Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
    
B.De begrotingstoelichting3
    
1Leeswijzer3
    
2Beleidsagenda9
    
3De beleidsartikelen42
 1.1Strategie42
 2.1Wetgeving46
 2.2Wetgevingskwaliteitsbeleid54
 3.1Criminaliteitspreventie61
 3.2Slachtofferzorg71
 3.3Rechtshandhaving74
 3.4Jeugdbescherming93
 4.1Rechtspleging108
 4.2Rechtsbijstand121
 4.3Schuldsanering natuurlijke personen125
 4.4Juridische dienstverlening128
 5.1Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties133
 5.2Ontvangsten uit Boeten en Transacties150
 6.1Toelating asiel en regulier153
 6.2Asielopvang159
 6.3Toezicht en terugkeer vreemdelingen163
4Niet-beleidsartikelen168
 7.1Algemeen168
 7.2Nominaal en onvoorzien169
 7.3Geheime uitgaven170
    
5De bedrijfsvoeringsparagraaf172
    
6De baten-lastendiensten174
    
7De verdiepingsbijlage206
    
8De bijlage moties en toezeggingen226
    
9De overzichtsconstructies259
    
10.Afkortingen272
    
Bijlage A Integratie Minderheden277

DEEL A: ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Justitie voor het jaar 2003 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2003. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2003.

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2003 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingen baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de in de begrotingsstaat opgenomen begrotingen van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en Studiecentrum Rechtspleging (SR) voor het jaar 2003 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

H. P. A. Nawijn

DEEL B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1. LEESWIJZER

Algemeen

De begroting 2003 van het ministerie van Justitie is de tweede begroting die is opgesteld in de vorm van het Rijksbrede project «Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording» (VBTB). Dit betekent dat de begroting wederom is geschreven met de nadruk op het beleid in samenhang met de financiële middelen. Naast de beleids- en operationele doelstellingen zijn in dat kader tevens per beleidsartikel de prestatiegegevens weergegeven.

Met betrekking tot de prestatiegegevens die nog in ontwikkeling zijn, is in de groeiparagrafen behorende bij de beleidsartikelen aangegeven wanneer betreffende informatie tot resultaten zal leiden.

De organisatiestructuur van het ministerie van Justitie is geen leidende factor geweest voor de indeling van de begroting. Justitie heeft ervoor gekozen de beleidsterreinen als uitgangspunt voor de begrotingsindeling te nemen. Op basis hiervan kent de begroting van Justitie zeven beleidsterreinen, te weten:

1. Strategie;

2. Regelgeving;

3. Preventie en Rechtshandhaving;

4. Rechtspleging en Rechtsbijstand;

5. Sanctietoepassing;

6. Asiel en Migratie;

7. Niet-beleidsartikelen.

Deze beleidsterreinen zijn uitgewerkt in een of meerdere beleidsartikelen en operationele doelstellingen, welke op hun beurt zijn voorzien van concrete prestatiegegevens.

In de beleidsagenda zijn de doelstellingen van het Justitiebeleid voor het komend jaar opgenomen. Deze valt uiteen in twee delen.

Deel A, het Beleidsprogramma, geeft de belangrijkste beleidswijzigingen weer die voortvloeien uit het Strategisch Akkoord.

Deel B bevat de Beleidsagenda in klassieke zin. Dit deel bestaat uit een tabel met de belangrijkste budgettaire mutaties sinds begroting 2002. De in het Strategisch Akkoord besloten beleidsintensiveringen en taakstelling en zijn in dit overzicht opgenomen. Elke mutatie wordt in hoofdlijnen toegelicht evenals de beleidsprioriteiten zoals vastgesteld bij de reguliere begrotingsvoorbereiding 2003. Daarin opgenomen is een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige mutaties en hun financiële gevolgen voor de begroting 2003. Volledigheidshalve is ervoor gekozen om in het overzicht ook de maatregelen die uit het Strategisch Akkoord voortkomen op te nemen.

Opbouw begroting

De begroting is als volgt opgebouwd:

• De Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel;

• De begrotingstoelichting, uitgesplitst in:

1. De leeswijzer;

2. De beleidsagenda;

3. De beleidsartikelen;

4. De niet-beleidsartikelen;

5. De bedrijfsvoeringsparagraaf;

6. De baten-lastendiensten;

7. De verdiepingsbijlage;

8. De bijlage moties en toezeggingen;

9. Overzichtsconstructies:

• Asiel en migratie;

• Jeugd;

• Tolken en vertalen.

10. Afkortingen

Bijlage A: Integratie minderheden

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

Sinds 22 juli 2002 kent het ministerie van Justitie twee ministersposten, te weten een minister van Justitie en een minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (V&I). De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is verantwoordelijk voor het beleid dat valt onder de beleidsartikelen 3.4.4, 6.1, 6.2 en 6.3.

De budgetten voor voogdij en opvang van alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) zijn terug te vinden op beleidsartikel 3.4, Jeugdbescherming (operationele doelstelling 3.4.4) en op beleidsartikel 6.2, Asielopvang (operationele doelstelling 6.2.5).

Op beleidsartikel 3.4 gaat het om de voogdij voor alle ama's en om de opvang in de integratievariant die door het NIDOS wordt verzorgd. Op beleidsartikel 6.2 zijn de budgetten opgenomen voor de ama's die door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) worden opgevangen in de basisvariant en in de terugkeervariant.

Nog voor de behandeling van de begroting van Justitie zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de budgetten van andere departementen die betrekking hebben op het integratiebeleid. Tevens zal de Kamer dan worden geïnformeerd over de overheveling van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden (DCIM) van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar Justitie.

In de overzichtsconstructie Asiel en Migratie wordt naast de beleidsartikelen weergegeven welke operationele doelstellingen en prestatiegegevens onder V&I vallen. In bijlage A in het beleidsartikel Integratie minderheden, zoals opgenomen in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, integraal overgenomen. Hiermee wordt vooruitgelopen op de budgettaire overheveling van het integratiebeleid van het ministerie van BZK naar Justitie.

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor alle overige beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen.

Strategisch Akkoord

In navolging van het Strategisch Akkoord (SA) zijn de ombuigingsmaatregelen door Justitie in de begroting concreet op de operationele doelstellingen toebedeeld. De efficiency- en volumetaakstellingen uit het SA hebben intern Justitie een forfaitair karakter. Dit betekent dat de totale ombuigingsmaatregel wordt ingevuld doch dat nog wijzigingen kunnen optreden in de definitieve plaatsing van de taakstellingen. De volumetaakstelling heeft bovendien ook gevolgen voor de output. Deze zijn vooralsnog niet te kwantificeren, doch zullen zo spoedig mogelijk inzichtelijk worden gemaakt.

In overleg met de betrokken departementen, te weten de ministeries van Financiën, Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is «de enveloppe Veiligheid» bij de totstandkoming van deze begroting nog niet verdeeld. De verdeling over bovengenoemde departementen zal zo spoedig mogelijk plaatshebben.

Met betrekking tot Asiel geldt dat de taakstellingen nog niet verdeeld zijn. Dit zal plaatsvinden nog voor de behandeling van de begroting 2003 van Justitie door de Tweede Kamer. Voorlopig is de taakstelling geparkeerd op niet-beleidsartikel 7.2 Nominaal en onvoorzien. Voor een toelichting wordt verwezen naar dit niet-beleidsartikel.

Overzichtsconstructies

In de begroting 2003 wordt één interdepartementale en worden twee departementale overzichtsconstructies gepresenteerd, te weten de interdepartementale overzichtsconstructie Asiel en Migratie, de departementale overzichtsconstructie Jeugd en de departementale overzichtsconstructie Tolken en Vertalers. De overzichtsconstructies Jeugd en Tolken en Vertalers zijn voor het eerst in de begroting opgenomen. Reden daarvoor is dat zich op de betreffende terreinen dusdanige ontwikkelingen voordoen dat ervoor is gekozen ook deze op eenvoudige wijze inzichtelijk te maken.

Het ministerie van Justitie levert daarnaast een bijdrage aan de interdepartementale overzichtconstructies Grote Stedenbeleid (GSB), Integratiebeleid en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), waarvan de coördinatie in handen is van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk van Buitenlandse Zaken.

Wijzigingen nummering

Ten opzichte van de begroting van 2002 en als gevolg van de verdere ontwikkeling in termen van VBTB hebben zich wijzigingen voorgedaan in de nummering van de beleidsartikelen c.q. operationele doelstellingen. In sommige gevallen zijn teksten samengevoegd waardoor bepaalde artikelen zijn uitgebreid en tegelijkertijd andere zijn komen te vervallen. In andere gevallen zijn teksten gesplitst waardoor uitbreiding van het aantal operationele doelstellingen heeft plaatsgevonden.

Met de inachtneming van de begrotingsregel dat artikelnummers bij majeure wijzigingen nooit een tweede keer kunnen worden gebruikt, hebben bovenstaande ontwikkelingen ervoor gezorgd dat een omnummering van een aantal begrotingsartikelen heeft plaatsgevonden. De wijzigingen zijn in de onderstaande conversietabel opgenomen.

Nummer OD oudNummer OD nieuwOmschrijving
3.1.1 Vervalt
3.1.3 Vervalt
3.1.4 Vervalt
3.1.5 Vervalt
3.1.6 Vervalt
3.1.7 Vervalt
3.1.8 Vervalt
 3.1.10Criminaliteitspreventie: toepassen door partners; i.p.v.: 3.1.1, 3.1.4, 3.1.5 en 3.1.6
 3.1.11Criminaliteitspreventie: samenwerking met partners; i.p.v.: 3.1.3, 3.1.7 en 3.1.8
3.2.1 Vervalt
3.2.2 Vervalt
3.2.3 Vervalt
 3.2.4Slachtofferzorg; i.p.v.: 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3
 3.4.5Strafzaken Raad voor de Kinderbescherming; deels i.p.v.: 5.1.6
 3.4.6Jeugdreclassering/ ITB; i.p.v.: 5.1.7
5.1.1 Vervalt
5.1.7 Vervalt
 5.1.11Taakstraffen meerderjarigen; deels i.p.v.: 5.1.5
6.1.1 Vervalt
6.1.2 Vervalt
 6.1.3Beoordeling verblijf vreemdelingen; i.p.v.: 6.1.1 en 6.1.2
6.2.1 Vervalt
6.2.2 Vervalt
6.2.3 Vervalt
6.2.4 Vervalt
 6.2.5Zorgdragen voor opvang vreemdelingen; i.p.v.: 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.4
6.3.1 Vervalt
6.3.2 Vervalt
6.3.3 Vervalt
6.3.4 Vervalt
6.3.5 Vervalt
 6.3.6Tenuitvoerlegging terugkeerbeleid; i.p.v.: 6.3.1, 6.3.2, 6.3.3, 6.3.4 en 6.3.5

Specifieke afspraken

Het ministerie van Justitie heeft met betrekking tot een viertal punten specifieke afspraken gemaakt met het ministerie van Financiën.

1. Opbouw budgetstructuur van beleidsartikelen De Rijksbegrotingsvoorschriften 2002 schrijven een structuur per beleidsartikel voor. De beleidsdoelstellingen moeten worden verbijzonderd naar apparaats- en programma-uitgaven, welke vervolgens moeten worden verbijzonderd naar operationele doelstelling. In afwijking hierop en met goedkeuring van Financiën heeft Justitie gekozen voor een andere opbouw. In de begroting 2003 van Justitie wordt een beleidsdoelstelling eerst uitgesplitst naar operationele doelstelling(en) en vervolgens vindt een uitsplitsing plaats naar apparaats- en programma-uitgaven.

2. Positionering baten- lastendiensten De uitgaven van alle uitvoerende diensten, inclusief de baten-lastendiensten van het ministerie van Justitie, worden wat betreft de begrotingsindeling aangemerkt als programma-uitgaven.

3. Onderscheid «prestatiegegevens» Ten aanzien van prestatiegegevens wordt onderscheid gemaakt tussen gegevens die regulier van aard zijn en gegevens die niet regulier van aard zijn. Het ministerie van Justitie maakt, met goedkeuring van het ministerie van Financiën, eveneens dit onderscheid maar hanteert daarbij andere begrippen. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat deze andere begrippen bekend zijn binnen de organisatie. Reguliere gegevens worden aangeduid als «kengetallen» en niet-reguliere gegevens hebben betrekking op evaluatieonderzoeken.

4. Interpretatie (financiële) instrumenten Onder (financiële) instrumenten verstaat het ministerie van Justitie «middelen die worden ingezet om de beleidsdoelstellingen te realiseren». Financiële beleidsinstrumenten zijn onder andere subsidies, leningen, garanties en deelnemingen.

Overige punten

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

Indien de minister ten aanzien van een operationele doelstelling resultaatverantwoordelijk is of systeemverantwoordelijk dan wordt dat op dat niveau aangegeven. Indien de minister zowel resultaatverantwoordelijk als systeemverantwoordelijk is dan wordt zijn verantwoordelijkheid niet aangegeven.

Budgetflexibiliteit

In de begroting wordt per beleidsartikel de staat van verplichtingen van de uitgaven weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen juridische, bestuurlijke en overige verplichtingen. Omdat de indeling van programma- en apparaatsuitgaven bij Justitie verschilt met andere departementen (zie hiervoor ook: Leeswijzer; specifieke afspraken; punt 1) worden bij het onderdeel budgetflexibiliteit in deze begroting personele en materiële uitgaven en beleidsuitgaven onderscheiden.

Groeiparagraaf

In de begroting wordt per operationele doelstelling een groeiparagraaf opgenomen. De groeiparagraaf heeft tot doel aan te geven welke ontwikkelingen in de nabije toekomst zullen leiden tot een verbetering van het realiseren van de operationele doelstelling. In veel gevallen gaat het om de aanvulling van prestatiegegevens dan wel de wijzigingen die ten aanzien van het artikel respectievelijk de presatiegegevens plaats zullen hebben. Dit betekent onder meer dat wanneer geen groeiparagraaf is opgenomen bij een operationele doelstelling verondersteld wordt dat deze dusdanig ver ontwikkeld is dat sprake is van de gradatie «VBTB-proof».

Baten-lastenadministratie

De dienstonderdelen Directie Bestuurszaken (DBz) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) hebben het voornemen om, overeenkomstig artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet (CW) met ingang van1 januari 2004 de status te verwerven van baten-lastendienst.

Vooruitlopend hierop willen beide diensten, ter gewenning en met instemming van de minister van Financiën, al met ingang van 1 januari 2003 een administratie gaan voeren op basis van het baten-lastenstelsel. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 58, tweede lid van de Comptabiliteitswet geschiedt de financiële verantwoording over 2003 nog op basis van het verplichtingen-kasstelsel, inclusief verplichtingen, uitgaven en ontvangsten.

Derdeninformatie

Daar waar binnen de begroting informatie verkregen van derden is opgenomen, wordt dit specifiek in de toelichting van de desbetreffende operationele doelstelling vermeld.

HOOFDSTUK 2. BELEIDSAGENDA

Deel A: BELEIDSPROGRAMMA JUSTITIE

1. INLEIDING

Overheid en samenleving staan in de komende jaren voor een niet geringe opgave. Inzet van het kabinetsbeleid is behoud en versterking van een samenleving waarin ieder in vrijheid en verantwoordelijkheid op basis van wederzijds respect kan leven. Een samenleving die welvaart en zekerheid biedt; waarin elementaire voorzieningen op het terrein van wonen, werken, onderwijs, gezondheidszorg verzekerd zijn. Een samenleving die integratie en emancipatie bevordert en waarin respect en verantwoordelijkheid voor elkaar vanzelfsprekend zijn.

Die ambitie is niet nieuw. Vanouds is er behoefte om inzet, norm en waarde aan te geven. «Het oogmerk der maatschappelijke vereeniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden.» zo opende de Staatsregeling voor het Bataafse Volk van 1798. «Alle de pligten van den Mensch in maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen» (art. 6). Om de beginselen te besluiten met: «De eerbiedige erkenning van een Allbestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen» (art. 8).

Maar al is de ambitie niet nieuw, de verwezenlijking daarvan lijkt in de afgelopen decennia vaak eerder verder weg dan dichterbij. Bij alle veranderingen blijven problemen vaak onopgelost. Bij alle aandacht voor sociale vernieuwing hebben burgers vaak de indruk dat er geen aandacht bestaat voor de problemen in hun omgeving en hun samenleving. Bij alle verbetering lijken de kwaliteit van publieke dienstverlening, de maatschappelijke samenhang en integratie en de «beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaving van verstand en zeden» vaak meer af- dan toe te nemen. Nederlanders leven wel dichter op elkaar, maar minder met elkaar.

Waar de werkelijkheid van het functioneren van overheid en samenleving te kort schiet bij de ambitie en politieke verwachtingen gaat het echter niet alleen om slijtplekken. De samenleving wordt geconfronteerd met gevolgen van ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen en technische veranderingen in de laatste halve eeuw. Ontwikkelingen zoals globalisering, internationalisering en individualisering, die zelf weer symptoom zijn van het gegeven dat de grenzen van het menselijk denken, kunnen en waarnemen verschuiven als gevolg van technische veranderingen. Afstand, tijd en ruimte verliezen daarbij aan betekenis als structurerende factoren van ons dagelijks leven; afstand wordt niet alleen beter overbrugbaar, maar minder relevant. Voor steeds meer activiteiten geldt dat het er niet toe doet of ze nu naast de deur plaatsvinden, of elders in het land of op een ander continent. En waar menselijk bereik en vermogen veranderen, verandert ook de populatie binnen de landsgrenzen, de structuur van het dagelijks leven en samenleven, en dat is weer van invloed op het geestelijk klimaat.

De maatschappelijk en technische veranderingen bieden ongekende nieuwe mogelijkheden voor ontwikkelingen maar hebben tegelijkertijd fundamentele gevolgen voor maatschappelijke verhoudingen, bindingen en betrokkenheid. Belangen, onderlinge betrekkingen en mogelijkheden worden steeds gevarieerder en gedifferentieerder. Door het wegvallen van beperkingen lijken mensen minder op elkaar aangewezen en van elkaarafhankelijk. Verschillen tussen mensen, groepen en segmenten worden daardoor aangezet en het draagvlak voor de samenleving: voor cohesie, solidariteit en het besef van gemeenschappelijke doelen, kalft af. Een verbrokkeling die zich ook doorzet in andere elementen en facetten van het bestaan, waardoor mensen greep verliezen op het ritme en de structuur van hun leven. Ook de instituties waarmee verbrokkeling in de gemeenschap wordt opgevangen, zoals recht, bestuur, maatschappelijke verbanden, gelijkheid en eenheid, en de voorzieningen waarmee de spanning tussen individualisering en gemeenschap werden beperkt, zoals overheid, sociale voorzieningen, zorg, enz., dreigen door dezelfde ontwikkelingen in het ongerede te raken.

Het veranderend karakter van de samenleving en het geleidelijk ontstaan van een internationale samenleving vergt nieuwe evenwichten en fundamentele keuzen omtrent de inrichting en ordening van het maatschappelijk verkeer. Een samenleving die de moeite waard is, is niet de natuurlijke uitkomst van de optelsom van de wensen en keuzen van individuen. Verscheidenheid kan niet zonder eenheid; vrijheid en ontplooiing kunnen slechts bestaan als wat mensen bindt wordt benoemd en bewaakt en sterker is dan wat onderscheidt. Daarbij is niet alleen het hervinden van de juiste verhouding tussen individu en gemeenschap, tussen vrijheid, onderlinge verantwoordelijkheid en gemeenschappelijke betrokkenheid in het geding, maar ook de verhouding tussen het gewicht van heden en toekomst, tussen mens en natuur, tussen overheid en maatschappelijke instituties en tussen samenwerking en mededinging in het geding.

Plaats en functie van Justitie

De rechtsorde, het geheel van wetten, regels, instituties en overheidsbevoegdheden, speelt een belangrijke zo niet bepalende rol bij het streven naar een samenleving waarin een ieder in vrijheid, welvaart en zekerheid kan leven op basis van wederzijds respect en verantwoordelijkheid. Samenleven en samenwerking tussen mensen is geen natuurlijk gegeven, want het vergt stabiliteit om de spanning tussen verscheiden persoonlijkheden en individuele autonomie te overbruggen. Stabiliteit die door middel van organisatie, regels, regelmaat, zekerheid en vertrouwen op alle niveaus van menselijk samenleven gezekerd moet worden. Het vraagt een voortdurende inspanning en inzet van mensen en maatschappelijke instituties. Het vereist het vermogen om gezamenlijk op te treden, methoden om individuele en collectieve belangentegenstellingen te overbruggen en procedures om gewoonten, instituties en regels te veranderen. Op vele uiteenlopende wijzen en verschillende niveaus wordt binnen de samenleving in die behoefte voorzien. In dat kader speelt de rechtsorde een belangrijke rol. Zij heeft de functie voorwaarden te scheppen voor vreedzaam en stabiel maatschappelijk verkeer en voor de beheersing van conflicten, geweld, gevaar en onzekerheid. De rechtsorde heeft daarbij niet een exclusieve plaats. Zij heeft echter wel een bepalende functie vanwege haar plaats als kader waarbinnen andere instituties, regels en ordeningen moeten functioneren, als regeling van het gebruik van geweld in de samenleving en als laatste instantie voor het beslechten van conflicten.

Die benadering kleurt de wijze waarop aan de zorg van de regering voor het functioneren van de rechtsorde – waarmee de Minister van Justitie in het bijzonder doch niet bij uitsluiting is belast – vorm en inhoud moet worden gegeven. De rechtsorde is daarbij niet een objectief gegeven of een doel in zich zelf, maar een juridisch normatief kader dat dienstbaar is aan de samenleving om deze in al haar verscheidenheid te laten functioneren en te ontplooien, en om de overheid in staat stellen haar taak daarbinnen te vervullen. Zij moet betrouwbaar en bruikbaar zijn; dat wil zeggen zij moet de zekerheid bieden die een vruchtbaar maatschappelijk verkeer mogelijk maakt, maar tegelijk ruimte laten voor de ontwikkeling daarvan en noodzakelijke veranderingen daarin afdwingen. De rechtsorde is daarbij noch blauwdruk van de maatschappelijke orde noch de programmatuur voor veranderingen in de samenleving. Zij is een«instrument» dat in al haar onderdelen door velen op eigen wijze en voor eigen handelen kan en zal worden gebruikt, maar tegelijk dat handelen zodanig richting moet geven dat het belang van de samenleving daarmee is gediend. Op die wijze moet het een dynamisch evenwicht mogelijk maken tussen op zichzelf gerechtvaardigde, maar uiteenlopende, maatschappelijke wensen en de mogelijkheden van een bestuurlijk bestel dat op rechtsbeginselen is gebaseerd.

Vanuit deze optiek speelt de wijze waarop de rechtsorde functioneert en verandert een centrale rol bij de maatschappelijke veranderingen en ontwikkelingen waar eerder op is gewezen. Het veranderend karakter van de samenleving zal zijn beslag moeten vinden in de rechtsorde maar tegelijk daardoor moeten worden gefaciliteerd en gestuurd. Evenzo behoeven het ontstaan van een Europese samenleving en internationale orde de groei van een Europese en internationale rechtsorde die tegelijk de inrichting en toekomstige ontwikkeling daarvan bepalen.

Uitgangspunten en doelstellingen

De visie op de aard van de behoeften en ontwikkeling van de samenleving en op plaats en functie daarin van de rechtsorde, bepaalt het beleid in de komende jaren van het departement van Justitie. In het strategisch akkoord is criminaliteitsbestrijding en het veiliger maken van Nederland een centrale opdracht die het kabinet zich heeft gesteld. Het beleid van Justitie is daar echter niet toe beperkt. De rechtsorde omvat meer dan de strafrechtelijke handhaving van wetten en regels en het «veiliger maken» omvat ook meer dan de bestrijding van criminaliteit. Het veiligheidsklimaat in de samenleving wordt door meer bepaald dan alleen de fysieke veiligheid van persoon, goed en bestaan, en door de afwezigheid van bedreiging daarvan met geweld. Niet minder wezenlijke aspecten zijn: zekerheid omtrent het gedrag van anderen en van de overheid; afwezigheid van risico's die mensen met economische, sociale of morele ondergang bedreigen; eenheid en cohesie waardoor risico's gedeeld en conflicten tot een oplossing gebracht kunnen worden, en het vermogen om gezamenlijke belangen en doelen effectief te realiseren. De essentie van veiligheid en zekerheid is bovendien niet alleen bestendigheid en de afwezigheid van verandering. Het gaat niet minder om de zekerheid van verandering; het vertrouwen dat bedreigende situaties of ontwikkelingen waarin men vastloopt, veranderd kunnen worden. In een dynamische maatschappelijke ontwikkeling biedt verandering vaak een grotere zekerheid, dan de afwezigheid daarvan.

In de achterliggende jaren is de verantwoordelijkheid voor het waarborgen van zekerheid in de zin van veiligheid en bestendigheid steeds sterker tot de verantwoordelijkheid van de overheid gemaakt, terwijl het waarborgen van de verandering en ontwikkeling in de samenleving tot de verantwoordelijkheid van particulieren en marktwerking werd gerekend. Vanuit die optiek is het handelen van de overheid steeds gedetailleerder aan wetten, regels en formele procedures gebonden, en is voor het waarborgen van de verwachtingen en verplichtingen van burgers in het maatschappelijk verkeer steeds meer gegrepen naar rechten en plichten. Mede als gevolg daarvan – een andere factor is de groei van de Europese en internationale rechtsorde – is het maatschappelijk verkeer tussen overheid en burgers en tussen burgers onderling op ongekende wijze gejuridiseerd met als gevolg dat de besluitvaardigheid van de overheid en de dynamiek van de samenleving steeds meer afhankelijk zijn geworden van de kwaliteit en de snelheid van de rechtspleging. Opeenvolgende projecten op het terrein van deregulering en versterking van marktwerking hebben daar slechts beperkt verandering in gebracht.

Die benadering berust op een onjuiste tegenstelling tussen de publieke en de particuliere sfeer en de associatie van de eerste met orde en zekerheid en van de tweede met flexibiliteit en verandering. Het miskent dat mensen in beide sferen door organisatie, ordening en afspraken hun onderlinge samenwerking vorm geven en de potentiële instabiliteit van het maatschappelijk verkeer trachten te beheersen. Particulier handelen en organisatie biedt vaak een gelijkwaardige basis voor bestendigheid in het maatschappelijk verkeer en verandering is vaak in de eerste plaats afhankelijk van overheidshandelen. Omgekeerd verandert de samenleving niet bij decreet en wordt het effect van overheidsbeleid mede bepaald door de wijze waarop burgers door de overheid worden aangesproken. De verantwoordelijkheid voor het publieke functioneren van de samenleving berust evenzeer bij haar leden en niet alleen bij de overheid. Pas als individuen, bedrijven en maatschappelijke verbanden zelf hun verantwoordelijkheid nemen, kan de overheid haar complementaire rol vervullen. Alleen dan is een ombuiging in de regelzucht en de overdaad aan juridische procedures mogelijk. Bij de inrichting van het wettelijk stelsel en het (algemeen) bestuursrecht zal daar rekening mee gehouden moeten worden. Burgers, instellingen en organisaties zullen op hun initiatief en eigen verantwoordelijkheid moeten worden aangesproken. De wet moet niet problemen voor mensen oplossen, maar ze in staat stellen zelf hun problemen met anderen op te lossen. Zij moet niet opgaan in het geven van rechten, maar op het in staat stellen van mensen om tot hun recht te komen.

De jeugd neemt hierbij een bijzondere positie in. Zij dient zorgvuldig opgevoed te worden in de verhouding tussen rechten en plichten, tussen een beroep doen op de overheid en de eigen verantwoordelijkheid. Justitie draagt, vanuit haar verantwoordelijkheid voor jeugdbescherming en jeugdcriminaliteit, bij aan een sluitend jeugdbeleid in het kader van de breder jeugdbeleidsagenda.

Een beroep doen op en vertrouwen in de eigen verantwoordelijkheid van burgers, instellingen en organisaties veronderstelt een toereikend draagvlak in de samenleving. Voorwaarden daarvoor zijn dat men ervan uit mag gaan en gaat dat wezenlijke overheidsfuncties (zoals criminaliteitsbestrijding, rechtspraak, sanctietoepassing) naar behoren worden vervuld. Om aan die verwachting te kunnen voldoen, zijn scherpe maar verantwoorde keuzen nodig.

Tegen deze achtergrond zal de inzet van justitiebeleid in de komende kabinetsperiode in het bijzonder gericht zijn op de volgende thema's:

• een bruikbare rechtsorde. Het hervinden van een goed evenwicht in verantwoordelijkheden moet met name ook in de rechtsorde zijn beslag krijgen. Dat vraagt een andere benadering van de plaats van het individu en de positie van de overheid, een herijking van de balans in de regelgeving tussen algemeenheid en verbijzondering, tussen stabiliteit en veranderlijkheid en tussen oriëntatie op uitkomst en oriëntatie op procedures. Het vraagt om nieuwe concepten, structuren en instituties die ruimte scheppen voor eigen keuzen en verantwoordelijkheid. Daarnaast moet een slagvaardige rechtspleging zijn gewaarborgd die in tempo aansluit bij de rest van het maatschappelijk verkeer. Toegang tot de rechtspraak is daarbij wezenlijk, maar niet vanzelfsprekend.

• een betrouwbare rechtsorde. Regels stellen vraagt daadwerkelijk bevestiging en handhaving daarvan: overheid én samenleving dragen beide de verantwoordelijkheid daarvoor. Rechtshandhaving als bijzondere verantwoordelijkheid moet daarop aansluiten. Met name in de strafrechtelijke handhaving en opsporing moeten daarbij concrete resultaten worden geboekt. Dat vergt verruiming van de mogelijkheden om tot een weloverwogen, selectief en stevig optreden te komen.

• een restrictief vreemdelingenbeleid en actief inburgeringsbeleid. De noodzaak binnen de spankracht van onze samenleving te zorgen voor behoud en bevordering van samenhang vraagt strak en verbindend beleid. Verkregen rechten op verblijf waarborgen een plaats in de samenleving. De verplichting daaraan ook deel te nemen is verondersteld in een proces van wederzijdse aanpassing om effectieve integratie mogelijk te maken.

2. BELEIDSPROGRAMMA

Dit beleidsprogramma bevat qua budget alleen «P.M.»-posten. Het bedrag dat in het Strategisch Akkoord voor veiligheid beschikbaar is gesteld is nog niet verdeeld over de betrokken departementen. Het uiteindelijke bedrag per voornemen is daarvan afhankelijk. Dit kan dus ook consequenties hebben voor de te leveren prestaties: zodra duidelijk is hoeveel extra middelen Justitie extra ontvangt kan bepaald worden welke voornemens Justitie daadwerkelijk kan realiseren, dan wel welke keuzes gemaakt moeten worden om al deze voornemens te realiseren (aanvullende bezuinigingen op andere terreinen). Invulling van de bedragen vindt plaats in het kader van opstelling van het meerjarig beleidsprogramma (hierna: veiligheidsprogramma) dit najaar.

Als bij opeenvolgende acties in een kolom dezelfde actoren zijn betrokken, worden deze actoren alleen bij de eerste actie aangegeven.

Voor deadlines aangegeven bij wetgevingstrajecten zijn hier de data aangegeven waarop Justitie de voorstellen formeel voor advies voorlegt aan de Raad van State.

2.1 Een bruikbare rechtsorde

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Een bruikbare rechtsorde
Versterking en verandering van de rechtsordeVergroten ruimte burgers, organisaties en diensten;Verbeteren kwali- teit dienstverlening van de overheid; Toetsbaar maken effectiviteit over-heidsoptreden;Vergroting uitvoer- baarheid en hand- haafbaarheid regelgevingBurgers en maat- schappelijke instellingen en organisaties aanspreken op eigen verantwoordelijkheid;Aanpassing/vereenvoudiging regelgeving;Versterken rechts- handhavingJustitie, EZ en BZK2002–2006 

Toelichting:

Het kabinet kiest voor een strategie die ruimte schept voor de samenleving en uitgaat van de verantwoordelijkheid van burgers. Daartoe moet de overheid het stellen van doelen meer tot uitgangspunt nemen en daarbij de goede handhavingsmechanismen kiezen. Burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen moeten zelf kunnen bepalen hoe die doelen het beste gehaald kunnen worden. Daarbij moet de wet zomin mogelijk eisen stellen aan het gedrag en hooguit grenzen aangeven van dit gedrag. Het kabinet wil deze omslag projectsgewijs realiseren. De aandacht gaat daarbij niet alleen uit naar regelgeving, maar nadrukkelijk ook naar de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van beleid. Het gaat hier om een operatie van het gehele kabinet. De ministers van Justitie, EZ en BZK dragen deze operatie. Met deze strategie wordt ook de ruimte voor de overheid zelf groter. Het gaat daarbij niet zozeer om een kleiner aantal regels, maar wel om vermindering van de regeldichtheid en de belasting door regelgeving, waardoor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regels wordt versterkt.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Slagvaardige rechtspraakBalans tussen totale regelgeving en mogelijkheden toepassing van regelgeving via rechter af te dwingenOnderzoek naar meerwaarde verplichte bemiddeling of mediation;Verhogen productie en verkorten van doorlooptijden;Aanpassen tariefstructuur sociale advocatuur, in het verlengde daarvan gesubsidieerde rechtsbijstand;Verhogen griffierechtenJustitie, Raad voor de RechtspraakVoorjaar 2003. Tussenbericht lopende mediationprojecten. Najaar 2003 invoeringsplan mediation 

Toelichting:

Regels zijn bouwstenen voor de ordening van de samenleving en kunnen burger en overheid de instrumenten bieden voor het realiseren van hun doelstellingen. Om effectief te zijn moet er een evenwicht zijn tussen het totaal aan regelgeving en de mogelijkheid om toepassing van de regelgeving via de rechter af te dwingen. Naarmate in onze ingewikkelde samenleving meer regels nodig zijn, moet de rechtspraak sterker zijn. Dat houdt ook in dat de rechtspraak aan zal moeten sluiten bij het tempo van de rest van het maatschappelijke verkeer. Snelheid en zorgvuldigheid zijn twee kenmerken van een goede rechtspraak.

Vanuit het maatschappelijk belang moet het beroep op de rechter in individuele zaken een ultimum remedium zijn. Voorafgaand aan de gang naar de rechter zouden rechtzoekenden eerst zelf moeten proberen hun geschil bij te leggen of door bemiddeling of mediation proberen op te lossen. Daarom zal onderzoek gedaan worden naar de meerwaarde en mogelijkheden van het in bepaalde gevallen verplicht stellen van een verplichte bemiddelings-/mediationfase. De experimenten met alternatieve geschiloplossing zet het kabinet met kracht voort. In het najaar van 2003 zal aan de hand van de evaluatie van de lopende projecten met mediation bij de rechterlijke macht een invoeringsplan worden opgesteld. Voorafgaand daaraan zal het kabinet de Kamer in het voorjaar van 2003 een tussenbericht zenden over de uitkomsten van de thans lopende projecten. Daarnaast zullen de griffierechten worden verhoogd, zodat de prikkel tot bezinning alvorens een procedure wordt gestart of een hoger beroep wordt ingesteld wordt versterkt doordat de kosten daarvan beter zichtbaar zijn. Het is mijn bedoeling deze verhoging reeds op 1 januari 2003 te doen ingaan.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Tijdige wetgevingWetgeving moet tijdig inspelen op maatschappelijke en internationale ontwikkelingenHerbezinning doelstellingen en inrichting aanspra- kelijkheids- en verzekeringsrecht;Ondernemingsrecht in dienst van verbetering ves- tigingsklimaat en stimulering internationale samenwerking;Auteursrecht aanpassen aan technologische ontwikkelingen;Herbezinning burgerlijk procesrecht;Privaatrechtelijk: alimentatiebeleidswijzigingen incorporerenJustitieVanaf 2003 

Toelichting:

Geen.

2.2 Een betrouwbare rechtsorde

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Een betrouwbare rechtsorde    
Programma om Nederland veiliger te makenHerstel van vertrouwen in de overheid Meten op speci- fieke punten van de beoogde prestaties van de overheid in de aanpak van criminaliteitOpstellen veiligheidsprogramma Indicatoren stellen voor de prestatiemeting van de overheid op het terrein van de aanpak van criminaliteit;Indicatoren en doelen opnemen in landelijk con- venant/BNP2;Jaarlijkse rappor- tages over resultaten door CBS, WODCJustitieBZK Justitie, BZK, politie en OMOktober 2002 2002–2003 

Toelichting:

Begin oktober presenteert het kabinet de Tweede Kamer een programma met maatregelen om Nederland veiliger te maken. Het programma concentreert zich op zaken die de burger direct raken, zoals overvallen, inbraken en geweld op straat. Kenmerkend voor het programma is de inzet om daar waar criminaliteit wordt geconstateerd deze ook hard aan te pakken, te vervolgen en adequaat af te doen. Voor ogen staat ons de «Rotterdamse» aanpak, waarbij ook innovatieve en verreikende maatregelen niet zullen worden geschuwd. Momenteel is het kabinet in overleg met de betrokken ketenpartners om, gegeven de inzet het kabinet zelf op dit gebied zal plegen, daarbij ook een appèl te doen op de inzet die van hen mag worden verwacht. Het kabinet stelt zich tot doel dat vanaf in 2003 jaarlijks tienduizend extra zaken door het Openbaar Ministerie en de rest van de justitiële keten worden afgehandeld, oplopend tot 40 000 extra zaken per jaar aan het eind van de kabinetsperiode in 2006. Dat correspondeert met een aantal extra door de politie af te handelen zaken van 20 000 in 2003 oplopend tot 80 000 aan het eind van het kabinetsperiode, uitgaande van het ervaringsgegeven dat een op de twee door de politie afgehandelde zaken leidt tot een zaak van het OM. Daarmee zal dan de naar huidig inzicht bestaande hoeveelheid zaken met een opsporingsindicatie, die thans «op de plank» blijven liggen worden aangepakt. Voor 2003 betekent dit dat aangezien er geen extra budget ter beschikking wordt gesteld dat de politie en Justitieketen deze taakstelling zullen moeten realiseren middels een kwaliteitsslag en effectiviteitsverhogende maatregelen.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Actiever handhaven– Plan van aanpak – Slagvaardig punitief optreden – Afrekenbare afspraken met toezichthouders en handhavers – Intensivering fraudebestrijdingOpstellen Rijks- breed actieprogramma Handhavingsprogramma op elk departement m.b.t. veiligheid gereed en in uitvoering Brief aan de Tweede Kamer met uitgewerkte visie Concrete resul- taatsafspraken met onder meer politiekorpsen;Uitwerken verant- woordingssysteem binnen beleids- en beheerscyclus;Uitbreiding opspo- ringsbevoegd- heden boa's Gefaseerde imple- mentatie van de in de kabinetsnota «bestrijding fraude en financieel eco- nomische crimi- naliteit 2002–2006» (TK, 2001–2002, 17 050, nr. 134) genoemde keten- aanpak (w.o. inten- sivering bestrijding identiteits- en zwarte fraude)Ervaringen 2003 als basis voor besluitvorming2004 e.v. verdere groei aangiften, consequenties voor strafr. Keten. In samenhang met vorming nationale recherche andere positionering IFT/BRT-combi- natie realiseren en daarbij ook gewen- ste verbreding van aandachtterrein realiseren. JustitieBZKalle departementenVNGOMBOD'sinspectie Justitie BZK BZK,Justitie en politie JustitieOMBZKSZWgemeentenFinanciën (Belastingdienst),VROMOC&W JustitieOMBZKEerste trimester 2003Eerste trimester 2004 Voorjaar 2003 Uiterlijk 1 juni 2003 Medio 2003 Tijdpad vorming nationale recherche. 

Toelichting:

Een veilige samenleving wordt niet alleen tot stand gebracht door een alwakende overheid, die nauwgezet toeziet op de naleving van wet- en regelgeving. Burgers, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties hebben daarbij ieder een eigen verantwoordelijkheid, zeker waar het het maatschappelijk zeer belangrijke thema veiligheid betreft. Die constatering laat onverlet dat er voor de overheid wel degelijk een belangrijke taak ligt op het gebied van de rechtshandhaving. Primair dient zij naar de mening van het kabinet te garanderen dat er op alle beleidsterreinen een adequate mix wordt gecreëerd van preventie, voorlichting, bestuurlijk en strafrechtelijk optreden. Uitgangspunt daarbij is dat meer vrijwillige naleving leidt tot minder belasting van de justitiële keten. Het voorgaande stelt natuurlijk ook eisen aan de kwaliteit van het overheidsbestuur zelf, dat bijvoorbeeld bij de uitoefening van het toezicht en het tegengaan van verloedering in de openbare ruimte nadrukkelijk in beeld is. De beschikbare capaciteit voor toezicht en handhaving noopt in dat verband tot het opstellen van afrekenbare afspraken met toezichthouders en handhavers. Met het project «Rijk aan handhaving» zal het kabinet een daadkrachtige impuls geven aan de handhaving van wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid. Doelstelling van het project, dat de periode 2002–2004 bestrijkt, is dat de Rijksoverheid bij het opstellen van nieuwe wet- en regelgeving en nieuw beleid handhavingsdoelstellingen uitwerkt en operationaliseert in de vorm van een handhavingsplan. Op basis hiervan geeft de Rijksoverheid richting en is zij afrekenbaar, zonder afbreuk te doen aan de eerder aangehaalde eigen verantwoordelijkheid van mede-overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Op sommige beleidsterreinen, zoals dat van de fraudebestrijding, zal het kabinet aanvullende inspanningen doen leveren om het nalevingspeil op een nog hoger plan te brengen.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Het creëren van de noodzakelijke randvoorwaarden voor effectieve criminaliteitsbestrijdingIn alle fasen van de strafrechtketen voldoende capa- citeit en een goed functionerende infrastructuur om tot een effectieve criminaliteitsbestrijding te komenAanpassing sanc- tiecapaciteit, capa- citeit rechterlijke macht en OM aan stijgende behoefte en ketenpartners;Verdere uitbouw en invulling meer- jarenprogramma versterking regio- nale samenwerking;Plan naar Kamer inzake modernisering sanctietoe- passing; Investeren in personele zorg DJI;Verbetering infor- matievoorzieningJustitie2003 e.v. (uitbreiding sanctiecapa- citeit hangt samen met cellenbouw en vergt meerjaren aanpak; personele uitbreidingen vergen wervings- en opleidingstijd) 

Toelichting:

Bij de criminaliteitsbestrijding bepaalt het aantal zaken dat de opsporingsinstanties aan de Justitieketen aanleveren het zaaksaanbod. Meer zaken, of dat nu het gevolg is van een grotere effectiviteit, een uitbreiding van de capaciteit of een combinatie van beide, leidt tot een taakverzwaring voor alle Justitie-onderdelen. Praktisch betekent het voorgaande dat iedere schakel in de keten slechts kan functioneren indien alle daarop volgende schakels over voldoende capaciteit beschikken om het aanbod vanuit de voorgaande schakels binnen redelijke tijd te verwerken. Kortom, een integrale benadering van de strafrechtsketen is noodzakelijk.

De doelmatigheid en geloofwaardigheid van de punitieve reactie vergen dat elke aangepakte zaak een gevolg heeft, dat wil zeggen dat deze zonder haperen alle schakels in de strafrechtelijke keten doorloopt die zij moet doorlopen. Dat betekent in kwalitatieve zin dat de acties, interventies, beleidsplannen etc. van de diverse actoren in de keten goed op elkaar aansluiten. Het meerjarenprogramma versterking regionale samenwerking voorziet hier via – gesubsidieerde – overlegplatforms per arrondissement in; dit wordt in 2003 verder uitgebouwd en ingevuld. In kwantitatieve zin betekent dit dat de capaciteit van de rechtspraak en van andere schakels in de justitieketen zullen moeten worden aangepast aan de stijgende behoefte.

Op dit moment zijn de knelpunten in de capaciteit het grootst en het meest zichtbaar bij het OM, de rechterlijke macht en DJI. De prognoses voor de komende jaren laten bij DJI zelfs een nog scherper stijgende capaciteitsbehoefte zien mede als gevolg van de al eerder ingezette intensivering van de strafrechtelijke handhavingen, het strategisch akkoord. Knelpunten op het punt van celcapaciteit dienen bij voorrang opgelost te worden om de doeltreffendheid en geloofwaardigheid van voorgaande schakels in de justitiële keten te waarborgen.

Om de druk op met name de gevangenissen op te vangen, kan niet worden volstaan met het bijbouwen van cellen. Daarnaast wordt gezocht naar andere methoden om efficiënt en effectief de opgelegde sancties ten uitvoer te brengen. Een modernisering van de sanctietoepassing is noodzakelijk. Het gaat daarbij om alternatieve vormen van bewaring en alternatieven voor bewaring. Inzet daarbij is om binnen de beschikbare financiële kaders maximale effecten in de zin van vergroting van de veiligheid op straat en recidive-reductie te verkrijgen. Begin oktober zal het kabinet zijn plannen in het eerder genoemde veiligheidsprogramma aan de Kamer presenteren.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Verhoging ophelderingspercentageSubstantieel verhogen pakkansUitbreiding capa- citeit opsporingsapparaat, m.n. recherche, op basis kaders vei- ligheidsprogramma– Kwaliteitsverbe- tering opsporing (inclusief nationale sporen databank, pd-management, uitbreiding NFI en bevorderen inno- vatief vermogen opsporing)– Sturing opspo- ring verbeteren– Uitbreiding DNA-wetgeving– Informatievoorziening– Identificatieplicht verdachten van strafbare feiten– Uitbreiding controlebevoegd- heden politie op wapens in voertui- genJustitie, BZK, OM2003/2004 met uitloop tot 2006 

Toelichting:

De pakkans wordt substantieel verhoogd, waardoor het ophelderingspercentage aantoonbaar zal gaan stijgen ten opzichte van dat in de voorgaande jaren. In nauw overleg met het Openbaar Ministerie en de politie zullen daarbij alle noodzakelijke stappen in beeld worden gebracht en vervolgens ook worden gezet om die stijging daadwerkelijk te realiseren. De sturing van de politie op het terrein van de opsporing door het Openbaar Ministerie wordt ingrijpend versterkt. Het Openbaar Ministerie zal daartoe onder meer begin 2003 een aanwijzing maken waarin duidelijk omschreven is wat het minimum is dat wordt verlangd van de politie bij (een vermoeden van) strafbare feiten. Uitgaande van de kaders die worden vastgelegd in het veiligheidsprogramma, bevat het landelijk convenant/Beleidsplan Nederlandse politie 2003–2006, dat eind dit jaar gereed zal zijn, daar bovenop nog eens concrete doelstellingen voor het werk van de politie, waarop zij de komende jaren kan, en ook zal, worden afgerekend. Het voorgaande gaat uiteraard gepaard met een heel scala flankerende maatregelen, uiteenlopend van maatregelen in de sfeer van preventie tot de aanpassing van wetgeving op terreinen als DNA-onderzoek, identificatieplicht voor verdachten van strafbare feiten, koppeling van gegevensbestanden (Wet politieregisters) en uitbreiding van de controlebevoegdheden van de politie op wapens in voertuigen. Steeds is het hierbij zaak de evidente noodzaak de opsporing doeltreffender te maken af te wegen tegen het belang van de bescherming van persoonsgegevens. Het uitgangspunt is nochtans meer armslag te creëren voor succesvolle opsporing. Het kabinet zal tenslotte ook met voorrang die organisatorische maatregelen nemen die bijdragen tot de stijging van het ophelderingspercentage. Aansprekende voorbeelden daarvan zijn de versterking van de kwaliteit en capaciteit van de recherche, alsmede het opzetten van een landelijk, gestandaardiseerd opsporingssysteem en de invoering van een landelijke sporenbank.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
PreventieCriminaliteit gericht voorkomenAanpak huiselijk geweld (voorlichting, deskundig- heidsbevordering en wettelijke regeling voor uitplaatsing van plegers) Aanpak criminaliteit in Nationaal Platform Crimina- liteitsbeheersing;Verstrekken BIBOB-adviezen inzake integriteit overheidshandelen en bedrijfsleven; Besluit nemen over uitbreiding JIB-bureaus (Justitie in de buurt);Oprichting centrum voor Criminaliteitspreventie en veiligheidJustitie, BZK, VWS, VNG, Politie, OM Justitie, BZK, EZ en bedrijfsleven Justitie en BZK2003 

Toelichting:

Naast de repressieve aanpak is het van belang om criminaliteit te voorkomen. Effectieve criminaliteitspreventie levert een bijdrage aan het gevoel van veiligheid van de burgers, en voorkomt een verdere belasting van de justitiële keten.

Criminaliteitspreventie is bij uitstek een terrein waar niet alleen de overheid een taak heeft. Samenwerking met maatschappelijke partners is onontbeerlijk. In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing nemen overheid en bedrijfsleven gezamenlijk deel. Onder de vlag van dit platform worden tal van problemen aangepakt die voor beide van belang zijn. Er zullen actieprogramma's opgezet worden gericht tegen geweld op straat en straatroof. Gestart gaat worden met het bureau BIBOB gericht op integriteitsadviezen voor het openbaar bestuur.

In gebieden met een hoge criminaliteits- en overlastproblematiek zorgen de bureaus van Justitie in de Buurt voor een zichtbare aanwezigheid van Justitie, en voor een snelle en effectieve reactie.

Een hoge prioriteit krijgt het voorkomen van huiselijk geweld door actieve voorlichting en deskundigheidsbevordering, en het voorkomen van herhaling daarvan door uitplaatsing van plegers. Daarvoor wordt een wetsvoorstel voorbereid.

Teneinde de bestaande expertise op het terrein van criminaliteitspreventie meer te bundelen richten de ministeries van Justitie en BZK gezamenlijk een Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid op.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Hardere aanpak recidivebestrijding en veelplegersVermindering recidive, m.n. van veelplegersAparte strafmaat voor recidive Programma terug- dringen recidive Plan modernisering sanctietoe- passing Programma Foren- sische ZorgJustitieOM Justitie Justitie Justitie, VWSParlement. behandeling in 20032003 en verder 2003 2003 en verder 

Toelichting:

Een hardere en gerichtere aanpak van veelplegers is nodig om de recidive terug te dringen. De diverse maatregelen zijn erop gericht om binnen de groep van veelplegers instrumenten en middelen in te zetten die bij de te onderscheiden categorieën, zoals bijvoorbeeld verslaafden en psychiatrische patiënten, effectief gebleken zijn.

Het beleid bestaat eruit dat naast een aparte strafmaat ook via een selectief programma «terugdringen recidive» de overlast van veelplegers wordt verminderd. In dat programma worden gerichte interventies gepleegd bij verschillende doelgroepen. Nieuw aan dit beleid is dat daarbij consequent gebruik gemaakt wordt van diagnose-instrumenten. Afhankelijk van de diagnose-uitkomst worden hulpprogramma's wel of niet ingezet. Daarnaast zal ook aandacht zijn voor nieuwe en uitbreiding van specifieke voorzieningen voor veelplegers, zoals de SOV (strafrechtelijke opvang verslaafden). Het programma forensische zorg zal daarbij specifiek worden gericht op gedetineerden met psychiatrische problemen.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Gerichte aanpak jeugdcriminaliteitOntsporing stoppen (voorkomen en terugdringing van criminaliteit onder jongeren)Pilots opvoedingsondersteuning en CtC met aandacht voor allochtone jongeren Programma effec- tiviteit jeugdsancties Landelijk invoeren casusoverleg en nieuwe normen voor doorlooptijden Uitbreiding celca- paciteit justitiële inrichtingen Pilots kindermishandelingJustitieHaltJeugdreclasseringVWSOC&W PolitieOM en Raad kinderbescherming Justitie Justitie en VWS2003 2003 2003 2003 2003 

Toelichting:

Na constatering van risicosignalen voor toekomstig crimineel gedrag dienen interventies ter voorkoming van dit gedrag bij voorkeur plaats te vinden voor het eerste politiecontact. Daartoe is aansluiting bij anderen, zoals onderwijs, jeugdhulpverlening en gemeente van belang. Ten behoeve van het vormgeven van effectief jeugdbeleid is belangrijke winst te behalen doordat de primair betrokken departementen van OCenW, Justitie, SZW, BZK en VWS integraal jeugdbeleid formuleren over de eigen grenzen heen. Daartoe wordt een gemeenschappelijk kader voor het jeugdbeleid opgesteld: de landelijke jeugdbeleidsagenda. Het belang van samenhang klemt des te meer indien sprake is van dreigende maatschappelijke uitval en daadwerkelijke ontsporing van jongeren. Justitie hecht eraan de aansluiting naar de beleidsterreinen van onderwijs, jeugdhulpverlening en andere relevante terreinen goed te regelen. Deze aansluiting dient zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde van de justitiële jeugdketens (strafrechtelijk en civielrechtelijk) te worden gerealiseerd. Daartoe zijn doelgerichte inspanningen noodzakelijk.

Jeugdcriminaliteit in relatie tot de integratie van jonge allochtonen vraagt daarnaast maatregelen die zich specifiek richten op de betrokken bevolkingsgroepen (zie ook onder «een actief inburgeringsbeleid»). Het eerste politiecontact van een minderjarige zal worden aangegrepen om zijn ouders, zonodig met drang, opvoedingsondersteuning aan te bieden. Hiertoe moet een specifiek aanbod voorhanden zijn. In 2003 voorziet Justitie in pilots opvoedingsondersteuning.

Waar jeugdigen toch verder ontsporen, past een snelle en adequate reactie op strafbaar gedrag. In 2003 zal het casusoverleg, waaraan ten minste politie, OM en Raad voor de Kinderbescherming deelnemen, landelijk worden ingevoerd. Gedurende het strafproces dient getoetst te worden of de sanctie voor een individuele jeugdige effectief is en of er risico op recidive bestaat. Justitie zal sturend optreden bij de standaardisering van het instrumentarium voor screening en risicotaxatie. Daarnaast wordt de kwaliteit van de diagnostiek voor delinquente jongeren met een ernstige gedragsstoornis verbeterd door de uitvoering van het landelijk project forensische diagnostiek. Om een wildgroei aan sancties en maatregelen tegen te gaan, zullen deze op hun effectiviteit worden getoetst. Hiertoe voert Justitie vanaf 2003 een programma effectiviteit van jeugdsancties in.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Criminaliteit strenger bestraffenMeer afschrikwekkende werking en proportionaliteit in strafmaatVerhoging straf- maxima:– Voor mishandeling– Voor gewelds- en zedendelicten– Voor mensenhandel en mensensmokkel– Voor terroristische misdrijven– Voor recidivistenJustitieBegin 2004 

Toelichting:

Waar dit effectief is in het kader van de criminaliteitsbestrijding zal verhoging van de strafmaxima plaatsvinden. Randvoorwaarde voor implementatie is echter dat er voldoende celcapaciteit is om de strengere straffen uit te kunnen voeren.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Terugdringen gebruik handel in drugsTegengaan handel, productie en doorvoer van drugsPresentatie inter- disciplinaire nota handhaving drugs- criminaliteit;Ontwikkelen beleidsvoorstellen voor terugdringen druk op detentiecapaciteit a.g.v. drugssmokkel via Schiphol;Verplicht afkicken bij veelplegers;Verbeteren be- schikbaarheid en toegankelijkheid voorzieningen voor drangtrajec- ten;Realiseren lande- lijke dekking Strafrechtelijke Opvang Verslaaf- denvoorzieningen;Handhavingsprioriteitstellinglokaal coffeeshopbeleid, waaronder be- scherming gebied rond scholen;Aanpak XTC-handel en geen gedogen/tests door overheidJustitie, OM, politie en VWS2003 en verder 

Toelichting:

De drugscriminaliteit zal op alle niveaus worden aangepakt. De inzet zal gericht worden op het tegengaan van de handel, productie en doorvoer van alle soorten drugs, inclusief cannabis teneinde Nederland in alle opzichten zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor drugscriminaliteit. In 2003 zal het kabinet een geïntegreerde en interdisciplinaire aanpak van de drugscriminaliteit presenteren.

Aan het begin van dit jaar is het Plan van Aanpak bestrijding drugssmokkel Schiphol tot stand gekomen. De implementatie daarvan wordt voortgezet. De in dit domein vigerende noodwetgeving, die zou expireren per 8 maart 2003, wordt met twee jaren verlengd. Teneinde de nodige samenhang te realiseren en de (justitiële) samenwerking in Koninkrijksverband te bevorderen, wordt het bestaande overleg met de ambtgenoten van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba geïntensiveerd en zal gestreefd worden om het justitieel overleg met de Republiek Suriname te ontplooien. Wel worden voorstellen voorbereid die alternatieve benaderingen voor de beheersing van de situatie bevatten. Het kabinet zal nadere beleidsvoorstellen ontwikkelen die in hun uitwerking de drugssmokkel via Schiphol nog verder terugdringen en bijgevolg een lagere instroom in de justitiële keten betekenen. Hiermee wordt de druk op de detentiecapaciteit verlaagd.

Specifieke beleidswijzigingen gelden ten aanzien van verplichte ontwenning, soft drugs en XTC. Het beleid gericht op verplichte ontwenning van verslaafden die veelvuldig misdrijven plegen, zal worden uitgebreid. Het ontmoedigingsbeleid voor het gebruik van softdrugs, waarvoor de minister van VWS in eerste instantie verantwoordelijk is, wordt voortgezet onder afstemming in EU-verband. In justitiële zin vindt het ontmoedigingsbeleid zijn invulling in een striktere en – binnen de bestaande capaciteit – geïntensiveerde handhaving van de coffeeshopcriteria. De productie en handel in XTC floreren en er wordt veel crimineel geld mee verdiend en moeten gericht worden aangepakt. De verantwoordelijkheid voor dit onderwerp ligt primair bij de minister van VWS. De minister van Justitie onderhoudt actieve betrokkenheid over de justitiële aspecten op dit terrein. XTC en andere synthetische drugs worden vooral op grootschalige dansfeesten en soortgelijke evenementen gebruikt. Het stoppen van testen van pillen bij party's en clubs neemt de indruk weg dat de overheid het gebruik van deze drugs legitimeert, ook gezien de betrokkenheid van handhavingsdiensten hierbij.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Samenwerking ter bestrijding grensoverschrijdende criminaliteitBestaande infrastructuur moet efficiënter en effectiever wordenZonodig verbetervoorstellen voor Europol en Euro- just;Harmonisering informatievoor- ziening en opspo- ringspraktijk;Versterking opspo- ringsdiensten en aanpassing wetge- vingJustitie, OM, politie, douane en inlichtingendiensten2003 e.v. 

Toelichting:

Geen.

2.3 De toelating van vreemdelingen die bijdragen aan de integratieproblematiek zoveel mogelijk beperken

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
De toelating van vreemdelingen die bijdragen aan de integratieproblematiek zoveel mogelijk beperken
Voeren van een restrictief toelatingsbeleidBeperking in- stroom asielzoekers en migran- ten die de integra- tieproblematiek vergroten Harmonisatie van Europees asiel- en migratiebeleid – Asiel bieden in de regio van herkomstVermindering van problematiek van ongedocumenteer- de asielzoekers d.m.v. biometrische registratie en beperking toela- ting tot procedure– Afschaffing van driejarenbeleid– Strengere selec- tie in aanmeldcentra– Voldoende capa- citeit grenslogies– Voorwaarden voor gezinsvor- ming worden aangescherpt: minimumleeftijd gaat van 18 naar 21 jaar en de inkomenseis gaat naar 130% van het minimumloon– Verkrijging van vergunning voor onbepaalde tijd pas na vijf jaar– Zorgen dat gefinancierde rechtsbijstand geen zelfstandige bron van extra procedures vormt – Eerste stap zet- ten tijdens onder- handelingen over de herziening van de overeenkomst van Dublin– Priotiteit tijdens NL voorzitterschap – Overleg met de Hoge Commissaris van de UNHCR– Internationaal overlegJustitie JustitieBZ JustitieUNHCRBZMedio 2003 Ultimo 2003 Ultimo 2003 Continu proces 

Toelichting:

De instroom van vreemdelingen heeft verreikende gevolgen voor de aard van de Nederlandse samenleving en het is dan ook van groot belang dat de immigratie wordt afgestemd op de spankracht van onze maatschappij. Een adequaat integratieproces vergt een restrictief toelatingsbeleid én een indringend integratiebeleid. Dat is noodzakelijk om de integratie van reeds toegelaten etnische minderheden een betere kans te geven.

Op het terrein van het vreemdelingenbeleid zal een aantal wezenlijke veranderingen worden doorgevoerd, die moeten leiden tot een beheersing van de instroom van vreemdelingen, de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties in de vreemdelingenketen en de aanpak van de illegalenproblematiek. Het aantal asielzoekers in procedure is, ondanks de verminderde instroom, nog steeds te hoog. Het kabinet stelt zich ten doel de instroom van asielzoekers vanaf 2003 terug te brengen tot 18 000 per jaar. De uitvoeringsorganisaties zijn overbelast en illegaliteit drukt zijn stempel op de criminaliteit en de grote stedenproblematiek. Van immigranten wordt nog in onvoldoende mate eigen verantwoordelijkheid en inspanning verwacht als het gaat om inburgering in de Nederlandse samenleving en aanpassing aan de Nederlandse normen en waarden.

