Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
   
B.De begrotingstoelichting4
   
1Leeswijzer4
   
2Beleidsagenda10
   
3Beleidsartikelen40
 1.1 Strategie40
 2.1 Wetgeving45
 2.2 Wetgevingskwaliteitsbeleid57
 3.1 Criminaliteitspreventie65
 3.2 Slachtofferzorg72
 3.3 Rechtshandhaving75
 3.4 Jeugdbescherming95
 4.1 Rechtspleging112
 4.2 Rechtsbijstand121
 4.3 Schuldsanering natuurlijke personen125
 4.4 Juridische dienstverlening129
 5.1 Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties134
 5.2 Ontvangsten uit boeten en transacties158
 6.1 Toelating asiel en regulier162
 6.2 Asielopvang168
 6.3 Toezicht en terugkeer vreemdelingen173
 6.4 Integratie minderheden178
   
4Niet-beleidsartikelen194
 7.1 Algemeen194
 7.2 Nominaal en onvoorzien196
 7.3 Geheime uitgaven196
   
5De bedrijfsvoeringsparagraaf198
   
6De baten-lastendiensten202
 Immigatie- en Naturalisatiedienst (IND)202
 Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)212
 Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)224
 Studiecentrum Rechtspleging (SR)232
 Directie Bestuurszaken (DBz)238
 Nederlands Forensisch Instituut (NFI)249
   
7De Raad voor de rechtspraak257
   
8De verdiepingsbijlage265
   
9De bijlage Moties en Toezeggingen288
   
10De overzichtsconstructies321
 De overzichtsconstructie Jeugd321
 De overzichtsconstructie Tolken en Vertalers327
 De interdepartementale overzichtsconstructie Asiel en Migratie331
 De interdepartementale overzichtsconstructie Integratie Etnische Minderheden334
   
11Overzicht ZBO's en RWT's355
   
12Overzicht intensiveringen Veiligheidsenveloppe en enveloppe Jeugd/Preventie356
   
13Afkortingen357
   
   
   
   

DEEL A: ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Justitie voor het jaar 2004 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2004. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2004.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2004 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), Studiecentrum Rechtspleging (SR), Directie Bestuurszaken (DBz) en Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voor het jaar 2004 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Wetsartikel 3

Met ingang van 2002 is het stelsel van de rechtspraak ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste wijziging is dat de rechtspraak, mede door de instelling van de Raad voor de rechtspraak en de invoering van het principe van integraal management bij de besturen van de gerechten, verantwoordelijk is geworden voor het eigen beheer. Op grond van de nieuwe bevoegdheidsverdeling is de minister van Justitie niet verantwoordelijk voor de doelmatigheid van de rechterlijke organisatie, wel heeft de minister een toezichthoudende verantwoordelijkheid.

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de positie van de minister van Justitie ten opzichte van de rechterlijke organisatie verduidelijkt. Dit betekent voorts dat in onderdeel B naast de toelichting op beleidsartikel 4.1, waarin de beleidsdoelstellingen van de minister van Justitie ten aanzien van de rechtspleging worden toegelicht, een apart hoofdstuk Raad voor de rechtspraak wordt opgenomen, waarin de feitelijke vertaling van de aan de rechterlijke organisatie ter beschikking gestelde bijdrage in concrete beleidsdoelstellingen en prestaties van de raad en de gerechten voor het jaar 2004 wordt gegeven.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

DEEL B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

HOOFDSTUK 1. LEESWIJZER

Algemeen

De begroting 2004 van het ministerie van Justitie is de derde begroting die is opgesteld in de vorm van het Rijksbrede project «Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording» (VBTB). Dit betekent dat de begroting wederom is geschreven met de nadruk op het beleid in samenhang met de financiële middelen. Naast de beleids- en operationele doelstellingen zijn in dat kader tevens per beleidsartikel de prestatiegegevens weergegeven.

Per beleidsartikel is in de VBTB-paragrafen het na te streven VBTB-eindperspectief geschetst.

Justitie heeft ervoor gekozen de beleidsterreinen als uitgangspunt voor de begrotingsindeling te nemen. De begroting van Justitie kent zeven beleidsterreinen, te weten:

1. Strategie;

2. Regelgeving;

3. Preventie en Rechtshandhaving;

4. Rechtspleging en Rechtsbijstand;

5. Sanctietoepassing;

6. Asiel, migratie en integratie;

7. Niet-beleidsartikelen.

Deze beleidsterreinen zijn uitgewerkt in een of meerdere beleidsartikelen en operationele doelstellingen, die op hun beurt zijn voorzien van concrete prestatiegegevens.

In de beleidsagenda zijn de doelstellingen van het Justitiebeleid voor het komende jaar opgenomen, evenals de beleidsveranderingen en financiële mutaties waartoe sinds de begroting 2003 besloten is. In de beleidsagenda zijn tevens de voor Justitie relevante beleidsvoornemens uit het Hoofdlijnenakkoord opgenomen. Naast de beleidsagenda in de begroting wordt separaat het Beleidsprogramma uitgebracht, waarin een nadere uitwerking van het Hoofdlijnenakkoord plaatsvindt.

Opbouw Memorie van Toelichting

De Memorie van Toelichting is als volgt opgebouwd:

• De artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel;

• De begrotingstoelichting, uitgesplitst in:

1. De leeswijzer;

2. De beleidsagenda;

3. De beleidsartikelen;

4. De niet-beleidsartikelen;

5. De bedrijfsvoeringsparagraaf;

6. De baten-lastendiensten;

7. De Raad voor de rechtspraak;

8. De verdiepingsbijlage;

9. De bijlage moties en toezeggingen;

10. De overzichtsconstructies;

– De overzichtsconstructie Jeugd;

– De overzichtsconstructie Tolken en Vertalers;

– De interdepartementale overzichtsconstructie Asiel en Migratie;

– De interdepartementale overzichtsconstructie Integratiebeleid Etnische Minderheden;

11. Het overzicht ZBO's en RWT's;

12. Overzicht intensiveringen Veiligheidsenveloppe en enveloppe Jeugd/Preventie;

13. Afkortingen.

Het ministerie van Justitie kent twee ministersposten, te weten de minister van Justitie en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (V&I). De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is verantwoordelijk voor het beleid dat valt onder de beleidsartikelen 3.4, 6.1, 6.2, 6.3 en 6.4. De minister van Justitie is verantwoordelijk voor alle overige beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen.

In de interdepartementale overzichtsconstructie Asiel en Migratie wordt naast de beleidsartikelen weergegeven welke operationele doelstellingen en prestatiegegevens van andere ministeries door de minister van V&I worden gecoördineerd.

Hoofdlijnenakkoord

De ombuigingsmaatregelen van het Hoofdlijnenakkoord (HA) hebben in deze begroting budgettair op de operationele doelstellingen hun beslag gekregen.

Het voor 2004 beschikbare bedrag van de «Veiligheidsenveloppe» uit het Hoofdlijnenakkoord is budgettair structureel in deze begroting verwerkt. In afwachting van het nog te ontwikkelen Prognosemodel Justitieketen staat het restant van de enveloppe nog op de aanvullende post (Miljoenennota). Op het moment dat het Kabinet heeft besloten over de meerjarige aanwending van de voor het oplossen van knelpunten in de justitiële keten uitgetrokken extra middelen, zullen de ambities voor 2007 worden geformuleerd. De «Enveloppe Jeugd en Preventie» is in overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport eveneens verdeeld en verwerkt. De overzichtstabel met de belangrijkste beleidsmatige mutaties in de Beleidsagenda (Deel B) geeft een nadere specificatie van de verdere verdeling naar beleidsdoelstelling van deze gelden uit het Hoofdlijnenakkoord.

In deze begroting zijn de beschikbare middelen voor de strafrechtketen uit het Strategische Akkoord (SA) toegedeeld aan de organisaties binnen de strafrechtketen. Deze middelen uit het SA waren in de begroting 2003 nog «onverdeeld» opgenomen. Onder de betreffende doelstellingen wordt nader ingegaan op de besteding van deze middelen.

In de eerste Voortgangsrapportage Veiligheidsprogramma die dit voorjaar naar de Tweede Kamer is gezonden (TK, 28 684, nr. 9, 2003) is nader ingegaan op de verdeling van de middelen uit het SA voor de strafrechtketen. Deze verdeling is gebaseerd op een scherpe raming en onder de veronderstelling dat de genoemde aannames worden gerealiseerd. Deze zijn mede afhankelijk van het feit dat niet op voorhand vast te stellen is hoe de feitelijke situatie zich zal ontwikkelen. Door de inzet van een deel van de middelen uit het Hoofdlijnenakkoord wordt thans aan een gesignaleerd knelpunt uit de voortgangsrapportage tegemoet gekomen. Met deze middelen kunnen de ambities van het Veiligheidsprogramma worden bereikt.

Overzichtsconstructies

In de begroting 2004 worden twee interdepartementale en twee departementale overzichtsconstructies gepresenteerd, te weten de interdepartementale overzichtsconstructie Asiel en Migratie, de interdepartementale overzichtsconstructie Integratiebeleid Etnische Minderheden, de departementale overzichtsconstructie Jeugd en de departementale overzichtsconstructie Tolken en Vertalers. De interdepartementale overzichtsconstructie Integratiebeleid Etnische Minderheden is voor het eerst, na overkomst van de integratieportefeuille van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in de begroting van Justitie opgenomen.

Het ministerie van Justitie levert daarnaast een bijdrage aan de interdepartementale overzichtconstructies Grote Stedenbeleid (GSB) en de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), waarvan de coördinatie in handen is van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties respectievelijk Buitenlandse Zaken.

Wijzigingen nummering

Als gevolg van de verdere ontwikkeling in termen van VBTB hebben zich wijzigingen voorgedaan in de nummering van de beleidsartikelen c.q. operationele doelstellingen. In sommige gevallen zijn teksten samengevoegd waardoor bepaalde artikelen zijn uitgebreid en tegelijkertijd zijn andere komen te vervallen. In andere gevallen zijn teksten gesplitst waardoor uitbreiding van het aantal operationele doelstellingen heeft plaatsgevonden.

Met de inachtneming van de begrotingsregel dat artikelnummers bij majeure wijzigingen nooit een tweede keer kunnen worden gebruikt hebben bovenstaande ontwikkelingen ervoor gezorgd dat een omnummering van een aantal begrotingsartikelen heeft plaatsgevonden. De wijzigingen zijn in de onderstaande conversietabel opgenomen.

Nummer operationele doelstelling 2002Nummer operationele doelstelling 2003Toelichting begroting 2003Nummer operationele doelstelling 2004Toelichting begroting 2004
3.1.1 vervalt  
3.1.3 vervalt  
3.1.4 vervalt  
3.1.5 vervalt  
3.1.6 vervalt  
3.1.7 vervalt  
3.1.8 vervalt  
   3.1.9vervalt; wordt 5.1.12
 3.1.10i.p.v.: 3.1.1, 3.1.4, 3.1.5 en 3.1.63.1.10vervalt
 3.1.11i.p.v.: 3.1.3, 3.1.7 en 3.1.83.1.11vervalt
   3.1.12i.p.v. 3.1.10 en 3.1.11
3.2.1 vervalt  
3.2.2 vervalt  
3.2.3 vervalt  
 3.2.4i.p.v.: 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.3  
   3.4.1vervalt
   3.4.2vervalt
 3.4.5deels i.p.v.: 5.1.6  
   3.4.5vervalt
 3.4.6i.p.v.: 5.1.7  
   3.4.6vervalt
   3.4.7i.p.v. 3.4.1 en 3.4.5
   3.4.8i.p.v. 3.4.2 en 3.4.6
5.1.1 vervalt  
5.1.7 vervalt  
 5.1.11deels i.p.v.: 5.1.5  
   5.1.12i.p.v. 3.1.9
6.1.1 vervalt  
6.1.2 vervalt  
 6.1.3i.p.v.: 6.1.1, 6.1.2  
6.2.1 vervalt  
6.2.2 vervalt  
6.2.3 vervalt  
6.2.4 vervalt  
 6.2.5i.p.v.: 6.2.1, 6.2.2, 6.2.3 en 6.2.4  
6.3.1 vervalt  
6.3.2 vervalt  
6.3.3 vervalt  
6.3.4 vervalt  
6.3.5 vervalt  
 6.3.6i.p.v.: 6.3.1, 6.3.2, 6.3.3, 6.3.4 en 6.3.5  
 6.4.1in bijlage A6.4.1vervalt
 6.4.2in bijlage A6.4.2vervalt
 6.4.3in bijlage A6.4.3vervalt
 6.4.4in bijlage A6.4.4vervalt
   6.4.5, 6.4.6, 6.4.7i.p.v. 6.4.1, 6.4.2, 6.4.3, 6.4.4

De budgetten voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) zijn terug te vinden op beleidsartikel 3.4, Jeugdbescherming (operationele doelstelling 3.4.4) en op beleidsartikel 6.2, Asielopvang (operationele doelstelling 6.2.5).

Op beleidsartikel 3.4 gaat het om de voogdij voor alle ama's en om de opvang in de integratievariant die door het NIDOS wordt verzorgd. Op beleidsartikel 6.2 zijn de budgetten opgenomen voor de ama's die door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) worden opgevangen in de basisvariant en in de terugkeervariant.

Specifieke afspraken

Het ministerie van Justitie heeft met betrekking tot een achttal punten specifieke afspraken gemaakt met het ministerie van Financiën.

1. Opbouw budgetstructuur van beleidsartikelen:

De Rijksbegrotingsvoorschriften 2003 schrijven een structuur per beleidsartikel voor. De beleidsdoelstellingen moeten worden verbijzonderd naar apparaats- en programma-uitgaven. Deze programma-uitgaven moeten vervolgens worden verbijzonderd naar operationele doelstelling. Financiën stemt ermee in dat Justitie een andere opbouw kiest. In de begroting 2004 en verder van Justitie wordt een beleidsdoelstelling eerst uitgesplitst naar operationele doelstelling(en) en vervolgens vindt een uitsplitsing plaats naar apparaats- en programma-uitgaven.

2. Positionering baten-lastendiensten:

De uitgaven van alle uitvoerende diensten, inclusief de baten-lastendiensten van het ministerie van Justitie, worden wat betreft de begrotingsindeling aangemerkt als programma-uitgaven.

3. Budgetflexibiliteit:

In de begroting wordt per beleidsartikel de staat van verplichtingen van de uitgaven weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen juridische bestuurlijke en overige verplichtingen. Omdat de indeling van programma- en apparaatsuitgaven bij Justitie verschilt met andere departementen (zie hiervoor ook punt 1) worden bij het onderdeel budgetflexibiliteit in deze begroting personele en materiële uitgaven en beleidsuitgaven onderscheiden.

4. Toelichten van programma- en apparaatsuitgaven met volume- en prijsgegevens:

In overleg met het ministerie van Financiën is afgeweken van het toelichten van apparaats- en programma-uitgaven met volume- en prijsgegevens indien Justitie dit niet zinvol acht.

5. Onderscheid prestatiegegevens:

Ten aanzien van prestatiegegevens wordt onderscheid gemaakt tussen gegevens die regulier van aard zijn en gegevens die niet regulier van aard zijn. Het ministerie van Justitie maakt eveneens dit onderscheid maar hanteert daarbij andere begrippen. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat deze andere begrippen bekend zijn binnen de organisatie. Reguliere gegevens worden aangeduid als «kengetallen» en niet-reguliere gegevens hebben betrekking op evaluatieonderzoeken.

6. Interpretatie (financiële) instrumenten:

Onder financiële instrumenten verstaat het ministerie van Justitie «middelen die worden ingezet om de beleidsdoelstellingen te realiseren». Financiële beleidsinstrumenten zijn onder andere subsidies, leningen, garanties en deelnemingen.

7. Hanteren toerekeningssleutels:

Het komt voor dat een budgethouder of organisatie-eenheid een bijdrage levert aan meerdere doelstellingen. Indien geen betere informatie voorhanden is, zullen de toerekeningssleutels voor de afzonderlijke bijdragen die ex-ante bij de begrotingsvoorbereiding worden vastgesteld ook ex-post worden gehanteerd bij de verantwoording.

8. Raad voor de rechtspraak:

In het wetslichaam is een apart wetsartikel opgenomen voor de Raad voor de rechtspraak. In de Wet op de Rechtelijke Organisatie is de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering geattribueerd aan de gerechten en aan de Raad voor de rechtspraak. Daarmee heeft de minister van Justitie geen directe verantwoordelijkheid meer voor de bedrijfsvoering. Wel heeft de minister een verantwoordelijkheid als toezichthouder. In hoofdstuk 7 is de relevante informatie over de rechtspraak opgenomen.

Overige punten

VBTB-paragraaf

In afwijking op de voorschriften hieromtrent heeft Justitie ervoor gekozen om in de begroting per operationele doelstelling een VBTB-paragraaf op te nemen. De VBTB-paragraaf heeft tot doel aan te geven welke ontwikkelingen in de nabije toekomst zullen leiden tot een verbetering (van de meetbaarheid en toetsbaarheid) van de operationele doelstelling. In veel gevallen gaat het om de aanvulling van prestatiegegevens dan wel de wijzigingen die ten aanzien van het artikel respectievelijk de presatiegegevens plaats zullen hebben. Dit betekent onder meer dat wanneer geen VBTB-paragraaf is opgenomen bij een operationele doelstelling verondersteld wordt dat deze dusdanig ver ontwikkeld is dat sprake is van de gradatie «VBTB-proof».

Baten-lastenadministratie

De dienstonderdelen Directie Bestuurszaken (DBz) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) hebben, overeenkomstig artikel 10, eerste lid van de Comptabiliteitswet (CW) met ingang van 1 januari 2004 de status van baten-lastendienst. In de begroting 2004 zijn deze baten-lastenbegrotingen opgenomen in Hoofdstuk 6.

Derdeninformatie

Daar waar binnen de begroting informatie verkregen van derden is opgenomen, wordt dit specifiek in de toelichting van de desbetreffende operationele doelstelling vermeld.

HOOFDSTUK 2. BELEIDSAGENDA

2.1 Inleiding

Versterking van de maatschappelijke structuur – die van de economie in het bijzonder –, verbetering van de veiligheid van de burger en verruiming van diens participatie en integratie, dat is de inzet van de overheid in de komende jaren. Justitie is daarbij verantwoordelijk voor cruciale taken en domeinen, te meer nu ook het integratiebeleid binnen het ministerie van Justitie is ondergebracht. Dat maakt het tevens wenselijk en mogelijk hier een integrale visie op Justitie te geven.

De samenleving bestaat in belangrijke mate bij de gratie van het recht. De rechtsorde vormt het fundament waarop mensen hun onderlinge relaties bouwen, de muren die hen beschermen tegen elkaar en het dak waaronder zij beschermd zijn door en tegen overheidsmacht. De rechtsorde moet bevorderen dat autonome burgers zelf, in gedeeld burgerschap, een vreedzame, welvarende en betrokken samenleving tot stand brengen. De rechtsorde moet zekerheid bieden en veiligheid borgen. De zekerheid dat verplichtingen zullen worden nagekomen omdat nakoming kan worden afgedwongen. En veiligheid in de zin dat de overheid zowel haar macht inzet om burgers zoveel mogelijk te beschermen tegen criminaliteit, als die macht bindt aan het recht.

De rechtsorde moet daartoe stabiel en voorspelbaar zijn, maar niet onveranderlijk en niet onnodig belemmerend. De samenleving verandert, omdat zij een product is van menselijk handelen en omdat ze invloeden van buiten ondergaat. En de rechtsorde moet mee veranderen, wil hij onder veranderde omstandigheden zijn functies vervullen.

Justitie heeft tot taak de rechtsorde te onderhouden, ervoor te zorgen dat deze in een veranderende samenleving bruikbaar blijft. Daarbij gaat het om het op peil houden en waar nodig opwaarderen van de infrastructuur van juridische instituties die burgers helpen te doen wat nodig is, hun zaken te regelen en hun geschillen te beslechten.

Een bruikbare rechtsorde

Eerste functie van het recht is het bieden van structuur aan en ruimte voor de samenleving. Burgers moeten zoveel mogelijk in staat worden gesteld zelf keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen in het maatschappelijk leven. Daar waar die individuele keuzes leiden tot geschillen, dient het recht houvast te bieden bij het vinden van een oplossing. Waar geschillen uitgroeien tot conflicten, moet het recht de weg bieden om die in eerste instantie onderling op te lossen, op een voor alle partijen aanvaardbare wijze. Pas wanneer dat niet lukt, is een beroep op de rechter aan de orde of zal de wetgever zelf een keuze moeten bepalen tussen conflicterende collectieve belangen. Een adequate juridische infrastructuur is dan ook niet die waarin de rechter zoveel mogelijk zaken in zo kort mogelijke tijd kan afdoen -al is dat wel een voorwaarde- maar die waarin zo min mogelijk zaken aan de rechter hoeven te worden voorgelegd, omdat betrokkenen tevoren met voldoende zekerheid kunnen voorspellen wat de uitkomst zal zijn.

Dat laatste betekent overigens niet dat zoveel mogelijk in gedetailleerde regels moet worden vastgelegd. Dat leidt gemakkelijk tot verstarring. Bovendien kan het recht slechts worden gewijzigd door collectieve besluitvorming. En zeker waar het vastgelegde recht steeds meer internationaal verweven is, blijkt in de praktijk overeenstemming vaak moeilijk te realiseren.

Een tweede functie van het recht is ordening door het verdelen van verantwoordelijkheden tussen overheid en burger en tussen burgers onderling. Hier is een ingrijpende herwaardering nodig. De overheid heeft nog teveel de neiging om de wetgeving vooral instrumenteel te gebruiken – vaak overigens omdat burgers beschermd willen worden tegen risico's en daarom anderen aan banden willen leggen. De wet wordt maar al te vaak gezien als een middel om gedrag te sturen. In de praktijk leidt dit tot altijd weer aangroeiende regels, daaruit voortvloeiende beslissingen en de noodzaak van rechtsbescherming. Het voor de hand liggende antwoord hierop is deregulering, maar dat begrip moet dan niet misverstaan worden. Deregulering ten behoeve van een bruikbare rechtsorde betekent niet per definitie minder regels. Het gaat daarbij ook om regels die maatschappelijk verkeer mogelijk maken en de wederkerigheid daarin bevorderen. Dat vergt minder regels die initiatief en eigen verantwoordelijkheid belemmeren en meer regels die iedereen begrijpt en die voordeel opleveren bij naleving. De uitdaging is dan ook het recht zodanig te herzien dat, meer dan nu, het gebruik ervan ten eigen nutte ipso facto verplichtingen ten opzichte van de ander en de samenleving als geheel schept.

Daar waar het gaat om de verhouding tussen overheid en burger dient een bruikbare rechtsorde natuurlijk de burger voldoende bescherming te bieden. Tegelijkertijd moet de overheid in staat blijven om haar taken uit te voeren en op adequate wijze collectieve belangen te beschermen. Essentiële elementen daarin zijn het verbieden van schadelijk gedrag, het stellen van strikte voorwaarden aan riskante activiteiten en handhaving van verboden en voorwaarden. Van belang is daarbij dat overheidsbesluitvorming kwalitatief hoogwaardig is, dat burgers er zodanig in betrokken zijn dat hun belangen al vroegtijdig worden gewaarborgd en dat in een voldoende niveau van handhaving wordt voorzien. Dat verhoogt bij verschil van inzicht tussen burger en overheid de kans op een manier van omgaan met recht en regels die tot wederzijds voordeel en wederkerige binding leidt.

Criminaliteitsbestrijding

Een in het oog springende, bijzondere, functie van het recht is het mogelijk maken van een adequate bestrijding van de criminaliteit, onder waarborging van fundamentele rechten. Daarbij gaat het om zulke wezenlijke waarden en voor het dagelijks leven belangrijke normen, dat het niet naleven daarvan in de eerste plaats een schending van de rechtsorde zelf betekent. Dan is overheidsingrijpen aangewezen. Uiteraard als sluitstuk, wanneer preventie en toezicht onvoldoende hebben geleid tot naleving, maar dan wel effectief en efficiënt.

Meestal zal dit overheidsingrijpen gericht zijn op het toepassen van sancties, al zal Justitie daar waar criminaliteitsbestrijding ook, of zelfs beter, mogelijk is langs andere weg de ontwikkeling en toepassing van die alternatieven bevorderen. Degene die de rechtsorde schendt moet opnieuw gebonden worden aan de waarden en normen van de samenleving (normbevestiging) en anderen moeten ervan weerhouden worden de norm te schenden (generale preventie). Tenslotte wordt met de toepassing van een sanctie beoogd door gedragsbeïnvloeding de veroordeelde te weerhouden van nieuw crimineel gedrag (speciale preventie).

Met het toepassen van sancties wordt die gedragsbeïnvloeding langs verschillende wegen beoogd. Ten aanzien van de dader gaat het in essentie om vermindering van recidive. Als het kan als uitvloeisel van de sanctietoepassing en resocialisatie, als het moet door langdurige verwijdering uit de samenleving. Ten aanzien van anderen gaat het om het generaal preventieve effect, te bereiken via normbevestiging en afschrikking. Dat vergt vooral een zichtbare en herkenbare toepassing van het strafrecht. Dat geldt ook voor het bieden van genoegdoening aan het slachtoffer.

Versterking van de veiligheid via het instrument van de sanctietoepassing stelt vanzelfsprekend hoge eisen aan opsporing, vervolging en berechting en aan de afstemming daartussen. Het instrument van de sanctie is immers alleen toepasbaar als de dader bekend en voorhanden is, en het mag alleen worden toegepast als aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan.

Meedoen uit verscheidenheid

De samenleving is divers, en die diversiteit dient gerespecteerd te worden. Nederland heeft een traditie van omgaan met diversiteit die kan worden begrepen als een vorm van vreedzame coëxistentie: andersdenkenden en «andersdoenden» werden getolereerd voor zover ze niet al te zichtbaar waren en geen last veroorzaakten. Daaraan lag – en ligt – niet zozeer een morele overweging ten grondslag maar een heel pragmatische: een dergelijke vreedzame coëxistentie is een eerste voorwaarde voor constructief en veilig samenleven. Niet alleen omdat geen tijd, energie en geld gestoken hoeft te worden in onderlinge strijd, maar ook omdat wederzijdse beïnvloeding kansen genereert voor verdere ontwikkeling van allen afzonderlijk en van het geheel. Die aanpak voldoet echter steeds minder. De vreedzame coëxistentie van voorheen berustte op een grote gemeenschappelijkheid aan belangen en traditie, welke in de huidige tijd afneemt. Samenleven in deze tijd vergt meer dan elkaar vreedzaam verdragen.

Een essentiële bijdrage die de overheid wel kan leveren aan de bloei van een diverse samenleving is het bieden van een juridische basis die neutraal is ten opzichte van conflicterende opvattingen over waarden die niet essentieel zijn voor de democratische rechtsstaat zelf, maar die wel bevorderlijk is voor dialoog en debat over die opvattingen. Waar onverschilligheid of angst om voor de eigen mening uit te komen leidt tot langs elkaar heen leven kan immers geen sprake zijn van vruchtbare beïnvloeding.

Een belangrijk, maar zeker niet het enige, aspect van verscheidenheid is de aanwezigheid van etnische minderheden in ons land. Om ook hen vruchtbaar in de samenleving te betrekken is nog een grote inspanning nodig. Ondanks de gunstige ontwikkelingen in de afgelopen jaren staat een te groot deel van de minderhedenbevolking op te grote culturele en sociaal-economische afstand van de Nederlandse samenleving. Vermindering van die afstand is mogelijk als autochtonen en minderheden elkaar vinden als burgers van één samenleving. Dat wil zeggen met een gemeenschappelijke taal, met overeenstemming over een aantal basale normen, met medeverantwoordelijkheid voor het functioneren van de samenleving en met de bereidheid om actief bij te dragen aan de instandhouding van de gemeenschap van burgers. Gedeeld burgerschap is kortweg de mogelijkheid tot deelname aan alle facetten van de samenleving: sociaal, economisch, cultureel, juridisch, politiek. Gedeeld burgerschap biedt de gemeenschappelijke basis om elkaar de ruimte te geven in datgene waarin groepen en personen van elkaar verschillen.

Gedeeld burgerschap is niet iets wat een overheid aan burgers kan opleggen. Het behoort tot ieders eigen verantwoordelijkheid zich als burger te gedragen. Dit Kabinet wil allochtone én autochtone burgers in dit opzicht op hun verantwoordelijkheid aanspreken. Voor het integratiebeleid betekent dit dat meer dan voorheen de eigen inzet van de burgers voorop zal staan. Het Kabinet wil het accent verschuiven van het aanbieden van regelingen en voorzieningen naar het stimuleren en uitlokken van initiatieven van burgers en van hen die dat willen worden. Waar nodig zullen eisen worden gesteld.

Onze wereld is de hele wereld

Onze samenleving staat niet op zichzelf, maar is sterk verbonden met de rest van de wereld. Dat is het meest zichtbaar waar die verbondenheid resulteert in grensoverschrijdend verkeer van mensen, vooral als ze zich hier blijvend vestigen. Hun komst wordt voor een deel van hen mede bepaald door de kwaliteit van het leven op de plaats waar ze vandaan komen. Die kwaliteit is net zo afhankelijk van de lokale rechtsorde als dat hier het geval is – en soms ook van de mate waarin een internationale rechtsorde bijdraagt aan de oplossing van grensoverschrijdende of internationale conflicten. Wanneer mensen zich hier vestigen, dragen ze bij aan de sociale en economische verwevenheid van onze samenleving met samenlevingen elders in de wereld – zozeer zelfs dat wat in Casablanca, Ankara of Antwerpen gebeurt, soms directer consequenties heeft in de Schilderswijk, de Baarsjes of Spangen dan wat politiek Den Haag besluit.

Minder zichtbaar, maar minstens even belangrijk is de meer institutionele verwevenheid van onze samenleving met de rest van de wereld. Economie, milieu, cultuur, veiligheid, asiel en migratie zijn al lang geen louter nationale onderwerpen meer. Het toenemende internationale verkeer vergt een steeds dichter netwerk van regels en instellingen die het niveau van de nationale staat te boven gaan en die zich ontwikkelen tot een internationale rechtsorde. Tegelijkertijd blijft het internationale verkeer uiteindelijk verkeer tussen mensen en organisaties die noodzakelijkerwijs ook deel uitmaken van een nationale rechtsorde. Daardoor raken nationaal en internationaal steeds sterker met elkaar verweven. Consequentie is, dat het bevredigend functioneren en de kwaliteit van de nationale rechtsorde steeds meer afhankelijk worden van de mate waarin ook internationaal een rechtsorde tot stand komt die berust op gelijke uitgangspunten en die beantwoordt aan de vragen waarin de nationale rechtsorde beoogt te voorzien.

Als we het waardevolle van onze rechtsorde en de bloei van onze samenleving mede moeten waarborgen door ook buiten ons land de rechtsorde te bevorderen, is het wenselijk om vanuit alle beleidsterreinen van Justitie mee te denken over de taakverdeling tussen nationaal en internationaal niveau.

Een belangrijke ontwikkeling in dat verband is de juridische institutionalisering van het internationaal verkeer. Hier is sprake van een veelheid van organen die elk een zekere autoriteit bezitten, maar slechts in beperkte mate in staat zijn om nakoming van afspraken en regels af te dwingen, laat staan veiligheid te borgen. Justitie dient bij het participeren in deze organen te streven naar het tot stand brengen van duurzame kaders die landen, individuen en organisaties uitnodigen tot binding uit eigenbelang.

Verwevenheid van onze rechtsorde met die elders in de wereld betekent niet automatisch harmonisering of uniformering. Wat hier bruikbaar is, hoeft dat elders niet te zijn, en omgekeerd. En zeker op terreinen waar de verwevenheid feitelijk gering is, dienen behoud van handelingsvermogen en eigenheid in subsidiariteit uitgangspunt te zijn. Meedoen uit verscheidenheid levert ook in internationaal verband de beste voedingsbodem voor ontwikkeling van allen afzonderlijk en van het geheel.

Wat geldt voor de verwevenheid van onze samenleving met de hele wereld, geldt a fortiori ten aanzien van Europa. Met het verdrag van Amsterdam stelt de Europese Unie zich ten doel zich te handhaven en verder te ontwikkelen als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Dat zijn de essentiële aspecten van een rechtsorde, en feitelijk kan dan ook gesteld worden dat op de meeste terreinen de Europese rechtsorde niet meer van de onze te onderscheiden is, en daarmee dat op het terrein van Justitie nationaal beleid Europees beleid is. Het, mede door België en Luxemburg gesteunde, Nederlandse voorstel aan de Conventie voor de ontwikkeling van een Europese strafrechtelijke ruimte, met alle voorbehoud van subsidiariteit, is daarvan een recent en zeer duidelijk voorbeeld.

