Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A. Artikelsgewijze toelichting bij de wetsartikelen 2

B. Begrotingstoelichting 4

A. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel

Wetsartikel 1 (uitgaven, verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor het jaar 2002 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2002. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2002.

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2002 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2, 3 en 4 (begrotingen baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de in de begrotingsstaat opgenomen begrotingen van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten «LASER», «Bureau Heffingen» en «Plantenziektenkundige Dienst» voor het jaar 2002 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Toelichting bij de wetsartikelen 6 en 7

De bepalingen, opgenomen in de wetsartikelen 6 en 7 zijn noodzakelijk, omdat de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) nog niet in werking is getreden. Deze wet, die de huidige Comptabiliteitswet zal gaan vervangen, is op 5 juli 2001 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 849). In de CW 2001 zijn bepalingen opgenomen die ertoe moeten leiden dat de begrotingen een meer beleidsmatig karakter krijgen. Die bepalingen bevatten de kern uit het gedachtegoed van de Nota VBTB (Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording). De begrotingen worden daartoe opgebouwd uit voornamelijk beleidsartikelen. Om meer inzicht te geven in het beleid dat met de uitgetrokken gelden wordt nagestreefd, moet de toelichting bij de beleidsartikelen antwoord kunnen geven op de www-vragen: Wat wil de regering bereiken (doelstellingen), wat gaat zij daarvoor doen (inzet van instrumenten en te verrichten activiteiten/prestaties) en wat mag dat beleid kosten (zowel in termen van verplichtingen als van programma- en apparaatsuitgaven)?

Na overleg met de Tweede Kamer is besloten dat voor het eerst voor het begrotingsjaar 2002 de departementale begrotingen op deze nieuwe leest zouden worden geschoeid. Gelijktijdig zouden daartoe de noodzakelijke bepalingen van de CW gewijzigd worden. Het wetgevende proces om die wijzigingen door te voeren, neemt meer tijd in beslag dan was voorzien. Bij de begrotingsvoorbereiding 2002 is door alle departementen al van de VBTB-bepalingen uit ontwerp-CW 2001 uitgegaan. Teneinde geen onduidelijkheid te laten bestaan over de juridische basis van de begrotingsopzet 2002 wordt er thans voor gekozen om bij deze begrotingswet voor het jaar 2002 vooruit te lopen op de noodzakelijke wijzigingen in de CW. Daartoe worden in wetsartikel 6 een aantal bepalingen uit de huidige CW niet (meer) van toepassing verklaard op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

In wetsartikel 7 worden vervolgens ter vervanging de relevante VBTB-bepalingen uit de CW 2001 opgenomen.

De bepalingen die op grond van wetsartikel 6 uit de huidige CW die komen te vervallen, luiden:

Artikel 5, eerste, derde, zesde en negende lid.

1. De ramingen van de verplichtingen en de uitgaven enerzijds en die van de ontvangsten anderzijds worden opgenomen in afzonderlijke begrotingsartikelen.

3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de ramingen van de uitgaven en de ontvangsten die op grond van het bepaalde in artikel 23, vierde lid, in mindering zullen worden gebracht op ontvangsten, onderscheidenlijk op uitgaven.

6. Een begroting kan een begrotingsartikel «onvoorzien» en een begrotingsartikel «geheim» bevatten.

9. Ten behoeve van de verwerking van de gevolgen van de loon- en van de prijsontwikkeling bevat een begroting een administratief begrotingsartikel «loonbijstelling» en een administratief begrotingsartikel «prijsbijstelling».

De bepalingen in de leden 1 t/m 10 van wetsartikel 7 corresponderen met de volgende artikel(leden) uit de CW 2001. Voor een inhoudelijke toelichting bij de verschillende onderdelen wordt verwezen naar Kamerstukken II, 2000/2001, 27 849.

Lid 1 = Artikel 2, lid 2.

Lid 2 = Artikel 4, lid 1.

Lid 3 = Artikel 5, lid 1.

Lid 4 = Artikel 5, lid 2.

Lid 5 = Artikel 5, lid 3.

Lid 6 = Artikel 6, lid 1.

Lid 7 = Artikel 6, lid 2.

Lid 8 = Artikel 6, lid 3.

Lid 9 = Artikel 6, lid 4.

Lid 10 = Artikel 6, lid 5.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

L. J. Brinkhorst

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

 Leeswijzer5
 Beleidsagenda10
 1. Hoofdlijnen van het beleid in 200210
 2. Financieel kader voor 200223
01Versterking landelijk gebied29
02Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)43
03Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)52
04Economisch perspectiefvolle agroketens56
05Bevorderen duurzame productie67
06Borging voedselveiligheid, stimulering voedselkwaliteit en verbetering van de diergezondheid77
07Kennisontwikkeling en innovatie86
08Kennisvoorziening91
09Kennisverspreiding95
10Nominaal en onvoorzien103
11Algemeen104
 De paragraaf inzake bedrijfsvoering108
 De paragraaf inzake baten-lastendiensten110
  Bureau Heffingen110
  LASER114
  Plantenziektenkundige Dienst118
 Bijlage 1 De verdiepingsbijlage124
 Bijlage 2 Bijlage moties en toezeggingen181
  Door de Staten-Generaal aanvaarde moties181
  Door de bewindslieden gedane toezeggingen186
 Bijlage 3 Europese geldstromen189
 Bijlage 4 Lijst van afkortingen197
 Bijlage 5 Trefwoordenregister198

LEESWIJZER

De memorie van toelichting van de LNV-begroting 2002 kent de volgende indeling:

• de beleidsagenda

• de beleidsartikelen (1 t/m 9)

• de niet-beleidsartikelen (10 en 11)

• de paragraaf inzake bedrijfsvoering

• de paragraaf inzake baten-lastendiensten

• de verdiepingsbijlage

• de bijlage moties en toezeggingen

In aanvulling op deze voorgeschreven indeling bevat de memorie van toelichting de bijlage Europese geldstromen. Daarin wordt, voor zover relevant voor het Ministerie van LNV, inzicht verschaft in de vertaling van het Europese beleid in nationaal beleid, onze nationale inzet binnen de Europese Unie en de Europese geldstromen die buiten het nationale begrotingsverband lopen.

Tot slot is na de bijlage Europese geldstromen een trefwoordenregister, een lijst met afkortingen en het organogram van het ministerie van LNV opgenomen.

In deze leeswijzer wordt een aantal aandachtspunten van algemene aard vermeld.

Algemene groeipad VBTB

Bij de beleidsartikelen wordt ingegaan op de specifieke groeipaden die deze beleidsartikelen betreffen. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat bij de totstandkoming van de ontwerpbegroting 2002 veel inzet is geleverd om een grote omslag in de begroting te realiseren. Met deze begroting is een forse stap gezet.

De komende jaren zal op grond van overleg met de Tweede Kamer verder gewerkt worden aan de verdieping van de VBTB-begroting. Volgend jaar zal de opbouw van een aantal beleidsartikelen en de beleidsmatige samenhang tussen de verschillende operationele doelstellingen nader worden bezien. Tevens zal in de LNV-begroting 2003 een verdere uitwerking plaatsvinden van de prestatiegegevens, beleidsinformatie, evaluatieprogrammering en overige elementen in de toelichting.

Zo zijn in de voorliggende LNV-begroting 2002 de programma-uitgaven per operationele doelstelling, onder de «Toelichting aan de hand van prestatiegegevens», voor het jaar 2002 gedetailleerd uitgesplitst naar beleidsprestaties. In de LNV-begroting 2003 zullen de programma-uitgaven per operationele doelstelling, in de «Tabel budgettaire gevolgen van beleid», meerjarig worden uitgesplitst naar financiële beleidsinstrumenten en naar LNV-bijdragen aan ZBO's, (inter)nationale organisatie, lagere overheden en begrotingsfondsen.

Voorts worden door LNV thans acties ondernomen om de kwaliteit van beleidsinformatie te waarborgen. Hierop wordt nader ingegaan in de bedrijfsvoeringsparagraaf.

In 2002 zal een nieuwe impuls worden gegeven aan beleidsevaluaties binnen LNV. Het Beleidsevaluatie-Informatiesysteem (BEIS) zal worden aangepast aan de nieuwe Regeling prestatiegegevens en evaluatieonderzoek. Voorts zal een nieuw systeem worden gebouwd, dat inzicht geeft in de dekkingsgraad van prestatiegegevens en beleidsevaluaties. Beide systemen zullen in 2002 operationeel zijn. Aan de beleidsdirecties zal ten behoeve van de begroting 2003 een dekkende evaluatieprogrammering worden gevraagd, alsmede een jaarprogramma en een periodieke rapportage over de uitvoering en de resultaten van beleidsevaluaties, een en ander gekoppeld aan de reguliere rapportagemomenten gedurende het kalenderjaar. Dit betekent dat ook bij beleidsdirecties de planning- en controlsystemen uitgebreid zullen worden. De koppeling van beleidsevaluaties aan de operationele doelen zal in 2002 bijzondere aandacht krijgen. Maar ook aan de implementatie van de Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek zal met de nieuwe impuls aan beleidsevaluaties bij LNV voortvarend gewerkt worden. De toepassing van de eisen die vanuit VBTB en de Regeling aan de kwaliteit van evaluaties worden gesteld, zal daarbij met name aandacht krijgen. Het Expertisecentrum zal hierin een prominente rol vervullen.

Daarnaast werkt het ministerie van LNV aan een samenhangende kernset van indicatoren voor duurzame landbouw, natuurbeheer en visserij. De kernset wordt gebaseerd op internationale ontwikkelingen en het beleid zoals verwoord in Voedsel en groen, Natuur voor mensen, mensen voor natuur en Impuls voor vernieuwing. Gedacht wordt aan een set van maximaal 20 indicatoren. Een voorstel voor de kernset zal worden opgenomen in een LNV document over duurzame ontwikkeling. In 2002 zullen indicatoren verder worden uitgewerkt en ingevuld, waar aangesloten wordt bij soortgelijken indicatoren in andere landen. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de toezegging aan de Tweede Kamer dat bezien zal worden of en op welke wijze internationale vergelijking van prestatiegegevens mogelijk is.

Tot slot zullen in de 1e suppletore begrotingswet 2002 en de LNV-begroting 2003 voor 2002 respectievelijk 2003 en latere jaren de ontvangsten in het kader van het plattelandsontwikkelingsplan (POP) en de daarmee samenhangende nationale uitgaven per beleidsartikel worden weergegeven.

Verantwoordelijkheid LNV

In het beschrijven van de ministeriële verantwoordelijkheid bij de beleids- artikelen is onderscheid gemaakt tussen resultaatsverantwoordelijkheid en systeemverantwoordelijkheid. Het karakter van de verantwoordelijkheid is afhankelijk van de geformuleerde doelstellingen en streefwaarden bij de beleidsartikelen.

De minister van LNV is verantwoordelijk voor de keuze en de opzet van de beleidsinstrumenten die voor het realiseren van de doelstellingen worden ingezet. Voor de inzet en de werking van de beleidsinstrumenten in een bepaald begrotingsjaar bestaat er een resultaatsverantwoordelijkheid. Dit zelfde geldt voor het uitvoeren van EU-regelgeving en het uitoefenen van bevoegdheden op de wijze en de momenten waarop de nationale wetgeving die voorschrijft. Als voorbeeld voor dit laatste kan dienen, de veterinaire controle bij de invoer van dieren aan de EU-buitengrens, respectievelijk het nemen van maatregelen bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte.

Forfaitaire herberekening cijfers voor 2000 en 2001

Als gevolg van de nieuwe artikelindeling in het kader van VBTB zijn ter wille van de vergelijkbaarheid in de tabellen bij de beleidsartikelen inzake Budgettaire gevolgen van beleid de cijfers voor de jaren 2000 en 2001 herrekend naar de nieuwe artikelindeling. Bij de herrekening zijn op ervaringsgegevens gebaseerde verdeelsleutels gebruikt. De herrekening is derhalve niet 100% exact. Voor de aansluiting met de oude artikelindeling wordt verwezen naar de conversietabel («was-wordt» tabel) in de verdiepingsbijlage.

Toerekening van de apparaatsuitgaven van de uitvoerende diensten aan de beleidsartikelen

De toerekening van de apparaatsuitgaven van de uitvoerende diensten aan de beleidsartikelen is gebaseerd op de verdeling van de inzet per beleidsartikel waarop de betreffende uitvoerende dienst actief is. Deze inzet wordt jaarlijks in overleg tussen de beleidsdirecties en uitvoerende diensten bepaald. Uitgangspunt hierbij is de historische inzet. Nieuw of gewijzigd beleid, alsmede het verleggen van de prioriteiten of aanpassingen in de aanpak van de uitvoering, zijn van invloed op deze historische inzet en kunnen leiden tot intensiveringen of extensiveringen. Onder uitvoering wordt in dit kader ook handhaving verstaan. In de onderstaande tabel is de procentuele toerekening van de apparaatuitgaven aan de beleidsartikelen per uitvoerende dienst voor het begrotingsjaar 2002 weergegeven. Ook in de verantwoording over 2002 zal deze verdeling worden gehanteerd. Voor de baten-lastendiensten Bureau Heffingen, LASER en PD heeft de verdeling betrekking op de bijdrage van LNV aan de dienst.

 
 Beleidsartikelen
 1234567891011
AID6%  34%47%13%     
Bureau Heffingen   35%65%      
DLG76%16%7%1%       
LASER3%2%18%11%11%   1% 54%
PD    100%      
RVV     100%     

Grafiek 1: Procentuele toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen per uitvoerende dienst

kst-28000-XIV-2-1.gif

Overzichtsconstructie

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een aparte budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de buitenlanduitgaven van de verschillende departementen gebundeld. Zo wordt inzicht verschaft in de belangrijkste uitgaven die Nederland jaarlijks doet in het kader van internationale samenwerking. Belangrijke uitgangspunten van de HGIS zijn het bevorderen van samenwerking en afstemming tussen de ministeries op het gebied van buitenlands beleid.

Voor wat betreft het ministerie van LNV komen de kosten uit hoofde van de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland en de contributie aan de Food and Agricultural Organisation (FAO) ten laste van de HGIS. De desbetreffende uitgaven worden in Beleidsartikel 11 nader toegelicht.

Het ministerie van LNV draagt tevens de inhoudelijke verantwoording voor internationale natuurprojecten die voortvloeien uit internationale verdragen. Het betreft internationale natuurprojecten die worden gefinancierd uit middelen die op de begroting van LNV staan en die onderdeel uitmaken van de HGIS. Zo zal bijvoorbeeld in 2002 de 6e Conferentie van Partijen inzake het Biodiversiteitsverdrag in Nederland plaatsvinden, alsmede een daaraan gekoppelde vergadering inzake het Biosafety Protocol. Het Biodiversiteitsverdrag is tijdens de VN-conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling (UNCED) in 1992 vastgesteld en neemt in het UNCED-proces een belangrijke plaats. De desbetreffende uitgaven worden nader toegelicht in Beleidsartikel 11 onder de operationele doelstelling «Internationaal natuurlijk».

Verdiepingsbijlage

In deze bijlage is de artikelsgewijze toelichting opgenomen van de mutaties die hebben plaatsgevonden vanaf de stand ontwerpbegroting 2001. Deze artikelsgewijze toelichting is gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de jaren 2000 en 2001 (uitvoering lopende begroting, gebaseerd op de huidige begrotingsindeling) en een deel dat betrekking heeft op de jaren 2002 en verder (nieuwe VBTB-beleidsartikelen). Tenslotte is de «was/wordt tabel» opgenomen waarin is aangegeven hoe de (nieuwe) operationele doelstellingen zijn opgebouwd uit de (oude) begrotingsartikelen.

BELEIDSAGENDA

1. HOOFDLIJNEN VAN HET BELEID IN 2002

1.1 Inleiding

In de nota Voedsel en Groen (TK 1999–2000, 27 232, nr. 2) is als belangrijke uitdaging voor het agro-bedrijfsleven geformuleerd dat het zich uitdrukkelijk zal moeten positioneren als onderdeel van de samenleving; als ondernemers die maatschappelijke waarden respecteren en maatschappelijke waardering ontvangen. Hoe sterker de maatschappelijke binding, des te gunstiger het toekomstperspectief.

Dit geldt evenzeer voor het natuur-, bos- en landschapsbeleid, zoals verwoord in Natuur voor mensen, mensen voor natuur (TK 1999–2000, 27 235). Bij de verbreding van het natuurbeleid is het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid en het voldoen aan maatschappelijke wensen voor de groene leefomgeving van groot belang. In samenhang daarmee investeert het kabinet aanzienlijk in het nieuwe natuurbeleid, aanvullend op de substantiële intensivering van de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

De transities die van de land- en tuinbouw worden gevraagd, stellen in veel opzichten hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van de ondernemers. Het spreekt vanzelf dat ingrijpende veranderingsprocessen niet van de ene op de andere dag gerealiseerd kunnen zijn. Bij de eisen die de samenleving aan de productiewijze stelt en vooral bij het vaststellen van het tempo waarin aanpassingen moeten worden doorgevoerd, moet daarom voortdurend rekening worden gehouden met het vermogen van de sector om in economisch, sociaal en technologisch opzicht de transities te maken.

Over de volle breedte zijn de afgelopen jaren niettemin al belangrijke vorderingen geboekt. Hierbij kan in de eerste plaats worden gedacht aan het terugdringen van het mestoverschot. De omvang van de nationale mestproductie is de afgelopen jaren daadwerkelijk verminderd, hetgeen dringend noodzakelijk is om aan de EU-nitraatrichtlijn te voldoen. Van belang is dat met ingang van 2002 de systematiek van de mestwetgeving met de introductie van het stelsel van mestafzetcontracten – naast het reeds enkele jaren functionerende mineralenaangiftesysteem – geheel op orde is om de mestproductie te beheersen binnen milieukundig verantwoorde grenzen.

Maar ook op andere onderdelen zijn belangrijke stappen gezet om de maatschappelijke acceptatie te versterken. Er is – zowel beleidsinhoudelijk als in financieel opzicht – een forse impuls gegeven aan het stimuleren van de biologische productie. En er is door alle betrokkenen veel geïnvesteerd in versnelling van de reconstructie van de glastuinbouw. Er zijn verschillende maatregelen genomen en aangekondigd om de risico's van verspreiding van besmettelijke dierziekten terug te dringen. De relevantie hiervan werd ook door de recente uitbraak van Mond- en klauwzeer (MKZ) onderstreept.

De MKZ-crisis heeft de veehouderij diep geraakt. Van veel boerenbedrijven, vooral in de regio's waar het virus is vastgesteld, is letterlijk het uiterste gevraagd. De ruiming van een – in verreweg de meeste gevallen – gezonde veestapel, is een uiterst pijnlijk verlies. De dieren zijn voor de veehouder immers niet alleen van economische betekenis, maar hebben vaak ook een grote emotionele waarde. Om nog erger te voorkomen, moest mond- en klauwzeer met harde hand bestreden worden. Overtuigd van die noodzaak heeft de sector, hoewel veelal contre coeur, over het algemeen constructief meegedacht en meegewerkt aan de bestrijding. Daarvoor past veel waardering.

De discussie die de bestrijdingsmethode van MKZ, daarbij inbegrepen het beleid van non-vaccinatie, in de samenleving heeft losgemaakt, toont eens te meer aan dat de verhouding tussen stad en platteland en tussen agrarische sector en de rest van de samenleving het afgelopen decennium ingrijpend is veranderd. Het besluit om binnen de Europese Unie (EU) met het oog op het ontsluiten van nieuwe exportmarkten een beleid van non-vaccinatie te voeren, is begin jaren negentig tamelijk geruisloos genomen. Inmiddels geconfronteerd met de consequenties van dit beleid blijken in ons land andere dan economische overwegingen en sectorbelangen bepalend voor de maatschappelijke opvattingen over de meest geëigende vorm van dierziektebestrijding.

Om verspreiding van het MKZ-virus te voorkomen, moesten niet alleen bedrijfsmatig gehouden dieren die zich «in de gevarenzone» bevonden geruimd worden, maar ook hobbydieren, dieren behorend tot zeldzame rassen, dierentuindieren, wild en dieren op kinderboerderijen. De bestrijding van MKZ vertakte zich zo naar soms onverwachte plekken in de samenleving. Grote delen van de natuur in het midden van het land moesten wekenlang voor het publiek worden gesloten. Ook elders in de economie, bijvoorbeeld in het toerisme, is ernstige bedrijfsschade geleden. En op veel plaatsen is de vraag opgeworpen of het non-vaccinatiebeleid ethisch verdedigbaar is. De MKZ-crisis heeft op pregnante wijze onderstreept hoezeer het agro-foodcomplex, in de woorden van de nota Voedsel en Groen, integraal onderdeel uitmaakt van de moderne en internationale netwerkeconomie, met verbindingen naar andere maatschappelijke sectoren.

Noodzaak tot verandering

De MKZ-uitbraak heeft niet alleen duidelijk gemaakt dat de maatschappelijke verbondenheid versterkt dient te worden; ook het toegenomen belang van een nationaal maatschappelijk en politiek draagvlak voor internationaal beleid is onderstreept. De in Voedsel en Groen benoemde strategie om in EU-verband nauwe aansluiting te zoeken bij lidstaten met vergelijkbare opvattingen, wordt bij het zoeken naar draagvlak voor het heroverwegen van het non-vaccinatiebeleid door Nederland nadrukkelijk in praktijk gebracht. In het najaar zal over onder meer het non-vaccinatiebeleid een EU-conferentie worden gehouden.

Over de gewenste toekomst van de veehouderij groeit op hoofdlijnen maatschappelijke consensus. Zo zijn landbouw-, consumenten-, milieu- en dierenbeschermingsorganisaties eensgezind van mening dat minder diertransport voorwaarde is voor maatschappelijke waardering. Daardoor worden de risico's van verspreiding van besmettelijke dierziekten verkleind. Bovendien is minder veetransport belangrijk uit het oogpunt van dierenwelzijn. Maar ook andere noties zijn gemeengoed geworden: meer aandacht voor de kwaliteit van lucht, bodem en water, zorg voor het landschap en grote aandacht voor voedselveiligheid staan centraal in veel van de toekomstscenario's die in de loop van het afgelopen jaar zijn ontvouwd. Voedselveiligheid, het rekening houden met de draagkracht van ecosystemen en aandacht voor het dierenwelzijn, staan overigens eveneens centraal in de gedachtenvorming over vernieuwing van het (Europese) visserijbeleid.

In het rapport van de denkgroep-Wijffels wordt aangegeven dat een ingrijpend herontwerp van de structuur en werkwijze van de veehouderijsector nodig is. De boodschap van dit advies is duidelijk: de veehouderij heeft in ons land geen toekomst meer met strategieën die uitgaan van internationaal kostprijsleiderschap en prijsconcurrentie. De eisen die de moderne samenleving stelt, nopen tot een andere benadering. Respectvolle omgang met de natuurlijke omgeving en met dieren, transparantie, individuele verantwoordelijkheid en nieuwe vormen van samenwerking zijn daarin sleutelbegrippen. Zo komt de denkgroep-Wijffels tot een agenda, gericht op duurzaamheid, waarin drie dimensies worden onderscheiden, die sterk sporen met de lijnen die het kabinet in de zomer van het jaar 2000 heeft uitgezet in de nota Voedsel en Groen:

* ecologische duurzaamheid: zorgvuldig gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het milieu, inclusief een respectvolle omgang met dieren;

* sociale duurzaamheid: open, transparante en respectvolle relaties tussen partijen binnen de sector en tussen de sector en de samenleving;

* economische duurzaamheid: het op een rendabele wijze leveren van producten waar de markt om vraagt.

Deze agenda spreekt het kabinet aan. De MKZ-crisis heeft de kwetsbaarheid van de veehouderijsector onderstreept en daarmee opnieuw de urgentie aangetoond van maatregelen die de veehouderij een stevige, duurzame toekomst geven. Het rapport van de denkgroep-Wijffels hebben wij daarom opgevat als een aanmoediging om met extra kracht door te gaan op de ingeslagen weg die leidt tot modernisering van het Nederlandse agrofoodcomplex. Na het wegwerken van achterstallig onderhoud is het nu tijd voor nieuwbouw. In het kabinetsbeleid gaat het bevorderen van economisch perspectiefvolle en internationaal concurrerende agroketens hand in hand met het stimuleren van duurzame productiemethoden in zowel de land- en tuinbouw als de visserij. Want maatschappelijke waardering en consumentenvertrouwen zijn levensvoorwaarden voor de continuïteit van agro-ondernemingen. Om de vernieuwing van de veehouderij te versnellen zullen de relevante marktpartijen, maatschappelijke organisaties en overheden in actie moeten komen. Het is vanzelfsprekend in de eerste plaats aan het bedrijfsleven zelf om te voldoen aan de kwaliteitseisen die de markt aan de agro-productie stelt. De overheid kan en wil ondernemers hierbij echter ondersteunen door heldere doelen te formuleren ten aanzien van bijvoorbeeld het milieu en dierenwelzijn, door de herstructurering van sectoren te bevorderen en te faciliteren en door verbetering van prestaties op keten- en bedrijfsniveau te stimuleren.

Het proces van verandering dient versneld en geïntensiveerd te worden. De volgende actiepunten worden in gang gezet:

* randvoorwaarden voor dierenwelzijn wordt centraal gesteld in de veehouderij;

* het beleid gericht op het voorkomen van de uitbraak van besmettelijke dierziekten wordt geïntensiveerd;

* de grondgebonden veehouderij wordt geëxtensiveerd (rapport van Commissie-Koopmans);

* gebieden voor de veehouderij worden ruimtelijk vastgelegd (GR-2 en Vijfde Nota RO);

* een economisch sterk platteland wordt in het kader van de hervorming van het Europese landbouwbeleid bevorderd.

In andere sectoren zijn eveneens vernieuwingen nodig. De financieel-economische situatie in de sectoren akkerbouw en vollegrondsgroententeelt vraagt aandacht. Bezien zal worden hoe deze sectoren geholpen kunnen worden bij de bepaling van hun toekomststrategie. Volgend jaar zal door het kabinet de reactie op het rapport van de Commissie Structuurversterking Veenkoloniën worden vastgesteld.

In Europees perspectief

Welke concrete richtingen ook gekozen worden, de toekomst van de Nederlandse landbouw ligt in Europa. De vraag naar kwalitatief goede, veilige en traceerbare producten en de groeiende aandacht voor dierenwelzijn, milieu en natuur leven in alle lidstaten in meer of mindere mate. Een vernieuwd EU-landbouwbeleid zal daarom met deze realiteit meer rekening moeten houden. Het klassieke gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) richt zich nog altijd grotendeels op generieke stimulering en ondersteuning van de productie. Een Europees landbouwbeleid dat voldoet aan de eisen van deze tijd moet vooral perspectief bieden voor het oplossen van vraagstukken rond milieu, dierenwelzijn, voedselveiligheid en landschapskwaliteit; thema's die consument en samenleving centraal stellen. Daarvoor is een beleidsomslag nodig, gebaseerd op de volgende elementen:

* het landbouwbeleid blijft principieel communautair beleid, hoewel dat voor de financieringsmodaliteiten niet het geval behoeft te zijn;

* maatschappelijk verantwoord ondernemen is de norm;

* de publieke dimensies die inherent zijn aan de productie van voedsel en van groen, rechtvaardigen de toekomstige overheidsbemoeienis met de landbouw.

Vanuit het Nederlandse perspectief zijn er dus dringende redenen om het Europese landbouwbeleid verdergaand te hervormen. Al per 2003/2004 zouden de aanpassingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wat Nederland betreft van kracht moeten worden.

Samen met Duitsland geeft Nederland daarom krachtig steun aan het voornemen van de Europese Commissie om begin 2002 een aanvang te maken met een discussie over de aanpassing van het landbouwbeleid. Marktwerking moet daarbij een leidend principe zijn. Dat is ook nodig om aan onze internationale verplichtingen te kunnen voldoen: het landbouwbeleid moet houdbaar zijn bij een uitgebreide Unie en moet de handelsbesprekingen in WTO-verband vergemakkelijken. Om de Nederlandse inzet in deze onderhandelingen mede inhoud te geven heeft het kabinet in het kader van de procedure van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) een interdepartementale werkgroep opdracht gegeven om de kosten die samenhangen met het gemeenschappelijke landbouwbeleid en de uitbreiding van de Europese Unie helder in kaart te brengen. Zeer binnenkort zal dit rapport met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Tevens heeft het kabinet ingestemd met een te verrichten interdepartementaal beleidsonderzoek naar de heroriëntering van de landbouw. De positie van ontwikkelingslanden op de Europese markt moet versterkt worden, bijvoorbeeld door het verlenen van assistentie aan ontwikkelingslanden bij capaciteits- en institutieopbouw op het terrein van voedselveiligheid. Dergelijke technische assistentie zal wel moeten aansluiten bij de nationale prioriteiten die deze landen zelf stellen. Ook coherentie-aspecten van het gemeenschappelijke landbouwbeleid en het gemeenschappelijke visserijbeleid (GVB) krijgen onverminderd aandacht.

Maar tevens moet nadrukkelijk worden bezien hoe door hervorming van het beleid het EU-landbouwbudget gerichter kan worden ingezet voor voedselveiligheid, milieu, plattelandsbeleid en dierenwelzijn. Markt- en prijsbeleid, plattelandsbeleid en voedselveiligheidsbeleid zouden minder afzonderlijk en meer vanuit een geïntegreerde visie benaderd moeten worden. Dat kan door inkomenstoeslagen nadrukkelijk te koppelen aan randvoorwaarden op het gebied van natuur, milieu, dierenwelzijn en registratie- en traceringssystemen. In EU-kader wordt het plattelandsbeleid meer en meer gezien als voorwaarde voor het tot stand komen van fundamentele hervormingen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Versterking van deze tweede pijler van het gemeenschappelijke landbouwbeleid ligt dan ook in de rede, ook in financiële zin. Op langere termijn zal echter gekeken moeten worden naar meer ruimte voor modaliteiten op nationaal niveau.

Een belangrijk element dat bij de modernisering van het landbouwbeleid tenslotte niet vergeten mag worden, is het opheffen van de uitzonderingspositie die het landbouwbeleid nu nog inneemt in de democratische besluitvormingsprocedures. Het Europees landbouwbeleid behoort in een normale codecisieprocedure met het Europees Parlement te worden vastgesteld. Daarbij past dat ook het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven komt te vervallen.

Niets is zo typisch Nederlands als de visserij, en tegelijkertijd zo Europees bepaald. De discussies en acties in het afgelopen jaar over de tijdelijke en structurele maatregelen ter bescherming van het kabeljauwbestand, maken zichtbaar hoe zeer ook in deze sector gewaakt moet worden over een evenwichtige ontwikkeling van visserij en natuur. In de vernieuwing van het gemeenschappelijke visserijbeleid in 2002 staan niet voor niets de versterking van de duurzaamheid, de voorzorgsbenadering en de integratie met biodiversiteitsbeleid centraal. Biologisch verantwoorde systemen om visserij-inspanningen meer in balans te brengen met de beschikbare visbestanden en tegelijkertijd het versterken van de economische levensvatbaarheid én de betrokkenheid van de sector bij het beleid zijn hierin cruciale elementen. Nederland is voorstander van de hoofdlijnen van het gemeenschappelijk visserijbeleid zoals die in het Groenboek, uitgebracht door de Europese Commissie, zijn neergelegd.

1.2 Voedselveiligheid en duurzame agroproductieketens: de zorg voor gezond en lekker eten (beleidsartikelen 4, 5 en 6)

Deze kabinetsperiode, die nu het vierde begrotingsjaar ingaat, zijn reeds belangrijke stappen gezet in het streven het beleid beter te laten aansluiten op de zorgen die in de samenleving leven over de veiligheid van het voedsel en over de effecten van de agrarische productie op het milieu, de natuurlijke omgeving, en het welzijn van de landbouwhuisdieren:

Bevorderen voedselveiligheid en -kwaliteit

Te lang is de verantwoordelijkheid voor voedselkwaliteit, nationaal maar overigens ook in Europa, eenzijdig bij de overheid gelegd. Dit heeft geleid tot een woud van zeer gedetailleerde regelgeving. In de toekomst zal veel meer – binnen een ketenbenadering – de producent zelf aangesproken worden op zijn verantwoordelijkheid voor de voedselkwaliteit. Hiertoe zullen in 2006 systemen voor risico-analyse en kwaliteitbeheersing (onder andere HACCP) verder ontwikkeld en ingevoerd moeten zijn. Op de overheid blijft de taak rusten normen te stellen voor de kwaliteit van de voedingsmiddelen en te garanderen dat de producten die op de markt komen werkelijk veilig zijn. De oprichting van een Europese en van een Nederlandse Voedselautoriteit (NVa) zullen de overheid beter in staat stellen deze controlerende taak adequaat te vervullen.