Uitgangspunt van het asielbeleid is het bieden van bescherming aan vreemdelingen die daadwerkelijk bescherming behoeven.

Van essentieel belang daarbij is een Europese benadering van het vreemdelingenbeleid, alsmede de samenwerking met de UNHCR. Het nationale asielbeleid staat in het teken van de mondiale aanpak van de nood van vluchtelingen en ontheemden (19 miljoen) in de wereld. Nederland mag, als het gaat om het toelatingsbeleid niet een ruimhartiger beleid voeren dan de ons omringende landen, het asiel- en migratiebeleid in de EU-landen moet met voorrang worden geharmoniseerd. De afronding, voorzien voor het najaar van 2002, van de onderhandelingen over de herziening van de overeenkomst van Dublin is daartoe een eerste stap. Bovendien zal worden gestreefd naar herziening van het Vluchtelingenverdrag, waarbij asiel uitsluitend wordt geboden in de regio van herkomst en op die manier asielstromen naar Europa te beperken. Op korte termijn zal hierover in afstemming met de minister van Buitenlandse Zaken met de Hoge Commissaris van de UNHCR worden overlegd.

Om de instroom van vreemdelingen te beheersen, zal een strakker toelatingsbeleid worden gevoerd. Het gaat daarbij zowel om de toelating op asiel als op reguliere gronden. Op nationaal niveau zal de vreemdelingenwetgeving worden aangescherpt om een aantal maatregelen door te kunnen voeren. Deze maatregelen zien onder meer op een aanscherping van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor gezinsvorming, een vermindering van de problematiek van ongedocumenteerde asielzoekers door onder andere biometrische registratie en beperking van de toelating tot de procedure. Het driejarenbeleid, op grond waarvan aan vreemdelingen, enkel vanwege het tijdsverloop, een vergunning wordt verleend, wordt afgeschaft.

In de aanmeldcentra zal een strengere selectie plaatsvinden tussen asielzoekers met een serieus vluchtverhaal en asielzoekers die onvoldoende asielmotieven hebben. Op grond van deze eerste selectie zullen asielzoekers die niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland zoveel mogelijk reeds in het AC worden afgewezen.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Effectief terugkeerbeleidUitgeprocedeerde asielzoekers die- nen daadwerkelijk Nederland te verlaten– Met landen van herkomst en tran- sitlanden zullen, op zowel bilateraal als Europees niveau terug- en overnameover- eenkomsten worden gesloten– Bij totstandkoming terugkeerregelingen kan op strategische wijze gebruik worden gemaakt van de Nederlandse ontwikkelingshulpTegen landen die weigeren mee te werken aan het terugnemen van eigen onderdanen en overname van derdelanders worden passende maatregelen genomenJustitieBZ(BZ/OS)2004 

Toelichting:

Afgewezen asielzoekers dienen daadwerkelijk het land te verlaten. Criminele vreemdelingen (legaal of illegaal) zullen worden uitgezet. Met landen van herkomst en transitlanden zullen, op zowel bilateraal als Europees niveau, terug- en overnameovereenkomsten worden gesloten. Passende maatregelen worden genomen tegen landen die weigeren mee te werken aan het terugnemen van eigen onderdanen en overname van derdelanders. Daarbij kan een inhoudelijke (en onder bepaalde voorwaarden financiële) bijdrage worden geleverd aan de totstandkoming van terugkeerregelingen.

Hierbij zal op strategische wijze gebruik worden gemaakt van Nederlandse ontwikkelingshulp.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Aanpak illegalenproblematiekDrastisch terug- brengen illegaal verblijf in Neder- land– Strafbaar illegaal stellen verblijf– Intensivering vreemdelingentoezicht aan de grens– Uitzetting crimi- nele vreemdelingen (legaal of illegaal)– Uitbreiden capaciteit vreem- delingen bewaring– Zoveel mogelijk uitzetting tijdens strafrechtelijke detentie– Rechterlijke toets in bewaringszaken wordt teruggebracht tot de situa- tie van voor de inwerkingtreding van de nieuwe VreemdelingenwetJustitieKmar,Politie, SZW en Rechterlijke machtUltimo 2003 

Toelichting:

Illegaal verblijf wordt strafbaar gesteld, de vreemdelingenbewaring wordt uitgebreid en het vreemdelingentoezicht aan de grens en in het land wordt geïntensiveerd. Om de opstopping van zaken bij de vreemdelingenrechter weg te nemen wordt de rechtelijke toets in bewaringszaken teruggebracht tot de situatie van voor de inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet.

Teneinde de maatregelen in het kader van het beleid om «de toelating van vreemdelingen die bijdragen aan de integratieproblematiek zoveel mogelijk te beperken» door te kunnen voeren dient op onderdelen de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 te worden gewijzigd. De voorbereidingen daarvoor zijn onmiddellijk gestart.

2.4 Een actief inburgeringsbeleid

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Een actief inburgeringsbeleid
Integratie: zwaardere eisen aan inburgeringToerusting wordt prioriteit en daarbij is inburgering kernpunt. Eigen verantwoordelijkheid moet sterker worden en er moeten concrete resultaten komen. – – Factoren die het inburgeringstraject of (vervolg-)onder- wijs belemmeren worden weggenomen– Inburgeringsbeleid krijgt een verplich- tend karakter; Nieuwkomers betalen vooraf kosten van inbur- geringscursus, na succesvolle en tijdige afronding volgt restitutie van de helft van het bedrag; Succesvolle afronding van inburgeringscursus is voorwaarde verblijfsvergunning– Ook inburge- ringscursus voor oudkomers die afhankelijk zijn van uitkering, het niet tijdig en succesvol afronden van de cursus heeft ge- volgen voor uitkering– Achterstanden in het reguliere onderwijs en schooluitval worden aangepakt– Arbeidsmarkt, woningmarkt en zorginstellingen dienen voor ieder toegankelijk te zijnJustitieOC&WVWSSZW2003–2006 

Toelichting:

Een stevige beperking van de instroom is nodig om het integratiebeleid betere kansen te geven.

Het recht op verblijf in de Nederlandse samenleving veronderstelt de plicht om aan die samenleving deel te nemen. Concreet betekent dat: het accepteren van de waarden en normen van de democratische rechtsstaat waaronder respect voor de constitutie en respect voor de historie van ons land, de plicht om de Nederlandse taal te beheersen en de bereidheid tot oriëntatie op de Nederlandse samenleving. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de individuele burger. Een ieder moet op zijn verantwoordelijkheid voor eigen integratie en bijdrage aan de samenleving kunnen worden aangesproken. Men wil in ons land wonen en een toekomst opbouwen. Dat schept verplichtingen. Ook de samenleving heeft hier een taak. Het kabinet staat een integratiebeleid voor, gericht op een nieuw evenwicht in de verantwoordelijkheid hiervoor tussen burgers en overheid, tussen de nieuwe en autochtone burgers van Nederland en tussen rijksoverheid en lokale overheid. De lokale overheid heeft hier een belangrijke taak.

Het verwerven van zelfredzaamheid door inburgering en verbeteren van de positie van immigranten op terreinen als onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg staat centraal in het beleid voor toerusting. Voorwaarden voor de realisatie van volwaardigheid en gelijkwaardigheid zijn educatieve, sociale en professionele zelfredzaamheid. Een immigrant moet in staat zijn zo snel mogelijk sociaal en economisch zelfstandig te functioneren. Dit vereist kennis van de Nederlandse taal, kennis van de maatschappelijke omgangsvormen en een dusdanige ontwikkeling dat hij/zij inpasbaar is in een moderne arbeidsmarkt. Factoren die het inburgeringstraject of (vervolg-)onderwijs belemmeren moeten worden weggenomen. Toerusting is niet vrijblijvend. Het inburgeringsbeleid heeft voor de immigrant een verplichtend karakter zoals dat ook geldt voor de autochtonen. De nieuwkomers zullen de kosten van de inburgeringscursus vooraf moeten betalen. Bij tijdige en succesvolle afronding van de cursus volgt restitutie van de helft van dat bedrag. Succesvolle en tijdige afronding van de cursus wordt voorwaarde voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voor oudkomers die afhankelijk zijn van een uitkering, geacht worden te werken en het Nederlands onvoldoende beheersen wordt een inburgeringscursus ook verplicht. Niet tijdige en succesvolle afronding van de cursus heeft consequenties voor de uitkering.

Achterstanden in het reguliere onderwijs en schooluitval moeten worden aangepakt. Ook de nieuwe burgers moeten optimaal gebruik kunnen maken van de voorzieningen van de sociale infrastructuur, op gelijke voet als autochtone Nederlanders. De arbeidsmarkt dient voor eenieder – al naargelang zijn capaciteiten – toegankelijk te zijn; hetzelfde geldt voor de woningmarkt en voor de zorginstellingen.

Het is dus cruciaal dat de eigen verantwoordelijkheid voor de inburgering sterker wordt en dat er concrete resultaten komen. Dit vergt aanpassing van wetgeving en verbetering van uitvoering. Inherent aan inburgering is ook groeiende participatie en integratie bij arbeid, zorg, onderwijs en andere vormen van maatschappelijke en politieke activiteiten. Om die reden wordt bij het verlenen van subsidies de nadruk gelegd op activititeiten gericht op integratie, waarbij allochtonen en autochtonen betrokken zijn.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Segregatie tegengaanVerschillende groepen leven samen op basis van gemeenschappelijke normen en waarden/toenadering – Discriminatie naar etnische herkomst, levensovertuiging of op welke grond dan ook, racisme en vreemdelingenhaat zullen actief worden bestreden: Een Nationaal Actieprogramma ter bestrijding van racisme en discri- minatie zal worden uitgebracht– Over spanningsveld tussen vrijhe- den van meningsuiting en levensbeschouwing in rela- tie tot het discri- minatieverbod zal een nota naar de Tweede Kamer worden gestuurd– Immigranten dienen een actieve bijdrage te leveren aan debat over de eigen identiteit in relatie tot elemen- taire waarden van de Nederlandse samenleving– Probleemoplossend vermogen binnen de etnische groe- pen zelf zal worden gestimuleerd– In leefklimaat van wijken met eenzijdige etnische bevolking wordt geïnvesteerd; veiligheid is daar- bij uitgangspunt en criminaliteit, in het bijzonder geweld op scho- len, zal met kracht worden bestreden– Beleid wordt gericht op een evenwichtige bevolkings- en inkomensopbouw in wijken– Illegale situaties worden aangepakt– Bewoners probleemwijken worden betrokken bij oplossen van problemenJustitieBZKOC&WVWSSZWVROMContinu proces 

Toelichting:

Het samenleven van identiteiten en culturen, op basis van gemeenschappelijkheid kan worden samengevat als toenadering. Alle burgers dienen ervan doordrongen te zijn dat zij verantwoordelijkheid dragen voor de ontwikkeling van dit land. Dat vereist kennis van en loyaliteit aan de beginselen van de rechtsstaat en een permanente dialoog over wat burgers bindt. Normen en waarden zijn niet onveranderlijk, maar aanpassingen kunnen alleen langs democratische weg tot stand komen. De grondwettelijke vrijheidsrechten gelden voor allen die zich in Nederland bevinden; discriminatie naar etnische herkomst, levensovertuiging of op welke grond dan ook, zal actief bestreden worden. Het continu toetsen van consensus over die gemeenschappelijke waarden zal de sociale cohesie versterken, en tevens ruimte laten voor diversiteit in cultuur en leefstijl. Over het spanningsveld in het bijzonder tussen de vrijheden van meningsuiting en levensbeschouwing in relatie tot het discriminatieverbod en de wijze waarop (vooral) wetgever en bestuur hiermee dienen om te gaan, zal het kabinet nog in 2002 een notitie aan de Tweede Kamer doen toekomen. Discriminatie op welke grond dan ook, racisme en vreemdelingenhaat zullen met kracht worden bestreden. In 2003 zal een Nationaal Actieprogramma ter bestrijding van racisme en discriminatie worden uitgebracht.

Van immigranten vraagt dit een actieve bijdrage aan het debat over de eigen identiteit in relatie met de elementaire waarden van de Nederlandse samenleving. Het probleemoplossend vermogen binnen de etnische groepen zelf – mits in verbondenheid met die samenleving – moet hierbij een belangrijke rol spelen en worden gestimuleerd. Van de autochtone bevolking mag verwacht worden dat zij ruimte creëert voor nieuwe etnische identiteiten, hen betrekt bij de maatschappelijke dialoog en hen accepteert als een volwaardig onderdeel van de samenleving.

De groei van wijken met een eenzijdige etnische bevolking heeft het risico dat deze ontmoeting onvoldoende plaatsvindt, waardoor groepen zich gescheiden ontwikkelen en onvoldoende eenheid in de samenleving wordt bereikt. Dit knelt te meer omdat verschillende risicofactoren in dergelijke wijken samenkomen, zoals een zwakke sociale infrastructuur, een laag gemiddeld inkomen, scholen met een eenzijdig leerlingenbestand, en ook overlast, criminaliteit en onveiligheid. Uit het Jaarboek Grotestedenbeleid 1999 blijkt dat bijna 70% van alle nieuwkomers zich vestigt in de migratiewijken van de 25 grootste gemeenten. Om verdere afzondering van de algehele samenleving te voorkomen, is niet alleen een investering nodig in het leefklimaat van deze wijken, maar ook beleid gericht op een evenwichtige bevolkings- en inkomensopbouw. Criminaliteit in deze wijken, in het bijzonder ook geweld op scholen, zal met kracht worden bestreden en het garanderen van veiligheid zal uitgangspunt van beleid zijn. Ook zullen illegale situaties worden aangepakt. Er moet weer worden geluisterd naar de bewoners van probleemwijken, zodat maatregelen kunnen worden gericht op het oplossen van problemen die zij ervaren. Vooral in de grote steden zijn gerichte inspanningen nodig om segregatie tegen te gaan. Een belangrijke rol komt toe aan het lokaal bestuur dat zal worden afgerekend op resultaten.

1. Voornemens Strategisch Akkoord2. Doelen3. Acties4. Actoren5. Deadlines6. Budget
Actieve deelname immigranten aan Nederlandse samenlevingPublieke en private voorzieningen zijn toegankelijk en toegerust voor de gehele bevolking– Multi-etnische samenleving zicht- baar maken in besturen, organi- saties, diensten en bedrijvenOverheidsbreed2006 

Toelichting:

De publieke en private voorzieningen moeten op zo'n manier worden ingericht dat hun producten en diensten ter beschikking staan aan de gehele bevolking en op gelijke wijze rendement opleveren voor elke burger. Toegankelijkheid is een eis voor de instituties van het openbaar bestuur, maar ook voor maatschappelijke instellingen, scholen, huisvestingsorganisaties, gezondheidsvoorzieningen, bedrijven enzovoorts. Daarvoor is nodig dat instellingen zich inspannen om de multi-etnische samenleving zichtbaar te maken in besturen en personeel. Net als private instellingen en bedrijven moeten zij een bedrijfscultuur ontwikkelen waarin leden van etnische minderheden op gelijke voet kunnen instromen en doorstromen. Waar nodig dienen ze faciliteiten te bieden om onderwijs, werk en zorgtaken te kunnen combineren. Dit is niet alleen in het belang van de individuele immigrant. Het gaat hier ook om de toekomst van de arbeidsmarkt en van de Nederlandse concurrentiepositie in een moderne wereld. Voor de immigrant betekent het dat hij/zij ook zelf belangstelling toont voor de structuur en activiteiten van algemene instellingen en een bijdrage wil leveren aan de aansluiting bij de veranderende bevolkingssamenstelling.

Deel B: BELEIDSMATIGE MUTATIES

Overzichtstabel met de belangrijkste beleidsmatige mutaties

Mutaties Justitie begroting (achter elke intensivering is een verwijzing naar het relevante beleidsartikel opgenomen)(in € x 1mln.)
 20022003200420052006
Actieplan Terrorisme (3.3, 4.1, 5.1, 6.1)13,210101010
DNA bij veroordeelden (3.3, 5.1)  6,22,21,9
Drugskoeriers Schiphol(3.3)82,48358,52627
Gerechtskosten strafzaken (3.3)6,413,413,48,43,4
Huisvesting OM en ZM (3.3, 4.1)0,55,577,17,1
Rechterlijke Macht(4.1)510101010
Ambtshalve toevoegingen(4.2)6,96,96,96,96,9
Personele Zorg DJI(5.1)3030303030
Huisvesting en capaciteit DJI(5.1)32,085,368,464,164,1
Stichting Reclassering Nederland(5.1)7,57,57,57,57,5
Informatisering CJIB(5.2)6,96,96,96,96,9
Schadeloosstellingen(7.1)8,88,88,88,88,8
Tolken en vertalers (overzichtsconstructie tolken)7,612,214,212,712,7
      
Enveloppe Veiligheid onverdeeld  (230)(470)(700)
Efficiëncy/volumetaakstelling– 26,3–  66,7– 66,7– 66,7– 63,2
Vermindering inhuur externen – 20,3– 20,3– 20,3– 20,3
Griffierechten en Leges (4.1, 6.1) – 36– 36– 36– 36
Subsidietaakstelling – 4,8– 5,5– 6,2– 6,2
      
Ontvangsten     
Boeten en Transacties(5.2)4040404040
ODA: lagere instroom(6.2)– 63,2– 61,3– 61,3– 61,3– 61,3
ODA-toerekening (SA) (7.2) 92,992,992,992,9
      
Asiel     
Ama-instroom (3.4, 6.1)– 33,8– 39,2– 27,1– 18,1– 14,3
Vreemdelingenkamers en procesvertegenwoordiging IND (4.1, 6.1)1431,431,431,431,4
Bezetting opvang asielzoekers(6.2)137,5142,227,3– 74,6– 110,4
Investeringscomponent COA (6.2)– 55– 40   
Pilots AMA's(6.2)3,77,33,7  
Prijsvoordeel COA(6.2)– 89– 73– 51– 35– 29
Vertrek en terugkeer (6.2, 6.3)45,53  
10-dagen toets(6.2)– 15– 60– 85– 55– 15
Ombuiging Strategisch Akkoord onverdeeld (– 170)(– 250)(– 290)(– 300)

Actieplan terrorismebestrijding en veiligheid

Veiligheid heeft door de terroristische aanslagen op 11 september 2001 in de Verenigde Staten een extra lading gekregen. Eén van de kerntaken van de overheid is de samenleving en haar burgers een zo groot mogelijke bescherming te bieden. Naar aanleiding van deze aanslagen is door het vorige kabinet een Actieplan terrorismebestrijding en veiligheid gepresenteerd. Voor de coördinatie van de uitvoering en implementatie van dit actieplan is een belangrijke rol weggelegd voor de minister van Justitie. In het actieplan is een meerjarenpakket aan maatregelen opgenomen waarover aan de Kamer wordt gerapporteerd in de vorm van voortgangsrapportages. Als uitvloeisel daarvan zijn aan diverse begrotingen middelen toegevoegd ten behoeve van de uitvoering van dit actieplan. Voor de uitvoering van dit actieplan wordt in totaal jaarlijks ca. € 90 miljoen uitgetrokken, waarvan ca. € 10 miljoen voor het ministerie van Justitie.

De basis van het actieplan is een pakket maatregelen om daden van terrorisme te voorkomen. Het gaat daarbij allereerst om preventieve maatregelen zoals een verhoogd niveau van informatie-inwinning,- analyse, -deling en -verspreiding en daarnaast om het bewaken en beveiligen van kwetsbare sectoren en personen. Vervolgens worden maatregelen belicht die tot doel hebben de kans op aanhouding en succesvolle vervolging ten aanzien van reeds gepleegde terroristische misdrijven te vergroten. Het gaat daarbij om de opsporing, de vervolging en de beëindiging van strafbare feiten. In dit kader gaat het niet alleen om terroristische daden zelf, maar ook om delicten die ter facilitering ervan worden gepleegd, bijvoorbeeld om witwasactiviteiten, handel in drugs en handel in of gebruik van wapens.

DNA bij veroordeelden

Een aanmerkelijke vermeerdering van het aantal DNA-profielen in de DNA-databank van het Nederlands Forensisch Instituut zal worden bereikt als het wetsvoorstel (TK, 2001–2002, 28 072) inzake afname van DNA-materiaal bij veroordeling tot wet zal zijn verheven en in werking treedt. Daarmee wordt de opsporing van in het bijzonder gewelds- en zedenmisdrijven gediend. Met het mogelijk maken van DNA-onderzoek naar bepaalde uiterlijk waarneembare kenmerken van de onbekende verdachte presenteert Nederland zich als een van de koplopers op het terrein van DNA-onderzoek dat ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten plaatsvindt. Het wetsvoorstel biedt de nodige waarborgen, opdat geen onderzoek zal plaatsvinden naar kenmerken, waar dit niet behoort.

Het DNA-profiel van de veroordeelde wordt opgeslagen in de DNA-databank. Het aantal DNA-profielen in de DNA-databank zal sterk stijgen doordat tevens is voorzien in een inhaalslag. Deze houdt in dat ook celmateriaal wordt afgenomen bij personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het wetsvoorstel reeds zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel en deze sanctie ondergaan c.q. moeten ondergaan. Naar verwachting treedt de wet per 1 januari 2004 in werking. Dit heeft tot gevolg dat in het kader van de inhaalslag eenmalig 5 500 DNA-profielen worden opgenomen in de databank. Voorts zullen naar verwachting in 2004 11 000 DNA-profielen van mensen worden opgenomen die na 1 januari 2004 worden veroordeeld voor een in de wet aangewezen gewelds- of zedenmisdrijf.

Plan van aanpak Drugskoeriers Schiphol

Drugskoeriers die Nederland als doorvoerhaven voor het smokkelen van drugs gebruiken moet een halt worden toegeroepen. Daartoe is gekozen voor een aanpak langs twee sporen. Enerzijds worden er extra maatregelen getroffen om drugstransporten naar Nederland te voorkomen. Dit vraagt een extra investering in de sfeer van de opsporing. Anderzijds zijn de inspanningen er op gericht om de aangetroffen drugs in beslag te nemen en te komen tot adequate justitiële interventies jegens drugskoeriers. De bedoelde extra financiële middelen zullen in 2003 worden aangewend om de aanpak van de drugskoeriers effectief te kunnen voortzetten. De intensiveringen daartoe zullen ingezet worden bij het Openbaar Ministerie, de Zittende Magistratuur, de douane en de Koninklijke Marechaussee en voor extra celcapaciteit (DJI).

Gerechtskosten Strafzaken

Het uitvoeren van gerechtelijke onderzoeken naar strafzaken brengt toenemende gerechtskosten met zich mee met name door de liberalisering van de telecommunicatiemarkt, waardoor bij meerdere telecomaanbieders gegevens moeten worden opgevraagd. Daarnaast leiden de stijgende kosten van technische voorzieningen, een toenemend beroep op tolken en vertalers en de stijging van het aantal megazaken tot hogere gerechtskosten.

Huisvesting OM en ZM

Bij de capaciteitsuitbreidingen in het recente verleden zijn onvoldoende middelen beschikbaar gesteld voor de daarmee samenhangende en benodigde uitbreidingen op het gebied van huisvesting. In deze begroting worden het OM en de ZM alsnog gecompenseerd voor deze in het verleden ontstane tekorten. Deze huisvestingsmiddelen zijn dus beschikbaar gesteld om de aantallen fte's samenhangend met de capaciteitsgroei uit de afgelopen jaren adequaat te kunnen huisvesten.

Rechterlijke Macht

Om de autonome groei van het zaaksaanbod op te vangen wordt de capaciteit van de Zittende Magistratuur uitgebreid (inclusief Hoge Raad). Zonder uitbreiding van de capaciteit dreigen de werkvoorraden op te lopen en de doorlooptijden toe te nemen. Teneinde deze capaciteitsuitbreiding te kunnen realiseren zullen binnen de rechterlijke macht extra inspanningen worden verricht op het gebied van de werving en selectie van rechters en ondersteunend personeel. Tevens zullen als gevolg van de uitbreiding hogere opleidingskosten worden gemaakt.

Ambtshalve toevoegingen

Een ambtshalve straftoevoeging wordt afgegeven, indien een verdachte in een strafzaak op last van de rechter een rechtsbijstandverlener of advocaat toegevoegd krijgt. Om de rechten van de verdachte inzake de verdediging te kunnen blijven waarborgen wordt het budget voor ambtshalve toevoegingen met € 6,9 miljoen verhoogd in overeenstemming met de geraamde toename van het aantal toevoegingen met 12 000 zaken in 2002. Deze groei is een gevolg van de toename van het zaaksaanbod bij het Openbaar Ministerie en de Zittende Magistratuur.

Dienst Justitiële Inrichtingen

Op het terrein van DJI zijn verschillende knelpunten geconstateerd die tot intensiveringen hebben geleid. Het gaat hierbij met name om het investeren in personele zorg, verbeteringen in de huisvesting en uitbreiding van de capaciteit. Op deze onderwerpen wordt hier nader ingegaan.

Personele Zorg Dienst Justitiële Inrichtingen

De personele problematiek binnen de justitiële inrichtingen en diensten is sterk toegenomen. Door de vaak complexe problematiek van de justitiabelen wordt er een steeds zwaarder beroep gedaan op de competenties en inzet van het personeel. Daarnaast speelt de krappe arbeidsmarkt een belangrijke rol. Als gevolg van veel openstaande vacatures, een langdurige hoge werkdruk en mede als gevolg daarvan een hoog ziekteverzuim hebben diverse inrichtingen en diensten te kampen met een beperkt beschikbare capaciteit. Om de knelpunten gericht aan te kunnen pakken is in de nota «Investeren in personele zorg DJI» van oktober 2001, een breed pakket van maatregelen neergelegd die hun vertaling hebben gekregen in een plan van aanpak. Met de voorgestelde extra middelen zullen deze maatregelen in uitvoering worden genomen. Het gaat hierbij om het aanpakken van knelpunten als verbetering van werving op de arbeidsmarkt, hoge werkdruk en het tegengaan van ziekteverzuim.

Huisvesting en capaciteit Dienst Justitiële Inrichtingen

Sinds de stelselwijziging RGD en de wijziging van het vergoedingenstelsel, is DJI verantwoordelijk voor het onderhoud en de vervanging van gebruikersinstallaties in DJI-inrichtingen. DJI heeft ook de zorg voor de aanpassingen op het gebied van brandveiligheid en andere veiligheidsvoorzieningen. Mede door technologische ontwikkelingen en hogere eisen op dit terrein zijn hierop achterstanden ontstaan. Te denken valt aan o.a. aanpassing van observatie- en detectiesystemen ten behoeve van de terrein- en gebouwbeveiliging.

Daarnaast zijn middelen gereserveerd voor de gedeeltelijke financiering van de voorgenomen capaciteitsuitbreidingen betreffende het Gevangeniswezen zoals opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli 2002 (TK 25 487, nr. 79), ter compensatie van door DJI aangegane verplichtingen inzake de uitbreiding van celcapaciteit. In deze berekeningen zijn echter de effecten van de intensivering van de criminaliteitsbestrijding en de geïntensiveerde aanpak van illegale vreemdelingen (vreemdelingenbewaring), beide volgens het Strategisch Akkoord, nog niet verdisconteerd.

Stichting Reclassering Nederland (SRN)

Met ingang van 1 januari 2002 vindt bij de SRN outputsturing plaats. In het proces hiertoe is geconstateerd dat de kostprijs onvoldoende was. Om de in de begroting 2002 afgesproken productietaakstelling te kunnen realiseren is de kostprijs aangepast en als gevolg daarvan is het budget van de SRN structureel met € 7,5 miljoen verhoogd.

Informatisering CJIB

Ten behoeve van een goed functionerende organisatie is het voor het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) noodzakelijk om organisatorische maatregelen en maatregelen op het gebied van informatievoorziening te nemen. De beschikbare middelen worden aangewend om bestaande informatiesystemen onderling beter aan te laten sluiten. Daarnaast worden de extra middelen ingezet voor het verwerken van een geprognosticeerde groei van de reguliere instroom van sancties uit hoofde van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften.

Schadeloosstellingen aan derden

De uitgaven voor schadevergoedingen aan ten onrechte verdachte personen, schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie en voor de categorie overige schadevergoedingen laten de laatste jaren een sterke stijging zien. Deze stijging wordt veroorzaakt door de toename van het aantal verzoeken om schadevergoedingen. Het toekenningspercentage en het gemiddelde bedrag vertonen sinds 1994 geen stijging. Op basis van een geraamde trendmatige toename is structureel € 8,8 miljoen aan de begroting van Justitie toegevoegd.

Tolken en vertalers

Om het aanbod van voldoende gekwalificeerde tolken en vertalers te waarborgen en vertragingen in onder meer de asielprocedures te voorkomen worden extra middelen ingezet. Een deel van de middelen wordt ingezet om tegemoet te komen aan de volumeproblematiek bij het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVCN). Een kwaliteitstraject is erop gericht het gewenste kwaliteitsniveau van tolken en vertalers te formuleren en de organisatie van de certificering van tolken vorm te geven. Voorts wordt een deel van de extra middelen ingezet om uitvoering te geven aan de toegezegde gefaseerde verhoging van de tolkvergoeding naar€ 44,20 per uur (prijspeil 2002) per 1 oktober 2003 alsmede de persoonsgebonden vergoeding voor tolkdiensten bij de gerechten.

Voor 2003 is € 12,2 miljoen toegevoegd voor volumeproblematiek bij het TVCN, inrichting van de projectorganisatie, het kwaliteitstraject en de vergoedingen voor tolkdiensten.

Enveloppe Veiligheid (onverdeeld)

In afwachting van concrete verdelingsvoorstellen van de enveloppe veiligheid over diverse begrotingen is de enveloppe geparkeerd op een aanvullende post op de rijksbegroting. Over de verdeling zal in de komende periode besluitvorming plaatsvinden. De Tweede Kamer zal nog voor de begrotingsbehandeling nader worden geïnformeerd.

Efficiëncy/volumetaakstelling collectieve sector & subsidietaakstelling

Het kabinet heeft geconstateerd dat de groei van het ambtenarenapparaat de laatste jaren aanzienlijk is geweest. Het ministerie van Justitie draagt in de lijn van het Strategisch Akkoord bij aan het kabinetsstreven om te ontbureaucratiseren door het personeelsvolume bij het departement terug te dringen, waarbij de uitvoeringsdiensten zoveel mogelijk worden ontzien. Met ingang van 30 juli 2002 is een vacaturestop ingevoerd om dit te bereiken. De taakstelling is gezien de tijd nu forfaitair ingevuld over de diensten van Justitie. Eventuele aanpassingen op het niveau van operationele doelstelling respectievelijk budgethouder zijn alleen budgetneutraal (voor Justitie) mogelijk.

Vermindering inhuur externen

Het kabinet heeft een aanzienlijke groei van de inhuur van derden geconstateerd de afgelopen jaren. Met ingang van 30 juli 2002 is voor het ministerie een verplichtingenstop voor het inhuren van derden, zoals uitzendkrachten en personeel van externe bureaus, ingevoerd. Deze maatregel is onder meer bedoeld om besparingen te realiseren die afgesproken zijn in het Strategisch Akkoord. De maatregel geldt voor onbepaalde tijd. Deze maatregel zal ca. € 20 miljoen op jaarbasis opleveren.

Griffierechten en leges

Een verhoging van de griffierechten past in het algemene streven gebruikers te laten bijdragen in de kosten van een voorziening. Behalve een verhoging is echter ook een modernisering van de huidige onoverzichtelijke tarievenstructuur nodig. Justitie kiest ervoor de wetgeving terzake in twee fasen te doen verlopen: eerst, en wel op zeer korte termijn, wordt een wetsvoorstel ingediend waarmee alle tarieven met ingang van 1 januari 2003 met 15% worden verhoogd. Verhoging van de griffierechten vormt een extra prikkel voor grondige bezinning op de wenselijkheid van het entameren van een procedure of voor het in beroep gaan tegen een in eerste instantie verkregen uitspraak.

Na doorvoering van de tariefsverhoging zal een wetvoorstel volgen waarmee het hele tarievenstelsel wordt vereenvoudigd. De voorbereiding hiervan vergt meer tijd en, met het oog op de inning, ook goede afstemming met de rechterlijke organisatie.

De legesheffingen in vreemdelingenzaken worden per 1 januari 2003 op kostendekkend niveau gebracht. Dit levert naar verwachting € 20 miljoen structureel op.

Ontvangsten

Boeten en Transacties

Op grond van de realisatie in 2001 is het meerjarig kader van de ontvangsten boeten en transacties vanaf 2002 met € 40 miljoen verhoogd.

Official Development Assistance (ODA): lagere instroom

Conform internationale definities worden de kosten van opvang, scholing en terugkeer van asielzoekers in het eerste jaar ten laste van het zogenaamde ODA-budget gebruikt. De opgenomen ontvangsten zijn gebaseerd op de geraamde instroom. Aangezien deze raming naar beneden wordt bijgesteld van 42 000 (meerjarige structurele raming) naar 25 000 (raming vanaf 2002) per jaar worden de hiermee samenhangende zogenaamde ODA-ontvangsten dienovereenkomstig neerwaarts bijgesteld.

ODA-toerekening (SA)

De ODA-toerekening wordt conform afspraken in het SA gebaseerd op werkelijke kosten in plaats van forfaitaire kosten.

Asiel

Lagere ama-instroom

Als gevolg van enerzijds een geraamde lagere instroom en anderzijds een geraamde hogere uitstroom van alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama) uit de opvang is de raming van de hiermee samenhangende uitgaven verlaagd.

Vreemdelingenkamers

Het aantal bewaringszittingen is verdubbeld. Met ingang van april 2002 is de nieuwe Vreemdelingenwet van kracht. Een van de elementen van deze wet vormt de rechterlijke toetsing van vreemdelingenbewaringen. Het aantal vreemdelingenzaken neemt hierdoor gestaag toe. Alleen in 2001 gaat het om 17 500 zaken (vanaf april). In de praktijk zal het aantal zaken dan ook circa 100% hoger uitkomen dan waarmee bij de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet rekening is gehouden. Om de toenemende voorraden bij de Vreemdelingenkamers te kunnen wegwerken, is besloten het aantal Vreemdelingenkamers uit te breiden van vijftien naar negentien en tegelijkertijd de bestaande Vreemdelingenkamers met 20 procent uit te breiden. Daarmee kan een einde worden gemaakt aan de stagnatie bij bodemzaken, die ontstaan is als gevolg van de toename van het aantal bewaringszaken.

Door middel van deze uitbreiding kan de instroom van zaken worden afgedaan en kunnen voorraden in 2006 zijn weggewerkt.

De uitbreiding van de Vreemdelingenkamers en de daarmee gepaard gaande hogere productie, heeft ook gevolgen voor de IND. Hierbij moet gedacht worden aan het verzekeren van een adequate vertegenwoordiging tijdens het proces, meer vervoersbewegingen van vreemdelingen in bewaring en een toename van de proceskosten voor de IND.

Bezetting opvang asielzoekers

Zoals bij het vorige punt reeds vermeld zijn er capaciteitsproblemen bij de Vreemdelingenkamers. Hierdoor duren beroepsprocedures langer met als gevolg een hogere bezetting van de opvang. Daarnaast is, als gevolg van het steeds striktere landgebonden asielbeleid, het percentage asielzoekers afgenomen dat in eerste aanleg een status krijgt. Ook dit geeft een extra druk op de opvang omdat asielzoekers vervolgens doorprocederen en dus langer in de opvang verblijven. Tenslotte is er in 2001 een achterstand opgelopen bij het uitplaatsen van statushouders naar reguliere huisvesting.

Investeringscomponent COA

In verband met de vernieuwing van het bekostigingsstelsel, waarbij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet langer de uitgaven voor investeringen in een keer vergoed krijgt, maar de uitgaven over meerdere jaren kan verdelen door een beroep te doen op de leenfaciliteit van het ministerie van Financiën, worden de investeringsreserves van het COA verlaagd.

Pilots alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's)

De terugkeer van uitgeprocedeerde en afgewezen ama's naar hun land van herkomst zal daadwerkelijk gerealiseerd moeten worden. Niet alleen zal daarvan een ontmoediging uitgaan aan de jongeren in het land van herkomst naar Nederland toe te komen, maar zullen ook «reisagenten» worden ontmoedigd Nederland als bestemmingsland aan te bevelen. In het kader van de uitvoering van het ama-beleid zal een tweetal pilotprojecten worden gestart volgens het zogenaamde campusmodel. Hierbij worden ama's opgevangen en opgeleid binnen het terrein van het COA. Het doel van deze pilots is de effecten van het campusmodel op de terugkeercijfers in kaart te brengen en te meten.

Prijsvoordeel COA

De gerealiseerde prijs voor opvang in 2001 was lager dan geraamd, onder meer omdat meer gebruik gemaakt wordt van goedkopere vormen van opvang. Op basis hiervan worden de uitgavenramingen naar beneden bijgesteld.

Vertrek en terugkeer

Het vertrek en de terugkeer van uitgeprocedeerde en afgewezen asielzoekers naar het land van herkomst, met name bij aanvragen die nog onder de oude Vreemdelingenwet vallen, wordt geïntensiveerd. Hieraan wordt vorm gegeven door het vaststellen van het niet-meewerkcriterium, door intensivering van ontruimingsprocedures en uitzettingen, alsmede door het uitbreiden van de vreemdelingenbewaring. De extra financiële middelen zullen worden ingezet door de IND en het COA voor functionarissen die betrokken zijn bij de uitvoering van dit zogenoemde stappenplan.

10-dagen toets

Naast de maatregelen die worden genomen om de capaciteit van de Vreemdelingenkamers uit te breiden, zullen ook maatregelen worden getroffen om de druk op de capaciteit van de Vreemdelingenkamers als gevolg van het extra aanbod van zaken onder de 10-dagentoets, te verminderen. Dit zal leiden tot kortere doorlooptijden van bodemzaken asiel en daarmee tot besparingen in de opvang.

Ombuiging Asiel (onverdeeld)

De ombuiging op asielterrein uit het Strategisch Akkoord is in de huidige telling pro memorie onverdeeld opgenomen op de Justitiebegroting. De ombuigingen worden in de komende periode aan verschillende beleidsartikelen van diverse departementale begrotingen toegedeeld. De Tweede Kamer zal hierover zo spoedig mogelijk nader worden geïnformeerd.

HOOFDSTUK 3. BELEIDSARTIKELEN

1- Strategie

Beleidsartikel 1.1 Strategie

Het ministerie van Justitie streeft een veilige en rechtvaardige samenleving na. Deze samenleving kenmerkt zich door een grote dynamiek. Daarom is het voor Justitie essentieel om voortdurend na te gaan op welke wijze een optimale bijdrage kan worden geleverd. Justitie moet derhalve haar omgeving goed kennen en relevante ontwikkelingen tijdig signaleren. Bovendien moet Justitie in staat zijn op een adequate wijze te anticiperen.

Beleidsdoelstelling 1.1

Optimaliseren van de bijdrage van Justitie aan een veilige en rechtvaardige samenleving.

De minister van Justitie draagt verantwoordelijkheid op terreinen waarvoor geldt dat er uiteenlopende opvattingen bestaan over de te bereiken doelen. Zo kan er spanning zijn tussen een harde aanpak van de criminaliteit en rechtsbescherming. Wijder uiteenlopende opvattingen bestaan over de wijze waarop de doelen bereikt moeten worden en de middelen die daartoe ingezet worden. Zo is het de vraag of de veiligheid het sterkst wordt bevorderd door preventie of door repressie en of zware straffen effectiever zijn dan programma's die gericht zijn op het verminderen van recidive.

Besluitvorming over doelen en middelen vindt plaats in overleg met het parlement maar is niet uitsluitend een politieke. Met betrekking tot het recht spelen ook technische en juridische argumenten een rol.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met gevoelens omtrent rechtvaardigheid en veiligheid die in de samenleving heersen. Niet alleen met het oog op de democratische legitimatie van de voorbereiding, uitvoering en verantwoording van het Justitiebeleid maar ook ter bevordering van de professionele kwaliteit is het van groot belang dat Justitie duidelijkheid en transparantie verschaft inzake haar (on)mogelijkheden, haar kennis van en visie op de samenleving en ontwikkelingen die zich voordoen. Hieraan hecht Justitie waarde. Mede omdat democratisch vastgestelde doelstellingen pas na afstemming bereikt kunnen worden. Essentieel voor Justitie is daarom de bevordering van zowel een interne als een externe afstemming. Hierbij is een goede communicatie met diverse partners, binnen en buiten de overheid, met – deels – een eigen verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid, uitermate belangrijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 1.1       
        
uitgaven11 29212 98011 58011 57911 62411 63011 631
        
ontvangsten237919191919191
        
verplichtingen11 07912 29810 89910 89710 94310 94910 950

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 1.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 11 580 11 579 11 624 11 630 11 631
waarvan:          
- personeel en materieel 11 580 11 579 11 624 11 630 11 631
- beleid 0 0 0 0 0
waarvan:          
a. juridisch verplicht 0 0 0 0 0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden 0 0 0 0 0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma) 0 0 0 0 0
           
Totaal uitgaven beleid0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0

Operationele doelstelling 1.1.1

Het ten behoeve van de maatschappelijke, politieke en interne discussie over de totstandkoming van justitiebeleid tot stand brengen, toepassen en publiek maken van geldige omgevingskennis en een daarop gebaseerde strategische visie.

Justitie streeft naar een zo effectief mogelijke bijdrage aan een veilige en rechtvaardige samenleving. Dat vereist allereerst deskundigheid ten aanzien van de instrumenten waarover Justitie kan beschikken en kennis van de (behoeften in de) samenleving. Zowel nu als in de toekomst. Die deskundigheid en kennis resulteren in een visie van Justitie op haar mogelijke bijdrage en de middelen die nodig zijn om die te realiseren. Met betrekking tot die strategische visie dient Justitie transparant te zijn. Niet alleen om democratische controle mogelijk te maken maar ook om degenen met wie wordt samengewerkt inzicht te geven in de keuzen en (on)mogelijkheden en om hen in de gelegenheid te stellen invloed uit te oefenen op het Justitiebeleid. Strategieontwikkeling is daarmee voor Justitie geen zuiver interne zaak, maar een activiteit die ook direct extern belang heeft. De externe doelgroep beperkt zich daarbij niet tot het parlement maar omvat onder meer wetenschappelijke en professionele partners en organisaties en de media.

De strategische agenda en het programma van strategische verkenningen

Strategieontwikkeling bij Justitie is primair gericht op het tijdig signaleren, vertalen en agenderen van voor Justitie relevante lange termijn ontwikkelingen, achterliggende vragen en nieuwe inzichten. Het signaleren en vertalen gebeurt met behulp van het verkennen van diverse strategische thema's, gevolgd door nadere interne en externe discussie gericht op het toespitsen van de betekenis van het thema voor beleid, wetgeving en praktijk bij Justitie. Een beperkt aantal van de aldus toegespitste thema's wordt op de strategische Justitieagenda geplaatst. Plaatsing van een thema op de strategische agenda houdt de politieke keuze in om het thema substantieel verder onder de aandacht te brengen en uiteindelijk te vertalen in beleid, wetgeving en praktijk.

Op de in 2001 voor het eerst vastgestelde strategische Justitieagenda zijn drie thema's opgenomen, elk met een nadere op de verantwoordelijkheid van Justitie toegespitste taakstelling:

1. De afnemende acceptatie van individuele risico's;

2. Het tanend gezag van de overheid;

3. De voortgaande internationale rechtsontwikkeling.

In 2002 is een begin gemaakt met de uit deze taakstelling voortvloeiende plannen. In de loop van 2003 wordt naar aanleiding van de uitkomsten voor het eerst een rapport uitgebracht. Intussen wordt gewerkt aan de thema's «Toenemende diversiteit van de samenleving» en «Structurele toestroom van vreemdelingen». Besluitvorming over het al dan niet plaatsen van deze thema's op de strategische agenda is voor het einde van 2002 voorzien.

Er wordt aan meer strategische thema's gewerkt dan die welke hiervoor genoemd zijn. Het totale programma aan strategische verkenningen omvat naast de vijf genoemde ook de thema's:

• Nieuwe ontwikkelingen, vragen en inzichten op het terrein van de bestrijding van criminaliteit;

• Voortschrijdende technologie en beleid en wetgeving van Justitie;

• De toekomst van de rechtsstaat;

• Nieuwe inzichten ten behoeve van betere sturing van het justitieveld.

Verkenning van (aspecten) van deze thema's hoeven in de toekomst niet automatisch te leiden tot plaatsing van onderwerpen en taakstellingen op de strategische Justitieagenda. In veel gevallen zal kunnen worden volstaan met minder ingrijpende interne of externe agendering met daarop aansluitend een passend vervolgtraject.

In 2003 zullen de reeds lopende verkenningstrajecten betreffende de betekenis van respectievelijk de toekomstige kennissamenleving en de ontwikkeling van de biotechnologie voor beleid en wetgeving van Justitie worden voortgezet. Hetzelfde geldt voor een verkenningstraject gericht op identiteitsvraagstukken in de informatiemaatschappij, met name in samenhang met toenemende geautomatiseerde ketencommunicatie.

Tevens is voor 2003 een op de toekomst van de rechtsstaat gerichte verkenning voorzien in reactie op een binnenkort uit te brengen verkenning van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over dit onderwerp. Tenslotte zal in 2003 het lopende verkenningstraject, gericht op nieuwe inzichten ten behoeve van betere sturing van het Justitieveld, worden toegespitst op de sturing van bestrijding van criminaliteit.

Geldige omgevingskennis

Voor het ontwikkelen van een effectief beleid en een efficiënte uitvoering daarvan is kennis nodig. Kennis van wat zich feitelijk in de samenleving afspeelt, van gevoelde behoeften, van het eigen apparaat en van de huidige en potentiële in te zetten instrumenten. Een grote hoeveelheid kennis wordt verkregen door middel van wetenschappelijk onderzoek. Deze kennis wordt enerzijds verkregen door gebruik te maken van onderzoek dat buiten de overheid wordt verricht, anderzijds door zelf onderzoek uit te voeren dan wel te laten verrichten. Met deze laatste activiteit is het grootste deel van het begrote bedrag voor onderzoek gemoeid.

De concrete programmering van het door of in opdracht van Justitie te verrichten onderzoek wordt in belangrijke mate bepaald door de behoefte aan beleid, maar ook door oriëntatie op ontwikkelingen in de wetenschap zelf. Het onderzoeksbudget voor 2003 is verdeeld over voorwaardenscheppende activiteiten, zoals prognoses, monitoren, overzichten met betrekking tot criminaliteit en rechtshandhaving, over onderzoeksactiviteiten ten behoeve van kamervragen en geprogrammeerd onderzoek. Het budget voor geprogrammeerd onderzoek is verdeeld over de volgende thema's: strategie, regelgeving, rechtspleging en rechtsbijstand, rechtshandhaving, sanctietoepassing (inclusief tenuitvoerlegging), preventie, asiel en migratie.

Het voor de justitieorganisatie en de buitenwereld toegankelijk maken dan wel actief verspreiden van de in het kader van dit beleidsartikel geproduceerde of anderszins verworven kennis is een onmisbaar middel voor het bereiken van de doelstelling. Justitie streeft om die reden een bevordering van de toegankelijkheid van de eigen organisatie na, zowel voor interne als externe belanghebbenden. Actieve verspreiding via publicatie van rapporten en (wetenschappelijke) tijdschriften alsmede organisatie van en deelname aan congressen behoren tot de middelen die daartoe worden ingezet.

Volumegegevens

In 2003 worden de in onderstaande tabel vermelde producten gerealiseerd:

Strategische documenten (geactualiseerde strategische agenda visiedocumenten en strategische verkenningen)13
Verspreiding van resultaten van wetenschappelijk onderzoek (verslagen, congressen)64
Antwoorden op geregistreerde interne en externe informatievragen (WODC informatiedesk)1 500

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 1.1.1       
        
uitgaven11 29212 98011 58011 57911 62411 63011 631
programma-uitgaven592681681681681681681
waarvan:       
– subsidies592681681681681681681
apparaatsuitgaven10 70012 29910 89910 89810 94310 94910 950
        
ontvangsten237919191919191
        
verplichtingen11 07912 29810 89910 89710 94310 94910 950

Groeiparagraaf

In 2003 zullen de externe doelgroepen preciezer worden gedefinieerd en zullen daarop afgestemde prestatiegegevens worden ontwikkeld.

2- REGELGEVING

Beleidsartikel 2.1 Wetgeving

Beleidsdoelstelling 2.1

Het in stand houden van een goed functionerend rechtssysteem.

Een samenleving kan niet functioneren zonder een juridische ordening. Wet- en regelgeving vormen daarbij de kern van de rechtsorde. Een rechtsorde is niet zomaar een verzameling regels maar vormt een inhoudelijk op rechtsbeginselen gefundeerd, systematisch en samenhangend geheel. Rechtsbeginselen vormen de weerslag van door de samenleving gedeelde waarden.

De rechtsorde is niet statisch. Om concreet en effectief tot gelding te komen moeten rechtsbeginselen worden vertaald in wetgeving. Waarden en beginselen evolueren, de maatschappelijke omstandigheden waaronder zij tot gelding moeten worden gebracht veranderen tevens in een hoog tempo. In de samenleving bestaat voortdurend behoefte aan nieuwe wetgeving, aanpassing van wet- en regelgeving dan wel beleid dat een bijdrage levert aan het bereiken van doelstellingen van het ministerie van Justitie.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 2.1       
        
uitgaven9 6788 3127 9357 9177 9467 9527 952
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen11 0648 3127 9357 9177 9467 9527 952

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 2.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 7 935 7 917 7 946 7 952 7 952
waarvan:          
– personeel en materieel 6 873 6 868 6 894 6 899 6 899
– beleid 1 062 1 049 1 052 1 053 1 053
waarvan:          
a. juridisch verplicht52,2%55452,9%55553,0%55752,9%55752,9%557
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden47,8%50847,1%49447,1%49547,1%49647,1%496
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%1 062100,0%1 049100,0%1 052100,0%1 053100,0%1 053

Operationele doelstelling 2.1.1

Het tot stand brengen van regelgeving ter uitvoering van de grondwettelijke opdracht het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk- en strafprocesrecht in algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht bij wet vast te leggen en het tot stand brengen van regelgeving ter realisering van de beleidsdoelen van Justitie.

Het beleid inzake de totstandkoming van Justitiewetgeving ligt vast in het door de politieke leiding vastgestelde wetgevingsprogramma. Regelmatig wordt bezien of de prioriteit die aan de in het programma opgenomen wetsvoorstellen is toegekend moet worden aangepast dan wel gehandhaafd. Voorts wordt de voortgang van alle wetgevingsprojecten bewaakt.

Eén van de grondwettelijk opgedragen taken waarvoor de minister van Justitie de verantwoordelijkheid draagt, is het codificeren van het burgerlijk (proces)recht, het straf(proces)recht in algemene wetboeken en het codificeren van het bestuurs(proces)recht. Het tot stand brengen en actueel houden van deze codificaties op die rechtsterreinen is een centrale doelstelling van Justitie.

Regelgeving dient in veel gevallen mede ter facilitering van Justitiedoelen, welke deels zijn terug te vinden in beleidsartikelen. De totstandbrenging van deze wetgeving wordt hier als operationele doelstelling genoemd. De beoordeling van beleidsmatig wenselijke wetswijzigingen moet plaatsvinden tegen de achtergrond van het instandhouden van de consistentie van het rechtssysteem.

Een substantieel deel van de Justitieregelgeving is niet gekoppeld aan een van de beleidsdoelstellingen. Het is, als het al zinvol zou zijn, niet doenlijk voor al deze regelgeving een overkoepelende operationele doelstelling te formuleren. Daarvoor lopen doel en aard van deze rechtsgebieden en de daarop betrekking hebbende wetsvoorstellen te veel uiteen. Wel is het mogelijk om per rechtsgebied een doelstelling (die thans actueel is) te verwoorden. Hiermee wordt een kader geboden waarin de aangekondigde voornemens tot regelgeving kunnen worden beoordeeld.

Per rechtsgebied is aangegeven wat het in ontwikkeling zijnde beleid is en welke doelen gesteld zijn voor 2003. In de verantwoording 2003 wordt per rechtsgebied de stand van zaken weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen departementale prestaties en voorstellen die ter parlementaire behandeling voorliggen. De gang van zaken in de parlementaire fase wordt zowel door Justitie als door de Staten-Generaal beïnvloed.

Privaatrecht

Algemeen

De werkzaamheden op het gebied van de privaatrechtelijke wetgeving kunnen worden onderscheiden in:

a. (Her)codificatie gericht op toegankelijkheid van de wet en praktische hanteerbaarheid, zoals de wetsvoorstellen voor het nieuwe erfrecht en het verzekeringsrecht en voorstellen voor een nieuw boek 10 (internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (BW);

b. Aanpassing aan veranderde omstandigheden en opvattingen, zoals bijvoorbeeld de familierechtelijke en ondernemingsrechtelijke wetgeving;

c. Bijdrage aan de internationale rechtsorde en de uitvoering van internationale verplichtingen.

Op het terrein van het privaatrecht zullen in de komende periode vooral de wetsvoorstellen die de efficiency van het rechtsgeding betreffen, de verbetering van de civielrechtelijke positie van het slachtoffer, de aanpassing van de wet aan technologische ontwikkelingen en de wetgeving over mensen en hun betrekkingen in familieverband veel aandacht krijgen.

Burgerlijk procesrecht

Gestreefd wordt naar een overzichtelijk en efficiënt burgerlijk procesrecht dat beantwoordt aan internationale eisen. Per 1 januari 2002 is het nieuwe procesrecht in werking getreden. Onderzoek naar verdergaande stappen tot modernisering van het procesrecht is gestart. In 2003 zal de aandacht vooral gericht zijn op de aanpassing in de wet aan internationale verplichtingen. Genoemd kunnen worden:

• Inwerkingtreding EU-Executieverandering;

• Inwerkingtreding Faillissementverordening;

• Inwerkingtreding beschikking civielrechtelijk netwerk;

• Parlementaire behandeling bewijsverordening.

Aansprakelijkheidsrecht en verzekeringsrecht

Gestreefd wordt naar een aanpassing van het verzekeringsrecht en het aansprakelijkheidsrecht waarbij de bescherming van het slachtoffer en het verminderen van transactiekosten centraal staan. Nieuwe risico's en een grotere claimbewustheid zetten het aansprakelijkheidsregime en de verzekerbaarheid op lange termijn onder druk. De vraag rijst of het huidige systeem slachtoffers voldoende beschermt en voldoende in staat stelt hun schade te verhalen. Een herijking van het aansprakelijkheidsrecht is nodig. In 2003 is de aandacht op de volgende onderwerpen gericht:

• Inwerkingtreding nieuwe regeling van de verzekeringsovereenkomst (titel 7.17 BW);

• Inwerkingtreding wetsvoorstel verjaring aansprakelijkheid gevaarlijke stoffen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel vergoeding affectieschade;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel collectieve afwikkeling van grote schades.

Technologische ontwikkelingen

Technologische ontwikkelingen dwingen tot aanpassing van de wet. Vaak is een gezamenlijke internationale aanpak nodig. Het wetgevingsprogramma op dit terrein is sterk internationaal geïnspireerd. In 2003 zijn voorzien:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel elektronische handtekening;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel elektronisch rechtsverkeer;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel auteursrecht in de informatiemaatschappij;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel aanpassing aan de WIPO-verdragen auteursrecht in de informatiemaatschappij.

Corporate governance

De internationale vervlechting van financiële markten vraagt een verantwoording die aan internationale maatstaven voldoet. Betrouwbaarheid staat daarbij voorop. Maar ook nationaal groeit de behoefte aan een andere verdeling van bevoegdheden en aan een andere, meer flexibele, vennootschappelijke verhouding. Gestreefd wordt naar:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel wijziging structuurregeling met een versterking van de rechten van aandeelhouders en certificaathouders;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel beschermingsconstructies;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel toepassing IAS-normen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel vernieuwing faillissementsrecht ter bevordering van de effectiviteit van surseance en faillissement;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel personenvennootschap (titel 7.13 BW) waarbij de personenvennootschap (in de plaats van maatschap en vennootschap onder firma) optioneel rechtspersoonlijkheid krijgt;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel uitvoering verordening Europese Vennootschap;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel documentatie vennootschappen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel concurrentiebeding;

• Indiening wetsvoorstel uitvoering wijziging 4e richtlijn jaarrekeningrecht;

• Indiening wetsvoorstel toezicht op jaarrekeningen.

De positie van natuurlijke personen

Bij wetgeving over de positie van natuurlijke personen staan principes als het belang van het kind, het gelijkheidsbeginsel en het verantwoordelijkheidsbeginsel centraal. Een nieuwe Wet op de Jeugdzorg kon in 2002 nog niet tot stand worden gebracht. In 2003 wordt gestreefd naar voltooiing van dit omvangrijke wetgevingsproject. Daarnaast is de aandacht gericht op:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel wijziging artikel 7 670 BW;

• Voltooiing parlementaire behandeling van de Wet op de Jeugdzorg;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel gelijke behandeling bij de arbeid;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte;

• Indiening wetsvoorstel aanpassing huwelijksgoederenrecht.

Internationale ontwikkelingen

Het privaatrecht staat onder sterke internationale invloed. In steeds sterkere mate moet rekening worden gehouden met internationale verhoudingen. De invloed doet zich niet alleen gelden op economisch terrein maar ook op (rechts)gebieden die de positie van natuurlijke personen raakt. Dat vergt een voortdurende aandacht voor het op orde houden van het (internationaal) privaatrecht. Een wetgevingsproject ten behoeve van een nieuw wetboek voor het internationaal privaatrecht (boek 10 BW) is gestart. Inmiddels moet ook het materieelrecht worden aangepast aan internationale verplichtingen.

In 2003 is de aandacht op de volgende onderwerpen gericht:

• Inwerkingtreding uitvoering van de richtlijn te late betaling bij handelstransacties;

• Inwerkingtreding uitvoering vierde WAM-richtlijn;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel voorrecht havengelden;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel conflictenrecht adoptie;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel conflictenrecht geregistreerd partnerschap;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel goedkeuring NGO-verdrag;

• Indiening uitvoeringwet binnenvaartverdrag.

Staats- en bestuursrecht

Algemeen

De wetgeving op het terrein van het staats- en bestuursrecht heeft ten doel en is gericht op:

a. Het onderhouden en verder uitbouwen van bestaande algemene en bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving;

b. Modernisering van de genoemde wetgeving. Het gaat dan om aanpassing van wetgeving die is vastgelegd in het regeerakkoord (bijvoorbeeld de modernisering van de rechterlijke organisatie) en aanpassing aan nationale en internationale jurisprudentie;

c. Wijziging van wetgeving als gevolg van evaluatieonderzoek en onderzoeksrapporten;

d. Uitvoering van internationale, in het bijzonder Europese, verplichtingen.

Deze doelstellingen worden hieronder uitgewerkt naar concrete wetgevingsvoornemens.

Bestuursrecht

Op het terrein van het bestuursrecht zal in 2003 enerzijds worden gewerkt aan de verdere uitbouw van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), anderzijds aan aanpassing van deze wet aan nieuwe ontwikkelingen en het aanbrengen van verbeteringen naar aanleiding van de tweede evaluatie van de Awb. In 2003 wordt gestreefd naar:

• Inwerkingtreding Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure en bijbehorende aanpassingswet;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel rechtstreeks beroep;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel elektronisch bestuurlijk verkeer en bijbehorende aanpassingswet;

• Indiening van wetsvoorstel vierde tranche Awb;

• Indiening van wetsvoorstel tweede evaluatiewet Awb;

• Indiening wetsvoorstel samenhangende besluiten;

• Indiening wetsvoorstel beroep bij niet tijdig beslissen.

Rechtspleging

Op het terrein van de rechtspleging zijn in 2003 enkele wetgevingsvoornemens ter verdere uitbouw van de van de ingezette modernisering van de rechterlijke organisatie voorzien:

• Afronding parlementaire behandeling wetsvoorstel tot invoering van een tweede feitelijke instantie in belastingzaken. Beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2004;

• Indiening wetsvoorstel extern klachtrecht rechterlijke organisatie;

• Indiening wetsvoorstel rechtsbescherming en tuchtrecht voor de rechterlijke macht;

• Opstellen rapport over de herziening van het loon- en functiegebouw voor de rechterlijke macht.

Rechtsbijstand en juridische beroepen

Enkele onderwerpen op dit beleidsterrein vragen in 2003 om een nadere wettelijke regeling. Het betreft de volgende onderwerpen:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel wijziging Wet op het notarisambt (Veegwet);

• Inwerkingtreding wetsvoorstel wijziging Wet op het notarisambt (herziening van de benoemingsvereisten);

• Indiening wetsvoorstel ter uitvoering van het Rapport over de notaris in loondienst;

• Indiening wetsvoorstel Wet op de gerechtstolken;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel Wijziging wet op de rechtsbijstand inzake aanpassing inkomens- en vermogensbegrip.

