voor beschikbaar. Naast de eerder in het regeerakkoord gereserveerde middelen voor de reductie van de wachtlijsten komt in 2001 voor de curesectoren structureel f 364 miljoen extra beschikbaar; voor de caresectoren is dat f 259 miljoen extra in 2001 en f 275 miljoen vanaf 2002.

Wachttijden – levertijden – zijn de resultante van enerzijds de vraag naar en anderzijds de beschikbare capaciteit van voorzieningen. Beide factoren zijn complexe grootheden waarvoor geldt dat de beschikbare informatie vaak (nog) niet adequaat is. Wat de vraag – de behoefte – betreft, is in de sector verpleging en verzorging inmiddels een grote slag gemaakt door het opschonen van de wachtlijsten. Wij hebben daardoor nu een betrouwbaar, zij het verontrustend, beeld van de situatie. Eenzelfde opschoningsactie gaan wij dit najaar maken voor de gehandicaptensector respectievelijk de GGZ. In het kader van het Treekoverleg zijn de zorgverzekeraars en zorgaanbieders streefnormen voor acceptabele wachttijden overeengekomen. In het najaar zullen zij hierover in overleg treden met de zorgvragers. Gelijktijdig wordt door ons bezien hoe deze overeengekomen streefnormen input kunnen vormen voor een wettelijke verankering van redelijke levertijden in de care.

Voor de capaciteitsvergroting in de verpleging en verzorging is in het regeerakkoord veel extra geld vrijgemaakt. Bovenop dat bedrag is inmiddels opnieuw extra geld ter beschikking gekomen, zodat de wachtlijsten verder kunnen worden gereduceerd. Daarnaast speelt de Taskforce wachtlijsten een belangrijke rol bij het stimuleren van alternatieve wegen om tot extra zorg te komen voor de drie genoemde sectoren. Tot slot hebben wij in de plannen van aanpak wachtlijsten voor zowel de sector gehandicapten als de sector verpleging en verzorging – en binnenkort ook voor de GGZ – een«totaalpakket» aan maatregelen benoemd waarmee wij de wachttijden uiteindelijk tot een acceptabel niveau willen terugbrengen.

De verantwoordelijkheid voor een goede aansluiting van vraag naar en aanbod van zorg in de regio en daarmee de aanpak van de wachtlijsten ligt bij het zorgkantoor. Om de toebedeelde verantwoordelijkheid naar behoren te kunnen uitvoeren is een versterking van de zorgkantoren noodzakelijk. Hiervoor worden extra middelen beschikbaar gesteld. Om de kwaliteit van het proces van indicatiestelling te verbeteren zal er worden geïnvesteerd in de indicatieorganen. Vanaf 2001 is er structureel f 20 miljoen beschikbaar gesteld voor een verbetering van de kwaliteit in de indicatiestelling. In het jaar 2000 zullen incidenteel extra middelen ingezet worden voor een herindicatie-operatie in het kader van de wachtlijstaanpak en voor het oplossen van een aantal knelpunten.

In de curatieve sector zijn inmiddels ook diverse stappen gezet om tot een betere informatievoorziening te komen. Er is voor ziekenhuizen een uniform registratiesysteem van wachtlijsten en wachttijden ontwikkeld. Ook maken ziekenhuizen hun wachttijden bekend op Internet. De uitvoering hiervan behoeft overigens nog wel verbetering, hoewel niet te voorkomen is dat indicatiecriteria die medisch specialisten hanteren enig verschil zullen blijven vertonen.

De vraag naar medisch specialistische hulp blijft groeien. Een van de oorzaken hiervan is dat operatieve ingrepen tot op steeds hogere leeftijd kunnen worden verricht. Het gaat dan vaak om ingrepen die de persoon in kwestie langer zelfredzaam maken, zoals vervanging van heup- en kniegewrichten. Zulke ingrepen leiden tot besparingen in verpleging en verzorging en zijn om die reden ook toe te juichen. Mede als gevolg van deze ontwikkeling is er echter nog steeds een duidelijke spanning tussen aanbod en vraag in de curatieve zorgsector. Het plan van aanpak van het Platform wachttijden is erop gericht om deze spanning sterk te verminderen: de eerste effecten zijn inmiddels zichtbaar. Maar daarnaast vraagt ook het structurele capaciteitstekort om een oplossing. Wij hebben daartoe f 150 miljoen vrij gemaakt opdat het aantal medisch specialistenplaatsen kan worden uitgebreid. Daarnaast stellen wij f 150 miljoen beschikbaar ten behoeve van de ziekenhuiszorg in brede zin. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het overbruggen van de zogenoemde zorgkloof en kan ook feitelijk gewerkt gaan worden aan een verkorting van de wachttijden.

De capaciteit binnen de huisarts- en ziekenhuiszorg wordt niet alleen bepaald door de financiële ruimte, maar ook door de beschikbaarheid van mensen. De wens van steeds meer mensen om parttime te werken èn de krapte op de arbeidsmarkt werken belemmerend op het uitbreiden van de capaciteit. De aantrekkelijkheid en doelmatigheid in de curatieve sector kan door diverse maatregelen worden versterkt. Wij denken daarbij niet alleen aan een verbetering van de secundaire arbeidsvoorwaarden (verloffaciliteiten, kinderopvang, buitenschoolse opvang en een flexibele vorm van 24-uurs opvang), maar ook aan nieuwe functies voor verpleegkundigen (praktijkverpleegkundige, nurse practitioner), aan een verkorting van de opleiding tot basisarts èn tot medisch specialist en aan de invoering van de functie ziekenhuisarts. Hierover wordt momenteel overleg gevoerd door de betrokken instanties. Eerst na advisering door het Capaciteitsorgaan in 2001 zullen wij hierover rapporteren.

Het verbeteren en moderniseren van de (logistieke) organisatie van de zorgverlening draagt ook bij aan het oplossen van de genoemde spanning tussen vraag en aanbod. De diverse zorgvormen dienen optimaal op elkaar te worden afgestemd om een snellere behandeling en doorstroming van patiënten mogelijk te maken, maar ook om behandeling en verzorging dichter bij huis of zelfs thuis te realiseren. Wat betreft de ziekenhuissector maken we met de versnelling van de invoering van een systeem van producttypering een eerste stap op weg naar meer transparantie. Dit jaar moet er zicht komen op de inhoudelijke belemmeringen om tot invoering over te gaan; tegelijkertijd willen we duidelijkheid creëren over de invoeringsdatum van het nieuwe bekostigingssysteem. Maar ook andere ontwikkelingen, zoals die naar het geïntegreerd medisch-specialistisch bedrijf en de vorming van samenwerkingsverbanden in de eerste lijn dragen bij aan een verdere verbetering van de organisatie van de zorgverlening. Dat alles met het doel om de zorgvrager te omringen met kwalitatief hoogstaande zorg, geleverd door een efficiënt en kostenbewust netwerk van zorgaanbieders.

In de GGZ concentreren wij ons naast de aanpak van de wachtlijsten op de versterking van de eerstelijnszorg, waar het grootste deel van de mensen die kampen met psychische en psychosociale problemen wordt opgevangen. De behoefte aan en de vraag naar GGZ neemt toe en wijzigt als gevolg van demografische en maatschappelijke ontwikkelingen. Wij hebben de Commissie Kuypers gevraagd een analyse uit te voeren naar de oorzaken die leiden tot de groeiende hulpvraag in de GGZ. De commissie zal ook aanbevelingen doen over de wijze waarop wij de geestelijke volksgezondheid kunnen verbeteren. De commissie brengt begin 2001 een eindrapportage uit.

Het versterken van de eerstelijnszorg vullen wij in door het vergroten van de capaciteit en de toegankelijkheid, het verbeteren van de samenwerking en het bevorderen van de deskundigheid en kwaliteit. In lijn met de motie Melkert c.s1 wordt momenteel gewerkt aan de versterking van de eerstelijns psychische zorg. Inmiddels is aan circa 500 gemeenten een uitkering van in totaal f 25 miljoen verstrekt voor de uitbreiding van het maatschappelijk werk. Deze gemeenten stellen – conform de voorwaarden in de Stimuleringsregeling AMW – ook eigen middelen beschikbaar en geven daarmee invulling aan de afspraak in het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS). De resterende f 15 miljoen zetten wij in om de samenwerking tussen de eerstelijnspartijen te versterken. Het onderzoek naar de (financiële) toegankelijkheid van eerstelijns psychologen wordt in december 2000 afgerond. De resultaten hiervan zullen wij betrekken bij onze standpuntbepaling over de hulp door eerstelijns psychologen in het verzekeringsstelsel. Ten slotte zullen wij dit jaar beslissen over de aard en vorm van de consultatie van de gespecialiseerde GGZ door de beroepsgroepen uit de eerste lijn.

Kenmerkend voor de hierboven genoemde ontwikkelingen in de verschillende sectoren is dat de zorgverzekeraars een steeds grotere verantwoordelijkheid voor de (regionale) toedeling van de middelen zullen krijgen. Het Rijk houdt vanzelfsprekend wel de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de wettelijke kaders en de verdeling van de middelen over de diverse sectoren.

3.2.1 Informatievoorziening

De zorg kan worden getypeerd als een informatieverwerkend systeem. Informatie is immers een onmisbaar element in het zorgproces. Het is daarom opvallend dat informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de zorg vooralsnog een relatief bescheiden plaats in neemt. Naar verwachting zal dat de komende jaren fors veranderen. Omdat dit ook de zorg ten goede zal komen, stimuleren wij dat met grote kracht. Een voorbeeld van een toepassing van ICT in de zorg is de oprichting van het Hulpmiddelen Informatie Centrum (HIC). Het HIC wordt een kenniscentrum vóór en dóór het veld en is bedoeld om de transparantie in de hulpmiddelensector te vergroten en de vraagzijde te versterken.

Het verbeteren van de zorgkwaliteit wordt ook bevorderd door een – ongeacht tijd en plaats – toegankelijk elektronisch patiëntendossier (EPD) en een toenemend gebruik van elektronische informatievoorziening en consultatie. Daarnaast biedt een brede toepassing van ICT in de zorg mogelijkheden om beter zicht te krijgen op de beschikbare capaciteit en om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Bij de aanpak van de wachtlijstenproblematiek willen wij deze mogelijkheden ten volle benutten.

Het ICT-platform voor de zorg (IPZ) is, onder leiding van de heer L.C. Brinkman, de afgelopen tijd meer en meer gaan fungeren als een bestuurlijk afstemmingsoverleg tussen de vele initiatieven die op dit terrein zijn ontstaan.

Hoewel het IPZ is opgezet in het kader van de meerjarenafspraken voor de cure, vindt geleidelijk aan een verbreding plaats naar de care-sectoren. Zo is kort geleden bijvoorbeeld de Landelijke Vereniging van Thuiszorg tot het IPZ toegetreden. Het is een ontwikkeling die wij van harte ondersteunen. In het IPZ is het afgelopen jaar overeenstemming bereikt over de wijze waarop het EPD breed in de gezondheidszorg kan worden ingevoerd.

Ook het kabinet onderschrijft het belang van het toepassen van ICT in de zorg en heeft besloten hiervoor extra geld uit te trekken: twee keer f 110 miljoen, in 2000 en 2001. Met deze middelen wordt een injectie gegeven aan een aantal voorwaardenscheppende zaken, zoals standaardisatie en infrastructuur. De sterke versnippering, die tot dusver een kenmerk is van ICT in de zorg, zal door gerichte investeringen plaats maken voor een kader waarin deelactiviteiten elkaar kunnen versterken. Een betrouwbare informatievoorziening is ook een cruciale voorwaarde voor het afleggen van verantwoording door de sector over de besteding van publieke middelen.

3.2.2 Technologie: mag alles wat kan?

De effecten van de voortschrijdende technologisering gaan veel verder dan toepassingen van ICT in de zorg; in feite is technologie niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Sommige technologische innovaties stuiten echter op maatschappelijke weerstand. Niet altijd is datgene wat kán, ook zonder meer gewenst. Het kabinet hecht eraan het maatschappelijk debat over waarden en normen zorgvuldig te voeren. Niet alleen om inzicht te krijgen in de maatschappelijke issues, maar ook om te zoeken naar draagvlak voor keuzes, bijvoorbeeld op het gebied van medische ethiek.

Het terrein van de medische ethiek heeft zich de afgelopen decennia aanzienlijk verbreed. Ontwikkelingen op het gebied van de genetica zullen naar verwachting binnen afzienbare tijd gevolgen hebben voor de gezondheidszorg en voor de positie van patiënt en consument. Wij achten het van belang dat de implicaties en de reikwijdte van die ontwikkelingen tijdig worden onderkend, zodat waar nodig maatregelen kunnen worden getroffen om die ontwikkelingen in goede banen te leiden. Daarom sturen wij dit najaar een beleidsnota over de toepassing van genetica in de gezondheidszorg naar de Tweede Kamer.

Ethiek wordt ook steeds meer herkend als een integraal onderdeel van individuele zorg. In de dagelijkse praktijk komen met name bij chronisch zieken en wilsonbekwame patiënten situaties voor waarbij waarden en normen in het geding zijn. Het herkennen van dergelijke situaties en het ontwikkelen van handvatten om hier op een goede manier mee te leren omgaan, is een belangrijk onderwerp van studie en onderzoek van de zorgethische stroming binnen de medische ethiek. Wij hechten veel belang aan verder onderzoek op dit gebied om de kwaliteit van de hulpverlening te verbeteren. Daarom faciliteren wij het NWO-onderzoekprogramma «Ethiek en Beleid» en hebben wij de RVZ gevraagd een advies uit te brengen. Dit advies is inmiddels verschenen, ons standpunt bereikte de Tweede Kamer in april.1

Het komende begrotingsjaar zal het kabinet een aantal belangrijke wetsvoorstellen uitbrengen: het Wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryo's, het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal en een Tijdelijk verbod Xenotransplantatie. Van het Wetsvoorstel toetsing levensbeëindigend handelen op verzoek en hulp bij zelfdoding ontving de Tweede Kamer in juli de nota naar aanleiding van het Verslag.

Ook biotechnologie vergt veel aandacht. Enerzijds dienen de kansen van innovatieve ontwikkelingen in de geneeskunde verhelderd te worden, anderzijds moet aan de ethische aspecten aandacht geschonken worden. Zulke aspecten zijn bijvoorbeeld aan de orde bij kiembaangentherapie en bij xenotransplantatie. Ook de productie van genetisch gemodificeerde levensmiddelen is onderwerp van dit debat. Ten aanzien van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's) in de voeding gelden als uitgangspunten van het beleid dat deze veilig moeten zijn voor de consument en dat de consument door voldoende etikettering ook werkelijk een keuzemogelijkheid heeft. Het kabinet zendt de Integrale Nota Biotechnologie met de Prinsjesdagstukken naar de Tweede Kamer.

3.2.3 Arbeidsmarktbeleid

Zorgverlening is mensenwerk: de kwaliteit van zorg wordt bepaald door de kwaliteit van de hulpverleners. Voor het goed functioneren van de zorg- en de welzijnssector is het dan ook van groot belang om voldoende gemotiveerde mensen aan te trekken en te behouden. Dit vergt ook de komende jaren extra aandacht. Samen met de sociale partners zullen wij de nodige stappen zetten binnen het algemene arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid. Daarbij moeten gerichte maatregelen worden getroffen om de verwachte arbeidsmarkttekorten in onze sectoren tegen te gaan. Die tekorten manifesteren zich met name bij de verzorgenden (niveau 3) en helpenden in de thuiszorg, verpleeg- en verzorgingshuizen. Daarnaast zijn er voortdurende zorgen over vraag en aanbod van sommige categorieën van gespecialiseerd personeel, waar relatief kleine fluctuaties toch gevoelig kunnen uitwerken. Een goede monitoring en analyse is essentieel en de overheid heeft hierin een verantwoordelijkheid. Gericht beleid kan ook betrekking hebben op prikkels om mensen te stimuleren om in de zorg te gaan werken. Het gaat natuurlijk altijd om zaken waar het management van de instellingen in eerste instantie verantwoordelijk voor is, doch wij willen dat wel stimuleren: personeelsbeleid speelt zich af op instellingsniveau, maar de rijksoverheid schept daartoe voorwaarden. In het meerjarig convenant en de daarvan afgeleide jaarplannen zijn de afgelopen periode initiatieven ontplooid om voldoende personeel aan te kunnen trekken en te behouden. De sectorfondsen geven uitvoering aan deze plannen. Voor het komende jaar hebben wij hiertoe f 94 miljoen extra beschikbaar gesteld. Deze middelen zullen we in overleg met onze partners inzetten met het oog op het verminderen van het ziekteverzuim, maar bijvoorbeeld ook om het volgen van cursussen en opleidingen te stimuleren, opdat personeel voor de sector behouden blijft. Een groot deel zal via de Kaderregeling Arbo- en verzuimbeleid de instellingen bereiken.

Daarnaast hebben wij voor enkele beroepsgroepen extra geld vrijgemaakt om meer mensen te kunnen aantrekken en op te leiden, zoals bij de huisartsen (waar het aantal opleidingsplaatsen wordt uitgebreid tot 456 opleidingsplaatsen in 2004) en verloskundigen (waar een uitbreiding plaatsvindt tot 160 opleidingsplaatsen in 2001). Schaarste aan bepaalde beroepsbeoefenaren kan ook nog op andere wijze worden bestreden, namelijk door taken over te dragen naar andere beroepsbeoefenaren met een kortere opleiding. Goede voorbeelden hiervan zijn al te vinden in de oogzorg en de mondzorg. Soortgelijke ontwikkelingen zullen ook op andere terreinen worden gestimuleerd.

De zorg is en blijft een aantrekkelijke sector om in te werken. Met de beeldvormings- en wervingscampagnes die wij faciliteren wordt duidelijk gemaakt dat zorgberoepen volop appelleren aan moderne waarden zoals professionaliteit en verantwoordelijkheid.

3.3 Sociale kwaliteit

Eerder gaven wij aan dat een gezonde samenleving een eerste vereiste is voor een vitale economie. De Nederlandse economie presteert goed en is zeer vitaal, maar er staan (te) veel mensen als toeschouwer aan de zijlijn. Economische zelfstandigheid, solidariteit, sociale redzaamheid en actieve deelname aan maatschappelijke processen zijn belangrijke indicatoren van de sociale kwaliteit van de samenleving. Het is van belang dat de sectoren welzijn, waaronder maatschappelijke opvang, en zorg in al hun verscheidenheid een onderling goed afgestemde bijdrage leveren aan het streven naar versterking van de sociale infrastructuur. Het gaat hierbij ook, en misschien wel vooral, om het samenspel met andere sectoren zoals wonen, onderwijs, werk, sport, milieu en veiligheid. Hieronder gaan wij in op de prioriteiten voor het komende jaar.

In de wereld om ons heen is veel gereguleerd en geprofessionaliseerd. Juist in dat licht geeft de deelname aan vrijwilligerswerk een beeld van de solidariteit en de betrokkenheid van burgers bij de samenleving. Het werk van vrijwilligers staat echter onder druk. Dat komt onder meer door de situatie op de arbeidsmarkt, concurrerende mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding en de kwaliteitseisen waaraan diensten en producten moeten voldoen. Begin dit jaar hebben wij de Tweede Kamer het Plan van Aanpak vrijwilligerswerk toegezonden1. Met betrokkenen, landelijke vrijwilligersorganisaties, VNG en IPO hebben wij vastgesteld dat de vrijwilliger en zijn wensen en mogelijkheden het uitgangspunt voor het beleid moet vormen. Daarnaast moeten onze inspanningen de komende tijd gericht worden op het werven van nieuwe vrijwilligers, ook uit groepen die minder bekend zijn met het verrichten van vrijwilligerswerk. Bovendien besteden we extra aandacht aan de informatievoorziening aan vrijwilligersorganisaties, aan scholing en training van vrijwilligers en aan een professionele ondersteuning van vrijwilligers. Het komend jaar, het Internationale jaar van vrijwilligers, biedt een goede gelegenheid om de vrijwilligers en hun werkzaamheden in de schijnwerpers te zetten.

Vorig jaar is het kabinet in het kader van BANS met de provincies en gemeenten overeengekomen te streven naar een sluitend stelsel van voorzieningen voor de jeugd van nul tot zes jaar. Samen met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werken wij aan een verdere invulling van dit akkoord. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor de capaciteit en kwaliteit van het peuterspeelzaalwerk, voor taal- en achterstandsprogramma's en voor de consultatiebureaus. Om extra inspanningen te kunnen leveren in het kader van het (maatwerkdeel van het) basispakket Jeugdgezondheidszorg wordt aan de consultatiebureaus f 35 miljoen beschikbaar gesteld.

Het belang van kinderopvang voor de ontwikkeling van het kind is, naast het arbeidsmarktperspectief voor de ouders, een van de redenen waarom het kabinet in kinderopvang investeert. Het kabinet heeft bij het regeerakkoord ingezet op een verdubbeling van de capaciteit aan kinderopvangplaatsen. In september 1999 is de uitbreidingsregeling in werking getreden. Deze regeling is gericht op uitbreiding, te realiseren door gemeenten. Op dit moment is duidelijk dat vrijwel alle gemeenten hieraan meedoen. Wij hebben besloten de voorgenomen rijksbijdrage aan deze uitbreiding van f 250 miljoen eerder beschikbaar te stellen, waardoor gemeenten versneld kunnen investeren in opvangplaatsen. Voorwaarde om extra geld te ontvangen, is dat gemeenten daadwerkelijk in staat zijn de extra uitbreiding te realiseren. Voor de langere termijn is voorzien in de Wet Basisvoorziening Kinderopvang. Hierin worden de bestuurlijke verantwoordelijkheden, de financiële systematiek en de basiskwaliteitseisen neergelegd. De Tweede Kamer heeft afgelopen zomer een nota ontvangen waarin het kabinet de hoofdlijnen van deze wet schetst1.

Bij groepen die een minder goede toegang tot maatschappelijke hulpbronnen hebben of minder vanzelfsprekend gebruik maken van de activiteiten en voorzieningen die reeds worden aangeboden zijn de risico's voor de gezondheid en voor de sociale cohesie groter dan bij andere groepen. Het is een kerntaak van de overheid om dit soort achterstanden te voorkomen of weg te werken. Dat kan, bijvoorbeeld door het voeren van een actief inburgeringsbeleid voor nieuwkomers op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers. Hierbij doen zich echter nog knelpunten voor met betrekking tot de deelname aan inburgeringscursussen en de lokale regievoering. Momenteel beziet de task force «Inburgering» hoe deze knelpunten zo mogelijk opgelost kunnen worden. Op basis van de bevindingen van deze task force willen wij, samen met de ministers van Grote Steden- en Integratiebeleid, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de uitvoering van het inburgeringsbeleid fors verbeteren. Daarnaast gaat onze aandacht uit naar zogeheten «oudkomers» die minder makkelijk mee kunnen doen door achterstanden op het gebied van taalkennis en sociale vaardigheden.

Om volwaardige deelname aan de samenleving en verantwoordelijk burgerschap van leden van etnische minderheden inhoud te geven is een gelijke toegang tot maatschappelijke hulpbronnen als werk, opleiding, zorg en maatschappelijke dienstverlening, vereist. Dit vraagt in algemene zin aandacht van de zorg- en welzijnssector voor de veranderende verschillen tussen groepen van mensen. Meer specifiek zullen we in 2001 activiteiten ontwikkelen voor oudere migranten, vluchtelingen en asielzoekers. Verder zullen wij bezien hoe we kunnen inspelen op de specifieke zorgbehoefte van etnische minderheden. De RVZ adviseerde onlangs de toegankelijkheid en kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg beter af te stemmen op de zorgvraag van een toenemend aantal allochtone patiënten en cliënten. Vooral in de GGZ, de eerstelijnszorg (met name de huisartsenzorg), de (verstandelijk) gehandicaptenzorg en de ouderenzorg worden de verschillen tussen de vraag en het bestaande aanbod duidelijk. Komend jaar zullen we samen met de zorgaanbieders het belangwekkende advies van de RVZ vertalen in concrete maatregelen.

De zorg voor mensen met een ernstige handicap is sterk in ontwikkeling. Het traditionele institutionele zorgaanbod maakt steeds meer plaats voor geheel nieuwe zorgarrangementen die het wonen in de lokale samenleving en deelname daaraan mogelijk maken; in casu (vormen van) community care. Daarbij is het van essentieel belang dat algemene organisaties die op het terrein van huisvesting, arbeid, onderwijs en openbaar vervoer voor publieke taken staan, expliciet kunnen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. Om deze beleidslijn te ondersteunen worden in het kader van de Welzijnsnota 1999–2002 twee stimuleringsprogramma's op het gebied van community care voor mensen met een handicap uitgevoerd.

Naast de ontwikkeling van community care is de verankering van gelijke rechten en het voorkomen van discriminatie van mensen met een handicap van essentieel belang om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving. In het voorjaar van 2001 zal een voorstel van de Wet Gelijke Behandeling Gehandicapten en chronisch zieken voor advies naar de Raad van State worden gestuurd. In deze wet wordt voor een beperkt aantal terreinen de gelijke behandeling van mensen uit deze doelgroep wettelijk uitgewerkt.

Ook in het ouderenbeleid is steeds meer aandacht voor sociale cohesie en participatie óók op de arbeidsmarkt. In de afgelopen jaren heeft in het ouderenbeleid een koerswijziging plaatsgevonden, waarbij het accent meer is gaan liggen op integraal, «inclusief» beleid, en minder op een apart ouderenbeleid. Het beleid moet worden gericht op voorwaarden voor maatschappelijke participatie en adequate zorg voor wie daarop is aangewezen. Binnen het algemene beleid van de overheid dient de specifieke positie van ouderen gewaarborgd te worden. Lagere overheden en maatschappelijke organisaties hebben hierin een belangrijk aandeel. In de komende periode zal gewerkt gaan worden aan een nadere verheldering van de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de afzonderlijke partijen op dit terrein. De samenwerking tussen de verschillende partijen komt daarbij nadrukkelijker in beeld. In juli 2000 is het project Intersectoraal Ouderenbeleid gestart om hiertoe specifieke activiteiten en werkwijzen te ontwikkelen. Verder wordt, om alle onderdelen van het ouderenbeleid in hun onderlinge samenhang te kunnen bezien, een «monitor ouderenbeleid» ontwikkeld.

Sociale kwaliteit heeft ook betrekking op leefbaarheid en een veilige omgeving. Recente gebeurtenissen hebben geleid tot een versterkte aandacht voor mensen met een psychische stoornis die ernstige misdrijven begaan. Wij hebben daarom gekozen voor een extra impuls voor de forensische psychiatrie, namelijk f 24 miljoen in 2001 en f 40 miljoen in 2002. Ernstige misdrijven (recidive) hopen wij te voorkomen door de psychiatrische hulpverlening aan psychisch gestoorde gedetineerden tijdens hun detentie uit te breiden en te verbeteren, door in de plaatsing meer maatwerk te leveren en de nazorg aan psychisch gestoorde (ex) delinquenten te verbeteren. Met de inzet op de verbetering van de psychiatrische zorg aan jeugdigen (tussen twaalf en achttien jaar) hopen we op latere leeftijd langdurige, intramurale forensische zorg te voorkomen. Nog voor 2001 zullen we de Tweede Kamer nader informeren over de uitbreiding van de capaciteit van de forensische zorg.

4. BESTUURLIJKE VORMGEVING

In de paragraaf hiervoor is aangegeven dat het kabinet op tal van terreinen wil investeren in de samenleving. Hier moet echter niet het beeld uit voortkomen dat wij somber zijn over de kwaliteit van de samenleving. Integendeel: ons land scoort bij internationale vergelijkingen op welvaart en welzijn telkens hoog. Het gaat in sociaal, cultureel en economisch opzicht de laatste jaren steeds beter, en op onderdelen zelfs beter dan in andere landen. Dat is niet alleen een gevolg van de economische groei, maar ook een resultaat van de wijze waarop onze samenleving is ingericht. Deze inrichting kan worden gekenschetst als een breed aanbod van voorzieningen dat – op basis van gelijkheid – beschikbaar is voor een ieder. Het is echter juist deze wijze van inrichting die op gespannen voet kan komen te staan met de wensen van deze tijd. Hierboven is toegelicht dat de samenleving steeds individualistischer wordt. De burger, de cliënt, de zorggebruiker wordt steeds mondiger en eist zeggenschap over zijn leefsituatie, bijvoorbeeld in de vorm van keuzevrijheid bij de invulling van zijn behoeften en verlangens. Hierdoor ontstaat een toenemende spanning tussen de vraag naar en het aanbod van «producten» van de verzorgingsstaat, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Voor veel burgers is de gezondheidszorg te weinig dynamisch en flexibel en zitten er in de zorg te weinig prikkels voor een klantvriendelijke organisatie. Veel mensen herkennen zich steeds minder in de aangeboden activiteiten, diensten en voorzieningen. Zij verlangen snelle levering, keuzevrijheid, variatie in het aanbod en een klantgerichte instelling. Als wij dat niet faciliteren en zorggebruikers zich op grote schaal wenden tot alternatieve (commerciële) zorgaanbieders dan bestaat op termijn het gevaar dat hun bereidheid om bij te dragen aan het collectief afbrokkelt. Daarmee zouden belangrijke fundamenten in onze samenleving – een grote mate van sociale cohesie en solidariteit, in tal van opzichten uiteindelijk verloren gaan. Het is van groot belang dat dit wordt voorkomen. Naar onze mening kan en moet dat door in de toekomst ook in de publieke dienstverlening veel meer tegemoet te komen aan de door velen gewenste zeggenschap over de eigen leefsituatie. Deze notie – tegemoet komen aan de vraag, ruimte bieden aan de burger – is enerzijds de kern van de noodzaak tot een nieuw verzekeringsstelsel en anderzijds de sleutel tot dat nieuwe stelsel. De opgave is om op een beheerste manier een transformatie tot stand te brengen waarin vraagsturing veel nadrukkelijker een plek krijgt. Dat betekent dat opnieuw gekeken moet worden naar de verdeling van verantwoordelijkheden. Op verschillende plaatsen binnen het VWS-domein zijn wij bezig bestuurlijke verhoudingen en verantwoordelijkheden in overleg met het veld opnieuw te definiëren. Doel van deze «stelsel-aanpassingen» is om de dienstverlening aan de burgers op een hoger niveau te brengen en het aanbod meer sluitend te maken. Dat geldt voor de kinderopvang, waarbij onze inzet gericht is op het realiseren van een sluitend, toereikend en wettelijk verankerd aanbod, met een gelijkwaardige bijdrage in financiering door overheid, werkgevers en gebruikers. Daarmee kan de kinderopvang over enkele jaren dezelfde basisfunctie in de samenleving gaan vervullen als de gezondheidszorg en het onderwijs nu.

Bij de jeugdzorg is eveneens een herdefiniëring van rollen en verantwoordelijkheden in voorbereiding, die een op het individu toegesneden aanbod van zorg moet gaan waarborgen, met de bureaus voor jeugdzorg in een essentiële schakelfunctie. Ook in de jeugdgezondheidszorg werken we aan een regierol voor de gemeenten, gericht op het tot stand brengen van een bepaald gegarandeerd minimumaanbod.

Op het terrein van de gezondheidszorg worden stappen gezet om de zorgvrager meer centraal te stellen. Dat gebeurt onder meer door aanpassingen in de organisatiestructuur en de wijze waarop verantwoordelijkheden worden verdeeld. Dat geldt bijvoorbeeld voor de modernisering van de AWBZ, de onafhankelijke indicatiestelling, de zorgketenbenadering in de regionale aansturing van de cure en de care en de patiëntgeoriënteerde procesorganisatie die in sommige ziekenhuizen wordt ingevoerd. Er is echter aanleiding ook naar de basis van de inrichting van het zorgstelsel te kijken.

4.1 Toekomst Zorgstelsel

In het regeerakkoord van Paars II is opgenomen dat «het Kabinet zal bezien of, in het licht van de vergrijzing en andere ontwikkelingen, het wenselijk is om voor de langere termijn verdergaande aanpassingen van het verzekeringsstelsel voor te bereiden, daarbij rekening houdende met systemen en ontwikkelingen in andere EU-landen». Dit voornemen dient bezien te worden binnen de huidige context van de gezondheidszorg. Enerzijds kunnen we constateren dat het relatief stabiele Nederlandse zorgstelsel goed scoort, ook internationaal gezien. Dit geldt zowel voor de standaard gezondheidsindicatoren als voor de financieel economische kenmerken van het zorgstelsel. Anderzijds lopen we tegen knelpunten aan. Een van die knelpunten betreft de wet- en regelgeving, die het voor zorginstellingen en zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars, vaak lastig maakt om adequaat in te spelen op hedendaagse ontwikkelingen. Een ander belangrijk knelpunt vormen de wachttijden en -lijsten. Gedeeltelijk moeten deze worden toegeschreven aan de dominantie van de aanbodsturing en de nadrukkelijke wens tot kostenbeheersing. De ontwikkeling naar een meer door de vraag gestuurd stelsel, vraagt een herdefiniëring van het kostenbeheersingsinstrumentarium. Kostenbeheersing zal immers een belangrijke doelstelling blijven om de afwenteling van collectieve lasten te voorkomen. Tevens verdienen vraagstukken als technologie, vergrijzing en Europese wet- en regelgeving de aandacht.

Gezien deze brede invalshoek verwachten wij dat het debat over de toekomst van het Nederlands zorgstelsel langs een drietal lijnen zal verlopen. Ten eerste zal het debat moeten gaan over de vraag naar de verzekering als zodanig. In dit perspectief komen vragen aan de orde als de toekomst van de WTZ, de afstemming tussen de ZFW en de AWBZ, de verhouding tussen inkomensafhankelijke en nominale premies en de mogelijke samenvoeging van het Ziekenfonds en de particuliere verzekering. Ten tweede zal een discussie moeten worden gevoerd over de vraag wat precies verzekerd wordt. Welke zorg dient in een basispakket te worden opgenomen? Ten derde zal het besturingsmodel onderwerp van debat moeten zijn. Daarbij gaat het om het verder vormgeven aan de hierboven beschreven omslag naar klantgerichtheid, ofwel keuzevrijheid en variatie in het aanbod. Maar het gaat ook om vragen als: wat is in de zorg een goede verhouding tussen doelmatigheid, kwaliteit en toegankelijkheid enerzijds en de beleidsvrijheid van de zorgverzekeraars en zorgaanbieders anderzijds? Ook de vraag naar de aard, omvang en reikwijdte van het besturingsinstrumentarium van de overheid verdient in dat opzicht nadrukkelijk aandacht.

Om dit debat in goede banen te leiden, bereiden wij de komende tijd plannen voor. Daarbij kunnen wij gebruik maken van de inzichten van externen, in de vorm van bouwstenen voor de discussie over de toekomst van het zorgstelsel. Recente rapporten zijn Generatiebewust beleid (2000) en Volksgezondheidszorg (1997) van de WRR; De toekomst van de AWBZ (1997) en Europa en de gezondheidszorg (1999) van de RVZ, en Gezondheid in het licht van de toekomstige vergrijzing (1999), van de SER en nog uit te brengen adviezen, zoals het SER-advies over solidariteit (oktober 2000) en het advies van de RVZ over de samenhang tussen care en cure. Het is onze ambitie om in deze kabinetsperiode reeds zoveel mogelijk uitgangspunten en conclusies vast te leggen.

4.2 Toezicht en inspectie

De burger moet er op kunnen vertrouwen dat de overheid basale normen stelt en daarop toezicht houdt. Toetsing en toezicht hangen samen met het stellen van minimumkwaliteitsnormen. Het veld heeft echter zijn eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de gezondheidszorg en de volksgezondheid. De partijen in de gezondheidszorg hebben met het rapport Healthcare Governance laten zien dat zij op dit gebied voor zichzelf een grote verantwoordelijkheid zien weggelegd en deze via zelfregulering ook willen nemen. Waar het veld deze verantwoordelijkheid onvoldoende neemt of niet het gewenste effect realiseert, zal kwaliteitsborging een verantwoordelijkheid van de overheid zijn. Wij menen dat om het minimumniveau te borgen het zeker moet zijn dat inspectietaken worden waargemaakt. Waar dat privaat gebeurt is dat zeker toe te juichen, maar de rijksoverheid mag hierin haar verantwoordelijkheid niet uit de weg gaan.

De IGZ en de Keuringsdienst van Waren dienen hun taken af te stemmen op de uitgangspunten van het beleid. In dit beleid stellen we de burger centraal, het toezicht moet hierop aansluiten. De burger moet als ontvanger van zorg kunnen vertrouwen op de kwaliteit en de veiligheid van de geboden zorg en producten. Dat geldt niet alleen voor de afzonderlijke onderdelen van de gezondheidszorg, maar ook voor de overdracht tussen verschillende schakels in de zorg en de communicatie. Inspectiewerkzaamheden zullen zich meer op systeemtoezicht moeten richten en meer georiënteerd moeten worden op de aansluiting tussen zorgvormen. Waar het om de Inspectie voor de Gezondheidszorg gaat, wordt op deze aspecten in de startnotitie Opmaat voor een nieuwe strategie die de Tweede Kamer 9 augustus jongstleden is toegezonden, nadrukkelijk ingegaan. Pas na vaststelling van de kerntaken en de risico-analyse, kan de meest wenselijke inspectiebezoekfrequentie voor de verschillende deelsectoren en daarmee tevens de benodigde menskracht worden berekend. Wij hopen de Tweede Kamer begin 2001 de eerste resultaten te kunnen presenteren.

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

1. Inleiding

1.1 Leeswijzer bij de Artikelsgewijze Toelichting (AGT) 2001

De opzet van de AGT 2001 verschilt niet van de AGT 2000. Bij de toelichting per artikel is aan het begin een tabel opgenomen met daarin de meerjarencijfers per onderdeel. Daaronder treft u vervolgens de toelichting bij die onderdelen aan. De economische en functionele coderingen zijn per onderdeel terug te vinden in de bijlagen 11 en 12.

In de toelichting per artikel en/of artikelonderdeel wordt consequent onderscheid gemaakt tussen a)-, b)- en c)-teksten. Onderstaand wordt kort aangegeven welke inhoud of strekking de desbetreffende teksten hebben:

a)-tekst: In deze tekst wordt aangegeven welk beleid er wordt gevoerd respectievelijk gaat worden met de beschikbare middelen (beleidsuitgaven).

b)-tekst: In deze tekst wordt aangegeven welke (juridische) basis ten grondslag ligt aan de uitgaven en de ontvangsten (bijvoorbeeld de Welzijnswet 1994 of de Begrotingswet).

c)-tekst: In deze tekst worden eventuele begrotingsmutaties ten opzichte van de Begrotingswet 2000, inclusief 1e Suppletore wet 2000, nader toegelicht.

Aan het begin van de c)-teksten is, als er mutaties zijn, een tabel opgenomen met daarin aangegeven welkekasmutaties worden toegelicht. De som van de subtotalen per artikelonderdeel vormt de regel «Nieuwe wijzigingen» in het model «Opbouw uitgaven (of ontvangsten) vanaf de vorige ontwerp-begroting».

De in deze modellen genoemde «Nieuwe nominale wijzigingen» worden niet toegelicht. Deze mutaties hebben betrekking op de toedeling van de nominale bijstellingen.

1.2 Budgettaire kaders

De begroting van VWS maakt onderdeel uit van twee budgettaire kaders: het budgettair kader zorg (BKZ) en het kader voor de Rijksbegroting in enge zin (niet-BKZ). De rijksbijdragen (uitgavenartikel 25.03, onderdelen 01, 04 en 05) worden tot geen van beide kaders beschouwd, omdat het een financieringsbron betreft.

Onderstaand is op hoofdlijnen de verdeling tussen het BKZ-deel en het niet-BKZ deel weergegeven:

Tabel 1.1: Begrotingsartikelen niet-BKZ
ArtikelOmschrijving
U22.01Personeel en materieel
U22.02Niet-BKZ-deel van de wachtgelden
U22.03Niet-BKZ-deel van de loonbijstelling
U22.04Niet-BKZ-deel van de prijsbijstelling
U22.05Onvoorzien
U22.06Sociaal Cultureel Planbureau
U22.07Inspectie Jeugdhulpverlening en jeugdbescherming
U22.08Internationale samenwerking
U22.09–01Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling
U24.04Jeugdbeleid
U24.05Verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogs-getroffenen
U24.07Sportbeleid
U24.09Sociaal Beleid

en alle bijbehorende (delen van) ontvangstenartikelen

Tabel 1.2: Begrotingsartikelen BKZ
ArtikelOmschrijving
U22.02BKZ-deel van de wachtgelden
U22.03BKZ-deel van de loonbijstelling
U22.04BKZ-deel van de prijsbijstelling
U22.09–02/03/04Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, Gezondheidsraad en Raad voor Gezondheidsonderzoek
U23.01Inspectie Gezondheidszorg
U24.02Ouderenbeleid
U24.03Gehandicaptenbeleid
U24.10Maatschappelijke Opvang, Vrouwenopvang en Verslavingsbeleid
U25.01Volksgezondheid algemeen
U25.02Volksgezondheidsbeleid
U25.03–02Arbeidsmarktbeleid
U26.02Bijdrage aan het agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren & Veterinaire zaken
U27.01Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

en alle bijbehorende (delen van) ontvangstenartikelen

1.3 Toelichting prestatiegegevens

Diverse artikelonderdelen worden mede toegelicht aan de hand van prestatiegegevens. Deze gegevens geven informatie over de besteding van begrotingsmiddelen. Niet alle begrotingsmiddelen zijn echter zinvol toe te lichten met kengetallen. Zo is met het Ministerie van Financiën ten aanzien van de volgende uitgavenartikelen vastgesteld dat deze niet zinvol zijn toe te lichten: Loonbijstelling (artikel 22.03); Prijsbijstelling (artikel 22.04) en Rijksbijdragen ziektekosten (artikel 25.03, onderdeel 01, 04 en 05). Om overlap met de agentschapsbegroting (wetsvoorstel 4) te voorkomen zijn de kengetallen alleen in de agentschapsbegroting opgenomen. Voorts geldt ten aanzien van de uitgaven op de hoofdbeleidsterreinen 24 en 25 dat de uitgaven gemoeid met de subsidiëring van het uitvoerend werk zinvol zijn toe te lichten; maar dat de subsidiëring van instellingen die van belang zijn voor het behoud van de (kennis-) infrastructuur over het algemeen niet zinvol met kengetallen zijn toe te lichten. Het betreft namelijk activiteiten die niet of nauwelijks in homogene en vergelijkbare grootheden/producten zijn uit te drukken. Dit geldt ook voor subsidies ten behoeve van projecten en experimenten.

Eén en ander impliceert dat ook op artikelonderdelen veelal niet een volledige toelichting met kengetallen kan plaatsvinden.

1.4 De geïntegreerde verplichtingen-kas-administratie

Het Ministerie van VWS kent geen grote meerjarige projecten. Dit impliceert dat financiële sturing bij VWS plaatsvindt via de uitgaven en dat de verplichtingenraming slechts een technisch karakter heeft. Deze AGT bevat daarom, overeenkomstig de Rijksbegrotingsvoorschriften, geen verplichtingen-kasmatrices. Uiteraard worden in de begrotingsadministratie van VWS ook verplichtingen vastgelegd, die leiden tot kasuitgaven in een later jaar. Het betreft enerzijds incidentele verplichtingen met meerjarige kaseffecten en anderzijds zogenaamde «structurele verplichtingen». Voor subsidies of bijdragen die in principe jaarlijks voor een periode van één jaar (structureel) worden toegekend zal, mede gelet op uitspraken van de rechter, reeds in het jaar voorafgaande aan het subsidiejaar een – uit het oogpunt van behoorlijk bestuur – juridisch onontkoombare verplichting ontstaan. Daarbij speelt geen rol of het ministerie een beschikking heeft afgegeven. In de ontwerp-begroting en de begrotingsadministratie wordt met dit gegeven rekening gehouden. Administratief-technisch houdt dit in dat bij structurele subsidies op een vaste datum (15 september) een verplichting voor het volgende jaar wordt vastgelegd. Bovenstaande kan er toe leiden dat de verplichtingenraming afwijkt van de kasraming. Vandaar dat op veel uitgavenartikelen naast een cijfermatige tabel met betrekking tot de «Opbouw uitgaven vanaf de vorige begroting» tevens een cijfermatige tabel met betrekking tot de «Opbouw verplichtingen vanaf de vorige begroting» is opgenomen.

In onderstaande Tabel 1.4 is een overzicht opgenomen van die artikelen waarbij de verplichtingenraming in beginsel gelijk is aan de kasraming. Dit laat onverlet dat ten tijde van het opstellen van de Slotwet/Jaarverslag kan blijken dat op onderdelen, met name bij materiële uitgaven, de normale verplichtingen-kasbenadering had moeten gelden. Hiervoor wordt alsdan gecorrigeerd. In onderstaande tabel wordt onderscheid gemaakt naar een tweetal categorieën. Per categorie wordt aangegeven wat voor soort artikelen het betreft en op welke regel of regeling het betrekking heeft.

Categorie 1: Artikelen met personeelsgebonden uitgaven en materiële uitgaven. Hiervoor geldt de uitzonderingsbepaling in artikel 4, lid 6, onder a van de Comptabiliteitswet en de «Aanwijzingsregeling verplichtingen=kas 1997» (zie Categorie 5 van deze regeling).

Categorie 2: Speciale artikelen zoals «Loonbijstelling», «Prijsbijstelling» en «Onvoorzien». Hiervoor geldt de «Aanwijzingsregeling verplichtingen=kas 1997» (zie Artikel 1, Categorie 2a. en 2c. van deze regeling).

Tabel 1.4 Artikelen waarbij Verplichtingenraming = Kasraming
Categorie 1:Categorie 2:
U22.06U22.03
U22.07U22.04
U22.09U22.05
U26.02 

In de ontwerp-begroting zijn realisatiecijfers 1999 opgenomen, zoals ook gepresenteerd in het jaarverslag. Door afrondingsverschillen kan de som van de componenten afwijken van de totalen genoemd in het Jaarverslag 1999. Het betreft hier dus slechts afrondingsverschillen.

1.5 Grotestedenbeleid (GSB)

Algemene toelichting

De onderstaande bedragen betreffen gedeelten van budgetten van VWS die vallen binnen het GSB-kader. De VWS-begroting kent geen specifieke GSB-artikelen. Om de GSB-relevante uitgaven te achterhalen is binnen de bestaande begrotingsartikelen geïnventariseerd, welk deel van de middelen van artikelen uitgekeerd wordt aan de 25 grote steden (G-25), die de doelgroep vormen van het GSB. Uit deze inventarisatie volgt dat er 8 GSB-relevante geldstromen zijn te onderscheiden binnen de VWS-begroting. De bedragen zijn per regeling meerjarig opgenomen. Deze meerjarige reeksen zijn de momenteel best mogelijke schatting van de GSB-relevante uitgaven in de toekomst.