Verminderen milieubelasting door mest en ammoniak

Per 1 januari 2002 wordt het wettelijk stelsel van mestafzetcontracten van kracht. Daardoor ontstaat zekerheid vooraf over het evenwicht tussen vraag en aanbod van mineralen in de Nederlandse landbouw. Mestproducenten moeten contracten sluiten met boeren die mestplaatsingsruimte hebben of met mestverwerkers of -exporteurs die zorgen voor plaatsing van mest buiten de Nederlandse landbouw. In combinatie met Minas, dat het mineralengebruik op bedrijfsniveau reguleert, waarbij het doel is dat verliesnormen niet overschreden worden, is daarmee een adequaat stelsel geïntroduceerd dat zorgt voor milieukundig verantwoord gebruik van mineralen en een blijvend evenwicht op de mestmarkt. Hiermee kan naar de mening van het kabinet worden voldaan aan de eisen van de EU nitraatrichtlijn. Teneinde zoveel mogelijk bij te dragen aan evenwicht op de mestmarkt voordat de normstelling 2003 van kracht wordt, wordt deze kabinetsperiode in een aantal tranches (in 2002 voor de laatste keer) de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV) opengesteld. Tot op heden is dankzij deze regeling ca. 5 mln kg. fosfaat uit de markt genomen.

Herstructurering Glastuinbouw

De herstructurering in de glastuinbouw zal in 2002 verder worden gestimuleerd en ondersteund via het ruimtelijk spoor en via een aantal subsidieregelingen. Beoogd wordt zo in 2010 projectvestigingslocaties te hebben gerealiseerd met een omvang van ca. 2700 ha netto glas. Onder meer met de provincie ZuidHolland zijn hiertoe concrete afspraken gemaakt.

Inzet van het kabinet is dat het Besluit Glastuinbouw zal ingaan per 1 januari 2002. Naast een aantal middelenvoorschriften voortkomend uit andere AMvB's bevat de AMvB Glastuinbouw een aantal doelvoorschriften voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, nutriënten en energie. Met de AMvB wordt beoogd de Integrale Milieu Taakstelling Glastuinbouw te halen, die is vastgelegd voor 2010.

De benutting van warmte en elektriciteit uit warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK's) levert een grote bijdrage aan de energiebesparingsdoelstellingen van de glastuinbouw in het kader van het convenant Glastuinbouw en milieu. Als gevolg van de hoge kostprijs van de opgewekte electriciteit staat de ontwikkeling en benutting van WKK's echter onder druk. Om de positie van de WKK te versterken heeft het kabinet een stimuleringspakket ontwikkeld. De ontwikkeling van WKK zal nauwgezet worden gemonitord.

Biologische landbouw

Conform de voornemens in de beleidsnota Biologische landbouw 2001–2004 (TK 2000–2001, 27 416, nr. 2) zal met name aandacht geschonken worden aan de ontwikkeling van de vraaggerichte benadering. In 2001 en 2002 worden vijf ketenbusinessplannen opgesteld dan wel uitgevoerd. Daarbij zal ook duidelijk worden wat de rol van LNV zal zijn in de ketenbuisinessplannen c.q. in het ontwikkelen van instrumenten.

Zoals toegezegd aan de Tweede Kamer zal in 2002 de effectiviteit van een vraaggerichte benadering in relatie tot de omschakelingsregeling worden geëvalueerd.

Gewasbescherming

Het gewasbeschermingsbeleid zal in 2002 in het teken staan van de implementatie van de beleidsnota Zicht op gezonde teelt (TK 2000–2001, 27 858, nr. 2). De doelstelling van het nieuwe beleid voor de periode tot 2010 is drieledig: het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt verder teruggebracht, de milieubelasting wordt verder verminderd en de naleving van de wet- en regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen met betrekking tot volksgezondheid, milieu en arbeidsbescherming wordt verhoogd. De belangrijkste richtlijn tot 2010 is geïntegreerde gewasbescherming op gecertificeerde bedrijven. Certificeren zal door de overheid worden gestimuleerd en gefaciliteerd. Eind 2002 zal 15% van de bedrijven gecertificeerd zijn en in 2005 dient tenminste 90% van de bedrijven met plantaardige productie gecertificeerd te zijn. Lukt dit niet, dan wordt een wettelijke maatregel ingevoerd die inhoudt dat chemische gewasbeschermingsmiddelen alleen nog mogen worden gebruikt door gecertificeerde bedrijven.

Om de omslag naar geïntegreerde gewasbescherming te bevorderen wil het kabinet vanaf 2003 een heffing op chemische gewasbeschermingsmiddelen invoeren. Een en ander wordt uitgewerkt in het kader van de nota Landbouw en fiscus.

Dierenwelzijn

De wijze waarop dieren in de intensieve veehouderij worden gehouden, stuit geregeld op de grenzen van maatschappelijke acceptatie. Het is daarom tijd voor een omslag in onze omgang met dieren. Voor het kabinet is het richtinggevend perspectief daarbij dat dieren zodanig gehouden worden dat zij hun natuurlijk, soorteigen gedrag kunnen vertonen. Daarvoor is ook een omslag in het beleid nodig. Naast regelgeving (en de handhaving daarvan) gericht op het voorkomen en beëindigen van misstanden en het meer transparant maken van productieprocessen, zet het kabinet in op versterking van de aanpak in de keten. Zo moet een proces van voortdurende verbetering van dierenwelzijn in gang worden gezet. Daarbij past een aanpak die voorlopers stimuleert en faciliteert, maar tegelijkertijd ook de consument aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid voor een meer diervriendelijk consumptiegedrag. Informatie over het welzijn moet daarom een kenmerk worden van het product. Naast regelgeving kunnen vraaggerichte instrumenten als innovatiesubsidies, onderzoek, certificering en communicatie worden ingezet.

1.3 Innovatie en kennis: de zorg voor een innovatief, internationaal en kennisintensief ondernemerschap (beleidsartikelen 7, 8 en 9)

Innovatie

Een toekomstgericht agrofoodcomplex stelt hoge eisen aan het innoverend vermogen van alle schakels in de keten. Dit is een kerngedachte uit de nota Voedsel en Groen. Met het besef dat een omslag in met name de veehouderijsector nodig is, zijn vernieuwingen en innovatieve ontwikkelingen nog pregnanter geworden. Innovatie is ook van belang om de ambities en het perspectief voor de groene ruimte, zoals onder meer geschetst in Natuur voor mensen, mensen voor natuur, te kunnen realiseren.

Voor zowel het agrofoodcomplex als de groene ruimte zijn innovaties op verschillende niveaus noodzakelijk. Het gaat hierbij niet alleen innovatiegericht beleid, waarmee de overheid vanuit haar publieke doelen veranderingen of vernieuwingen wil realiseren, maar ook innovatiebewust beleid: het scheppen van gunstige randvoorwaarden en het wegnemen van onnodige belemmeringen. Hierdoor kan de gedeelde verantwoordelijkheid van bedrijfsleven, consumenten, maatschappelijke organisaties en overheid vorm gegeven worden.

Integrale vernieuwingen zijn nodig, waarbij meer partijen betrokken zijn en meer doelstellingen in samenhang gerealiseerd worden. Naast tastbare innovaties in de vorm van producten en hulpmiddelen zijn ook vernieuwing van denkbeelden, regels en organisatievormen aan de orde. Naast wetenschappelijke kennis en kennis van de tekentafel zal ook ervaringsdeskundigheid moeten worden benut. Het beleid moet erop gericht zijn voor al die vormen van innovatie – en de kruisbestuivingen daartussen – ruimte te scheppen. Daarnaast zal het innovatiepotentieel in de groene ruimte en in het agrofoodcomplex gericht worden bevorderd om vernieuwingen en veranderingen tot stand te brengen die geredeneerd vanuit het publieke belang gewenst zijn.

Een dezer dagen ontvangt de Tweede Kamer de kabinetsreactie op het advies van de denkgroep-Wijffels «Toekomst voor de veehouderij». In deze reactie zijn de lijnen voor het agro-innovatiebeleid voor de veehouderijsector uitgezet.

Het innovatiebeleid voor de groene ruimte is vooral gericht op het veranderen en vernieuwen van werkwijzen. Een maatschappelijk verantwoord beheer van de groene ruimte vraagt om erkenning van onderscheiden waarden en een open afweging van de daaraan gekoppelde belangen en wensen voor de toekomst. Vanuit deze gedachte zijn vernieuwende samenwerkingverbanden tussen actoren in het landelijk gebied noodzakelijk. Het vinden van integrale en multifunctionele oplossingen voor gesignaleerde knelpunten dient hierin centraal te staan. LNV zal waar nodig en mogelijk innovaties in de groene ruimte bevorderen. Onder andere door het wegnemen van belemmeringen op het gebied van wet- en regelgeving, door de vorming van netwerken te ondersteunen en door het gericht inzetten van het kennisbeleid.

Met de kabinetsreactie op het advies van denkgroep-Wijffels en de hierboven beschreven speerpunten voor innovatie in de groene ruimte zijn de lijnen voor het LNV-innovatiebeleid uitgezet.

Zowel de partijen in het agrofoodcluster als de actoren in het landelijk gebied staan de komende jaren voor de uitdaging nieuwe markten te creëren en in te spelen op de maatschappelijke vraag naar een duurzame omgang met hulpbronnen en verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving.

Tegen deze achtergrond is het publieke debat dat op dit moment in Nederland plaatsvindt over de aanvaardbaarheid van de toepassing van biotechnologie in de voedselproductie, een belangrijk project. Begin 2002 zal de Tijdelijke commissie biotechnologie en voedsel het kabinet rapporteren over de uitkomsten van het publieke debat. Het kabinet zal vervolgens op korte termijn de Tweede Kamer informeren over de conclusies die zij aan de resultaten van het debat verbindt.

Kennisontwikkeling en -verspreiding

Kennisontwikkeling is een interactief proces, waarbinnen ruimte moet zijn voor onderzoek, innovatie, onderwijs en voorlichting. Het is van belang dat onderzoeksprogramma's zó zijn ingericht dat ze aansluiten bij andere onderdelen van de kennisketen, zoals kennisoverdracht naar en benutting door eindgebruikers, en bij leerprocessen.

Het instandhouden van de kennisinfrastructuur is een publiek belang. Belangrijk aandachtspunt voor LNV is het verzekeren van voldoende wetenschappelijk potentieel ten behoeve van het agrofoodcluster en de groene ruimte. Daarnaast financiert LNV onder andere onderzoek voor het beantwoorden van de in het beleidsproces gegenereerde kennisvragen. Een belangrijk deel van de middelen wordt ingezet voor onderzoek ter bevordering van duurzame productie, waarbij LNV extra investeert in onderzoek ten behoeve van de biologische landbouw. In 2002 zal tevens een financiële bijdrage geven worden aan de brede impuls van het Kabinet voor genomics. In het kader van de vernieuwing van het aansturen van LNV-onderzoek zal in 2002 worden begonnen met een verdere verbreding van de scope van het onderzoek via een systeem van open programmering.

Zoals reeds aangegeven in de Beleidsbrief voor het onderwijs voor voedsel en groen: richting en ruimte (TK 2000–2001, 27 417, nr. 1) zal in het onderwijsbeleid voor groene opleidingen het accent de komende jaren liggen op kwaliteit en inhoud. Dat wil zeggen op het versterken van de beleids- en maatschappelijke oriëntatie in het gehele beroepsonderwijs. De regeling Versterking en Innovatie Agrarisch onderwijs (VIA) wordt, evenals in 2001, gebruikt voor inhoudelijke vernieuwingen in het groene onderwijs. De nadruk ligt op de beleidsthema's van deze LNV Beleidsagenda. Het gemeenschappelijke uitgangspunt is steeds: maatschappelijk verantwoord ondernemen.

1.4 Versterking van het landelijk gebied: de zorg voor een aantrekkelijk platteland voor allen (beleidsartikelen 1, 2 en 3)

In de afgelopen decennia is Nederland geëvolueerd naar een hoogstedelijke, postindustriële samenleving, met toenemende economische, ruimtelijke en sociale dynamiek. Met deze ontwikkelingen is onze kijk op het platteland veranderd. Door de sterk gestegen welvaart stellen burgers en consumenten hogere eisen aan de kwaliteit van leven, en daarmee aan leefomgeving en voedsel(productie). Vanwege de groeiende behoefte aan samenhangend plattelandsbeleid, in aanvulling op de huidige beleidslijnen, wordt een Plattelandsbrief opgesteld die de Tweede Kamer in het najaar van 2001 zal bereiken. Niet functies en/of sectoren staan hierin centraal, maar mensen: ondernemers, consumenten, bewoners en bezoekers. Deze nieuwe oriëntatie is reeds in gang gezet met het verschijnen van de nota's Voedsel en Groen en Natuur voor mensen, mensen voor natuur.

Platteland

Zowel vanuit de internationale, als de nationale en regionale dimensie is de noodzaak toegenomen tot een meer geïntegreerd en vraaggestuurd beleid, gericht op een evenwichtige ontwikkeling van economische, ecologische en sociaal-culturele elementen in het landelijk gebied. Beleid voor landbouw en natuur wordt meer en meer ingebed in de volle breedte van het plattelandsbeleid, mede vanuit de overtuiging dat sterke bondgenootschappen met bijvoorbeeld waterschappen en waterwinbedrijven, toeristische ondernemers of bewonersorganisaties voor alle partijen winst kunnen opleveren.

Erkend moet worden dat het gewenste evenwicht per gebied een andere vorm kan aannemen. Plattelandsbeleid richt zich juist op het benutten en versterken van deze eigenheid van plattelandsgebieden. De kracht van het platteland schuilt, volgens het bestuursakkoord nieuwe stijl (BANS), enerzijds in zijn sociaal-economische vitaliteit en anderzijds in de aantrekkingskracht van de omgeving. Om beiden te versterken zullen instrumenten meer gebundeld en gebiedsspecifiek ingezet worden, en wordt een meer ontwikkelingsgerichte planologie voorgestaan. In het najaar 2001 zulen in het overhedenoverleg de resultaten van 13 pilots worden gepresenteerd.

In het kader van het plattelandsbeleid wil de rijksoverheid haar relatie met andere overheden en andere betrokkenen verbreden én verzakelijken. De landbouw, maar ook ondernemers in andere sectoren, bewoners en bezoekers zullen op hun eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken. Het sturingsmodel voor de groene ruimte, dat uitgewerkt is in een bestuursovereenkomst met provincies, is het startpunt voor het maken van meetbare en afrekenbare afspraken, in samenhang met een programmatische financiering. Ook in Europees verband zal Nederland zich inzetten voor een flexibel instrumentarium dat gericht is op regionale omstandigheden. In concreto betekent dit dat een verschuiving wordt voorgestaan van directe productiesteun naar ondersteuning van groene dienstverlening door de landbouw. De mogelijkheden voor nieuwe financieringswijzen zullen worden bezien.

Kwaliteitsverbetering landschap

Vanuit de visie dat natuur en landschap mede ten dienste staan van alle Nederlanders, kiest het kabinet voor een nieuwe impuls voor het landschapsbeleid. Met het verschijnen van deel 1 van het SGR-2 wordt nadere invulling gegeven aan het landschapsbeleid zoals dat in hoofdlijnen in de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur was neergezet. Het landschap is een levend en steeds veranderend geheel, dat niet in één statisch eindbeeld is te vangen. Wel dient landschapskwaliteit vanaf het eerste stadium van planvorming aandachtspunt te zijn bij alle betrokkenen. Voor de toepassing van de ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie formuleert het rijk een aantal kernkwaliteiten van acht (inter)nationaal kenmerkende landschapstypen, die richtinggevend zijn voor het ontwerpend plannen door overheden en initiatiefnemers. Tevens zijn criteria geformuleerd ter verhoging van de kwaliteit van de landschapsplanning.

In grote delen van het land vormt de agrarische sector, en dan met name de grondgebonden landbouw, een cruciale factor voor het behoud van kenmerkende landschappen. Het agrarische cultuurlandschap is als het ware met groen en blauw dooraderd; met heggen, hagen en houtwallen, met beken, poelen en moerasjes, met brede bermen en onverharde paden. Door een gerichte investering in aanleg, herstel en beheer van ca. 20 000 ha landschapselementen vindt een kwaliteitsimpuls aan het landschap plaats in circa 200 000 ha. In het vorige begrotingsjaar is een voortvarende start gemaakt met experimenten (proeftuinen) in acht gebieden. Deze proeftuinen lopen tot juni 2003 en zullen waardevolle informatie opleveren voor de uiteindelijke keuze van gebieden waar de kwaliteitsimpuls ingezet wordt en voor de definitieve vormgeving van de instrumentatie, in samenhang met mogelijke aanpassingen van het Programma Beheer. Deze aspecten zullen in deel 3 van het SGR-2, dat in het najaar van 2002 wordt uitgebracht, worden opgenomen.

In deel 1 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening wordt voorgesteld dat een substantieel deel van de genoemde groen-blauwe dooradering zal worden gerealiseerd in de Nationale en Waardevolle Landschappen. Ons land kent een aantal landschappen van grote waarde, die om verschillende redenen onder druk staan.

Een en ander zal worden uitgewerkt in deel 3 van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en het SGR-2.

Ook buiten de Nationale Landschappen neemt het rijk verantwoordelijkheid voor kenmerkende landschappen die bedreigd worden. In overleg met de provincies zullen daarom in 2002 een aantal Waardevolle Landschappen geselecteerd en begrensd worden. Behoud en ontwikkeling van bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve waarden staan hier voorop. Hiermee wordt het succesvolle concept WCL (Waardevolle Cultuurlandschappen) in aangepaste vorm voortgezet. Provincies zullen voor deze gebieden een ontwikkelingsperspectief opstellen, waarin de landschappelijke kwaliteit centraal staat.

Investeren in landschapskwaliteit betekent ook een stevige inzet op realisatie van groen bij de stad. Dat vraagt in de eerste plaats bestuurlijke daadkracht van alle betrokkenen voor de daadwerkelijke uitvoering van de reeds bestaande beleidsvoornemens, zoals de Strategisch Groenprojecten (SGP's). Met provincies en gemeenten worden afspraken gemaakt over een actieve en geïntegreerde inzet van grondbeleidinstrumenten zoals onteigening en voorkeursrecht, inrichtingsinstrumenten zoals de nieuwe Landinrichtingswet, en planologische duidelijkheid in bestemmingsplannen. Het kabinet zal tevens in overleg met de G30 een kwalitatieve impuls aan het groen in en om de stad geven, voor een betere aansluiting bij de behoeften van de stadsbewoners.

Biodiversiteit

Speciale aandacht gaat in dit begrotingsjaar uit naar biodiversiteit. Al vanaf het begin van de totstandkoming van het Biodiversiteitsverdrag in 1992 is Nederland actief op vele terreinen van het biodiversiteitsbeleid. Het Nederlandse beleid voor biodiversiteit is integraal onderdeel van de nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur en het NMP-4, en krijgt concrete vorm in de realisatie van de EHS, het soortenbeleid en het landschapsbeleid. De internationale aspecten zijn nader uitgewerkt in het beleidsprogramma biodiversiteit internationaal.

Dat Nederland in april 2002 gastheer is voor de internationale zesde Conferentie van Partijen bij het verdrag (COP-6), is een erkenning van de rol die Nederland nationaal en internationaal vervult. Deze conferentie kent vier speerpunten: behoud en beheer van bossen, invasieve uitheemse soorten, agrobiodiversiteit met een accent op behoud en toegang tot genetische bronnen, en de uitvoering van het biosafety protocol. De maatschappelijke inbedding van deze discussies was voor Nederland een belangrijk aandachtspunt in de aanloop tot de conferentie, maar zal dat zeker ook daarná zijn.

1.5 Realisatie EHS: de zorg voor flora en fauna

In 2002 krijgen belangrijke nieuwe elementen uit het natuurbeleid nader vorm. Ook hier staat, net als in het landschapsbeleid en het plattelandsbeleid, kwaliteitsverbetering voorop. Verbinden en vergroten binnen de EHS zijn daarbij essentiële elementen. Daartoe zijn begin 2002 de verkenningen voor acht robuuste verbindingen binnen de EHS door de provincies afgerond. Mede gebaseerd op deze ervaringen zullen in de loop van 2002 in deel 3 van SGR-2 definitieve keuzes gemaakt worden voor de aanwijzing van de robuuste verbindingen, de prioritering in de uitvoering en voor de instrumentatie.

Betere milieucondities staan aan de basis van een nieuwe balans tussen milieu, grondgebruik en biodiversiteit. Om de gestelde natuurdoelen in kwalitatieve zin te kunnen realiseren, is extra aandacht voor de milieucondities in en rondom de EHS nodig. Thans wordt bezien welke extra maatregelen genomen worden voor het aanpakken van ammoniak, verdroging en fosfaatverzadiging (NMP4). Kern hierbij is extensivering van de melkveehouderij in combinatie met «vernatting», en uitplaatsing van varkens- en pluimveehouderij in zones rondom verzuringsgevoelige natuur. Ook verplaatsing van waterwinning is een element van aandacht.

De Noordzee is een intensief en multifunctioneel gebruikt gebied, dat tevens onderdeel is van de EHS. Na grondig onderzoek en een uitgebreide discussie met relevante partijen publiceert het kabinet een plan van aanpak voor het duurzaam gebruik van de Noordzee. Hiermee kunnen de verschillende gebruiksfuncties, zoals visserij, scheepvaart, ontgrondingen en winning van olie en gas, afgestemd worden met de natuur- en landschapsfuncties. In 2002 zal, tegen de achtergrond van internationale ontwikkelingen, een aanvang gemaakt worden met de uitvoering hiervan, onder meer door toepassing van het algemene beschermingsregime van de EHS op het Nederlands Continentaal Plat, inclusief een helder afwegingskader voor nieuwe activiteiten of voor uitbreiding van bestaande. Ook de vertaling van het herziene gemeenschappelijke visserijbeleid naar gebruikscondities is aan de orde.

1.6 Meer markt is niet minder overheid

In de nota Voedsel en Groen is reeds aangegeven dat het versterken van de eigen verantwoordelijkheid van de sector niet inhoudt dat de verantwoordelijkheid van de overheid vermindert. Het is immers onvermijdelijk dat de productie van voedsel aan uitgebreide regelgeving onderworpen is. Voedselveiligheid, dierenwelzijn, veterinaire- en milieuzorg vergen dat de productie aan heldere en betrouwbare normen voldoet. In de afgelopen jaren is hard gewerkt aan het wegwerken van achterstanden die wat dit betreft op enkele terreinen nog bestonden. Gezien de noodzakelijk veranderingen zullen ook de komende periode nog extra maatregelen op beleidsterreinen als voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn getroffen dienen te worden. Extra regelgeving was en is daarom soms onvermijdelijk. Bovendien leiden regels op initiatief van samenleving en parlement vaak weer tot uitzonderingen; dergelijk maatwerk heeft doorgaans als consequentie dat de administratieve lasten verder moeten worden opgevoerd.

Het kabinet zal echter scherp in het oog houden dat een stapeling van regels voor het bedrijfsleven niet leidt tot een stapeling van administratieve lasten. Daarom geeft de regering gelijktijdig grote prioriteit aan het waar mogelijk reduceren en, in het geval van nieuwe regelgeving, het zo veel mogelijk beperken van de administratieve lasten die met het introduceren en uitvoeren van wet- en regelgeving gepaard gaan. Op basis van de in 2001 uitgevoerde inventarisatie van administratieve lasten van alle wetgeving van het ministerie van LNV wordt bepaald voor welke wetgevingsdomeinen nadere acties gewenst en haalbaar geacht worden ter beheersing en verdere reductie van administratieve lasten. De analyse geeft op het niveau van afzonderlijke LNV-regelingen, besluiten en/of wetten nader inzicht in de hoogte van de administratieve lasten. In de studie zijn 131 wetgevingsitems van het ministerie van LNV met administratieve lasten voor het bedrijfsleven geïdentificeerd. Naar schatting kosten ze het betrokken bedrijfsleven in totaal € 92 mln. Dit vormt ongeveer 1,1% van de totale administratieve lasten voor het gehele Nederlandse bedrijfsleven, die voor 1999/2000 worden becijferd op ca € 8 miljard. Voor de LNV-beleidsterreinen liggen er mogelijkheden in het gebruik van ICT. Initiatieven op dit gebied, waaronder het opzetten van het Groene Loket en de basisregistraties, zijn reeds gestart en zullen in 2002 met kracht worden voortgezet.

1.7 Tot slot

De afgelopen jaren is zowel binnen als buiten de sector de overtuiging gegroeid dat landbouw en visserij in Nederland en het Nederlandse agrofoodcomplex in de wereld alleen dan toekomst hebben als zij midden in de samenleving staan. Met andere woorden, de producenten moeten voortdurend (nieuwe) antwoorden geven op de vragen die vanuit markt en maatschappij worden gesteld. De sectoren hebben er veelvuldig blijk van gegeven die kracht en dat aanpassingsvermogen te kunnen opbrengen. Het kabinet heeft er daarom groot vertrouwen in dat de kwaliteit van het Nederlandse voedsel en groen – waar nodig ondersteund door de overheid – de komende jaren verder zal toenemen. Het Nederlandse agrofoodcomplex is en blijft daarmee van grote internationale klasse.

2. FINANCIEEL KADER VOOR 2002

Grafiek 2: Uitgaven verdeeld over de beleidsartikelen

kst-28000-XIV-2-2.gif

Grafiek 3: Ontvangsten verdeeld over de beleidsartikelen

kst-28000-XIV-2-3.gif

2.1 Uitgaven

De begroting van de uitgaven voor 2002 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2001 verhoogd met € 233 mln. De toename van de LNV-begroting wordt vooral veroorzaakt door de volgende mutaties.

Meerjarencijfers totaal uitgaven (bedragen x € 1 mln.)
 200120022003200420052006
Stand begroting 20011 8321 8361 7941 8021 8331 833
1 Voedselveiligheid / diergezondheid141818181818
2 Duurzame landbouw/agrarisch natuurbeheer777777
3 Natuur45     
4 ICT75 – 5– 7 
5 Leerlingenaantallen/medebewindskosten227777
6 Grondprijscompensatie343838373737
7 Brandstofcompensatie visserij14141414  
8 MKZ120     
9 Ramingsbijstelling (inclusief HAO)– 18– 20– 23– 25– 25– 25
10 Overig420169105102103110
Stand begroting 20022 4772 0691 9601 9571 9731 987

1. Voedselveiligheid

Het kabinet wil een maximaal beschermingsniveau voor consumenten bereiken door te bewerkstelligen dat aangeboden voedsel voldoet aan hoge eisen met betrekking tot veiligheid en kwaliteit. Hiertoe zal een aantal maatregelen worden genomen.

Een belangrijke stap is de oprichting van de Nederlandse Voedsel Autoriteit (NVa) waardoor onder meer de coördinatie van en het toezicht op alle keuringsdiensten en controle-instellingen in één organisatie worden ondergebracht. Onder verantwoordelijkheid van de NVa zullen in de komende jaren diverse productieketens worden doorgelicht om risico's voor voedselveiligheid in de diverse schakels op te sporen en te beperken.

In het kader van voedselveiligheid is het kabinet voornemens om de schapenziekte scrapie, die verwant kan zijn met BSE, versneld uit te roeien alsmede maatregelen te treffen om het voorkomen van para-tbc te verminderen. Voor de versnelde uitvoering van deze programma's is een bedrag van € 3 mln. gereserveerd.

Aan het begin van de voedselketen zal de controle op de samenstelling van diervoeders worden verscherpt. De kosten hiervan bedragen circa € 1 mln.

In verband met de verhoging van de diergezondheid, alsmede in het kader van voedselveiligheid, zal de komende jaren fors worden geïnvesteerd in het opzetten en vernieuwen van identificatie- en registratiesystemen voor dieren. Sluitende I&R-systemen vormen immers een onmisbare pijler voor de gezondheidsbewaking van de Nederlandse veestapel. Hiermee is voor 2002 een bedrag gemoeid van circa € 7 mln.

Ook zal worden geïnvesteerd in de verbetering van de communicatie richting consument in geval zich een voedselcrisis of een uitbraak van een besmettelijke dierziekte voordoet. Hiervoor wordt een bedrag van € 3 mln. uitgetrokken. Tenslotte wordt in 2002 € 2 mln. gereserveerd voor de follow-up van het maatschappelijk debat biotechnologie.

2. Duurzame landbouw/agrarisch natuurbeheer

De 7 mln. intensiveringsmiddelen die, in het kader van duurzame landbouw, structureel aan de LNV-begroting zijn toegevoegd, zullen worden ingezet in het kader van het agro-innovatiebeleid. Een dezer dagen ontvangt de Tweede Kamer de kabinetsreactie op het advies van de denkgroep Wijffels «Toekomst voor de veehouderij». In deze reactie zijn de lijnen voor het toekomstige agro-innovatiebeleid voor de veehouderijsector uitgezet. Ook in de eerder uitgebrachte nota's Voedsel en Groen en Natuur voor mensen, mensen voor natuur wordt een beeld geschetst van de gewenste ontwikkelingen in het agrocluster en de groene ruimte waarbij hoge eisen worden gesteld aan het innovatievermogen van de verschillende actoren werkzaam in zowel het agrocluster als in de groene ruimte.

3. Natuur

In verband met de motie Van Walsem inzake een nationaal natuuroffensief (TK 2000–2001, 27 734, nr. 8) is voor 2001 een bedrag van € 45 mln. toegevoegd aan de begroting van LNV. Door een vergrote inzet van de instrumenten verwerving en inrichting kan met deze middelen een incidentele versnelling van het natuurbeleid worden gerealiseerd, bijvoorbeeld in projecten aan de zuidelijke Friese IJsselmeerkust, op de Veluwe, in Salland, op de kop van Schouwen, de Haarlemmermeer en in de Biesbosch.

Van de € 45 mln. komt vooralsnog € 36 mln. ten gunste van het artikel verwerving (13.02) en € 9 mln. van het artikel inrichting (13.03). Bij Najaarsnota 2001 vindt een definitieve verdeling plaats over de artikelen verwerving en inrichting.

4. Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Gelet op de veelheid en complexiteit van (deels EU-) regelgeving zal, voor het behoud van het draagvlak bij de LNV-doelgroepen, klantgerichter gewerkt moeten gaan worden. Belangrijk aspect daarbij is het inspelen op nieuwe communicatietechnieken, waarbij het bewerkstelligen van een forse administratieve lastenreductie bij de «klanten» van LNV voorop staat.

Het ICT-beleid wordt hiertoe langs twee lijnen ingezet:

1. Het vernieuwen van de communicatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties door toepassing van ICT, met als belangrijkste speerpunt de inrichting van het «Groene Loket». Het project «Groene Loket» beoogt een gestroomlijnde informatievoorziening en transactieafhandeling te bewerkstelligen.

2. Het verbeteren van het beleids- en uitvoeringsproces door het versterken van de informatiepositie en het gegevensgebruik van het departement, met als belangrijkste speerpunten het inrichten en koppelen van basisregistraties (percelen, relaties en dieren) en het programma CLIENT (Controle Landbouwgoederen bij Import en Export naar een Nieuwe Toekomst). De inrichting van de basisregistraties – met gegevens over agrarische bedrijven, grond en grondgebruik, dieren, flora, fauna en ecosystemen – beoogt de realisatie van een meer samenhangend en geïntegreerd gegevensbeheer, dat gericht is op enkelvoudige inwinning en meervoudig gebruik van de gegevens. Doel van het programma CLIENT is het zodanig (her)inrichten van de informatiestromen en controleprocessen bij import en export van landbouwgoederen, dat de administratieve en logistieke processen bij de overheid en het bedrijfsleven worden vereenvoudigd en beter op elkaar worden afgestemd.

De kosten die hiermede zijn gemoeid worden deels gefinancierd uit de intensivering van € 7 mln. in 2001 en € 5 mln. in 2002. In 2004 en 2005 zullen de intensiveringen vanwege inverdieneffecten worden bijgesteld.

5. Leerlingenaantallen/medebewindskosten

Als gevolg van een toenemende vraag naar onderwijs op het terrein van voedsel en groen, zal het aanbod van onderwijsvoorzieningen bij de AOC's (Agrarische opleidingscentra) worden bijgesteld. Hiertoe wordt de bijdrage aan de AOC's in 2002 verhoogd met € 0,5 mln. en in 2003 en volgende jaren met € 5 mln..