Immigratie en veiligheid

Op het terrein van de veiligheid spelen in 2003 de volgende onderwerpen:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

• Inwerkingtreding twee partiële wijzigingen van de Wet Wapens en Munitie (WWM) in verband met onder meer internationale onderzoeksteams en het ruimen van explosieven en vliegtuigwrakken;

• Inwerkingtreding van drie partiële wijzigingen van de Politiewet in verband met de Rijksrecherche, een gemeenschappelijke regeling voor de politie met betrekking tot (onder meer) informatie- en communicatievoorzieningen en het klachtrecht;

• Inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot herziening van de Wet Landelijk Selectie- en Opleidinginstituut (LSOP-wet).

Op het terrein van het vreemdelingenrecht zal in 2003 het accent liggen op de totstandkoming van Europese regelgeving op het gebied van asiel en migratie. Daarbij gaat het onder meer om minimumnormen voor de erkenning als en status van vluchtelingen en personen die anderszins internationale bescherming behoeven, voor de asielprocedure en voor de opvang van asielzoekers, om minimumnormen voor gezinshereniging, voor langdurig verblijf van derdelanders, om tijdelijke verblijfsvergunningen aan slachtoffers van mensensmokkel en mensenhandel en vrij verkeer van Unieburgers en hun familieleden.

Concreet betekent dit:

• Indiening en inwerkingtreding van de benodigde implementatiewetgeving.

Overig

In 2003 zal een algehele herziening van de Wet Tuchtrechtspraak Bedrijfsorganisatie (WTB), in werking treden, zal de parlementaire behandeling worden afgerond van de algehele herziening van de Onteigeningswet en zal een algehele herziening van de Wet op de Kansspelen worden voorbereid. Het streven is een partiële wijziging van de Wet op de Kansspelen in verband met de problematiek van kansspelen op internet in 2003 in werking te laten treden.

Straf- en sanctierecht

Algemeen

De doelen van wetgeving op het terrein van het straf- en sanctierecht kunnen als volgt worden omschreven:

a. Het op orde houden van de Wetboeken van Strafvordering (WvSv) en Strafrecht (WvSr), alsmede van bijzondere wetten, zoals de Penitentiaire beginselenwet. Wijzigingen die voortvloeien uit evaluatie van wetgeving vallen hier bijvoorbeeld onder, evenals wijzigingen die toezien op het behoud van de consistentie tussen en binnen de wetboeken. Een concreet voorbeeld betreft de aanpassingen van de ontnemingswetgeving;

b. Modernisering van genoemde wetboeken en bijzondere wetten. Beoogd worden bijvoorbeeld aanpassingen aan technologische ontwikkelingen, aanpassingen voortvloeiende uit veranderingen van opvatting of aanpassingen in verband met Straatsburgse jurisprudentie. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot verbetering van opsporingsbevoegdheden. Concrete voorbeelden hiervan zijn: DNA-regelgeving, schrapping van het cassatieverbod na vrijspraak, het kabinetsstandpunt over gegevensvergaring in de informatiemaatschappij, maar bijvoorbeeld ook de verlenging van de verjaringstermijn van levensdelicten en het wetsvoorstel strafmaxima;

c. Doorvoeren van efficiencymaatregelen. Een voorbeeld hiervan is de invoering van de functie van een raadsheercommissaris, alsmede de verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van het penitentiair programma;

d. Bijdragen aan de internationale rechtsorde en uitvoering van internationale verplichtingen. Een omvangrijk deel van de werkzaamheden op het terrein van het straf- en sanctierecht bestaat uit bijdragen aan de totstandbrenging van bindende internationale instrumenten, zoals verdragen en kaderbesluiten. Daarnaast zal deze regelgeving moeten doorwerken in de nationale rechtsorde en daartoe uitgevoerd dienen te worden. Daarmee toont Nederland zich op het terrein van het straf- en sanctierecht een op internationale samenwerking gerichte partner.

In het onderstaande worden bovenstaande doelstellingen naar concrete wetsvoorstellen uitgewerkt. Het overzicht is niet uitputtend.

Modernisering van de Wetboeken van Strafvordering, Strafrecht en bijzondere wetten

Het is van groot belang dat de Wetboeken van Strafvordering, Strafrecht en bijzondere wetten bij de tijd zijn en blijven. Daartoe dient onder andere ingespeeld te worden op technologische ontwikkelingen en vinden veranderingen in opvatting een weerslag in de wetgeving. Op het terrein van de strafvordering gaat het in 2003 om indiening bij de Tweede Kamer (TK) dan wel parlementaire behandeling van de volgende onderwerpen:

1. Strafvorderlijke gegevensvergaring en -verstrekking

• Indiening van een wetsvoorstel tot invoering van een algemene identificatieplicht voor verdachten van een strafbaar feit;

• Uitvoering kabinetsstandpunt Commissie strafvorderlijke gegevensvergaring in de informatiemaatschappij (Commissie Mevis); in 2003 zal een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie;

• Parlementaire behandeling van de goedkeuring en uitvoering van het EU-protocol inzake informatieplichten financiële instellingen;

• Parlementaire behandeling van het wetsvoorstel computercriminaliteit II;

• Indiening van het wetsvoorstel tot Goedkeuring en van het wetsvoorstel tot uitvoering van het Raad van Europa-Verdrag «Crime in cyberspace»;

• Parlementaire behandeling van het wetsvoorstel verstrekking gegevens door het Openbaar Ministerie aan derden;

• Indiening van het wetsvoorstel strafvorderlijk elektronisch verkeer.

2. DNA-onderzoek

In 2003 wordt de parlementaire behandeling beoogd van:

• Wetsvoorstel DNA-onderzoek uiterlijk waarneembare kenmerken;

• Wetsvoorstel afname DNA-materiaal bij veroordeelden.

3. Positie van het slachtoffer

• Indiening van het wetsvoorstel tot regeling van de zelfstandige positie van het slachtoffer in het strafproces;

• Indiening van het wetsvoorstel verplichte aids-test;

• Parlementaire behandeling van het wetsvoorstel incidentele identiteits-controles.

Op het terrein van het materiële strafrecht zijn vier wetsvoorstellen die verhoging van strafmaxima impliceren. Veranderingen van opvatting omtrent de strafwaardigheid van bepaalde delicten komen hierin tot uitdrukking. Het betreft:

• Wetsvoorstel tot verhoging van strafmaxima van bepaalde delicten, waaronder mishandeling;

• Indexering van de geldboetecategorieën, en verruiming van de strafmaxima bij recidive;

• Wet terroristische misdrijven, waarin de strafmaxima voor bepaalde misdrijven die met een terroristisch oogmerk worden gepleegd aanmerkelijk hoger zijn dan wanneer dat oogmerk niet bestaat;

• Verhoging van de strafmaat structurele discriminatie.

Beoogd wordt in 2003 de parlementaire behandeling van al deze wetsvoorstellen af te ronden.

Wijzigingen die voortvloeien uit de evaluatie van regelgeving

Het gaat hier om:

• Wetsvoorstel aanpassing ontnemingswetgeving;

• Wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (BJJ) en het jeugdstrafrecht;

• Wijzigingen van de Wet Bijzonder Opneming Psychiatrische Ziekenhuizen (WBOPZ), zelfbindingscontract en klachtenregeling;

Beoogd wordt de afronding van de parlementaire behandeling in 2003 van het eerste en het laatstgenoemde wetsvoorstel, alsmede de indiening van het als tweede genoemde wetsvoorstel.

Efficiencymaatregelen

Parlementaire behandeling van:

• Invoering van de raadsheercommissaris;

• Wetsvoorstel elektronisch toezicht en penitentiair programma.

Uitvoering van internationale regelgeving

• Wet internationale misdrijven;

• Goedkeuring en uitvoering van de EU-overeenkomst inzake rechtshulp in strafzaken;

• Uitvoering van het EU-kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel;

• Uitvoering van het kaderbesluit inzake beslissingen tot bevriezing van vermogensbestanddelen of bewijsstukken;

• Uitvoering van de EU-kaderbesluiten inzake mensensmokkel en mensenhandel;

• Uitvoering van het EU-kaderbesluit fraude niet-chartaal geldverkeer;

• Goedkeuring van het VN-verdrag inzake transnationale georganiseerde criminaliteit.

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van alle hierboven genoemde uitvoeringswetgeving in 2003.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 2.1.1       
        
uitgaven9 6788 3127 9357 9177 9467 9527 952
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven9 6788 3127 9357 9177 9467 9527 952
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen11 0648 3127 9357 9177 9467 9527 952

Evaluatieonderzoek

Om te bezien of de door middel van regelgeving te verwezenlijken beleidsdoelstellingen ook daadwerkelijk zijn bereikt, is evaluatie in veel gevallen wenselijk. Voor 2003 zijn de volgende onderzoeken gepland:

• Onderzoek naar de effecten van de regelgeving;

• Onderzoek naar de tevredenheid van organen in de rechtspleging die de regelgeving moeten toepassen en uitvoeren;

• Onderzoek naar de tevredenheid van groepen tot welke de regelgeving is gericht. Voor zover de regelgeving de uitvoering van andere beleidsartikelen faciliteert, vindt evaluatie van de effecten van dat beleid onder die artikelen plaats.

Afgerond zijn de volgende onderzoeken:

• Tweede evaluatie van de Algemene wet bestuursrecht (2001);

• Eerste evaluatie van de TBS-regelgeving (2001);

• Evaluatie van het nieuwe jeugdstrafrecht (2001);

• Evaluatie van de Penitentiaire beginselenwet en Penitentiaire maatregel (2001).

Beleidsartikel 2.2 Wetgevingskwaliteitsbeleid

Met kwaliteit van wetgeving wordt bedoeld dat wetgeving voldoet aan eisen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, doorzichtigheid, consistentie, proportionaliteit, effectiviteit en efficiency, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Omdat de maatschappelijke omstandigheden in permanente ontwikkeling zijn moet wetgeving mee ontwikkelen en moeten de algemene criteria steeds opnieuw tot gelding worden gebracht. (Nota Wetgevingskwaliteitsbeleid, TK 27 475, nr. 2, blz. 1).

Beleidsdoelstelling 2.2

Het bevorderen van de kwaliteit van de wetgeving.

Om het bevorderen van de kwaliteit van wetgeving te kunnen bereiken wordt ontwerpregelgeving – zoals wetten en algemene maatregelen van bestuur – getoetst op kwaliteitscriteria. Daarnaast worden elk jaar (in het kader van het MDW-programma) wetgevingscomplexen geselecteerd die op hun actuele functionaliteit worden onderzocht. De kwaliteit van wetgeving wordt overigens bevorderd door te zorgen dat het proces van voorbereiding zo goed mogelijk is ingericht en dat de ontwerpers de nodige hulpmiddelen ter beschikking staan. Door de instandhouding van vaste interdepartementale overlegstructuren wordt continuering van de zorg voor kwaliteitsaspecten gewaarborgd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 2.2       
        
uitgaven5 0206 4307 0216 1035 1624 7564 457
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen5 7386 4307 0216 1035 1624 7564 457

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 2.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 7 021 6 103 5 162 4 756 4 457
waarvan:          
- personeel en materieel 3 237 2 975 2 710 2 596 2 511
- beleid 3 784 3 128 2 452 2 160 1 946
waarvan:          
a. juridisch verplicht82,2%3 11180,9%2 53278,9%1 93677,7%1 67876,5%1 489
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden17,8%67319,1%59621,1%51622,3%48223,5%457
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%3 784100,0%3 128100,0%2 452100,0%2 160100,0%1 946

Operationele doelstelling 2.2.1

Het bevorderen van de rechtsstatelijke kwaliteit van de regelgeving door toetsing van alle voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur voorafgaande aan de behandeling in de Ministerraad, alsmede voor nota's van wijziging met inhoudelijke betekenis, voorafgaande aan indiening bij de Tweede Kamer.

Met de toetsing van ontwerpregelgeving wordt beoogd deze meer in overeenstemming te brengen met de kwaliteitscriteria die zijn neergelegd in de nota's «Zicht op wetgeving» en «Wetgevingskwaliteitsbeleid»: rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen, subsidiariteit en proportionaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, onderlinge afstemming en eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. Met uitzondering van begrotingswetten en goedkeuringswetten bij verdragen worden alle wetsvoorstellen en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur aan Justitie ter toetsing voorgelegd. Bij de toetsing wordt een onderscheid gemaakt naar drie categorieën opmerkingen, oplopend in zwaarte:

• Categorie I: redactionele opmerkingen;

• Categorie II: opmerkingen betreffende structuur en systematiek, bevoegdheidsverdeling, (handhavings)lasten, relatie met kabinetsbeleid, instrumentkeuze en alternatieven, mede in samenwerking met de ministeries van VROM en EZ in het steunpunt voorgenomen regelgeving;

• Categorie III: opmerkingen betreffende de afstemming op hoger recht of rechtsstatelijke beginselen, evenredigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, juridische juistheid, politieke, maatschappelijke en bestuurlijke effecten.

In 2003 zullen wederom circa 400 toetsingsdossiers worden aangeboden. De resultaten van de toetsing zullen aan de hand van de categorie-indeling worden geregistreerd.

De toetsing van nota's van wijziging, waarmee in 2001 is gestart, heeft zich inmiddels een plaats verworven in de reguliere toetsingsactiviteiten. Deze vindt op dezelfde grondslag plaats als de toetsing van andere ontwerpregelgeving. Naar verwachting zullen in 2003 circa 25 nota's van wijziging ter toetsing worden voorgelegd.

Het streven is er op gericht om voor alle aangeboden ontwerpregelgeving binnen de afgesproken termijn vóór de behandeling in de ministerraad – en bij nota's van wijziging vóór de beoogde datum van indiening – overeenstemming te krijgen over aanpassingen die nodig zijn om deze in overeenstemming te doen zijn met de genoemde kwaliteitseisen.

In de nota «Wetgevingskwaliteitsbeleid» is aangegeven dat kwaliteit van regelgeving op alle niveaus moet worden gewaarborgd. Ter uitvoering van één van de actiepunten uit deze nota is een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van ministeriële regelingen en regelingen van zelfstandige bestuursorganen. In oktober 2002 zal het onderzoek met een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer worden gezonden. Daarin zullen enkele maatregelen worden aangekondigd die in 2003 worden uitgevoerd. De toepassing van de instrumenten kosten-batenanalyse en «quick scan» van wetgevingsvoornemens, waarmee de toetsing vroeg in het beleidsproces kan worden geplaatst, zal in 2003 worden geïntensiveerd, te beginnen met een «quick scan» van de wetgevingsvoornemens uit het Strategisch Akkoord (SA). Daarnaast zullen circa vijf voornemens worden geselecteerd voor een kosten-batenanalyse.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 2.2.1       
        
uitgaven7341 0441 0291 0281 0301 0301 030
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven7341 0441 0291 0281 0301 0301 030
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen8391 0441 0291 0281 0301 0301 030

Operationele doelstelling 2.2.2

Het doorlichten van wetgevingscomplexen op belasting door regels voor burgers en bedrijfsleven en het beperken van administratieve lasten in regelgeving en de uitvoering daarvan.

Beoogd wordt wetgevingscomplexen projectsgewijs in overeenstemming te brengen met actuele maatschappelijke behoeften en daarbij te laten voldoen aan algemene kwaliteitscriteria. Het accent ligt daarbij op effectiviteit en geloofwaardigheid van het overheidsoptreden. Wetgeving moet zo min mogelijk belastend zijn en vooral uitvoerbaar en handhaafbaar. Het gebruik en de ontwikkeling van nieuwe overheidsinstrumenten, die gebruik maken van financiële prikkels van de inzet van marktpartijen en van zelfregulerende vermogens in de samenleving, neemt daarbij een belangrijke plaats in. De onderwerpen kunnen op de terreinen van alle departementen liggen. De keuze van de onderwerpen komt tot stand in overleg met uitvoeringsorganisaties, belangenbehartigers en door middel van raadpleging van burgers en bedrijven.

De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken en Justitie zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de regie over het programma.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 2.2.2       
        
uitgaven734507489489489490490
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven734507489489489490490
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen839507489489489490490

Beleidsevaluatieonderzoek

Voor zover de projecten gericht zijn op direct meetbare maatschappelijke effecten zal het bereiken van deze effecten worden geëvalueerd en gemeten. Voor zover de projecten gericht zijn op het tot stand brengen van instrumenten en beleidskaders zal het gebruik daarvan door degenen voor wie ze zijn bedoeld worden geëvalueerd.

Operationele doelstelling 2.2.3

Het vergemakkelijken en verbeteren van de voorbereiding van regelgeving.

Beoogd wordt de voorbereiding van regelgeving te vergemakkelijken en te verbeteren door het in stand houden van netwerken van wetgevingsjuristen, het ontwikkelen van gereedschappen voor de wetgevingspraktijk en het verzamelen, ontwikkelen en verspreiden van kennis. In dit verband wordt onder meer een Kenniscentrum Wetgeving (KCW) in stand gehouden.

Het doel van het KCW is het fungeren als platform waar wetgevingsjuristen, werkzaam bij de rijksoverheid en de Raad van State (RvS), kennis kunnen uitwisselen, met elkaar kunnen samenwerken, gezamenlijk bezig zijn hun vak uit te oefenen alsmede een bijdrage leveren aan onderzoek en ontwikkeling op het vlak van wetgeving. De achterliggende gedachte is dat deze elementen een positieve invloed hebben op de kwaliteit van de wetgevingsjuristen en het wetgevende werk en daarmee op de wettelijke regelingen zelf.

Met het oog op het realiseren van dit doel heeft het KCW een website ingericht waarop niet alleen een «Wie Weet Wat» van wetgevingsjuristen is te vinden maar waar ook een gereedschapskist voor de wetgevingsjurist wordt gegeven. De ontwikkeling van deze site, zowel in termen van gebruikersvriendelijkheid als van inhoud, blijft voortgaan. Dat vergt niet alleen beheerswerkzaamheden maar ook een actief communicatiebeleid. Het streven is dat uiterlijk eind 2003 alle wetgevingsjuristen de site kennen en dat de site dan jaarlijks 4 000 maal wordt bezocht.

Bijgehouden wordt welke onderdelen van de site bezocht worden en welke onderdelen worden «gedownload». Deze cijfers worden gebruikt om nader inzicht te krijgen met het oog op de ontwikkeling van de site.

In het kader van de forumfunctie vallen het houden van kenniskringen en de organisatie van de «Dag van de Wetgeving» voor wetgevingsjuristen over en rond het vak. Het voornemen is om in 2003 vier kenniskringen op te zetten. De kenniskringen zullen kleinschalig zijn, dat wil zeggen voor maximaal 15 personen. Aan de hand van een evaluatie zal worden bezien of het nuttig is een groot project als de «Dag van de Wetgeving» eens per twee jaar te houden.

Het streven is de gereedschapskist van de wetgevingsjurist in 2003 uit te breiden met vier instrumenten. Daarnaast worden diverse projecten uitgevoerd die bij voorkeur ook in praktische zin nuttig zijn voor het wetgevende werk, zoals projecten over de operationalisering van de kwaliteitseisen en over de mogelijkheden van wetgeving voor onderhandelend bestuur. In 2002 werden tien projecten afgerond. De jaarlijkse gebruikersenquête, waarin naar de waardering en de wensen wordt gevraagd, wordt in oktober 2002 gehouden. De resultaten hiervan worden, naast andere middelen, gebruikt om de projecten voor 2003 te identificeren. De Interdepartementale Programmaraad (IPR) van het KCW stelt uiteindelijk het programma vast.

De in 2003 te ondernemen activiteiten zijn:

• Het uitvoeren van een aantal projecten en ontwikkeling van instrumenten;

• De instandhouding van een website;

• Het organiseren van bijeenkomsten;

• De instandhouding van een zogenoemde mailinglist waarmee groepsdiscussies onder experts kunnen worden gevoerd. In 2002 is de eerste mailinglist met betrekking tot toezicht tot stand gekomen. Het streven is om in 2003 ten minste nog één tot stand te brengen en verder zoveel meer als waar behoefte aan blijkt.

De prestaties zullen worden geëvalueerd door het verzamelen van statistische informatie over het gebruik en door klanttevredenheidsonderzoek.

Het streven is om in oktober 2002 het kabinetsstandpunt bij het eindrapport van de Visitatiecommissie Wetgeving uit te brengen en de daarin voorziene maatregelen in 2003 uit te voeren.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 2.2.3       
        
uitgaven2 9353 9974 6933 7762 8322 4252 126
programma-uitgaven2 0662 8133 5662 6451 687979680
waarvan:       
– subsidies2 0662 8133 5662 6451 687979680
apparaatsuitgaven8691 1841 1271 1311 1451 4461 446
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen3 3553 9974 6933 7762 8322 4252 126

Opleiding en vorming

De Academie voor Wetgeving is in september 2002 aan zijn tweede jaar begonnen. Een nieuwe lichting van twintig pas afgestudeerde wetgevingsjuristen is tot de opleiding toegelaten. In het seizoen 2002–2003 zal tevens een begin worden gemaakt met het aanbieden van opleidingen voor zittende wetgevingsjuristen.

Met de Rijksuniversiteit van Maastricht is Justitie overeengekomen op eigen rekening twee deeltijdleerstoelen te vestigen. De leerstoelen zijn voor onderwijs en onderzoek in respectievelijk de relatie tussen Europees recht en nationaal en decentraal bestuursrecht en Wetgevingskwaliteit. Het is de bedoeling deze leerstoelen in 2003 te bezetten.

Operationele doelstelling 2.2.4

Het bijdragen aan de inzet van Nederland als lidstaat aan de verbetering van de kwaliteit van Europese regelgeving en aan een juridisch juiste doorwerking van het Europese recht in de Nederlandse rechtsorde.

Bijdragen aan de inzet van Nederland als lidstaat aan de verbetering van kwaliteit van Europese regelgeving en aan een juridisch juiste doorwerking van het Europese recht in de Nederlandse rechtsorde omvat verschillende activiteiten. Hieronder vallen het samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken in stand houden van de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER). Deze commissie produceert in dat kader adviezen, handleidingen, checklists en dergelijke.

Op grond van de ICER-evaluatie die in het voorjaar van 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden, krijgen een aantal zaken aandacht. Gebleken is dat beleidsmakers op de departementen EG-rechtelijke aspecten, neergelegd in ICER-producten nog te weinig bij hun werkzaamheden betrekken. Ook behoeft de samenwerking tussen ICER en de andere Europese interdepartementale (beleids)gremia – zoals Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen van de Coördinatie Commissie (BNC/CoCo) – verbetering.

Daarom zullen de volgende maatregelen worden genomen met het oog op de vervlechting van de EG-rechtelijke aspecten in de beleidsvorming en beleidsuitvoering. De departementen, waaronder Justitie, voeren een vaste interne overlegstructuur voor Europese aangelegenheden in, waarin zowel de juridische als de beleidskolom vertegenwoordigd is. De samenwerking met en de informatie-uitwisseling tussen de ICER en de andere relevante gremia wordt gestructureerd en verbeterd. Dit zal onder meer geschieden door personele units en het systematisch op basis van BNC-fiches bepalen over welke ontwerpen de ICER advies zal uitbrengen. Beleidsmatig relevante ICER-producten worden via de CoCo aan de Ministerraad (MR) aangeboden. De toegankelijkheid en bruikbaarheid van ICER-producten voor de beleidspraktijk wordt verhoogd.

De ICER produceert jaarlijks circa:

• Vijftien fiches, waarin uitspraken van het Europese Hof en het gerecht in eerste aanleg worden toegelicht aan de departementen;

• Twintig adviezen over Europeesrechtelijke vraagstukken die met name bij de voorbereiding van wetgeving aan de orde zijn;

• Eén nieuwe handleiding over een thematisch onderwerp, die behulpzaam is bij de voorbereiding van wetgeving.

Verder verstrekt het Bureau Europese Zaken (BEZ) ongeveer honderd adviezen per jaar aan eenheden binnen het ministerie van Justitie.

Aangezien kwaliteitsproblemen op Europees niveau terugkomen op het nationale behoeft de kwaliteit ook op eerstgenoemd niveau aandacht. Dat vraagt een aantal activiteiten, die aansluiten bij reeds in EU-verband tot stand gekomen initiatieven, zoals het Mandelkern-rapport inzake verbetering van de kwaliteit van EU-regelgeving. Hierin worden belangrijke aanbevelingen gedaan die op instigatie van Nederland tot stand zijn gekomen. Nederland volgt nauwgezet de voorbereiding en uitwerking door de Europese Commissie (EC) van een actieplan met concrete voorstellen voor kwaliteitsverbetering. Waar mogelijk worden de Nederlandse uitgangspunten (ex ante en ex post toetsing van wetgeving waarbij aandacht wordt besteed aan de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van EU-regels) gericht ingebracht en wordt ingezet op substantiële maatregelen. Ook bij de monitoring en de uitvoering van het actieplan zet Nederland in op actieve betrokkenheid. Tenslotte wordt ingezet op uitbreiding van de Europese richtsnoeren voor redactionele kwaliteit van EU-regelgeving, onder meer door agendering van het onderwerp «verbetering van de kwaliteit van EU-regelgeving» tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2004.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 2.2.4       
        
uitgaven617882810810811811811
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven617882810810811811811
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen705882810810811811811

3 – PREVENTIE EN RECHTSHANDHAVING

Beleidsartikel 3.1 Criminaliteitspreventie

Het ministerie van Justitie streeft een veilige en rechtvaardige samenleving na. Een belangrijke beleidsdoelstelling is in dat kader de criminaliteit verlagen of in ieder geval niet laten stijgen.

Beleidsdoelstelling 3.1

Het bevorderen van de preventie van criminaliteit ten behoeve van een veilige en rechtvaardige Nederlandse samenleving.

Met het perspectief van een veilige en rechtvaardige samenleving schept het ministerie van Justitie voorwaarden voor een effectieve preventieve aanpak van criminaliteit. Daarbij richt Justitie zich op het vergroten van het zicht op en inzicht in specifieke vormen van criminaliteit, een adequate wet- en regelgeving, de ontwikkeling en implementatie van effectieve preventieve interventies en het vergroten van deskundigheid van en samenwerking tussen relevante partners bij de uitvoering van preventieve maatregelen.

Het ministerie van Justitie richt zich in het bijzonder op de onderwerpen geweld (zoals huiselijk geweld, geweld in het publiek domein en seksueel geweld), bedrijfsleven (zowel dader als slachtoffers van criminaliteit), jeugd en wijk- en buurtgerichte aanpak van criminaliteit.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 3.1       
        
uitgaven30 87432 55528 84828 47728 74428 76028 761
        
ontvangsten9 25113 85215 84816 07516 48316 48316 483
        
verplichtingen33 12832 55528 84828 47728 74428 76028 761

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 3.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 28 848 28 477 28 744 28 760 28 761
waarvan:          
- personeel en materieel 11 799 11 471 11 659 11 666 11 665
- beleid 17 049 17 006 17 085 17 094 17 096
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden67,0%11 41866,9%11 38466,9%11 43366,9%11 43966,9%11 441
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)33,0%5 63133,1%5 62233,1%5 65233,1%5 65533,1%5 655
           
Totaal uitgaven beleid100,0%17 049100,0%17 006100,0%17 085100,0%17 094100,0%17 096

Operationele doelstelling 3.1.2

Het beperken van de gelegenheid om strafbare feiten te plegen, binnen, of misbruik te maken door middel van een rechtspersoon of organisatie.

Rechtspersonen en organisaties lijden schade door medewerkers die daarbinnen criminele daden plegen – zoals bijvoorbeeld interne fraude en diefstal van bedrijfsgoederen. Ook kunnen rechtspersonen en organisaties misbruikt worden als middel om criminele daden te plegen – zoals bijvoorbeeld faillissementsfraude.

In het zakelijke verkeer tussen natuurlijke personen, rechtspersonen en overheidsorganen bestaat in toenemende mate behoefte om elkanders integriteit te kunnen beoordelen. Eén van de prioriteiten is daarom het verbeteren van de preventie van (georganiseerde) criminaliteit door het bevorderen van de integriteit bij burgers, bedrijfsleven en overheid. Hierbij wordt aangesloten bij de Nota Criminaliteitsbeheersing (NCB) (TK, 27 834, nr. 2). Teneinde deze doelstelling te kunnen realiseren worden enerzijds nieuwe wettelijke instrumenten ontworpen en geïmplementeerd. Anderzijds wordt de uitvoering van bestaande wettelijke instrumenten verbeterd door het herbeleggen van taken en een verhoogde inzet van de informatietechnologie.

Justitie legt de nadruk op instrumenten die gericht zijn op vennootschappen, werknemers in een nieuwe, gevoelige functie en de integriteit van het openbaar bestuur bij het aangaan van relaties met bedrijven. Hierbij is aan de orde het snel en adequaat screenen van de integriteit van personen die een arbeidsrelatie in een gevoelige functie willen aangaan en het snel en adequaat screenen van de integriteit van personen die aan een vennootschap willen deelnemen. Daarnaast is het snel en adequaat adviseren en informeren van opsporingsinstanties, burgers, bedrijfsleven en bestuursorganen omtrent de integriteit van de door hen in te schakelen bedrijven en het snel en adequaat verlenen van vergunningen aan particuliere beveiligingsbedrijven aan de orde.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.1.2       
        
uitgaven8 2368 8558 2647 9518 1288 1338 132
programma-uitgaven8 2368 8558 2647 9518 1288 1338 132
apparaatsuitgaven0000000
        
ontvangsten9 25113 80715 80316 03016 43816 43816 438
        
verplichtingen9 3608 8558 2647 9518 1288 1338 132
waarvan       
– garanties:4 6524 6524 6524 6524 6524 6524 652

Instrumenten

Justitie beschikt over vier instrumenten om de gelegenheid om strafbare feiten te plegen binnen, of misbruik te maken door middel van een rechtspersoon of organisatie te beperken. Het wetsvoorstel «Justitiële gegevens» heeft betrekking op de afgifte van Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG) voor het aangaan van een arbeidsrelatie in een gevoelige functie. De Wet Preventief Toezicht Vennootschappen regelt de afgifte van Verklaringen van Geen Bezwaar (VvGB) omtrent de oprichting van een vennootschap of wijziging van de statuten. Het Wetsvoorstel Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur (BIBOB) richt zich op de advisering van bestuursorganen. De Faillissementswet tenslotte regelt de informatieverstrekking ten aanzien van de (in)solventie van bedrijven.

Volumegegevens

 20022003
Aanvragen VOG  
Aantal aanvragen186 000224 000
Percentage afwijzend advies33
Doorlooptijd in weken44
   
Verklaring nieuwe statuten en wijziging statuten vennootschappen  
Aantal aanvragen68 50068 500
Percentage afwijzingen1010
Doorlooptijd in dagen66
   
Aanvragen BIBOB  
Aantal aanvragen500
Percentage leidend tot weigering99
Doorlooptijd in weken44
   
Bevragingen van het CIR  
Aantal informatieverstrekkingen50 000
   
Garantstellingregeling curatoren  
Aantal verzoeken100100
Doorlooptijd in weken22
   
Particuliere beveiligingsbedrijven  
Aantal verzoeken beveiligingsbedrijven640640
Percentage afwijzingen55
Doorlooptijd in weken1616

Evaluatieonderzoek

In 2003 is de Wet op de particuliere beveiliging en recherchebureaus onderwerp van een beleidsevaluatie.

Als norm wordt gehanteerd dat een steekproef onder de potentiële gebruikers van de producten aantoont dat meer dan 50% bekend is met het product en het in voorkomende gevallen overweegt te gebruiken.

Groeiparagraaf

De prestatiegegevens bij deze operationele doelstelling hebben betrekking op het volume, het percentage afwijzingen en de doorlooptijd. Om te kunnen bepalen of de levering van producten inderdaad snel en adequaat is, worden voor de begroting van 2004 nieuwe prestatiegegevens ontwikkeld.

Operationele doelstelling 3.1.9.

Het in goede banen leiden van kansspelen, door (i) het beschermen van de consument, (ii) het tegengaan van gokverslaving en (iii) het tegengaan van criminaliteit.

De doelstelling van het kansspelbeleid is gebaseerd op de Wet op de Kansspelen en de kabinetsstandpunten MDW-traject inzake de Wet op de Kansspelen (TK, 24 036, nrs. 180 en 228). De doelstelling wordt gerealiseerd door het implementeren van de beleidswijzigingen zoals neergelegd in de kabinetsstandpunten en krijgt beslag in een algehele herziening van de Wet op de Kansspelen. Het projectbureau Kanspelen is hiervoor verantwoordelijk.

Project Kansspelen

Het kabinet heeft in de genoemde standpunten een aantal wijzigingen in het kansspelbeleid voorgesteld.

Het betreft onder meer de volgende beleidswijzigingen:

• Een heroverweging van het aantal casinovestigingen;

• Een beperkte uitbreiding van het aantal vergunningen voor goede doelen loterijen en het harmoniseren van afdrachtpercentages voor landelijke loterijen;

• Het vergroten van de ruimte binnen de bestaande vergunningen en vergaande harmonisatie van de vergunningvoorwaarden voor landelijke loterijen;

• Het verbeteren van de toegankelijkheid voor nieuwe begunstigden tot opbrengsten van loterijen, gecombineerd met certificering van begunstigden;

• Het toestaan van kansspelen via internet door Nederlandse vergunninghouders.

• Het opheffen van het verbod op gratis kansspelen;

• Het onderbrengen van beleid en uitvoering bij één ministerie;

• Het intensiveren en vernieuwen van het toezicht op landelijke vergunninghouders;

• Het intensiveren van de opsporing van illegale kansspelen en de handhaving van de Wet op de Kansspelen.

De algehele herziening van de Wet op de Kansspelen en onderliggende regelgeving is voorzien per 1 januari 2005.

Het beoogt daarmee enerzijds het aanbod van kansspelen meer te doen aansluiten bij de maatschappelijke behoeften en internationale en technische ontwikkelingen, en anderzijds de toegang tot de opbrengsten beter te reguleren.

Het ministerie van Justitie heeft ter uitvoering van de beleidswijzigingen het projectbureau Kansspelen ingericht. Het project wordt uitgevoerd samen met de ministeries van Economische Zaken (EZ), Financiën, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), het College van Toezicht op de Kansspelen (CTK) en belanghebbende organisaties zoals kansspelorganisaties en kansspelbegunstigden.

De Tweede Kamer wordt tweemaal per jaar over de voortgang van het project worden geïnformeerd.

Het project zal vermoedelijk op 31 december 2004, na de algehele herziening van de Wet op de Kansspelen, worden afgerond.

College van Toezicht

Het CTK houdt toezicht op de naleving van de Wet op de Kansspelen door de vergunninghouders van de landelijke kansspelen. Voorts adviseert het CTK de verantwoordelijke bewindspersonen over het verlenen, wijzigen en intrekken van de vergunningen voor deze landelijke kansspelen, en over het verlenen van instemming met wijziging van de statuten en reglementen van de vergunninghouders.

Toezicht

Ten aanzien van het toezicht vinden de volgende activiteiten plaats;

• Toetsing van kwartaalrapportages en jaarstukken van de landelijke vergunninghouders;

• Uitbrengen van onderzoeks- en adviesrapporten (audits) en toezichtrapportages over de naleving van de regelgeving door de vergunninghouders;

• Afstemming van de toezichtactiviteiten met de betrokken ministeries.

Advies

Advisering inzake de kansspelen omvat:

Het uitbrengen van adviezen op grond van artikel 34 van de Wet op de Kansspelen (adviezen inzake vergunningen, statuten en reglementen van de vergunninghouders van de landelijke kansspelen) en overige adviezen over de uitvoering van deze wet aan de verantwoordelijke bewindspersonen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.1.9       
        
uitgaven4661 724465467467468468
programma-uitgaven128474465467467468468
apparaatsuitgaven3381 25000000
        
ontvangsten0454545454545
        
verplichtingen3921 724465467467468468

Prestatiegegevens

Het project is in 2003 gericht op onder andere de volgende resultaten:

• Besluitvorming over eventuele uitbreiding van het aanbod van casinospelen en de daaraan te verbinden voorwaarden;

• Het implementeren van een partiële wijziging van de Wet op de Kansspelen waardoor het aanbieden van kansspelen via internet onder strikte voorwaarden en voor een beperkte periode wordt toegestaan;

• Het indienen bij het parlement van een voorstel tot algehele herziening van de Wet op de Kansspelen, ter effectuering van de voorgenomen wijzingen van het kansspelbeleid. Daartoe behoren, naast de hiervoor vermelde onderwerpen, ook het integraal onderbrengen van beleid en uitvoering met betrekking tot kansspelen bij het ministerie van Justitie, het opheffen van het verbod op het aanbieden van gratis kansspelen, en de inrichting van een nieuw toezichthoudend orgaan;

• Het afgeven van incidentele vergunningen (circa 100 per jaar) voor het organiseren van kansspelen.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is ten aanzien van het toezicht op de kansspelen systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De algehele herziening van de Wet op de Kansspelen en onderliggende regelgeving is voorzien per 1 januari 2005. Hiertoe worden in 2003 en 2004 de beschreven beleidswijzigingen uitgevoerd.

Operationele doelstelling 3.1.10

Een adequate afstemming en samenwerking op (inter)nationaal, regionaal en lokaal niveau door bestuurlijke en andere relevante partners op het gebied van criminaliteitspreventie.

De effectiviteit van criminaliteitspreventie neemt toe wanneer samenhang wordt aangebracht met opsporing en vervolging. Efficiency en effectiviteit nemen toe wanneer er sprake is van samenhangende maatregelen die worden genomen door alle betrokken partners. De preventie van huiselijk geweld vereist bijvoorbeeld de inzet van vele organisaties op lokaal niveau. Medische beroepsgroepen en de politie zijn nodig voor het vroegtijdig signaleren van huiselijk geweld, hulpverleningsorganisaties voor de hulp aan slachtoffers en de behandeling van daders. De gemeente moet fungeren als regisseur van de verschillende activiteiten. Betrokkenheid van het Openbaar Ministerie (OM) is nodig om daders zo nodig te kunnen vervolgen. Voor andere vormen van criminaliteit zijn andere vormen van samenwerking bij preventie nodig.

Op buurtniveau worden bureaus Justitie In de Buurt (JIB's) opgericht, worden strategieën voor wijkgerichte criminaliteitspreventie («Communities that Care») gefaciliteerd en starten projecten voor opvoedingsondersteuning. Op lokaal niveau worden gemeenten gestimuleerd bij en ondersteund in hun rol van regisseur van de aanpak van huiselijk geweld. Op regionaal niveau worden platforms criminaliteitsbeheersing opgericht waarin justitie en haar partners samenwerken aan de aanpak van concrete criminaliteitsproblemen. Op arrondissementsniveau worden platforms opgericht waarin Justitieorganisaties hun activiteiten op elkaar afstemmen. Op nationaal niveau wordt het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing gefaciliteerd en participeert Justitie in overleg met andere departementen en met vertegenwoordigers van specifieke bevolkingsgroepen. Op Europees niveau werkt Justitie met de andere EU-landen samen in het Europees Netwerk Criminaliteitspreventie.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.1.10       
        
uitgaven14 35413 68613 00012 97713 05413 06113 062
programma-uitgaven13 10712 49712 34312 35012 43012 43512 436
waarvan:       
– subsidies13 10712 49712 34312 35012 43012 43512 436
apparaatsuitgaven1 2471 189657627624626626
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen15 05113 68613 00012 97713 05413 06113 062

Prestaties 2003

Buurt

Medio 2002 bestaan er 24 JIB-bureaus, eind 2002 zullen dat er 28 zijn. In 2003 is de start van drie nieuwe JIB-bureaus voorzien.

Op twee manieren faciliteert het ministerie van Justitie strategieën voor wijkgerichte criminaliteitspreventie. Dat gebeurt door het afronden van het experiment met «Communities that Care» in vier pilotwijken met een toets op de effectiviteit. Daarnaast starten minimaal twee nieuwe projecten opvoedingsondersteuning in 2003.

Lokaal

In de kabinetsnota «Privé geweld, publieke zaak» (TK, 27 834, nr. 2) benadrukt het kabinet de noodzaak van lokale samenwerkingsverbanden tussen gemeente, hulpverlening, politie en justitie bij de aanpak van huiselijk geweld. In 2003 moet minimaal 20% van de Nederlandse gemeenten een beleidsplan huiselijk geweld hebben. Dat percentage moet in het daaropvolgende jaar groeien.

Regionaal/Arrondissement

Veel criminaliteitsproblemen waarvan het bedrijfsleven slachtoffer wordt, kunnen het beste op de schaal van de politieregio aangepakt worden. In de NCB (TK, 27 834, nr. 2) is een landelijk dekkend netwerk van regionale platforms criminaliteitsbeheersing voorgesteld. In 2003 zullen minimaal twee nieuwe platforms (naast de 10 bestaande) worden opgericht.

De samenwerking tussen Justitieorganisaties moet op arrondissementsniveau versterkt worden. In 2003 maakt elk arrondissement voor dat doel gebruik van de «Bijdrageregeling regionale samenwerking».

Nationaal

Het ministerie van Justitie faciliteert het NPC in financiële en personele zin. Dat geldt niet alleen voor het functioneren van het platform als zodanig, maar ook voor twee projecten die onder de verantwoordelijkheid van dit platform worden uitgevoerd. Bezien wordt of die ondersteuning in 2003 via de oprichting van een Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid versterkt kan worden.

Voor de aanpak van geweld op straat zal het ministerie van Justitie inhoudelijk en organisatorisch vormgeven aan de samenwerking tussen de rijksoverheid en het landelijk gebundelde particulier initiatief op dit terrein. Voor de aanpak van huiselijk geweld en seksueel misbruik geeftJustitie vorm aan een structureel overleg met bij de aanpak van deze problematiek betrokken departementen, politie, OM, gemeenten en de zorgsector.

Internationaal

Het ministerie van Justitie participeert in het Europees Netwerk voor Criminaliteitspreventie en draagt bij in de kosten van het secretariaat van dit netwerk.

Evaluatieonderzoek

In 2003 zal door middel van een monitor een indicatie worden verkregen in hoeverre deze doelstelling op onderdelen is bereikt. Als norm voor adequate afstemming en samenwerking wordt gehanteerd dat de bij de prestatiegegevens geformuleerde streefwaarden gehaald moeten zijn.

Volumegegevens200220032004
Aantal JIB-bureaus283131
Percentage gemeenten met samenwerkingsverband huiselijk geweld102030
Aantal regionale platforms criminaliteitsbeheersing101214

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is resultaatverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Het tot stand komen van samenwerking is goed meetbaar. De kwaliteit en de resultaten van die samenwerking zijn moeilijker inzichtelijk te maken. Het ministerie van Justitie streeft ernaar om in 2003 voor die twee aspecten van samenwerking indicatoren te ontwikkelen die in 2004 gemeten kunnen worden.

Operationele doelstelling 3.1.11

Brede toepassing van (nieuwe) preventieve instrumenten of methoden door bestuurlijke en andere relevante partners.

Het ministerie van Justitie kan de toepassing van preventieve maatregelen in het algemeen slechts indirect beïnvloeden. Justitie heeft geen rechtstreekse sturingsrelatie met partners – zoals burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsorganen – die de preventieve activiteiten moeten uitvoeren. Projecten, interdepartementale programma's, subsidies en informatie zijn middelen die voor het bereiken van deze doelstelling worden ingezet.

In de NCB is de oprichting van een Centrum voor Criminaliteitspreventie voorzien dat aan het bereiken van deze operationele doelstelling moet bijdragen.

Nieuwe preventieve maatregelen moeten gebaseerd zijn op een gedegen analyse van het criminaliteitsprobleem. Op basis daarvan worden de maatregelen samen met bestuurlijke en andere relevante partners ontwikkeld. In het algemeen worden de nieuwe maatregelen in de vorm van projecten in de praktijk beproefd en de effectiviteit daarvan wordt getoetst. De toepassing van effectief gebleken preventieve maatregelen door bestuurlijke en andere relevante partners wordt vervolgens gestimuleerd door subsidieen informatieverstrekking.

Analyse, ontwikkeling, toetsing en stimulering vindt in 2003 plaats bij preventieve maatregelen ten aanzien van de onderwerpen «Geweld» en «Bedrijfsleven». Voor het onderwerp «Jeugd» wordt via dit beleidsartikel de toepassing van een aantal maatregelen, die gericht zijn op onderwijs en vroegtijdige signalering van criminaliteit, gestimuleerd. In beleidsartikel 3.4 is een breder pakket aan maatregelen gericht op de aanpak van jeugdcriminaliteit benoemd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.1.11       
        
uitgaven7 8188 2907 1197 0827 0957 0987 099
programma-uitgaven6 1846 5575 4585 4615 4725 4755 476
waarvan:       
– subsidies6 1846 5575 4585 4615 4725 4755 476
apparaatsuitgaven1 6341 7331 6611 6211 6231 6231 623
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen8 3258 2907 1197 0827 0957 0987 099

Prestaties 2003

Analyseren

Analyse en onderzoek van criminaliteitsproblemen zal plaatsvinden voor georganiseerde criminaliteit (doorlichting van een bedrijfstak op kwetsbaarheid) en voor huiselijk geweld (een actualisering van het onderzoek naar de aard en omvang van huiselijk geweld dat in 1997 is uitgevoerd).

Daarnaast zullen twee beleidsverkenningen worden uitgevoerd ter voorbereiding op de preventieve aanpak van criminaliteit in 2004.

Ontwikkelen

Met het oog op de preventie van geweld worden in samenspraak met lokale overheden twee nieuwe maatregelen ontwikkeld. Ten eerste een methodiek voor kleinschalige initiatieven gericht op het invoeren van gedragscodes in wijken, buurten, organisaties en bedrijven. Daarnaast een model voor de aanpak van huiselijk geweld in allochtone kring. Samen met de politie wordt een instrument ontwikkeld dat de politie helpt om te onderzoeken of een verdachte – naast het geweldsmisdrijf waarvoor hij/zij aangehouden is – een dader is van huiselijk geweld. Bestaande lesmodules om seksueel misbruik vroegtijdig te kunnen signaleren worden geschikt gemaakt voor beroepsgroepen in het onderwijs en de zorgsector.

Niet alleen voor de aanpak van geweld worden nieuwe methodieken ontwikkeld. De in 2002 opgerichte Technologiecommissie zoekt enerzijds naar preventieve toepassingen van nieuwe technologieën en inventariseert anderzijds mogelijke bedreigingen die van deze nieuwe technologieën uitgaan. De commissie zal haar werkzaamheden in 2003 afronden. Een pilotproject zal worden gestart om de adviezen in de praktijk toepasbaar te maken.

Onderzoek in 2002 naar de effectiviteit van bestaande preventieve maatregelen in de detailhandel zal in 2003 leiden tot de ontwikkeling van nieuwe maatregelen.

In de NCB is de ontwikkeling van een criminogene toets aangekondigd waarmee regelgeving en beleid getoetst kunnen worden op – onbedoelde – criminaliteit bevorderende elementen.

Toetsen

Toetsing van de effectiviteit van nieuw ontwikkelde preventieve maatregelen zal plaatsvinden ten aanzien van de experimenten met verschillende vormen van bemiddeling in het jeugdstrafrecht en op scholen.

Stimuleren

Het stimuleren van de toepassing van preventieve maatregelen vindt plaats door het verstrekken van informatie en het verlenen van subsidies.

Voor lokale overheden, Justitieorganisaties en hulpverleningsinstellingen onderhoudt het ministerie van Justitie websites rondom de thema's huiselijk geweld, seksueel misbruik en Justitie in de Buurt. Ten behoeve van het bedrijfsleven gebeurt dat via de website van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC). Op deze laatste website zullen onder andere de resultaten van de Monitor Bedrijven en Instellingen beschikbaar worden gesteld en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan (KVU).

Voor alle organisaties die werkzaam zijn op het terrein van de preventie van criminaliteit produceert het ministerie van Justitie zes uitgaven van het blad «Samenleving en Criminaliteitspreventie».

Met het oog op de preventie van criminaliteit gepleegd door jeugdigen wordt een overzicht samengesteld van effectieve maatregelen ter voorkoming van en in reactie op schoolverzuim. Het overzicht wordt verspreid onder alle gemeenten, scholen, politieregio's en arrondissementsparketten in Nederland. Tevens zal een overzicht worden samengesteld van effectieve methoden om crimineel gedrag in een vroeg stadium te signaleren en van interventies die in die gevallen wenselijk zijn. Dit overzicht wordt onder alle gemeenten en scholen verspreid.

Gericht op de aanpak van huiselijk geweld stelt het ministerie van Justitie een «toolkit» ten behoeve van regionale campagnes ter bewustwording van burgers en beroepskrachten van de aard en ernst van huiselijk geweld beschikbaar. Gemeenten, politieregio's, arrondissementsparketten en relevante zorginstellingen zullen deze «toolkit» ontvangen. De kwartaalkrant «Huiselijk Geweld» zal ook in 2003 verschijnen.

In het politieonderwijs worden lesmodules geïntroduceerd gericht op het vroegtijdig signaleren van seksueel misbruik van kinderen. Voor de preventie van seksueel geweld wordt de toepassing van een weerbaarheidscursus tegen seksueel misbruik voor leerlingen in de onderbouw van scholen voor voortgezet onderwijs financieel gestimuleerd. Bij hun activiteiten tegen geweld op straat worden gemeenten financieel ondersteund bij een bredere toepassing van de KVU. Er zal een startsubsidie beschikbaar zijn voor de toepassing van het Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO) door publiekprivate samenwerkingsverbanden.

Groeiparagraaf

De doelstelling «Brede toepassing van (nieuwe) preventieve instrumenten of methoden door bestuurlijke en andere relevante partners» geldt in 2003 voor het eerst. Door middel van de Politiemonitor Bevolking, de Monitor Bedrijven en Instellingen en de Monitor huiselijk geweld zal in 2003 een nulmeting worden verricht naar de toepassing van preventieve instrumenten of methoden. Als norm wordt gehanteerd dat er sprake is van brede toepassing wanneer 25% van de betrokken partners kennis heeft genomen van het instrument of de methode die voor hen ontwikkeld is, of deze toepast.

Evaluatieonderzoek

De effectiviteit van de projecten met betrekking tot buurtbemiddeling, die het ministerie van Justitie in 2000 en 2001 via een stimuleringsregeling gesubsidieerd heeft, zal in 2003 worden geëvalueerd.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Beleidsartikel: 3.2 Slachtofferzorg

Beleidsdoelstelling 3.2

Het aanbieden van goede zorg en dienstverlening aan slachtoffers van criminaliteit teneinde bij te dragen aan het herstel van vertrouwen en het gevoel van veiligheid.

Slachtoffer worden van een misdrijf is een ingrijpende ervaring, die het vertrouwen in de samenleving en het gevoel van veiligheid aantast. Slachtofferzorg heeft als doel om het geschonden vertrouwen en gevoel van veiligheid te herstellen en draagt ook bij aan het gevoel van rechtvaardigheid. Adequate slachtofferzorg levert uiteindelijk een belangrijke bijdrage aan:

• Minder gevoelens van onveiligheid;

• Meer vertrouwen in Justitie;

• Grotere bereidheid aangifte te doen en te getuigen.

Deze belangrijke te boeken resultaten legitimeren een verdere versterking van de positie en aandacht voor het slachtoffer. Een belangrijk onderdeel van deze versterking is een goede afstemming van de diverse activiteiten op het terrein van slachtofferzorg.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 3.2       
        
uitgaven10 62621 89217 21017 17717 20617 21417 216
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen10 94121 89217 21017 17717 20617 21417 216

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 3.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 17 210 17 177 17 206 17 214 17 216
waarvan:          
- personeel en materieel 4 182 4 174 4 181 4 183 4 183
- beleid 13 028 13 003 13 025 13 031 13 033
waarvan:          
a. juridisch verplicht95,2%12 40395,3%12 39295,3%12 41395,3%12 41995,3%12 420
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden4,8%6254,7%6114,7%6124,7%6124,7%613
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%13 028100,0%13 003100,0%13 025100,0%13 031100,0%13 033

Operationele doelstelling 3.2.4

Zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten vanaf het eerste contact met de politie en de afhandeling van de strafzaak door het Openbaar Ministerie en de rechter tot en met de fase van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf steeds met zorg worden behandeld.

Het tijdig en goed aanbieden van informatie en hulp van emotionele en praktische aard zijn belangrijk voor het herstel van vertrouwen bij slachtoffers. Het slachtofferbeleid is er op gericht dat gedurende alle fases, van politie, Openbaar Ministerie en rechter, tot en met de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (vooralsnog alleen bij zedendelicten) slachtoffers worden geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Daarnaast krijgen de slachtoffers informatie over hun rechten en plichten en krijgen slachtoffers van een ernstig geweldsmisdrijf een financiële tegemoetkoming.

In het kader van de Wet «Terwee» krijgen slachtoffers hulp bij het verhaal van de schade. Ongeveer een derde van alle slachtoffers die een beroep deed op Bureau Slachtofferhulp (BSH) heeft hulp gekregen bij het verhaal van de schade; 74% van deze slachtoffers was tevreden tot zeer tevreden over de geboden hulp (evaluatie van de regelgeving Slachtofferzorg B&A maart 2001).

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.2.4       
        
uitgaven10 62621 89217 21017 17717 20617 21417 216
programma-uitgaven10 37921 38416 90416 90816 93616 94416 946
waarvan:       
– bijdragen10 37921 38416 90416 90816 93616 94416 946
apparaatsuitgaven247508306269270270270
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen10 94121 89217 21017 17717 20617 21417 216

Instrumenten

Het slachtofferbeleid is gericht op het informeren van slachtoffers door de politie en het OM over het verloop van hun zaak. Daarnaast wordt door het ministerie van Justitie subsidie verleent aan Slachtofferhulp Nederland (SHN) en aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM). SHN draagt zorg voor de eerste praktische en emotionele ondersteuning aan slachtoffers van delicten en verkeersongevallen. Jaarlijks worden circa 100 000 slachtoffers door hen geholpen. Bij het SGM kunnen slachtoffers met ernstig letsel ten gevolge van een geweldsmisdrijf een tegemoetkoming in de schade aanvragen. De afgelopen jaren is het aantal aanvragen gestaag gegroeid tot naar verwachting 4 500 in 2002. Vanaf 2002 is er dan ook € 2,5 miljoen extra beschikbaar gesteld om deze groei te kunnen opvangen.

Prestatiegegevens

De komende jaren wordt nog voornamelijk op basis van genoemde volumegegevens gemeten in hoeverre de minister van Justitie erin slaagt de doelstellingen te realiseren. In de groeiparagraaf wordt aangegeven over welke prestatiegegevens de minister in de toekomst wil beschikken die beter meten of de geboden hulp tijdig is geboden en van voldoende kwaliteit is.

 200120022003
Aantal geholpen slachtoffers SHN96 200100 000100 000
Aantal beslissingen SGM3 5804 5004 500

Evaluatieonderzoek

Op 3 mei 2001 is het rapport «Evaluatie van de regelgeving slachtofferzorg» aan de Tweede Kamer aangeboden. Eveneens in 2001 is de eindevaluatie slachtofferzorg in de brief van 29 juni (TK, 27 213, nr 2) aan de Tweede Kamer aangeboden.

Uit evaluatieonderzoek komt naar voren dat het merendeel van de slachtoffers tevreden is over de informatieverstrekking en de bejegening door politie, het BSH en het OM (evaluatie van de regelgeving Slachtofferzorg B&A maart 2001). Door het herhalen van dergelijke metingen kan worden vastgesteld welke vooruitgang de betrokken organisaties boeken in hun omgang met slachtoffers van misdrijven.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

In 2004 wil de minister van Justitie kunnen beschikken over goede en betrouwbare prestatiegegevens waaruit de tevredenheid van de slachtoffers over de verleende diensten blijkt. Hiertoe zal, nu de reorganisatie van SHN is voltooid en de nieuwe infrastructuur is geïmplementeerd, de nadruk worden gelegd op de verdere ontwikkeling van goede en betrouwbare prestatiegegevens.

Periodiek uit te voeren onderzoek onder een representatieve steekproef van slachtoffers moet antwoord geven op de vraag of het vertrouwen in de samenleving en het gevoel van veiligheid en rechtvaardigheid inderdaad door deze dienstverlening zijn hersteld.

Daarnaast zal vanaf 2004 uit de basisadministratie van SHN en SGM beleidsinformatie over de tijdigheid en de kwaliteit worden verzameld. Hierbij zal indien nodig gebruik worden gemaakt van steekproefonderzoek. Ook de resultaten van de zelfevaluaties van politie, OM, SHN en SGM zullen betrokken worden bij de vaststelling van de geleverde kwaliteit.

Het OM is in 2001 begonnen met een onderzoek naar de betrouwbaarheid van kengetallen en prestatiegegevens over de bejegening van slachtoffers door de parketten. In 2002 wordt geëxperimenteerd met nieuwe prestatiegegevens, die met ingang van 2003 gehanteerd moeten gaan worden (zie ook operationele doelstelling 3.3.1).

Beleidsartikel 3.3 Rechtshandhaving

Justitie staat voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Een belangrijk element van die veiligheid is dat wetten worden nageleefd, zoals de meeste burgers doorgaans doen. Justitie bevestigt hen daarin door op wetsovertredingen te reageren met het opsporen van de overtreders en het sanctioneren van de overtredingen.

Beleidsdoelstelling 3.3

Bijdragen aan de handhaving van wet- en regelgeving ten behoeve van een veilige Nederlandse samenleving.

Veiligheid staat centraal in het Justitiebeleid. Daartoe dient Justitie, in samenwerking met haar partners, de veiligheid van de burger centraal te zetten op de agenda en te houden. De ambitieuze doelstellingen die Justitie daarbij voor ogen heeft, zijn dat Nederland na het verstrijken van de komende regeerperiode – ook objectief meetbaar – veiliger zal zijn, en dat de handhavingsinspanningen van de overheid zich na deze periode op een adequaat niveau bevinden. Dit vereist een forse inspanning op alle fronten; zowel van de direct bij veiligheid betrokken overheidsorganen als van andere bestuurlijke overheden, de burgers en het bedrijfsleven.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 3.3       
        
uitgaven428 989636 354634 398628 892592 810584 205585 711
        
ontvangsten72 45158 83062 02062 02062 02062 02062 020
        
verplichtingen426 605636 354634 398628 892592 810584 205585 711

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 3.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 634 398 628 892 592 810 584 205 585 711
waarvan:          
- personeel en materieel 406 111 424 803 416 851 417 330 418 655
- beleid 228 287 204 089 175 959 166 875 167 056
waarvan:          
a. juridisch verplicht56,8%129 61158,0%118 37368,7%120 80366,9%111 56966,9%111 738
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden41,2%94 12740,1%81 79528,5%50 11329,5%49 21629,5%49 227
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)2,0%4 5491,9%3 9212,9%5 0433,6%6 0913,6%6 091
           
Totaal uitgaven beleid100,0%228 287100,0%204 089100,0%175 959100,0%166 875100,0%167 056

Operationele doelstelling 3.3.1

Het verzorgen van een tijdige en adequate strafrechtelijke reactie op daders van strafbare feiten, rekening houdend met de slachtoffers van die feiten.

Het Openbaar Ministerie (OM) is belast met de uitvoering van een tijdige en adequate strafrechtelijke reactie op daders van strafbare feiten, rekening houdend met de slachtoffers van die feiten. Het OM streeft ernaar een behoorlijk niveau van strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde te leveren. Het OM is hieraan gehouden jegens de samenleving, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Op grond van haar wettelijke taak heeft het OM enerzijds een opdracht tot actieve handhaving vanuit een oriëntatie op het recht, maar geldt tegelijk een beperking tot de strafrechtelijke invalshoek.

Teneinde een behoorlijk niveau van strafrechtelijke handhaving te bereiken worden de prestaties van het OM genormeerd op grond van een concrete set prestatie-indicatoren. Deze prestatie-indicatoren moeten richting geven aan de werkzaamheden van het OM in het kader van haar handhavingsverplichting. Er zal daarbij nadrukkelijk gekeken worden naar de kwaliteit van de handhaving (in termen van zekerheid, snelheid en een passende sanctie), welke valt op te maken uit de mate van selectiviteit waarmee de strafrechtelijke reactie van het OM zich concentreert op de meest kwetsbare maatschappelijke belangen. Hierbij zullen ook aspecten als juridische kwaliteit en doelmatigheid van belang zijn.

Het totale budget van het OM wordt ingezet om de hierboven genoemde doelstelling te bereiken. Het OM is integraal ondergebracht onder één operationele doelstelling.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.3.1       
        
uitgaven288 397405 052407 954414 473405 307400 620402 047
programma-uitgaven288 397405 052407 954414 473405 307400 620402 047
apparaatsuitgaven0000000
        
ontvangsten12 7819 7829 7829 7829 7829  7829 782
        
verplichtingen285 586405 052407 954414 47 3405 307400 620402 047

Instrumenten

Op dit moment wordt een set prestatie-indicatoren ontwikkeld om het bereiken van de operationele doelstelling te kunnen monitoren (zie ook de groeiparagraaf). Nu reeds wordt met prestatiegegevens gewerkt, die gericht zijn op de in- en uitstroom van het primaire proces.

Prestatiegegevens

Vooruitlopend op de te ontwikkelen set prestatiegegevens (welke in de komende jaren concreet zal worden toegepast) wordt een overzicht met «klassieke» prestatiegegevens gegeven.