Tabel 1.5: Financiële kaders VWS inzake Grotestedenbeleid (GSB)
Begrotingsartikel200020012002200320042005
1U 24.04Kinderopvang en naschoolse activiteiten (RA98)44,661,286,51,70,00,0
2U 24.07Sportbeleid (RA98)6,17,67,85,83,72,8
3U 24.096 projecten Heel de buurt1,21,20,00,00,00,0
4U 24.09Inburgering nieuwkomers58,962,566,666,462,362,3
5U 24.10Maatschappelijke opvang117,5117,5117,5117,5117,5117,5
6U 24.10Vrouwenopvang60,160,160,160,160,160,1
7U 24.10Verslavingsbeleid112,9112,9112,9112,9112,9112,9
8U 25.02Heroïne-experimenten10,16,90,00,00,00,0

Hieronder zal per geldstroom worden ingegaan op de totstandkoming van de meerjarenramingen.

Specifieke toelichting

Ad.1   Raming voor G-25 van deze middelen is naar analogie van de middelen voor de Tijdelijke regeling Buitenschoolse opvang die reeds sinds 1997 van kracht is. Vanaf 2003 worden deze middelen via het Gemeentefonds aan de steden verstrekt.

Ad.2   Raming van het aandeel G-25 van deze Regeerakkoordmiddelen voor de breedtesport is niet beschikbaar. Op basis van de beleidslijn neergelegd in de Beleidsbrief Breedtesport kunnen alle gemeenten in Nederland, w.o. steden uit de G-25, subsidie aanvragen. De uiteindelijke subsidiëring aan de G-25 bepaalt de omvang van het G-25-aandeel binnen het totale breedtesportbudget.

Ad.3   In 1998 zijn 8 vierjarige projecten «Heel de Buurt» gestart. Zes projecten hiervan worden uitgevoerd door de steden behorende bij de G25.

Ad.4   Het G-25-aandeel van de Wet Inburgering Nieuwkomers is vanaf 2000 in bovenstaande opstelling gelijk gehouden aan de omvang van 1999, vanwege de nieuwe bekostigingssystematiek onder de WIN. Vanaf 2000 is namelijk de realisatie 1998 van gemeenten de basis van de verdeling van het Macro-budget Inburgering.

Ad. 5–7 De raming van deze reeksen is gebaseerd op de door de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) voorgestelde herverdeling van de specifieke uitkeringen verslavingsbeleid en maatschappelijke opvang. Vanaf 2000 is een bedrag van 19,1 miljoen aan deze specifieke uitkeringen toegevoegd, waardoor er in ieder geval geen enkele regio financieel op achteruit is gegaan. Er zijn gemeenten die in 2000 nog centrumgemeente zijn, maar dat niet blijven. Het betreffende budget wordt in 2001 toegevoegd aan het budget van de centrumgemeente in hun regio. Aan de toekenning van dat budget wordt de voorwaarde verbonden dat er afspraken worden gemaakt over de financiering van voorzieningen in een gemeente in dezelfde regio, indien die gemeente niet langer een uitkering ontvangt. Hiermee kan kapitaalvernietiging worden voorkomen.

Ad. 8 Met 6 steden binnen de G-25 zijn afspraken gemaakt over de uitvoering van de heroïne-experimenten.

1.6 Aansluiting met de Begrotingswet 2000

Voor de ontwerp-begroting als geheel ziet de aansluiting tussen de Begrotingswet 2000 en de daarbij behorende meerjarencijfers en de ontwerp-begroting 2001 er als volgt uit.

Tabel 1.6 Aansluitingstabel Begrotingswet 2000 en Ontwerp-begroting 2001 (bedragen x 1 miljoen)
UITGAVENArtikel200020012002200320042005
Begrotingswet 2000 11 095,811 036,511 081,510 790,010 772,610 772,6
Nota van wijziging       
Uitbreiding KinderopvangU24.0410,010,020,020,020,020,0
Mutaties Voorjaarsnota       
EindejaarsmargeDiverse94,5     
LoonbijstellingU22.03109,3110,9113,7105,1105,2105,2
PrijsbijstellingU22.0416,116,216,615,415,515,5
Uitwerking MJA via begrotingU24.026,6     
Versnelling uitvoering RA m.b.t. KinderopvangU24.0420,0     
GoudpoolU24.0511,43,12,11,3  
Eco-tax sportverenigingenU24.0730,030,030,030,030,030,0
naar premie: wachtlijsten ziekenhuizenU25.01– 42,0     
Uit premie: opl huisartsenU25.015,05,05,05,05,05,0
Hulpfonds bijlmerrampU25.0215,0     
Intensivering GGZU25.0231,031,031,031,06,0 
Uitwerking MJA via begrotingU25.0230,531,331,120,420,420,4
ArbeidsmarktU25.0365,0     
Loonbijstelling (zorg)U25.03185,3183,4183,0183,0183,0183,0
Prijsbijstelling (zorg)U25.0349,248,748,648,648,648,6
Amendement LambrechtsU25.03100,0     
        
Diverse mutaties ≤ f 5 miljoenDiverse– 14,5– 10,2– 3,8– 2,5– 2,5– 8,5
Stand Voorjaarsnota 2000 11 847,211 516,211 566,411 252,311 208,911 208,9
        
Beheerskosten indicatiestellingU24.0235,020,020,020,020,020,0
Normharmonisatie motie Orgü LWVR-AchtervangU24.04 13,813,813,813,813,8
Versnelling uitvoering RA m.b.t. KinderopvangU24.04 80,0    
Verlaging peo-jeugd tbv ontv. OuderbijdragenU24.04– 3,2– 5,5– 5,8– 6,0– 6,0– 6,0
Loon en prijsbijstelling oorlogsgetroffenenU24.0521,520,619,818,718,118,1
Uitbreiding WIN a.g.v. nieuwe VreemdelingenwetU24.09 8,817,216,88,48,4
Uit premie: uitbreiding opl. VerloskundigenU25.010,61,83,04,24,24,2
Extra instroom opleiding huisartsenU25.01 4,015,026,026,026,0
Uit premie: wachtlijstregistratie careU25.0131,0     
Uit premie: BijlmeronderzoekU25.0217,4     
Uitwerking diverse MJA's via begrotingU25.0211,2     
Uit premie: ICT-middelenU25.026,5     
Uit premie: Project farmaceutische zorgU25.0212,8     
Bijdr. tbv exp. met Gemeensch. Med. Spec.bedrijfU25.025,010,010,010,010,010,0
Uit premie: Budget ontwikkelingsgeneeskunde NWOU25.02 19,019,019,019,019,0
Intensivering openbare gezondheidszorgU25.0250,0     
Uit premie: EVS Medisch specialistenU25.0210,212,212,212,212,212,2
Uit premie: MJA cure: preventie bij risicogroepenU25.02 8,18,18,18,18,1
Nazorg vuurwerkramp EnschedeDiverse17,422,0    
ArbeidsmarktmaatregelenU25.03 94,089,062,040,040,0
Van SZW: tilregelingU25.0310,010,0    
Rijksbijdrage i.v.m. verminderde premieopbrengst  3 685,35 028,55 144,65 263,45 384,9
        
Diverse mutaties ≤ f 5 miljoenDiverse9,916,112,75,04,45,9
        
Stand concept begroting 2001 12 082,515 536,516 828,916 606,816 650,516 773,5
 
OntvangstenArtikel200020012002200320042005
Begrotingswet 2000 317,1236,8226,0226,5226,5226,5
Mutaties Voorjaarsnota       
Terugontvangsten extra banen zorgM25.01– 24,7– 24,7– 24,7– 24,7– 24,7– 24,7
        
Diverse mutaties ≤ f 5 miljoenDiverse0,9– 0,6– 1,1– 1,7– 1,7– 1,7
Stand Voorjaarsnota 2000 293,3211,4200,2200,0200,0200,0
        
Verlaging ouderbijdragen jeugdhulpverleningM24.02– 3,2– 5,5– 5,8– 6,0– 6,0– 6,0
Boeten warenwetM25.015,25,25,25,25,25,2
      
Diverse mutaties ≤ f 5 miljoenDiverse2,43,94,34,23,33,3
        
Stand concept begroting 2001 297,7215,1203,9203,5202,6202,6

2. Toelichting op wetsartikel 1 (uitgaven en verplichtingen)

HOOFDBELEIDSTERREIN 22 ALGEMEEN

Algemeen

Op dit hoofdbeleidsterrein treft men de personele en materiële uitgaven van het ministerie aan. Het betreft in hoofdzaak uitgaven ten behoeve van het kernministerie te 's-Gravenhage.

Organisatie en bedrijfsvoering

Het jaar 2001 staat in het teken van het verhogen van de kwaliteit van de beleidsmedewerker, als professional. In 2000 zijn veel nieuwe leidinggevenden benoemd op topposities, de opgave is nu resultaten van deze impuls zichtbaar te maken, zowel in beleidsontwikkeling als in beheer. Het management developmentprogramma voor professionals en (potentiële) leidinggevenden zal in 2001 worden ingevoerd. Dit programma biedt de medewerkers gerichte ontwikkelingsmogelijkheden en zorgt voor nieuw potentieel voor sleutelposities. Daarnaast staan stimuleren van de vakbekwaamheid en ontplooiingsmogelijkheden van de individuele professional centraal. In 2000 is de VWS-academie gestart waarin met nieuwe manieren van leren (bijvoorbeeld action learning, intervisie, stages, uitwisselingen) invulling wordt gegeven aan de drie speerpunten projectmatig werken, strategische oriëntatie en leiderschap. Ook worden diverse gemeenschappen van professionals (juristen, beleidsmedewerkers, afdelingshoofden, directeuren) ondersteund bij uitwisseling van kennis en ideeën. Komend jaar geeft VWS een impuls aan ontwikkeling van haar medewerkers door jaarlijks een functionerings- en beoordelingsgesprek te voeren waarbij voor elke medewerker een persoonlijk ontwikkelingsplan wordt vastgesteld. Het functioneren zal gekoppeld worden aan vormen van beloningsdifferentiatie. De kwaliteitsimpuls wordt ook gebruikt om coachend leidinggeven te stimuleren. De CAO Rijk 2000–2001 geeft dit proces een goede stimulans. De kennis en ervaring van ouderen en de frisse blik van jongeren zijn voor de organisatie van gelijkwaardig belang. Daarom besteedt VWS niet alleen aandacht aan de instroom van jongeren maar investeert het ook in oudere medewerkers. VWS start een project om medewerkers van 50 jaar en ouder met hun kennis en ervaringen in te zetten op functies die qua fysieke en mentale belasting aansluit bij hun capaciteiten. De ervaringen van de huidige groep 50+-ers worden niet alleen gebruikt om deze groep medewerkers optimaal te laten renderen, maar leveren ook een bijdrage om voor de overige medewerkers te werken aan «de juiste persoon op de juiste plaats». In 2001 zullen diverse organisatie ontwikkelingstrajecten worden ingezet (bijvoorbeeld herschikkingen tussen directies en het binnen directies zoeken naar andere, meer tijdelijke werkvormen). Dit proces van interne aanpassing en herschikking is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de wisselende vragen die vanuit de samenleving aan het ministerie gesteld worden. Het voornemen is dat voor sommige beleidsontwikkelingstrajecten tijdelijke organisatievormen in het leven worden geroepen. Bij VWS is een toolkit werkdruk/-stress ontwikkeld. Deze toolkit biedt leidinggevenden en medewerkers een handvat om de werkdruk van directies en afdelingen te analyseren en te komen tot een gerichte aanpak daarvan. De toolkit is niet alleen te gebruiken als er een hoog ziekteverzuim is, maar ook als men de arbeidsomstandigheden wil optimaliseren. We streven in 2001 naar een brede inzet van dit instrument binnen VWS. De VWS-organisatie voert een actief anti-rookbeleid. Aan de medezeggenschapsorganen wordt een voorstel voorgelegd om een rookvrij ministerie te worden, waar niet alleen de medewerkers, maar ook de gasten afzien van roken. Om dat te bereiken worden er cursussen Stoppen met Roken voor medewerkers georganiseerd. Het gezondheidsbewustzijn wordt bevorderd door het geven van voorlichting, naast de al eerder getroffen maatregelen bij VWS ter bevordering van de gezondheid (zoals bedrijfsfitness). Voor de bedrijfsvoering staat 2001 in het teken van verdere introductie van ICT-voorzieningen die de kwaliteit van de bedrijfsvoering ondersteunen. Voor een kennisintensieve organisatie als VWS is ICT een belangrijk instrument. Daarom wordt in 2001 in het kader van het Bestemmingsplan ICT& Bedrijfsvoering geïnvesteerd in onder ander de digitalisering van het archief en de digitalisering van interne documentenstromen. Ook wordt gewerkt aan de verbetering van de VWS-internet-site en het VWS-intranet Forum.

Artikel 22.01 Personeel en materieel algemeen

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Regulier personeel142 560149 728144 099137 313137 792136 622138 016
02 Overige personele uitgaven30 66719 13916 26817 74115 30715 30715 307
03 Post-actieven10 9009 4419 0889 0889 0889 0889 088
04 Personeel ten laste van derden269000000
05 Materieel64 42363 56850 24046 46243 32243 32243 322
06 «Huisvesting; verrekening met de Rijksgebouwendienst»32 58833 12733 13333 13733 13733 13733 137
Totaal artikel281 409275 003252 828243 741238 646237 476238 870
Uitgaven in EUR1000127 698124 791114 728110 605108 293107 762108 394

22.01 Onderdeel 01 Regulier personeel

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast worden de uitgaven voor ouderschapsverlof, overwerk en dergelijke, ten laste van dit onderdeel gebracht.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Revitalisering Gehandicaptenbeleid1 2001 200  
2 Tijdelijke formatieuitbreiding ivm intern. evenementen30    
3 Herschikking tussen p en beleidsgeld SB300165   
4 Formatiewijziging tbv automatisering150150150150
5 Van BZK: loonkosten trainees630   
Totaal onderdeel2 3101 515150150

Toelichting

1 Overheveling vanuit de premiemiddelen ten behoeve van het verwerven van personeel voor een revitaliseringstraject op het terrein van gehandicaptenbeleid.

2 De personeelformatie wordt tijdelijk uitgebreid ten behoeve van ondersteuning bij internationale evenementen, de Paralympics en de Olympische Spelen (gedekt door verlaging van uitgavenartikel 24.07).

3 Overheveling vanuit uitgavenartikel 24.09, onderdeel 01 met betrekking tot de projecten het loket Welzijn en Zorg en het Steunpunt Sociale Activering (interdepartementaal).

4 Ten behoeve van extra werkzaamheden op automatiseringsgebied (daarbij valt te denken aan invoering van VBTB en Euro) is het noodzakelijk dit onderdeel te verhogen. Dekking wordt gevonden door onderdeel 05 te verlagen.

5 Overboeking van het ministerie van BZK voor de financiering van formatieplaatsen in het kader van het traineeproject Rijksoverheid.

Ramingskengetallen

Onderbouwing raming personeel kerndepartement (bedragen x f 1 000)
 Realisatie1999Raming 200020012002200320042005
Personeel       
Begrotingssterkte in fte's1 279,161 294,931 266,851 223,851 221,301 221,301 221,30
Gemiddelde prijs per fte112116114113113113113
Budget actief regulier personeel143 799150 051144 413137 719138 271138 271138 271

De in tabel I opgenomen kengetallen dienen ter onderbouwing van de raming, alsmede ter illustratie van de gemiddelde kosten per fte. Het betreft de personele en materiële uitgaven ten behoeve van het kerndepartement. De totale begrotingssterkte is gebaseerd op de bezetting van het kerndepartement exclusief tijdelijke, c.q. projectplaatsen. De buitendiensten zijn eveneens niet in dit overzicht opgenomen. Voor de overige personeelskosten en de personeelsgebonden materiële kosten zijn normbedragen vastgesteld. De norm ten behoeve van de overige personeelskosten bedraagt f 3 250,–. Voor de personeelsgebonden materiële kosten wordt voor de beleidsdirecties f 7 500,– per fte gehanteerd. Voor de stafdirecties en de facilitaire diensten wordt uitgegaan van een normbedrag van f 5 000,– per fte.

22.01 Onderdeel 02 Overige personele uitgaven

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen: vergoedingen aan personeel van de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, verhuiskosten, vorming en opleiding, werving en selectie, kinderopvang en dergelijke.

b) De Ambtenarenwet en de Begrotingswet dienen als juridische basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Verrekening van kosten kinderopvang via het RIVM72727272
Totaal onderdeel72727272

Overheveling van uitgavenartikel 27.01, onderdeel 02 in verband met de bijdrage van het RIVM in de kosten van departementale kinderopvang.

22.01 Onderdeel 03 Post-actieven

a) Op dit onderdeel worden de uitgaven geraamd bestemd voor de betaling van wachtgeld aan post-actieven (bijvoorbeeld Rijkswachtgeldregeling, korte en lange uitkering 1966).

b) De Ambtenarenwet dient als juridische basis voor de uitgaven.

22.01 Onderdeel 04 Personeel ten laste van derden

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen betalingen van salarissen (inclusief sociale lasten) van ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor derden. Tegenover deze uitgaven staan ontvangsten die verantwoord worden op ontvangstenartikel 22.01, onderdeel 05.

b) De Ambtenarenwet dient als juridische basis voor de uitgaven.

22.01 Onderdeel 05 Materieel

a) Op dit onderdeel worden materiële uitgaven geraamd ten behoeve van het (kern)ministerie. Het betreft enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfskosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering zoals gebouwgebonden uitgaven, informatiesystemen en informatie-infrastructuur en uitbesteding.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de bedrijfshulpverlening (facilitaire uitgaven) zijn gebaseerd op het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 783, 1993).

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Subsidie maatschappelijk verantwoord verzekeren– 50– 50  
2 Overheveling in verband met deelname aan projecten100    
3 Formatiewijziging tbv automatisering– 150– 150– 150– 150
4 Tijdelijke formatieuitbreiding ivm intern. evenementen3   
Totaal onderdeel– 97– 200– 150– 150

Toelichting

1 Overheveling naar uitgavenartikel 25.02, onderdeel 13 ten behoeve van het subsidiëren van het project Maatschappelijk verantwoord verzekeren.

2 Overheveling vanuit uitgavenartikel 24.09, onderdeel 01 ten behoeve van deelname aan de projecten; Loket Welzijn en Zorg en Steunpunt Sociale Activering.

3 Verlaging ten behoeve van onderdeel 01 om het mogelijk te maken extra menskracht op het gebied van automatisering aan te trekken.

4 Verhoging vanuit uitgavenartikel 24.07 ten behoeve van ondersteuning bij internationale evenementen, de Paralympics en de Olympische Spelen.

22.01 Onderdeel 06 Huisvesting; verrekening met de Rijksgebouwendienst

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de verrekening van de huisvestingsuitgaven van het Ministerie van VWS (en eventuele «inwonende» diensten) met de Rijksgebouwendienst (RGD), voor zover deze direct of indirect samenhangen met de huurcontracten, zoals die met de RGD zijn gesloten.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Overboeking van Vrom tbv huisvestingskosten523523523523
Totaal onderdeel523523523523

Overboeking van het ministerie van Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot de service budgetten van de Resident.

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn kengetallen opgenomen ten aanzien van het vorig jaar van de RGD overgehevelde budget met betrekking tot huisvestingskosten.

Overzicht m.b.t. huisvestingskosten
 2001200220032004
Aantal fte's*1 4171 3741 3721 372
Toegelicht begrotingsbedrag33 13333 13733 13733 137
Kosten per fte23,424,124,224,2

(Bedragen x f 1 000)

* In het hier gepresenteerde cijfers zijn ook de in Den Haag gehuisveste fte's van de Inspectie Gezondheidszorg opgenomen.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2201t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  244 894240 464236 587232 995232 995 
1e Suppletore wet  17 1743 387– 649– 649– 649 
Nieuwe wijzigingen  4 1362 7871 910595595 
Nieuwe nominale wijzigingen  5 6865 9825 7435 7055 835 
Stand ontwerp-begroting 20013 453276 136271 890252 620243 591238 646238 776238 870
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2201 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  247 908240 651236 737232 995232 995 
1e Suppletore wet  17 2943 387– 649– 649– 649 
Nieuwe wijzigingen  4 1152 8081 910595595 
Nieuwe nominale wijzigingen  5 6865 9825 7435 7055 835 
Stand ontwerp-begroting 2001 281 409275 003252 828243 741238 646238 776238 870
Uitgaven in EUR1000 127 698124 791114 728110 605108 293107 762108 394

Artikel 22.02 VUT-uitkeringen en suppletie wachtgelden trendvolgers

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving 1999200020012002200320042005
Totaal artikel 03 7602 4342 0502 0503 3503 350
Uitgaven in EUR1000 01 7061 1059309301 5201 520

a) De op dit artikel geraamde uitgaven zijn bestemd voor VUT-uitkeringen en wachtgeldsuppletievergoedingen aan werknemers in de gesubsidieerde sector.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven. De hoogte van de uitkeringen is in de diverse CAO's vastgelegd.

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Interne overheveling van FAS-gelden– 513– 513– 513– 513
Totaal onderdeel– 513– 513– 513– 513

Dit artikelonderdeel wordt structureel met 0,5 miljoen verlaagd ten behoeve van de bijdrage aan het Fonds Arbeidsaangelegenheden in de sport, welke via uitgavenartikel 24.07 wordt verstrekt.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2202t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  4 1072 8342 4632 4632 463 
Nieuwe wijzigingen  – 513– 513– 513– 513787 
Nieuwe nominale wijzigingen  166113100100100 
Stand ontwerp-begroting 20017 3 7602 4342 0502 0503 3503 350
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22021999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 4 1072 8342 4632 4632 463 
Nieuwe wijzigingen – 513– 513– 513– 513787 
Nieuwe nominale wijzigingen 166113100100100 
Stand ontwerp-begroting 2001 3 7602 4342 0502 0503 3503 350
Uitgaven in EUR100001 7061 1059309301 5201 520

Artikel 22.03 Loonbijstelling

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel0567457359386402405
Uitgaven in EUR10000257207163175182184

a) Op dit artikel wordt de van het Ministerie van Financiën te ontvangen loonbijstelling ondergebracht. Vervolgens vindt tijdens de uitvoering van de begroting bij Suppletore wet de toedeling plaats naar de daarvoor bestemde artikelen.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Overboeking naar BZK correctie loonbijstelling 2000– 719– 929– 1 097– 787
Totaal onderdeel– 719– 929– 1 097– 787

Dit artikel wordt verlaagd in verband met een overboeking naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties als gevolg van een correctie op de via de 1e suppletore wet ontvangen loonbijstelling 2000.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22031999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 1 6161 6191 7451 7711 771 
Amendementen – 1 500– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500 
1e Suppletore wet 109 329110 857113 698105 143105 150 
Nieuwe nominale wijzigingen – 108 878– 110 519– 113 584– 105 028– 105 019 
Stand ontwerp-begroting 2001 567457359386402405
Uitgaven in EURO10000257207163175182184

Artikel 22.04 Prijsbijstelling

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel02 9041 9641 035606560560
Uitgaven in EUR100001 318891470275254254

a) Op dit artikel wordt de van het Ministerie van Financiën te ontvangen prijsbijstelling ondergebracht. Vervolgens vindt tijdens de uitvoering van de begroting bij Suppletore wet de toedeling plaats naar de daarvoor bestemde artikelen.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Ongedaan maken bezuiniging a.g.v. motie Middel– 3 000– 3 000– 3 000– 3 000
Totaal onderdeel– 3 000– 3 000– 3 000– 3 000

Dit artikel wordt structureel verlaagd om een voorgenomen bezuiniging op het sportbudget (uitgavenartikel 24.07) ongedaan te kunnen maken, conform de bij de begrotingsbehandeling 2000 ingediende motie Middel, c.s.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22041999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 – 11 089– 9 032– 10 355– 9 593– 9 593 
1e Suppletore wet 16 06316 18016 56815 37715 539 
Nieuwe wijzigingen  – 3 000– 3 000– 3 000– 3 000 
Nieuwe nominale wijzigingen – 2 070– 2 184– 2 178– 2 178– 2 386 
Stand ontwerp-begroting 2001 2 9041 9641 035606 560560
Uitgaven in EUR10000 1 318891470275254254

Artikel 22.05 Onvoorzien

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel0277277277277277277
Uitgaven in EUR10000126126126126126126

a) Op dit artikel is een budget geraamd voor uitgaven die naar hun aard vooraf niet expliciet aanwijsbaar zijn. Indien nodig vindt tijdens de uitvoering van de begroting bij Suppletore wet de overboeking plaats naar het betreffende uitgavenartikel.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven. Dit artikel vindt zijn grondslag in artikel 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22051999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 277277277277277 
Stand ontwerp-begroting 2001 277277277277277277
Uitgaven in EUR10000126126126126126126

Artikel 22.06 Sociaal en cultureel planbureau

Algemeen

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft tot taak de sociale en culturele ontwikkelingen in de samenleving te beschrijven en bij te dragen aan de beleidsvorming en beleidsevaluatie.

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel12 89611 76413 19212 96612 85312 85912 863
Uitgaven in EUR10005 8525 3385 9865 8845 8325 8355 837

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op de personele en materiële uitgaven van het SCP. De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting evenals ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor derden (collectieve sector). Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten van woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, werving, opleiding en dergelijke. Tegenover de uitgaven voor ambte- naren die werkzaamheden verrichten voor derden uit de collectieve sector worden ontvangsten geraamd die verantwoord worden op ontvangstenartikel 22.01, onderdeel 05. De materiële uitgaven betref- fen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van: de bedrijfsvoering zoals informatiesystemen en informatie-infrastructuur en uitgaven voor onderzoeken (zoals facilitering eigen onderzoek, uitbesteden deelonderzoek en productie van onderzoeksrapporten). In de Bijlagen 14 en 15 van deze begroting wordt uitvoering ingegaan op de beleidsvoornemens van het SCP.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. Voor de materiële uitgaven dient de Begrotingswet als basis. De uitgaven ten behoeve van de bedrijfshulpverlening (facilitaire uitgaven) zijn gebaseerd op het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 783, 1993).

c)

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Uitbreiding budget ivm uitvoering werkprogramma 2000–20011 4501 4501 4501 450
2 Herschikking ivm uit te voeren onderzoek door SCP30   
Totaal onderdeel1 4801 4501 4501 450

Toelichting

1. Dit uitgavenartikel wordt structureel verhoogd in verband met knelpunten op het gebied van de uitvoering van het onderzoeksprogramma van het SCP. De dekking komt uit de middelen voor PEO Welzijn en PEO Zorg. Hiertoe worden de uitgavenartikelen 24.04, onderdeel 03 en 25.02, onderdeel 13 beide met 0,7 miljoen verlaagd. Van dit bedrag wordt 1,0 miljoen besteed aan het dekken van de personeelskosten. De overige 0,4 miljoen wordt besteed aan het aanschaffen van databestanden.

2. Overheveling van uitgavenartikel 24.02 in verband met een uit te voeren onderzoek op het terrein van ouderenbeleid.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Ten behoeve van inzicht in de raming is in onderstaande tabel het aantal fte's en de gemiddelde personele en materiële uitgaven per fte opgenomen. Voor de raming van 2001 is uitgegaan van 67,03 fte's, bestaande uit zowel wetenschappelijk als ondersteunend personeel.

Onderbouwing raming personeel en materieel van het SCP (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Personeel       
Gemiddelde bezetting in fte's59,7463,0367,0366,0366,0366,0366,03
Toegelicht begrotingsbedrag7 3177 0288 1057 9677 9747 9707 974
Gemiddelde prijs per fte122,5113,3120,9120,7120,8120,7120,8
        
Materieel       
Gemiddelde bezetting in fte's59,7463,0367,0366,0366,0366,0366,03
Toegelicht begrotingsbedrag1 154876872801801801801
Gemiddelde prijs per fte19,314,113,012,112,112,112,1

Doelmatigheidskengetallen

In onderstaande tabel wordt een relatie gelegd tussen de uitgaven en de bijbehorende prestaties. Op basis van de geplande capaciteit (78 064 uren in 2001) en het totaal begrotingsbedrag (f 13 192 000,–) wordt een indicatie gegeven van de kosten per productgroep. De geplande capaciteit is gebaseerd op het aantal onderzoekers (55,76 fte) en het gemiddeld aantal productieve uren per jaar en per fte (1400). De kostprijs per onderzoeksuur wordt bepaald door het totaal begrotingsbedrag te delen door de geplande capaciteit.

Raming van Tijdsbesteding en de kosten per productgroep (bedrag kosten x f 1 000,–)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001 
ProductgroepTijd in urenKosten (x f 1 000)Tijd in urenKosten (x f 1 000)Tijd in urenUurprijs (in guldens)Kosten (x f 1 000)
Rapporten/adviezen54 56310 11245 9908 53359 32916910 026
Surveys/modellen6 9561 2899 4501 7539 3681691 583
Presentaties/artikelen6 7171 2455 0409357 0261691 187
Commissiewerkzaamheden1 3502502 5204682 342169396
Totaal69 58612 89663 00011 68978 064 13 192
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22061999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 11 70311 48711 29911 18911 189 
1e Suppletore wet 1010101010 
Nieuwe wijzigingen – 1491 4801 4501 4501 450 
Nieuwe nominale wijzigingen 200215207204210 
Stand ontwerp-begroting 200112 89611 76413 19212 96612 85312 85912  863
Uitgaven in EURO10005 8525 3385 9865 8845 8325 8355 837

Artikel 22.07 Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming

Algemeen

De Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming (IJHV/JB) houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming op basis van de Wet op de jeugdhulpverlening. De inspectie doet, op basis van haar bevindingen, voorstellen tot verbetering van de kwaliteit. Deze voorstellen richten zich in de eerste plaats op de instellingen voor jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. De inspectie rapporteert en adviseert de ministers van VWS en Justitie en de bestuurders van de provinciale en grootstedelijke overheden in verband met hun beleidsbepalende en handhavingstaken. Voorts houdt de inspectie toezicht op vergunningenhouders in het kader van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen. Door toezicht te houden draagt de inspectie bij aan het bevorderen en beschermen van het fundamentele recht van het kind en de jeugdige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling zoals aangegeven in het Verdrag van de rechten voor het kind.

De inspectie hanteert een jaarcyclus voor planning & control. Het meerjarenperspectief en jaarwerkplan worden ter goedkeuring voorgelegd aan de bewindslieden van VWS en Justitie nadat ook de bestuurders van provinciale en grootstedelijke overheden zijn geraadpleegd, allereerst door de inspectie zelf en vervolgens in het Gestructureerd Overleg Jeugdbeleid. Er is een systeem van planning en voortgangsbewaking als proef ingevoerd. Er wordt jaarlijks gerapporteerd over de werkzaamheden en voorstellen die in het belang van de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming worden geacht. Het inrichten van het toezicht door de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming in de op te stellen Wet op de jeugdzorg wordt afgestemd op de uitgangspunten, doelstellingen en uitwerkingen van het beleidskader Wet op de jeugdzorg. Dat krijgt zijn effect in meerjarenbeleid en activiteitenplan van de inspectie. Het toezicht op de toegang tot de jeugdzorg in de bureaus jeugdzorg is een eerste thema voor de inspectie in deze context.

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel4 3224 5094 4744 4414 4394 4434 445
Uitgaven in EUR10001 9612 0462 0302 0152 0142 0162 017

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van de IJHV/JB. De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding en dergelijke. De materiële uitgaven betreffen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering, toezicht, onderzoeken en rapportages.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. De Begrotingswet dient als basis voor de materiële uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de bedrijfshulpverlening (facilitaire uitgaven) zijn gebaseerd op het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 783, 1993).

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn voor 1999 weergegeven de gemiddelde gerealiseerde bezetting en de gerealiseerde gemiddelde prijs per fte. Voor 2000 betreft het de geraamde gemiddelde bezetting en de geraamde gemiddelde prijs per fte.

Voor de jaren vanaf 2001 is op basis van het beschikbare begrotingsbedrag en de geraamde begrotingssterkte de gemiddelde prijs per fte vermeld.

Onderbouwing van de raming voor regulier personeel (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's27,430,530,530,530,530,530,5
Gemiddelde prijs per fte *)133,9130,8128,2127,4127,4127,4127,4
Toegelicht begrotingsbedrag #)3 6693 9893 9103 8873 8873 8873 887

*) Inclusief inhuur externen

#) Bestaande uit P-regulier en P-overig

In de realisatie 1999 zijn in het toegelicht begrotingsbedrag de kosten voor P-regulier en P-overig inbegrepen. De gemiddelde prijs per fte is inclusief de inhuur van externen. In de (personele) raming voor 2000 is rekening gehouden met de overboeking van het ministerie van Justitie ten behoeve van het toezicht ingevolge de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen ter adoptie, waardoor de geraamde gemiddelde bezetting, het toegelicht begrotingsbedrag en de gemiddelde prijs per fte is verhoogd.

Onderstaande tabel geeft een onderbouwing van de materiële uitgaven van de IJHV/JB.

Opbouw van de geraamde materiële uitgaven (bedragen x f 1 000)
 Realisatie1999Raming 2000Raming 2001
Algemene uitgaven195150191
Automatiserings-, beheers- en administratieve kosten458395387
Totaal653545578

Doelmatigheidskengetallen

Verdeling van de werkzaamheden IJHV/JB, (bedragen x f 1 000)
 19992000
Soort activiteitAantal fteKostenAantal fteKosten
Toezichtsactiviteiten13,41 80113,11 711
Jaarverslag, meerjarenplan, e.d.3,03971,9250
Voorwaardenscheppend8,11 09110,01 307
Totaal24,63 28825,03 267

In bovenstaande tabel is een overzicht van de capaciteitsinzet opgenomen, onderverdeeld naar toezichtsactiviteiten, werkzaamheden meerjarenperspectief, jaarverslag, jaarwerkplan, bedrijfsvoeringsplan en voorwaardenscheppende activiteiten. De inspectiewerkzaamheden van de IJHV/JB zijn heterogeen van aard en kennen diverse soorten eindproducten: instellingsrapporten op grond van diverse soorten toezicht, provinciale rapporten, landelijke rapporten, adviezen, signalementen aan provinciale/grootstedelijke en rijksoverheid, brieven aan burgers, veelal cliënten in de jeugdzorg en brieven aan betrokken organisatie in de jeugdzorg. De inzet van inspectiecapaciteit is als indicator op te vatten. De werkzaamheden in de tabel zijn exclusief verlof, ziekteverzuim, openstaande vacatures etc. In deze tabel zijn voor het jaar 2000 nog niet (in tegenstelling tot de eerder opgenomen personele tabel) de toezichtsactiviteiten in het kader van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen ter adoptie opgenomen, omdat in overleg met het ministerie van Justitie is afgesproken fasegewijs kaders te ontwikkelen en het toezicht bij de vergunninghouders op te bouwen en te verdiepen. Voor de concrete output van de inspectie-activiteiten wordt verwezen naar het jaarwerkplan en het jaarverslag van de inspectie.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22071999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 4 3914 3454 3154 3154 315 
1e Suppletore wet 44444 
Nieuwe nominale wijzigingen 114125122120124 
Stand ontwerp-begroting 20014 3224 5094 4744 4414 4394 4434 445
Uitgaven in EUR10001 9612 0462 0302 0152 0142 0162 017

Artikel 22.08 Internationale samenwerking en infrastructuur

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel2 1126 7024 5804 5804 5804 5804 580
Uitgaven in EUR10009583 0412 0782 0782 0782 0782 078

a) De uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor:

– culturele verdragen, memoranda of understanding en overige internationale samenwerkingsovereenkomsten;

– projecten als gevolg van contracten met de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken op grond van Midden- en Oosteuropese landen/nieuwe toetreders tot de EU;

– multilaterale samenwerking;

– internationale congresverplichtingen;

– ondersteuning attachés/ambassademedewerkers bij de permanente vertegenwoordiging van de Europese Unie in Brussel en de ambassade in Washington in de VS;

– vertaling van documenten.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Internationaal gezondheidsbeleid naar int. samenwerking1 1211 1211 1211 121
Totaal onderdeel1 1211 1211 1211 121

Dit uitgavenartikel wordt verhoogd in verband met de overheveling van een aantal subsidies met betrekking tot het internationale volksgezondheidsbeleid. Het uitgavenartikel 25.02, onderdeel 13 wordt met dezelfde bedragen verlaagd.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2208t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  3 4113 4113 4113 4113 411 
1e Suppletore wet  2 122     
Nieuwe wijzigingen  9159659651 1211 121 
Nieuwe nominale wijzigingen  4848484848 
Stand ontwerp-begroting 20013 1066 4964 4244 4244 5804 5804 580 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22081999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 3 4113 4113 4113 4113 411 
1e Suppletore wet 2 122     
Nieuwe wijzigingen 1 1211 1211 1211 1211 121 
Nieuwe nominale wijzigingen 4848484848 
Stand ontwerp-begroting 20012 1126 7024 5804 5804 5804 5804 580
Uitgaven in EUR10009583 0412 0782 0782 0782 0782 078

Artikel 22.09 Adviesraden

Algemeen

Met ingang van 1997 is de kaderwet Adviescolleges van kracht geworden. In het verlengde hiervan worden de uitgaven voor de adviesraden van VWS op een apart begrotingsartikel geraamd.

De door deze raden uitgebrachte adviezen worden altijd betrokken bij de vorming en aanpassing van het beleid van VWS. Het gemiddelde aantal adviezen per jaar is op de volgende pagina's verwerkt in de per adviesraad opgenomen kengetallen. De jaarlijkse werkprogramma's worden in overleg met de betreffende beleidsdirecties opgesteld en door mij vastgesteld.

Hieronder volgt een korte taakomschrijving per adviesraad:

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) ontleent haar taak aan de Wet op de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling. De RMO heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofdlijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen, voor zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers in en de stabiliteit van de samenleving.

De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) ontleent haar taak aan de Wet op de Raad voor de volksgezondheid en zorg. De RVZ heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over de hoofdlijnen van het te voeren beleid op het gebied van de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening alsmede op andere gebieden voor zover deze raakvlakken hebben met de volksgezondheid en de zorggerelateerde dienstverlening.

De Gezondheidsraad (GR) ontleent haar taken aan de Gezondheidswet. De GR heeft tot taak de regering en de beide kamers der Staten-Generaal voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid door middel van het uitbrengen van rapporten. Voor de concrete onderwerpen die deze raad in 2001 ter hand zal nemen, wordt verwezen naar het eveneens in september verschijnende werkplan 2001.

De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) adviseert de regering op het gebied van het gezondheidsonderzoek. De taken van deze raad staan omschreven in het Besluit Raad voor gezondheidsonderzoek. Het aandachtsgebied van de RGO betreft:

– het medisch-wetenschappelijk onderzoek naar vóórkomen, ontstaan, herkennen en preventie van ziekten, behandeling van zieken of verlichting van ziektelast alsmede de hiermee verband houdende ontwikkelingen op het gebied van de technologie;

– het gezondheidsonderzoek omvattende het wetenschappelijk onderzoek naar alle aspecten van het systeem van de gezondheidszorg.

Voor nadere informatie over deze adviesraden wordt verwezen naar zowel de betreffende werkprogramma's als de jaarverslagen.

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling2 5792 7412 6822 6272 6262 6282 628
02 Raad voor de Volksgezondheid en Zorg6 8115 9755 8125 6815 6795 6825 683
03 Gezondheidsraad10 1869 8479 7919 5939 5919 5959 597
04 Raad voor Gezondheidsonderzoek1 1031 2411 1411 1161 1161 1161 117
Totaal artikel20 67919 80419 42619 01719 01219 02119 025
Uitgaven in EUR10009 3848 9878 8158 6308 6278 6318 633

22.09 Onderdeel 01 Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling. De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding en dergelijke. De materiële uitgaven betreffen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering en onderzoeken.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet en de kaderwet Adviescolleges, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de personele uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. Voor de materiële uitgaven dient de Begrotingswet als basis.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Onderbouwing van de raming voor personeel en materieel van de RMO (bedragen x f 1 000)
 Realisatie1999Raming 200020012002200320042005
Personeel       
Gemiddelde bezetting in fte's9,74101010101010
Gemiddelde prijs per fte106110114114114114114
Toegelicht begrotingsbedrag1 0301 1031 1491 1491 1491 1491 149
        
Materieel       
Gemiddelde bezetting in fte's9,74101010101010
Gemiddelde prijs per fte45446363636363
Toegelicht begrotingsbedrag439440630630630630630

In bovenstaande tabel zijn de kosten van raadslieden (f 0,4 miljoen, inclusief materiële uitgaven), buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is ook het beschikbare budget voor flexibele formatie (f 0,5 miljoen) niet opgenomen. Deze flexibele formatie wordt vormgegeven door tijdelijke dienstverbanden.

Doelmatigheidskengetallen

Het werkprogramma van de RMO voor 2001 wordt op de 3e dinsdag van september aangeboden aan de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Gemiddeld bedraagt het programma 4 adviesaanvragen per jaar. De RMO bestaat uit 9 onafhankelijke kroonleden. De voorzitter is 4 dagdelen per week werkzaam voor de RMO en de vice-voorzitter en de raadslieden voor 1,5 dagdelen per week. De raad wordt ondersteund door een secretariaat van 10 formatieplaatsen. Bij de samenstelling van het secretariaat is er nadrukkelijk voor gekozen de omvang beperkt te houden en generalistische medewerkers van hoge kwaliteit aan te stellen. De RMO heeft ruimte in zijn budget om per advies externe specialisten in te huren. Van het vermelden van de gemiddelde kosten per advies is afgezien omdat het geen homogene prestaties betreft.

22.09 Onderdeel 02 Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ). De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding en dergelijke. De materiële uitgaven betreffen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering en onderzoeken.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet en de kaderwet Adviescolleges, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de personele uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. Voor de materiële uitgaven dient de Begrotingswet als basis.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Onderbouwing van de raming van personeel van de RVZ (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's33,532,532,532,532,532,532,5
Gemiddelde prijs per fte114115110107107107107
Toegelicht begrotingsbedrag3 8303 7493 5653 4783 4783 4783 478

In bovenstaande tabel wordt uitgegaan van bruto-bedragen. In de tabel zijn de kosten raadsleden, geraamd op f 0,495 miljoen, buiten beschouwing gelaten.

Doelmatigheidskengetallen

Overzicht van de kosten en prestaties in 2000 (bedragen x f 1 000)
 Capaciteit in fte'sKosten
Personeel  
Directe adviescapaciteit17,51 986
Ondersteunende capaciteit15,01 703
Subtotaal32,53 689
   
Materieel1 685
Raadsleden2,1495
Totaal (P, M en raadsleden)34,65 869
Aantal studies10 – 12  
Aantal adviezen5 – 7 

22.09 Onderdeel 03 Gezondheidsraad

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van de Gezondheidsraad (GR) en de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO). Deze commissie is in het leven geroepen op basis van artikel 14 van de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek en heeft tot taak de medisch-ethische toetsingscommissies te erkennen, alsmede toezicht te houden op de werkzaamheden van deze commissies. De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding en dergelijke. De materiële uitgaven betreffen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering en onderzoeken.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet en de kaderwet Adviescolleges, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de personele uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. Voor de materiële uitgaven dient de Begrotingswet als basis.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Verhoging budget CCMO676676676676
Totaal onderdeel676676676676

Dit artikelonderdeel wordt structureel verhoogd ten behoeve van het vergroten van de capaciteit van de centrale commissie mensgebonden onderzoek (CCMO), welke onder verantwoordelijkheid van de Gezondheidsraad valt. Het uitgavenartikel 25.02, onderdeel 04 wordt met dezelfde bedragen verlaagd

Kengetallen

Ramingskengetallen

In onderstaande tabel zijn voor 1999 en latere jaren de geraamde gemiddelde bezetting en de gemiddelde prijs per fte weergegeven voor enerzijds de Gezondheidsraad en anderzijds de CCMO. De vermelde begrotingssterkte is exclusief plaatsen betaald door derden.

Onderbouwing van de raming voor personeel van de GR (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's53,4553,4553,4553,4553,4553,4553,45
Gemiddelde prijs per fte100110110107107107107
Toegelicht begrotingsbedrag5 3425 9175 8725 7165 7165 7165 716
Onderbouwing van de raming voor personeel van de CCMO (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's *)5,55,59,89,89,89,89,8
Gemiddelde prijs per fte136103123123123123123
Toegelicht begrotingsbedrag *)7479101 2101 2101 2101 2101 210

*) Naast het aantal fte's dat in dit laatste overzicht is opgenomen, worden ook vergoedingen aan commissieleden uit dit personele budget betaald.

Doelmatigheidskengetallen

Overzicht van de kosten en prestaties in 2000 (bedragen x f 1 000)
 Capaciteit in fte'sKosten
Personeel  
Directe adviescapaciteit34,003 929
Ondersteunende capaciteit38,253 198
Subtotaal62,257 127
   
Materieel 2 361
Totaal (P, M en raadsleden) 9 488
Aantal adviezen/rapporten40 

In bovenstaande tabel zijn de gegevens van de Gezondheidsraad en de CCMO samen genomen.

22.09 Onderdeel 04 Raad voor Gezondheidsonderzoek

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op personele en materiële uitgaven van de Raad voor gezondheidsonderzoek (RGO). De personele uitgaven betreffen voornamelijk salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast betreft het overige personele uitgaven zoals bijdrage in de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding en dergelijke. De materiële uitgaven betreffen enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering en onderzoeken.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet en de kaderwet Adviescolleges, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de personele uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies. Voor de materiële uitgaven dient de Begrotingswet als basis.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Juiste niveau van vacatiegelden81818181
Totaal onderdeel81818181

Om de vergoedingen van de leden van de RGO en zijn commissies in overeenstemming te brengen met het vergoedingsregime van de leden van de Gezondheidsraad (GR) wordt dit artikelonderdeel ten laste van uitgavenartikel 25.02, onderdeel 13 verhoogd.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Onderbouwing van de raming voor personeel van het RGO (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1998Raming 199920012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's6,787,016,786,786,786,786,78
Gemiddelde prijs per fte119127122119119119119
Toegelicht begrotingsbedrag807893827806806806806

Doelmatigheidskengetallen

Overzicht van de kosten en prestaties in 2000 (bedragen x f 1 000)
 Capaciteit in fte'sKosten
Personeel  
Directe adviescapaciteit5608
Ondersteunende capaciteit1,78217
Subtotaal6,78825
   
Materieel 238
Totaal 1 063
Aantal adviezen/rapporten5 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U22091999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000 18 52217 74917 35417 35417 354 
1e Suppletore wet 552581581581581 
Nieuwe wijzigingen 412757757757757 
Nieuwe nominale wijzigingen 318339325320329 
Stand ontwerp-begroting 200120 67919 80419 42619 01719 01219 02119 025
Uitgaven in EUR 10009 3848 9878 8158 6308 678 6318 633

HOOFDBELEIDSTERREIN 23 INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

Algemeen

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft tot taak het handhaven van de wet- en regelgeving, het bewaken en bevorderen (primair proces) van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Op grond hiervan heeft en geeft de inspectie inzicht in de staat van de gezondheidszorg.