Wat betreft de medebewindskosten bedraagt de compensatie € 2 mln. vanaf 2001. De extra middelen worden enerzijds ingezet voor de uitvoering van nieuwe regelingen in medebewind uit hoofde van Agenda 2000. Specifiek betreft het hier de slachtpremieregeling kalveren en cross-compliance. Anderzijds zijn de extra middelen benodigd ter borging van een rechtmatige uitvoering van het markt- en prijsbeleid door de productschappen. De nadruk ligt dan voornamelijk op versterking van de controle-activiteiten.

6. Grondprijscompensatie SGR/EHS

Om de verwervingsdoelen in het Structuurschema Groene Ruimte te realiseren worden gronden verworven tegen marktprijzen. Aangezien in 2000 de grondprijs is gestegen tot gemiddeld € 36 000,– per hectare, zijn de verwervingsbudgetten verhoogd tot het niveau waarop jaarlijks 5876 hectare voor het totaal van de SGR-aankoopcategorieën kan worden verworven. Zoals in de 1e suppletore begrotingswet 2001 is gemeld, zal de grondprijscompensatie voor de arealen uit de nota's Natuur voor mensen, mensen voor natuur en VINAC en de arealen in het kader van Natte Natuur te zijner tijd worden bekeken.

7. Brandstofcompensatie visserij

In het kader van de compensatie voor de sterk gestegen brandstofprijzen, hebben de staatssecretarissen van LNV en Financiën in september 2000 afspraken gemaakt met het visserijbedrijfsleven. Voor de periode 2000 tot en met 2004 is hiervoor € 14 mln. per jaar aan de LNV-begroting toegevoegd.

De middelen zullen worden ingezet voor het bereiken van een vitale en duurzame visserij. Hieraan zal onder andere worden bijgedragen door saneringsregelingen en andere vlootstructuurmaatregelen, het stimuleren van projecten die beogen een duurzame visserij te bevorderen, de overname van premielasten van het SFM, onderzoek en evaluaties, samenwerkingsovereenkomsten en handhavingsmaatregelen.

8. MKZ

Dit betreft enerzijds circa € 93 mln. voorfinanciering door het Rijk van de EU-bijdrage in de bestrijding en anderzijds € 27 mln. als maximale Rijksbijdrage in het MKZ-noodfonds. Deze middelen zijn in het Diergezondheidsfonds gestort.

9. Ramingsbijstelling (inclusief HAO)

Er wordt een ramingsbijstelling doorgevoerd van € 18 mln. in 2001 oplopend naar € 25 mln. in 2004. De bijstelling zal onder meer gevonden worden in een deel van de toegedeelde prijsbijstelling 2001, het stimuleringskader, de Groene Hart impuls, voorlichting en het niet doorgaan van CO2-projecten. De korting op het HAO zal eerst nader worden bezien op efficiencymaatregelen.

10. Overig

Dit is het saldo van de loon- en prijsbijstelling, eindejaarsmarge, interdepartementale overboekingen, (de)salderingen en herschikkingen. De hoge bedragen in 2001 en 2002 worden met name veroorzaakt door desalderingen, zijnde bijdragen vanuit het O&S-fonds en het Diergezondheidsfonds aan de LNV-begroting voor respectievelijk uitgaven in het kader van het mestbeleid en uitgaven voor BSE-maatregelen.

2.2 Ontvangsten

De begroting van de ontvangsten voor 2002 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2002 met € 266 mln. verhoogd. Deze verhoging heeft vooral betrekking op de landbouwheffingen die vanaf 2002 binnen het begrotingsverband van het Ministerie van LNV worden gebracht.

Meerjarencijfers totaal ontvangsten (bedragen x € 1 mln.)
 200120022003200420052006
Stand begroting 2001270349306303304304
1 EU-ontvangsten bestrijding MKZ392727   
2 Landbouwheffing 272272272272272
3 Perceptiekostenvergoeding – 111– 68– 68– 68– 68
4 Overig312789664
Stand begroting 2002621615546513514512

1. EU-ontvangsten bestrijding MKZ

De EU-bijdrage in de bestrijding van MKZ komt naar huidige inzichten uit op in totaal circa € 93 mln. waarvan naar verwachting in 2001 € 39 mln. wordt ontvangen en circa € 27 mln. per jaar in 2002 en 2003.

2. Landbouwheffingen en perceptiekostenvergoeding

In het kader van de concentratie EU-afdrachten worden de bruto ontvangsten uit landbouwheffingen binnen begrotingsverband van het Ministerie van LNV gebracht. De perceptiekostenvergoeding wordt overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Overig

Dit is het saldo van de (de)salderingen en herschikkingen. De hoge bedragen in 2001 en 2002 worden met name veroorzaakt door desalderingen, zijnde bijdragen vanuit het O&S-fonds en het Diergezondheidsfonds aan de LNV-begroting voor respectievelijk uitgaven in het kader van het mestbeleid en uitgaven voor BSE-maatregelen.

2.3 Fiscaal

In het Belastingplan 2002 zijn maatregelen opgenomen, betrekking hebbend op onder meer de thema's: arbeidsmarkt en armoedeval en vervoer. Een aantal maatregelen werkt ook door naar LNV-beleidster-reinen. Verder zijn maatregelen opgenomen op het gebied van economische infrastructuur en natuur en milieu. Meer specifiek voor LNV-beleidsterreinen zijn de volgende maatregelen van belang. Het tarief van de vennootschapsbelasting zal worden verlaagd met een 0,5%-punt. De herinvesteringsreserve-regeling wordt, met het oog op de aankoop van gronden voor de ecologische hoofdstructuur en strategische groenprojecten (EHS/SGP), verruimd. Bij bedrijfsverplaatsing vanuit de EHS/SGP kan daardoor in aangewezen gevallen de fiscale claim op stille reserves worden doorgeschoven naar een andere onderneming. Om de rendementspositie van installaties voor warmtekrachtkoppeling (WKK) te verbeteren, wordt de afdrachtskorting in de ecotax verhoogd van 0,23 tot 0,57 eurocent/kWh. Deze maatregel werkt, na goedkeuring door de Europese Commissie, terug tot 1 januari 2001. De voorgenomen regeling vervangt de aangekondigde tijdelijke stimuleringsmaatregel voor kleinschalige WKK (TK 2000–2001, XIV, nr. 45). Voor zorgprestaties van zorgboerderijen, thans belast met 19% BTW, wordt een vrijstelling van BTW ingevoerd.

In het Belastingplan 2002 zijn ook enkele voorstellen opgenomen tot herziening van het successie- en schenkingsrecht. Dit betreft onder meer een algehele vrijstelling van successie en schenking voor partners. Voor bedrijfsopvolging wordt een nieuwe faciliteit opgenomen, die in de plaats komt van de bestaande kwijtscheldingsfaciliteit in de Invorderingswet 1990. De faciliteit zorgt ervoor dat in bepaalde situaties waarin het bedrijf ten minste 5 jaar wordt voortgezet, een gedeelte van de verschuldigde belasting kan worden verminderd tot nihil. Een soortgelijke regeling is getroffen voor aandelen en winstbewijzen die behoren tot een aanmerkelijk belangpakket.

01 Versterking landelijk gebied

Algemene beleidsdoelstelling

Versterking van het landelijk gebied is gericht op kwaliteitsverbetering en het in onderlinge samenhang versterken van de verschillende functies in het landelijk gebied. Deze doelstelling valt uiteen in:

* een verbetering van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur;

* een integrale aanpak van specifieke problemen in de concentratiegebieden;

* de verbetering van de kwaliteit van natuur- en landschap in het landelijk gebied;

* bevorderen van groen in en om de stad;

* het verder ontwikkelen van gevarieerde recreatiemogelijkheden;

* een structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit.

Grafiek 4: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-4.gif

Operationele doelstellingen

01.11 Gebiedenbeleid

Verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur in gebieden die waardevol en kwetsbaar zijn bezien vanuit landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, cultuurhistorie, water en milieu. Het programma betreft:

a) verbetering van de ruimtelijke structuur van het landelijk gebied door aanpassing van de verkavelingsstructuur en aanpassing van wegen en waterlopen. In totaal betreft dit 610 000 hectare landelijk gebied;

b) het herstellen van watersystemen ten behoeve van de natuurontwikkeling. In 2002 worden anti-verdrogingsmaatregelen genomen voor 6 000 hectare landelijk gebied.

Opgenomen zijn de doelen die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan Gebiedenbeleid. Ook via landbouw, natuur en recreatie zijn in het kader van het gebiedenbeleid inspanningen voorzien. Deze doelen zijn opgenomen bij de betreffende paragrafen of hoofdstukken. Bij de prestatieverantwoording worden de inspanningen op het gebied van de landbouw, natuur en recreatie in relatie tot Gebiedenbeleid in beeld gebracht.

Streefwaarden

 
Omschrijving2002Restant
a) ruimtelijke structuur40 000 ha ingericht 13 000 ha kavelruil610 000 ha inrichting
b) Anti-verdroging6 000 ha0 ha

De regeling Gebiedsgerichte Bestrijding Verdroging loopt al sinds vele jaren. Met 6000 ha is in 2002 de afronding voorzien. De anti-verdrogingsbestrijding is daarmee niet ten einde. Het nemen van anti-verdrogingsmaatregelen wordt voortgezet in het kader van de Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB).

Beleidsinstrumenten

* Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk-provincies

* Landinrichtingsinstrumentarium

* Stimuleringsregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB)

* Regeling Gebiedsgerichte Bestrijding Verdroging (GeBeVe); betreft alleen uitfinanciering van oude verplichtingen.

* WCL, hetgeen alleen uitfinanciering van oude verplichtingen betreft.

01.12 Reconstructie varkenshouderij / kwaliteitsimpuls zandgebieden

Integrale herstructurering van de concentratiegebieden ter verbetering van de woon-, werk- en leefomstandigheden en verbetering van de economische structuur.

Ten behoeve van de reconstructie van de varkenshouderij in de concentratiegebieden, worden varkensvrije zones gerealiseerd van minimaal 1000 m breed. Deze zones dienen ter voorkoming van de verspreiding van varkenspest en zullen uiterlijk in 2012 gerealiseerd zijn. Via de Reconstructiewet concentratiegebieden wordt integrale herstructurering van de concentratiegebieden nagestreefd, ter verbetering van de woon-, werk- en leefomstandigheden van de gebieden. Herstructurering beslaat o.a. extensivering van de intensieve veehouderij. Tevens wordt gestreefd naar verbetering van de economische en ruimtelijke structuur, vergezeld gaand met een eigentijdse architectonische beeldkwaliteit en een verbetering van de milieu-omstandigheden in de concentratiegebieden. Om dit laatste te realiseren zullen binnen 12 jaar zones van 500 m (evt. 250 m) worden gecreëerd rond verzuringsgevoelige gebieden zoals EHS-gebieden;

Ten behoeve van het reconstructieproces worden momenteel plannen gemaakt door de reconstructieprovincies. Het ministerie van LNV adviseert en ondersteunt de provincies bij het maken van deze plannen. Dit met name door de inzet van de Dienst Landelijk Gebied.

Opgenomen zijn de doelen die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan Reconstructie. Ook via landbouw, natuur en recreatie zijn in kader van Reconstructie inspanningen voorzien, zoals het extensiveren van de landbouw en het tegengaan van te hoge fosfaat- en nitraatdeposities. Deze doelen zijn opgenomen bij de betreffende paragrafen of hoofdstukken. Bij de prestatieverantwoording worden de inspanningen op het gebied van de landbouw, natuur en recreatie in relatie tot Reconstructie in beeld gebracht.

Streefwaarden

 
Omschrijving2002
Opstellen ReconstructieplannenUiterlijk 2002
6 PilotgebiedenAfronding

Het is nog niet duidelijk hoeveel reconstructieplannen er zullen worden ingediend. Dit zullen er minimaal 2 zijn. Deze plannen dienen binnen negen maanden na inwerkingtreding van de Reconstructiewet concentratiegebieden te zijn opgesteld en aan het Rijk te zijn aangeboden.

Beleidsinstrumenten

* Reconstructiewet concentratiegebieden

* Kaderregeling Pilots Reconstructiegebieden

* Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium

01.13 Landelijk Natuurlijk

In 2020 is de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het landelijk gebied aanzienlijk versterkt, is duurzaam gebruik ervan gewaarborgd en heeft een kwart van het agrarisch cultuurlandschap een forse kwaliteitsimpuls gekregen:

1. het uitvoeren van een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie, een kwaliteitsimpuls in 200 000 hectare agrarisch cultuurlandschap door het investeren in kwaliteitsverbetering van 20 000 ha tot 2020;

2. in 2020 is er 179 900 hectare natuur en landschap (excl. de kwaliteitsimpuls) in het landelijk gebied zoals opgenomen in de nota Natuur voor Mensen (LNV, 2000);

3. In 2020 zijn voor alle in Nederland van nature voorkomende soorten en populaties de condities voor instandhouding duurzaam aanwezig. In 2010 zijn soortenbeschermingsplannen voor alle bedreigde soorten opgesteld (NVM).

Streefwaarden

 
Omschrijving met nummer doelstelling2002
Formuleren kernkwaliteiten van landschappen (1)gereed
Voltooide studies offensieve landschapsstrategie (1)4
Uitbreiding kwaliteitsimpuls landschap (1)500 ha
Handboek Biodiversiteit op het Landbouwbedrijf (1)Gereed
Uitgewerkte Codes voor goede Landbouwpraktijk (1)Gereed
Graadmeter voor Agrobiodiversiteit (1)Gereed
Uitbreiding natuur en landschap in het landelijk gebied, exclusief kwaliteitsimpuls landschap (2)3109 ha
Aantal opgestelde soortenbeschermingsplannen (3)4

Beleidsinstrumenten

Om de algemene en operationele doelstellingen te kunnen realiseren is het formuleren van kernkwaliteiten van landschappen een belangrijke instrumentele voorwaarde. In het kader van de offensieve landschapsstrategie worden plannen ontwikkeld en inrichtingsmaatregelen uitgevoerd in de vorm van studies. De offensieve landschapsstrategie wordt vormgegeven op basis van de Regeling Landschapsontwikkelingsplannen. De doelstellingen van de kwaliteitsimpuls worden bereikt door het instellen van een genenbank voor bomen en struiken, experimenten in 6 tot 8 proeftuinen ten behoeve van de groen-blauwe dooradering, verwerving, inrichting en beheersmaatregelen. In experimenten wordt onderzocht hoe beheersmaatregelen het beste gerealiseerd kunnen worden, bijvoorbeeld via de Subsidieregeling gebiedsgericht beleid (SGB) of Programma Beheer. Het opstellen en implementeren van Codes voor Goede Landbouw Praktijk en een Plan van Aanpak Agrobiodiversiteit zijn voorwaarden voor duurzaam gebruik. Ten behoeve van het maatschappelijk draagvlak voor natuur worden activiteiten gefaciliteerd voor natuur- en milieueducatie, voorlichting, samenwerking en visievorming voor natuurbeschermingsorganisaties.

Met het oog op behoud en versterking van de ecologische en landschappelijke kwaliteit worden de volgende instrumenten ingezet: verwerving en inrichting van hectares natuur en landschap, het uitvoeren van de Nota Belvedere en de Architectuurnota, voordrachten voor de werelderfgoedlijst, het begrenzen van Nationale Landschappen, het subsidiëren van gemeentelijke en regionale landschapsontwikkelingsplannen en maatregelen in het kader van Programma Beheer.

Ten behoeve van soortenbescherming worden soortenbeschermingsplannen uitgevoerd. Meerjarige taakstelling is gemiddeld 5 soorten beschermingsplannnen gedurende de periode 2001–2010 (Natuur voor Mensen, LNV, 2000). Het totaal aantal soortenbeschermingsplannen is afhankelijk van het aantal behandelde soorten per plan alsmede de ontwikkeling in het aantal bedreigde soorten.

01.14 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»

De inzet van Groen in om de stad is verbetering van kwaliteit van de stedelijke omgeving door het in balans brengen en houden van groen en rood. De volgende programma's gelden hiervoor:

* groen in de stad: Herstructurering van 75 bestaande parken, aanleg van 16 nieuwe groengebieden en 23 groene verbindingen in de periode 2000–2004. Het ministerie van LNV stuurt gemeentes aan via convenanten;

* groen om de stad: Aanleg van ca. 26 500 ha nieuw groen nabij de steden1 en 450 km groene verbindingen tussen de steden en groengebieden in de periode 1995–2020, waarvan uit:

* het Structuurschema Groene Ruimte: 13 110 ha, waarvan 9090 recreatiebos en 4020 staatsbos en 450 km groene verbindingen in het jaar 2013 (uitvoeringsperiode: 1995–2013);

* actualisering Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (VINAC): 2805 ha strategisch groen waarvan 345 ha verbindingen en 438 ha regionaal groen in het jaar 2010 (uitvoeringsperiode 2004–2010);

* de Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (NVM): 10 000 ha kwaliteitsimpuls stadslandschap in 2020 (uitvoeringsperiode 2010–2020).

LNV zal deelnemen aan de 2e Ronde Verstedelijkingsgesprekken, ingezet door VROM, om de realisatie van groen om de steden in relatie tot nieuwbouwlocaties weer gelijk te schakelen.

Streefwaarden

 
Omschrijving2002Restant taakstelling
Verwerving SGR491 ha5 520 ha
Inrichting SGR50 ha staatsbos2 450 ha staatsbos
 150 ha recreatiebos5 815 ha recreatiebos
Groene verbindingen34 km406 km

De streefwaarden hebben alleen betrekking op groen om de stad. Voor het groen in de stad is in het kader van de convenanten Rijk–steden afgesproken dat de steden inspanningen gaan leveren, zoals die zijn opgenomen in de Stedelijke Meerjarenontwikkelingsprogramma's. Na afloop van vijf jaar beoordeelt het Rijk de bereikte prestaties.

De streefwaarden wat betreft het groen om de stad zijn vooralsnog beperkt tot de taakstellingen uit het Structuurschema Groene Ruimte. De VINAC realisatie is voorzien vanaf 2004 terwijl uitvoering van de kwaliteitsimpuls stadslandschap (NVM) start vanaf 2010. Reden om in 2002 nog geen streefwaarden op te nemen.

Beleidsinstrumenten

Groen in de stad:

* convenanten Rijk-individuele steden gebaseerd op het Grote Steden Beleid, Wet Stedelijke Vernieuwing (getekend december 1999) en Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing.

Groen om de stad:

* bufferzoneconvenant VROM-LNV (1996);

* het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium;

* regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart.

01.15 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied

Verbetering van de recreatiemogelijkheden door de aanleg van voorzieningen. Het programma omvat:

a) aanleg van recreatievoorzieningen in het landelijk gebied, te weten 1700 km nieuwe lijnelementen en 2130 ha recreatief groen (vlakken) in de periode tot en met 2018. Dit betreft «overige recreatie»;

b) realisering van landelijke netwerken voor varen, fietsen en wandelen. In 2010 is er ca. 12 000 km bruikbaar en bewijzerd netwerk, te weten: 4500 km Lange wandelroutes (LAW's); 3560 km Lange Fietsroutes (LF) en 4400 km Basistoervaartnet (BRTN);

c) beheer van recreatieve voorzieningen in ruim 210 000 ha natuur-, bos- en recreatiegebieden;

d) bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de recreatie, versterking van de positionering van de recreatie in de samenleving en verbetering van de kwaliteit van het milieu en van het recreatief-toeristisch produkt in onderlinge samenhang.

Streefwaarden

 
Streefwaarden met verwijzing naar doelstelling2002
Verwerving en inrichting (a)80 ha
Recreatieve paden (a)100 km
Nationale netwerken (b)290 km
Beheer bos, natuur en recreatiegebied (c)212 815 ha

Beleidsinstrumenten

* Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium;

* Regeling Versterking Recreatiesector;

* Rijksbijdrage Staatsbosbeheer

* Deelname Wet gemeenschappelijke regelingen m.b.t. Recreatieschappen Midden-Delfland en Grevelingen

01.16 Internationaal natuurlijk

Structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit, door:

1. het nakomen door Nederland van internationale verplichtingen;

2. het actief bijdragen van Nederland in internationaal verband aan de wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit.

Streefwaarden

 
Omschrijving met nummer doelstelling2002
Het aantal MoU's (1)5
Het aantal in 2002 startende internationale natuurprojecten (2)75

Het weergegeven aantal internationale natuurprojecten betreft natuurprojecten die gefinancierd worden uit middelen die op de begroting staan van het ministerie van LNV en middelen die onderdeel uitmaken van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). De HGIS is een gezamenlijk rijksbreed budget. De budgetten van de HGIS staan voornamelijk op de begroting van BZ/OS maar worden door of in overleg met betrokken departementen besteed. Het bedrag internationale natuurprojecten betreft het totaal van de uitgaven voor internationaal natuurbeheer uit voornoemde middelen. Het realiseren van projecten binnen Nederland die voortvloeien uit internationale verdragen wordt verantwoord op beleidsartikel 3: Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer).

De projecten worden gerealiseerd in samenwerking met de departementen BUZA/OS, V&W, VROM, EZ en OCW. Vanuit haar verantwoordelijkheid voor het internationaal natuurbeleid levert het Ministerie van LNV een grote beleidsinhoudelijke bijdrage.

Beleidsinstrumenten

De doelstellingen van het internationaal natuurbeleid worden gerealiseerd in het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal Natuurbeheer (BBI). Dit programma is een vervolg op het Programma Internationaal Natuurbeheer (PIN) 1996–2000. Instrumenten zijn:

* internationale verdragen en richtlijnen binnen de EU op het gebied van natuurbescherming: Ramsar conventie, Bern-conventie, Bonn-conventie, UNESCO Werelderfgoedverdrag, OSPAR, CITES, Biodiversiteitsverdrag, Pan-Europese Biologische en Landschapsdiversiteitsstrategie, EU-Vogelrichtlijn, EU-Habitatrichtlijn, EU-Biodiversiteitsstrategie, EU Kaderrichtlijn Water;

* overeenkomsten met internationale organisaties (IUCN, Birdlife International, Eeconet Action Fund, Plant Life International, UNEP), pre-accessie landen en Memorandums of Understanding (MoU's, overeenkomsten met landen);

* de zesde mondiale Biodiversiteitsconferentie COP6 CBD die in 2002 georganiseerd wordt door Nederland;

* projectsubsidiering in het kader van:

– de ontwikkeling van het Europees natuurbeleid, w.o. de ontwikkeling van een Pan-Europees Ecologisch Netwerk;

– natuurontwikkeling in Midden en Oost Europa;

– natuurontwikkeling buiten Europa in het kader van ontwikkelingssamenwerking;

* Besluit Natuurbeheer Midden- en Oost Europa;

* contributies aan internationale organisaties en secretariaten van internationale verdragen op het gebied van natuurbescherming;

* vertegenwoordiging in en bijdragen aan internationale gremia.

De budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
01 Versterking landelijk gebied2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN360 270283 999222 573205 288196 379225 904226 628
UITGAVEN356 470311 824283 041273 741257 143267 336266 703
Programma-uitgaven296 462256 825237 038228 008212 046222 135221 502
U0111 Gebiedenbeleid103 57983 78378 26178 03363 24264 67059 797
U0112 Reconstructie varkenshouderij / kwaliteitsimpuls zandgebieden11 4008 6608 80810 1763 3009 9669 966
U0113 Landelijk Natuurlijk79 45673 26570 81956 19858 47057 77958 871
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»61 39651 03940 35144 30547 62549 78752 419
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied38 34237 56236 67037 16837 28137 80538 322
U0116 Internationaal natuurlijk2 2882 5162 1292 1282 1282 1282 127
        
Apparaatsuitgaven60 00854 99946 00345 73345 09745 20145 201
U0121 Apparaat58 57353 45544 91344 64344 00744 11144 111
U0122 Baten-lastendienst1 4351 5441 0901 0901 0901 0901 090
ONTVANGSTEN92 66183 67879 55483 63677 76478 57477 603

Toelichting

De budgetten van het artikelonderdeel «landinrichting» in de oude begrotingsindeling, zijn in onderhavige begroting verdeeld over de beleidsartikelen 1 en 2. Zo ook de verplichtingen. In de verantwoording over 2002 zullen dezelfde verdeelsleutels worden gehanteerd. Voor 2002 is er ruimte om voor € 18 mln. nieuwe verplichtingen aan te gaan in het kader van landinrichting (exclusief bijdragen derden en kadaster).

Een deel van bovengenoemde budgetten en delen van de budgetten van beleidsartikelen 2 en 4 zullen besteed worden in het kader van «inverdienen». Inverdienen bestaat uit nieuwe middelen die voor nieuw beleid beschikbaar komen en die via het instrument landinrichting worden ingezet. Dit is een onderdeel van de afspraken LNV-provincies in het kader van de Herijking Landinrichting. In de periode tot en met 2001 betreft dit € 19,3 mln. In de periode 2002 tot en met 2006 zal er een bedrag van € 55,2 mln., exclusief de middelen van «Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur», worden gereserveerd voor besteding via landinrichting. In de periode 2007 tot en met 2010 is er € 53 mln. beschikbaar. Jaarlijks wordt, via de «Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied», aangegeven voor welke doelen, middelen gereserveerd zijn ten behoeve van de realisatie van inverdientaakstelling.

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

De apparaatsuitgaven betreffen de Dienst Landelijk Gebied de beleidsdirecties GRR en Natuurbeheer en de AID. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op LASER.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DLG594,346,427 603
Personeel GRR51,755,82 887
Personeel DN22,356,81 268
Personeel AID42,845,41 940
Materieel  10 261
Overig apparaat*  954
Bijdrage aan Laser  1 090
Totaal apparaatsuitgaven  46 003

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De ontvangsten hebben met name betrekking op landinrichting (landinrichtingsrente en bijdragen derden) en verder op EU-ontvangsten voor inrichting en op diverse overige ontvangsten.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal79 554
Landinrichtingsrente40 161
Bijdragen van derden25 957
EU-ontvangsten8 063
Overige ontvangsten5 373

Op dit beleidsartikel zijn twee fiscale regelingen (Bosbouwvrijstelling en vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer) van toepassing. De belastinguitgaven die met de bosbouwvrijstelling zijn gemoeid, bedragen jaarlijks structureel € 2 mln. De regeling houdt in dat de voor- en nadelen uit bosbouwbedrijf niet tot de winst worden gerekend. De belastinguitgaven die met de vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer zijn gemoeid, bedragen € 1 mln. structureel. De vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer strekt ertoe om op grond van aan te wijzen regelingen, de kosten van aanleg en instandhouding van bos en natuur gedeeltelijk vrij te stellen van belastingheffing.

Toelichting programma-uitgaven 2002 aan de hand van prestatiegegevens

In deze begroting wordt in de prestatiegegevens m.b.t. inrichting onderscheid gemaakt tussen «afgeronde» hectares en hectares «onderhanden». «Afgeronde» hectares zijn hectares die gedurende voorgaande jaren zijn ingericht en die in 2002 opgeleverd worden. De prestaties onder de noemer «onderhanden» hectares geven weer waaraan de budgetten in het jaar 2002 worden besteed.

01.11 Gebiedenbeleid

 
InstrumentAantal prestatiesTotale uitgaven (x € 1 000)
LNV landinrichtingsinstrumentariumAfronding inrichting: * 40 000 ha inrichting 
 * 13 000 ha kavelruil 
 * 6 000 ha verdroging 
   
 Onderhanden:65 531
 * 610 000 ha inrichting 
 * 13 000 ha kavelruil 
Stimuleringskader50 projecten3 868
WCL middelen350 projecten5 975
Saldo POP/SGR 2 887

01.12 Reconstructie varkenshouderij/Kwaliteitsimpuls zandgebieden

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Kaderregeling Pilots Reconstructiegebieden6 pilots afgerond€ 1,5 mln. per pilot8 808

Toelichting

De inzet van verwerving en inrichting vindt alleen plaats via de Kaderregeling pilots reconstructiegebieden.

01.13 Landelijk Natuurlijk

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Verwerving kwaliteitsimpuls landschap125 ha€ 29 4963 687
Uitvoering kwaliteitsimpuls landschap*500 ha 3 971
NVM landschapsontwikkeling  1 361
Verwerving bosuitbreidingslocaties in landinrichting137 ha€ 36 3024 973
Verwerving overig bos/landschap in landinrichting93 ha€ 36 3023 376
Inkomenscompensatie bos op landbouwgrond4 070 ha€ 8123 304
Inrichting bosuitbreidingslocatiesin landinrichtingafronding: * 50 ha onderhanden: * 390 ha 2 192
Inrichting overig bos/landschap in landinrichtingafronding: * 200 ha onderhanden: 2 300 ha 3 176
Bosaanleg op landbouwgrondafronding: * 578 ha 1 010
Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap103 000 ha€ 15916 359
Weidevogelbeheer20 000 ha€ 54510 891
Beheer wintergasten en natuurbraak18 000 ha€ 1823 267
Regeling draagvlak natuur  2 880
Landschapsbeherende stichtingen12 3 721
Soortenbeschermingsplannen5 1 815
Belvedere  1 841
Faunafonds  2 995

*Door middel van proeftuinen wordt onderzocht op welke wijze de uitvoering van de kwaliteitsimpuls landschap het meest doeltreffend kan worden gerealiseerd.

01.14 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
LNV verwervings- enAfronding:  
landinrichtings* 491 ha verwerving€ 58 99128 965
instrumentarium* 50 ha staatsbos ingericht  
 * 150 ha recreatiebos ingericht  
    
 Onderhanden: 5 719
 * 500 ha staatsbos  
 * 1.600 ha recreatiebos  
Groene Hart Impuls60 projecten 4 629
Overig bosaanleg (PPS)  1 038

Toelichting

Het prijspeil voor de normbedragen verwerving en inrichting is 1-1-2001. In het kader van de bufferzoneconvenantafspraken financiert VROM mee. Voor de groene verbindingen financieren decentrale overheden mee aan de verwerving en inrichting.

01.15 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied

 
InstrumentAantal prestatiesTotale uitgaven(x € 1 000)
LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentariumAfronding: * 80 ha recreatie 
 * 100 km paden 
   
 Onderhanden: 
 * 1000 km paden11 212
Regeling Versterking Recreatiesector290 km nationale netwerken1 751
   
Staatsbosbeheer en Recreatieschappen Midden-Delfland en Grevelingen212 815 ha, waarvan SBB 203 976 ha20 922
   
Kennis en deskundigheidsbevordering65 projecten en 1 innovatiecentrum2 785

Toelichting

Het prijspeil voor de gemiddelde bedragen verwerving is 1-1-2001. De inzet van het landinrichtingsinstrumentarium voor investeringen in recreatie in het landelijk gebied bestaat uit een Rijksbijdrage van 50%. Het overige deel komt voor rekening van decentrale overheden. Rijksbijdrage in geval van een Strategisch Groenproject Natuurontwikkeling is 100%.

01.16 Internationaal natuurlijk

 
InstrumentTotale uitgaven(x € 1 000)
Internationale natuurprojecten en contributies2 129

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel283 041273 741257 143267 336266 703
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen t/m 2001116 30094 22367 90446 57632 055
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen m.i.v. 2002166 741179 518189 239220 760234 648
(waarvan apparaat)46 00445 73345 09745 26145 201

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. Grote delen van de programma-uitgaven, zowel voor reeds aangegane verplichtingen als nog aan te gane verplichtingen, zijn benodigd ter realisatie van de doelstellingen van het Structuurschema Groene Ruimte (SGR1 uit 1993). Via de «Bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied» met provincies en het «GSB-convenant» met grote steden is een groot deel van de programma-uitgaven meerjarig bestuurlijk verplicht.

Veronderstellingen

De meest kritische factor voor het bereiken van de ruimtelijke doelen is de beschikbaarheid van voldoende grond tegen een prijs die niet leidt tot verstoring van de grondmarkt. Tot nu toe stond vrijwillige verwerving voorop. De evaluatie van de voortgang van de Strategische groenprojecten wijst uit dat vooral in het Westen grondeigenaren vanwege ontwikkelingen op het gebied van de woningbouw hoge verwachtingswaarden hebben van gronden die bedoeld zijn voor groene projecten. Het is noodzakelijk dat wordt zorg gedragen voor planologische duidelijkheid via streek- en bestemmingsplannen en dat – waar nodig – wordt overgegaan tot zwaardere verwervingsinstrumenten, zoals onteigening, dan wel vrijwillige verwerving op basis van onteigening.

Er moeten mogelijkheden zijn om vanuit de markt te komen tot een aanzienlijke vergroting van de financieringsmogelijkheden van groen, een betere inhoudelijke afstemming van rood en groen en het beter onderling doen aansluiten bij de uitvoering van groene en rode projecten.