Om het nog pregnanter te zeggen, Europa is praktisch juridisch binnenland. Omdat Europese regelgeving directe doorwerking heeft in onze samenleving, steekt de regering veel energie in het beïnvloeden van de beleidsontwikkeling en besluitvorming in Brussel. Het Nederlandse Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie (1 juli tot en met 31 december 2004) zal ook van Justitie een grote inzet vergen zowel bij het invullen van de functie van voorzitter als bij het initiëren en tot stand brengen van Europees beleid. De contouren van de Nederlandse prioriteiten, zoals deze worden ingebracht in het operationele Iers-Nederlandse jaarprogramma en het strategisch meerjarenprogramma 2004–2006, zijn opgenomen in de Staat van de Europese Unie 2004 (hoofdstuk 2). In aanvulling daarop zijn in deze Memorie van Toelichting accenten te vinden die Justitie betreffen.

Waarden en normen

Het Kabinet streeft naar versterking van waarden en normen in de samenleving. Justitie heeft hier van oudsher een taak, namelijk de binding van burgers en organisaties aan de waarden die tot uitdrukking komen in het recht en de specifieke normen die zijn vastgelegd in de wet. In algemene zin doet Justitie het eerste door mede zorg te dragen voor bruikbare en kwalitatief hoogstaande wetgeving en de voorwaarden te scheppen voor een goed functionerend systeem van rechtspleging. Met het onderbrengen van integratiebeleid bij het ministerie van Justitie is daar het aspect bijgekomen van versterking van het besef van gedeeld burgerschap bij allen die in Nederland wonen. Het tweede, binding aan specifieke normen, beoogt Justitie in het bijzonder te realiseren door middel van de rechtshandhaving, – waarbij als uiterste middel het strafrecht wordt ingezet om duidelijk te maken dat niet naleven van de norm niet wordt geaccepteerd –, en via de jeugdbescherming en de preventie van (jeugd)criminaliteit.

In de komende jaren levert Justitie op al deze terreinen een extra inspanning. Dat zal gebeuren bij de uitvoering van de programma's, «Handhaven op niveau», «Rijk aan handhaving», «Naar een veiliger samenleving» en «Jeugd Terecht». Met de eerste drie wordt beoogd de handhaving van wetten en regels te versterken. Een van de effecten daarvan is dat de overheid duidelijk maakt welke normen in de samenleving gelden en dat overtreding daarvan niet getolereerd wordt. In het programma Jeugd Terecht zijn o.a. maatregelen opgenomen op het gebied van opvoedingsondersteuning (hier gaat het mede om de overdracht van waarden en normen) en op het gebied van onderwijs (waar het deels gaat om de overdracht van waarden en normen via lesprogramma's, maar ook om de concrete beïnvloeding van het gedrag via codes en regels). In het bijzonder om nog meer duidelijk te maken dat geweld (of dat nu is in de huiselijke of de openbare sfeer) niet kan, zullen voorlichtingscampagnes worden gevoerd.

Op het gebied van integratie ontwikkelt de minister voor V&I momenteel een nieuwe benadering, die gebaseerd is op eigen verantwoordelijkheid en op wederkerigheid: integratie moet van twee kanten komen. Bij de inburgering van nieuwkomers zal meer dan voorheen ook aandacht worden besteed aan oriëntatie op en kennis van waarden en normen in de Nederlandse samenleving, en in het bijzonder de waarden van de rechtsstaat. Dit laatste staat in relatie tot de Nota «grondrechten in de pluriforme samenleving» dat wordt ontwikkeld door het ministerie van BZK. Met het oog op de vergroting van de effectiviteit van de inburgering op het gebied van waarden en normen wordt samen met het ministerie van OCW en SZW bezien of verdere aanpassing wenselijk is.

Vergroting van bewustzijn van en respect voor waarden en normen van andere culturen bij autochtonen is de andere kant van het integratiebeleid. Nog te ontwikkelen maatregelen op basis van de Nota «grondrechten in de pluriforme samenleving» moeten hier een bijdrage aan gaan leveren. Daarnaast wordt de bestrijding van racisme en discriminatie versterkt, en wordt – als extra aandachtspunt bij de versterking van de handhaving – via sancties duidelijk gemaakt dat misbruik van allochtonen (in het bijzonder illegalen en slachtoffers van mensenhandel) niet wordt getolereerd. Ter vergroting van de toegankelijkheid van (overheids)instellingen zal bevorderd worden dat daar actieve kennis is van de waarden en normen van hun allochtone cliënten en in het bijzonder over waar deze afwijken van of in conflict (kunnen) komen met de algemeen geaccepteerde waarden en normen van de Nederlandse samenleving. Op wijk- en buurtniveau zal het gesprek tussen allochtone en autochtone burgers over wederzijdse verwachtingen en opvattingen ten aanzien van waarden en normen worden gestimuleerd.

Duurzame ontwikkeling

Door middel van een notitie inzake Duurzame Daadkracht van november 2002, een actieprogramma voor duurzame ontwikkeling, wil het Kabinet concrete invulling geven aan duurzame ontwikkeling. Het Kabinet streeft er naar de positieve en negatieve effecten van migratie integraler in kaart te brengen. Dit houdt in dat de minister voor V&I zal optreden als trekker van een nadere verkenning van de positieve en negatieve effecten van migratie. In het huidige debat wordt, afhankelijk van de invalshoek, in migratie zowel de oorzaak van als een oplossing voor diverse maatschappelijke problemen gezien, zowel nu als in de toekomst. De nadere verkenning moet een aanzet opleveren voor meer convergentie in het debat. Andere betrokken departementen zijn Volksgezondheid Welzijn en Sport, Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Economische Zaken. In meer algemene zin levert Justitie, door het onderhouden van een bruikbare rechtsorde en het vervullen van zijn specifieke taken daarin, een voorwaardenscheppende bijdrage aan duurzame ontwikkeling. Over de voortgang van de activiteiten in het actieprogramma zal door verantwoordelijke departementen jaarlijks aan de Tweede Kamer worden gerapporteerd.

2.2 Bruikbare rechtsorde en wetgeving

Een bruikbare rechtsorde vergt wetgeving die burgers onderscheidenlijk de overheid de mogelijkheid biedt om individuele en collectieve belangen zodanig met elkaar te rijmen dat alle betrokken belangen daar voordeel van hebben. Het vergt voorts de mogelijkheid van effectieve geschillenbeslechting, die niet noodzakelijkerwijze uitsluitend van de overheid afhankelijk is. Op die wijze kan de rechtsorde het wederkerig belang bij het gebruik en de handhaving daarvan bevorderen en biedt de juridische infrastructuur op bruikbare wijze houvast aan het maatschappelijk verkeer tussen burgers onderling en tussen burger en overheid.

Wetgevingskwaliteitsbeleid

Maatschappelijke omstandigheden veranderen voortdurend; wetgeving moet daar in de eerste plaats een kader voor bieden, maar wanneer maatschappelijke ontwikkelingen zijn uitgekristalliseerd zal de wetgeving weer mee moeten ontwikkelen om de algemene belangen die daarin besloten liggen opnieuw in onderlinge afweging tot gelding te brengen. Bij nieuwe regelgeving wordt in het kader van de wetgevingstoetsing bezien of daarmee ruimte wordt gelaten voor de burger om keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen in het publieke domein. Het Kabinet wil verder stimuleren dat de infrastructurele kant van de rechtsorde wordt opgewaardeerd, dat wet en recht de burger helpen te doen wat nodig is, hun zaken te regelen en hun geschillen te beslechten. Binnen de bestaande wetgeving worden elk jaar enkele wetgevingsterreinen en -thema's geselecteerd die op hun actuele functionaliteit worden onderzocht. Daarbij kan worden gedacht aan sanering van planverplichtingen, integratie van regelingen die eenzelfde belang beschermen, of stroomlijning van vergunningprocedures. Maar ook het opnieuw bezien van de plaats voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid bij het realiseren en beschermen van de door de wetgeving beoogde belangen.

Verder wordt de kwaliteit van wetgeving bevorderd door verbetering van processen rond de totstandkoming van wetgeving. Daartoe wordt voorzien in adequate opleidingsmogelijkheden en de ontwikkeling van de nodige (juridisch-technische) hulpmiddelen. Het Kenniscentrum wetgeving en de Academie voor Wetgeving spelen daarbij een rol. De kwaliteit van wetgeving wordt verder gestimuleerd door middel van vaste interdepartementale overlegstructuren voor vraagstukken van wetgeving en Europees recht.

Privaatrecht

Met het oog op een transparant en gunstig vestigingsklimaat voor ondernemingen zullen in 2004 voorstellen worden opgesteld voor nieuwe rechtsvormen (personenvennootschap, vereenvoudigde b.v., Europese vennootschap) en voor maatregelen met betrekking tot de interne en externe verantwoordingsplicht van ondernemingen (structuurregeling, topinkomens, jaarrekeningrecht).

Om het aansprakelijkheidsrecht beheersbaar te houden, wordt een wettelijke regeling voorgesteld rond de financiële verantwoordelijkheid van overheid, bedrijfsleven en particulieren bij grote schades met veel slachtoffers. Normering van schadevergoedingen, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel affectieschade, kan eveneens bijdragen aan een snelle genoegdoening van slachtoffers.

In het komende jaar zullen verdere stappen worden gezet op weg naar een fundamentele herbezinning van het burgerlijk procesrecht. Enkele gedachten op dit vlak kunnen inmiddels betrokken worden bij al lopende projecten, zoals alternatieve geschillenbeslechting.

Straf- en strafprocesrecht

Ook de wetboeken van strafrecht en strafvordering behoeven, gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen, voortdurend actualisering. Als criminaliteit van karakter verandert of als aan criminaliteit andere oorzaken ten grondslag komen te liggen, heeft dat zijn weerslag op het strafrecht. Zo wordt om adequaat te kunnen optreden tegen nieuwe bedreigingen wetgeving voorbereid ter verbetering van de terreurbestrijding.

Een passende, tijdige en effectieve sanctionering van strafbare feiten vergt ook dat het huidige stelsel van sanctietoepassing ingrijpend wordt gemoderniseerd. Een meer gerichte bestraffing van veelplegers beoogt de maatschappelijke overlast die zij veroorzaken te beperken.

Ten slotte wordt ook de strafrechtelijke procedure beter toegesneden op het belang van een effectieve en snelle afhandeling van strafzaken. De in het onderzoeksproject Strafvordering 2001 ontwikkelde voorstellen worden in 2004 en de daarop volgende jaren uitgewerkt en in verschillende wetsvoorstellen gepresenteerd. Een belangrijk onderdeel daarvan is versterking van de positie van het slachtoffer. Een tweede belangrijk onderdeel daarvan is de OM-afdoening voor lichtere zaken, die niet in alle gevallen beoordeling door de rechter behoeven.

Bestuursrecht

Het wetsvoorstel betreffende de zogeheten «vierde tranche», dat naar verwachting nog in het najaar van 2003 wordt ingediend, zal de Awb aanvullen met regels over de onderwerpen bestuursrechtelijke geldschulden, bestuurlijke handhaving (in het bijzonder de bestuurlijke boete) en attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.

2.3 Geschilbeslechting en rechtsbijstand

Maatschappelijke ontwikkeling vergt het vermogen om de geschillen die onvermijdelijk ontstaan snel, doeltreffend en zo (kosten)effectief mogelijk te beslechten. Om in die behoefte te voorzien is dat vermogen steeds meer uitsluitend bij de overheid en in het bijzonder bij de rechterlijke macht gezocht. Dit heeft een voortdurend groeiende belasting van de rechterlijke macht tot gevolg, maar ook een voortgaande juridisering van het maatschappelijk verkeer. Dat draagt niet altijd bij aan een doelmatige en bevredigende oplossing van geschillen in het maatschappelijk verkeer. Vandaar dat het beleid zal worden gericht op het verbeteren van de verwerkingscapaciteit van de rechtelijke macht niet alleen door het bevorderen van een doelmatige organisatie en procesgang, maar tevens door het ontwikkelen en bevorderen van alternatieven voor de gang naar de rechter.

Voor de toegang tot het recht is daarnaast goede rechtsbijstand ook voor minder draagkrachtigen cruciaal. Met betrekking tot de gesubsidieerde rechtsbijstand ligt sinds december 2002 een aantal voorstellen tot aanpassing van het stelsel bij de Tweede Kamer.

Alternatieve geschilbeslechting

Over de hele linie zullen de mogelijkheden van alternatieve geschilbeslechting onderzocht en ontwikkeld moeten worden, zowel binnen het kader van de bestaande rechtsgang als daarnaast. Daarbij moet gedacht worden aan mediation, arbitrage, inschakeling van klachtencommissies of -instanties. Experimenten met doorverwijzing naar mediation in het civiele- en bestuursrecht laten wat dat betreft goede resultaten zien. De inzet is onder meer om door bredere beschikbaarheid van mediation en van verwijzingsvoorzieningen naar mediation, de bekendheid met en het vertrouwen in dit instrument verder te doen toenemen. Een uitgewerkt standpunt over de toekomst van mediation en de positionering in het rechtsbestel wordt in het najaar 2003 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Een doelmatige rechtspraak

Om de algemene overbelasting van de rechtspraak tegen te gaan investeert het Kabinet extra middelen in de rechtspleging en worden de mogelijkheden voor vereenvoudiging van de procesgang en de werkwijze van de rechter verruimd. Daartoe worden onder andere de bestaande procedures in het procesrecht kritisch bezien; dit sluit aan bij een bredere herbezinning op het burgerlijk en strafprocesrecht. Ook de positionering van de tuchtrechtspraak en het herijken van de aan de rechtspraak opgedragen taken die geen geschilbeslechting of berechting van strafbare feiten (non-contentieuze taken) betreffen, worden bezien. In de loop van 2004 verschijnt met het oog hierop een plan van aanpak. Onderkend moet worden dat het hier veranderingen betreft die pas op langere termijn effect kunnen sorteren en die op zich zelf geen afdoende antwoord bieden op de autonome ontwikkeling van de behoefte aan rechtspraak en de daaraan gerelateerde noodzakelijke omvang van de rechterlijke macht.

De slagvaardigheid van de organisatie van de rechtspraak wordt verder verbeterd. De ingrijpende wijzigingen die in de afgelopen jaren in de organisatie en het bestuur van de rechtsprekende organisatie zijn doorgevoerd vergen op tal van punten nadere uitwerking. In dit verband zullen in 2004 voorstellen worden gedaan voor een nieuw bekostigingsbesluit en een bijbehorend prognosemodel, het moderniseren van de arbeidsvoorwaarden, het moderniseren van het griffierechtenstelsel en het verruimen van de mogelijkheden voor de rechtspraak zelf om zittingscapaciteit beter te benutten.

De modernisering van de organisatie van de rechterlijke macht wordt de komende jaren afgerond. Met het oog hierop worden wetsvoorstellen ingediend betreffende de invoering van een externe klachtvoorziening en de flexibilisering van de rechtspositionele regelgeving. Ook wordt een voorstel ingediend inzake een gemeenschappelijke kamer van de hoogste bestuursrechters in het belang van de rechtseenheid. In dat verband wordt in 2004 een wetsvoorstel ingediend met het oog op stroomlijning van de taakverdeling tussen de verschillende hoogste bestuursrechters.

Slachtofferzorg

De positie van het slachtoffer wordt versterkt. Meer concreet gaat het daarbij om:

• evenwichtige versterking van de positie van het slachtoffer in de strafrechtelijke procedure.

In het kader van Strafvordering 2001 zijn diverse voorstellen gedaan om de rol en de positie van het slachtoffer te versterken. Het komende jaar wordt bezien of en zo ja welke van de voorstellen worden overgenomen.

• implementatie EU-richtlijn schadeloosstelling slachtoffers van geweldsmisdrijven.

Voor de implementatie van de richtlijn zal het schadefonds voorbereidende werkzaamheden doen om aanvragen in grensoverschrijdende gevallen conform de richtlijn uit te voeren. Overigens zal in het kader van de richtlijn de wet Schadefonds Geweldsmisdrijven worden aangepast.

• onderzoek solidariteitsfonds.

Op verzoek van de Tweede Kamer (motie Albayrak) zullen de mogelijkheden en consequenties van het oprichten van een solidariteitsfonds voor slachtoffers van geweldsmisdrijven worden onderzocht.

2.4 Veiligheid, handhaving en sanctietoepassing

Criminaliteitsbestrijding en -preventie

De rechtshandhaving moet in de komende Kabinetsperiode verder worden verbeterd. Passende aandacht voor de naleving van wetten en regels is van groot maatschappelijk belang. Wettelijke regels bieden, indien ze voldoende nageleefd worden, burgers waarborgen voor hun veiligheid. Om die veiligheid te verwezenlijken is een geloofwaardige handhaving nodig. Geloofwaardige handhaving «alles doen wat nodig is om regels te (doen) naleven» – is ook onontbeerlijk om het verkrijgen van onrechtmatige voordelen voor overtreders van regels tegen te gaan.

In dat kader wordt mede bezien in welke situaties handhaving door middel van strafrecht geëigend is en in welke situaties andere wijzen van handhaving meer geschikt zijn. Dit mede teneinde het strafrecht zo effectief mogelijk in te zetten.

Verbetering van de naleving van regels is een opgave waar niet alleen de overheid voor staat. Alleen door gezamenlijke inspanningen van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheid kunnen wettelijke regels tot gelding komen. Verder is van belang te onderkennen dat verbetering van de rechtshandhaving niet alleen een kwestie van meer mensen en middelen is. Gericht, slim toezicht met een stevige preventieve functie en lik-op-stuk bij overtredingen en adequate opsporing, vervolging en berechting van daders van strafbare feiten dragen in combinatie met elkaar bij aan een goede normnaleving en een veilige samenleving. Maar tot gelding brengen van «werkzame» wetten begint met voldoende draagvlak voor nieuwe regels en, bij het tot stand brengen daarvan, goede interactie en communicatie met betrokkenen zodat duidelijk is wat de regels voor burgers, bedrijven en overheden betekenen.

Veiligheidsprogramma

De doelstellingen van het Kabinet op het punt van de veiligheid zijn verwoord in het programma «Naar een veiliger samenleving» (TK 2002–2003, 28 684, nr.1). In 2004 ligt bij de uitvoering van het Veiligheidsprogramma het accent vooral op de ontwikkeling van maatregelen en instrumenten die de randvoorwaarden vormen voor effectief veiligheidsbeleid. Wat betreft Justitie gaat het dan vooral om maatregelen die betrekking hebben op de versterking en de verbetering van opsporing, vervolging, berechting, samenwerking in de justitiële keten, strafproces en sanctietoepassing. De politie heeft zich in het «Landelijk Kader Nederlandse Politie (2003–2006)» verbonden om extra misdrijfzaken aan het OM aan te leveren, oplopend tot 40 000 extra over het jaar 2006 ten opzichte van het aantal in 2002. Het OM en de overige organisaties in de justitieketen zullen de daaruit resulterende extra instroom (ook) in 2004 verwerken. Hetzelfde geldt voor de verwerking van de politiële taakstelling om 180 000 uit staandehoudingen voortkomende boeten en transacties extra te genereren, voor zover deze in de justitieketen terechtkomen. In de regionale convenanten, te sluiten met de korpsbeheerder na verkregen instemming van de hoofdofficier van justitie en het regionale college, worden doelstellingen per politieregio en arrondissement vastgelegd.

In het Hoofdlijnenakkoord is extra geld uitgetrokken om de knelpunten in de justitiële keten op te lossen. Met deze extra middelen is het vertrouwen gerechtvaardigd dat de doelstellingen uit het Veiligheidsprogramma gerealiseerd kunnen worden. Hierbij past de opmerking dat de capaciteit van de diverse schakels in de justitieketen wel grenzen kent.

In 2004 wordt de vorming van de nationale en bovenregionale recherche afgerond. In het kader van dit project komt het OM met een rapport inzake de zware (georganiseerde) criminaliteit. Dit vormt de basis voor het aanwijzen van (nieuwe) aandachtsgebieden.

Het werk van de politie drijft voor een belangrijk deel op een goede informatiepositie en een effectieve informatiehuishouding. Ter ondersteuning en verbetering hiervan wordt het komend jaar een wetsvoorstel ingediend tot vervanging van de huidige Wet politieregisters.

Eind 2003 vindt een tussenevaluatie plaats van de eerste ervaringen met de toepassing van de nieuwe bevoegdheid van de politie om, in door de burgemeester aangewezen risicogebieden, personen (preventief) te fouilleren en voertuigen, verpakkingen en bagage op wapens te onderzoeken (Initiatiefwet Van de Camp).

Op basis van deze tussenevaluatie onderzoeken Justitie en BZK welke aanvullende bevoegdheden voor de politie en Justitie kunnen worden gecreëerd om wapenbezit en -handel harder aan te pakken en de opsporing en vervolging van verdachten te vergemakkelijken.

Terrorisme en extremisme

Op 24 juni jl. is door de minister van Justitie namens het Kabinet aan de Tweede Kamer de nota «Terrorisme en de bescherming van de samenleving» (TK, 27 925, nr. 94) aangeboden. Concrete maatregelen die in het kader van de terrorismebestrijding op korte termijn zullen worden opgenomen, zijn:

1. Oprichting van het Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding onder voorzitterschap van het ministerie van Justitie en een daarbij behorend Coördinerend overleg;

2. Begin maken met het opstellen van de wetsvoorstellen zoals zijn aangekondigd in bovenstaande nota;

3. Maatregelen op het gebied van contraterrorisme, bewaking en beveiliging en de aanpak van de voedingsbodem voor terrorisme, in nauwe afstemming met de betrokken departementen.

Drugsbeleid

Zoals in het Hoofdlijnenakkoord aangegeven, wil het Kabinet inzetten op een harde aanpak van de productie van en handel in harddrugs, in het bijzonder XTC. Daartoe wordt het in mei 2001 ingediende Plan van aanpak «Samenspannen tegen XTC» (TK, 23 760, nr. 14) verder uitgevoerd. Tot nu toe leidde de uitvoering al tot een aanmerkelijke verbetering van de handhavingsresultaten. Met de Verenigde Staten zijn samenwerkingsafspraken gemaakt die in 2004 moeten leiden tot beheersing en vermindering van de export van XTC naar dit land. Met Duitsland, Frankrijk en België zal verder worden gesproken over de gezamenlijke aanpak van de grensoverschrijdende drugscriminaliteit. De inzet is om zo mogelijk met Duitsland en België te komen tot een Verdrag dat verbetering van de operationele strafrechtelijke samenwerking mogelijk maakt. De gezamenlijke aanpak van de productie en handel in XTC en andere synthetische drugs zal voorts een belangrijk thema zijn in de Europese drugsstrategie die Nederland tijdens het EU voorzitterschap in 2004 voor de jaren 2005 en verder zal presenteren.

De voortdurende stroom cocaïne die via Schiphol Nederland binnenkomt en van daaruit wordt doorgevoerd naar het Europese achterland is ondanks intensiveringsmaatregelen in de gehele handhavingsketen nog nauwelijks verminderd. Aanvullende maatregelen zullen dan ook nodig zijn. Daarbij zullen luchtvaartmaatschappijen meer dan thans verantwoordelijk moeten worden gesteld om te voorkomen dat drugssmokkelaars gebruik maken van hun vluchten.

Het coffeeshopbeleid, dat in 1997 is ingezet, heeft op een aantal onderdelen nog niet tot het gewenste resultaat geleid. Het drugstoerisme veroorzaakt nog steeds overlast, vooral in sommige grensstreken, en het beleid van gemeenten om vestiging van coffeeshops in de buurt van scholen te voorkomen, heeft nog niet overal de gewenste resultaten opgeleverd. Het Kabinet zal in overleg met gemeenten nieuw beleid ontwikkelen om coffeeshops in de buurt van scholen en in grensgebieden terug te dringen. Een eerste aanzet hiertoe wordt gegeven in de Cannabisbrief die in het najaar van 2003 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Criminaliteitspreventie

Voor een effectieve aanpak van criminaliteit dienen preventie, opsporing, vervolging en sanctietoepassing in onderlinge samenwerking uitgevoerd te worden. Preventie draagt bij aan het vergroten van de veiligheid in de samenleving, maar ook aan het ontlasten van de strafrechtketen. Een effectieve preventieve aanpak van criminaliteit vergt ook de inzet van andere overheden, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en particulieren. Het op te richten Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, een gezamenlijk project van de ministeries van Justitie en BZK, biedt hen vanaf 2004 daartoe ondersteuning en faciliteiten.

Bedrijven zijn veelvuldig slachtoffer van criminaliteit. De ministeries van Justitie, BZK en EZ voeren samen met het bedrijfsleven in 2004 het programma «Bestrijding criminaliteit tegen het bedrijfsleven» uit. Dit programma omvat een bedrijfsgerichte aanpak, een gebiedsgebonden aanpak en een branchegerichte aanpak. Urgente knelpunten worden eerst aangepakt, zoals de criminaliteit in de detailhandel en de overvallen en ramkraken bij juweliers. Deze samenwerking wordt ondersteund met instrumenten zoals het Keurmerk Veilig Ondernemen voor een betere beveiliging van bedrijventerreinen en winkelgebieden, de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan voor uitgaansgebieden en de regionale platforms criminaliteitsbeheersing.

Fraude- en corruptiebestrijding

De in de «Fraudenota 2002–2006» (Kamerstuk II, 2001–2002, 17 050, nr. 234) geformuleerde speerpunten op het gebied van identiteitsfraude, horizontale fraude en corruptie, worden inmiddels uitgevoerd langs de lijnen zoals beschreven in de notitie van 24 juni 2003 aan de Tweede Kamer, waarin de hoofdlijnen zijn neergelegd van het Kabinetsbeleid ter bestrijding van fraude en financieel-economische criminaliteit (Kamerstuk II, 2002–2003, 17 050, nr. 250).

In aanvulling daarop wordt thans een meer efficiënte en kwalitatief hoogwaardiger aanpak van de financieel-economische criminaliteit ontwikkeld, die in 2004 in de Visienota over organisatie, opsporing en vervolging van fraude en financieel-economische criminaliteit gepresenteerd wordt. Voorts vindt onderzoek plaats naar aard en omvang van corruptie. In 2004 zal het resultaat hiervan beschikbaar komen alsmede een inventarisatie van het niveau van corruptiebestrijding, de knelpunten en oplossingsrichtingen. Aan de hand daarvan wordt een zo efficiënt mogelijke aanpak van de opsporing van corruptie ontwikkeld.

Handhavingsbeleid

Handhaven op niveau

In 2004 wordt de binnen het actieprogramma «Handhaven op Niveau» ontwikkelde methodiek «Programmatisch Handhaven» vervolmaakt en uitgebreid. Daarmee hebben gemeenten, provincies en waterschappen een krachtig instrument in handen om hun handhavingsbeleid op orde te krijgen. In nauwe samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Inter Provinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen worden decentrale overheden daadwerkelijk gesteund bij het maken van handhavingsprogramma's en de uitvoering daarvan.

Daarnaast wordt op een aantal specifieke handhavingsthema's, zoals bijvoorbeeld prostitutiebeleid, coffeeshops, buitengebied en leerplicht, gezocht naar bestaande succesvolle handhavingsmethoden. Waar deze ontbreken worden nieuwe «best practices» ontwikkeld en in de praktijk beproefd, steeds in nauwe samenwerking met de werkvloer. Nieuwe «best practices» voor de rechtshandhaving in 2004 komen er op het vlak van de leerplicht, het buitengebied en de prostitutie.

Rijk aan handhaving

Een goede handhaving geldt zeker ook voor de Rijksoverheid. Het project «Rijk aan handhaving» beoogt op een planmatige wijze het (doen) naleven van de regels waarvoor het Rijk een verantwoordelijkheid voor de handhaving heeft, te versterken. Sleutelbegrippen hierbij zijn: transparantie, democratische verankering, integraliteit en kwaliteitsborging. Deze benadering bouwt voort op het programmatisch handhaven, zoals dat in «Handhaven op niveau» voor de mede-overheden tot ontwikkeling wordt gebracht.

Voor 2004 zal dit resulteren in vijf thematische, beleidsoverstijgende of gebiedsgebonden handhavingsplannen of handhavingsgprogramma's die door de betrokken vakdepartementen aan de Tweede Kamer aangeboden worden. De uitvoering van deze programma's wordt nauwgezet gevolgd. Voor de verbetering van de daadwerkelijk handhaving conform de programma's alsmede voor de uitkomsten van handhaafbaarheidstoetsen bij voorgenomen regelgeving wordt het kwaliteitsinstrumentarium voor de handhaving verder ontwikkeld.

Sancties, maatregelen en reclassering

De tenuitvoerlegging van straffen en van maatregelen die herhaling moeten voorkomen vormen het sluitstuk en daarmee een integraal onderdeel van de justitiële keten. Hoewel de detentiecapaciteit daarvan dus logisch meer een sequeel zou moeten vormen van de inzet bij het bestrijden van criminaliteit en het handhaven van de rechtsorde, wordt die capaciteit als gevolg van de kosten daarvan en de beperkt beschikbare middelen steeds meer een factor die bepalend is voor die inzet. Los daarvan is er sprake van een herwaardering van de wijze waarop de samenleving ernstige criminaliteit moet tegemoet treden. Enerzijds is er sprake van een roep om zwaardere (gevangenis)straffen in het belang van de generale preventie, maar anderzijds moet worden vastgesteld dat in een toenemend aantal gevallen betrokkenen niet of onvoldoende vatbaar zijn voor gedragsbeïnvloeding of behandeling. Die verschillende ontwikkelingen dwingen tot een herbezinning op de doeltreffendheid van sancties en de doelmatigheid van de verschillende vormen van sancties, alsmede hun kosteneffectiviteit. Op ieder van de drie onderdelen van het beleid op dit terrein – sanctie, TBS en reclassering – is in de komende jaren dan ook voortgaande modernisering nodig.

Sanctietoepassing

Een consequente en doelgerichte sanctietoepassing vergt maatregelen met betrekking tot de capaciteitsvraagstukken, de aard van de interventies en de organisatie van de uitvoering.

Een consequente sanctietoepassing vergt voldoende capaciteit. De uitbreiding daarvan moet gerealiseerd worden met de beschikbare middelen, en zal dus vernieuwend en sober moeten zijn. Daarvoor is in het kader van het project Modernisering Sanctietoepassing een reeks maatregelen getroffen die in 2004 moet leiden tot een uitbreiding van de sanctiecapaciteit met ruim 2500 plaatsen inclusief de plaatsen voor veelplegers en de uitzetcentra, waarvan een deel wordt gerealiseerd door het uitbreiden van de extramurale capaciteit. Daarbij gaat het om tenuitvoerlegging van korte vrijheidsstraffen met elektronische detentie en het uitvoeren van meer taakstraffen (met of zonder elektronisch toezicht) en het instrument van de vervroegde invrijheidstelling. De prognoses voor de behoefte aan sanctiecapaciteit laten een verdere groei in de behoefte aan sanctiecapaciteit zien. Deze groei wordt mede veroorzaakt door voornemens uit het «Veiligheidsprogramma». Voor 2004 zullen extra middelen beschikbaar worden gesteld voor het verder uitbreiden van de sanctiecapaciteit. Hierbij gaat het om zowel intra- als extramurale capaciteit. Deze capaciteit is vooral bestemd voor (jeugdige) veelplegers, kortgestraften en voor het terugdringen van het aantal tbs-passanten in het gevangeniswezen. De Tweede Kamer zal voor de begrotingsbehandeling een brief ontvangen waarin de prognoses en de uitbreidingen nader worden toegelicht.

In 2004 zal een begin worden gemaakt met het implementeren van het beleid met betrekking tot veelplegers, zoals dat is uiteengezet in mijn brief van 20 mei 2003. (TK, 28 684, nr. 10). In dat jaar zullen er plaatsen in speciaal daarvoor bestemde inrichtingen of afdelingen worden gerealiseerd voor zeer actieve meerderjarige veelplegers in de vier grote steden. Daarnaast zullen voor jeugdige veelplegers in de vier grote steden nog extra plaatsen beschikbaar komen. De aanpak van veelplegers gebeurt in nauwe samenwerking tussen justitiële organisaties, de politie en de betrokken gemeenten. Voor 2004 zijn in het kader van het grotestedenbeleid aanvullende afspraken gemaakt met de G30 over de inbreng van de gemeenten.

In het Hoofdlijnenakkoord is een taakstelling opgenomen onder de noemer «differentiatie justitiële inrichtingen en reclassering» van € 40 miljoen in 2004 oplopend naar € 70 miljoen vanaf 2005. Bij de justitiële inrichtingen zal de taakstelling worden gerealiseerd door middel van het versoberen van de programma's en de huisvesting. De reclassering zal zich de komende jaren met name concentreren op kansrijke groepen.

Bij de tenuitvoerlegging van subsidiaire hechtenis voor niet betaalde boetes c.q. gijzelingen in Mulder-zaken, wordt in 2004 een versoberd regime tegen lagere kosten ingericht. Na 2004 wordt dit verder uitgebreid.

TBS

De tbs-inrichtingen worden geconfronteerd met een forse wachtlijst van passanten, die in het gevangeniswezen wachten op een plaats in een kliniek. Momenteel wordt een aantal mogelijkheden onderzocht om de wachtlijst, indien mogelijk, in deze Kabinetsperiode weg te werken. Om het aantal plaatsen te vergroten wordt onderzocht of tbs-voorzieningen met tijdelijke, meer sobere voorzieningen kunnen worden uitgebreid. Voorts wordt onderzocht of binnen het gevangeniswezen uitbreiding kan worden gegeven aan behandeling in detentie, onder meer aan tbs-passanten.