Dit is verwoord in onderstaande missie:

«Het op basis van de onderscheiden wetten toezien op de volksgezondheid, op zorgsystemen, de geleverde zorg en producten en de veiligheid en toepassing daarvan, op collectief en individueel niveau en daarover (aan overheden en betrokkenen) te rapporteren en adviseren, teneinde de volksgezondheid en de gezondheid van de burger te bevorderen en te beschermen.»

De inspectie, als overheidsinstelling onder verantwoordelijkheid van de Minister, functioneert ten behoeve van de burger, in diens hoedanigheid van consument van zorg en producten. Reden voor deze opdracht is, dat de consument in de zorg in een zekere afhankelijkheidsrelatie verkeert, waardoor zijn keuze vrijheid toch beperkt is. Gezien het belang van de volksgezondheid voor de samenleving en gezondheid als kernwaarde in de samenleving wil de overheid deze bevorderen en beschermen. In dit kader heeft de missie een algemene strekking, waaraan door specifieke wetten meer expliciet inhoud en richting wordt gegeven.

Binnen haar missie houdt de IGZ toezicht op de zorg en op de volksgezondheid, waarbij is inbegrepen het toezicht op de openbare en preventieve gezondheidszorg. De IGZ rapporteert hierover in de Jaarrapportage en in de Staat van de Gezondheidszorg (SGZ), een om de vier jaar uit te brengen document mede op basis van die Jaarrapportages.

De IGZ is een professionele en functioneel onafhankelijke toezichtorganisatie van de overheid.

Onderdelen van de IGZ zijn gecertificeerd (farmaceutische bedrijven van FMT, bedrijfsvoering). Het BIG register was reeds ISO 9002 gecertificeerd.

Artikel 23.01 Personeel en materieel Inspectie gezondheidszorg

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Regulier personeel36 58936 18838 85338 31138 29438 32538 347
02 Overige personele uitgaven7 4804 4571 7561 7541 7541 7551 755
03 Post-actieven9261 3371 5751 5731 5721 5741 574
04 Personeel ten laste van derden1 7091 5841 5831 5811 5801 5811 582
05 Materieel12 05811 9057 0976 9616 9616 9616 961
06 Registratie Wet BIG3 6073 8293 5063 5014 6504 6504 650
07 Huisvesting; verrekening met de Rijksgebouwendienst3 6633 5043 5053 5123 5123 5123 512
08 Additionele taken BIG-register2531 5971 7511 7511 7511 7511 751
Totaal artikel66 28764 40159 62658 94460 07460 10960 132
Uitgaven in EUR100030 08029 22427 05726 74827 26027 27627 287

23.01 Onderdeel 1 Regulier personeel

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast worden de uitgaven voor ouderschapsverlof, overwerk en dergelijke ten laste van dit onderdeel gebracht.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies.

Kengetallen

Ramingskengetallen

In onderstaande tabel zijn voor 1999 de gemiddelde gerealiseerde bezetting en de gerealiseerde gemiddelde prijs per fte weergegeven. Voor 2000 en latere jaren betreft het een raming, gebaseerd op de te verwachten gemiddelde bezetting. De vermelde begrotingssterkte is exclusief plaatsen betaald door derden.

Onderbouwing van de raming voor regulier personeel van de IGZ
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's322,81316,65332332332332332
Gemiddelde prijs per fte113117117115115115116
Toegelicht begrotingsbedrag36 59037 18838 85338 31138 29438 32538 347

(Bedragen per fte in guldens, overige bedragen x f 1 000)

Doelmatigheidskengetallen

Overzicht capaciteitsverdeling van inspecteurs in regionale en in algemene dienst per cluster (werkplan 2000)
ClusterAlg. en Thematisch toezichtInterventie-/crisistoezichtSGZ en jaarrap-portageDienstverleningVoorw. Scheppendvrije margeTotaal
Preventieve en Curatieve Gezondheidszorg7,138,011,041,1811,373,1931,92
Geestelijke gezondheidszorg, Gehandicaptenzorg en Ouderenzorg25,654,381,242,0616,755,5655,65
Farmaceutische Medische Technologie14,692,742,741,1614,193,7725,46
Overig (niet clustergebonden)      3,40
Totaal47,4715,133,394,4042,3112,52128,63

In bovenstaande tabel is per cluster de verdeling van de netto inspecteurscapaciteit (de capaciteit die daadwerkelijk beschikbaar is voor de uitvoering van de inspectieactiviteiten) in fte's over de onderscheiden inspectieactiviteiten weergegeven. De gegevens zijn afkomstig uit het IGZ-werkplan 2000.

Bij de berekening van de nettoinspecteurscapaciteit is rekening gehouden met zaken als openstaande vacatures, inwerken van nieuwe inspecteurs, buitengewoon verlof en langdurige ziekte. Van de totale formatie (inspecteurs) is voor 2000 12% als gevolg hiervan niet inzetbaar. Van de netto-capaciteit is 10% vrij gehouden als buffer voor onvoorziene zaken.

23.01 Onderdeel 02 Overige personele uitgaven

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen: vergoedingen aan personeel van de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, vorming en opleiding, werving en selectie, kinderopvang en dergelijke Tevens worden op dit artikelonderdeel de kosten voor uitzendkrachten en inhuur externen geraamd.

b) De Ambtenarenwet en de Begrotingswet dienen als juridische basis voor de uitgaven.

23.01 Onderdeel 03 Post-actieven

a) Op dit onderdeel worden de uitgaven geraamd bestemd voor de betaling van wachtgeld aan post-actieven (bijvoorbeeld Rijkswachtgeldregeling, korte en lange uitkering 1966).

b) De Ambtenarenwet dient als basis voor de uitgaven.

23.01 Onderdeel 04 Personeel ten laste van derden

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen betalingen van salarissen (inclusief sociale lasten) van ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor derden. Tegenover deze uitgaven staan ontvangsten die verantwoord worden op de ontvangstenartikelen 23.01, onderdeel 03, en 25.01, onderdeel 06.

b) De Ambtenarenwet dient als juridische basis voor de uitgaven.

Kengetallen

De raming is gebaseerd op de thans beschikbare fte's en de daarvoor geraamde bedragen. De in te zetten fte's zijn gerelateerd aan de inkomsten.

In onderstaande tabel zijn voor 1999 gemiddelde gerealiseerde bezetting en de gerealiseerde gemiddelde prijs per fte weergegeven. Voor 2000 en 2001 betreft het de geraamde gemiddelde bezetting en geraamde gemiddelde prijs per fte. De hieronder genoemde formatieplaatsen zijn exclusief de plaatsen ten behoeve van de registratie in het kader van de Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG). Voorts zijn in onderstaande tabel de gerelateerde ontvangstenartikelen opgenomen.

Ramingskengetallen

Overzicht van personeel t.l.v. derden in relatie tot ontvangsten
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Uitgaven   
Gemiddelde bezetting in fte's13,7613,7613,76
Gemiddelde prijs per fte124106106
Toegelicht begrotingsbedrag1 7091 4521 452
    
Ontvangsten   
Vergunning geneesmiddelen (ontvangstenartikel 25.01, onderdeel 06)832832832
Exportverklaringen, opiumverloven, bloed, sera en vaccins (ontvangstenartikel 23.01, onderdeel 03)1 146620620
Totaal ontvangsten1 9781 4521 452

(Bedragen x f 1 000)

23.01 Onderdeel 05 Materieel

a) Op dit onderdeel zijn de materiële uitgaven geraamd ten behoeve van de Inspectie voor de gezondheidszorg. Het betreft enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfkosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van: de bedrijfsvoering zoals gebouwgebonden uitgaven, informatiesystemen en informatie-infrastructuur en uitbesteding. Op dit onderdeel worden tevens uitgaven geraamd ten behoeve van juridische bijstand. In de uitgaven voor onderzoek zijn ook de bijdragen voor onderzoeken door onderzoeksinstellingen begrepen. Het betreft beleidsvoorbereidende onderzoeken in het kader van de signalerings- en adviestaken van de IGZ.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de bedrijfshulpverlening (facilitaire uitgaven) zijn gebaseerd op het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 783, 1993).

Opbouw materieel budget

Onderstaande tabel bevat een overzicht van de opbouw van het materieel budget naar «hoofdcomponenten».

Onderbouwing van de opbouw materieel budget (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Materiële kosten algemeen5 4496 7947 861
Automatiseringskosten2 7606 9002 100
Staat van de gezondheidszorg341600600
Onderzoekingen1 427729729
Registratie psychotherapeuten    
Bulletins150103103
Juridische bijstand97268268
Totaal10 22415 39411 661

23.01 Onderdeel 06 Registratie Wet BIG

a) Op dit onderdeel zijn de personele en materiële uitgaven geraamd ten behoeve van de werkzaamheden voortvloeiend uit de wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (wet BIG). In het kader van de wet BIG is aan de Minister van VWS de taak opgelegd om voor de beroepsbeoefenaren een register in te stellen. Het gaat daarbij om de beroepen die in artikel 3 van de wet worden genoemd: arts, tandarts, apotheker, gezondheidspsycholoog, psychotherapeut, verloskundige fysiotherapeut en verpleegkundige. De uitgaven voor de BIG-registraties zijn een kostendekkende activiteit (zie het ontvangstenartikel 23.01, onderdeel 05).

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

Kengetallen

Voor kengetallen met betrekking tot het aantal registraties wordt verwezen naar de toelichting bij het ontvangstenartikel 23.01, onderdeel 05. Voor de financiering wordt een kostendekkend tarief gehanteerd. Dit tarief bedraagt thans f 130,– per registratie. Gezien de spreiding van het aantal registraties gedurende de eerste periode van tien jaar, lopen de uitgaven en ontvangsten niet parallel. Over de gehele periode heen zijn de ontvangsten en uitgaven gelijk.

23.01 Onderdeel 07 Huisvesting

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de verrekening van de huisvestingsuitgaven van de regionaal gehuisveste inspecties van de IGZ (en eventuele «inwonende» diensten) met de Rijksgebouwendienst (RGD), voor zover deze direct of indirect samenhangen met de huurcontracten, zoals die met de RGD zijn gesloten.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Overboeking van Vrom tbv huisvestingskosten37373737
Totaal onderdeel37373737

Overboeking van het ministerie van Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met betrekking tot de service budgetten van huurpanden in den lande bij deze inspectie.

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn kengetallen opgenomen ten aanzien van het vorig jaar van de RGD overgehevelde budget met betrekking tot huisvestingskosten.

Onderbouwing huisvestingskosten IGZ
 2001200220032004
Gemiddelde bezetting in FTE's *)206210215215
Toegelicht begrotingsbedrag3 4683 4753 4753 475
Kosten per FTE16,816,516,116,1

(Bedragen x f 1 000)

* In de hier gepresenteerde cijfers zijn de in Den Haag gehuisveste FTE's niet opgenomen. Dat aantal wordt op artikel 22.01, onderdeel 06 verantwoord.

23.01 Onderdeel 08 Additionele taken BIG-register

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de additionele taken die door het BIG-register worden uitgevoerd. Het betreft met name de volgende activiteiten: de registratie van paramedici, jeugdzorg (CIJ/SRJ) en behandeling van verzoeken om vakbekwaamheid van buitenlandse gediplomeerden.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Overheveling taken naar BIG-register1 0251 0251 0251 025
Totaal onderdeel1 0251 0251 0251 025

Dit artikelonderdeel wordt ten laste van de uitgavenartikelen 25.01, onderdeel 02 en 25.02, onderdeel 04 verhoogd in verband met de uitbreiding van taken van het BIG register op het gebied van vakbekwaamheids-verklaringen van buitenlands gediplomeerden.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2301t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  55 13454 13853 74954 89854 898 
1e Suppletore wet  5 8762 7512 7512 7512 751 
Nieuwe wijzigingen  1 1281 0621 0621 0621 062 
Nieuwe nominale wijzigingen  1 3341 4251 3821 3631 398 
Stand ontwerp-begroting 200183764 59763 47259 37658 94460 07460 10960 132
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2301 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  56 06354 38853 74954 89854 898 
1e Suppletore wet  5 8762 7512 7512 7512 751 
Nieuwe wijzigingen  1 1281 0621 0621 0621 062 
Nieuwe nominale wijzigingen  1 3341 4251 3821 3631 398 
Stand ontwerp-begroting 2001 66 28764 40159 62658 94460 07460 10960 132
Uitgaven in EUR1000 30 08029 22427 05726 74827 26027 27627 287

HOOFDBELEIDSTERREIN 24 WELZIJN

Algemeen

Het welzijnsbeleid heeft als doel het op individueel niveau bevorderen van zelfstandigheid, onafhankelijkheid en sociale participatie en het op het niveau van de samenleving bevorderen van een evenwichtige ontwikkeling, sociale cohesie en solidariteit, oftewel het voorkomen en oplossen van maatschappelijke problemen.

Artikel 24.02 Ouderenbeleid

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Doeluitkering Wet op de bejaardenoorden0000000
02 Verzorgingshuizen met een bijzondere functie244000000
03 Overige uitgaven bejaardenoorden0000000
04 Algemeen ouderenbeleid29 83867 52946 58143 12744 47845 55245 552
Totaal artikel30 08367 52946 58143 12744 47845 55245 552
Uitgaven in EUR100013 65130 64321 13819 57020 18320 67120 671

Algemeen

Het beleid is gericht op:

– het gemakkelijker maken en prikkels te geven om de beschikbare middelen voor verpleging en verzorging flexibel en vraaggericht in te zetten;

– het oplossen van knelpunten in het functioneren van het bestaande zorgaanbod en producenten te prikkelen om de beschikbare middelen doelmatig in te zetten;

– het bevorderen van de participatie van kwetsbare ouderen en het ontwikkelen van een visie op de vergrijzing.

Met de middelen op het artikelonderdeel 04 worden de eerste twee doelstellingen in de zorg ondersteund en wordt de derde doelstelling gefaciliteerd.

24.02 Onderdeel 01 Doeluitkering Wet op de bejaardenoorden

a) Op dit onderdeel was sprake van nabetalingen als gevolg van voor 1997 verstrekte specifieke uitkeringen voortvloeiende uit de wet op de Bejaardenoorden aan de provincies en de vier grote steden. Voor 2001 worden in dit kader geen betalingen meer verwacht.

b) De Overgangswet verzorgingshuizen, alsmede de Begrotingswet, diende als basis voor de afhandeling.

24.02 Onderdeel 02 Verzorgingshuizen met een bijzondere functie

a) Op dit onderdeel was sprake van de afhandeling van nabetalingen en afrekeningen betreffende de subsidiëring van de verzorgingshuizen met een bijzondere functie (de zogenaamde landelijke verzorgingshuizen). Voor 2001 worden in dit kader geen betalingen meer verwacht.

b) De op de Overgangswet verzorgingshuizen gebaseerde Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring verzorgingshuizen, alsmede de Begrotingswet, diende als basis voor de afhandeling.

24.02 Onderdeel 03 Overige uitgaven bejaardenoorden

a) Op dit onderdeel was sprake van betalingen van compensatiemiddelen aan de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ten behoeve van een aantal specifieke projecten. Voor 2001 worden in dit kader geen betalingen meer verwacht.

b) De Overgangswet verzorgingshuizen, alsmede de Begrotingswet, dient als basis van de afhandeling.

24.02 Onderdeel 04 Algemeen ouderenbeleid

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen subsidies op basis van genormeerde bedragen ten behoeve van de verzorging van in bejaardenpensions woonachtige ouderen, innovatief ouderenbeleid – inclusief samenhangende aspecten van thuiszorg – door middel van projecten, experimenten en onderzoek, en structurele subsidies ten behoeve van landelijke organisaties en overige uitgaven als gevolg van opdrachten c.q. privaatrechtelijke overeenkomsten. Inhoudelijk richtinggevend zijn in beginsel hierbij de programmalijnen uit de Welzijnsnota «Werken aan Sociale Kwaliteit».

Wat betreft de procedures van het projecten- en onderzoeksbeleid wordt rekening gehouden met de aanbevelingen van een uitgevoerd evaluatie onderzoek inzake het in de tweede helft van de jaren 1990 gevoerde projecten- en onderzoeksbeleid op het gebied van Ouderenbeleid. De aanbevelingen betreffen onder andere de implementatiemogelijkheden van projecten en onderzoeken en het belang van een programmatische aanpak.

Met name op het gebied van onderzoek worden deze gelden zoveel mogelijk besteed door middel van langer lopende onderzoeksprogramma's. In dit verband moeten genoemd worden de tienjarige longitudinale studie LASA, het NWO-programma Succesvol Ouder Worden, en verschillende door Zorgonderzoek Nederland (ZON) uitgevoerde programma's. Ook de ondersteuning van het Instituut voor Wonen en Zorg (IWZ) voor verschillende innovatieve vormen van wonen met zorg van ouderen past in dit kader. Met het nader concretiseren van de programmalijnen van de Welzijnsnota zal programma-gewijs besteden van gelden meer en meer het leidend principe zijn.

Versterking van de welzijnscomponent in de ouderenzorg (waarvoor meer aandacht mede noodzakelijk wordt naarmate het langer zelfstandig wonen van zorgbehoevende ouderen een grotere plaats inneemt), intensivering van ondersteuning van gemeenten bij het voeren van een integraal ouderenbeleid, en meer aandacht voor de bijdrage die vitale ouderen aan de samenleving kunnen leveren («human capital») zijn voor 2001 belangrijke aspecten van het innovatiebeleid.

Ten aanzien van het intersectoraal ouderenbeleid merk ik het volgende op.

Als gevolg van demografische ontwikkelingen vormen ouderen een steeds groter deel van de bevolking. In het ouderenbeleid heeft hierdoor in de loop der jaren een koerswijziging plaatsgevonden. Het accent ligt steeds meer op integraal, inclusief beleid en minder op apart ouderenbeleid. Beleid dient zich te richten op voorwaarden voor maatschappelijke participatie en adequate zorg voor wie daarop is aangewezen. Binnen het algemene beleid van het kabinet dient de specifieke positie van ouderen gewaarborgd te worden (zoals onder andere verwoord in de Welzijnsnota «Werken aan sociale kwaliteit» en in de kabinetsreactie op het WRR-rapport«Generatiebewust beleid»).

Bij de discussie over vergrijzing is er nog vaak sprake van een onnodige en onwenselijke problematisering. Deze problematisering zal bestreden moeten worden. Veranderingen in de bevolkingssamenstelling hebben meerdere, met name sociaal culturele dimensies. De discussie zal daarom veel meer in de richting moeten gaan van een samenleving voor alle leeftijden, zoals die ook internationaal wordt gepropageerd. Sociale cohesie en sociale kwaliteit zijn daarbij sleutelbegrippen. Lagere overheden en maatschappelijke organisaties hebben hierin een belangrijk aandeel. In de komende periode zal gewerkt gaan worden aan een nadere verheldering van de rollen, taken en verantwoordelijkheden van de afzonderlijke partijen op dit terrein.

Nu het ouderenbeleid op diverse niveaus vorm krijgt komt de samenwerking tussen betrokkenen (binnen en tussen departementen, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties) nadrukkelijker in beeld. In juli 2000 is het project Intersectoraal Ouderenbeleid gestart om hiertoe, in samenspraak met betrokkenen, specifieke activiteiten en werkwijzen te ontwikkelen.

Zo wordt, om alle onderdelen van het ouderenbeleid in hun onderlinge samenhang te kunnen bezien, een «monitor ouderenbeleid» ontwikkeld en ingesteld. Vanuit een centraal punt binnen het ministerie van VWS worden met en tussen de diverse partijen werkafspraken gemaakt over informatie over en samenhang van beleid, evenals over gesignaleerde knelpunten. De SCP rapportage ouderen, die begin 2001 verschijnt, zal hierbij nadrukkelijk aan de orde komen.

Doel van de monitor is om in zowel coördinatie en wederzijdse informatievoorziening als signalering van knelpunten te voorzien. Om adequaat op actuele thema's in te kunnen inspelen kunnen binnen de monitor accenten gelegd worden.

Doelstelling van het ouderenbeleid blijft de participatie van ouderen, zowel maatschappelijk als op de arbeidsmarkt. Aan de coördinatie van het beleid ten aanzien van de diverse vormen van participatie van ouderen zal hoge prioriteit worden gegeven.

Voor kwetsbare ouderen kan ouderenadvisering, in welke vorm dan ook, een belangrijke bijdrage leveren aan de mogelijkheden om te participeren. Op het terrein van ouderenadvisering vinden vele goede initiatieven plaats maar over de plaats en inhoud van deze functie is nog veel onduidelijkheid en discussie. Inmiddels is het stimuleringsprogramma ouderenadvisering gestart met als doel om hierin meer duidelijkheid in te verkrijgen.

Het overgrote deel van de onderwerpen die passen in het Intersectoraal Ouderenbeleid hebben een plaats gevonden in de programmalijnen van de Welzijnsnota. Een ander deel bestaat uit onderzoek naar de mogelijkheden van gemengde privaat-publieke financieringsvormen op een aantal voor ouderen relevante terreinen. Aan de bestrijding van de wachtlijsten zal intensief aandacht worden besteed.

In verband met de verdere implementatie van de in 1997 ingezette indicatiestelling nieuwe stijl in de sector verpleging en verzorging, en de gefaseerde verbreding met sectoren gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg loopt het project indicatiestelling door in 2001.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt voor het merendeel van de aangelegenheden plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat de Kaderwet volksgezondheidssubsidies zal dienen als basis. In een aantal gevallen vindt de wijze van bekostiging plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Toevoeging beheerskosten indicatiestelling20 00020 00020 00020 000
2 Herschikking ivm uit te voeren onderzoek door SCP– 30    
3 Overheveling naar Zon tbv onderzoek ouderenbeleid– 557– 240  
4 Wachtlijstbestrijding (uit MJA V&V)3 800   
Totaal onderdeel23 21319 76020 00020 000

Toelichting

1 Voor de verpleeghuizen en verzorgingshuizen worden om de toegang tot de zorg te beheersen structureel extra middelen beschikbaar gesteld ten behoeve van professionele en uniforme indicatiestelling. Hiermee worden zowel het aantal indicaties vergroot, als de kwaliteit van de indicaties, de bedrijfsvoering, registratie en informatisering verbeterd.

2 Overheveling naar uitgavenartikel 22.06 in verband met een door het SCP uit te voeren onderzoek op het terrein van ouderenbeleid.

3 Overheveling naar het PEO-uitgavenartikel 25.02, onderdeel 15 in verband met een via de ZON uit te voeren onderzoek op het terrein van ouderenbeleid.

4 Overheveling uit de MJA-ruimte verpleging en verzorging ten behoeve van het bestrijden van wachtlijsten.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2402t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  21 57523 20323 44324 73325 780 
1e Suppletore wet  5 987– 3 194– 2 680– 1 200– 1 000 
Nieuwe wijzigingen  35 94422 71319 26019 90020 000 
Nieuwe nominale wijzigingen  1 172821831853898 
Stand ontwerp-begroting 200191735 79664 67843 54340 85444 28645 67845 678
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2402 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  23 52323 24623 24424 31625 354 
1e Suppletore wet  8 330– 700– 700– 700– 700 
Nieuwe wijzigingen  34 84423 21319 76020 00020 000 
Nieuwe nominale wijzigingen  832822823862898 
Stand ontwerp-begroting 2001 30 08367 52946 58143 12744 47845 55245 552
Uitgaven in EUR1000 13 65130 64321 13819 57020 18320 67120 671

Artikel 24.03 Gehandicaptenbeleid

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel29 47541 04240 29640 25840 25940 25940 259
Uitgaven in EUR100013 37518 62418 28618 26818 26918 26918 269

Algemeen

Het gehandicaptenbeleid heeft als algemene doelstelling het ontwikkelen, het (doen) uitvoeren en evalueren van beleid gericht op het bevorderen van een kwalitatieve, doelmatige en vraaggestuurde ondersteuning en begeleiding aan gehandicapten en op het bevorderen van een samenhangend overheidsbeleid voor de doelgroep door het realiseren van afstemming tussen betrokken overheidsinstanties.

De financiële middelen voor deze doelstelling worden voor het grootste gedeelte in het kader van de AWBZ ter beschikking gesteld. Verantwoording daarvan vindt plaats in de Zorgnota 2001. De begrotingsmiddelen voor gehandicaptenbeleid zijn in verhouding tot de premiemiddelen gering. Ter vergelijking: in 2001 zal van de uitgaven in de gehandicaptenzorg f 7 miljard uit de premieontvangsten en f 40,0 miljoen uit de begrotingsmiddelen worden betaald.

a) De op dit begrotingsartikel geraamde uitgaven worden gedaan op grond van de Welzijnswet, Begrotingswet en de Kaderwet Volksgezondheid. Voor de uitgaven op grond van de Welzijnswet is de in april 1999 uitgebrachte Welzijnsnota 1999–2002 met de daarin genoemde programmalijnen uitgangspunt. In de Welzijnsnota worden de volgende programmalijnen genoemd:

– Participatie en toegankelijkheid;

– Voorkomen van sociale uitsluiting;

– Lokaal sociaal beleid;

– Professionaliteit en kwaliteit van voorzieningen;

– Onderzoek, monitoring en informatievoorziening.

In totaal gaat ongeveer f 15 miljoen van de begrotingsmiddelen voor de gehandicaptenzorg naar deze programmalijnen waarvan circa f 11 miljoen naar de programmalijn «Participatie en toegankelijkheid». Hiervan gaat het merendeel via structurele subsidies naar belangenbehartiging (verenigingen van ouders van gehandicapten, gehandicaptenraad, etc.).

In het kader van de welzijnsnota 1999–2002 worden twee stimuleringsprogramma's op het gebied van community care voor mensen met een handicap uitgevoerd.

– het landelijk programma community care gericht op vernieuwende ondersteuning door middel van voorbeeldprojecten (pilots) in de regio van mensen met een (ernstige) verstandelijke handicap;

– het project community care voor mensen met lichamelijke beperkingen door gemeenten en algemene dienstverleners.

Het landelijk programma community care omvat drie hoofdlijnen, namelijk:

– vormgeven van pilots waarin categoriale zorgaanbieders in een samenspel met andere voorzieningen de gevraagde ondersteuning van mensen met een handicap realiseren;

– monitoring van deze pilots en verspreiding van ervaringen en inzichten via een landelijk informatiepunt;

– ontwikkeling van concrete handreikingen voor de aanpak van community care via landelijke en regionale platforms.

Naast de aandacht voor mensen met en verstandelijke handicap zal gaandeweg ook een verbreding naar mensen met een ernstige lichamelijke handicap plaatsvinden.

Het project community care gemeenten en algemene dienstverleners is vooral gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van breed toepasbare werkwijzen, methoden en informatie op het gebied van de zorg- en dienstverlening aan mensen met ernstige lichamelijke beperkingen ten behoeve van de toerusting van algemene dienstverlenende organisaties en beroepsbeoefenaren.

De monitoring en kennisverspreiding van de beide stimuleringsprogramma's programma vindt plaats via een landelijke informatiepunt community care.

Naast financiering op grond van de Welzijnswet vindt in toenemende mate financiering plaats op basis van de Kaderwet Volksgezondheid. Dit hangt onder andere samen met de introductie van de meerjarenafspraken. In totaal gaat het hier om circa f 19 miljoen. Op basis van deze Kaderwet worden bijvoorbeeld het Landelijk Centrum Indicatiestelling Gehandicaptenzorg en het kwaliteitsfonds voor de gehandicaptenzorg gefinancierd. Van de f 19 miljoen wordt circa f 3 miljoen besteed aan onderzoek en informatievoorziening op het terrein van de zorg. Voor het geval hierbij sprake is van opdrachtverlening door VWS worden de uitgaven gedaan op basis van de begrotingswet. Genoemd kunnen onder andere worden het onderzoek naar de nieuwe bekostigingssystematiek in de gehandicaptenzorg en het onderzoek naar benchmarking.

Tot slot wordt voor een bedrag van ongeveer f 5 miljoen subsidie verleend voor uitvoerend werk in de gehandicaptenzorg. Het betreft voornamelijk maatschappelijk werk voor doven maar ook subsidies aan het Rode Kruis en de Zonnebloem.

b) De Welzijnswet 1994 en de Kaderwet Volksgezondheidssubsidies dienen als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid, het Besluit Volksgezondheidssubsidies, de Subsidieregeling welzijnsbeleid en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, zoals de uitgaven in het kader van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende meervoudig en ernstig lichamelijk gehandicapte kinderen (TOG-regeling), die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994 en de Kaderwet Volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Naar premie tbv proj. PGB-lichamelijk gehandicapten– 2 300– 2 300– 2 300– 2 300
Totaal onderdeel– 2 300– 2 300– 2 300– 2 300

Verlaging in verband met de financiering vanuit de premiesector van pilotprojecten persoonsgebonden budget in de sector lichamelijk gehandicapten.

Kengetallen/Volume- en prestatiegegevens

De volgende kengetallen zijn van instellingen in het kader van het uitvoerend werk ten behoeve van gehandicapten, die subsidie ontvangen.

Intensieve pleegzorg

Intensieve pleegzorg heeft als doelstelling verstandelijk gehandicapte kinderen met psychische en/of gedragsproblemen de mogelijkheid te bieden in een pleeggezin te wonen als alternatief voor langdurige internaatsopvoeding. De pleegouders worden gedurende de eerste twee jaren van de plaatsing intensief begeleid door een gespecialiseerde pleeggezinbegeleider die werkt vanuit een multidisciplinair samengesteld begeleidingsteam. De begeleiding is er op gericht pleegouders te ondersteunen bij het ontwikkelen van een passende houding (bejegening) en aanpak in de opvoeding van hun verstandelijk gehandicapte pleegkind met gedragsproblematiek. De verhoging van het aantal behandelingen in 2000 en 2001 is het gevolg van de uitbreiding van de intensieve pleegzorg in het kader van de meerjarenafspraken. De intensieve pleegzorg wordt in 2001 gesubsidieerd met f 0,5 miljoen.

Overzicht m.b.t. intensieve pleegzorg
 Realisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Aantal behandelingen20203040

Voor overige volume- en prestatiegegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 6, met bijbehorende bijlage B 6, van de Zorgnota 2001, waarin gedetailleerd wordt ingegaan op gebruik en capaciteit op dit beleidsterrein.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2403t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  35 63039 88539 84939 85039 850 
1e Suppletore wet  3 8008631 2631 2631 263 
Nieuwe wijzigingen  115– 2 300– 2 300– 2 300– 2 300 
Nieuwe nominale wijzigingen  2 0761 4481 4471 4461 446 
Stand ontwerp-begroting 20013 04132 89241 62139 89640 25940 25940 25940 259
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2403 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  35 82839 88539 84939 85039 850 
1e Suppletore wet  3 9131 2631 2631 2631 263 
Nieuwe wijzigingen   – 2 300– 2 300– 2 300– 2 300 
Nieuwe nominale wijzigingen  1 3011 4481 4461 4461 446 
Stand ontwerp-begroting 2001 29 47541 04240 29640 25840 25940 25940 259
Uitgaven in EUR1000 13 37518 62418 28618 26818 26918 26918 269

Artikel 24.04 Jeugdbeleid

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Doeluitkering Wet op de jeugdhulpverlening1 084 8081 175 7661 184 5641 196 5701 196 5651 196 5641 196 564
02 Overige uitgaven jeugdhulpverlening101 06381 38895 50698 86998 92298 92398 923
03 Overige uitgaven jeugdbeleid264 828280 576394 160404 079146 463146 458146 458
Totaal artikel1 450 6991 537 7301 674 2301 699 5181 441 9501 441 9451 441 945
Uitgaven in EUR1000658 299697 791759 732771 208654 328654 326654 326

Algemeen

Het jeugdbeleid heeft als algemene doelstelling de kansen van jeugdigen te bevorderen en uitval tegen te gaan. Het versterken van de maatschappelijke positie van jeugdigen en het bevorderen van participatie in de samenleving zijn belangrijke elementen in dit beleidsperspectief. De kerntaken van het jeugdbeleid zijn:

– Het signaleren, analyseren en politiek bespreekbaar maken van ontwikkelingen in de maatschappij in hun effecten voor het jeugdbeleid en van de effecten van het jeugdbeleid op ontwikkelingen in de maatschappij;

– Zorg dragen voor de instandhouding en innovatie van het jeugdstelsel en de bijbehorende structuren, instanties en functies;

– Afstemming van het jeugdbeleid door het creëren en in stand houden van netwerken met andere overheden, maatschappelijke organisaties en internationale circuits.

Deze kerntaken zijn gericht op:

– Versterking van de maatschappelijke positie en participatie van jeugdigen;

– Verbetering van de structuur en de kwaliteit van het jeugdstelsel in het bijzonder kinderopvang en de preventieve en curatieve jeugdzorg;

– Versterking van de positie van gebruikers van het jeugdstelsel;

– Versteviging van de bestuurlijke samenhang in het jeugdstelsel.

Het parlement wordt jaarlijks onder meer geïnformeerd door middel van een Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg. Voor gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de meest recente rapportage, de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2001–2004, welke gelijktijdig met deze begroting wordt aangeboden.

24.04 Onderdeel 01 Doeluitkering Wet op de jeugdhulpverlening

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen de aan de provincies en de als provincie aangemerkte grootstedelijke regio's verstrekte doeluitkeringen ter bestrijding van de kosten van de regionale jeugdhulpverleningsvoorzieningen en samenwerkingsverbanden. Tegenover de uitgaven in het kader van de doeluitkering staan ontvangsten inzake ouderbijdragen die zijn gebaseerd op de Wet op de jeugdhulpverlening (ontvangstenartikel 24.03, onderdeel 02), desinvesteringen (ontvangstenartikel 24.03, onderdeel 03) en bijdragen van het Ministerie van Justitie aan de samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening (ontvangstenartikel 24.02, onderdeel 02). Tegenover de uitgaven staan tevens ontvangsten voortvloeiend uit het afrekenen van in voorgaande jaren verstrekte subsidievoorschotten (ontvangstenartikel 24.01, onderdeel 01).

b) De basis voor de doeluitkering wordt gevormd door de Wet op de jeugdhulpverlening.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Wijziging doeluitkering709709709709
Totaal onderdeel709709709709

Aanpassing van de doeluitkeringen van de provincies Friesland en Noord-Holland. Dekking is gevonden door artikelonderdeel 02 van dit artikel met dezelfde bedragen te verlagen.

Ramingskengetallen

In aansluiting op de uitgangspunten van de Wet op de jeugdhulpverlening hechten provincies en grootstedelijke regio's aan een versterking van de ambulante hulpverlening en, mede op basis van Regie in de Jeugdzorg, een versterking van de toegang tot de jeugdzorg. Het door provincies en grootstedelijke regio's beschikbaar gesteld bedrag voor ambulante hulpverlening en toegang neemt toe. Het bedrag voor pleegzorg en dagbehandeling blijft nagenoeg gelijk. Daarentegen neemt het bedrag voor residentiële hulpverlening geleidelijk af.

In de jeugdzorg is de systematiek van meerjarenafspraken geïntroduceerd om de verdere doorvoering van het vernieuwingsproces en Regie in de jeugdzorg te bewaken ten tijde van de ontwikkeling van de Wet op de jeugdzorg. Deze wet zal de Wet op de jeugdhulpverlening op termijn vervangen. Het Beleidskader Wet op de jeugdzorg – de basis voor de nieuwe wet – is op 26 juni 2000 in de Tweede Kamer besproken. De algemene reacties van de verschillende fracties waren positief. De implementatie in beleid en praktijk, zoals in hoofdlijnen in het beleidskader beschreven, wordt in overleg met de betrokken partners uitgewerkt. Verder wordt de komende periode het formuleren van het wetsvoorstel ter hand genomen. Volgens planning zal het wetsvoorstel in januari 2001 naar de formele adviesorganen worden gezonden.

In de Meerjarenafspraken jeugdzorg 2000–2002 zijn met betrekking tot vier thema's afspraken over de per 1 januari 2003 te behalen resultaten gemaakt:

– de vorming en verdere inrichting van de Bureaus Jeugdzorg (BJZ);

– de vorming en verdere inrichting van de Advies- en meldpunten kindermishandeling (AMK's);

– de aanpak van capaciteitsknelpunten, met als specifieke insteek de versterking van de ambulante hulpverlening en de invoering van een flexbudget;

– de aansluiting jeugdzorg – lokale/regionale jeugdvoorzieningen.

Basis voor de meerjarenafspraken vormt de inzet van de extra middelen jeugdzorg, welke vanuit het Regeerakkoord 1998 en de de opbrengst van de fiscalisering van de omroepbijdragen beschikbaar zijn gekomen. Deze middelen worden de komende jaren aan de doeluitkering jeugdhulpverlening toegevoegd. Wat betreft de ambulante hulpverlening, valt in het Beleidskader Wet op de jeugdzorg de licht ambulante jeugdzorg– in de Wet op de jeugdhulpverlening nu nog licht ambulante jeugdhulpverlening onder het regime van het zorgaanbod. Daarmee krijgt het een plaats binnen de modularisering en zorgprogrammering van het gehele zorgaanbod. Bij de bovengenoemde implementatie in beleid en praktijk wordt dit verder uitgewerkt.

Verder is de pleegvergoeding met terugwerkende kracht per 1 januari 2000 geïndexeerd (Stc. 16 juni 2000, nr. 114), wat neerkomt op een extra bijdrage van f 0,6 miljoen structureel vanaf 2000 voor het VWS-aandeel. Door de Ministeries van VWS en Justitie wordt gewerkt aan een aanpassing van de regelgeving waardoor een structurele indexering van de pleegvergoeding zal plaatsvinden vanaf 2001.

Tabellen

In de onderstaande tabellen worden volume- en financiële ontwikkelingen bij de verstrekte doeluitkeringen aan de provincies en de grootstedelijke regio's weergegeven. Het gaat om de gezamelijke doeluitkering voor de regionale hulpverlening van de ministeries VWS en van Justitie (verhouding circa 93% VWS en 7% Justitie). De capaciteit heeft betrekking op het aantal plaatsen of bedden. Gelet op de aangeboden voorzieningen is dit bij ambulant niet van toepassing en wordt alleen de ontwikkeling in budget geschetst. De onderstaande gegevens zijn afkomstig van provincies en grootstedelijke regio's zelf. Naar verwachting neemt door de invoering van de Planning en Controlcyclus in de jeugdhulpverlening de beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de capaciteits- en budgetgegevens toe.

Tabel Ia: Inzet doeluitkering Jeugdhulpverlening (pleegzorg), per provincie/regio, over de jaren 1998–2001 (bedragen x f 1 000)
PleegzorgRealisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
 BedragCap. BedragCap. BedragCap.BedragCap.
Provincie/regio        
Groningen5 2863454 8893455 2103485 141348
Friesland5 7923105 6833105 5553105 504295
Drenthe3 0451993 5812223 4452153 581222
Overijssel5 9803946 1743946 1043946 167394
Gelderland14 88590415 17490414 52486613 986900
Flevoland1 8091182 7861782 2321782 786178
Utrecht7 6744937 1004937 6044937 743493
Noord-Holland6 1965297 8315467 2145467 592507
Zuid-Holland9 19556910 26255810 82159810 759578
Zeeland4 1932834 2752834 2422834 358283
Noord-Brabant17 6141 27018 5711 24618 3471 24618 5151 246
Limburg7 8915737 9915457 1635106 795510
Amsterdam14 18889613 15682414 87188914 527893
Rotterdam12 5638599 42970111 82370110 649658
Haaglanden7 0204717 5454777 4524777 562477
Totaal123 7818 213124 4478 026126 6068 054125 6657 982

Het totale bedrag dat jaarlijks door provincies en grootstedelijke regio's besteed wordt aan pleegzorg blijft in de periode 1998–2001 nagenoeg gelijk (circa f 125 miljoen). Er is sprake van een lichte daling in capaciteit. Dit is veelal het gevolg van hogere kosten per plaats door onder andere een intensievere begeleiding per plaats.

Tabel Ib: Inzet doeluitkering Jeugdhulpverlening (dagbehandeling), per provincie/regio, over de jaren 1998–2001 (bedragen x f 1 000)
DagbehandelingRealisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
 BedragCap. BedragCap. BedragCap.BedragCap.
Provincie/regio        
Groningen7 6101587 5111588 1911667 795144
Friesland7 7811378 0321377 7701376 449110
Drenthe5 9651388 3081918 0201918 308191
Overijssel19 49636922 70638219 37436824 528414
Gelderland25 11548825 29448825 63355322 791468
Flevoland4 313449 9672794 280849 967279
Utrecht16 32931914 20031914 28631914 297317
Noord-Holland17 00437720 14438919 74738921 594389
Zuid-Holland16 32928618 06134418 25736018 087368
Zeeland6 4081146 0761146 0971146 571114
Noord-Brabant30 78060429 22660131 17160130 142607
Limburg28 92154124 47351224 02954423 191490
Amsterdam28 78552226 14254524 11753524 013500
Rotterdam18 81139218 84639218 81139220 824400
Haaglanden14 30031113 90628813 95929513 907295
Totaal247 9124 800252 8925 139243 7425 048252 4645 086

Het totale bedrag dat jaarlijks door provincies en grootstedelijke regio's besteed wordt aan daghulp varieert in de periode 1998–2001 rond de f 250 miljoen. De capaciteit stabiliseert zich in deze periode op ruim 5 000 plaatsen.

Tabel Ic: Inzet doeluitkering Jeugdhulpverlening (residentieel), per provincie/regio, Over de jaren 1998–2001 (bedragen x f 1 000)
ResidenteelRealisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
 BedragCap. BedragCap. BedragCap.BedragCap.
Provincie/regio        
Groningen13 75123113 81821513 62820313 092183
Friesland24 15925824 23025023 43825020 413211
Drenthe14 25518912 30317812 14418112 303170
Overijssel38 80245235 64440636 98743934 557395
Gelderland61 21388464 47388462 34888260 199878
Flevoland9 7891059 4281139 0731139 428113
Urecht38 82248537 00048535 94348538 322493
Noord-Holland36 77250737 51750235 79449736 769497
Zuid-Holland34 51142632 09242131 78242030 780406
Zeeland6 630886 642896 260896 50289
Noord-Brabant79 71796172 99096074 99596073 804970
Limburg55 63172350 73666152 01968847 074648
Amsterdam41 30062743 94660638 31969647 762659
Rotterdam45 33262543 03361845 01662548 824611
Haaglanden27 92641227 08634226 18334224 605342
Totaal528 6116 973510 9386 730503 9296 870504 4346 665

Ten opzichte van 1998 beramen de provincies en grootstedelijke regio's in 2001 ruim f 24 miljoen minder aan residentiële hulp. In samenhang hiermee wordt in deze periode ook de capaciteit met ruim 300 plaatsen verminderd tot circa 6 660 plaatsen. De totale bijdrage aan residentiële hulp bedraagt in 2001 naar verwachting ruim f 500 miljoen. De vermindering van de bijdrage aan residentiële hulp is door provincies en grootstedelijke regio's met name aangewend voor versterking van de ambulante hulp en voor versterking van de toegang tot de jeugdzorg.

Tabel Id: Inzet doeluitkering Jeugdhulpverlening (ambulant), per provincie/regio, over de jaren 1998–2001 (bedragen x f 1 000)
Preventief/AmbulantRealisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Provincie/regio    
Groningen5 0637 6108 20411 876
Friesland5 8887 5414 83713 257
Drenthe3 0794 5943 1995 269
Overijssel7 47010 2859 47813 832
Gelderland19 58024 77423 20031 332
Flevoland3 6674 5344 9484 534
Utrecht10 06912 1009 81017 807
Noord-Holland9 09910 32412 37714 992
Zuid-Holland13 54215 39014 84619 048
Zeeland3 4864 7475 7286 241
Noord-Brabant17 25820 43024 84830 134
Limburg12 00017 47313 03620 334
Amsterdam25 18834 88530 93938 321
Rotterdam5 91915 1798 21816 214
Haaglanden5 5878 6607 43113 084
Totaal146 896198 526181 099256 275

In 2001 besteden de provincies en grootstedelijke regio's naar verwachting ruim f 256 miljoen aan ambulante hulp. Dit is bijna f 110 miljoen meer dan in 1998. Deze toename is het gevolg van het beleid gericht op versterking van de toegang tot de jeugdzorg en de ambulante hulpverlening. De toename wordt voornamelijk bekostigd vanuit de extra middelen jeugdzorg en vanuit een vermindering van de bijdrage aan residentiële hulp. Voor een deel van het bedrag van f 256 miljoen in 2001 wordt door de provincies en grootstedelijke regio's een meer specifieke bestemming genoemd. Het gaat om de volgende bedragen: f 89 miljoen toegang en f 17 miljoen advies- en meldpunten kindermishandeling.

Doelmatigheidskengetallen

Tabel II is een samenvatting in totalen van tabel 1a t/m 1c. Hieraan is toegevoegd een regel per voorzieningensoort pleegzorg, dagbehandeling en residentieel met bedragen per eenheid (capaciteitsplaats) voor de verschillende gepresenteerde jaren. Het in totaliteit besteed, c.q. beraamd bedrag wordt gedeeld door het aantal gerealiseerde, c.q. geplande capaciteitsplaatsen. De geraamde bedragen voor de jaren 2000 en 2001 zijn exclusief de OVA-bijstelling 2000.

Tabel II: Bedrag per capaciteitsplaats per voorzieningensoort 1998–2001
VoorzieningensoortRealisatie 1998Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Pleegzorg    
Capaciteit8 1278 0268 0547 982
Bedrag126 869124 447126 607125 665
bedrag per eenheid15 61115 50515 72015 744
     
Dagbehandeling    
Capaciteit4 8005 1395 0485 086
Bedrag247 947252 892243 742252 464
bedrag per eenheid51 65649 21048 28549 639
Residentieel    
Capaciteit6 9736 7306 8706 665
Bedrag528 610510 938503 929504 434
bedrag per eenheid75 80875 91973 35275 684

(Bedragen per eenheid in guldens, overige bedragen x f 1 000)

De onderstaande gegevens zijn afkomstig van de Stichting Registratie Jeugdhulpverlening (SRJV).