Evaluatie

In 2001 is een aantal evaluaties verricht. Belangrijk in deze was de evaluatie van de voortgang van de Strategische Groenprojecten en de relatie hiervan met de VINEX woningbouw. De uitkomsten van deze evaluaties zijn inmiddels aan de Tweede Kamer aangeboden. Een andere evaluatie betrof de WCL's. In deze evaluatie zijn de organisatie, het mobilisatieproces, de realisatie en de continuïteit onderzocht.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor de doelstellingen en streefwaarden met betrekking tot de versterking van de landelijke natuur. De provincies hebben een zeer belangrijke regierol met betrekking tot grondverwerving, (land)inrichting en natuurbeheer. Het Rijk (LNV, VROM, V&W) en provincies sluiten – op basis van een bestuursovereenkomst en provinciale uitvoeringsprogramma's – jaarlijks een vierjaarlijks voortschrijdend uitvoeringscontract. Dit uitvoeringscontract committeert Rijk en provincies, maar laat onverlet de bevoegdheden van de begrotingswetgever en het budgetrecht van Provinciale Staten en de noodzaak te komen tot herziening van afspraken als gevolg van zwaarwegende andere belangen. Het ministerie van LNV is resultaatverantwoordelijk voor de inzet en werking van de beleidsinstrumenten en de nakoming van de internationale verplichtingen.

Groeipad VBTB

De Bestuursovereenkomst die in het kader van het sturingsmodel tussen Rijk en provincies is afgesloten beoogd concrete prestatieafspraken tussen betreffende partijen te beschrijven. Nadere concretisering van te leveren prestaties en bijbehorende prestatie-indicatoren is een groeitraject waaraan door beide partijen wordt gewerkt. De doorwerking van deze verbeteringsslag zal terug te vinden zijn in de volgende begroting. Daarnaast zal in het licht van de interne verzelfstandiging van DLG gewerkt worden aan een betere beschrijving van producten en diensten en prestatiegegevens daarover. Naast aanpassing van de systematiek van de SGR-enquete om te voortgang van de verwerving te monitoren zal in dit kader ook gewerkt worden een verbeterde kostprijsberekening voor de verschillende inrichtingscomponenten. In het kader van het SGR-2 wordt gewerkt aan een vereenvoudiging van beleids- en gebiedscategorieen. Na finale besluitvorming over het SGR-2 zal hier ook de begroting op aangepast worden. Ten aanzien van de reconstructie kan opgemerkt worden dat provincies in hun reconstructieplannen verder uitwerking geven aan de operationele doelen, te bereiken prestaties en de prestatie-indicatoren. Met de input uit de reconstructieplannen kunnen deze nader worden geconcretiseerd.

02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

Algemene beleidsdoelstelling

Er wordt een samenhangend netwerk gerealiseerd van kwalitatief hoogwaardige natuurterreinen, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met als doel:

* het veilig stellen van soorten en ecosystemen;

* productie van schoon water, plantaardige en dierlijke producten, CO2-vastlegging;

* bescherming van landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;

* het voldoen aan recreatieve behoeften;

* het creëren van een aantrekkelijk leefklimaat en vestigingsklimaat.

Grafiek 5: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-5.gif

De EHS vindt zijn grondslag in het SGR en bestaat uit verschillende soorten terreinen: bestaande natuurterreinen, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, beheersgebieden, de Noordzee, grote wateren en rivieren.

Ook in het Regeerakkoord van 1998 en in de nota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur (NvM) zijn ambities geformuleerd met betrekking tot een vergroting van het areaal natuur in Nederland. Belangrijkste speerpunt in Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur met betrekking tot verwerving en inrichting van nieuwe natuur vormen de zogenoemde robuuste verbindingen.

De omvang van de ambities is weergegeven in onderstaande tabel.

 
Terreinsoorttotale oppervlaktegrondslagrealisatie-termijn
bestaande natuurterreinen453 500 ha.SGR2 018
reservaten en natuurontwikkelingsgebieden151 500 ha.SGR2 018
beheersgebieden binnen EHS90 000 ha. SGR2 018
Noordzee, grote wateren en rivieren6 300 000 ha.SGR2 018
robuuste verbindingen13 500 ha.NvM2 020
uitbreiding natte natuur6 500 ha.NvM/RA-982 010
TOTAAL7 015 000 ha.  

Toelichting

De arealen van de terreinsoorten bestaande natuurterreinen, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, ecologische verbindingszones, robuuste verbindingen en uitbreiding natte natuur moeten (gedeeltelijk) worden verworven en ingericht.

Operationele doelstellingen

02.11 Verwerving droge EHS

1. In 2020 is het functioneren van de EHS als netwerk aanzienlijk versterkt door vergroting van de ruimtelijke samenhang. In 2020 zijn er terreinen voor 3 à 4 robuuste verbindingen met een oppervlakte van 13 500 ha verworven.

2. In 2018 omvat de EHS 605 000 hectare bos- en natuurterrein:

* bestaand bos en andere natuurterreinen hebben een omvang van 453 500 ha;

* het areaal dat een functiewijziging moet ondergaan, heeft een omvang van 151 500 ha. (waarvan 1500 ha na 2018 te realiseren).

Streefwaarden

 
Omschrijving met nummer doelstelling2002
Robuuste verbindingen te verwerven (1)810 ha
Bestaand bos en andere natuurterreinen (restant taakstelling) te verwerven (2) 1 064 ha
Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl. Robuuste verbindingen) te verwerven (2)3 913 ha

Beleidsinstrumenten

* Het LNV-verwervingsinstrumentarium

02.12 Verwerving natte EHS

In 2015 is de voor Nederland karakteristieke natte natuur met 11 000 ha toegenomen. Hiervan wordt circa 6500 ha terrein langs de grote wateren en rivieren verworven.

Streefwaarden

 
Omschrijving2002
Natte natuur150 ha

Beleidsinstrumenten

* Het LNV-verwervingsinstrumentarium

02.13 Inrichting droge EHS

1. In 2020 is het functioneren van de EHS als netwerk aanzienlijk versterkt door vergroting van de ruimtelijke samenhang.

* In 2020 zijn door het opheffen van fysieke barrières (ontsnippering) de migratiemogelijkheden binnen en tussen eenheden veilig gesteld. In 2010 is 90% van de geïnventariseerde knelpunten, waar alleen met een infrastructurele maatregel de doorsnijding kan worden opgeheven, opgelost.

* In 2020 zijn er 3 à 4 robuuste verbindingen met een oppervlakte van 13 500 ha ingericht.

* In 2020 zijn er 25 000 ha ecologische verbindingszones, waarvan de helft overlapt met robuuste verbindingen en groen-blauwe dooradering.

2. In 2018 heeft 150 500 hectare verworven grond een functiewijziging ondergaan en is ingericht.

Streefwaarden

 
Omschrijving met nummer doelstelling2002
Percentage taakstelling ontsnippering gerealiseerd (2)10
Robuuste verbindingen in te richten (2)125 ha
Uitbreiding EHS met functiewijziging (exclusief robuuste verbindingen) in te richten2 100 ha

Beleidsinstrumenten

* het LNV inrichtingsinstrumentarium

* Ruimtelijke veiligstelling gebeurt met de volgende instrumenten:

– wettelijke verankering van Vogel- en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet;

– bescherming conform het SGR-2

– ruimtelijke bescherming via doorwerking in bestemmingsplannen in 2005.

– De kwaliteit van de natuur wordt gestuurd door gebruik te maken van de Nederlandse natuurdoeltypenkaart:

– er worden hectares ingericht volgens het Natuurbeleidsplan (LNV, 1990) en Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur (LNV, 2000).

02.14 Inrichting natte EHS

In 2015 is de voor Nederland karakteristieke natte natuur in oppervlakte en kwaliteit versterkt en is duurzaam gebruik gewaarborgd.

1. Versterken van natte natuur, in combinatie met maatregelen die de veerkracht van watersystemen vergroten (meegroeien met water), recreatiemogelijkheden vergroten, en de identiteit van Nederland als waterland versterken:

* er wordt circa 11 000 ha. natte natuur ingericht in en langs de grote wateren en rivieren waarvan circa 4500 ha. in de wateren;

* doelen van de natte onderdelen van de EHS zijn toegewezen en in het verlengde daarvan worden afspraken met belangrijke partijen (Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen, VEWIN, Staatsbosbeheer en particuliere terreinbeherende organisaties) gemaakt.

2. Bevorderen van de duurzaamheid van het gebruik van zee, kust en grote wateren:

* begrenzen en veiligstellen zoals bij de droge EHS;

* het plan van aanpak duurzaam gebruik Noordzee is opgesteld;

* realisering van de trilateraal overeengekomen ecologische doelstellingen voor de Waddenzee;

* in de grote wateren, het IJsselmeer, de Waddenzee en de Delta worden op een evenwichtige manier recreatie en andere gebruiksfuncties gecombineerd.

Streefwaarden

 
Omschrijving met nummer doelstelling2002
In te richten natte natuur (1)650 ha
Formuleren kernkwaliteiten natte natuur (1–2)afgerond

Beleidsinstrumenten

* Het LNV inrichtingsinstrumentarium

* Ruimtelijke veiligstelling gebeurt met de volgende instrumenten:

– Wettelijke verankering van Vogel- en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet;

– Ruimtelijke bescherming via doorwerking in bestemmingsplannen in 2005.

* De kwaliteit van natte natuur wordt gestuurd door gebruik te maken van de natte bouwstenen van de Nederlandse natuurdoeltypenkaart;

* De maatregelen uit het plan van aanpak voor duurzaam gebruik van de Noordzee worden uitgevoerd;

* In beheerspakketten van Programma Beheer en afspraken (o.a. met Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat) worden natte natuurwensen verwerkt;

* Maatregelen voortkomend uit de Startovereenkomst Waterbeheer 21e eeuw, EU-Kaderrichtlijn water, SGR2, 5e Nota RO, de samenwerkingsovereenkomst V&W en LNV (over extra middelen voor ICES natte natuur) worden geëffectueerd;

* In de grote wateren, het IJsselmeer, de Waddenzee en de Delta worden maatregelen getroffen om op een duurzame manier recreatie en andere gebruiksfuncties te combineren;

* De realisatie van de natte natuur gebeurt in combinatie met robuuste verbindingen (natte as, verbinding Veluwe-Utrechtse Heuvelrug) en de kwaliteitsimpuls landelijk gebied (blauwe dooradering, Nieuwe Hollandse Waterlinie) en als gevolg van (onder meer) de implementatie van de Vogel-en Habitatrichtlijn en de Wetlandconventie.

De budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN248 963273 975223 531238 876263 032267 290268 674
waarvan garanties 18 1519 0769 0769 0769 0769 076
Uitgaven248 931255 473225 125238 665264 524270 432272 474
Programma-uitgaven231 524239 611214 095227 784253 099259 230261 272
U0211 Verwerving droge EHS187 866194 943179 907178 594184 524191 246191 790
U0212 Verwerving natte EHS5 8474 8824 0405 09712 09411 56311 563
U0213 Inrichting droge EHS25 03429 15619 89331 49332 06832 83934 337
U0214 Inrichting natte EHS12 77710 63010 25512 60024 41323 58223 582
        
Apparaatsuitgaven17 40715 86211 03010 88111 42511 20211 202
U0221 Apparaat16 50014 88610 34210 23610 78010 55710 557
U0222 Baten-lastendienst907976688645645645645
ONTVANGSTEN29 10015 1129 71212 05414 05314 87914 879

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

De uitgaven voor het apparaat hebben betrekking op Dienst Landelijk Gebied en de directie Natuurbeheer. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op LASER.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DLG114,646,45 325
Personeel DN37,856,82 146
Materieel  2 606
Overig apparaat*  265
Bijdrage aan Laser  688
Totaal apparaatsuitgaven  11 030

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De ontvangsten hebben betrekking op EU-bijdragen in het kader van POP voor verwerving en inrichting en op bijdragen van derden (gemeenten en waterschappen) voor inrichting.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal9 712
EU-ontvangsten6 092
Bijdragen van derden3 176
Overige ontvangsten444

Toelichting programma-uitgaven 2002 aan de hand van prestatiegegevens

Verwerving droge EHS wordt mede gefinancierd vanuit autonome middelen van de provincies. Deze middelen zijn niet verwerkt in het budgettaire beeld, maar wel meegenomen bij definiëring van de streefwaarden met betrekking tot verwerving. Voor diverse programma's dragen de Ministeries van VROM en V&W middelen bij. Ook deze middelen zijn niet verwerkt in het budgettaire beeld, maar wel in de streefwaarden en prestatiegegevens. Dat verklaart de verschillen in de streefwaarden en de vermelde budgetten.

In bijgaande tabel zijn de restanttaakstellingen grondverwerving per 1 januari 2001 aangegeven. Hierin zijn de SGR-categorieën opgenomen conform de bijlage bij de brief van 3 november 2000 aan de Tweede Kamer inzake «middelen natuurbeheer». De in 2000 gerealiseerde hectares zijn hierbij in mindering gebracht op de restanttaakstellingen per 1 januari 2000. Tevens zijn taakstellingen van nieuwe categorieën (VINAC, Natte Natuur en «Natuur voor mensen, mensen voor natuur») toegevoegd. Met deze tabel wordt inzicht gegeven in de restanttaakstellingen per 1 januari 2001 van de grondverwerving ten behoeve van bovenstaande categorieën.

De totale verwervingstaakstelling voor het jaar 2001 is exclusief de aankopen van extra gronden in het kader van de incidentele intensivering van € 45 mln. voor natuur in 2001.

 
Taakstelling in hectaresRestant taakstelling per 1-1-200120012002Restant taakstelling 2003 e.v.
Reservaten (U02.11)32 8601 9692 06928 822
Natuurontwikkeling (U02.11)30 8901 9442 04426 903
Traditioneel natuurterrein (U02.11)19 1501 0641 06417 022
Recreatie- en staatsbos (U01.14)5 5204914914 538
Bosuitbreidingslocaties (U01.13)1 3701371371 096
Bos en landschap in landinrichting (U01.13)1 67093931 484
Recreatie in landinrichting (U01.15)1 44080801 280
VINAC-strategisch groen (U01.14)2 460  2 460
VINAC-strat.gr.(groene verbindingen) (U01.14)345  345
VINAC-regionaal groen (U01.14)438  438
Natte natuur (U02.12)2 9251751502 600
Robuuste verbindingen (U02.11)13 50013881012 552
Kwaliteitsimpuls landschap (U01.13)5 0001001254 775
Kwaliteitsimpuls stadslandschap (U01.14)10 000  10 000
Totaal verwerving (ha)127 5686 1907 062114 315

Toelichting

Bij brief van 3 november 2000 is gemeld dat er in de periode 2000 tot en met 2005 sprake is van een relatief geringe discrepantie tussen kosten en dekking van in totaal € 20 mln. Dit is opgelost door extra grondaankopen in 2000 ten behoeve van de SGR-categorieën.

02.11 Verwerving droge EHS

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Verwerving robuuste verbindingen810 ha€ 29 49623 892
Afronding bestaande natuurterreinen1 064 ha€ 9 0769 656
Verwerving reservaten2 069 ha€ 36 30275 110
Verwerving natuurontwikkeling2 044 ha€ 36 30274 202

02.12 Verwerving natte EHS

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Verwerving terreinen natte natuur150 ha€ 29 4964 424

02.13 Inrichting droge EHS

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Inrichting robuuste verbindingen125 ha 1 702
Inrichting reservatenafronding: * 1 500 ha onderhanden: * 15 000 ha 9 209
Inrichting natuurontwikkelingafronding: * 600 ha onderhanden: * 8 600 ha 9 210

02.14 Inrichting natte EHS

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven(x € 1 000)
Inrichting terreinen natte natuur438 ha€ 23 41310 255

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel225 125238 665264 524270 432272 474
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen     
t/m 200160 19419 15219 15219 15219 152
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen     
m.i.v. 2002164 931219 513245 372251 280253 322
(waarvan apparaat)11 03010 88111 42511 20211 202

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. De programma-uitgaven, zowel voor reeds aangegane als nog aan te gane verplichtingen, zijn benodigd om de Ecologische Hoofdstructuur, zoals vastgelegd in het Structuurschema Groene Ruimte (SGR1 uit 1993), in 2018 te realiseren.

Veronderstellingen

In 2005 is de EHS volledig begrensd en ruimtelijk veiliggesteld tot op bestemmingsplanniveau. Het waterbeheer wordt integraal aangepakt en niet uitsluitend op basis van veiligheidsaspecten maar ook op basis vanaspecten van waterkwantiteit en -kwaliteit, recreatie en natuurontwikkeling. De milieucondities worden gerealiseerd volgens het NMP3. Dit betekent:

* depositienorm: gemiddeld op Nederland maximaal 400 zuurequivalenten per hectare per jaar (streefwaarde NMP3); De kwaliteit is dan ook meer dan voldoende voor landelijk natuurlijk en natte natuur;

* maximaal 25 mg nitraat per liter in het grondwater (EU-nitraatrichtlijn) en maximaal 0,15 mg fosfaat per liter in oppervlaktewateren (NMP3);

* realisatie van robuuste verbindingen is mogelijk nadat in de Vijfde Nota RO definitief over aanwijzing wordt besloten.

Evaluatie

Rijk, provincies, waterschappen, beheerders van natuurgebieden en overige betrokkenen ronden voor 2003 een onderzoek af naar versterking van het functioneren van de EHS. Er is een relatie met waterbeheer en de 20 grote eenheden waarop gestuurd wordt. Daarnaast beschrijft de Natuurbalans jaarlijks de voortgang van de beleidsuitvoering op het terrein van natuur, bos en landschap. Tenslotte is er een 4-jaarlijksse natuurverkenning

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is resultaatverantwoordelijk voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting). LNV is resultaatverantwoordelijk voor de inzet en werking van de beleidsinstrumenten.

Groeipad VBTB

Analoog aan hetgeen gesteld is bij het groeipad bij beleidsartikel 1 Versterking Landelijk gebied zal gewerkt worden aan een verbeterde verantwoordingssystematiek voor realisatie van de verwervingstaakstellingen in de plaats van de SGR-enquete en een verbeterde kostprijsberekening voor de verschillende inrichtingscomponenten. Daarnaast zal in het kader van het SGR-2 gewerkt worden aan een vereenvoudiging van het aantal beleids- en gebiedscategorieën. Na besluitvorming hierover zal dit zijn beslag in de begroting krijgen.

03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

Algemene beleidsdoelstelling

Er wordt een samenhangend netwerk beheerd van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De kern wordt gevormd door 17 Nationale Parken en een grensoverschrijdend park. Ook historische buitenplaatsen, multifunctioneel bos en gebieden met agrarisch natuurbeheer vormen een onderdeel van de EHS. De beheerbijdrage is afhankelijk van de gerealiseerde natuurkwaliteit via een systematiek van natuurdoeltypen. Met de EHS wordt in belangrijke mate invulling gegeven aan een aantal internationale verplichtingen zoals het Biodiversiteitsverdrag, de Ramsar-conventie, en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De EHS is onderdeel van het te ontwikkelen Pan-Europese ecologische netwerk. Het beheer van droge natuur vindt plaats door Staatsbosbeheer, gemeenten, particuliere terreinbeherende organisaties en overige particulieren. Voor het beheer van natte natuur is vooral Rijkswaterstaat verantwoordelijk. Beheer betreft reguliere maatregelen zoals maaien en snoeien maar ook invulling van herstelbeleid, bijvoorbeeld door maatregelen te nemen tegen verzuring, verdroging en vermesting. Ook beheer van bezoekerscentra, educatie en voorlichting vormen een onderdeel van het beheer. Het systeem van het beheer van de natuur in Nederland is herzien in het kader van het Programma Beheer (Kamerstukken II, 25 420 nr 1).

Grafiek 6: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-6.gif

Operationele doelstelling

03.11 Beheer van de EHS

Deze operationele doelstelling omvat het realiseren van de natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de natuurdoeltypenkaart, het beheer van bos en andere droge natuur, het beheer van natte natuur en het nakomen van internationale verdragen.

Streefwaarden

 
OmschrijvingToename in 2002Totaal areaal 2002
Percentage oppervlakte gerealiseerde natuurdoelenp.m.p.m.
Droge natuur exclusief robuuste verbindingen4 704 ha48 479 ha
Uitbreiding natte natuur650 ha5 250 ha

De streefwaarde voor de oppervlakte gerealiseerde natuurdoelen wordt in afwachting van de vaststelling van de natuurdoelenkaart later vastgesteld.

Beleidsinstrumenten

* Internationale afspraken vastgelegd in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Ramsar-conventie

* Natuurbeschermingswet

* Programma Beheer

* Natuurdoeltypenkaart

* Regelingen voor terreinbeherende organisaties

* CO2-certificaten

* bescherming conform het SGR-1

* Regeling versterking bos/natuur (VNBL)

* Regeling Nationale Parken

* Regeling historische parken en buitenplaatsen

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN215 126192 323137 082138 874135 010141 498145 348
UITGAVEN126 694141 975136 076137 330139 383146 163150 012
Programma-uitgaven108 359123 991124 382125 716127 769134 429138 278
U0311 Beheer van de EHS.108 359123 991124 382125 716127 769134 429138 278
        
Apparaatsuitgaven18 33517 98411 69411 61411 61411 73411 734
U0321 Apparaat10 0229 0415 3835 3945 3945 5145 514
U0322 Baten-lastendienst8 3138 9436 3116 2206 2206 2206 220
ONTVANGSTEN6 10610 0219 84910 5759 9909 4799 479

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht aan de hand van prestatiegegevens

De uitgaven voor het apparaat hebben betrekking op de Dienst Landelijk Gebied en de beleidsdirectie Natuurbeheer. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op LASER.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DLG56,146,42 607
Personeel DN25,756,81 463
Materieel  1 192
Overig apparaat*  122
Bijdrage aan Laser  6 310
Totaal apparaatsuitgaven  11 694

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De ontvangsten hebben met name betrekking op EU-bijdragen in het kader van co-financiering van het Programma Beheer en de regeling beheersovereenkomsten natuurontwikkeling RBON (2002: € 9,7 mln.).

Toelichting programma-uitgaven 2002 aan de hand van prestatiegegevens

03.11 Beheer van de EHS

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven (x € 1 000)
Beheer bestaand bos, natuurterrein en landschap420 000 ha€ 15966 706
Agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer63 000 ha€ 54534 306
Onderhoud historische parken en tuinen260 2 042
Herstel historische parken en tuinen35 272
Particulier natuurbeheer en functiewijziging279€ 1 516423
Beheer Natuurbeschermingswet4 500 ha€ 2501 123
Beheer nationale parken105 800 ha€ 454 824
Overlevingsplan bos en natuur300 9 257
Beheer natte natuur4 600 ha€ 91417
Specifieke thema's  5 012

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel136 076137 330139 383146 163150 012
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen t/m 200148 78143 56343 10929 72314 839
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen m.i.v. 200287 29593 76796 274116 440135 173
(waarvan apparaat)11 69411 61411 61411 73411 734

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. De meerjarige (in verband met areaaluitbreiding) oplopende programma-uitgaven zijn niet flexibel, daar deze benodigd zijn om de Ecologische Hoofdstructuur adequaat te beheren.

Evaluatie

Het instrument Programma beheer wordt in 2003 geëvalueerd. Het ministerie van LNV evalueert periodiek, om te beginnen in 2002, vergunningen en ontheffingen verstrekt door provincies in het kader van de gedecentraliseerde wetgeving Natuurbeschermingswet. Rijk en provincies evalueren de Landelijke Natuurdoelen bij een nieuw SGR of een nieuwe natuurnota. Dit is in elk geval iedere 4 jaar.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor de behaalde natuurkwaliteit door terreinbeheerders en resultaatsverantwoordelijk voor het opstellen van de natuurdoeltypenkaart en voor het begrenzen van gebieden. LNV is tevens resultaatverantwoordelijk voor de inzet en werking van de overige beleidsinstrumenten.

Groeipad VBTB

Op dit moment wordt gewerkt aan de Natuurdoelenkaart die beoogt aan te geven waar welke natuurkwaliteit voor de EHS in 2018 gerealiseerd moet worden. Deze Natuurdoelenkaart wordt vastgesteld in het SGR-2. Na besluitvorming over het SGR-2 zal de voortgang van de realisatie van de gestelde doelen zichtbaar gemaakt worden in de begroting.

04 Economisch perspectiefvolle agroketens

Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling is de bevordering van economisch perspectiefvolle en internationaal concurrerende agroketens.

De overheid ziet zich geplaatst voor de uitdaging om de condities te scheppen waaronder de agrosector zich duurzaam kan ontwikkelen en rekening houdt met maatschappelijke wensen. Dit doet zij onder meer door:

* het stimuleren en faciliteren van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

* het stimuleren van vernieuwing in de keten op gebieden als differentiatie (streekproducten, biologische producten), logistiek (transportpreventie), marketing, kwaliteit, garantiesystemen, informatievoorziening en duurzame ketens;

* de inzet van het exportinstrumentarium (inclusief de instrumenten van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken);

* het ondersteunen van belangrijke processen van herstructurering in de veehouderij, de glastuinbouw en de visserij.

Op deze wijze draagt de overheid bij aan (her)nieuw(d) perspectief voor de agrosector en blijft de Nederlandse agrosector internationaal concurrerend op vooral hoog ontwikkelde markten.

Grafiek 7: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-7.gif

Operationele doelstellingen

04.11 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex

Het kabinet heeft voor 2010 een duurzaam werkend, op eigen kracht internationaal concurrerend agro-foodcomplex voor ogen, dat midden in de samenleving staat en toonaangevend is binnen Europa. Een agro-bedrijfsleven dat, ondanks afnemende marktondersteuning door de overheid, nieuwe strategieën ontwikkelt en zich richt op technologische en innovatieve ontwikkelingen die zich – deels buiten de agrosector – voltrekken en op de mogelijkheden in internationale markten.

Aangrijpingspunten voor bepaling van de concurrentiekracht van het agrofoodcomplex zijn in dit verband de volgende factoren:

* het vermogen tot aanpassing aan de markt;

* het ondernemersklimaat;

* het vermogen om in flexibele netwerken en ketens samen te werken;

* de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige productiefactoren;

* de juridische en bestuurlijke institutionele omgeving;

* een internationaal speelveld, dat goed toegankelijk is en wordt benut.

De volgende subdoelstellingen kunnen worden onderscheiden:

* het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentie van Nederlandse bedrijven en agrarische producten op buitenlandse markten;

* het verbeteren van het imago van Nederlandse agrarische producten;

* verbeteren van energie-efficiency in bedrijven, gebaseerd op reële besparingsmogelijkheden.

Streefwaarden

 
 2002
Gerealiseerde bilaterale agro-economische samenwerkingsactiviteiten75%
Imago Nederlands agrarisch product op de Duitse markt62

Een belangrijke indicator voor het effect van het internationaliseringsprogramma vormt de mate van realisatie van bilaterale agro-economische samenwerkingsactiviteiten. Aangezien deelname aan activiteiten grotendeels voor kosten van de deelnemers komt, indiceert de mate van realisatie de aansluiting op de behoeften van de doelgroep.

Voor het Masterplan Duitsland wordt – om het jaar – het imago van agrarische producten uit Nederland, Duitsland en de belangrijkste concurrent aanbieders in de EU gemeten (op een schaal tot 100). In 1998 lag de algehele waardering van het Nederlandse agrarische product in Duitsland nog op 55 en in 2000 was dit inmiddels gestegen tot 59.

Beleidsinstrumenten

Bilaterale agro-economische samenwerking gericht op de agrarische sector en op het internationale vlak actieve Nederlandse bedrijven: in nauwe samenspraak met de Agrarische Vertegenwoordiging in het Buitenland en in overleg met het belanghebbend bedrijfsleven, wordt jaarlijks een uitgebreid spectrum van activiteiten ontwikkeld waaronder seminars, handelsmissies, handelscontact bijeenkomsten, groepsdeelname aan vakbeurzen en informatiestands. Ondersteuning voor markttoegang gebeurt door marktanalyses en sectorstudies. Daarnaast vinden met een reeks van landen onderhandelingen plaats, vooral over handelsbelemmerende veterinaire- en fytosanitaire regelgeving. In de ondersteuning van marktpenetratie wordt, in samenhang met de institutionele samenwerking die het ministerie van LNV aldaar ontwikkelt, een belangrijk accent gelegd op Centraal- en Oost-Europa. Tevens wordt in het kader van marktpenetratie gewerkt aan de continuering van de bestaande 4 centra voor training en technologie-overdracht en wordt de opzet van 3 nieuwe centra voorbereid.

Het Masterplan Duitsland/Nachbarland Niederlande is gericht op de Duitse consument. De communicatiecampagne is een publiek-privaat-samenwerkingsproject, waarin de ministeries van LNV, EZ, BuZa en agrarische productpromotie organisaties participeren. De campagne heeft een looptijd van 4 jaar (1999 t/m 2002) en er worden uiteenlopende, specifiek op de doelstelling gerichte instrumenten ingezet.

Meerjarenafspraken energie-efficiency (MJA's) tussen overheid en bedrijfsleven gericht op de Nederlandse voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI) De MJA's zijn bedoeld om bedrijven te faciliteren bij het nemen van energiebesparende maatregelen, om besparingsresultaten te monitoren en om nieuwe energiebesparingsmogelijkheden te onderzoeken en toe te passen. In de MJA's worden specifieke efficiency-doelstellingen vastgesteld per sector in de VGI.

04.12 Herstructurering Veehouderij

De operationele doelstelling is het voorkómen van een landelijk niet plaatsbaar mestoverschot in 2003 door het leveren van een aanzienlijke bijdrage aan de reductie van het berekende landelijke mestoverschot respectievelijk per 1-1-2002 (tussennormen) en per 1-1-2003 (eindnormen). Hiermee wordt beoogd op korte termijn een goede uitgangssituatie te verkrijgen voor het mestbeleid, dat gebaseerd is op MINAS en het stelsel van mestafzetovereenkomsten. Het beleid richt zich op potentiële bedrijfsbeëindigers in de varkens-, pluimvee- en rundvleessector.

Streefwaarden

In mei 2001 heeft de Permanente Commissie van Deskundigen Mest- en Ammoniakproblematiek onder verantwoordelijkheid van het Milieuplanbureau een verondersteld mestoverschot in 2003 op basis van de huidig genomen maatregelen berekend van 8 miljoen kg fosfaat. De Commissie heeft de effecten van de afroming, de korting in het kader van de Whv en de opkoopregelingen in de berekening van de mineralen-productie in 2003 verdisconteerd. In dit cijfer zijn ook de effecten van de 1e tranche Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) verdisconteerd (5 mln. kg fosfaat).

 
Schatting landelijk mestoverschot in 2003Miljoen kg. Fosfaat
Mineralenproductie166
af: plaatsingsruimte (inclusief export)158
Resterend overschot8

De overheid heeft zich niet gecommitteerd aan het opkopen van het gehele overschot. Immers, de conclusie van de ex ante evaluatie (Van Rhenen) is dat voor een succesvolle introductie van MINAS een globaal evenwicht per 1-1-2002 en 1-1-2003 volstaat.

Indicatoren voor het monitoren van de realisatie van de streefwaarde zijn:

* berekening van het landelijk mestoverschot (Permanente Commissie van Deskundigen Mest- en Ammoniakproblematiek);

* monitoring van het aantal kilogrammen fosfaat dat door de overheid uit de markt is gehaald.

Beleidsinstrumenten

Belangrijkste instrument voor de reductie van het mestoverschot is de RBV. Op grond van deze regeling wordt fosfaat uit de markt gehaald door veehouders die de varkens-, kippen- of rundvleestak willen beëindigen een subsidie te verlenen per forfaitaire kilogram fosfaat, indien zij de desbetreffende dier- of mestproductierechten laten doorhalen. In het kader van de eerste openstelling van de regeling zal ca. € 129 mln. worden uitgegeven. Voor de opkoop van rechten is in 2001 en 2002 nog € 175 mln. beschikbaar. Veehouders in de reconstructiegebieden kunnen aanvullend ook een beroep doen op een door de desbetreffende provincies te financieren vergoeding per m2 voor de sloopkosten en de restwaarde van de te slopen gebouwen. Door deze aanvullende subsidie wordt de aantrekkelijkheid van de RBV vergroot, in het bijzonder in die gevallen waarbij het de veehouder niet wordt toegestaan om een woonbestemming te geven aan de vrijgekomen ruimte op de huiskavel.

Voorts wordt aan de herstructureringsdoelstelling bijgedragen door een deel van de productierechten bij verhandeling af te romen. Bij varkensrechten is dit afromingspercentage 60% en bij pluimvee- en mestproductierechten 25%.