Op dit moment zijn internationaal gangbare risicotaxatie-instrumenten in gebruik. Daarnaast wordt een voor de Nederlandse situatie ontwikkeld instrument beproefd. Op basis daarvan zal de structurele toepassing ervan worden bevorderd. Tenslotte zullen stappen worden ondernomen om de aansturing en positionering van de tbs-klinieken, nu nog uiteenlopend door het verschil tussen particuliere inrichtingen en Rijksinrichtingen, eenduidiger te maken.

Reclassering

Vermindering van de recidive is de primaire doelstelling van de reclassering. De effectiviteit van deze organisatie zal worden vergroot door een meer gerichte aanpak van doelgroepen waarbij een reïntegratietraject kansrijk is. De taxatie van de kans op herhaling wordt bepalend voor de reïntegratie-inzet. Om deze selectieve inzet van de reclassering mogelijk te maken wordt een nieuw screeningsinstrument ontwikkeld. Wettelijke reclasseringstaken waarmee geen directe bijdrage wordt geleverd aan de vermindering van de kans op herhalingscriminaliteit zullen worden versoberd. Het gaat daarbij onder meer om de kale tenuitvoerlegging van korte werkstraffen. De in het Hoofdlijnenakkoord vastgestelde bezuiniging zal worden gerealiseerd door verhoging van de efficiëntie, het terugdringen van de vraag en vermindering van het aanbod van bepaalde reclasseringsprodukten. In verband met deze bezuiniging wordt het voornemen tot het oprichten van een beleids- en verdeelorgaan opnieuw bezien.

2.5 Jeugd

Het is de verantwoordelijkheid van Justitie om jongeren die in een bedreigde situatie opgroeien te beschermen en jongeren die strafbare feiten plegen adequaat strafrechtelijk aan te pakken. Prioriteiten voor 2004 zijn zowel op de civiele jeugdketen als de jeugdstrafrechtsketen gericht.

Om jeugdcriminaliteit het hoofd te bieden moet afwijkend gedrag dat kan leiden tot crimineel gedrag vroeg gesignaleerd worden. Het eerste politiecontact kan aangegrepen worden als vindplaats voor eventueel achterliggende (gezins-)problematiek. In 2004 wordt in afstemming met de veldpartners uitvoering gegeven aan maatregelen die deze vroegsignalering en screening moeten versterken.

Juist een krachtige impuls voor het inzetten van dit soort instrumenten bij jongeren die nog geen «harde criminelen» zijn, betekent dat maatwerk kan worden geleverd. Dat geldt zowel ten aanzien van een strafrechtelijke aanpak als ten aanzien van een hulpverleningstraject. Op die manier wordt een effectieve aanpak van jeugdige veelplegers ingezet en worden sanctiemodaliteiten die gericht zijn op resocialisatie (waaronder Den Engh, Glen Mills en nachtdetentie) uitgebreid. De capaciteit van de jeugdreclassering wordt geleidelijk vergroot. Hiermee wordt enerzijds het aanbod in overeenstemming gebracht met de stijgende behoefte en anderzijds ingezet op het vergroten van de mogelijkheden tot nazorg en het ontwikkelen van een intensievere benadering van jongeren voor wie dat noodzakelijk is. Ook zal vanaf 2004 geïnvesteerd worden in intensieve vormen van opvoedingsondersteuning, gericht op ouders van kinderen met (een verhoogd risico op) politiecontact. De preventieve programma's en sanctiemodaliteiten zullen op hun effectiviteit worden onderzocht. In dat kader zal onder meer een systeem bij de Raad voor de Kinderbescherming worden ingericht, dat ertoe moet bijdragen dat alleen datgene wordt gedaan dat daadwerkelijk bijdraagt aan de resocialisatie van de betreffende jongere. In samenwerking met de Forensisch Psychiatrische Dienst zal voorts gefaseerd (2004 en 2005) een nieuw systeem van forensische diagnostiek voor jeugdigen geïmplementeerd worden, gericht op het verbeteren van de kwaliteit en het tijdig beschikbaar komen van de forensische rapportage over (gedragsgestoorde) jongeren, in straf- en civiele zaken.

In het kader van de jeugdzorg zet Justitie in op een versterking van de effectiviteit van de jeugdbescherming. Door middel van sluitende afspraken over werkwijze en informatie-uitwisseling tussen de Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg zullen de problemen van een cliënt sneller en doelgerichter worden behandeld.

Om de verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding aan te scherpen zal van ouders in de toekomst een geldelijke bijdrage gevraagd worden voor de kosten die de overheid maakt in verband met maatregelen of sancties, die aan jongeren wordt opgelegd. In dat verband wordt gedacht aan het introduceren van ouderbijdragen aan civiele jeugdbeschermingsmaatregelen, Haltafdoeningen en jeugdsancties. Om deze maatregel zo mogelijk nog in 2004 te implementeren, zullen in het najaar van 2003 de juridische, organisatorische en uitvoeringstechnische consequenties nader worden uitgewerkt.

Het aandeel allochtone jongeren in de jeugdbescherming en jeugdcriminaliteit is groot. De effectiviteit van de hulpverlening (vrijwillig en geïndiceerd) voor deze groep dient te worden vergroot. Voor de aanpak van de criminaliteit onder allochtone jongeren, wordt – daar waar de inzet van generieke maatregelen ontreikend blijkt –, ingezet op toegespitste methodieken en maatregelen van curatie, repressie en nazorg die het beoogde maatschappelijke effect hebben (terugdringen overlast en criminaliteit, succesvolle maatschappelijke integratie).

2.6 Integratie en vreemdelingenbeleid

Integratie

In 2004 liggen de prioriteiten in het integratiebeleid bij de vernieuwing van het inburgeringsbeleid en de afbouw van het remigratiebeleid. Het integratiebeleid kan niet echter niet beperkt blijven tot inburgering. Het voldoen aan inburgeringsvereisten garandeert nog geen integratie. Integratie vereist toerusting van minderheden, toenadering tussen minderheden en autochtonen en toegankelijkheid van onze maatschappelijke instellingen voor minderheden.

Integratiebeleid is maar zeer ten dele een zaak van de landelijke overheid. De landelijke overheid geeft weliswaar de kaders en de doelen aan, maar de integratie als proces moet tot stand komen in scholen, bedrijven, centra voor werk en inkomen, zorginstellingen, op sportvelden, in de wijk, in de buurt en op straat. Integratiebeleid is dan ook grotendeels lokaal beleid. De Rijksoverheid heeft tot taak hierin initiërend en stimulerend op te treden. Daartoe zal regelmatig overleg worden gevoerd met VNG/gemeenten en IPO/provincies.

Integratie als gedeeld burgerschap moet worden gerealiseerd op alle terreinen van de samenleving: in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, in de zorg, in sport en recreatie, in de actieve en passieve cultuurbeoefening en in het samenleven in de wijk en in de buurt. Net zoals voor de inburgering geldt ook voor de integratie op deze terreinen dat de eigen verantwoordelijkheid van burgers voorop staat.

Naast gemeenten en provincies hebben vrijwel alle departementen op enigerlei wijze te maken met de integratie van de minderheden, meer in het bijzonder geldt dit voor OCW, VWS, SZW, VROM, Justitie, BZK. De departementen zijn elk afzonderlijk op hun eigen terrein verantwoordelijk voor de integratie van de minderheden. De Minister voor V&I heeft ten aanzien van deze departementen een coördinerende taak en is verantwoordelijk voor de samenhang in het integratiebeleid van de verschillende departementen. De coördinatie houdt onder meer in: afstemmen, initiëren, stimuleren en waar nodig afremmen van verkeerde ontwikkelingen. Coördinatie betekent ook dat de Minister voor V&I binnen het algemene beleid stelselmatig de aandacht vestigt op de gevolgen van beleidswijzigingen voor etnische minderheden.

De samenhang in het integratiebeleid komt op een meer specifieke wijze tot uitdrukking in een aantal sectoroverstijgende projecten:

• vernieuwing van het inburgeringsbeleid voor nieuwkomers en oudkomers overeenkomstig de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regeerakkoord;

• verbetering van het leefklimaat in concentratiewijken van minderheden;

• investeren in burgerschap ter versterking van de sociale cohesie;

• modernisering van de positie van vrouwen uit de minderheden;

• bevorderen van de integratie van jongeren uit de minderheden via opvoeding, onderwijs en preventie van marginalisering;

• versterking van de positie van minderheden op de arbeidsmarkt;

• tegengaan van vooroordelen over en discriminatie van minderheden;

• versterken van de weerbaarheid van de moslimgemeenschap tegen externe en interne radicaliseringsdruk.

Uitgangspunt van het nieuwe inburgeringsbeleid is dat immigranten die zich permanent in Nederland vestigen aantoonbaar beschikken over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor zelfredzaamheid. Het zich eigen maken van die kennis en van die vaardigheden behoort primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de immigrant.

De uitwerking van inburgering nieuwe stijl zal worden toegesneden op de specifieke situatie van onderscheiden categorieën immigranten: gezinsherenigers, gezinsvormers, asielzoekers, erkende vluchtelingen, arbeidsmigranten die zijn toegelaten in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen.

Gezinsherenigers en gezinsvormers moeten in het land van herkomst op de Nederlandse taal op basisniveau leren en kennis opdoen van de Nederlandse samenleving. Deze kennis en vaardigheden zullen worden getoetst als voorwaarde van toelating.

Na het behalen van het basisniveau Nederlands zullen nieuwkomers zich in Nederland moeten voorbereiden op het inburgeringsexamen. Daarvoor kunnen zij bij de gemeente terecht die verantwoordelijk is voor de verdere integratie op weg naar volwaardige participatie in de Nederlandse samenleving. Inburgering zal uiteraard in de grote steden vorm moeten krijgen.

Inburgering nieuwe stijl brengt met zich mee dat de kosten van de inburgering worden gedragen door de inburgeraars zelf. Degenen die met succes het inburgeringsexamen afleggen in Nederland, kunnen een gemaximeerde vergoeding voor de gemaakte kosten krijgen.

Ook oudkomers met een uitkering zullen het inburgeringsexamen met succes moeten afleggen. Het kabinet wil in 2004 een wijziging van de huidige regelgeving realiseren, waarin de inburgering in het land van herkomst, het vrijgeven van het cursusaanbod en volledige outputfinanciering van gemeenten worden geregeld. In datzelfde jaar zal een nieuwe wet inburgering worden gebracht. Daarin wordt dan het geheel nieuwe stelsel van inburgering neergelegd.

In 2004 ontvangen gemeenten voor de inburgering van oudkomers middelen op basis van volledige outputfinanciering. Voor wat betreft de grote steden wordt daarbij een beleidsmatige relatie gelegd met het grotestedenbeleid.

Aanvaarding van het uitgangspunt van de eigen verantwoordelijkheid van burgers heeft ook gevolgen voor het remigratiebeleid. Een remigratiesubsidie past daar niet bij. Daarom zal het Kabinet de remigratiewet zodanig aanpassen dat geen nieuwe aanvragen zullen worden gehonoreerd. Bestaande aanspraken op grond van reeds toegezegde uitkeringen zullen worden nagekomen.

De coördinatie van het integratiebeleid is verder uitgewerkt in de beleidsbrief behorende bij de jaarlijkse «Rapportage Integratie Etnische» Minderheden.

Vreemdelingenbeleid

Om de effectiviteit van de maatregelen op het terrein van de integratie en de inburgering van nieuwkomers en oudkomers te vergroten, worden ze gecombineerd met maatregelen ter beperking van de instroom, de bevordering van de uitstroom en de bestrijding van illegaal verblijf.

De relatie met het EU-beleid

Het Nederlandse vreemdelingenbeleid kan en mag niet los worden gezien van het beleid in de ons omringende landen. Nederland zal, als het gaat om het toelatingsbeleid, niet een ruimhartiger beleid voeren dan de ons omringende landen. Om secundaire migratiestromen tegen te gaan moet het asiel- en migratiebeleid in de EU-landen met voorrang worden geharmoniseerd. Het ambitieuze wetgevingsprogramma waarover op de Europese Raad van Tampere in oktober 1999 meer concrete afspraken gemaakt zijn, moet in beginsel voor het Nederlandse EU voorzitterschap in de tweede helft van 2004 zijn afgerond. Een aantal aanvullende wetgevingsinstrumenten is reeds voor die tijd tegemoet te zien.

Op 1 mei 2004 verwelkomt de EU tien nieuwe lidstaten. De Nederlandse regering zal de overgangstermijn voor het vrij verkeer van werknemers uit de toetredende landen niet hanteren. In het toelatingsbeleid zullen de regelingen voor gemeenschapsonderdanen waar mogelijk vanaf 1 mei 2004 worden gebruikt voor werknemers en voor economisch zelfstandigen uit de toetredende landen.

Op 1 mei 2004 treden op grond van het Verdrag van Nice een aantal bepalingen in werking inzake gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming op het terrein van asiel en migratie. Deze hebben betrekking op:

• het visumbeleid;

• het terrein van maatregelen voor het vrij reizen binnen een periode van drie maanden van derdelanders binnen de EU;

• de bestrijding van illegale immigratie en illegaal verblijf;

• de terugkeer.

Tot slot zullen per 1 mei 2004 maatregelen die worden genomen op basis van reeds aangenomen verordeningen of richtlijnen ook onder de gekwalificeerde meerderheidsbesluitvormingsregels vallen.

Asielbeleid

Om de asielinstroom te beperken zal onder meer worden gestreefd naar betere opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Daartoe wordt onder meer overleg gevoerd binnen de EU en met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR). Van bijzonder belang zijn de initiatieven van de UNHCR in het kader van de zogenaamde Conventie Plus. Onder de noemer Conventie Plus zal de UNHCR trachten afspraken te maken tussen landen van oorsprong, landen van doorreis en landen van herkomst. De Nederlandse inzet in Conventie Plus zal zijn om te komen tot een proefproject op het gebied van bescherming in de regio. De voorbereidingen voor een dergelijk project zullen in 2004 gestalte krijgen.

Eenmalige regeling

De in het Hoofdlijnenakkoord aangekondigde eenmalige regeling teneinde een verblijfsstatus te geven aan een beperkte, nader af te bakenen groep asielzoekers die vanwege inactiviteit van de overheid langer dan 5 jaar in een asielprocedure zijn, is inmiddels gereed. De verwachting is dat de regeling nog dit jaar volledig kan worden uitgevoerd.

Terugkeerbeleid

Een rechtvaardig asielbeleid brengt met zich mee dat diegenen die niet voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen dienen terug te keren naar het land van herkomst. Een effectief terugkeerbeleid voor afgewezen asielzoekers (inclusief alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) is dan ook een onmisbaar onderdeel van het asielbeleid.

Het terugkeerbeleid vormt een belangrijk speerpunt van het Kabinetsbeleid. Met name de terugkeer van asielzoekers die nog onder de oude Vreemdelingenwet vallen, wordt geïntensiveerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vrijwillige terugkeer en gedwongen terugkeer. Bij vrijwillige terugkeer wordt de voorbereiding, het vervoer en het vertrek naar het land van herkomst, gefaciliteerd door onder meer de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

De komende periode zal bezien worden op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de in het Hoofdlijnenakkoord genoemde terugkeerorganisatie. Hierbij zal het accent liggen op een effectievere en efficiëntere organisatie van het huidige terugkeerproces.

Amabeleid

Om de terugkeer van alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's) te bevorderen is besloten tot het scheiden van de opvang in twee varianten: een terugkeervariant en een integratievariant. Een van de mogelijkheden van de terugkeervariant is het zogeheten campusmodel, waarbij alle inspanningen zijn gericht op het realiseren van de daadwerkelijke terugkeer van ama's naar het land van herkomst. Overigens is het de bedoeling die daadwerkelijke terugkeer met waarborgen te omkleden. Ama's moeten het gevoel hebben dat ze naar een veilige plek terugkeren. Zo is het de bedoeling in het najaar 2003 in Angola een weeshuis te openen. Het campusmodel is gericht op de ontmoediging van zowel jongeren in het land van herkomst om naar Nederland te komen als van reisagenten om Nederland als bestemmingsland aan te bevelen. De instroom van ama's is de laatste jaren sterk gedaald, ook als percentage van de totale asielinstroom.

De evaluatie van de terugkeervariant vindt najaar 2003 plaats. Op grond van de resultaten zal het amabeleid 2004 verder vorm krijgen. Daarnaast zal in 2004 aandacht zijn voor het verder ontwikkelen van de voogdij- en opvangfunctie in de integratievariant.

Opvang

Een aanhoudend dalende instroom van asielzoekers, de intensivering van de terugkeer en een snelle afhandeling van asielaanvragen moet leiden tot een vermindering van het aantal benodigde opvangplaatsen. Naar verwachting zal de behoefte aan opvangcapaciteit afnemen tot 20 000 opvangplaatsen in 2005. De daarmee gepaard gaande noodzakelijke krimp van het aantal opvangplaatsen en de COA-organisatie wordt voortgezet. Die noodzakelijke krimp is echter niet onbeperkt. Oog moet worden gehouden voor de kwaliteit van de opvang. De kernopdracht van het COA, te zorgen voor een humane opvang, dient overeind te blijven.

Regulier vreemdelingenbeleid

Om gezinsvorming te combineren met goede integratie worden binnen de grenzen van internationale verdragen de voorwaarden voor gezinsvorming aangescherpt ten opzichte van de Vreemdelingenwet 2000. De minimumleeftijd voor gezinsvorming wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar en de inkomenseis wordt verhoogd tot 120% van het wettelijk minimumloon. Daarnaast zal de Europese richtlijn inzake het recht op gezinshereniging worden geïmplementeerd. De voorbereidingen daarvoor zijn reeds getroffen.

Het beleid tot vereenvoudiging en versoepeling van de toelating van hoog opgeleide kennismigranten wordt voortgezet. De ministeries van Justitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werken thans aan de implementatie van de maatregelen die door de Tweede Kamer zijn goedgekeurd. De regelingen voor kennismigranten zullen in 2004 in werking treden.

Voor de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier is, behoudens uitzonderingen, een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) vereist. De aanvragen voor deze machtigingen zullen sneller worden afgehandeld. Het monitoren van de, op 1 juli 2002 in werking getreden, standaardprocedure zal inzicht geven in de vraag in welke mate de getroffen maatregelen hebben bijgedragen aan het verkorten van de doorlooptijd van de behandeling. De ervaringen zullen in eerste instantie worden gebruikt om te bezien hoe binnen de huidige wettelijke kaders de mvv-procedure verder kan worden vereenvoudigd en geoptimaliseerd. Een belangrijke ontwikkeling op dit terrein betreft de overdracht van alle reguliere toelatingstaken van de vreemdelingendiensten aan de IND. De mvv-taken zijn reeds op 1 april 2003 overgedragen. De overige toelatingstaken zullen dit najaar worden overgedragen. De frontoffice taken van de vreemdelingendiensten zullen in dit kader op 1 januari 2004 aan de gemeenten worden overgedragen. Met de capaciteit die vrijkomt, zal de politie het vreemdelingentoezicht intensiveren en zich daarbij met name richten op de bestrijding van illegaliteit alsmede de terugkeer.

Door de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken wordt gewerkt aan de totstandkoming van een Visumwet. In de Visumwet wordt onder meervoorzien in de overdracht van de formele bevoegdheid voor visumverlening van de minister van Buitenlandse Zaken aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

In Europees verband wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een visa informatiesysteem om uitwisseling van gegevens over visa tussen EU-lidstaten te ondersteunen. Mogelijk wordt dit systeem gekoppeld aan het Schengen Informatiesysteem.

Illegaliteit

Illegaal verblijf wordt tegengegaan. Het toezicht op (illegale) vreemdelingen wordt verscherpt door onder andere effectiever mobiel vreemdelingentoezicht. In het kader van de grensbewaking worden maatregelen getroffen om illegale immigratie tegen te gaan, zoals het aanspreken van vervoersondernemingen op hun verantwoordelijkheden. Hierbij speelt het instrument gate-controles op Schiphol een belangrijke rol.

Daarnaast komt er – door overheveling van toelatingstaken van de vreemdelingendiensten naar de IND – capaciteit vrij bij de Vreemdelingendiensten voor het uitoefenen van vreemdelingentoezicht en daarnaast de bestrijding van migratiecriminaliteit.

Verbetering van de uitvoering van de vreemdelingenbewaring heeft doorlopend de aandacht. Daarnaast wordt de rechterlijke toets in dergelijke bewaringszaken door wetswijziging herzien, om de effectiviteit en efficiëntie van de vreemdelingenbewaring verder te vergroten.

Criminele vreemdelingen en illegalen worden bij voorrang verwijderd, indien nodig na intrekking van hun verblijfsvergunning en/of na ongewenstverklaring.

Met het oog op het bestrijden van illegaliteit en het vergroten van de capaciteit voor gedwongen verwijderingen is in 2003 gestart met de realisatie van twee uitzetcentra op de luchthavens Schiphol en Zestienhoven. In 2004 zijn 300 plaatsen beschikbaar en op termijn 600 plaatsen.

Na constatering van illegaal verblijf geldt ten aanzien van gedwongen verwijdering dat intensiever gebruik zal worden gemaakt van overheidsvluchten en doelgroepgerichte verwijdering. De genoemde uitzetcentra faciliteren hierin.

Daarnaast is een van de middelen om illegale toegang en verblijf in Nederland tegen te gaan het bevorderen van het gebruik van biometrie in visa. Invoering van biometrische kenmerken op visumdocumenten is afhankelijk van Europese besluitvorming. In Europees verband wordt gewerkt aan het vaststellen welke gemeenschappelijke biometrische kenmerken gebruikt gaan worden en welke mogelijkheden er zijn om reis- en identiteitsdocumenten, alsmede visa, van een biometrisch kenmerk te voorzien. In nationaal verband zal worden onderzocht welke concrete stappen Nederland vooruitlopend op Europese besluitvorming reeds kan nemen. Parallel daaraan wordt het gebruik van biometrie in de toelatings- en toezichtsprocessen voorbereid.

Internationaal zet Nederland in op intensivering van de Europese harmonisatie van de wet- en regelgeving op het terrein van terugkeer en de bestrijding van de illegale immigratie.

Tenslotte worden – naast de bestrijding van illegaal verblijf – maatregelen genomen om het profiteren van illegale vreemdelingen tegen te gaan. Het betreft hier maatregelen die onder andere liggen op de terreinen van andere departementen. Er zal, onder meer door middel van financiële sancties, worden opgetreden tegen personen die zich via illegalen verrijken, zoals huisjesmelkers, koppelbazen en werkgevers. Het tegengaan van misbruik van illegalen is ook een aspect van de voorgenomen intensivering van de bestrijding van mensenhandel, gedwongen prostitutie en jeugdprostitutie.

Overzichtstabel met de belangrijkste beleidsmatige mutaties 2004 (incl. Hoofdlijnenakkoord)

Onderstaande tabel bevat de belangrijkste budgettaire mutaties sinds de begroting 2003 (inclusief de Nota's van Wijziging en de 1e Suppletore Begroting). De in het Hoofdlijnenakkoord besloten beleidsintensiveringen en taakstellingen zijn eveneens in dit overzicht opgenomen. Elke mutatie wordt op hoofdlijnen toegelicht. Mutaties kleiner dan € 2 miljoen in 2007 worden in het algemeen niet separaat toegelicht.

bedragen x € 1 miljoen

 200320042005200620072008
Hoofdlijnenakkoord      
Veiligheidsenveloppe Justitie* 95,0177,5226,9283,2268,9
Waarvan verdeeld:      
• Capaciteitstekort strafsectoren (4.1) 12,412,412,412,412,4
• Ontwikkeling afdoeningprofiel (4.1) 7,07,07,07,07,0
• Geïntegreerd Proces Systeem OM (3.3) 10,09,07,0  
• Intensiveringen in de strafrechtketen      
– OM (3.3) 7,87,87,87,87,8
– ZM (4.1) 6,66,66,66,66,6
– Rechtsbijstand (4.2) 3,03,03,03,03,0
– Sanctietoepassing (5.1) 41,041,041,041,041,0
– Overig strafrechtketen 7,27,27,27,27,2
       
Jeugd/Preventie-enveloppe 10,517,528,035,035,0
Waarvan verdeeld:      
• Preventie Huiselijk geweld (3.1) 1,02,02,03,03,0
• Autonome groei jeugdreclassering (3.4) 2,02,02,02,02,0
• Autonome groei maatregelen Jeugd Terecht (3.4) 2,02,02,02,02,0
• Gedragsgestoorde jongeren (3.4) 1,02,02,02,0
• Jeugdreclassering nazorg (3.4) 1,02,04,06,56,5
• Jeugdbescherming Deltaplan (3.4) 0,52,05,06,06,0
• Jeugdbescherming voogdij (3.4) 0,51,52,02,0
• Opvoedingsondersteuning (3.4) 1,02,55,07,07,0
• Maatschappelijke opvang/reclassering(5,1)1,52,03,03,03,0
• Internaatachtige voorzieningen (5.1/7.2) 1,51,51,51,51,5
       
Taakstellingen Hoofdlijnenakkoord specifiek      
• Differentiatie justitiële en penitentiaire aanpak en reclassering (5.1)– 20,0– 40,0– 70,0– 70,0– 70,0– 70,0
• Aanpak illegaliteit (5.2) – 10,0– 15,0– 20,0– 20,0– 20,0
• Asiel/inburgering/immigratie (6.1/ 6.2/ 6.3/ 6.4) – 58,0– 74,9– 94,1– 111,5– 111,5
• Beëindiging remigratieregeling (6.4/ 7.2) – 12,4– 13,0– 15,0– 15,0– 15,0
       
Taakstellingen Hoofdlijnenakkoord algemeen      
• Efficiency/volumetaakstelling – 5,2– 10,3– 15,9– 26,2– 26,2
• Vermindering inhuur externen– 4,3– 43,0– 43,1– 43,1– 43,1– 43,1
• Subsidietaakstelling – 5,8– 20,3– 27,4– 27,4– 27,4
       
Specifieke additionele maatregelen      
• Beëindiging centrale financiering JIB's (3.1)   – 2,0– 4,0– 4,0
• Autonome groei Schadefonds Geweldsmisdrijven (3.2) 2,52,52,52,52,5
• Gerechtskosten (3.3) 15,015,015,015,015,0
• Intensivering opsporing OM (3.3)7,012,118,524,635,644,2
• Ouderbijdrage jeugdbescherming en -sancties (3.4) – 4,0– 8,0– 8,0– 8,0– 8,0
• Groei civiel- en bestuursrecht (4.1) 21,031,031,031,031,0
• Intensivering Veiligheidsprogramma ZM (4.1)3,94,0– 5,5– 11,6– 5,6– 1,0
• Belastingrechtspraak in twee instanties (4.1) 12,015,111,611,58,5
• Intensivering Veiligheidsprogramma rechtsbijstand (4.2)4,28,012,015,522,928,8
• Groei ambtshalve toevoegingen in strafzaken en inverzekeringstelling (4.2) 7,37,37,37,37,3
• Groei inkomensafhankelijke toevoegingen rechtsbijstand (4.2) 11,811,811,811,811,8
• Besparing rechtsbijstand (4.2)  – 6,0– 6,0– 6,0– 6,0
• Kosten medische zorg justitiabelen (5.1)4,45,25,04,84,84,8
• CJIB detentieplaatsen (5.1) – 8,0– 15,0– 15,0– 15,0– 15,0
• Versobering vreemdelingenbewaring (6.3)  – 9,0– 9,0– 9,0– 9,0
• Naturalisatietoets (6.1) 2,72,72,72,72,7
• Taakstelling inburgering(6,4)– 9,0– 7,1– 1,5– 11,5– 8,5
• Shared service centre HRM (7.2) 4,012,016,0  
• Herstructurering bestuursdepartement (7.1) – 0,5– 3,0– 3,2– 3,2– 3,2

– Achter elke maatregel is een verwijzing naar het beleidsartikel opgenomen voor een nadere toelichting.

– Negatieve reeks = lagere uitgaven/ hogere ontvangsten

* Veiligheidsenveloppe Justitiedeel, na aftrek van middelen die ter beschikking worden gesteld aan het ministerie van BZK en ten behoeve van de Commissie Van den Haak. De bedragen vanaf 2005 zijn indicatief van aard. Het nog niet verdeelde budget van de veiligheidsenveloppe zal conform het te ontwikkelen prognosemodel in de begroting 2005 verdeeld worden over de Justitieketen (aldaar zullen ook de additionele ambities zichtbaar worden gemaakt).

Toelichting op de belangrijkste beleidsmatige mutaties in 2004

Capaciteitsontwikkeling strafsectoren

Uit een analyse van het OM en de ZM blijkt dat de gerechten het aanbod van het OM structureel niet kunnen verwerken. Dit structurele capaciteitstekort is vastgesteld op minimaal 8 000 zaken. Om aan de doelstellingen van het Veiligheidsprogramma te kunnen voldoen wordt met ingang van 2004 structureel in de strafsectoren geïnvesteerd.

Ontwikkeling afdoeningsprofiel

Een analyse van de zaaksontwikkeling binnen de strafsector van de afgelopen vijf jaar heeft aangetoond dat er een duidelijke ontwikkeling is waar te nemen ten aanzien van het toenemend percentage zaken van de totale instroom bij het OM dat door de ZM wordt afgedaan (verschuiving van afdoening van het OM naar de ZM). De verwachting is dat deze trend ook het komende jaar nog zal doorzetten.

Geïntegreerd Proces Systeem (GPS)

In 2000 is gestart met de ontwikkeling van het GPS bij het OM, als vervanging van het bedrijfsprocessensysteem «Compas». Doordat het OM en de ZM in dezelfde werkstroom zullen werken binnen één systeem, met gebruikmaking van elektronische dossiers, verbeteren veel taken rondom de dagelijkse behandeling van strafzaken op het operationele niveau in de organisatie. GPS moet leiden tot verkorting van doorlooptijden en verbetering van de productiviteit. In 2004 worden de middelen met name aangewend voor de implementatie, technische architectuur en de ontwikkeling van de informatiesystemen.

OM – intensivering strafrechtketen

Het betreft hier middelen die zullen worden ingezet om de ambities met betrekking tot de intensivering van de opsporing (40 000 extra zaken in 2006 bij het OM ten opzichte van het jaar 2002) en de intensivering van het toezicht in de openbare ruimte (180 000 boeten en transacties extra uit staandehoudingen ten opzichte van het jaar 2002) zoals geformuleerd in het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving» (TK, 28 684, nr.1), te kunnen uitvoeren.

ZM – intensivering strafrechtketen

Het betreft hier middelen die onder meer zullen worden ingezet om de ambities met betrekking tot de intensivering van het toezicht en de doorwerking daarvan voor de ZM (16 000 extra zaken in 2006 bij het ZM ten opzichte van het jaar 2002) zoals geformuleerd in het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving» (TK, 28 684, nr.1), te kunnen uitvoeren.

Rechtsbijstand – intensivering strafrechtketen

Het beroep op en daarmee de kosten van rechtsbijstand in strafzaken zijn een resultante van de afhandelingswijze en volumeontwikkeling bij de partners in de strafrechtketen. Dit houdt in dat de volumeontwikkeling in de rechtsbijstand afhankelijk is van de intensiveringen bij deze ketenpartners.

De bij Strategisch- en Hoofdlijnenakkoord aangekondigde intensiveringen leiden tot een volumestijging in de rechtsbijstand. Middels de verhoging van het budget kunnen de financiële verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, worden nagekomen.

Intensivering sanctietoepassing

Prognoses laten een verdere groei in de behoefte aan sanctiecapaciteit zien. Deze groei wordt mede veroorzaakt door voornemens uit het Veiligheidsprogramma. Voor 2004 e.v. zal € 41 miljoen beschikbaar zijn voor het verder uitbreiden van de sanctiecapaciteit. Deze capaciteit is met name bestemd voor veelplegers, kortgestraften en het terugdringen van het aantal tbs-passanten in het gevangeniswezen. Daarbij wordt zowel de intramurale als de extramurale capaciteit bezien.

Overig Strafrechtketen

Intensiveringen in de strafrechtketen leiden bij diverse ketenpartners tot gerelateerde kostenstijgingen. Om stagnering in de keten te voorkomen wordt ketengerelateerd geïnvesteerd op onder meer de terreinen van gerechtskosten, kinderbescherming, Halt-afdoeningen, reclassering, incasso, forensisch onderzoek, tolkendiensten en slachtofferhulp.

Preventie Huiselijk geweld

Ter uitvoering van voorgenomen beleid, dat is opgenomen in de nota «Privé Geweld – Publieke Zaak» (TK, 28 345, nr.1) zullen in de komende jaren extra middelen worden ingezet ten behoeve van ondersteuning en stimulering van gemeenten bij het oppakken van de regierol en de uitvoering van overige maatregelen uit «Privé Geweld – Publieke Zaak» (bijvoorbeeld aanpak huiselijk geweld in allochtone kring).