Tabel III: Verhouding vrijwillige en justitiële plaatsingen regionale voorzieningen
 199719981999
 MaatregelVrijwilligMaatregelVrijwilligMaatregelVrijwillig
Ambulant44561387   
Ambulant (vt)*    298
Ambulant (ind)*    1486
Dagbehandeling257513871189
Pleegzorg732770308020
Residentieel505046544555

* Voor het jaar 1999 is door de SRJV een uitsplitsing aangebracht naar ambulant, vrij toegankelijk (vt) en ambulant, geïndiceerd (ind).

In de Wet op de jeugdhulpverlening is bepaald dat jeugdigen over wie een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken voorrang hebben voor wat betreft plaatsing in een jeugdhulpverleningsvoorziening (de zogeheten voorrangsregel). De wijziging in de verhouding maatregel/vrijwillig in de ambulante voorzieningen in 1998 wordt veroorzaakt doordat de (gezins)voogdij-instellingen vanaf 1999 niet meer in de registratie van de SRJV zijn opgenomen, doordat de sector (GVI's) heeft gekozen voor een registratie in een eigen systeem, waaruit nog geen gegevens voor VWS beschikbaar zijn gesteld. Op termijn zullen deze gegevens opgenomen worden in het intersectorale informatiesysteem (ISIS).

Tabel IV: Bezettingsgraden regionale voorzieningen
 1997199819992000*
Dagbehandeling100%85%95%95%
Regionale pleegzorg90%89%99%95%
Regionale residentiële hulp89%81%92%95%

* Het betreft hier een raming voor het jaar 2000. Het streven is de capaciteit zo goed mogelijk te benutten (minimaal 95%)

Deze bezettingspercentages per voorzieningensoort zijn berekend door de SRJV op basis van de ontvangen cliëntregistratiegegevens, gecorrigeerd voor voorzieningen waarvan geen of onverwerkbare gegevens zijn ontvangen. Als gevolg daarvan kunnen de bezettingspercentages in de jaarverantwoordingen van de instellingen (gedekt door een accountantsverklaring) van deze bezettingspercentages afwijken.

24.04 Onderdeel 02 Overige uitgaven jeugdhulpverlening

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen de subsidies voor de uitgaven ten behoeve van kwaliteitsverbetering en vernieuwing van de jeugdhulpverlening, alsmede niet-personeelsgebonden materiële uitgaven en overige uitgaven. Onder dit artikelonderdeel vallen, onder landelijke voorzieningen jeugdhulpverlening en innovatiebeleid, onder meer het terrein van de bestrijding kindermishandeling, thuisloze jongeren, de aansluiting tussen vraag en aanbod en de toegang tot de jeugdzorg, de ontwikkeling van zorgprogramma's en de structurering van de informatievoorziening op dit beleidsterrein.

Tegenover de uitgaven op dit onderdeel staan ontvangsten voortvloeiend uit het afrekenen van subsidievoorschotten (ontvangstenartikel 24.01, onderdeel 01), ontvangsten inzake ouderbijdragen die zijn gebaseerd op de Wet op de jeugdhulpverlening (ontvangstenartikel 24.03, onderdeel 02) en bijdragen van het Ministerie van Justitie (ontvangstenartikel 24.02, onderdeel 02).

b) De Wet op de jeugdhulpverlening, de Welzijnswet en de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen dienen als juridische basis voor de subsidie-uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening, het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de Subsidieregeling welzijnsbeleid. De Begrotingswet dient als basis voor de overige uitgaven en subsidies die niet gebaseerd zijn op eerder genoemde wetten.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Normharmonisatie LWRV-A obv motie Orgu13 80013 80013 80013 800
2 Inzet PEO jeugdbeleid voor tegenvaller ouderbijdragen– 5 450– 5 750– 5 950– 5 950
3 Inzet PEO-jeugdbeleid tbv knelpunten Welzijnsnota– 550– 250– 50– 50
4 Wijziging doeluitkering– 709– 709– 709– 709
Totaal onderdeel7 0917 0917 0917 091

Toelichting

1 Verhoging naar aanleiding van de motie Örgu/Eurlings (TK,1999–2000, 26 816, nr. 12) met het doel de normvergoeding voor de achtervangfunctie, welke een aantal van de Landelijk Werkende Residentiële Voorzieningen vervullen, te verhogen. Over de aanwending van de extra beschikbare gelden worden afspraken met de betrokken instellingen en provincies gemaakt. Onderdeel 03 van dit uitgavenartikel wordt hiertoe structureel met f 2 miljoen verlaagd. De overige f 11,8 miljoen wordt generaal gedekt.

2 Als gevolg van diverse redenen leiden geraamde voornemens op het terrein van PEO-Jeugdbeleid jaarlijks niet tot uitgaven (In totaal f 10 miljoen op dit artikel).

De laatste jaren is deze onderuitputting ingezet voor VWS-brede problematiek binnen de welzijnssector. Dit onderdeel wordt thans structureel met f 6 miljoen verlaagd. Deze ruimte wordt voor f 5,5 miljoen in 2001, oplopend tot bijna f 6 miljoen vanaf 2003 ingezet voor de structurele oplossing van het probleem van de jaarlijks tegenvallende ontvangsten ouderbijdragen die op de Wet jeugdhulpverlening (ontvangstenartikel 24.04, onderdeel 02) zijn gebaseerd.

3 De overige PEO-ruimte wordt overgeheveld naar uitgavenartikel 24.09, onderdeel 01 ter reservering voor knelpunten bij de uitvoering van de Welzijnsnota.

4 Verlaging ten gunste van onderdeel 01 van dit artikel ten behoeve van de aanpassing van de doeluitkeringen aldaar.

Landelijke voorzieningen jeugdhulpverlening 1998–2000 (bedragen x f 1 miljoen)
 1999 CapaciteitBedrag2000 CapaciteitBedrag2001 CapaciteitBedrag
Residentieel52545,652545,651045,6
Pleegzorg2964,12964,12964,1
Ambulantn.v.t.0,3n.v.t.0,3n.v.t.0,3
Totaal 50,0 50,0 50,0

In tabel I is de OVA-bijstelling 2000 nog niet verwerkt. Verder is nog niet in 2001 de gedecentraliseerde landelijke capaciteit van de Leo-stichting verwerkt, evenmin als de bovengenoemde normprijsverhoging op basis van de motie Orgu/Eurlings.

De onderstaande gegevens zijn afkomstig van de Stichting Registratie Jeugdhulpverlening (SRJV).

Verhouding vrijwillige en justitiële plaatsingen in landelijke voorzieningen (in percentages)
 1997 1998 1999 
 MaatregelVrijwilligMaatregelVrijwilligMaatregelVrijwillig
Ambulant7921892**
Pleegzorg73277822**
Residentieel425855455347

* Als gevolg van ingrijpende software-wijzigingen in 1999 zijn nog niet alle landelijk ambulante voorzieningen en landelijke pleegzorgvoorzieningen in staat gebleken gegevens over 1999 aan de SRJV te leveren.

In de Wet op de jeugdhulpverlening is bepaald dat jeugdigen over wie een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken voorrang hebben voor wat betreft plaatsing in een jeugdhulpverleningsvoorziening (de zogeheten voorrangsregel). De wijziging in de verhouding maatregel/vrijwillig in de ambulante voorzieningen in 1998 wordt veroorzaakt doordat de (gezins)voogdij-instellingen vanaf 1999 niet meer in de registratie van de SRJV zijn opgenomen.

Overzicht van bezettingsgraden landelijke voorzieningen in percentages
 199719981999**2000
Landelijke pleegzorg10174*95
Landelijke residentieel hulp101867595

* Als gevolg van ingrijpende software-wijzigingen in 1999 zijn nog niet alle landelijke pleegzorgvoorzieningen in staat gebleken gegevens over 1999 aan de SRJV te leveren.

** Het betreft hier een raming voor het jaar 2000. Het streven is de capaciteit zo goed mogelijk te benutten (minimaal 95%).

24.04 Onderdeel 03 Overige uitgaven jeugdbeleid

a) Op artikel worden uitgaven geraamd voor de volgende activiteiten:

Kinderopvang en buitenschoolse opvang. Het kabinet heeft met ingang van 1999 middelen beschikbaar gesteld voor een verdere uitbreiding van de capaciteit van de kinderopvang. Het gaat om kinderopvang in de leeftijd 0–12 jaar. Het beleid heeft zijn basis in de beleidsnota kinderopvang (Tweede Kamer 1998–1999, 26 587, nr. 1 en 2). Instrument voor de capaciteitsuitbreiding is een specifieke uitkering gericht op gemeenten. De Tijdelijke stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang, die sinds 1997 van kracht is, is hierin geïntegreerd. Met de beschikbare middelen is een capaciteitsuitbreiding met 71 000 plaatsen mogelijk. Deze uitbreiding moet eind 2002 gerealiseerd zijn. Uitgangspunt is dat de nieuwe capaciteit voor 45% uit subsidieplaatsen en voor 55% uit bedrijfsplaatsen zal bestaan en, naar leeftijdscategorie gerekend, voor 40% uit opvang voor 0–4 jarigen en voor 60% uit buitenschoolse opvang. Overigens is het de bedoeling de faciliteiten voor de uitbreiding van de kinderopvang verder te verbeteren met de middelen die beschikbaar zijn gekomen uit hoofde van de motie De Graaf (Tweede Kamer 1999–2000, 26 800 nr. 21) onder meer gericht op verruimde openingstijden. Door het naar voren halen van de rijksbijdrage van 250 miljoen stelt het kabinet extra gelden ter beschikking om gemeenten in staat te stellen de uitbreiding sneller te realiseren. Voorwaarde om extra geld te ontvangen is dat gemeenten daadwerkelijk in staat zijn de uitbreiding versneld te realiseren.

De capaciteitsuitbreiding kan leiden tot 10 000 extra arbeidsplaatsen (fte's) voor circa 20 000 personen. Ter ondersteuning van de capaciteitsuitbreiding worden middelen ingezet voor arbeidsmarktbeleid, monitoring en voor andere flankerende maatregelen. In 2001 gaat het totaal om f 6 miljoen.

Voor de groep 12–16 jarigen wordt in de periode 1999–2003 op experimentele basis ervaring opgedaan met projecten voor tieneropvang. Het betreft 67 projecten in 60 gemeenten die in totaal circa 2 200 plaatsen omvatten.

De terugloop in de middelen op dit artikelonderdeel vanaf 2003 wordt verklaard door het aflopen van de regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang per 31 december 2002. De middelen die voor deze uitbreiding beschikbaar zijn, blijven na afloop van de regeling beschikbaar voor de kinderopvang en buitenschoolse opvang. De besluitvorming over hoe de financiering vanaf 2003 zal lopen is onderdeel van het traject van de totstandkoming van de Wet basisvoorziening kinderopvang. Deze Wet zal financiering de vraag (via de ouders) als uitgangspunt hanteren. Als financieel kader voor de Wet basisvoorziening kinderopvang geldt het totaal aan middelen dat meerjarig, zowel via de begroting, als in de vorm van fiscale faciliteiten, beschikbaar is.

– Uitgangspunt voor een nieuw financieel stelsel voor de kinderopvang is een evenwichtige kostendeling tussen ouders, werkgevers en overheid. Ouders dragen een van hun inkomen afhankelijk deel bij aan de kosten van het kinderopvanggebruik. Werkgevers dragen circa 35% bij aan de kosten voor de kinderopvang van hun werknemers. De (rijks)overheid vult via een inkomensafhankelijke tegemoetkoming de ouderbijdrage aan. Verder regelt de nieuwe wet de structuur van de kinderopvang, de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende overheden, sociale partners en ouders, de positie van de specifieke doelgroepen, de kwaliteit en het toezicht daarop.

– Versterking maatschappelijke positie van jeugdigen

Jeugdparticipatie is gericht op het betrekken van de jeugd bij de maatschappij om beleid en voorzieningen voor de jeugd beter te laten aansluiten bij de leefwereld van jeugdigen. De Staatssecretaris van VWS heeft in een brief aan de Tweede Kamer (DJB/APJB-2021970, 23 februari 2000) aangekondigd een Commissie in het leven te zullen roepen die de opdracht krijgt een impuls te geven aan het jeugdparticipatiebeleid door goede voorbeelden bredere bekendheid te geven en betrokkenen te adviseren over concrete maatregelen en activiteiten ter bevordering van jeugdparticipatie.

De Commissie is inmiddels samengesteld. Onder voorzitterschap van de voormalige minister van WVC, mevr. H. d'Ancona werkt de Commissie thans een Plan van Aanpak uit dat naar verwachting in november 2000 wordt gepresenteerd en dat de periode 2001 t/m 2003 beslaat. Een communicatieplan zal daarvan deel uitmaken. Voor de uitvoering van activiteiten van de Commissie is een bedrag van f 0,8 miljoen per jaar beschikbaar.

Op 3 juli 2000 is aan de Staatssecretaris van VWS een advies aangeboden voor de vorming van een landelijke Jeugdraad. Het is de bedoeling dat thans bestaande koepels van jeugdorganisaties in de nieuw te vormen Jeugdraad hun krachten bundelen en gezamenlijk fungeren als spreekbuis voor de jeugd en aanspreekpunt voor de overheid. Het advies wordt thans bestudeerd, en interdepartementaal afgestemd.

– Landelijke Jeugd Organisaties

Per 1-1-2000 zijn de gewijzigde subsidiebepalingen voor landelijke jeugdorganisaties in werking getreden. Als gevolg van de nieuwe bepalingen wordt onder meer gewerkt met een projectentender. Landelijke jeugdorganisaties kunnen projectplannen indienen die met name tot doel hebben enkele beleidsthema's die aan de Welzijnsnota zijn gerelateerd nader uit te werken en in te vullen. Het gaat hier om de thema's participatie van jeugdigen, bevorderen van vrijwilligerswerk door jongeren en sociale integratie van kwetsbare jongeren. Voor de landelijke jeugdorganisaties is in 2001 een bedrag van f 16,9 miljoen beschikbaar, waarvan f 3,3 miljoen ten behoeve van de projectentender.

– Internationaal Jeugdbeleid

In maart 2000 is overeenstemming bereikt tussen de Europese Raad, het Europese Parlement en de Europese Commissie over het jeugdprogramma. Voor het programma dat 7 jaar gaat duren zal een budget van f 1,1 miljard beschikbaar zijn. De Commissie heeft inmiddels een eerste Werkplan voor 2000 en 2001 gepresenteerd waarin onder meer de volgende prioriteiten worden genoemd: toegankelijkheid van het programma voor jongeren uit achterstandsgroepen en gehandicapte jongeren, ontwikkeling van sporten culturele activiteiten en samenwerking met de Raad van Europa. Het programma is inmiddels gestart. Als Nationaal Agent is het NIZW-International Centre aangewezen. In het programma worden tenminste 1500 Nederlandse jongeren bij korte uitwisselingen «uitgezonden» naar andere Europese landen (of zgn. derde landen), er worden ruim 1500 jongeren uit het buitenland in Nederland ontvangen; er gaan ruim 175 Nederlandse jongeren gedurende langere tijd vrijwilligerswerk in het buitenland verrichten, ruim 100 jongeren uit Europese landen komen dat in ons land doen. Op de begroting van VWS is in 2001 een bedrag gereserveerd van f 0,9 miljoen voor de kosten van het agentschap en uitvoering van het programma, zijnde 50% van het totaal benodigde bedrag. De Europese Commissie voorziet in de resterende 50%.

De Europese Commissie stelt in 2000 een Witboek samen over het Europees jeugdbeleid. Hierbij zal een jeugdforum betrokken zijn, organisaties worden geconsulteerd en is voor ICT-ontwikkelingen (internet) een belangrijke rol weggelegd.

– Jeugdonderzoek

Programmering van intersectoraal jeugdonderzoek vindt plaats in het kader van de nota Zicht op Jeugd van de Interdepartementale Commissie Jeugdonderzoek (CJO).

Prioritaire aandachtsgebieden zijn participatie, maatschappelijke tweedeling en cohesie, risicogedrag en geweld. Ontwikkelingen en invloeden op jeugd worden systematisch gevolgd en geanalyseerd door middel van de jeugdmonitor, uitgevoerd door CBS en SCP. Met het oog op kennismanagement wordt een consortium van vooraanstaande jeugdonderzoekers ingesteld en samenwerking met NWO gezocht. Hieraan wordt ook bijgedragen door het Programmeringscollege Onderzoek Jeugd (PCOJ) dat tot taak heeft praktijkrelevant jeugdonderzoek te programmeren; dit laatste geschiedt in het kader van het meerjarenprogramma 1998–2001.

– Internaten voor kinderen van schippers en kermisexploitanten Ultimo maart 2000 heeft een onafhankelijke adviescommissie het rapport «De schipper, het kind & de rekening» gepresenteerd. Dit rapport, in juni 2000 toegestuurd aan de Tweede Kamer, geeft adviezen aan de Staatssecretaris van VWS over de huisvesting, organisatiestructuur, kwaliteit, normbedrag per pupil en de systematiek en de hoogte van de ouderbijdrage. Medio juli 2000 is dit rapport met een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer aangeboden.

Voorts zijn op dit onderdeel uitgaven geraamd ten behoeve van wachtgeld-aanspraken met betrekking tot het onderhavige beleidsterrein, alsmede niet-personeelsgebonden materiële uitgaven en overige uitgaven. Tegenover bovenstaande uitgaven staan ontvangsten voortvloeiend uit het afrekenen van subsidievoorschotten (ontvangstenartikel 24.01), ontvangsten via bijdragen van andere ministeries (ontvangstenartikel 24.02).

Tegenover de uitgaven voor de internaten voor kinderen voor binnenschippers en kermisexploitanten staan ontvangsten van ouderbijdragen (ontvangstenartikel 24.03).

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De subsidies worden verstrekt op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de Subsidieregeling welzijnsbeleid. Ook dient de Welzijnswet als basis voor uitgaven voor uitbreiding van de kinderopvang. Voor de langere termijn zal de Wet basisvoorziening kinderopvang het wettelijk kader gaan vormen. Ook voor uitgaven in het kader van het Programma tieneropvang is de Welzijnswet 1994 het wettelijk kader.

Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven en subsidies die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Kaderbrief: versnelling inzet extra middelen Kinderopvang80 000    
2 Inzet PEO-jeugdbeleid tbv motie Orgu, verhoging van onderzoeksbudget SCP en knelpunten Welzijnsnota– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000
Totaal onderdeel76 000– 4 000– 4 000– 4 000

Toelichting

1 Teneinde de gemeenten in ons land nog meer te stimuleren om eerder voldoende Kinderopvangplaatsen te realiseren heeft het Kabinet besloten in 2001 f 80 miljoen versneld ter beschikking te stellen.

2 Al een aantal jaren komen als gevolg van diverse redenen geraamde voornemens op het terrein van PEO-Jeugdbeleid niet tot uitgave (in totaal een bedrag van f 10 miljoen op dit uitgavenartikel). De laatste jaren is deze onderuitputting ingezet voor VWS-brede problematiek binnen de welzijnssector. Dit onderdeel wordt thans in dit kader structureel met f 4 miljoen verlaagd. Deze ruimte wordt voor f 2 miljoen ingezet ter uitvoering van de motie Orgu/Eurlings (onderdeel 02 van dit artikel). Voorts wordt f 0,7 miljoen ingezet voor de dekking van knelpunten op het gebied van de uitvoering van het onderzoeksprogramma van het SCP (uitgavenartikel 22.06). De overige f 1,3 miljoen wordt overgeheveld naar uitgavenartikel 24.09, onderdeel 01 ter reservering voor knelpunten bij de uitvoering van de Welzijnsnota.

Kengetallen

Volume- en prestatiegegevens

Overzicht van het aantal pupillen bij Schippersinternaten
 1998199920002001200220032004
Aantal pupillen1 8251 7251 6151 5411 5041 4611 421

Bron: Centrale administratie van internaten voor schippersjeugd

Voor de periode 1994–1998 is een convenant afgesloten dat voorziet in een vast bedrag van ca. f 60 miljoen voor 2 100 pupillen per jaar. Voor de jaren 1999 en 2000 is een overeenkomst met de sector gesloten. Vanaf 1 januari 2001 geldt een nieuwe regeling, op basis van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport «De schipper, het kind & de rekening», hetgeen betekent dat de Subsidieregeling Welzijnsbeleid in het najaar 2000 wordt aangepast. De begroting 2001 zal dan via de 1e suppletore wet van 2001 hierop worden aangepast. Hierbij is tevens de ontvangstenraming op artikel 24.03, onderdeel 02, betrokken. Bij de subsidiëring geldt vanaf 1999 een prijs per pupil van ruim f 30 000.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2404t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  1 443 6101 526 5601 609 7891 368 8021 368 801 
Nota van wijziging  10 00010 00020 00020 00020 000 
1e Suppletore wet  – 37 190– 191 523– 269 259– 977– 957 
Nieuwe wijzigingen  – 8 44983 8003 8003 8003 800 
Nieuwe nominale wijzigingen  87 77749 06651 88144 11144 302 
Stand ontwerp-begroting 200145 5291 989 2541 495 7481 477 9031 416 2111 435 7361 435 9461 441 945
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2404 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  1 470 7071 531 3781 623 7151 374 8021 374 801 
Nota van wijziging  10 00010 00020 00020 00020 000 
1e Suppletore wet  18 068– 297– 325– 957– 957 
Nieuwe wijzigingen  – 8 44983 8003 8003 8003 800 
Nieuwe nominale wijzigingen  47 40449 34952 32844 30544 301 
Stand ontwerp-begroting 2001 1 450 6991 537 7301 674 2301 699 5181 441 9501 441 9451 441 945
Uitgaven in EUR1000 658 299697 791759 732771 208654 328654 32654 326

Artikel 24.05 Verzetsdeelnemers, vervolgden en burger-oorlogsgetroffenen

Algemeen

Het beleid richt zich op het bieden van compensatie aan oorlogsgetroffenen (verzetsdeelnemers, vervolgden en burgeroorlogsgetroffenen) en nabestaanden voor materiële en immateriële schade in verband met arbeidsongeschiktheid ten gevolge van oorlogservaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Europa en Azië. Daarnaast heeft het beleid tot doel jongere generaties voor te lichten over de gebeurtenissen van toen. Het beleid schept de voorwaarden voor:

• specifieke voorzieningen die tot doel hebben het materiële levenspeil van vóór de arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ondergane oorlogsleed en de daaruit ontstane invaliditeit via een pensioen, of een uitkering, dan wel via een bijzondere voorziening te herstellen (materieel beleid);

• specifieke vormen van sociale en psychosociale hulpverlening ter behandeling van klachten en verschijnselen die het gevolg zijn van de traumatische oorlogservaringen (immaterieel beleid);

• de herinnering levend houden aan de gebeurtenissen tijdens WOII, het betonen van respect voor de slachtoffers en het bewustmaken van met name jongeren van de gevaren van politiek extremisme, discriminatie en racisme door te wijzen op de gebeurtenissen van toen (herdenken en vieren).

Gelet op de kwetsbaarheid van de ouder wordende doelgroep zal met ingang van 2001 een aanpassing in de wet- en regelgeving worden aangebracht om de effectiviteit, efficiency en cliëntgerichtheid van de wetsuitvoering van het gevoerde materiële beleid te vergroten. De aanpassingen vloeien voort uit het regeringsstandpunt op het advies van de commissie van Galen, dat op 22 juni 1999 naar de Tweede Kamer is gezonden (kamerstukken II 1998–1999, 20 454, nrs. 51 en 53). De geraamde kosten van de aanpassingen (opgenomen in het totaal geraamde budget) bedragen respectievelijk f 32 miljoen in 2001, f 34 miljoen in 2002 en f 35 miljoen structureel vanaf 2003. De werkelijke kosten zijn mede afhankelijk van de gerealiseerde aantallen.

Ten gevolge van de afname van de doelgroep ondergaan de instellingen voor oorlogsgetroffenen een geleidelijke vermindering van hun werkzaamheden en worden deze instellingen geconfronteerd met de noodzaak van inkrimping van hun organisatie. Dit geldt met name voor de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), dat het uitvoeringsorgaan is voor het materieel beleid, en de begeleidende instellingen (Stichting 1940–1945, Stichting Pelita, Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen en Joods Maatschappelijk Werk), die taken hebben in het kader van het materieel beleid (rapportages in het kader van aanvragen voor een pensioen of uitkering) en het immaterieel beleid (maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan oorlogsgetroffenen). Het handhaven van het niveau de hulpverlening bij een kleiner wordende organisatie is een belangrijk aandachtspunt in het beleid voor oorlogsgetroffenen. In verband hiermee wordt samenwerking tussen de diverse instellingen voor oorlogsgetroffenen bevorderd. Overheveling van het maatschappelijk werk van de begeleidende instellingen naar instellingen van algemeen maatschappelijk werk is een andere mogelijkheid om de continuïteit van de hulpverlening te bevorderen. Voorts is van belang dat meerjarenafspraken met de instellingen worden gemaakt. De vernieuwde – transparante – bekostigingsafspraken met de begeleidende instellingen, die met ingang van 2001 van kracht worden, zullen hieraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen796 816757 532726 728697 228673 128645 828645 828
02 Vergoeding van apparaatskosten61 37671 41570 81770 74670 30270 41970 419
03 Immateriële hulpverlening, herdenking en viering25 45229 65425 68925 55325 66825 72225 722
04 Vierde tranche goudpool4 72411 3823 0522 0541 2842121
05 Onderzoek, meldpunt en hulpverlening tegoeden2 6332 8721 0720000
Totaal artikel891 000872 855827 358795 581770 382741 990741 990
Uitgaven in EUR1000404 318396 084375 439361 019349 584336 700336 700

24.05 Onderdeel 01 Wetten en regelingen oorlogsgetroffenen

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op:

– pensioenen aan verzetsdeelnemers en hun nabestaanden;

– pensioenen voor door de oorlog getroffen vaarplichtige zeelieden en hun nabestaanden;

– uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers en hun nabestaanden;

– uitkeringen aan burger-oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden;

– pensioenen aan verzetsdeelnemers in het voormalig Nederlands-Indië en hun nabestaanden;

– uitkeringen aan oorlogsslachtoffers uit het voormalig Nederlands-Indië;

– tegemoetkomingen in de kosten van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen.

b) Als basis voor de toekenning van pensioenen, uitkeringen en bijzondere voorzieningen dienen:

– de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp);

– de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbpzo);

– de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv);

– de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo);

– de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (WIV);

– de Algemene oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR);

– het besluit Vergoeding motorrijtuigenbelasting.

– de Begrotingswet.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Toevoeging loonbijstelling 1999 oorlogsgetroffenen20 60019 80018 70018 100
Totaal onderdeel20 60019 80018 70018 100

Als gevolg van de loonontwikkeling 1999 worden de uitkeringen oorlogsgetroffenen alsnog vanuit de aanvullende post Loonbijstelling structureel gecompenseerd.

Kengetallen

Ramingskengetallen

In de gepresenteerde tabellen worden de volume- en financiële ontwikkelingen van de uitkerings- en pensioenregelingen voor oorlogsgetroffenen over de jaren 1999 (realisatie), 2000 en 2001 (raming) weergegeven. Uitgangspunt voor de ramingen zijn de jaarlijks door een extern bureau vastgestelde scenario's betreffende de toekomstige aanspraken. De hier uit voortvloeiende meerjarenramingen betreffende de bestandsontwikkeling geven tezamen met het uitkeringsniveau de te verwachten totaaluitgaven.

De aantallen pensioenen en uitkeringen betreffen jaargemiddelden. De aangegeven gemiddelde uitgekeerde jaarbedragen variëren per uitkerings- en pensioengerechtigde. Onder de in de tabellen opgenomen post «Overige betalingen» worden voornamelijk betalingen begrepen als nabetalingen bij nieuwe toekenningen, nabetalingen bij definitieve vaststellingen, bijzondere voorzieningen en overhevelingstoeslag.

Tevens zijn twee grafieken opgenomen met de gerealiseerde en nog te verwachten ontwikkeling van de nieuwe aanvragen respectievelijk de ontwikkeling van het aantal uitkeringen en pensioenen. In de grafieken wordt de periode 1990 tot en met 2005 weergegeven.

Tabel I: Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)
 199920002001
Gemiddeld aantal pensioenen7 1027 1426 430
Gemiddeld pensioen per jaarf 31 343f 31 347f 31 089
Totaal pensioenen (x 1 miljoen)f 222,6f 212,5f 199,9
Overige betalingen (x 1 miljoen)f 21,6f 18,2f 21,1
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 244,2f 230,7f 221,0
Tabel II: Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Wbp-zo)
 199920002001
Gemiddeld aantal pensioenen660616574
Gemiddeld pensioen per jaarf 37 273f 36 526f 36 385
Totaal pensioenen (x 1 miljoen)f 24,6f 22,5f 21,0
Overige betalingen (x 1 miljoen)f 2,0f 1,3f 1,2
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 26,6f 23,8f 22,2
Tabel III: Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (WIV)
 199920002001
Gemiddeld aantal pensioenen315305295
Gemiddelde uitkering per jaarf 20 317f 20 327f 20 000
Totaal uitkeringen (x 1 miljoen)f 6,4f 6,2f 5,9
Overige betalingen (x 1 miljoen)f 0,5f 0,4f 0,3
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 6,9f 6,6f 6,2
Tabel IV: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv)
 199920002001
Gemiddeld aantal uitkeringen (incl. uitkering art. 21b)28 96023 13822 441
Gemiddelde uitkering per jaarf 11 226f 13 912f 13 876
Totaal uitkeringen (x 1 miljoen)f 325,1f 321,9f 311,4
Overige betalingen (x 1 miljoen)f 99,0f 91,9f 103,9
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 424,1f 413,8f 415,3
Tabel V: Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo)
 199920002001
Gemiddeld aantal uitkeringen (incl. toeslag art. 19)9 56011 82412 032
Gemiddelde uitkering per jaarf 6 308f 5 379f 5 286
Totaal uitkeringen (x 1 miljoen)f 60,3f 63,5f 63,6
Overige betalingen (x 1 miljoen)f 28,4f 28,9f 31,3
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 88,7f 92,4f 94,9
Tabel VI: Algemene Oorlogsongevallenregeling (Indonesië) (AOR)
 199920002001
Aantal uitkeringen (ultimo)657635598
Gemiddelde uitkering per jaarf 9 285f 8 976f 9 030
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 6,1f 5,7f 5,4
Tabel VII: Compensatieregeling motorrijtuigenbelasting
 199920002001
Aantal rechthebbenden685685670
Gemiddelde compensatie per jaarf 876f 873f 873
Totaal bedrag (x 1 miljoen)f 0,6f 0,6f 0,7
Tabel VIII: Periodieke uitkeringen/pensioenen wetten oorlogsgetroffenen 2001 (samenvatting)
 Gemiddeld aantalGemiddelde uitkeringTotaal bedrag (x 1 miljoen)
Wbp6 779f 31 347f 212,5
Wbp zo616f 36 526f 22,5
Wiv305f 21 311f 6,5
Wuv23 138f 13 912f 321,9
Wubo11 824f 5 370f 63,5
AOR635f 8 976f 5,7

Grafiek 1 Nieuwe aanvragen en pensioenen oorlogsgetroffenen kst-27400-XVI-2-6.gif

Grafiek 2: Bestand uitkeringen en pensioenen oorlogsgetroffenen kst-27400-XVI-2-7.gif

In 2001 zullen circa 42 000 personen recht hebben op een uitkering of pensioen ingevolge één van de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen. De Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv) is zowel financieel als qua volume de grootste uitkeringsregeling op dit beleidsartikel. De Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp) komt wat betreft het budgettair beslag op de tweede plaats. De laatste jaren is het aantal uitkeringsgerechtigden ingevolge de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) gegroeid tot boven het aantal ingevolge de wetten bp. De Wubo, die in 1984 tot stand is gekomen, is de enige uitkeringsregeling waarbij met betrekking tot het bestand uitkeringsgerechtigden nog sprake is van groei. De groei zit voornamelijk in het aantal uitkeringontvangers dat een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden ontvangt op grond van artikel 19 van deze wet. Bij de overige wetten is sprake van een geleidelijke afname van het aantal nieuwe aanvragen en het bestand uitkerings- en pensioengerechtigden.

Hoewel deze afname het toekomstperspectief vormt, is de mate van afname bijgesteld als gevolg van de verhoogde instroom van het aantal aanvragen in 1999. Deze verhoging is mede het gevolg van de hernieuwde aandacht rond de Tegoeden Tweede Wereldoorlog en de gebeurtenissen in het voormalige Joegoslavië en Indonesië. In het kader van de vereenvoudiging van de wetten voor oorlogsgetroffenen zijn een aantal wetswijzigingen in voorbereiding. Naar verwachting zullen deze wijzigingen per 1 januari 2001 van kracht worden. De financiële consequenties hiervan zijn nog niet in deze begroting verwerkt.

24.05 Onderdeel 02 Vergoeding van apparaatskosten

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor een vergoeding van door organisaties gemaakte kosten bij de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (Indonesië) en overige uitgaven die verband houden met de uitvoering van de wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen.

b) De Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, de Welzijnswet 1994 en de Begrotingswet dienen als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging van de Pensioen- en Uitkeringsraad vindt plaats op grond van de AMvB ex artikel 23 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad. Voor wat betreft de overige uitgaven welke niet op grond van de Begrotingswet worden gedaan, zijn het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid van toepassing.

Kengetallen

Doelmatigheidskengetallen

In tabel I worden de uitvoeringskosten van de Pensioen- en Uitkeringsraad gerelateerd aan de programma uitgaven (pensioenen, uitkeringen, voorzieningen).

Tabel I: Vergoeding van apparaatskosten
Vergoeding van apparaatskosten199920002001
Wetten bp (verzet, zeelieden en Indisch verzet)   
Directe apparaatsuitgavenf 5,8 mlnf 5,2 mlnf 4,9 mln
Programmauitgavenf 286,3 mlnf 261,0 mlnf 294,4 mln
Apparaatsuitgaven in % van programmauitgaven2,0%2,0%2,0%
Wuv   
Directe apparaatsuitgavenf 26,6 mlnf 28,2 mlnf 24,5 mln
Programmauitgavenf 397,5 mlnf 413,8 mlnf 415,3 mln
Apparaatsuitgaven in % van programmauitgaven6,8%6,8%5,9%
Wubo   
Directe apparaatsuitgavenf 18,8 mlnf 13,2 mlnf 10,6 mln
Programmauitgavenf 76,7 mlnf 92,4 mlnf 94,9 mln
Apparaatsuitgaven in % van programmauitgaven14,1%14,3%11,2%
Totaal apparaatskosten62,4 mln61,5 mln55,9 mln
Apparaatskosten in % van programmauitgaven8,2%7,9%7,4%

Uit de tabel blijkt dat, met uitzondering van de wetten buitengewoon pensioen (bp), er een daling optreedt van het percentage dat de apparaatskosten ten opzichte van de betreffende programmauitgaven aangeeft. Met name bij de Wubo en in mindere mate bij de Wuv is sprake van dalende uitvoeringskosten ten opzichte van de programmauitgaven. Een aantal categorieën uitvoeringskosten valt, gelet op hun aard, niet onder de prijs per productsystematiek.

Kwaliteitskengetallen

Gerealiseerde behandeltermijnen
 innen (verlengde) wettelijke termijn (in %)
Periode, waarin aanvragen/bezwaarschriften zijn ingediendWuvWuboWetten bp (incl. Wiv en Wbp zo)
Eerste aanvragen   
1995895578
1996894660
1997826194
1998827798
Vervolgaanvragen   
1995775880
1996765474
1997798187
1998767299
Bezwaarschriften   
1995813347
1996883047
1997845489
1998856596

Bij de behandeling van de eerste aanvragen Wuv en Wubo is een lichte daling in de tijdige afhandeling te zien. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door problemen bij de verificatie van het doelgroepsaspect en de medische causaliteitsbeoordeling. Hiernaast vormen de zogenaamde samenloop Wuv/Wubo-aanvragen een oorzaak, daar de beoordeling gelijktijdig voor twee wetten dient plaats te vinden. In dit traject kan het voorkomen dat de behandeling in het kader van een wet «wacht» op de behandeling in het kader van de andere wet. De afhandeling van aanvragen in het kader van de wetten bp is verder verbeterd, mede als gevolg van werkafspraken gemaakt met de Stichting 1940–1945. In vergelijking met de Wuv en Wubo kennen de wetten bp een toegestane behandeltermijn die twee maanden langer is.

Bij de vervolgaanvragen Wuv en Wubo is een daling in de behandeltermijn te zien. Bij de Wuv wordt deze voornamelijk veroorzaakt door het moeilijk beschikbaar krijgen van informatie voor de behandeling van buitenlandse aanvragen. Bij de Wubo heeft een forse instroom van aanvragen een vertraging in de afhandeling ten gevolg gehad. Inmiddels zijn interne maatregelen bij de PUR getroffen die een verbetering van de termijnrealisatie ten doel hebben. Maatregelen genomen bij de wetten bp laten een verbetering van de afhandeling zien.

Bij afhandeling van bezwaarschriften Wuv stabiliseert de termijnrealisatie zich rond de 85%. Bij de Wubo en wetten bp is een verbetering te zien. Bij de Wubo zijn na de overheveling van de werkzaamheden naar Leiden maatregelen getroffen die ook op dit onderdeel effect sorteren. Bij de wetten bp hebben de eerder gememoreerde maatregelen ook hier het gewenste effect gehad.

24.05 Onderdeel 03 Immateriële hulpverlening, herdenking en viering

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen, op de herdenking en viering van gebeurtenissen rond WOII en (jeugd)voorlichting gericht op dit thema.

Het beleid ten aanzien van immateriële hulpverlening omvat maatschappelijk werk, psychosociale hulpverlening, signalering en preventie alsmede het ondersteunen van zelfhulpgroepen ten behoeve van kinderen van oorlogsgetroffenen. Het Centrum '45 ontvangt een vergoeding voor de behandelkosten welke niet op grond van de Ziekenfondswet of AWBZ worden vergoed. In het kader van herdenking en viering worden onder andere de structurele ondersteuning aan de herinneringscentra Kamp Westerbork, Nationaal Monument Kamp Vught en het Indisch Herinneringscentrum begrepen alsmede de ondersteuning van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en de Anne Frank Stichting. Het (jeugd)voorlichtingsbeleid wordt door middel van het projectenbeleid Jeugdvoorlichting onder de Tweede Wereldoorlog in relatie tot heden vormgegeven.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

24.05 Onderdeel 04 Vierde Tranche Goudpool

a) Op dit onderdeel worden de middelen verantwoord die afkomstig zijn van de Vierde Tranche Goudpool, die conform kabinetsbesluit op projectbasis zullen worden verdeeld.

b) De Welzijnswet 1994 en de Begrotingswet dienen als basis voor de uitgaven. Voor de uitgaven op grond van de Welzijnswet geldt dat de wijze van bekostiging plaatsvindt op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid.

24.05 Onderdeel 05 Tegoeden Tweede Wereldoorlog

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de vergoeding van uiteenlopende kosten die voortvloeien uit de hernieuwde publieke aandacht rond het thema Tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog.

In de loop van 2000 en in volgende jaren zal VWS bijdragen aan de verdeling van middelen die ter beschikking zijn gesteld in het kader van het «Grote gebaar» van de overheid. Met de Roma/Sinti-gemeenschap is overeengekomen dat in dit kader f 30 miljoen (exclusief rente) ter beschikking wordt gesteld. De uitvoering wordt voor dit deel verzorgd door VWS. De voor de uitvoering noodzakelijke middelen zullen worden toegevoegd aan de begroting wanneer meer duidelijkheid is over het bedrag dat hiervoor nodig is en op het moment dat de uitgaven zullen worden gedaan. De Indische Gemeenschap zal in dit kader f 250 miljoen ontvangen (exclusief rente). Gezien het feit dat de onderhandelingen met de Indische Gemeenschap nog gaande zijn, is momenteel moeilijk in te schatten hoe de uitvoering voor dit onderdeel zal worden geregeld. Naast uitvoeringskosten die verband houden met de bestemming van de vierde tranche goudpool hebben de uitgaven onder meer betrekking op de thema's onderzoek Indische Tegoeden, ondersteuning van aanspraken van in Duitsland tewerkgestelde dwangarbeiders op het Duitse Fonds Erinnerung, Verantwortung und Zukunft, de internationale Task Force for International Coöperation on Holocaust Education, Remembrance and Research en het Nazi Persecutee Relief Fund.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. Voor de uitgaven op grond van de Welzijnswet geldt dat de wijze van bekostiging plaatsvindt op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2405t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  827 738797 051770 920747 603720 903 
1e Suppletore wet  9 293317– 590– 590– 420 
Nieuwe wijzigingen  21 50020 60019 80018 70018 100 
Nieuwe nominale wijzigingen  6 3893 3003 3973 3853 386 
Stand ontwerp-begroting 2001 904 372864 920821 268793 527769 098741 969741 969
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2405 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  830 711799 818770 920747 603720 903 
1e Suppletore wet  17 2043 5341 464694– 399 
Nieuwe wijzigingen  21 50020 60019 80018 70018 100 
Nieuwe nominale wijzigingen  3 4403 4063 3973 3853 386 
Stand ontwerp-begroting 2001 891 000872 855827 358795 581770 382741 990741 990
Uitgaven in EUR1000 404 318396 084375 439361 019349 584336 700336 700

24.07 Sportbeleid

Algemeen

In het Regeerakkoord 1998 is afgesproken dat het sportbudget in het jaar 2002 zal zijn verdubbeld ten opzichte van het jaar 1998. Deze verdubbeling verloopt gefaseerd en betekent een verhoging van het budget met f 15 miljoen in 2001. Hiervan is een bedrag van f 11,25 miljoen (f 9,45 miljoen op onderdeel 01 en f 1,8 miljoen op onderdeel 02 van dit artikel) bestemd voor breedtesport en een bedrag van f 3,75 miljoen (f 3,1 miljoen op onderdeel 01 en f 0,65 miljoen op onderdeel 02 van dit artikel) voor het topsportbeleid.

De komende jaren wordt veel aandacht besteed aan het versterken, en waar mogelijk ondersteunen, van de sportinfrastructuur; met name op lokaal niveau. Gemeenten zullen meer worden gestimuleerd om de lokale sportinfrastructuur te versterken en sport een plaats te geven binnen het gemeentelijk beleid dat recht doet aan het belang ervan voor de samenleving. Voor dit doel is vanaf 2000 een gemeentelijke stimuleringsregeling van kracht waarvoor in 2001 een bedrag van f 19,25 miljoen is gereserveerd.

Tevens moet de sportbeoefening in kwalitatieve zin op peil blijven en waar nodig worden verbeterd. De topsport verdient, ook vanwege de voorbeeldfunctie en «Holland promotionele waarde» ondersteuning. In de in 1999 uitgebrachte nota «Kansen voor Topsport» ( TK, 1998–1999, 26 429, nr. 8) en de beleidsbrief breedtesport wordt nader invulling gegeven aan deze voornemens.

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Landelijke sportvoorzieningen38 75163 05368 90584 11983 66783 66883 668
02 Overige uitgaven landelijke taken23 54526 61929 71835 28335 73335 73235 732
03 Compensatie Eco-tax 30 00030 00030 00030 00030 00030 000
Totaal artikel62 297119 672128 623149 402149 400149 400149 400
Uitgaven in EUR100028 26954 30558 36767 79667 79567 79567 795

24.07 Onderdeel 01 Landelijke sportvoorzieningen

a) Het doel van de op dit onderdeel geraamde uitgaven is het in stand houden en verbeteren van een adequate en toegankelijke sportinfrastructuur. Ter realisering daarvan worden subsidies beschikbaar gesteld in de kosten van het algemeen functioneren van landelijke organisaties. Voorts worden voor diverse thema's (projectmatig) subsidies verstrekt, zoals: veiligheid, professionalisering en werkgelegenheid. Daarnaast worden subsidies verstrekt aan landelijke sportorganisaties in het kader van internationale activiteiten.

Tevens zijn op dit onderdeel uitgaven geraamd die bestemd zijn voor het verstrekken van subsidies op het gebied van accommodaties en materialen waarbij de volgende thema's van belang zijn: kwaliteitsverbetering, productvernieuwing, veiligheid en milieu en topsportaccommodaties. De intensivering topsport van f 3,1 miljoen zal onder meer worden ingezet voor de financiering van de Stipendiumregeling Topsport die per 1 januari 2001 door het Fonds van de Topsporter zal worden uitgevoerd. Een deel van de middelen die naar het Fonds gaat, wordt besteed voor de financiering van de door het Fonds uitgevoerde onkostenregeling voor A-topsporters. In totaal wordt vanuit dit artikelonderdeel f 5 miljoen beschikbaar gesteld ter financiering van de stipendiumregeling en onkostenregeling voor A-topsporters. Conform de nota «Kansen voor topsport» worden ook de onderdelen talentherkenning en -ontwikkeling en ondersteuning topsportbeleidsplannen sterk geïntensiveerd met respectievelijk f 1,2 miljoen en f 0,86 miljoen. Ook de wetenschappelijke flankering van de topsport via het Topsport Expertise Centrum (TEC) zal in 2001 een bescheiden extra impuls krijgen van f 0,18 miljoen.

Internationale evenementen

In 2001 zal wederom een bijdrage worden gegeven aan een aantal aansprekende internationale evenementen in Nederland, waaronder het Wereldkampioenschap Halve Marathon en het Wereldkampioenschap Atletiek onder 23 jaar. Voorts zullen de uitkomsten van de studie die is verricht naar alle aspecten die te maken hebben met het naar Nederland halen en doen organiseren van grote sportevenementen in overleg met NOC*NSF nader worden uitgewerkt, teneinde tot een gestructureerd beleid op dit onderdeel te komen.

Internationale samenwerking

Een aantal Nederlandse sportorganisaties zal een bijdrage ontvangen in een project ter verbetering van de deskundigheid in eigen land, dan wel ter verbetering van de deskundigheid van een zusterorganisatie in het buitenland. De nadruk ligt op vergroting van de deskundigheid van het sporttechnisch kader. Uitgesloten van dit onderdeel zijn congresbezoek en de uitwisseling van sportteams. Ook het Van der Karfonds, het Nederlands Instituut voor sport en bewegen, de Landelijke Contactraad en het Nationaal Federatie voor werkers in de sport ontvangen een bijdrage uit dit budget. In totaal is ruim 0,2 miljoen voor deze projecten gereserveerd.