Ter begeleiding van de herstructurering zijn tenslotte flankerende maatregelen ontwikkeld, onder andere in de vorm van een sociaal economisch plan (SEP) en een inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen in de veehouderij (IOZV).

04.13 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie

Het operationele doel voor zowel glastuinbouw als energie is een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw. Om perspectiefvol te zijn moet economisch en vraaggericht worden geproduceerd met aandacht voor kwaliteit en innovatie van producten en productieprocessen. Duurzaam houdt onder meer in dat de productie plaatsvindt binnen de (wettelijke) randvoorwaarden voor energie, milieu, ruimtelijke kwaliteit en sector, danwel op een vrijwillig gekozen hoger niveau.

Subdoelen daarbij zijn:

* een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw in economische en milieutechnische zin;

* een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw qua ruimtelijke kwaliteit;

* een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw met een vraaggestuurde hoogwaardige productie.

Voor de glastuinbouw maken de energiedoelstellingen overigens onderdeel uit van de Integrale Milieu Taakstelling (IMT). De volgende doelgroepen worden onderscheiden: bedrijven in de primaire sector, provincies en gemeenten en ketenpartijen, inclusief de consumenten en maatschappelijke organisaties Duurzaam gebruik van energie past in de context van het energiebesparingsbeleid, het klimaatbeleid en de nota Voedsel en Groen. Sinds 2000 is het ministerie van LNV verantwoordelijk voor het energiebesparingsbeleid voor de primaire productie. Het beleid bestaat uit afspraken over de verbetering van de energie-efficiency neergelegd in de Meerjarenafspraken Energie Paddestoelen en Bloembollen en het Convenant Glastuinbouw en Milieu (Glami).

Streefwaarden

1. Economisch en milieutechnisch

In de periode 1997 t/m 2006 is de (achterhaalde) bedrijfsstructuur op 25% van het glastuinbouwareaal verbeterd. Tot en met 2000 is circa 400 ha nieuw glas gerealiseerd; In 2001–2006 zal ca 600 ha nieuw glas worden gerealiseerd op bedrijven die hun bedrijfsstructuur hebben verbeterd.

Met betrekking tot energie is vastgelegd:

• glastuinbouw: 65% energie-efficiencyverbetering in 2010 t.o.v. 1980 en een aandeel duurzame energie van 4% in 2010 (Glami/IMT)

• paddestoelensector: 20% energie-efficiencyverbetering in 2005 t.o.v. 1995 en een aandeel duurzame energie van 5% in 2005 (Meerjarenafspraak Energie Paddestoelen)

• bloembollensector: 22% energie-efficiencyverbetering in 2005 t.o.v. 1995 en een aandeel duurzame energie van 4% in 2005 (Meerjarenafspraak Energie Bloembollen)

In het Glami/IMT zijn voorts de volgende taakstellingen voor 2010 opgenomen (alle ten opzichte van 1984–1988)

* gewasbeschermingsmiddelen:

• 72% vermindering van het verbruik

• 88–72% emissiereductie (lucht)

• >75% emissiereductie (bodem, grondwater)

• 95% emissiereductie (oppervlaktewater)

* vermesting:

• 95% emissiereductie stikstof en fosfaat (t.o.v. 1985)

2. Ruimtelijke kwaliteit

In de periode 2000–2010 wordt de omslag gemaakt van (nu merendeels) autonome vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven naar projectvestigingslocaties met een omvang van 2700 ha netto glas. Het ontwikkelen van verspreid gevestigde nieuwe glastuinbouwbedrijven is in 2010 gestopt. In de periode tot 2006 is de verbetering van de infrastructuur in de bestaande gebieden Westland en Aalsmeer gerealiseerd. In deze kabinetsperiode wordt gestreefd naar de realisatie van projectvestigingsruimte voor circa 450 ha netto glas.

Beleidsinstrumenten

Het beleid voor een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouwsector en energiebesparing kent diverse ingangen: regelgeving, subsidies/fiscaal, onderzoek, communicatie/voorlichting.

1. Regelgeving

* AmvB Glastuinbouw: gaat in per 1-1-2002. Taakstelling is de realisatie van de Integrale milieutaakstelling 2000–2010.

* Landbouwkwaliteitswet en Bestrijdingsmiddelenwet: deze regelgeving draagt tevens bij aan voedselveilige producten.

2. Subsidies/fiscaal

* Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG): subsidie voor vernieuwende investeringen op bedrijven die hun bedrijfsstructuur verbeteren en subsidie voor afbraak van glas op beëindigende bedrijven.

* Infrastructuurregeling: subsidieregeling in samenwerking met gemeenten en waterschappen ter verbetering van de infrastructuur in de glastuinbouwgebieden Westland en Aalsmeer.

* Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden(Stidug): bevordert de ontwikkeling van projectvestiginglocaties en de hoogwaardige en duurzame inrichting ervan. Najaar 2001 zal de eerste tranche worden geëvalueerd. In 2002 zal de regeling opnieuw worden opengesteld.

* Fiscale instrumenten: EIA, VAMIL, Groen beleggen, MIA, REB.

3. Onderzoek

* Stimulering van onderzoeksinfrastructuur: komende jaren zal begonnen worden met de bouw van een nieuw proefstation voor de Bloemisterij en Glasgroenten te Bleiswijk.

* Het ministerie van LNV levert in 2002 een extra bijdrage aan energieonderzoek in de glastuinbouw, bloembollen en paddestoelensector. De onderzoeksresultaten zijn tijdig beschikbaar voor kennisoverdracht aan ondernemers en voor internationale en nationale beleidstrajecten en implementatie.

4. Communicatie / voorlichting, inclusief demonstratie- en bestaande innovatieprojecten

* Certificering: het ministerie van LNV sluit met registratie voor regelgeving aan bij certificeringssystemen in de markt, gericht op kwaliteit, milieu en consument.

* Daarnaast stimuleert het ministerie van LNV in de periode 2001–2004 voorlichtingsprojecten gericht op de verbetering van het energiemanagement in de glastuinbouw, bloembollen en paddestoelenteelt met het oog op de liberalisering van de energiemarkt.

* Stimulering van demonstratieprojecten in de glastuinbouw, bloembollen en paddestoelensector in het kader van de aparte energietender binnen de demonstratieregeling.

04.14 Herstructurering visserij

Het visserijbeleid beoogt een vitale visserij te bevorderen die rekening houdt met de draagkracht van het ecosysteem.

Streefwaarden

Op het terrein van het vlootstructuurbeleid wordt gestreefd naar evenwicht tussen te vangen hoeveelheden vis en de vangstcapaciteit van de vloot.

Beleidsinstrumenten

Vlootstructuurbeleid/regulering vangstmogelijkheden: voor het scheppen van evenwicht tussen de vangstcapaciteit van de Nederlandse vissersvloot en de vangstmogelijkheden is een zeedagenregeling, sanering of een combinatie van beide mogelijk. Zodra de EU goedkeuring geeft aan het Enig Programmerings Document voor de vissector kan ook een beroep worden gedaan op een bijdrage vanuit de Europese FIOV-middelen (Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij).

Technische maatregelen en onderzoek: om de herstructurering van de visserij te bevorderen worden technische maatregelen ontwikkeld en voorgeschreven. Het gaat hierbij niet alleen om aanpassingen in bestaande technieken, maar ook om het stimuleren van de ontwikkeling van een elektrische pulsekor.

Teneinde Nederlandse vissers te kunnen laten vissen op verre visgronden, is een samenwerkingsovereenkomst met Mauritanië gesloten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
04 Economisch perspectiefvolle agroketens2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN419 433236 952178 03190 90690 11370 36167 380
UITGAVEN360 960268 317187 39089 68087 97377 07077 070
Programma-uitgaven323 464227 712146 77251 11849 99539 33839 338
U0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex9 30610 6509 1206 2706 0887 2687 268
U0412 Herstructurering Veehouderij246 071173 948101 0385 6584 5503 4833 483
U0413 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie54 47419 06423 00125 57725 74428 58728 587
U0414 Herstructurering visserij13 61324 05013 61313 61313 61300
        
Apparaatsuitgaven37 49640 60540 61838 56237 97837 73237 732
U0421 Apparaat22 29221 94320 49220 10219 94719 94819 948
U0422 Baten-lastendienst15 20418 66220 12718 46018 03117 78417 784
ONTVANGSTEN2 297162 17870 6661 5941 9122 1842 184

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht aan de hand van prestatiegegevens

De uitgaven voor het apparaat hebben betrekking op de AID, de DLG en de beleidsdirecties Landbouw en Industrie en Handel. De uitgaven voor de baten-lastendiensten hebben betrekking op Bureau Heffingen en LASER.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DLG4,046,4185
Personeel DL41,054,92 249
Personeel I&H32,851,21 680
Personeel AID262,845,411 923
Materieel  4 416
Overig apparaat*  39
Bijdrage aan Bureau Heffingen  16 131
Bijdrage aan Laser  3 995
Totaal apparaatsuitgaven  40 618

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De hoge ontvangsten in 2001 en 2002 zijn met name het gevolg van ontvangsten uit het O&S-fonds voor de landbouw ter dekking van de uitgaven van de RBV-regeling (2001: € 149 mln. en 2002: € 69 mln.). De overige ontvangsten betreffen voornamelijk de EU-bijdragen voor de herstructurering van de glastuinbouw.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal70 666
Regeling beëindiging veehouderijbedrijven68 975
Overige ontvangsten1 691

Toelichting programma-uitgaven 2002 aan de hand van prestatiegegevens

04.11 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie(x € 1 000)Totale uitgaven(x € 1 000)
Bilaterale economische samenwerking (projecten)12032,93 893
Masterplan Duitsland/Nachbarland Niederlande  2 677
Energie  1 617
Overige (projecten)2048933

04.12 Herstructurering Veehouderij

Voor de herstructurering van de veehouderij zijn behalve op de begroting van het ministerie van LNV ook middelen beschikbaar in het O&S-fonds voor de Landbouw.

De bijdrage in 2002 uit het O&S-fonds ten behoeve van de openstelling van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) van € 82,8 mln. is in de LNV-begroting verwerkt. Onderstaande tabel is gebaseerd op een opkoop van 5 mln. kilogram fosfaat tegen een vergoeding van € 16,56 per forfaitaire kg. fosfaat.

Regeling Beëindiging Veehouderijtakken openstelling 2001/2002
 aantal varkenseenheden x 1 000 aantal kg. fosfaat forfaitair x 1 mln.aantal kg. fosfaat werkelijk x 1 mln.%Verplich-tingen x € 1 mlnUitgaven x € 1 mln
RBV varkens0,53,452,0769%57,157,1
RBV kippen 1,451,1629%24,024,0
RBV rundvee 0,100,102%1,71,7
RBV totaal 5,003,33100%82,882,8

Toelichting

De bijdrage aan de reductie van het mestoverschot wordt niet bepaald op basis van de forfaitaire fosfaatproductie, maar op basis van de verwachte werkelijke fosfaatproductie.

04.13 Herstructurering glastuinbouw en energie

 
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie(x € 1 000)Totale uitgaven(x € 1 000)
RSG220 hectare459 982
STIDUG150 hectare456 807
Energie en demoregeling  2 128
Landinrichtingsprojecten  4 084

04.14 Herstructurering visserij

 
InstrumentTotale uitgaven (x € 1 000)
Vlootstructuurbeleid10 891
Technische maatregelen en onderzoek1 361
Samenwerkingsovereenkomst1 361

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel187 39089 68087 97377 07077 070
      
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen t/m 2001119 67614 1898 6907 5453 483
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen m.i.v. 200267 71475 49179 28369 52573 587
(waarvan apparaat)40 61838 56237 97737 73237 732

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. De programma-uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen liggen grotendeels vast in meerjarige bestuurlijke afspraken. Dit omvat o.a. de afspraken met de visserijsector in verband met de brandstofcompensatiemiddelen, het agrofoodcomplex (Masterplan Duitsland) en de meerjarenafspraken energie en herstructurering glastuinbouw (RSG en Stidug).

Veronderstellingen

De beleidsinzet bij versterking van de concurrentiekracht van het agro-foodcomplex gaat er vanuit dat in het komende decennium de Nederlandse agrosector zich zodanig aan zal moeten kunnen passen dat voldaan wordt aan milieu-eisen, aan eisen op het gebied van voedselveiligheid en aan eisen van de markt. Bovendien zal de Nederlandse agrosector haar weg moeten weten te vinden in een wereld waarin sprake is van een voortgaand proces van handelsliberalisatie, relatief hoge kostprijzen in het eigen land en toenemende concurrentie uit nieuwe productiegebieden.

De beleidsinzet bij het verbeteren van energie-efficiëncy is gebaseerd op het commitment dat Nederland en de Europese Unie zijn aangegaan in Kyoto (1997) voor het terugdringen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen.

Nederland heeft bij de EC een derogatieverzoek ingediend voor het gebruik van mineralen op gras- en bouwland. Bij de berekening van het mestoverschot is er vanuit gegaan dat de EC dit verzoek honoreert. Daarnaast is de bereidheid van veehouders tot beëindiging van belang.

Voor het behalen van de beleidsdoelen glastuinbouw is de economische situatie van belang op het tijdstip en de mate waarin ondernemers investeren in beleidsmatig gewenste investeringen. Daarnaast is het van belang dat de bedrijven met een herstructureringsopgave prioriteit geven aan de investeringsinhaalslag. Tenslotte is het stoppen van verspreide nieuwvestiging afhankelijk van vrijwillige medewerking van ondernemers en van het actualiseren van (streek- en) bestemmingsplannen.

Evaluatie

Eens in de drie jaar wordt een waarderingsonderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van de beleidsinstrument die voor de versterking van de concurrentiekracht worden ingezet. De eerst volgende keer is in 2002. Het streven is voor het einde van 2001 een evaluatie van de WHV naar de Tweede Kamer sturen. In 2002 zal de evaluatie plaatsvinden van de meststoffenwet. Er zal monitoring plaatsvinden van de AmvB glastuinbouw (jaarlijks), de RSG (per openstelling), het Stallingsbedrijf (jaarlijks), de Infrastructuurregeling (jaarlijks), Stidug (per openstelling) en de fiscale instrumenten. Er vindt evaluatie plaats van de AmvB glastuinbouw (2003, 2005 en 2010), het onderzoek (programmacyclus), de voorlichting (programmacyclus) en de demonstratie- en innovatieprojecten (programmacyclus). Bij de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid zullen de effecten van sanering in Europees verband aan de orde komen.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor de doelstellingen en streefwaarden met betrekking tot de economisch perspectiefvolle agroketens. LNV is resultaatsverantwoordelijk voor de inzet en werking van beleidsinstrumenten die gericht zijn op een effectieve bijdrage aan de ontwikkeling van de concurrentiekracht van de sectoren en bedrijven.

Voor het bereiken van een globaal evenwicht op de mestmarkt is LNV systeemverantwoordelijk.

Groeipad VBTB

In Europees verband vindt op dit moment de discussie plaats over de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Aan de orde is o.a. de noodzaak en wenselijkheid van beleid gericht op de omvang van de vissersvloot (tot dusverre via de Meerjarige oriëntatieprogramma's voor de visserij). Omdat de Europese streefwaarden op het terrein van de vlootcapaciteit naar verwachting pas in 2002 zullen worden vastgesteld, is het niet mogelijk om in deze begroting zinvolle streefwaarden op te nemen. Afhankelijk van het moment van de Brusselse besluitvorming zullen de streefwaarden m.b.t. het capaciteitsbeleid in de begroting worden opgenomen.

05 Bevorderen duurzame productie

Algemene doelstelling

Algemene doelstelling is de bevordering van duurzame productie door sectoren in de land-, tuinbouw en visserij. Voor de laatstgenoemde sector betekent dit specifiek het bevorderen van een visserij die rekening houdt met de draagkracht van het ecosysteem in het water.

De productiesectoren staan de komende jaren voor een forse opgave om te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van product en productiewijze. Deze verwachtingen – bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveiligheid, dierenwelzijn, natuur en milieu – ontwikkelen zich snel en vormen de «licence to produce» voor het bedrijfsleven. Het is primair aan het bedrijfsleven zelf om daarop in te spelen en «tekorten» tussen dat wat de samenleving verlangt en dat wat het bedrijfsleven biedt weg te werken.

De overheid ondersteunt dit proces door enerzijds heldere randvoorwaarden te stellen en anderzijds ontwikkelingen in de richting van duurzame productie te stimuleren. Dit in samenhang met de bevordering van herstructurering onder beleidsartikel 4, die uiteraard ook bijdraagt aan duurzame productie.

Grafiek 8: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-8.gif

Operationele doelstellingen

05.11 Bevorderen biologische landbouw

De doelstelling van de Beleidsnota biologische landbouw 2001–2004 is de ontwikkeling naar een op eigen kracht internationaal concurrerende duurzame sector, die midden in de samenleving staat en toonaangevend is in Europa. De invalshoek die daarbij wordt gekozen is een vraaggerichte benadering. De wensen van burger en consumenten zijn leidend en sturen het agrofoodcomplex aan. De belangrijkste beleidsspeerpunten betreffen het professionaliseren van vraaggerichte ketens, een optimale transparantie en sluitende biologische ketens, kennisontwikkeling en -verspreiding en het stimuleren van de biologische primaire productie.

Streefwaarden

De geformuleerde kwalitatieve doelstelling uit de Beleidsnota kan worden «vertaald» in een kwantitatieve richtinggevende streefwaarde van 10% biologisch areaal in 2010. Deze streefwaarde betekent een jaarlijkse groei van 20–25%. De groei van de biologische landbouw komt niet alleen tot uiting in het aantal ha maar ook in de groei van het aantal niet grondgebonden bedrijven. Immers, de doelstelling is ook van toepassing op bijvoorbeeld de glastuinbouw en de veehouderij.

Met betrekking tot het beleidsspeerpunt «Professionaliseren van vraaggerichte ketens» is met partijen een convenant overeengekomen, waarin een ambitie is geformuleerd dat 5% van de totale consumentenbestedingen in Nederland in 2004 biologisch is. Op basis van de ontwikkeling van de ketenbusinessplannen (afronding in 2001) kan de genoemde ambitie worden vertaald naar groeiprognoses voor de komende jaren.

 
OmschrijvingStreefwaarde 2002
groei in ha6 600–9000
groei in aantal bedrijven350–475
groei RSBP in ha7 300

Beleidsinstrumenten

Het ministerie van LNV zet in 2002 de volgende beleidsinstrumenten in:

* professionaliseren van de ketens: dit zal in 2002 vooral in het teken staan van de uitvoering van de in 2001 opgestelde ketenbusinessplannen voor zuivel, aardappelen, groeten en fruit, vlees, maaltijden en brood en de wijze waarop LNV de ontwikkeling van deze sectoren zal stimuleren. Daarnaast zal in 2002 een gezamenlijk met de sector ontwikkeld communicatieplan worden uitgevoerd;

* kennisontwikkeling en -verspreiding;

* stimulering van de biologische primaire productie: voor een weloverwogen keuze tot omschakelen naar biologische productie door ondernemers wordt een regeling opengesteld waarbij het opstellen van een bedrijfsgericht ontwikkelingsplan financieel zal worden ondersteund.

05.12 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen

De doelstelling richt zich op de situatie dat er sprake is van een globaal evenwicht op mestmarkt. De situatie doet zich feitelijk voor wanneer de operationele doelstelling 04.12 Herstructurering Veehouderij is gerealiseerd. Om te komen tot een duurzame productie in de landbouw dient het gebruik van mineralen in de land- en tuinbouw dient plaats te vinden binnen de milieurandvoorwaarden. Het mest- en mineralengebruik (stikstof en fosfaat) dient te worden beperkt tot een hoeveelheid waarbij de milieunormen voor het grond- en oppervlaktewater niet worden overschreden. De verliesnormen op bedrijfsniveau mogen niet worden overschreden en er moet evenwicht komen tussen het aanbod van mineralen en de vraag binnen de Nederlandse land- en tuinbouw gegeven de normen in 2002 (tussennormen) en de periode na 2002 (eindnormen).

Streefwaarden

 
OmschrijvingStreefwaarde 2002
Aantal bedrijven met overschrijding van de verliesnormen0

De MINAS-heffing is zodanig bepaald dat bedrijven zich naar verwachting zullen houden aan de verliesnormen, omdat beperking van het mineralenoverschot op het bedrijf goedkoper is dan het betalen van de heffing. Tot 2003 zit er een staffeling in de heffing, hetgeen inhoudt dat niet alle heffingen prohibitief zijn. Dit leidt ertoe dat er in 2002 heffinginkomsten te verwachten zijn.

De mineralenheffingen kunnen over meerdere jaren verrekend worden. Dit betekent dat een betaalde heffing weer terugverdiend kan worden door een onderschrijding van de verliesnormen in latere jaren.

Indicatoren voor de realisatie of afwijking ten opzichte van de streefwaarde:

(1) aantal bedrijven dat heffing heeft betaald;

(2) totaal betaalde heffing;

(3) frequentieverdeling bedrijven naar categorieën per bedrijf betaalde heffing;

(4) hoeveelheid afgesloten mestafzetcontracten in vergelijking tot de geschatte plaatsingsruimte voor mestcontracten (volgens berekening mestoverschot), incl. erkende hoeveelheid export en erkende hoeveelheid mestverwerking (alles uitgedrukt in kg stikstof in mest). Hierbij rekening te houden met het gegeven dat niet de volledige mestproductie, maar 90% van de stikstofproductie, voorafgaand aan het productiejaar, afgedekt hoeft te zijn met de vastgelegde plaatsingsruimte;

(5) hoeveelheid afgesloten mestafzetcontracten in vergelijking tot de werkelijke hoeveelheid afgezette stikstof in mest zoals dat blijkt uit MINAS. MINAS moet uiterlijk 1 september van het jaar volgend op het boekjaar worden ingeleverd bij BHF. Hierdoor kan op z'n vroegst aan het eind van het eerste jaar na het boekjaar een beperkte steekproef worden opgeleverd. In het jaar daaropvolgend kan een beter beeld worden geleverd. Naleving systeemvereisten: handhavingsgegevens AID (dagquotum; productie zonder afzetcontract).

Beleidsinstrumenten

* Mestafzetovereenkomsten

* Mineralenheffing

* Kennisontwikkeling en -verspreiding

* Voorlichting en onderzoek

05.13 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming

De operationele doelstelling richt zich op de plantaardige sector en bestaat uit vier elementen:

* een verdergaande vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen door het stimuleren van een terughoudende en zorgvuldige toepassing van deze middelen;

* een verdere vermindering van de emissies naar het milieu, waarmee tot 2010 een stap wordt gezet richting het Verwaarloosbaar Risico (VR) niveau;

* het verbeteren van de naleving van de huidige weten regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen met betrekking tot volksgezondheid, milieu en arbeidsbescherming (inclusief de aanscherping van het Lozingenbesluit per 2003). Door het vergroten van de naleving van de regelgeving ten aanzien van milieu en volksgezondheid op de primaire bedrijven en door een vertaling van de wettelijke voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet naar bedrijfsgerichte maatregelen kan nog aanzienlijke winst worden geboekt;

* sectorbrede introductie en verdere ontwikkeling van geïntegreerde gewasbescherming (op termijn uitgroeiend tot geïntegreerde teelt) door middel van een omslag in denken en handelen bij individuele telers.

Streefwaarden

In 2005 is 90% van de gecombineerde bedrijven met plantaardige productie (excl. grasland) gecertificeerd volgens overheidseisen voor geïntegreerde gewasbescherming. In 2010 is 100% gecertificeerd volgens het niveau van de koplopers in 2002 (vastgelegd in niveau pluspakket 2002);

De milieuwinst in 2005 bedraagt 75% ten opzichte van 1998 en in 2010 95% (op basis van milieu-indicator). Het zwaartepunt ligt hierbij in de verankering van het beleid in de eerste helft van de periode tot 2010;

Vertaald naar 2002 betekent dit dat in 2002 15% van het aantal bedrijven is gecertificeerd (= 6000 bedrijven). Indicator hiervoor is het aantal gewasbeschermingsplannen dat is ondersteund en heeft geleid tot certificering ten opzichte van het totaal aantal gecertificeerde bedrijven.

Beleidsinstrumenten

1. Aanpassing kennisbeleid

Kennisontwikkeling/onderzoek: het onderzoek voor gewasbescherming dient twee doelen, namelijk:

* ontwikkeling van minder milieubelastende gewasbeschermingsmethoden;

* het vergroten van de mogelijkheden om het beleid op bedrijfsniveau te vertalen naar praktische/technische maatregelen.

Kennisverspreiding/voorlichting en onderwijs: geïntegreerde teelt stimuleren door middel van sectorbrede verspreiding van benodigde kennis voor geïntegreerde teelt op bedrijfsniveau. Daartoe stellen deskundige adviseurs kennis op bedrijfsniveau ter beschikking, met name bij het opstellen van het gewasbeschermingsplan (vereiste voor certificering).

2. Toelatingsbeleid

Naast aanpassingen in het huidige toelatingsbeleid zijn er twee nieuwe instrumenten:

* Ondersteuning van de toelating van kleine toepassingen van bestrijdingsmiddelen, aangevraagd door derden (fonds kleine toepassingen);

* Ondersteuning van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong (GNO's).

3. Handhaving

Verbeteren van de handhaving door extra controles van niet gecertificeerde bedrijven, gerichtere controles (op basis van risico analyses en de resultaten van opsporingsonderzoek en door de opzet van tweedelijns toezicht op certificerende instellingen.

05.14 Verbeteren dierenwelzijn

Onder deze operationele doelstelling worden de jaarlijkse bijdrage aan de Landelijke Inspectiedienst voor Dieren (LID) (€ 0,2 mln) en de jaarlijkse bijdrage in het kader van de In Beslaggenomen Goederen (IBG) (€ 0,4 mln) geraamd. Daarnaast is er jaarlijks € 0,4 mln. beschikbaar voor projecten die voortvloeien uit de algemene Maatregelen van Bestuur die op het terrein van dierenwelzijn worden gemaakt.

Binnenkort zal de dierenwelzijnsnota Houden van Dieren verschijnen. Derhalve zijn in deze begroting nog geen streefwaarden en beleidsinstrumenten opgenomen.

05.15 Ecologisch duurzame visserij

De operationele doelstelling valt uiteen in drie onderdelen:

* een verantwoorde zeevisserij die is gebaseerd op de voorzorgsbenadering en die de gevolgen voor het ecosysteem beperkt;

* een visserijbeleid gericht op een beheerste schelpdiervisserij met behoud en herstel van natuurlijke biotopen, alsook met voldoende voedsel voor bedreigde vogels;

* integraal visstandbeheer op de (Staats)binnenwateren.

Streefwaarden

Zeevisserij
OmschrijvingStreefwaarde 2002
Aantal effectieve zeedagen patrouillevaartuig Barend Biesheuvel200
De ontwikkeling van een prototype van een vermogensmeterafgerond
Kustvisserij
OmschrijvingStreefwaarde 2002
Reservering hoeveelheid kokkelvlees op de platen in de Oosterschelde4,1 mln kg
Reservering hoeveelheid schelpdiervlees op de platen in de Waddenzee10 mln kg
Reservering mosselen, kokkels en spisula in het sublitoraal van de Waddenzee en de Noordzee kustzone8,6 mln kg

Voor het integraal visstandbeheer op de (Staats)binnenwateren is de streefwaarde voor 2002 dat de verantwoordelijkheid voor het beheer van de visstand via de visstandbeheerscommissies wordt gelegd bij de landelijke beroepsvisserij, de sportvisserij en andere betrokkenen.

Beleidsinstrumenten

Op het gebied van visserij zijn de volgende beleidsinstrumenten beschikbaar:

* onderzoek en evaluaties: onderzoek levert indicatoren voor het behoud en herstel van visbestanden en zoekt alternatieven ter vergroting van de selectiviteit van de visserij. Bestandsopnamen geven inzicht in de omvang van bestanden en na aftrek van de voedselbehoefte van vogels in de hoeveelheid schelpdieren die voor de visserij beschikbaar is. Tevens vindt onderzoek plaats naar de effecten van visserij op bijvoorbeeld vogelpopulaties;

* wet- en regelgeving;

* controle: door de Algemene Inspectiedienst worden controles uitgevoerd om vast te stellen of de wet en regelgeving worden nageleefd. In 2002 zal een intensivering plaatsvinden van de controle op zee met behulp van het speciaal voor dit doel gebouwd patrouillevaartuig, de Barend Biesheuvel;

* co-management en integraal visstandbeheer: door een verder uit te bouwen systeem van co-management wil het ministerie van LNV de visserijsector meer betrekken bij de uitvoering van zowel het Europese als het Nederlandse visserijbeleid;

* verpachting en vergunningen staatswateren: de geraamde ontvangsten in 2002 zijn € 2,9 mln.

Budgettaire gevolgen van het beleid

Bedragen x € 1 000
05 Bevordering duurzame productie2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN119 01388 229116 723106 15598 29496 81897 135
UITGAVEN92 23490 009110 158106 20097 56590 03689 986
Programma-uitgaven30 21922 29133 19933 71628 24023 36123 311
U0511 Bevorderen biologische landbouw10 7659 25411 55713 86313 3857 4779 627
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen15 9959 46013 87410 8346 8287 4037 222
U0513 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming1072955 6527 0096 1966 8184 799
U0514 Verbeteren dierenwelzijn1 2171 7341 3801 2741 095927927
U0515 Ecologische duurzame visserij2 1351 548736736736736736
        
Apparaatsuitgaven62 01567 71876 95972 48469 32566 67566 675
U0521 Apparaat21 82720 75431 48731 11030 89230 89730 897
U0522 Baten-lastendiensten40 18846 96445 47241 37438 43335 77835 778
ONTVANGSTEN37 84843 50825 98320 21017 31016 57016 201

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

De uitgaven voor het apparaat betreffen de AID en de beleidsdirecties Landbouw en Visserij. De uitgaven voor de baten-lastendiensten hebben betrekking op Bureau heffingen, LASER en de Plantenziektenkundige Dienst.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DL41,054,92 249
Personeel Visserij69,961,44 289
Personeel AID351,745,415 959
Materieel  8 444
Overig apparaat*  547
Bijdrage aan Bureau Heffingen  29 739
Bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst  11 861
Bijdrage aan Laser  3 871
Totaal apparaatsuitgaven  76 959

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De ontvangsten hebben betrekking op de MINAS-heffing en diverse EU-ontvangsten voor o.a. biologische landbouw, verwerking en afzet van landbouwproducten en EU-demoregeling. Daarnaast worden ontvangsten geraamd uit hoofde van vergunningverlening en verhuur van percelen en visrechten.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal25 983
Mineralenheffing7 260
EU-ontvangsten12 025
Overige ontvangsten6 698

Toelichting programma-uitgaven 2002 aan de hand van prestatiegegevens

05.11 Bevorderen biologische landbouw

 
InstrumentprestatiesPrijs per prestatietotaal(x € 1 000)
Stimulering van de biologische primaire productie380 ha€ 17 189 6 541
Professionalisering van de ketens  1 259
Platform biologica  408
Publieksvoorlichting  726
Garantstelling  2 269
Kwaliteitszorg  354

05.12 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen

 
Instrumenttotaal(x € 1 000)
Duurzame landbouw6 807
Uitfinanciering oude regelingen SMK/kennisontwikkeling7 067

Toelichting

Een uitgebreid kennisontwikkelings- en voorlichtingstraject is opgezet t/m 2003. Agrariërs kunnen hierdoor kennis nemen van mogelijke maatregelen in de bedrijfsvoering om een mineralenoverschot te voorkomen

05.13 Vermindering milieubelasting door gewasbescherming

 
Instrumentprestatiesprijs per prestatietotaal(x € 1 000)
Aanpassing kennisbeleid/monitoring evaluatie  2 657
Fonds kleine toepassingen40 aanvragen€ 17 017681
Toelatingsbeleid GNO's10 aanvragen€ 113 4451 134
Handhaving (intensivering controles)  908
KCB werkzaamheden  272

05.14 Verbeteren dierenwelzijn

 
Instrumenttotaal(x € 1 000)
Diverse regelingen790
LID182
IBG408

05.15 Ecologisch duurzame visserij

 
InstrumentTotaal(x € 1 000)
Onderzoek/evaluaties/controle600
Co-management/integraal visstandbeheer136

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel110 158106 20097 56590 03689 986
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen     
t/m 200111 9596 4054 8693 7733 274
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen     
m.i.v. 200298 19999 79592 69686 26386 712
(waarvan apparaat)76 95872 48469 32566 67566 675

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. Grote delen van de programma-uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen zijn benodigd ter realisatie van de doelstellingen op de terreinen van biologische landbouw («Beleidsplan biologische landbouw 2001–2004») en gewasbescherming (nota «Zicht op gezonde teelt»).