Uitgangspunt is dat de gelden waar mogelijk worden ingezet voor het vergroten van de capaciteit waarbij zoveel mogelijk ruimte wordt gelaten aan lokale partijen voor de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd. Dit onder de voorwaarde van heldere outcome-doelstellingen en een adequate verantwoordingsstructuur. De mogelijkheden van een brede doeluitkering in de sociale pijler zullen bij de nadere uitwerking nadrukkelijk betrokken worden.

Autonome groei Jeugdreclassering

Als gevolg van de intensiveringen in de (jeugd-)strafketen is het beroep op jeugdreclassering het afgelopen jaar sterker gestegen dan was voorzien. Teneinde het noodzakelijke evenwicht tussen vraag en aanbod te herstellen, zullen in 2004 en volgende jaren extra gelden worden ingezet voor het structureel vergroten van het aantal jeugdreclasseerders.

Groei maatregelen Jeugd Terecht

Door toenemende verzoeken om passende maatregelen voor jongeren vanuit de ZM, het OM en Raad voor de Kinderbescherming is het noodzakelijk om het aanbod te laten aansluiten bij deze stijgende behoeften op dit terrein en tevens om te voorzien in de intensiveringen ten gevolge van het programma «Jeugd Terecht». Beoogd wordt uitbreiding van de omvang van het aantal maatregelen en een kwaliteitstoets op o.a. verschillende soorten trainingen op het terrein van vaardigheden en het bijbrengen van bepaalde kennis. Daartoe zal ook een kwaliteitszorgsysteem bij de Raad voor de Kinderbescherming worden ingericht zodat alleen die producten worden ingekocht die het meeste rendement opleveren in de zin dat ze daadwerkelijk bijdragen aan de resocialisatie van de jongere.

Gedragsgestoorde jongeren

Het is van belang dat er een effectieve en kwalitatief goede forensische rapportage ligt, met betrekking tot de gedragsgestoorde jongere over wie de rapportage is gevraagd. In dat kader komen er vijf centra in het land die gespecialiseerd zijn in de borging van specialistisch forensisch onderzoek naar jeugdigen. Deze worden organisatorisch ondergebracht bij de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD) van het ministerie van Justitie.

Jeugdreclassering nazorg

In het kader van de aanpak van het programma Jeugd Terecht is aangegeven dat de nazorg voor jongeren die met het strafrecht in aanraking zijn gekomen, van belang is om de resocialisatie in goede banen te leiden en om opnieuw afglijden te voorkomen. Dit betekent een toename van het beroep door deze jongeren op de jeugdreclassering. Daarnaast is uit het WODC-onderzoek van december 2002 gebleken dat de jeugdreclassering met de huidige werklast onvoldoende tijd beschikbaar heeft om intensief in te zetten op de zwaardere jeugddelinquenten, terwijl 20 tot 25% van de behandelde jongeren in deze categorie vallen. De intensivering zal worden ingezet om deze twee doelgroepen beter te bedienen. Zowel zal worden ingezet op het vergroten van de mogelijkheden tot nazorg als op het ontwikkelen van de meer intensieve benadering voor die jongeren voor wie dat noodzakelijk is.

Jeugdbescherming Deltaplan

In 2002 is het Deltaplan voor de gezinsvoogdij gestart, naar aanleiding van de verschillende rapporten en onderzoeken die hebben aangetoond dat het in het belang van het kind is om zowel kwantitatief als kwalitatief in deze werksoort extra te investeren. Op basis van de uitkomsten van de vier pilots, naar verwachting medio 2004, zal besluitvorming plaatsvinden over de wijze waarop de kwaliteit van de uitvoering duurzaam kan worden verbeterd.

Jeugdbescherming Voogdij

Medio 2003 heeft de inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming een rapportage uitgebracht over de wijze waarop de uitvoering van de voogdij in Nederland gestalte krijgt. Duidelijk is dat op basis van de uitkomsten van dit onderzoek het noodzakelijk is dat maatregelen worden getroffen ter verhoging van de kwaliteit van het product «voogdij». Daartoe zal een plan van aanpak worden opgesteld en in uitvoering genomen.

Opvoedingsondersteuning

Doel van de opvoedingsondersteuning is te voorkomen dat jonge kinderen afglijden naar het criminele milieu.

Dit wordt bewerkstelligd door op een voor hen en hun ouders aansprekende manier een aanbod tot ondersteuning te doen in de vorm van een intensieve «drang-maatregel» of door middel van intensievere begeleiding in een niet vrijwillige setting (Ondertoezichtstelling).

De doelgroepen zijn:

• Gezinnen die in aanraking komen met de politie vanwege een strafbaar feit van hun kind en;

• Gezinnen die (nog) niet om deze reden met de politie in aanraking zijn gekomen, maar veelal wel in beeld zijn bij de politie (meldingen (huiselijk) geweld, overlastgevende jeugd, etc.) of bijvoorbeeld via buurtnetwerken en zorgsystemen rond onderwijs.

Daartoe zal in 2004 een programma in uitvoering worden genomen gericht op training en deskundigheidsbevordering van gezinsvoogden. Vanaf 2005 wordt voorzien in een effectonderzoek, materiaalontwikkeling en een geleidelijke capaciteitsuitbreiding bij de Bureau's Jeugdzorg.

Maatschappelijke omvang

Een belangrijke deel van de instroom in de maatschappelijke opvang bestaat uit ex-gedetineerden. Door extra reclasseringsinzet kan de toeleiding naar adequate huisvesting worden verbeterd. Daarmee wordt niet alleen de druk op de capaciteit van de maatschappelijke opvang verminderd, maar wordt ook de kans op recidive van stelselmatig daders verminderd. Dak- en thuisloosheid is namelijk een belangrijke criminogene factor.

Internaatachtige voorzieningen

Mede in het kader van de uitvoering van het actieprogramma «Jeugd Terecht», als onderdeel van het Veiligheidsprogramma, zal de capaciteit van de internaatachtige voorzieningen (waaronder «Glen Mills») verder worden uitgebreid.

Differentiatie justitiële en penitentiaire aanpak en reclassering

In lijn met het Hoofdlijnenakkoord zal de reclassering zich in de komende jaren gaan concentreren op de kansrijke groepen. Onder kansrijke groepen wordt in dit verband verstaan: die justitiabelen waarbij de kans het grootst is, dat de geboden programma's en begeleiding een significant effect hebben op succesvolle maatschappelijke integratie en vermindering van de kans op recidive. Door deze concentratie op een kansrijke groep is het mogelijk het budget neerwaarts bij te stellen.

De in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen taakstelling bij de justitiële inrichtingen wordt gerealiseerd door middel van het versoberen van de programma's en de huisvesting. De Kamer zal voor de behandeling van de begroting van het ministerie van Justitie over de nadere invulling van deze taakstelling worden geïnformeerd.

Aanpak illegaliteit

De bestrijding van illegaal verblijf zal allereerst plaatsvinden langs de weg van het vreemdelingentoezicht en het uitzettingsbeleid. Daarnaast zullen diegenen worden aangepakt die illegaal verblijf van vreemdelingen in ons land faciliteren en zich langs die weg verrijken. Te denken valt aan huisjesmelkers, koppelbazen en werkgevers van illegalen, maar ook aan personen of organisaties die zich bezighouden met mensenhandel en mensensmokkel. Zowel bestuurlijke als strafrechtelijke maatregelen komen daarbij in beeld.

Asiel/inburgering/immigratie

In het Hoofdlijnenakkoord is voor asiel, migratie en integratie een taakstelling opgenomen. Deze taakstelling is voor 2004 ingevuld met de volgende maatregelen:

Toelating

Het voornemen is de aanvragen tot een Machtiging voor een Voorlopig Verblijf (mvv) sneller af te doen. Hierbij ligt het niet voor de hand om de controles voor de mvv-aanvraag te verminderen. Verkorting van de totale proceduretijd wordt mogelijk gevonden in het afschaffen van de reguliere bezwaarprocedure. Dit zal in onderling overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken worden bezien. Daarnaast kan een vereenvoudiging van de vvr-procedure (vergunning voor verblijf regulier) voor EU-onderdanen een bijdrage leveren aan kortere doorlooptijden en een ombuiging van het hiertoe bestemde budget. Ook de mogelijkheden van verhogingen van leges zullen worden ingezet.

Opvang

Allereerst wordt zolang de krimp bij het COA voortduurt gebruik gemaakt van de reguliere overcapaciteit om de TNV functie (tijdelijke noodvoorziening) in te vullen. Hierdoor kan de specifieke TNV capaciteit opgeheven worden. Ten tweede worden extra effecten verwacht van de nieuw te vormen terugkeerorganisatie. Op basis hiervan is de bezetting van het COA neerwaarts bijgesteld. Ten derde wordt de beveiliging van de COA locaties anders ingericht waardoor de kosten dalen. Ten vierde wordt de uitplaatsing van statushouders uit de opvang versneld zodat de achterstand wordt ingelopen. In samenspraak met betrokken partijen zal bij vertraging in de uitplaatsing worden bekeken hoe een en ander zal worden bekostigd.

Inburgering

Als gevolg van de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een lagere instroom van nieuwkomers verwacht. De taakstelling voor inburgering zal daarom ten laste komen van het budget voor nieuwkomers. Het budget voor nieuwkomers wordt in 2004 verlaagd met € 28 miljoen en wordt als uitgangspunt genomen voor de verdeling over de gemeenten.

Beëindiging remigratieregeling

De Remigratiewet wordt in 2004 ingetrokken. Er zullen geen nieuwe uitkeringen meer worden verstrekt. De bestaande gevallen moeten blijvend worden uitgekeerd. Bij intrekking van de wet zal er daarnaast mogelijk een overgangsrecht moeten komen ten aanzien van de reeds toegekende uitkeringen

Efficiency/volumetaakstelling collectieve sector & subsidietaakstelling

Het ministerie van Justitie draagt naar aanleiding van het Hoofdlijnenakkoord bij aan het Kabinetsstreven om te ontbureaucratiseren, door het aantal ambtenaren terug te brengen, waarbij het primaire proces zoveel mogelijk wordt ontzien.

Tevens geeft het Hoofdlijnenakkoord aanleiding om de subsidierelaties die Justitie heeft te bezien. In dit kader zijn de subsidies die in mindere mate bijdragen aan de kerntaken van Justitie gekort. Daarnaast heeft er een beoordeling plaatsgevonden op de mogelijkheden van cofinanciering, en de aanwezigheid van doelmatigheidsprikkels.

Vermindering inhuur externen

Het Kabinet heeft een aanzienlijke groei van de inhuur van derden geconstateerd de afgelopen jaren. Reeds in het Strategisch Akkoord is aangevangen met besparingen op deze uitgavenpost. Het Hoofdlijnenakkoord geeft eveneens aanleiding om de uitgaven gemoeid met de inhuur van derden te verlagen. De maatregel zal vanaf 2004 € 43 miljoen op jaarbasis opleveren.

Beëindiging centrale financiering JIB's

De centrale financiering van arrangementen «Justitie in de buurt» zal geleidelijk aan worden beëindigd, rekening houdend met bestaande afspraken. Dat betekent dat op lokale partners een sterker beroep gedaan zal worden om af te wegen of zij oprichting c.q. voortzetting van Jib-initiatieven mede mogelijk willen maken.

Autonome groei Schadefonds Geweldsmisdrijven

Het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM) wordt geconfronteerd met een gestaag groeiend aantal zaken, naar schatting een jaarlijkse toename met 1 000 zaken. Om deze naar behoren te kunnen afwikkelen is het structureel budget met ingang van 2004 verhoogd met een bedrag van € 2,5 miljoen. Hiervoor wordt € 0,5 miljoen ingezet voor het Bureau SGM en € 2 miljoen voor de schadeloosstellingen. Met de intensivering wordt tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om het bereik van het SGM te vergroten.

Gerechtskosten

Gerechtskosten zijn kosten die in het kader van de strafvordering worden gemaakt ten behoeve van de opsporing en vervolging van verdachten in de gerechtelijke fase. Het meerjarig budgettair kader van de gerechtskosten is vanaf 2004 verhoogd met structureel € 15,0 miljoen per jaar. Deze verhoging is bedoeld ter compensatie van de in de afgelopen jaren sterk gestegen kosten. De druk op het budget manifesteert zich met name bij de afluister- en aftapkosten en de daarmee samenhangende kosten van tolken en vertalers.

Ouderbijdrage jeugdbescherming en -sancties

De intentie is om ouders een vergoeding te vragen voor de maatregel die hun kind krijgt opgelegd. Met de bijdrage wordt beoogd een verband te leggen tussen de overtreding van het kind en de verantwoordelijkheid van de ouders. De geraamde opbrengst is € 4 miljoen in 2004.

Groei Civiel en Bestuursrecht

In de sectoren civiel en bestuur bij de gerechten wordt een verdere (autonome) toename van de instroom verwacht. De groei is bepaald op basis van een analyse van de afgelopen vijf jaar. Mede gezien de verwachte economische ontwikkeling de komende jaren, die – naar de ervaring leert – van aanzienlijke invloed zal zijn op de toestroom bij de rechterlijke macht en de verwachte demografische ontwikkelingen, wordt voorzien dat deze groei zich de komende jaren zal doorzetten.

Intensivering Veiligheidsprogramma ZM

Het betreft de toedeling van de binnen Justitie, nog onverdeelde post uit het Stratigisch Akkoord voor de opvang van de keteneffecten als gevolg van de uitvoering van het «Veiligheidsprogramma». De opgenomen reeks is een saldo van aanvullende middelen en te realiseren besparingen. Bij deze toedeling is uitgegaan van de oorspronkelijke budgettaire kaders, de aanvullende middelen uit het Hoofdlijnenakkoord staan hier derhalve los van.

Intensivering Veiligheidsprogramma Rechtsbijstand

Door intensivering van de opsporing en toezicht in de openbare ruimten, zoals vastgelegd in het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving» zal het beroep op de rechtsbijstand toenemen. Met de beschikbaar gestelde middelen worden de Raden voor Rechtsbijstand in staat gesteld de toenemende instroom op te vangen.

Belastingrechtspraak in twee instanties

Per 1 januari 2005 wordt het mogelijk gemaakt in hoger beroep te gaan in belastingzaken. Hiermee wordt de rechtsbescherming van burgers verhoogd en het huidige Nederlandse stelsel van belastingrechtspraak in overeenstemming gebracht met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De hiervoor benodigde middelen zijn aan de begroting van Justitie toegevoegd.

Groei ambtshalve toevoegingen in strafzaken en inverzekeringstelling

Het beroep op en daarmee de kosten van rechtsbijstand in strafzaken zijn een resultante van de afhandelingswijze en -volumeontwikkeling bij de partners in de strafrechtketen. Dit houdt in dat de volumeontwikkeling in de rechtsbijstand afhankelijk is van de intensiveringen bij deze ketenpartners. De in voorgaande jaren reeds ingezette intensiveringen hebben geleid tot een volumestijging in de rechtsbijstand. Door verhoging van het budget kunnen de financiële verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, worden nagekomen.

Groei inkomensafhankelijke toevoegingen rechtsbijstand

Met name binnen de sectoren arbeid en sociale zekerheid, kortom die terreinen die sterk afhankelijk zijn van de conjuncturele omstandigheden, neemt het aantal geschillen in de maatschappij, en derhalve het aantal toevoegingen, gestaag toe. Dit is een gevolg van de verslechterde economische omstandigheden. Door de verhoging van het budget kunnen de financiële verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, worden nagekomen.

Besparing rechtsbijstand

Sinds december 2002 liggen er voorstellen bij de Tweede Kamer tot aanpassingen in het stelsel van de gefinancierde rechtsbijstand. Afhankelijk van de uitkomsten van het overleg met de Tweede Kamer over deze voorstellen, zal hieraan concrete invulling kunnen worden gegeven.

Hierna zal tevens worden bezien welke aanpassing(en) nodig zijn om aan de taakstelling van € 6 miljoen op de rechtsbijstand vanaf 2005 invulling te kunnen geven.

Kosten medische zorg justitiabelen

De ontwikkeling van de ziektekosten voor justitiabelen volgt het algemene beeld van stijgende ziektekosten. Voor 2004 en verdere jaren wordt rekening gehouden met een kostenstijging van circa 15% ten opzichte van de kosten 2002. Het budget wordt in lijn hiermee in 2004 verhoogd met € 5,2 miljoen.

CJIB-detentieplaatsen

Bij de CJIB-detentieplaatsen gaat het om bij de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis voor niet betaalde boetes c.q. gijzelingen in Mulder-zaken vanaf 2004 plaatsen met een versoberd regime binnen de bestaande capaciteit te realiseren. In de huidige situatie is het zo dat wanbetalende overtreders opgesloten worden binnen de reguliere capaciteit. Met de invoering van de CJIB-detentieplaatsen zal deze categorie gedetineerden voor hun relatief korte straf in versoberde opvang worden ingesloten. Dit vermindert de druk op de overige relatief kostbare capaciteit en levert een besparing op.

Versobering vreemdelingenbewaring

De maatregel heeft betrekking op een versobering van de opvang van illegalen, te realiseren vanaf 2005. De maatregel zal bij de justitiële inrichtingen worden gerealiseerd door middel van het versoberen van de programma's en de huisvesting.

Naturalisatietoets

Dit betreft de invoering van de naturalisatietoets per 1 april 2003. Hierbij wordt met name de kennis van de Nederlandse taal en maatschappij getoetst. De kosten van de uitvoering van de toets worden gedeeltelijk verhaald op de aanvrager. Er wordt geraamd dat er 24 000 toetsen per jaar zullen worden afgenomen tegen een gemiddelde prijs van ongeveer € 230,– per toets.

Shared service centre HRM

Rijksbreed is in het kader van de kwaliteits- en efficiencyverbetering van de rijksdienst de vorming van één agentschap (Shared service center HRM) voor personeelsregistratie en salarisadministratie in voorbereiding. Voorzien wordt dat dit programma consequenties zal hebben voor het personeel in de P&O kolom. Efficiency- en kwaliteitsverbeteringen worden gerealiseerd door het stroomlijnen van de werkprocessen, het digitaliseren van de personeelsdossiers, het gereedmaken van de ICT voorzieningen voor de invoering van het concept van Medewerker Zelfservice en het introduceren van dit concept binnen de Justitieorganisatie.

Herstructurering bestuursdepartement

De taken op het gebied van bedrijfsvoering en de daarbij behorende ondersteuning binnen het bestuursdepartement worden op een efficiëntere manier georganiseerd door een herschikking van werkzaamheden. Daarnaast wordt in een bredere verband onderzocht of en waar er overlap zit in taken van het bestuursdepartement en de hoofdkantoren van de justitiesectoren en op welke wijze deze overlap kan worden weggenomen.

HOOFDSTUK 3. BELEIDSARTIKELEN

1 – STRATEGIE

Beleidsartikel 1.1 Strategie

Justitie staat voor een rechtvaardige en veilige samenleving. Omdat de wereld waarbinnen Justitie dat doet dynamisch is, moet zij voortdurend nagaan op welke wijze zij haar bijdrage het best kan leveren. Daarom moet Justitie de wereld waarin zij opereert kennen en analyseren en de ontwikkelingen die voor haar van bijzonder belang zijn tijdig signaleren en daarop anticiperen.

Beleidsdoelstelling 1.1

Bieden van een toekomstgericht kader voor en een op wetenschappelijke kennis gebaseerde onderbouwing van een rationeel justitiebeleid.

De minister van Justitie en de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dragen verantwoordelijkheid op terreinen waarvoor geldt dat er uiteenlopende opvattingen bestaan over de te bereiken doelen. Is Justitie er vooral voor een harde aanpak van de criminaliteit of vooral voor de rechtsbescherming? Is daar een tegenstelling tussen? Hoe zal de multiculturele samenleving er over 10 of 20 jaar uitzien? Nog uiteenlopender opvattingen bestaan er over de wijze waarop de doelen bereikt moeten worden en de middelen die daartoe ingezet mogen worden. Wordt de veiligheid (in specifieke gevallen) het meest bevorderd door preventie of door repressie? Zijn zware straffen effectiever dan programma's gericht op het verminderen van recidive? Moet integratie afgedwongen worden, of gefaciliteerd?

Van het ministerie van Justitie mag verwacht worden dat het beleid ontwikkelt dat rationeel is, dat wil zeggen haalbare doelen specificeert en middelen en instrumenten inzet die tot efficiënte realisatie daarvan leiden. Vooral met het oog hierop is wetenschappelijke kennis onontbeerlijk.

De besluitvorming over doelen en middelen vindt uiteraard plaats in overleg met het parlement, maar is niet slechts een politieke: juist rond het recht spelen zowel technische, filosofische en juridische argumenten een rol als ook bij leken bestaande gevoelens omtrent recht, veiligheid en de inrichting van de samenleving. Daarom is het met het oog op de democratische legitimatie van het tot stand komen van Justitiebeleid en de uitvoering daarvan, maar ook ter bevordering van de professionele kwaliteit ervan, van groot belang dat Justitie helder en transparant is over haar mogelijkheden en onmogelijkheden en haar kennis van en visie op de samenleving en wat zich daarin ontwikkelt. En dat is temeer van belang omdat Justitie om de democratisch vastgestelde doelen te bereiken intern afstemming en samenwerking tot stand moet brengen tussen organisaties en instituties met – deels – een eigen verantwoordelijkheid en daarbij behorende onafhankelijkheid, en tevens moet samenwerken met vele partners, binnen en buiten de overheid.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 1.1       
        
uitgaven12 55512 24811 35011 37211 29011 19411 194
        
ontvangsten532919191919191
        
verplichtingen16 02711 56710 66810 69110 60910 51311 194

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 1.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 11 350 11 372 11 290 11 194 11 194
waarvan:          
– personeel en materieel 11 350 11 372 11 290 11 194 11 194
– beleid 0 0 0 0 0
waarvan:          
a. juridisch verplicht 0 0 0 0 0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden 0 0 0 0 0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma) 0 0 0 0 0
           
Totaal uitgaven beleid0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0

Operationele doelstelling 1.1.1

Het tot stand brengen, toepassen en publiek maken van geldige (omgevings)kennis en een daarop gebaseerde strategie.

De strategieontwikkeling en het wetenschappelijk onderzoek door of in opdracht van het ministerie van Justitie richt zich op een aantal doelgroepen. Allereerst uiteraard het parlement, dat optimaal in staat moet zijn beleidsvoornemens en uitvoering te beoordelen, mede op grond van de kennis en inzichten die er aan ten grondslag hebben gelegen. Vervolgens binnen het ministerie zelf: degenen die beleid ontwikkelen of uitvoeren en degenen die daarover beslissingen nemen, tot en met de politieke leiding van het departement. En in het verlengde daarvan natuurlijk de samenleving als geheel, met als bijzondere sectoren de wetenschappelijke wereld en de media. En parallel aan de interne doelgroep is er uiteraard ook die van de externe partners van Justitie.

De strategische agenda en het programma van strategische verkenningen

Strategieontwikkeling bij Justitie is primair gericht op het tijdig signaleren, vertalen en agenderen van voor Justitie relevante langetermijnontwikkelingen, achterliggende vragen en nieuwe inzichten. Het ministerie van Justitie werkt sinds 2001 met een strategische agenda. Dit is een politiek goedgekeurde lijst van thema's die naar verwachting in de toekomst cruciale vragen voor Justitie oproepen. De agenda bevat niet zozeer onderwerpen waarop het beleid al is uitgekristalliseerd, maar juist onderwerpen waarvan op dit ogenblik slechts kan worden vastgesteld dat zich ontwikkelingen voordoen die voor Justitie belangrijke consequenties zullen hebben. Die onderwerpen worden verder verkend teneinde zo scherp mogelijk de betekenis voor Justitie in kaart te brengen en de informatie op tafel te krijgen die nodig is om zonodig beleid te ontwikkelen.

Op de in 2001 voor het eerst vastgestelde strategische Justitieagenda zijn drie thema's opgenomen, elk met een nadere op de verantwoordelijkheid van Justitie toegespitste opdracht tot uitwerking:

• De afnemende acceptatie van individuele risico's;

• Het tanend gezag van de overheid;

• De voortgaande internationale rechtsontwikkeling.

Gekoppeld aan de verkenning «Justitie over morgen» is feitelijk al met de uitwerking van deze drie thema's begonnen. Dit werk gaat in 2004 door. In 2004 zullen tevens de eerste ervaringen worden geëvalueerd. Dit geschiedt mede tegen de achtergrond van het opstarten van een rijksbrede strategische agenda.

Er wordt aan meer strategische thema's gewerkt dan die op de strategische agenda zijn geplaatst. Het totale programma aan strategische verkenningen omvat naast de genoemde ook de thema's:

• Nieuwe ontwikkelingen, vragen en inzichten op het terrein van de bestrijding van criminaliteit;

• Voortschrijdende technologie en beleid en wetgeving van Justitie;

• De toekomst van de rechtsstaat;

• Nieuwe inzichten ten behoeve van betere sturing van het justitieveld.

In 2004 zullen de reeds lopende verkenningstrajecten betreffende de betekenis van respectievelijk de toekomstige kennissamenleving en de ontwikkeling van de biotechnologie voor beleid en wetgeving van Justitie worden voortgezet. Hetzelfde geldt voor een verkenningstraject gericht op identiteitsvraagstukken in de informatiemaatschappij, met name in samenhang met toenemende geautomatiseerde ketencommunicatie.

Strategieontwikkeling is een in eerste instantie intern gerichte activiteit. De weerslag ervan zal daarom maar in beperkte mate expliciet terug te vinden zijn in specifieke publicaties, en vaak impliciet verwerkt worden in beleidsuitingen van het departement.

Geldige omgevingskennis

Geldige omgevingskennis wordt verworven door bestaande kennis en informatie te verzamelen en/of door het (laten) verrichten van wetenschappelijk onderzoek. De aard van de kennisbehoefte wordt enerzijds bepaald door de politieke en beleidsmatige prioriteiten van Justitie. Daarmee zal het onderzoek zich richten op de volgende terreinen: wetgeving, rechtspleging en rechtstoegang, rechtshandhaving, sanctietoepassing en preventie, asiel, migratie en integratie. Zie voor concrete onderzoeken de betreffende beleidsartikelen. Anderzijds wordt het onderzoek gestuurd door ontwikkelingen in de wetenschap zelf, de noodzaak tot instrumentontwikkeling en strategische overwegingen. Hierbij is onder meer te denken aan prognoses van sanctiecapaciteit of van instroom van zaken bij rechtbanken, monitoren (bijv. recidive), programma-evaluaties en overzichten van de ontwikkeling van verschillende vormen van criminaliteit en de bestrijding ervan.

In het licht van het voorgaande zullen de onderzoeksactiviteiten in 2004 divers zijn, variërend van het (laten) verrichten van nieuw onderzoek of het uitvoeren van een meta-evaluatie tot het toetsen van de effecten van beleid op recidive of een screening van bestaande statistische of documentaire informatie.

Het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) zal in 2004 de volgende speerpunten binnen de vier (eigen) onderzoeksafdelingen verder ontwikkelen:

• Zware en georganiseerde criminaliteit;

• Effectiviteit van strafrechtelijke interventies;

• Kwaliteit en effectiviteit vreemdelingen- en integratiebeleid;

• Civiele Rechtspleging.

Een essentiële activiteit voor het bereiken van de doelstelling is voorts actieve verspreiding van kennis. In dat kader zullen in 2004 de beleidsadvisering en de kennisverspreiding door het WODC en de contacten van het departement met de wetenschappelijke wereld worden geïntensiveerd: actieve verspreiding van rapporten en andere kennisproducten, het organiseren van congressen, workshops etc. en het participeren in door anderen georganiseerde bijeenkomsten, het uitgeven van tijdschriften en de ontwikkeling van websites.

Prestatiegegevens

 200220032004
Streefcijfer waardering in het jaarlijkse stakeholdersonderzoek voor de bruikbaarheid en het gebruik van de strategische producten (schaal 1 t/m 10)7,2n.n.b.7,5

Volumegegevens

 200220032004
Strategische documenten131314
    
Verspreiding van resultaten van wetenschappelijk onderzoek686465
    
Antwoorden op interne en externe informatievragen   
• geregistreerd bij infodesk8001 5001 500
• aantal bezoeken (hits) op WODC-websites130 000150 000150 000

Toelichting

Het ministerie van Justitie meet jaarlijks in een stakeholdersonderzoek de tevredenheid van interne en externe partners met verschillende aspecten van het functioneren van organisatieonderdelen. Wat betreft de producten Strategie en Onderzoek was de waardering in 2002 (de laatst bekende meting) 7,2 op een schaal van 1 (laagste) tot 10 (hoogste).

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 1.1.1       
        
uitgaven12 55512 24811 35011 37211 29011 19411 194
programma-uitgaven0681681681681681681
waarvan:       
– subsidies0681681681681681681
apparaatsuitgaven12 55511 56710 66910 69110 60910 51310 513
        
ontvangsten532919191919191
        
verplichtingen16 02711 56710 66810 69110 60910 51311 194

VBTB-paragraaf

Justitie zal in 2004 voorbereidingen treffen voor een eens in de vier jaar uit te voeren audit van het strategisch gehalte van het justitiebeleid. De eerste meting zal dan in 2005 kunnen plaatsvinden. De waardering van dit strategisch gehalte zal als prestatiegegeven opgevoerd worden.

2 – REGELGEVING

Beleidsartikel 2.1 Wetgeving

Een samenleving kan niet functioneren zonder juridische ordening. Wet- en regelgeving vormen daarbij de kern van de rechtsorde. Een rechtsorde is niet zo maar een verzameling regels maar een inhoudelijk in rechtsbeginselen gefundeerd, systematisch en samenhangend geheel. Rechtsbeginselen vormen de juridische weerslag van door de samenleving gedeelde waarden.

Beleidsdoelstelling 2.1

Het in stand houden van een goed functionerend rechtssysteem.

De rechtsorde is niet statisch. Om concreet en effectief tot gelding te komen, moeten rechtsbeginselen worden vertaald in wetgeving. Waarden en beginselen evolueren; de maatschappelijke omstandigheden waaronder zij tot gelding moeten worden gebracht veranderen in een hoog tempo. In de samenleving bestaat voortdurend behoefte aan nieuwe wetgeving, aanpassing van wetgeving en regelgeving dan wel beleid dat een bijdrage levert aan het bereiken van beleidsdoelstellingen van de minister van Justitie.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 2.1       
        
uitgaven8 1138 1137 9727 9447 8797 7587 758
        
ontvangsten456000000
        
verplichtingen7 1178 1137 9727 9447 8797 7587 758

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 2.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 7 972 7 944 7 879 7 758 7 758
waarvan:          
– personeel en materieel 6 638 6 669 6 826 6 771 6 771
– beleid 1 334 1 275 1 053 987 987
waarvan:          
a. juridisch verplicht18,1%24118,5%23618,5%19515,4%15215,4%152
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden70,7%94374,1%94567,8%71471,2%70371,2%703
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)11,2%1507,4%9413,7%14413,4%13213,4%132
           
Totaal uitgaven beleid100,0%1 334100,0%1 275100,0%1 053100,0%987100,0%987

Operationele doelstelling 2.1.1

Het tot stand brengen van regelgeving ter uitvoering van de grondwettelijke opdracht het burgerlijk recht, het strafrecht en het burgerlijk- en strafprocesrecht in algemene wetboeken en algemene regels van bestuursrecht bij wet vast te leggen en het tot stand brengen van regelgeving ter realisering van de beleidsdoelen van Justitie.

Het beleid inzake de totstandkoming van Justitiewetgeving ligt vast in het door de politieke leiding vastgestelde wetgevingsprogramma. Regelmatig wordt bezien of de prioriteit die aan de in het programma opgenomen wetsvoorstellen is toegekend moet worden gehandhaafd of aangepast. Voorts wordt de voortgang van alle wetgevingsprojecten bewaakt.

Eén van de grondwettelijk opgedragen taken waarvoor de minister van Justitie de verantwoordelijkheid draagt is het codificeren van het burgerlijk (proces)recht, het straf(proces)recht in algemene wetboeken en het codificeren van het bestuurs(proces)recht. Het tot stand brengen en actueel houden van deze codificaties is een centrale doelstelling van Justitie.

Regelgeving dient in veel gevallen de realisatie van Justitiedoelen, welke deels zijn terug te vinden in de andere beleidsartikelen. De totstandbrenging van deze wetgeving wordt hier als operationele doelstelling genoemd. De beoordeling van beleidsmatig wenselijke wetswijzigingen moet plaatsvinden tegen de achtergrond van het instandhouden van de consistentie van het rechtssysteem.

Een substantieel deel van de Justitieregelgeving is niet gekoppeld aan één van de andere beleidsdoelstellingen. Het is, als het al zinvol zou zijn, niet doenlijk voor al deze regelgeving een overkoepelende operationele doelstelling te formuleren. Daarvoor lopen doel en aard van deze rechtsgebieden en de daarop betrekking hebbende wetsvoorstellen te veel uiteen. Wel is het mogelijk om per rechtsgebied een doelstelling (die thans actueel is) te verwoorden. Het is ook wenselijk dat te doen, om een kader te bieden waarin de aangekondigde voornemens tot regelgeving kunnen worden beoordeeld. Per rechtsgebied is aangegeven wat het in ontwikkeling zijnde beleid is en welke doelen gesteld zijn voor 2004. In de verantwoording 2004 zal per rechtsgebied de stand van zaken worden weergegeven. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen departementale prestaties en voorstellen die ter parlementaire behandeling voorliggen.