Overzicht instroom en uitstroom zaken Openbaar Ministerie

 realisatierealisatiebegrotingprognosebegroting
 20002001200220022003
Instroom     
Ressortparket13 80012 80017 20015 70017 300
– rechtbankappelen13 30012 10013 50013 00013 500
– kantongerechtsappelen003 00020003 000
– administratief recht500700700700800
Arrondissementsparket684 800705 400700 000712000741 000
– rechtbankzaken238 600237 100240 000242000246 000
– in eerste aanleg234 200233 100240 000240 000245 000
– minderjarigen27 40027 80027 50027 80027 800
– geweld tegen personen34 90037 20037 50039 00040 000
– kantongerechtsappelen4 4004 000020001 000
– kantonzaken188 700176 500160 000170 000175 000
– kantonzaken administratief recht257 500291 800300 000300 000320 000
Totaal698 600718 200717 200727 700758 300
      
Uitstroom     
Ressortparket12 80012 30017 10014 20017 300
– rechtbankappelen12 60011 70013 5001200013 500
– kantongerechtsappelen003 0001 5003 000
– administratief recht200600600700800
Arrondissementsparket721 300713 800703 000737 300741 000
– rechtbankzaken244 800250 100243 000253 100246 000
– in eerste aanleg240 300245 600240 000250 100245 000
% onvoorwaardelijk sepot13%12%10%10%10%
% dagvaarden55%55%57%56%58%
Dagvaarden133 500138 400138 000141 900143 000
Meervoudige Kamer13 50014 30015 00014 90014 000
Politierechter110 000114 000112000116 000118 000
Kantonrechter10 00010 10011 00011 00011 000
– kantongerechtsappellen4 5004 5003 0003 0001 000
– kantonzaken215 500187 600160 000184 200175 000
– administratief recht261 000276 100300 000300 000320 000
Totaal734 100726 100720 100751 500758 300
      
Doorlooptijden     
%<10 wkn op zitting na 1e24%23%25%18%25%
%<2 mnd 1e beoordeling71%74%80%75%80%
Doorloopsnelheid < 6 mnd (jeugd)46%48%50%55%70%

Toelichting Ressortparketten

De instroom van rechtbankappelen bij de ressortparketten schommelt jaarlijks. In 2001 is een afname te zien, maar in 2002 zal zich weer een stijging voordoen. De verwachte toename van zaken is voornamelijk het gevolg van de uitvoering van het plan van aanpak drugssmokkel Schiphol. De zaken blijken in zijn algemeenheid ingewikkelder en bewerkelijker te worden. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een groter aantal beroepen in meervoudige kamer- en kinderrechterzaken.

Per 1 januari 2002 worden de kantongerechtsappelen niet meer behandeld door de rechtbanken, maar door de gerechtshoven. Ondanks de verhoging van de appelgrens van € 22,69 naar € 44,38, die het aantal kantongerechtsappelen met ongeveer 15 procent vermindert, krijgen de ressortparketten 20 tot 40 procent meer zaken te verwerken. In absolute aantallen betreft het ongeveer 3 000 zaken, welke nu niet meer verdeeld worden over 19 arrondissementsparketten, maar over 5 ressortparketten.

Het aantal hoger beroepen in Mulderzaken komt hoger uit dan het aantal van 500 waarvan in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel werd uitgegaan. Zowel de realisatie van 2001 als de prognose voor 2002 komenuit op 700 zaken. De nog steeds toenemende intensivering van het verkeerstoezicht zal het aantal zaken naar verwachting verder doen toenemen.

Arrondissementsparketten

De instroom van rechtbankzaken in eerste aanleg (misdrijven en economische delicten) is de afgelopen jaren gedaald tot 233 100 in 2001. Voor het jaar 2003 wordt evenals voor 2002 een toename verwacht. Deze toename is toe te schrijven aan een hernieuwde stijging van de vermogenscriminaliteit, het intensiveren van de activiteiten gericht op veiligheid in de samenleving, vergroten van de aandacht voor jeugd en geweld, het bundelen van expertise op het gebied van Fraude, Economie en Milieu in een speciaal hiertoe opgericht OM-onderdeel te weten het Functioneel OM (FOM), de verdere intensivering van het beleid met betrekking tot mensensmokkel en -handel, XTC, identiteitsfraude, de aanpak drugssmokkel via Schiphol en de extra zaken die DNA-onderzoek met zich meebrengt.

De voortdurende aandacht bij de parketten voor kwaliteit en vervolgbaarheid leidt tot een zwaarder gewicht van de te behandelen zaken. Dit uit zich onder andere in de zowel relatieve als absolute toename van het aantal zaken dat voor de rechter wordt gebracht, waardoor de druk op de zittingscapaciteit onverminderd hoog blijft. De verruiming van de bevoegdheid van de politierechter met betrekking tot de hoogte van de strafmaat van 6 naar 12 maanden zorgt voor een afnemende druk op de meervoudige kamer maar een evident toenemende druk op de Politierechter.

De snelheid van afdoening heeft grote prioriteit. Er wordt naar gestreefd een fors deel, mogelijk 25%, van de strafzaken binnen 10 weken nadat het proces-verbaal tegen de verdachte is opgemaakt op de zitting te brengen. De doorloopsnelheid van zaken tegen minderjarige verdachten blijft een punt van grote zorg, waarin ook in 2003 nog fors zal worden geïnvesteerd. Niet alleen voor minderjarigen, maar ook voor meerderjarigen zijn projecten opgezet om te onderzoeken of en hoe de doorloopsnelheid verder kan worden opgevoerd. Samen met de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) worden plannen ontwikkeld om dit structureel ter hand te nemen.

De instroom van kantonzaken is gedaald tot 176 500 in 2001. In het jaar 2003 wordt deze trend doorbroken en zal het aantal zaken naar verwachting met 5 000 toenemen tot 175 000. Het zogenaamde «Transactie Registratie Innings- en informatie Afhandelingssysteem (TRIAS)-effect» – de verdachte wordt namens het OM door het CJIB een transactieaanbod gedaan, waardoor de parketten een lagere instroom krijgen – is in 2003 gestabiliseerd. De toename van het aantal kantonzaken is vooral het gevolg van het bevorderen van de veiligheid op straat.

De verdere intensivering van het verkeerstoezicht, vooral in de vorm van regioplannen, leidt tot een grote toename van het aantal beschikkingen inzake de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV; Mulderzaken) en bij de zwaardere overtredingen, leidt dit dus ook tot meer kantonzaken. De toename van het aantal beschikkingen heeft tot gevolg dat ook het aantal administratieve beroepen tegen de opgelegde beschikkingen verder stijgt. Het aantal beroepen is gestegen tot 291 800 in 2001. Voor het jaar 2003 wordt verwacht dat rond de 320 000 beroepen zullen worden geregistreerd.

Beleidsevaluatieonderzoek

De volgende beleidsevaluaties zijn uitgevoerd in 1999:

• Zware milieucriminaliteit;

• Lex Mulder in uitvoering;

De volgende beleidsevaluaties zijn uitgevoerd in 2000:

• Evaluatie lik op stukbeleid milieu;

• Evaluatie snelrechtexperimenten voor minderjarigen;

• Handhavingsstrategie milieu;

• Het rendement van strafrechtelijk onderzoek;

• Gebruik Wet Economische Delicten (WED)-instrumentarium;

• Evaluatie van het instrument bestuurlijke transactie;

• Interferentie tussen ontnemingsvordering en Terwee-afdoening/beledigde partijstelling;

• Versnellingsmogelijkheden bij de zaaksafhandeling in de strafrechtsketen;

• Procesevaluatie lik-op-stukbeleid.

De volgende beleidsevaluaties zijn uitgevoerd in 2001:

• Evaluatie lik op stukbeleid milieu;

• Evaluatie snelrechtexperimenten voor minderjarigen;

• Handhavingsstrategie milieu;

• Het rendement van strafrechtelijk onderzoek;

• Gebruik WED-instrumentarium;

• Evaluatie van het instrument bestuurlijke transactie;

• Interferentie tussen ontnemingsvordering en Terwee-afdoening/beledigde partijstelling;

• Versnellingsmogelijkheden bij de zaaksafhandeling in de strafrechtsketen.

Groeiparagraaf

Op dit moment wordt een set prestatie-indicatoren ontwikkeld om het bereiken van de operationele doelstelling te kunnen monitoren. Nu wordt met volumegegevens gewerkt, die gericht zijn op de in- en uitstroom van het primaire proces. In deze paragraaf zullen de beoogde prestatie-indicatoren globaal in hun opzet worden beschreven.

• Selectiviteit is de indicator die aanduidt of het samenstel van zaken dat een parket binnenkrijgt naar aard en omvang een (voldoende) afspiegeling is van de op het criminaliteitsbeeld gebaseerde interventiestrategie (prioriteitstelling);

• Interventiepercentage is de indicator die aangeeft in hoeveel zaken die het OM binnenkrijgt sanctionering in de zin van een strafrechtelijke reactie, plaatsvindt. De norm bepaalt de gewenste zekerheid van sanctionering;

• Doorlooptijd is een indicator voor de snelheid waarmee wordt geïntervenieerd. De theorie is dat hoe sneller de justitiële reactie volgt op het plegen van een delict, des te beter het is met het oog op vergelding, generale en specifieke preventie. In de totale doorlooptijd van pleegdatum tot en met de executie van de straf kan onderscheid worden gemaakt naar deeltrajecten. Hierin komen de specifieke prestaties van het OM tot uitdrukking, alsmede de mate waarin het OM erin slaagt invloed uit te oefenen op de prestatie van de politie en de Zittende Magistratuur (ZM);

• Passendheid van de interventie is een indicator die aangeeft in hoeverre de afdoeningsbeslissing van het OM (of de eis ter zitting) overeenkomt met de daartoe gestelde richtlijn;

• Kwaliteit van de slachtofferzorg is een indicator die ontwikkeld wordt voor de zekerheid van de slachtofferzorg, de snelheid waarmee de slachtofferzorg wordt verleend en voor de tevredenheid van de slachtoffers;

• Doelmatigheid kan een indicator zijn die de geleverde prestaties en producten naar kwaliteit en kwantiteit relateert aan de kosten daarvan en onderlinge vergelijking mogelijk maakt. Bij de ontwikkeling van het baten-lastenstelsel zal hier uitgebreid aandacht aan worden besteed;

• «Juridische kwaliteit» is een indicator die zich breed laat omschrijven:

– ten aanzien van processen: borging van juridische kwaliteit in de processen is noodzakelijk;

– ten aanzien van vakinhoud: nieuwe medewerkers moeten nadrukkelijk worden begeleid in de ontwikkeling van hun vakmanschap;

– ten aanzien van houding: in de organisatie moet het najagen van juridische kwaliteit een grondhouding zijn waarin voor vrijblijvendheid geen plaats is.

Om deze aspecten te borgen, wordt een systeem van juridische kwaliteitszorg ontwikkeld. Hierin gaat het onder andere om opleiding en certificering, coaching, intervisie en auditing. Het nut van kwantitatieve indicatoren lijkt vooralsnog beperkt.

Tijdpad

Het ontwikkelen van specifieke, meetbare, acceptabele, representatieve en tijdige (SMART-)indicatoren voor «selectiviteit» en «passendheid van de interventie» blijkt een lastige opgave. Wat betreft selectiviteit geldt dat de materie te complex lijkt om deze uit te drukken in één indicator. Gewerkt wordt aan de ontwikkeling van een methode om «de goede zaken» binnen te halen (in deze methode krijgen kwantitatieve gegevens uiteraard een nadrukkelijke plaats). Wat betreft de passendheid van sanctionering speelt een rol dat de toepassing van deze indicator softwarematig nog onvoldoende wordt ondersteund.

«Doelmatigheid» wordt uitgewerkt in het kader van de ontwikkeling van een baten-lastenstelsel. Vooralsnog wordt gewerkt aan een kengetal, waarin de gewogen werklast wordt gerelateerd aan het personeelsgebonden budget. Op basis hiervan vindt onderlinge vergelijking van (maat)parketten plaats en wordt gezocht naar een verklaring voor verschillen.

De indicatoren «interventiepercentage», «doorlooptijden» en «kwaliteit slachtofferzorg» zijn voldoende concreet uitgewerkt om op te nemen in de planningsbrief voor 2003. Voor de andere genoemde indicatoren wordt gezocht naar een concrete tussenstap ten behoeve van de planningsbrief.

In beginsel is de introductie van de volledige set prestatie-indicatoren gekoppeld aan de implementatie van het baten-lastenstelsel. Dat betekent dat vanaf 1 januari 2005 gewerkt kan worden met alle bovengenoemde indicatoren. Dat neemt niet weg dat een aantal indicatoren nu reeds in de planningsbrief wordt opgenomen. In verband met de verantwoordingsplicht van het OM aan haar moederdepartement, zullen de klassieke productiecijfers gedurende het ontwikkeltraject gewoon onderdeel blijven uitmaken van de Planning- en Control (P&C)-cyclus. Derhalve zal immer verantwoording kunnen worden afgelegd over de prestaties in het bedrijfsproces.

Operationele doelstelling 3.3.2

Het adequaat uitvoering geven aan de taken van het ministerie van Justitie bij de opsporing van strafbare feiten en bewerkstelligen dat ZM, OM, politie en overige opsporingsinstanties tijdig kunnen beschikken over kwalitatief goede onderzoeksresultaten ten behoeve van de waarheidsvinding.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) en het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) zijn de organisaties waarvan Justitie zich bedient om de opsporing van strafbare feiten met technische ondersteuning op hoog niveau te ondersteunen en te bewerkstelligen dat ZM, OM, politie en overige opsporingsinstanties tijdig kunnen beschikken over kwalitatief goede onderzoeksresultaten ten behoeve van de waarheidsvinding.

NFI

Het NFI zal in 2003 zo optimaal mogelijk gebruik kunnen maken van de verruimingsmogelijkheden die de Wet uitbreiding DNA-onderzoek (wet van 1 november 2001) biedt om met behulp van DNA-onderzoek strafbare feiten en in het bijzonder ook middelzware criminaliteit (woninginbraken e.d.) op te helderen.

Het ligt overigens in de verwachting dat het aantal DNA-onderzoeken zal blijven stijgen als gevolg van de mogelijkheden van genoemde wet, de uitvoering van de motie Dittrich c.s. om op basis van vrijwillige medewerking DNA-onderzoek bij TBS-gestelden te verrichten en als gevolg van het wetsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden. Naar verwachting zal als gevolg van het wetsvoorstel uitbreiding DNA onderzoek in strafzaken binnen de komende jaren het aantal DNA-analyses van sporenmateriaal en van verdachte personen toenemen van circa 1 000 in 2001 naar circa 20 000 à 26 0000 zaken in 2004 en verder.

CIOT

Het CIOT treedt op als intermediair bij de gegevensuitwisseling tussen de opsporings- en inlichtingendiensten en aanbieders van telecommunicatie. Het CIOT zal in 2003 de gegevensuitwisseling kwalitatief trachten te versterken om de betrokken organisaties meer profijt van elkaars kennis te kunnen laten hebben.

MOT

Het MOT zal in 2003 op de eerste plaats de expertise en capaciteit uitbouwen welke benodigd zijn voor de uitbreiding van de meldplicht tot handelaren in zaken van grote waarde en de vrije beroepsgroepen. De budgettaire kaders voor deze uitbreiding zijn neergelegd in de Nota Financiële sector en terrorismebestrijding (TK, 28 106, nr. 1–2).

Integriteit

Justitie verzorgt een adequate waarborging van de integriteit van bijzondere wetten, besluiten en regelingen in de rechtshandhavingsketen. Hiertoe worden stappen ondernomen om te komen tot beheersing van het legale bezit van wapens en munitie door de voorwaarden waaronder vergunningen worden verleend aan te scherpen en wordt het toezicht geoptimaliseerd. Daarnaast wordt een bestand met recherchebureaus gemaakt waarbij de bureaus dienen te voldoen aan eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid. Tot slot wordt de kwaliteit en omvang van de opsporingsbevoegdheid van buitengewoon opsporingsambtenaren gewaarborgd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.3.2       
        
uitgaven43 31247 75749 49159 48550 05349 97049 974
programma-uitgaven42 99747 41049 14559 13649 70449 62149 625
apparaatsuitgaven315347346349349349349
        
ontvangsten0535353535353
        
verplichtingen42 87947 75749 49159 48550 05349 97049 974

Instrumenten

De verdere implementatie van de wet uitbreiding DNA-onderzoek wordt ter hand genomen via het daarvoor in het leven geroepen landelijk project.

Daarnaast wordt met het wetsvoorstel «DNA en uiterlijk waarneembare persoonskenmerken» een ander type DNA-onderzoek geïntroduceerd, te weten onderzoek dat gericht is op het vaststellen van de uiterlijke persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Op dit moment staat het Wetboek van Strafvordering slechts toe dat een DNA-onderzoek aan afgenomen en gevonden celmateriaal uitsluitend gericht mag zijn op het vergelijken van DNA-profielen.

In 2003 zal een projectorganisatie in het leven worden geroepen om de ontwikkeling van het CIOT op permanente wijze te waarborgen. Het CIOT-systeem zal verder kwalitatief worden uitgebouwd.

Door intensivering van de samenwerking met het Bureau Landelijke Ondersteuning inzake MOT-meldingen (BLOM) en het aanleveren van kwalitatief hoogstaande meldingen, onder andere door permanent contact met de meldende instanties middels de MOT Intelligentie-Unit, zal het MOT bijdragen aan een verhoging van de resultaten in de opsporing. Ten behoeve van de verwerking van internationale verzoeken zal de Financiële Intelligentie Unit (FIU)-desk waarin samen wordt gewerkt met het BLOM, verder worden versterkt. Tenslotte zal de ontwikkeling van het FIU.net, het netwerk voor geautomatiseerde gegevensuitwisseling tussen de meldpunten in de EU-lidstaten, actief worden ondersteund.

Justitie geeft uitvoering aan een viertal wetten en besluiten met betrekking tot integriteit: de Wet Wapens en Munitie (WWM) en de Jachtwet ten behoeve van de beheersing van het legale bezit van wapens en munitie, de Wet op de particuliere beveiliging en recherchebureaus ten behoeve van de toetsing op bekwaamheid en betrouwbaarheid, en het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) voor de verlening van opsporingsbevoegdheid.

Prestatiegegevens

 2001200220032004
NFI *    
Aantal producten: onderzoeksaanvragen16 07926 000
Geleverde producten per kerntaak:    
forensisch onderzoek, R&D en Kennis en expertise  81 20081 200
Kostprijs per product1 4431 065402402
Gemiddelde doorlooptijd (in dagen)6865
     
Particuliere recherchebureaus    
Aantal verzoeken recherchebureaus160160160160
Percentage toewijzingen verzoek Recherchebureaus95959595
Aantal verzoeken ontheffing opleidingseis10101010
Percentage toewijzingen verzoek ontheffing opleidingseis95959595
     
Buitengewone opsporingsambtenaren    
Aantal verzoeken BOA **5 5007 0007 0007 000
Percentage toewijzingen verzoek BOA98%98%98%98%
     
Wet Wapens en Munitie/Jachtwet    
Aantal administratieve beroepen100959595
Percentage toewijzingen    
Administratieve beroepen30%30%30%30%
Aantal verzoeken om ontheffing80808080
Percentage toewijzingen ontheffing95%95%95%95%

* Op 1 januari 2003 gaat het NFI materieel over naar de systematiek en werkwijze zoals is ontwikkeld voor het baten-lastenstelsel. Vanaf dat moment zal verantwoording worden afgelegd over de afgesproken baten-lastendienstproducten en niet langer over het aantal onderzoeksaanvragen en/of laboratoriumonderzoeken. De normen voor de prestatie-indicatoren «kostprijs» en «gerealiseerde aanvragen» worden in de loop van 2002 ontwikkeld en zijn nu nog niet bekend.

** Als de Wet Bijzondere opsporingsdiensten in werking zal treden dan vallen de opsporingsambtenaren in dienst bij de AID, FIOD-ECD, SIOD en VROM-IOD niet meer onder de regeling BOA en zal het aantal verzoeken BOA dalen met 440 aanvragen per jaar.

Evaluatieonderzoek

In opdracht van Justitie wordt thans een nulmeting uitgevoerd door onderzoekers van de Rijksuniversiteit Leiden (RUL) om inzicht te geven in de rol en effectiviteit van DNA-onderzoek en de werkprocessen rond DNA-onderzoek in de strafrechtsketen gezien de nieuwe wet van 1 november 2001. Met behulp van de indicatoren die in de nulmeting worden benoemd, wordt in 2004 een vervolgmeting uitgevoerd.

Het voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zal ertoe leiden dat het aantal DNA-profielen in de DNA-databank nog sterker zal toenemen. Mocht dit wetsvoorstel op 1 januari 2004 in werking treden, dan zullen naar schatting in 2004 ongeveer 11 000 DNA-profielen van personen worden opgenomen die na 1 januari 2004 worden veroordeeld voor een in die wet aangewezen gewelds- of zedenmisdrijf. De verwachting is dat het aantal veroordeelden in 2005 8 000 zal zijn, in 2006 7 000 en in 2007 en volgende jaren 6 000. Bij deze schatting is uitgegaan van het aantal veroordeelden in 2000. In deze schatting is er verder van uitgegaan dat het aantal veroordeelden van wie in het kader van het voorbereidend onderzoek al celmateriaal voor DNA-onderzoek is afgenomen, in de loop van de jaren zal groeien als gevolg van de verruiming van de mogelijkheden tot het afnemen van celmateriaal bij verdachten die wet van 5 juli 2001 (TK, 28 072, nrs. 1 t/m 3) biedt. Verder is in de schatting het aantal veroordeelden verdisconteerd dat opnieuw in aanraking komt met justitie. Van degenen van wie reeds een DNA-profiel is verwerkt, behoeft ingevolge het voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden niet nog eens een DNA-profiel te worden vastgesteld. Verder zal het wetsvoorstel tot gevolg hebben dat in 2004 eenmalig 5 550 DNA-profielen in de DNA-databank worden opgenomen van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dat wetsvoorstel reeds zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel voor een aangewezen gewelds- of zedendelict en deze sanctie ondergaan of nog moeten ondergaan. Deze schatting is gebaseerd op de raming van de dagbezetting over het jaar 2000 in penitentiaire inrichtingen, tbs-klinieken en justitiële jeugdinrichtingen voor de aangewezen gewelds- en zedenmisdrijven. De hierboven genoemde cijfers laten zien dat de DNA-databank nog dit decennium in een fors tempo zal worden gevuld.

Indien daarvoor toereikende informatie beschikbaar is, zal een jaar na de inwerkingtreding van de wet DNA-veroordeelden een evaluatie plaatsvinden van de aantallen veroordeelden waarvan bij de berekening is uitgegaan, evenals van de kosten die aan de DNA-onderzoeken zijn verbonden.

Via periodieke enquêtes zal evaluatieonderzoek plaatsvinden naar de mate van bruikbaarheid van het uitgevoerde onderzoek ten behoeve van de strafrechtsketen. Omdat de systematiek hiervoor nog ontwikkeld moet worden wordt deze indicator daarom vooralsnog opgenomen in de groeiparagraaf.

De Wet op de particuliere beveiliging en recherchebureaus is in 2002 en 2003 onderwerp van evaluatie. Het BBO zal in 2003 nog nader te ontwikkelen maatregelen implementeren van de evaluatie uit 2002.

De Jachtwet is in 2002 overgegaan in de Flora en Faunawet. Hiervoor dienen nog evaluatieafspraken gemaakt te worden.

Groeiparagraaf

Een tweetal ontwikkelingen is in het bijzonder van belang bij de verdere uitwerking van de prestatiegegevens en -indicatoren behorend bij de operationele doelstelling.

Allereerst is door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) onderzoek gedaan, aan de hand waarvan thans een nulmeting naar DNA-onderzoek in strafzaken wordt verricht. Het rapport dat in het najaar van 2002 uitkomt, levert naar verwachting belangrijke indicatoren aan de hand waarvan het effect van de nieuwe wetgeving voor DNA-onderzoek in strafzaken kan worden gemeten. In 2004 zal een vervolgonderzoek worden uitgevoerd.

Ten tweede is de omvorming van het NFI per 1 januari 2004 tot een baten-lastendienst van belang. Door de afkondiging van het moratorium op instelling van nieuwe baten-lastendiensten is de formele overgang naar een baten-lastendienst uitgesteld tot 1 januari 2004. Ter voorbereiding op de formele overgang wordt 2003 gezien als een proefdraai-jaar. Vanaf 1 januari 2003 zal daarom verantwoording worden afgelegd over de afgesproken baten-lastendienstproducten gerubriceerd naar de kerntaken forensisch onderzoek, Research & Development (R&D), en kennis en expertise, en niet meer over het aantal onderzoeksaanvragen en/of laboratoriumonderzoeken. De normen voor de prestatie-indicatoren «kostprijs» en «gerealiseerde aanvragen» worden in de loop van 2002 ontwikkeld; de kostprijs per product is voorlopig een gemiddelde rekenprijs ad € 402 en zal in het voor 2003 af te sluiten convenant tussen het NFI en de opdrachtgever worden opgenomen. De gemiddelde doorlooptijd vervalt vanaf 2003. De norm voor het percentage van het aantal aanvragen dat daadwerkelijk binnen de afgesproken tijd geleverd zal worden moet nog met de opdrachtgever worden afgesproken en zal in het voor 2003 af te sluiten convenant worden opgenomen.

De systematiek voor het meten van de «bruikbaarheid van het uitgevoerde onderzoek» ten behoeve van de strafrechtketen (via periodieke enquêtes) zal in 2003 ontwikkeld worden.

Voor het CIOT en het meldpunt MOT zullen de resultaten liggen in de wijze waarop derden met deze systemen omgaan. Het streven is dat in 2003 alle opsporingsinstanties gebruik maken van het CIOT als intermediaire instantie bij de gegevensuitwisseling tussen opsporingsinstantie en aanbieders van telecommunicatie. Het meldpunt MOT zal in 2003 werken aan een prestatie-indicator die gebaseerd wordt op een kwalitatief betere melding. Beoogd wordt om door herformulering van de criteria voor de bepaling dat tot melding moet worden overgegaan het aantal ongebruikelijke transacties die daadwerkelijk tot meer verdachte transacties leiden, te laten groeien.

Operationele doelstelling 3.3.3

Kwalitatief goede beleids- en uitvoeringskaders ten behoeve van opsporing van strafbaar gedrag dienen de bevordering van de naleving van het recht en het nemen van initiatieven op het terrein van ordenings- en strafrecht ter bevordering van de naleving van wet- en regelgeving te vergroten.

Opsporing van strafbare feiten en de naleving van wetten behoeven altijd een actieve stimulans. Het ministerie van Justitie heeft daarin de taak om het uitvoerende instanties mogelijk te maken hun werk wettelijk verankerd, doelmatig en doeltreffend uit te voeren. Daarvoor worden wetten gemaakt, uitvoeringskaders ontwikkeld en naleving bevorderd. Deze doelstellingen zijn op de onderstaande wijze voor het komende begrotingsjaar nader ingevuld.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.3.3       
        
uitgaven86 817167 596163 844141 765112 299113 123113 129
programma-uitgaven83 087160 396157 321135 116105 755106 573106 579
waarvan:       
– subsidies9981 9271 5191 4741 6231 2901 290
apparaatsuitgaven3 7307 2006 5236 6496 5446 5506 550
        
ontvangsten59 67048 99552 18552 18552 18552 18552 185
        
verplichtingen87 690167 596163 844141 765112 299113 123113 129

Instrumenten

Schiphol

Op Schiphol is een onduldbare situatie ontstaan met betrekking tot de controle en opsporing van drugskoeriers. De gestaag toenemende stroom (w.o. drugskoeriers) heeft er toe geleid dat de grens in de verwerking van de zaken in de strafrechtelijke keten is bereikt. De gang van zaken rondom een aantal drugstransporten in december 2001 is een belangrijke stimulans geweest om het Plan van Aanpak drugssmokkel Schiphol op te stellen (TK, 28 192). De maatregelen die hierin zijn opgenomen, betreffen deels een versnelling van reeds in gang gezet beleid en voor een ander deel nieuwe maatregelen, gericht op bestrijding van de ongewenste situatie op Schiphol.

Justitie zal daarbij de bestaande twee-sporenaanpak nader intensiveren waarbij:

1. in het eerste spoor extra maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de drugstransporten naar Nederland plaatsvinden. Bestrijding aan de bron begint met bestrijding van de criminele organisaties die zich wereldwijd bezig houden met de distributie van drugs, onder andere via Schiphol. Het inzicht in het achterliggende criminele netwerk is thans onvoldoende. Het is noodzakelijk te investeren in onderzoek naar dit netwerk en de ronselaars.

2. in het tweede spoor extra maatregelen worden getroffen, die er toe leiden dat aangetroffen drugs in beslag worden genomen en dat adequate justitiële interventies volgen jegens de drugskoeriers.

Concreet houdt dit in:

• Versterking Schipholteam (Douane/Koninklijke Marechaussee);

• Versterking OM;

• Versterking ZM;

• Uitbreiding celcapaciteit (voor de ministeries van Justitie en Defensie);

• Keteneffecten (medische verzorging, vervoer verdachten, tolken en rechtsbijstand).

Het effect van deze maatregelen kan worden afgemeten aan het structureel afnemen van de toestroom van drugskoeriers naar Schiphol. De Tweede Kamer wordt periodiek over de voortgang gerapporteerd.

Voor de uitvoering van het plan van aanpak is in 2003 een bedrag van € 83 miljoen beschikbaar.

Handhaven op Niveau

In de tweede helft van het jaar 2000 is het programma «Handhaven op Niveau» (HON) gestart. De invoering van het programma is in eerste aanleg gericht op de ontwikkeling van zogenaamde «best practices» met betrekking tot handhaving op een twaalftal verschillende beleidsterreinen (o.m. prostitutie, leerplicht, buitengebied). Daartoe zijn deelprojecten gestart die zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden. Deze deelprojecten zijn, conform het kabinetsstandpunt «HON» en de opdracht aan de stuurgroep, gericht op de werkvloer van de handhaving en op het niveau daar direct boven. De ontwikkeling van best practices zal in 2003 worden voortgezet.

Na de brand in Volendam heeft de stuurgroep de tweede programmalijn van het actieprogramma «HON», die van het «Programmatisch Handhaven» gestart. Dit begrip krijgt steeds meer aandacht. De activiteiten in dit kader (congressen, workshops, publicaties etc.) zullen in 2003 verder worden uitgebouwd.

Verbetering planmatige aanpak handhaving bij het Rijk

Vanuit de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie voor de kwaliteit van de rechtshandhaving is het project «Rijk aan Handhaving» gestart. Dit project beoogt de handhaving van ordeningswetgeving bij het Rijk te verbeteren door het opstellen van handhavingsplannen voor beleidsterreinen waarbij veiligheid in het geding is. Dit project loopt af in 2004. Op dat het moment zullen de volgende producten aan de Tweede Kamer voorgelegd worden:

• Een lijst van indicatoren wanneer een handhavingsplan dient te worden opgesteld;

• Een checklist met elementen waaruit een handhavingsplan dient te bestaan;

• Een procedure voor de ontwikkeling en vaststelling van een handhavingsplan;

• Een handhavingsplan per departement op een beleidsterrein waar veiligheid in het geding is.

Bestrijding racisme en discriminatie

Justitie wil dat de aandacht voor de bestrijding van racisme en discriminatie hoog blijft. Om dat doel te bereiken werkt Justitie samen met de politie, het ministerie van BZK en met de verschillende non-gouvernementele organisaties op het terrein van de racismebestrijding, waaronder het Landelijk Bureau ter bestrijding van Racisme (LBR) en het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI).

• Het LBR is een drijvende kracht achter de preventie en voorlichting op het terrein van racisme. Aan het LBR wordt dan ook in 2003 subsidie toegekend.

• Ten behoeve van de aanpak van discriminatoire uitingen via het internet ontvangt het MDI subsidie vanuit Justitie.

Door middel van een adequate strafrechtelijke reactie en door het stimuleren van activiteiten op het terrein van preventie, voorlichting en bemiddeling wil Justitie samen met het OM discriminatie en racisme terugdringen.

Verkeershandhaving

De samenwerking tussen de bestuurlijke en strafrechtelijke verkeershandhaving behoeft versterking. Daartoe worden in drie pilots, in de provincies Zeeland, Utrecht en in het Kaderwetgebied Utrecht, «best practices» ontwikkeld. De «best-practices» laten zien hoe de samenwerking tussen de bestuurlijke en de strafrechtelijke kolom op verkeersgebied verbeterd kan worden. Waar nu nog onvoldoende samen aan de verkeershandhaving wordt gedaan moeten deze pilots een voorbeeld voor het gehele land worden. De pilots starten medio 2002 en hebben een looptijd van twee jaar. De gereserveerde financiële middelen zijn bestemd voor de bekostiging van projectbegeleiding van de pilots.

Vergroting van de kwaliteit van de recherche

Ten behoeve van de verhoging van de pakkans en het ophelderingspercentage is het noodzakelijk te investeren in de kwaliteit van de opsporing. De ministeries van BZK en Justitie hebben een samenhangend pakket van maatregelen voorbereid. De Justitiële maatregelen richten zich op de kwalitatieve verbetering van het management op de plaats van het delict, uitbreiding van het NFI, het ontwikkelen van een landelijke sporendatabank, het doorontwikkelen en professionaliseren van de Cybercrime en financieel rechercheren. Tenslotte betreft dit het stimuleren van innovatieve technologische toepassingen ten behoeve van de opsporing.

Landelijke georganiseerde recherche

Op het gebied van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit is de implementatie van de nota «Landelijke en bovenregionale recherche» (TK, 28 250, nrs. 1–2) van groot belang. De in 2002 ingezette wijziging van de beheersmatige structuur van de zeven kernteams en de bovenregionale rechercheteams (BRT's), alsmede de wijziging op het gebied van de aansturing, zal in de eerste helft van 2003 worden afgerond. Dat betekent dat de landelijke driehoek aan de kernteams onderzoeken en aandachtsgebieden toewijst. Binnen de BRT's wordt ook het taakveld van de interregionale fraudeteams, bestrijding van de horizontale fraude, ondergebracht.

De landelijke driehoek zal in 2003 voor het eerst een landelijke criminaliteitsbeeldanalyse laten verschijnen. Daarmee kan beter worden bepaald welke problemen het eerst moeten worden aangepakt. De combinatie van dat landelijke beeld en de nieuwe wijze van aansturing van de landelijke opsporingscapaciteit zal leiden tot een meer gerichte en flexibeler aanpak van de zware georganiseerde criminaliteit.

Criminaliteitsbestrijding

In het Strategisch Akkoord (SA) is criminaliteitsbestrijding als één van de speerpunten opgenomen. Geconstateerd wordt dat het niveau van rechtshandhaving geen gelijke tred heeft gehouden met de ontwikkelingen in de criminaliteit en de vraag vanuit de samenleving naar veiligheid. Justitie zal op korte termijn concrete maatregelen gaan nemen.

Burgerluchtvaart

In Nederland is de minister van Justitie voor de beveiliging van de burgerluchtvaart eerstverantwoordelijk. Het gaat hier om maatregelen die de burgerluchtvaart moet beveiligen tegen terroristische aanslagen.

Thans wordt onderzocht op welke manier het toezicht op transparante wijze als een zelfstandige taak naast de beleidsvormende taak kan worden ingericht. De inspectie van het beleid van de burgerluchtvaart heeft tot doel toetsing en evaluatie van het gehele beleid ter zake, inclusief de uitvoering daarvan. Het is uitdrukkelijk de bedoeling hierover een onafhankelijk oordeel te verkrijgen. Dat oordeel kan tevens dienen als «feedback» op de beleidsvoering.

Volumegegevens

 200120022003
Bestrijding racisme en discriminatie   
    
Aantal meldingen bij MDI691750750
Aantal uitingen bij MDI1 0811 1001 100
Percentage verwijderingen op aanvraag MDI86,69090
Aantal aangiften door MDI bij OM111515

Evaluatieonderzoek

Het programma HON zal succesvol blijken te zijn geweest als de diverse beoogde best practices daadwerkelijk zijn ontstaan en een evaluatie van het onderdeel Programmatisch Handhaven het beoogde succes van dit programma zal aantonen. In 2001 is een nulmeting verricht naar de effecten van het werk van de stuurgroep HON. Deze zal ieder jaar worden herhaald, tot en met 2005.

De pilots op het terrein van de verkeershandhaving zullen eveneens na afloop worden geëvalueerd.

Groeiparagraaf

In 2003 zal Justitie prestatie-indicatoren ontwikkelen die de voortgang van de verschillende voornemens zichtbaar maken. Om de tijdigheid en effectiviteit van de justitiële reactie te bevorderen wordt de komende vijf jaar de capaciteit van de volgende organisaties uitgebreid: het OM, de Rechterlijke Macht (RM), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de reclassering, het NFI, het CJIB, de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de gefinancierde rechtsbijstand en het SGM. Daarnaast wordt ingezet op het terugbrengen van de doorlooptijden binnen de Justitieketen. Gestreefd wordt de gemiddelde doorlooptijd in strafzaken van thans gemiddeld acht maanden in een periode van vijf jaar terug te brengen naar zes maanden.

De effectiviteit van de justitiële reactie wordt voorts vergroot door een verbetering van de informatiepositie over de keten. Het kabinet streeft er in dit verband naar de informatievoorziening over onderwerpen en beleidsthema's die de keten als geheel raken te versterken. Daarnaast wordt de samenwerking van Justitieorganisaties met andere partijen, zoals politie, gemeenten en maatschappelijk organisaties, op lokaal niveau versterkt (arrondissementale samenwerking, Justitie in de Buurt/OM-front-offices, «Communities that care», Intensieve Trajectbegeleiding (ITB), etc.).

In de begroting 2004 zullen naar verwachting prestatie-indicatoren operationeel zijn voor het thema «Vergroting van de kwaliteit van de recherche».

Operationele doelstelling 3.3.4

Het verzorgen van adequate aansluiting van Nederlands beleid en regelgeving daar waar het de rechtshandhaving betreft op de relevante internationale ontwikkelingen.

In de bilaterale relaties met (omringende) EU-Lidstaten zal de voortdurende strijd tegen de georganiseerde criminaliteit centraal staan. In dat kader zullen deze relaties ook verder worden geïntensiveerd. Zodra de daarvoor noodzakelijke verdragen dan wel verdragswijzigingen in werking zijn getreden, zal deelname van Nederlandse opsporingsinstanties aan multilaterale gezamenlijke onderzoeksteams met assistentie van Europol worden bevorderd.

Europol

Nederland zal zich in dit kader ook inspannen om een maximale bijdrage te leveren aan het verder verbeteren van het functioneren van Europol onder andere als leverancier van kwalitatief hoogstaande criminele analyses. In de eerste plaats zal verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van een systeem ten behoeve van informatievoorziening van Nederlandse opsporingsinstanties aan Europol. In de tweede plaats zal Nederland in het verband van de EU-Multidisciplinaire Werkgroep Georganiseerde criminaliteit een bijdrage leveren aan een door deze werkgroep geïnitieerd project dat zich richt op het verder verbeteren van de methodologie waarmee de aard, omvang en de te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit in Europees verband worden gemeten en beschreven.

Eurojust

Nederland zal in 2003 de inrichting van Eurojust als nieuwe Europese organisatie in Den Haag verder ondersteunen. Dit orgaan zal een belangrijke rol moeten gaan spelen bij de coördinatie van de vervolging van de georganiseerde criminaliteit binnen de EU. Nederland zal niet alleen zijn verantwoordelijkheid als gastland nemen door de noodzakelijke huisvestings- en organisatorische voorzieningen te treffen waardoor Eurojust kan functioneren. Nederland zal ook bijdragen aan de versterking van de bijdrage die Eurojust kan leveren aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Daarin zal ook plaats zijn voor het nader gestalte geven aan de relatie tussen Eurojust en Europol, en tussen Eurojust en het Europees Justitieel Netwerk.

Kaderbesluiten/MoU's/bilaterale samenwerking

Ook zal naar verwachting het aantal kaderbesluiten van de EU inzake de wederzijdse erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen in 2003 worden uitgebreid. Dit zijn besluiten die de werking van nationale rechterlijke beslissingen uitbreiden tot het gehele grondgebied van de EU. Overwogen wordt om met België en Duitsland bilaterale verdragen af te sluiten op het terrein van de politiesamenwerking teneinde de in 2002 geïnventariseerde knelpunten op het terrein van deze samenwerking op te lossen. Deze verdragen zullen in eerste instantie gericht zijn op het oplossen van knelpunten in de grensstreek. Zij zullen echter ook een bredere scope kunnen krijgen en zich kunnen richten op de het gehele terrein van de samenwerking met beide landen bij de opsporing van strafbare feiten.

Ook de bilaterale samenwerking met het Verenigd Koninkrijk (VK) en Spanje zal in 2003 naar verwachting verder kunnen worden uitgebouwd. Voor wat betreft Spanje zou die samenwerking zich met name moeten richten op de stromen illegale drugs afkomstig uit Zuid-Amerika.

Internationaal Strafhof

Ook de inwerkingtreding van het Statuut tot oprichting van het Internationaal Strafhof (ISH) vergt aandacht teneinde een goede samenwerking tussen dit instituut en de Nederlandse autoriteiten te kunnen garanderen. Samen met de in Nederland betrokken partijen zal hierin uiterlijk in 2003 worden voorzien.

Europese Officier van Justitie

Nederland zal een constructieve bijdrage leveren aan de verdere discussie over het voorstel van de Europese Commissie (EC) inzake de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de EU en de instelling van een Europese Officier van Justitie, zoals dat is gepresenteerd in het eind 2001 verschenen «Groenboek». De uitgangspunten die de regering in deze discussie zal hanteren, zijn neergelegd in het regeringsstandpunt dat op 1 mei 2002 aan het parlement is gezonden.

Internationale Rechtshulp Centra

De toepassing van zowel bestaande als nieuwe verdragen en de nakoming door de Nederlandse autoriteiten van de verdragsverplichtingen zal worden gevolgd. Door de verbeterde inrichting van de internationale rechtshulpketen in Nederland onder andere door de oprichting van het landelijk netwerk van Internationale Rechtshulp Centra (IRC's) en de ondersteuning vanuit het landelijk registratiesysteem voor rechtshulpverzoeken (Luris) is de mogelijkheid tot toezicht op de uitvoering van de verdragen beter geworden. Met het in gebruik nemen van Luris II in 2002 zijn de mogelijkheden op het verkrijgen van meer inzicht in aard en omvang van rechtshulpverzoeken en de prestaties van politie en het OM op dit vlak aanzienlijk verbeterd. Al in 2003 moet het inzicht zodanig zijn dat op basis hiervan de begroting en jaarplannen van 2004 kunnen worden opgesteld. Pas in 2004, als Luris een geheel kalenderjaar in gebruik is, zullen de rapportages uit het systeem prestatiegegevens voor alle ketenpartners afzonderlijk en Nederland als geheel kunnen worden gegenereerd. Voorts is in dit verband de nota Landelijke en Bovenregionale recherche van de ministers van BZK en van Justitie van belang, waarin organisatorische voorzieningen zijn opgenomen over de aansluiting van de IRC's bij de regiokorpsen en het KLPD.

Phare-programma's

Het ministerie van Justitie heeft in de afgelopen jaren bijgedragen aan de uitvoering van de door de EC gefinancierde multilaterale zogenaamde Phare-programma's. Deze programma's hebben tot doel om de tot de Unie toetredende landen in Middenen Oost Europa vertrouwd te maken met het acquis van de EU op het terrein van politie en justitie. In het licht van de nu snel naderende toetreding zal de daadwerkelijke (bilaterale) operationele samenwerking meer aandacht krijgen. Dit laatste geldt overigens ook voor landen die niet bij deze groep toetreders horen, zoals Turkije en de Russische Federatie. Criminele groepen uit deze landen manifesteren zich immers ook in Nederland.

Drugsproblematiek

De afgelopen jaren heeft de regering veel geïnvesteerd in het terugdringen van de grootschalige productie van XTC en de bedrijfsmatige teelt van cannabis. Deze handhavingsinspanningen zullen in 2003 doorgaan.

Uit velerlei rapportages van nationale en internationale diensten komt te zeer een beeld naar voren van Nederland als draaischijf op het gebied van de illegale drugsproductie en (transito)handel in de Europese regio. Ook blijken zich velerlei negatieve maatschappelijke en criminele neveneffecten voor te doen als gevolg van deze drugsactiviteiten. Dit vraagt om een samenhangende benadering van deze criminaliteitsproblematiek. Daartoe zal op een geïntegreerde wijze een ex-ante evaluatietoets worden uitgevoerd met betrekking tot de aard en omvang van de drugsproblematiek en de neveneffecten ervan, de strategie(ën) om deze problematiek aan te pakken en de inspanningen en capaciteiten die nodig zijn om tot een proportionele en effectieve handhaving te kunnen komen.

Doping

De bestrijding van doping vormt een aandachtspunt. Doping is nauw met de sport verweven, maar kent daarnaast maatschappelijke componenten die breder gaan dan de sport alleen. Met betrekking tot dopinggebruik voert Nederland een non-interventie beleid, waarbij de verantwoordelijkheid voor de aanpak van het fenomeen hoofdzakelijk bij de sportsector zelf gelaten wordt. Op bezit, productie van en handel in dopinggeduide middelen zijn verschillende wettelijke regimes van toepassing. Gezien de aard en omvang van de handel in dopinggeduide middelen en de veronderstelde groei van het aantal in omloop zijnde vervalste preparaten, wordt een actiever overheids- en justitieel optreden wenselijk en mogelijk geacht. Het OM pakt in nauwe samenwerking met o.a. de Inspectie voor de Gezondheidszorg dopingzaken op die tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden.

Internationaal drugsbeleid: EU-actieplan drugs

De nationale en de internationale dimensie van het drugsbeleid hangen nauw met elkaar samen. In internationaal verband (EU, VN en in combinatie met belangrijke Europese partners) neemt Justitie actief deel aan drugsoverleggen. In EU verband is bijvoorbeeld de uitvoering van het EU actieplan drugs 2000 – 2004 van belang voor Justitie. Daaraan zal verder worden gewerkt. Een geloofwaardige handhaving kan niet om het gegeven van een schijnbaar gegroeide acceptatie van het gebruik van cannabis heen. Dit speelt zowel in Nederland als in andere Europese landen.

In internationaal verband zal Justitie ook actief overleggen over de lopende acties en vormen van beleidsmatige en operationele samenwerking. Het instrument van het gemeenschappelijke onderzoeksteam zal na ratificatie van het Europees Rechtshulpverdrag (art. 13) worden ingezet. Met Frankrijk werd reeds op experimentele basis in enkele drugszaken met parallelle teams gewerkt. Verder zal over de eigen – te ontwikkelen handhavingstrategie inzake drugs met andere landen worden gesproken, in het bijzonder met onze buurlanden en Frankrijk. Ook de inbreng van Europol wordt daarbij bezien. Van groot belang is de verdere uitwerking van het EU-kaderbesluit Illegale Drugshandel.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.3.4       
        
uitgaven10 46315 94913 10913 16925 15120 49220 561
programma-uitgaven9 73214 83412 01112 10224 08119 42219 491
apparaatsuitgaven7311 1151 0981 0671 0701 0701 070
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen10 45015 94913 10913 16925 15120 49220 561

Instrumenten

• Algemene regelgeving: verdragen, verdragswijzigingen, kaderbesluiten van de EU, wetswijzigingen en uitvoeringsregelingen;

• Overleg: werkgroepen in de EU met name inzake Europol, de Georganiseerde Criminaliteit, politie samenwerking en justitiële samenwerking, bilaterale overleggen en nationale werkgroepen en voorlichtingsbijeenkomsten;

• Europol: criminele analyses, een systeem voor informatieoverdracht van Nederlandse opsporingsinstanties aan Europol;

• FI: het FIU-net;

• ISH: het Statuut van het ISH, wet en uitvoeringsregeling;

• IRC's: het landelijk netwerk van IRC's en de NCB en Landelijke en Bovenregionale recherche;

• Relaties met EU-toetreders: Multi-laterale Phare projecten;

• Drugsproblematiek: drugsanalyses van aard en omvang; uitvoeren van de XTC-nota in samenwerkingsverband met diverse ministeries en uitvoerende organisaties, ontwikkelen van een plan voor de uitvoering en prioriteiten in het justitieel drugsbeleid;

• Doping: wettelijke regimes;

• Internationaal drugsbeleid: internationale overleggen met betrekking tot drugs(beleid);

• Voorbereidingen treffen voor het Nederlandse voorzitterschap in 2004.

Prestatiegegevens

Eind 2003 zullen afspraken zijn gemaakt met België en Duitsland over de wijze waarop de gezamenlijk geconstateerde knelpunten kunnen worden opgelost. Deze zullen hun weerslag krijgen in vastgestelde procedures en/of in een MoU of bilateraal verdrag.

• De samenwerking tussen Nederland en het International Criminal Court (ICC) zal in een handleiding ten behoeve van OM en politie worden beschreven;

• Het OM en politie zullen erop worden aangesproken dat alle IRC's de opgedragen taken volledig uitvoeren;

• In 2003 zal een aantal multilaterale Phareprojecten ten behoeve van de Landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE) worden voorbereid en uitgevoerd;

• Met Spanje zal een samenwerkings-MoU worden gesloten.

 20032004
Aantal strafrechtelijke vervolgingen en afgehandelde rechtshulpverzoeken XTC2530
Percentage afname bedrijfsmatige teelt van cannabis55
   
Omvang drugsproblematiek uitgewerkt naar soort, aantal (deel)onderzoeken44
   
Aantal strafrechtelijke vervolgingen doping1010
Deelname overleggen drugs in EU-verband53

Beleidsevaluatieonderzoek

De werkzaamheden van alle bij de XTC-nota betrokken organisaties en ministeries worden jaarlijks geëvalueerd. Daarnaast wordt een Voortgangsrapportage Drugbeleid jaarlijks aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Groeiparagraaf

In de loop van 2003 zal op basis van de managementrapportages in Luris II de eerste inzichten beschikbaar komen van de wijze waarop het OM en politie in het algemeen en de IRC's in het bijzonder de internationale verdragsverplichtingen tot uitvoering van rechtshulpverzoeken nakomen. Op basis van deze informatie zullen in 2003 concretere prestatie-indicatoren worden geformuleerd voor de jaren daarna.

Beleidsartikel 3.4 Jeugdbescherming

Eén van de functies van het recht is het beschermen van de zwakkeren in de samenleving. Het ministerie van Justitie heeft bij die bescherming een bijzondere, want naast een voorwaarden scheppende ook een direct uitvoerende, verantwoordelijkheid ten aanzien van de rechten van het kind.

Beleidsdoelstelling 3.4

Het waarborgen van de rechten van het kind bij een (dreigende) schending van diens ontwikkeling en het bevorderen van een samenhangende strafrechtelijke en pedagogische aanpak van de minderjarige, nadat deze zich schuldig heeft gemaakt aan strafwaardig gedrag.

Bij het waarborgen van de rechten van het kind zijn twee wezenlijk verschillende invalshoeken te onderscheiden. In de eerste plaats is er de situatie waarin het kind geschaad wordt of dreigt te worden door omstandigheden in zijn of haar omgeving. Justitie heeft dan een aantal wettelijke verplichtingen en bevoegdheden om in te grijpen. De andere invalshoek is die van de minderjarige als pleger van strafbare feiten, al dan niet onder invloed van de omgeving. Justitie heeft in die situatie, vanuit zijn verantwoordelijkheid om te reageren op die feiten, de plicht om dat zodanig te doen dat het de ontwikkeling van het kind bevordert, of tenminste niet schaadt.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 3.4       
        
uitgaven448 241433 309389 355364 864342  782329 215329 232
        
ontvangsten74 5905 5005 5005 5004 6834  6834 684
        
verplichtingen461 791433 309389 355364 86 4342 782329 215329 232

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 3.4          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 389 355 364 864 342 782 329 215 329 232
waarvan:          
- personeel en materieel 95 749 94 983 94 940 94 380 94 384
- beleid 293 606 269 881 247 842 234 835 234 848
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden100,0%293 606100,0%269 881100,0%247 841100,0%234 835100,0%234 848
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%293 606100,0%269 881100,0%247 841100,0%234 835100,0%234 848

Groeiparagraaf

In de begroting voor 2003 zijn de samenhangende onderdelen van dezelfde Justitiële keten onder één beleidsartikel gebracht. Dit heeft geleid tot een tekstuele aanpassing waarbij de twee operationele doelstellingen betreffende de werkzaamheden van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), (operationele doelstellingen 3.4.1 en 5.1.6 in de begroting over het jaar 2002) en de operationele doelstellingen betreffende de activiteiten van de Gezinsvoogdij-instellingen, te weten (gezins)voogdij en jeugdreclassering (operationele doelstellingen 3.4.2 en 5.1.7 in de begroting over het jaar 2002) samen zijn ondergebracht bij het beleidsartikel Jeugdbescherming. In vergelijking met de begroting 2002 is de onderhavige beleidsdoelstelling uitgebreid met de toevoeging: het bevorderen van een samenhangende strafrechtelijke en pedagogische aanpak van de minderjarige. De intentie is om voor de begroting van 2004 te groeien naar operationele doelstellingen waarin duidelijk het te bereiken maatschappelijk effect en de doelgroep staat aangegeven. Vooruitlopend op deze verbeteringen zijn voor de begroting van 2003 de operationele doelstellingen van 2002 reeds aangescherpt.

Operationele doelstelling 3.4.1

Vanuit een pedagogische invalshoek efficiënt en kwalitatief goed rekwestreren van maatregelen van kinderbescherming en adviseren van Justitiële autoriteiten inzake beslissingen over kinderen in civiele aangelegenheden.

Bescherming van minderjarigen tegen schadelijke invloeden in hun omgeving vindt in belangrijke mate plaats via maatregelen van kinderbescherming. Omdat de overheid zich niet lichtzinnig mag mengen in het privé-leven van mensen, doet de RvdK, in het geval het vermoeden bestaat dat er sprake is van een bedreigende situatie voor het kind, onderzoek. Op basis daarvan vraagt de RvdK zo nodig aan de rechter om een maatregel van kinderbescherming. Bij andere beslissingen van justitiële autoriteiten, bijvoorbeeld inzake gezag en omgang, maar ook omtrent geslachtsnaamwijziging van een minderjarige of adoptie, draagt de RvdK bij aan de waarborging van de rechten van het kind door die autoriteiten te adviseren eveneens op basis van onderzoek. Dit dient op een kwalitatief goede wijze binnen een zo kort mogelijke tijd te gebeuren.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.1       
        
uitgaven65 92363 02961 15960 93360 20960 23860 242
programma-uitgaven65 72562 84060 98660 76460 04060 06960 073
apparaatsuitgaven198189173169169169169
        
ontvangsten0990989989172172173
        
verplichtingen66 39263 02961 15960 93360 20960 23860 242

Prestatiegegevens

Figuur 1: Zaken Raad van de Kinderbeschermingkst-28600-VI-2-1.gif

 2001200220032004200520062007
Beschermingsonderzoek       
Percentage zaken binnen de norm voor       
doorlooptijden (norm: 115 dagen)556070757575
Gemiddelde doorlooptijd (dagen)125125125120115115115
Afgedane zaken (aantal)8 0028 1008 1008 1008 1008 1008 100
Aantal gegrond verklaarde klachten<1<1<1<1<1<1<1
        
Scheidings- en Omgangsonderzoek       
Percentage zaken binnen de norm voor       
doorlooptijden (norm: 135 dagen)455565757575
Gemiddelde doorlooptijd (dagen)170160150140135135135
Aantal afgedane zaken3 3744 1004 1004 1004 1004 1004 100
Aantal gegrond verklaarde klachten<1<1<1<1<1<1<1
        
Adoptie- en naamswijzigingonderzoek       
Percentage zaken binnen de norm voor       
doorlooptijden (norm: 105 dagen)606570757575
Gemiddelde doorlooptijd (dagen)108105105105105105105
Afgedane zaken (aantal)2 8072 4002 4002 4002 4002 4002 400
Aantal gegrond verklaarde klachten<1<1<1<1<1<1<1

Toelichting: de totale doorlooptijden van een onderzoek bestaan uit meldingstijd, wachttijd, onderzoekstijd en administratieve afronding.

Bij inmenging in het privé-leven door Justitie moet de cliënt weten wat hij kan verwachten en hoe lang deze bemoeienis gaat duren. Belangrijke begrippen hierbij zijn efficiëntie, kwaliteit, maar ook kenbaarheid voor de cliënt. Per categorie onderzoek zijn normen vastgesteld voor de doorlooptijd. De wachttijd is hierbij een onderdeel. Het aantal zaken dat binnen deze norm wordt afgedaan dient zo hoog mogelijk te zijn. Het streven is om over drie jaar 75% van de civiele zaken binnen de genormeerde doorlooptijd af te ronden. Bij het vaststellen van deze streefwaarden is rekening gehouden met de huidige situatie en externe factoren die de doorlooptijd negatief kunnen beïnvloeden, zoals beschikbaarheid van externe deskundigen, tolken en de medewerking van de cliënt. De RvdK hanteert voor zijn onderzoeken een vaste caseload en kostprijs. Voor beschermingszaken is de caseload 25,5 per fte, voor scheiding en omgang 36,4 zaken per fte en voor adoptie en naamswijziging 75 zaken per fte. De kwaliteit van onderzoeken van de RvdK mag niet ten koste gaan van het streven naar kortere doorlooptijden. Het streven is het percentage klachten per categorie zaak zo laag mogelijk te houden. Jaarlijks wordt een analyse gemaakt van de klachten over de RvdK. Deze analyse is openbaar.

Evaluatieonderzoek

De RvdK voert tweejaarlijks een onderzoek uit naar de mate van klanttevredenheid. In 2002 wordt een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringspraktijk in scheidings- en omgangszaken. De overige categorieën zaken zullen in de daarop volgende jaren geëvalueerd worden. Met betrekking tot adoptieonderzoeken zal in 2002 en 2003 een doorlichting plaatsvinden in de gehele adoptieketen.

In het jaar 2006 zal een evaluatieonderzoek plaatsvinden naar de doelmatigheid van de beleids- en uitvoeringskaders opgesteld door het ministerie van Justitie ten behoeve van de RvdK.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is resultaatverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

In 2002 zal de interne organisatiestructuur van de RvdK aangepast worden. De RvdK heeft dan een hoofdkantoor, 5 directiebureaus en 22 vestigingen met elk een vestigingsmanager. Hierdoor wordt het sturen op productie, doorlooptijden en kwaliteit op vestigingsniveau mogelijk. Dit vormt een aanzet voor de omvorming tot een baten-lastendienst. Deze omvorming tot een baten-lastendienst zal het inzicht in de mate waarin de RvdK efficiënt haar taken uitvoert vergroten.

Operationele doelstelling 3.4.2

Het vanuit een pedagogische invalshoek effectief en kwalitatief goed uitvoeren van de opgelegde maatregelen van jeugdbescherming, te weten de voogdij en de gezinsvoogdij, alsmede het adequaat uitvoeren van (wettelijke) taken met betrekking tot interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering.

Jeugdbescherming

Op basis van een extern onderzoek is een plan van aanpak in voorbereiding gericht op het vanaf 2003 geleidelijk wegwerken van achterstanden bij de interlandelijke adoptie. Het streven is erop gericht dat de benodigde tijd voor het verkrijgen van een beginseltoestemming in 2006 is teruggebracht tot een aanvaardbare tijd.

Interlandelijke adoptie

Uiterlijk in 2006 zullen de achterstanden bij de interlandelijke adoptie zodanig zijn weggewerkt dat de benodigde tijd voor het verkrijgen van beginseltoestemming is teruggebracht tot een aanvaardbare termijn. Dit moet in ieder geval reeds in 2003 leiden tot een verkorting van de wachttijden, bezien vanuit een gelijk blijvend aantal voorgelichte adoptieouders.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.2       
uitgaven196 734158 036154 027155 391155 610155 674155 684
programma-uitgaven194 869156 538152 818154 213154 432154 496154 506
waarvan:       
– subsidies194 869156 538152 818154 213154 432154 496154 506
apparaatsuitgaven1 8651 4981 2091 1781 1781 1781 178
        
ontvangsten12 926799663663663663663
        
verplichtingen204 131158 036154 027155 391155 610155 674155 684

Prestatiegegevens

Zoals in de groeiparagraaf onder de beleidsdoelstelling is aangegeven wordt er naar gestreefd om in de begroting 2004 een aangescherpte operationele doelstelling 3.4.2 op te nemen met bijbehorende prestatie-indicatoren. De voorbereidingen voor dit traject zijn inmiddels gestart. In dit licht zijn de gegevens over voogdij, voorlopige voogdij en ondertoezichtstelling in onderstaande tabel wel relevant, maar mogen zij niet zonder meer opgevat worden als prestatiegegevens.

Wat prestatiegegevens op het gebied van de kinderbescherming betreft zijn de resultaten van een aantal wetenschappelijke onderzoeken van belang. Per brief (TK, 28 000 VI, nr. 46) is aangegeven welke acties ondernomen zullen worden naar aanleiding van die bevindingen.