Veronderstellingen

De belangrijkste veronderstellingen voor de biologische sector zijn dat de biologische markt een (internationale) groeimarkt is, dat consumenten bereid zijn een (beperkte) meerprijs te betalen en dat de biologische landbouw een blijvend goed imago en een onderscheidend vermogen houdt. Voorts wordt verondersteld dat een gezamenlijke aanpak en samenwerking tussen marktpartijen (tot uiting komend in de ketenbusinessplannen) effectiever is dan een individuele aanpak en dat er mogelijkheden bestaan om de efficiency in de verschillende ketens te verbeteren.

Voor een goede werking van het mineralenbeleid via mestafzetovereenkomsten en MINAS is een globaal evenwicht op de nationale mestmarkt nodig, alsmede draagvlak in de sector.

Met betrekking tot gewasbescherming wordt verondersteld dat:

* de markt de certificatieschema's met overheidseisen oppakt en certificering stimuleert;

* het draagvlak bij primaire producenten gehandhaafd blijft (inclusief bedrijfseconomische ontwikkeling van de sector);

* het bedrijfsleven de eigen verantwoordelijkheid neemt voor de beschikbaarheid van een effectief gewasbeschermingspakket (binnen de randvoorwaarden van de overheid);

* de ontwikkeling van consumer concerns een stimulerende factor blijft;

* er geen extreme toename is van risico's voor uitbraak van ziekten en plagen (door bijvoorbeeld import; biologische ontwikkelingen en weerbaarheid).

Voor het dierenwelzijnsbeleid zijn van belang het voortduren van de maatschappelijke belangstelling (normen en waarden) en de economische ontwikkeling voor de investeringsbereidheid.

De belangrijkste veronderstelling voor de visserij is dat de sector via co-management bijdraagt aan een duurzame visserij en dat de partijen in de regio overeenkomsten afsluiten die leiden tot integraal visstandbeheer.

Evaluatie

Het milieuplanbureau zal jaarlijks een monitoringsrapportage publiceren waarin de voortgang van het mestbeleid wordt beschreven. Twee-jaarlijks vindt een evaluatie van het mestbeleid plaats. De eerstvolgende evaluatie wordt in 2002 opgeleverd. Belangrijk element daarin is de evaluatie van de verliesnormen.

De effecten van het gewasbeschermingsbeleid worden jaarlijks gemonitord en in 2004 geëvalueerd. Belangrijke onderdelen hierbij zijn de nationale milieu-indicator, milieu-indicator op bedrijfsniveau, monitoringsinstrument voor de ontwikkeling van ziekten, plagen en onkruiden om veranderingen in ziekte- en infectiedruk als gevolg van het breed introduceren van geïntegreerde teelt te kunnen signaleren.

Over de duurzame visserij wordt de Kamer jaarlijks geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het Beleidsbesluit Binnenvisserij en in 2003 vindt afronding van de evaluatie van de tweede fase van het schelpdiervisserijbeleid in de kustwateren plaats Het zeevisserijbeleid over de periode 1992–2002 is geëvalueerd door de Europese Commissie en neergelegd in een Groenboek, dat de grondslag vormt voor de discussie over de toekomst van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor de doelstellingen en streefwaarden met betrekking tot de bevordering van duurzame productie. LNV is tevens resultaatverantwoordelijk voor de inzet en werking van de beleidsinstrumenten en de nakoming van de internationale verplichtingen.

Groeipad VBTB

Uiterlijk in de begroting 2003 zullen streefwaarden en instrumenten worden opgenomen m.b.t. het dierenwelzijnsbeleid (zoals dat in de nota «Houden van Dieren» zal worden uiteengezet). De intensiveringsmiddelen voor Duurzame Landbouw zullen worden ingezet in het kader van het agro-innovatiebeleid. De verwerking van de innovatie-doelstellingen, streefwaarden, instrumenten en budgetten zal uiterlijk in de begroting 2003 plaatsvinden.

06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

Algemene beleidsdoelstelling

Dit artikel betreft borging van de voedselveiligheid, stimulering van de voedselkwaliteit en verbetering van de diergezondheid. De centrale doelstelling van het overheidsbeleid is dat de consument erop kan vertrouwen dat voedsel voldoet aan hoge eisen op het gebied van veiligheid en kwaliteit. Overheid, producenten en consumenten hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

De overheid stelt de voorwaarden waaraan producten en productieprocessen moeten voldoen middels wet- en regelgeving, en houdt toezicht op de naleving daarvan. Binnen de gestelde voorwaarden zijn de productieschakels primair verantwoordelijk om veilig voedsel te produceren. Hiervoor is het noodzakelijk dat in alle schakels van de keten maatregelen worden getroffen om risico's te beheersen, zodat veiligheidsgaranties worden versterkt van de ene schakel naar de volgende. De traceerbaarheid van grondstoffen, tussen- en eindproducten is daarbij essentieel.

De doelstellingen op veterinair terrein zijn – mede tegen de achtergrond van voor de mens gevaarlijke dierziekten (zoönosen) – het verhogen van de veiligheid van dierlijke producten, het verder verhogen van het diergezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel, het zorgdragen voor een effectieve dierziektenbestrijding en een effectieve en efficiënte dierziektebestrijdingsorganisatie. Om dit te bereiken is het nodig om inzicht te hebben in risico's en te beschikken over instrumenten om deze te beperken. De crises met varkenspest, BSE, MKZ en dioxine zijn sterk medebepalend voor de vormgeving van het beleid.

Het beleid ten aanzien van voedselveiligheid en diergezondheid is nader uitgewerkt in de kabinetsnota Voedsel en Groen (Kamerstukken II, 1999–2000, 27 232, nrs. 1–2). Ook het rapport «Toekomst voor de veehou- derij» van commissie Wijffels biedt vele aangrijpingspunten om de diergezondheid en de voedselveiligheid te verbeteren. Eveneens geven het Beleidsbesluit Diergezondheid en de beleidsnota «Veilig voedsel in een veranderende omgeving» de richting aan hoe het beleid op deze beleidsterreinen voor de komende jaren zal worden vormgegeven.

Grafiek 9: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-9.gif

Operationele doelstellingen

06.11 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten

De doelstellingen op veterinair terrein zijn:

* het verhogen van de veiligheid van dierlijke producten;

* het verder verhogen van het diergezondheidsniveau van de Nederlandse veestapel;

* een effectieve bewaking en bestrijding van dierziekten;

* een effectieve en efficiënte dierziektebestrijdingsorganisatie.

Het beleid met betrekking tot de bewaking en de bestrijding als gevolg van een verdenking of uitbraak wordt, voor zover het wettelijk te bestrijden dierziekten betreft, in de begroting van het Diergezondheidsfonds toegelicht.

Om het bovenstaande te bereiken is het nodig om inzicht te hebben in risico's. Ook is het gewenst dat er goede functionerende, private ketengarantiesystemen worden ontwikkeld. Op het terrein van de ketens zijn er reeds vele ontwikkelingen gaande. Echter, door het veelal ontbreken van goede afspraken tussen de schakels in de keten en het niet vastleggen van aansprakelijkheden en het ontbreken van een transparant sanctiebeleid in de (private) keten, is er nog geen sprake van ketengarantiesystemen.

Streefwaarden

De streefwaarden bij deze operationele doelstelling zijn kwalitatief van aard.

* In 2002 functioneert een (rudimentair) opgezet I&R-systeem voor schapen en geiten en wordt gestart met de optimalisatie van het bestaande I&R-systemen voor runderen en varkens. De periode daarna zal het I&R-systeem voor schapen en geiten verder vorm worden gegeven.

* EU «dierziektevrij» status: uitbreiden tot de aujeszky-vrije status(art. 9).

* Het verminderen van de incidentie van para-tbc.

* In Nederland worden de voorschriften voor reiniging en ontsmetting nageleefd, zowel op primaire bedrijven als op verzamelplaatsen voor dieren.

* Voorkomen en/of opheffen van handelsbelemmeringen als gevolg van dierziekte-uitbraken.

Beleidsinstrumenten

Identificatie en registratie: de financiering voor de opzet van een goed systeem voor het bevorderen van de diergezondheid als ook de voedselveiligheid vraagt om een sluitende controle (tracking & tracing) van de gehele productieketen. In dat kader zijn de I&R-systemen cruciaal. In dit verband vindt ontvlechting plaats van publieke en private taken en worden nieuwe I&R-systemen voor runderen, schapen en geiten gebouwd. Voor 2002 is naar verwachting hiervoor een bedrag van € 7 mln. benodigd.

Basismonitoring: via sectiemateriaal van gestorven dieren vindt onderzoek plaats naar de doodsoorzaak om inzicht te krijgen in de trends van de diergezondheidssituatie en om te voorkomen dat een besmettelijke dierziekte niet wordt opgemerkt. Het ministerie van LNV levert een bijdrage in de kosten van dit onderzoek. Deze monitoringprogramma's worden uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren. Hiervoor is voor 2002 een bedrag geraamd van circa € 3 mln.

Bestrijdingsprogramma's zoönosen: om scrapie op termijn uit te roeien zal een bestrijdingsprogramma worden uitgevoerd door de inzet van uitsluitend fokrammen die ongevoelig zijn voor scrapie, zodat na 2004 alleen schapen in de handel gebracht worden die afkomstig zijn van deze ongevoelige rammen. Met de uitvoering van dit meerjarenprogramma is een bedrag gemoeid van ca. € 41 mln., waarin de overheid zal participeren op bepaalde onderdelen. Ook voor de aanpak van para-tbc bij runderen is een meerjarig programma opgezet (kosten € 14 mln.) dat gezamenlijk met het bedrijfsleven wordt gefinancierd (50–50 basis). De bijdrage in de kosten voor scrapie en para-tbc in 2002 bedragen ca. € 6 mln.

Onderzoek: het ministerie van LNV financiert een aantal veterinaire onderzoeken die van belang zijn voor de dierziektebestrijding. Het betreft veelal onderzoeken om de diagnostiek te verbeteren, zoals het onderzoek naar mogelijkheden om BSE-testen te ontwikkelen op levende dieren, het ontwikkelen van markervaccins etc. Hiermee is jaarlijks een bedrag van circa € 3 mln. gemoeid.

Vrijwaring dierziekten: in het kader van de vrijwaring van onze handels- partners buiten de Europese Unie van dierziekten worden op het niveau van Chief Veterinary Officer handelsvoorwaarden uitgewerkt en overeengekomen. Snelle en veelvuldige communicatie met deze landen over dierziekten- en voedselveiligheidsaangelegenheden is hierbij van groot belang. Er moeten gegevens worden aangeleverd over de diergezondheidsstatus om te mogen exporteren.

Instandhouden van een organisatie voor de bestrijding van besmettelijke dierziekten: het ministerie van LNV financiert de kosten van instandhouding van een effectieve bestrijdingsorganisatie zoals de kosten van het opstellen en actualiseren van draaiboeken en de kosten van oefeningen, zodat – in geval van een uitbraak van wettelijk te bestrijden dierziekten – snel en adequaat kan worden gereageerd door de inzet van menskracht en expertise voor de bestrijding van dierziekten (b.v. varkenspest en MKZ). De kosten voor het in stand houden van een parate organisatie bij de RVV en de GD bedragen circa € 2 mln. per jaar. In geval er een dierziekte uitbreekt, worden de bestrijdingskosten verantwoord in het Diergezondheidsfonds.

Regelgeving is en blijft een belangrijk instrument waar het gaat om dierziektebestrijding en de garantieverstrekking over diergezondheid bij de handel in dieren en dierlijke producten. Veel nationale regelgeving vindt zijn oorsprong in richtlijnen en verordeningen van de Europese Unie. Daarnaast is echter ook nationale regelgeving van belang om de diergezondheidsstatus te bewaken en om verspreiding van dierziekten te voorkomen. Hierbij moet gedacht worden aan de Regeling varkenslevering, Regeling bedrijfscontrole Dierziekten en de Regeling reiniging en ontsmetting van wasplaatsen. De kosten van toezicht door de RVV en de GD worden jaarlijks geschat op circa € 5 mln.

06.12 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit

In de algemene beleidsdoelstelling is vermeld dat de overheid verantwoordelijk is voor het stellen van de randvoorwaarden voor de productie van veilig voedsel ten behoeve van de consument. Hiervoor stelt de overheid voorwaarden waaraan producten en productieprocessen moeten voldoen. Dit impliceert een actieve rol van de overheid om te voorkomen dat er problemen ten aanzien van voedselveiligheid ontstaan, maar ook dat bij een inbreuk daarop adequaat kan worden ingegrepen. Daarnaast stimuleert de overheid een marktgerichte productie door de primaire sector (het aansluiten van de kwaliteit van levensmiddelen bij de wensen van consument en maatschappij, zowel qua product als productiemethode).

Streefwaarden

* In 2002 zal de Nederlandse Voedselautoriteit (NVa) de regie voeren over de publieke taken ten aanzien van onderzoek, communicatie en toezicht op het gebied van voedselveiligheid.

* Gestructureerde communicatie over maatregelen tijdens incidenten op het gebied van voedselveiligheid.

* De bestaande monitoringssystematiek van een aantal ketens zal worden doorgelicht, zowel voor dierlijke als plantaardige producten.

* Er zal een modernisering van de vleeskeuring worden doorgevoerd, op basis van de resultaten van het project Versterking Veterinaire Garantiesystematiek dat begin 2002 zal zijn afgerond.

Beleidsinstrumenten

Oprichting Nva: de kwaliteit en de veiligheid van voedsel vormen een complex beleidsterrein. Om de veiligheid van voedsel zo goed mogelijk te bewaken en te verbeteren wordt er binnen de overheid een nieuwe structuur opgezet om de veiligheid van voedsel te kunnen borgen. Een centrale rol is daarbij weggelegd voor de Nederlandse Voedselautoriteit (NVA). Het kabinet heeft op 13 juli 2001 de voorlopige taken en verantwoordelijkheden van de NVA vastgesteld. De NVa bewaakt de samenhang en is verantwoordelijk voor de programmering van activiteiten van de drie hoofdstromen: onderzoek, toezicht en communicatie, voor zover het publieke taken betreft.

Onderzoek in het kader van voedselveiligheid: de kennis over het voedsel, over de werking van voedingsmiddelen en over de effecten van diverse ingrediënten en stoffen op de gezondheid is door wetenschappelijke en technische ontwikkelingen continu in beweging. Om te beoordelen of voedsel veilig is, vindt onderzoek plaats naar risico's voor de veiligheid en/of kwaliteit van het voedsel. Er kan onderscheid worden gemaakt in de volgende rubrieken:

* onderzoek ter onderbouwing van de normstelling en voor het bepalen van overschrijding van normen voor stoffen in grondstoffen, voedingsmiddelen en dierlijke producten in het kader van EU-monitoringsprogramma's (voorbeeld: contaminanten en residuen diergeneesmiddelen in dierlijke producten)

* onderzoek naar aanwezigheid van BSE bij dieren en in dierlijke producten (snelle BSE test)

* onderzoek naar de opzet van systemen waarmee nieuwe onbekende bedreigingen van de voedselveiligheid snel kunnen worden gesignaleerd (Emerging Risk Identification System)

* onderzoek naar de mogelijkheid om ketengarantiesystemen op te zetten. Op basis van een in 2001 afgeronde inventarisatie, zal in 2002 een uitwerking plaatsvinden van mogelijkheden om een risicobeheersingssysteem in te voeren in de primaire sector. Prioritering zal plaatsvinden op basis van een in 2001 uitgevoerde eerste inventarisatie naar mogelijkheden in zowel de plantaardige als in de dierlijke sector. Het op grote schaal invoeren van een risicobeheersingssysteem in alle schakels van de voedselproductie, inclusief de primaire sector en de slachterijfase, is een doel dat pas op een langere termijn haalbaar zal zijn.

Deze vier soorten van onderzoek vinden plaats bij een aantal instituten zoals het Rikilt, ID-Lelystad en het LEI waarbij voor 2002 op dit artikel een bedrag van circa € 5 mln. is uitgetrokken. Daarnaast wordt ook middelen voor onderzoek geraamd op beleidsartikel 7 Kennisontwikkeling en innovatie.

Risicobeoordeling: het is het streven om uiteindelijk alle productieketens door te lichten op de samenstelling van de grondstoffen tot en met het eindproduct en de risico's bij de diverse schakels in beeld te brengen. Primair doel van deze doorlichting is om te komen tot een herinrichting (effectiever en efficiënter) van monitoringssystemen voor de belangrijkste gevaren voor volksen diergezondheid in de keten. Hierbij wordt ook bezien welke voorwaarden vanuit de wens van snelle traceerbaarheid aan de keten gesteld moeten worden. In 2002 zal de doorlichting van de varkens(vlees)-, rundvee (zuivel, vlees en dier) en pluimveeketen (vlees, eieren) worden afgerond. Voor het doorlichten van de ketens is een bedrag van € 1 mln. gereserveerd.

Risicocommunicatie: voedselveiligheid is de komende jaren onverminderd speerpunt in het beleid. Er zal een zwaarder accent worden gelegd op heldere communicatie ten tijde van incidenten. De dioxinecrisis en de aanpak rond BSE hebben duidelijk gemaakt dat het belangrijk is om de bevolking bij incidenten tijdig en betrouwbaar te informeren en hieraan ook structureel aandacht te besteden. Daarmee is de consument beter in staat om informatie te beoordelen.

Om dit programma te implementeren is een bedrag van € 3 mln. uitgetrokken. Daarnaast wordt een exploitatiesubsidie van € 2 mln. verstrekt aan het Voedingscentrum Nederland.

De uitgangspunten voor biotechnologie zijn verwoord in de Integrale Nota Biotechnologie (TK 2000–2001, 27 428, nr. 3). In 2002 zullen belangrijke onderdelen van het beleid vorm krijgen. Over het gebruik van biotechnologie is in Nederland veel discussie. Om deze discussie te structureren is in 2001 het publieke debat «eten en genen» gestart. Dit debat zal – naar verwachting – deels doorlopen in 2002. De Tijdelijke Commissie Biotechnologie en Voedsel zal begin 2002 rapporteren over de uitkomsten van dit debat aan de minister van het ministerie van LNV, desgewenst aangevuld met eigen aanbevelingen. De Kamer zal worden geïnformeerd over de uitkomsten van het debat en eventuele vervolgacties krijgen voorgelegd. Voor 2002 is een bedrag van € 2 mln. begroot.

Om garanties af te kunnen geven over de veiligheid en kwaliteit van diervoeders, vee en vlees(-producten) voert de RVV keuringen, certificeringen (van slachterijen) en controle-activiteiten (import, export en hygiëne) uit. De totale uitgaven in 2002 van de RVV worden geraamd op € 97 mln. Handhaving vindt plaats door de AID.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN303 006409 086159 871156 307157 772157 773157 773
waarvan garanties 9 076     
UITGAVEN313 470421 968159 765156 307157 772157 773157 773
Programma-uitgaven179 050243 41946 15041 87041 88741 88741 887
U0611 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten13 186156 73226 66422 32322 32322 32322 323
U0612 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit165 86486 68719 48619 54719 56419 56419 564
        
Apparaatsuitgaven134 420178 549113 615114 437115 885115 886115 886
U0621 Apparaat134 420178 549113 615114 437115 885115 886115 886
ONTVANGSTEN112 541241 129117 454119 03493 19593 19593 195

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

De apparaatsuitgaven betreffen de RVV, de AID en de beleidsdirectie Voedings-, Veterinaire- en Milieuaangelegenheden. In 2001 zijn de apparaatsuitgaven hoog in verband met de uitgaven voor BSE-testen (€ 44 mln).

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel VVM70,153,53 753
Personeel RVV1 542,546,371 359
Personeel AID97,845,44 439
Materieel  31 754
Overig apparaat*  2 310
Totaal apparaatsuitgaven  113 615

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De meerjarige ontvangsten betreffen de keuringsontvangsten van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV). Voor de jaren 2001 tot en met 2003 worden op dit artikel tevens de EU-bijdragen bestrijding MKZ geraamd.

De ontvangsten 2001 vallen hoog uit in verband met bijdragen uit het Diergezondheidsfonds (€ 92 mln) en bijdragen van derden (€ 20 mln.) in de uitgaven voor BSE-maatregelen, zijnde de kosten van BSE-testen en de kosten samenhangende met het diermeelverbod. Uitgangspunt is dat de BSE-testkosten met ingang van 1-1-2002 voor rekening van het bedrijfsleven komen.

Ontvangsten 2002 (x € 1000)
Totaal117 454
Ontvangsten RVV90 227
EU-ontvangsten MKZ27 227

Onderstaand worden de RVV-ontvangsten voor het jaar 2002 toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Prestatiegegevens ontvangsten RVV 2002
OmschrijvingProductie-eenheid aantal per 1 000 eenhedenontvangsten in € 1000
Slachterijen en bijzondere slachtplaatsenbezoeken1805 445
 slachtvarkens19 00033 580
 overige slachtdieren3 20015 203
    
Pluimvee en wildslachterijenslachtpluimvee550 00010 932
    
Vleesverwerkende bedrijvenaantal kwartieren80012 415
    
Levend veeaantal kwartieren1804 574
    
Vis, visserijproductentonnage30681
    
Invoer derde landen 4004 538
    
Werkzaamheden op verzoekaantal kwartieren401 282
 aantal certificaten1101 577
Totaal ontvangsten  90 227

Toelichting programma-uitgaven 2002

De werkzaamheden die volgend jaar op het terrein van voedselveiligheid en diergezondheid worden ontplooid, zijn nog niet op het niveau van prestatiegegevens uitgewerkt. Ten aanzien van de nieuwbouw van het I&R-systeem voor runderen zal gaandeweg 2001 meer duidelijkheid bestaan over de concrete resultaten in 2002. Datzelfde geldt voor het in ontwikkeling zijnde communicatieplan voedselveiligheid.

Met betrekking tot het onderzoek op het gebied van voedselveiligheid zullen tussentijdse voortgangsgegevens worden gepresenteerd. Over de voortgang van de monitoring, ketendoorlichting en de nieuwbouw van I&R-runderen, I&R-schapen en I&R-geiten zal worden gerapporteerd. Daarnaast zal worden gerapporteerd over de effectiviteit van de communicatie in crisissituaties.

Met betrekking tot de diergezondheid zal aan de hand van concrete gegevens over de geleverde prestaties worden gerapporteerd over de voortgang van het scrapiebestrijdingsprogramma, BSE-testen en het Paratuberculose Programma Nederland. Met betrekking tot de ontwikkeling van methoden voor een snelle diagnostiek van ziekten zullen kwalitatieve gegevens over de voortgang worden opgenomen.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel159 765156 307157 772157 773157 773
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen     
t/m 20018 1684 538000
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen     
m.i.v. 2002151 597151 769157 772157 773157 773
(waarvan apparaat)113 615114 437115 885115 886115 886

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. De programma-uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen hebben voor € 18 mln. structureel betrekking op de intensiveringsmiddelen voor voedselveiligheid. Deze gelden worden ingezet voor de oprichting van de Nederlandse Voedselautoriteit, het opzetten en vernieuwen van I&R-systemen en het intensiveren van de controle op diervoeders. De overige programma-uitgaven worden ingezet voor de beleidsdoelstellingen uit het beleidsbesluit Diergezondheid en de beleidsnota «Veilig voedsel in een veranderende omgeving».

Veronderstellingen

Bovenstaande doelstellingen kunnen gehaald worden binnen de randvoorwaarde dat er geen nieuwe besmettelijke dierziekten uitbreken. Ook het EU non-vaccinatie beleid en veterinair beleid in meer algemene zin is hier een sterk bepalende factor. De initiatieven van Nederland op het gebied van veemarkten en dierentransporten dienen breed navolging te krijgen om insleep van dierziekten vanuit het buitenland te voorkomen. Nationaal speelt bij deze initiatieven overigens ook de besluitvorming door lagere overheden een rol.

Evaluatie

Het diergezondheidsbeleid zal na 4 jaar worden geëvalueerd. Het dierziektebestrijdingsbeleid wordt geëvalueerd na een uitbraak. De evaluatie van de MKZ zal begin 2002 worden uitgebracht.

Tevens wordt gewerkt aan een inhaalslag voor de definiëring van de prestaties en afspraken met gegevens beherende organisaties. Het uitvoeren van de regelgeving door de RVV en de GD zal aan de hand van realisatiecijfers worden geëvalueerd.

Verantwoordelijkheid LNV

De producenten zijn primair verantwoordelijk voor veilig voedsel. Voor wat betreft de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de minister van LNV en de minister van VWS (inclusief de voorlopige Nederlandse Voedselautoriteit) geldt als uitgangspunt het gestelde in de brief aan de Tweede Kamer van 18 mei 1995 (kamerstuk 23 900 XIV en XVI, nr. 48). In het kader van de borging van de voedselveiligheid, stimulering van de voedselkwaliteit en de verbetering van de diergezondheid heeft LNV een systeemverantwoordelijkheid. LNV is resultaatsverantwoordelijk voor de bestrijding van de wettelijk te bestrijden dierziekten en het optreden bij calamiteiten op het gebied van voedselveiligheid. Dit laatste voor zover het de bevoegdheden van LNV betreft, zoals aangegeven in de Nota Voedselveiligheid. LNV is tevens resultaatverantwoordelijk voor de inzet en werking van de beleidsinstrumenten en het nakomen van de internationale verplichtingen. Door maatregelen/programma's wordt de vermindering van de incidentie van para-tbc gestimuleerd.

Groeipad VBTB

Diergezondheid en dierziektenbestrijding, alsmede voedselveiligheid en -kwaliteit vormen complexe beleidsterreinen die maatschappelijk sterk in de belangstelling staan en fors in ontwikkeling zijn. Het is mede daardoor niet eenvoudig om de doelstellingen, ten aanzien van bijvoorbeeld een effectieve en efficiënte bestrijdingsorganisatie of de veiligheid van voedsel, kwantitatief te operationaliseren. De doelstellingen en streefwaarden zijn daarom in deze begroting vooral in kwalitatieve termen bepaald. LNV streeft ernaar de doelstellingen en streefwaarden op het onderhavige beleidsartikel (verder) te concretiseren. De eerste resultaten hiervan zullen zichtbaar worden in de begroting 2003, waaronder – zoveel mogelijk – een toelichting op de programma-middelen aan de hand van prestatiegegevens (p*q).

07 Kennisontwikkeling en innovatie

Algemene beleidsdoelstelling

Het zorgdragen voor hoogwaardige, vraaggestuurde en toegesneden kennisproductie, waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Grafiek 10: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-10.gif

Operationele doelstellingen

07.11 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise

De operationele doelstelling luidt volledig: het instandhouden van relevante wetenschappelijke expertise, waarmee kan worden bijgedragen aan ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte, en het doen beantwoorden van in het beleidsproces gegenereerde kennisvragen.

Alle activiteiten zijn erop gericht te bereiken dat er een solide kennisbasis is, adequate strategische expertise wordt ontwikkeld, beleidsondersteunend onderzoek plaatsvindt en er onderzoek ten dienste van wettelijke en dienstverlenende taken wordt gewaarborgd. De activiteiten bestaan uit het genereren, selecteren en prioriteren van genoemde kennisvragen, het verstrekken van onderzoeksopdrachten en het creëren van randvoorwaarden voor het (doen) uitvoeren van onderzoeksprogramma's en het monitoren van de benutting van ontwikkelde kennis.

Streefwaarden

De streefwaarden bij deze operationele doelstelling zijn kwalitatief van aard en bestaan uit:

* het instandhouden en ontwikkelen van een kennisinfrastructuur waarmee kan worden bijgedragen aan ontwikkelingsmogelijkheden van het agrofoodcomplex en de groene ruimte. Visitatie hieromtrent zal eenmaal per vijf jaar plaatsvinden, te beginnen in 2002;

* het ontwikkelen van wetenschappelijke expertise die van strategisch belang is voor de beleidsvelden van het ministerie van LNV;

* het genereren van beleidsondersteunende kennis, toepassingen en arrangementen voor het ministerie van LNV-beleidsdomein en het organiseren van een proces om op basis van beleidsvraagstukken te komen tot het beantwoorden van in beleidsproces gegenereerde kennisvragen;

* het veiligstellen van de Wettelijke en Dienstverlenende Taken (WDT).

Beleidsinstrumenten

* Stimuleringsprogramma voor fundamenteel en nieuwsgierigheidgedreven onderzoek.

* Bijdrageregelingen PO, ILRI/IAC en DLO voor (1) funderend, themagedreven onderzoek, (2) verkenningen, beleidsstudies, technology assessment onderzoek, (3) strategisch grensverleggend precompetitief lange termijn onderzoek, (4) praktijkgericht korte termijn onderzoek, (5) routineonderzoek, (6) kennismontage en (7) WDT beleidsstudies.

* Bekostigingsbesluit gebaseerd op de Wet Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHW) ten behoeve van de bijdrage aan Wageningen Universiteit.

07.12 Het genereren van (innovatieve) kennis

De operationele doelstelling luidt volledig: het genereren van (innovatieve) kennis, toepassingen en arrangementen ter ondersteuning van (voor het beleidsterrein van het ministerie van LNV relevante) innovaties.

In de nota's «Voedsel en Groen» en «Natuur voor mensen, mensen voor natuur» is een belangrijke rol toebedeeld aan innovatie. Het bevorderen van een duurzame agrosector en het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn daarbij richtpunten. Door het ministerie van LNV worden initiatieven ontwikkeld om het innovatief vermogen bij maatschappelijke factoren te vergroten. Door het kennisbeleid wordt hieraan bijgedragen door het genereren van kennis, toepassingen en arrangementen ter ondersteuning van (voor het beleidsterrein van het ministerie van LNV relevante) innovaties. Doel van deze activiteiten is het naderbij brengen van innovaties zoals milieuvriendelijke productie, een kwalitatief gewaardeerde groene ruimte, voedselveiligheid en dierenwelzijn.

Streefwaarden

De streefwaarde bij deze operationele doelstelling is kwalitatief van aard en bestaat uit:

* Het zorgdragen dat nieuwe en beschikbare kennis effectief wordt benut voor vernieuwing in beleid, bedrijf en opleiding.

Beleidsinstrumenten

* Innovatienetwerk Groene ruimte en Agrocluster.

* Bijdrageregelingen DLO (inclusief praktijkonderzoek en IAC/ILRI).

* Stimuleringsprogramma voor strategisch en toepassingsgericht onderzoek: dit programma richt zich op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe vormen van onderzoek met het oog op het laten doorstromen en benutten van kennis met betrekking tot voedsel en groen.

Budgettaire gevolgen van het beleid

Bedragen x € 1 000
07 Kennisontwikkeling en innovatie2000200120022003200420052006 
VERPLICHTINGEN372 720310 189286 299287 465285 468286 036285 273 
UITGAVEN358 569309 626287 142288 528286 017286 154286 710 
Programma-uitgaven351 142304 129282 451283 836281 325281 462282 018 
U0711 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise326 789281 015260 751265 433263 088263 088263 644 
U0712 Het genereren van (innovatieve) kennis24 35323 11421 70018 40318 23718 37418 354 
         
Apparaatsuitgaven7 4275 4974 6914 6924 6924 6924 692  
U0721 Apparaat7 4275 4974 6914 6924 6924 6924 692 
ONTVANGSTEN13 54915 27612 9349 7589 7589 7589 575 

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

De apparaatsuitgaven van de beleidsartikelen 7 (Kennisontwikkeling en innovatie), 8 (Kennisvoorziening) en 9 (Kennisverspreiding) zijn onder dit beleidsartikel (7) gebracht en hebben betrekking op de beleidsdirectie Wetenschap en Kennisoverdracht.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel DWK73,754,34 001
Materieel  516
Overig apparaat*  174
Totaal apparaatsuitgaven  4 691

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De ontvangsten hebben betrekking op de rente en aflossing over de verstrekte lening aan de Stichting DLO inzake de aankoop van gebouwen alsmede op de bijdrage uit het Fonds Economische Structuurverbetering voor onderzoek.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal12 934
Rente en aflossing DLO9 741
FES-ontvangsten3 193

Toelichting programma-uitgaven 2002

07.11 Het instandhouden en ontwikkelen van relevante wetenschappelijke expertise

 
 streefwaarden
Instrumenten (bedragen x € 1 000)Ondersteuning kennisbasis (1)Ontwikkeling expertise (2)Beleids-onderzoek (3)W.D.T. (4)
Wageningen universiteit88 306   
DLO 17 17174 59231 508
Praktijkonderzoek  32 390 
IAC/ILRI  6 573 
Stimuleringsprogramma's 2 5876 626998

07.12 Het genereren van (innovatieve) kennis

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Stimuleringsregelingen onderzoek3 176
Innovatienetwerk groene ruimte en agroclusters3 458
Bijdrageregeling DLO/praktijkonderzoek15 066

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel287 142288 528286 017286 154286 710
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen t/m 2001268 3284 5383 6302 7232 269
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen m.i.v. 200218 814283 990282 387283 431284 441
(waarvan apparaat)4 6914 6924 6924 6924 713

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. Dit zelfde geldt voor de bijdragen aan Wageningen Universiteit en Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO), waar LNV een structurele subsidierelatie mee onderhoudt. Zo is de bijdrage aan Wageningen Universiteit gebaseerd op de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) en verricht Stichting DLO structurele werkzaamheden, zoals de wettelijke en dienstverlenende taken en strategische expertise ontwikkeling.