Het zwaartepunt van de wetgevingsactiviteiten voor 2004 hangt samen met de afspraken, die zijn vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord. Daarnaast zal wetgeving tot stand moeten komen op terreinen die als beleidsprioriteit zijn aangemerkt alsook wetgeving die direct voortvloeit uit internationale verplichtingen. Deze wetgevingsactiviteiten hebben grofweg betrekking op de terreinen veiligheid, criminaliteitsbestrijding, immigratie en integratie, rechtspleging, rechtsbijstand en bestuursrecht. Het gaat om de volgende wetsvoorstellen (en amvb's), die in voorbereiding zullen worden genomen, reeds bij één van beide Kamers aanhangig zijn en in 2004 in werking zullen treden, dan wel bij de Tweede Kamer zullen worden ingediend.

Privaatrecht

Algemeen

De werkzaamheden op het gebied van de privaatrechtelijke wetgeving kunnen worden onderscheiden in:

• (Her)codificatie gericht op toegankelijkheid van de wet en praktische hanteerbaarheid, zoals de wetsvoorstellen voor het nieuwe verzekeringsrecht en voor een nieuw boek 10 (internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek;

• Aanpassing aan veranderde omstandigheden en opvattingen, zoals bijvoorbeeld de familierechtelijke en ondernemingsrechtelijke wetgeving;

• Bijdrage aan de internationale rechtsorde en de uitvoering van internationale verplichtingen.

Op het terrein van het privaatrecht zal in 2004 de aandacht bij voorrang gericht zijn op de tijdige uitvoering van Europese richtlijnen en verordeningen en de vervulling van taken in het kader van het EU-voorzitterschap. In voorbereiding zijn verschillende voorstellen voor nieuwe rechtsvormen die recht doen aan de verscheidenheid van ondernemingsactiviteiten. Meer flexibiliteit moet ook leiden tot lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Ook het insolventierecht zal, mede op basis van de diverse adviezen van de nieuwe commissie insolventierecht die tot medio 2007 uitgebracht worden, herijkt moeten worden.

Burgerlijk procesrecht

Gestreefd wordt naar een overzichtelijk en efficiënt burgerlijk procesrecht dat beantwoordt aan internationale eisen. In mei 2003 heeft de commissie van deskundigen die tot taak had bouwstenen aan te dragen voor een fundamentele herbezinning van het burgerlijk procesrecht haar interim-rapport «Een nieuwe balans» uitgebracht. Dit rapport zal de basis vormen voor een zorgvuldige gedachtewisseling met alle betrokken partijen (rechterlijke macht, advocatuur en vertegenwoordigers van rechtzoekenden) voor nieuwe wetgevingsinitiatieven. Inmiddels moeten reeds lopende wetgevingsprojecten voortgang vinden:

• Inwerkingtreding uitvoeringswet EU-bewijsverordening;

• Inwerkingtreding uitvoeringswet EU-Faillissementverordening;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel herroeping civiele zaken na uitspraak Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM);

• Inwerkingtreding aanpassing onderdelen burgerlijk procesrecht.

Aansprakelijkheidsrecht en verzekeringsrecht

In het kader van de herijking van het aansprakelijkheidsrecht wordt onderzocht of er goedkopere alternatieven zijn voor de huidige procedures en mechanismen om schade te verhalen. In 2004 zal de Commissie Tegemoetkoming bij rampen en calamiteiten advies uitbrengen: de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie kan dan ter hand worden genomen. Onderzocht wordt tevens of de vrees voor aansprakelijkheid negatieve effecten heeft op de handhaving van voorschriften. Op de agenda staan voorts:

• Inwerkingtreding nieuwe regeling verzekeringsovereenkomst (titel 7.17 BW);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel affectieschade;

• Parlementaire behandeling collectieve afwikkeling grote schades.

Aanpassing van de wet aan technologische ontwikkelingen

Technologische ontwikkelingen dwingen tot aanpassing in de wet. Van belang is dat de wet niet in de weg staat aan het gebruik van nieuwe communicatiemiddelen. Het wetgevingsprogramma op dit terrein is sterk internationaal geïnspireerd. In 2004 is voorzien:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel elektronische handel;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel auteursrecht in de informatiemaatschappij;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel aanpassing aan de WIPO-verdragen auteursrecht in de informatiemaatschappij;

• Parlementaire behandeling elektronisch rechtsverkeer in het vennootschapsrecht.

Vennootschapsrecht

Het kabinet streeft naar verbetering van het ondernemingsklimaat, vergroten van de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland en herstel van het vertrouwen in Nederlandse ondernemingen en ondernemingsbesturen.

Juist in moeilijke economische tijden moet Nederland zich profileren als vestigings- en ondernemingsland waarin grote en kleine ondernemingen goed en transparant bestuurd worden, er vertrouwen bestaat in de kracht en betrouwbaarheid van de financiële markt, het fiscale klimaat gunstig is en geprofiteerd kan worden van een goed aanbod van hooggekwalificeerde werknemers.

Het vertrouwen in de hier gevestigde ondernemingen is van groot maatschappelijk belang. Vertrouwen vereist onder meer een evenwichtige bevoegdheids- en verantwoordingsstructuur, betrouwbare financiële informatie en een effectief toezicht op die informatie. Boekhoudschandalen, beroering rond financiële beloningen en vertrekpremies en mislukte fusies laten zien dat de verantwoording van en controle op degenen die het beleid bepalen verbetering behoeft. Met erkenning en nadruk op de keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen moet de overheid ondersteunend zijn aan het herstel van het vertrouwen in het ondernemingsbestuur en het toezicht daarop, ook wel aangeduid als «corporate governance». Het kabinet zal daartoe een aantal kaders stellen.

Tot de factoren die bij de keuze van een vestigingsplaats door ondernemingen worden gewogen, behoort de juridische infrastructuur. De rechtspersoon, en daarbinnen de kapitaalvennootschap, wordt beschouwd als instrument voor die ondernemers. Het vennootschapsrecht moet dan ook tegemoet komen aan de gerechtvaardigde wensen van die ondernemers. Dat vereist een modernisering en vooral flexibilisering van het rechtspersonenrecht waarbij ook aandacht behoort te zijn voor het midden- en kleinbedrijf, waarop onze economie voor een belangrijk deel draait. Het kabinet zal daartoe onder meer de regels voor de personenvennootschap en de besloten vennootschap grondig moderniseren.

De versterking van de positie van aandeelhouders zal slechts vruchten afwerpen indien alle aandeelhouders ook daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld de algemene vergadering bij te wonen, kennis te nemen van de noodzakelijke informatie en hun stem uit te brengen in de algemene vergadering. Wettelijke maatregelen op het gebied van elektronische informatievoorziening en stemmen op afstand zijn dan ook noodzakelijk. Het kabinet bereidt wetgeving voor om het gebruik van moderne communicatietechnieken mogelijk te maken. Ook de mogelijkheden voor communicatie tussen aandeelhouders kunnen worden verbeterd. In Europees verband zal het kabinet zich actief inzetten voor het ontwerpen van een richtlijn betreffende grensoverschrijdend stemmen door aandeelhouders, mede met het oog op mogelijke onderhandelingen tijdens het Nederlandse voorzitterschap in de tweede helft van 2004.

Ten behoeve van de transparantie van de financiële verslaggeving van beursgenoteerde ondernemingen en de onderlinge vergelijkbaarheid van de financiële cijfers zijn hoogwaardige en internationaal geharmoniseerde verslaggevingsstandaarden nodig. Vanaf 2005 zijn beursgenoteerde ondernemingen op grond van Europese regelgeving verplicht hun geconsolideerde jaarrekening op te stellen aan de hand van de geharmoniseerde Internationale Financial Reporting Standards (IFRS) van de International Accounting Standards Board. Overwogen zal worden voor welke andere ondernemingen deze verplichting ook zal moeten gelden. Ook de Nederlandse jaarrekeningvoorschriften zullen worden gemoderniseerd, opdat kleinere ondernemingen die de IFRS niet gebruiken, niet op achterstand raken.

Op de Europese agenda staat het Actieplan corporate governance (grensoverschrijdend stemmen, internationale fusie en zetelverplaatsing, versoepeling kapitaalbescherming, verbetering informatie aan de aandeelhouders).

Gestreefd wordt naar:

• Inwerkingtreding wetsvoorstel structuurregeling;

• Inwerkingtreding versterking rol aandeelhouders topinkomens;

• Inwerkingtreding toepassing IAS-normen;

• Inwerkingtreding wijziging faillissementswet;

• Parlementaire behandeling aanpassing Wet schuldsanering natuurlijke personen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel personenvennootschap (titel 7.13 BW);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel uitvoering verordening Europese Vennootschap;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel modernisering jaarrekeningrecht (uitvoering EU-richtlijnen en verordening);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel toezicht op jaarrekeningen;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel jaarrekening verzekeraars;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel vereenvoudiging bv-recht;

• Indiening wetsvoorstel vergroting transparantie bezoldiging bestuurders en toezichthouders in de semi-publieke sector;

• Wettelijke regeling vaststelling bezoldigingsbeleid en goedkeuring optieregelingen door aandeelhouders;

• Wettelijke regeling ter ondersteuning van de naleving van o.m. een corporate governance code;

• Indiening wetsvoorstel toezicht accountants;

• Indiening wetsvoorstel flexibilisering ondernemingsrecht;

• Indiening wetsvoorstel stemmen op afstand;

• Indiening wetsvoorstel elektronische communicatiemiddelen.

Wetgeving over de positie van natuurlijke personen

Bij wetgeving over de positie van natuurlijke personen staan principes als het belang van het kind, het gelijkheidsbeginsel en het verantwoordelijkheidsbeginsel centraal.

• Inwerkingtreding Wet op Jeugdzorg;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel aanpassing huwelijksgoederenrecht;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel herziening stelsel kinderalimentatie;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel aanpassing mentorschap, curatele en bewind.

Gevolgen van internationale ontwikkelingen op het privaatrecht

Het privaatrecht staat onder sterke internationale invloed. In steeds sterkere mate moet rekening worden gehouden met internationale verhoudingen. De invloed doet zich niet alleen gelden op economisch terrein, maar ook op (rechts)gebieden die de positie van natuurlijke personen raakt. Aan een nieuw wetboek voor het internationaal privaatrecht (boek 10 BW) wordt gewerkt. In 2004 is de aandacht op de volgende onderwerpen gericht:

• Inwerkingtreding uitvoering vierde WAM-richtlijn;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel conflictenrecht adoptie;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel conflictenrecht geregistreerd partnerschap;

• Inwerkingtreding wetsvoorstel goedkeuring NGO-verdrag;

• Parlementaire behandeling uitvoeringswet binnenvaartverdrag;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel luchtvervoer/goedkeuring Verdrag van Montreal.

Staats- en bestuursrecht

Algemeen

De wetgeving op het terrein van het staats- en bestuursrecht heeft ten doel en is gericht op het onderhouden en verder uitbouwen van bestaande algemene en bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving. Dit houdt in:

• Modernisering van de genoemde wetgeving. Het gaat dan om aanpassing van wetgeving die is vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord of anderszins door de politieke leiding als prioriteit is aangemerkt en om aanpassing aan nationale en internationale jurisprudentie;

• Wijziging van wetgeving als gevolg van evaluatieonderzoek en onderzoeksrapporten;

• Uitvoering van internationale, in het bijzonder Europese, verplichtingen.

Deze doelstellingen worden hieronder uitgewerkt naar concrete wetgevingsvoornemens.

Veiligheid/criminaliteitsbestrijding/organisatie politie

De bevordering van de veiligheid in de samenleving vergt aanpassing van verschillende wetgeving op dit terrein. Het gaat dan om wetgeving die het voor de politie mogelijk maakt effectief op te treden door het scheppen van adequate bevoegdheden. Ook is het nodig dat de organisatie van de politie, zowel in nationaal opzicht als met het oog op internationale ontwikkelingen, zo is ingericht dat de politie zijn taken naar de eisen van de tijd kan vervullen. De volgende wetgevingsvoornemens strekken hiertoe.

• Parlementaire behandeling wijziging Wet wapens en munitie in verband met regeling internationale onderzoeksteams;

• Parlementaire behandeling van het voorstel voor een Wet op de bijzondere opsporingsdiensten (inclusief instelling functioneel Openbaar Ministerie (OM));

• Parlementaire behandeling wijziging Wet wapens en munitie (uitbreiding bevoegdheden preventief fouilleren);

• Parlementaire behandeling goedkeuringswet wijziging Europol-Overeenkomst (uitvoering Verdrag van Amsterdam).

Immigratie en integratie

Een volwaardige deelneming aan de samenleving en reële kansen op ontplooiing voor iedereen, ongeacht zijn of haar afkomst, vereist een daarop gericht integratiebeleid en in samenhang daarmee een restrictief vreemdelingenbeleid. De desbetreffende wetgeving dient dit mogelijk te maken. Wetgevingsvoornemens, waarvan de parlementaire behandeling een aanvang zal nemen of waarvan de parlementaire behandeling zal worden afgerond, zijn in dit verband:

• Wijzigingen van de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 met betrekking tot:

– Het halen van een inburgeringexamen als voorwaarde voor het verkrijgen van een definitieve verblijfstatus;

– Aanscherping van de mogelijkheden tot gezinsvorming en gezinshereniging, alsmede het stellen van een inkomenseis;

– Effectieve (biometrische) registratie;

– Afschaffing van het driejarenbeleid;

– Aanpassing van rechterlijke toetsing in bewaringszaken.

Daarnaast vallen nog te noemen:

• Parlementaire behandeling van verschillende terug en overnameovereenkomsten;

• Totstandkoming wijziging Vreemdelingenbesluit i.v.m. overheveling toelatingstaken;

• Inwerkingtreding wijziging Vreemdelingenwet i.v.m. implementatie richtlijn minimumnormen tijdelijke bescherming;

• Inwerkingtreding wijziging Vreemdelingenwet i.v.m. implementatie richtlijn verplichtingen vervoerders;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstellen tot wijziging Vreemdelingenwet i.v.m. implementatie van komende richtlijnen op de volgende terreinen:

– Gemeenschappelijke minimumnormen opvang asielzoekers;

– Minimumnormen asielprocedures;

– Onderlinge erkenning verwijderingbesluiten;

– Langdurig verblijf derdelanders;

– Gezinshereniging;

– Definitie vluchteling en subsidiaire vormen bescherming;

– Voorwaarden voor onderdanen derde landen om drie maanden te reizen in lidstaten c.a.;

– Verlenging tijdelijke verblijfsvergunning aan slachtoffers van mensensmokkel;

• Parlementaire behandeling van het nieuwe Wetsvoorstel Wet inburgering in verband met:

– Nederlands leren als voorwaarde voor toelating;

– Inburgeringsexamen voor bepaalde oudkomers.

Bestuursrecht

De wetgevingsvoornemens op het terrein van met name de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan in het teken van het streven naar een effectieve werking van deze wet en ter bevordering van vereenvoudiging van de geldende procedures voor het bestuur en de rechter. Andere voorstellen staan in het teken van de dejuridisering. Het betreft de volgende wetsvoorstellen.

• Parlementaire behandeling Wijziging Awb vierde tranche (bestuurlijke boetes en geldschulden);

• Inwerkingtreding aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure;

• Inwerkingtreding rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter (overslaan bezwaarschriftprocedure);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel samenhangende besluiten (procedurele coördinatie);

• Inwerkingtreding Wet elektronisch bestuurlijk verkeer;

• Parlementaire behandeling wet beroep tegen niet tijdig beslissen;

• Parlementaire behandeling wet bevordering definitieve geschilbeslechting;

• Parlementaire behandeling Algehele herziening onteigeningswet;

• Parlementaire behandeling herziening rechterlijke uitspraken na uitspraak EHRM;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel wijziging Awb (schadevergoeding en nadeelcompensatie).

Rechtspleging

Na de ingrijpende herziening van de rechterlijke organisatie op 1 januari 2002 zijn er nog enkele onderwerpen blijven rusten die als het sluitstuk van deze herziening kunnen worden beschouwd. Zij betreffen de volgende onderwerpen.

• Vaststelling wijziging Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel extern klachtrecht rechterlijke organisatie;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel rechtsbescherming en tuchtrecht zittende magistratuur;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel herziening rechterlijke functie en bezoldiging;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel flexibilisering van rechtspositionele wet- en regelgeving;

• Parlementaire behandeling wet belastingrechtspraak in twee instanties;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel veiligheidsonderzoeken ZM;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel wijziging Wet RO (uiterlijke kentekenen);

• Parlementaire behandeling wijziging Wet RO i.v.m. regeling gemeenschappelijk beheer;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel instelling rechtseenheidkamer (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, Centrale raad van beroep, College van beroep voor het bedrijfsleven);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel herverkaveling bestuursrechtspraak;

• Parlementaire behandeling wijziging Wet RO i.v.m. regeling nevenfuncties;

• Parlementaire behandeling wijziging Wet RO i.v.m. concentratie rechtsmacht;

• Inwerkingtreding Wet wijziging Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) in verband met toepasselijkheid Wet arbeid en zorg en Wet verbetering poortwachter.

Toegang rechtsbestel

Wetgevingsvoornemens op dit terrein betreffen wijzigingen van de Wet op het notarisambt en de Wet op de rechtsbijstand, die met name in het teken staan van evaluatie van deze wetten, alsmede voortvloeien uit beleidsvoornemens met betrekking tot een herijking van laatstgenoemde wet.

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt in verband met de evaluatie van de wet (o.a. herziening benoemingsvereisten);

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel wijziging Wet op het notarisambt houdende regeling notaris in loondienst;

• Inwerkingtreding Wet wijziging Wet op de rechtsbijstand (Evaluatiewet; TK, 27 553);

• Parlementaire afronding aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand aan het fiscaal inkomensbegrip;

• Parlementaire behandeling Algehele herziening van de Wet op de rechtsbijstand;

• Parlementaire afronding wijziging wet op de rechtsbijstand i.v.m. implementatie richtlijn grensoverschrijdende geschillen;

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel gerechtstolken en vertalers.

Overige

In de Tweede voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer m.b.t. het kansspelbeleid (TK, 24 036 en TK, 24 557, nr. 280) zijn verschillende voornemens opgenomen, waarvan de verwezenlijking bij elkaar genomen zal leiden tot een algehele herziening van de geldende wetgeving. Als wetgevingsvoornemens kunnen hier dan ook genoemd worden:

• Parlementaire behandeling integrale herziening van de Wet op de kansspelen;

• Afronding wijziging Kansspelbesluit.

De EU-Richtlijn bescherming persoonsgegevens geldt nu een aantal jaren. Uit de evaluatie van de richtlijn vloeit een wijziging van de richtlijn voort die zal moeten worden omgezet in nationale wetgeving. Dit zal leiden tot het volgende wetsvoorstel.

• Parlementaire behandeling wetsvoorstel i.v.m. implementatie wijziging richtlijn bescherming persoonsgegevens.

Straf- en sanctierecht

Algemeen

De doelen van wetgeving op het terrein van het straf- en sanctierecht kunnen als volgt worden omschreven:

• Bevordering van de efficiency van de strafprocedure en in het sanctierecht. In het licht van het Hoofdlijnenakkoord, waarin een effectievere aanpak van criminaliteit voorop staat en verbetering van de efficiency in alle onderdelen van de strafrechtelijke keten en in het licht van het programma «Naar een veiliger samenleving» (TK, 28 684, nr. 1) heeft deze doelstelling in het programma van de straf- en sanctierechtelijke wetgeving de hoogste prioriteit.

• Modernisering van genoemde wetboeken en bijzondere wetten. Dit is een veelomvattende doelstelling. Beoogd worden bij voorbeeld aanpassingen aan technologische ontwikkelingen, aanpassingen voortvloeiende uit veranderingen van opvatting of aanpassingen in verband met (Straatsburgse) jurisprudentie, zoals ook blijkt uit het onderzoek Strafvordering 2001. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot verbetering van opsporingsbevoegdheden. Concrete voorbeelden hiervan zijn veelvuldig: DNA-regelgeving, gegevensvergaring in de informatiemaatschappij, maar bijvoorbeeld ook de verlenging van de verjaringstermijn van levensdelicten, en het wetsvoorstel strafmaxima.

• Het op orde houden van de Wetboeken van Strafvordering en Strafrecht, alsmede van bijzondere wetten, zoals de Penitentiaire en andere Beginselenwetten. Wijzigingen die bij voorbeeld voortvloeien uit evaluatie van wetgeving vallen hieronder. Voorts ook wijzigingen die zien op het behoud van de consistentie tussen en binnen de wetboeken. Een concreet voorbeeld betreft een aantal aanpassingen van de penitentiaire beginselenwetten.

• Bijdragen aan de internationale rechtsorde en uitvoering van internationale verplichtingen. Een omvangrijk deel van de werkzaamheden op het terrein van het straf- en sanctierecht bestaat uit bijdragen aan de totstandbrenging van bindende internationale instrumenten, zoals verdragen en kaderbesluiten. Daarnaast zal deze regelgeving moeten doorwerken in de nationale rechtsorde en daartoe uitgevoerd dienen te worden. Daarmee toont Nederland zich op het terrein van het straf- en sanctierecht een op internationale samenwerking gerichte partner.

In het onderstaande worden deze doelstellingen naar concrete wetsvoorstellen uitgewerkt. Dit overzicht is niet uitputtend. Omdat het bevorderen van de efficiency in de strafprocedure en in het sanctierecht, gelet op de noodzaak van een effectievere aanpak van de criminaliteit, de hoogste prioriteit heeft, wordt deze doelstelling in het onderstaande als eerste uitgewerkt.

Bevordering van de efficiency in de strafprocedure en in het sanctierecht

Onderstaande wetsvoorstellen vloeien alle voort uit het Veiligheidsprogramma en uit het programma inzake de modernisering van de sanctietoepassing.

• Strafprocesrecht

Onderstaande wetsvoorstellen beogen vooral de zittende magistratuur te ontlasten door de strafprocedure efficiënter in te richten en door buitengerechtelijke afdoening van zaken, als de in het geding zijnde belangen dat toelaten te bevorderen. Het wetsvoorstel OM-afdoening beoogt voorts de huidige transactie zo te modelleren dat zij executabel wordt. Het wetsvoorstel elektronische aangifte beoogt wettelijke drempels voor deze vorm van aangifte weg te nemen.

Met uitzondering van het wetsvoorstel ter stroomlijning van de strafprocedure in hoger beroep en van het verzet, waarvoor eerst een werkgroep aan de slag is, die haar werkzaamheden in de tweede helft van 2003 afrondt, wordt gestreefd naar indiening en voor zover mogelijk, parlementaire behandeling van onderstaande wetsvoorstellen.

– Wetsvoorstel herziening betekeningsvoorschriften;

– Wetsvoorstel stroomlijning van de strafprocedure in hoger beroep en verzet;

– Wetsvoorstel invoering telehoren;

– Wetsvoorstel elektronische aangifte;

– Wetsvoorstel OM-afdoening;

– Wetsvoorstel uitbreiding transactiemogelijkheden;

– Wetsvoorstel aanpassingen voorlopige hechtenis;

– Wetsvoorstel vereenvoudigde bewijsmotivering bekennende verdachten;

– Wetsvoorstel horen van getuigen en aanverwante onderwerpen;

– Wetsvoorstel doorzoeking buiten gerechtelijk vooronderzoek.

• Materieel strafrecht

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van het hieronder eerstgenoemde wetsvoorstel op 1 januari 2004 of aan het begin van dat jaar afgerond te hebben. In 2004 kan indiening van het tweede wetsvoorstel verwacht worden.

– Wetsvoorstel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;

– Wetsvoorstel tot wijziging van het jeugdstrafrecht in verband met de invoering van een opvoedingsmaatregel.

• Penitentiair en sanctierecht

De onderstaande wetsvoorstellen beogen de wettelijke grondslag te bieden voor vergroting van efficiency in het gevangeniswezen.

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van onderstaande wetsvoorstellen in 2004 te doen plaatsvinden.

– Wetsvoorstel meervoudige celcapaciteit;

– Wetsvoorstel doorplaatsen in eerste aanleg veroordeelden;

– Wetsvoorstel elektronische detentie.

• Bijzondere wetgeving: Identificatieplicht

– Parlementaire behandeling wetsvoorstel uitgebreide identificatieplicht.

Modernisering van de Wetboeken van Strafvordering, Strafrecht en bijzondere wetten

• Strafprocesrecht

Onderstaande wetsvoorstellen beogen vooral de erkenning van het slachtoffer als deelnemer aan het strafproces en aanpassing van de wetboeken aan technologische ontwikkelingen. Beoogd wordt in 2004 de parlementaire behandeling van onderstaande wetsvoorstellen te doen plaatsvinden.

– Wetsvoorstel positie van het slachtoffer in het strafproces;

– Wetsvoorstel verplichte aids-test;

– Wetsvoorstel gegevensvergaring in de informatiemaatschappij;

– Wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie;

– Wetsvoorstellen tot goedkeuring en uitvoering van het protocol bij de EU-Rechtshulpovereenkomst inzake informatieplichten van financiële instellingen;

– Wetsvoorstel computercriminaliteit II;

– Nota van wijziging bij wetsvoorstel computercriminaliteit II in verband met uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa inzake Crime in cyberspace;

– Wetsvoorstel verstrekking strafrechtelijke gegevens door het OM aan derden.

• Materieel strafrecht

Doel van de onderstaande wetsvoorstellen is de aanpassing van de strafmaxima aan een andere waardering van bepaalde strafbare feiten, behoud van de consistentie tussen de verschillende strafmaxima in het Wetboek van Strafrecht, verhoging van de strafmaxima van bepaalde delicten, indien zij met een terroristisch oogmerk worden gepleegd en ten slotte verlenging van de termijnen van vervolgingsverjaring.

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van onderstaande wetsvoorstellen in 2004 te doen plaatsvinden.

– Wetsvoorstel tot verhoging van strafmaxima voor bepaalde delicten, alsmede indexering van de geldboetecategorieën en verruiming van de strafmaxima bij recidive;

– Wet terroristische misdrijven;

– Wetsvoorstel verhoging strafmaat structurele discriminatie;

– Wetsvoorstel verjaringsregeling.

• Bijzondere wetgeving: Wet politieregisters, DNA-onderzoek bij veroordeelden

Een effectievere aanpak van criminaliteit is gebaat met een goed gevulde DNA-databank. Het wetsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden beoogt daaraan een substantiële bijdrage te leveren.

Met een nieuwe Wet politieregisters wordt beoogd onnodige belemmeringen in de informatie-uitwisseling binnen de politie en tussen de politie en derden, die een effectieve aanpak van de criminaliteit bemoeilijken, weg te nemen.

Beoogd wordt de indiening van het hieronder eerstgenoemde wetsvoorstel en de parlementaire behandeling van het tweede wetsvoorstel in 2004 te doen plaatsvinden.

– Wetsvoorstel herziening Wet politieregisters;

– Wetsvoorstel DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Wijzigingen die voortvloeien uit de evaluatie van regelgeving

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van onderstaande wetsvoorstellen in 2004 te doen plaatsvinden.

– Wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en het jeugdstrafrecht;

– Wijzigingen van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (zelfbindingscontract en klachtenregeling).

Uitvoering van internationale regelgeving

Beoogd wordt de parlementaire behandeling van de eerste zes voorstellen en indiening van het zevende voorstel in 2004 te doen plaatsvinden.

– Goedkeuring en uitvoering van de EU-rechtshulpovereenkomst in strafzaken;

– Uitvoering van het EU-kaderbesluit inzake het Europees aanhoudingsbevel;

– Uitvoering van het EU-kaderbesluit inzake beslissingen tot bevriezing van vermogensbestanddelen of bewijsstukken;

– Uitvoering van de EU-kaderbesluiten inzake mensensmokkel en mensenhandel;

– Uitvoering van het EU-kaderbesluit fraude niet-chartaal geldverkeer;

– Goedkeuring van het VN-verdrag inzake transnationale georganiseerde criminaliteit;

– Uitvoering van het EU-kaderbesluit milieu en strafrecht.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie van de verstekregeling in strafzakenafgerond in 2003
  
De gekozen achternaam: betekenis en gebruik van de wijziging van artikel 5 van het Burgerlijk Wetboekafgerond in 2003
  
Een onderzoek naar de doeltreffendheid en effecten van artikel 1 en 2 van de Algemene Wet op het binnentredenafgerond in 2003
  
Het functioneren van de bijzondere curator ex. art. 1:250 BW en de mogelijkheden van een formele rechtsingang voor minderjarigenafgerond in 2003
  
Evaluatie van de praktijk melding en toetsing euthanasieafgerond in 2003
  
Evaluatie nieuwe beroepsprocedure studiefinancieringafgerond in 2003
  
Evaluatie van de Wegenverkeerswetafgerond in 2003
  
Tweede evaluatie Algemene wet bestuursrechtafgerond in 2003

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 2.1.1       
        
uitgaven8 1138 1137 9727 9447 8797 7587 758
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven8 1138 1137 9727 9447 8797 7587 758
        
ontvangsten456000000
        
verplichtingen7 1178 1137 9727 9447 8797 7587 758

Beleidsartikel 2.2 Wetgevingskwaliteitsbeleid

Met kwaliteit van wetgeving wordt bedoeld dat wetgeving voldoet aan eisen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid, doorzichtigheid, consistentie, proportionaliteit, effectiviteit en efficiency, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Omdat de maatschappelijke omstandigheden in permanente ontwikkeling zijn moet wetgeving mee ontwikkelen en moeten de algemene criteria steeds opnieuw tot gelding worden gebracht.

Beleidsdoelstelling 2.2

Het bevorderen van de kwaliteit van de wetgeving.

Om het bevorderen van de kwaliteit van wetgeving te kunnen bereiken wordt ontwerpregelgeving – zoals wetten en algemene maatregelen van bestuur – getoetst op kwaliteitscriteria. Daarnaast worden elk jaar (in het kader van het programma «Beter bestuur voor burger en bedrijf») wetgevingscomplexen geselecteerd die op hun actuele functionaliteit worden onderzocht. De kwaliteit van wetgeving wordt overigens bevorderd door te zorgen dat het proces van voorbereiding zo goed mogelijk is ingericht en dat de ontwerpers de nodige hulpmiddelen ter beschikking staan. Door de instandhouding van vaste interdepartementale overlegstructuren wordt continuering van de zorg voor kwaliteitsaspecten gewaarborgd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 2.2       
        
uitgaven6 4209 1226 5594 4763 8913 8603 860
        
ontvangsten133000000
        
verplichtingen10 7669 1226 5594 4763 8913 8603 860

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 2.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 6 559 4 476 3 891 3 860 3 860
waarvan:          
– personeel en materieel 2 571 2 175 2 086 2 182 2 182
– beleid 3 988 2 301 1 805 1 678 1 678
waarvan:          
a. juridisch verplicht79,0%3 15154,0%1 24315,0%2710,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden1,0%402,0%472,0%372,9%492,9%49
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)20,0%79744,0%1 01183,0%1 49797,1%1 62997,1%1 629
           
Totaal uitgaven beleid100,0%3 988100,0%2 301100,0%1 805100,0%1 678100,0%1 678

Operationele doelstelling 2.2.1

Het bevorderen van de rechtsstatelijke kwaliteit van de regelgeving door toetsing van alle voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur voorafgaande aan de behandeling in de ministerraad, alsmede voor nota's van wijziging met inhoudelijke betekenis, voorafgaande aan indiening bij de Tweede Kamer.

Met de toetsing van ontwerpregelgeving wordt beoogd deze in overeenstemming te brengen met de kwaliteitscriteria die zijn neergelegd in de nota's «Zicht op wetgeving» (TK, 22008, nr. 2) en «Wetgevingskwaliteitsbeleid» (TK, 27 475, nr. 2): rechtmatigheid en verwerkelijking van rechtsbeginselen, subsidiariteit en proportionaliteit, doeltreffendheid en doelmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, onderlinge afstemming en eenvoud, duidelijkheid en toegankelijkheid. Met uitzondering van begrotingswetten en goedkeuringswetten bij verdragen worden alle wetsvoorstellen en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur aan Justitie ter toetsing voorgelegd. In 2004 zullen wederom circa 450 toetsingsdossiers worden aangeboden. De resultaten van de toetsing worden in een databank geregistreerd, gerubriceerd aan de hand van de genoemde kwaliteitseisen. In 2004 zal een vernieuwde versie van deze databank worden ingevoerd, waarin de gemaakte opmerkingen ook in zwaarte gecategoriseerd kunnen worden. Dit faciliteert de meting van de voor de toetsing geformuleerde prestatie-indicatoren.