Bilaterale samenwerking

Voor de uitvoering van sportprojecten binnen de door het Ministerie gesloten speciale bilaterale overeenkomsten, de zgn. Memoranda of Understanding (MOU), worden middelen beschikbaar gesteld.

Ontwikkelingssamenwerking

Voor de uitvoering van een sportactiviteit in de regio Afrika en Midden Amerika wordt een bijdrage verstrekt aan Landelijke sportorganisaties en gemeenten overeenkomstig het gestelde in de nota «Sport in ontwikkeling: samenspel scoort».

De intensivering breedtesport van f 9,4 miljoen omvat de bijdrage aan de gemeentelijke stimuleringsregeling van f 8,3 miljoen en f 1,1 miljoen die wordt besteed aan sociaal preventief supportersbeleid, ruimtelijke ordening en sport en milieu.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid alsmede de Stimuleringsregeling Breedtesport. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Ongedaan maken bezuiniging agv motie Middel3 0003 0003 0003 000
2 Aanpassen verdeling in begroting aan progr.lijnen welzijnsnota294195195195
3 Tijdelijke formatieuitbreiding ivm internat. Evenementen– 33   
Totaal onderdeel3 2613 1953 1953 195

Toelichting

1 Verhoging op grond van de motie Middel, cs. (TK 1999–2000, 26 800 XVI, nr. 24). Hiermee wordt een op dit onderdeel voorgenomen bezuiniging ongedaan gemaakt. Dekking hiervoor wordt gevonden door het verlagen van uitgavenartikel 22.04.

2 Aanpassing van de begroting aan het budget voor de programmalijnen Welzijnsnota. Hiertoe wordt onderdeel 02 verlaagd.

3 Overheveling naar uitgavenartikel 22.01 in verband met een tijdelijke uitbreiding van de personeelformatie ten behoeve van ondersteuning bij internationale evenementen, de Paralympics en de Olympische Spelen.

Kengetallen

Volume- en prestatiegegevens

Tabel I: Geregistreerde lidmaatschappen
 Realisatie 1998Raming 1999Raming 2000
Geregistreerde lidmaatschappen3 200 0003 200 0003 200 000

Het totaal aantal landelijke sportorganisaties in 1999 is 58. Het aantal geregistreerde lidmaatschappen blijft naar verwachting stabiel.

De uitgaven op dit onderdeel zijn voor een groot deel bestemd voor landelijke (gehandicapten)-sportorganisaties. De subsidie per landelijke sportorganisatie komt tot stand door middel van het volgende schijvensysteem; het opgenomen bedrag per lid is een maximum. Het jaarlijks vast te stellen uitkeringspercentage bepaalt de werkelijke subsidie per lid.

Ramingskengetallen

Tabel II: Schijvensysteem
 Aantal ledenMaximaal subsidie per lid (in guldens)
Schijf 11 – 2 50043,75
Schijf 22 501 – 25 00031,80
Schijf 325 001 – 75 00016,10
Schijf 475 001 – 150 00014,70
Schijf 5150 001 – 300 0003,50
Schijf 6300 001 – en meer1,75

24.07 Onderdeel 02 Overige uitgaven landelijke taken

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn ten behoeve van de volgende activiteiten:

– subsidies aan landelijke sportorganisaties ten behoeve van deskundigheidsbevordering van vrijwillig sportkader met aandacht voor diverse doelgroepen;

– subsidies ten behoeve van onderwijskundige vernieuwingen en de nieuwe kwalificatiestructuur voor sportopleidingen alsmede ten behoeve van een nieuw kwaliteitszorgsysteem;

– subsidies ten behoeve van Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen en projecten met betrekking tot sportstimulering;

– subsidies verbetering infrastructuur topsport (landelijke taken top- en beroepssport);

– subsidies bewegingsbevordering, blessurepreventie, anti-dopingbeleid en sportmedische zorg;

– subsidies sporttechnische begeleiding (algemeen en topsport) door ondersteuning en bijdragen aan verantwoorde ontwikkeling van de topsport.

De intensivering topsport van f 0,655 miljoen zal worden besteed aan deskundigheidsbevordering en het anti-doping beleid. De intensivering breedtesport van f 1,8 miljoen zal worden besteed aan lokaal sportbeleid, doelgroepenbeleid, maatschappelijke participatie en vrijwilligersbeleid. Van het begrote bedrag maakt f 0,75 miljoen deel uit van het interdepartementale minderhedenbeleid.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Interne overheveling van FAS-gelden513513513513
2 Aanpassen begroting aan progr.lijnen welzijnsnota– 294– 195– 195– 195
Totaal onderdeel219318318318

Toelichting

1 Op advies van de departementale accountantsdienst wordt de subsidie aan het Fonds Arbeidsaangelegenheden vanaf 2001 vanuit dit artikel verstrekt, waar dat voorheen gebeurde vanuit artikel 22.02.

2 Overheveling van middelen en activiteiten naar onderdeel 01 van dit artikel, ter verkrijging van een goede aansluiting op de indeling van de programmalijnen in de Welzijnsnota.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Tabel I: Aantal opleidingen waaraan een bijdrage wordt verstrekt
 Aantal lesurenSubsidie per lesuur (in guldens)
 Realisatie 1999Raming 20002001Realisatie 1999Raming 20002001
Sporttechnische opleidingen/bijscholingen32 75032 75032 750757575
Kaderopleidingen20 50020 00020 000585858
Docentenopleidingen3 5003 2503 250919191
Tabel II: Totale kosten van de gesubsidieerde opleidingen (bedragen x 1 000)
Kosten per opleiding (aantal lesuren * subsidie per lesuur)Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Sporttechnische opleidingen/bijscholingen2 4562 4002 400
Kaderopleidingen1 1601 1601 160
Docentenopleidingen319296296
Totaal3 9353 8563 856

Ten aanzien van opleidingen en bijscholingen blijft zowel het aantal lesuren als het normbedrag per lesuur gelijk.

24.07 Onderdeel 03 Compensatie eco-tax

a) De uitgaven die op dit onderdeel worden geraamd zijn bestemd voor de compensatie van de door sportverenigingen betaalde regulerende energiebelasting (REB). In overleg met NOC*NSF is een systematiek ontwikkeld waarbij de sportverenigingen die aantoonbaar energiebelasting betalen en zijn aangesloten bij een sportorganisatie die lid is van NOC*NSF een (deel van de) betaalde energiebelasting terugkrijgen. De compensatie slaat daarbij terug op het laatste afgesloten energiejaar. Het ministerie van Financiën heeft de Kamer in oktober 1999 per brief (TK, 1999–2000, 26 800 IXB, nr. 15) hierover geïnformeerd.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2407t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  76 26791 247112 376112 765112 766 
1e Suppletore wet  24 72516 45619 58822 90221 970 
Nieuwe wijzigingen  11 9167391 0871 4341 865 
Nieuwe nominale wijzigingen  3 6062 6103 1143 1223 120 
Stand ontwerp-begroting 2001 123 212116 514111 052136 165140 223139 721147 800
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2407 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  78 15692 125112 767112 765112 766 
1e Suppletore wet  38 83230 38830 00030 00030 000 
Nieuwe wijzigingen  3713 4803 5133 5133 513 
Nieuwe nominale wijzigingen  2 3132 6303 1223 1223 121 
Stand ontwerp-begroting 2001 62 297119 672128 623149 402149 400149 400149 400
Uitgaven in EUR1000 28 26954 30558 36767 79667 79567 79567 795

Artikel 24.08 Garantie van rente en aflossing van leningen welzijn

a) De verleende garanties hebben betrekking op aangegane geldleningen ten behoeve van inrichtingen voor thuisloze personen, voorzieningen voor allochtone groepen, de renovatie of nieuwbouw van inrichtingen voor de semi-murale gehandicaptenzorg, voorzieningen voor instellingen en organisaties van sociaal-cultureel werk en internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten.

b) Garanties zijn verstrekt op grond van de Rijksregeling ten behoeve van inrichtingen voor thuisloze personen, de Rijksregeling gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten, Rijksregeling dagverblijven voor gehandicapten, de Rijksgarantieregeling voor instellingen op het gebied van sociaal-cultureel werk en de Subsidieregeling voor internaten van binnenschippers en kermisexploitanten.

In onderstaande tabellen wordt per garantieverlening nader op een aantal zaken in gegaan. Daarbij wordt opgemerkt dat in de standaard tabel ook de vermelding van (rente)bijtellingen en gerealiseerd risico is voorgeschreven. Echter in onderstaande tabellen is dit thans niet van toepassing en derhalve achterwege gelaten.

Tabel I: Organisaties werkzaam op het gebied van de opvang en begeleiding van niet sedentaire personen voor de stichting, uitbreiding en inrichting gebouwen
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari42 21140 38838 56136 72934 89133 04833 199
Aflossingen1 8231 8271 8321 8381 8431 8491 854
Verleende of te verlenen garanties000000 
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december40 38838 56136 72934 89133 04831 19929 345
Tabel II: Organisaties, werkzaam op het gebied van de opvang en begeleiding allochtone groepen voor de aankoop, verbouwing en inrichting van ontmoetingscentra en soortgelijke accommodaties
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari51948222118915712694
Aflossingen37323232313231
Vervallen garanties022900000
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december4822211891571269463
Tabel III: Bouw van accommodaties voor gehandicapten
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond23 81235 00020 00015 00010 0005 0000
Toezeggingsbrieven per 1 januari56 24847 85350 00030 00015 0005 0000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari1 055 9751 029 1791 012 228979 509941 215897 538848 668
Aflossingen50 60851 95152 71953 29453 67853 87053 870
Verleende of te verlenen garanties23 81235 00020 00015 00010 0005 0000
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december1 029 1791 012 228979 509941 215897 538848 668794 798
Tabel IV: Organisaties en instellingen van sociaal-cultureel werk voor de stichting, uitbreiding en inrichting van gebouwen
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond0000000
Toezeggingsbrieven per 1 januari0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari5 3702 1261 9051 7081 5111 3131 144
Aflossingen3 244221197197198169153
Verleende of te verlenen garanties        
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december2 1261 9051 7081 5111 3131 144991
Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2408t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  
Nieuwe wijzigingen  35 00020 00015 00010 0005 000 
Stand ontwerp-begroting 2001  35 00020 00015 00010 0005 000 

Artikel 24.09 Sociaal Beleid

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Sociaal beleid algemeen118 514129 441126 672125 757125 715125 714125 714
02 Inburgering nieuwkomers118 470122 624131 425139 822139 422131 022131 022
Totaal artikel236 985252 065258 097265 579265 137256 736256 736
Uitgaven in EUR1000107 539114 382117 119120 514120 314116 502116 502

24.09 Onderdeel 01 Sociaal Beleid Algemeen

Het bevorderen van participatie, het voorkomen van sociale uitsluiting en het versterken van sociale cohesie staat centraal als doelstelling bij dit onderdeel. Het gaat daarbij enerzijds om kwaliteitsverbetering van de welzijnssector, anderzijds om een geïntegreerde aanpak voor (lokaal) sociaal beleid.

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven:

1) Vormen een onderdeel van de financiering van de speerpunten van het welzijnsbeleid genoemd in de Welzijnsnota 1999–2002 «Werken aan sociale kwaliteit» (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 477 nr. 2):

– het inhoudelijke programma «Bevorderen van participatie en toegankelijkheid, deelprogramma stimuleren vrijwilligerswerk», Een complex van maatregelen, die erop gericht zijn om de participatie van burgers aan de samenleving te versterken. Omdat participatie alleen mogelijk is in een samenleving die niemand uitsluit is het voorkomen en tegengaan van discriminatie onder andere op grond van leeftijd, ras en sekse of seksuele voorkeur een wezenlijk bestanddeel van het programma. Onder deze programmalijn worden instellings- en projectsubsidies verleend aan landelijke organisaties voor o.a. de volgende activiteiten:

• het bevorderen van een actieve bijdrage van vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties aan de samenleving alsook de pluriformiteit van het particulier initiatief;

• het ontwikkelen van methodieken om met name kwetsbare burgers te interesseren en te faciliteren voor actieve deelname aan politieke processen en maatschappelijke activiteiten;

• het voorkomen en bestrijden van discriminatie op grond van sekse, leeftijd, etniciteit of ras;

• de interculturalisatie van het uitvoerend werk en het bewerkstelligen van het multiculturalisatieproces in de samenleving;

• de versterking van de inspraak- en participatiemogelijkheden voor burgers en maatschappelijke organisaties aan de Europese ontwikkelingen rond mensenrechten en sociaal beleid;

• de ontwikkeling van nieuwe varianten van partnerschappen met het bedrijfsleven;

• uitvoeren van het Plan van aanpak vrijwilligerswerk 2000–2002;

• de bevordering van toegankelijkheid van voorzieningen voor kwetsbare groepen;

• aan de Stichting Internationaal Jaar van Vrijwilligers 2001 (IJV2001) voor het vorm geven van de viering van het internationale Jaar van Vrijwilligers in Nederland;

– het inhoudelijke programma «Voorkomen van sociale uitsluiting, door middel van sociale activering en sociale integratie en ondersteuning van kwetsbare groepen». Het gaat daarbij om de individuele begeleiding van mensen uit groepen bij wie sprake is van meervoudige problematiek en die dus vaak op zorg en welzijn zijn aangewezen.

Binnen dit programma worden instellings- en projectsubsidies verleend aan (landelijke) organisaties voor onder andere de volgende activiteiten:

• het stimuleren, faciliteren en ondersteunen van een samenhangend aanbod van zorg en steun op lokaal niveau;

• het inzichtelijk maken van knelpunten in de uitvoeringspraktijk met behulp van ervaringsdeskundigen;

• het versterken van de stem en inbreng vanuit de cliënten- en zelforganisaties;

• het bevorderen van de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen verschillende sectoren en disciplines (ook op internationaal niveau);

• het bevorderen van de afstemming tussen resocialisatie- en (re-) integratieactiviteiten door AWBZ-zorgvoorzieningen en het (re-) integratieaanbod van gemeenten.

– het inhoudelijke programma «Ondersteuning van het lokaal sociaal beleid, deelprogramma leefbaarheid en samenhang op buurt- en wijkniveau». In het Regeerakkoord, in het BANS en in het grotestedenbeleid heeft de versterking van de sociale infrastructuur, de sociale pijler een hoge prioriteit. Het is van belang dat de sector welzijn, in al zijn verscheidenheid, een onderling goed afgestemde bijdrage aan dit streven levert.

Binnen deze programmalijn worden instellings- en projectsubsidies verleend voor onder andere de volgende activiteiten:

• het versterken van de beleidsontwikkelende en uitvoerende rol van de gemeenten opdat er een samenhangend lokaal sociaal beleid komt met inbreng van de burgers;

• voor het bevorderen van de implementatie van ontwikkelde methodieken en aanpakken in het beleid van eerstelijns instellingen en gemeenten door een meer gerichte inzet van de provinciale steunfuncties en een gestructureerde onderlinge afstemming tussen lokale, provinciale en landelijke infrastructuur voor welzijn;

• werkontwikkeling op het gebied van vroegtijdige en voorschoolse educatie;

• werkontwikkeling op het gebied van sociale wijkaanpak, inburgering en samenwerking/afstemming zorg en welzijn;

• de totstandkoming van het landelijk kennisnetwerk sociaal beleid.

– het voorwaardenscheppende programma «Professionaliteit en kwaliteit van aanbieders van zorg en welzijn».

Binnen deze programmalijn worden instellings- en projectsubsidies verleend aan organisaties voor onder andere de volgende activiteiten:

• het bevorderen van een samenhangend zorg en dienstenaanbod. Er moet daarbij spraken zijn van afstemming op de vraag van de cliënt, van onderlinge afstemming en van samenwerking tussen aanbieders door:

• de bevordering van de kwaliteitszorg op de elementen ketenkwaliteit en vraagsturing/cliëntgerichtheid;

• de versterking van de positie en de bevordering van de professionalisering van de welzijnssector;

• de bevordering van de tot standkoming van een adequate ondersteuningsstructuur in de welzijnssector, die is toegerust om het kwaliteitsbeleid mede ten uitvoer te brengen;

• het stimuleren, het scheppen van voorwaarden en het faciliteren van samenwerking tussen bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties;

• het betrekken van bedrijven bij het bevorderen van de leefbaarheid en sociale samenhang op landelijk en lokaal niveau en het verder versterken van het netwerk Samenleving en Bedrijf;

• het zorgdragen voor een grotere samenhang van beleid tussen diverse betrokkenen;

• het bevorderen van een samenhangend programma voor internationale samenwerking op het gebeid van werknemersvrijwilligersbeleid, fondswerving en sponsoring van goede doelen, bedrijfsbetrokkenheid in buurten en wijken en kennis en expertise uitwisseling tussen projecten in verschillende landen;

– het voorwaardenscheppende programma «Onderzoek, monitoring en informatiebeleid».

Doel van dit programma is het leveren van kennis en gegevens, op basis waarvan een zo goed mogelijke onderbouwing, uitvoering en evaluatie van het welzijnsbeleid kan plaatsvinden.

Binnen deze programmalijn worden instellings- en projectsubsidies verleend voor onder andere de volgende activiteiten:

• onderzoek naar versterking sociale infrastructuur;

• toekomstonderzoek;

• onderzoek naar bestuurlijke vraagstukken;

• monitoring ten behoeve van beleid;

• informatievoorziening welzijnssector;

• het bevorderen van gebruik en toepassing van kennis en kennisbronnen;

• het versterken van internationale onderzoeksuitwisseling.

2) Betreffen subsidiëring van instellingen op het terrein van vorming, training en advies.

Tevens zijn op dit onderdeel uitgaven geraamd, bestemd voor wachtgeldaanspraken, die ontstaan zijn door van rijkswege geïnitieerde reorganisaties en bezuinigingen, en nabetalingen als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren verstrekte subsidievoorschotten.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Inzet PEO-jeugdbeleid tbv knelpunten Welzijnsnota1 8251 3251 3251 325
2 Overheveling in verband met deelname aan projecten– 400– 165  
Totaal onderdeel1 4251 1601 3251 325

Toelichting

1 Verhoging in verband met het oplossen van knelpunten bij de uitvoering van de Welzijnsnota. De dekking hiervoor is gevonden door verlaging van de gereserveerde budgetten voor PEO-Jeugdbeleid, welke op uitgavenartikel 24.04 staan gereserveerd.

2 Verlaging ter dekking van de projecten Loket Zorg en Welzijn en Steunpunt Sociale Activering, welke via uitgavenartikel 22.01, de onderdelen 01 en 05 worden gefinancierd.

Kengetallen

Ramings- en doelmatigheidskengetallen

Met een deel (f 21,4 miljoen) van het budget op dit onderdeel wordt een bijdrage in de kosten van de VTA-instellingen (Vorming, Training en Advies) voor vormings- en ontwikkelingswerk in internaatsverband gegeven.

Onderstaande kerngegevens geven het totaal aantal geslaagde deelnemers weer die met het beschikbare budget worden gesubsidieerd.

Onderbouwing Vorming Training en Advies
 199920002001
Aantal cursisten32 34032 34032 340
Aantal geslaagde cursisten32 705*  
Subsidie per cursusdagdeel (in guldens)662662662
Begrotingsbedrag (in miljoen)21,421,421,4

* De verleende subsidie is maximaal, indien er meer cursisten worden opgeleid, wordt dit door de VTA-internaten bekostigd.

24.09 Onderdeel 02 Inburgering Nieuwkomers

Binnen de algemene doelstelling van het Sociaal Beleid richt het beleid zich op de verwerving van zelfredzaamheid door nieuwkomers.

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor:

• de kosten in verband met de overgang van het quotumbeleid van VWS naar Justitie (f 8,7 miljoen);

• rijksbijdragen aan gemeenten ten behoeve van de welzijnscomponent van inburgeringtrajecten;

• de uitvoering door de landelijke Taskforce inburgering van de volgende actiepunten:

– verbetering van de uitvoering en de regie, inclusief de regionale samenwerking;

– verbetering van de sturingsinformatie en monitoring;

• de evaluatie van de Wet inburgering nieuwkomers;

• het bevorderen van de aansluiting tussen nieuwkomers die een inburgeringstraject hebben afgesloten en het traject JEWEL;

• en nabetaling op basis van in voorgaande jaren verstrekte subsidievoorschotten.

b) De Wet Inburgering Nieuwkomers, de Welzijnswet 1994 en de Begrotingswet dienen als basis voor de uitgaven. Voor zover bekostiging van uitgaven is gebaseerd op de Welzijnswet 1994 is deze geregeld in het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid dan wel de Subsidieregeling welzijnsbeleid. De bekostiging van de uitgaven gebaseerd op de Wet Inburgering Nieuwkomers is geregeld in het Bekostigingsbesluit Inburgering Nieuwkomers.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Uitbreiding WIN agv nieuwe Vreemdelingenwet8 80017 20016 8008 400
Totaal onderdeel8 80017 20016 8008 400

Verhoging in verband met de financiering van de beoogde uitbreiding van de Wet Inburgering Nieuwkomers, die het gevolg zal zijn van het inwerking treden van de nieuwe Vreemdelingenwet.

Kengetallen

Inburgering nieuwkomers:

Op grond van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers wordt de rijksbijdrage aan gemeenten berekend op basis van de prestaties van gemeenten in de vorm van het aantal genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma, bedoeld in artikel 5 van de WIN, en het aantal verklaringen uitgereikt door het bevoegd gezag van een educatieve instelling, bedoeld in artikel 7,4, 15, eerste lid van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Het relatieve aandeel van een gemeente op het landelijk totaal aantal beschikkingen en verklaringen in het jaar t-2 bepaalt voor het jaar t het aandeel van die gemeente in het landelijk beschikbare budget. De verdeling van het landelijk beschikbare budget voor 2001 wordt in september 2000 gepubliceerd in Uitleg OCW-Regelingen, waarna de afzonderlijke gemeenten door middel van een circulaire worden geïnformeerd over de rijksbijdrage die ze van de ministeries van VWS en OCW voor 2001 zullen ontvangen voor de welzijnsrespectievelijk de onderwijscomponent.

Ramings- en doelmatigheidskengetallen

Overzicht van het aantal gemeenten waaraan een uitkering is verleend alsmede het aantal beschikkingen en verklaringen
 Raming bereik 199819992000
Verleend aan aantal gemeenten625573548
Aantal beschikkingen19 410117 57623
Aantal verklaringen11 532115 81023
Begrotingsbedrag (* 1 miljoen)103,1107,3108,2

1 Dit betreft het aantal door de gemeenten gerealiseerde èn gewaarmerkte beschikkingen en verklaringen over 1998. Op basis van deze gegevens en op grond van de Regeling herziening rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2000 zijn de rijksbijdragen in 2000 vastgesteld.

2 Dit betreft de per 1 februari 2000 door de gemeenten geleverde voorlopige gegevens over 1999. Omdat er, net als met de in 1999 aangeleverde gegevens over 1998 het geval was, een substantieel verschil te verwachten is tussen de voorlopige en de gewaarmerkte gegevens, wordt bezien of de rijksbijdragen 2001 eveneens dienen te worden vastgesteld op grond van een Regeling herziening rijksbijdragen inburgering, nu voor 2001.

3 Deze gegevens worden in 2001 aangeleverd. Momenteel wordt gewerkt aan een wijziging van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers die inhoudt dat de gegevens nog slechts op één datum (gewaarmerkt) kunnen worden aangeleverd.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2409t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  233 116236 421238 404238 578238 577 
1e Suppletore wet  – 3 299– 3 364– 2 354– 972– 354 
Nieuwe wijzigingen  6 8509 87918 22918 1029 725 
Nieuwe nominale wijzigingen  12 0668 3268 4368 4348 434 
Stand ontwerp-begroting 20012 071275 288248 733251 262262 715264 142256 382256 736

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2409 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  237 675239 585238 578238 578238 577 
1e Suppletore wet  – 200– 200  
Nieuwe wijzigingen  6 15010 22518 56018 1259 725 
Nieuwe nominale wijzigingen  8 4408 4878 4418 4348 434 
Stand ontwerp-begroting 2001 236 985252 065258 097265 579265 137256 736256 736
Uitgaven in EUR1000  107 539114 382117 119120 514120 314116 502116 502

Artikel 24.10 Vrouwenopvang, Maatschappelijke opvang en Verslavingszorg

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel365 770398 829399 749398 983398 983398 982398 981
Uitgaven in EUR1000165 979180 981181 398181 051181 051181 050181 050

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op specifieke uitkeringen aan centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. De activiteiten op het terrein van de maatschappelijke opvang bestaan uit het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meerdere problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De activiteiten op het terrein van de vrouwenopvang bestaan uit het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten, veelal in verband met problemen van relationele aard en geweld.

De activiteiten op het terrein van verslavingsbeleid bestaan uit ambulante hulpverlening, gericht op verslavingsproblemen, en preventie van verslavingsproblemen.

Vanaf 1999 is er een AMVB van kracht, die onder andere het doel van de uitkeringen regelt, alsmede het aantal centrumgemeenten, de hoogte van de bedragen en de wijze van verantwoording. Op 28 december 1998 heeft de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) haar advies uitgebracht over de specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Het advies behelst de keuze voor gemeenten die voor een uitkering in aanmerking komen en de hoogte van de uitkering. Het standpunt op het advies van de Rfv is in het najaar aan de Tweede Kamer bekend gemaakt. De Kamer heeft in 2000 een besluit genomen over de definitieve selectie van centrumgemeenten vanaf 2001.

Verder is het de bedoeling dat de specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid in 2001 worden samengevoegd. Over de opzet van de evaluatie van de specifieke uitkeringen wordt u geïnformeerd in een separate brief over de stand van zaken van de implementatie van het kabinetsstandpunt inzake de herverdeling van de specifieke uitkeringen.

Voorts zijn op dit onderdeel uitgaven geraamd, bestemd voor de uitkeringen aan landelijke organisaties op het terrein van maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Eind 2000 verschijnt de eerste rapportage van de monitor maatschappelijke opvang inclusief de vrouwenopvang met gegevens over het gemeentelijk beleid, de aanbodzijde en de vraagzijde.

Tenslotte is in 1999 een begin gemaakt inzicht te verkrijgen in de financiële gegevens van de instellingen voor maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, alsmede in het aantal formatieplaatsen.

b) De Welzijnswet 1994 dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid, het bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de subsidieregeling welzijnsbeleid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Welzijnswet 1994.

c)

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Aanpassen verdeling in begroting aan Welzijnsnota962202202202
Totaal onderdeel962202202202

Overheveling vanuit uitgavenartikel 25.02, onderdeel 07 waardoor de verdeling in de begroting meer aansluit op de in de Welzijnsnota opgenomen verdeling.

Kengetallen

Op deze plaats treft u geen kengetallen meer aan, omdat deze projecten SVO niet meer afzonderlijk worden gesubsidieerd, maar een geïntegreerd onderdeel vormen van de specifieke uitkering verslavingsbeleid.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2410t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  385 492385 807385 807385 807385 807 
1e Suppletore wet  7 970533527527527 
Nieuwe wijzigingen  150962202202202 
Nieuwe nominale wijzigingen  24 76412 44712 44712 44812 446 
Stand ontwerp-begroting 20014 739422 040418 376399 749398 983398 984398 982398 981

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2410 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  385 646385 807385 807385 807385 807 
1e Suppletore wet  593 533527527527 
Nieuwe wijzigingen  150962202202202 
Nieuwe nominale wijzigingen  12 44012 44712 44712 44712 446 
Stand ontwerp-begroting 2001 365 770398 829399 749398 983398 983398 982398 981
Uitgaven in EUR1000 165 979180 981181 398181 051181 050181 050181 050

HOOFDBELEIDSTERREIN 25 VOLKSGEZONDHEID

Algemeen

Dit hoofdbeleidsterrein omvat het beschermen van gezondheid en het voorkomen van ziekten. Zoals in de inleiding al gezegd is, wordt dit beleid steeds belangrijker voor het verder verlengen van de levensverwachting. Tevens worden onder dit hoofdbeleidsterrein uitgaven geraamd op het terrein van de (chronische) ziektebestrijding, waaronder infectieziekten in het algemeen en Aids in het bijzonder, het patiënten- en consumentenbeleid, de preventie en de zorg inzake alcohol, drugs en tabak, de beroepen en opleidingen volksgezondheid en het beleid inzake projecten, experimenten en onderzoek. De beleidsuitgaven met betrekking tot gezondheidsbescherming omvatten het preventiebeleid ten aanzien van voeding, productveiligheid en veterinaire aangelegenheden, alsmede uitgaven ten aanzien van het geneesmiddelenbeleid en beleid op het gebied van de medische hulpmiddelen.

Tevens worden op dit hoofdbeleidsterrein uitgaven geraamd ten behoeve van het algemeen beleid op het terrein van de gezondheidsbevordering, gezondheidsbescherming en de gezondheidszorg, meer specifiek ten behoeve van de beleidsterreinen ICT in de zorg, informatievoorziening en onderzoeksbeleid.

Artikel 25.01 Volksgezondheid algemeen

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Algemene uitgaven volksgezondheid35 71240 0001 887800800800800
02 Beroepen en opleidingen volksgezondheid112 357126 217130 290142 461154 653154 668154 678
Totaal artikel148 069166 217132 177143 261155 453155 468155 478
Uitgaven in EUR100067 19175 42659 97965 00970 54170 54870 553

25.01 Onderdeel 01 Algemene uitgaven volksgezondheid

a) Het grootste deel van de op dit onderdeel geraamde uitgaven is bestemd voor het ontwikkelen, beheren en implementeren van standaarden in de gezondheidszorg. Het gebruik van standaarden bevordert kwaliteit en doelmatigheid. Gegevens die zijn vastgelegd in digitale dossiers zijn, mits gestandaardiseerd, herbruikbaar voor toepassing binnen behandelprotocollen, voor uitwisseling met collega zorgverleners, voor populatie onderzoek en preventieve programma's en voor het genereren van beleids- en managementinformatie. Een betrouwbare informatievoorziening, welke wordt bevorderd door standaardisatie, is een cruciale voorwaarde voor het afleggen van verantwoording door de sector over de besteding van de publieke middelen.

Voorts kan via dit artikelonderdeel aandacht worden besteed aan projecten met betrekking tot de modernisering van de AWBZ.

Daarnaast zijn op dit onderdeel voor het jaar 2000 nog zogenaamde doorloopkosten geraamd voor de aanpak van het millenniumvraagstuk in de zorgsector. Deze activiteiten werden verricht door de Stichting Millennium Platform Zorg (MPZ). Voor 2001 en latere jaren worden geen uitgaven meer geraamd.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling Volksgezondheid. De begrotingswet dient als basis voor de overige uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Overheveling informatiebeleid Vgz1 887800800800
Totaal onderdeel1 887800800800

Op dit artikelonderdeel worden vanaf 2001 de beschikbare middelen met betrekking tot de ontwikkeling van het informatiebeleid in de volksgezondheid geraamd. Voorheen werden deze middelen geraamd op onderdeel 13 van uitgavenartikel 25.02.

25.01 Onderdeel 02 Beroepen en opleidingen volksgezondheid

a) Op dit onderdeel worden uitgaven geraamd die verband houden met de subsidiering van de drie opleidingen tot verloskundige, de docentenopleiding voor het hoger gezondheidszorg onderwijs, de exploitatie van de Stichting Raad Beroepsopleiding Radiologisch Laboranten, het instellen van het capaciteitsorgaan en de medische vervolg opleidingen (medisch specialisten, oogheelkunde, orthodontie en de beroepsopleiding huisartsen). Op dit onderdeel zijn tevens de uitgaven geraamd ten behoeve van de zes medische tuchtcolleges.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Het tuchtrechtbesluit van de Wet beroepen individuele gezondheidszorg (BIG) dient als basis voor de uitgaven met betrekking tot de medische tuchtcolleges. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
1 Uitbreiding opleiding verloskundigen (uit premie)1 8003 0004 2004 200
2 Uitbreiding opleiding huisartsen (uit premie)4 00015 00026 00026 000
3 Overheveling taken naar BIG-register– 689– 689– 689– 689
Totaal onderdeel5 11117 31129 51129 511

Toelichting

1 Uitbreiding van de opleiding tot verloskundigen. De bestaande drie opleidingen hebben de uitbreiding met 40 nieuwe plaatsen (totaal is nu 160) reeds met ingang van het studiejaar 2000–2001 kunnen realiseren.

2 Deze middelen zijn bestemd voor de uitbreiding van de opleidingscapaciteit tot huisarts. De gefaseerde uitbreiding zal uiteindelijk leiden tot een opleidingscapaciteit van 457 in 2004.

3 Overheveling van taken op het gebied van vakbekwaamheids-verklaringen van buitenlands gediplomeerden naar het BIG-register.

Kengetallen

Overzicht van aantal studenten en geslaagden bij de opleiding Verloskundigen
 199719981999Raming 2000Raming 2001Raming 2002Raming 2003
Verloskundigen:       
        
Aantal studenten458460466520560600640
Aantal geslaagden7696102100100100140
Opleidingsbudget(mln)14,114,615,117,218,419,620,8

BRON: opgave administraties drie opleidingen voor realisatie cijfers.

In bovenstaande tabel betreffen de aantallen 1997 en 1998 de eerste studenten van de nieuwe vierjarige opleiding. Het aantal geslaagden in 1999 is conform de verwachting.

Aantal (gedeclareerde) medische tuchtzaken o.b.v. de Medische Tuchtwet, gerangschikt naar de diverse medische tuchtcolleges (MTC)
Tuchtcollege1996199719981999
Centraal MT249255305282
MTC Amsterdam259279302293
MTC Eindhoven227262288255
MTC Zwolle127153188214
MTC Groningen738380101
MTC Den Haag274322310302
Totaal1 2091 3541 4731 447

BRON: opgave tuchtcolleges

Overzicht over de opleiding huisartsen
 1996199719981999
Huisartsen in opleiding:    
     
Eerstejaars325342325337
Totaal in opleiding8481 017997980
Opleiding voltooid135214336400

BRON: opgave SBOH.

In 1999 hebben 75 huisartsen in opleiding meer dan verwacht bij het opstellen van de raming over 1999 de opleiding voltooid. Deze extra uitstroom betreft in feite een versnelde uitstroom als gevolg van het invoeren van een vrijstellingsregeling waardoor een aanzienlijk aantal huisartsen in opleiding in minder dan de normale drie jaar de opleiding hebben voltooid.

In september 1994 is de opleiding verlengd van twee naar drie jaar. Het aantal geslaagden 1996 heeft betrekking op degenen die in maart 1994 met de tweejarige opleiding zijn gestart. Het aantal geslaagden 1997 heeft betrekking op degenen die in september met de driejarige opleiding zijn gestart, inclusief een extra instroom van 100 huisartsen in opleiding.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2501t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  123 053113 977113 959113 959113 959 
1e Suppletore wet  6 5006 5006 7007 0007 000 
Nieuwe wijzigingen  37 0116 19817 31129 51129 511 
Nieuwe nominale wijzigingen  7 8474 2044 1914 1834 198 
Stand ontwerp-begroting 2001156 963174 411131 679142 961155 453155 468155 478 
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2501 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  123 054113 977113 959113 959113 959 
1e Suppletore wet  7 0007 0007 0007 0007 000 
Nieuwe wijzigingen  32 0116 99818 11130 31130 311 
Nieuwe nominale wijzigingen  4 1524 2024 1914 1834 198 
Stand ontwerp-begroting 2001 148 069166 217132 177143 261155 453155 468155 478
Uitgaven in EUR1000 67 19175 42659 97965 00970 54170 54870 553

Artikel 25.02 Volksgezondheidsbeleid

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Wet orgaandonatie en medische ethiek10 55410 83514 04114 0419 0419 0419 041
02 Onderzoeksinstituten, onderzoek en ontwikkelingswerk1 978000000
03 Tweedelijnszorg46 72471 17273 95873 95873 95773 95873 957
04 Eerstelijnszorg70 159100 354102 47287 44086 44261 27161 273
05 Basisgezondheidszorg en daarmee verband houdende uitgaven14 777000000
06 Geestelijke volksgezondheid16 00831 80635 12534 92628 72628 72628 726
07 Alcohol-, drug- en tabaksbeleid39 59942 27141 39234 08634 08332 54732 547
08 Aids en overige sexueel overdraagbare aandoeningen8 369000000
09 Patiënten- en consumentenbeleid36 369000000
10 Voeding, veterinair beleid en produktveiligheid27 040000000
11 Genees- en hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en biotechnologie27 47241 13915 52415 52414 02214 02214 022
12 Illegalenfonds5 49711 00011 00011 00011 00011 00011 000
13 Projecten, experimenten en onderzoek94 413129 430135 000137 489138 358139 859139 859
14 Initiële storting Waarborgfonds zorgsector120 000      
15 Gezondheidsbeleid 158 055121 363116 455111 754111 755111 755
16 Noodfonds Bijlmermeerramp 37 60000000
Totaal artikel518 959633 662549 875524 919507 383482 179482 180
Uitgaven in EUR1000235 493287 543249 522238 198230 240218 803218 804

25.02 Onderdeel 01 Wet orgaandonatie en medische ethiek

a) De op dit artikel geraamde uitgaven betreffen hoofdzakelijk de uitvoering van de van de Wet Orgaandonatie (WOD) en enige kleinere posten op het terrein van de medische ethiek zoals Bio-ethiek, kloneren, xenotransplantatie, IVF, steun en consultatiefunctie voor artsen ten aanzien van euthanasie en medisch ethische commissies. De uitgaven in het kader van de WOD betreffen met name:

– voorlichtingsactiviteiten;

– kosten drukken, verzenden en verwerken registratieformulieren;

– exploitatie van het (informatiesysteem) donorregister.

De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd op onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Inzet tbv herinneringscampagne orgaandonatie6 0006 0001 0001 000
Totaal onderdeel6 0006 0001 0001 000

In het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer over orgaandonatie is aangedrongen op een herinneringscampagne. Hiervoor wordt in de komende twee jaar in totaal f 10 miljoen op de begroting gereserveerd. Daarnaast worden de structurele subsidies aan Pro Donor en de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) structureel met f 1 miljoen verhoogd. De dekking vindt plaats vanuit de premiemiddelen (MJA cure).

Kerncijfers donorregister

Overzicht van gegevens uit het Donorregister
 19981999Cumulatief t/m 99Totaal per 31/12/99
Aantal aanschrijvingen12 200 000190 26512 390 265  
Aantal geldige wilsbeschikkingen4 238 74364 349 4 584 868
     
Toestemming46,6%39,2% 46,1%
Toestemming met beperking7,6%14,8% 7,8%
Geen toestemming34,8%31,5% 34,1%
Beslissing nabestaanden10,0%13,4% 10,2%
Beslissing aangewezen persoon1,0%1,1% 1,7%
Geretourneerd34,7%33,8% 37,0%
     
Raadplegingen donorregister1 4164 042 5 458

BRON opgave donorregister (bewerking gegevens registratiesysteem)

In bovenstaande tabel zijn een aantal kerncijfers met betrekking tot het Donorregister opgenomen.

In de tweede helft van februari 1998 en de eerste helft van maart 1998 zijn alle Nederlanders ouder dan 18 jaar aangeschreven om hen de mogelijkheid te geven hun wil ten aanzien van orgaandonatie kenbaar te maken. In het eerste kwartaal van 1999 zijn alle 18-jarige aangeschreven. De verwachting dat 25 tot 35 procent van de aangeschreven Nederlanders het formulier daadwerkelijk zou terugsturen in 1998 en 1999, is uitgekomen. Gebleken is dat van de 12,4 miljoen verstuurde formulieren er bijna 4,6 miljoen zijn geretourneerd.

25.02 onderdeel 02 Onderzoeksinstituten en ontwikkelingswerk

a) Op dit onderdeel werden tot en met begrotingsjaar 1999 uitgaven verantwoord met betrekking tot onderzoeksinstituten en ontwikkelingswerk.

25.02 Onderdeel 03 Tweedelijnszorg

a) De uitgaven op dit onderdeel hebben betrekking op de ontwikkeling en implementatie van ziekenhuis en topzorg beleid zoals bijvoorbeeld de eerste kosten van het opzetten van kenniscentra op het terrein van wachtlijsten in de curatieve zorg, uitgaven in het kader van onderzoek op het terrein van het terugdringen van wachtlijsten in de curatieve zorg en ondersteuning van het platform wachttijden in de curatieve zorg, uitgaven in het kader van kwaliteitsbeleid medisch specialisten, uitgaven in het kader van het opzetten van een regionale ondersteuningsstructuur voor medisch specialisten waarbij ook bevordering van deelname aan FTTO's en gebruik van EVS wordt ondergebracht, projecten op het terrein van verbetering van de ICT in de zorg, en een bijdrage aan de verbetering van chronische ademhalingsondersteuning (Groot Klimmendael). Daarnaast hebben de uitgaven betrekking op kwaliteit en doelmatigheid met name de uitvoering van het MTA-programma betreft(uitvoering plan van aanpak «Voortgangsrapportage Medical Technology Assesment (MTA) en doelmatigheid van zorg» (TK 1996–1997, 24 126).

De uitgaven op dit onderdeel betreffen voorts de bijdrage van VWS in de totale exploitatie van het Nederlands Kankerinstituut (NKI), de stichting Renine (levert ziekenhuizen diensten bij nierfunctievervanging), de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd op onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Uit MJA cure: invoering geïntegreerd med. spec.bedrijf10 00010 00010 00010 000
2 Uit MJA cure: kwaliteitsverbetering medisch specialisten12 20012 20012 20012 200
Totaal onderdeel22 20022 20022 20022 200

Toelichting

1 In het Regeerakkoord 1998 geuite voornemen om de curatieve zorg te moderniseren. Het plan is om op korte termijn in 10 ziekenhuizen het Geïntegreerd medisch specialistisch bedrijf op experimentele wijze door te voeren. Een aantal ziekenhuizen is hiervoor reeds benaderd. Per deelnemend ziekenhuis wordt ongeveer f 1 miljoen als tegemoetkoming in de kosten uitgetrokken.

2 Daarnaast wordt dit artikelonderdeel vanaf 2000 vanuit de premiemiddelen (MJA cure) met f 10,2 miljoen en structureel met f 12,2 miljoen verhoogd in verband met de in het Regeerakkoord 1998 gemaakte afspraak met de Orde van Medisch Specialisten omtrent kwaliteitsverbetering en een Elektronisch voorschrijfsysteem (EVS) voor medisch specialisten.

25.02 Onderdeel 04 Eerstelijnszorg

a) De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben ten eerste betrekking op de ontwikkeling en instandhouding van de organisatie voor crisisbeheersing en rampenbestrijding bij VWS. Het betreft hier trainingen van eventueel in te zetten personeel, verbeteren verwanteninformatie en de reguliere exploitatiekosten zoals een bijdrage aan het Rode Kruis en de kosten van aansluiting op het nationaal noodnet. Deze uitgaven hebben voorts betrekking op het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (PGHOR), waarbij voor VWS het doel is om het in de nota met Zorg Verbonden (TK, 1999–2000, 25 672) verwoorde beleid verder vorm te geven. Daarnaast worden subsidies verstrekt aan de Landelijke Federatie voor AmbulanceZorg (LFAZ) ten behoeve van onder andere de projectorganisatie C2000, beleidsontwikkeling op het terrein van de terminale en palliatieve zorg, de implementatie van de kwaliteitswet, kwaliteitsbeleid paramedici, het project Electronisch Voorschrijven (geneesmiddelen) door huisartsen de bijdragen van VWS aan de exploitatie van het Nederlands Instituut Voor onderzoek van de Eerste Lijn (NIVEL), het Nederlands Paramedisch Instituut (NPI).

Op dit onderdeel worden uitgaven geraamd die betrekking hebben, de subsidie aan het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging (LCVV), een bijdrage aan het AWO-fonds ten behoeve van het realiseren van een verkorte opleiding tot kraamverzorgende. De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd op onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Welzijnswet 1994 en de Kaderwet volksgezondheidssubsidies en de Tijdelijke stimuleringsregeling algemeen maatschappelijk werk dienen als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid, het Besluit Volksgezondheidssubsidies, de welzijnsbeleid en de Subsidieregeling volksgezondheid. Subsidieregeling. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op hierboven aangegeven wetten en regelingen.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Overheveling taken naar BIG-register– 336– 336– 336– 336
2 Verhoging budget CCMO– 676– 676– 676– 676
3 Subsidie aan nederl. Paramedisch Instituut (uit premie)1 0001 0001 0001 000
4 Psycho sociale nazorg nav vuurwerkramp Enschede12 500    
5 Inloop en adviescentum nav vuurwerkramp Enschede3 5001 000  
Totaal onderdeel15 988988– 12– 12

Toelichting

1 Overheveling van de taken op het gebied van vakbekwaamheids-verklaringen van buitenlands gediplomeerden naar het BIG register (uitgavenartikel 23.01, onderdeel 08).

2 Verlaging ten behoeve van het vergroten van de capaciteit van de centrale commissie mensgebonden onderzoek (CCMO). Deze commissie valt onder de directe verantwoordelijkheid van de Gezondheidsraad (uitgavenartikel 22.09, onderdeel 03).

3 Conform de afspraak in het convenant paramedici dat voortvloeide uit de Meerjarenafspraken 1998 wordt het Nederlands Paramedisch Instituut voortaan via de begroting gefinancierd.

4 Verhoging ten behoeve van het traject psychosociale nazorg dat in 2000 naar aanleiding van de vuurwerkramp te Enschede is gestart. Het betreft een voorlopige voorziening voor de jaren 2000 en 2001.

5 Verhoging in verband met de subsidiëring van het inloopen adviescentrum dat in 2000 naar aanleiding van de vuurwerkramp te Enschede is opgericht.

25.02 Onderdeel 06 Geestelijke volksgezondheid

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op de subsidiëring van onderzoeksinstituten, waaronder het Trimbos-instituut en uitgaven ten behoeve van (zorgvernieuwings) projecten op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg en de GGZ-preventie.

Verder worden op dit onderdeel de uitgaven betreffende de financiering van adviesorganen en een koepelorganisatie ten behoeve van de nascholing en opleiding binnen de geestelijke gezondheidszorg geraamd.

Tevens wordt vanuit dit onderdeel de Stichting Pharos gesubsidieerd. In de memorie van toelichting van de begroting 2000 heb ik u geïnformeerd over het streven van de Stichting Informatie- en Coördinatie-Orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO), de Stichting Pharos (landelijke instelling ten behoeve van gezondheidszorg aan asielzoekers en vluchtelingen) en Centrum '45 (instelling met een landelijke functie voor de behandeling van oorlogs- en geweldsgetroffenen) om te fuseren. Het doel van de drie organisaties was het oprichten van een landelijk top-referent kenniscentrum gericht op de oorlogs- en geweldsgetroffenen, inclusief de hedendaagse getraumatiseerden (zoals bijvoorbeeld vluchtelingen en asielzoekers).