Veronderstellingen

De economische situatie is van invloed op het tijdstip en de mate waarin ondernemers investeren in innovatieve ontwikkelingen.

Het ontwikkelen van kennis voor innovatie is risicovol. De kans bestaat dat de beoogde kennis niet wordt verkregen.

Evaluatie

Jaarlijks worden in het voor- en het najaar de onderzoeksprogramma's van Wageningen UR zowel inhoudelijk als beheersmatig getoetst. De uitkomsten van de voorjaarstoetsing worden verwerkt in de jaarlijkse Kaderbrief Wageningen UR.

In het najaar worden de nieuw te starten programma's ex ante getoetst. Doel van deze toetsing is na te gaan of nieuwe programma's van start mogen gaan en voor het vaststellen van de hoogte van de budgetten. De uitkomsten worden verwerkt in de jaarlijkse «Goedkeuringsbrief» voor Wageningen UR.

In het kader van de vernieuwing van het aansturen van het onderzoek van het ministerie van LNV zal in 2002 worden begonnen met een verbreding van de scope van het onderzoek via een systeem van open programmering. Hiervoor is in 2002 een bedrag van € 7 mln. gereserveerd.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor het instandhouden en het ontwikkelen van de kennisstructuur in het kader van de kennisontwikkeling en innovatie. Het doen beantwoorden van de in het beleidsproces gegenereerde kennisvragen betreft een resultaatverantwoordelijkheid van LNV.

Groeipad VBTB

In de ontwerpbegroting 2003 zal extra aandacht worden besteed aan de toelichting op de programmabudgetten (p x q) en aan het kwantificeren van de streefwaarden.

Ook wordt momenteel een systematiek ontwikkeld om de bruikbaarheid en tevredenheid van de onderzoeksresultaten bij de «afnemers» te meten. Naar verwachting is deze systematiek in 2003 operationeel.

08 Kennisvoorziening

Algemene beleidsdoelstelling

Het waarborgen van een stelsel van voorzieningen benodigd voor het verzorgen van groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, alsmede universitair onderwijs.

Operationele doelstelling

08.11 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs

De operationele doelstelling luidt volledig: het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen door toezicht op de opzet en het functioneren van kwaliteitzorgs- en accreditatiesystemen, alsmede het waarborgen van continuïteit in het aanbod van het groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs alsmede universitair onderwijs door adequate bekostiging en monitoring van financiële kengetallen.

Het aanbod van voorbereidend, middelbaar en hoger onderwijs wordt verzorgd door bij wet erkende instellingen. Instellingen moeten een kwaliteitszorgsysteem hebben. Voor het HBO en WO wordt (naar verwachting in 2002) een accreditatiesysteem voor opleidingen ingevoerd, aanvullend aan het reeds bestaande kwaliteit bewakingssysteem. Kwaliteitszorg- en accreditatiesystemen worden steeds meer als basis voor het waarborgen van de algemene kwaliteit van instellingen en hun opleidingen benut.

Streefwaarden

A Toenemend aantal «groene instellingen» dat beschikt over een kwaliteitszorgsysteem
OmschrijvingStreefwaarde 2002
WO/HBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem90%
MBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem95%
VMBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem50%

Momenteel ligt dit percentage op 75%, 90%, respectievelijk 0%.

B Toenemend aantal «groene instellingen» waar het kwaliteitszorgsysteem naar behoren functioneert
OmschrijvingStreefwaarde 2002
WO/HBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem75%
MBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem50%
VMBO-groen instellingen met een functionerend kwaliteitszorgsysteem25%

Momenteel ligt dit percentage op 50%, 25%, respectievelijk 0%.

C Alle instellingen voor «groene opleidingen» dienen de solvabiliteit en de liquiditeit redelijk tot goed op orde te hebben.
OmschrijvingStreefwaarde 2002
Aantal WO/HBO-groen instellingen1
Aantal MBO-groen instellingen6
Aantal VMBO-groen instellingen met een kwaliteitszorgsysteem12

Momenteel is dit aantal 1, 4, respectievelijk 11.

Beleidsinstrumenten

* Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW)

* Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)

* Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO)

De budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
08 Kennisvoorziening2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN589 369390 882359 925357 103358 292362 048363 715
UITGAVEN367 880390 895359 925357 103358 292362 048363 715
Programma-uitgaven367 880390 895359 925357 103358 292362 048363 715
U0811 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs367 880390 895359 925357 103358 292362 048363 715
ONTVANGSTEN1 406227227227227227227

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

De op dit artikel geraamde ontvangsten hebben betrekking op terug te ontvangen subsidie-voorschotten van onderwijsinstellingen.

Toelichting programma-uitgaven 2002

08.11 Het waarborgen van het aanbod en de kwaliteit van voorzieningen voor groen onderwijs

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Wetenschappelijk onderwijs30 385
HBO-groen47 892
MBO-groen en VMBO-groen281 042
ASC-subsidie606

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel359 925357 103358 292362 048363 715
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen     
t/m 2001359 9250000
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen     
m.i.v. 20020357 103358 292362 048363 715

Toelichting

Hoewel de LNV-bijdragen aan de instellingen in het groene onderwijs jaarlijks (juridisch) worden toegekend, zijn de meerjarige programma-uitgaven niet flexibel. Er ligt namelijk een wettelijke verplichting tot bekostiging van deze instellingen. De lumpsum bekostiging van de instellingen in het groene onderwijs vindt plaats op basis van vastgestelde bekostigingsmodellen. De grondslagen van deze modellen liggen vast in wet- en regelgeving.

Veronderstellingen

Een belangrijk uitgangspunt is gelijke bekostiging van instellingen voor groen en andersoortig onderwijs. Door bekostiging van instellingen wordt de continuïteit van de opleidingen in de groene instellingen gewaarborgd.

Evaluatie

Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen worden door het ministerie van LNV analyses van de financiële economische positie van het groen onderwijs als totaal uitgevoerd welke kunnen fungeren als benchmark voor individuele instellingen.

Jaarlijks houdt de Inspectie LOK een aantal meta-evaluaties inzake de opzet en de werking van de kwaliteitszorgsystemen bij de diverse instellingen in het groene onderwijs.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor het waarborgen van een systeem van kennisvoorziening en is resultaatsverantwoordelijk voor de bekostiging van de bij de wet erkende instellingen voor het groene onderwijs.

Groeipad VBTB

In de ontwerpbegroting 2003 zal extra aandacht worden besteed aan de toelichting op de programmabudgetten (p x q) en aan een toelichting op de beleidsinstrumenten.

09 Kennisverspreiding

Algemene beleidsdoelstelling

Het verspreiden van kennis en vaardigheden aan de (toekomstige) doelgroepen in het agrofoodcomplex en de groene ruimte om deze breed inzetbaar te kwalificeren voor de arbeidsmarkt en voor deelname aan de maatschappij.

Het uitwisselen van kennis en informatie tussen het ministerie van LNV en de LNV-doelgroepen met het oog op de voorbereiding en de realisatie van het LNV-beleid.

Grafiek 11: Procentuele verdeling uitgaven 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-11.gif

Operationele doelstellingen

09.11 Inhoud van het onderwijs

Het waarborgen van de systematiek waarin de inhoud van de opleidingen continu wordt vernieuwd.

De opleidingen van de (toekomstige) beroepsbevolking in voedsel en groen moeten actueel zijn en voortdurend aangepast worden aan nieuwe inhoudelijke eisen en ontwikkelingen. Deze aanpassing vindt plaats op basis van nieuwe kennis, nieuwe concepten en principes, nieuwe beleidsdoelstellingen en waarden, inclusief die welke verbonden zijn met (internationale) ontwikkelingen en arbeidsmarkten.

Het accent voor de komende jaren in groene opleidingen zal liggen op de implementatie van de Kwalificatiestructuur 2000 in het MBO en het versterken van de beleids- en maatschappelijke oriëntatie van de inhoud van de opleidingen in het gehele beroepsonderwijs.

Streefwaarden

Aantal uitgevoerde visitaties en meta-evaluaties.
OmschrijvingStreefwaarde 2002
WO-groen instellingen2
HBO-groen instellingen2
MBO-groen instellingen2

Momenteel ligt dit aantal voor alle instellingen op 1.

Beleidsinstrumenten

VIA-regeling: met de regeling wordt een aanvullende inhoudelijke vernieuwing vanuit het beleidsdomein voedsel en groen gestimuleerd.

Overige subsidies en regelingen: met dit budget wordt de vernieuwing van de kwalificatiestructuur gerealiseerd; dit is inclusief de vernieuwing als gevolg van veranderingen in de arbeidsmarkt, de financiering van LOBAS, de aanpassing van opleidingen, en de leermiddelen en de ontwikkeling van het visitatie-instrument.

Daarnaast wordt voor enkele specifieke thema's zoals biologische landbouw een aanvullende financiële ondersteuning gegeven voor het actualiseren van groene opleidingen.

09.12 Maatwerk en flexibiliteit

Het creëren van een vraaggestuurde leeromgeving, rekening houdend met de wens van de lerende, de werkomgeving en de arbeidsmarkt.

Met meer flexibiliteit en maatwerk moet bereikt worden dat zoveel mogelijk mensen de opleidingen voor voedsel en groen met een startkwa- lificatie verlaten en dat werkenden in het domein voor voedsel en groen daarna via «leven lang leren» kennis en kunde verder ontwikkelen. Om dat te realiseren wordt rekening gehouden met individuele leerstijlen, leerwensen, leermogelijkheden, leerachterstanden, leerplaatsen en met de kwaliteiten van docenten hiervoor.

Streefwaarden

De streefwaarden bij deze operationele doelstelling zijn kwalitatief van aard en bestaan uit:

* het versterken van de mogelijkheden voor allochtonen om deel te nemen aan de groene opleidingen;

* een toename van het aantal studenten in de lerarenopleiding voor groene opleidingen, in het bijzonder een toename van het aantal duale studenten;

* het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Door het ontwikkelen van doorlopende leertrajecten vmbo-mbo en specifieke inspanningen voor probleemleerlingen;

* het stimuleren van andere vormen van leren en met name praktijkleren in de groene opleidingen;

* cursusonderwijs (naschools) voor werkenden in het agrofoodcomplex wordt versterkt.

Beleidsinstrumenten

Cursusonderwijs: met dit onderwijs wordt gestimuleerd dat betrokkenen in het domein voor voedsel en groen nieuwe kennis en informatie over de inhoudelijke ontwikkelingen kunnen leren. De nota's van het ministerie van LNV zijn hierbij leidend. Voor cursussen wordt subsidie gegeven om deelname voor zoveel mogelijk mensen mogelijk te maken. De kwaliteit van de cursussen wordt gewaarborgd doordat alleen onderwijsinstellingen de LNV cursus mogen aanbieden. De thema's voor deze cursussen zijn: gewasbescherming, biotechnologie, multifunctioneel landgebruik, dierenwelzijn, milieu, biologische landbouw, voedselveiligheid, concurrentiekracht en verantwoord ondernemen.

Praktijkleren: met dit instrument wordt gestimuleerd dat lerenden in groene opleidingen ook in de praktijk leren onder meer door praktijkweken te organiseren. Over de uitvoering wordt door de onderwijsinstellingen verantwoording afgelegd op basis van vooraf vastgestelde doelen per instelling.

Overige regelingen: met deze regelingen worden het ontwikkelen en toepassen van maatwerk in de opleidingen, bijzondere en aanvullende opleidingsvormen gestimuleerd. Dit om alle deelnemers op te leiden tot een voor hen passende kwalificatie. Hiervoor wordt een aantal pilots uitgevoerd. Over de uitvoering wordt door de instellingen verantwoording afgelegd op basis van vooraf vastgestelde doelen per instelling en per project. Een belangrijk onderdeel hiervan is de «Impuls Beroepsonderwijs» met bijbehorende regeling.

09.13 Onderwijskundige vernieuwing

Het waarborgen van onderwijskundige vernieuwing in het algemeen en gericht op leren en ICT in het bijzonder.

Nieuwe onderwijskundige leervormen, nieuwe technologieën zoals ICT zijn ook van belang voor groene opleidingen. Elke leerling en student in voedsel en groen moet vaardig zijn met ICT. Een ICT-rijke groene leeromgeving voor alle onderwijssoorten wordt nagestreefd. Nadruk in het beleid ligt nu op het creëren van een goede infrastructuur. Daarnaast wordt door middel van stimulering van een aantal concrete projecten geëxperimenteerd met groene opleidingen, waarin nieuwe onderwijsvormen met ICT de nadruk krijgen.

Ook andere onderwijskundige vernieuwingen zoals het meenemen van elders en eerder verworven competenties in de diplomering krijgen prioriteit.

Streefwaarden

De streefwaarden bij deze operationele doelstelling bestaan uit:

* Elke leerling en student in voedsel en groen moet vaardig zijn met ICT.

* Binnen groene opleidingen krijgen nieuwe onderwijsvormen met ICT de nadruk.

Beleidsinstrumenten

Regelingen ICT: invoering van onderwijs met behulp van ICT wordt gestimuleerd; het gaat om de ICT basis (infrastructuur) en het ontwikkelen en aanbieden van nieuwe vormen van ICT onderwijs, inclusief het aanpassen van de daarvoor benodigde leermiddelen. Over de uitvoering wordt door de instellingen verantwoording afgelegd op basis van vooraf vastgestelde doelen per instelling.

Overige regelingen: met de regelingen wordt de invoering van opleiden met behulp van leren op andere plaatsen (bijvoorbeeld in het werk) ontwikkeld. Hiervoor lopen een aantal pilotprojecten. Over de uitvoering wordt door de instellingen verantwoording afgelegd op basis van vooraf vastgestelde doelen per instelling en per project.

Middels een EVC-project wordt met het bedrijfsleven een systematiek ontwikkeld voor andere onderwijskundige vernieuwingen

09.14 Internationaal onderwijs

Het stimuleren van kennisuitwisseling voor voedsel en groen op Europees en mondiaal niveau.

De (toekomstige) beroepsbevolking in het agro-foodcomplex zal gaan functioneren op een arbeidsmarkt in een internationale context. De voorbereiding daarop is wezenlijk en onmisbaar onderdeel van opleiden. Naast inhoudelijke vernieuwing van opleidingen moet kennisuitwisseling bijdragen aan versnelde integratie van internationalisering in groene opleidingen.

Streefwaarden

De streefwaarden bij deze operationele doelstelling zijn kwalitatief van aard en bestaan uit:

* verhoging van de uitwisseling van leerlingen, studenten, docenten, management;

* introductie van het LNV beurzenprogramma voor leerlingen, studenten en docenten, management voor groene opleidingen in het kader van het bilaterale beleid van het ministerie van LNV;

* meer bekendheid in het buitenland van groene HBO-opleidingen;

* toename van deelname van buitenlanders uit prioritaire landen aan Nederlandse groene opleidingen.

Beleidsinstrumenten

Subsidieregeling voor EU uitwisselingsprogramma's: met deze regeling wordt een bijdrage gegeven aan internationale EU programma's, zodat ook het groene onderwijs daarvan gebruik kan maken.

Subsidieregeling aan HO steunpunten in het buitenland: met de regeling wordt het oprichten van steunpunten in een aantal landen gestimuleerd. Het gaat om steunpunten in LNV prioritaire landen.

Het LNV beurzenprogramma: met dit programma wordt de uitwisseling van studenten, docenten, management gestimuleerd. Het gaat om uitwisseling met LNV prioritaire landen en om beurzen in het kader van het bilaterale beleid van het ministerie van LNV en de kenniscomponent daarbij.

09.15 Voorlichting

Het realiseren van een optimale kennisdoorstroming over beleidsmatige ontwikkelingen met betrekking tot voedsel en groen.

Het doel van de kennisdoorstroming is het bereiken dat de betrokkenen de juiste maatregelen kunnen treffen om aan regelgeving te voldoen. Hiervoor worden Voorlichtingsopdrachten verstrekt voor het communiceren met een diversiteit aan doelgroepen. De communicatie is bestemd voor sectoren, ketens, specifieke groepen van mensen in het agrofood-complex en de groene ruimte. De opdrachten zijn afgeleid van nieuwe beleidsnota's van het ministerie van LNV en worden vanaf 2001 (deels) openbaar aanbesteed.

Streefwaarde

De streefwaarde bij deze operationele doelstelling is kwalitatief van aard en bestaat uit:

* toenemende bekendheid met nieuwe beleidsontwikkelingen voedsel en groen; nulmeting op basis van nog te ontwikkelen toetsingskader voor het integrale voorlichtingsprogramma.

Beleidsinstrument

Voorlichtingsopdrachten: met de opdrachten worden voorlichtingsopdrachten voor het domein voedsel en groen gefinancierd. De nota's van het ministerie van LNV zijn hierbij leidend en de thema's zijn: natuur, duurzame produktie, ondernemerschap, kwaliteit van de voeding, kennis en innovatie. De opdrachtnemers leggen per opdracht verantwoording af over de van tevoren in de opdracht vastgestelde doelen.

De budgettaire gevolgen van het beleid

Bedragen x € 1 000
09 Kennisverspreiding2000200120022003200420052006 
VERPLICHTINGEN54 43360 08988 54390 22789 90590 02090 150 
UITGAVEN52 61548 94786 17290 22391 26291 37891 507 
Programma-uitgaven52 25648 56185 89989 95090 98991 10591 234 
U0911 Inhoud van het onderwijs11 91012 49126 47927 83727 86127 86127 861  
U0912 Maatwerk en flexibiliteit12 09012 50734 78835 38535 52435 64035 668 
U0913 Onderwijskundige vernieuwing11 60212 34113 87311 29411 29111 29111 384 
U0914 Internationaal onderwijs6967127331 0341 0341 0341 042 
U0915 Voorlichting15 95810 51010 02614 40015 27915 27915 279 
         
Apparaatsuitgaven359386273273273273273 
U0922 Baten-lastendienst359386273273273273273 
ONTVANGSTEN0000000 

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

De apparaatsuitgaven baten-lastendienst hebben betrekking op LASER.

Toelichting programma-uitgaven 2002

09.11 Inhoud van het onderwijs

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
VIA-regeling3 114
Overige regelingen met subsidie23 365

09.12 Maatwerk en flexibiliteit

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Cursusonderwijs3 100
Regeling Praktijkleren17 247
Overige regelingen met subsidie14 441

09.13 Onderwijskundige vernieuwing

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Regelingen ICT8 576
Overige regelingen met subsidie5 297

09.14 Internationaal onderwijs

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Subsidiebijdrage aan EU-uitwisselingsprogramma's139
Subsidiebijdrage aan HO steunpunten in het buitenland295
LNV beurzenprogramma299

09.15 Voorlichting

 
InstrumentTotaal (x € 1 000)
Voorlichting10 026

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
 20022003200420052006
Uitgaven totaal artikel86 17290 22391 26291 37891 507
Uitgaven voor reeds aangegane verplichtingen t/m 200143 0864 5383 1761 8150
Uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen m.i.v. 200243 08685 68588 08689 56391 507
(waarvan apparaat)273273273273273

Toelichting

Een deel van de programma-uitgaven voor nog aan te gane verplichtingen heeft betrekking op doorlopende exploitatiesubsidies van organisaties voor onderwijsvernieuwingen, en meerjarige programma's voor de invoering van ICT in het groene onderwijs.

Evaluatie

Uitvoering van het beleid wordt voor een belangrijk deel door de onderwijsinstellingen gedaan. Via de uitvoering van toezicht door de Inspectie LOK wordt deze uitvoering gevolgd. Uitkomsten van het toezicht vormen de basis voor herijking en ombuigingen van beleid.

Voor het algemene onderwijsbeleid zijn de kaders voor toezicht wettelijk vastgelegd. De resultaten van toezicht worden in het jaarlijkse (landbouw)onderwijsverslag opgenomen. Op ad-hoc basis kunnen aanvullende evaluaties worden uitgevoerd. Voor 2002 is dit met name gericht op de evaluatie van de actualiteit van de inhoud van het groene onderwijs.

Door toetsing van de resultaten van visitaties wordt de kwaliteit van opleidingen getoetst. Via onderzoek op de arbeidsmarkt wordt getoetst of opleidingen daadwerkelijk aansluiten bij de arbeidsmarkt. Om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt goed te kunnen blijven volgen, zal regulier (jaarlijks) een onderzoek onder schoolverlaters worden uitgevoerd. De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt worden met ondersteuning van het daaraan verbonden onderzoek gevolgd. Uitkomsten van dit onderzoek worden door het onderwijs benut om opleidingen aan te passen.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is systeemverantwoordelijk voor het waarborgen van de kwaliteit (inclusief de inhoud van de opleidingen) in het kader van kennisverspreiding en is resultaatsverantwoordelijk voor de inzet en werking van de instrumenten voor het realiseren van de doelstellingen van dit beleidsartikel.

Groeipad VBTB

In de ontwerpbegroting 2003 zal extra aandacht worden besteed aan het kwantificeren van de streefwaarden en de toelichting aan de hand van prestatiegegevens (p x q). In 2002 zal een systematiek worden ontwikkeld om de internationale uitwisseling van leerlingen, studenten, docenten en management te meten. Met ingang van 2003 zal hierover worden gerapporteerd. In 2002 is een toetsingskader beschikbaar om de beleidsmatige en maatschappelijke oriëntatie van het groen onderwijs te beoordelen.

10 Nominaal en onvoorzien

Dit niet-beleidsartikel heeft een bijzonder karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen naar de overige beleidsartikelen plaats. Daarnaast worden onvoorziene uitgaven op het artikel geraamd. Het beleidsartikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen.

Loonbijstelling

Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkeling en de overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premies sociale zekerheid. Vanuit dit artikel wordt de loonbijstelling toegedeeld aan de loongevoelige beleidsartikelen.

Onvoorzien

De grondslag van deze post ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid is opgenomen om een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen.

Budgettaire gevolgen

Bedragen x € 1 000
10 Nominaal en onvoorzien2000200120022003200420052006 
VERPLICHTINGEN06 9925 6505 4685 7595 9675 967 
UITGAVEN06 9925 6505 4685 7595 9675 967 
Programma-uitgaven0000000 
Apparaatsuitgaven06 9925 6505 4685 7595 9675 967 
U1021 Prijsbijstelling0000000 
U1022 Loonbijstelling06 8145 4725 2905 5815 7895 789 
U1023 Onvoorzien0178178178178178178 
ONTVANGSTEN0000000 

Toelichting

Het restant loonbijstelling op dit artikel is gereserveerd voor toedeling na de tot standkoming van de CAO 2001 (1-10-2001).

11 Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, toegelicht die niet vallen onder de voorgaande beleidsartikelen. Dit betreft: de apparaatsuitgaven van staf- en andere directies op het kerndepartement, uitgaven in het kader van het actieplan emancipatie, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen.

Grafiek 12: Procentuele verdeling uitgaven van 2002 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-28000-XIV-2-12.gif

De budgettaire gevolgen

Bedragen x € 1 000
11 Algemeen2000200120022003200420052006
VERPLICHTINGEN226 359230 606228 452216 815210 986218 411225 043
UITGAVEN225 692230 620228 447216 947210 981218 407225 039
Programma-uitgaven52 43149 78945 30043 62243 48643 48643 486
U1111 Emancipatie198602227227227227227
U1113 Internationale contributies6 7567 3767 2057 2057 2057 2057 205
U1114 Uitvoering van EU-maatregelen45 47741 81137 86836 19036 05436 05436 054
Apparaatsuitgaven173 261180 831183 147173 325167 495174 921181 553
U1121 Apparaat150 237156 062163 624154 121148 291155 717162 349
U1122 Baten-lastendienst23 02424 76919 52319 20419 20419 20419 204
ONTVANGSTEN60 15048 706288 707289 139289 139289 139289 139

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

De apparaatsuitgaven hebben betrekking op de algemene leiding, de Bestuursraad, het Kabinet (inclusief de AVB), de directies P&O, FEZ, IFA, Accountantsdienst, Voorlichting, JZ, IZ, EC-LNV, de Regiodirecties en de Dienst Basisregistraties LNV.

Op dit artikel worden tevens de materiële uitgaven ministerie algemeen geraamd, zoals huisvesting- en automatiseringsuitgaven, die niet zijn toe te rekenen aan de beleidsartikelen.

De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op uitvoeringskosten van LASER uit hoofde van de uitvoering van diverse EU-regelingen. Het gaat hier om diverse inkomensregelingen (o.a. slachtpremieregeling volwassen runderen) alsmede om de uitvoeringskosten van POP-projecten.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
 raming 2002
 gemiddelde sterktegemiddelde prijstotaal
Personeel algemene leiding en stafdirecties 1)694,163,243 867
Personeel overige directies 2)607,751,131 049
Materieel  33 063
Materieel Ministerie algemeen  37 743
Overig apparaat*  17 902
Bijdrage aan Laser  19 523
Totaal apparaatsuitgaven  183 147

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

Toelichting

1) Dit betreffen de personele uitgaven van de algemene leiding en de stafdirecties Kabinet (incl. AVB), Personeel en Organisatie, Financieel Economische Zaken, Informatiemanagement en Facilitaire Aangelegenheden, de Accountantsdienst en de directie Voorlichting.

2) Dit betreffen de personele uitgaven voor de regio- en projectdirecties, de directies Juridische Zaken en Internationale Zaken, het Expertisecentrum LNV en de Dienst Basisregistraties LNV.

De ontvangsten hebben met name betrekking op de landbouwheffingen (€ 272 mln. bruto-ontvangsten vanaf 2002 structureel). In het kader van de integrale presentatie van de EU-afdrachten worden de landbouwheffingen namelijk binnen begrotingsverband van LNV gebracht en gaat de perceptiekostenvergoeding over naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. In de bijlage Europese geldstromen worden de ontvangsten uit hoofde van de landbouwheffingen per landbouwproduct weergegeven. Daarnaast worden op dit artikel ontvangsten geraamd voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen. Tot slot is sprake van diverse overige ontvangsten.

Ontvangsten 2002 (x € 1 000)
Totaal288 707
Landbouwheffingen272 268
EU-ontvangsten6 819
Overige ontvangsten9 620

Toelichting op de programma-uitgaven

U11.11 Emancipatie

In 2002 zal het actieplan emancipatie LNV (1999–2003) verder uitgewerkt en geconcretiseerd worden. De actieplannen emancipatie zijn door alle departementen geformuleerd in het kader van het regeerakkoord. Om het aandeel vrouwen in LNV-commissies en -organen te vergroten zal een databank worden ingericht met namen van relevante vrouwelijke kandidaten.

In 2002 worden op drie belangrijke LNV-beleidsterreinen een Emancipatie Effectrapportage (EER) uitgevoerd. Zeker is een EER POP. De meerwaarde van een EER innovatiebeleid en een EER Impuls voor vernieuwing wordt verkend. Naast deze actiepunten wordt gewerkt aan het maken van een boek over emancipatie op de LNV terreinen. Hiervoor is gekozen om betrokkenen bij de LNV-thema's te inspireren tot nieuwe positieve beelden over emancipatie en tot actie. De ervaringen met het maken van het boek en de reacties op het boek worden gebruikt voor een interactief traject om een intern en extern draagvlak voor een vernieuwd, LNV beleid te krijgen.

U11.13 Internationale contributies

Het ministerie van LNV voldoet jaarlijks aan de contributieverplichtingen uit hoofde van het Nederlands lidmaatschap van internationale organisaties die zich bewegen op het beleidsterrein van LNV. De contributie aan de FAO (Food and Agricultural Organisation) van de Verenigde Naties is veruit de grootste en behelst ca. 80 procent van het budget voor internationale contributies. De FAO-contributie wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het cluster van buitenlanduitgaven en -ontvangsten op de rijksbegroting.

U11.14 Uitvoering van EU-maatregelen

Op dit artikel worden uitgaven geraamd die samenhangen met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie, inclusief de aankopen uit hoofde van de regeling Sociale Boter. Concreet gaat het hier om de interventiekosten, de medebewindskosten, de uitgaven uit hoofde van de apurementprocedure, de uitgaven uit hoofde van de Regeling Sociale Boter en de kosten van schikkingen die samenhangen met de uitvoering van de Regeling Superheffing. Onder «interventiekosten» worden de kosten van in-, op- en uitslag verstaan van de marktordeningsproducten zuivel, rundvlees en granen.

De medebewindskosten betreffen de vergoedingen voor taken die door de productschappen in medebewind worden verricht. Deze taken omvatten de uitvoering van maatregelen in het kader van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie en hebben in hoofdzaak betrekking op het opleggen van heffingen, het verlenen van exportrestituties, alsmede de administratie hiervan. Een nadere toelichting betreffende de uitvoering door de productschappen uit hoofde van medebewind wordt in de EU-bijlage gegeven.

Ten behoeve van de afwikkeling van declaraties over afgesloten jaren met het EOGFL, afdeling Garantie, door middel van de zogenaamde apurement-procedure en de uitgaven in het kader van de Regeling Sociale Boter, zijn op dit artikel stelposten opgenomen.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is resultaatsverantwoordelijk voor de uitvoering van de EU-maatregelen.

Paragraaf inzake bedrijfsvoering

VBTB

De begroting 2002 is de eerste begroting die op de VBTB-leest is geschoeid. Deze nieuwe wijze van begroten heeft implicaties voor de manier van werken binnen LNV. In de voorbereiding zijn per operationele doelstelling en beleidsartikel werkgroepen in het leven geroepen. Hierin zaten de betrokken (regionale) beleidsdirecties, stafdirecties en uitvoerende diensten.

VBTB heeft een structureel karakter en stelt eisen aan het beleidsproces, beleidsnota's en kennisniveau van de LNV-organisatie. Om beleidsmedewerkers hiermee vertrouwd te maken gaat VBTB standaard verwerkt worden in cursussen en opleidingen. Door deze kennisoverdracht zullen ook nieuwe medewerkers bekend worden met het gedachtengoed.

Om de verantwoording aan te laten sluiten aan de vorm en inhoud van deze VBTB-begroting wordt hard gewerkt aan twee projecten.

Het eerste project richt zich op het systematisch verzamelen van beleidsinformatie. Hiervoor is reeds een zogenaamde «informatie-analyse» uitgevoerd, die heeft geleid tot een samenhangend model van informatiestromen. Dit model maakt manifest dat met name de waarborgen omtrent de kwaliteit van beleidsinformatie (juist, tijdig, volledig, betrouwbaar) in te onderscheiden stadia van het beleidsproces, nadere aandacht behoeven. Hiervoor wordt thans actie ondernomen. In de tweede helft van 2001 zullen, op basis van een gedegen risico-analyse waarbij ook de afhankelijkheid van derden-informatie wordt betrokken, verantwoordelijkheden in de organisatie worden belegd en de werkwijze, indien nodig en specifiek waar het gaat om beleidsinformatie, worden aangepast. Ten aanzien van de kwaliteit van beleidsinformatie zal uiteraard sprake zijn van een groeitraject.

Het tweede project richt zich op de noodzakelijke infrastructuur om achteraf verantwoording over de bedrijfsvoering te kunnen afleggen. Daarbij gaat het o.a. om de aanpassing van de planning & control-systemen en de control-functie bij directies en diensten in het kader van het (interdepartementale) referentiekader bedrijfsvoering in 2002. Ook hier zal sprake zijn van een groeitraject.

Mededeling bedrijfsvoering

In de verantwoording over het begrotingsjaar 2002 zal voor het eerst een mededeling over de bedrijfsvoering worden opgenomen De totstandkoming van de mededeling en de verbeteringen in de bedrijfsvoering vormen een groeiproces waarvoor de basis in 2002 zal worden gelegd. De reikwijdte van de mededeling over de bedrijfsvoering in de verantwoording over 2002 zal, conform de Comptabiliteitswet, het financieel en materieel beheer en de daaraan ten grondslag liggende administraties betreffen.