De toetsing van nota's van wijziging, waarmee in 2001 is gestart vindt op dezelfde grondslag plaats als de toetsing van de ontwerpregelgeving. De eigen signalering van voorgenomen nota's van wijziging die getoetst moeten worden, zal verder worden versterkt. Naar verwachting zullen in 2004 circa 25 nota's van wijziging ter toetsing worden voorgelegd. Het streven is er op gericht om voor alle aangeboden ontwerpregelgeving binnen de afgesproken termijn vóór de behandeling in de ministerraad – en bij nota's van wijziging vóór de beoogde datum van indiening – overeenstemming te krijgen over aanpassingen die nodig zijn om deze in overeenstemming te doen zijn met de genoemde kwaliteitseisen.

In 2003 is mede naar aanleiding van de herstructurering van de toetsing van voorgenomen regelgeving op effecten voor bedrijfsleven, milieu en uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (Bedrijfseffectentoets (BET), Milieu-Effecten Toets (MET) en Uitvoerbaarheids- en Handhaafbaarheidstoets (U&H)) een wetgevingsrapport ingevoerd. Dit rapport wordt aan het desbetreffende ministerie uitgebracht na afronding van de toetsing en bevat een korte weergave van de bevindingen in de toetsing. Indien over een dossier geen overeenstemming is bereikt, wordt het wetgevingsrapport met de stukken meegezonden naar de onderraad of ministerraad. Hiermee worden de uitkomsten van het toetsingsproces ook voor de politieke besluitvorming inzichtelijk gemaakt. Deze praktijk zal in 2004 worden voortgezet. Met genoemde herstructurering is ook de ex- ante beoordeling van regelgeving op effecten voor uitvoerende en handhavende instanties (inclusief het OM en de rechterlijke macht) versterkt, in die zin dat deze nu al eerder in het proces plaatsvindt in het kader van een zogenoemde quick scan van regelgevingsvoornemens. Ook deze werkwijze wordt voortgezet.

Beleidsevaluatieonderzoek

De resultaten van de toetsing van ontwerpregelgeving zullen jaarlijks worden geëvalueerd. Het verslag van deze evaluatie zal input bieden voor de jaarlijks met de ministeries te voeren gesprekken over de wetgevingstoetsing. Voorts zal het verslag worden besproken in het Interdepartementaal wetgevingsberaad en de Interdepartementale Commissie voor Constitutionele aangelegenheden en Wetgevingsbeleid (ICCW), om onderwerpen te identificeren die zich lenen voor (interdepartementale) uitwerking in het wetgevingskwaliteitsbeleid.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 2.2.1       
        
uitgaven8031 0471 0441 0451 0371 0261 026
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven8031 0471 0441 0451 0371 0261 026
        
ontvangsten40000000
        
verplichtingen7791 0471 0441 0451 0371 0261 026

Operationele doelstelling 2.2.2

Het doorlichten van wetgevingscomplexen op belasting door regels voor burgers en bedrijfsleven en het beperken van administratieve lasten in regelgeving en de uitvoering daarvan.

Beoogd wordt wetgevingscomplexen projectsgewijs in overeenstemming te brengen met actuele maatschappelijke behoeften en daarbij te laten voldoen aan algemene kwaliteitscriteria. Er moet een nieuwe balans tussen overheid en samenleving worden gevonden. Daartoe moeten nieuwe wetgevingsconcepten worden ontwikkeld, met behulp waarvan zowel overheid als burgers verantwoordelijkheid in het publieke domein kunnen nemen. Het overheidsoptreden zal daardoor aan effectiviteit en geloofwaardigheid kunnen winnen. Het gebruik en de ontwikkeling van nieuwe overheidsinstrumenten, die gebruik maken van zelfregulerende vermogens in de samenleving, neemt daarbij een belangrijke plaats in. De onderwerpen kunnen op de terreinen van alle departementen liggen. De keuze van de onderwerpen komt tot stand in overleg met uitvoeringsorganisaties, belangenbehartigers en door middel van raadpleging van burgers en bedrijven. In samenwerking met de andere departementen zal hiervoor een programma worden ontwikkeld.

In het Hoofdlijnenakkoord is een doelstelling voor vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven opgenomen van 25% per 2007 ten opzichte van de situatie per ultimo 2002. Justitie heeft in 2001 een nulmeting laten verrichten om het totaal aan administratieve lasten uit Justitieregelgeving in kaart te brengen. Op basis van deze nulmeting is een actieprogramma opgesteld met concrete projecten ter vermindering van lasten uit bestaande wetgeving. Een gedeelte van dit actieprogramma is uitgevoerd. Gelet op het nieuwe peiljaar voor de reductiedoelstelling zoals verwoord in het Hoofdlijnenakkoord, zal de nulmeting naar de stand van 2002 moeten worden geactualiseerd. Daarin zullen enkele wetten waarvoor nog geen nulmeting was verricht (Wet Bibob, Wet bescherming persoonsgegevens) worden meegenomen.

In 2004 zullen een aantal ICT-toepassingen worden ingevoerd of uitgebreid ter vermindering van administratieve lasten op Justitieterrein. In dit kader lopen de volgende projecten:

• Afhandeling via elektronische weg van aanvraag verklaring van geen bezwaar bij oprichting BV;

• Herziening van werkprocessen particuliere beveiliging, wapens en munitie en buitengewoon opsporingsambtenaar en bezien welke dienstverlening van Justitie aan de burger via internet kan verlopen;

• Inrichting Bureau Bibob; dit bureau voert de Wet bevordering integere besluitvorming openbaar bestuur uit. Dit behelst onder meer het nagaan van antecedenten van vergunningaanvragers en bedrijven in aanbestedingsprocedures ten behoeve van het bevoegd gezag;

• Vervanging systemen Raad voor de rechtsbijstand.

Acties ten aanzien van bestaande wet- en regelgeving

Ten aanzien van bestaande wetgeving van Justitie lopen nog de volgende projecten:

• Modernisering faillissementswetgeving; hiervoor wordt een Commissie Insolventierecht ingesteld, die de regering zal adviseren over inrichting van deze regelgeving;

• Vereenvoudiging van de Wet schuldsanering natuurlijke personen naar aanleiding van de evaluatie daarvan;

• Wijziging Wet op de rechtsbijstand (wetsvoorstel VIValt); invoering van het begrip verzamelinkomen als basis voor rechtsbijstandaanvragen en koppeling met sofinummer, waardoor gegevens van de Belastingdienst gebruikt kunnen worden;

• Wet bescherming persoonsgegevens;

• Jaarrekeningrecht: afschaffing eis van het fysiek deponeren van jaarrekeningen (elektronische publicatie);

• Wet op de kansspelen: algehele herziening van de wet, mede gericht op lastenvermindering.

Naast deze acties ten aanzien van bestaande wetgeving, zal van nieuwe regelgeving of bij wijziging in regelgeving steeds worden gekwantificeerd wat de invloed is op reductie of stijging van administratieve lasten. Overigens zal de lastenvermindering steeds moeten worden afgezet tegen andere beleidsdoelen of belangen, zoals veiligheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Beleidsevaluatieonderzoek

De Marktwerking Deregulering Wetgevingskwaliteit (MDW)-projecten, die over een aantal jaren tot en met 2002 onder operationele doelstelling 2.2.2 zijn uitgevoerd, hebben geleid tot een besparing van administratieve lasten, alsmede tot tal van kwalitatieve verbeteringen in de regelgeving. Dit omdat zij betrekking hebben op de transparantie en consistentie van regelgeving, die is bevorderd door de ontwikkeling en toepassing van beleidskaders en door harmonisatie, vereenvoudiging, afschaffing en samenvoeging van wettelijke regelingen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 2.2.2       
        
uitgaven644498495496490481481
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven644498495496490481481
        
ontvangsten40000000
        
verplichtingen620498495496490481481

Operationele doelstelling 2.2.3

Het vergemakkelijken en verbeteren van de voorbereiding van regelgeving.

Beoogd wordt de voorbereiding van regelgeving te vergemakkelijken en te verbeteren door het in stand houden van netwerken van wetgevingsjuristen werkzaam bij de rijksoverheid en de Raad van State, het ontwikkelen van gereedschappen voor de wetgevingspraktijk en het verzamelen, ontwikkelen en verspreiden van kennis. In dit verband wordt onder meer een Kenniscentrum Wetgeving (KCW) in stand gehouden. Met het oog op het realiseren van dit doel heeft het KCW een website ingericht waarop een «Wie Weet Wat» van wetgevingsjuristen is te vinden en waar een gereedschapskist voor de wetgevingsjurist wordt geboden. De ontwikkeling van deze site, zowel in termen van gebruikersvriendelijkheid als van inhoud, blijft voortgaan. Gewerkt wordt aan een site die samenwerking tussen wetgevingsjuristen onderling en met externen vergemakkelijkt. Dat vergt beheerswerkzaamheden en een actief communicatiebeleid. Het streven is dat alle wetgevingsjuristen de site kennen en dat de site gemiddeld vier maal per wetgevingsjurist jaarlijks wordt bezocht. Bijgehouden wordt welke onderdelen van de site bezocht worden en welke onderdelen worden gedownload. Deze cijfers worden gebruikt om nader inzicht te krijgen met het oog op de ontwikkeling van de site. In het kader van de «forumfunctie» houdt het KCW een zestal kenniskringen. Kenniskringen zijn kleinschalig, dat wil zeggen voor maximaal 15 personen. Daarnaast worden diverse projecten uitgevoerd betreffende het proces en de inhoud van het wetgevende werk. Die projecten worden door de interdepartementale Programmaraad vastgesteld.

De in 2004 te ondernemen activiteiten zijn:

• Het uitvoeren van projecten en ontwikkeling van instrumenten;

• Het instandhouden van de KCW-website;

• Het organiseren van bijeenkomsten;

• Het instandhouden van een zogenoemde mailinglist waarmee groepsdiscussies onder experts kunnen worden gevoerd.

De prestaties zullen worden geëvalueerd door het verzamelen van statistische informatie over het gebruik en door klanttevredenheidsonderzoek.

De Academie voor Wetgeving is in september 2003 aan zijn derde jaar begonnen. Een nieuwe lichting van pas afgestudeerde wetgevingsjuristen is tot de opleiding toegelaten. In het seizoen 2002–2003 is een begin gemaakt met het aanbieden van opleidingen voor zittende wetgevingsjuristen. Daarvan hebben ongeveer 150 zittende wetgevingsjuristen gebruik gemaakt. In 2004 werkt de Academie op grond van een nieuw businessplan en de in 2003 uitgevoerde evaluatie; vanaf dat jaar geldt ook een nieuwe financieringsstructuur in verband met de aflopende startsubsidie van het ministerie van BZK.

Met de Rijksuniversiteit Limburg is Justitie overeengekomen twee deeltijdleerstoelen te vestigen. De leerstoelen zijn voor onderwijs en onderzoek in respectievelijk de relatie tussen Europees recht en nationaal en decentraal bestuursrecht en Wetgevingskwaliteit. De leerstoelen zijn in 2003 bezet; onderwijs en onderzoek zullen in 2004 daadwerkelijk op gang zijn gekomen.

Om het interdepartementale overleg over wetgevingsvraagstukken te bevorderen en continuering van de zorg voor kwaliteitsaspecten te waarborgen wordt de Interdepartementale Commissie voor Constitutionele aangelegenheden en Wetgevingsbeleid (ICCW) in stand gehouden. De ICCW heeft een tweeledige functie. Het is in de eerste plaats een forum voor wetgevingsvraagstukken en andere aspecten van algemeen wetgevingsbeleid. Bij de uitoefening van deze taak wordt de ICCW ondersteund door een vaste subcommissie, het Interdepartementaal wetgevingsberaad (IWB). In de tweede plaats fungeert de ICCW als voorportaal voor de Raad voor de Rechtsorde en het Openbaar Bestuur.

Het IWB dient ook als forum voor de ontwikkeling en actualisatie van gereedschappen voor de wetgevingsjurist, zoals de bindende Aanwijzingen voor de regelgeving en elektronische hulpmiddelen als LEDA (computerondersteund wetgeven). In 2004 wordt dit voortgezet en worden deze gereedschappen verder ontwikkeld en geactualiseerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 2.2.3       
        
uitgaven4 6496 4834 3672 3832 1092 1062 106
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven4 6496 4834 3672 3832 1092 1062 106
        
ontvangsten40000000
        
verplichtingen8 5226 4834 3672 3832 1092 1062 106

Operationele doelstelling 2.2.4

Het bijdragen aan de inzet van Nederland als lidstaat aan de verbetering van de kwaliteit van Europese regelgeving en aan een juridisch juiste doorwerking van het Europese recht in de Nederlandse rechtsorde.

Het belangrijkste instrument om invulling te geven aan deze doelstelling is de Interdepartementale Commissie Europees Recht (ICER) die op uitvoering van deze doelstelling is gericht. Vrijwel alle departementen dragen regelmatig bij aan het werk van de ICER, maar de meerderheid van de productie komt van het secretariaat. Zowel secretariaat als voorzitterschap worden behartigd door de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken gezamenlijk. Mede via de drie (eveneens interdepartementaal samengestelde) subcommissies van de ICER (voor hofzaken, voor implementatie en voor notificatie) wordt ter uitvoering van de taak jaarlijks ongeveer het volgende geproduceerd:

• Analyse van (de relevantie van) de uitspraken van het Europese Hof en van het Gerecht in eerste aanleg. Van de belangrijkste (15 tot 25) arresten worden voor de betrokken ministers zogenoemde «fiches» gemaakt waarin onder andere de gevolgen van het arrest voor Nederlands beleid en/of regelgeving wordt geanalyseerd;

• Nieuwe voorstellen van de Commissie worden beoordeeld op de wenselijkheid van vaststelling van een Europeesrechtelijk advies;

• Drie tot vijf grote adviezen over meer fundamentele Europeesrechtelijke vraagstukken. Eerder betrof dat de Europeesrechtelijke aspecten van een nieuw zorgstelsel, de relatie tussen strafrecht en pijlerstructuur of de wijze waarop decentrale overheden om moeten gaan met spanningen tussen nationale en Europese verplichtingen;

• Tien tot twintig kleinere adviezen;

• Ondersteuning van onderhandelaars en wetgevingsjuristen door het ontwikkelen van handleidingen, e.d.

Kwalitatieve gebreken in Europese regelgeving werken vrijwel één op één op de nationale rechtsorde. Nederland stelt zich daarom actief op bij de totstandkoming van concrete voorstellen voor kwaliteitsverbetering op communautair niveau. Ontwerpteksten in het kader van de Conventie zijn eveneens bezien op wetgevingskwaliteitsaspecten.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 2.2.4       
        
uitgaven3241 094653552255247247
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven3241 094653552255247247
        
ontvangsten13000000
        
verplichtingen8451 094653552255247247

3 – PREVENTIE EN RECHTSHANDHAVING

Beleidsartikel 3.1 Preventie

Beleidsdoelstelling 3.1

Een veilige Nederlandse samenleving door de toepassing van preventieve maatregelen tegen criminaliteit.

Justitie streeft een veilige samenleving na. Een belangrijke doelstelling van het beleid is om de criminaliteit te verlagen, of in ieder geval niet te laten stijgen. Criminaliteit wordt het meest effectief aangepakt door een combinatie van preventieve en repressieve maatregelen (opsporing, vervolging en sancties). Het onderwerp van deze beleidsdoelstelling zijn de preventieve maatregelen. Met het perspectief van een veilige samenleving schept Justitie voorwaarden voor een effectieve preventieve aanpak van criminaliteit. Daarbij richt Justitie zich op het vergroten van het zicht op en inzicht in specifieke vormen van criminaliteit, een adequate wet- en regelgeving, de ontwikkeling en implementatie van effectieve preventieve maatregelen en het vergroten van deskundigheid van en de samenwerking tussen relevante partners bij de uitvoering van preventieve maatregelen. De preventieve aanpak van Justitie richt zich in het bijzonder op geweld (in het privé-domein, in het publiek domein en op de werkplek/school), het bedrijfsleven (als dader en als slachtoffer van criminaliteit), de lokale en regionale aanpak van criminaliteit, en op jeugdcriminaliteit.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 3.1       
        
uitgaven19 34329 99320 84321 97619 92318 77518 775
        
ontvangsten8 99315 8039280000
        
verplichtingen17 53729 99320 84321 97619 92318 77518 775
waarvan:       
– garanties135227227227227227227

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 3.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 20 843 21 976 19 923 18 775 18 775
waarvan:          
– personeel en materieel 2 639 2 642 2 642 2 639 2 639
– beleid 18 204 19 334 17 281 16 136 16 136
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden70,0%12 74370,0%13 53465,0%11 23365,0%10 48865,0%10 488
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)30,0%5 46130,0%5 80035,0%6 04835,0%5 64835,0%5 648
           
Totaal uitgaven beleid100,0%18 204100,0%19 334100,0%17 281100,0%16 136100,0%16 136

Operationele doelstelling 3.1.2

Een veilige Nederlandse samenleving door toepassing van instrumenten die de gelegenheid beperken om strafbare feiten te plegen binnen, of door misbruik te maken door middel van, een rechtspersoon of organisatie.

Toelichting

Rechtspersonen en organisaties lijden schade door medewerkers of leidinggevenden die daarbinnen criminaliteit plegen (zoals interne fraude, diefstal van bedrijfsgoederen). Ook kunnen rechtspersonen en organisaties misbruikt worden als middel om criminaliteit te plegen (zoals faillissementsfraude). In het zakelijke verkeer tussen natuurlijke personen, rechtspersonen en overheidsorganen bestaat in toenemende mate behoefte om elkaars integriteit te kunnen beoordelen. Het Bureau BIBOB (Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur) bijvoorbeeld toetst ten behoeve van bestuursorganen de integriteit van betrokken partijen bij subsidies, vergunningen en aanbestedingen. Justitie legt de nadruk op instrumenten die gericht zijn op vennootschappen, op nieuwe werknemers in een gevoelige functie en op de integriteit van het openbaar bestuur bij het aangaan van relaties met bedrijven. Het gaat daarbij om het snel en adequaat screenen van de integriteit van personen die een vennootschap willen oprichten (de Verklaring van Geen Bezwaar); het snel en adequaat screenen van de integriteit van personen die een arbeidsrelatie in een gevoelige functie willen aangaan (de Verklaring Omtrent het Gedrag) en het snel en adequaat adviseren en informeren van bestuursorganen omtrent de integriteit van de door hen in te schakelen bedrijven (het BIBOB-advies).

Prestatiegegevens

Justitie streeft ernaar deze instrumenten snel, adequaat en systematisch toe te passen. Voor «snel» wordt de doorlooptijd als maat gehanteerd; voor «adequaat» een maximum percentage gegrond verklaarde klachten en bezwaar- en beroepszaken; voor «systematisch» het bereik binnen de doelgroep.

De nagestreefde doorlooptijden zijn vermeld in de tabel. De maximum percentages voor gegrond verklaarde klachten, bezwaar- en beroepszaken zijn voor:

• De Verklaring Omtrent het Gedrag 5%;

• De Verklaring van Geen Bezwaar 1%;

• De BIBOB-adviezen 5%.

Er is sprake van systematische toepassing wanneer de doelgroep van een instrument deze ook daadwerkelijk benut. Voor de Verklaring van Geen Bezwaar is dat per definitie het geval (zonder deze verklaring kan geen vennootschap worden opgericht). Voor de Verklaring Omtrent het Gedrag en voor het BIBOB-advies moet deze prestatie-indicator nog worden ontwikkeld.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Verklaring geen bezwaar inzake nieuwe statuten en wijziging statuten vennootschappen       
Aantal beslissingen70 35968 50068 50068 50068 50068 50068 500
Doorlooptijd schriftelijk: % binnen 6 dagen95959595959595
Doorlooptijd elektronisch: % binnen 48 uur87959595959595
        
Garantstellingsregeling faillissementscuratoren       
Aantal beslissingen op nieuwe aanvragen58606060606060
Doorlooptijd: % binnen 2 weken75959595959595
        
Bevragingen van het CIR (Centraal Insolventie Register)       
Aantal informatieverstrekkingen025 00050 00050 00050 00050 00050 000
        
Aanvragen BIBOB-advies       
Aantal adviezen0250500500500500500
Doorlooptijd: % binnen 4 weken959595959595
        
Aanvragen Verklaring omtrent het Gedrag       
Aantal beslissingen0124 000175 000260 000260 000260 000260 000
Doorlooptijd: % binnen 4 weken 959595959595

Toelichting

Zowel de Wet VOG als de wet BIBOB zijn in 2003 pas in werking getreden. Voor VOG zal in 2005 een stabiel niveau van aanvragen zijn bereikt.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie van de Wet Particuliere Beveiligingsorganisatiesafgerond in 2003
  
Voorstudie evaluatie Wet BIBOBafgerond in 2003

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.1.2       
        
uitgaven9 03011 137229229229229229
programma-uitgaven9 03011 137229229229229229
waarvan:       
– bijdragen00229229229229229
apparaatsuitgaven0000000
        
ontvangsten8 83715 8039280000
        
verplichtingen8 42411 137229229229229229
waarvan:       
– garanties135227227227227227227

Toelichting

De uitgaven dalen in 2004 naar € 229 000 omdat het betreffende organisatie-onderdeel per 1 januari 2004 een agentschap van het ministerie van Justitie is en een bijdrage vraagt van de afnemers. Dit is ook de reden van de dalende ontvangsten op dit artikel. Uit de ontvangsten wordt het betreffende agentschap gefinancierd.

VBTB-paragraaf

Voor de instrumenten BIBOB-advies en Verklaring Omtrent het Gedrag zijn wel de prestatie-indicatoren «snel» en «adequaat» beschikbaar, de indicator «systematische toepassing» nog niet. Deze indicator zal in 2004 ontwikkeld worden.

Operationele doelstelling 3.1.12

Een veilige samenleving door brede toepassing van (nieuwe) preventieve instrumenten of methoden op (inter)nationaal, regionaal en lokaal niveau door bestuurlijke en andere relevante partners op het gebied van criminaliteitspreventie.

Toelichting

Justitie heeft op het terrein van deze doelstelling een aantal speerpunten van beleid geformuleerd, te weten:

• Het bevorderen van criminaliteitspreventie in het bedrijfsleven;

• Jeugdcriminaliteit (zie beleidsdoelstelling 3.4);

• Het bevorderen van lokale en regionale samenwerking;

• De aanpak van geweld.

Justitie kan de toepassing van preventieve maatregelen en instrumenten in het algemeen slechts indirect beïnvloeden, omdat het geen rechtstreekse sturingsrelatie heeft met partners – zoals burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsorganen – die de preventieve maatregelen moeten uitvoeren. Als zodanig is Justitie slechts één van de spelers op het terrein van criminaliteitspreventie. De resultaten van preventie zijn dan ook afhankelijk van de context waarin zij plaatsvinden en de mate waarin samenwerking met justitie-instellingen en het maatschappelijk middenveld tot stand kan komen.

De effectiviteit van criminaliteitspreventie neemt toe wanneer samenhang wordt aangebracht met opsporing en vervolging. Efficiëntie en effectiviteit nemen toe wanneer er sprake is van samenhangende maatregelen die worden genomen door alle betrokken partners.

In 2004 wordt het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) opgericht, een gezamenlijk project van de ministeries van Justitie en BZK. Het CVV moet een verdere krachtige impuls geven aan de samenwerking op het terrein van criminaliteitspreventie en aan de implementatie van bewezen effectieve preventieve instrumenten. De oprichting van het centrum past in de ontwikkeling om het (uitvoerings) beleid dat verspreid is over verschillende ministeries, koepelorganisaties uit het bedrijfsleven en mede-overheden zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen of te bundelen.

Het bevorderen van criminaliteitspreventie in het bedrijfsleven

Op het onderwerp criminaliteitspreventie en bedrijfsleven bereiden de ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Economische Zaken samen met het bedrijfsleven een programma voor. Het programma richt zich op de voorkoming van twee vormen van criminaliteit waar het bedrijfsleven mee kan worden geconfronteerd, namelijk intern (binnen de onderneming) en extern (van buitenaf). De overheid is primair aanspreekbaar op de veiligheid op straat; ondernemers zijn primair aanspreekbaar op de veiligheid binnen hun bedrijf. Wanneer overheid en bedrijfsleven maatregelen in onderlinge samenhang nemen, wordt het maximale effect op het veiligheidsklimaat in het bedrijf en op straat bereikt.

In 2004 zal voor de tweede maal de Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI) worden afgenomen. De MBI levert informatie op over de mate waarin bedrijven en instellingen slachtoffer worden van criminaliteit. Aan de hand van onder meer vergelijkingen met de MBI die in 2002 is afgenomen, kan worden bezien welke effecten het gevoerde beleid heeft.

In 2004 zal in twee branches een doorlichting plaatsvinden op kwetsbare plekken voor criminaliteit. De branches worden gekozen in overleg met VNO-NCW en MKB-Nederland. De resultaten van de doorlichting zullen vertrekpunt zijn voor afspraken met de desbetreffende branches om met preventieve maatregelen knelpunten aan te pakken. Eind 2004 zal het instrument van de doorlichting worden geëvalueerd en zal bij gebleken geschiktheid worden aangepast tot een door de branches zelf te benutten instrument.

Een aantal sectoren binnen het bedrijfsleven wordt onevenredig hard getroffen door criminaliteit, waardoor een intensievere aanpak door overheid en bedrijfsleven geboden is. In 2003 zijn de detailhandel en de juweliersbranche onderwerp van intensieve aanpak geweest die in 2004 wordt voortgezet. In 2004 staan de transportsector en de horeca op de rol. De aanpak vindt plaats in nauwe samenwerking met de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken en de brancheorganisatie van de desbetreffende sector.

In 2004 zal worden onderzocht of de overheid de toepassing van preventieve maatregelen kan stimuleren bij bedrijven, via een eventuele financiële bijdrage bij nieuwe veelbelovende initiatieven en het uitreiken van de Hein Roethofprijs aan een bedrijf dat een innoverend preventieproject heeft opgezet. Ook zal worden bezien of in de polisvoorwaarden voor verzekeraars preventieve maatregelen door de verzekeringnemer verplicht kunnen worden gesteld.

In 2004 zal de publiek-private samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) verder worden verstevigd. Het NPC vormt een belangrijk coördinerend en stimulerend orgaan van waaruit acties op preventief gebied worden geïnitieerd en gevolgd. In het werkprogramma van het NPC nemen de acties uit het Veiligheidsprogramma «Naar een Veiliger Samenleving», die betrekking hebben op de samenwerking met het bedrijfsleven, een centrale plaats in.

Er bestaan 13 regionale platforms criminaliteitsbeheersing. In 2004 zullen minimaal drie nieuwe regionale platforms worden opgericht. De stimulering van betere beveiliging van bedrijventerreinen en winkelcentra zal via het keurmerk «Veilig ondernemen» worden voortgezet. Justitie streeft naar de toekenning van dit keurmerk aan 50 locaties in 2004. In 2004 kan gestart worden met het stimuleren van de toepassing van de Kwaliteitsmeter «Veilig Uitgaan». Justitie zal de samenwerkingsprojecten voor het Keurmerk Veilig Ondernemen en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan financieel ondersteunen.

In 2003 is een Commissie Technologie ingesteld die de opdracht kreeg te rapporteren over de mogelijkheden die nieuwe technologische en innovatieve technieken bieden voor criminaliteitspreventie. Op basis van deze rapportage vinden in 2004 vervolgactiviteiten plaats.

Lokale en regionale samenwerking

In het kader van het Meerjarenprogramma versterking Regionale samenwerking (MVRS) is in 2001 een tijdelijke «Bijdrageregeling regionale samenwerking» ingesteld, op grond waarvan in alle arrondissementen Justitiële Beraden zijn ingesteld. In deze beraden zijn het Openbaar Ministerie, de rechterlijke macht, de reclassering, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Raad voor de Kinderbescherming vertegenwoordigd. Uit evaluatie blijkt dat deze regeling het proces van samenwerking in de strafrechtketen een stevige stimulans heeft gegeven. In 2005 moeten de Arrondissementale Justitiële Beraden bindende afspraken hebben gemaakt over de inzet van de samenwerkende organisaties voor effectief justitieel optreden. In 2004 moeten daarvoor de nodige voorbereidingen worden verricht. Het gaat onder andere om de gezamenlijke aanpak van vastgestelde prioriteiten, het afstemmen van planning en control, het harmoniseren van werkprocessen, en informatie-uitwisseling.

In wijken waarin veel criminaliteit voorkomt, zullen Justitie in de buurt (JIB) bureaus inspanningen leveren om de criminaliteit verder te verlagen. In totaal gaat het in 2004 om 28 JIB-bureaus. Er wordt, in het kader van de professionalisering en kwaliteitsverbetering, een best-practices handboek voor de JIB-bureaus ontwikkeld. Vanaf medio 2004 zal de centrale financiering van JIB-arrangementen geleidelijk worden beëindigd. Het wordt aan de lokale partners overgelaten een afweging te maken ten aanzien van de oprichting van nieuwe JIB-kantoren c.q. de instandhouding van bestaande.

De aanpak Communities that Care (CtC) wordt in 2004 voortgezet op zeven locaties. De aanpak beoogt problemen met de opvoeding en ontwikkeling van kinderen vroeg te signaleren en te bestrijden op wijkniveau, om zo later probleemgedrag te voorkomen.

De aanpak van geweld

Met betrekking tot geweld in het algemeen wordt voortgegaan met de ontwikkeling en verspreiding van gedragscodes en het versterken van de weerbaarheid van burgers. Dat laatste zal onder andere gebeuren door informatie te geven over de rol van omstanders/getuigen bij alle vormen van geweld. Ook streeft Justitie, in aansluiting op de evaluatie van het Nederlands Instituut Classificatie Audiovisuele Media, naar het beperken van het tonen van geweld in de audiovisuele media.

In het privé-domein zal Justitie in nauw overleg met de betrokken partners (lokale overheden, hulpverlening) voortgaan met de preventieve aanpak van huiselijk geweld. De resultaten van de eerste monitor aanpak huiselijk geweld worden in 2004 gepresenteerd. Er zal een programma ter ondersteuning van gemeenten in hun verantwoordelijkheid bij de aanpak van huiselijk geweld worden uitgevoerd. Eind 2004 moet in 120 gemeenten een samenwerkingsverband tussen gemeente, hulpverlening, politie en justitie bij de aanpak van huiselijk geweld bestaan. Naar verwachting zal in 2004 een standpunt geformuleerd zijn met betrekking tot de uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld dat als basis kan dienen voor wetswijziging.

Tegen geweld in het (semi) publiek domein zal een voorlichtingscampagne worden gevoerd waarin burgers erop worden gewezen dat zij ook actief kunnen ingrijpen bij geweldsincidenten. In samenspraak met het gebundelde landelijk particulier initiatief tegen geweld op straat zullen initiatieven worden ondersteund die een kansrijke bijdrage leveren aan de vermindering van het geweld in het publieke domein.

Geweld op school en de werkplek wordt eveneens aangepakt. Er zal in 2004 een preventiemethodiek worden ontwikkeld met twee nader vast te stellen beroepsgroepen waarvan de beoefenaren regelmatig met agressie en geweld te maken hebben.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie bijdrageregeling regionale samenwerking justitiële organisatiesafgerond in 2003
  
Evaluatie Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO)afgerond in 2003
  
Evaluatie Communities That Careafgerond in 2003
  
Evaluatie Gedragscodesaf te ronden in 2004
  
Meta-analyse opvoedingsondersteuningafgerond in 2003
  
Evaluatie van Justitie in de Buurt (JIB)afgerond in 2002

Toelichting

Nieuwe preventieve maatregelen moeten gebaseerd zijn op een gedegen analyse van het criminaliteitsprobleem. Vervolgens worden door Justitie samen met andere relevante partners op de analyse aansluitende maatregelen ontwikkeld. Deze worden in de vorm van projecten in de praktijk uitgetest en geëvalueerd, waarna bij gebleken effectiviteit de verdere verspreiding daarvan wordt bevorderd. Om te bepalen

in welke mate de in het kader van de beleidsdoelstelling uitgevoerde acties bijdragen aan het realiseren van de operationele doelstellingen wordt de toepassing van preventieve instrumenten en maatregelen gemeten. Vanaf 2004 krijgt het nieuw op te richten Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid hierbij een belangrijke rol.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.1.12       
        
uitgaven10 31318 85620 61421 74719 69418 54618 546
programma-uitgaven7 32116 36318 20419 33417 28116 13616 136
waarvan:       
– subsidies7 32116 36318 20419 33417 28116 13616 136
apparaatsuitgaven2 9922 4932 4102 4132 4132 4102 410
        
ontvangsten156000000
        
verplichtingen9 11318 85620 61421 74719 69418 54618 546

De onder deze operationele doelstelling geraamde uitgaven hebben betrekking op stimuleringssubsidies voor het ontwikkelen en implementeren van nieuwe preventieve instrumenten en het stimuleren van samenwerking op het terrein van het voorkomen en bestrijden van criminaliteit tussen de partners op regionaal en lokaal niveau.

Het gaat daarbij om tijdelijke subsidies en bijdragen. Na implementatie van effectief bewezen concepten dienen de desbetreffende organisaties de structurele kosten zelf te dragen.