De drie organisaties hebben voorjaar 2000 echter besloten om het streven naar een fusie te beëindigen, omdat zij niet in staat waren om een gemeenschappelijke visie te formuleren over hoe de nieuw te vormen organisatie na de beoogde fusie eruit zou moeten zien. De tegenstellingen tussen de drie organisaties bleken fundamenteel van aard en daarom onoverbrugbaar. De bestaande samenwerkingsrelaties blijven uiteraard wel gehandhaafd.

Ik leg mij neer bij de conclusie van de drie organisaties dat een fusie niet haalbaar is. Samen met de drie organisaties zal ik bezien in hoeverre de huidige positionering van functies en taken op het terrein van oorlogs- en geweldsgetroffenen, inclusief de hedendaagse getraumatiseerden, nog voldoet. De aandacht moet daarbij nadrukkelijk ook gericht zijn op andere organisaties dan ICODO, Pharos en Centrum '45. Ik denk bijvoorbeeld aan GGZ-instellingen met een specifieke deskundigheid op het onderhavige terrein.

Tevens worden vanuit dit artikelonderdeel onder andere de volgende activiteiten uitgevoerd:

• Onderzoek voor het ontwikkelen en implementeren van protocollen en richtlijnen ter bevordering van de doelmatigheid en efficiëntie binnen de geestelijke gezondheidszorg op het gebied van behandeling, medicatie- en voorschrijfbeleid en onderzoek.

• Onderzoek naar uniformeren van wachtlijstregistratie en wachtlijstbeleid Versterking van de eerstelijns GGZ door inzet van extra middelen voor:

• Onderzoek en experimenten met betrekking tot de eerstelijnspsycholoog

• Verbetering van de samenwerking in de eerstelijns GGZ

• Bevorderen van de deskundigheid van huisartsen op het gebeid van psychische klachten.

• Voor de aanpak van de knelpunten met betrekking tot arbeidsongeschiktheid om psychische redenen is de commissie Donner ingesteld.

De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd op onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

25.02 Onderdeel 07 Drug- en alcoholbeleid

a) Ten laste van dit onderdeel worden enkele landelijke instellingen, waaronder het Trimbos-instituut en Tjandu, gefinancierd. Op dit onderdeel zijn ook uitgaven geraamd, bestemd voor:

– landelijke preventieprojecten (waaronder Landelijk Steunpunt Preventie (LSP)),

– onderzoeken gericht op het voorkomen van alcoholen druggebruik,

– heroïne-experiment.

Extra aandacht in 2001 zal uitgaan naar de volgende activiteiten op het gebied van het drugbeleid:

Project Resultaten Scoren.

De speerpunten van dit beleid richten zich op kwaliteit en innovatie van zorg, kwaliteit en innovatie van preventie en sociaal verslavingsbeleid. Daartoe zijn drie ontwikkelcentra opgericht ( dit zijn samenwerkingsverbanden van instellingen en wetenschappelijke onderzoeksinstituten). Daarnaast is flankerend beleid nodig: GGZ Nederland heeft in het uitvoeringsplan 2000 tevens een werkprogramma opgesteld voor de ondersteunende projecten als monitoring, informatievoorziening, opleidingenbeleid en productbegroting/financieringssystematiek.

Nationale drugmonitor (NDM).

Doelstelling van de NDM is het verwerven van inzicht in een aantal essentiële aspecten van de drugsproblematiek, die zowel afzonderlijk als in samenhang een betrouwbaar, evenwichtig en representatief beeld geven van de situatie in de praktijk, en die inzicht geven in trendmatige ontwikkelingen, de effecten van beleid, de randvoorwaarden en de te verwachten problemen.

Campagne uitgaan en drugs.

In samenwerking met het Landelijk Steunpunt Preventie (LSP) is een uitvoeringsmodel vervaardigd. Dit model is tot stand gekomen d.m.v. instellingen voor verslavingszorg, GGD-en, uitgaanscircuits, diverse media, reclame enz. Het voorziet o.m. in een verdeling van verschillende productgroepen met specifieke preventie-activiteiten in drie domeinen, t.w. vrije tijd, school en thuis. In februari 2000 is in dit kader een nieuwe campagne over drugspreventie gestart.

Internationaal drugbeleid.

Dit omvat een groot aantal activiteiten gericht op het voldoen aan internationale verplichtingen, het ondersteunen van projecten en internationale kennisuitwisseling. Ook voorlichting over het Nederlandse drugbeleid is een belangrijke activiteit. Voor alle bovengenoemde activiteiten geldt dat de Tweede Kamer meerdere malen haar instemming hiermee heeft betuigd.

De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd op onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Welzijnswet 1994 en de Kaderwet volksgezondheidssubsidies dienen als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid, het Besluit volksgezondheidssubsidies, de Subsidieregeling welzijnsbeleid en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Aanpassen budget Drang en overlastbeleid1 5001 5001 5000
2 Aanpassen verdeling in begroting aan Welzijnsnota– 962– 202– 202– 202
Totaal onderdeel5381 2981 298– 202

Toelichting

1 Verhoging ten behoeve van de continuering van projecten op het gebied van de strafrechtelijke opvang van verslaafden in Rotterdam. Dekking is gevonden door een verlaging van de subsidie aan ZON (onderdeel 13 van dit artikel).

2 Dit uitgavenartikel wordt verlaagd in verband met de aansluiting van de bij uitgavenartikel 24.10 opgenomen verdeling met de cijfers in de Welzijnsnota.

25.02 Onderdeel 11 Genees- en hulpmiddelen,

a) De op dit onderdeel geraamde subsidies en overige uitgaven zijn bestemd voor het voorbereiden en uitvoeren van beleid ten aanzien van de kwaliteit en de kosten op het terrein van genees- en hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en medische biotechnologie.

Geneesmiddelen

kostenbeheersing

Op dit onderdeel zijn onder andere uitgaven geraamd voor de uitvoering van de Wet op de Geneesmiddelenprijzen en voor de modernisering van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Ook zijn middelen begroot ten behoeve van het informatiesysteem voor het volgen van ontwikkelingen in de geneesmiddelenmarkt en voor het informatiesysteem dat de effecten van het Geneesmiddelenvergoedingensysteem (GVS) in beeld brengt.

doelmatigheidsbevordering en voorlichting

In dit kader zijn middelen begroot voor het ondersteunen van F(T)TO-apotheker-coördinatoren en huisartscoördinatoren. Deze ondersteuning bestaat uit voorlichtingsmateriaal ter bevordering van het doelmatig voorschrijven. Daarnaast gaat het om uitgaven voor activiteiten en instanties, die rationeel en doelmatig voorschrijven en afleveren bevorderen, zoals de Stichting Geneesmiddelenbulletin en de Stichting Doelmatige Geneesmiddelenvoorziening en om uitgaven in het kader van de invoering van een farmaco-econimische richtlijn. Daarnaast wordt in dit kader een wijziging van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG) voorbereid. In 1999 is het project tot wijziging van de wet gestart. Doel van het project is het aanpassen van de wet, die dateert uit 1958, aan de eisen van de huidige tijd. De planning is dat de wet medio 2001 aan de Ministerraad wordt voorgelegd.

kwaliteitsbeleid

Op het gebied van kwaliteitsbeleid zijn middelen geraamd voor het toezicht op de naleving van het reclame-besluit geneesmiddelen en voor het stimuleren van geneesmiddeleninnovatie (bijv. STIGON en Stichting New Drugs Research) en voor de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen. (geneesmiddelen voor weinig voorkomende ziektes).

Het gebruik van cannabis als geneesmiddel is op dit moment niet toegestaan, doordat de rechtvaardiging daarvan momenteel nog onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd. Voor de coördinatie en stimulering van onderzoeksprojecten, alsmede voor de toevoer van cannabis van medicinale kwaliteit voor deze onderzoeken zal in de toekomst een zogenoemde «national agency» in de zin van het Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen bij de internationale toezichthouder worden aangemeld. Dit organisatieonderdeel zal gaan werken onder de naam Bureau Medicinale Cannabis en zal deel uit maken van het Ministerie van VWS.

Medische hulpmiddelen

Het actuele beleid op het gebied van medische hulpmiddelen is er op gericht om ondoelmatigheden in de verstrekking van hulpmiddelen weg te nemen. Daartoe worden activiteiten op het gebied van informatievoorziening, prijzen, distributie en protocollering van zorg ondersteund. Hiertoe is het begrotingskader tot en met 2002 bijgesteld voor het uitvoeren van het vastgestelde beleid (Plan van Aanpak 1998, TK 1999–2000, 24 124, nr. 69) en actieprogramma 1999, TK 1999–2000, 24 124, nr. 100). Daarnaast zijn uitgaven begroot voor activiteiten ter uitvoering van Europese wet- en regelgeving op het terrein van de medische hulpmiddelen.

Lichaamsmaterialen en medische biotechnologie

Tenslotte zijn op dit onderdeel uitgaven geraamd voor het beleid betreffende lichaamsmaterialen en medische biotechnolgie. Dit betreft onder andere uitgaven voor het sturingstoezicht op de bloedvoorziening, het maken van een wet voor kwaliteit en veiligheid van lichaamsmaterialen, onderzoek naar een centrale faciliteit voor biotechnologische vindingen in de gezondheidszorg en stimuleren van een kennisinfrastructuur klinische toepassingen van genomics.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Aanpassing budget hulpmiddelen uit PEO ZON1 5001 500  
Totaal onderdeel1 5001 50000

Als gevolg van extra activiteiten ter uitvoering van Europese wet- en regelgeving op het terrein van de medische hulpmiddelen wordt dit artikelonderdeel verhoogd. Dekking is gevonden door een verlaging van de subsidie aan ZON (onderdeel 13 van dit artikel).

25.02 Onderdeel 12 Illegalenfonds

a) In het kader van de Koppelingswet is het Illegalenfonds opgericht. Om te voorkomen dat het uitblijven van betaling de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor vreemdelingen zonder wettig verblijf negatief zou beïnvloeden is het Illegalenfonds opgericht. In gevallen waarin de reguliere zorg wordt benadeeld of wanneer sprake is van onredelijk verlies van inkomsten, kunnen zorgverleners en instellingen het Illegalenfonds om financiële compensatie verzoeken.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

25.02 Onderdeel 13 Projecten, experimenten en onderzoek

a) De op dit artikelonderdeel geraamde uitgaven betreffen projecten, experimenten en onderzoeken op het beleidsterrein van volksgezondheid en zorg. Doel is hierbij het verwerven van inzicht in de effecten van huidige en nieuwe vormen van preventie en zorgverlening. Met dit verworven inzicht kan de bestaande zorgpraktijk worden verbeterd alsmede nieuw beleid op het gebied van preventie in gang worden gezet.

Projecten, experimenten en onderzoek vormen een belangrijke pijler voor het beleid op het terrein van de volksgezondheid en zorg. Niet alleen bij de uitvoering, maar ook bij de voorbereiding en evaluatie van beleid speelt het PEO-programma een belangrijke rol. Projecten, experimenten en onderzoek zijn op verschillende manieren van belang, bijvoorbeeld bij het onderzoeken van doelmatigheid en effectiviteit, het stimuleren van zorgvernieuwing, het testen van nieuw beleid of zorgmethodieken op effectiviteit en haalbaarheid, het onderzoek naar aanleiding van vragen uit de politiek en het implementeren van beleid.

Het PEO-programma volksgezondheid en zorg kent in 2001 opnieuw de volgende aandachtsgebieden:

1. Staat van de volksgezondheid, de zorg en het zorgstelsel.

2. Financiering en structuur van het zorgsysteem.

3. Kwaliteit en doelmatigheid.

4. Preventie, bescherming en ziektebestrijding.

5. Patiënten- en consumentenbeleid.

6. Gezondheidsethiek.

7. Internationaal.

Deze aandachtsgebieden vinden voor het overgrote deel hun uitwerking in opdrachten aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), het Aidsfonds en ZorgOnderzoek Nederland (ZON).

Bij de NWO loopt een integraal programma op het terrein van chronische ziekten, dat wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een Programmacommissie Chronisch Zieken en dat bestaat uit zeven deelprogramma's, te weten:

– Zorg, opvang en begeleiding

– Strategisch onderzoek

– Neurologische en psychiatrische aandoeningen

– Epidemiologie

– Pijnonderzoek

– Arbeidsgebonden problematiek bij chronisch zieken

– Assistent geneeskundige in opleiding tot klinisch onderzoeker (AGIKO)-chronisch zieken

Vanaf 2001 start bij NWO een programma doelmatigheidsonderzoek waarvoor in 2001 en 2002 een bedrag van f 19 miljoen en in 2003 en 2004 f 10 miljoen beschikbaar is. Dit programma komt voort uit de overheveling van de ontwikkelingsgeneeskunde van het College voor Zorgverzekeringen naar de NWO.

In het kader van de preventie en behandeling van seropositiviteit/Aids en de verhoging van de kwaliteit van leven van Aids-geïnfecteerden wordt vanaf 1994 een budget aan het Aidsfonds toegekend. Het Aidsfonds wordt hiertoe bijgestaan door de Commissie Aids-beleid en de Programmacoördinatiecommissie Aids-onderzoek (PccAo). Voorts houdt het Aidsfonds zich bezig met de signalerings- en coördinatiefunctie, het documentatiecentrum en de Aidsinfolijn.

Kenmerkend voor de programma's van Zorgonderzoek Nederland is het toepassingsgerichte en vernieuwende karakter. Implementatie is daarbij een belangrijk aandachtspunt. De ingezette middelen kunnen worden gezien als een essentiële investering in de kwaliteit en doelmatigheid van de zorg in de nabije toekomst. In 2000 worden de activiteiten van de ZON geëvalueerd.

Op dit onderdeel zijn tevens middelen gereserveerd voor spoedeisende en niet programmatische projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling, waarbij het ministerie zelf de aansturing van de activiteiten voor haar rekening neemt. Dit najaar zullen wij, zoals gebruikelijk de Tweede Kamer door middel van de PEO-brief uitvoerig informeren over het PEO-beleid op het terrein van volksgezondheid en zorg.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
1 Subsidie maatschappelijk verantwoord verzekeren5050  
2 Aanpassing budget hulpmiddelen uit PEO ZON– 1 500– 1 500  
3 Aanpassen budget Drang en overlastbeleid– 1 500– 1 500– 1 500 
4 Juiste niveau van vacatiegelden– 81– 81– 81– 81
5 Aanpassing onderzoeksbudget SCP– 725– 725– 725– 725
6 Overheveling subsidies Internat. Vgz-beleid– 1 121– 1 121– 1 121– 1 121
7 Subsidie ontw.geneeskunde aan NWO (uit premie)19 00019 00019 00019 000
8 Implementatie plan milieu en gezondheid– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000
9 Overheveling naar Zon tbv onderzoek ouderenbeleid557240   
10 Overheveling informatiebeleid Vgz– 1 887– 800– 800– 800
Totaal onderdeel7 7938 5639 77311 273

Toelichting

1 Overheveling van uitgavenartikel 22.01, onderdeel 5 ten behoeve van het subsidiëren van het project Maatschappelijk verantwoord verzekeren.

2 Verlaging ten behoeve van het oplossen van knelpunten op het gebied van hulpmiddelen. Onderdeel 11, van dit artikel wordt met dezelfde bedragen verhoogd.

3 Verlaging ten behoeve van de continuering van projecten op het gebied van de strafrechtelijke opvang van verslaafden in Rotterdam. Onderdeel 07 van dit artikel wordt met dezelfde bedragen verhoogd.

4 Verlaging in verband met de aanpassing van het Vergoedingenregime van de Raad voor het Geneesmiddelenonderzoek (uitgavenartikel 22.09, onderdeel 04).

5 Verlaging in verband met de dekking van knelpunten op het gebied van de uitvoering van het onderzoeksprogramma van het SCP (uitgavenartikel 22.06).

6 Overheveling van een aantal subsidies op het gebied van internationale volksgezondheidsbeleid naar het uitgavenartikel 22.08.

7 Voortaan wordt de subsidie voor ontwikkelingsgeneeskunde in het kader van het programma doelmatigheidsonderzoek aan de NWO niet meer via de premiemiddelen verstrekt.

8 Overheveling naar onderdeel 15 in verband met de uitvoering van de motie Hermann en van Vliet, waarbij aandacht is gevraagd voor een National health & Environment Action Plan (NEHAP).

9 Overheveling van uitgavenartikel 24.02 in verband met een via de ZON uit te voeren onderzoek op het terrein van ouderenbeleid.

10 De beschikbare middelen met betrekking tot de ontwikkeling van het informatiebeleid in de volksgezondheid worden vanaf 2001 op onderdeel 01 van uitgavenartikel 25.01 geraamd.

Inzet van de PEO-middelen

Inzet van de PEO-middelen (uitgesplitst naar betreffende aandachtsgebieden)
 19971998199920002001
Staat van de volksgezondheid, de zorg en het zorgstelsel8,53,92,88,92,7
Financiering en structuur2,85,54,02,42,7
Kwaliteit en doelmatigheid24,429,921,820,433,3
Preventie80,478,457,381,487,1
Patiënten- en consumentenbeleid6,58,56,212,55,5
Ethische en juridische zaken1,11,51,10,82,2
Internationaal1,11,51,11,11,5
Totaal124,8129,294,4127,3135,0

(bedragen x f 1 miljoen)

In onderstaande tabel is de verdeling van de kosten van ZON weergegeven. Daarbij is een verschuiving ten opzichte van vorige jaren opgetreden. In 2000 heeft ZON alle organisatie- en beheerskosten – ook die kosten die direct met de uitvoering van programma's in verband kunnen worden gebracht beschreven als exploitatiekosten. In voorgaande jaren werden deze aangemerkt als programmakosten.

Programmakosten en beheerskosten van de ZON (bedragen x f 1 miljoen)
 1998199920002001
Totaalbedrag van de opdracht aan de ZON84,363,288,283,6
Totaal Programma-kosten (incl. co-financiering door derden)94,967,092,086,1
VWS bijdrage in de exploitatiekosten7,7%8,1%12,4%12,4%

Kengetallen

Doelbereikingskengetallen

Eén van de doelstellingen bij het PEO-beleid is om zoveel mogelijk te komen tot gecoördineerde aanwending van PEO-middelen. Een belangrijk instrument om een dergelijke coördinatie tot stand te brengen is het gebruik maken van intermediaire organisaties, zoals ZorgOnderzoek Nederland. Door projecten, experimenten en onderzoek via intermediaire organisaties te laten verlopen, worden verschillende voorheen gescheiden financieringsstromen in één kanaal gebundeld, waardoor overlappingen worden voorkomen en de doelmatigheid van de ingezette middelen kan verbeteren.

Stroomlijning van het PEO-beleid wordt daarnaast in de hand gewerkt doordat ZON de wettelijke taak heeft te zorgen voor afstemming op de terreinen waarvoor ZON programma's ontwikkelt. Een belangrijk voordeel van een gecoördineerde aanwending is voorts dat de deskundigheid op het gebied van aansturing en implementatie van projecten, experimenten en onderzoek wordt gebundeld, waardoor de effectiviteit van de voor dit terrein ingezette middelen kan toenemen. In onderstaande tabel worden gegevens gepresenteerd over deze gecoördineerde aanwending.

Doelmatigheidskengetallen

Gecoördineerde aanwending van de PEO-middelen (bron: PEO-brieven 1995–1999 en begrotingsvoorstel 2000)
 19971998199920002001
Programmatisch onderzoek:     
– ZON/Praeventiefonds82,084,363,288,283,6
– MW-NWO8,67,17,910,626,3
– Aidsfonds8,96,75,96,16,1
– NCCZ7,97,12,6  
Totaal107,4105,279,6104,9115,1
Niet-programmatisch onderzoek17,424,014,822,419,9
Totaal PEO-middelen124,8129,294,4127,3135,0

25.02 Onderdeel 15 Gezondheidsbeleid

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven vallen onder de noemer Gezondheidsbeleid. De gemeenschappelijke noemer van de vele onderwerpen die in het kader van Gezondheidsbeleid worden behandeld, is dat de burger wordt beschermd in zijn of haar belangen als consument en als patiënt en dat de gezondheid van de bevolking of van speciale kwetsbare groepen daaruit wordt bevorderd. Trefwoorden zijn daarbij preventie, gezondheidsbescherming, gezondheidsbevordering, patiëntenbeleid en gezondheidsonderzoek. Dit artikel is opgebouwd langs een 8-tal thema's, welke onderstaand nader worden toegelicht.

Algemeen en strategisch gezondheidbeleid

Het algemeen en strategisch gezondheidsbeleid heeft tot doel de vermindering van vermijdbare vroegtijdige sterfte en handicap en verbetering van de kwaliteit van het leven, ook bij ziekte en na ongevallen.

Het betreft hier de bijdrage van f 1,8 miljoen aan het International Agency for Research on Cancer (IARC) te Lyon. De Netherlands School of Public Health (NSPH) ontvangt een jaarlijkse subsidie van f 2,2 miljoen (incl. bureau facetbeleid)

Veiligheid en bescherming van consumenten

Aan Consument en Veiligheid zijn taken op het terrein van monitoren medisch behandelde letsels, epidemiologisch onderzoek, voorlichting, communicatie en onderzoek ten behoeve van onder meer normstelling opgedragen. Ten behoeve van deze activiteiten ontvangt Consument en Veiligheid een structurele subsidie van f 6,0 miljoen. Het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) is belast met de ontwikkeling van normen ten aanzien bestrijdingsmiddelen en ontvangt hiervoor een jaarlijkse subsidie van f 0,4 miljoen gulden. Voor de kosten die het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB) niet kan doorberekenen aan de aanvragers van deze toelatingen, ontvangt het CTB een structurele bijdrage f 0,5 miljoen vanuit de betrokken departementen (waaronder VWS). De bijdrage aan het CTB is verhoogd om tegemoet te komen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de EU richtlijn voor biociden.

Algemene gezondheidsbevordering

De taken met betrekking tot de gedragsgerichte gezondheidsbevordering van het ministerie van VWS zijn uitbesteed aan het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ). Het NIGZ wordt voor een bedrag van f 6,0 miljoen (45% van het totale budget van het NIGZ) gefinancierd uit de begroting van het ministerie van VWS. Het instituut heeft drie taken: voorlichting aan het publiek, ondersteuning van professionals en intermediairen op het gebied van gezondheidsvoorlichting en pleitbezorging naar beleidsmakers. Op het gebied van het tabaksontmoedigingsbeleid houdt de Stichting Volksgezondheid en Roken (STIVORO) zich bezig met o.a. voorlichting, jongerencampagnes, project naleving rookverbod en een maatschappelijk actieplan. Zij ontvangt hiervoor een subsidie van f 4,2 miljoen.

Ziektespecifieke preventie

In het kader van de bestrijding van aids en andere seksueel overdraagbare aandoeningen, ontvangen een aantal organisaties voor Aidspreventie, onderzoek, -behandeling en de verhoging van de kwaliteit van leven van Aids geïnfecteerde een basisfinanciering, zoals Stichting Aidsfonds (f 1,2 miljoen), Stichting ondersteuning Aidsfonds (f 1,9 miljoen) en SAD/Schorestichting (f 3,0 miljoen). Daarnaast wordt de subsidie voor HIV surveillance (f 0,8 miljoen) gecontinueerd. De Stichting soa bestrijding (f 2,0 miljoen) houdt zich bezig met de bestrijding van seksueel overdraagbare aandoeningen. Voor de overige infectieziektenbestrijding wordt financiële ondersteuning gegeven aan de Werkgroep Infectie Preventie (WIP) (f 0,26 miljoen), voor het opstellen van richtlijnen voor infectiepreventie in instellingen en aan het RIVM voor het verder ontwikkelen van een landelijk Infectieziekten Surveillance Informatie Systeem (ISIS) (f 0,87 miljoen). Bevordering van onderzoek, kwaliteit van zorg, preventie en voorlichting inzake kanker vindt plaats door middel van subsidiering van de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren (STOET) (f 0,67 miljoen), Vereniging van Integrale Kankercentra (VvIK) (f 0,4 miljoen), de Nederlandse Kankerbestrijding (f 0,7 miljoen) en voor het Helen Dowling Instituut (f 1,1 miljoen).

Patiëntenbeleid

Het betreft hier de uitgaven die betrekking hebben op het versterken van de positie van de patiënt/consument in het zorgstelsel. Voor de stichting Patiëntenfonds is in 2001 een subsidie van f 32 miljoen gereserveerd. Deze stichting verstrekt vervolgens subsidies aan landelijk werkzame patiënten/consumenten organisaties en richt zich daarnaast op de versterking van de regionale patiëntenorganisaties.

Het Patiëntenfonds heeft in de afgelopen periode een snelle ontwikkeling doorgemaakt. Voor de verdeling van de middelen van het fonds zijn criteria ontwikkeld, een voorlichtingsprogramma is tot stand gebracht en uitgevoerd, er zijn procedures rond indiening en vaststelling van financiële bijdragen tot stand gebracht en de samenwerking met ZorgOnderzoek Nederland heeft gestalte gekregen. Begin 2000 heeft een externe evaluatie plaatsgevonden, waarvoor het ministerie van VWS opdrachtgever is.

Uit het onderzoek van ZON dat door het Verweij-Jonker Instituut is uitgevoerd naar de positie en het functioneren van de Regionaal Patiënten/Consumenten Platform's (RP/CP's) en de gevolgen daarvan van de decentralisatie-impuls (Den Haag november 1998) blijkt dat doelstelling, takenpakket en functies van de RPCP's onvoldoende duidelijk zijn. Daarnaast heeft een verschil in inbedding van RPCP's in diverse provincies een eenduidige positionering van de RPCP's als regionale bundeling van het patiëntenbelang bemoeilijkt. Punten die voor verbetering in aanmerking komen zijn de relatie tussen de RPCP en haar achterban en een verdere professionalisering.

De overheid en partijen in het zorgveld hebben in november 1998 besloten dat het functioneren van de zorgsector kan worden bevorderd door het maken van meerjarige prestatie-afspraken, de zogenoemde Meerjarenafspraken. Binnen dit kader zijn er afspraken gemaakt en gelden gereserveerd om de invloed van patiënten/consumenten meer gestalte te geven alsook de regionale infrastructuur van de patiëntenbeweging te versterken. De beschikbare middelen vanuit de meerjarenafspraken, te weten f 4,5 miljoen voor de V&V-sector en f 4,2 miljoen voor de cure-sector op jaarbasis, zijn overgeboekt naar het Patiëntenfonds. Tevens is er een convenant is gesloten tussen VWS, het IPO en de NPCF om de positie van de patiënt in de regio en de RPCP's verder te versterken. In dit convenant zijn concrete afspraken gemaakt om de eerder geuite doelstelling vanuit de Meerjarenafspraken verder te concretiseren.

Door ZON is in het najaar van 1999 aan het Verwij-Jonker Instituut de opdracht verstrekt om de WMCZ te evalueren. Het doel van het onderzoek is een antwoord te krijgen op de vraag of de WMCZ aan zijn doel beantwoordt en of er sprake is van neveneffecten. Het onderzoek is momenteel in volle gang en zal naar verwachting in het najaar 2000 worden afgerond.

Van het subsidie aan het Patiëntenfonds is een beperkt deel bestemd voor de financiering van de kosten van de eigen organisatie. Het relatieve aandeel van het subsidie dat hiervoor wordt aangewend neemt af met de toename van het totaal voor het Fonds beschikbare budget.

Chronisch-ziekenbeleid

De Nationale Commissie Chronisch Zieken heeft haar activiteiten in 1999 beëindigd. Een aantal taken van de commissie zijn overgedragen aan anderen. Zo zal ZON zich gaan bezighouden met praktijkgeoriënteerde projecten op het gebied van chronisch zieken (f 4,5 miljoen) en krijgt het Breed Platform Verzekerden en Werk een aantal taken op het gebied van maatschappelijk positie (f 0,5 miljoen). Daarnaast voert NWO het onderzoekprogramma Chronisch Zieken uit en zal de implementatie van 3 coördinatiecentra chronisch zieken (vanuit de experimenteerfase) in 2001 zijn beslag krijgen.

Veterinaire public health

Binnen het veterinaire beschermingsbeleid past ook het beleid, inzake de beheersing van de dierlijke voedselproductieketen. Een van de instrumenten op dit beleidsterrein is de Vleeskeuringswet, die evenals de Destructiewet primair de verantwoordelijkheid is van de minister van VWS. Voor dit terrein worden vanaf 2001 geen financiële middelen van VWS meer voorzien, de financiering vindt via kostendekkende tarieven plaats.

Voeding

In 1998 is de voedingsnota uitgebracht onder de titel «Nederland: Goed gevoed?» (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 229, nrs 1–2) en ook aan de Tweede Kamer verzonden. Deze nota bevat een actieprogramma aangegeven gericht op het bevorderen van verstandige voedingsgewoonten. De uitvoering van dit actieprogramma is geïntegreerd in het peo-programma «gezond leven». De doorlopende activiteiten, zoals voorlichting (in casu subsidiëring van het Voedingscentrum f 1,78 miljoen) en het bijhouden van databestanden, lopen ook in 2001 door. De uitgaven voor projecten, experimenten en onderzoeken (PEO) op het terrein van volksgezondheid en zorg zijn in belangrijke mate geconcentreerd op onderdeel 13 van dit uitgavenartikel (zie TK, 1996–1997, 25 000 XVI, nr. 18). De uitgaven die worden geraamd p onderhavig onderdeel dienen tevens in samenhang te worden bezien met (een deel van) de uitgaven op het PEO-artikelonderdeel 13.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Implementatie plan milieu en gezondheid5 0005 0005 0005 000
2 Verhoging budget Patiëntenfonds (uit premie)900900900900
3 Inning van boeten als gevolg van de Warenwet2 7803 7503 7503 750
4 uit MJA cure: preventie activiteiten8 1008 1008 1008 100
5 Gezondheidsonderzoek n.a.v. vuurwerkramp Enschede6 000   
Totaal onderdeel22 78017 75017 75017 750

Toelichting

1 Overheveling vanuit het PEO-zorg kader (onderdeel 13 van dit artikel) naar aanleiding van de motie Hermann en van Vliet, waarbij aandacht is gevraagd voor een National health & Environment Action Plan (NEHAP). Ten behoeve van dit plan is onderzoek gedaan naar de kansrijke beleidsmogelijkheden op het gebied van milieu en gezondheid. Thans worden de aanbevelingen uit het onderzoek in samenwerking met het ministerie van VROM nader uitgewerkt.

2 Overboeking vanuit de premiemiddelen ten behoeve van de subsidie aan het patiëntenfonds met betrekking tot het landelijk overleg cliëntraden Ouderenzorg.

3 Verhoging in verband met de kosten van het incassotraject bestuurlijke boeten Warenwet alsmede de kosten voor advisering in deze en ontwikkeling van bestuurlijke boeten als handhavingsinstrument in het kader van andere wetgeving (Tabakswet, drank en horecawet). In dit verband wordt ook verwezen naar de toelichting en opgenomen bij uitgavenartikel 26.02 en ontvangstenartikel 25.01, onderdeel 07.

4 Vanuit de MJA afspraken Cure wordt structureel een bedrag overgeheveld voor programmatische preventie activiteiten op het gebied van Hart en Vaatziekten, Hepatitis B vaccinatie van risicogroepen en infectieziekten preventie.

5 Verhoging in verband met de subsidiëring van een gezondheids- en monitoringsonderzoek dat in 2000 naar aanleiding van de vuurwerkramp te Enschede is gestart.

Kengetallen

Doelbereikingskengetallen

Programma organisatie van het Patiëntenfonds (bedragen x 1 miljoen)
 1998199920002001
Totale subsidie20,831,232,640,5
Bureaukosten1,11,41,41,5

Van het subsidie aan het Patiëntenfonds is een beperkt deel bestemd voor de financiering van de kosten van de eigen organisatie. Het relatieve aandeel van het subsidie dat hiervoor wordt aangewend neemt af met de toename van het totaal voor het Fonds beschikbare budget.

25.02 Onderdeel 16 Nazorg bij rampen

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor tegemoetkomingen aan bewoners en al dan niet vrijwillige hulpverleners die door de Bijlmerramp zijn getroffen, alsmede voor de uitvoeringskosten van de stichting die de tegemoetkomingen zal gaan verstrekken. Daarnaast zijn de uitgaven met betrekking tot het medisch onderzoek vliegramp Bijlmermeer (MOVB) op dit onderdeel geraamd.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2502t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  247 642262 876278 895389 396389 114 
Amendementen  1 5001 5001 5001 5001 500 
1e Suppletore wet  119 08323 32922 277– 26 64510 161 
Nieuwe wijzigingen  223 13445 90027 77123 24549 787 
Nieuwe nominale wijzigingen  19 1277 6667 99210 11310 169 
Stand ontwerp-begroting 2001160 195815 022610 626341 271338 435397 609460 731476 427

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2502 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  405 615400 787394 531394 002394 003 
Amendementen  1 5001 5001 5001 5001 500 
1e Suppletore wet  86 84460 52360 32949 62924 459 
Nieuwe wijzigingen  128 63676 59958 29952 00952 009 
Nieuwe nominale wijzigingen  10 26710 26610 26010 24310 208 
Stand ontwerp-begroting 2001 518 959633 662549 875524 919507 383482 179482 180
Uitgaven in EUR1000 235 493287 543249 522238 198230 240218 803218 804

Artikel 25.03 Rijksbijdragen volksgezondheid

Algemeen

Op het artikelonderdeel 01 werden tot de begroting 2000 de uitgaven geraamd, die betrekking hebben op de bijdragen van het Rijk aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Vooralsnog is dit onderdeel vanaf 2000 op 0 gesteld.

Op het artikelonderdeel 02 is een raming opgenomen voor uitgaven ten behoeve van het arbeidsmarktbeleid, welke hoofdzakelijk bestaan uit een bijdrage aan de sectorfondsen op het terrein van de arbeidsmarkt, scholing en werkgelegenheid.

Op het artikelonderdeel 03 «Extra banen zorgsector» werden uitgaven geraamd die te maken hadden met het creëren van extra banen in de zorgsector conform het Regeerakkoord 1994. De middelen voor vergoeding van arbeidsplaatsen zijn met ingang van 1 januari 2000 overgeheveld naar het ministerie van SZW.

Op het onderdeel 04 wordt de rijksbijdrage Ziekenfondsverzekering geraamd en verantwoord.

Op onderdeel 05 bevat de ramingen van de uitgaven met betrekking tot de rijksbijdrage ten behoeve van de financiering van de kosten van abortusklinieken.

Tenslotte worden op het nieuwe onderdeel 06 de uitgaven geraamd voor de Bijdrage in de kosten van de kortingen (BIKK). Het betreft de compensatie die door het Rijk wordt gegeven voor tegenvallende premieopbrengsten. De mogelijk tegenvallende premieopbrengsten houden verband met het verkleinen van de heffingsgrondslag ten gevolge van het invoeren van het nieuwe belastingstelsel.

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Rijksbijdrage AFBZ (T/m 1998: Rijksbijdragen ziektekosten)482 252100 00000000
02 Arbeidsmarktbeleid160 764257 893264 408249 190210 783188 783188 783
03 Extra banen zorgsector475 0223 5582 82929000
04 Rijksbijdrage ziekenfondsverzekering (zie ook onderdeel 1)6 141 4666 788 5386 718 9076 704 1026 705 4496 705 4496 705 449
05 Rijksbijdrage financiering kosten abortusklinieken (zie ook onderdeel 1)14 59312 52412 52412 52412 52412 52412 524
06 Bijdrage in de kosten van kortingen  368 530502 8505 144 6005 263 4005 384 900
Totaal artikel7 274 0977 162 51310 683 96811 994 34512 073 3561 217 05612 291 656
Uitgaven in EUR10003 300 8413 250 2074 848 1735 442 7965 478 6505 522 5765 577 710

25.03 Onderdeel 01 Rijksbijdrage AFBZ

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op de bijdragen van het rijk aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Het kabinet heeft bij de begrotingsvoorbereiding 2000 besloten de rijksbijdrage AFBZ vanaf het jaar 2000 op 0 te stellen.

b) Artikel 39, lid 2, van de Wet Financiering Volksverzekeringen (WFV) dient als basis voor de bijdrage van het rijk aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

25.03 Onderdeel 02 Arbeidsmarktbeleid

a) De geraamde uitgaven zijn grotendeels bestemd voor bijdragen aan de door sociale partners opgerichte sectorfondsen voor vernieuwende activiteiten op het brede terrein van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid in de VWS-sectoren. De activiteiten van de sectorfondsen richten zich ondermeer op behoud en doorstroom van personeel, verbetering arbeidsomstandigheden, reductie ziekteverzuim, stimulering kinderopvang, scholing zittend personeel, instroom van doelgroepen en regionale personeelsplanning. Per 1 januari 2001 gaan de drie grote sectorfondsen in de zorg en het welzijn (AWOZ, AWO en AWOB) over in een sectorfonds voor de Zorg en een sectorfonds voor Welzijn/ Jeugdhulpverlening. Naast de uitgaven voor de sectorfondsen zijn uitgaven geraamd voor arbeidsmarktonderzoek.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet Volksgezondheidssubsidies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
1 Intensivering arbeidsmarktbeleid94 00089 0006200040 000
2 Van SZW: tilregelingen10 000  
Totaal onderdeel104 00089 0006200040 000

Toelichting

1 Generale toevoeging van gelden ter intensivering van het arbeidsmarktbeleid welke langs twee sporen verloopt. Het eerste spoor richt zich op het terugdringen van ziekteverzuim. Hier doen zich terugverdieneffecten voor, waardoor het budget voor ziekteverzuim wordt afgebouwd. Het tweede spoor richt zich op overige arbeidsmarktmaatregelen (waaronder scholing). Hiervoor wordt structureel f 40 miljoen beschikbaar gesteld.

2 Overboeking van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor tilmiddelen en overige arbomaatregelen in de zorgsector.

Volume- en prestatiegegevens

Onderstaande tabel geeft de begrotingsbedragen per sectorfonds weer (exclusief indexering 2000) die maximaal beschikbaar (gesteld) zijn voor vernieuwend arbeidsmarktbeleid. In 2000 is het beschikbare budget voor de sectorfondsen structureel verhoogd, in verband met de dreigende krapte op de arbeidsmarkt. Voor de prestatiegegevens, in de vorm van activiteiten van de in onderstaande tabel genoemde sectorfondsen, verwijzen wij u naar bijlage A9 van de Zorgnota 2001.

Activiteitenbudget per sectorfonds
 1997*1998*19992000**2001**
CAZ-breed***   64,379,7
CAWJ-breed   8,38,7
AWOZ (ziekenhuiswezen)33,930,347,752,152,1
AWO (zorg en welzijn)35,836,457,161,861,8
AWOB (verzorgingshuizen)26,725,329,430,230,2
SBA (apothekersassistenten)1,81,73,13,23,2
SOVAM (ambulances)1,21,12,72,32,7
SfZ (zorgverzekeraars)0,70,40,20,10,0
SoFoKles (academische ziekenhuizen)0,00,01,62,12,1
Gezamenlijke fondsen1,11,11,20,00,0
Totaal101,296,3143,0224,4240,5

* Vastgestelde subsidiebedragen.

** Exclusief loonmutatie 2000 en exclusief bijdrageregeling aanschaf van tilapparatuur.

*** Inclusief expertisecentrum, dat niet alleen voor de Zorg maar ook voor Welzijn/Jeugdhulpverlening wordt ingezet.

25.03 Onderdeel 03 Extra banen zorgsector

a) In het kader van het Regeerakkoord 1994 zijn middelen beschikbaar gesteld voor het creëren van extra arbeidsplaatsen in de zorgsector. Naar aanleiding van het Regeerakkoord 1998 is besloten de uitvoering van de extra banen zorgsector over te hevelen naar het ministerie van SZW. Deze heeft met ingang van 1 januari 2000 plaatsgevonden. Op dit begrotingsonderdeel resteren de geraamde uitgaven voor de afhandeling van de vergoedingen die tot en met 1999 zijn verstrekt.

b) De Kaderwet volksgezondheidssubsidies dient als basis voor de uitgaven. De wijze van bekostiging vindt plaats op grond van het Besluit Volksgezondheidssubsidies en de Subsidieregeling volksgezondheid. Daarnaast dient de Begrotingswet als basis voor de overige uitgaven, die niet gebaseerd zijn op de Kaderwet volksgezondheidssubsidies.

Kengetallen

In het kader van de Circulaire beleidsregels Extra arbeidsplaatsen Zorgsector zijn middelen tot en met 1999 beschikbaar gesteld voor Extra arbeidsplaatsen in de zorgsector. Voor een overzicht van de bezettingscijfers verwijzen wij u naar bijlage A9 van de Zorgnota 2001.

25.03 Onderdeel 04 Rijksbijdragen Ziekenfondsverzekering

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op de bijdrage van het rijk aan de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering.

Bij het op 0 stellen van de rijksbijdrage AFBZ vanaf het jaar 2000 is besloten in beginsel geen rijksbijdragemutaties meer door te voeren die samenhangen met financieringsverschuivingen tussen premie- en begrotingsgefinancierde uitgaven. Alleen voor meer omvangrijke financieringsverschuivingen zal nog een aanpassing van deze rijksbijdrage worden overwogen.

b) Artikel 14A van de Ziekenfondswet dient als basis voor de bijdrage van het rijk aan de ziekenfondsverzekering.

25.03 Onderdeel 05 Rijksbijdragen financiering kosten abortusklinieken

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven hebben betrekking op de bijdrage van het rijk ten behoeve van de financiering van abortusklinieken.

b) De bijdrage is gebaseerd op een door de Minister van VWS goedgekeurd besluit van de Ziekenfondsraad d.d. 14 oktober 1995 (Staatscourant 1995, 207).

25.03 Onderdeel 06 Bijdragen in de kosten van kortingen

a) De uitgaven welke op dit onderdeel worden geraamd hebben betrekking op de bijdrage die het Rijk verleend aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten ter compensatie van de grondslagverkleining die optreedt als gevolg van de invoering van het nieuwe belastingstelsel op 1 januari 2001.

b) De bijdrage is gebaseerd op artikel 44a van de Wet Financiering Volksverzekeringen

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
Compsensatie premieheffing3 685 3005 028 5005 144 6005 263 400
Totaal onderdeel3 685 3005 028 5005 144 6005 263 400

Door de herziening van het belastingstelsel per 1 januari 2001 versmalt de grondslag voor de premieheffing bij de volksverzekeringen, waaronder de AWBZ. Dit is onder andere een gevolg van de introductie van de zogenaamde heffingskortingen in het belastingstelsel. Om de fondsen voor de hieruit voortvloeiende premiederving te compenseren, wordt een bijdrage in de kosten van kortingen, de zogenaamde BIKK, ingevoerd.

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2503t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  6 742 4196 660 9346 637 1676 630 4316 630 431 
1e Suppletore wet  403 745232 117231 631231 678231 678 
Nieuwe wijzigingen  10 0003 789 3005 117 5005 206 6005 303 400 
Nieuwe nominale wijzigingen  13 8108 5331 8764 6474 647 
Stand ontwerp-begroting 200112 1357 318 8407 169 97410 690 88411 988 17412 073 35612 170 15612 291 656
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2503 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  6 740 7376 657 4676 640 2146 630 4316 630 431 
1e Suppletore wet  406 180232 117231 631231 678231 678 
Nieuwe wijzigingen  10 0003 789 3005 117 5005 206 6005 303 400 
Nieuwe nominale wijzigingen  5 5965 0845 0004 6474 647 
Stand ontwerp-begroting 2001 7 274 0977 162 51310 683 96811 994 34512 073 35612 170 15612 291 656
Uitgaven in EUR1000 3 300 8413 250 274 848 1735 442 7965 478 6505 522 5765 577 710

Artikel 25.04 Garantie van rente en aflossing van leningen volksgezondheid

Algemeen

Dit artikel bevat de voorzieningen op de rijksbegroting voor eventuele aanspraken voortvloeiende uit onder rijksgarantie afgesloten leningen door intramurale zorginstellingen.

a) De verleende garanties hebben betrekking op aangegane geldleningen ten behoeve van de renovatie of nieuwbouw van inrichtingen voor de gezondheidszorg. In het kader van Garantieregeling 1958 worden incidenteel af en toe nog geldleningen aangegaan.

b) De garanties worden verstrekt op grond van de Garantieregeling inrichtingen voor de gezondheidszorg 1958 en de Financieringsregeling verpleeg- en behandelingsinrichtingen en de Begrotingswet.

In onderstaande tabellen wordt per garantieverlening nader op een aantal zaken in gegaan. Daarbij wordt opgemerkt dat in de standaard tabel ook de vermelding van (rente)bijtellingen en gerealiseerd risico is voorgeschreven. Echter in onderstaande tabellen is dit thans niet van toepassing en derhalve achterwege gelaten.

Tabel I: Bouw of herbouw, herstel en uitbreiding van inrichtingen voor gezondheidszorg
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond20 00020 00020 0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari3 917 0523 713 3463 535 4733 356 8753 158 2762 959 6782 761 080
Aflossingen  198 598198 598198 598198 598198 598
Verleende of te verlenen garanties020 00020 0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december3 713 3463 535 4733 356 8753 158 2762 9596782 761 0802 562 481
Tabel II: Bouw of herbouw, herstel en uitbreiding van verpleeg- en behandelinrichtingen
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari2715300000
Aflossingen2185300000
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december53000000
Tabel III: Stichting Revalidatie-centrum «De Hoogstraat» te Leersum
 1999200020012002200320042005
Garantieplafond0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 1 januari42 13039 64537 16034 67532 19029 70527 220
Aflossingen2 4852 4852 4852 4852 4852 4852 485
Verleende of te verlenen garanties0000000
Uitstaand risico in hoofdsom per 31 december39 64537 16034 67532 19029 70527 22024 735
Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2504t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  
Nieuwe wijzigingen  20 00020 000  
Stand ontwerp-begroting 2001  20 00020 000    

HOOFDBELEIDSTERREIN 26 INSPECTIE GEZONDHEIDSBESCHERMING, WAREN & VETERINAIRE ZAKEN

Algemeen

De Inspectie Waren en Veterinaire Zaken heeft sinds het vorige begrotingsjaar de agentschapstatus verworven. De bijdrage van het moederdepartement wordt op uitgavenartikel 26.02 verantwoord. Een toelichting op de begroting van het agentschap wordt gegeven in de agentschapsbegroting die in deze memorie van toelichting is opgenomen.