De mededeling zal gebaseerd worden op het kader dat momenteel, onder coördinatie van het Ministerie van Financiën, ontwikkeld wordt. In de uitwerking bij het Ministerie van LNV zullen alle directies en diensten betrokken worden. Op grond van de ervaringen met de mededeling over de bedrijfsvoering over het begrotingsjaar 2002 zal in lijn met het (interdepartementale) groeiproces, de reikwijdte van de mededeling verder kunnen worden uitgebreid.

Euro-implementatie

Alle voorbereidingen zijn getroffen voor een geruisloze invoering van de Euro in 2002 bij LNV en de aan LNV gelieerde organisaties. Alle eurogevoelige systemen in de bedrijfsvoeringsketens zijn in 2001 aan een kritische eurotoets onderworpen. Extra aandacht is besteed aan de aspecten van automatisering en wet- en regelgeving. Binnen LNV en richting de verwante organisaties en doelgroepen is uitgebreid gecommuniceerd en voorlichting gegeven. De voorbereidingen zijn op een adequate wijze aangepakt en de werkzaamheden zijn conform het door de Ministerraad vastgestelde tijdschema afgerond.

Paragraaf inzake baten-lastendiensten

Bureau Heffingen

Profiel

Bureau Heffingen zet, met gebruik van moderne informatie- en communicatietechnologie, wet- en regelgeving om in administratieve processen en registreert en beoordeelt gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van weten regelgeving.

De uitvoeringswerkzaamheden van Bureau Heffingen bestaan uit:

* Uitvoering van de Meststoffenwet, waaronder het MINeralen Aangifte Systeem (Minas) inclusief de bijbehorende registraties en invordering, de Wet verplaatsing mestproductie, de Wet herstructurering varkenshouderij, de Opkoopregeling varkensrechten en de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

Hierbij gaat het onder meer om het opleggen en innen van de Minas aangiftes, de jaaropgaven, de registratie en beoordeling van gegevens, zoals aantallen dieren, mestproductierechten en varkensrechten, maar ook om de erkenning van intermediaire ondernemingen, het omzetten van mestproductierechten naar pluimveerechten en het afhandelen bezwaar- en beroepszaken.

* Registratie van meststromen. Centraal hierin staat de verwerking van afleveringsbewijzen dierlijke meststoffen en overige organische meststoffen en de controle van internationale mesttransporten.

* Uitvoeren van de Regeling administratieve voorschriften bestrijdingsmiddelen.

* Leveren van inbreng bij de vormgeving van het nieuwe mestbeleid en de totstandkoming van regelgeving en het verschaffen van gegevens ter beoordeling van de effectiviteit van het gevoerde beleid.

* Voorlichting en communicatie.

Planning en verslaglegging

Ten behoeve van de planning en de verslaglegging is een productenkader opgesteld waarin de kerntaken van Bureau Heffingen zijn benoemd. Per instrumentafspraak worden de gerealiseerde producten en de bestede uren (fte's) vermeld.

In een protocol zijn de afspraken vastgelegd tussen de beleidsdirectie (aansturing en coördinatie van het beleidsproces) en Bureau Heffingen (uitvoering van de onder het protocol vallende beleidsinstrumenten) inzake de te volgen procedure bij de totstandkoming en het onderhouden van opdrachten.

Over de planning van de uit te voeren activiteiten, die in het jaarplan en de begroting zijn opgenomen, wordt vooraf met de Bestuursraad van het ministerie van LNV overleg gevoerd. Over de realisatie van het jaarplan en de begroting wordt aan de Bestuursraad gerapporteerd. Dit gebeurt op basis van het productenkader in de CCS-rapportage.

Bureau Heffingen heeft voor een belangrijk deel te maken met frequent wijzigende wet- en regelgeving (bv. WHV, MINAS, Mestafzetovereenkomsten). Het gevolg is dat ook gedurende het jaar de geplande productie en doelstellingen moeten worden bijgesteld.

De begroting van baten en lasten

 
Bedragen x € 1 0002000200120022003200420052006
Baten       
Opbrengst moederdepartement32 71445 72945 87041 83338 46235 56135 561
Specifieke opbrengsten LNV2 076816590579571571571
Opbrengst derden791817817817817817817
Rentebaten144136136136136136136
Buitengewone baten252      
        
Totale baten35 97747 49847 41343 36539 98637 08537 085
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personeel13 57818 94015 49813 52911 86911 80012 877
* materieel17 94419 91717 88714 72314 66213 71114 547
* huisvesting1 9453 7934 3494 0453 6843 3263 000
Rentelasten4386831 1201 019991904521
Afschrijvingskosten materieel1 2551 6082 9753 5013 5963 3962 959
Afschrijvingskosten immaterieel2 1342 5575 5846 5485 1843 9483 181
        
Totale lasten37 29447 49847 41343 36539 98637 08537 085
        
Saldo van baten en lasten– 1 317000000

Toelichting

De opbrengst Moederdepartement in 2002 sluit aan bij de in de begroting van LNV geraamde bedragen (de beleidsartikelen 4 en 5). Hierin zijn de hoofdproducten (= kerntaken) van Bureau Heffingen benoemd. Het mestbeleid is continu aan veranderingen onderhevig. De weg die de afgelopen jaren is ingeslagen (invoering van een stelsel van varkensrechten en invoering van Minas) heeft grote uitvoeringsconsequenties met zich meegebracht. Zowel intensivering van bestaand beleid (o.a. uitbreiding van Minas-plichtigen) alsmede nieuw beleid (o.a. invoering van systeem van mestafzetcontracten, het tweede besluit hardheidsgevallen en het stelsel van pluimveerechten) brengt nog steeds een voortdurende groei aan werkzaamheden voor Bureau Heffingen met zich mee, en daarmee een verhoging van de LNV-bijdrage.

Tot en met 2001 zijn de huisvestingslasten door het kerndepartement bekostigd en dus ook niet in de baten en lasten opgenomen. Vanaf 2002 zijn de lasten onder huisvesting opgenomen en de baten onder opbrengst Moederdepartement.

De opbrengst derden heeft grotendeels betrekking op het registreren van blokkaderecht en het toepassen van het profijtbeginsel bij overdracht mestproductierechten en varkensrechten. Het betreft vergoedingen (leges) die veehouders moeten betalen voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel varkensrechten. De leges dienen vooraf te worden voldaan.

De rentebaten hebben betrekking op het voordelige saldo van de Rekening-courant, gebaseerd op het ervaringscijfer uit 2000.

De personele kosten in 2002 hebben betrekking op de salariskosten van het personeel op de vaste en tijdelijke formatieplaatsen en van uitzendkrachten (442 fte's). De externen worden verantwoord onder materieel.

De materiële kosten in 2002 bestaan uit personeelsgebonden kosten, automatiseringskosten, diensten derden en logistieke kosten.

De huisvestingskosten betreffen de exploitatielasten (huur en schoonmaakkosten etc.) van de panden waarin Bureau Heffingen is gehuisvest.

De afschrijvingen voeden de begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten. De afschrijvingen vinden lineair plaats en zijn gebaseerd op de historische aanschafwaarde. De afschrijvingslasten in 2002 (€ 8,6 mln.) bestaan uit € 3,0 mln. afschrijvingen materieel en € 5,6 mln. afschrijvingen immaterieel.

De rentelasten vloeien voort uit de wijzigingen die het Ministerie van Financiën per 1 januari 2000 heeft doorgevoerd met betrekking tot de financiering van de vaste activa.

Overzicht vermogensontwikkeling

 
Bedragen x € 1 0002000200120022003200420052006
Eigen vermogen per 1/13 356– 1 31700000
        
Saldo van baten en lasten– 1 317      
        
Directe mutaties in het eigen vermogen:       
– uitkering aan moederdepartement       
– vermogensbijdrage moederdepartement3 2731 317     
– overige mutaties– 6 629      
        
Eigen vermogen per 31/12– 1 317000000

Kasstroomoverzicht

 
Bedragen x € 1 0002000200120022003200420052006
Rekeningcourant RHB 1 januari2 9088 57012 22911 90713 13612 34211 653
        
Totaal operationele kasstroom7 3125 8906 07510 0508 7817 3446 139
        
-/- totaal investeringen– 7 739– 12 275– 9 753– 7 448– 5 321– 5 373– 5 218
+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
Totaal investeringskasstroom– 7 739– 12 275– 9 753– 7 448– 5 321– 5 373– 5 218
        
-/- uitkeringen aan moederdepartement– 6 629      
+ storting door moederdepartement3 2731 317     
-/- aflossingen op leningen– 2 652– 3 548– 6 397– 8 821– 9 575– 8 033– 6 718
+ beroep op leenfaciliteit12 09712 2759 7537 4485 3215 3735 218
        
Totaal financieringskasstroom6 08910 0443 356– 1 373– 4 254– 2 660– 1 499
        
Rekeningcourant RHB 31 december8 57012 22911 90713 13612 34211 65311 075

Toelichting

De investeringen 2002 ad. € 9,8 mln. zijn onderverdeeld in:

* immateriële vaste activa (€ 5,6 mln.) bestaande uit € 0,3 mln. voor het ontwerpen van formulieren door derden en € 5,3 mln. voor het ontwikkelen van programmatuur (afschrijvingstermijn 3 jaren);

* hard- en software (€ 3,3 mln.) (afschrijvingstermijn 3 jaren);

* inventaris/installaties en overige materiële vaste activa (€ 0,8 mln.) bestaande uit kantoormeubilair, kantoormachines en overige aanschaffingen uit (afschrijvingstermijn 5 jaren), verbouwingen en huisvesting (€ 0,1 mln.) (afschrijvingstermijn 10 jaren).

Prestaties

In dit hoofdstuk worden beheersmatige kengetallen en indicatoren weergegeven die een indruk geven van de uitvoering van het beleid door Bureau Heffingen.

Ten behoeve van de planning en de verslaglegging is in 2001 een nieuw productenkader opgesteld in de vorm van instrumentafspraken met Directie Landbouw en PIM waarin de hoofdproducten (= kerntaken) van Bureau Heffingen zijn benoemd. Per instrument worden de gerealiseerde output en de bestede uren (fte's) vermeld.

Door veranderende wetgeving is het pakket werkzaamheden van Bureau Heffingen aan verandering onderhevig. Dit heeft gevolgen voor de prestaties per hoofdproduct. Een vergelijking tussen de verschillende jaren wordt hierdoor vooralsnog bemoeilijkt.

 
Productenkader 2002Product-eenheden x 1 000Uren x 1 000Lasten totaal x € 1 000Baten LNV x € 1 000Baten overig x € 1 000Uren per product-eenheidLasten per product- eenheid x € 0,5
1. Minas1 77758432 42331 3681 0550,3318,25
2. Mestrechten33643 5533 4371161,94107,67
3. Overig wet- en regelgeving289500484150,3217,85
4. Nieuw Mestbeleid2261739 6059 2923130,7742,50
5. Mestloket155241 3321 289440,158,59
Totaal2 21885447 41345 8701 5430,3821,37

Toelichting

In de begroting 2003 zal Bureau Heffingen relevante prestatie-indicatoren opnemen. Het betreft de indicatoren klachten, telefonische bereikbaarheid, afhandelingstermijn brieven en aantallen bezwaar en beroep.

LASER

Profiel

De kerntaak van LASER is de uitvoering van regelingen op het terrein van primaire landbouw, visserij, verwerkende industrie, natuur, bos, landschap en recreatie. In overwegende mate betreft het subsidieregelingen van het Ministerie van LNV. Hieronder vallen de programma's die tot vernieuwing aanzetten om zo de concurrentiekracht van de Nederlandse agrosector te vergroten en duurzame ontwikkeling van natuur, bos, landschap en recreatie te bevorderen.

De beleidsdirecties van het Ministerie van LNV zijn de opdrachtgever van LASER. Daarnaast werkt LASER ook voor andere opdrachtgevers, zoals andere departementen, provincies en gemeenten. LASER is erkend als betaalorgaan van de Europese Unie en voert een aantal, kwantitatief omvangrijke, Europese subsidie- en interventieregelingen uit namens het Ministerie van LNV.

De komende jaren zal hard gewerkt worden aan de klantgerichtheid, onder meer door bereikbaar te zijn op één telefoonnummer, één e-mailadres en één internetadres. Ter vermindering van de administratieve lastendruk voor de doelgroep wordt gewerkt aan de mogelijkheid om aanvraagformulieren van internet te downloaden en is LASER deelnemer aan het project Basisregistratie Percelen. Dit project leidt ertoe dat de klant over 3 jaar slechts één keer en op één plek zijn gegevens hoeft aan te leveren.

De regelingen die LASER uitvoert, hebben in veel gevallen betrekking op de uitvoering van financiële regelingen in de vorm van subsidies, interventies en garanties. Ook worden op grond van wettelijke bepalingen vergunningen verstrekt en ontheffingen verleend. Advies aan de beleidsverantwoordelijken over de uitvoerbaarheid van regelingen maakt deel uit van het werk.

De formatieve omvang die ten grondslag ligt aan de personele lasten in de staat van baten en lasten is gebaseerd op een meerjarige extrapolatie van de opdrachten voor 2000, exclusief de Oogstschade regeling en de WTS schaderegelingen welke een incidenteel karakter hebben. In de meerjarige raming is rekening gehouden met de uitvoering van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken welke in 2000 gestart is. Een groot deel van de piekbelasting in de werkzaamheden wordt opgevangen door de inzet van tijdelijke krachten.

Producten en tarieven

Het agentschap LASER voert een administratie waarbij de kosten, die verbonden zijn aan de producten, inzichtelijk worden gemaakt. Hierdoor zijn op basis van integrale kostprijzen afspraken met opdrachtgevers gemaakt over de te leveren producten met de bijbehorende tarieven. LASER voert ca. 140 regelingen uit. Jaarlijks worden de uit te voeren regelingen, de betreffende volumina en uitvoeringsmodaliteiten in een managementafspraak («regelingsafspraak») overeengekomen met de opdrachtgevers van het Ministerie van LNV. Voor opdrachtgevers buiten LNV worden afspraken geformaliseerd in de vorm van samenwerkingsovereenkomsten of contracten.

De begroting van baten en lasten

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
Baten       
Opbrengst moederdepartement41 68247 50035 75233 57133 57133 57133 571
Opbrengst overige departementen4 6641 4461 4461 4461 4461 4461 446
Opbrengst derden2 2441 8701 870 1 8701 8701 8701 870
Rentebaten190      
Buitengewone baten851      
        
Verborgen opbrengsten6 4016 3126 1085 8815 6545 4275 200
        
Totaal baten56 03257 12845 17642 76842 54142 31442 087
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten30 86632 27623 86821 77921 03320 62720 535
* materiele kosten14 70616 14911 48410 56910 20610 0099 965
Rentelasten105 136367518644712726
Afschrijvingskosten       
* materieel7571 024903919937958995
* immaterieel8751 0372 2122 8663 8294 3394 424
Dotaties voorzieningen1 621377879818585
Buitengewone lasten338      
        
Verborgen lasten6 4006 4696 2646 0385 8115 5845 357
        
Totaal lasten55 66857 12845 17642 76842 54142 31442 087
        
Saldo van baten en lasten364000000

Toelichting

De opbrengsten LNV betreffen de betalingen voor opdrachten door LNV. Zij volgen uit het meerjarig beeld van de uit te voeren regelingen op grond van het werkpakket 2001. De omzetraming voor 2002 t/m 2006 heeft een voorlopig karakter.

De opbrengsten overige departementen hebben betrekking op de uitvoering van regelingen in opdracht van het Ministerie van VROM en BZK. Het betreft hier voornamelijk regelingen in de productgroep «Overige regelingen».

De opbrengsten derden hebben enerzijds betrekking op uitvoering van regelingen in opdracht van lagere overheden. Anderzijds heeft deze post betrekking op de vergoeding van verstrekte vergunningen (leges), etc. Het betreft hier voornamelijk regeling in de productgroep «Adviserende regelingen».

De verborgen opbrengsten hebben een fictief karakter. Voor de bepaling van de integrale kosten is het namelijk noodzakelijk dat de kosten, die andere LNV diensten verantwoorden voor de voortbrenging van LASER producten en diensten, worden meegenomen. Desbetreffende diensten berekenen deze kosten echter niet door aan LASER. Op haar beurt brengt LASER deze kosten dan ook niet in rekening bij de LNV-opdrachtgevers. Wel worden deze kosten aan opdrachtgevers buiten LNV in rekening gebracht.

De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel de vaste als tijdelijke formatie. Op de personele inzet is een efficiency taakstelling verwerkt, die in 2000 2,5% en in 2001 en 2002 4% van de in 1998 geldende basisformatie van 590 fte bedraagt. Deze taakstelling komt tot uiting in een verlaging van de personele kosten. Voor 2002 bedraagt het aantal ambtelijke fte's ca. 600.

De materiële kosten hebben o.a. betrekking op opleidingen, reisen verblijfkosten, bureaukosten en huisvestingskosten. Daarnaast zijn er kosten geraamd voor de inhuur van derden om regelingen te kunnen uitvoeren. Het betreft o.a. kosten voor het onderhoud van de geautomatiseerde systemen.

De rentelasten vloeien voort uit de financiering van de investeringen van LASER via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. Deze kosten hangen tevens samen met de lening in verband met de conversie van het eigen vermogen naar vreemd vermogen per 1 januari 2000.

De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële en immateriële vaste activa. Onder de materiële activa vallen o.a. de kantoorinventaris, kantoormachines en hardware. De materiële vaste activa betreffen de inzet van Informatie Technologie voor de uitvoering van de regelingen. De afschrijvingskosten volgen uit de boekwaarde van de activa en uit het investeringsprogramma van LASER. De afschrijvingen vinden lineair plaats.

De dotatie voorzieningen bestaat uit een dotatie aan de voorziening groot onderhoud panden die in de toekomst voor rekening komt van LASER.

De verborgen lasten betreffen kosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van LASER, maar door een andere LNV directie worden verantwoord. Het betreft de gecalculeerde huur voor de regionale vestigingen en het verborgen aandeel in de huur van het hoofdgebouw van LNV. Voorts worden hieronder kosten geraamd voor verrichte werkzaamheden van interne LNV-diensten.

Overzicht vermogensontwikkeling

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
Eigen vermogen per 1/12 5511 6842 2622 2622 2622 2622 262
        
Saldo van baten en lasten364      
        
Directe mutaties in het eigen vermogen       
– uitkering aan moederdepartement– 1 231      
– exploitatiebijdrage moederdepartement 577     
– overige mutaties       
        
Eigen vermogen per 31/121 6842 2622 2622 2622 2622 2622 262

Kasstroomoverzicht

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
1. Rekeningcourant RHB 1 januari4 9884 7134 3784 0344 9755 6555 925
        
2. Totaal operationele kasstroom6 029– 9121 3683 4324 4955 2485 426
        
3a. -/- totaal investeringen– 3 491– 4 617– 4 992– 5 495– 5 631– 5 763– 5 041
3b. +/+ totale boekwaardedesinvesteringen6      
3. totaal investeringskasstroom– 3 485– 4 617– 4 992– 5 495– 5 631– 5 763– 5 041
        
4a. -/- eenmalige uitkeringen aan het moederdepartement– 3 329      
4b. +/+ eenmalige storting door het moederdepartement 577     
4c. aflossingen op leningen– 1 588 – 1 712– 2 491– 3 815– 4 978– 5 313
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit2 0994 6174 9925 4955 6315 7635 041
4. totaal financieringskasstroom– 2 8195 1943 2803 0041 816785– 272
        
Rekeningcourant RHB 31 december4 7134 3784 0344 9755 6555 9256 038

Toelichting

De stijging van de operationele kasstroom wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de stijging van de afschrijvingskosten. De aanzienlijke investeringen voor de periode 2002 t/m 2006 leiden tot een jaarlijkse stijging van deze kosten.

De investeringen in de immateriële vaste activa vloeien hoofdzakelijk voort uit het verbeter- en vernieuwingstraject zoals in gang gezet per december 2000. Daarnaast zijn de investeringen in de materiële vaste activa vooral gericht op het vervangen van verouderde en afgeschreven activa.

Indicatoren

Laser onderscheidt de volgende indicatoren om het (financieel) beheer te kunnen monitoren. Deze indicatoren geven inzicht in de betreffende ontwikkelingen over de jaren heen.

 
 19992000200120022003200420052006
Gemiddelde tariefontwikkeling (1999=100)10096,396.696,096,096,096,096,0
Resultaatontwikkeling (1 000)577364
Flexibiliteit personele inzet0,320,380,210,250,250,250,250,25

De flexibiliteit personele inzet is gedefinieerd als de formatie bezet door uitzendkrachten en contractanten gedeeld door de totale bezette formatie.

Plantenziektenkundige Dienst

Profiel

De Plantenziektenkundige Dienst (PD) heeft tot taak om ziekten en plagen in de plantaardige sector te weren en waar mogelijk te helpen beheersen en bestrijden. Dit om de wereldwijde handel in planten en plantendelen, die voor ons land in economisch opzicht zo belangrijk is, mogelijk te maken en desgewenst uit te breiden. Daarnaast zijn de activiteiten erop gericht om aantasting van natuur en landschap door vreemde organismen tegen te gaan. Tenslotte wordt, door de introductie van ziekten en plagen te voorkomen dan wel te beperken bijgedragen aan de vermindering van het gebruik en geringere afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen.

De PD voert deze taak uit in het kader van de Plantenziektenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet, Europese regelgeving en internationale verdragen.

Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is, en voor beleidsondersteuning ten behoeve van LNV ontvangt de PD een bijdrage van het ministerie. Voor de uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel van toepassing is, brengt de PD een in beginsel kostendekkend tarief (retributie) in rekening. Daar waar de dienst, afgeleid van zijn kerntaken, opdrachten voor derden uitvoert in concurrentie, gelden marktconforme tarieven.

LNV streeft naar een verbreding van de toepassing van het profijtbeginsel. Daarom is met ingang van 1 januari 2001 voor importinspecties een (in principe kostendekkend) tarief geïntroduceerd.

De begroting van baten en lasten

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
Baten       
Opbrengst moederdepartement11 4829 70211 86111 86211 86211 86211 862
Opbrengst derden8 70411 33411 60411 68911 73511 68111 723
Rente7      
Overige baten85      
Totale baten20 27821 03623 46523 5512359723 54323 584
        
Lasten       
Apparaatskosten       
Vaste pers.kosten12 15312 91612 91712 91712 91712 91712 917
Var. pers.kosten2 0112 4492 0842 0842 0842 0842 084
Materieel4 5015 0685 0135 0135 0135 0135 013
Huisvestingpmpm2 6022 6022 6022 6022 602
Afschrijvingen       
Immaterieel6484119167167167167
Materieel334350550589635581622
Rente105124135134134134134
Dotatie voorziening278454545454545
Overige lasten       
Totale lasten19 44621 03623 46523 5512359723 54323 584
        
Saldo van baten en lasten832000000

Toelichting

De opbrengst LNV sluit aan bij de in de meerjarenraming van LNV verantwoorde apparaatsuitgaven op beleidsartikel 05 Bevorderen duurzame productie. Het betreft een vergoeding voor de geraamde diensten in het kader van uitvoering van wettelijke taken, waarop het profijtbeginsel niet van toepassing is, en voor diensten ten behoeve van LNV (met name beleidsondersteuning).

Tot en met 2001 werd het merendeel van de huisvestingslasten t.b.v. de PD door het kerndepartement bekostigd. Met ingang van 2002 komen alle huisvestingslasten voor rekening van het agentschap. Tegenover deze extra kosten staat ook een hogere ontvangst van LNV. Deze wijzigingen zijn de belangrijkste verklaring voor de sterke stijging van de huisvestingsbudgetten en de ontvangsten LNV in 2002 t.o.v. 2001. is de LNV-opbrengst verhoogd met het aan het departement toe te rekenen gedeelte van de huisvestingslast van de PD. Dit ten gevolge van de Stelselwijziging Rijkshuisvesting.

De opbrengst derden (retributies en marktinkomsten) betreft de vergoeding voor de geraamde diensten, waarop het profijtbeginsel van toepassing is, met name import- en exportinspecties

De vaste personele kosten betreffen de salarissen van de vaste personeelsformatie (315 fte).

De variabele personele kosten (ingehuurd personeel) betreffen de kosten van détacherings- en uitzendkrachten.

De materiële kosten betreffen hoofdzakelijk reis- en verblijfsvergoedingen, bureau- en laboratoriumbenodigdheden en dienstverlening door derden.

Huisvesting: de huisvestingskosten zijn met ingang van 2002 in de agentschapsbegroting verwerkt. Zie ook toelichting onder Opbrengst LNV. De lasten stemmen overeen met de door de Rijksgebouwendienst aan de PD in rekening gebrachte huur.

De afschrijvingen op immateriële activa betreffen door de PD zelf ontwikkelde software. De betreffende afschrijvingstermijn is gesteld op 5 jaar.

Inzake de afschrijvingen op materiële activa wordt, afhankelijk van de economische/technische levensduur, een afschrijvingstermijn van 3 tot 10 jaar gehanteerd.

De rente betreft met name de rentelast als gevolg van de Vermogensconversie Agentschappen en de rente op de leningen voor nieuwe investeringen.

De dotaties voorzieningen betreffen wachtgeldverplichtingen, dubieuze debiteuren en assurantie eigen risico.

Overzicht vermogensontwikkeling

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
Eigen vermogen per 1/18131 6451 2951 2951 2951 2951 295
        
Saldo van baten en lasten832      
        
Directe mutaties in het eigen vermogen       
– uitkering aan moederdepartement – 350     
– vermogensbijdrage moederdepartement       
– overige mutaties       
        
Eigen vermogen per 31/121 6451 2951 2951 2951 2951 2951 295

In verband met de overschrijding van de norm voor het eigen vermogen van agentschappen, vindt in 2001 een eenmalige uitkering van bijna € 0,4 mln. aan het kerndepartement plaats. Dit bedrag zal worden aangewend ten behoeve van de nota «Zicht op gezonde teelt».

Kasstroomoverzicht

Bedragen x € 1 000
 2000200120022003200420052006
Rekeningcourant RHB 1 januari– 410679– 19– 40– 80– 120– 151
        
Totaal operationele kasstroom1 37049669756801747789
        
-/- totaal investeringen– 394– 1 235– 726– 726– 726– 726– 726
+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
Totaal investeringskasstroom– 394– 1235– 726– 726– 726– 726– 726
        
-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement– 1 752– 350     
+/+ eenmalige storting aan moederdepartement       
-/- aflossingen op leningen– 341– 397– 690– 796– 841– 778– 792
+/+ beroep op leenfaciliteit2 2061 235726726726726726
Totaal financieringskasstroom11348836– 70– 115– 52– 66
        
Rekening courant RHB 31 december679– 19– 40– 80– 120– 151– 154

Kosten en opbrengst derden per productgroep

Onder productgroep wordt een cluster van taken begrepen, die naar hun aard bijeenhoren of samenhangen. In onderstaande tabellen worden de kosten en opbrengsten weergegeven.

Kosten per productgroep (x € 1 000)
Productgroep200020012002
Import2 0652 2342 492
Export5 2705 7026 360
Fytosanitaire Opsporing5 6996 1666 878
Systeemborging121130145
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen105113127
Fytofarmaceutische acties340368410
Diagnose en identificatie3 0513 3003 682
Expertise en faciliteiten1 0851 1731 310
Beleidsondersteuning1 7101 8502 061
Totaal kosten19 44621 03623 465
Verdeling opbrengsten (x € 1 000)
Opbrengst derden (retributies en marktinkomsten) Productgroep200020012002
Import01 8151 906
Export4 5034 6824 926
Fytosanitaire Opsporing1 6311 7271 817
Systeemborging272731
Deugdelijkheidsbeoordeling bestrijdingsmiddelen265127160
Fytofarmaceutische acties244808317
Diagnose en identificatie1 4821 4661 651
Expertise en faciliteiten552682796
Totaal opbrengst derden8 70411 33411 604
    
Opbrengst LNV11 4829 70211 861
Overige opbrengsten92  
    
Totaal opbrengsten20 27821 03623 465

De omvang van de uit te voeren wettelijke taken kan per jaar sterk wisselen door uitbraak van ziekten en ontwikkelingen op het gebied van import en export. Met ingang van 2001 wordt voor het uitvoeren van importinspecties een tarief in rekening gebracht.

Prestaties en indicatoren

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van de belangrijkste prestaties weer. Deze opsomming is niet limitatief.

Prestaties (aantallen)
ProductProductgroep200020012002
Inspecties importzendingImport44 35945 00045 000
Gewaarmerkte exportcertificatenExport235 940250 000250 000
BedrijfsbezoekenFytosan. Opsporing7 4468 0008 000
PerceelsbezoekenFytosan. Opsporing69 04580 00080 000
Mutaties besmetverklaringenFytosan. Opsporing672500500
Monstername bruinrot/ringrotFytosan. Opsporing82 53385 00085 000
Diagnostische inzendingenDiagnose/identificatie79 18079 00079 000
Adviesuren landbouwkundige deugdelijkheidDeugd. Beoordeling Bestrijdingsmiddelen2 4602 4002 400
Verstrekte vergunningenFytofarm. Acties15 19252 50012000

In het kader van de bestrijding van bacterievuur worden jaarlijks anderhalf tot twee rondes perceelsbezoeken gepland. Vanwege de gunstige weersomstandigheden en de staat van de besmettingsgraad kon men in 2000 af met slechts één ronde. Dit verklaart de stijging van 2001 en 2002 t.o.v. 2000.

Het aantal verstrekte vergunningen zal in 2001 aanzienlijk hoger liggen dan in de andere jaren. Dit wordt veroorzaakt door het afgeven van verlengingen van Vergunningen Vakbekwaamheid Gewasbescherming. Deze vergunningen zijn in 1996 voor het eerst afgegeven en hebben een looptijd van 5 jaar, waardoor 2001 een piekjaar wordt. De zgn. AM-vrijverklaring verdwijnt in de loop van 2001, omdat deze activiteit wordt overgedragen aan de Nederlandse Algemene Keuringsdienst. Daardoor zal het aantal verstrekte vergunningen met ingang van 2002 lager liggen t.o.v. 2000 en voorgaande jaren.

Doelmatigheid

In de onderstaande tabellen zijn indicatoren van doelmatigheid weergegeven.

Inzet arbeidscapaciteit (%)
 2000 (%)2001 (%)2002 (%)
Bruto capaciteit100,0100100
Bezettingsgraad (= netto capaciteit)84,985,985,9
Afwezigheid (verlof en ziekte)15,114,114,1
Netto capaciteit100,0100,0100,0
Primair proces66,765,265,2
Management en beheer27,727,027,0
Kennis- en methodenontwikkeling5,67,87,8
Gemiddelde duur prestaties (in uren)
 200020012002
Inspectie importzending0,70,80,8
Inspectie exportzending0,30,30,3
Verstrekken vergunning0,50,50,5

Het uitvoeren van inspecties en het afgeven van vergunningen behoort tot de kerntaken van de PD.

Doeltreffendheid

Wering van ziekten en plagen (die niet in Nederland voorkomen) is één van de kerntaken van de PD. De volgende tabel geeft van alle geïnspecteerde importzendingen het aantal geweerde zendingen met schadelijke organismen weer.

 
Wering schadelijke organismen200020012002
Aantal geïnspecteerde zendingen44 35945 00045 000
Aantal geweerde zendingen235250250
Percentage geweerde zendingen0,6%0,6 %0,6%

Het aantal onderschepte zendingen met quarantaine-organismen is met name afhankelijk van de aard en omvang van de importactiviteiten, bij gelijkblijvende inspectie-intensiteit.

Kwaliteit

Naast doelmatigheid en doeltreffendheid dient de PD vooral naar optimale kwaliteit in de uitvoering van zijn wettelijke taken en dienstverlening te streven. Deze kwaliteitseis komt voor een overheidsdienst in eerste instantie neer op naleving van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals gebruikelijk worden bezwaarschriften beoordeeld door LNV (niet de PD) en beroepsschriften door een rechtbank. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de zorgvuldigheid in het handelen van de PD.

 
 20002001
Klaagschriften66
Aantal afgehandeld56
Aantal gegrond verklaard10
Beroeps- en bezwaarschriften  
Aantal uitspraken1212
Afgewezen (%)100100
Toegekend (%)00

De PD werkt permanent aan kwaliteitsprojecten binnen een vastgesteld kwaliteitsbeleid op hoofdlijnen. Er wordt gewerkt aan een kwaliteitssysteem voor de gehele PD welke geïntegreerd zal worden met de administratieve organisatie.

Licence