Vanaf 2004 zal het beleid ten aanzien van stimuleringsubsidies aangescherpt worden. Er zal gerichter geïnvesteerd worden in kansrijke projecten en in beginsel zal geen subsidie meer verleend worden voor kleinschalige projecten. Voorts zal de bijdrageregeling voor het instandhouden van arrondissementale samenwerkingsverbanden gecontinueerd worden, zij het dat de bijdrage met 10% wordt verlaagd in verband met het feit dat na afsluiting van de opbouwfase verondersteld mag worden dat de platforms efficiënter kunnen opereren. Tenslotte zal de centrale financiering van arrangementen Justitie in de buurt geleidelijk, dat wil zeggen rekening houdend met bestaande afspraken, worden beëindigd. Het wordt aan de lokale partners overgelaten een afweging te maken ten aanzien van de oprichting van nieuwe JIB-kantoren c.q. de instandhouding van bestaande.

Beleidsartikel 3.2 Slachtofferzorg

Beleidsdoelstelling 3.2

Goede zorg en dienstverlening aan slachtoffers van criminaliteit teneinde bij te dragen aan het herstel van vertrouwen en het gevoel van veiligheid.

Toelichting

Slachtoffer worden van een misdrijf is een ingrijpende ervaring die het vertrouwen in de samenleving en het gevoel van veiligheid aantast. Ruim 3,7 miljoen Nederlanders zijn in 2002 slachtoffer geworden van een of meer vormen van veel voorkomende criminaliteit. Dit is meer dan in voorgaande jaren. Meer Nederlanders voelden zich wel eens onveilig (CBS, PB03–052). In 2000 gaf de Nederlandse bevolking op van 4,7 miljoen delicten het slachtoffer te zijn geweest. Ruim eenderde van de slachtoffers gaf aan dat het gebeurde hen nog steeds bezig houdt. Bij 1 op de 11 zijn de emotionele gevolgen ernstiger: 6% denkt nog vaak terug aan het gebeurde, 2% piekert er steeds over en 1% zegt dat het gebeurde zijn of haar hele doen en laten beheerst. Dit komt overeen met zo'n 400 000 slachtoffers van delicten die geleid hebben tot meer ernstige emotionele gevolgen (CBS, Webmagazine 15–04–2002).

Slachtofferzorg heeft als doel het geschonden vertrouwen en gevoel van veiligheid te herstellen, en draagt ook bij aan het gevoel van rechtvaardigheid. Adequate slachtofferzorg levert uiteindelijk een belangrijke bijdrage aan:

• Minder gevoelens van onveiligheid;

• Meer vertrouwen in Justitie;

• Grotere bereidheid aangifte te doen en te getuigen.

Deze belangrijke te boeken resultaten legitimeren een verdere versterking van de positie en aandacht voor het slachtoffer. Een belangrijk onderdeel van deze versterking is een goede afstemming van de diverse activiteiten op het terrein van slachtofferzorg binnen de strafrechtsketen. Daartoe zal periodiek met de relevante partners, als het OM, politie en Slachtofferhulp Nederland, overleg worden gevoerd. Daarnaast zijn in het kader van de nota Strafvordering 2001 diverse voorstellen gedaan, zoals het recht op voorlichting en uitleg, om de rol en positie van het slachtoffer te versterken. In 2004 wordt bezien welke van de voorstellen wordt overgenomen.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 3.2       
        
uitgaven21 54918 33720 02820 05219 92319 65219 812
        
ontvangsten92000000
        
verplichtingen23 44718 33720 02820 05219 92319 65219 812

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 3.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 20 028 20 052 19 923 19 652 19 812
waarvan:          
– personeel en materieel 314 316 316 316 316
– beleid 19 714 19 736 19 607 19 336 19 496
waarvan:          
a. juridisch verplicht64,1%12 63564,1%12 65163,6%12 47062,6%12 10463,0%12 284
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden35,9%7 07935,9%7 08536,4%7 13737,4%7 23237,0%7 212
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%19 714100,0%19 736100,0%19 607100,0%19 336100,0%19 496

Operationele doelstelling 3.2.4

Slachtoffers van strafbare feiten worden vanaf het eerste contact met de politie en de afhandeling van de strafzaak door het openbaar ministerie en de rechter tot en met de fase van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf steeds met zorg behandeld.

Toelichting

Het tijdig en goed aanbieden van informatie en hulp van emotionele en praktische aard zijn belangrijk voor het herstel van vertrouwen. Het slachtofferbeleid is er op gericht dat gedurende alle fases, van politie, openbaar ministerie en rechter, tot en met de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (vooralsnog alleen bij zedendelicten) slachtoffers te informeren over het verloop van hun zaak. Daarnaast krijgen de slachtoffers informatie over hun rechten en plichten, krijgen slachtoffers van een ernstig geweldsmisdrijf in voorkomende gevallen een financiële tegemoetkoming en krijgen slachtoffers hulp bij het verhaal van de schade.

Instrumenten

Voor het realiseren van de operationele doelstelling leveren Slachtofferhulp Nederland (SHN) en het Schadefonds Geweldsmisdrijven (SGM) specifieke bijdragen. SHN draagt zorg voor de eerste praktische en emotionele ondersteuning aan slachtoffers van delicten en verkeersongevallen. Jaarlijks helpen zij circa 100 000 slachtoffers. Bij het SGM, waarvan de bureaukosten worden gedragen door het ministerie van Justitie, kunnen slachtoffers met een ernstig letsel ten gevolge van een geweldsmisdrijf een tegemoetkoming in de schade aanvragen.

Volumegegevens

 2001200220032004200520062007
Aantal geholpen slachtoffers SHN93 00096 200100 000100 000100 000100 000100 000
Aantal beslissingen SGM4 1185 4926 5007 5007 5007 5007 500

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Tevredenheid slachtoffersstart in 2003De tevredenheidsenquête onder slachtoffers is gericht op onder meer bejegening en informatieverschaffing door de strafrechtketen. De uitkomsten van deze enquête zullen de komende jaren in belangrijke mate bijdragen aan het vaststellen van de prioriteiten op het terrein van slachtofferzorg. De enquête zal in beginsel elke vier jaar worden herhaald.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.2.4       
        
uitgaven21 54918 33720 02820 05219 92319 65219 812
programma-uitgaven21 15617 99719 71419 73619 60719 33619 496
waarvan:       
– bijdragen04 3004 8004 8004 8004 8004 800
– subsidies4 9678 4937 7137 7277 5967 3247 484
apparaatsuitgaven393340314316316316316
        
ontvangsten92000000
        
verplichtingen23 44718 33720 02820 05219 92319 65219 812

VBTB-paragraaf

Het EU-kaderbesluit zal in 2004 verder worden uitgewerkt. Daarnaast wordt bij SHN de nadruk gelegd op het volledig voldoen aan nieuwe wet- en regelgeving (onder andere de regeling uitgangspunten financieel economisch toezicht). Het SGM zal in 2004 een nieuwe werkwijze introduceren alsmede herijkte kostprijzen. De verwachting is dat beide onderdelen zullen bijdragen aan een efficiëntere bedrijfsvoering.

Beleidsartikel 3.3 Rechtshandhaving

Justitie staat voor een veilige en rechtvaardige samenleving. Een belangrijk element in het waarborgen van veiligheid is dat wetten worden nageleefd, zoals de meeste burgers doorgaans doen. Justitie wijst burgers op het nut en de noodzaak van het naleven van wetten door op wetsovertredingen te reageren met het vervolgen van de overtreders.

Beleidsdoelstelling 3.3

Een veilige Nederlandse samenleving door adequate handhaving van de straf- en ordeningswetgeving.

Toelichting

Veiligheid staat centraal in het Justitiebeleid. Justitie dient in samenwerking met haar partners, de veiligheid van de burger te waarborgen.

Het Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving», dat in oktober 2002 is vastgesteld, geeft aan welke concrete doelen het kabinet in 2006 bereikt wil hebben. Het vastgestelde tekort in de rechtshandhaving moet in de komende jaren worden teruggedrongen. Bovendien zal de criminaliteit en de overlast in de openbare ruimte fors worden teruggedrongen. Als speerpunten van de gekozen veiligheidsstrategie gelden:

• Het aanpakken van de stelselmatige dader en van de jeugdcriminaliteit;

• Het versterken van de opsporing en de handhaving;

• Het versterken van het zichtbare toezicht en de controle in de publieke ruimte;

• Het intensiveren van gerichte preventieprojecten.

Het realiseren van de gestelde doelen vergt grote inzet van alle instanties en diensten – zowel op rijks-, provinciaal als gemeentelijk niveau – die hierin een rol vervullen. De subdoelen van de organisaties in de rechtshandhavingsketen en de voorgenomen weg naar de realisatie daarvan, komen aan de orde in de toelichtingen op de verschillende operationele doelstellingen van dit artikel.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 3.3       
        
uitgaven654 718615 138561 237572 350567 359571 588581 888
        
ontvangsten76 23442 36519 4919 7829 7829 7829 782
        
verplichtingen686 123615 138561 237572 350567 359571 588581 588

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 3.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 561 237 572 350 567 359 571 588 581 888
waarvan:          
– personeel en materieel 394 088 398 221 398 543 404 346 415 346
– beleid 167 149 174 129 168 816 167 242 166 542
waarvan:          
a. juridisch verplicht43,5%72 68648,7%84 82447,3%79 77648,4%80 98548,5%80 803
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden53,7%89 71948,0%83 53449,0%82 69748,0%80 27947,8%79 579
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)2,8%4 7443,3%5 7713,8%6 3433,6%5 9783,7%6 160
           
Totaal uitgaven beleid100,0%167 149100,0%174 129100,0%168 816100,0%167 242100,0%166 542

Operationele doelstelling 3.3.1

Een tijdige en adequate strafrechtelijke reactie op daders van strafbare feiten, rekening houdend met de slachtoffers van die feiten.

Toelichting

Het Openbaar Ministerie (OM) streeft ernaar een adequaat niveau van strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde te leveren. Het OM is hieraan gehouden jegens de samenleving, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Op grond van zijn wettelijke taak heeft het OM een opdracht tot actieve handhaving vanuit een oriëntatie op het recht, maar tegelijk geldt een beperking tot de strafrechtelijke invalshoek.

Teneinde een adequaat niveau van strafrechtelijke handhaving te bereiken worden de prestaties van het OM genormeerd op grond van een concrete set prestatie-indicatoren. Deze prestatie-indicatoren moeten richting geven aan de werkzaamheden van het OM in het kader van zijn handhavingsverplichting. Er zal daarbij nadrukkelijk worden gekeken naar de kwaliteit van de handhaving (in termen van zekerheid, snelheid en een passende sanctie), welke valt op te maken uit de mate van selectiviteit waarmee de strafrechtelijke reactie van het OM zich concentreert op de meest kwetsbare maatschappelijke belangen. Hierbij zullen ook aspecten als juridische kwaliteit en doelmatigheid van belang zijn.

Het gehele budget van het OM wordt ingezet om de hierboven genoemde doelstelling te bereiken.

Beleidsvoornemens

Veiligheidsprogramma

«40 000 rechtbankzaken meer»

Bij de uitvoering van het Veiligheidsprogramma zal de prioriteit liggen bij de misdrijven: daaromtrent is immers geconstateerd dat de politie veel laat liggen wat zeker opsporingskansen heeft. Met de verhoging van de prestatie in de misdrijfsfeer kan de opsporing op een substantieel en maatschappelijk beter verdedigbaar niveau worden gebracht. In de door het College van procureurs-generaal vastgestelde «Aanwijzing opsporing» staat aangegeven welk niveau dat is.

Conform de uitgangspunten in het Veiligheidsprogramma zal bij de prioritering van zaken als kader gelden:

• Voorrang voor de aanpak van jeugdzaken, met toespitsing op de gevallen waarin sprake is van evidente risico's dat de jeugdige zich (verder) beweegt op het pad van de misdaad;

• Voorrang voor de aanpak van veelplegers (dat wil zeggen de zeer extreme en dus in omvang beperkte groep van «evidente draaideurklanten»);

• Uiteraard voorrang voor zeer ernstige delicten (conform aanduiding in de Aanwijzing opsporing);

• Het toespitsen van de aandacht voor het slachtoffer op delicten met grote impact.

Dit laat een fors terrein open waarin posterioriteiten moeten worden gezocht, waar lokale accenten kunnen worden geplaatst in termen van minder opsporing, sneller transactie of sepot.

«180 000 extra boetes en transacties»

De politie gaat de burger directer aanspreken op zijn gedrag. Dit betekent dat stringenter zal worden opgetreden tegen kleine ergernissen en overlast in het publieke domein, tegen geweld en tegen agressief verkeersgedrag. In het landelijk kader Nederlandse Politie 2003–2006 is vastgelegd dat deze verhoogde handhavingsinspanning van de politie ertoe zal leiden dat in 2006 het aantal uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties met tenminste 180 000 is gestegen ten opzichte van 2002. Indien dit geleidelijk oploopt, zijn dat 45 000 extra boetes en transacties per jaar. Hoeveel van deze extra zaken het OM zullen bereiken, is mede afhankelijk van het type overtreding waartegen wordt opgetreden. Deze keuze zal op lokaal niveau worden gemaakt. Daarbij zal er voor worden gewaakt dat de beoogde toename van 180 000 boetes en transacties niet leidt tot een zelfde aantal kantonzaken die het OM te verwerken krijgt. Bovendien dient deze versterking van het toezicht niet op zichzelf te staan, maar onderdeel uit te maken van een bredere, ook bestuurlijke inspanning om de zorg voor de openbare ruimte te verbeteren (waarbij fysieke en sociale maatregelen hand in hand gaan).

Uit de monitoring van het Landelijk kader zal moeten blijken wat de precieze aantallen kantonzaken zijn die als gevolg van deze intensivering bij het OM instromen. Op basis van die gegevens zal de meerjarenberekening eventueel worden bijgesteld.

Context

Het Veiligheidsprogramma kent de nodige ambities. In «Perspectief op 2006» heeft het OM zich bij dit ambitieniveau aangesloten in de verwachting dat het OM in staat wordt gesteld om daarbij zijn rol naar behoren te kunnen spelen. Intussen is er het Hoofdlijnenakkoord waarin nader is ingegaan op de financiering van het Veiligheidsprogramma. De extra middelen voor veiligheid worden voor het grootste deel gericht ingezet voor het oplossen van knelpunten in de justitiële keten. Ook het OM krijgt extra gelden uit deze zogenaamde Veiligheidsenveloppe.

De toename van de zaaksinstroom, zoals die zich in 2002 aftekende, heeft zich voortgezet in 2003. Zowel het aantal aangeboden rechtbankzaken als kantonzaken is fors gestegen. Alleen het aantal zogenaamde Mulderberoepen is nauwelijks toegenomen. De spanning tussen ambities en middelen doet zich daarmee wel voelen. Desalniettemin zal het Openbaar Ministerie zich tot het uiterste inspannen de in het Veiligheidsprogramma geformuleerde ambities te realiseren.

Er zijn geen nadere intensiveringen voorzien in de verkeershandhaving. Dit vormt dan ook geen onderdeel van het Veiligheidsprogramma. Voorkómen moet worden dat de verkeershandhaving een zodanig beslag legt op de schaarse middelen dat ze de ambities die wél in het Veiligheidsprogramma zijn voorzien frustreren. In dit kader wordt er naar gestreefd dat:

• Het niveau van de Mulderberoepen worden gestabiliseerd op het niveau van 2002 – dit geldt zowel de regiopolitie als het KLPD;

• Bij dat stabiliseren de regioprojecten die plaatsvinden onder regie van het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) worden gecontinueerd.

Een nadere prioritering in de verkeershandhaving is mogelijk maar dan wel binnen de huidige omvang die de verkeershandhaving nu al kent. Het verkeersbudget zal dan niet overschreden worden ten gevolge van een nadere prioritering binnen de verkeershandhaving.

De verruiming van de mogelijkheid van het OM om bij overeenstemming met de verdachte de zaak zelf, buiten de rechter, af te handelen zal op termijn duidelijk betekenis hebben voor het OM. Aanname hierbij is dat de werklast van het OM niet zal toenemen.

Beheer

Geïntegreerd Proces Systeem (GPS)

In 2000 is gestart met de ontwikkeling van het GPS. De primaire doelstelling van het GPS was de vervanging van COMPAS door een nieuw systeem, teneinde een inhoudelijke kwaliteitsverbetering te realiseren.

Eind 2002 heeft er een herbezinning plaats gevonden op de ontwikkeling en doelstelling van het GPS. Dit was noodzakelijk omdat GPS een te omvangrijk systeem dreigde te worden. Thans ligt de doelstelling nog nadrukkelijker op de vervanging van COMPAS en op het herontwerp van de interne procesbeschrijving. Het doel is het ondersteunen van een uniforme, gestandaardiseerde en vereenvoudigde werkwijze. Het GPS richt zich dan ook in eerste instantie op de ontwikkeling van een deelsysteem voor de zogenaamde loopzaken (eenvoudige zaken).

In 2004 worden de middelen aangewend voor de verdere ontwikkeling van het GPS. Bestaande incrementen en ICTRO worden onderhouden en beheerd, nieuwe incrementen ontwikkeld, er wordt een ontwerp gemaakt voor meervoudige kamerzaken en er worden middelen aangewend voor de technische architectuur (centralisatie) en risicomanagement.

In verband met het toedelen van het toegekende budget over drie jaar (2004 t/m 2006) in plaats van twee jaar zal de ontwikkeling van GPS worden getemporiseerd. Het (detail)ontwerp, bouw en implementatie van de deelsystemen voor de meervoudige kamerzaken zal starten in 2005 en zal doorlopen tot in 2006. COMPAS zal tot eind 2006 nog in gebruik zijn.

Gerechtskosten

Algemeen

Gerechtskosten zijn kosten die worden gemaakt in het kader van de strafvordering en die betrekking hebben op de gerechtelijke fase. Voor de vergoeding van deze kosten is in de begroting van het OM een budget gerechtskosten opgenomen. Daarnaast wordt een aantal opsporingskosten ten laste van het gerechtskostenbudget gebracht.

De ontwikkeling van de gerechtskosten staat onder continue aandacht. Het OM en het departement ontwikkelen diverse maatregelen om de gerechtskosten zoveel mogelijk beheersbaar te maken. In 2004 wordt verder gekeken hoe de beslissing tot activiteiten die tot betaling van gerechtskosten leiden zo dicht mogelijk bij de daadwerkelijke betaling van deze kosten gelegd kan worden. Op deze manier worden de kosten inzichtelijker bij degene die de beslissingen, die leiden tot de gerechtskosten, nemen.

Het meerjarig budgettair kader van de gerechtskosten is vanaf 2004 verhoogd met structureel € 15 miljoen per jaar. Deze verhoging is bedoeld ter compensatie van de in de afgelopen jaren gestegen kosten. De druk op het budget manifesteert zich met name bij de afluister- en tapkosten en de daarmee samenhangende kosten van tolken en vertalers. Hierna wordt op een aantal ontwikkelingen ingegaan.

Internettaps

De afgelopen periode heeft het tappen van internetverkeer in de aandacht gestaan. Het gaat hier om het onderscheppen van e-mailverkeer van verdachten en het opvragen van dataverkeergegevens. Op dit moment is het aantal internettaps nog zeer gering. Verwachting is dat internettaps in de komende jaren een grotere rol gaan spelen.

Tolken en vertalers

De samenstelling van de bevolking verandert. Hierdoor is de vraag naar tolk- en vertaaldiensten in de afgelopen jaren gestegen.

Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT)

Via het CIOT kunnen opsporingsdiensten centraal geautomatiseerd identificerende gegevens opvragen van telecomgebruikers. Dit systeem is in 2003 landelijk uitgerold. Gebruik van het CIOT leidt er toe dat er geen individuele bevragen meer gedaan hoeven te worden bij telecomproviders, hetgeen tot een kostenbesparing leidt.

Kostenefficiëntere tapfaciliteiten

Op dit moment worden taps in het vaste net in de centrales fysiek gelegd. In het eerste kwartaal van 2003 is dit proces geautomatiseerd, waardoor er centraal taps gelegd kunnen worden.

Productiecijfers OM

Productie en prestaties arrondisementsparketten
 20012002200320042005200620072008
Rechtbanken in eerste aanleg (excl. Kantongerechtsappelen)        
Instroom234 700248 100258 000268 000278 000288 000288 000288 000
Minderjarigen27 70028 50030 00030 50031 00031 50031 50031 500
Afdoeningen OM + naar rechter235 100255 800263 550268 000278 000288 000288 000288 000
Overdracht aan buitenland300200250250250250250250
Onvoorwaardelijk sepot28 10027 80028 00027 00027 50028 50028 50028 500
% onvoorwaardelijk sepot12%11%11%10%10%10%10%10%
Transactie en voorwaardelijk sepot67 30074 70078 50080 00085 00089 00089 00089 000
Naar de rechter139 400153 100156 800160 750165 250170 250170 250170 250
Voegen (ter berechting of ad info)13 50014 60014 80015 00015 25015 25015 25015 250
Dagvaarden125 900138 500142000145 750150 000155 000155 000155 000
Meervoudige kamer (incl. economisch en militair)14 000154 00016 00016 50017 00017 50017 50017 500
Politierechter (incl. economisch en militair)103 000112 300115 000118 000121 500125 500125 500125 500
Kinderrechter89 00010 80011 00011 25011 500120001200012000
Interventiepercentage86%87%88%88%88%88%88%88%
Gemiddelde doorlooptijd instroom – afdoening (in dagen)160151151151151151151151
% ouder dan een jaar (niet afgedaan)12%11%11%11%11%11%11%11%
         
Jeugdzaken        
Doorloopsnelheid jeugd binnen 6 mnd afgedaan50%56%80%80%80%80%80%80%
         
Kantongerechtsappelen        
Instroom4 1003 10020001 00050025000
Uitstroom4 6003 90020001 5001 0005 0002500

Productie en prestaties arrondisementsparketten

 20012002200320042005200620072008
Kantonzaken        
Instroom178 900217 500250 000250 000250 000250 000250 000250 000
Afdoeningen OM + naar de rechter180 500209 400244 500244 500250 000250 000250 000250 000
Onvoorwaardelijk sepot39 50029 90035 00035 00035 00035 00035 00035 000
% onvoorwaardelijk sepot22%14%14%14%14%14%14%14%
Transactie en voorwaardelijk sepot35 70037 60043 10043 10045 00045 00045 00045 000
Naar de rechter105 300141 900166 400166 400170 000170 000170 000170 000
Voegen (ter berechting of ad info)11 50015 90021 40021 40020 00020 00020 00020 000
Dagvaarden93 800126 000145 000145 000150 000150 000150  000150 000
Interventiepercentage74%80%80%80%80%80%80%80%
Gemiddelde doorlooptijd instroom – afdoening (in dagen)200190180180180180180180
         
Mulderzaken        
Instroom beroepen OM291 700327 900330 000330 000330 000330 000330 000330 000
Uitstroom beroepen OM276 100321 000340 000340 000330 000330 000330 000330 000

Productie en prestaties ressortsparketten

 20012002200320042005200620072008
Instroom        
Rechtbankappellen12 10011 60015 00015 50016 50017 00017 00017 000
Kantongerechtappellen 2 7004 5005 5006 0006 5006 5006 500
Mulderberoepen7001 4001 2001 2001 2001 2001 2001 200
Klachten art. 12 Sv1 2001 5001 5001 6001 6001 6001 6001 600
         
Uitstroom        
Rechtbankappellen11 60012 20014 00015 00015 50016 00016 00016 000
Kantongerechtappellen 9003 0004 0004 5005 0005 0005 000
Mulderberoepen6001 1001 2001 2001 2001 2001 2001 200
Klachten art. 12 Sv8301 2321 6001 6001 6001 6001 6001 600

De hier gepresenteerde cijfers wijken licht af van eerder gepresenteerde getallen. Dat wordt veroorzaakt door het feit dat tellingen kort na afsluiting van een tijdvak slechts voorlopig zijn.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie Wet Bijzondere Politieregisterslopend in 2004
  
Evalueren Transactiebesluit milieudelictenafgerond in 2003
  
Evaluatie Wet Herziening gerechtelijk vooronderzoek; eerste fase van het onderzoekafgerond in 2002
  
Evaluatieonderzoek Wet Herziening gerechtelijk vooronderzoek; tweede faseaf te ronden in 2004

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.3.1       
        
uitgaven424 587422 164462 714464 530464 486470 034478 934
programma-uitgaven424 587422 164462 714464 530464 486470 034478 934
waarvan:       
– bijdragen5 5565 5565 5565 5565 5565 5565 556
apparaatsuitgaven0000000
        
ontvangsten19 2599 7829 7829 7829 7829 7829 782
        
verplichtingen434 122422 164462 714464 530464 486470 034478 934

VBTB-paragraaf

In 2004 gaat het OM, net als vorige jaren, verder met het ontwikkelen van een set prestatie-indicatoren. De indicatoren selectiviteit, doorlooptijd, interventies, passendheid van de interventies en kwaliteit slachtofferzorg zijn reeds ontwikkeld en worden toegepast in de interne planning- en controlcyclus.

De prestatie-indicator juridische kwaliteit is nog in ontwikkeling. De doelmatigheidsindicator is nadrukkelijk gekoppeld aan de invoering van het baten/lastenstelsel op 1 januari 2005. Op die datum moet de gehele set van zeven indicatoren gereed zijn voor intern- en extern gebruik.

Hieronder wordt ingegaan op de nog in ontwikkeling zijnde indicatoren juridische kwaliteit en doelmatigheid.

Juridische kwaliteit

Gegeven de taakopvatting van het OM is «juridische kwaliteit» te beschouwen als een indicator voor «het goed doen» van zaken.

De juridische kwaliteit moet goed in de processen van het OM geborgd zijn. Dat houdt in dat binnen de werkprocessen niet alleen de bedrijfsmatige, maar ook de juridische zorgvuldigheidseisen in evenwicht zijn (dus naast bijvoorbeeld een tijdige beantwoording van brieven ook een juridisch inhoudelijke toetsing daarvan en bewaking van wettelijke termijnen).

Doelmatigheid

Aan de ontwikkeling van een indicator «Doelmatigheid», die aanduidt hoe de gewogen productie van een parket (volgens de gewichten die in BVS (Budget Verdeelsysteem) aan zaken zijn toegekend) zich verhoudt tot de toegekende personele middelen, wordt gewerkt. Het is de bedoeling deze indicator te introduceren met een onderlinge vergelijking tussen (maat)parketten. Anticiperend op de komst van een baten-lastenstelsel wordt gestart met het sturen op interne doelmatigheid.

Operationele doelstelling 3.3.2

Iedere schakel in de strafrechtsketen (politie, OM, ZM en overige opsporingsinstanties) heeft ten behoeve van de waarheidsvinding tijdig de beschikking over kwalitatief hoogwaardige onderzoeksresultaten op financieel-, forensisch- en telecommunicatiegebied.

Voorts een adequate waarborging van de integriteit van bijzondere wetten, besluiten en regelingen in de rechtshandhavingsketen.

Toelichting

Nederlands Forensisch Instituut (NFI)

Door het doen van forensisch onderzoek produceert het NFI kwalitatief hoogwaardige onderzoeksresultaten op forensisch gebied ten behoeve van de waarheidsvinding.

Het NFI is in de samenstelling van zijn werkzaamheden voor een groot deel afhankelijk van de vraag naar kwaliteit en kwantiteit van producten door de aanvragers (vnl. rechterlijke macht en politie).

Het NFI heeft positieve verwachtingen over de mogelijkheden van forensisch technisch en wetenschappelijk onderzoek bij de oplossing van misdrijven. De bestaande en toekomstige mogelijkheden van het onderzoek aan biologische, chemische, fysische en digitale sporen zullen, mits de sporen kwalitatief goed zijn veilig gesteld, steeds meer informatie verschaffen over allerlei aspecten van individuele zaken (dader, toedracht, etc.). Ook kan het richting geven aan het opsporingsonderzoek in andere zaken.

CIOT

Het CIOT treedt op als intermediair bij de uitwisseling van telefoonnummers en NAW-gegevens (Naam, Adres, Woonplaats) tussen de opsporings- en inlichtingendiensten en aanbieders van telecommunicatie.

Het CIOT-systeem is 24 uur per dag en 7 dagen in de week beschikbaar. Met het CIOT is een veilige en efficiënte werkwijze gerealiseerd.

Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT)

Het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) verwerkt en analyseert ten behoeve van de waarheidsvinding in opsporingsonderzoeken meldingen van ongebruikelijke transacties om te beoordelen of zij (mogelijk) te maken hebben met witwassen of financiering van terroristische activiteiten. Deze transacties zijn afkomstig van financiële instellingen, casino's en handelaren in zaken van grote waarde. Medio 2003 zal ook voor de vrije beroepsgroepen en trust- en financieringsmaatschappijen een meldplicht gelden.

Integriteit

Justitie voert een viertal wetten en besluiten uit met betrekking tot integriteit: de Wet Wapens en Munitie en de Flora en Faunawet ten behoeve van de beheersing van het legale bezit van wapens en munitie, de Wet op de Particuliere Beveiliging en Recherchebureaus ten behoeve van de toetsing op bekwaamheid en betrouwbaarheid en het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar voor de verlening van opsporingsbevoegdheid.

Instrumenten

NFI

De verwachtingen van het NFI zijn voor een deel geformuleerd in het Veiligheidsprogramma, met name de verbetering van de kwaliteit van de recherche en de uitbreiding van opsporingsinstrumenten zoals de landelijke sporendatabank en DNA onderzoek. De ambities, vastgelegd in de convenanten met de korpsbeheerders, om in 2006 40 000 extra verdachten bij het OM aan te leveren zal ongetwijfeld voor een deel moeten worden bereikt door de mogelijkheden van het technisch-wetenschappelijk onderzoek meer te benutten. Indien er van uit gegaan wordt dat de kwantitatieve toename in de keten gelijk verdeeld zal zijn over alle typen misdrijven betekent dit ook voor het NFI een vraag die in 2006 20% hoger zal liggen dan nu het geval is.

CIOT

Op de relevante punten (gebruik CIOT, beveiliging, functioneren) worden periodiek audits uitgevoerd.

Na mei 2004 zullen alle aanvragers (43 organisaties verdeeld over zeven ministeries) gebruik maken van het CIOT-systeem. Daarnaast zullen in 2004 nieuwe aanbieders worden toegevoegd aan het CIOT-systeem.

MOT

Het MOT zal in 2004, mede als gevolg van de uitbreiding van de meldplicht met de vrije beroepsbeoefenaren, naar verwachting wederom meer en een grotere diversiteit aan meldingen ontvangen. Aandacht gaat daarom uit naar verbeteringen in het werkproces van het MOT die verwerking en analyse van deze meldingen mogelijk maken. Verder wordt ingezet op het selecteren voor de opsporing van subjecten, die prominent naar voren komen uit de meldingen.

Prestatiegegevens

NFI2002200320042005200620072008
Aantal geleverde producten per kerntaak       
Forensisch onderzoek (producten) 109 050129 159131 110132 398133 355140 402
Research & Development (uren) 57 95982 31479 93480 72081 30385 600
Kennis en Expertise (uren) 23 85026 11226 34226 60126 79328 209
        
Kostprijs per product       
Forensisch onderzoek (per product) 196214201201201201
Research & Development (per uur) 126110108108108108
Kennis en Expertise (per uur) 140164155155155155
        
Percentage aanvragen afgehandeld binnen de afgesproken tijd 858585858585
CIOT2002200320042005
Aantal Bijzondere Opsporings- en Inlichtingendiensten (BOID's)36434343
Aantal Telecomaanbieders aangesloten op CIOT systeem8172525
Aantal aanvragen300 000700 0001 000 0001 200 000
Hit-rate55%85%95%95%

MOT

In 2003 verwacht het Meldpunt zo'n 150 000 meldingen te registreren. Bij ongewijzigd beleid zal dit aantal in 2004 op 180 000 uitkomen.

Integriteit2002200320042005200620072008
Particuliere beveiliging en opsporing       
Aantal beslissingen vergunningaanvragen934800800800800800800
Doorlooptijd: % binnen 16 weken27505050505050
        
Buitengewone opsporingsambtenaren       
Aantal beslissingen BOA8 0117 0004 5004 5004 5004 5004 500
Doorlooptijd: % binnen 16 weken (verzoek 1a)90909090909090
Doorlooptijd: % binnen 4 weken (verzoek 1b/1c)99909090909090
        
Wet Wapens en Munitie (WWM)/ Flora- en Faunawet       
Aantal administratieve beroepen82959595959595
Doorlooptijd: % binnen 16 weken15757575757575
Aantal verzoeken om ontheffing WWM105808080808080
Doorlooptijd: % binnen 12 weken51757575757575

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie pilot Meld Misdaad Anoniem (voorheen Crimestoppers)afgerond in 2003
  
Evaluatie van het project financieel rechercherenafgerond in 2002
  
Onderzoek naar de oorzaken van het dalen aantal verdachten voor het begaan van milieudelictenafgerond in 2002
  
Evaluatie keten Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT)afgerond in 2003

In opdracht van Justitie is in 2003 een nulmeting uitgevoerd om inzicht te geven in de rol en effectiviteit van DNA-onderzoek en de werkprocessen rond DNA-onderzoek in de strafrechtketen gezien de nieuwe wet per 1 november 2001. Met behulp van de indicatoren die in de nulmeting worden benoemd, wordt in 2004 een vervolgmeting uitgevoerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.3.2       
        
uitgaven123 30654 73861 07458 09458 46958 68160 781
programma-uitgaven122 89654 43460 78157 82958 19058 40360 503
waarvan:       
– bijdragen0043 57240 91041 28641 55443 654
– subsidies0455410411410410410
apparaatsuitgaven410304293265279278278
        
ontvangsten1 3421539 7090000
        
verplichtingen135 30454 73861 07458 09458 46958 68160 781

VBTB-paragraaf

Vanaf eind 2003 zal bij het onderdeel Integriteit ook de indicator behandeltijd gebruikt worden.