Artikel 26.02 Bijdrage aan Agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren & Veterinaire Zaken

Overzicht uitgavenrealisatie en -ramingen (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel 127 594124 721121 135121 099121 164121 210
Uitgaven in EUR1000 57 90056 59654 96954 95254 98255 003

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen de bijdrage van VWS aan het Agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren & Veterinaire Zaken.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
Inning van boeten als gevolg van de Warenwet970   
Totaal onderdeel970000

Verhoging in verband met de kosten van het Bureau Bestuurlijke Boetes in verband met het innen van boeten op grond van de gewijzigde Warenwet (zie ook de toelichting bij uitgavenartikel 25.02 onderdeel 15 en ontvangstenartikel 25.01,onderdeel 07).

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2602 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  124 792120 945118 435118 435118 435 
1e Suppletore wet  150  
Nieuwe wijzigingen   970  
Nieuwe nominale wijzigingen  2 6522 8062 7002 6642 729 
Stand ontwerp-begroting 2001  127 594124 721121 135121 099121 164121 210
Uitgaven in EUR1000  57 90056 59654 96954 95254 98255 003

HOOFDBELEIDSTERREIN 27 RIJKSINSTITUUT VOOR VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU

Algemeen

Dit hoofdbeleidsterrein omvat de personele en materiële uitgaven van het RIVM (incl. de met de Rijksgebouwendienst te verrekenen huisvestingsuitgaven). De uitgaven op dit hoofdbeleidsterrein hangen samen met de activiteiten van het RIVM, als kenniscentrum voor de rijksoverheid op het gebied van volksgezondheid, milieu en natuur. Hiertoe verricht het RIVM de volgende werkzaamheden:

a. onderzoek dat gericht is op ondersteuning van de beleidsontwikkeling en de uitoefening van toezicht op het terrein van de volksgezondheid en het terrein van het milieu en de natuur;

b. periodieke rapportage over de toestand en de toekomstige ontwikkelingen van de volksgezondheid, het milieu en de natuur;

c. andere door de Ministers op te dragen werkzaamheden.

De primaire opdrachtgevers voor het RIVM zijn de ministeries van VWS, VROM en LNV. Naast de genoemde taken kan het RIVM uit een oogpunt van algemeen belang andere werkzaamheden verrichten indien deze zijn opgenomen in een Meerjaren Activiteiten Programma (MAP) en hiervoor de goedkeuring van de Ministers verkregen is.

Door de uitvoering van het MAP Strategisch onderzoek geeft het instituut invulling aan haar strategische taakontwikkeling op de langere termijn. Dit onderzoek is gericht op toekomstige onderzoekbehoeften van de opdracht gevende departementen.

Voor het RIVM wordt bij de financiering onderscheid gemaakt in een basisfinanciering en een capaciteitsfinanciering. Daarnaast is er sprake van een zeker volume aan extern gefinancierd onderzoek, dat in opdracht van andere overheden en internationale organisaties wordt uitgevoerd. De basisfinanciering van het RIVM is afkomstig van de begroting van VWS en is bestemd voor de indirecte kosten van de kerntaken van het instituut (circa 25%). De capaciteitsfinanciering van het RIVM is afkomstig van de begrotingen van VWS en van VROM. Deze is bestemd voor de uitvoering van de MAP's op het gebied van de Volksgezondheid (circa 40%) en het Milieu (circa 35%).

Hieronder volgt per aandachtsgebied een korte beleidsinhoudelijke toelichting.

Volksgezondheid

Inmiddels is gestart met de ToekomstVerkenningen 2002. Er wordt reeds aan een aantal themarapporten gewerkt, die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van volksgezondheid en zorg, zoals Gezondheid in de grote steden, Bevorderen van gezond gedrag bij specifieke groepen, Geneesmiddelen, Medische Hulpmiddelen, Vraag, aanbod en geografische spreiding van zorg en Ouderenzorg. Toekomstige themarapporten hebben betrekking op Gezonde en veilige voeding, Letsels en vergiftigingen door ongevallen en geweld, Infectieziekten in Nederland en Zorg in de grote steden. Het integratiedocument is voor 2002 gepland. Binnen dit taakveld wordt tevens aandacht besteed aan het digitaal presenteren van actuele gegevens op internet via de Monitor over ontwikkelingen in de volksgezondheid, determinanten, interventies en gevolgen voor de zorg. Ook wordt expertise ingezet voor de ondersteuning van discussies op het terrein van de stelselherziening en wachtlijstproblematiek.

In het kader van chronische aandoeningen wordt zowel populatie-onderzoek als patiëntgebonden onderzoek uitgevoerd, teneinde voor het beleid ziekte-overstijgende en ziekte-specifieke bevindingen te kunnen aanreiken. Ziekte-specifieke projecten hebben betrekking op chronische harten vaatziekten, kanker, chronische aandoeningen van de luchtwegen.

Het onderzoek naar de gevolgen van chronische ziekten voor het zorggebruik en de daarmee samenhangende kosten vinden plaats in aansluiting op de prioritaire gebieden van zorgbeleid. Systematische aandacht gaat uit naar verdelingsvraagstukken en toegankelijkheid van zorg, zorgprofielen en gepastheid van zorg, en kosteneffectiviteits-scenario's en doelmatigheid van zorg.

Binnen het taakveld Risicobeoordeling wordt de ontwikkeling waargenomen dat het gebied van de regelgeving steeds meer verschuift van nationaal naar Europees en mondiaal niveau. Advieswerkzaamheden richten zich steeds meer op verschillende internationale kaders, i.e. EU, WHO en OECD. Om de bij de risicobeoordeling gehanteerde methoden te verbeteren wordt onderzoek verricht op de «zwakke plekken» in de risk-assessment. Dit moet leiden tot een nauwkeurige vaststelling van het risico.

Met betrekking tot infectieziekten is het van belang om snel en efficiënt ziekte-uitbraken te bestrijden. De afgelopen jaren hebben meerdere voorbeelden waaronder legionella aangetoond dat intensivering van infectieziektebestrijding noodzakelijk is. Zowel inhoudelijk als logistiek (positionering LCI) is dit een speerpunt van het RIVM. In het verlengde hiervan ondersteunt het RIVM preventie- en bestrijdingsprogramma's of voert deze zelf uit (het Rijksvaccinatieprogramma). In 2000 is in de notitie «Naar een vaccinatieprogramma voor Nederland in de 21ste eeuw» een visie gepresenteerd voor het toekomstig vaccinatiebeleid in Nederland. Ontwikkeling van nieuwe vaccins is mede afhankelijk van besluitvorming door de Minister.

In het kader van voedselveiligheid zal intensivering van de samenwerking met het RIKILT en de Keuringsdienst van Waren plaatsvinden met als doel de keten rond voedselveiligheid beter te beheersen. Hierbij participeert het RIVM aan de volksgezondheidskant van de keten.

Milieu en natuur

In het milieuonderzoek worden momenteel drie categorieën onderzoek onderscheiden, namelijk onderzoek in het kader van de Milieuplanbureaufunctie, doorlopend onderzoek en eenmalig onderzoek.

Op basis van de in de Wet op het RIVM vastgelegde professionele autonomie van het RIVM wordt de planbureaufunctie verder ingevuld. Hierbij is de missie gedefinieerd als: «het milieubeleid tijdig voorzien van een wetenschappelijke informatiebasis voor het nemen van strategische beslissingen, zodanig dat daarbij alle relevante aspecten en belangen voldoende in de politiek-maatschappelijke afweging worden betrokken». Kernactiviteiten van het planbureau zijn «Integrated Assessments», Quick Scan en interactieve beleidsondersteuning. Het betreft zowel de beleidsvoorbereiding, zoals NMP- en Milieuprogramma ondersteuning, als beleidsevaluatie, zoals de Milieu- en Natuurbalans. Het komende jaar zullen de volgende beleidsprocessen voor het planbureau een centrale plaats in nemen waar het gaat om een interactieve beleidsondersteuning:

– de inbreng van ecologische kennis in het Ruimtelijk Ordeningbeleid en in ICES processen;

– de uitwerking van internationale klimaatafspraken en internationale afspraken over grensoverschrijdende luchtverontreiniging;

– het mest- en ammoniakbeleid, in relatie tot de kwaliteit van de natte en droge natuur;

– het beleid rond verstoring van de leefomgeving door met name verkeer en het beleid rond de luchtvaart;

– bestrijdingsmiddelenbeleid en/of het algemene normstellingbeleid (inclusief effecten van normoverschrijding).

Het doorlopend onderzoek heeft als doel de beleidsdirecties en de inspectie te ondersteunen bij specifiek beleid dat zij voorbereiden, bij uitvoering of handhaving van het beleid en bij het uitvoeren van taken in het kader van wetgeving. Bij dit onderzoek betreft het in het algemeen concreet afgesproken producten, waarvoor meerjarenafspraken worden gemaakt met betrekking tot het instandhouden van de noodzakelijke expertise.

Eenmalige onderzoeksactiviteiten bestaan uit onderzoek dat wordt uitgevoerd ter beantwoording van door de beleidsdirecties geformuleerde eenduidige kennisvragen. Er wordt naar gestreefd hierbij zoveel mogelijk aan te sluiten op de expertise en het instrumentarium van het planbureauonderzoek.

Naar analogie van de milieuplanbureaufunctie wordt door het RIVM samen met de DLO-instituten de natuurplanbureaufunctie ingevuld. Het natuurplanbureau zorgt ervoor dat het (natuur)beleid kan beschikken over alle beschikbare relevante wetenschappelijke informatie. Daarmee kunnen het beleid en de politiek strategische beslissingen nemen, waarbij relevante aspecten van natuur en landschap in de afweging kunnen worden betrokken.

Artikel 27.01 Personeel en materieel RIVM

Overzicht uitgavenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Regulier personeel134 908132 169128 637126 148126 098126 176126 189
02 Overige personele uitgaven14 8717 6847 5897 5837 5827 5857 587
03 Post-actieven3 5025 2525 2425 2355 2325 2375 240
04 Personeel ten laste van derden8 95910 00010 00010 00010 00010 00010 000
05 Materieel138 060114 262110 722106 573105 216104 223104 223
06 Nationaal Onderzoeksprogramma Luchtverontreinining en Klimaatverandering4 8396 9637 5317 942000
07 «Huisvesting; verrekening met de Rijksgebouwendienst»36 10536 79841 86141 86241 86250 37050 370
Totaal artikel341 244313 128311 582305 343295 990303 591303 609
Uitgaven in EUR1000154 850142 091141 390138 559134 314137 764137 772

27.01 Onderdeel 01 Regulier personeel

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen salarissen (inclusief sociale lasten) van personeel zoals vermeld in Bijlage 1A van deze begroting. Daarnaast worden de uitgaven voor ouderschapsverlof, overwerk en dergelijke ten laste van dit onderdeel gebracht.

b) De Ambtenarenwet, de Begrotingswet, alsmede de sociale werknemersverzekeringen, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen dienen als basis voor de uitgaven. De Wet Privatisering ABP en het daarop gebaseerde pensioenreglement dienen als basis voor de uitgaven met betrekking tot het werkgeversaandeel in de pensioenpremies.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Herschikking tussen materieel en personeel budget2 0002 0002 0002 000
2 Bijdrage van VROM mbt loonbijstelling 20001 7721 6521 6201 665
Totaal onderdeel3 7723 6523 6203 665

Toelichting

1. Herschikking tussen het materiële en het personele budget van het RIVM als gevolg van de in het kader van het Regeerakkoord 1998 opgelegde taakstelling. Onderdeel 05 van dit uitgavenartikel wordt met dezelfde bedragen verlaagd.

2. Bijdrage van het ministerie van VROM in verband met de toedeling van de loonbijstelling 2000 ten behoeve van het milieudeel van het RIVM. Het corresponderende ontvangstenartikel 27.02 wordt eveneens verhoogd.

Kengetallen

Het RIVM is een kenniscentrum ten dienste van het beleid en het toezicht van de rijksoverheid. Dat betekent dat het instituut zijn producten (informatie, adviezen, meetgegevens, rapporten, publicaties, vaccins) primair ter beschikking stelt voor de ondersteuning en uitvoering van het overheidsbeleid inzake volksgezondheid, milieu en natuur. Daarnaast verricht het RIVM taken die bij of krachtens wetten zijn opgedragen, waaronder werkzaamheden met betrekking tot de levering van vaccins, of die in opdracht van de minister worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld informatieverstrekking aan werkers in de gezondheidszorg. Hieronder is uit de door het RIVM verrichte werkzaamheden een selectie gemaakt naar het aantal geproduceerde rapporten en publicaties op het gebied van volksgezondheid en milieu.

Prestatiegegevens

Overzicht produktie van publicaties en rapporten
 19951996199719981999
Publicaties547544636511547
Rapporten330350252253249

(Bron: jaarverslag 1999)

Voor een overzicht van de aantallen geproduceerde vaccins wordt verwezen naar het ontvangstenartikel 27.01, onderdeel 02.

Ramingskengetallen

In onderstaande tabel zijn voor 1999 de werkelijke bezetting en de gerealiseerde gemiddelde prijs per fte weergegeven. Voor de jaren vanaf 2000 is op basis van het beschikbare budget en de geraamde begrotingssterkte de gemiddelde prijs per fte vermeld. De vermelde begrotingssterkte is exclusief 100 plaatsen betaald door derden uit de collectieve sector.

Tabel II Onderbouwing Regulier personeel RIVM
 Realisatie 1999Raming 20002001200220032004
Gemiddelde bezetting in fte's1 3911 3801 3781 3701 3701 370
Gemiddelde prijs per fte979693929292
Toegelicht begrotingsbedrag134 908132 169128 637126 148126 098126 176

(Bedragen x f 1 000)

Doelmatigheidskengetallen

Tabel IIIa: Inzet van het aantal fte's en de (directe) personele kosten per MAP; realisatie voor 1999
Activiteiten Capaciteit in fte'sKosten (x f 1 miljoen)
MAP Volksgezondheid:   
– Advisering Risico-evaluatie 27,9 
– Geneesmiddelen en Medische hulpmiddelen 56,5 
– Gezondheidsverkenningen 27,7 
– Gezondheidszorgonderzoek 8,2 
– Infectieziekten 97,8 
– Milieu en Gezondheid 18,1 
– Ontw. Methodieken Modellering Risico-evaluatie 21,6 
– Onderzoek Indicatoren en determinanten 38,7 
– Rijks vaccinatie Programma 75,2 
– Vaccinontwikkeling 35,6 
– Zoönosen en Voeding 48,5 
Totaal MAP Volksgezondheid 455,844,2
    
Map Milieu:   
– Integratie en Bestuurszaken9,7  
– Industrie, Bouw, Producten, Consumenten  
– Afvalstoffen9,5  
– Internationale Milieuzaken2,4  
– Bodem16,8  
– Drinkwater, Water en Landbouw19,2  
– Lucht en Energie39,7  
– Geluid en Verkeer1,5  
– Straling10,0  
– Stoffen en Risico's60,9  
– Toezicht en Handhaving30,1  
  199,8 
– Milieuplanbureau 186,8 
Totaal MAP Milieu 386,637,5
    
Map Strategisch Onderzoek   
– Gezondheidstoestand en Determinanten 12,0 
– Infectieziektenbestrijding 26,1 
– Milieu-infrastructuur  
– Mens, Milieu en Omgeving 4,3 
– Ontwikkeling Verkenningen Milieu en Natuur 29,0 
– Stoffen en Risico's 48,2 
– Transitorium 7,8 
– Vaccins 25,8 
Totaal MAP Strategisch Onderzoek 153,214,9
    
Totaal MAP's VGZ, Milieu en Strategisch Onderzoek 995,796,6

Tabel IIIb: Inzet van het aantal fte's en de (directe) personele kosten per MAP planning voor 2000
Activiteiten Capaciteit in fte'sKosten (x f 1 miljoen)
MAP Volksgezondheid:   
– Advisering Risico-evaluatie 25,9 
– Geneesmiddelen en Medische hulpmiddelen 32,9 
– Gezondheidsverkenningen 29,9 
– Gezondheidszorgonderzoek 9,9 
– Infectieziekten 89,6 
– Milieu en Gezondheid 16,3 
– Ontw. Methodieken Modellering Risico-evaluatie 18,4 
– Onderzoek Indicatoren en determinanten 31,1 
– Rijks vaccinatie Programma 79,1 
– Vaccinontwikkeling 46,4 
– Zoönosen en Voeding 51,9 
Totaal MAP Volksgezondheid 431,338,8
    
Map Milieu:   
– Integratie en Bestuurszaken6,8  
– Afvalstoffen2,8  
– Internationale Milieuzaken3,4  
– Bodem16,3  
– Drinkwater, Water en Landbouw14,4  
– Lucht en Energie31,2  
– Geluid en Verkeer1,2  
– Straling13,8  
– Stoffen en Risico's51,2  
– Toezicht en Handhaving26,5  
  167,6 
– Milieuplanbureau 186,5 
Totaal MAP Milieu 354,131,9
    
Map Strategisch Onderzoek   
– Gezondheidstoestand en Determinanten 18,2 
– Infectieziektenbestrijding 24,7 
– Mens, Milieu en Omgeving 11,9 
– Ontwikkeling Verkenningen Milieu en Natuur 53,4 
– Stoffen en Risico's 53,4 
– Transitorium 3,2 
– Vaccins 24,0 
Totaal MAP Strategisch Onderzoek 188,817,0
    
Totaal MAP's VGZ, Milieu en Strategisch Onderzoek 974,287,7

In bovenstaande tabellen worden voor 1999 en 2000 de capaciteitsinzet in fte's per MAP weergegeven. De uitgaven zijn berekend door het aantal fte's te vermenigvuldigen met de gemiddelde prijs per fte voor 1999, respectievelijk 1999 (zie tabel II). Het verschil tussen het aantal fte's, ingezet voor de MAP's, en het totale aantal fte's wordt verklaard door de staf- en facilitaire-diensten en overig niet-MAP gerelateerd personeel.

Aangezien de activiteiten van het RIVM heterogeen van aard zijn en derhalve geen homogene eindproducten kennen, is de inzet van de capaciteit als indicator van de output van het RIVM opgevat.

Uit de tabellen IIIa en IIIb kan voor de jaren 1999 en 2000 worden opgemaakt dat er in 2000, op totaalniveau, sprake is van een capaciteitsafname vergeleken met 1999. Deze afname hangt samen met de in het kader van het Regeerakkoord 1998 opgelegde taakstellingen. Bij het MAP Volksgezondheid en het MAP Milieu wordt de vergelijking tussen de realisatie over 1999 en de planning voor 2000 door twee factoren beïnvloed, t.w. de capaciteitsafname als gevolg van de opgelegde taakstelling en de gebruikelijke hogere inzet op deze MAP's die gecompenseerd wordt door een lagere inzet op het MAP Strategisch Onderzoek.

In het algemeen is er een duidelijk achterblijven van de inzet ten behoeve van het MAP Strategisch Onderzoek ten opzichte van de planning waarneembaar. Dit komt omdat capaciteit wordt aangewend voor het voldoen aan de vraag in de andere MAP's.

27.01 Onderdeel 02 Overige personele uitgaven

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen: vergoedingen aan personeel van de kosten woon-werkverkeer, differentiatie in beloning, verhuiskosten, vorming en opleiding, werving en selectie, kinderopvang, inhuur externen en soortgelijke uitgaven.

b) De Ambtenarenwet dient als basis voor de uitgaven.

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Verrekening van kosten kinderopvang via het RIVM– 72– 72– 72– 72
Totaal onderdeel– 72– 72– 72– 72

Overheveling naar uitgavenartikel 22.01, onderdeel 02, in verband met een bijdrage van het RIVM in de kosten van departementale kinderopvang.

27.01 Onderdeel 03 Post-actieven

a) Op dit onderdeel worden de uitgaven geraamd bestemd voor de betaling van wachtgeld aan post-actieven (bijvoorbeeld Rijkswachtgeldregeling, korte en lange uitkering 1966).

b) De Ambtenarenwet dient als basis voor de uitgaven.

27.01 Onderdeel 04 Personeel ten laste van derden

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven betreffen betalingen van salarissen (inclusief sociale lasten) van ambtenaren die werkzaamheden verrichten voor derden.

b) De Ambtenarenwet dient als basis voor de uitgaven.

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn voor 1999 de werkelijke bezetting en de gerealiseerde gemiddelde prijs per fte weergegeven. Voor de jaren vanaf 2000 is op basis van het beschikbare budget en de geraamde begrotingssterkte de gemiddelde prijs per fte vermeld. De raming is gebaseerd op de thans beschikbare fte's en de daarvoor geraamde bedragen (zie ook het betreffende ontvangstenartikel 27.01).

Ramingskengetallen

Onderbouwing personeel ten laste van derden
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Gemiddelde bezetting in fte's114125125125125125125
Gemiddelde prijs per fte79808080808080
Toegelicht begrotingsbedrag8 95910 00010 00010 00010 00010 00010 000

(Bedragen x f 1 000)

27.01 Onderdeel 05 Materieel

a) Op dit onderdeel worden materiële uitgaven geraamd ten behoeve van het RIVM. Het betreft enerzijds personeelsgebonden uitgaven zoals reis- en verblijfskosten en werkplekautomatisering. Anderzijds betreft het materiële uitgaven ten behoeve van de bedrijfsvoering zoals gebouwgebonden uitgaven en uitgaven ten behoeve van analyse-apparatuur, hulpmiddelen voor productie en onderzoek, informatiesystemen en informatie-infrastructuur en uitbesteding Voorts betreft het uitgaven ter zake van de aankoop van sera en vaccins.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven. De uitgaven ten behoeve van de bedrijfshulpverlening (facilitaire uitgaven) zijn gebaseerd op het Besluit bedrijfshulpverlening Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 783, 1993).

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
1 Herschikking tussen materieel en personeel budget– 2 000– 2 000– 2 000– 2 000
2 Bijdrage VROM aan MAP milieu1 0301 248993  
3 Bijdrage van VROM m.b.t. prijsbijstelling 2000587580580580
Totaal onderdeel– 383– 172– 427– 1 420

Toelichting

1 Herschikking op dit artikel tussen het materiële en het personele budget als gevolg van de in het kader van het Regeerakkoord 1998 opgelegde taakstelling.

2 Bijdrage van het ministerie van VROM ten behoeve van extra uit te voeren werkzaamheden in het kader van het MAP-milieu.

3 Bijdrage van het ministerie van VROM in verband met de toedeling van de prijsbijstelling 2000 ten behoeve van het milieudeel van het RIVM. Het corresponderende ontvangstenartikel 27.02 wordt eveneens verhoogd.

Onderbouwing materiële uitgaven

Onderbouwing materiële uitgaven (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Materiële kosten algemeen40,535,235,3
Investeringen12,417,714,5
Exploitatiekosten26,224,725,7
Hulpmiddelen voor productie/onderzoek14,46,97,8
Aankoop sera en vaccins33,515,515,5
Automatiseringskosten9,612,411,9
Bijdrage WHO en Oost-Europa-projecten1,41,3
Toegelicht begrotingsbedrag138,0113,7110,7

In bovenstaande tabel wordt een nadere specificatie gegeven van de opbouw van de materiële uitgaven.

27.01 Onderdeel 06 Nationaal Onderzoeksprogramma Luchtverontreiniging

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de project- en uitvoeringskosten, samenhangend met het Nationaal Onderzoeksprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering, tweede fase (NOP-2).

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

27.01 Onderdeel 07 Huisvesting RIVM

a) De op dit onderdeel geraamde uitgaven zijn bestemd voor de verrekening van de huisvestingsuitgaven van het RIVM (en eventuele «inwonende» diensten) met de Rijksgebouwendienst, voor zover deze direct of indirect samenhangen met de huurcontracten, zoals die met de Rijksgebouwendienst zijn gesloten.

b) De Begrotingswet dient als basis voor de uitgaven.

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn kengetallen opgenomen ten aanzien van het vorig jaar van de RGD overgehevelde budget met betrekking tot huisvestingskosten.

Overzicht huisvestingskosten RIVM gerelateerd naar fte's
 2001200220032004
Aantal fte's*1 3801 3781 3701 370
Toegelicht begrotingsbedrag40 84040 84140 84140 841
Kosten per fte29,629,629,629,6

(Bedragen x f 1 000)

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2701t/m 19981999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  295 790302 559291 023290 358298 658 
1e Suppletore wet  2 4511 700650  
Nieuwe wijzigingen  5 7203 2673 4083 1212 173 
Nieuwe nominale wijzigingen  2 7012 6192 7512 5112 760 
Stand ontwerp-begroting 200110 968341 244306 662310 145297 832295 990303 591303 609

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
U2701 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  302 487303 765298 534290 358298 658 
1e Suppletore wet  2 3911 760650  
Nieuwe wijzigingen  5 7203 2673 4083 1212 173 
Nieuwe nominale wijzigingen  2 5302 7902 7512 5112 760 
Stand ontwerp-begroting 2001 341 244313 128311 582305 343295 990303 591303 609
Uitgaven in EUR1000 154 850142 091141 390138 559134 314137 764137 772

3. Toelichting op het Wetsartikel 2 (ontvangsten)

HOOFDBELEIDSTERREIN 22 ALGEMEEN

Artikel 22.01 Algemeen

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten0000000
02 Bijdragen van personeel0000000
03 Ontvangsten personeel1 388000000
04 Algemene ontvangsten5 5611 6561 3541 3541 3541 3541 354
05 Diensten voor derden1 6551 3851 3851 3851 3851 3851 385
Totaal artikel8 6013 0412 7392 7392 7392 7392 739
Totaal artikel in EUR10003 9031 3801 2431 2431 2431 2431 243

22.01 Onderdeel 01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de vigerende subsidieregelingen en beschikkingen.

22.01 Onderdeel 02 Bijdragen van personeel

a) De op dit onderdeel geraamde ontvangsten betreffen onder andere bijdragen van personeel voor inkoop van diensttijd voor pensioen.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de mogelijkheden tot inkoop op grond van de toenmalige ABP-wet.

22.01 Onderdeel 03 Ontvangsten personeel

a) De op dit onderdeel geraamde ontvangsten hebben betrekking op AAW-uitkeringen van het ABP voor langdurig zieken.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW).

22.01 Onderdeel 04 Algemene ontvangsten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen en niet als zodanig plaatsbaar zijn op enig ander artikel. Het betreft onder andere vergoedingen voor auteursrechten en gastdocentschappen, publicatie-opbrengsten en overige baten. Voor publicaties die door VWS worden uitgegeven, worden tarieven gehanteerd. Deze worden in overleg tussen de directie Voorlichting en Communicatie (V&C) en de uitgevende directie vastgesteld. De prijs is onder meer afhankelijk van het doel en het bereik van de publicatie. Wel kent elke publicatie een minimumprijs (f 15,–), dit is een vergoeding voor de handlingskosten. Ook de eigen bijdragen van het personeel van de Inspectie V&W ten behoeve van kinderopvang worden op dit onderdeel geraamd.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet en op de huidige subsidieregeling voor kinderopvang.

22.01 Onderdeel 05 Diensten voor derden

a) De op dit onderdeel geraamde ontvangsten betreffen diensten die door VWS worden verricht voor derden behorende tot de collectieve en de niet-collectieve sector. De voor deze activiteiten berekende tarieven zijn in principe kostendekkend.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op overeenkomsten met derden, bijvoorbeeld andere ministeries, lagere overheden en bedrijfsleven (niet-collectieve sector).

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2201 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  3 0393 0393 0393 0393 039 
1e Suppletore wet  – 17– 300– 300– 300– 300 
Nieuwe wijzigingen  19  
Stand ontwerp-begroting 2001 8 6013 0412 7392 7392 7392 7392 739
Uitgaven in EUR1000 3 9031 3801 2431 2431 2431 2431 243

Artikel 22.02 Overige ontvangsten andere begrotingen en organisaties

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel4 5311 4951 0551 0551 0551 0551 055
Totaal artikel in EUR10002 056678479479479479479

a) De op dit artikel geraamde ontvangsten betreffen veelal incidentele bijdragen van andere ministeries die in verband met een juiste verantwoording niet op één van de andere ontvangstenartikelen kunnen worden geraamd. Tevens omvat dit artikel ontvangsten van organisaties zoals bijvoorbeeld de Europese Unie.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2202 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  1 4751 4751 4751 4751 475 
1e Suppletore wet  – 280– 420– 420– 420– 420 
Nieuwe wijzigingen  300  
Stand ontwerp-begroting 2001 4 5311 4951 0551 0551 0551 0551 055
Uitgaven in EUR1000 2 056678479479479479479

HOOFDBELEIDSTERREIN 23 STAATSTOEZICHT OP DE VOLKSGEZONDHEID

Artikel 23.01 Inspectie gezondheidszorg

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten1000000
02 Algemene ontvangsten607000000
03 Diensten voor derden Inspectie gezondheidszorg1 146777620620620620620
04 Ontvangsten registraties volksgezondheid0153153153153153153
05 Ontvangsten registraties Wet BIG2 3291 1571 1571 1571 1571 1571 157
06 Ontvangsten additionele taken BIG-register0000000
Totaal artikel4 0832 0871 9301 9301 9301 9301 930
Totaal artikel in EUR10001 853947876876876876876

23.01 Onderdeel 01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de vigerende subsidieregelingen en beschikkingen.

23.01 Onderdeel 02 Algemene ontvangsten

a) Deze ontvangsten hebben voornamelijk betrekking op subsidie van het A&O-fonds, doorberekende personeelskosten en ontvangsten wegens de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang en lease-auto's. Deze incidentele ontvangsten laten zich naar hun aard moeilijk ramen.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

23.01 Onderdeel 03 Diensten voor derden Inspectie gezondheidszorg

a) Dit onderdeel bevat de raming van de vergoeding van derden voor diensten die door de IGZ worden verricht. De vergoedingen zijn gebaseerd op kostendekkende tarieven.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Diensten voor derden IGZ (bedragen x f 1 000)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Toegelicht begrotingsbedrag1 146620620
Aantal in- en exportverklaringen (f 135 per verklaring)4 0974 0004 000
Aantal opiumverloven (f 70 per verlof)2 93120002000
Aantal bloed, sera en vaccins (f 500 per sera/vaccin)281420420

Het gaat hier om de volgende ontvangsten: Exportverklaringen, Opiumverloven en bloed, sera en vaccins. Dit onderdeel correspondeert voor de bovenstaande werkzaamheden met het uitgavenartikel 23.01, onderdeel 04, voor een bedrag van f 0,5 miljoen. Met betrekking tot de vrijgifte van sera en vaccins gaat het om ontvangsten met betrekking tot partijgewijze vrijgifte van de regeling bloedprodukten.

23.01 Onderdeel 04 Ontvangsten registraties volksgezondheid

Tot 1 april 1998 werden op dit artikelonderdeel ontvangsten geraamd met betrekking tot het registreren van psychotherapeuten. Vanaf die datum vindt registratie plaats op basis van de wet BIG. Zie onderdeel 05 van dit artikel.

23.01 Onderdeel 05 Ontvangsten registraties Wet BIG

a) Het betreft een raming van ontvangsten gebaseerd op een uniform tarief van de registratie – eenmalig en structureel – van beroepsbeoefenaren van beroepen die in artikel 3 van de wet worden genoemd: arts, tandarts, apotheker, klinisch psycholoog, psychotherapeut, verloskundige en verpleegkundige. De eenmalige registratie heeft betrekking op die beroepsbeoefenaren die reeds een diploma hebben en de structurele registratie op die beroepsbeoefenaren die na aanvang van de BIG-registratie hun diploma zullen behalen. Het uniforme tarief voor beide bedraagt f 130,–. Vanaf 1999 hebben de ontvangsten in hoofdzaak betrekking op de structurele registratie (nieuw gediplomeerden) Gezien de spreiding van het aantal registraties in genoemde periode lopen uitgaven en ontvangsten niet parallel. Over de gehele periode heen zijn de ontvangsten en uitgaven gelijk (zie uitgavenartikel 23.01, onderdeel 06).

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Tabel I: Ontvangsten BIG-register (bedragen x f 1 miljoen)
 Realisatie 1999Raming 200020012002200320042005
Registraties17 0008 9008 9008 9008 9008 9008 900
Inkomsten2,21,21,21,21,21,21,2

Voor de registraties wordt een kostendekkend tarief van f 130,= per registratie in rekening gebracht. Na de gefaseerde invoering in de jaren tot en met 1999 wordt voor 2000 en volgende jaren uitgegaan van een regulier niveau van 8 900 registraties.

23.01 Onderdeel 07 Ontvangsten additionele taken BIG-register

a) Op dit artikelonderdeel worden ontvangsten geboekt die voortvloeien uit de aan het BIG-register opgedragen additionele taken.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2301 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  1 9301 9301 9301 9301 930 
1e Suppletore wet  75  
Nieuwe wijzigingen  82  
Stand ontwerp-begroting 2001 4 0832 0871 9301 9301 9301 9301 930
Totaal artikel in EUR1000 1 853947876876876876876

HOOFDBELEIDSTERREIN 24 WELZIJN

Artikel 24.01 Welzijn algemeen

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten176 93912 90611 83412 33413 13413 13413 134
02 Algemene ontvangsten0000000
Totaal artikel176 93912 90611 83412 33413 13413 13413 134
Totaal artikel in EUR100080 2915 8565 3705 5975 9605 9605 960

24.01 Onderdeel 01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen als gevolg van de afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten op het Welzijnsterrein.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de vigerende subsidieregelingen en beschikkingen.

24.01 Onderdeel 02 Algemene ontvangsten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen en als zodanig niet plaatsbaar zijn op enig ander artikel. Voor publicaties die door VWS worden uitgegeven, worden tarieven gehanteerd. Deze worden in overleg tussen de directie Voorlichting & Communicatie en de uitgevende directie vastgesteld. De prijs is onder meer afhankelijk van het doel en het bereik van de publicatie. Wel kent elke publicatie een minimumprijs (f 15,=), dit is een vergoeding voor de handlingskosten.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2401 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  12 43411 83412 33413 13413 134 
1e Suppletore wet  322  
Nieuwe wijzigingen  150  
Stand ontwerp-begroting 2001 176 93912 90611 83412 33413 13413 13413 134
Totaalartikel in EUR1000 80 2915 8565 3705 5975 9605 9605 960

Artikel 24.02 Bijdrage van andere begrotingen

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Bijdrage van andere begrotingen inzake gehandicaptenbeleid0000000
02 Bijdrage van andere begrotingen inzake jeugdhulpverlening en jeugdbeleid1 6571 9031 9031 6751 0431 0431 043
03 Bijdrage van begroting V inzake opvang vluchtelingen24 740000000
04 Bijdrage van andere begrotingen inzake opvang vluchtelingen en minderheden882000000
Totaal artikel27 2791 9031 9031 6751 0431 0431 043
Totaal artikel in EUR100012 379864864760473473473

24.02 Onderdeel 01 Bijdrage van andere begrotingen inzake gehandicaptenbeleid

Op dit onderdeel werd geraamd de bijdrage van het Ministerie van OCW ten behoeve van subsidiëring op grond van de op de Welzijnswet 1994 gebaseerde Subsidieregeling welzijnsbeleid. Met ingang van 1998 is deze bijdrage komen te vervallen.

24.02 Onderdeel 02 Bijdrage van andere begrotingen inzake jeugdhulpverlening en jeugdbeleid

a) Het betreft hier bijdragen van het Ministerie van Justitie aan subsidies en rijksbijdragen in het kader van de jeugdhulpverlening, alsmede bijdragen van diverse ministeries aan subsidies ten behoeve van het sociaal-educatief jeugdbeleid.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

24.02 Onderdeel 03 Bijdrage van begroting V inzake opvang vluchtelingen

a) Op dit artikelonderdeel werd tot en met de begroting 2000 een bijdrage van het Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking in de kosten van de opvang van vluchtelingen en minderheden geraamd. Deze raming is inmiddels naar het ministerie van Justitie overgeheveld.

24.02 Onderdeel 04 Bijdrage van andere begrotingen ten behoeve van sociaal beleid

a) De op dit onderdeel geraamde ontvangsten betreffen veelal incidentele bijdragen van andere ministeries inzake sociaal

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2402 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  25 78325 78325 78325 78325 783 
1e Suppletore wet  – 23 880– 23 880– 24 108– 24 740– 24 740 
Stand ontwerp-begroting 2001 27 2791 9031 9031 6751 0431 0431 043
Totaal artikel in EUR1000 12 379864864760473473473

Artikel 24.03 Jeugdbeleid

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Ontvangsten Nederlandse filmkeuring99555555555555
02 Ontvangsten ouderbijdragen12 57818 85016 85016 65016 15016 15016 150
03 Ontvangsten desinvesteringen jeugdhulpverlening6 7221 98300000
Totaal artikel19 40020 88816 90516 70516 20516 20516 205
Totaal artikel in EUR10008 8039 4797 6717 5807 3547 3547 354

24.03 Onderdeel 01 Ontvangsten Nederlandse filmkeuring

Er ligt een wetsvoorstel in de Tweede Kamer waarbij de NFK wordt afgeschaft (vermoedelijk per 1 januari 2001). Daarmee zullen de op dit artikelonderdeel geraamde ontvangsten vervallen.

a) Het betreft hier ontvangsten in verband met filmkeuringen. Deze tarieven zijn niet kostendekkend.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op de filmvertoningen. In deze wet zijn de vaststelling van de vergoedingen en de hoogte van de tarieven opgenomen.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Ontvangsten Nederlandse Filmkeuring
 199819992000
Aantal films125120120
Gemiddelde speelduur (in minuten)111110110
Ontvangsten (x f 1 000)1109955

Het tarief bedraagt f 35,= per 5 minuten te keuren speelfilm. De uitgaven (exclusief huisvesting) bedragen circa f 0,4 miljoen, welke ten laste van uitgavenartikel 22.01, onderdeel 05, komen.

24.03 Onderdeel 02 Ontvangsten ouderbijdragen

a) Het betreft hier ontvangsten van jeugdigen en ouders van jeugdigen, welke zijn geplaatst in internaten en pleeggezinnen. Conform de afspraken in het laatste Regeerakkoord zal de regelgeving met betrekking tot de ouderbijdrage jeugdhulpverlening worden aangepast zodat een jaarlijkse indexatie zal plaatsvinden van de hoogte van deze ouderbijdrage. Deze indexatie zal na afronding van alle juridische procedures naar verwachting in het najaar van 2000 worden geëffectueerd.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op de jeugdhulpverlening en de Welzijnswet 1994 (Schippersinternaten).

c)

Mutaties op dit artikelonderdeel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Inzet PEO-welzijn tbv tegenvaller ouderbijdragen– 5 450– 5 750– 5 950– 5 950
Totaal onderdeel– 5 450– 5 750– 5 950– 5 950

Verlaging in verband met jaarlijks terugkerende tegenvallende opbrengsten van de ouderbijdrage Jeugdhulpverlening. Dekking hiervoor vindt plaats door verlaging van de uitgaven op onderdeel 02 van uitgavenartikel 24.04.

Kengetallen

Ramingskengetallen

Hoogte ouderbijdragen Jeugdhulpverlening per maand (in guldens)
 0–5 jaar6–11 jaar12–20 jaar
Residentieel en pleegzorg120165210
Semi-residentieel6082,50105

Conform het voornemen in het Regeerakkoord wordt gewerkt aan de jaarlijkse indexering van de hoogte van de ouderbijdrage jeugdhulpverlening. De hoogte van de ouderbijdrage zal gekoppeld worden aan de ontwikkeling in de het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. Vermoedelijk zal dit in het laatste kwartaal van 2000 zijn beslag krijgen.

Hoogte ouderbijdragen Schippersinternaten per maand (in guldens) per 1 januari 2000
 6–11 jaar12–18 jaar
 315370

24.03 Onderdeel 03 Ontvangsten desinvesteringen jeugdhulpverlening

a) Deze ontvangsten betreffen desinvesteringen in accommodaties van voorzieningen welke in het kader van de jeugdhulpverlening gesubsidieerd worden.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op de jeugdhulpverlening en de Investeringssubsidieregeling.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2403 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  22 20522 35522 45522 15522 155 
1e Suppletore wet  420  
Nieuwe wijzigingen  – 1 737– 5 450– 5 750– 5 950– 5 950 
Stand ontwerp-begroting 2001 19 40020 88816 90516 70516 20516 20516 205
Totaal artikel in EUR1000 8 8039 4797 6717 5807 3547 3547 354

HOOFDBELEIDSTERREIN 25 VOLKSGEZONDHEID

Artikel 25.01 Volksgezondheid algemeen

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten167 57876 97717 4036 9506 9506 9506 950
02 Algemene ontvangsten1421 2981 2981 2981 2981 2981 298
03 Diensten voor derden0000000
04 Opleidingen en examens op het gebied van de volksgezondheid136000000
05 Inverdieningstoelagen en studietoelagen1931 1021 1021 1021 1021 1021 102
06 Vergunningen geneesmiddelen2 9232 2772 2772 2772 2772 2772 277
07 Ontvangsten bestuurlijke boetes  5 2505 2505 2505 2505 250
Totaal artikel170 97281 65427 33016 87716 87716 87716 877
Totaal artikel in EUR100077 58437 05312 4027 6587 6587 6587 658

25.01 Onderdeel 01 Ontvangsten als gevolg van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten

a) Op dit onderdeel worden de middelen geraamd, die worden ontvangen als gevolg van afrekening van in voorgaande jaren te hoog verstrekte subsidievoorschotten op het volksgezondheidsterrein.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de vigerende subsidieregelingen en beschikkingen.

25.01 Onderdeel 02 Algemene ontvangsten

a) Het betreft een raming van ontvangsten gebaseerd op de verkoop van diverse rapporten en bulletins. Voor publicaties die door VWS worden uitgegeven, worden tarieven gehanteerd. Deze worden in overleg tussen de directie Voorlichting & Communicatie van dit ministerie en de uitgevende directie vastgesteld. De prijs is onder meer afhankelijk van het doel en het bereik van de publicatie. Wel kent elke publicatie een minimumprijs (f 15,=), dit is een vergoeding voor de handlingskosten. Dit onderdeel is tevens gereserveerd voor eventuele ontvangsten in het kader van de civiele verdedigingsvoorbereiding.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

25.01 Onderdeel 03 Diensten voor derden en overige ontvangsten

a) Het betreft hier (kostendekkende) ontvangsten voor verrichte diensten voor onderzoek met betrekking tot geneesmiddelen ten behoeve van derden, zoals de Algemene inspectiedienst (AID) van het Ministerie van LNV en fabrikanten.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op overeenkomsten met derden.

25.01 Onderdeel 04 Opleidingen en examens op het gebied van de volksgezondheid

a) Het op dit onderdeel geraamde bedrag heeft in hoofdzaak betrekking op ontvangsten ter zake van examengelden, welke zijn verschuldigd voor deelname aan het examen van diverse opleidingen.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op:

– de Wet op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters, van 13 juni 1963, Stb. 289;

– regeling examengeld verloskundigen van 6 mei 1996, nr. CSZ/BO-961315;

– regeling uitvoering enige bepalingen Besluit radiodiagnostisch en radiotherapeutisch laboranten 1993 d.d. 31 mei 1996, nr. CSZ/BO-963808;

– regeling toekenning bevoegdheid tot het uitoefenen van de beroepen van mondhygiënist, oefentherapeut-César, oefentherapeut-Mensendieck, orthoptist en podotherapeut van 31 mei 1996, CSZ/BO-963807.

25.01 Onderdeel 05 Inverdieningstoelagen en studietoelagen

a) Het op dit onderdeel geraamde bedrag betreft in hoofdzaak (gedeeltelijke) terugbetalingen van renteloze leningen, welke aan aspirant-huisartsen zijn verstrekt gedurende hun eenjarige opleiding tot huisarts.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op individuele overeenkomsten.

25.01 Onderdeel 06 Vergunningen geneesmiddelen

a) Dit onderdeel bevat de raming van inkomsten uit het verstrekken van vergunningen op het terrein van de geneesmiddelenvoorziening en van de opiumverloven. De hiervoor berekende tarieven zijn kostendekkend. Uit een gedeelte van de hiermee gemoeide opbrengsten worden inspecteurs bij de Inspectie voor de geneesmiddelen gefinancierd. Daarnaast wordt met de opbrengsten personeel (inclusief materieel) van de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) gefinancierd.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Wet op de geneesmiddelenvoorziening respectievelijk de Opiumwet.

25.01 Onderdeel 07 Ontvangsten bestuurlijke boetes

a) Dit onderdeel bevat de raming van inkomsten voortvloeiende uit op te leggen boeten op grond van de per 1 januari 2001 in werking tredende wetswijziging van de Warenwet. Met deze wetswijziging wordt ten behoeve van het «lik op stuk» beleid de mogelijkheid gecreëerd overtredingen van de Warenwet bestuursrechtelijk af te doen in plaats van strafrechtelijk. De hiervoor berekende tarieven zijn kostendekkend.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Warenwet.

c)

Mutaties op dit artikel (bedragen x f 1 000)
 2001200220032004
Inning boeten Warenwet5 2505 2505 2505 250
Totaal onderdeel5 2505 2505 2505 250

Verhoging als gevolg van de wetswijziging van de Warenwet, waardoor bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2501 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  81 62722 08011 62711 62711 627 
Nieuwe wijzigingen  275 2505 2505 2505 250 
Stand ontwerp-begroting 2001 170 97281 65427 33016 87716 87716 87716 877
Totaal artikel in EUR1000 77 58437 05312 4027 6587 6587 6587 658

Artikel 25.02 Medische tuchtwet

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel7202020202020
Totaal artikel in EUR10003999999

a) Het op dit artikel geraamde bedrag heeft betrekking op door artsen, tandartsen, apothekers en verloskundigen betaalde geldboetes. De oplegging van een geldboete geschiedt door het desbetreffende medisch tuchtcollege.

b) De ontvangsten (via de inning van de opgelegde geldboetes) zijn gebaseerd op de Wet Beroepen individuele gezondheidszorg (tuchtrechtbesluit).