Voorts kan worden opgemerkt dat de Inspectie voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening (IJJ) bij individuele gevallen een onderzoek kan uitvoeren naar de handhaving van weten regelgeving. Ook zal deze inspectie in 2003 meer thematische onderzoeken verrichten. De rapportages vormen een informatieve bron ten behoeve van (kwalitatieve) effectmeting en in een aantal gevallen een belangrijk instrument om te komen tot verbeteringen in de uitvoering. In de Voortgangsrapportage Beleidskader Jeugdzorg 2002–2005 is meer uitgebreide informatie opgenomen over de jeugdbescherming.

Figuur 2: Pupillen voogdij- en gezinsvoogdijinstellingkst-28600-VI-2-2.gif

 2001200220032004
Voogdij    
Aantal instroom 800800800
Aantal uitstroom totaal 800800800
Aantal maatregelen aan het begin van het kalenderjaar4 8304 7504 7504 750
     
Voorlopige voogdij    
Aantal instroom 808080
Aantal uitstroom totaal 808080
Aantal maatregelen aan het begin van het kalenderjaar51808080
Gemiddelde duur voorlopige voogdij (in maanden) 555
     
Ondertoezichtstelling    
Aantal instroom 5 5005 5005 500
Aantal uitstroom totaal 5 5005 5005 500
Aantal maatregelen aan het begin van het kalenderjaar21 08820 70020 70020 700
Gemiddelde duur van de maatregel (jaren) 333
Aantal verlengde ots-en 15 20015 20015 200
     
Interlandelijke adoptie    
Aantal aanvragen om voorlichting door adoptieouders 3 0003 0003 000
Aantal voorgelichte adoptieouders 1 0001 3001 700
Gemiddelde wachttijd op voorlichting (in maanden) 221814
     
Internationale Kinderontvoering    
Inkomende verzoeken teruggeleiding40465050
Inkomende verzoeken omgangsregeling15152020
Uitgaande verzoeken teruggeleiding44505555
Uitgaande verzoeken omgangsregeling2455

Jeugdbescherming

Het ministerie van Justitie financiert de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij zodat deze hun taken kunnen uitvoeren. In het kader van verbetering van de uitvoering van de ondertoezichtstelling zijn vanaf 2002 structureel extra gelden ter beschikking gesteld voor het verhogen van de contacttijden tussen gezinsvoogd en pupil. In het kader van de p&c-cyclus met de instellingen wordt nagegaan wat de concrete resultaten zijn van de inzet van de extra middelen. Om meer inzicht te verkrijgen of de uitvoering van de maatregel vanuit een pedagogische invalshoek effectief en kwalitatief goed is, is meer kwalitatief en longitudinaal onderzoek nodig. Op grond van het eind 2001 afgeronde onderzoek effectiviteit van de ondertoezichtstelling is een aantal aanbevelingen gedaan (TK, 28 000 VI, nr. 46). In 2003 zal verder worden gewerkt aan een verbetertraject (onder meer betere afspraken met de ketenpartners) om te komen tot een verbetering van de uitvoering van de ondertoezichtstelling (ots).

Daarnaast worden in het najaar van 2002 vier pilots gestart voor kwaliteitsverbetering van de gezinsvoogdij. Gedurende enkele jaren wordt in deze pilots gewerkt aan een inhoudelijke verbetering, onder meer via een lagere gemiddelde caseload (het aantal pupillen per gezinsvoogd) en met gebruikmaking van de in 2001 ontwikkelde methodiekbeschrijving. Het doel van de pilots is het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van de uitvoering. Op basis van de evaluatie die gelijk op zal lopen met de pilots (2002 – 2004) kan worden bepaald of deze werkwijze leidt tot een betere uitvoering van de maatregel. In het bijzonder wordt gekeken naar een aantal te bereiken doelstellingen als: een kortere gemiddelde duur van de ondertoezichtstelling, een vermindering van het aantal uithuisplaatsingen en de gemiddelde duur van uithuisplaatsing en een toename van cliënttevredenheid en -participatie. In het najaar van 2002 wordt gestart met een vergelijkend onderzoek naar de bedrijfsvoering van de primaire processen gezinsvoogdij. Doel hiervan is om door onderlinge vergelijking te komen tot een meer efficiënte uitvoering van de maatregel, onder meer door de administratieve taken van de gezinsvoogd over te dragen aan andere medewerkers opdat de gezinsvoogd meer tijd heeft voor direct contact met de cliënten. Het Interprovinciaal Overleg (IPO) is nauw bij die trajecten betrokken.

In 2003 zal voorts extra aandacht worden besteed aan de voogdij. Op basis van de uitkomsten van een inventarisatie in het najaar van 2002 van de kwaliteit van de uitvoering en eventuele knelpunten hierbij zal een actieprogramma worden opgezet om te komen tot verdere verbetering van de uitvoering. Speciale aandacht zal worden besteed aan de realisatie van de voorgenomen doelen van de voogdijtrajecten.

Interlandelijke adoptie en kinderontvoeringen

Voor de interlandelijke adoptie zal op basis van de uitkomsten van het in 2002 verrichte onderzoek in 2003, voor zover noodzakelijk, een herziening van de procedure worden doorgevoerd en waar nodig versterkingen worden gerealiseerd. Dit betreft zowel het betrokken onderdeel van het departement als de afdeling Voorlichting en Informatie Adoptie van de Stichting Adoptievoorzieningen (voorheen: Bureau VIA).

Het merendeel van de zes bemiddelingsbureaus voor interlandelijke adoptie (vergunninghouders) zijn nu ISO-gecertificeerd. De komende jaren is de aandacht erop gericht deze certificatie te behouden.

Met betrekking tot de internationale kinderontvoering zijn de komende jaren gericht op handhaving van de kwaliteit van de uitvoering van de verdragen en wet- en regelgeving terzake.

Evaluatieonderzoek

In 2002 is een onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de uitvoering van de voogdij.

Afhankelijk van de invoeringsdatum van de Wet op de Jeugdzorg zal naar verwachting in 2007 een evaluatieonderzoek plaatsvinden naar de doelmatigheid van de beleids- en uitvoeringskaders voor de provincies ten aanzien van (gezins)voogdij en jeugdreclassering binnen de Bureaus Jeugdzorg. Gelijktijdig wordt een onderzoek gedaan naar de mate waarin de provincies adequaat gefaciliteerd zijn ten behoeve van de uitvoering van hun taken.

Derdengegevens

Gegevens inzake interlandelijke adoptie betreffen derdengegevens (Stichting Adoptie-voorzieningen).

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Operationele doelstelling 3.4.3

Het effectief en efficiënt uitvoeren van inningstaken op het gebied van wettelijke onderhoudsbijdragen.

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) is een incassokantoor dat in opdracht van de ministers van Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) inningstaken uitvoert op het gebied van wettelijke onderhoudsbijdragen. Het LBIO is een zelfstandig bestuursorgaan. Doelstelling is een optimale uitvoering door het LBIO van de drie verschillende inningstaken. De kernactiviteiten zijn het innen van alimentatiebijdragen en het vaststellen en innen van ouderbijdragen bij de jeugdhulpverlening. De Wet LBIO, het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de Jeugdhulpverlening vormen het wettelijk kader voor het verrichten van de inningstaak. Internationale samenwerking is geregeld in het Verdrag van New York. Op basis van het verdrag kan het LBIO bemiddelen bij de invordering van alimentatie in het buitenland. Het LBIO int ook alimentatie in Nederland op verzoeken vanuit het buitenland en voert daarvoor zo nodig procedures.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.3       
        
uitgaven3 0092 9522 9502 9552 9622 9632 963
programma-uitgaven2 9412 8852 8842 8902 8972 8982 898
waarvan:       
– subsidies2 9412 8852 8842 8902 8972 8982 898
apparaatsuitgaven68676665656565
        
ontvangsten61 6643 5393 6763 6763 6763  6763 676
        
verplichtingen3 1252 9522 9502 9552 9622 9632 963

Prestatiegegevens

 200120022003
Kinderalimentatie   
Geïnd bedrag ten opzichte van   
lopende vordering (%)707070
Kosten per geïnde Euro (x € 1,-)0,210,210,21
Verzoeken die tot inning leiden (%)404040
    
Ouderbijdrage   
Mate van klanttevredenheid (%)808080
Geïnd bedrag ten opzichte van   
lopende vordering (%)555555
Kosten per geïnde Euro (x € 1,-)0,190,190,19

Het eind 2000 gehouden klanttevredenheidsonderzoek vormt – met de uitkomsten van de klachtbehandeling – de input voor het in 2001 opgestelde en in 2002 in uitvoering genomen verbeterplan. Het accent van de verbeteracties ligt vooral op het verhogen van de doelmatigheid en communicatie. De eerstvolgende tevredenheidsenquête is voor eind 2002 gepland.

Evaluatieonderzoek

Met betrekking tot kinderalimentatie liggen er inmiddels twee rapporten:

• het Eindrapport Evaluatie regelingen inning kinderalimentatie van 11 februari 2002, uit welk rapport blijkt dat de inning van kinderalimentatie niet kostendekkend is en ook waarschijnlijk niet kan worden en

• het Eindrapport van het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) alimentatiebeleid. Laatstgenoemd rapport is op 12 juni jl. door de staatssecretaris van Sociale Zeken en Werkgelegenheid (SZW), mede namens de staatssecretaris van Justitie, naar de Tweede Kamer gestuurd. In het rapport wordt voorgesteld de vaststelling en inning van de kinderalimentatie op een andere – eenvoudiger en doelmatiger – wijze te organiseren. Het nieuwe kabinet zal nog een inhoudelijke reactie op dit laatste rapport geven.

Derdengegevens

In de Wet op het LBIO en in de jaarlijks gemaakte kaderafspraken is de informatieplicht geregeld.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Op basis van het nog in te nemen kabinetsstandpunt en de uitkomsten van de verschillende evaluatieonderzoeken zal in 2003 worden bezien of aanpassing van de prestatie-indicatoren noodzakelijk dan wel wenselijk is.

Operationele doelstelling 3.4.4

Zorgdragen voor de uitvoering van de voogdij en de vervolgopvang ten behoeve van alleenstaande minderjarige asielzoekers.

Gedurende de periode dat de minderjarige in Nederland verblijft, is het ministerie van Justitie verantwoordelijk voor de uitvoering van de voogdijmaatregel en de vervolgopvang. Voogdij en opvang zullen beter aansluiten op het perspectief van de minderjarigen. Er wordt een zichtbare scheiding aangebracht in de opvangmodaliteiten, zowel in formeel opzicht als in materieel opzicht; opvang gericht op terugkeer en opvang gericht op integratie.

Het uitgangspunt daarbij is een persoon, van wie mag worden verwacht dat deze langer dan drie jaar in Nederland verblijft, in aanmerking komt voor de integratievariant en dat iemand van wie mag worden verwacht dat hij korter dan drie jaar in Nederland zal verblijven, in aanmerking komt voor de terugkeervariant.

De inrichting van de terugkeervariant krijgt gestalte onder de verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Gestart is met een pilot van het zogenaamde «campusmodel» als inrichting van de terugkeervariant, vanuit de verwachting dat het campusmodel substantieel bijdraagt aan het realiseren van de beleidsdoelstelling, te weten beperking van de instroom en bevordering van de terugkeer. De pilot wordt uitgevoerd door het COA (beleidsartikel 6.2 Asielopvang). De particuliere rechtspersoon, de Stichting NIDOS, is verantwoordelijk voor de uitoefening van de wettelijke voogdijtaak over (alle) ama's. In een convenant zullen afspraken worden neergelegd over onderscheiden taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen het COA en de Stichting NIDOS. Daarnaast werkt de stichting NIDOS aan de verdere inrichting en kwaliteitsverbetering van de integratievariant voor die – vooral jonge– ama's, die naar verwachting in Nederland mogen blijven. Gedurende de overgangsfase is de stichting NIDOS verantwoordelijk voor de vervolgopvang van alle op dit moment in Nederland verblijvende ama's met een voogdij maatregel.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.4       
        
uitgaven121 397149 622109 93684 58862 18549 07449 074
programma-uitgaven121 223149 408109 72984 38661 98348 87248 872
waarvan:       
– subsidies121 223149 408109 72984 38661 98348 87248 872
apparaatsuitgaven174214207202202202202
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen125 755149 622109 93684 58862 18549 07449 074

Prestatiegevens

 2001200220032004200520062007
Kengetallen voor ama's1       
Aantal ama's begin jaar11 83512 62512 62512 2251 92511 82511 825
Instroom5 9515 5005 3005 3005 3005 3005 300
Uitstroom5 1615 5005 7005 6005 4005 3005 300
Gemiddelde bezetting12 17512 62512 42512 07511 87511 82511 825
waarvan opvang door NIDOS27 3757 8555 5004 2503 0002 000 
waarvan opvang door COA4 8004 7706 9257 8258 8759 825 

1 Op deze operationele doelstelling zijn de kosten van voogdij geraamd voor alle ama's. De kosten van opvang voor zover verzorgd door het NIDOS zijn eveneens hier geraamd. De kosten voor opvang van ama's door het COA zijn opgenomen op artikel 6.2 Asielopvang.

2 Dit overzicht is niet aangepast aan het beleid zoals verwoord in het SA.

Evaluatieonderzoek

Ter voorbereiding op de structurele invoering van het campusmodel is besloten tot het van start gaan van twee pilotprojecten. De looptijd van de pilots bedraagt, vanaf de start in het najaar van 2002, 1 jaar. De capaciteit bedraagt 270 plaatsen per pilotproject. Gedurende de pilotperiode zullen de resultaten van de pilots maandelijks worden geëvalueerd en gemonitord. De eindevaluatie zal begin 2004 gereed zijn.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

In de toekomst zijn er twee soorten van opvangmodaliteit: de terugkeervariant en de integratievariant. De opvang in de terugkeervariant heeft een daadwerkelijke en snelle terugkeer van de ama naar het land van herkomst ten doel. De opvang in de integratievariant heeft het voorbereiden en realiseren van daadwerkelijk volwaardig functioneren in de Nederlandse samenleving ten doel. Voor het jaar 2004 zal getracht worden deze beide na te streven effecten in de operationele doelstelling op te nemen.

Operationele doelstelling 3.4.5

Vanuit een pedagogische invalshoek efficiënt en kwalitatief goed adviseren van Justitiële autoriteiten inzake strafrechtelijke aangelegenheden en het uitvoeren van casusregie.

Een belangrijke taak van de RvdK is het waarborgen van voldoende aanbod voor de uitvoering van onderzoeken en taakstraffen tegen aanvaardbare kosten. De onderzoeken dienen daarbij vanuit een pedagogische invalshoek uitgevoerd te worden. Wat de coördinatie van taakstraffen bij de RvdK betreft wordt verwezen naar operationele doelstelling 5.1.6.

Een effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit houdt in dat op een delict een zorgvuldige en snelle reactie volgt. Het proces en de individuele jongere dienen, vanaf het eerste politiecontact tot het einde van de nazorg, te worden gevolgd. De RvdK voert daarom de casusregie, waaronder wordt verstaan het van het begin tot eind nauwlettend volgen van de strafzaak en het waar mogelijk bijsturen of ingrijpen in de procedure indien die in het belang van de jongere is. De RvdK doet dit op zodanige wijze, dat er sprake is van signaalwerking, informatie en afstemming van activiteiten tussen de ketenpartners.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.5       
        
uitgaven35 06334 71635 98235 45136 17435 58935 591
programma-uitgaven35 06334 71635 89235 36136 08435 49935 501
apparaatsuitgaven009090909090
        
ontvangsten0172172172172172172
        
verplichtingen35 31834 71635 98235 45136 17435 58935 591

Prestatiegegevens

In het kader van de aanpak verkorting doorlooptijden in de jeugdstrafrechtsketen zijn streefcijfers geformuleerd die in 2003 gehaald moeten worden. Voor de RvdK betekent dit dat 80% van de zaken binnen de voor de verschillende trajecten vastgestelde doorlooptijden afgerond moeten zijn.

 2001200220032004
Basisonderzoeken    
Percentage zaken binnen de norm    
voor doorlooptijden (norm: 40 dagen)508080
Gemiddelde doorlooptijd (in dagen)54454040
Afgedane zaken (aantal)19 42222 00022 00022 000
Aantal gegrond verklaarde klachten (%)<1<1<1<1
Vervolgonderzoeken    
Percentage zaken binnen de norm voor    
Doorlooptijden (norm: 115 dagen)408080
Gemiddelde doorlooptijd (in dagen)108115115115
Afgedane zaken (aantal)2 9543 7003 7003 700
Aantal gegrond verklaarde klachten (%)<1<1<1<1
     
Casusregie    
Aantal afgedane zaken20 20022 00022 00022 000

De RvdK heeft in de jeugdstrafrechtsketen verschillende taken, waaronder de onderzoekstaak. Deze moet in 2003 in 80% van de gevallen binnen 40 dagen zijn uitgevoerd. Dit dient te gebeuren met een caseload van 170 zaken per fte. In 2002 is uit onderzoek gebleken dat deze caseload te hoog is. In 2002 en 2003 zal als gevolg hiervan mogelijk bijstelling plaatsvinden. In 2003 zullen 22 000 basisonderzoeken en 3 700 vervolgonderzoeken verricht worden. Voor vervolgonderzoeken geldt een caseload van 27,4 zaak per fte. De uitvoering van de casusregietaak wordt nu nog gefinancierd vanuit projectgelden. In 2003 moet dat leiden tot 8 000 lopende zaken.

Evaluatieonderzoek

• Evaluatieonderzoek voor de categorieën basisonderzoeken en vervolgonderzoeken: in het kader van het traject «doorlooptijden Jeugdstrafrechtsketen» vindt een evaluatie plaats. Het betreft streefcijfers van de afdoening van het OM-traject, wat loopt van het moment van het eerste verhoor door de politie tot het moment van de eerste beoordeling door het OM. Momenteel is het streven: binnen 3 maanden afronding door de RvdK van onderzoek- en adviestaak;

• Evaluatieonderzoek casusregie: in 2003 zal een kostprijsonderzoek naar de casusregie worden uitgevoerd.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is resultaatverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

In 2003 wordt de casusregietaak van de RvdK, de regie over de individuele strafzaken verder uitgewerkt en zullen nadere prestatie-indicatoren en streefwaarden worden vastgesteld voor het jaar 2004 en verder. In 2003 zal op grond van de vastgestelde werkprocesbeschrijving tevens een kostprijs worden berekend.

Operationele doelstelling 3.4.6

Een effectieve, pedagogisch verantwoorde uitvoering van jeugdreclassering.

De jeugdreclasseringsmaatregelen – inclusief de Individuele Trajectbegeleiding (ITB) – worden in opdracht van het ministerie van Justitie eveneens uitgevoerd door de instellingen van voogdij en gezinsvoogdij. Het gaat hier om particuliere organisaties. Met de inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg zullen ook deze maatregelen in het kader van de bureaus jeugdzorg gaan plaatsvinden, aangestuurd door de provincies en grootstedelijke regio's en onder eindverantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie. In een aantal provincies en een grootstedelijke regio's is dit reeds het geval. Uitgangspunt is dat vanaf 1 januari 2004 in alle regio's de taken van de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij zijn overgedragen aan de bureaus jeugdzorg.

Een middel voor het realiseren van een effectieve uitvoering van jeugdreclassering is het bieden van voldoende gedifferentieerde capaciteit aan jeugdreclasseringsmaatregelen.

Na een periode van voortdurende uitbreiding van het aantal begeleidingen, waarin de aandacht met name gericht is geweest op het faciliteren van de uitvoering in kwantitatief opzicht, zal de aandacht de komende periode met name worden gericht op de kwaliteit en de effectiviteit van de jeugdreclassering. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zal in overleg met de uitvoeringsorganisaties, de betrokken ketenpartners (met name de RvdK) en het IPO worden bepaald op welke wijze verbetering van de (faciliteiten van de) uitvoering het beste kan worden aangepakt.

Prestatiegegevens

  200220032004
Jeugdreclassering    
Hulp en steunverlening 2 8002 8002 800
Begeleiding tijdens en na taakstraf 404040
Verzoek toezicht/begeleiding vooraf strafzaak 900900900
Begeleiding bij schorsing voorlopige hechtenis 500500500
     
ITB Harde Kern    
Aantal instroom 600700700
     
ITB Criem    
Aantal instroom 8001 0001 000

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 3.4.6       
        
uitgaven26 11524 95425 30125 54625 64225 67725 678
        
programma-uitgaven25 92724 77425 12725 37625 47225 50725 508
waarvan:       
– subsidies25 92724 77425 12725 37625 47225 50725 508
apparaatsuitgaven188180174170170170170
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen27 07024 95425 30125 54625  64225 67725 678

Evaluatieonderzoek

Het naar verwachting eind 2002 af te sluiten onderzoek door het WODC naar de uitvoering en effectiviteit van de jeugdreclassering (exclusief de ITB), zal uitspraken doen over de kenmerken van de bereikte doelgroep, de werkwijzen en procedures van de jeugdreclassering en de resultaten van jeugdreclassering ten aanzien van het bereiken van gestelde doelen (zowel pedagogisch als ten aanzien van het tegengaan dan wel verminderen van een criminele carrière).

In het najaar van 2002 zal door het WODC een zogenaamd consultancy/adviesproject worden uitgevoerd ter voorbereiding van de in 2003 aan te vangen proces- en productevaluatie van ITB-harde kern en ITB-CRIEM. In de procesevaluatie komen aan de orde de totstandkoming van de (beoogde) samenwerking tussen de partijen en de gewenste verandering daarin ten behoeve van een optimale ITB-product. In de productevaluatie zal nader worden ingegaan op de bereikte doelgroep, de verwijzende instantie, de doorverwijzing en het effect op het criminele pad van de jongere.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De prestatiegegevens zijn vooralsnog uitsluitend gericht op de aantallen activiteiten (gebundeld onder verschillende noemers). Jeugdreclassering vormt een schakel in de totale ketenaanpak van de jeugdcriminaliteit. In deze keten zijn verschillende organisaties, te weten de politie, de RvdK, het OM, de RM, DJI en de jeugdreclassering betrokken. De keten is grofweg in te delen in de fase van het eerste politiecontact tot en met een (eventueel) vonnis van de rechter èn de fase vanaf executie tot en met nazorg. In beide fasen kan de jeugdreclassering diverse activiteiten uitvoeren. Voor een pedagogisch verantwoorde aanpak van de jeugdcriminaliteit is het van belang dat de totale doorlooptijd van het eerste politiecontact tot en met uitvoering van de straf of maatregel zo kort mogelijk is. Om de doorlooptijd in de totale jeugdstrafrechtsketen te verkorten is in 2001 een specifiek project gestart.

4 – RECHTSPLEGING EN RECHTSBIJSTAND

Beleidsartikel 4.1 Rechtspleging

Een kerntaak van de Staat is het onderhouden van een hoogwaardig justitieel bestel, dat wil zeggen een stelsel van goed functionerende, onafhankelijke rechtspraak. Met ingang van 2002 zijn de taken en bevoegdheden op het terrein van de rechtspleging ingrijpend gewijzigd. De minister van Justitie is verantwoordelijk voor het justitiële bestel en het kunnen functioneren van de rechterlijke organisatie in dat bestel. De wijze waarop de algemene doelstellingen op het terrein van de rechtspraak – zoals goede kwaliteit, vlotte afhandeling van zaken en goede toegankelijkheid voor de burger – worden bereikt, is echter uitdrukkelijk een zaak van de rechterlijke macht zelf. Deze taakverdeling is neergelegd in de nieuwe wetgeving inzake de modernisering van de rechterlijke organisatie die per 1 januari 2002 in werking is getreden. In de nieuwe verhouding tussen de minister van Justitie en de rechtsprekende macht ligt de verantwoordelijkheid van de minister vooral bij het in stand houden van een adequaat wettelijk kader, het verstrekken van de middelen die nodig zijn om goede rechtspraak te kunnen realiseren en het verkrijgen van inzicht in het functioneren van de rechtspraak in termen van de effecten van de inzet van de verstrekte middelen.

Voor de toegankelijkheid van het justitiële bestel is ook het onderhouden van een goed stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voor diegenen die zelf over ontoereikende middelen beschikken van belang. Daarom is ook daarvoor de minister van Justitie verantwoordelijk. Dat beleid wordt verder toegelicht onder beleidsterrein 4.2 gesubsidieerde rechtsbijstand.

Beleidsdoelstelling 4.1

Het scheppen van voorwaarden voor het optimaal functioneren van het stelsel van rechtspraak.

De rechterlijke macht is, op basis van de Grondwet en de Wet op de Rechterlijke Organisatie, bevoegd om geschillen op het vlak van burgerlijke rechten en schuldvorderingen, administratieve geschillen en strafbare feiten te beslechten. Aan een goed functionerende rechtspraak worden verschillende eisen gesteld. De belangrijkste hiervan zijn ontleend aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dit artikel bepaalt dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Dit brengt met zich mee dat de rechtspraak zal moeten voldoen aan eisen op het terrein van de lengte van de procedures, de toegankelijkheid van de rechtspraak, en de eenheid van rechtstoepassing. Om aan deze eisen te kunnen voldoen zal de rechterlijke organisatie georiënteerd moeten zijn op de behoeften van de samenleving. Het is in de eerste plaats de taak van de Raad voor de Rechtspraak aan deze opdracht inhoud te geven door het ontwikkelen van concrete beleidsdoelstellingen en te bevorderen dat deze in de gerechten worden gerealiseerd. In het eerste begrotingsvoorstel dat de Raad op basis van artikel 98 Wet op de Rechterlijke Organisatie bij de minister van Justitie heeft ingediend wordt hieraan invulling gegeven door het opnemen van algemene doelstellingen en de daaraan gekoppelde prestaties uit te drukken in totaal aantal zaken dat per categorie, naar verwachting, door de gerechten zal worden behandeld in het jaar 2003.

Beleidsprioriteiten

Uitbreiding capaciteit gerechten (Raad voor de Rechtspraak) en de Hoge Raad

Uitbreiding van de capaciteit bij de gerechten en de Hoge Raad is wenselijk om te voorkomen dat een verstopping optreedt in de civiele- en de strafrechtspleging. Zonder uitbreiding van de capaciteit dreigen de werkvoorraden bij de gerechten op te lopen en de doorlooptijden toe te nemen. Mede als gevolg van een voortschrijdende juridisering van de samenleving, de toenemende bereidheid van de burger om voor de rechter te procederen en een stijging van het aantal strafzaken wordt een steeds groter beroep op de rechter gedaan. Om het verhoogde aanbod van zaken op een adequate wijze te kunnen verwerken moet de rechtsprekende macht voldoende zijn toegerust. Hiertoe zijn extra middelen beschikbaar gesteld, € 5 miljoen in 2002 en € 10 miljoen vanaf 2003.

Teneinde de capaciteitsuitbreiding in het komende jaar te kunnen realiseren zullen binnen de rechterlijke macht extra inspanningen worden verricht op het gebied van de werving en selectie van rechters en ondersteunend personeel. Daarnaast zullen als gevolg van de uitbreiding van capaciteit hogere opleidingskosten worden gemaakt. De uitbreiding van de capaciteit is overigens niet beperkt tot de gerechten (Raad voor de Rechtspraak). Ook bij de Hoge Raad is sprake van te hoge werkvoorraden en een autonome groei van het zaaksaanbod. Tevens wordt onder invloed van de invoering van cassatie in douanezaken de werklast van de Hoge Raad vergroot. Toenemende productie en kwaliteit bij de Hoge Raad vragen om een uitbreiding van de capaciteit.

Verdere uitbreiding van het aantal vreemdelingenkamers

Met ingang van april 2001 is de nieuwe Vreemdelingenwet van kracht. Eén van de elementen van deze wet vormt de rechterlijke toetsing van vreemdelingenbewaringen. Het aantal vreemdelingenbewaringszaken neemt hierdoor gestaag toe. Alleen al in 2001 ging het om 17 500 zaken, waarbij moet worden bedacht dat de wet pas in april van dat jaar in werking is getreden. In de praktijk zal het aantal vreemdelingenbewaringszaken circa 100% hoger uitkomen dan waarmee bij de invoering van de nieuwe Vreemdelingenwet rekening is gehouden. Om ervoor te zorgen dat de achterstanden kunnen worden weggewerkt en niet verder oplopen is een uitbreiding van 15 naar 19 vreemdelingenkamers voorzien en worden de bestaande vreemdelingenkamers met 20% uitgebreid. Door middel van deze uitbreiding kan de instroom van zaken worden afgedaan en kunnen de voorraden in 2006 zijn weggewerkt. De kosten van de capaciteitsuitbreiding bij de vreemdelingenkamers bedragen in totaal € 9 miljoen in 2002 en € 21,4 miljoen voor de jaren 2003 t/m 2006.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 4.1       
        
uitgaven733 447680 875682 827697 831686 485686 525663 628
        
ontvangsten126 078116 369137 361138 361140 361141 361141 361
        
verplichtingen726 288680 875682 827697 831686 485686 525663 628

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 4.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 682 827 697 831 686 485 686 525 663 628
waarvan:          
- personeel en materieel 679 274 694 283 682 937 682 977 660 080
- beleid 3 553 3 548 3 548 3 548 3 548
waarvan:          
a. juridisch verplicht67,1%2 38559,3%2 10451,9%1 84040,8%1 44830,7%1 090
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden32,9%1 16835,9%1 27438,5%1 36744,8%1 58950,1%1 776
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%04,8%1709,6%34114,4%51119,2%682
           
Totaal uitgaven beleid100,0%3 553100,0%3 548100,0%3 548100,0%3 548100,0%3 548

Operationele doelstelling 4.1.1

Het scheppen van voorwaarden voor het kunnen functioneren van de rechtspraak.

Deze operationele doelstelling van de minister van Justitie kan worden vertaald in vier aandachtsgebieden. Het zorgen voor een strategische beleidsvisie op het stelsel, voor voldoende financiële middelen, voor een toereikend wettelijk kader en voor een adequaat inzicht in het functioneren van de rechtsprekende organisatie onder verantwoordelijkheid van de Raad voor de Rechtspraak. Eén en ander laat zich als volgt toelichten.

Strategische beleidsvisie op het stelsel

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor de wijze waarop het stelsel van rechtspraak maatschappelijk functioneert en aansluit op de ontwikkelingen in de samenleving. De bestelverantwoordelijkheid van de minister houdt in dat Justitie een visie heeft op de richting waarin het justitiële bestel – en dus ook de rechtspraak – zich dient te bewegen. Voor de rechtspraak gaat het dan om zaken als de rol van justitiabelen in het procesrecht, de verhouding tussen alternatieve vormen van geschillenbeslechting en de reguliere rechtspraak, de relatie met buitengerechtelijke afdoeningen, de absolute en relatieve competentie in de organisatie van de rechtspraak, de mate van openbaarheid en de verhouding tussen de staande en zittende magistratuur. In het strategisch akkoord zijn enkele algemene principes verwoord om het functioneren van publieke organisaties te herijken: meer keuzevrijheid en verantwoordelijkheid voor de burger, meer vrijheid van uitvoerende organisaties ten opzichte van centrale sturing en openbaarheid.

Voldoende financiële middelen

Ten aanzien van de bekostiging van de Raad voor de Rechtspraak is een bekostigingsmodel ontwikkeld waarin een directe relatie wordt gelegd tussen capaciteit en bekostiging enerzijds en de werklast van de gerechten anderzijds. Deze bekostigingssystematiek is in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vastgelegd en door de Tweede Kamer geaccordeerd. De begroting van de Raad voor de Rechtspraak ten behoeve van de gerechten is dan ook gebaseerd op dit model. Indien de Minister het noodzakelijk acht af te wijken van de door de Raad ingediende begroting zal hij dit toelichten in de Memorie van Toelichting. In de hierna volgende paragraaf wordt dit nader uiteengezet.

Gezien de hierboven in paragraaf 4.1 vermelde ontwikkelingen is bij de gerechten behoefte aan extra capaciteit. Ook de effecten van de nieuwe Vreemdelingenwet, waaronder de toename van het aantal bewaringszaken bij de rechtbanken, vragen om extra capaciteit. Hiervoor zijn in deze begroting dan ook extra middelen beschikbaar gesteld. Anderzijds is in het strategisch akkoord uiteengezet dat met name in het jaar 2003 voor de verschillende begrotingshoofdstukken niet of nauwelijks extra middelen beschikbaar zijn, terwijl waar mogelijk ook sprake is van uitgavenbeperking in verband met verhoging van de doelmatigheid. Dit gegeven leidt tot beperking van de mate waarin de – binnen het justitiehoofdstuk opgenomen – begroting voor de rechtspraak in 2003 kan worden verhoogd overeenkomstig het begrotingsvoorstel van de Raad voor de Rechtspraak. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de begroting ten behoeve van de Hoge Raad, die geen onderdeel uitmaakt van het begrotingsvoorstel van de Raad voor de Rechtspraak.

Beschikbaar gestelde middelen versus de begroting van de Raad voor de Rechtspraak

De Raad voor de Rechtspraak heeft een begroting ingediend zoals bedoeld in artikel 98 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. In deze begroting heeft de Raad zo goed mogelijk rekening gehouden met onder meer gewijzigde inzichten, de uitkomsten bij voorjaarsnota en het strategisch akkoord van 3 juli 2002. De Raad geeft hierin aan een aanzienlijke toename van instroom van zaken te verwachten en wenst hiervoor volgens de in de bekostigingssystematiek neergelegde systematiek te worden gecompenseerd. Het geconsolideerde begrotingsvoorstel wordt separaat aan de beide kamers aangeboden.

Een deel van deze extra gewenste middelen kan in de jaren na 2003 beschikbaar komen uit de beschikbaar gestelde middelen voor veiligheid. Dit zal met name voor de strafsectoren gelden. Daarnaast zijn ook al bij Voorjaarsnota 2002 beperkt middelen beschikbaar gesteld voor extra capaciteit. Deze extra middelen zijn echter naar alle waarschijnlijkheid onvoldoende om de uitbreidingswens van de Raad zoals in de begroting van de Raad staat verwoord te kunnen vervullen. Nadere uitwerking van de te verwachten effecten van de extra middelen voor de instroom van zaken bij de ZM zal moeten uitwijzen in hoeverre de uitbreidingswens van de Raad moet worden bijgesteld. Naast de extra verkregen capaciteitsmiddelen wordt in het strategisch akkoord ook gesproken van doelmatigheidswinst binnen de overheid. In beginsel zal ook de Raad voor de Rechtspraak hier invulling aan moeten geven, althans voor de niet executieve delen van de rechterlijke organisatie. Naast de al door de Raad aangegeven en ingezette doelmatigheidswinst wordt de Raad dan ook uitdrukkelijk uitgenodigd hiertoe verdere maatregelen te treffen. De mogelijke doelmatigheidswinst is een bijdrage aan de invulling van de taakstelling uit het strategisch akkoord. Verdere doelmatigheidswinst kan worden ingezet voor het afdoen van extra zaken.

Overigens is het op dit moment nog onduidelijk wat de gevolgen van de diverse beleidsvoornemens uit het strategisch akkoord voor de werklast bij de gerechten zijn. De verwachting is dat de door de Raad voor de Rechtspraak geprognosticeerde instroom van zaken aan de (te) hoge kant is. Naast een te verwachten toename van de werklast zal op diverse punten ook een afname van de werklast zichtbaar zijn (als gevolg van een verhoging van de griffierechten, de afschaffing van de OZB en het ontwikkelen van alternatieven voor de rechtspraak). Deze elementen zullen in kaart moeten worden gebracht om een compleet beeld te kunnen vormen van de te verwachten werklastontwikkeling. Indien de gerechten erin slagen de doelmatigheid verder op te voeren moet het ook mogelijk zijn de reële instroom af te handelen zonder dat de doorlooptijden oplopen. Vooralsnog worden dan ook minder extra middelen ten behoeve van capaciteitsuitbreidingen bij de Raad voor de Rechtspraak beschikbaar gesteld dan gevraagd in de begroting van de Raad. Ook ten aanzien van de invoering van belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties is het nog niet duidelijk of en zo ja wanneer dit voorstel zal worden ingevoerd. De financiering van de hiermee gemoeide kosten is nog niet geregeld.

Naast de door de Raad verwachte werklast zijn op enkele andere gebieden ook extra middelen geclaimd. Deze onderwerpen zijn opleidingen, ICT, huisvesting en een risicoreserve.

Ten aanzien van de opleidingsclaim is bij Voorjaarsnota 2002 een deel gehonoreerd. Dit deel had betrekking op de uitbreiding van de lokale opleidingscapaciteit. Al jaren worden gerechten hiervoor volgens de Raad niet toereikend gecompenseerd, met als gevolg een verlies aan productie. De Minister van Justitie acht de door de Raad hiervoor ingediende claim onvoldoende onderbouwd. In overleg met de Raad zal dit nader moeten worden uitgewerkt. Deze uitwerking kan vervolgens eventueel leiden tot de herijking van de in de AMvB bekostiging opgenomen opslagpercentages.

Ook ten aanzien van de ICT-claim van de Raad geldt dat onvoldoende duidelijk is gemaakt in hoeverre het bestaande budget en de uit de zogenaamde opslagen beschikbaar gekomen middelen ontoereikend zijn om deze uitgaven te kunnen doen. Ook hier zullen bij de herijking van het opslagpercentage ten behoeve van de bekostigingssystematiek de daadwerkelijke kosten en de eventuele tekorten op het bestaande budget aan het licht moeten komen.

Op het gebied van huisvesting van de gerechten en hun diensten wordt, uitgaande van een jaarlijkse groei van circa 4,8%, een tekort voorzien in het jaar 2005 van circa € 11 miljoen. Zoals ook hierboven al is aangegeven is het op dit moment nog onduidelijk in hoeverre de gerechten de komende jaren zullen moeten en kunnen groeien. Daarnaast is het nog onzeker in hoeverre dit tekort zich volledig in 2005 zou manifesteren. De verwachting is dat, uitgaande van het groeiscenario zoals dat door de Raad is geschetst, met behulp van intertemporele compensaties de komende jaren eventuele tekorten kunnen worden afgedekt. Derhalve is het nog te vroeg specifieke extra middelen voor huisvesting toe te kennen.

Ook wil de Raad voordat een baten/lasten stelsel wordt ingevoerd (streefdatum 1-1-2004) al een risicoreserve toebedeeld krijgen. Door het ministerie van Financiën zijn rijksbrede regels opgesteld t.b.v. de instelling van baten/lastendiensten. Het vooraf opbouwen van een risicoreserve is hierin niet voorzien.

Over de in deze begroting vastgestelde kaders voor de Raad voor de Rechtspraak en de afwijkingen ten opzichte van de door de Raad ingediende begroting is de minister van Justitie met de Raad in overleg getreden. De Minister heeft de Raad gevraagd een jaarplan op te stellen op basis van de nu beschikbare middelen. De hoofdlijnen van dit jaarplan en zijn bevindingen daarbij worden voor de begrotingsbehandeling aan de Kamer gezonden. Het volledige jaarplan van de Raad volgt later in het jaar.

Adequaat wettelijk kader

Met de herziening van de Wet op de Rechterlijke Organisatie is het wettelijk kader inzake het functioneren van de rechtspraak in belangrijke mate bij de tijd gebracht. In het parlementaire debat over de wetsvoorstellen is op onderdelen gesproken over mogelijke knelpunten. De Staten-Generaal hebben dan ook aangedrongen op een tijdige en permanente monitoring en evaluatie van het stelsel. Toegezegd zijn evaluaties van onder andere het situeringsbeleid, het functioneren van het bestuursmodel, de tijdbesteding van rechters, de overheveling van kantonappèllen naar de gerechtshoven en de realisatie van de doelstellingen van de wet. De komende jaren zal het ministerie van Justitie – uiteraard in nauwe samenwerking met de Raad en andere betrokkenen – starten met het ontwikkelen en uitvoeren van dit meerjarige evaluatieprogramma. Eventueel tussentijds gesignaleerde knelpunten zouden zonodig tot eerdere aanpassingen kunnen leiden.

Inzicht in het functioneren van de rechterlijke organisatie

Het inzicht in het functioneren van de Raad voor de Rechtspraak en de gerechten wordt verkregen door het jaarplan en de verantwoording van de Raad welke aan de Tweede Kamer zullen worden verzonden. Ten aanzien van de presentatie en de hoofdlijnen van de inhoud van deze producten kan de Minister eisen stellen. Zo zullen deze rapportages in VBTB-stijl moeten worden opgesteld. Hiertoe is het noodzakelijk dat de rechtsprekende macht een systeem van kwaliteitszorg ontwikkelt waardoor de gerechten aan de burgers inzichtelijk kunnen maken in welke mate zij voldoet aan de relevante professionele vereisten. Hiervoor is het van belang dat de Raad voor de Rechtspraak zelf aangeeft aan welke kwaliteitseisen een goed systeem van rechtspraak dient te voldoen, alsmede inzicht geeft in de mate waarin dat op een bepaald moment het geval is. Een dergelijk systeem is thans nog niet beschikbaar voor de Nederlandse rechtsprekende macht. De ontwikkeling daarvan is ter hand genomen door de Raad voor de Rechtspraak.

Eind 2002 zal de Kamer het eerste jaarplan 2003 van de Raad voor de Rechtspraak ontvangen, in de eerste helft van 2003 gevolgd door een verantwoordingsrapportage over 2002.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.1.1       
        
uitgaven714 107636 931639 978655 250643 640643 663620 763
programma-uitgaven706 362630 023632 423649 253639 140639 145616 245
waarvan:       
– bijdragen 13 97513 97513 97513 97513 97513 975
apparaatsuitgaven7 7456 9087 5555 9974 5004 5184 518
        
ontvangsten126 078116 369137 361138 361140 361141 361141 361
        
verplichtingen707 053636 931639 978655 250643 640643 663620 763

Overzicht indicatieve meerjarige ontwikkeling zaaksproductie Rechtsprekende Macht

 20032004200520062007
Basisstand productieplanning 2002     
– sector civiel913 000913 000913 000913 000913 000
– sector bestuur109 000113 000106 00091 00091 000
– belasting18 30018 30018 30018 30018 300
– sector straf416 600416 600416 600416 600416 600
Totaal1 456 9001 460 9001 453 9001 438 9001 438 900

Toelichting

Bovenstaande zaaksproductie was gebaseerd op de budgettaire stand bij Voorjaarsnota 2002. Op deze stand is de separaat toegezonden begroting van de Raad gebaseerd. Op basis van het inmiddels gewijzigde budgettaire kader zal de Raad voor de Rechtspraak zijn productieplanning aanpassen. Deze productieplanning zal in het jaarplan van de Raad worden opgenomen. Op basis van dit jaarplan en het overleg hierover met de Raad, zullen afspraken worden gemaakt over de bij dit budget passende prestaties. In mijn reactie op het jaarplan dat gezamenlijk met het jaarplan van de Raad aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden ga ik tevens in op deze gemaakte afspraken. Met de bestaande middelen (stand voorjaarsnota) kan door de Raad de bovenstaande zaaksproductie worden gerealiseerd. De fluctuatie in de zaaksproductie in de sector bestuur wordt hierbij veroorzaakt door de verdere uitbreiding van de vreemdelingenkamers met ingang van 2002 waardoor de komende jaren een stijging van de productie is waar te nemen. De verwachting is dat in 2006 de voorraden zijn weggewerkt.

Naast deze bestaande productie voorziet de Raad in de toekomst op een aantal terreinen een verdere toename van de instroom. Deze door de Raad voorziene toename ziet er als volgt uit.

Productietoename begroting Raad voor de Rechtspraak (aantallen)

 20032004200520062007
– civiel (autonome groei/doorlooptijden)6 00018 00030 00040 00052000
– bestuur (intensivering bestuurlijke handhaving)2 5008 00014 00020 00025 000
– belasting (invoering belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties) *15 00012 00012 0009 000 
– straf (veiligheid)25 00070 00095 000185 000195 000
Totaal33 500111 000151 000257 000281 000

* Hierbij is er door de Raad vanuitgegaan dat de invoering van deze wijziging op korte termijn zal plaatsvinden. Of, en zo ja wanneer deze wijziging zal worden doorgevoerd is echter nog onduidelijk.

Zoals hierboven onder «voldoende financiële middelen» is aangeven, kunnen de wensen van de Raad om een aantal redenen slechts zeer beperkt worden gehonoreerd.

Beleidsevaluatie-onderzoek

In de Wet Raad voor de Rechtspraak en de Wet Organisatie Bestuur Gerechten (WOBG) is vastgelegd dat het nieuwe stelsel vijf jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd. De komende jaren worden enkele onderzoeken gestart, die uiteindelijk tezamen de evaluatie van de wet Raad en de WOBG vormen.

De verschillende onderzoeken worden ingebed in een evaluatieprogramma. In overleg met de Raad wordt geïnventariseerd naar welke onderwerpen en aspecten onderzoek moet worden gedaan, onder wiens verantwoordelijkheid deze onderzoeken vallen (de minister van Justitie of de Raad), wanneer deze onderzoeken het best plaats kunnen vinden en welke onderzoekswijze het meest voor de hand ligt.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Bij AMvB wordt per 1 januari 2003 de wijze van bekostiging van de Raad voor de Rechtspraak geregeld. De basis van deze bekostiging is de directe relatie tussen productie en middelen. Binnen deze systematiek worden zaakscategorieën onderkend waaraan door middel van een objectieve werklastmeting kosten worden toegerekend. Naast deze werklast wordt op een aantal terreinen afzonderlijk bekostigd, het gaat daarbij om de huisvesting, opleidingen, informatie-technologie en het bureau van de Raad. Op deze terreinen zal de Raad een afzonderlijke begroting indienen. Met ingang van de volgende begroting zal op deze terreinen afzonderlijke inzicht worden geboden in de door de Raad benodigde middelen en de wijze waarop de minister aan deze wensen tegemoet komt.

Om beter inzicht te verschaffen in de mate waarin de minister van Justitie zijn verantwoordelijkheden, met name op het punt van de adequate facilitering van de rechtsprekende macht, waarmaakt zal de komende jaren het bekostigingsmodel verder worden ontwikkeld. Om dit te bewerkstelligen is er in maart 2002 een onderzoek gestart naar de mogelijke verbeteringen en vereenvoudigingen ten opzichte van het huidige model. In het najaar van 2002 zal dit onderzoek worden afgerond. Daarnaast is de Raad gevraagd indicatoren te ontwikkelen om de door de Raad opgenomen doelstellingen en de mate van doelbereiking met betrekking tot het vergroten van de uniforme rechtstoepassing, het bekorten van de doorlooptijden, het bevorderen van de toegankelijkheid van de rechtspraak, het vergroten van de externe oriëntatie en het doelmatig inzetten van de beschikbaar gestelde middelen inzichtelijk te maken. Deze indicatoren zullen in de rapportages van de Raad aan de minister en de Tweede Kamer worden opgenomen. Echter voor wat betreft de eerstvolgende rapportages (jaarplan eind 2002 en verantwoording begin 2003) is dit wellicht nog niet mogelijk. De Raad is gevraagd dergelijke gegevens wel in de daarop volgende rapportages op te nemen.

Zoals in de voorgaande tekst al is aangegeven zal ik het jaarplan van de Raad en mijn bevindingen daarbij aan de Kamer doen toekomen. In dit schrijven zal tevens een eerste uiteenzetting van mijn strategische beleidsvisie op het stelsel van de rechtspraak worden opgenomen. Mede in het licht van deze strategische beleidsvisie zal het jaarplan van de Raad voor de Rechtspraak worden beoordeeld en op basis hiervan zal ik mijn bevindingen opstellen.

Operationele doelstelling 4.1.2

Het zorgen voor voldoende financiële middelen en een adequaat inzicht in het functioneren van de rechtspraak zoals deze bij de Hoge Raad plaatsvindt.

De Hoge Raad is een organisatie met bijzondere taken in het gehele stelsel van de rechtspraak. De Hoge Raad valt niet onder het bereik van de Raad voor de Rechtspraak.

In tegenstelling tot de Raad voor de Rechtspraak blijft de minister in beheersmatig opzicht verantwoordelijk voor de Hoge Raad. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat, net als bij de Raad voor de Rechtspraak het geval is, de minister niet primair verantwoordelijk is en kan zijn voor de prestaties die door de Hoge Raad worden geleverd. Bij de Hoge Raad is dus sprake van een «duale structuur» met enerzijds de onafhankelijke leden van de rechtsprekende macht (belast met rechtspraak) en van het parket (belast met de onafhankelijke advisering van de rechtsprekende macht) en anderzijds de beheersmatige verantwoordelijkheid die ligt bij de directeur bedrijfsvoering van de Hoge Raad, die mandaat heeft van de minister van Justitie voor het ondersteunend personeel en het beheer.

De minister kan slechts faciliterend optreden richting de Hoge Raad en zorgdragen dat de rechtspraak zoals deze bij de Hoge Raad functioneert, van voldoende financiële middelen wordt voorzien. Om inzicht te bieden in de toereikendheid van deze middelen is een indicatief overzicht opgenomen van de werklast in de vorm van de in- en uitstroom van zaken.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.1.2       
        
uitgaven12 30818 06317 99518 30018 51918 52418 525
programma-uitgaven12 27218 01017 94218 25018 46918 47418 475
apparaatsuitgaven36535350505050
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen12 18418 06317 99518 30018 51918 52418 525

Volumegegevens

Figuur 3: Instroom zaken Hoge Raadkst-28600-VI-2-3.gif

Figuur 4: Uitstroom zaken Hoge Raadkst-28600-VI-2-4.gif

Overzicht instroom en uitstroom Hoge Raad

 realisatierealisatierealisatieprognosebegroting
 19992000200120022003
Instroom     
Civiele zaken594522505595595
Strafzaken4 3564 0852 4653 2153 215
Belastingzaken8579751 1771 0591 059
Totaal5 8075 5824 1474 8694 869
      
Uitstroom     
Civiele zaken498530541585585
Strafzaken4 2744 3463 2153 0153 015
Belastingzaken1 0899661 1771 0921 092
Totaal5 8615 8424 9334 6924 692

De hier opgenomen aantallen zaken voor het jaar 2002 betreffen de ramingen zoals deze medio 2001 door de Hoge Raad zijn gemaakt. Voor het jaar 2003 is van dezelfde ramingen als voor 2002 uitgegaan. In het kader van de beheerrelatie met de Hoge Raad zal een betere aansluiting met het departementale begrotingsproces plaatsvinden.

Opvallend is de sterke daling van de in- en uitstroom van strafzaken vanaf 2001. Dit is met name het gevolg van de vervanging van het beroep in cassatie in Mulderzaken door (de mogelijkheid van) hoger beroep in Mulderzaken. Vanaf 1 januari 2000 kan hoger beroep in deze zaken worden ingesteld bij het Gerechtshof in Leeuwarden.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Gezien de verantwoordelijkheid van de minister voor het goed kunnen functioneren van het stelsel van de Rechtspraak zal de minister in overleg met de Hoge Raad indicatoren ontwikkelen die aansluiten bij deze verantwoordelijkheid. Het streven is om met ingang van de begroting 2004 ook deze gegevens in de begroting op te nemen.

Operationele doelstelling 4.1.3

Het scheppen van voorwaarden voor een doelmatige inzet van middelen bij het College Bescherming Persoonsgegevens, de Commissie Gelijke Behandeling, de Centrale Justitiële Documentatiedienst en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, met inachtneming van de eisen die gesteld worden aan de professionele kwaliteit.

De minister is verantwoordelijk voor het faciliteren van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), de Centrale Justitiële Documentatiedienst (CJD) en de Nederlandse vereniging van rechtspraak mogelijk te maken dat de werkzaamheden bij deze organisatieonderdelen op een adequate wijze worden verricht. Concreet betekent dit dat aan deze colleges financiële middelen ter beschikking worden gesteld, waarmee zij uitvoering kunnen geven aan de taken die aan hen zijn opgedragen. De taken van deze organisaties worden hieronder kort weergegeven.

College Bescherming Persoonsgegevens

Het CBP – onder de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) de opvolger van de Registratiekamer – houdt toezicht op de naleving van wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.

Commissie Gelijke Behandeling

Voor het adviseren over de naleving van de Algemene Wet Gelijke Behandeling en het bevorderen van eenduidige wetstoepassing op het terrein van gelijke behandeling is de CGB in het leven geroepen. De CGB is een onafhankelijke organisatie, waar burgers met klachten over ongelijke behandeling terecht kunnen.

Centrale Justitiële Documentatiedienst

Bij de CJD zijn de taken belegd die de minister heeft uit hoofde van de «Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag». Het gaat daarbij in het bijzonder om het beheer van de (geautomatiseerde) registers met strafbladen e.d. Als neventaken beheert de CJD het archief van dubbele akten van de burgerlijke stand en voert het de exploitatie van een aantal geautomatiseerde informatiesystemen met persoonsgegevens.

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak

De NVvR heeft op basis van de Wet Rechtspositie rechterlijke ambtenaren twee taken: enerzijds fungeert de NVvR als vakbond voor rechterlijke ambtenaren, anderzijds verstrekt zij adviezen over wetsontwerpen die van belang zijn voor de rechterlijke macht. Deze taken komen tot uiting in zaken als het sectoroverleg over de arbeidsvoorwaarden van de rechterlijke macht respectievelijk het verstrekken van wetgevingsadviezen aan de minister.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.1.3       
        
uitgaven5 12325 62324 59124 02824 07224 08424 086
programma-uitgaven5 11925 60124 56824 00724 05124 06324 065
apparaatsuitgaven4222321212121
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen5 07125 62324 59124 02824 07224 08424 086

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De positionering van deze organisatieonderdelen binnen de begroting wordt momenteel tegen het licht gehouden. Mogelijk dat één of meerdere organisatieonderdelen in de volgende begroting elders worden ondergebracht. Voor zover dit niet het geval is zal per organisatie een operationele doelstelling worden geformuleerd met de daarbij behorende prestatieindicatoren. In de begroting 2004 zal dit worden opgenomen.

Operationele doelstelling 4.1.4

Het faciliteren van ontwikkelingen op het gebied van internationalisering en rechtspraak.

Door Justitie, in samenwerking met de Raad voor de Rechtspraak en andere relevante actoren, worden beleidsinitiatieven ontplooid op het gebied van internationalisering en rechtspraak. Een deel van deze activiteiten zal betrekking hebben op het vergroten van de toegankelijkheid van Europeesrechtelijke kennisbronnen ten behoeve van de rechterlijke organisatie. In het kader van het project EURINFRA wordt gewerkt aan de bouw van een infrastructuur, bestaande uit een intranet en een helpdesk. Dit project moet worden gezien als één van de instrumenten waarmee de toegangelijkheid van Europeesrechtelijke kennisbronnen vergroot kan worden. Aangezien de verdere uitvoering van het project EURINFRA bij de Raad voor de Rechtspraak ligt is dit deel van het budget overgeheveld naar operationele doelstelling 4.1.1 Raad voor de Rechtspraak.

In aanvulling hierop worden enkele beleidsinitiatieven ondernomen teneinde de samenwerking tussen lidstaten op het gebied van de rechtspraak of tussen een internationaal straftribunaal in Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties te vergroten. Activiteiten die hiermee samenhangen betreft het uitzetten van een voorlichtingstraject ten behoeve van alle relevante autoriteiten in Nederland (opsporings- en vervolgingsautoriteiten), die in contact komen met het International Criminal Court. Daarnaast wordt in 2002 gewerkt aan de verdere uitbouw van een Europees Justitieel Netwerk (EJN). Met name in het komend jaar wordt bezien hoe het functioneren van dit netwerk zich gaat verhouden met het op te richten Eurojust. Nationaal moeten procedures worden ontwikkeld om de relatie tussen het EJN en de Internationale Coördinatie Centra inzake rechtshulpverlening in Nederland verder gestalte te geven. In aanvulling op beleidsactiviteiten die gericht zijn op toegankelijkheid en samenwerking vereist de vestiging van het International Criminal Court in Den Haag in het komende jaar bijzondere aandacht.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.1.4       
        
uitgaven1 909258263253254254254
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven1 909258263253254254254
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen1 980258263253254254254

Beleidsartikel 4.2 Rechtsbijstand

Beleidsdoelstelling 4.2

Waarborgen van de toegang tot het recht voor rechtzoekenden die niet over voldoende financiële middelen beschikken en die deskundige juridische bijstand nodig hebben.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 4.2       
        
uitgaven277 840331 604336 586339 368340 098340 239340 259
        
ontvangsten04 1294 1294 1294 1294 1294 129
        
verplichtingen310 402331 604336 586339 368340 098340 239340 259

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 4.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 336 586 339 368 340 098 340 239 340 259
waarvan:          
- personeel en materieel 774 781 782 783 783
- beleid 335 812 338 587 339 316 339 456 339 476
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)100,0%335 812100,0%338 587100,0%339 316100,0%339 456100,0%339 476
           
Totaal uitgaven beleid100,0%335 812100,0%338 587100,0%339 316100,0%339 456100,0%339 476

Operationele doelstelling 4.2.1

Een adequaat stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voor minderdraagkrachtige rechtzoekenden.

De toegang tot het recht dient mede op grond van verdragsrechtelijke- en grondwettelijke verplichtingen te worden gewaarborgd. Om aan die verantwoordelijkheid inhoud te geven is een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand ontwikkeld voor rechtzoekenden die niet over voldoende financiële middelen beschikken en deskundige juridische bijstand nodig hebben. Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand is wettelijk geregeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) waarvan de uitvoering is opgedragen aan de vijf Raden voor rechtsbijstand.

De Raden voor rechtsbijstand zijn belast met de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in hun ressort en met het toezicht op de uitvoering daarvan. In elk arrondissement is een stichting rechtsbijstand (Bureau Rechtshulp) die door de Raad wordt gesubsidieerd. De bureaus verzorgen een publieksfunctie (informatie, vraagverheldering en doorverwijzing), een kosteloos spreekuur van een half uur en een verlengd spreekuur van 3 uur tegen betaling van € 13,50. Indien verdergaande rechtshulp nodig is kan de rechtzoekende via het Bureau Rechtshulp een toevoeging aanvragen, of daarvoor een advocatenkantoor inschakelen. Een rechtzoekende kan ook rechtstreeks een advocatenkantoor benaderen zonder eerst naar een Bureau Rechtshulp te gaan. Het stelsel kent namelijk een vrije advocatenkeuze, dat inhoudt dat rechtzoekenden de vrijheid hebben een door hen te kiezen advocaat te verzoeken hun geschil op te lossen. De advocaat vraagt namens de rechtzoekende een toevoeging aan bij de Raad voor rechtsbijstand, die na een afweging van inhoudelijk en financieel belang en na een inkomenstoets beslist of een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand wordt afgegeven. Voorwaarde is dat de advocaat is ingeschreven bij de Raad voor rechtsbijstand. Voor inschrijving gelden door de Raad vastgestelde voorwaarden.

De beslissing van de Raad over het verlenen van een toevoeging is voor bewaar en beroep vatbaar. De rechtzoekende betaalt zijn inkomensafhankelijke eigen bijdrage rechtstreeks aan de advocaat, die de overige kosten declareert bij de Raad.

Op grond van de Wrb kunnen burgers met een inkomen en vermogen beneden een wettelijk vastgestelde grens tegen betaling van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage een beroep doen op een toegevoegde advocaat. Per 1 januari 2002 ligt deze grens op € 1 344 voor alleenstaanden en op € 1 920 voor gehuwden/samenwonenden. Het betreft hier het netto inkomen per maand.

Het te verwachten beroep op het stelsel wordt jaarlijks zo goed mogelijk geraamd. Bedacht dient te worden dat het gaat om het voorspellen van menselijk gedrag in omstandigheden die kunnen wijzigen door externe en autonome ontwikkelingen, zoals de conjunctuur en veranderingen in wet- en regelgeving. Het uurtarief op grond van de Wrb wordt verhoogd tot € 87,36 (inclusief indexering 2002) indien de rechtsbijstandverlener voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Over de kwaliteitseisen is inmiddels een convenant gesloten met de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raden voor rechtsbijstand dat geldt tot 2006. In dit kader worden advocatenkantoren die nog niet voldoen aan de gestelde criteria, door middel van flankerende maatregelen alsnog in de gelegenheid gesteld te kunnen voldoen aan de criteria. Advocaten die op 1 januari 2004 niet voldoen aan de in het convenant aangegeven dan geldende kwaliteitseisen worden op die datum door de Raad uitgeschreven.

Het interdepartementaal beleidsonderzoek met als doel voorstellen te doen omtrent verbeteringen met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van de rechtsbijstand is in het voorjaar van 2002 gereed gekomen. Daarbij is met name de mogelijkheid en wijze van inrichting van een stelsel van tariefdifferentiatie (invoeren van resultaat gerelateerde vergoedingen en eigen bijdrage) nader uitgewerkt, waarbij tevens aandacht is besteed aan de gewenste hoogte van de vergoeding in combinatie met een kwaliteitsverbetering en de effecten van tariefdifferentiatie voor de vraag, aanbod en kwaliteit van rechtsbijstand. Het kabinet heeft het standpunt ingenomen dat alle inkomensafhankelijke regelingen het belastbaar inkomen als draagkrachtbegrip dienen te hanteren. Dit standpunt is door de Tweede Kamer overgenomen. De gesubsidieerde rechtsbijstand hanteert op dit moment het netto inkomen als draagkrachtbegrip. Naar aanleiding van bovengenoemd kabinetsstandpunt en de wens om de administratieve lasten rond de toevoegingsaanvraag te verminderen, gaat de gesubsidieerde rechtsbijstand over op het belastbaar inkomen als draagkrachtbegrip. Deze overgang wordt in projectverband VIV (Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen) voorbereid. Gelet op de noodzakelijke aanpassingen van wet- en regelgeving en de uitvoeringsorganisatie (inclusief ICT) wordt verwacht dat de overgang per 1 januari 2004 gerealiseerd kan worden. Tenslotte zijn onder deze operationele doelstelling de hieraan gerelateerde kosten voor tolken en vertalers opgenomen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.2.1       
        
uitgaven277 840331 604336 586339 368340 098340 239340 259
programma-uitgaven277 035330 643335 621338 465339 387339 528339 548
waarvan:       
– subsidies277 035330 643335 621338 465339 387339 528339 548
apparaatsuitgaven805961965903711711711
        
ontvangsten04 1294 1294 1294 1294 1294 129
        
verplichtingen310 402331 604336 586339 368340 098340 239340 259

Volume- en prijsgegevens

Met onderstaande tabel wordt beoogd inzicht te geven in de omvang van de aanspraak op de gesubsidieerde rechtsbijstand. Het betreffen de verplichtingen die door de raden van de rechtsbijstand worden aangegaan.

 Realisatie 2001Verm. Uitk. 200220032004200520062007
Uitvoeringslasten raden voor rechtsbijstand       
Variabele prijs (x € 1,-)30,832,232,232,232,232,232,2
Volume (afgegeven toevoegingen en (gewogen) produkten stichtingen rechtsbijstand)400 641354 516354 516354 516354 516354 516354 516
Variabele kosten raden (x € 1 000,-)12 34011 42811 42811 42811 42811 42811 428
Vaste kosten raden, incl. automatisering1 9072 6413 5942 8682 2782 2782 278
        
Programmauitgaven raden voor rechtsbijstand       
        
Strafzaken       
Prijs (x € 1,-)722794816809809809809
Volume (aantal afgegeven toevoegingen)102 201106 201107 051107 051107 051107 051107 051
        
Civiel-/bestuursrechtelijke zaken (excl. asiel)       
Prijs (x € 1,-)664685705698698698698
Volume (aantal afgegeven toevoegingen)147 443148 000148 000148 000148 000148 000148 000
        
Inverzekeringstelling       
Prijs (x € 1,-)183211209209209209209
Volume69 56871 93571 93571 93571 93571 93571 935
        
Stichtingen rechtsbijstand       
Prijs (x € 1,-)108116116116116116116
Volume (aantal afgehandelde zaken rechtsbijstandfunctie)212 326217 065217 065217 065217 065217 065217 065
        
Rechtsbijstand aan asielzoekers       
Prijs (x € 1,-) 1 5551 5681 5501 5501 5501 550
Volume (aantal asielzoekers) 41 20045 09546 49546 97546 97546 975

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De verantwoordelijkheid voor het onderhouden van een adequaat stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand brengt met zich dat aan de hand van informatie over het functioneren van het stelsel de relevante ontwikkelingen en trends worden gevolgd. Op basis daarvan wordt beoordeeld of het stelsel nog aan zijn doelstelling beantwoordt. In 2002 is begonnen met het meer systematisch verzamelen van informatie over de verhouding tussen de vraag naar en het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand. Hiermee wordt beoogd pro-actief voor het beleid relevante trends in kaart te brengen. Naar verwachting is deze monitor, waarbij onderstaande vragen in hun samenhang worden beantwoord in 2003 operationeel. Vragen die in de monitor aan de orde zullen komen zijn onder meer:

• In hoeverre sluit het aantal beschikbare rechtsbijstandverleners (ingeschreven advocaten bij de Raden voor rechtsbijstand) aan bij het aantal rechthebbenden dat gebruik maakt van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand (publieksfunctie, spreekuurfunctie en toevoegingen). Met andere woorden, is er voldoende aanbod om aan de vraag tegemoet te komen?;

• In hoeverre wordt ten onrechte toegang verleend tot het stelsel? Dit onderdeel van de monitor is reeds operationeel en betreft de jaarlijkse steekproef van inkomensgegevens van rechtzoekenden bij de Belastingdienst. Bij gelegenheid van de jaarlijkse verantwoording is verslag gedaan van de bevindingen uit deze steekproef. Daaruit is gebleken dat sprake is van een beperkt aantal gevallen waarin ten onrechte toegang is verleend tot het stelsel;

• Hoe groot is de klanttevredenheid bij rechtzoekenden en rechtsbijstandverleners?;

• Wat is de werking van het kwaliteitszorgsysteem van rechtsbijstandverleners en raden voor rechtsbijstand en wat zijn de effecten daarvan?

Parallel aan de ontwikkeling van deze instrumenten worden in het kader van de toetsing van het stelsel normen ontwikkeld waaraan het ten minste moet voldoen. Tevens zal in het onderzoek aandacht worden besteed aan het niet-gebruik van het stelsel.

Beleidsartikel 4.3 Schuldsanering natuurlijke personen

Beleidsdoelstelling 4.3

Aanbieden van wettelijke mogelijkheden om schulden te saneren van burgers in een problematische schuldensituatie die minnelijk niet oplosbaar is.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 4.3       
        
uitgaven10 39110 80210 86210 85910 87310 87910 879
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen10 84110 80210 86210 85910 87310 87910 879

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 4.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 10 862 10 859 10 873 10 879 10 879
waarvan:          
- personeel en materieel 230 230 231 231 231
- beleid 10 632 10 629 10 642 10 648 10 648
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)100,0%10 632100,0%10 629100,0%10 642100,0%10 648100,0%10 648
           
Totaal uitgaven beleid100,0%10 632100,0%10 629100,0%10 642100,0%10 648100,0%10 648

Operationele doelstelling 4.3.1

Een adequaat stelsel van wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen in een problematische schuldensituatie.

Het stelsel van wettelijke schuldsanering is geregeld in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Volgens die wet kan de rechter op verzoek van een schuldenaar, van wie de gemeente heeft beoordeeld dat in zijn geval niet tot een minnelijke schuldenregeling kan worden gekomen, een wettelijke schuldsaneringsregeling vaststellen. Op deze wijze hebben individuele burgers, die in ernstige financiële problemen zijn geraakt en die niet op minnelijke wijze met de schuldeisers tot een schikking kunnen komen, een extra mogelijkheid om op termijn (in het algemeen drie jaar) met een schone lei te beginnen. Bij toewijzing van het verzoek van de schuldenaar wordt door de rechter een bewindvoerder benoemd, die toeziet op de naleving van de (wettelijke) schuldsaneringsregeling. Hierbij staan hem instrumenten ter beschikking zoals huisbezoek, postblokkade en verslaglegging aan de rechter-commissaris.

De Wsnp fungeert als stok achter de deur voor schuldeisers die een vrijwillige saneringsregeling in de weg staan en maakt daarmee onderdeel uit van het armoedebeleid van de regering. De Wsnp is complementair aan minnelijke vormen van schuldsanering (het minnelijk traject), waarbij al dan niet bijgestaan door een derde partij, schuldenaar en schuldeiser(s) tot een vergelijk komen over de afwikkeling van openstaande schulden. Belangrijke uitvoerende organisaties in het minnelijk traject zijn de gemeenten en de (gemeentelijke) kredietbanken. Hun werkzaamheden monden uit in een verklaring op grond van artikel 285 Faillissementswet dat geen minnelijke regeling van de schulden mogelijk is. Die verklaring is de basis voor de beoordeling van het verzoek aan de rechter om toelating tot de saneringsregeling. Bij een positief oordeel daarover benoemt de rechter een bewindvoerder, die erop toeziet dat de burger de voorwaarden van de saneringsregeling naleeft. Uiteindelijk resulteert de sanering in een schone lei indien aan alle voorwaarden uit het saneringsplan is voldaan.

De uitvoering van de Wsnp is een taak van de minister die hij heeft gemandateerd aan de Raad voor rechtsbijstand Den Bosch (Bureau Wsnp). Bureau Wsnp zorgt voor een kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod van bewindvoerders en zorgt op basis van een subsidieregeling voor de vaststelling van declaraties van bewindvoerders. Bewindvoerders komen uit de kringen van Gemeentelijke Kredietbanken, particuliere schuldhulpverleningsorganisaties en de advocatuur.

Justitie en Bureau Wsnp plegen regelmatig overleg met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gemeenten en schuldhulpverlenende organisaties over het minnelijk traject dat vooraf gaat aan toepassing van de Wsnp. Een goede uitvoering van het minnelijk traject voorkomt namelijk dat onnodig gebruik wordt gemaakt van de Wsnp. Indien niet alleen schulden worden gesaneerd maar ook bijkomende problemen worden aangepakt, zoals werkloosheid, te dure huisvesting en psycho-sociale problemen, is sprake van integrale schuldhulpverlening. Deze werkwijze is gericht op een duurzame oplossing van de individuele schuldenproblematiek.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.3.1       
        
uitgaven10 39110 80210 86210 85910 87310 87910 879
programma-uitgaven10 17910 58210 65010 64710 66110 66710 667
waarvan:       
– subsidies10 17910 58210 65010 64710 66110 66710 667
apparaatsuitgaven212220212212212212212
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen10 84110 80210 86210 85910 87310 87910 879

Volume- en prijsgegevens

Met de onderstaande tabel wordt beoogd inzicht te geven in de omvang van de aanspraak op de wettelijke schuldhulpverlening. Gelet op de ontwikkeling in het aantal zaken in de periode vanaf de inwerkingtreding van de Wsnp (december 1998) voorziet de begroting in middelen voor 7500 zaken.

Naar aanleiding van het advies van de Commissie Monitor bewindvoerdersubsidie Wsnp zijn de vergoedingen aan de bewindvoerders per 1 december 2000 verhoogd. Het betreffen de verplichtingen die door de Raad voor rechtsbijstand worden aangegaan.

 2001200220032004200520062007
Uitvoeringslasten raad voor rechtsbijstand       
Variabele prijs (x € 1,-)27414141414141
Volume (aantal zaken)7 1457 5007 5007 5007 5007 5007 500
Variabele kosten raden (x € 1 000)196309309309309309309
        
Programmauitgaven raad voor rechtsbijstand       
Schuldsaneringszaken       
Prijs (x € 1,-)1 3901 3721 3791 3781 3801 3811 381
Volume (aantal afgegeven toevoegingen)7 1457 5007 5007 5007 5007 5007 500

Beleidsevaluatieonderzoek

In 2002 hebben de ministers van Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een standpunt ingenomen over het evaluatieonderzoek «Van schuld naar schone lei» dat door het WODC is uitgevoerd over de periode 1998 tot 2000. Naar aanleiding van deze «early warning-evaluatie» wordt een aantal verbeteringen doorgevoerd in zowel het minnelijk als het wettelijk traject van schuldhulpverlening. Wat betreft Justitie hebben de verbeteringen onder meer betrekking op verlenging van bepaalde wettelijke termijnen, de invoering van een dwangakkoord en het treffen van een regeling voor de betaling van boetes en schadevergoedingsmaatregelen.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De verantwoordelijkheid voor het stelsel van wettelijke schuldsanering brengt met zich dat aan de hand van informatie over het functioneren van het stelsel relevante ontwikkelingen en trends worden gevolgd. Op basis daarvan wordt beoordeeld of het stelsel aan zijn doel beantwoordt. Zo nodig kan op basis daarvan besloten worden tot maatregelen leidend tot wijzigingen binnen het stelsel of zelfs tot stelselwijziging. Het Bureau Wsnp verzamelt reeds gegevens over het aantal beschikbare bewindvoerders, het aantal toelatingsvonnissen en (tussentijdse) beëindigingen. In 2002 wordt begonnen met het meer systematisch verzamelen van informatie over het functioneren van het stelsel. Hiermee wordt beoogd meer pro-actief relevante trends voor het te voeren beleid te voorzien, mede met het oog op de volgende evaluatie in 2007.

Beleidsartikel 4.4 Juridische dienstverlening

Beleidsdoelstelling 4.4

Waarborgen van adequate dienstverlening van de gereglementeerde vrije juridische beroepen alsmede het bevorderen, waar dat adequaat is gebleken, van alternatieve vormen van geschillenbeslechting binnen het rechtssysteem.

Het beleid van Justitie is erop gericht dat in de dienstverlening de «markt zijn werk doet». Dit brengt mee dat terughoudendheid is geboden in de regelgeving ten aanzien van de beroepen en dat waar nodig voorwaarden worden geschapen voor marktwerking. Anderzijds dienen in het belang van een goede rechtspleging en rechtsbedeling (indien nodig door middel van regelgeving) de toegang tot de juridische diensten en de vereiste (minimum) kwaliteit van die diensten gewaarborgd te zijn.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 4.4       
        
uitgaven7 8898 6588 3578 3558 3678 3718 372
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen8 8588 6588 3578 3558 3678 3718 372

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 4.4          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 8 357 8 355 8 367 8 371 8 372
waarvan:          
- personeel en materieel 751 750 751 752 752
- beleid 7 606 7 605 7 616 7 619 7 620
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden8,2%6258,2%6248,2%6258,2%6258,2%625
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)91,8%6 98291,8%6 98191,8%6 99191,8%6 99491,8%6 995
           
Totaal uitgaven beleid100,0%7 606100,0%7 605100,0%7 616100,0%7 619100,0%7 620

Operationele doelstelling 4.4.1

Een adequaat stelsel van vrije juridische beroepen.

Justitie is verantwoordelijk voor de kernfuncties van het notariaat, de advocatuur en de gerechtsdeurwaarders, omdat deze in het belang van rechtspleging en rechtsbedeling bij wet zijn gereglementeerd. Tegen de achtergrond van de toenemende complexiteit van regelgeving en van rechtsverhoudingen, speelt ook consumentenbescherming een rol. De kernfuncties waarop het beleid is gericht zijn:

• De regeling van rechtsbetrekkingen door middel van notariële akten;

• Rechtsbijstand in en buiten rechte bij juridische geschillen;

• De inleiding tot de procedure bij de civiele rechter en de executie van vonnissen en dwangbevelen.

Andere juridische diensten die door de beroepsbeoefenaren naast of in combinatie met de kernfuncties in de markt worden aangeboden vormen onderdeel van het beleid, voor zover dergelijke activiteiten van invloed zijn op de beschikbaarheid, de kwaliteit en de integriteit van deze functies. Om afstemming van vraag en aanbod te bevorderen volgt het beleid de marktontwikkeling. Met behulp van gegevens uit de markt zal voorts moeten blijken of de prijsontwikkeling in de dienstverlening een beroep op de diensten in de weg staat. Gegeven de reglementering van de beroepen is geen sprake van een volledig vrije markt. Bewaakt zal moeten worden dat geen buitensporige tariefstijgingen ontstaan die niet door concurrentie kunnen worden gecorrigeerd. Dit geschiedt onder andere aan de hand van een evaluatie van de Wet op het Notarisambt, welke in het najaar van 2002 aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden. Met de evaluatie van de Gerechtsdeurwaarderswet zal dit jaar een begin worden gemaakt.

Op het terrein van de vakbekwaamheid, kwaliteit en integriteit in de dienstverlening hebben de beroepsorganisaties en de organen voor toezicht en tuchtrecht een wettelijke taak. Het beleid van Justitie is op deze terreinen voorwaardenscheppend, stimulerend en volgend. Het wordt gevormd aan de hand van de uitkomsten van het kwaliteitsbeleid van de beroepsorganisaties en de praktijk van het toezicht en het tuchtrecht.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.4.1       
        
uitgaven3 0613 3843 0103 0073 0123 0143 014
programma-uitgaven2 5082 7732 4252 4232 4282 4292 429
waarvan:       
– subsidies2 5082 7732 4252 4232 4282 4292 429
apparaatsuitgaven553611585584584585585
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen3 4453 3843 0103 0073 0123 0143 014

Groeiparagraaf

Om te beoordelen of het aanbod in de kernfuncties van de beroepen voldoende aansluit op de vraag naar juridische dienstverlening wordt een model ontwikkeld waarmee de ontwikkeling van juridische dienstverlening op drie aspecten systematisch kan worden gevolgd:

• De trends in het aanbod (aantal, spreiding, omvang, specialisatie en doelgroepen van kantoren) ten opzichte van (te ontwikkelen) trends in de vraag;

• Trends in de beoordeling door de consumenten van de prijs en de kwaliteit van de dienstverlening;

• De trends in kwaliteit en integriteit (uitkomsten kwaliteitsborging van beroepsorganisaties, klachten en klachtbehandeling) en rapportages van organen van toezicht en tuchtrecht (analyses aantal en typen zaken).

Aan de hand van deze ontwikkelingen zal overigens een zekere normontwikkeling in het stelsel vorm kunnen krijgen. De beroepsorganisaties zullen uit hoofde van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid als publiekrechtelijke organen aan de ontwikkeling van de trendrapportages bij moeten dragen, al zal dit uit concurrentieoverwegingen in het kader van de marktwerking wellicht niet eenvoudig zijn.

De informatievoorziening over de hierboven aangegeven aspecten van de dienstverlening is in ontwikkeling. Dit gebeurt in samenwerking met de beroepsorganisaties in de vorm van trendrapportages en/of monitoren. Voorzien is het opleveren van een model voor trendrapportage in 2002. In 2003 vinden nulmetingen plaats. Afhankelijk van de te kiezen systematiek volgen in 2003/2004 de eerste trendrapportages.

Operationele doelstelling 4.4.2

Onderzoeken van vormen van alternatieve geschilbeslechting (waaronder mediation).

Dat het recht toegankelijk moet zijn betekent niet dat elk geschil tussen partijen per definitie langs juridische weg moet worden opgelost. De rechterlijke macht is er voor iedereen, maar voorkomen moet worden dat bepaalde problemen onnodig op het bord van de rechter terechtkomen. Het buiten het juridisch gekwalificeerde geschil om tot stand brengen van een oplossing doet voorts -afhankelijk van de situatie- in bepaalde gevallen meer recht aan de behoeften en belangen van beide partijen. De kwaliteit en de effectiviteit van geschilafdoening kunnen daardoor in voorkomende gevallen worden vergroot. Daarom bevordert Justitie alternatieve vormen van geschilafdoening, samengevat onder de term«Alternative Dispute Resolution» (ADR). Het bevorderen van ADR valt samen met de doelstelling uit de Contourennota geschilafdoening op maat. Het kader voor die beleidsvoornemens wordt gevormd door de Beleidsbrief ADR 2000–2002 (TK, 26 352, nr. 22). De hoofddoelstelling van de projecten ADR is na te gaan of structurele voorzieningen voor doorverwijzing naar mediators bij de rechterlijke macht en binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, bestaansrecht hebben. Daartoe zijn bij vijf rechtbanken en drie stichtingen rechtsbijstand deelprojecten gestart. Deze projecten lopen tot 1 januari 2003. De projecten worden door het WODC geëvalueerd. In samenhang met deze projecten worden initiatieven van andere instanties ondersteund, zoals de inbedding van mediation in de reguliere opleidingen voor rechtswetenschappen (op initiatief van de universiteiten Leiden en Tilburg) en de kwaliteitsontwikkeling van de beroepsgroep van mediators (op initiatief van het Nederlands Mediation Instituut). Tezamen met onderzoeken naar de praktijk van mediation in vergelijkbare rechtssystemen, zoals in Frankrijk en Duitsland, en naar de aard en omvang van de praktijk van arbitrage en bindend advies wordt hierover medio 2003 gerapporteerd. Vervolgens zal in het najaar van 2003 besluitvorming plaatsvinden over de structurele plaats die mediation in de juridische infrastructuur moet krijgen. Lopende de evaluatie tot aan de besluitvorming over de invoering zullen de getroffen voorzieningen voor alternatieve geschilbeslechting bij de deelnemende rechtbanken en stichtingen rechtsbijstand in tact worden gelaten.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 4.4.2       
        
uitgaven4 8285 2745 3475 3485 3555 3575 358
programma-uitgaven4 7025 1365 2155 2165 2235 2255 226
waarvan:       
– subsidies4 7025 1365 2155 2165 2235 2255 226
apparaatsuitgaven126138132132132132132
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen5 4135 2745 3475 3485 3555 3575 358

Evaluatieonderzoek

Van de experimenten scheidings- en omgangsbemiddeling, die vanaf eind 1998 tot en met 2000 hebben plaatsgehad, is in 2001 een wetenschappelijk evaluatierapport aan de Tweede Kamer gezonden. De positieve resultaten van de experimenten hebben tot de conclusie geleid dat invoering van een structurele landelijke voorziening voor scheidings- en omgangsbemiddeling aangewezen is. Bemiddeling kan worden gezien als een belangrijk instrument om een conflictueuze echtscheiding en daaruit voortvloeiende conflicten op een duurzame wijze op te lossen. In 2002 zal in overleg met de verschillende betrokken organisaties en beroepsgroepen nadere uitwerking plaatsvinden van een aantal cruciale (rand)voorwaarden voor invoering van een structurele voorziening.

Tot die tijd worden activiteiten op het terrein van scheidings- en omgangsbemiddeling, ter behoud van de kennis en de infrastructuur, op het bestaande niveau gehandhaafd.

Sinds 1997 ontvangt de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken een subsidie als bijdrage in de kosten. Het beleid is vastgelegd in de brief aan de Tweede Kamer van 14 november 1997 (TK, 25 754, nr. 1). In 2002 wordt het functioneren van de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken geëvalueerd.

Het betreft een uitwerking van het beleid gericht op geschillenbeslechting op maat. Daarbij is het uitgangspunt dat de wijze van geschilbeslechting zoveel mogelijk is toegesneden op de aard van het onderliggende conflict, de aard van de relaties en de concrete belangen van partijen. De geschillencommissies bieden consumenten, voor zaken met een relatief gering financieel belang, een snelle, goedkope en eenvoudige procedure. Zonder deze voorziening zouden mogelijk veel consumentengeschillen onbeslist blijven hetgeen afbreuk kan doen aan het vertrouwen in de rechtsstaat. In het najaar van 2002 wordt een evaluatie van het functioneren van de geschillencommissies die ressorteren onder de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken afgerond.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk voor de vrije beroepen.

5 – SANCTIETOEPASSING

Beleidsartikel 5.1 Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties

Het ministerie van Justitie levert een bijdrage aan de veiligheid van de samenleving door tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen en door de aan haar zorg toevertrouwde personen de kans te bieden een maatschappelijk bestaan op te bouwen.

Beleidsdoelstelling 5.1

Het bevorderen van de veiligheid van de maatschappij door een effectieve tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen.

De bescherming van de maatschappij is gediend bij voldoende en adequate capaciteit om het gehele palet aan strafrechtelijke sancties ten uitvoer te kunnen brengen. Kwantitatief voldoende om alle door de rechter veroordeelde of door het Openbaar Ministerie daartoe aangemerkte personen een vrijheidsstraf te laten ondergaan, een taakstraf te laten uitvoeren, of anderszins. En kwalitatief adequaat in de zin van het meest passend en effectief bij deze of gene doelgroep. Justitie dient hierin een betrouwbare partner te zijn.

In de afgelopen jaren stond vooral de capaciteitsproblematiek in het gevangeniswezen centraal, recent nog eens versterkt als gevolg van de stroom drugskoeriers op Schiphol. Eerder in de afgelopen kabinetsperiode was ook de capaciteit van de Justitiële Jeugdinrichtingen aan de orde. Met name voor het gevangeniswezen wijzen de prognoses van Justitie voor de komende jaren op een stijgende behoefte aan celcapaciteit. Justitie staat voor de opgave hierin zo goed mogelijk te voorzien. Op een beslissing tot nieuwbouw volgt een periode van meerdere jaren tot aan de realisatie. Nadere besluitvorming over de noodzakelijke capaciteitsuitbreidingen en de inzet van alternatieven is gegeven de omvang van de problematiek noodzakelijk. De druk op het gevangeniswezen is echter zo groot dat vooruitlopend daarop in 2002 voorbereidingen zijn getroffen om op de korte termijn een uitbreiding van de capaciteit van het gevangeniswezen te kunnen realiseren.

In het kader van een adequate sturing binnen de strafrechtsketen wordt gelijktijdig nadrukkelijk gezocht naar alternatieve manieren om de instroom in het gevangeniswezen te beïnvloeden; naar meer substitutie voor – een deel van – de vrijheidsstraf; en naar een betere uitstroom van gedetineerden naar bijvoorbeeld de geestelijke gezondheidszorg. Het laatste kan bijdragen aan een meer effectieve aanpak van de onderliggende problematiek en een betere reïntegratie van de persoon in de samenleving.

Toereikende sanctiecapaciteit is een noodzakelijke voorwaarde, recidivevermindering is de volgende stap. Justitie staat voor dit tweeledige doel.

De maatschappelijke veiligheid is er tevens mee gediend dat de ruimte om nieuwe delicten te plegen wordt verminderd door veroordeelden in aansluiting op hun detentie onder reclasseringstoezicht te stellen. Hiertoe zal een nieuwe regeling voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling van gedetineerden worden voorgesteld.

Voorjaar 2002 is een pakket beleidsvoorstellen uitgebracht ter versterking van de aanpak van de jeugdcriminaliteit. De realisatie vereist voldoende capaciteit, zowel in de justitiële jeugdinrichtingen als extramuraal, onder meer in de vorm van verplichte nazorg en zware taakstraffen.

Effectieve reïntegratieprogramma's worden ontwikkeld met het doel de recidive terug te dringen. Recidivevermindering zal stapsgewijs worden ingevoerd als prestatie-indicator voor de organisaties die zijn belast met de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Concluderend kan worden gesteld dat een effectieve tenuitvoerlegging wordt gerealiseerd door zowel voldoende en juiste sanctiecapaciteit als de inzet van succesvolle reïntegratieprogramma's ten behoeve van de vermindering van recidive.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 5.1       
        
uitgaven1 232 3601 301 1161 339 6241 319 6041 304 8461 305 1971 305 086
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen1 238 7491 301 1161 339 6241 319 6041 304 8461 305 1971 305 086

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 5.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 1 339 624 1 319 604 1 304 846 1 305 197 1 305 086
waarvan:          
- personeel en materieel 1 197 114 1 176 726 1 160 839 1 132 547 1 103 918
- beleid 142 510 142 878 144 007 172 650 201 168
waarvan:          
a. juridisch verplicht99,6%141 99099,6%142 32199,6%143 42883,1%143 53771,4%143 546
b. complementair noodzakelijk en/of          
bestuurlijk gebonden0,4%5200,4%5580,4%5790,3%6000,3%600
c. overig (bv. een reservering o.b.v.          
een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%016,5%28 51428,3%57 022
           
Totaal uitgaven beleid100,0%142 510100,0%142 879100,0%144 007100,0%172 651100,0%201 168

Operationele doelstelling 5.1.2

De tijdige, volledige en ongestoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen het gevangeniswezen en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van gedetineerden.

Het ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. Het belangrijkste doel daarvan is de beveiliging van de samenleving. Deze veiligheid wordt nagestreefd door onttrekking van de gedetineerde aan de samenleving en door een zodanig programma aan te bieden dat, na terugkeer in de samenleving, hij niet in herhaling vervalt. Het voorkomen van recidive is daarmee het tweede hoofddoel van een vrijheidsstraf.

Het maatschappelijk belang van tijdige en volledige tenuitvoerlegging vraagt voldoende capaciteit om heenzendingen aan de voordeur te voorkómen, en het aantal gevallen van strafonderbreking (SOB) en individueel versneld ontslag (IVO) tot een minimum te beperken. Ononderbroken en onafgebroken tenuitvoerlegging is tevens in het belang van een succesvolle maatschappelijke reïntegratie. Dit vraagt om toereikende capaciteit, voldoende en adequaat, gebaseerd op jaarlijkse prognoses voor de behoefte aan sanctiecapaciteit van het WODC. Belangrijke indicatoren hiervoor zijn de aantallen heenzendingen, SOB's en IVO's. Gestreefd wordt naar zo min mogelijk heenzendingen en het verminderen van de SOB's en IVO's met jaarlijks 10%. De realisatie daarvan is overigens in belangrijke mate afhankelijk van de verhouding tussen beschikbare capaciteit en het aanbod van in te sluiten justitiabelen.

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de justitiabele zich niet aan de detentie kan onttrekken. Ontvluchtingen en onttrekkingen moeten worden voorkómen. Dit geldt in het bijzonder voor ontvluchtingen uit beveiligde inrichtingen. Gestreefd wordt om het aantal ontvluchtingen ten opzichte van 2002 met 20% te verlagen.

De maatschappelijke reïntegratie en recidivevermindering worden bevorderd door adequate uitvoering van detentie-, reïntegratie- en nazorgplannen. Dit met als oogmerk een gefaseerde en begeleide terugkeer in de maatschappij. Het penitentiair programma (PP) vormt daarbij een belangrijk instrument. Het beleid is zowel gericht op het verruimen van de doelgroep als op de verhoging van het percentage van de doelgroep die succesvol via een penitentiair programma uitstroomt. Referentiejaar is 2002. Vanaf 2004 wordt gepoogd het percentage van de doelgroep die succesvol uitstroomt met een PP jaarlijks te verhogen tot 95% in 2007.

 20012002120032004200520062007
1. Heenzendingen nihilnihilnihilnihilnihilnihil
2. IVO's327100%90%81%73%66%59%
3. SOB's97100%90%81%73%66%59%
4. Aantal ontvluchtingen uit gesloten inrichtingen28252020202020
5. Percentage uitstroom via PPs  80%80%85%90%95%

1 De aantallen IVO's en SOB's voor 2002 worden op basis van extrapolatie geschat op respectievelijk 4 400 en 3 900.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.2       
        
uitgaven748 165815 146833 603809 704803 770803 150803 125
programma-uitgaven747 960814 923833 309809 447803 513802 893802 868
waarvan:       
– bijdragen747 960814 923833 309809 447803 513802 893802 868
apparaatsuitgaven205223294257257257257
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen748 193815 146833 603809 704803 770803 150803 125

Instrumenten

Een van de belangrijkste instrumenten voor een tijdige, volledige en ongestoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen het gevangeniswezen is de beschikbaarheid van voldoende celcapaciteit. Bij brieven van 17 juni en 2 juli 2002 (TK, 24 587, nr. 78 en nr. 79) is aan de Tweede Kamer kenbaar gemaakt dat de behoefte aan capaciteit de komende jaren sterk toeneemt. Teneinde aan deze behoefte te voldoen zijn voorbereidingen getroffen voor het uitbreiden van de capaciteit en worden organisatorische maatregelen voorbereid.

De capaciteit is thans niet toereikend en zal de komende jaren moeten worden uitgebreid. In 2002 zijn voorbereidingen getroffen voor een versnelde uitbreiding met ruim 1 000 cellen voor eind 2003. Nadere besluitvorming is echter nog nodig, ook met betrekking tot verdergaande uitbreidingen op middellange termijn. Het is van belang in dat kader ook te besluiten over een verruiming van de capaciteitsmarge in het gevangeniswezen, zoals geadviseerd door Prof. Bomhoff naar aanleiding van zijn evaluatie van het prognosemodel sanctiecapaciteit van het WODC. Deze evaluatie is gevoegd bij bovengenoemde brief van 17 juni 2002.

De druk op het gevangeniswezen is in relatieve zin verlicht door de inrichting van bijzondere noodvoorzieningen (detentiehuizen) in het kader van het Plan van aanpak drugskoeriers Schiphol onder de werking van de tijdelijk Wet Noodcapaciteit Drugskoeriers (zie verder onder beleidsartikel 3.3). Een verbetering van de afstemming in de strafrechtsketen wordt beoogd met behulp van het ontwikkelen van een zogenaamd «early warning system» met onder andere het Openbaar Ministerie. Dit met als doel vroegtijdig ontwikkelingen in de behoefte aan celcapaciteit te kunnen signaleren, waarmee heenzendingen kunnen worden voorkomen en SOB's en IVO's kunnen worden beperkt.

Om de capaciteit optimaal te kunnen benutten en vanuit het gevangeniswezen bij te kunnen dragen aan recidivevermindering, is een goede personele bezetting nodig. Extra inspanningen zijn nodig om de vacatures te vervullen, het werkklimaat in de inrichtingen te verbeteren en het arbeidsverzuim onder het personeel terug te dringen. Met het oog op de in dit kader ingezette maatregelen wordt verwezen naar de nota «Investeren in personele zorg DJI» (TK, 24 587, nr. 71).

 2001200220032004200520062007
1. Formele capaciteit11 53611 53311 33710 96710 87510 87010 870
2. Percentage bruikbare capaciteit97,298,098,098,098,098,098,0
3. Percentage bezettingsgraad95,496,296,296,296,296,296,2
4. PP's in detentiejaren172197207217227232232

Beleidsevaluatieonderzoek

• Jaarlijkse prognoses behoefte sanctiecapaciteit WODC. Inclusief periodieke externe ijking, laatstelijk in 2002 door Prof. Bomhoff;

• Evaluatie van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft plaatsgevonden in 2001. Een aanpassing van de Pbw is in voorbereiding.

Groeiparagraaf

Het voornemen bestaat om vanaf 2004 speciaal op recidivevermindering en maatschappelijke reïntegratie gerichte programma's binnen detentie te implementeren. Aan deze implementatie zullen ook concrete streefcijfers worden gekoppeld.

Daarnaast bestaat het voornemen om het verloop van de detentierecidive bij jaarlijkse uitstroomcohorten in het gevangeniswezen te monitoren.

Vanaf 2004 zal jaarlijks een rapportage over de DJI-sectoren worden gemaakt (TK, 27 834, nr. 4).

Operationele doelstelling 5.1.3

De tijdige en volledige, ongestoorde en pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen de justitiële jeugdinrichtingen en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van jeugdige delinquenten en onder toezicht of voogdij gestelde jeugdigen.

In hoeverre het ministerie van Justitie deze doelstelling realiseert wordt als volgt gemeten.

Tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat voldoende capaciteit beschikbaar moet zijn, zodat heenzendingen en wachtlijsten zo min mogelijk voorkomen. Hiervoor zijn normen ontwikkeld. Voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen is de doorlooptijd tussen het onherroepelijk worden van de opgelegde straf of maatregel en de tenuitvoerlegging in 2003 gesteld op maximaal een maand, hetgeen in 80% van de gevallen gerealiseerd moet worden. Voor crisisplaatsingen is de doorlooptijd in alle gevallen op één week gesteld. Als prestatiegegeven is daarom het percentage van de realisatie binnen de normtijd opgenomen.

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de jeugdige niet ontvlucht of zich onttrekt aan de straf of maatregel. Omdat de maatschappelijke veiligheid het meest in het geding is bij ontvluchting uit een gesloten inrichting, is het aantal ontvluchtingen als prestatie-indicator opgenomen.

Een pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van de straf of maatregel houdt in dat de jeugdige opgevoed wordt, dat hem scholing of andere programma's geboden worden en vaardigheden worden bijgebracht. Justitie ontwikkelt prestatie-indicatoren om de competenties van de jeugdige te meten. Kanttekening hierbij is dat de opvoedingsmogelijkheden mede beïnvloed worden door de duur van het verblijf van de jeugdige in een justitiële jeugdinrichting. In 2003 en (vermoedelijk ook) in 2004 zijn hiervoor nog geen betrouwbare gegevens te leveren. Vanaf 2005 worden prestatie-indicatoren opgenomen.

Het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie kan gemeten worden aan de hand van het aantal jeugdigen dat deelneemt aan scholings- en trainingsprogramma's (stp's) of proefverloven en het percentage jeugdigen waaraan tijdens het verblijf in een justitiële jeugdinrichting een aanbod voor nazorg is gedaan. Vooralsnog worden in dit verband de percentages uitstroom in stp's en proefverloven als prestatie-indicator gehanteerd. Tevens kan de realisatie van deze doelstelling worden gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de recidive. Hoewel beseft moet worden dat niet steeds een rechtstreeks causaal verband gelegd kan worden tussen recidive en de geboden begeleiding en behandeling en dat het verband vermindert in de loop van de tijd, biedt deze indicator desondanks extra inzicht in de mate waarin het beoogde doel wordt bereikt. Vanaf 2004 zal het percentage recidive in de begroting als prestatie-indicator worden opgenomen.

Prestatiegevens

 2001200220032004200520062007
Realisatie plaatsing binnen normtijd20%35%45%55%65%80%80%
Realisatie plaatsing       
binnen normtijd (crisisplaatsing)45%65%100%100%100%100%100%
Aantal ontvluchtingennihilnihilnihilnihilnihilnihilnihil
Uitstroom in       
stp/proefverloven (alleen pij-ers) 90%90%90%90%90%90%

In de brief aan de Tweede Kamer over doorlooptijden (TK 27 400, nr. 600) is als beleidslijn neergelegd dat 80% van de plaatsingen in behandelinrichtingen binnen een maand na het onherroepelijk worden van het vonnis moeten zijn gerealiseerd. De verwachting is echter, dat deze norm pas in 2006 gehaald zal kunnen worden bij voldoende beschikbare capaciteit en als de logistieke processen tussen het OM en de sector JJI gestroomlijnd zijn. De huidige langere wachttijden vinden hun oorsprong dan ook met name in onvoldoende doorstroming vanuit de JJI's naar vervolgvoorzieningen van jongeren met een specialistische problematiek, zoals zedendelinquenten, jongeren met ernstige psychiatrische problemen en licht verstandelijk gehandicapte jongeren.

De genoemde brief aan de Tweede Kamer geeft ten aanzien van crisisplaatsingen een norm van een week, waarbinnen de zwaarste categorie geplaatst moet worden. Doordat het aantal crisisplaatsingen fors gestegen is, is de verwachting dat de norm in 2003 wordt gehaald.

Het percentage uitstroom in stp/proefverloven geeft de verhouding aan tussen het aantal uitgestroomde pij-ers en het aantal pij-ers dat aan stp's dan wel proefverloven deelneemt. Verwacht wordt dat de overige 10 % na beëindiging van de maatregel doorstroomt naar een vervolgvoorziening.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.3       
        
uitgaven234 745254 413276 168284 384270 791267 395267 334
programma-uitgaven234 512254 160275 876284 128270 535267 139267 078
waarvan:       
– bijdragen234 512254 160275 876284 128270 535267 139267 078
apparaatsuitgaven233253292256256256256
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen234 808254 413276 168284 384270 791267 395267 334
waarvan       
– garanties44 24743 85843 44043 00342 56842 13341 698

Instrumenten

Een van de belangrijkste instrumenten bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen voor jeugdigen is de beschikbare capaciteit binnen de JJI's. In de eerder genoemde brief van 17 juni 2002 is kenbaar gemaakt dat de capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen op termijn niet toereikend is. Anderzijds is volgens de prognoses in de tussenliggende jaren sprake van een capaciteitsoverschot. Over hoe hierin een werkbaar evenwicht kan worden gevonden, moet nog besluitvorming plaatsvinden. Nachtdetentie is als experiment succesvol gebleken. De brede implementatie moet nog plaatsvinden. Ook het pakket van stp's is nog in ontwikkeling.

Om de capaciteit optimaal te kunnen benutten en de pedagogische doelstellingen te kunnen realiseren is een goede personele bezetting nodig. Om dit te bereiken zijn de aandachtspunten in de nota «Investeren in personele zorg» (TK 24 587, nr. 71 en nr. 76) van belang: het vervullen van vacatures, het verbeteren van het werkklimaat in de inrichtingen en het terugdringen van arbeidsverzuim onder het personeel.

 2001200220032004200520062007
formele capaciteit20032 2872 4572 6402 5582 5532 553
Percentage bruikbare capaciteit95,095,597,597,597,597,597,5
Percentage bezettingsgraad92,090,0195,095,095,095,095,0
        
Gemiddeld aantal nachtdetenties707021003100100100100
Gemiddeld aantal geslaagden stp/pv 1594184210241275275

1 Deze lagere bezettingsgraad wordt veroorzaakt door tijdelijke sluitingen van afdelingen door personele problemen, alsmede gefaseerde instroom in een aantal in 2002 opgeleverde nieuwe inrichtingen, c.q. afdelingen.

2 Dit is het aantal nachtdetenties in het kader van de experimenten in Amsterdam en Rotterdam.

3 De verwachting is dat vanaf 2003 extra nachtdetentieplekken beschikbaar zijn.

4 Dit is het totaal aantal pij-en, jeugddetenties en ots-en in absolute cijfers.

Beleidsevaluatieonderzoek

In 2004 is voorzien in een evaluatie van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, die op 1 september 2001 in werking is getreden. Uit deze evaluatie vloeien mogelijk aanpassingsvoorstellen voort.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Via de ontwikkeling van een systeem van indicatoren om de competenties van de jeugdige te meten, wordt nagegaan in hoeverre de jeugdige tijdens zijn verblijf in een justitiële jeugdinrichting vaardigheden heeft geleerd. Vanaf 2005 zullen prestatie-indicatoren worden opgenomen.

Daarnaast wordt de recidivemonitor verder ontwikkeld en zal vanaf 2004 jaarlijks over detentierecidive worden gerapporteerd (TK, 27 834, nr. 4).

Operationele doelstelling 5.1.4

De tijdige en ongestoorde tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van tbs-verpleegden.

Het ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel. Het belangrijkste doel daarvan is de beveiliging van de samenleving. Deze veiligheid wordt nagestreefd door dwangverpleging, de gedwongen opname in een tbs-inrichting, en door de tbs-gestelde een zodanig behandeling te bieden dat, na terugkeer in de samenleving, hij niet in herhaling vervalt. Het voorkomen van recidive is dan ook een tweede belangrijke doelstelling van de tbs-maatregel.

Om deze doelen te bereiken is tijdige en ongestoorde tenuitvoerlegging van de maatregel vereist en moet aan de tbs-gestelde een passende behandeling worden aangeboden, met als uiteindelijke doel dat maatschappelijke reïntegratie van de tbs-gestelde kan worden gerealiseerd.

In hoeverre het ministerie van Justitie deze doelstelling realiseert wordt als volgt gemeten.

Volledige tenuitvoerlegging betekent dat het aantal passanten zo klein mogelijk is. Daartoe moet voldoende capaciteit beschikbaar zijn. Als prestatiegegeven is daarom het aantal passanten opgenomen. Door registratie daarvan kan worden bepaald of voldoende capaciteit beschikbaar is.

De vraag of er voldoende capaciteit is, wordt overigens mede bepaald door de gemiddelde verblijfsduur. Immers hoe langer de verblijfduur, des te meer capaciteit nodig is voor de tenuitvoerlegging van een zelfde aantal tbs-vonnissen. Het beleid is daarom gericht op terugdringing van de verblijfsduur. De capaciteitsbehoefte wordt voorts bepaald door ketenafhankelijkheden, zoals het aantal tbs-opleggingen. In 2002 start een onderzoek naar de behandelduur, dat tevens een rekenmethode moet opleveren om de behandelduur doorlopend te monitoren. In de begroting 2004 zal de behandelduur als prestatie-indicator worden opgenomen.

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de justitiabele zich niet kan onttrekken aan de dwangverpleging. Het aantal ontvluchtingen uit de tbs-klinieken is hiervoor een goede indicator.

Het voorkomen van recidive is een belangrijke doelstelling van de tbs-maatregel. Dit doel moet worden bereikt door een adequate behandeling van de tbs-gestelde. Reïntegratie wordt voorts bevorderd door een geleidelijke terugkeer in de maatschappij door het toekennen van woon- en/of proefverlof en de voorwaardelijke beëindiging van de tbs-verpleging. Instrumenten om te voorkomen dat de betrokkene in herhaling vervalt zijn onder meer het toezicht door de reclassering en, in de toekomst, het toepassen van het instrument van risico-taxatie. Een goede indicator om het resultaat van deze inspanningen te meten is het recidivepercentage. Weliswaar kan niet altijd een rechtstreeks causaal verband worden gelegd tussen de recidive en de wijze van tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel, maar desalniettemin is het wel een goede indicatie voor de mate waarin het doel van de maatregel is bereikt. In de begroting 2004 zal hiertoe een indicator worden opgenomen.

 2001200220032004200520062007
Aantal passanten8769123171180163163
Aantal ontvluchtingen3222222

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.4       
        
uitgaven86 77867 82268 86363 26066 36870 01569 980
programma-uitgaven86 49367 59968 57063 00366 11169 75869 723
waarvan:       
– bijdragen86 49367 59968 57063 00366 11169 75869 723
apparaatsuitgaven285223293257257257257
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen86 80967 82268 86363 26066 36870 01569 980

Instrumenten

Eén van de belangrijkste instrumenten bij de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel is de beschikbare capaciteit. In de brief van 17 juni 2002 (TK, 24 587, nr. 78) is de Tweede Kamer kenbaar gemaakt dat de behoefte aan capaciteit de komende jaren verder toeneemt. Over de wijze waarop aan deze toegenomen behoefte voldaan kan worden moet nog worden besloten.

Om de capaciteit optimaal te kunnen benutten en de doelstellingen te kunnen realiseren is een goede personele bezetting nodig. Extra inspanningen zijn nodig om de vacatures te vervullen, het werkklimaat in de inrichtingen te verbeteren en het arbeidsverzuim onder het personeel terug te dringen. Met het oog op de in dit kader ingezette maatregelen wordt verwezen naar de nota «Investeren in personele zorg DJI» (TK, 24 587, nr. 71 en nr. 76).

 2001200220032004200520062007
1. Formele capaciteit justitiële inrichtingen1 0641 0911 1021 0681 0711 0961 096
Geestelijke gezondheidszorg199199194194194194194
2. Percentage bruikbare capaciteit94,395,095,095,095,095,095,0
3. Percentage bezettingsgraad92,595,095,095,095,095,095,0

Beleidsevaluatieonderzoek

Het recidivepercentage wordt gemeten in vijfjaarlijkse recidive-onderzoeken.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Het recidivepercentage wordt momenteel gemeten in vijfjaarlijkse recidive onderzoeken (beleidsevaluatie). Het ligt in de bedoeling de recidive te gaan volgen via de recidivemonitor. Deze zal vanaf 2004 informatie opleveren over recidive (TK, 27 834, nr. 4).

In 2002 is een onderzoek gestart naar de rekenmethodiek en definities van de verblijfsduur. Naar verwachting kan hiervoor in de begroting 2004 een indicator worden opgenomen.

Operationele doelstelling 5.1.5

Het bewerkstelligen van reïntegratie door gerichte advisering, begeleiding en toezicht van strafrechtelijk justitiabelen.

In opdracht van het ministerie van Justitie levert de Stichting Reclassering Nederland (SRN) een bijdrage aan de herinpassing van de justitiabele in de samenleving, gericht op het voorkomen van recidive. Deze bijdrage levert zij door advisering en uitvoering van op maat gesneden en op reïntegratie gerichte trajecten, ook als alternatief voor voorlopige hechtenis of vrijheidsstraf (waaronder taakstraf die beschreven is onder de operationele doelstelling 5.1.11). Daarnaast draagt zij in het kader van vrijheidstraffen of maatregelen bij aan de reïntegratie door bijvoorbeeld het begeleiden en uitvoeren van penitentiaire programma's, het houden van toezicht en/of het bieden van nazorg.

Naast deze activiteiten is Justitie gestart met het programma «Terugdringen Recidive». De grondslag van dit programma ligt in het gegeven dat de onveiligheid in de samenleving voor een belangrijk gedeelte wordt veroorzaakt doordat plegers van delicten in herhaling vervallen. Vooral de zogenaamde overlastcategorieën dragen daaraan bij door het hoge niveau van recidive. Het terugdringen van de recidive is dan ook één van de speerpunten van de Nota Criminaliteitsbeheersing. Het programma Terugdringen Recidive, met een looptijd tot en met 2006 wil de recidive bij volwassen (ex-)gedetineerden verminderen door:

• De ontwikkeling en landelijke invoering van een standaard diagnostisch instrument waarmee per gedetineerde kan worden vastgesteld in hoeverre sprake is van een recidiverisico en door welke factoren dat risico wordt bepaald;

• De ontwikkeling van een stelsel van effectieve resocialisatiegerichte interventies;

• De introductie van een nieuw model van samenwerking tussen het gevangeniswezen en de reclassering;

• Een betere aansluiting van de resocialisatiegerichte interventies van Justitie op maatschappelijke vervolgvoorzieningen.

De schaal waarop recidive door middel van effectieve interventies zal kunnen worden teruggedrongen, hangt af van de besluitvorming over de omvang van het programma.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.5       
        
uitgaven99 494102 940105 950106 380107 192107 297107 305
programma-uitgaven99 165102 600105 743106 197107 009107 114107 122
apparaatsuitgaven329340207183183183183
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen103 071102 940105 950106 380107 192107 297107 305

Instrumenten

 20022003
1. Vroeghulpbezoeken15 00015 000
2. Vroeghulpinterventie1 9001 850
3. Voorlichitngsrapport15 50018 000
4. Adviesrapport8 5009 250
5. Maatregelrapport470375
6. Reïntegratieprogramma's4 7004 000
7. Trajectbegeleiding50 00050 000
8. Toeleiding zorg8 5004 500
9. Toezicht3 7005 000

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Van belang is een vergelijking van de recidivegegevens van strafrechtelijk justitiabelen – met behulp van de recidivemonitor – die wel reclasseringsinterventie hebben gehad (inclusief taakstraffen) met degenen die dit niet hebben gehad. In 2006 zal hiernaar een eerste beleidsevaluatie worden uitgevoerd.

Ten aanzien van het prestatiegegeven «Advisering» is het streven inzicht te bieden in het aantal adviezen dat (gedeeltelijk) is overgenomen. Dit zal in 2005 geschieden door middel van een beleidsevaluatie.

Ten aanzien van het prestatiegegeven «Begeleiding en toezicht» is het streven inzicht te bieden in het aantal trajectbegeleidingen, het aantal toezichten en toeleidingen zorg waarbij doelen (deels) zijn bereikt. Dit zal in 2005 geschieden door middel van een beleidsevaluatie dan wel op basis van gegevens uit het Cliënt VolgSysteem (CVS).

Operationele doelstelling 5.1.6

De tijdige, volledige en pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen en het bevorderen van het voorkomen van recidive.

De coördinatie voor de uitvoering van de taakstraffen voor minderjarigen ligt bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Een belangrijke taak van de RvdK is het waarborgen van voldoende aanbod voor de uitvoering van taakstraffen tegen aanvaardbare kosten. De Raad coördineert de taakstraffen op een dusdanige wijze dat sprake is van tijdigheid en maatschappelijk nut bij het uitvoeren van taakstraffen. De taakstraf moet bijdragen aan verhoging van de veiligheid van de maatschappij. Gestreefd wordt dat de jeugdige voortaan afziet van delinquent gedrag.

De RvdK vervult nog meer taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van jeugdige delinquenten. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in operationele doelstelling 3.4.5 is opgenomen.

In hoeverre de RvdK de doelstelling van coördinatie taakstraffen realiseert, wordt als volgt gemeten. Tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat er voldoende capaciteit moet zijn. Voor een tijdige afdoening zijn normen ontwikkeld. Voor de duur van de periode na het onherroepelijk worden van een opgelegde taakstraf en de daadwerkelijke start van de taakstraf geldt een maximale periode van één maand. De norm voor de duur van de tenuitvoerlegging zal als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening worden gehanteerd. Als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening wordt in de loop van 2003 en de jaren erna gehanteerd dat 80% van de afdoeningen binnen deze norm blijft. Dit is een realistisch percentage gezien het feit dat er (meer complexe) zaken zijn die meer tijd vergen.

Voor de pedagogisch verantwoorde wijze van tenuitvoerlegging en de bijdrage aan het voorkomen van verder delinquent gedrag wordt het percentage geslaagde taakstraffen als prestatie-indicator genomen. Indien het percentage geslaagde taakstraffen van de gestarte taakstraffen groter is dan 85% is de norm gehaald.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.6       
        
uitgaven14 77914 63814 92816 00616 60317 21417 215
programma-uitgaven14 48014 34214 84415 93516 53117 14117 142
apparaatsuitgaven2992968471727373
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen14 89514 63814 92816 00616 60317 21417 215

Instrumenten

Er is een toenemende behoefte aan capaciteit voor taakstraffen voor minderjarigen de komende jaren. Uit de prestatiegegevens blijkt dat de capaciteit voor taakstraffen de komende jaren gestaag zal groeien.

Prestatiegegevens

 200120022003200420052006
Taakstraffen13 38815 30016 70018 20018 50019 500
Percentage taakstraffen gerealiseerd binnen normtijd  70808080
Percentage geslaagde taakstraffen  >85>85>85>85

Beleidsevaluatieonderzoek

Het inzicht in de effectiviteit van de straf moet worden vergroot. Hiertoe zal in 2003 en 2004 een evaluatieonderzoek plaatsvinden naar de kwaliteit van leerstraffen door de RvdK en naar de effectiviteit door het WODC. Daarnaast worden in het kader van de recidivemonitor ook metingen gedaan van de recidive na een taakstraf. De eerste resultaten daarvan komen beschikbaar in 2004.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is resultaatverantwoordelijk.

Operationele doelstelling 5.1.8

De tijdige, volledige en pedagogische verantwoorde tenuitvoerlegging van de Halt-afdoeningen voor minderjarigen en de Stop-reacties voor twaalfminners en het verminderen van de kans op verder delinquent gedrag.

De Halt-afdoening richt zich op minderjarigen die relatief lichte delicten hebben gepleegd en voor het eerst daarvoor met de politie in aanraking komen. De Stop-reactie richt zich op twaalfminners en hun ouders. Bij hen is het van groot belang dat een snelle reactie volgt. Voor een tijdige afdoening zijn normen ontwikkeld. Voor het Halt-traject is de norm dat tussen de ontvangstbevestiging bij Halt en de eerste werkzaamheden 55 kalenderdagen mogen zitten. Voor de Stop-reactie is een aparte norm vastgesteld. Voor het Stop-traject geldt dat binnen 25 dagen na ontvangst van de Stop-verwijzing bij het Halt-bureau het eerste gesprek moet plaatsvinden. De norm voor het Halt-traject zal als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening worden gehanteerd. Als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening wordt in 2003 en de jaren erna geldt dat 80% van de afdoeningen binnen deze norm blijft. Dit is een realistisch percentage omdat er ook (meer complexe) zaken zijn die meer tijd vergen zoals de afdoening van groepsdelicten of een afdoening met schaderegeling. Als indicator voor een volledige tenuitvoerlegging wordt 88% gerealiseerde (afgeronde) afdoeningen gehanteerd. Deze prestatie-indicatoren worden ten doel gesteld binnen het kader van het totaal aantal geraamde Halt- en Stop verwijzingen in 2003 en de jaren erna.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.8       
        
uitgaven11 26410 98111 36611 26611 56611 57011 571
programma-uitgaven11 08110 80311 27011 18311 48311 48711 488
apparaatsuitgaven1831789683838383
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen11 68310 98111 36611 26611 56611 57011 571

Instrumenten

De Halt-bureaus zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de Halt-afdoeningen en de Stop-reacties. Deze Halt-afdoeningen en Stop-reacties worden tot en met 2002 direct gefinancierd door het ministerie van Justitie. Vanaf 2003 wordt Halt Nederland gemandateerd deze functie namens de minister van Justitie uit te voeren. Met deze herstructurering wordt beter invulling gegeven aan het scheiden van beleid en uitvoering. Halt Nederland zal in 2003 een verdere professionalisering en versterking van de Halt-bureaus stimuleren. Zo wordt de schaalvergroting bij de Halt-bureaus aangemoedigd en moet het verbeteren van de contacten met de politie leiden tot het op peil houden dan wel verhogen van het aantal verwijzingen naar Halt-bureaus. Dit alles met het oogmerk de kwaliteit en effectiviteit van de afdoening te verbeteren.

Prestatiegegevens

 2001200220032004200520062007
Aantal Halt-afdoeningen21 92424 71327 30027 00027 90027 90027 900
Waarvan Stop-reactie 1 7001 5001 5001 5001 5001 500
        
Doorlooptijd Halt-afdoening binnen norm (%) 8080808080
Doorlooptijd Stop-reactie binnen norm (%) 8080808080
Gerealiseerde Halt-afdoeningen (%)  8888888888

N.b. Het % gerealiseerde Halt-afdoeningen is niet precies gepercenteerd op het aantal Halt-verwijzingen in een jaar omdat de Halt-bureaus ook verwijzingen uit het jaar daarvoor kunnen hebben gerealiseerd.

Beleidsevaluatieonderzoek

Naar de resultaten van de Halt-afdoeningen wordt een evaluatieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gestart in 2002 en de eerste resultaten komen beschikbaar in 2003.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Prestatie-indicatoren die inzicht verschaffen in het voorkomen van verder delinquent gedrag zijn in ontwikkeling. Daarbij kan enerzijds gebruik gemaakt worden van de registratie van Halt (Aurah) waarin is opgenomen in hoeverre de jongeren opnieuw bij een Halt-bureau terechtkomen en anderzijds wordt evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de resultaten van de Halt-afdoeningen. In dit onderzoek, waarvan de resultaten in 2003 beschikbaar zullen zijn, zal ook worden nagegaan wat de relatie is tussen de verschillende prestatie-indicatoren en het uiteindelijke doel van de Halt-afdoening, te weten het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van verder delinquent gedrag. Overigens is in eerder onderzoek naar Halt al een relatie tussen een positieve afronding en de recidive vastgesteld1. Daarnaast worden in het kader van de recidivemonitor ook metingen gedaan van de recidive na een Halt-afdoening. De eerste resultaten daarvan komen beschikbaar in 2004. Door het genoemde evaluatieonderzoek komt ook meer zicht op een indicator voor het pedagogisch gehalte van de Halt-afdoening (b.v. mate waarin de afdoening aansluit bij het type delict). In het onderzoek zal bovendien worden gekeken naar de inhoud en het effect van de signaalfunctie van Halt. Deze functie is in ontwikkeling bij Halt-bureaus en houdt het signaleren van achterliggende problematiek bij Halt-jongeren en het effectief doorverwijzen naar andere instanties in. Meer inzicht hierin komt in de loop van 2003.

Operationele doelstelling 5.1.9

Instandhouden en faciliteren van een orgaan belast met een wettelijk opgedragen onafhankelijk advies-, toezicht-, en rechtsprekende taak op het terrein van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Na de inwerkingtreding van de Tijdelijke Instellingswet (per 1 april 2001) is de samenvoeging van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en het College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming in een nieuwe organisatie, de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), een feit geworden.

Aan de RSJ is de uitoefening van drie taken toegekend: advisering, toezicht en rechtspraak op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, vrijheidsbeperkende straffen, vrijheidsbenemende maatregelen en vrijheidsbeperkende maatregelen door inrichtingen en instellingen die – onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie – een taak uitoefenen in het kader van die tenuitvoerlegging. De RSJ slaat daarbij in het bijzonder acht op de toepassing van het bij of krachtens de wet bepaalde omtrent de rechtspositie van personen aan wie een dergelijke straf of maatregel is opgelegd.

In de Instellingswet is een horizonbepaling opgenomen. Derhalve heeft de wet een geldingsduur van 4 jaren. Reden om te kiezen voor een dergelijke bepaling is de uitoefening van de toezichtfunctie die aan de RSJ in de wet wordt toegekend. Het kernpunt daarbij is de behoefte aan en de inrichting van toezicht- en inspectiefunctie op het niveau van de justitieorganisatie waarbij de toezichtfunctie van de Raad wordt betrokken.

De horizonbepaling betekent dat de Instellingswet in beginsel op 1 april 2005 vervalt.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.9       
        
uitgaven3 6202 6382 5742 5512 5562 5562 556
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven3 6202 6382 5742 5512 5562 5562 556
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen4 1382 6382 5742 5512 5562 5562 556

Volumegegevens

De RSJ doet jaarlijks verslag van zijn adviserende, toezichthoudende en rechtsprekende werkzaamheden. Voor 2003 zijn de volgende aantallen afgesproken.

 200120022003
Adviezen303030
Toezichtbezoeken656565
Beroepen2 5502 3752 375
Behandeling klachtbrieven750625625

Beleidsevaluatieonderzoek

Een integrale evaluatie van de taakuitoefening, in het licht van de beperkte werkingsduur die aan de Tijdelijke Instellingswet is verbonden, is in 2003 voorzien.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Operationele doelstelling 5.1.10

Zorgdragen voor een zorgvuldige en efficiënte behandeling van gratieverzoeken en daarmee bijdragen aan een rechtvaardige strafrechtspleging.

De ontwikkeling van het aantal gratieverzoeken in de afgelopen jaren, de langere doorlooptijden voor de behandeling van gratieverzoeken en signalen van «oneigenlijk gebruik» van het gratie-instrument zijn voor het ministerie van Justitie aanleiding geweest in 1999 te starten met het project «Redesign gratie».