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2502 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  2020202020 
Stand ontwerp-begroting 2001 7202020202020
Totaal artikel in EUR1000 3999999

Artikel 25.04 Terugbetaling op effectief geworden garanties

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel3 988000000
Totaal artikel in EUR10001 810000000

a) Op dit artikel worden eventuele ontvangsten op reeds geëffectueerde garanties geraamd.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2504 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000   
Stand ontwerp-begroting 2001 3 988  
Totaal artikel in EUR1000 1 810000000

Artikel 25.06 Verrekening met agentschap CBG

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel264264264264264264264
Totaal artikel in EUR1000120120120120120120120

a) Op dit artikel wordt de bijdrage geraamd in verband met het in 1999 gevormde agentschap «Directie College ter Beoordeling van Geneesmiddelen». Deze bijdrage heeft betrekking op departementale uitgaven ten behoeve van de DCBG.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2506 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  264264264264264 
Stand ontwerp-begroting 2001 264264264264264264264
Totaal artikel in EUR1000 120120120120120120120

HOOFDBELEIDSTERREIN 26 INSPECTIE GEZONDHEIDSBESCHERMING, WAREN & VETERINAIRE ZAKEN

Artikel 26.02 Ontvangsten van agentschap Inspectie gezondheidsbescherming, Waren & Veterinaire Zaken

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel 20 2841 5001 5001 5001 5001 500
Totaal artikel in EUR1000 9 204681681681681681

a) Op dit artikel worden ontvangsten geraamd, als gevolg van een bijdrage van het agentschap IW&V aan het moederdepartement, met betrekking tot huisvestingskosten.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2602 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  20 2841 5001 5001 5001 500 
Stand ontwerp-begroting 2001  20 2841 5001 5001 5001 5001 500
Totaal artikel in EUR1000  9 204681681681681681

HOOFDBELEIDSTERREIN 27 RIJKSINSTITUUT VOOR VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU

Artikel 27.01 RIVM

Overzicht ontvangstenrealisaties en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
01 Algemene ontvangsten9 21417 40017 40017 40017 40017 40017 400
02 Verkoop en controle op sera en vaccins60 17829 84029 84029 84029 84029 84029 840
03 Beoordelingswerkzaamheden en diagnostisch onderzoek12 39911 00611 00611 00611 00611 00611 006
04 Diensten voor derden RIVM18 35610 00010 00010 00010 00010 00010 000
Totaal artikel100 14768 24668 24668 24668 24668 24668 246
Totaal artikel in EUR100045 44530 96930 96930 96930 96930 96930 969

27.01 Onderdeel 01 Algemene ontvangsten

a) Dit onderdeel bevat inkomsten ten gevolge van de verkoop van drukwerk en dergelijke en inkomsten uit hoofde van de doorberekening van facilitaire en overhead-kosten. De voor deze activiteiten berekende tarieven zijn kostendekkend. Daarnaast worden op dit onderdeel enkele personele ontvangsten verantwoord.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op overeenkomsten met derden.

Onderbouwing algemene ontvangsten

Onderbouwing algemene ontvangsten (bedragen x f 1 miljoen)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Diverse ontvangsten1,01,21,2
Dienstverlening SVM7,02,52,5
Derden projecten12,812,8
Personele ontvangsten1,20,90,9
Totaal9,217,417,4

In bovenstaande tabel wordt de herkomst van de diverse ontvangsten weergegeven.

De post «Diverse ontvangsten» omvat de ontvangsten uit verkoop van rapporten, verkregen bonussen en kortingen en diverse overige ontvangsten. De post «Dienstverlening SVM» omvat aan de SVM doorbelaste facilitaire kosten. De post «Derden projecten» betreft de ontvangsten van derden-opdrachtgevers voor de materiële kosten van voor hen uitgevoerde onderzoeksprojecten en verricht advieswerk.

27.01 Onderdeel 02 Verkoop en controle op sera en vaccins

a) Dit onderdeel omvat de inkomsten die ontstaan door verkoop van sera en vaccins die zijn opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma en de vaccins die worden verkocht onder de noemer kennisexploitatie. De voor deze activiteiten berekende tarieven zijn kostendekkend.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op prijsafspraken in het kader van het rijksvaccinatieprogramma.

Kengetallen

Prestatiegegevens

Overzicht levering vaccins t.b.v. het Rijksvaccinatie programma
ProduktnaamAantal doses Realisatie 1999Aantal doses Raming 2000Aantal doses Raming 2001
DTP445 200419 600413 600
DKTP780 500818 500827 000
BMR415 420426 700413 800
HIB808 650817 700826 200
Totaal2 449 7702 482 5002 480 600

Onderbouwing inkomsten sera en vaccins

Onderbouwing van de inkomsten van sera en vaccins (bedragen x f 1 miljoen)
 Realisatie 1999 Raming 2000Raming 2001
Levering vaccins60,229,829,8
Totaal60,229,829,8

27.01 Onderdeel 03 Beoordelingswerkzaamheden en diagnostisch onderzoek

a) Onder dit onderdeel worden inkomsten opgenomen die ontstaan door vergoedingen die het RIVM ontvangt voor verschillende soorten onderzoeken. Het betreft onder meer laboratoriumbepalingen op patiëntenmateriaal en milieubepalingen. Tevens worden op dit onderdeel de inkomsten geboekt die ontstaan uit de controle-activiteiten op vaccins in het kader van de Europese vrijgifte en uit de beoordelingswerkzaamheden die ten behoeve van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen worden verricht. De voor deze activiteiten berekende tarieven zijn, voorzover mogelijk, kostendekkend.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op diverse afspraken.

27.01 Onderdeel 04 Diensten voor derden RIVM

a) Op dit onderdeel wordt geraamd de vergoeding van derden voor diensten die door het RIVM worden verricht. De vergoedingen zijn gebaseerd op kostendekkende tarieven.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op overeenkomsten met derden.

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2701 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  68 24668 24668 24668 24668 246 
Stand ontwerp-begroting 2001 100 14768 24668 24668 24668 24668 24668 246
Totaal artikel in EUR1000 45 44530 96930 96930 96930 96930 96930 969

Artikel 27.02 Bijdrage van begroting XI inzake het RIVM

Overzicht ontvangstenrealisatie en -ramingen op artikelonderdeel (in f 1 000)
Onderdeel Omschrijving1999200020012002200320042005
Totaal artikel80 35584 93781 34080 55680 52479 57679 576
Totaal artikel in EUR100036 46438 54336 91036 55536 54036 11036 110

a) Het betreft bijdragen van het Ministerie van VROM in het kader van het Meerjaren Activiteiten Programma milieu.

b) De ontvangsten zijn gebaseerd op de Begrotingswet.

c)

Mutaties op dit artikel (bedragen x 1 000)
 2001200220032004
Bijdrage van Vrom m.b.t. loon- en prijsbijstelling2 3092 2322 2002 245
Aanpassing aan bijdrage van Vrom775993993 
Toaal onderdeel3 0843 2253 1932 245

Toelichting

1 Dit ontvangstenartikel wordt verhoogd in verband met de bijdrage van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in verband met de toedeling van de Loon- en prijsbijstelling 2000 voor het uitvoeren van het milieu-deel van het RIVM. De betreffende onderdelen op het uitgavenartikel 27.01 van het RIVM worden eveneens verhoogd.

2 Deze ontvangstenraming wordt op technische gronden aangepast aan de te verwachten bijdrage van het ministerie van VROM.

Onderbouwing bijdrage Ministerie VROM

Onderbouwing bijdrage Ministerie VROM (bedragen x f 1 miljoen)
 Realisatie 1999Raming 2000Raming 2001
Structurele bijdrage79,983,980,6
WHO-centrum0,50,50
Totaal80,484,480,6

Opbouw ontvangsten vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1 000)
M2702 1999200020012002200320042005
Stand ontwerp-begroting 2000  79 83278 25677 33177 33177 331 
Nieuwe wijzigingen  5 1053 0843 2253 1932 245 
Stand ontwerp-begroting 2001 80 35584 93781 34080 55680 52479 57679 576
Totaal artikel in EUR1000 36 46438 54336 91036 55536 54036 11036 110

Toelichting op Wetsartikel 4 (Agentschappen) Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen

Inleiding

Toelichting bij de begroting van baten en lasten (zie tabel 1) en de staat van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten (zie tabel 3) van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (hierna te noemen ACBG).

Algemene beleidsdoelstelling

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) wil een actieve bijdrage leveren aan het goed en veilig gebruik van geneesmiddelen in Nederland. Om dit te bereiken, worden geneesmiddelen beoordeeld voordat ze op de markt worden toegelaten.

Nadat ze toegelaten zijn houdt het College de patiëntenbijsluiter en de productinformatie actueel, aan de hand van voortschrijdende kennis van en ervaring met deze geneesmiddelen. Het CBG beschikt over unieke kennis op het gebied van de ontwikkeling en de postmarketing surveillance van geneesmiddelen (= geneesmiddelenbewaking).

Het ACBG ondersteunt de taken van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, een zelfstandig bestuurorgaan. Het ACBG is de uitvoeringsorganisatie van het College. De taken van het College zijn neergelegd in artikel 29, lid 1 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Deze taken bestaan uit de beoordeling, de registratie en de bewaking van geneesmiddelen. Bij het aanwenden van de expertise wordt het belang van de geneesmiddelengebruiker centraal gesteld. Het College dient geneesmiddelen te beoordelen op louter wetenschappelijke gronden, zonder rekening te mogen houden met politieke en economische gronden. Bij de beoordeling staan de werkzaamheid van het geneesmiddel en de mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid van de geneesmiddelengebruiker centraal.

Operationele beleidsdoelstellingen:

De missie van het CBG is een actieve bijdrage te leveren aan het goed en veilig gebruik van geneesmiddelen in Nederland. Om deze missie te realiseren is een vijftal doelstellingen geformuleerd:

1. Het op kritische wijze beoordelen van geneesmiddelen;

2. Het nauw betrokken zijn bij de Europese procedures. Tegenwoordig worden nieuwe geneesmiddelen veelal via Europese procedures tot de markt toegelaten. Betrokkenheid bij de Europese registraties en de technische beleidsontwikkeling is dan ook van groot belang;

3. Het monitoren van geneesmiddelen op de markt en het eventueel nemen van maatregelen;

4. Het transparant maken van het beoordelingsproces;

5. Het optimaliseren van het beoordelingsproces.

Taken

Het ACBG voert de volgende taken uit:

1. Het voorbereiden en uitvoeren van besluiten tot toelating en registratie, de weigering van toelating en de doorhaling van de registratie van geneesmiddelen, alsmede het aanpassen van registratievoorwaarden aan de stand van de wetenschap. Het vaststellen van de afleverstatus van geneesmiddelen (uitsluitend recept of niet);

2. Het opstellen van beoordelingsrapporten over de ingediende aanvragen tot registratie, dan wel tot wijziging van de registratievoorwaarden. Een groot deel van de werkzaamheden wordt binnen het ACBG uitgevoerd, een deel wordt uitbesteed aan het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en ziekenhuizen. De communicatie met het bedrijfsleven, de beroepsgroepen en andere registratieautoriteiten vindt primair plaats vanuit het ACBG. De formele besluitvorming is en blijft uitsluitend een bevoegdheid van het College;

3. Het verrichten van beoordelingswerkzaamheden ten behoeve van het Europees bureau voor de beoordeling van geneesmiddelen (EMEA);

4. De coördinatie van de geneesmiddelenbewaking (Post Marketing Surveillance) en het screenen van meldingen met betrekking tot de noodzaak van interventie door het College of door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Dit betreft het verzamelen van meldingen die afkomstig zijn van het landelijk meldingssysteem, meldingen van de registratiehouders en meldingen van de individuele beroepsbeoefenaren, alsmede het verzamelen van gegevens over meldingen uit andere lidstaten en meldingen die bij de Inspectie gezondheidszorg (IGZ) bekend zijn geworden;

5. Het opzetten en instandhouden van een systeem voor de registratie van homeopathische geneesmiddelen waarbij wordt beoordeeld in het kader van de zogenoemde «vereenvoudigde procedure». Dit betekent dat de beoordeling zich richt op de kwaliteit en de veiligheid van deze geneesmiddelen.

Dit leidt op hoofdlijnen tot een viertal «producten» van het agentschap:

1. Beoordelen van nationale aanvragen;

2. Beoordelen van Europese aanvragen;

3. Geneesmiddelenbewaking;

4. Beoordelen homeopathische geneesmiddelen.

Daar waar thans reeds mogelijk, is in deze begroting al rekening gehouden met deze indeling. Met de invoering van de beleidsbegroting in 2002 zal deze productindeling de kern gaan vormen van de begrotingspresentatie van het agentschap.

Ontwikkelingen

In deze paragraaf zullen kort de belangrijkste ontwikkelingen ten opzichte van 2000 worden aangegeven. De besluitvorming over de toelating van nieuwe geneesmiddelen vindt in toenemende mate plaats in EU-verband. Het Europees Bureau voor de beoordeling van geneesmiddelen in Londen maakt hierbij gebruik van de expertise van nationale geneesmiddelenautoriteiten zoals het CBG in Nederland. Daarnaast wenst het CBG invloed uit te oefenen op de wetenschappelijke beoordeling in Europees verband.

Op nationaal niveau blijft de geneesmiddelenbewaking en het onderhoud van het bestaande geneesmiddelenpakket een belangrijke taak.

In het komende jaar zal vooral worden geïnvesteerd in het versterken van de netwerken van het CBG. Het College beschikt over unieke kennis over geneesmiddelenontwikkeling en -toepassing, kennis die nog beter gedeeld zou kunnen worden met andere organisaties zoals het College voor de Zorgverzekeringen en de beroepsgroepen.

De ICT-structuur zal verder worden ontwikkeld om:

• De communicatie te verbeteren;

• Het mogelijk te maken elektronische dossiers in te dienen;

• Gegevensbestanden te raadplegen.

Financieel beheer

Over 1999 werd het financieel beheer van het agentschap als goed beoordeeld. Dat betekende een grote vooruitgang ten opzichte van de kanttekeningen bij het beheer over zowel 1997 als 1998. In 2000 is het financiële beheer verder verfijnd door onder andere meer managementinformatie te verstrekken. Voor 2001 zal deze lijn voortgezet worden door het nader uitwerken van de zogenaamde planning & controlcyclus binnen het agentschap.

De eerste signalen uit de vergelijking met andere Europese beoordelingsautoriteiten laat zien dat Nederland meer financiële informatie kan verstrekken dan de andere landen. In 2001 zal daarom verder meegewerkt worden aan een betere informatievoorziening op financieel terrein in Europa.

Doelmatigheid

In 2000 is binnen het agentschap een stap voorwaarts gezet met de ontwikkeling van het geautomatiseerde systeem BIOS. Voor 2001 betekent dit dat er, mede door de overgang naar een beleidsbegroting 2002, aanpassingen zullen moeten worden doorgevoerd om de juiste gegevens uit het systeem te kunnen genereren. Dat heeft tot gevolg dat er een breuk zal ontstaan met de historische gegevens.

Daarentegen zal er meer specifieke en transparante informatie geleverd kunnen worden. Het opstellen van de nieuwe beleidsbegroting 2002 zal zorgen voor een andere (en betere) informatievoorziening, zowel intern als extern. Als gevolg daarvan ontstaat meer sturingsinformatie en door het nemen van maatregelen efficiencywinst. In welke mate dat gekoppeld gaat worden aan de kosten, wordt ook op dit moment nader uitgewerkt.

Tabel 1 De begroting van baten en lasten van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen
 199920002001EUR1000 20012002200320042005Codering econ. funct.
BATEN          
jaarvergoedingen18 19718 88718 9078 58018 90718 90718 90718 90716N05.0
beoordeling geneesmiddelen9 8517 9469 5784 3469 5789 5789 5789 57816N05.0
rente962001004510010010010026N05.0
buitengewone baten1741500000017N05.0
Totaal baten28 31827 04828 58512 97128 58528 58528 58528 585  
           
LASTEN          
apparaatskosten          
* personeel11 93611 91612 6665 74813 04613 32813 71514 10611N05.0
* materieel3 3503 4893 6511 6573 7043 5093 5653 62312N05.0
onderzoek18625025011325025025025012N05.0
ZBO CBG72969569531569569569569511N05.0
inkoop beoordelingscapaciteit6 7786 7566 8173 0936 8176 8176 8176 81712N05.0
geneesmiddelenbewaking2 8662 9002 9001 3162 9002 9002 9002 90043C05.0
bijdrage aan kerndepartement26426426412026426426426408N05.0
afschrijvingen69770070031870070070070015N05.0
dotaties voorzieningen0000000062N05.0
Totaal lasten26 80626 97027 94312 68028 37628 46328 90629 355  
Saldo van baten en lasten1 51278642291209122– 321– 770  

Algemeen

Het ACBG dient haar werkzaamheden op kostendekkende basis door te berekenen aan de farmaceutische industrie. Het agentschap streeft door een efficiënte bedrijfsvoering een (beperkt) positief saldo na.

Het ACBG is gedeeltelijk outputgericht, namelijk de daadwerkelijke geneesmiddelenbeoordeling. Gezien de taken van het ACBG geldt voor het overige werk inputfinanciering. Het gaat dan bijvoorbeeld om de taken op het gebied van de geneesmiddelenbewaking en de overhead.

Alle inkomsten van het ACBG komen voort uit tarieven. De tarieven zijn gebaseerd op het Besluit registratie geneesmiddelen (BRG) en het Besluit vergoedingen Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. De totale lasten worden gedekt door de totale baten. Het ACBG is derhalve 100% kostendekkend.

Baten

Jaarvergoedingen

Voor het op de markt brengen van een geneesmiddel moet jaarlijks een vergoeding worden betaald. In tabel 2 is, voor zover van toepassing, bij de jaarvergoedingen onderscheid gemaakt naar de ACBG-producten. Zo dient er in Nederland betaald te worden voor nationaal en homeopathisch geregistreerde geneesmiddelen. Voor geneesmiddelen die door Nederland zijn beoordeeld voor Europa, wordt een deel van de door de EMEA ontvangen jaarvergoeding ontvangen.

Beoordeling geneesmiddelen

Ook bij de beoordeling van geneesmiddelen is aansluiting gezocht bij de ACBG-productlijst. Omdat er voor beoordelingen (bijvoorbeeld omdat er meerdere vormen van een geneesmiddel zijn) verschillende tarieven gelden, is het niet mogelijk een strikte prijs x aantal (PxQ) benadering toe te passen. Omdat beoordelingen zijn geclusterd, is het vermelden van een tarief daarom achterwege gelaten. De tarieven staan vermeld in het BRG. De baten zijn uiteraard wel gebaseerd op de gedetailleerde onderliggende tarieven en aantallen.

In het verleden werden in de begroting aantallen en opbrengsten gepresenteerd van vooruitgefactureerde beoordelingen, dus vergoedingen die pas in een later stadium als baat gerealiseerd zouden worden. Op dat moment was er nog geen inzicht in het zogenaamde «onderhanden werk». Die werd namelijk voor het eerst over 1999 bepaald en in die verantwoording opgenomen. Omdat tabel 2 een toelichting is op de baten in de begroting van baten en lasten, zijn nu derhalve in de raming opgenomen de (deels) gerealiseerde vergoedingen. De cijfers geven in tegenstelling tot het verleden dus dat deel van de vooruitgefactureerde vergoedingen dat als baat gerealiseerd wordt.

Van de EMEA (het Europese beoordelingsbureau) worden vergoedingen ontvangen voor de rapporteurschappen, voor wijzigingen en voor wetenschappelijke adviezen. De koers van de Euro bedraagt 2,20 371.

Rente

Voor het saldo op de rekening wordt een kleine rentevergoeding ontvangen. Het rentepercentage bedraagt 3,0%.

Tabel 2 Jaarvergoedingen 2001
 tarief (guldens)aantalBaten (x f 1 000,-)
Nationaal geregistreerde geneesmiddelen1 80010 30018 540
Europees geregistreerde geneesmiddelen19 80016317
Homeopathische geregistreerde geneesmiddelen501 00050
Totaal  f 18 907
Beoordeling geneesmiddelen 2001
 tarief (guldens)aantalBaten (x f 1 000,-)
Nationale beoordelingen    
– nieuwe aanvragen*7384 266 
– wijzigingen*82 195 
    4 461
Europese beoordelingen    
a. via centrale procedures    
– (co)-rapporteurschappen110 1867771 
– wetenschappelijke adviezen27 54612331 
– Wijzigingen33 05611 364 
    1 466
b. via wederzijdse erkenning procedures    
– nieuwe aanvragen*2863 432 
– wijzigingen*24 110 
    3 542
Homeopathische beoordelingen    
– nieuwe aanvragen*538109 
– wijzigingen251  0 
     109
Totaal   f 9 578

* Zie toelichting Beoordeling geneesmiddelen

Lasten

Personeel

Als gevolg van de toegenomen hoeveelheid werk zijn er thans ongeveer 110 fte (gemiddeld f 103 000) bij het ACBG werkzaam. Daarnaast betreft het de kosten van scholing, reiskosten, wachtgelden, uitzendkrachten en overige personeelskosten. In totaal gaat het om een bedrag van f 12,7 miljoen. Vanaf 2002 is rekening gehouden met een stijging van de salariskosten met 1%.

Materieel

De materiële kosten in verband met huisvesting, automatisering, repro en overige bureaukosten bedragen f 3,7 miljoen.

Onderzoek

Het College kan in het kader van de registratiewerkzaamheden onderzoekingen laten verrichten; kosten f 0,3 miljoen.

College

De kosten van het ZBO College ter Beoordeling van Geneesmiddelen bedragen f 0,7 miljoen.

Inkoop beoordelingscapaciteit

In het kader van de registratie van humane geneesmiddelen verricht het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) beoordelingswerkzaamheden op chemisch-farmaceutisch en farmacologisch-toxicologisch gebied. Daarnaast heeft het ACBG bij diverse ziekenhuizen specialisten ingeschakeld (ongeveer 5,0 fte van gemiddeld f 160 000), die specifieke kennis hebben op bepaalde terreinen. De kosten hiervan bedragen op dit moment f 6,8 miljoen.

Geneesmiddelenbewaking

De Stichting Landelijke Registratie Evaluatie Bijwerkingen (Lareb) is namens het ACBG belast met het opzetten van een nationaal systeem voor het verzamelen van spontane meldingen van (vermoede) bijwerkingen van geneesmiddelen, die in Nederland in de handel zijn. De totale kosten bedragen f 2,9 miljoen.

Bijdrage aan kerndepartement

De bijdrage van f 0,26 miljoen heeft betrekking op de departementale uitgaven ten behoeve van het ACBG, zoals bijvoorbeeld de salarisadministratie.

Afschrijvingen

De afschrijvingskosten bedragen door de toegenomen investeringen in automatiseringsapparatuur f 0,7 miljoen.

Saldo van baten en lasten

Het agentschap streeft door een efficiënte bedrijfsvoering een (beperkt) positief saldo na. Omdat het werkaanbod niet te beïnvloeden is, kan het aanbod van jaar op jaar verschillend zijn. Tevens moeten nieuwe geneesmiddelen via de EMEA voor de gehele EU worden beoordeeld. Ook daardoor is het aanbod van te beoordelen geneesmiddelen onzeker. Het eigen vermogen wordt daarom gebruikt om schommelingen in het aanbod van beoordelingen op te vangen.

Tabel 3 De toelichting op de staat van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten: Het kasstroomoverzicht van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen
 199920002001EUR1000 20012002200320042005Codering econ. funct.
1. Rekening courant RHB 1 januari4 5582 0322 5601 1623 6524 3114 8835 012  
2. Totaal operationele kasstroom– 1 6877781 342609909822379– 705205.0
3a. -/- totaal investeringen– 848– 250– 250– 113– 250– 250– 250– 25052050
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen9  
3. Totaal investeringskasstroom– 839– 250– 250– 113– 250– 250– 250– 250   
4a. -/- eenmalige uitkering aan moederdepartement  
4b. +/+ eenmalige storting door moederdepartement  
4c. -/- aflossingen op leningen  
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit  
4e. vooruitgefactureerde registratievergoedingen  
4. Totaal financieringskasstroom00000000  
5. Rekening courant RHB 31 december (=1+2+3+4)2 0322 5603 6521 6574 3114 8835 0124 692  

De toelichting op de staat van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten.

Het kasstroomoverzicht (zie tabel 3) is voornamelijk bedoeld om duidelijkheid te verschaffen of voorgenomen investeringen wel of niet gefinancierd kunnen worden. Uit het overzicht blijkt dat de liquiditeitspositie van het agentschap ruim voldoende is en er «nauwelijks» investeringen hoeven te worden gedaan. De investeringen betreffen hoofdzakelijk de vervanging van verouderde inventaris en automatiseringsapparatuur.

Omdat het ACBG in de vorm van de vooruitgefactureerde bedragen in zijn algemeenheid zo'n f 2 à 3 miljoen aan vreemd vermogen op de balans heeft staan, is een beroep op de leenfaciliteit niet nodig. De materiële vaste activa bedragen namelijk ongeveer f 1,6 miljoen. Dit bedrag wordt dus geheel gedekt uit het vreemde vermogen.

Kengetallen

Tabel 4 Wettelijke termijnen In hoeveel procent van de aanvragen worden de wettelijke termijnen gehaald
 199920002001
Europese procedures100%100%100%
Nationale procedures68%80%90%

Tabel 2 «Jaarvergoedingen en Beoordeling geneesmiddelen» geeft inzicht in de te verwachten aantallen beoordelingen en de daarmee samenhangende geraamde baten (ramingkengetal). Voor een toelichting zie de paragraaf Baten.

Tabel 4 geeft inzicht in het percentage van de aanvragen die binnen de wettelijke termijn worden afgehandeld (doelmatigheidskengetal). Uit het overzicht blijkt dat het ACBG kan blijven voldoen aan de Europese verplichtingen.

Voor de nationale aanvragen is het nog niet mogelijk het Europese voorbeeld te volgen, maar er is een duidelijke verbetering zichtbaar. Deze positieve groei moet bezien worden in het licht van het nog steeds toenemende werkaanbod. Verwacht mag worden dat met het beschikbaar komen van het workflow-managementsysteem, in 2001 90% van alle nationale aanvragen binnen de wettelijke termijn worden afgehandeld.

Tabel 5 Kostprijs per interne beoordelingsopdracht in relatie tot de totale lasten
 1998199920002001
Aanvragen    
Nationaal:    
Opdrachten aan interne beoordelingsgroepen2 5752 6742 5002 300
Europees:    
Opdrachten aan interne beoordelingsgroepen820834600 600
Totaal interne beoordelingsopdrachten (2)3 3953 5083 1002 900
     
Ingekomen post (1)13 69714 32415 04116 000
Mutatie ten opzichte van vorig jaar7%5%5%6%
     
Indicatie «administratief» afgehandeld (= (1)–(2)10 30210 81611 94113 100
     
Totale lasten (in miljoen guldens)25,58226,80626,9727,943
     
Kostprijs per interne beoordelingsopdrachtf 7535f 7641f 8700f 9636
Mutatie ten opzichte van vorig jaar– 14%1%14%11%
     
Indicatieve kostprijs per ingekomen postf 1868f 1871f 17931 746
Mutatie ten opzichte van vorig jaar– 4%0%– 4%– 3%

Zoals reeds eerder is vastgesteld, groeit het werkaanbod van het ACBG nog steeds (zie tabel 5). Omdat dat onder andere tot problemen leidde bij het halen van de wettelijke termijnen (zie tabel 4) is in 1999 door het College besloten niet meer alles te beoordelen. Zaken die elders in Europa reeds zijn beoordeeld, worden niet meer overgedaan. Alleen voor risicoproducten geldt dit niet. Het gaat dan bijvoorbeeld om bloedproducten. Daardoor zal het aantal interne beoordelingsopdrachten aan de beoordelingsgroepen vanaf 2000 terug gaan lopen (zie tabel 5).

De vrijgekomen capaciteit zal ingezet worden om een hoger percentage te realiseren van beoordelingen die binnen de wettelijke termijn worden afgehandeld. Tevens wordt getracht de vrijgekomen capaciteit in te zetten voor een hogere kwaliteit van het werk van het ACBG.

Omdat de beoordelingsopdracht eigenlijk het enige ACBG-product is, zijn deze aantallen geconfronteerd met de totale lasten van het ACBG. Daar komt dan een kostprijs uit voor een interne beoordelingsopdracht van het ACBG. De afgelopen periode gaf een duidelijke daling te zien van die kostprijs. Door de daling van het aantal interne beoordelingsopdrachten zal de kostprijs echter gaan stijgen.

Hierbij dient echter het volgende in ogenschouw te worden genomen. Bovengenoemde beoordelingsopdrachten betreffen de intern uitgezette opdrachten. Daarnaast wordt een steeds groter gedeelte «administratief» afgehandeld. Dat wil zeggen in een korte tijd minder gedetailleerd beoordeeld. Het totale aantal opdrachten (inkomende post) neemt nog steeds toe.

Agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken

Inleiding

Toelichting bij de begroting van baten en lasten en de staat van kapitaaluitgaven en kapitaal ontvangsten van het agentschap Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken.

Positionering

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en in het verlengde daarvan het beleidsapparaat, heeft als taak de volksgezondheid te bevorderen.

In de hiertoe dienende beleidscyclus wordt uitgegaan van een aantal taakvelden, te weten: verkenning, beleidsvoorbereiding, uitvoering en toezicht. Toezicht (in brede zin) behoort tot een van de kerntaken van VWS. Het toezicht is voor VWS ingevolge de Gezondheidswet in handen gesteld van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid (het Staatstoezicht). Het Staatstoezicht ressorteert volgens die wet onder de Minister van VWS. Het voert derhalve zijn toezichttaak onder verantwoordelijkheid van de minister uit. Binnen het toezicht worden de kerntaken handhaving en signalering/advisering onderscheiden.

Het Staatstoezicht opereert binnen de beleidscyclus niet alleen op het beleidsveld toezicht, maar ook op het gebied van verkenning (markt- en omgevingsanalyse) en de uitvoering.

In bestuurlijke termen maakt het Staatstoezicht deel uit van VWS en zijn de bewindslieden politiek/bestuurlijk verantwoordelijk (opdrachtgever) voor het doen en laten van het Staatstoezicht. Beheersmatig valt het Staatstoezicht onder verantwoordelijkheid van de Secretaris-Generaal.

Het agentschap IW&V is een van de drie samenstellende onderdelen van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Aan het hoofd van het agentschap IW&V staat de algemeen hoofdinspecteur.

Het toezicht wordt onder andere door middel van handhaving ingevuld.

De onafhankelijkheid van de handhavingstaak van het agentschap IW&V ten opzichte van het beleidsapparaat staat niet ter discussie. Wel is de handhavingstaak sterk op volksgezondheid gericht en heeft de Minister van VWS op grond van artikel 38 van de Gezondheidswet een aanwijzingsbevoegdheid. Tevens bestaat in het kader van de opsporing een duidelijke lijn (formele opdrachtgever) naar Justitie, met name de Officier van Justitie en het Openbaar Ministerie (OM).

Met betrekking tot signalering/advisering liggen de verhoudingen anders. De IW&V kent ongevraagde advisering aan de minister (het kerndepartement) en lagere overheden als het gaat om aanwezige gezondheidsrisico's. Ten behoeve van beleidsontwikkeling heeft het beleidsapparaat behoefte aan deze informatie. Naast het uitbrengen van adviezen over de staat van de volksgezondheid kan de inspectie adviseren over de handhaafbaarheid van de regelgeving, voordat deze van kracht wordt en over effecten op de volksgezondheid van nieuwe wetgeving.

Werkterrein

Het agentschap IW&V heeft als werkterreinen de primaire productie, handel en industrie.

De werkterreinen zijn vastgelegd op basis van de Gezondheidswet en nader bepaald door specifieke wetgeving. Hierin wordt aan aspecten van gezondheids- en consumentenbescherming meer expliciet vorm en inhoud gegeven.

De aandacht van het agentschap IW&V richt zich primair op de volksgezondheid en daarnaast op consumentenbescherming. Veiligheid moet hierbij als een verbijzondering van het begrip volksgezondheid beschouwd worden.

Missie

De missie van het agentschap IW&V luidt: «De Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken geeft onafhankelijk invulling aan de gezondheids- en consumentenbescherming in de gehele productieketen van levensmiddelen en non-foods, door het uitvoeren, toetsen en initiëren van beleid en het signaleren van bedreigingen».

Kerntaken

De belangrijkste taken van het agentschap IW&V kunnen worden gebracht onder de noemers handhaving en signalering/advisering.

Handhaving betekent het nagaan of een individueel bedrijf zich aan de wet houdt en het nemen van maatregelen ten aanzien van het geconstateerde. Handhaving bestaat uit twee onderdelen: toezicht (in enge zin) en opsporing.

Toezicht is een activiteit, waarbij de toezichthouder steekproefsgewijs de mate van overeenstemming met wettelijke voorschriften nagaat. Opsporing is een activiteit die gericht is op de bevestiging van vermoedens dat de voorschriften zijn overtreden.

In het instrument handhaving is «keuring» niet opgenomen.

Wel houdt het agentschap IW&V zich bezig met toezicht op keuringsinstanties van zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke aard. Dit wordt additioneel of tweedelijnstoezicht genoemd.

Tot de taken van het agentschap IW&V behoort ook voorlichting ter ondersteuning van de handhavingstaak.

Signalering/advisering houdt in het stellen van diagnoses (op grond van handhaving, surveillance en rnonitoring) en het aangeven van therapieën. Signalering moet inzicht geven in de mate van gezondheidsbedreiging van hetzij een categorie producten, hetzij een proces, hetzij een bepaalde sector bedrijven.

Beide genoemde kerntaken hebben een zelfde doel: bewerkstelligen van normconform gedrag (hetgeen weer gezondheids- en consumentenbescherming tot gevolg heeft). Hoewel beide taken hier separaat zijn genoemd, is er een duidelijke relatie. Alleen de gezamenlijke activiteit kan de invulling van de missie op een kwalitatief goed niveau garanderen.

Ook in de Gezondheidswet zijn beide onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld, als taken van het Staatstoezicht en daarmee van het agentschap IW&V.

Voor de uitoefening van haar taak beschikt het agentschap IW&V over een aantal bevoegdheden waarvan de belangrijkste zijn het betreden van plaatsen voor onderzoek, het ter plekke onderzoeken of monsters nemen, het inzien en kopiëren van zakelijke bescheiden, het opmaken van proces-verbaal en in beslag nemen van ondeugdelijke goederen.

Wetgeving is tot stand gekomen waarin het agentschap IW&V de bevoegdheid wordt toegekend om bestuurlijke boeten op te leggen aan overtreders van de Warenwet. Met deze bevoegdheid is het agentschap IW&V beter in staat een lik-op-stuk beleid te voeren bij overtredingen. Zo zal zij voor het opleggen van sancties niet langer meer afhankelijk zijn van de medewerking van het Openbaar ministerie.

Het agentschap IW&V is in 1998 ontstaan uit een fusie van de Inspectie Gezondheidsbescherming en de Veterinaire Inspectie. De Inspectie bestaat uit 5 regionale inspecties en een Algemene Directie in Den Haag. De formatie omvat voor 2001 877 fte. Het agentschap IW&V voert geen opdrachten uit voor derden en doet marktpartijen derhalve geen concur-rentie aan. Alle kosten van het agentschap IW&V komen ten laste van het Ministerie.

Producten

De producten van het agentschap IW&V bestaan uit:

* inspecties en monsternemingen in het kader van de handhaving van die wetten ten aanzien waarvan het agentschap IW&V is belast met het toezicht opde naleving,

* signalerings- en adviseringsprojecten op het terrein van de gezondheidsbescherming.

Kengetallen

Ten aanzien van deze producten en diensten zullen de volgende kengetallen worden gehanteerd:

* het aantal te verrichten inspecties

* het aantal te onderzoeken monsters

* de kostprijs van de te verrichten inspecties

* de kostprijs van de te nemen monsters

Deze kengetallen zijn in onderstaande tabel terug te vinden. Voor de begrotingsjaren en 2000 is per product een inschatting gemaakt van de te behalen productie (q) en de daarbij behorende kostprijs (p). Per product leidt dat tot een omzet. De omzetten van de inspecties en monsteronderzoeken omvatten ongeveer 85 % van de totale productie.

Tabel kengetallen
 200020012002200320042005
Aantallen      
Te verrichten inspecties105 600107 100108 300110 800113 800116 200
Te onderzoeken monsters102 900103 000103 600105 800108 800111 000
       
Kostprijs      
Te verrichten inspecties619,00593,00565,00552,00538,00527,00
Te onderzoeken monsters342,00334,00318,00311,00303,00297,00

Het restant van de productie wordt gevormd door de boven al genoemde signalerings- en adviseringsprojecten. Deze projecten zijn niet eenvormig genoeg om als één product te kunnen definiëren.

Doelmatigheid

Allereerst wordt doelmatigheid bevorderd door een concentratie van 17 naar 5 regionale vestigingen. Door het opnieuw inregelen van de productieprocessen en heralloceren van capaciteiten moet de organisatie op termijn gaan werken als bedoeld was bij het reorganisatievoornemen: efficiënter en effectiever.

De doelmatigheid is onder andere te volgen aan de hand van de kostprijs die de komende jaren gehanteerd gaat worden. Van 2000 naar 2005 neemt de kostprijs van de inspecties af met bijna 15%, die van de monsteronderzoeken met ruim 13%.

Vooralsnog doet zich een capaciteitsprobleem voor: de formatie is voor slechts 91% gevuld.

Prikkel voor doelmatiger werken is de mogelijkheid het exploitatieoverschot tot een bedrag, overeenkomstig 5% van de omzet, te reserveren.

De doelmatigheid komt ook tot uitdrukking in de aantallen. Vermeldenswaard is de stijging van de aantallen (q) bij de twee producten van 1,9% gemiddeld per jaar.

Tevens zullen in het managementcontract de volgende kwaliteitsprestaties worden afgesproken:

• de doorlooptijd van de monsters

• de doorlooptijd van de processen-verbaal

• het percentage te bezoeken bedrijven

• het percentage bedrijven dat opnieuw zal worden bezocht i.v.m. een eerder geconstateerd niet-naleven van de regelgeving

• (inzicht verschaffen in) het percentage inspecties en monsters waarbij een niet-naleven van de regelgeving wordt geconstateerd

• (inzicht verschaffen in) het percentage inspecties en monsters dat tot maatregelen leidt.

• (inzicht verschaffen in) het percentage inspecties per bedrijfstak waarbij naleving van de regelgeving wordt geconstateerd (rapportage nalevingpercentage – er zal een kengetal worden ontwikkeld ter indicatie van het nalevingniveau van te handhaven wetten).

• (inzicht verschaffen in) realisatie bestuurlijke boeten.

Ontwikkelingen/Reorganisatie, Flankerend beleid en kostprijzen

Per 1 september 1998 is de Inspectie Gezondheidsbescherming gefuseerd met de Veterinaire Inspectie tot Inspectie Gezondheidsbescherming, Waren en Veterinaire Zaken. Tegelijkertijd is er een forse reorganisatie doorgevoerd, waarbij onder andere een concentratie van 17 naar 5 regionale diensten plaatsvond. Deze operatie ging gepaard met een afname van formatie-aantallen en bezettingsaantallen van resp. 22,4 fte en 76,7 fte.

De jaren 1999 en 2000 stonden geheel in het teken van de implementatie van reorganisatie-uitgangspunten. lmplementatie gaat gepaard met hoge uitgaven voor flankerend beleid en inrichten van te bouwen en te verbouwen dienstgebouwen. Gevolg hiervan is dat de integrale kosten per product fors gestegen zijn.

De totale reorganisatiekosten tot en met 2000 bedragen circa f 32 miljoen en bestaan uit kosten voor verhuizingen, reizen, opleidingen, wachtgelden en gebouwen. Dit bedrag is door de dienst zelf vrijgemaakt of is vrijgekomen door over een aantal jaren investeringen tot vrijwel nul te reduceren, door aanhouden van een vacaturebestand en door dalende exploitatiekosten (t.g.v. een dalende productie).

Door het steeds verder inregelen van de productieprocessen, de afbouw van het flankerend beleid en een na te streven productieverhoging zal de kostprijs dalen op de wijze zoals aangegeven onder «Doelmatigheid».

Per 1-1-2000 is de Inspectie een agentschap geworden. Met de Secretaris-Generaal is een Managementafspraak gemaakt die bestaat uit de afname (door VWS) van een aantal producten tegen de vastgestelde integrale kostprijs. Aan het einde van het jaar vindt een nacalculatie en een verreke-ning plaats.

De in 1999 gewijzigde planning & controlsystematiek is verder geoptimaliseerd: concerndoelstellingen worden geformuleerd en de realisatie wordt gevolgd. Naast een vorm van management control is tevens een vorm van strategische control geïntroduceerd. Een verdere productdifferentiatie en normering zullen in de komende jaren ingevoerd worden.

In 2000 is een nieuw financieel systeem geïntroduceerd wat aansluit op het baten/lastenstelsel en om de voor de continuïteit van het agentschap noodzakelijke managementinformatie te genereren.

Met voornoemde instrumenten zal in de komende jaren informatie worden gegenereerd over naleving van wetten (doelbereiking) en «value for money».

DE BEGROTING VAN BATEN EN LASTEN VAN HET AGENTSCHAP INSPECTIE GEZONDHEIDSBESCHERMING, WAREN EN VETERINAIRE ZAKEN
 20002001EUR2002200320042005
Baten       
Opbrengst Moederdepartement127 594 000124 721 00056 596 000121 135 000121 099 000121 164 000121 210 000
Opbrengst tweeden/derden2 300 0002 000 000908 0002 000 0002 000 0002 000 0002 000 000
Bijzondere baten2 500 000      
Totaal Baten132 394 000126 721 00057 504 000123 135 000123 099 000123 164 000123 210 000
Lasten       
Apparaatskosten       
Personele kosten87 335 00082 851 00037 596 00080 635 00079 499 00080 464 00080 210 000
Materiële kosten22 500 00021 370 0009 697 00022 500 00022 800 00022 400 00022 600 000
Huurkosten11 000 00011 700 0005 309 00012 500 00012 800 00013 100 00013 400 000
Rentelasten800 0001 100 000499 0001 300 0001 200 0001 200 0001 200 000
Afschrijvingskosten5 947 0007 528 0003 416 0007 435 0006 475 0005 671 0005 121 000
Dotaties voorzieningen 500 000227 000500 000500 000500 000500 000
Buitengewone lasten3 112 000 0    
Totaal lasten130 694 000125 049 00056 744 000124 870 000123 274 000123 335 000123 031 000
Saldo van baten en lasten1 700 0001 672 000759 000– 1 735 000– 175 000– 171 000179 000

Toelichting op de begroting van baten en lasten van Agentschap Inspectie W&V

Algemeen

De cijfers over 1999 zijn niet meegenomen daar de Inspectie W&V met ingang van 1 januari 2000 een agentschap geworden is.

Baten

Moederdepartement

De opbrengst van het moederdepartement kan verdeeld worden over de volgende productgroepen (bedragen in miljoenen):

 
 200020012002200320042005
Inspecties65,3863,5261,1961,1761,2061,24
Monsteronderzoeken35,2134,2032,9532,9332,9632,97
Signaleringsprojecten27,0027,0027,0027,0027,0027,00
Totaal127,59124,72121,14121,10121,16121,21

Opbrengst derden

De opbrengst derden vloeit voornamelijk voort uit de uitreiking van gezondheidsverklaringen.

Exploitatiebijdrage

Ter voorkoming van negatieve saldi van baten en lasten legt de Inspectie W&V zichzelf de volgende taakstelling op. De taakstelling zal vanuit het materieelbudget gefinancierd moeten worden. Met uitzondering van 2002 kan er dan een matig positief resultaat behaald worden.

 
 200020012002200320042005
Eigen efficiency taakstelling02,5 miljoen2,5 miljoen2,5 miljoen3,4 miljoen3,7 miljoen

Dit betekent dat de komende jaren in totaliteit de Keuringsdienst van Waren de volgende kostenreducties moet realiseren (bedragen in miljoenen):

 
 200020012002200320042005
Taakstelling overbezoldiging0,200,400,600,801,001,00
Eigen efficiency taakstelling0,002,502,502,503,403,70
Arbeidsproductiviteit0,951,431,841,841,841,84
Volume taakstelling*0,601,201,741,741,741,74
Doelmatiger inkoopbeleid1,001,502,002,002,002,00
Totaal2,757,038,688,889,9810,28

* is verwerkt in het aantal ftes

Lasten

Personele kosten

De personeelskosten zijn als volgt opgebouwd (in mln):

 
 200020012002200320042005
Salarissen79,13576,74675,31674,99975,90975,670
Flankerend beleid2,5001,5000,800   
Overige P-kosten5,7004,6054,5194,5004,5554,540
Totaal87,33582,85180,63579,49980,40980,210

Materiële kosten

In de begrotingsstaat zelf zijn de huurkosten al apart vernoemd omdat zij een substantieel onderdeel vormen van de totale materiële kosten ± 50%.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragendvermogen en zijn berekend op basis van de rentepercentages april 2000.

Afschrijvingen

De afschrijvingen bestaan uit afschrijvingen over de vaste activa uit voorgaande jaren plus de afschrijvingen over de vaste activa die worden aangeschaft in de begrotingsjaren.

 
 afschrijvingstermijn (jaar)Afschrijvingen (in mln)
  200020012002200320042005
Laboratoriumapparatuur102,2922,5472,5522,5032,4612,442
Hulpapparatuur50,2530,3090,4530,6380,8221,015
Dienstauto's50,5770,9941,2361,3231,2040,822
Inventaris100,2180,3350,3710,3610,3510,342
Soft- en hardware32,6073,3432,8231,6500,8330,500
Totaal 5,9477,5287,4356,4755,6715,121

Dotatie voorzieningen

Op de openingsbalans is een voorziening voor wachtgelders opgenomen. Dit betreft de verwachte instroom wachtgelders. De uitstroom loopt dan weer via de voorziening.

De toelichting op de staat van kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten
Kasstroomoverzicht20002001EUR2002200320042005
Rekening courant RHB 1–106 327 1002 871 0008 363 3006 992 9007 182 4007 375 100
        
totaal operationele kasstroom11 754 1007 256 2003 293 0004 349 6005 495 5004 938 7004 890 000
        
totaal investeringen -/-12 422 0009 100 0004 129 0005 553 0004 153 0004 153 0004 153 000
        
totaal boekwaarde desinvesteringen00 0000
totaal investeringskasstroom– 12 422000– 9 100 000– 4 129 000– 5 553 000– 4 153 000– 4 153 000– 4 153 000
        
eenmalige uitkering aan moederdepartement– 9 969 570 00000
eenmalige storting door moederdepartement   0000
        
aflossing op leningen– 3 605 000– 5 220 000– 2 369 000– 5 720 000– 5 306 000– 4 746 000– 4 529 000
beroep op leenfaciliteit20 569 5709 100 0004 129 0005 553 0004 153 0004 153 0004 153 000
Totaal financieringskasstroom6 995 0003 880 0001 761 000– 167 000– 1 153 000– 593 000– 376 000
        
Rekening courant RHB 31–126 327 1008 363 3003 796 0006 992 9007 182 4007 375 1007 736 100
Licence