De nu voorgestelde wetswijzigingen hebben tot doel een snellere en meer doelmatige afdoening van de gratieverzoeken te bevorderen en de procedure te stroomlijnen. Uiteraard zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de zorgvuldigheid en de kwaliteit van het voorbereiden van de gratiebeslissingen. Het recht een gratieverzoek in te dienen en de gronden waarop gratie kan worden verleend staan niet ter discussie. Voor de uitvoering van de gratieprocedure is het Bureau Gratie ingericht. Dit bureau speelt een belangrijke rol bij de coördinatie en het stroomlijnen van de procedure.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.10       
        
uitgaven4 0162 0161 073967914914914
programma-uitgaven3 8751 945975882829829829
apparaatsuitgaven141719885858585
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen4 5902 0161 073967914914914

Volumegegevens

 2001200220032004200520062007
Gratie       
Aantal verzoeken5 0004 0004 0004 0004 0004 0004 000
Aantal voorwaardelijke verleningen20001 7001 7001 7001 7001 7001 700
Aantal onvoorwaardelijke verleningen310300300300300300300
Aantal afwijzingen2 4502 1002 1002 1002 1002 1002 100

Beleidsevaluatieonderzoek

Bij inwerkingtreding in 2003 zal een evaluatieonderzoek naar de nieuwe wetgeving plaats kunnen vinden in 2006.

Groeiparagraaf

Op basis van de ervaringen in 2002 van het Bureau Gratie zullen in de loop van 2003 nieuwe prestatiegegevens worden gedefinieerd waardoor doorlooptijden en resultaat beter kunnen worden gemeten en verantwoord. In het evaluatieonderzoek naar de nieuwe wetgeving zal tevens worden gekeken naar de mogelijkheid een nulmeting te doen verrichten in hoeverre het gratiebeleid daadwerkelijk bijdraagt aan een meer rechtvaardige strafrechtspleging.

Operationele doelstelling 5.1.11

De tijdige en volledige tenuitvoerlegging van taakstraffen voor meerderjarigen en het bevorderen van het voorkomen van recidive.

Naast vrijheidsstraf en geldboete kan een veroordeelde een taakstraf opgelegd krijgen. De verdachte moet gedurende een bepaald aantal uren onbetaald een bepaalde taak uitvoeren. Een belangrijke taak van de Stichting Reclassering Nederland (SRN) is de uitvoering van taakstraffen tegen aanvaardbare kosten. De taakstraf draagt bij aan verhoging van de veiligheid van de maatschappij en is gericht op het voorkomen van recidive.

De SRN realiseert de taakstraffen op zodanige wijze dat sprake is van tijdigheid en volledigheid van de tenuitvoerlegging. De doelstelling wordt als volgt gemeten.

Tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat er voldoende capaciteit moet zijn. Op basis van de prognoses van het WODC en afstemming met de ketenpartners (OM) worden aan de SRN middelen beschikbaar gesteld voor 24 900 taakstraffen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.1.11       
        
uitgaven29 49930 52225 09925 08625 08625 08625 086
programma-uitgaven29 44130 46225 00025 00025 00025 00025 000
apparaatsuitgaven58609986868686
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen30 56230 52225 09925 08625 08625 08625 086

Instrumenten

De komende jaren wordt een toenemende behoefte aan capaciteit voor taakstraffen verwacht. Uit de prestatiegegevens blijkt dat de capaciteit voor taakstraffen tot en met 2005 gestaag zal groeien.

Prestatiegegevens

 2001200220032004200520062007
Afgeronde taakstraffen 24 40024 90025 20025 60025 600 

Beleidsevaluatieonderzoek

Van belang is een vergelijking van de recidivegegevens (met behulp van de recidivemonitor) van strafrechtelijk justitiabelen die wel een reclasseringsinterventie (waaronder taakstraf) hebben gehad met diegenen die dit niet hebben gehad. In 2006 zal hiernaar een eerste beleidsevaluatie worden uitgevoerd.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

Voor het voorkomen van verder delinquent gedrag wordt het percentage geslaagde taakstraffen in de toekomst (vanaf 2004) als prestatie-indicator opgenomen.

Beleidsartikel 5.2 Ontvangsten uit boeten en transacties

Beleidsdoelstelling 5.2

Het bevorderen van de veiligheid van de maatschappij door een effectieve tenuitvoerlegging van financiële sancties en maatregelen.

Een belangrijk middel om strafbaar gedrag te voorkomen en zo de veiligheid te vergroten, is een snelle en adequate interventie in geval van gepleegde strafbare feiten. In veel gevallen van delinquent gedrag, zoals met betrekking tot gedragingen in het verkeer, kunnen financiële sancties worden opgelegd, zoals een boete of een (politie- of OM-)transactie.

Indien overtreders spoedig na een strafbaar feit bericht krijgen van een te betalen sanctie, en indien vervolgens de snelle en volledige betaling van die sanctie actief wordt nagestreefd, zal dit helpen toekomstig strafbaar gedrag van betrokkenen zelf te voorkomen. Tevens zal hiervan door het beeld van een snel en effectief interveniërende overheid een generaalpreventieve werking kunnen uitgaan op andere potentiële overtreders.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 5.2       
        
uitgaven49 87360 13352 98248 92449 01949 04549 048
        
ontvangsten498 217516 914514 827524 174524 175524 175524 174
        
verplichtingen48 36360 13352 98248 92449 01949 04549 048

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 5.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 52 982 48 924 49 019 49 045 49 048
waarvan:          
- personeel en materieel 41 961 38 746 38 822 38 842 38 845
- beleid 11 021 10 178 10 197 10 203 10 203
waarvan:          
a. juridisch verplicht20,1%2 21521,0%2 13721,0%2 14121,0%2 14321,0%2 143
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)79,9%8 80679,0%8 04179,0%8 05679,0%8 06079,0%8 060
           
Totaal uitgaven beleid100,0%11 021100,0%10 178100,0%10 197100,0%10 203100,0%10 203

Operationele doelstelling 5.2.1

Een adequate inning van opgelegde of toegepaste financiële sancties en geaccepteerde transacties in reactie op een wetsovertreding.

De inningstaak is belegd bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Het CJIB is verantwoordelijk voor het afhandelen, innen en coördineren van opgelegde straffen, administratieve sancties, transacties en maatregelen.

Het CJIB maakt deel uit van de Justitieketen en stemt af en werkt samen met haar partners. Zij heeft daarbinnen een coördinerende rol op basis van de bij haar beschikbare gegevens. Het CJIB streeft naar een zo effectief mogelijke toepassing van de bij haar beschikbare gegevens en informatie door deze, in de vorm van beleids-, management- en sturingsinformatie en executiedocumentatie aan haar partners te verstrekken.

Onder een adequate inning wordt verstaan dat het CJIB een hoog percentage van de aan haar ter inning overgedragen opgelegde of toegepaste financiële sancties en geaccepteerde transacties binnen 1 jaar int dan wel afdoet.

Het CJIB heeft inmiddels veel ervaring op het gebied van inning en executie opgedaan. De inrichting en procesvoering van de tenuitvoerlegging van administratieve sancties, die zijn opgelegd op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV), de geldboetes en de geaccepteerde transacties zijn geheel gericht op dergelijke taken.

Door een hoge automatiseringsgraad en een efficiënte en effectieve procesvoering is het CJIB in staat een hoog percentage van de ter inning en incasso aangeboden zaken binnen 1 jaar af te doen.

Het CJIB is binnen het ministerie van Justitie in toenemende mate het «loket» waarmee burgers die een financiële verplichting aan Justitie hebben in aanraking komen. Door meerdere verplichtingen van de individuele burger met elkaar te koppelen wordt de effectiviteit van de tenuitvoerlegging vergroot.

Het CJIB heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke rol verworven in de informatievoorziening in de keten. Vele ketenpartners ontvangen van het CJIB managementinformatie die benodigd is voor de sturing van de ketenprocessen.

Voor de verbetering van de kwaliteit van de informatievoorziening in de strafrechtketen is aan de begroting structureel een bedrag van € 3,6 miljoen toegevoegd. Dit is één van de maatregelen die is genomen naar aanleiding van de Dover-zaak.

Het toegewezen bedrag wordt door het ministerie van Justitie aangewend ter versterking van de samenhang in de justitiële keten met name door de verdere ontwikkeling van Verwijs Index Personen (VIP) en voor het versterken van de executie.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 5.2.1       
        
uitgaven49 87360 13352 98248 92449 01949 04549 048
programma-uitgaven49 82360 07352 88348 83848 93248 95848 961
waarvan:       
– bijdragen49 82360 07352 88348 83848 93248 95848 961
apparaatsuitgaven50609986878787
        
ontvangsten498 217516 914514 827524 174524 175524 175524 174
        
verplichtingen48 36360 13352 98248 92449 01949 04549 048

Prestatiegegevens

 200120022003
WAHV-sancties   
– Percentage geïnde zaken binnen 1 jaar94,89494
Boeten   
– Percentage afgedane OM-zaken binnen 1 jaar63,46565
Transacties   
– Percentage geïnde zaken binnen 1 jaar66,77070

Beleidsevaluatieonderzoek

Na afronding van het evaluatieonderzoek naar de kostprijzen zal een evaluatieonderzoek naar de outputfinanciering worden uitgevoerd. Dit onderzoek zal naar alle waarschijnlijkheid in 2004 worden afgerond. Zie ook de begroting van de baten-lastendienst CJIB.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is resultaatverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

De Algemene Rekenkamer heeft een aantal knelpunten gesignaleerd waaronder de informatievoorziening. Teneinde deze knelpunten op te lossen is het CJIB het projectprogramma «Verbetering Bedrijfsvoering» gestart waarmee de kwaliteit en het beheer van de organisatie wordt verbeterd.

6 – ASIEL EN MIGRATIE

Beleidsartikel 6.1 Toelating asiel en regulier

De minister is belast met de behandeling van aanvragen voor toelating en verblijf en de behandeling van aanvragen voor naturalisatie. Daarbij is één van de belangrijkste uitgangspunten dat kwalitatief verantwoorde beslissingen worden genomen binnen de door de wet bepaalde beslistermijnen.

Beleidsdoelstelling 6.1

Het zorgdragen voor een gereguleerde toelating van vreemdelingen tot Nederland, op een maatschappelijk verantwoorde wijze, die recht doet aan de belangen van vreemdelingen die hier tijdelijk of definitief willen verblijven.

Vreemdelingen kunnen worden onderscheiden in asielzoekers en in reguliere vreemdelingen. Asielzoekers zijn mensen die een beroep doen op het Vluchtelingenverdrag van 1951. Hierin wordt gesteld dat een vluchteling iemand is die in het land van herkomst gegronde vrees heeft voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of om zijn politieke overtuiging. Asielzoekers kunnen ook worden toegelaten als zij bij terugkeer naar het eigen land een reëel risico lopen op marteling of op een andere wrede of onmenselijke behandeling, of op bedreiging van leven of vrijheid, of als zij hun land hebben verlaten om ervaringen die dusdanig traumatiserend zijn dat terugkeer niet van hen kan worden verlangd. Ook wanneer terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele (oorlogs-) situatie aldaar kunnen mensen in Nederland worden toegelaten.

Reguliere vreemdelingen komen hier onder andere voor bezoek, vakantie, gezinshereniging, op medische gronden, als buitenlandse werknemer of voor studie.

De grondslag van deze beleidsdoelstelling wordt gevormd door het Verdrag van Genève uit 1951, het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, het VN-verdrag ter bestrijding van marteling, de Vreemdelingenwet 2000 en, voor het behandelen van aanvragen om naturalisatie, de Rijkswet op het Nederlanderschap.

De instroom van vreemdelingen heeft verreikende gevolgen voor de aard van de Nederlandse samenleving. Van groot belang voor een maatschappelijk verantwoorde wijze van toelating van vreemdelingen is dat de immigratie wordt afgestemd op de spankracht van onze maatschappij. Een adequaat integratieproces vergt een restrictief toelatingsbeleid en een indringend integratiebeleid.

De omvang van de gereguleerde toelating wordt weergegeven in de volgende tabel. Daarin zijn opgenomen het aantal statusverleningen aan asielzoekers en aantal verleende vergunningen aan reguliere vreemdelingen, realisatie 2001 en ramingen vanaf 2002.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 6.1       
        
uitgaven279 077276 319255 816256 673256 827256 864246 868
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen279 976276 319255 816256 673256 827256 864246 868

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 6.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 255 816 256 673 256 827 256 864 246 868
waarvan:          
- personeel en materieel 250 352 251 191 251 342 251 378 241 598
- beleid 5 464 5 482 5 485 5 486 5 270
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)100,0%5 464100,0%5 482100,0%5 485100,0%5 486100,0%5 270
Totaal uitgaven beleid100,0%5 464100,0%5 482100,0%5 485100,0%5 486100,0%5 270

Prestatiegegevens

 2001200220032004200520062007
Statusverleningen aan asielzoekers10 0009 0004 0004 0003 0003 0003 000
Vergunningen verleend aan reguliere       
vreemdelingen (dus excl. visa)4200045 00046 00046 00046 00046 00046 000

Operationele doelstelling 6.1.3:

Elke aanvrager van een verblijfsvergunning, naturalisatie of een visum krijgt binnen de gestelde termijnen een besluit uitgereikt.

De Vreemdelingenwet 2000 noemt 6 maanden als termijn voor het beslissen op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. Deze termijn kan met 6 maanden worden verlengd bij onderzoek door derden of door het OM. Ook kan de termijn worden verlengd bij bezwaar, beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij de Raad van State of door beleidswijzigingen als het instellen van een besluitmoratorium. Voor visa geldt een termijn van 8 tot 10 weken, voor naturalisaties een termijn van een jaar. Het behalen van de doelstelling, het uitreiken van een besluit binnen de gestelde termijnen, is dus afhankelijk van meerdere actoren, waaronder de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), rechtsprekende instanties en de aanvrager.

Teneinde de proceduretijden verder te verkorten zal in de aanmeldcentra een strengere selectie plaatsvinden tussen asielzoekers met een serieus vluchtverhaal en asielzoekers die onvoldoende vluchtmotieven hebben. Op grond van deze selectie zullen alleen zij met een kennelijk gegrond asielverzoek verder in de procedure worden opgenomen. De toelating tot de procedure van ongedocumenteerde asielzoekers wordt beperkt. Het driejarenbeleid, op grond waarvan aan vreemdelingen, enkel vanwege het tijdsverloop, een verblijfsvergunning wordt verleend, wordt afgeschaft.

Uitvoering

Wanneer een vreemdeling een verzoek om toelating doet is de IND belast met de uitvoering. Daarbij wordt intensief samengewerkt met onder meer de Vreemdelingendienst van de politie, de Koninklijke Marechaussee van het ministerie van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Om de uitvoeringsorganisaties in de vreemdelingenketen te ontlasten zal op het terrein van het vreemdelingenbeleid een aantal wezenlijke veranderingen worden doorgevoerd, dat moeten leiden tot een vermindering van het aantal procedures. Bij de beoordeling van het verzoek worden diverse instrumenten gebruikt, zoals het horen van de vreemdeling met gebruik van tolken, taalanalyse, informatie uit de herkomstlanden, informatie over (mensensmokkel)routes, de eigen documenten van de aanvrager, medische informatie, vingerafdrukken, DNA- en botonderzoek en het structureel beschikbaar stellen van kennis aan IND-beslismedewerkers in specifieke beslisinformatiesystemen.

Tijdigheid

Om de opstopping van zaken bij de vreemdelingenrechter weg te nemen en daarmee meer verwerkingscapaciteit te creëren wordt de rechterlijke toets in bewaringszaken teruggebracht tot de situatie van voor de inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet. De voorbereidingen van de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 zijn inmiddels gestart.

Harmonisatie en Internationale samenwerking

Om de instroom van vreemdelingen te beheersen zal een strakker toelatingsbeleid worden gevoerd. Het gaat daarbij om de toelating op asiel- en reguliere gronden. Van essentieel belang daarbij is een Europese benadering van het vreemdelingenbeleid, alsmede de samenwerking met de UNHCR. Het nationale asielbeleid staat in het teken van de mondiale aanpak van de nood van vluchtelingen en ontheemden (19 miljoen) in de wereld. Nederland mag, als het gaat om het toelatingsbeleid niet een ruimhartiger beleid voeren dan de ons omringende landen. Het asiel- en migratiebeleid in de EU-landen moet met voorrang worden geharmoniseerd. De afronding, voorzien voor het najaar van 2002, van de onderhandelingen over de herziening van de overeenkomst van Dublin is daartoe een eerste stap. Nederland zal volgens de gestelde deadlines tussen 2002 en 2004 actief meewerken aan de tijdige totstandkoming van Europese regelgeving op het terrein van asiel en migratie.

Gestreefd zal bovendien worden naar een versterking van de opvang en toetsing van asielverzoeken in de regio, om asielstromen naar Europa te beperken. Daartoe zal worden overlegd met de Hoge Commissaris van de UNHCR.

Alleenstaande minderjarige asielzoekers

In het vreemdelingenbeleid is er specifieke aandacht voor alleenstaande minderjarige asielzoeker (ama's). Dit beleid is gericht op beperking van de instroom, bevordering van de terugkeer en intensivering van de aanpak van illegale immigratie en mensensmokkel. Minderjarigen die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel moeten zo snel mogelijk, maar uiterlijk op het moment dat zij achttien jaar worden, terugkeren naar het land van herkomst. Om de instroom van alleenstaande minderjarige asielzoekers te beperken en hun terugkeer te bevorderen is besloten tot het scheiden van de opvangmodaliteiten in een terugkeervariant en een integratievariant (TK, 27 026, nrs. 1 en 14). Binnen het «campusmodel» als inrichting van de terugkeervariant zijn alle inspanningen gericht op het realiseren van de daadwerkelijke terugkeer van ama's naar het land van herkomst. Daarmee is dit model tevens gericht op de ontmoediging van zowel jongeren in het land van herkomst om naar Nederland te komen als van reisagenten om Nederland als bestemmingsland aan te bevelen. Twee pilotprojecten dienen ter beantwoording van de vraag in hoeverre deze door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) ontwikkelde en uitgevoerde vorm van opvang en de daarin toe te passen methodiek van toegevoegde waarde is voor het bereiken van deze beleidsdoelstellingen. De opvang in de integratievariant wordt ontwikkeld en uitgevoerd door de Stichting NIDOS.

Daarnaast wordt ingezet op de beperking van de instroom van ama's door waar mogelijk in samenwerking met de staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking de programma's van internationale instellingen als de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en UNICEF te ondersteunen. Ook worden ambtelijke missies ondernomen naar landen van herkomst om de autoriteiten aldaar te bewegen hun minderjarige onderdanen terug te nemen, zonodig met steun van Nederland bij de opvang in hun eigen land. Ook hierbij wordt nauw samengewerkt met de IOM.

In verband met de nauwe relatie tussen de beperking van instroom van alleenstaande minderjarige asielzoekers en hun terugkeer, is er om uitvoeringsredenen voor gekozen om ook de terugkeer onder artikel 6.1 op te nemen. Voor het zorgdragen voor de uitvoering van de voogdijmaatregel en de opvang ten behoeve van ama's wordt verwezen naar operationele doelstelling 3.4.4.

Integratie

Om integratie van nieuwkomers te bevorderen wordt een borgsom gevraagd van personen die hun partner voor gezinsvorming naar Nederland willen laten komen. De borgsom wordt terugbetaald als de partner aan zijn of haar verplichtingen in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers heeft voldaan. Het betalingsbewijs van de borgsom zal als onderdeel van de toelatingsprocedure worden opgenomen in de Vreemdelingenwet 2000.

Gezinshereniging en gezinsvorming

Teneinde problemen bij de integratie van echtgenoten, partners en kinderen uit derde landen zoveel mogelijk te voorkomen en het integratieproces zo soepel mogelijk te laten verlopen worden de voorwaarden voor gezinshereniging en gezinsvorming aangescherpt. De minimumleeftijd voor gezinsvorming wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar en de inkomenseis wordt naar boven bijgesteld tot 130 procent van het wettelijk minimum loon. Het meerdere malen laten overkomen van een partner uit het buitenland in het kader van gezinshereniging wordt tegengegaan.

Vreemdelingenwet 2000

De Vreemdelingenwet 2000 alsmede het Vreemdelingenbesluit 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000 zullen waar nodig worden aangescherpt om de voorgenomen maatregelen op het terrein van het toelatingsbeleid op asiel- en reguliere gronden door te kunnen voeren. De voorbereidingen daarvoor zijn gestart.

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ)

De grondslag voor de ACVZ vloeit rechtstreeks voort uit de Vreemdelingenwet 2000. Daarin staan haar taken omschreven. De ACVZ is een onafhankelijk adviescollege in de zin van de Kaderwet Adviescolleges 1996 en adviseert de minister en het Parlement op het terrein van asiel en migratie. Hoofdtaak is algemene advisering over het vreemdelingenrecht en -beleid aan de minister. Daarnaast heeft de ACVZ een taak als beleidsadviescollege in individuele zaken. Deze rechtsbeschermende taak vloeit voort uit de EG-richtlijn 64/221. De ACVZ heeft een door de minister vastgesteld werkprogramma, waarin een evenwichtige indeling nagestreefd wordt naar nationale en Europese/internationale onderwerpen. Dit werkprogramma zal door de minister worden aangeboden aan de beide Kamers der Staten-Generaal. De ACVZ kan ook ongevraagd advies uitbrengen. Conform de Kaderwet adviescolleges vindt om de 4 jaar een evaluatie plaats. De ACVZ zal in 2005 worden geëvalueerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 6.1.3       
        
uitgaven279 077276 319255 816256 673256 827256 864246 868
programma-uitgaven276 445273 713254 383255 239255 388255 423245 427
waarvan:       
bijdragen276 445273 713254 383255 239255 388255 423245 427
apparaatsuitgaven2 6322 6061 4331 4341 4391 4411 441
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen279 976276 319255 816256 673256 827256 864246 868

Prestatiegegevens

De prestaties kunnen worden weergegeven in het aantal activiteiten en in de kwaliteit van deze activiteiten. Het aantal voorgenomen activiteiten van de IND staan weergegeven in de volgende tabel.

Aantal beslissingen en andere activiteiten van de IND, realisatie 2001 en ramingen vanaf 2002 (x 1 000)

 2001200220032004200520062007
Asiel       
Afhandeling in aanmeldcentra681113131313
Beslissing39393028282826
Bezwaar343665000
Beroep12162727272716
Hoger beroep0444444
        
Regulier       
Beslissing in eerste aanleg60636363636363
Bezwaar19222222222222
Beroep6488884
        
Overige activiteiten       
Visumbeoordeling*29343434343434
Naturalisatiebeoordeling35353535353535

* Uitsluitend visumbeoordelingen door de IND. Deze worden verricht namens het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bij de aanmeldcentra zal een stijging in de afhandeling leiden tot een lager aantal asielzoekers in de verdere procedure. De bezwaarvoorraad wordt in de komende jaren afgebouwd omdat dat instrument niet meer beschikbaar is voor de asielzoeker. In plaats daarvan is in 2001 het beroep bij de rechter gekomen.

De mate waarin de bovenstaande productieaantallen gehaald kunnen worden is afhankelijk van de omvang en samenstelling van de instroom en het aantal positieve beschikkingen in verhouding tot de veel tijdrovender negatieve beschikkingen. Bij de afhandeling van zaken wordt om bedrijfseconomische redenen prioriteit gegeven aan de voorkant van de keten.

Het vernietigingspercentage van beslissingen door de rechter is een kwaliteitsindicator van de afwijzende beslissingen in combinatie met de duurzaamheid van de achterliggende motiveringen. Aangezien beroepen doorgaans na enige tijd worden behandeld en tussentijdse ontwikkelingen in het land van herkomst een rol spelen bij de uitspraak van de rechter, kan een beslissing worden vernietigd die op het moment van afgifte nog juist was, zij het dat de achterliggende motivering niet duurzaam is gebleken. De tussentijdse ontwikkelingen verklaren in belangrijke mate het naar verhouding hoge vernietigingspercentage van de beslissingen.

Vernietigingen van beschikkingen door de rechter, als percentage van het totaal aantal aangespannen procedures.

 2001200220032004200520062007
Asiel25252525252525
Regulier25252525252525

Evaluatieonderzoek

Om na te gaan of de Vreemdelingenwet 2000 voldoet aan zijn verwachtingen en of de uitvoering loopt zoals destijds is voorzien, is een evaluatie in voorbereiding. Deze evaluatie is gepland voor 2004.

Groeiparagraaf

Voor de begroting 2004 zal worden nagegaan waar evaluatieonderzoek kan bijdragen aan verbetering van de instrumenten van het beleid in relatie tot de beleidsdoelstelling. Daarbij kunnen de te ontwikkelen prestatie-indicatoren een hulpmiddel zijn. Een prestatie-indicator geeft de mate weer waarin procedures tijdig, binnen de onderscheiden wettelijke termijnen worden afgehandeld. Op dit moment worden de betreffende systemen nader ingericht voor het opleveren van categorie- en totaalgegevens.

Daarnaast wordt de betrouwbaarheid van de systemen die de tijdigheid van de beslissingen moeten bewaken op niveau gebracht. Dit zal naar verwachting twee jaar vergen, zodat voor 2005 kan worden aangegeven bij welk aandeel van de aanvragen de besluiten tijdig, binnen de verschillende wettelijke termijnen, worden genomen.

Bij verlaging van de instroom moet rekening worden gehouden met voldoende behandelcapaciteit (buffercapaciteit) om een beperkte – plotselinge – instroom van vreemdelingen het hoofd te kunnen bieden.

Beleidsartikel 6.2 Asielopvang

De belangrijkste doelstelling bij de opvang van asielzoekers is het hebben van voldoende opvangcapaciteit met als voorwaarde dat deze opvangcapaciteit sober doch humaan is.

Beleidsdoelstelling 6.2:

Het zorgdragen voor een sobere doch humane opvang van vreemdelingen die daar recht op hebben, rekening houdend met ruimtelijke en maatschappelijke inpasbaarheid en met het in EU-verband gevoerde opvangbeleid.

De grondslag van dit artikel vormt, naast internationale verdragen de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), het Subsidiebesluit COA, het Faciliteitenbesluit opvangcentra, alsmede de op de Wet COA gebaseerde overige wettelijke voorschriften en de Regeling opvang Orgaan Asielzoekers (ROA).

Voor het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) wordt de basis gevonden in de Beschikking van de Raad tot instelling van een EVF (Beschikking nr. 2000/596/EC). Voor de subsidiabiliteit van de uitgaven is de Beschikking van de Commissie van 20 maart 2001 met het nummer 2001/275/EG van belang. Daarnaast wordt een basis gevonden in het Verzoek om medefinanciering van het betreffende programmajaar.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 6.2       
        
uitgaven1 106 851960 737725 112467 753334 631357 624357 624
        
ontvangsten272 215104 734102 032102 032102 032102 032102 032
        
verplichtingen1 036 862960 737725 112467 753334 631357 624357 624

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 6.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 725 112 467 753 334 631 357 624 357 624
waarvan:          
– personeel en materieel 11 584 11 940 11 583 11 586 11 586
– beleid 713 528 455 813 323 048 346 038 346 038
waarvan:          
a. juridisch verplicht100,0%713 5280,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%0100,0%455 813100,0%323 048100,0%346 038100,0%346 038
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%713 528100,0%455 813100,0%323 048100,0%346 038100,0%346 038

Operationele doelstelling 6.2.5:

Alle vreemdelingen in de asielprocedure en daarmee gelijkgestelden die recht hebben op opvang ontvangen immateriële en materiële opvangfaciliteiten die voldoen aan vastgestelde kwalitatieve normen.

Vreemdelingen in de asielprocedure en degenen die daarmee gelijk zijn gesteld, zoals statushouders voor wie nog geen woning beschikbaar is en uitgeprocedeerden van wie de 28-dagentermijn nog niet is verstreken, die recht hebben op opvang, worden opgevangen in verschillende opvangmodaliteiten. Basis hiervan is het in de Notitie Opvangmodaliteiten weergegeven beleid (TK, 19 637, nr. 553).

Opvang

De opvang van asielzoekers wordt uitgevoerd door het COA. Daarnaast zijn verschillende organisaties bij de opvang betrokken, waarvan een aantal subsidie ontvangt van het ministerie van Justitie. Dit zijn met name Vluchtelingenwerk Nederland en het Nederlandse Rode Kruis. Deze organisaties dragen bij aan de kwaliteit van de opvang en de rechtsbescherming van asielzoekers en daarmee gelijkgestelden.

Het ministerie van Justitie draagt tevens zorg voor beleidsontwikkeling, zowel nationaal als internationaal. Hierbij moet worden gedacht aan het onderhandelen in EU-verband over ontwerpregelgeving, waarbij met name regelgeving voor minimum voorwaarden van opvang kan worden genoemd, en het aanpassen of opstellen van nationale wettelijke regelingen en kaders. Een belangrijk thema waaraan thans extra aandacht wordt geschonken is de veiligheid in de centra, in het bijzonder van vrouwen en minderjarigen.

Europees Vluchtelingenfonds (EVF)

Instanties en overheidsinstellingen kunnen projecten indienen op het terrein van opvang, integratie en vrijwillige terugkeer. Het ministerie van Justitie fungeert in dit verband als beheer- en controleautoriteit van het EVF en verzorgt de toewijzing van een bedrag aan cofinanciering door het EVF tot maximaal 50%. Voor 2001 en 2002 is hiervoor door de EU een bedrag van respectievelijk € 3,6 en € 4,1 miljoen beschikbaar gesteld. In het jaar 2003 zal Nederland € 3 miljoen vanuit Brussel ontvangen.

Het programmasecretariaat EVF heeft een vierledige taak:

• Beheer-, coördinatie- en uitvoeringsorgaan op (EU) Programmaniveau;

• Beheer-, coördinatie- en uitvoeringsorgaan voor de EVF-projectsubsidie;

• Centraal contact- en informatiepunt van het EVF voor externe en interne partijen;

• Secretariaat voor de interdepartementale stuurgroep.

Volumegegevens

 200020012002
Ingediende projectaanvragen133232
Goedgekeurde projectaanvragen61410
Afgewezen en ingetrokken aanvragen71812
Nog in behandeling0010

Prestatiegegevens

Hoewel de feitelijke toekenningen en afwijzingen van de subsidie-aanvragen in eerste instantie worden afgehandeld binnen de gestelde termijn, wordt vertraging ondervonden bij het administratieve deel van de afhandeling. Gestreefd wordt naar verkorting van de tijdsduur van afhandeling, inclusief het administratief gedeelte, binnen de gestelde termijn.

Subsidiegegevens (x € 1 000)2000200120022003
Beschikbaar (subsidie en technische ondersteuning)2 9853 6434 1753 008
Verstrekte subsidies2 6162 310
Technische ondersteuning8282

Beleidsevaluatieonderzoek

Krachtens EU-regelgeving is de verantwoordelijke autoriteit verplicht om voor evaluatie van de acties zorg te dragen. In dat kader zal de totale opzet worden geëvalueerd, alsmede enkele projecten. Deze evaluatie zal in 2003 worden uitgevoerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 6.2.5       
        
uitgaven1 106 851960 737725 112467 753334 631357 624357 624
programma-uitgaven1 105 648959 693724 074466 787333 873356 866356 866
waarvan:       
– bijdragen1 093 639949 269713 580455 865323 100346 090346 090
– subsidies12 00910 42410 49410 92210 77310 77610 776
apparaatsuitgaven1 2031 0441 038966758758758
        
ontvangsten272 215104 734102 032102 032102 032102 032102 032
        
verplichtingen1 036 862960 737725 112467 753334 631357 624357 624

Prestatiegegevens

De opvang van asielzoekers en gelijkgestelden door het COA is in te delen in verschillende soorten opvang zoals de volgende tabel laat zien.

Gemiddeld aantal asielzoekers en daarmee gelijkgestelden in de opvang, ingedeeld naar aard van de opvang, en de feitelijke opvang als percentage van de totale gerechtigde vraag, realisatie 2001 en ramingen vanaf 2002.

 2001200220032004200520062007
Gemiddelde bezetting in aantallen       
– In centrale opvang, inclusief84 38077 27451 39631 35519 97420 90020 900
zelfzorgarrangementen       
– In decentrale opvang3 9193 6402 7002 40020001 5001 500
– In tijdelijke noodvoorzieningen *7181 300800800800800800
Feitelijke opvang als percentage van de       
totale gerechtigde vraag100%100%100%100%100%100%100%

* Tijdelijke noodvoorzieningen worden gebruikt voor de tijdelijke opvang van vreemdelingen die door de IND op de wachtlijst zijn geplaatst voor de indiening van een asielverzoek in één van de aanmeldcentra.

De voorziene afname van de bezetting van de opvang vormt de resultante van de instroombeperkende en uitstroombevorderende maatregelen en de maatregelen ter versnelling van de procedures door de vermindering van de capaciteitsproblemen bij de vreemdelingenkamers. Het stringentere toelatingsbeleid leidt daarentegen tot een vermindering van het aantal statusverleningen in eerste aanleg. Tegen de afwijzing van de asielaanvraag staat beroep open bij de rechtbank dat in de opvang mag worden afgewacht. Maatregelen worden voorts genomen ter vermindering van het aantal statushouders in de opvang door een versnelling van het proces van uitplaatsing naar reguliere huisvesting. In onderstaande tabel is opgenomen een meerjarenraming van het aantal statushouders in de opvang.

Het aantal woningzoekende statushouders in de opvang

 2001200220032004200520062007
Aantal woningzoekende statushouders       
in de opvang6 5578 0207 4184 6402 8101 9291 622

De huidige opvang kent behoefte aan de aanleg van een buffer om onverwachte schommelingen in instroom en uitstroom op te kunnen vangen en daarmee overeenkomstig de wetgeving en de internationale verdragen blijvend een opvangpercentage van 100% te kunnen realiseren. Daarom wordt gewerkt aan een buffer van 5 000 plaatsen die binnen zeer korte tijd in gebruik kunnen worden genomen bij een plotselinge toename van de bezetting.

Implementatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek zal leiden tot een nieuw bekostigingsstelsel van het COA. Hierbij kan voor investeringen een beroep worden gedaan op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën. De investeringsreserves worden om deze reden verlaagd.

Systeem- en resultaatverantwoordelijkheid

De minister van Justitie is systeemverantwoordelijk.

Groeiparagraaf

In 2002 is het Interdepartementaal Beleidsonderzoek voor het COA (IBO-COA) goedgekeurd in de Ministerraad. Daarmee is besloten tot een volwaardig resultaatgericht besturingsmodel met een baten- en lastenstelsel bij het COA. De implementatie van de resultaten uit het IBO-COA moet met ingang van het begrotingsjaar 2004 zijn gerealiseerd en hiervoor is een projectorganisatie in het leven geroepen. De ontwikkeling van de in de operationele doelstelling genoemde kwalitatieve normen en de kostprijs per opvangjaar maakt onderdeel uit van dit implementatietraject.

Beleidsartikel 6.3 Toezicht en terugkeer vreemdelingen

Het beleid op het terrein van toezicht en terugkeer is er op gericht illegaal verblijf tegen te gaan. Toezicht omvat naast grensbewaking en het mobiel toezicht op vreemdelingen ook het binnenlands vreemdelingentoezicht.

Beleidsdoelstelling 6.3

Het tegengaan van illegaal verblijf in Nederland en het bevorderen van terugkeer, teneinde negatieve maatschappelijke en sociale effecten te voorkomen.

De grondslag van deze beleidsdoelstelling is de Vreemdelingenwet 2000 en de daarop gebaseerde regelgeving.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Beleidsdoelstelling 6.3       
        
uitgaven129 894123 948131 500135 657140 038140 401140 399
        
ontvangsten960000000
        
verplichtingen130 100123 948131 500135 657140 038140 401140 399

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Beleidsdoelstelling 6.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 131 500 135 657 140 038 140 401 140 399
waarvan:          
- personeel en materieel 131 500 135 657 140 038 137 661 134 920
- beleid 0 0 0 2 740 5 479
waarvan:          
a. juridisch verplicht 0 0 00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden 0 0 00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma) 0 0 0100,0%2 740100,0%5 479
           
Totaal uitgaven beleid0,0%00,0%00,0%0100,0%2 740100,0%5 479

Prestatiegegevens

De schattingen van het aantal illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen lopen sterk uiteen. Zo komt het CBS tot een schatting van minimaal 46 000 en maximaal 116 000 illegalen1.

Het Rotterdams Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Beleidsonderzoek (RISBO) biedt in september 2002 het rapport «Illegale vreemdelingen in Nederland: Omvang, overkomst, verblijf en uitzetting», dat een kwantitatieve analyse van de illegaliteit en een kwalitatief beeld van de overkomst- en overlevingsstrategieën van illegalen in Nederland bevat, aan de Tweede Kamer aan. Uit de ruime marges met betrekking tot de inschatting van de omvang van de illegaliteit blijkt dat de jaarlijkse mutatie van het aantal illegalen niet is vast te stellen. De mate waarin de operationele doelstelling wordt bereikt is dan ook niet met zekerheid vast te stellen. Dat laat onverlet dat een aantal concrete maatregelen worden ingevoerd om illegaal verblijf en illegale immigratie te voorkomen en te bestrijden.

Operationele doelstelling 6.3.6

Het voorkomen dat vreemdelingen zich illegaal toegang verschaffen tot Nederland en het bewerkstelligen van het vertrek uit Nederland van vreemdelingen die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijven.

Intensivering en samenwerking bij toezicht en terugkeer

Het terugkeerbeleid wordt geïntensiveerd met name waar het gaat om asielzoekers die nog onder de oude vreemdelingenwet vallen. In samenwerking met de Vreemdelingendienst van de politie en met de Koninklijke Marechaussee gaat het ministerie van Justitie illegale toegangverschaffing tegen, zorgt voor de juiste uitvoering van de controle op legaal verblijf van vreemdelingen, voor het opsporen en in voorkomend geval het in bewaring nemen van illegale, uitgeprocedeerde en criminele vreemdelingen en voor het uitzetten van illegalen en uitgeprocedeerden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken speelt een rol bij het onderhandelen over terug- en overnameverdragen, in verschillende internationale fora (UNHCR, IOM) en bilaterale overleggen met herkomstlanden. Een project is gestart met als doel het intensiveren van de toezichtinspanningen door de politie, door toelatingstaken van de politie over te hevelen naar de IND. Aldus wordt, indien tot overheveling wordt besloten, de politie in staat gesteld zich te concentreren op preventief en repressief toezicht en op de naleving van de vreemdelingrechtelijke regels.

De centrale regie met betrekking tot de coördinatie van activiteiten gericht op terugkeer of uitzetting, wordt gecontinueerd, waar nodig versterkt en voorzien van voldoende sturingsmogelijkheden in de terugkeerketen. Over de organisatorische voorziening van de centrale coördinatie en sturing binnen het ministerie van Justitie wordt op korte termijn besloten.

Vertrek

Het vervoer en vertrek naar het land van herkomst wordt, bij de voorbereiding van de terugkeer en het daadwerkelijk vertrek, gefaciliteerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). De nieuwe regionale structuur van de IOM stelt de organisatie beter in staat haar taken op het gebied van terugkeer en doormigratie uit te voeren. Het ministerie van Justitie initieert maatregelen ter ondersteuning van het vertrek, initieert contacten tussen uitgeprocedeerden en de IOM, subsidieert de IOM en werkt met de IOM samen.

Vrijwillig vertrek

De IOM ondersteunt vreemdelingen desgevraagd bij de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. De nieuwe regionale structuur van de IOM stelt de organisatie beter in staat haar taken op het gebied van terugkeer en doormigratie uit te voeren. Het ministerie van Justitie initieert maatregelen ter ondersteuning van het vertrek, initieert contacten tussen uitgeprocedeerden en de IOM, subsidieert de IOM en werkt met de IOM samen.

Gedwongen vertrek

Waar vrijwillig vertrek niet aan de orde is zal worden overgegaan tot gedwongen vertrek.

Ter fine van de uitzetting dient het instrument van de vreemdelingenbewaring. Vreemdelingenbewaring garandeert de beschikbaarheid van de vreemdeling voor eventueel gedwongen vertrek en is tevens bedoeld vooronderzoek naar diens identiteit en nationaliteit, wanneer de vreemdeling niet beschikt over geldige reis- en verblijfsdocumenten. De vreemdelingenbewaring dient optimaal te worden gebruikt. Illegaal verblijf wordt strafbaar gesteld, waarbij de strafmaat en de gewenste dwangmiddelen nog nader overwogen dienen te worden.

Harmonisatie

Illegaal verblijf in Nederland wordt verder tegengegaan door de ontwikkeling en de harmonisatie van wet- en regelgeving in internationaal verband en de ontwikkeling van nationaal beleid en nationale wet- en regelgeving. Het gaat hier om de uitwerking van de vele voorstellen die de Europese Commissie heeft gedaan op het terrein van bestrijding van illegale immigratie, mensensmokkel en mensenhandel. Hierbij moet worden gedacht aan de Mededeling op het terrein van illegale immigratie en het daaruit voortvloeiende Actieplan illegale immigratie en mensenhandel, de Mededeling geïntegreerd grensbeheer en het Groenboek inzake het terugkeerbeleid. Deze voorstellen bevatten een breed scala aan maatregelen die er toe moeten bijdragen dat er een gezamenlijke Europese aanpak komt van illegale immigratie.

Ook zal Nederland steun verlenen aan de totstandkoming van een Europees terugkeerbeleid, aan een Europees beleid inzake bestrijding van illegale immigratie, alsmede aan de intensivering van de EU-buitengrenzen.

Met landen van herkomst en transitlanden zullen, op zowel bilateraal als Europees niveau, terug- en overnameovereenkomsten worden gesloten. Passende maatregelen worden genomen tegen landen die weigeren mee te werken aan het terugnemen van eigen onderdanen en overname van derde landers.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Operationele doelstelling 6.3.6       
        
uitgaven129 894123 948131 500135 657140 038140 401140 399
programma-uitgaven129 268123 351130 919135 077139 457139 819139 817
waarvan:       
– bijdragen128 938123 036130 601134 747139 130139 492139 490
– subsidies330315318330327327327
        
apparaatsuitgaven626597581580581582582
        
ontvangsten960000000
        
verplichtingen130 100123 948131 500135 657140 038140 401140 399

Prestatiegegevens

Een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd kan worden opgesloten in een grenshospitium, dit wordt vrijheidsbeneming ex art. 6 Vreemdelingenwet 2000 genoemd. Vreemdelingenbewaring ex art. 59 van de Vreemdelingenwet 2000 dient om uitzetting veilig te stellen.

Vrijheidsbeneming en bewaring, realisatie 2001 en ramingen vanaf 2002.

 2001200220032004200520062007
Vrijheidsbeneming151196208223236238238
Vreemdelingenbewaring9921 1091 1781 2661 3401 3461 346
Totaal1 1431 3051 3861 4891 5761 5841 584

Een deel van de vreemdelingen dat uit Nederland vertrekt maakt gebruik van de hulp van de IOM. De IOM heeft in 2001 1 407 maal geholpen bij terugkeer en 363 maal hulp verleend bij doormigratie naar derde landen. De productieafspraken voor 2002 zijn 1 800 respectievelijk 200. Vanaf 2003 wordt de IOM gefinancierd op basis van output.

Voor het aantal onvrijwillig vertrokkenen wordt verwezen naar de overzichtsconstructie in de bijlage en in de begrotingen van de betreffende departementen. Het aantal vreemdelingen waarbij de IND ten behoeve van hun terugkeer activiteiten verricht staan weergegeven in de volgende tabel.

Het aantal vreemdelingen waarbij de IND activiteiten verricht ten behoeve van hun terugkeer, realisatie 2001 en ramingen vanaf 2002.

 2001200220032004200520062007
Aantal vreemdelingen41 00050 00050 00050 00050 00050 00050 000

Beleidsevaluatieonderzoek

Om na te gaan of de Vreemdelingenwet 2000 voldoet aan zijn verwachtingen rond toezicht en terugkeer en om na te gaan of de uitvoering loopt zoals destijds is voorzien, is een evaluatie in voorbereiding. Deze evaluatie staat gepland voor 2004.

Groeiparagraaf

Voor 2004 zal worden nagegaan in hoeverre evaluatieonderzoek kan bijdragen aan de verbetering van de instrumenten van het beleid in relatie tot de beleidsdoelstelling. Ook wordt nagegaan op welke wijze nadere afstemming tussen de verschillende departementen kan leiden tot aanpassingen in de overzichtsconstructie «Asiel en Migratie».

HOOFDSTUK 4. NIET BELEIDSARTIKELEN

7.1 Algemeen

Niet beleidsdoelstelling 7.1

Een effectieve organisatie en bedrijfsvoering van het departement.

Niet-beleidsartikel 7.1 «Algemeen» bestaat voor een groot gedeelte uit apparaatuitgaven die niet direct toe te rekenen zijn aan één van de operationele doelstellingen op de Justitiebegroting. Het betreft voornamelijk stafdiensten die werkzaamheden verrichten ten behoeve van de Justitie-organisatie als geheel.

Het gaat in dit verband om de directie Voorlichting, de directie Personeel en Organisatie, de directie Financieel-Economische Zaken, het bureau van de Secretaris-Generaal, het bureau Kwaliteitszorg, de dienst SAFIR (salarisadministratie en financiële rechtspositietoepassing), de directie Informatisering, de Departementale Accountantsdienst, de Gemeenschappelijke Beheerorganisatie (exploitatie en beheer van geautomatiseerde systemen) en de directie Bedrijfsvoering en Ondersteuning Bestuursdepartement (DBOB). Onder DBOB – de grootste stafdienst binnen het ministerie van Justitie – vallen o.a. de collectieve facilitaire voorzieningen (w.o. huisvesting, telecommunicatie en reproductie), de documentaire informatievoorziening, en de (kantoor)automatisering.

De kwaliteit van de interne sturing van de Justitieorganisatie alsmede het (financieel) beheer, de bedrijfsvoering en de voorlichting is mede afhankelijk van de kwaliteit van de hier genoemde stafdiensten.

Naast deze uitgaven zijn ook uitgaven opgenomen betreffende de staven van de (vier) Directoraten-generaal en voor de politieke en ambtelijke leiding van het departement.

Onder dit niet-beleidsartikel zijn tevens uitgaven opgenomen met betrekking tot het projectbureau Coördinatie Vreemdelingenketen, het bureau Internationale Zaken, het bureau van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, de projectdirectie Huisvesting, Inkoop en Milieu en de projectdirectie Nieuwbouw Justitie. Daarnaast zijn uitgaven begroot voor extern geplaatsten en voor uitkeringen in het kader van onrechtmatige detentie en overige schadeloosstellingen.

Bij niet-beleidsartikel 7.1 «Algemeen» zijn ook uitgaven begroot voor activiteiten die niet rechtstreeks betrekking hebben op de Justitieorganisatie. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om uitgaven voor tolken die werkzaamheden verrichten voor andere departementen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Niet-beleidsdoelstelling 7.1.       
        
uitgaven153 978181 888137 643129 386130 765134 501134 710
programma-uitgaven27 01731 91432 12632 50932 32132 33332 335
waarvan:       
– subsidies8 76910 35810 46910 89610 75410 75910 760
apparaatsuitgaven126 961149 974105 51796 87798 444102 1 68102 375
        
ontvangsten16 9362 6612 6612 6612 6612  6612 661
        
verplichtingen175 129181 888137 643129 386130 765134 501134 710

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2003 2004 2005 2006 2007
Niet-beleidsdoelstelling 7.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 137 643 129 386 130 765 134 501 134 710
waarvan:          
- personeel en materieel 105 333 96 722 98 418 102 142 102 349
- beleid 32 310 32 664 32 347 32 359 32 361
waarvan:          
a. juridisch verplicht66,7%21 55166,0%21 54466,7%21 56766,7%21 57466,7%21 575
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reservering o.b.v. een regeling of programma)33,3%10 75934,0%11 12033,3%10 78033,3%10 78533,3%10 786
           
Totaal uitgaven beleid100,0%32 310100,0%32 664100,0%32 347100,0%32 359100,0%32 361

Niet-beleidsdoelstelling 7.2 Nominaal en onvoorzien

De nominale en onvoorziene posten van het ministerie van Justitie betreffen:

• Loonbijstelling

• Prijsbijstelling

• Onvoorzien

Niet-beleidsartikel 7.2 «Nominaal en onvoorzien» is bestemd voor het tijdelijk «parkeren» van (incidentele) loon- en prijsbijstellingen en voor de raming van bedragen voortvloeiend uit artikel 5, lid 6 van de comptabiliteitswet, dat de mogelijkheid biedt om onvoorziene uitgaven in de begroting op te nemen.

Het bedrag in 2002 in onderstaande tabel heeft betrekking op het nog uit te delen gedeelte van de loonbijstellingstranche 2002. De negatieve reeks in de jaren 2003 tot en met 2007 heeft betrekking op de ombuiging die in het Strategisch Akkoord is opgenomen ten aanzien van het asielbeleid, op de versnelling van de invulling van de efficiency- en volumetaakstelling en de taakstelling subsidies uit het Strategisch Akkoord (beiden met één jaar) en op de taakstelling subsidies die aanvullend op de maatregelen uit het SA aan het ministerie van Justitie is opgelegd. Deze negatieve reeks moet nog worden verwerkt in de budgetten van de relevante operationele doelstellingen op de Justitiebegroting en andere departementen die ook asiel-gerelateerde uitgaven op hun begroting hebben. Met andere departementen is overeenstemming bereikt over de volgende verdeling.

Verdeling tarief bedragen x € 1 miljoen

 20032004200520062007
Justitie (en Buitenlandse Zaken)139,4207,5242,6246,7253,2
OC&W22,937,834,535,028,5
BZK3,00,08,213,613,6
Defensie3,73,73,73,73,7
Raad van State1,01,01,01,01,0
Totaal170,0250,0290,0300,0300,0

Deze verdeling zal worden geëffectueerd in een nota van wijziging op de begroting. Met het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt nog separaat overleg gevoerd over hun aandeel in de taakstelling. Hierin zal ook de nadere verdeling van de taakstelling voor Justitie over de beleidsartikelen worden verwerkt en onderbouwd met prestatiegegevens. De nota van wijziging zal u tijdig voor de behandeling van de ontwerpbegroting 2003 in de Tweede Kamer bereiken.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Niet-beleidsdoelstelling 7.2       
        
uitgaven017 307– 174 871– 255 571– 296 271– 302 800– 302 800
programma-uitgaven00– 174 871– 255 571– 296 271– 302 800– 302 800
apparaatsuitgaven017 30700000
        
ontvangsten0092 97892 97892 97892 97892 978
        
verplichtingen017 307– 174 871– 255 571– 296 271– 302 800– 302 800

Niet-beleidsdoelstelling 7.3 Geheime uitgaven

Geheime uitgaven.

De grondslag voor het in de begroting opnemen van geheime uitgaven staat in artikel 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet (CW).

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2001200220032004200520062007
Niet-beleidsdoelstelling 7.3       
        
uitgaven1 8911 9621 8941 8941 8971 8991 899
programma-uitgaven1 8351 9041 8361 8351 8381 8401 840
apparaatsuitgaven56585859595959
        
ontvangsten18000000
        
verplichtingen1 9011 9621 8941 8941 8971 8991 899

HOOFDSTUK 5. DE BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

Algemeen

Het begrotingsjaar 2004 is het eerste jaar waarin het in het Referentiekader mededeling over de bedrijfsvoering besloten model over verantwoorden moet zijn ingevoerd. Over dat jaar wordt voor het eerst een integrale mededeling over de bedrijfsvoering afgegeven. Tot die tijd wordt volstaan met de voorgeschreven reikwijdte van de mededeling: het financieel en materieel beheer en de daartoe bijgehouden administraties. Het een en ander binnen de kaders van het sturingsconcept, wat onder meer inhoudt dat voor de zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak wordt gehandeld volgens de lijnen van de toezichtsarrangementen en de daarvoor specifiek geldende regeling financieel-economisch toezicht in het bijzonder. In de tussenliggende periode wordt gewerkt aan de verbetering van de voorwaarden om een integrale mededeling af te kunnen geven.

Justitie is groot, complex en dynamisch en werkt daarom reeds lang met een planning- en controlcyclus. Deze steunt onder meer op de missie en de visie van Justitie en een meerjarige financieel-economische beleidsagenda. Sinds kort werkt Justitie ook met een Justitiebrede risico-analyse om de planvorming te ondersteunen.

De invoering van de Mededeling is voor Justitie aanleiding om alle bestaande bouwstenen voor een goede bedrijfsvoering waaronder de meerjarige visie, inrichting van de planning- en controlcyclus en groeipaden onder te brengen in een integrale bedrijfsvoeringsrichtlijn die zicht geeft op de doelen en de samenhang. Deze komt gereed in 2002. Daarin worden ook de Mededeling en de daaraan gekoppelde procedures en aanwijzingen voor bijvoorbeeld de risicoanalyse en bedrijfsvoeringsonderzoeken opgenomen. Doel is volledige integratie van deze nieuwe elementen in de bestaande en reeds met vele waarborgen omgeven sturingscyclus. Dat impliceert onder meer dat aan de Mededeling deelverklaringen van de diensten ten grondslag zullen komen te liggen. Onderzocht wordt of er nog specifieke waarborgen en kwaliteitseisen moeten worden ontwikkeld voor de nieuwe elementen. Er komt in ieder geval een baseline voor financieel en materieel beheer gereed in 2002; deze geeft onder andere zicht op de normen en de meetpunten. Of er meer baselines nodig zijn wordt nog onderzocht. Daarnaast zal in ieder geval worden geïnvesteerd in verdieping en verbreding van de risicoanalyse. In de verklaring over 2003 wordt in ieder geval ingegaan op de invoering van de Mededeling zelf.

Baten-lastendiensten

Het voornemen is om de Directie Bestuurszaken (DBz) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) per 1 januari 2004 om te vormen tot baten-lastendienst. Het doel van deze operatie is de beide organisaties in staat te stellen hun taken effectiever en efficiënter uit te laten voeren. Dit wordt onder meer mogelijk gemaakt door het invoeren van een resultaatgericht besturingsmodel en het wegnemen van knellende beheersregels. Om de status van baten-lastendienst te verkrijgen stelt het ministerie een aantal instellingsvoorwaarden die met name betrekking hebben op het terrein van de bedrijfsvoering. Zowel DBz als het NFI voldoen op dit moment aan deze instellingsvoorwaarden maar vanwege de toepassing van het departementaal moratorium is de startdatum verschoven naar 1 januari 2004. De planning van de omvormingstrajecten is aangepast waarbij meer tijd is ingeruimd voor proefdraaien.

Het invoeren van het baten-lastenstelsel bij de Raad voor de Rechtspraak en de gerechten is een onderdeel van de herziening Rechterlijke organisatie. De Raad voor de Rechtspraak en de gerechten worden gezien hun zelfstandige positie geen baten-lastendienst maar gaan wel het baten-lastenstelsel voeren. Dit met het oog op de verbetering van de bedrijfsvoering en het wegnemen van knellende beheersregels. Conform baten-lastendiensten moeten zij voldoen aan de gestelde instellingsvoorwaarden mits deze niet strijdig zijn met hun zelfstandige positie. De startdatum is gesteld op 1 januari 2004 wat betekent dat het merendeel van de activiteiten om dit te bereiken in 2003 vallen.

Eigentijds begrotingsstelsel

De nota «Eigentijds begrotingsstelsel» van het ministerie van Financiën heeft onder andere als doel om bij de diensten die nog geen baten-lastenstelsel kennen voor 2006 dat stelsel in te voeren. Daar wordt ook in 2003 aan gewerkt. Deze overgang heeft ook invloed op de sturingsrelaties.

Verder bouwen aan kwaliteit

Op vele terreinen wordt verder gewerkt aan de kwaliteit van de bedrijfsvoering. In verband met de interdepartementale context worden in ieder geval initiatieven genoemd inzake « Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording» (met een accent op de beleidsdoelstellingen en operationele doelstellingen), de «Regeling prestatiegegevens en evaluatieonderzoek Rijksoverheid» en het «Kwaliteitsplan auditfunctie Rijksoverheid».

HOOFDSTUK 6. BATEN-LASTENDIENSTEN

TOELICHTING BIJ DE BATEN – LASTENDIENSTEN

01 IMMIGRATIE – EN NATURALISATIEDIENST (IND)

Algemeen

De IND levert een bijdrage aan het asiel- en migratiebeleid. De IND-bijdragen zijn opgenomen in:

Beleidsartikel 6.1: Toelating Asiel en Regulier

De minister van Justitie is belast met de behandeling van aanvragen om toelating en verblijf en de behandeling van aanvragen om naturalisatie. Daarbij is een van de belangrijkste uitgangspunten dat kwalitatief verantwoorde beslissingen worden genomen binnen de door de wet bepaalde beslistermijnen.

Beleidsdoelstelling 6.1

Het zorgdragen voor een gereguleerde toelating van vreemdelingen tot Nederland, op een maatschappelijk verantwoorde wijze, die recht doet aan de belangen van vreemdelingen die hier tijdelijk of definitief willen verblijven.

Operationele doelstelling 6.1.3

Elke aanvrager van een verblijfsvergunning, naturalisatie of een visum krijgt binnen de gestelde termijnen een besluit uitgereikt.

Beleidsartikel 6.3 Toezicht en terugkeer vreemdelingen

Het beleid op het terrein van toezicht en terugkeer is er op gericht illegaal verblijf tegen te gaan. Toezicht omvat naast grensbewaking en het mobiel toezicht op vreemdelingen ook het binnenlands vreemdelingentoezicht, waaronder mede de controle op legaal verblijf van vreemdelingen in Nederland valt.

Beleidsdoelstelling 6.3

Het tegengaan van illegaal verblijf in Nederland en het bevorderen van terugkeer, teneinde negatieve maatschappelijke en sociale effecten te voorkomen.

Operationele doelstelling 6.3.6

Het voorkomen dat vreemdelingen zich illegaal toegang verschaffen tot Nederland en het bewerkstelligen van het vertrek uit Nederland van vreemdelingen die niet of niet meer rechtmatig in Nederland verblijven.

Sturing

De IND is een baten-lastendienst van het ministerie van Justitie. De aansturing vanuit het kerndepartement vindt plaats op basis van managementafspraken en is gebaseerd op het principe van outputsturing.

Producten

De producten die de IND verricht om bovenstaande operationele doelstellingen uit te kunnen voeren zijn als volgt benoemd:

Asiel: afhandeling in aanmeldcentra, beslissing, bezwaar, beroep en hoger beroep Regulier: beslissing in eerste aanleg, bezwaar en beroep

Overig: visum, naturalisatie en terugkeer.

Meerjarige begroting van baten en lasten Bedragen x €1000

 2001200220032004200520062007
Baten       
Opbrengst moederdepartement304 935303 890285 436285 286283 950283 874273 879
Opbrengst overige departementen       
Opbrengst derden7 56545 91045 91045 91045 91045 91045 910
Rentebaten784122186284412465545
Buitengewone baten       
Exploitatiebijdrage       
Totaal baten313 284329 922331 532331 480330 272330 249320 334
        
Lasten       
Apparaatskosten       
– Personele kosten153 394166 385162 634162 634162 634162 634156 634
– Materiële kosten144 746139 168143 360142 595141 400141 591138 018
– Subsidies 5 9505 9505 9505 9505 9505 950
Rentelasten1 2511 41920092 4282 5572 4672 349
Afschrijvingskosten       
– Materieel15 55217 00017 57917 87317 73117 60717 383
– Immaterieel       
Dotaties voorzieningen637      
Buitengewone lasten       
Totaal lasten315 580329 922331 532331 480330 272330 249320 334
        
Saldo van baten en lasten– 2 296000000

Toelichting

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst van het moederdepartement is nog niet gesplitst per productgroep omdat in 2002 een nieuw kostprijssysteem wordt ontwikkeld in overleg met het moederdepartement. Met de uitkomsten hiervan zullen prijs- en volumeafspraken kunnen worden gemaakt, waarin naast inzicht in de doelmatigheid de transparantie van de organisatie voorop staat.

Opbrengst derden

De opbrengst derden bestaat uitsluitend uit inkomsten leges en naturalisatie. In 2002 zijn de leges verhoogd. Hierdoor is het verschil tussen kostprijs en de bijdrage fors verkleind.

Rentebaten

Op een positieve stand in rekening-courant wordt een rentepercentage vergoed van variërend tussen de 2% en 4% op jaarbasis. In bovenstaand overzicht is rekening gehouden met een gemiddelde van 3% per jaar.

Lasten

Personele kosten

De formatie in 2002 bedraagt 3639,3 volledige fte's. Per fte wordt in 2003 gerekend met een gemiddelde loonsom van € 43 030. De gemiddelde kosten per formatieplaats zijn verhoogd met gemiddeld € 1 610 vanwege secundaire kosten zoals gedifferentieerd belonen, opleiding & vorming en kosten woon-werkverkeer. Dat laatste in het kader van een vervoerplan waarvan het uitgangspunt is dat de medewerkers per openbaar vervoer reizen. De kosten van externe inzet, bijvoorbeeld uitzendkrachten en deskundigen, moeten binnen het totale kader personeel worden gefinancierd.

Materiële kosten

De belangrijkste groepen materiële kosten zijn in onderstaand overzicht opgenomen (alle bedragen x € 1 000):

Huisvesting38 000
Vreemdelingenvervoer8 000
Tolkenkosten15 000
Terugkeer/Verwijderingen10 000
Automatisering23 000
Proceskosten10 000
Opvang Aanmeldcentra9 000
Subsidies6 000
Overig24 000

Rentelasten

Er wordt rente betaald op een lening in het kader van de leenfaciliteit. Het percentage op de huidige lening bedraagt 5%. De lening wordt elk jaar voor een deel ingelost. Door het aanvragen van nieuwe leningen ter financiering van de investeringen varieert de rentelast. De variatie in het rentepercentage wordt ingeschat tussen de 5% en de 7% per jaar. In bovenstaand overzicht is rekening gehouden met een gemiddelde van 6% per jaar.

Afschrijvingskosten ((im)materiële vaste activa)

De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen aanschafwaarde inclusief BTW, verminderd met de lineaire afschrijvingen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat:

1. Het actief langer dan 1 jaar wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering van de IND;

2. Het economisch eigendom ligt bij de IND en;

3. De aanschafwaarde van de individuele goederen gelijk is aan of groter is dan € 500 (inclusief BTW).

De afschrijvingen geschieden overeenkomstig de geschatte economische levensduur en zijn berekend op basis van de aanschafwaarde verminderd met de geschatte restwaarde.

ItemTermijn
Grondniet afschrijven
Gebouwen30 jaar
Verbouwingen5 jaar
Inventarissen/installaties5 jaar
Computer hard- en software4 jaar
Vervoermiddelen4 jaar

Saldo van baten en lasten

Naar verwachting worden de lasten gedekt door de bijdrage en de inkomsten uit leges.

Kasstroomoverzicht Bedragen x €1000

 2001200220032004200520062007
1. Rekening courant RHB 1 januari33 61912 95718 92821 66825 76130 78933 151
        
2. Totaal operationele kasstroom2 73217 00017 58017 87417 73217 60817 384
        
3a. -/- Totaal investeringen– 20 872– 18 461– 19 058– 16 416– 9 591– 12 713– 13 713
3b. +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen4 815      
3. Totaal investeringskasstroom– 16 057– 18 461– 19 058– 16 416– 9 59112 713– 13 713
        
4a. -/- Eenmalige uitkering aan moederdepartement       
4b. +/+ eenmalige storing door moederdepartement       
4c. -/- Aflossingen op leningen– 7 337– 11 029– 14 840– 13 781– 12 704– 15 246– 14 296
4d. +/+ Beroep op leenfaciliteit 18 46119 05816 4169 59112 71313 713
4. Totaal financieringskasstroom– 7 3377 4324 2182 635– 3 113– 2 533– 583
        
5. Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)(=1+2+3+4)12 95718 92821 66825 76130 78933 15136 239
(Maximale roodstand 0.5 miljoen euro)       

Toelichting

Totaal investeringen

Op basis van de meerjarige investeringsbegroting aangevuld met nieuwe ontwikkelingen wordt het investeringsprogramma jaarlijks opgesteld. Voor 2002 worden op de volgende hoofdzaken investeringen gepleegd: Verbouwingen in het kader van behandelkantoren, Inventaris/Installaties, hard- en software.

Vermogensontwikkeling Bedragen x €1000

 2001200220032004200520062007
1. Eigen vermogen per 1 januari10 2087 9127 9127 9127 9127 9127 912
        
2. Saldo van baten en lasten– 2 296000000
        
3a. Uitkering aan moederdepartement       
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking EV       
3c. Overige mutaties       
3d. Directie mutaties in het eigen vermogen       
        
4. Eigen vermogen per 31 december(1+2+3)7 9127 9127 9127 9127 9127 9127 912

Volume- en prijsindicatoren per activiteit

 realisatie 2001 verm. uitkomsten 2002 begroting 2003  
 prijs bedrag x prijs bedrag xprijs bedrag x
 (x € 1,–)volume(€ 1 mln.) (x € 1,–)volume(€ 1 mln.) (x € 1,–)volume(€ 1 mln.)
asiel (totaal)  202,6  205,9  198,8
– aanmeldcentra1 05129 70831,21 15525 00028,91 13931 00035,3
– gehoor1 28236 22746,41 40925 00035,21 38931 00043,1
– beslissing1 48139 29458,21 62730 00048,81 60430 00048,1
– herziening en bezwaar1 29533 54943,41 42336 00051,21 4036 0008,4
– beroep1 00311 92312,01 10216 00017,61 08727 00029,3
– voorlopige voorziening89712 66611,498616 00015,897227 00026,2
– hoger beroep   1 1004 0004,41 0854 0004,3
– voorlopige voorz. hoger beroep   1 0004 0004,09864 0003,9
regulier (totaal)  72,2  77,2  86,7
– eerste aanleg57360 02334,463063 00039,662163 00039,1
– bezwaar1 11218 94821,11 2222200026,91 2052200026,5
– beroep1 3226 3698,41 4524 0005,81 4328 00011,5
– voorlopige voorziening1 1127 5138,41 2224 0004,91 2058 0009,6
– overige kosten         
          
visa12829 0663,714134 0004,813934 0004,7
naturalisatie23034 5367,925335 0008,824935 0008,7
terugkeer41140 92016,845250 00022,644550 00022,3
conservatoire maatregelen95612 76912,21 05010 00010,51 03610 00010,4
   315,6  329,9  333,1

Toelichting

De kostprijzen in bovenstaand overzicht zijn nog opgesteld conform de huidige systematiek. In 2002 is een vooronderzoek afgerond met betrekking tot kostprijzen. Eind 2002 wordt verwacht dat de nieuwe systematiek gereed en getoetst is waardoor de begroting van 2004 met meer causale kostprijzen zal worden onderbouwd. De kosten per product stijgen in 2003 minder dan de algemene prijsrondes op zowel personeel als exploitatie. Door het invoeren van kostenbesparende maatregelen is de doelmatigheid tot stand gekomen.

Overzicht personele- en materiële kengetallen naar categorie Bedragen x € 1000

 realisatieverm. uitk.Begr  
 2001200220032004200520062007
Ambtelijk personeel       
– ultimo bezetting (in aantal fte)*3 2663 4833 6393 6393 6393 6393 501
– gemiddelde loonsom (x € 1,–)41 01741 41143 03043 03043 03043 03043 012
begrotingsbeslag133 962144 235156 584156 584156 584156 584150 584
– aantal niet actief (in aantal fte)*pmpmpmpmpmpmpm
– begrotingsbeslag1 6871 7501 5001 5001 5001 5001 500
        
Overig personeel       
– niet-regulier305350300300300300300
– uitzendkrachten13 78615 75000000
– opleiding en vorming2 9473 5003 5003 5003 5003 5003 500
        
Post-actief personeel       
– begrotingsbeslag707800750750750750750
Sub-totaal personele kosten153 394166 385162 634162 634162 634162 634156 634
Materieel       
programmakosten:       
– tolken14 90715 00015 80015 50015 50015 50015 500
procesvertegenwoordiging8 9449 00010 50011 00011 00011 0009 500
– verwijderingen14 88515 00017 50017 50015 00015 00015 000
– proceskosten5 9636 0006 0006 0006 0006 0006 000
– operationele kosten opvang aanmeldcentra9 0159 0008 5008 0008 0008 0008 000
apparaatskosten:       
– huisvesting35 77736 00038 00038 00038 00038 00038 000
– automatisering23 85123 50023 00023 00023 00023 00023 000
– overige exploitatie26 09125 66824 06023 59524 90025 09123 018
Sub-totaal materiële kosten139 433139 168143 360142 595141 400141 591138 018
Subsidies5 9505 9505 9505 9505 9505 9505 950
Afschrijvingskosten15 55217 00017 57917 87317 73117 60717 383
Rentelasten1 2511 4192 0092 4282 5572 4672 349
Buitengewone lasten       
Sub-totaal overige22 75324 36925 53826 25126 23826 02425 682
Totaal315 580329 922331 532331 480330 272330 249320 334

Toelichting

Bovenstaand overzicht geeft een nadere specificatie van deze kosten opgenomen in het overzicht begroting van baten en lasten

02 DIENST JUSTITIELE INRICHTINGEN (DJI)

De Dienst Justitiële Inrichtingen levert een bijdrage aan de veiligheid van de samenleving door tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen en door de aan onze zorg toevertrouwde personen de kans te bieden een maatschappelijk bestaan op te bouwen.

In begrotingstechnische zin worden onderscheiden:

• Penitentiare inrichtingen, inclusief de vreemdelingenbewaring en strafrechtelijkeopvang verslaafden;

• De justitiële jeugdinrichtingen;

• De justitiële TBS-inrichtingen;

• De Landelijke diensten;

• Het hoofdkantoor DJI.

Globaal de helft van de justitiële jeugd- en TBS-capaciteit bestaat uit plaatsen in particuliere inrichtingen. Financiering van deze inrichtingen geschiedt door middel van (volledige) subsidiëring.

De DJI-bijdragen maken onderdeel uit van beleidsartikel 5.1 Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties en 6.3 Toezicht en terugkeer vreemdelingen. Binnen deze artikelen zijn de operationele doelstellingen betreffende DJI geformuleerd onder respectievelijk 5.1.2. t/m 5.1.4 en 6.3.6.

De grondslag van het wetsartikel

De wettelijke grondslag voor de verplichtingen vloeit in het bijzonder voort uit het Wetboek van Strafrecht, de Penitentiaire beginselenwet, de Wet op de jeugdhulpverlening en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, alsmede de Vreemdelingenwet (art. 6 en 59) en de bij voornoemde wetten behorende nadere regelgeving.

De kosten van gevangenisstraf en hechtenis komen ten laste van de Justitiebegroting op grond van artikel 35 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voor zover niet bij of krachtens enige wet anders is bepaald.

De kosten van de verpleging van ter beschikking gestelden komen ten laste van de Justitiebegroting op grond van artikel 37e van het Wetboek van Strafrecht. Dit is deels nader uitgewerkt in artikel 79 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. De grondslag voor subsidiëring van particuliere justitiële inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden is te vinden in de artikelen 73 tot en met 77 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

De formele grondslag voor de subsidiëring van de particuliere justitiële jeugdinrichtingen is te vinden in artikel 65, eerste lid van de Wet op de jeugdhulpverlening en artikel 77 ff eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. In het Subsidiebesluit Justitiële jeugdinrichtingen is deze subsidiëring nader uitgewerkt.

Besturingsrelatie

De DJI is een agentschap van het ministerie van Justitie. De aansturing vanuit het bestuursdepartement vindt plaats op basis van managementafspraken. De verantwoording over de bereikte resultaten en over de inzet van middelen vindt achteraf plaats door middel van periodieke rapportages en besprekingen. Deze rapportages zijn erop gericht inzicht te geven in de door de DJI behaalde resultaten op het niveau van prestatie-indicatoren op de resultaatgebieden van het INK-model (van het Instituut Nederlandse Kwaliteit). Het betreft onder andere de ontwikkeling van de beschikbare capaciteit en de desbetreffende bestemming, de bezettingsgraad, het aantal ontvluchtingen vanuit gesloten inrichtingen, het aantal onttrekkingen aan detentie of behandeling anders dan door vlucht en de ontwikkeling van de kostprijs per productdifferentiatie, c.q. per productgroep.

Het hoofdkantoor DJI stuurt op hoofdlijnen. De interne planning en control van de DJI is een instrument waarmee de besturing van de DJI-inrichtingen en -diensten wordt ondersteund. Deze sturing is gebaseerd op het principe van outputsturing en vindt plaats met inachtneming van gegeven mandaten aan de decentrale managers. Op basis van de ingediende jaarplannen worden de beoogde resultaten en de personele en financiële kaders, waarbinnen deze resultaten moeten worden behaald, definitief vastgesteld in de vorm van jaarafspraken (managementcontracten met de rijksinrichtingen en prestatie-afspraken met de particuliere inrichtingen). Tussentijds wordt verantwoording afgelegd door middel van 4-maandenrapportages en daaraan gekoppelde managementgesprekken. Decharge wordt verleend aan de hand van de jaarverslaglegging van de betrokken inrichtingen en diensten en de op basis hiervan gevoerde besprekingen.

Over 2001 verkreeg de DJI net als de voorgaande jaren (1997 t/m 2000) een goedkeurende accountantsverklaring.

Als uitvloeisel van de reorganisatie «Herontwerp Besturing DJI» (1999) beoogt DJI in 2003 het project Outputsturing te voltooien, in de betekenis dat de staande organisatie de uitvoering van dit instrument kan dragen. Het doel van dit project is om te komen tot een meer transparante en objectieve invulling van de sturingsrelatie met de inrichtingen. In de tweede helft van 2001 is daarnaast een voorstudie uitgevoerd door vertegenwoordigers van het kerndepartement en DJI naar het nut en de meerwaarde van invoering van outputfinanciering in de sturingsrelatie tussen het kerndepartement en DJI. Nadat het project outputsturing is voltooid zal het concept outputfinanciering verder moeten worden uitgewerkt in concrete spelregels.

Aanpak drugssmokkel Schiphol/Noodcapaciteit DJI

De ontwikkelingen met betrekking tot de maatregelen ter bestrijding van drugskoeriers die ons land als doorvoerhaven voor het smokkelen van drugs gebruiken, hebben een grote impact op de Justitieorganisatie. In het Kabinet is afgesproken de controle en de opsporing van drugskoeriers te intensiveren. Uitgangspunt daarbij is het treffen van maatregelen om de bestrijding van drugssmokkel via Schiphol optimaal te bestrijden. Daarvoor is een hoog controle- en opsporingsniveau nodig en een maximale inspanning om de drugskoeriers op te sporen, te berechten en de straf ten uitvoer te leggen.

In het plan van aanpak drugssmokkel Schiphol (zie beleidsartikel 3.3 Rechtshandhaving) is aangegeven dat ook ten aanzien van de penitentiaire capaciteit een aantal maatregelen wordt getroffen. Dit zijn onder andere:

• De plaatsing van extra capaciteit in de vorm van bijzondere noodvoorzieningen;

• Het opnieuw in gebruik nemen van buiten gebruik gestelde gevangeniscapaciteit.

In de brief aan de Tweede Kamer d.d. 2 juli 2002 (TK, 24 587, nr. 79) is aangegeven dat DJI uitvoering geeft aan de realisatie van 1400 plaatsen. Financiering van de noodcapaciteit aanpak drugssmokkel Schiphol vindt plaats ten laste van beleidsartikel 3.3 Rechtshandhaving.

Meerjarige begroting van baten en lasten bedragen x € 1000

OmschrijvingRealisatieVermoed. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Baten       
– opbrengst departement1 135 2611 227 9351 275 8631 259 8261 249 2781 249 3811 249 257
– opbrengsten derden176 900151 734148 558148 583148 438148 423148 422
– rente      
– buitengewone baten      
Totaal baten1 312 1611 379 6691 424 4211 408 4091 397 7161 397 8041 397 679
        
Lasten       
personeel646 607719 822726 745700 397685 597685 694682 427
materieel552 957598 221657 981678 411671 380667 817667 437
* huisvesting239 937226 315275 234300 573311 098313 326314 377
* subsidies176 703215 583227 871231 241222 474215 078214 777
* overig136 317156 323154 876146 597137 808139 413138 283
– rente4 7635 7085 6166 9817 8758 2759 315
– afschrijvingen31 81233 50035 00036 50038 00038 50038 500
* materieel31 81233 50035 00036 50038 00038 50038 500
– buitengewone lasten59      
– dotatie aan voorzieningen53 282      
Totaal lasten1 289 4811 357 2511 425 3411 422 2891 402 8521 400 2861 397 679
Saldo baten en lasten22 68022 418– 920– 13 880– 5 136– 2 482

Toelichting

De fluctuaties in de meerjarige raming van de lasten worden veroorzaakt door meerdere factoren. De voornaamste zijn:

• De uitvoering van de maatregelen betreffende het Regeerakkoord 1998–2002 (de taakstelling van € 52 mln. en de capaciteitsuitbreidingen van € 77 mln.);

• De (incidentele) middelen op grond van de beleidsnota «Investeren in personele zorg DJI» (TK, 24 587, nr. 71 en nr. 76);

• De taakstelling die voortvloeit uit zowel het Strategisch Akkoord als de financiële problematiek van het ministerie van Justitie.

Voorts geldt dat het in bovenstaand overzicht opgenomen saldo van baten en lasten het gevolg is van het toepassen van de budgettair neutrale kasschuif die onderdeel uitmaakt van de financiering van de maatregelen, zoals genoemd in de brief aan de Tweede Kamer inzake de nota «Investeren in personele zorg DJI» (TK, 24 587 nr. 71 en nr. 76).

Relatie tussen de kosten en de opbrengsten

De kosten voor grondstoffen, arbeidsuren e.d., welke worden aangewend ten behoeve van de arbeid in de Rijksinrichtingen, worden doorberekend aan de opdrachtgevers. De desbetreffende opbrengsten worden begroot op het onderdeel «Opbrengsten arbeid».

De verpleegkosten van TBS-gestelden en overige ten laste van Justitie komende verpleegden kunnen voor een belangrijk gedeelte uit hoofde van de Algemene wet bijzondere ziektekosten worden gedeclareerd bij het AFBZ (algemene fonds bijzondere ziektekosten). De desbetreffende opbrengsten worden begroot op het artikelonderdeel «Opbrengsten AWBZ». De «Diverse opbrengsten» betreffen voornamelijk de kantineopbrengsten, personeelsgebonden inhoudingen zoals bijdrage ouderschapsverlof en kinderopvang, alsmede afrekeningen van (subsidie-) voorschotten aan particuliere inrichtingen. In het algemeen kan worden gesteld dat deze opbrengsten een directe relatie hebben met de kosten.

Baten

Opbrengst departement

De post opbrengst departement betreft de exploitatiebijdrage van het kerndepartement Justitie aan DJI. Uitvoering van de kerntaak van DJI betekent het tegen kostprijzen leveren van een gedifferentieerd aanbod van detentie-, behandel- en opvangplaatsen. In de jaarafspraken tussen kerndepartement en DJI worden onder meer afspraken gemaakt over de omvang en kwaliteit van de door DJI te leveren producten, tegen welke dagprijzen en daarmee ook over de omvang van de bijdrage van het kerndepartement.

Opbrengsten derden

De opbrengsten derden bestaan uit arbeidsopbrengsten, opbrengsten AWBZ en diverse opbrengsten. De verdeling is als volgt:

(bedragen x € 1000,–)

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Opbrengsten arbeid19 96118 45117 72317 63217 63217 63217 632
Opbrengsten AWBZ126 032118 723116 275116 391116 246116 231116 230
Diverse opbrengsten30 90714 56014 56014 56014 56014 56014 560
Totaal opbrengsten176 900151 734148 558148 583148 438148 423148 422

Opbrengsten arbeid

Het betreft hier de opbrengsten uit de (als regime-activiteit) verrichte arbeid, zoals die in de Rijksinrichtingen plaatsvindt. Aan externe opdrachtgevers wordt geleverd tegen marktprijzen.

Opbrengsten AWBZ

Bij het AFBZ worden voor een belangrijk gedeelte de verpleegkosten gedeclareerd van daarvoor in aanmerking komende TBS-gestelden en overige ten laste van Justitie komende verpleegden. De desbetreffende TBS-uitgaven zijn begrepen in de raming van de DJI. De te declareren kosten bij het AFBZ (= opbrengsten) zijn geraamd op circa 80% van de te verwachten verpleegkosten voor TBS-gestelden en overige ten laste van Justitie komende verpleegden.

Diverse opbrengsten

De diverse opbrengsten hebben betrekking op verschillende exploitatiebaten en op verrekeningen in verband met te veel verstrekte voorschotten aan gesubsidieerde inrichtingen in voorgaande jaren. De (incidenteel) hogere opbrengsten in 2001 vloeien voornamelijk voort uit -ten behoeve van justitiële ketenpartners- verrichte werkzaamheden en de bijdragen van de VN inzake de bewaring van personen in het kader van het VN-tribunaal.

Rente

Over een positief saldo op de rekening-courant met het ministerie van Financiën wordt een rentevergoeding gegeven ter hoogte van de het tarief van de call-euribor, verminderd met een afslag van 1%. De depositorente wordt vastgesteld op basis van de euribor waarop een afslag van 0,25% wordt toegepast. Gelet op de huidige bevoorschottingssystematiek wordt er van uitgegaan dat de rente in de rekening-courant per saldo nihil zal zijn.

Buitengewone baten

De post buitengewone baten heeft betrekking op baten die, in tegenstelling tot gewone baten voortvloeien uit handelingen en gebeurtenissen die in principe van incidentele aard zijn en die niet direct betrekking hebben op de reguliere activiteiten van het agentschap (bijv. opbrengst boven de boekwaarde van de verkoop van materiële vaste activa). Er worden de komende jaren geen buitengewone baten voorzien.

Lasten

Personele kosten

De fluctuaties van de personele lasten worden in belangrijke mate veroorzaakt door de toe-/afname van het personeelsbestand als gevolg van capaciteitsaanpassingen, het tijdelijke karakter van enkele noodmaatregelen en de doorwerking van de loonbijstellingen. Met als doel meer specifiek inzicht te geven in de raming en de realisatie van de personele kosten wordt het volgende overzicht gepresenteerd.

Overzicht specificatie personele kosten

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Ambtelijk personeel591 802659 322664 457638 164623 356623 350619 950
Overig personeel (totaal)54 80560 50062 28862 23362 24162 34462 477
gespecificeerd als volgt:       
– niet regulier11 84513 500     
– uitzendkrachten18 54519 000     
– opleiding en vorming14 77317 500     
– post-actief personeel9 64210 500     
Totaal646 607719 822726 745700 397685 597685 694682 427
Ambtelijk personeel (gem. bezetting x 1 fte)15 44516 53716 28115 89015 68615 68215 596
Gemiddelde loonsom per fte (x € 1,–)38 31739 87040 80040 16039 75039 75039 750

Materiële kosten

Onder deze post zijn alle reguliere exploitatiekosten van het agentschap begrepen. De fluctuaties van de kosten houden mede verband met de onder de personele kosten genoemde factoren.

De opgenomen reeks voor huisvesting heeft betrekking op de aan de Rijksgebouwendienst te betalen kosten van huur en serviceovereenkomsten. De reeks voor subsidies betreft voornamelijk de bekostiging van de particuliere justitiële jeugden TBS-inrichtingen.

Rente

Als gevolg van de gewijzigde regelgeving is het niet meer mogelijk om een bestemmingsreserve (bedoeld voor het doen van (vervangings)investeringen) te vormen. Hiervoor geldt de leenfaciliteit, waaruit de benodigde middelen ten behoeve van de (vervangings)investeringen van het ministerie van Financiën kunnen worden geleend. De in dit kader te betalen rente wordt zichtbaar op de staat van baten en lasten en is verdisconteerd in de kostprijs. Uitgegaan is van een gemiddelde rente van 5% over de gemiddelde stand van de leningen per jaar.

Afschrijvingen

De afschrijvingsreeks is gebaseerd op de actuele omvang van de vaste activa, rekening houdend met de geplande vervangings- en uitbreidingsinvesteringen. De afschrijvingen vinden stelselmatig plaats, op lineaire basis en voorgeschreven termijnen per activagroep en op basis van de aanname dat de restwaarde (afgezien van uitzonderingen) nul is. De gehanteerde afschrijvingspercentages gaan in beginsel van de volgende gemiddelde levensduren uit:

Installaties en materieel5–10 jaar
Automatisering en kantoormachines4–5 jaar
Inventaris5–8 jaar
Vervoermiddelen5 jaar
Levende have, wapens en toebehoren5–10 jaar
Overige machines en installaties5 jaar

Buitengewone lasten

De post buitengewone lasten heeft betrekking op lasten die, in tegenstelling tot gewone lasten, voortvloeien uit handelingen en gebeurtenissen die in principe van incidentele aard zijn en die niet direct betrekking hebben op de reguliere activiteiten van het agentschap.

Dotatie aan voorzieningen

Naar verwachting zal de DJI in 2003 conform voorliggende jaren ook voorzieningen kennen voor reorganisatie, functioneel leeftijdsontslag en groot onderhoud. Het bedrag van de dotatie en/of onttrekking aan deze voorzieningen wordt tijdens het uitvoeringsjaar bepaald.

Kasstroomoverzicht bedragen x € 1000

 2001200220032004200520062007
Rekening courant RHB 1 januari117 539128 02687 69761 27244 78630 18713 819
Totaal operationele kasstroom90 40224 462– 5 01015 72424 75314 78433 000
-/- totale investeringen– 59 898– 51 000– 52 000– 50 000– 50 00050 000– 50 000
+ totaal boekwaarde desinvesteringen13 4656 7333 366    
Totaal investeringskasstroom– 46 433– 44 268– 48 634– 50 000– 50 00050 000– 50 000
-/- eenmalige uitkering aan departement– 70 775– 18 600     
+ eenmalige uitkering door departement       
-/- aflossing op leningen– 15 345– 21 924– 24 781– 32 210– 39 353– 31 151– 35 662
+ beroep op leenfaciliteit52 63920 0005200050 00050 00050 00050 000
Totaal financieringskasstroom– 33 482– 20 52427 21917 79010 64718 84914 338
Rekening courant RHB 31 december128 02687 69761 27244 78630 18713 81911 157

Toelichting op het overzicht

Operationele kasstroom

De hier opgenomen reeks is het saldo van de mutaties die zich in de loop van het jaar voordoen als gevolg van de normale bedrijfsvoering.

Investeringskasstroom

Het geraamde bedrag van de investeringskasstroom in 2002 wijkt af van het voorziene beroep op de leenfaciliteit. Dit betekent dat een deel van de investeringen met eigen middelen wordt gefinancierd. Omdat DJI het noodzakelijk acht dat de – aan de exploitatie reserve gekoppelde – liquiditeit in zekere mate in evenwicht blijft, worden de investeringen voor de latere jaren gefinancierd door middel van een beroep op de leenfaciliteit.

Financieringskasstroom

Deze reeks heeft betrekking op het voorgenomen beroep op de leenfaciliteit bij het ministerie van Financien ten behoeve van investeringen en de hierop betrekking hebbende aflossingen.

Vermogenontwikkeling bedragen x € 1000

 2001200220032004200520062007
Eigen vermogen per 1/165 42580 07383 89182 97169 09263 95561 473
Saldo baten en lasten22 68022 418– 920– 13 880– 5 136– 2 482 
Mutaties eigen vermogen:       
– uitkering aan departement– 8 032– 18 600     
– storting door departement       
– overige mutaties       
Eigen vermogen per 31/1280 07383 89182 97169 09263 95561 47361 473

Kengetallen per beleidsterrein

Capaciteiten per beleidsterrein

Als belangrijkste indicator voor zowel de rijks- als de particuliere inrichtingen geldt de capaciteitseenheid (cel, plaats, bed) ten behoeve van gedetineerden, pupillen en TBS-gestelden.

Prijzen

Bij de DJI zijn voorcalculatorische dagprijzen per type plaats berekend. Het betreft hier een integrale kostprijs waarin – met uitzondering van de prijzen voor in bewaring gestelden op politiebureaus – rekening is gehouden met zowel een opslag voor de toerekening van kosten voor de Landelijke diensten (opleidingen, vervoer, systeembeheer, geestelijke en geneeskundige verzorging, etc.) en het Hoofdkantoor DJI, als de toerekening van enkele centraal beheerde kosten. De in de onderstaande tabellen opgenomen tarieven zijn samengesteld uit circa 60 tarieven die binnen de DJI voor even zoveel producten worden gehanteerd. In de prijzen is rekening gehouden met zowel inrichtingsspecifieke bovennormatieve toevoegingen en toeslagen als nog toe te delen sectorale loon- en prijsbijstellingen. Deze kostenposten komen ook in de realisatiecijfers op productniveau tot uitdrukking. Bedoelde posten, uitgedrukt in een afhankelijk van het beleidsterrein berekende opslag per productdifferentiatie, maken deel uit van de in de begroting gepresenteerde voorcalculatorische dagprijs. In de eindafrekening over het begrotingsjaar worden de voorcalculatorische en gerealiseerde dagprijzen met elkaar vergeleken en worden verschillen geanalyseerd en toegelicht.

Toelichting op de (gemiddelde) dagprijzen

Ter toelichting op de fluctuaties van de -in onderstaande tabellen- opgenomen (gemiddelde) dagprijzen geldt dat incidentele effecten optreden die voornamelijk een gevolg zijn van de toerekening van voorwervings- en aanloopkosten betreffende de voorgenomen capaciteitsuitbreidingen. Overigens geldt dat in de onderstaande tabellen nog geen rekening is gehouden met de ontwikkelingen zoals die naar voren komen uit de in het voorjaar 2002 opgestelde prognoses van de capaciteitsbehoefte 2002 – 2006. De Tweede Kamer wordt hierover afzonderlijk geïnformeerd. Voorts geldt dat de (gemiddelde) dagprijzen stijgen als gevolg van de wijziging van de omvang van de onderscheiden productdifferentiaties. Als gevolg van eerdere uitkomsten van de capaciteitsprognoses heeft -gelet op de behoefteontwikkeling- een verschuiving plaatsgevonden van een relatief goedkope vorm van regime naar een duurdere vorm. Tenslotte stijgen de (gemiddelde) dagprijzen als gevolg van de doorwerking van loon- en prijsbijstellingen alsmede de maatregelen in het kader van de nota «Investeren in personele zorg».

Overzicht gemiddelde capaciteit en prijs – sector Gevangeniswezen

Overzicht reguliere en vreemdelingen capaciteit

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002*12 56612 83812 72312 45612 45112 45412 454
– uitvoeringsverschillen113      
Stand ontwerpbegroting 200312 67912 83812 72312 45612 45112 45412 454
Gem. prijs per cap.eenheid/per dag (x € 1,–)170,85189,53190,28193,44194,26194,91196,00
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)787,1888,1883,6879,5882,8886,0891,0

* stand exclusief VN-cellen en in bewaring gestelden op politiebureaus.

Overzicht overige capaciteit

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
In bewaring gestelden op politiebureaus**259505050505050
VN-cellen58484848484848
Stand ontwerpbegroting 2003317989898989898
Dagprijs politiebureaus (x € 1,–)80,09110,00110,00110,00110,00110,00110,00
Dagprijs VN-cellen per plaats/per dag x € 1,–235,87261,88263,81266,88267,49268,16268,36
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)10,06,66,66,66,66,66,6

** regulier en vreemdelingen

Overzicht penitentiaire programma's en elektronisch toezicht (PP/ET's)

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002187197460572582587587
– ET ipv korte vrijheidsstraf  – 75    
– uitvoeringsverschillen– 15      
Stand ontwerpbegroting 2003172197385572582587587
Verdeeld naar:       
PP172197207217227232232
ET  178355355355355
Dagprijs PP (x € 1,–)68,8296,0793,9196,0996,3596,6197,00
Dagprijs ET (x € 1,–)  20,5120,5120,5120,5120,51
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)4,36,98,410,310,710,910,9

Met ingang van 2002 wordt de overhead toegerekend aan de PP's, hetgeen leidt tot de hogere dagprijs. De mutatie in 2003 op het onderdeel ET (-75) betreft een technische correctie. Abusievelijk is het aantal ET's in de stand ontwerpbegroting 2002 te hoog opgenomen.

Overzicht gemiddelde capaciteit en prijs – sector JJI

Rijks justitiële jeugdinrichtingenRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 20029691 1311 1751 1741 1291 1721 172
– uitvoeringsverschillen74893892933
Stand ontwerpbegroting 20039761 1791 2681 2631 1581 1751 175
Gem. prijs per cap.eenheid/per dag (x € 1,–)306,01348,19328,89331,07331,42331,64332,03
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)109,0149,8152,2152,6140,0142,2142,4
Scholing- en trainingsprogramma's0,5505966768686
Gem. prijs per cap.eenheid/per dag (x € 1,–) 96,0793,9196,0996,3596,6197,00
Totaal kader p x q (x € 1 mln.) 1,82,02,32,73,03,0
Part. Justitiële jeugdinrichtingenRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 20021 0531 1741 3491 4441 4041 3561 356
– amendement/uitbreiding Glen Mills  2525252525
– uitvoeringsverschillen– 26– 66– 185– 92– 29– 3– 3
Stand ontwerpbegroting 20031 0271 1081 1891 3771 4001 3781 378
Verdeeld naar:       
Capaciteit exclusief inkoopplaatsen9841 0031 0381 2211 2441 2361 236
Inkoopplaatsen*43105151156156142142
Totaal1 0271 1081 1891 3771 4001 3781 378
Gemiddelde dagprijs ( x € 1,–)213,19229,42229,08229,11229,13229,14229,18
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)76,684,086,8102,1104,0103,4103,4

*De inkoopplaatsen tellen niet mee in de p x q-berekening.

De gemiddelde dagprijzen van de particuliere justitiële jeugdinrichtingen zijn exclusief de huisvestingslasten van de in het verleden à fonds perdu gefinancierde gebouwen. Voorts leidt de toepassing van de CAO Jeugdhulpverlening in vergelijk met de CAO Rijk tot lagere personeelslasten. Het verschil tussen de rijks- en particuliere dagprijzen wordt hiermee verklaard.

Bij amendement nr. 18 (lid Rietkerk c.s.) is de begroting per 2002 verhoogd met € 1,4 mln., bestemd voor de uitbreiding van het aantal Glen Mills-plaatsen van 75 naar 100. Deze uitbreiding zal per 2003 worden gerealiseerd. In 2002 wordt het beschikbare bedrag ingezet voor de (mede)-financiering van de voorwervingskosten en komende uitbreidingsprogramma's op basis van de prognose van de capaciteitsbehoefte per 2002.

De in bovenstaande overzichten opgenomen uitvoeringsverschillen in de sector JJI hebben, naast een herschikking van capaciteit tussen de rijks- en particuliere inrichtingen, vooral betrekking op vertraging in lopende uitbreidingsprogramma's.

Overzicht gemiddelde capaciteit en prijs – sector TBS

Rijks TBS-inrichtingenRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002495500491457466491491
– wijziging fin. grondslag Pieter Baan Centrum – 32– 32– 32– 32– 32– 32
Stand ontwerpbegroting 2003495468459425434459459
Gem. prijs per cap.eenheid/per dag (x € 1,–)472,53472,18472,38468,76468,37468,45468,79
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)85,480,779,172,774,278,578,5
Particuliere TBS-inrichtingenRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
Stand ontwerpbegroting 2002560637643643637637637
– uitvoeringsverschillen9– 14     
Stand ontwerpbegroting 2003569623643643637637637
Gem. prijs per cap.eenheid/per dag (x € 1,–)371,78406,35405,05405,19404,94404,98405,02
Totaal kader p x q (x € 1 mln.)77,292,495,195,194,294,294,2

De verschillen tussen Rijks en particuliere dagprijzen worden in hoofdzaak verklaard doordat in de dagprijzen van de Rijks TBS-inrichtingen rekening wordt gehouden met een normbedrag voor de huisvestingslasten per capaciteitseenheid. De particuliere TBS-inrichtingen zijn daarentegen deels à fonds perdu gefinancierd en deels via leningen. Alleen de kapitaalslasten uit de leningen maken voor wat betreft de huisvestingscomponent onderdeel uit van de dagprijs. Het uitvoeringsverschil (in 2002) op het onderdeel particulier betreft een vertraging in het uitbreidingsprogramma.

Overzicht contractplaatsen TBS in GGZ-inrichtingen

OmschrijvingRealisatieVerm. uitkomstOntwerp begroting  
 2001200220032004200520062007
GGZ – intramuraal199199194194194194194
Stand ontwerpbegroting 2003199199194194194194194

Pieter Baan Centrum (PBC)

Tot 2002 werd het PBC gefinancierd op basis van capaciteitplaatsen en ook als zodanig in het capaciteitsoverzicht Rijks TBS-inrichtingen verantwoord. Met ingang van 2002 vindt financiering plaats op basis van het aantal afgenomen rapportages. Teneinde inzicht te geven in de raming wordt het volgende overzicht gepresenteerd.

Pieter Baan Centrum

Omschrijving Verm. uitkomstOntwerp begroting  
  200220032004200520062007
Aantallen:       
– Pro-Justitia rapportages 196196196196196196
– Overige rapportages 373737373737
Stand ontwerpbegroting 2003 233233233233233233
Gemiddelde prijs (x € 1,–)       
– Pro-Justitia rapportage 40 24740 60340 24839 72339 77439 803
– Overige rapportage 12 04012 15812 04011 86511 88211 842
Totaal kader p x q (x € 1 mln.) 8,38,48,38,28,28,2

Opbouw baten en lasten volgens P x Q-benadering

Vermenigvuldiging van de dagprijs (inclusief toe te rekenen overhead) («P») en de gemiddelde capaciteit («Q») per product(categorie) levert voor de DJI in vergelijking met de meerjarenraming baten en lasten, het volgende beeld op:

Overzicht opbouw baten en lasten volgens P x Q-benadering bedragen x € 1000

 2001200220032004200520062007
Totaal inrichtingen en diensten       
– Gevangeniswezen801 386901 594898 693896 410900 163903 564908 519
– Rijks justitiële jeugdinrichtingen109 016151 589154 237154 935142 753145 265145 446
– Particuliere justitiële jeugdinrichtingen76 57083 99186 791102 108104 039103 375103 393
– Inkoopplaatsen jeugdinrichtingen2 7915 7738 3028 5778 5777 8077 807
– Rijks TBS-inrichtingen85 37480 65879 14172 71674 19578 48278 539
– Particuliere TBS-inrichtingen77 21392 40195 06395 09594 15194 15994 168
– Pieter Baan centrum 8 3348 4088 3348 2258 2358 240
Sub-totaal volgens p x q1 152 3501 324 3401 330 6361 338 1751 332 1021 340 8871 346 112
Nog te verwerken/niet toe te rekenen137 13132 91194 70684 11470 75059 39951 567
Totaal lasten1 289 4811 357 2511 425 3421 422 2891 402 8521 400 2861 397 679

In bovenstaande tabel is per organisatie-eenheid de uitkomst volgens de PxQ-systematiek gepresenteerd. De per organisatie-eenheid gepresenteerde reeks loopt min of meer parallel aan de groei van de capaciteit. Voor het Gevangeniswezen geldt dat de reeks is samengesteld uit de reguliere capaciteit zoals verwoord onder beleidsartikel 5.1. alsmede het deel dat betrekking heeft op vreemdelingenbewaring (beleidsartikel 6.3.). Onder de reeks nog te verwerken/niet toe te rekenen zijn de middelen opgenomen die resteren nadat zoveel mogelijk posten met een structureel karakter als opslag meegenomen zijn in de voorcalculatorische dagprijzen.

De toerekening van de DJI-brede overheadposten vindt plaats op basis van de omvang van de capaciteiten per onderscheiden sector, waarbij rekening wordt gehouden met een bepaalde wegingsfactor voor de capaciteit van de Rijks en particuliere inrichtingen.

Garanties bedragen x € 1000,–

 2001200220032004200520062007
Garantieplafond       
Uitstaand risico per 1-144 24743 85843 44043 00342 56842 13341 698
Vervallen of te vervallen garanties– 389– 418– 437– 435– 435– 435– 435
Verleende of te verlenen garanties       
uitstaand risico per 31-1243 85843 44043 00342 56842 13341 69841 263

Het betreft hier de bankgarantie voor hypothecaire leningen aan particuliere jeugdinrichtingen. Het feitelijke risico bestaat uit de openstaande saldi van de hypothecaire leningen. Voor 2003 en verder zijn geen nieuwe bankgaranties voorzien.

03 CENTRAAL JUSTITIEEL INCASSOBUREAU (CJIB)

Algemeen

Het CJIB maakt onderdeel uit van het ministerie van Justitie en wordt langs twee lijnen aangestuurd. Ten eerste de door de minister van Justitie benoemde Raad van Toezicht, waarin onder andere het Openbaar Ministerie en het Directoraat Generaal Wetgeving, Rechtshandhaving en Rechtspleging (WRR) zijn vertegenwoordigd, toetst het (innings)beleid van het CJIB en de uitvoering daarvan. Aldus wordt gewaarborgd dat de inning in de pas loopt met het executiebeleid van het Openbaar Ministerie. Ten tweede vanuit het ministerie van Justitie die het CJIB voorziet van de benodigde middelen en daarnaast toezicht houdt op een binnen de gestelde kaders doelmatige aanwending van die middelen.

Aan het hoofd van het CJIB staat een algemeen directeur die eindverantwoordelijk is voor zowel het gevoerdeinningsbeleid als voor het beheer. De inhoudelijke en beheersmatige sturing komen samen in de zogenaamde planning- en controlcyclus. Op basis van een gefiatteerd jaarplan en begroting worden – na beoordeling en goedkeuring door het ministerie van Justitie – op basis van outputfinanciering middelen aan het CJIB beschikbaar gesteld. Voor het plegen van investeringen wordt, conform de rijksbrede regelgeving voor baten-lasten-diensten, een beroep gedaan op de Leenfaciliteit bij het ministerie van Financiën. Het verantwoordingsproces loopt langs dezelfde structuur.

Het CJIB is ondergebracht in beleidsartikel 5.2 Ontvangsten uit Boeten en Transacties. Binnen dit beleidsartikel is de volgende beleidsdoelstelling geformuleerd: «Het bevorderen van de veiligheid van de maatschappij door een efficiënte tenuitvoerlegging van financiële sancties en maatregelen».

Hiertoe is de volgende operationele doelstelling voor het CJIB opgesteld: «Een adequate inning van opgelegde of toegepaste financiële sancties en geaccepteerde transacties in reactie op een wetsovertreding».

Sturing

Sturing van het CJIB geschiedt onder andere op basis van een prestatiebegroting waarin kengetallen een vooraanstaande rol spelen. Deze kengetallen geven inzicht in de instroom van zaken, de interne verwerking daarvan, de daaraan verbonden kosten en de uitstroom van zaken. Het gaat hierbij om de onderstaande bedrijfsprocessen:

• Sancties opgelegd op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV);

• Geldboetes, opgelegd door de strafrechter;

• Transacties ter voorkoming van verdere strafvervolging;

• Ontnemingsmaatregelen (Plukze);

• Schadevergoedingsmaatregelen (Terwee);

• Coördinatie van Vrijheidsstraffen.

Om de communicatie tussen het ministerie en het CJIB te verbreden wordt gebruik gemaakt van de Balanced Scorecard (BSC). Met de BSC is het mogelijk om de strategie van het CJIB te vertalen in concrete meetbare doelstellingen. Bij de bepaling van deze doelstellingen worden de kritieke succesfactoren van het CJIB sterk in het oog gehouden. Het CJIB heeft de BSC opgenomen in haar planning- en controlcyclus.

Productiedoelstellingen

Het CJIB staat voor een effectieve, efficiënte en rechtmatige inning en executie van opgelegde of toegepaste financiële sancties, geldboetes en geaccepteerde transacties naar aanleiding van een wetsovertreding.

Hiervoor zijn onderstaande doelstellingen geformuleerd.

Voor 2003 gaat het om de onderstaande productieaantallen. Hierbij wordt het volgende opgemerkt.

Het CJIB heeft in de executieketen geen directe invloed op de instroom van het aantal zaken. De vermelde aantallen vormen de basis voor de financiering van het CJIB. Het CJIB wordt sinds 1 januari 2000 gefinancierd op basis van output (P*Q).

WAHV-sancties (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad2 588 3312 762 1683 216 0963 216 096
de instroom van nieuwe zaken7 794 0259 203 1129 978 9289 158 368
de uitstroom van afgedane zaken7 620 1888 749 1849 978 9289 158 368
de eindvoorraad2 762 1683 216 0963 216 0963 216 096
Boeten (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad191 294196 317200 540200 540
de instroom van nieuwe zaken128 591122 264122 634122 634
de uitstroom van afgedane zaken123 568118 041122 634122 634
de eindvoorraad196 317200 540200 540200 540
Transacties (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad161 960198 599241 396241 396
de instroom van nieuwe zaken415 558487 069507 518507 518
de uitstroom van afgedane zaken378 919444 272507 518507 518
de eindvoorraad198 599241 396241 396241 396
Vrijheidsstraffen (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad19 47218 62621 53921 539
de instroom van nieuwe zaken17 06520 85318 00018 000
de uitstroom van afgedane zaken17 91118 14718 00018 000
de eindvoorraad18 62621 53921 53921 539
Schadevergoedingsmaatregelen (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad9 25911 75214 07617 276
de instroom van nieuwe zaken7 3228 1587 5007 500
de uitstroom van afgedane zaken4 8295 8344 3004 300
de eindvoorraad11 75214 07617 27620 476

productie is 50% instroom + 50% uitstroom; begroting derhalve: 5 900 zaken.

Ontnemingsmaatregelen (aantallen)2000 (realisatie)2001 (realisatie)20022003
de beginvoorraad2 1072 3872 5042 984
de instroom van nieuwe zaken823788800800
de uitstroom van afgedane zaken543671680680
de eindvoorraad2 3872 5042 9843 464

productie is 50% instroom + 50% uitstroom; begroting derhalve: 740 zaken.

Kwaliteitsdoelstellingen

Onderstaand overzicht bevat de doelstellingen omtrent kwaliteit voor de diverse producten.

WAHV-sancties2001 (realisatie)20022003200420052006
% afgedane zaken binnen 1 jaar95.6%95%95%95%95%95%
% geïnde zaken binnen 1 jaar94,8%94%94%94%94%94%
% gegronde klachten bij Nationale Ombudsman≤ 0,005%≤ 0,005%≤ 0,005%≤ 0,005%≤ 0,005%≤ 0,005%
Boeten200120022003200420052006
% afgedane OH-zaken binnen 1 jaar63,4%65%65%65%65%65%
% gegronde verzetten tegen dwangbevel33.5%≤ 35%≤ 35%≤ 35%≤ 35%≤ 35%
Transacties200120022003200420052006
% afgedane zaken binnen 1 jaar 100%100%100%100%100%
% geïnde zaken, aangeboden door OM/politie66,7%70%70%70%70%70%
Vrijheidsstraffen200120022003200420052006
% heenzendingen1,2%≤ 1%≤ 1%≤ 1%≤ 1%≤ 1%
Schadevergoedingsmaatregelen200120022003200420052006
% uitstroom zaken t.o.v. instroom71,5%58%58%58%58%58%
Ontnemingsmaatregelen200120022003200420052006
% uitstroom zaken t.o.v. instroom85,2%85%85%85%85%85%

Kostprijs per product

Gelet op de sturingsrelatie met het departement heeft het CJIB voor al haar producten kostprijzen ontwikkeld.

Bedragen x € 1

 200120022003
WAHV-sancties3,883,903,89
Boetevonnissen36,9037,2237,23
Transacties4,747,067,06
Vrijheidsstraffen41,2941,7341,73
Schadevergoedingsmaatregelen160,84161,23161,23
Ontnemingsmaatregelen385,11387,43387,43

Bovenstaande kostprijzen zijn bepaald volgens de door het ministerie van Justitie geaccordeerde methodiek. De kosten worden hierbij zoveel mogelijk rechtstreeks aan de producten toegerekend. Kosten die niet direct aan de producten kunnen worden toegerekend worden op basis van een opslag aan de producten toegerekend. Het betreft hier een integrale kostprijs.

Bijdragen loonontwikkeling (incidentele loonontwikkeling, CAO-wijzigingen) en prijsbijstellingen (inflatie, marktfactoren, etc.) zijn niet in de kostprijs opgenomen. Deze bedragen worden door het ministerie van Justitie afzonderlijk gefinancierd.

In 2001 heeft een doorlichting van de kostprijzen plaatsgevonden welke begin 2002 is afgerond. Op basis van de eerste resultaten is besloten dat de kostprijzen vooralsnog, op basis van de huidige normen en systematiek, voor een periode van 1 jaar worden vastgesteld. Dit evaluatieonderzoek zal eind 2002 worden voortgezet, waarbij eerst de systematiek en normen zullen worden vastgesteld, waarna de kostprijzen opnieuw zullen worden berekend.

Tevens is de kostprijs Transacties aangepast, omdat is gebleken dat de bij de vaststelling van de kostprijs in 1999 gehanteerde uitgangspunten/normen (op basis van inschattingen) in de praktijk anders blijken te zijn.

Met betrekking tot de producten Vrijheidsstraffen en Ontnemingsmaatregelen geldt (nog) een vorm van inputfinanciering.

In de Staat van Baten en Lasten is de «vertaling» van bovenstaande kostprijzen en productiedoelstellingen op de exploitatie inzichtelijk gemaakt.

Meerjarige begroting van baten en lasten (x € 1 000,–)

 realisatieVerm.uitk.begroting  
 2001200220032004200520062007
Baten       
Opbrengst moederdepartement46 57160 07352 88348 83848 93248 95848 961
Opbrengsten derden31650250000
Rentebaten492225225225225225225
Buitengewone baten0000000
Exploitatiebijdrage projecten3 340000000
Totaal Baten50 71960 34853 13349 06349 15749 18349 186
        
Lasten       
Apparaatskosten39 75444 37638 10735 36635 46035 48635 489
– personele kosten20 01321 49119 32617 870  17 87017 87317 876
– materiële kosten19 74122 88518 78117 49617 59017 61317 613
Gerechtskosten4 2907 2356 7025 7995 7995 7995 799
Rentelasten130415525340340340340
Afschrijvingskosten2 3124 0133 8083 5673 5673 5673 567
Projectkosten5 5664 3093 9913 9913 9913 9913 991
Buitengewone lasten0000000
        
Totaal lasten52 05260 34853 13349 06349 15749 18349 186
        
Saldo van baten en lasten– 1 333000000

Algemeen

Vanaf 2003 daalt de bijdrage van het departement. Dit houdt verband met het feit dat de volledige middelen voor de regioplannen vanaf 2003 nog niet vanuit het OM aan het CJIB zijn overgeboekt. Bovendien heeft het CJIB ook nog niet de structurele middelen ontvangen voor de WAHV-sancties die in het kader van de Klimaatnota worden aangeleverd. De taakstellingen naar aanleiding van het Strategisch Akkoord zijn in bovenstaande begroting verwerkt.

Lasten

Apparaatskosten

Ten opzichte van voorgaande jaren dalen de apparaatskosten als gevolg van bovenstaande. In de kosten is nog geen rekening gehouden met de loon- en prijsstijgingen.

Overzicht van de groei in gemiddelde loonsom van het ambtelijk personeel:

 2001200220032004200520062007
Ambtelijk personeel       
– gemiddelde loonsom131 04934 18734 18734 18734 18734 18734 187
– aantal fte's2516525458443443443443
Post-actief personeel       
– wachtgelders (aantal personen)2222222

1 In de gemiddelde loonsom is geen rekening gehouden met de loonstijgingen.

2 In het aantal fte's is de taakstelling vanuit het Strategisch Akkoord verwerkt.

Gerechtskosten

Dit betreffen de kosten voor de inschakeling van gerechtsdeurwaarders in het incassotraject.

Rente

Dit betreft de te betalen rente in 2003 als gevolg van het beroep op de Leenfaciliteit ten behoeve van investeringen in vaste activa.

datum investeringbedrag (in €)looptijdrentepercentage
01-07-2000580 83955,09%
01-06-2000939 32534,85%
01-12-20011 361 341105,16%
01-06-2002255 00054,40%
01-05-20023 980 000105,16%
01-07-2002615 000105,16%
01-04-20021 350 00054,40%
01-07-20021 200 00054,40%
01-07-2002650 00033,94%
01-10–20023 630 00084,76%

Afschrijvingen materiële vaste activa

De afschrijvingsbedragen zijn bepaald volgens een consistente gedragslijn (zelfde termijnen als voorgaande jaren). Afschrijvingen geschieden lineair en tijdsevenredig over het jaar. De afschrijvingstermijnen sluiten aan op de richtlijnen welke zijn vastgelegd in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijksoverheid. Het CJIB maakt gebruik van de onderstaande termijnen:

• Grote computerconfiguraties5 jaar;
• Overige hardware3 jaar;
• Standaard software3 jaar;
• Inventarissen7,5 resp. 10 jaar;
• Apparatuur3 resp. 5 jaar;
• Verbouwingen10 jaar;
• Herbouw systemen8 jaar.

Projectkosten

Hieronder zijn opgenomen de kosten voor «Doorontwikkeling VIP» en «Versterken executie», gefinancierd uit de Dover-gelden (€ 3 585 000). Tevens zijn hier de kosten inzake het Fraudeplan (€ 585 376) opgenomen. Een deel van de middelen van het Fraudeplan is in overleg met het departement aan de apparaatskosten toegevoegd.

Buitengewone lasten

Er wordt voor 2003 niet rekening gehouden met buitengewone lasten.

Baten

Opbrengst departement

Voor 2003 wordt een bijdrage van € 52,9 miljoen van het ministerie van Justitie ontvangen. De bijdrage is op basis van P*Q bepaald:

 WAHV-sanctiesBoetenTransactiesVrijheidsstraffenSchadevergoedingsmtr.OntnemingsmaatregelenAlgemeen/projectenTotaal
P3,8937,237,0641,73161,23387,43  
Q9 158 368122 634507 51818 0005 900740  
P*Q35 615 7364 564 7503 583 076751 222951 275286 7017 130 24052 883 000

Het bedrag genoemd onder «Algemeen/projecten» bestaat uit de volgende posten:

• Fraudeplan585 376
• VIP/versterken executie3 584 864
• VIP211 915
• loon- en prijsbijstellingen2 712 085
• op orde brengen infrastructuur2 000 000
• versterken ICT-organisatie1 000 000
• Algemeen diversen585 000
• Strategisch Akkoord taakstelling externen1 960 000
• Strategisch Akkoord taakstelling efficiency volume1 589 000

Ten aanzien van de outputfinanciering is met het ministerie van Justitie overeengekomen dat:

• Het CJIB loopt geen financieel risico indien minder zaken worden aangeleverd dan met opdrachtgever is afgesproken;

• De vaste component van de kostprijs wordt afgerekend op basis van de begrote productie;

• De variabele component van de kostprijs wordt afgerekend op basis van de werkelijke productie;

• De verhouding vast-variabel is vastgesteld op 50% – 50%.

Na afronding van het evaluatie-onderzoek naar de kostprijzen zal er een evaluatie-onderzoek naar de outputfinanciering worden uitgevoerd. Dit onderzoek zal naar alle waarschijnlijkheid in 2004 worden afgerond.

Opbrengst derden

Voor 2003 verwacht het CJIB een vergoeding van € 25 000 voor de inning van door de gemeente opgelegde naheffingsaanslagen ter zake van gefiscaliseerde parkeerovertredingen, alsmede voor de inning van Bestuurlijke Boetes voor de Keuringsdienst van Waren, De Nederlandsche Bank en de Pensioen- en Verzekeringskamer.

Rente

Voor het jaar 2003 wordt rekening gehouden met een rente-opbrengst van € 225 000 op de stand van de rekening-courant.

Buitengewone baten

Buitengewone baten zijn voor het boekjaar 2003 niet voorzien.

Kasstroomoverzicht

 2001200220032004200520062007
Rekening Courant RHB 1/110 0485 0754 4395 9917 5859 42511 382
        
totaal operationele kasstroom– 1 6351 8893 8083 5673 5673 5673 567
        
– totaal investeringen– 3 230– 11 680– 6 800– 3 447– 3 447– 3 447– 3 447
+ totaal boekwaarde desinvesteringen0000000
totaal investeringskasstroom– 3 230– 11 680– 6 800– 3 4473 447– 3 447– 3 447
        
– eenmalige uitkeringen aan moederdepartement0000000
+ eenmalige storting door het moederdepartement0000000
– aflossingen op leningen– 1 468– 2 525– 2 256– 1 973– 1 727– 1 610– 2 500
+ beroep leenfaciliteit1 36011 6806 8003 4473 4473 4473 447
totaal financieringskasstroom– 1089 1554 5441 4741 7201 837947
        
Rekening Courant RHB 31/125 0754 4395 9917 5859 42511 38212 449

Toelichting

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom wordt veroorzaakt door de mutaties die zich in de loop van de jaren voordoen als gevolg van de normale bedrijfsvoering.

Investeringskasstroom

Het betreffen hier investeringen die worden gepleegd in de vaste activa. De investeringen in 2003 betreffen alle investeringen in hard- en software.

Financieringskasstroom

Dit betreffen de kasstromen in het kader van het verplichte beroep op de Leenfaciliteit van het ministerie van Financiën ten behoeve van investeringen en de aflossingen op de Leenfaciliteit.

Vermogensontwikkeling

 2001200220032004200520062007
Eigen Vermogen per 1/12 068735735735735735735
        
Saldo van baten en lasten– 1 333000000
        
Directe mutaties in het Eigen Vermogen0000000
– uitkeringen aan het moederdepartement0000000
– exploitatiebijdrage door moederdept.0000000
– overige mutaties0000000
        
Eigen Vermogen per 31/12735735735735735735735

04 STUDIECENTRUM RECHTSPLEGING (SR)

Algemeen

Het SR, het opleidingsinstituut van de rechterlijke organisatie, draagt zorg voor opleiding en bijscholing ten behoeve van (toekomstige) leden van de rechterlijke organisatie. Deze bijdrage maakt deel uit van het beleid dat gericht is op het scheppen van voorwaarden voor het goed functioneren van het stelsel van rechtspraak (ZM en OM), zoals bedoeld in de beleidsartikelen 3.3 en 4.1.

De tijdelijke agentschapstatus voor het SR

De wijzigingen binnen de rechterlijke organisatie per 1 januari 2002 hebben consequenties voor de inbedding en aansturing van het SR, het opleidingsinstituut van de rechterlijke organisatie.

Per 1 januari 2002 hebben de Raad voor de Rechtspraak (de Raad) en het College van Procureurs-generaal (het College) de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de landelijke dienst SR en zijn zij verantwoordelijk voor de besturing en bekostiging van het SR. Er is een wettelijke bepaling in voorbereiding waarin deze verantwoordelijkheid wordt vastgelegd. Streefdatum voor deze bepaling is 1 januari 2003.

Op dit ogenblik koersen zowel de rechtsprekende macht (ZM) als het Openbaar Ministerie (OM) aan op de invoering van het batenlastenstelsel. Het ligt daarom voor de hand om dit stelsel ook te gaan hanteren voor de aan de ZM en het OM gelieerde landelijke diensten, zoals het SR.

Het als landelijke dienst gaan opereren zou inhouden dat het SR tot die tijd onder de werking van de Comptabiliteitswet zou komen en dientengevolge het geïntegreerde kas- en verplichtingenstelsel zou moeten gaan voeren.

Inmiddels is binnen de Rijksdienst de tijdelijke agentschapstatus geïntroduceerd. Deze tijdelijke agentschapstatus kan worden toegekend aan extern verzelfstandigde diensten die terugkeren binnen de organisatiestructuur van het moederministerie en die de ambitie en de potentie hebben om een resultaatgericht besturingsmodel te combineren met het voeren van een baten- en lastenadministratie. Een tijdelijke agentschapstatus betekent dat de desbetreffende dienst tijdelijk een afwijkend beheer mag voeren, conform een agentschap, zonder dat reeds aan alle hiervoor geldende instellingsvoorwaarden is voldaan.

Het jaar 2002 geldt als een overgangsjaar. Het SR gaat onder de noemer van tijdelijk agentschap functioneren.

De te volgen aanpak

Met ingang van 1 januari 2002 is het SR gestart als landelijke dienst (tijdelijk agentschap) onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Raad en het College. De bekostiging van het SR zal geschieden vanuit middelen op de begroting van Justitie voor de ZM en het OM. In een door het SR uitgewerkt plan van aanpak voor het doorlopen van het agentschaptraject zal concreet worden aangegeven op welke wijze het SR binnen de gestelde termijn van 2 jaar zal gaan voldoen aan alle aan het agentschap te stellen voorwaarden.

Meerjarige begroting van baten en lasten Bedragen x €1 000

 200220032004200520062007
Baten      
Opbrengst moederdepartement19 53119 53119 53119 53119 53119 531
Opbrengst overige departementen      
Opbrengst derden1 4141 4141 4141 4141 4141 414
Rentebaten157157157157157157
Buitengewone baten      
Exploitatiebijdrage      
Totaal baten21 10221 10221 10221 10221 10221 102
       
Lasten      
Apparaatskosten      
– personele kosten14 44514 44514 44514 44514 44514 445
– materiële kosten6 4046 4046 4046 4046 4046 404
Rentelasten111111
Afschrijvingskosten      
– materieel252252252252252252
– immaterieel      
Dotaties voorzieningen      
Buitengewone lasten      
Totaal lasten21 10221 10221 10221 10221 10221 102
       
Saldo van baten en lasten000000

Toelichting

Baten

Opbrengstmoederdepartement

– bijdrage Raad voor de Rechtspraak13 97513 97513 97513 97513 97513 975
– bijdrage College van PG's5 5565 5565 5565 5565 5565 556
 19 53119 53119 53119 53119 53119 531

Opbrengst derden

De specificatie van deze opbrengsten is als volgt:

• Doorberekening interne kosten in kostprijs derden618 017
• Overige opbrengsten, o.a. kantine10 210
• Opbrengst readers en annuleringen45 378
• Opbrengst contractactiviteiten476 469
• Opbrengst A modulen263 448
 1 413 522

Rentebaten

Het gehanteerde rentepercentage bedraagt ca. 4%.

Lasten

Personele kosten

Het aantal ambtelijke fte's is berekend op 74,12 voor de eigen organisati