Operationele doelstelling 3.3.3

Kwalitatief goede beleids- en uitvoeringskaders ten behoeve van de handhaving van straf- en ordeningsrecht.

Toelichting

Uitvoerende justitiële instanties worden onder andere met behulp van wetten, beleids- en uitvoeringskaders in staat gesteld de hun toebedeelde taken ten aanzien van de handhaving van straf- en ordeningswetgeving adequaat uit te voeren. Het is de taak van het ministerie van Justitie om te zorgen dat de daartoe nodige wetten, beleids- en uitvoeringskaders de uitvoerende justitiële instanties in staat stellen om dat wettelijk verankerd op doelmatige en doeltreffende wijze te kunnen doen.

Instrumenten

Bestuurlijke boete

In het Veiligheidsplan is de ambitie opgenomen om de verloedering van de publieke ruimte tegen te gaan en de normnaleving in de publieke ruimte te vergroten. De publieke ruimte zal daardoor veiliger worden. Om de politie te ontlasten en het bestuur meer invloed te geven op de handhaving wordt de punitieve armslag van het bestuur verruimd.

Gestreefd wordt naar invoering van een bestuurlijke boete voor kleine ergernissen in de publieke ruimte.

Handhaven op niveau

Het in 2000 gestarte actieprogramma «Handhaven op Niveau» is inmiddels tot brede ontwikkeling gekomen. Naast de eerder gestarte programmalijn «Best Practice Ontwikkeling» heeft de stuurgroep «Handhaven op Niveau» ervoor gekozen om een tweede programmalijn te ontwikkelen: die van het «Programmatisch Handhaven».

Uit de laatste «Handhaven op Niveau»-monitor, uitgevoerd in november 2002, blijkt dat ruim 80% van de gemeenten bezig is met het ontwikkelen van (integraal) handhavingbeleid. Vrijwel allen maken gebruik van het instrumentarium dat in het kader van «Handhaven op Niveau» is ontwikkeld en dat nu verder wordt uitgebouwd en verfijnd.

In het kader van de «Best Practice Ontwikkeling» loopt inmiddels een groot aantal lokale pilots, waarin tezamen met de werkvloer, succesvolle handhavingsmethoden worden ontwikkeld en beproefd. Daarnaast heeft de stuurgroep ervoor gekozen om zich ook te richten op het landelijk verspreiden van reeds bestaande best practices. De eerste «best practice» is in april 2003 gereed gekomen. Het betreft de «Bestuursrechtelijke handhaving: handleiding voor de praktijk», opgesteld in samenwerking met de gemeente Den Haag. Meer resultaten zullen met name vanaf 2004 beschikbaar komen voor alle handhavers in Nederland.

Zoals bedoeld convergeren de twee programmalijnen, enerzijds gericht op beleidsvorming en anderzijds gericht op de kwaliteit van de uitvoering, steeds meer tot het einddoel van «Handhaven op Niveau»: het verbeteren van de kwaliteit van de handhaving, verdere professionalisering en het bevorderen van samenwerking tussen alle betrokkenen bij de handhaving van ordeningswetgeving.

Integrale evaluatie van het actieprogramma «Handhaven op Niveau» zal plaatsvinden aan het einde van 2005, het tijdstip waarop de stuurgroep volgens de opdracht van de minister van Justitie haar activiteiten beëindigt.

Rijk aan handhaving

In het Veiligheidsplan is de ambitie opgenomen om tekorten in de handhaving van ordeningswetgeving weg te werken en ongewenste gedoogsituaties te beëindigen. De veiligheid in de publieke ruimte zal daardoor toenemen. Ter versterking van de handhaving van ordeningswetgeving wordt een thans nog ontbrekend integraal en planmatig uitvoeringskader geschapen voor de handhaving van ordeningswetgeving door vakministers, in overeenstemming met mede-overheden en strafrechtelijke actoren.

De handhaving van ordeningswetgeving zal versterkt worden door op beleidsterreinen van alle vakdepartementen een handhavingsplan op te stellen. En door op het bevorderen van de naleving van wettelijke regels toegesneden kwaliteitsinstrumenten te ontwikkelen en toe te passen.

In 2004 worden de bestaande procedures, plannen en instrumenten ten behoeve van de handhaafbaarheid van wetgeving geïnventariseerd.

Fraude en financieel-economische criminaliteit

De afgelopen jaren is veel geïnvesteerd in de randvoorwaarden die nodig zijn de bestrijding van fraude en financieel-economische criminaliteit breder ingang te doen vinden binnen de organisaties van opsporing en vervolging. In de «Fraudenota 2002–2006» (TK, 17 050, nr. 234) zijn verschillende ambities opgenomen, die thans uitgevoerd zullen worden.

Identiteitsfraude berokkent overheid en bedrijfsleven jaarlijks een schade van naar schatting € 300 miljoen. Op basis van de «Fraudenota 2002–2006» zal de aanpak van identiteitsfraude geïntensiveerd worden met het doel deze schade – denk aan ten onrechte door de overheid verstrekte sociale uitkeringen en oplichting van verzekeringen en banken- te beperken. Daarbij moet een relatie gelegd worden met de bestrijding van illegaal verblijf in het algemeen, de aanpak van criminele illegale vreemdelingen in het bijzonder en de handhaving van de in te voeren identificatieplicht. Het OM zal, aansluitend op intensivering in de aanpak van de identiteitsfraude in eerdere schakels van de «identiteitsketen», meer zaken in behandeling nemen. Het aantal zaken groeit van 3 000 in 2002 tot vermoedelijk 5 000 in 2003. Het aantal zaken zal in 2004 vermoedelijk verder groeien.

Voorts wordt een extra impuls gegeven aan opsporing en vervolging van fraude in de private sector: banken, verzekeraars, de transportsector, bedrijfsleven, conform de «Fraudenota 2002–2006». Dat wil zeggen: verbreding van het aandachtsveld en uitbreiding van de capaciteit van het OM en de ZM. De criminele fraudekaart wordt verder ontwikkeld teneinde ontwikkelingen in de omvang van de grote variëteit van fraude te kunnen monitoren en toekomstige beleidskeuzes op te kunnen baseren.

Voortvloeiend uit de aanpak van fraude in de transport- en logistieke sector zal het OM jaarlijks 2 zware en 5 middelzware zaken extra in behandeling nemen. De aanpak van de fraude in de telecomsector zal er toe leiden dat het OM jaarlijks 2 zware en 7 middelzware zaken in behandeling neemt.

Mensenhandel

In de kabinetsreactie op de eerste rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft het kabinet aangegeven mensenhandel met kracht te willen bestrijden (TK, 28 638, nr. 1, 2002–2003). Om de opsporing en vervolging van mensenhandelaren te vergemakkelijken zorgt de Stichting Tegen Vrouwenhandel (STV) voor de beschikbaarheid van slachtoffers voor de politie en voor het OM en voor de nodige centrale aanmelding, plaatsing en registratie van slachtoffers van mensenhandel. Zo kunnen ze verklaringen afleggen die bruikbaar zijn in het opsporings- en vervolgingsproces.

De gegevens van de STV worden bovendien gebruikt door de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) voor de jaarlijkse rapportage over het fenomeen mensenhandel en de aanpak daarvan in Nederland.

Met een financiële bijdrage van het ministerie van Justitie van € 300 000 per jaar verzorgt de STV de centrale aanmelding, plaatsing en registratie van tenminste 300 slachtoffers van mensenhandel per jaar.

Nationale recherche

In het Veiligheidsprogramma is de vorming van de nationale recherche en bovenregionale teams aangekondigd. Met ingang van 1 januari 2004 zijn de zeven kernteams, de unit synthetische drugs, de unit mensensmokkel en de XTC-teams overgaan in de nationale recherche, die wordt ondergebracht bij het KLPD. Per 1 januari 2004 zijn ook de zes bovenregionale teams, waarin tevens de capaciteit en de taken van de interregionale fraudeteams opgaan, gevormd. De nationale recherche zal zich vooral richten op de bestrijding van de zware georganiseerde criminaliteit, de bovenregionale teams richten zich op de zogenaamde middencriminaliteit. Naast deze bundeling van recherchecapaciteit bij de politie wordt de gezagsuitoefening aan OM-zijde vereenvoudigd. Vanaf 1 januari 2004 is er bijvoorbeeld nog maar één parket met de aansturing van de nationale recherche belast. Het stellen van onderzoeksprioriteiten en het verschuiven van capaciteit tussen teams wordt daarmee gemakkelijker.

In 2004 zal in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, politie en het OM verder gewerkt worden aan de versterking van de kwaliteit van de opsporing in het algemeen. Reeds in gang gezette ontwikkelingen zullen worden gevolgd en waar nodig en nuttig gestimuleerd. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar het realiseren van een pilot «Nationale sporendatabank». Door middel van zo'n databank kunnen beter, waar aanwezig, relaties tussen diverse plaatsen van het delict gelegd worden en kunnen de sporen van de plaats delict vergeleken worden met de in de sporendatabank opgenomen sporen. Naar verwachting zal dit een positief effect hebben op het bestrijden van de «high volume crime» en in het verlengde daarvan de aanpak van veelplegers.

Opsporing voortvluchtigen

Al sinds begin van de jaren negentig is er periodiek in meer of mindere mate aandacht besteed aan de opsporing van voortvluchtigen (ontsnapte gevangenen, bij verstek veroordeelden en niet van proefverlof teruggekomen gevangenen). Argumenten om die opsporing thans te intensiveren zijn de toenemende internationale druk om mee te werken aan de opsporing van internationaal gesignaleerde voortvluchtigen en de toenemende onrust die ontstaat bij ontsnapping van gevangenen.

Daarom is een pilot gestart die er op gericht is jaarlijks de 25 zwaarst gestrafte voortvluchtigen in te sluiten. Het is de bedoeling dat de pilot ter opsporing van voortvluchtigen in 2004 wordt voortgezet.

Terrorisme en extremisme

Op 24 juni jl. is door de minister van Justitie namens het Kabinet aan de Tweede Kamer de nota «Terrorisme en de bescherming van de samenleving» (TK, 27 925, nr. 94) aangeboden. Concrete maatregelen die in het kader van de terrorismebestrijding op korte termijn zullen worden genomen, zijn:

1. Oprichting van het Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding onder voorzitterschap van het ministerie van Justitie en een daarbij behorend Coördinerend overleg;

2. Begin maken met het opstellen van de wetsvoorstellen zoals zijn aangekondigd in bovenstaande nota;

3. Maatregelen op het gebied van contraterrorisme, bewaking en beveiliging en de aanpak van de voedingsbodem voor terrorisme, in nauwe afstemming met de betrokken departementen.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Monitor prostitutiebeleid 2001afgerond in 2002 
   
De sociale positie van prostituees bij de gereguleerde bedrijvenafgerond in 2002 
   
Knelpunten in de dienstverlening aan prostitueesafgerond in 2002 
   
Imago onderzoek prostitutieafgerond in 2002 
   
Evaluatie handhaving lokaal prostitutiebeleidafgerond in 2002 
   
Handhaving prostitutiebrancheafgerond in 2002 
   
Het bordeelverbod opgeheven, prostitutie in 2000–2001afgerond in 2002 
   
Evaluatie van project Hektor van de gemeente Venlo om overlast van softdruggebruik en – handel tegen te gaanafgerond in 2002 
   
Evaluatie grote ontnemingzakenaf te ronden in 2004 
   
Evaluatie Kernteamsafgerond in 2002 
   
Evaluatie van de wijzigingen van de WVW 1994afgerond in 2003 
   
Evaluatie regioplannenafronding eind 2003/ begin 2004 
   
Evaluatie bestuurlijke en strafrechtelijke samenwerking op het terrein van verkeershandhavingstart eind 2004, nulmeting uitgevoerd in 2002 
   
Evaluatie van de gevolgen van «Rijk aan handhaving»vanaf 2005 
   
Evaluatie van de pilot «Opsporing voortvluchtigen»start in 2004Naar aanleiding van de uitkomsten van de evaluatie wordt onder andere besloten over het gewenste inspanningsniveau om voortvuchtigen op te sporen en waar een eventuele voortzetting van de pilot organisatorisch ondergebracht kan worden.
   
Evaluatie van de bruikbaarheid van de kliklijn «meld misdaad anoniem»afgerond in 2003, jaarlijkse evaluatie 
   
Evaluatie naar het functioneren van het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV)afgerond in 2003 

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.3.3       
        
uitgaven91 820126 14025 80026 12625 39623 80523 105
programma-uitgaven82 407119 66419 38719 68118 87517 31116 611
waarvan:       
– subsidies1 7322 3932 1331 9681 1331 039997
apparaatsuitgaven9 4136 4766 4136 4456 5216 4946 494
        
ontvangsten54 57432 43000000
        
verplichtingen100 675126 14025 80026 12625 39623 80523 105

Operationele doelstelling 3.3.4

Het beleid en de regelgeving ten aanzien van de rechtshandhaving zijn aangesloten op de internationale ontwikkelingen op rechtshandhavingsgebied.

Toelichting

In de bilaterale relaties met (omringende) EU-Lidstaten zal de voortdurende strijd tegen de georganiseerde criminaliteit centraal staan. In dat kader zullen deze relaties ook verder worden geïntensiveerd. Zodra de daarvoor noodzakelijke verdragen dan wel verdragswijzigingen in werking zijn getreden, zal deelname van Nederlandse opsporingsinstanties aan multilaterale gezamenlijke onderzoeksteams met assistentie van Europol worden bevorderd.

Europol

Nederland zal zich in dit kader inspannen om een maximale bijdrage te leveren aan het verder verbeteren van het functioneren van Europol o.a. als leverancier van kwalitatief hoogstaande criminele analyses. In de eerste plaats zal verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van een systeem ten behoeve van informatievoorziening van Nederlandse opsporingsinstanties aan Europol. In de tweede plaats zal Nederland in het verband van de EU-Multidisciplinaire Werkgroep Georganiseerde Criminaliteit een bijdrage blijven leveren aan een door deze werkgroep geïnitieerd project dat zich richt op het verder verbeteren van de methodologie waarmee de aard, omvang en de te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit in Europees verband worden gemeten en beschreven.

Kaderbesluiten/MoU's/bilaterale samenwerking

Naar verwachting zal het aantal kaderbesluiten van de Europese Unie inzake de wederzijdse erkenning van buitenlandse rechterlijke beslissingen in 2004 worden uitgebreid. Dit zijn besluiten die de werking van nationale rechterlijke beslissingen uitbreiden tot het gehele grondgebied van de EU. Overwogen wordt om met België en Duitsland bilaterale verdragen af te sluiten op het terrein van de politiesamenwerking ten einde de vorig jaar geïnventariseerde knelpunten op het terrein van deze samenwerking op te lossen. Deze verdragen zullen in eerste instantie gericht zijn op het oplossen van knelpunten op het terrein van de openbare orde en de opsporing van strafbare feiten in de grensstreek. Zij zullen echter ook een bredere reikwijdte kunnen krijgen en zich kunnen richten op de het gehele terrein van de politiële samenwerking met beide landen. Over de inhoud van het bilaterale verdrag met Duitsland vindt thans op ambtelijk niveau overleg plaats met Duitsland.

De bilaterale samenwerking met de VS zal, zeker op het terrein van de handel in XTC, ook in 2004 grote aandacht krijgen.

De bilaterale samenwerking met het Verenigd Koninkrijk zal in 2004 naar verwachting worden geïntensiveerd. De verbeterde samenwerking hangt samen met de voorbereiding van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in 2004 en een goede samenwerking op het gebied van het drugsbeleid.

Internationale Rechtshulp Centra

De toepassing van zowel bestaande als nieuwe verdragen en de nakoming door de Nederlandse autoriteiten van de verdragsverplichtingen zal worden gevolgd. Door de verbeterde inrichting van de internationale rechtshulpketen in Nederland onder andere door de oprichting van het landelijk netwerk van Internationale Rechtshulp Centra (IRC's) en de ondersteuning vanuit het landelijk registratiesysteem voor rechtshulpverzoeken (Luris) is de mogelijkheid tot toezicht op de uitvoering van de verdragen beter geworden. Met het in gebruik nemen van Luris II in 2002 zijn de mogelijkheden op het verkrijgen van meer inzicht in aard en omvang van rechtshulpverzoeken en de prestaties van de politie en het OM op dit vlak aanzienlijk verbeterd. In 2003 is een registratie-instructie opgesteld voor de IRC's om tot een daadwerkelijk totaaloverzicht in de managementrapportages te komen. Ook is Luris in 2003 verder ontwikkeld, zodat onder andere ook het digitaal inlezen van alle interpolberichten mogelijk is. In 2004 als Luris een geheel kalenderjaar in gebruik is, zullen de rapportages uit het systeem prestatiegegevens voor alle ketenpartners afzonderlijk en Nederland als geheel kunnen genereren. Voorts is in het kader van het operationeel worden van de Nationale Recherche van belang dat de organisatorische voorzieningen over de aansluiting van de IRC's bij de regiokorpsen en het KLPD in 2004 gestalte krijgen.

Phare programma's

Het ministerie van Justitie heeft in de afgelopen jaren bijgedragen aan de uitvoering van de door de Europese Commissie gefinancierde multilaterale zogenaamde Phare-programma's in met name Polen, Slowakije, Tsjechië, Hongarije en Estland. Deze programma's hadden tot doel om de binnenkort tot de Unie toetredende landen in Midden- en Oost Europa vertrouwd te maken met het acquis van de Europese Unie op het terrein van politie en Justitie. In het licht van de toetreding zal de daadwerkelijke (bilaterale) operationele samenwerking meer aandacht krijgen. Voor wat betreft pre-accessiesteun door middel van Phareprojecten zal de aandacht meer gericht gaan worden op de volgende groep van mogelijke toetreders, t.w. Roemenië, Bulgarije, Joegoslavië, Turkije en de Russische Federatie.

Drugsproblematiek

Het Kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord gesteld in te willen zetten op een harde aanpak van de productie van en handel in harddrugs, in het bijzonder XTC. Bij brief van 8 juli 2003 (TK 23 760, nr. 16) is de Tweede Kamer medegedeeld dat de uitvoering van de in de nota «Samenspannen tegen XTC» aangekondigde maatregelen op schema ligt en in 2004 zal worden voortgezet.

Met name het coffeeshopbeleid dat in 1997 is ingezet heeft op een aantal onderdelen nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Het drugstoerisme veroorzaakt nog steeds overlast in het bijzonder in sommige grensstreken en het vestigingsbeleid van gemeenten om te voorkomen dat coffeeshops in de buurt van scholen zijn gevestigd heeft nog niet overal de gewenste resultaten opgeleverd. Het Kabinet zal in overleg met gemeenten nieuw beleid ontwikkelen teneinde coffeeshops in de buurt van scholen en in grensgebieden terug te dringen. Een eerste aanzet hiertoe wordt gegeven in de Cannabisbrief die in het najaar van 2003 naar de Tweede Kamer is gezonden. In het kader van de aanpak van drugsoverlast en -criminaliteit wordt in Venlo het project «Hector» uitgevoerd. Door multidisciplinaire samenwerking van gemeentelijke diensten, politie, OM en Belastingdienst wordt een low-tolerance beleid gevoerd om lokale drugsoverlast te bestrijden. Voor 2004 is hiermee een subsidie gemoeid van circa € 1,4 miljoen.

Doping

Ook de bestrijding van doping vormt een aandachtspunt. Doping is qualitate qua nauw met de sport verweven, maar kent daarnaast maatschappelijke componenten die breder gaan dan de sport alleen. Met betrekking tot dopinggebruik voert Nederland een non-interventie beleid, waarbij de verantwoordelijkheid voor de aanpak van het fenomeen hoofdzakelijk bij de sportsector zelf gelaten wordt. Op bezit, productie van en handel in dopinggeduide middelen zijn verschillende wettelijke regimes van toepassing. Gezien de aard en omvang van de handel in dopinggeduide middelen en de veronderstelde groei van het aantal in omloop zijnde vervalste preparaten, wordt een actiever overheids- en justitieel optreden wenselijk en mogelijk geacht. Het Openbaar Ministerie behandelt in nauwe samenwerking met onder andere de Inspectie voor de Gezondheidszorg dopingzaken die tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden.

Internationaal drugsbeleid: EU actieplan

De nationale en de internationale dimensie van het drugsbeleid hangen nauw met elkaar samen. In internationaal verband (EU, VN en in combinatie met belangrijke Europese partners) neemt Justitie actief deel aan drugsoverleggen. Nederland zal tijdens het EU voorzitterschap in 2004 een Europese drugsstrategie voor de jaren 2005 en verder presenteren. Belangrijk thema hierin zal zijn de gezamenlijke aanpak van de productie en handel in XTC en andere synthetische drugs.

Justitie neemt deel aan internationale overlegstructuren op het gebied van beleidsmatige en operationele samenwerking. Het instrument van het gemeenschappelijke onderzoeksteam zal na ratificatie van het Europees Rechtshulpverdrag (art. 13 van dit verdrag) worden ingezet. Met Frankrijk werd reeds op experimentele basis in enkele drugszaken met parallelle teams gewerkt. Verder zal over de eigen (te ontwikkelen) handhavingstrategie inzake drugs met andere landen worden gesproken, in het bijzonder met onze buurlanden en Frankrijk. Ook de inbreng van Europol wordt daarbij bezien.

In het kader van het bilateraal overleg met Frankrijk is in 2003 overeengekomen om te bezien -mede op basis van een uit te voeren evaluatie van eerder gezamenlijke uitgevoerde onderzoeken- welke onderzoeken in aanmerking komen om in joint team verband uit te voeren.

Afhankelijk van besluitvorming over het EU kaderbesluit Illegale Drugshandel zal de uitwerking daarvan in Nederlands beleid ter hand worden genomen.

Instrumenten

• Algemene regelgeving: verdragen, verdragswijzigingen, kaderbesluiten van de EU, wetswijzigingen en uitvoeringsregelingen;

• Overleg: Raadswerkgroepen in de EU met name inzake Europol, de Georganiseerde Criminaliteit, politiesamenwerking en justitiële samenwerking, bilaterale overleggen en nationale werkgroepen en voorlichtingsbijeenkomsten;

• Europol: Criminele analyses, een systeem voor informatieoverdracht van Nederlandse opsporingsinstanties aan Europol;

• FIU: Het FIU-net;

• Internationaal Strafhof: Het Statuut van het ISH, wet en uitvoeringsregeling;

• Internationale Rechtshulp Centra: Het landelijk netwerk van IRC's en de Nota's Criminaliteitsbeheersing en Landelijke en Bovenregionale recherche;

• Relaties met EU-toetreders: Multi-laterale Phare projecten;

• Drugsproblematiek: Drugsanalyses van aard en omvang; uitvoeren van de XTC-nota in samenwerkingsverband met diverse ministeries en uitvoerende organisaties, ontwikkelen van een plan voor de uitvoering en prioriteiten in het justitieel drugsbeleid;

• Doping: Ettelijke regimes;

• Internationaal drugsbeleid: Internationale overleggen met betrekking tot drugs(beleid);

• Het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2004.

Tijdens het voorzitterschap worden door de horizontale EU-drugswerkgroep twee producten vervaardigd, de EU-drugsstrategie 2005–2010 en de eindevaluatie actieplan 2000–2004. Voorts wordt in de eerste helft van 2004 een seminar georganiseerd ten behoeve van de ontwikkeling van de drugsstrategie;

• Het Kaderbesluit van de Raad van Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel dient per 1 januari 2004 in Nederland van kracht te worden. Het Kaderbesluit bevat tal van vernieuwingen, onder andere ten aanzien van de uniformering, zoals het hanteren van een hoofdregel voor uitlevering, het opheffen van toetsing aan dubbele strafbaarheid, de regel dat uitlevering plaatsvindt op justitieel niveau en het hanteren van gemeenschappelijke termijnen voor afdoening. In 2004 wordt voor de implementatie van het Kaderbesluit ten behoeve van het OM en de Rechterlijke Macht een handleiding geschreven en cursussen gegeven;

• De multidisciplinaire EU-werkgroep georganiseerde criminaliteit ontwikkelt in 2004 een schets voor een «comprehensive strategy in combating organised crime». Voor de ontwikkeling hiervan wordt in 2004 een seminar georganiseerd.

Prestatiegegevens

Eind 2003 zijn afspraken gemaakt met België en Duitsland over de wijze waarop de gezamenlijk geconstateerde knelpunten in de grensoverschrijdende criminaliteit en overlast kunnen worden opgelost. Deze afspraken zullen hun weerslag krijgen in vastgestelde procedures en/of in een Memorandum of Understanding of bilateraal verdrag. Een bilateraal verdrag met Duitsland op het terrein van de politiesamenwerking zal naar verwachting in de eerste helft van 2004 kunnen worden ondertekend.

De samenwerking tussen Nederland en het International Criminal Court (ICC) zal in een handleiding ten behoeve van het OM en politie worden beschreven. Het OM en de politie zullen erop worden aangesproken dat alle IRC's de opgedragen taken volledig uitvoeren.

In 2004 zal een aantal multilaterale Phareprojecten (programma's die ten doel hebben de tot de Unie toetredende landen kennis te verschaffen op het gebied van het EU-acquis van politie en Justitie) ten behoeve van de Landen van Midden- en Oost-Europa zijn afgerond.

Soort waarde (%, aantal, etc.)

 2003200420052006
Aantal strafrechtelijke vervolgingen en afgehandelde rechtshulpverzoeken in kader XTC 303030
     
Omvang drugsproblematiek uitgewerkt naar soort, aantal (deel)onderzoeken4444
     
Aantal strafrechtelijke vervolgingen doping10101010
     
Deelname overleggen drugs in Eu-verband, inzet fte per jaar5322

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Samenspannen tegen XTC: indicatoren voor het monitoren van de XTC-aanpak (tussenrapportage).afgerond in 2002
  
XTC-Koeriersafgerond in 2002
  
Inventariseren van de resultaten van de nota «Samenspannen tegen XTC»afgerond in 2003
  
Inzicht in het gebruik en de aanschaf van cannabis door 16 en 17-jarigenafgerond in 2002
  
Handhaving prostitutiewetgeving in de escortbrancheafgerond in 2003
  
Handhaven Op Niveau – pilots prostitutiewetgevingafgerond in 2003

De werkzaamheden van alle bij de XTC-nota betrokken organisaties en ministeries worden jaarlijks geëvalueerd.

Daarnaast wordt een Voortgangsrapportage Drugbeleid jaarlijks aan de Tweede Kamer aangeboden.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.3.4       
        
uitgaven15 00612 09611 64923 60019 00819 06819 068
programma-uitgaven13 1779 9379 51621 52916 89816 96716 967
waarvan:       
– subsidies01597537000
apparaatsuitgaven1 8292 1592 1332 0712 1102 1012 101
        
ontvangsten1 059000000
        
verplichtingen16 02212 09611 64923 60019 00819 06819 068

VBTB-paragraaf

In de loop van 2003 zijn op basis van de managementrapportages in Luris II de eerste inzichten beschikbaar gekomen van de wijze waarop het OM en de politie in het algemeen en de IRC's in het bijzonder de internationale verdragsverplichtingen tot uitvoering van rechtshulpverzoeken nakomen. Op basis van deze informatie zullen in 2004 meer concrete prestatie-indicatoren worden geformuleerd voor de jaren daarna.

Beleidsartikel 3.4 Jeugdbescherming

Justitie heeft op twee manieren met jeugd te maken: vanuit het perspectief van (internationale) jeugdbescherming en vanuit het perspectief van bestrijding van jeugdcriminaliteit. Jeugdbescherming is aan de orde in situaties waarin een kind het slachtoffer is of dreigt te worden van een gebrekkige opvoeding of leefomstandigheden. Justitie heeft dan een aantal wettelijke verplichtingen en bevoegdheden om in te grijpen. Internationale bescherming van kinderen speelt zich vooral af op het terrein van interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering.

Het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit is aan de orde als een minderjarige een pleger is van strafbare feiten of dat dreigt te worden. Justitie heeft dan de taak om snel en consequent te reageren of te anticiperen.

Jeugdbescherming en het tegengaan van jeugdcriminaliteit liggen in elkaars verlengde, daar het in een bedreigende situatie opgroeien een extra risicofactor vormt voor (herhaald) crimineel gedrag.

Beleidsdoelstelling 3.4

Het zo snel mogelijk opheffen van situaties waarin het recht van jeugdigen op een goede opvoedings- en leefsituatie wordt geschonden; en een vermindering van (de herhaling van) delictgedrag door jeugdigen.

Jeugdbescherming

Kinderen hebben recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid. Dit is een basisrecht dat is opgenomen in het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind, dat ook door Nederland is ondertekend. De eerste verantwoordelijkheid om dit recht te realiseren ligt bij de ouders. Wanneer ouders deze verantwoordelijkheid echter niet naar behoren vervullen, is het de plicht van de overheid om in actie te komen. Bij de jeugdbescherming spelen diverse instanties als de Raad voor de Kinderbescherming, het Bureau Jeugdzorg en de rechter een rol. Wanneer een Bureau Jeugdzorg (BJZ) vermoedt dat een kind mogelijkerwijs beschermd dient te worden, schakelt het de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) in. De Raad verricht vervolgens een onderzoek (operationele doelstelling 3.4.7). Wanneer de Raad van mening is dat een kinderbeschermingsmaatregel (voogdij of gezinsvoogdij) opgelegd dient te worden, rekwestreert deze instantie de rechter. Wanneer de rechter de voorgestelde maatregel oplegt, voert BJZ deze vervolgens uit (operationele doelstelling 3.4.8). Het initiatief om de opgelegde maatregel te beëindigen ligt eveneens bij het BJZ. De BJZ's zijn stichtingen en opereren binnen de financiële en beleidsmatige kaders van hun provincie of grootstedelijke regio; de Raad maakt integraal onderdeel uit van het ministerie van Justitie.

Justitie streeft ernaar de jeugdbescherming effectiever te maken. Door de Wet op de Jeugdzorg die naar verwachting op 1 januari 2004 in werking treedt, kan de vrijwillige jeugdzorg en de jeugdbescherming (de gedwongen setting) beter op elkaar worden afgestemd.

Daarnaast zijn plannen ontwikkeld voor een samenhangend pakket van verbeteractiviteiten. Een belangrijk onderdeel van dit pakket is voor zover mogelijk het meetbaar maken van de effectiviteit van de jeugdbescherming.

De ministeries van VWS, BZK, OCW, SZW en Justitie hebben binnen de operatie JONG de handen ineengeslagen om tot sluitende ketens van jeugdvoorzieningen te komen. Deze operatie moet meer samenhang in het jeugdbeleid tot stand brengen, knelpunten opsporen en aanpakken en betere onderlinge samenwerking creëren.

Jeugdcriminaliteit

De aard en omvang van de jeugdcriminaliteit vormen een serieuze bedreiging voor de maatschappelijke orde. Het totale aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten is de laatste vijf jaar weliswaar stabiel gebleven (CBS: 47 000 per jaar), maar ligt op een structureel hoger niveau dan in de jaren daarvoor. Strafbaar gedrag varieert van incidenteel normoverschrijdend opgroeigedrag, dat gezien kan worden als een doorgeschoten uiting van experimenteergedrag, tot het stelselmatig plegen van delicten. Binnen het verschijnsel jeugdcriminaliteit kunnen verschillende aspecten worden onderscheiden, zoals leeftijd, etnische achtergrond, aard en ernst van het delict en de locatie waar jeugdcriminaliteit zich concentreert (high-crime-areas). Bij de aanpak van jeugdcriminaliteit wordt op één of meerdere van deze aspecten ingezet. Op basis van het aantal opgemaakte processen-verbaal en de zwaarte van de gepleegde delicten is de groep criminele jongeren in te delen naar first-offenders, lichtcriminele jongeren, veelplegers en harde-kernjongeren. Daarnaast kan men ook een groep jongeren onderscheiden die ervoor vatbaar is om in de toekomst met het jeugdstrafrecht in aanraking te komen. Al met al vraagt de problematiek om het bieden van maatwerk in de aanpak teneinde eerste delicten te voorkomen en recidive terug te dringen. Deze aanpak is uitgewerkt in het Programma Aanpak Jeugdcriminaliteit 2003–2006 «Jeugd Terecht» (TK, 28 741, nr.1). De belangrijkste onderwerpen uit dit programma worden hieronder in samenhang benoemd, terwijl ze deel uitmaken van verschillende beleidsartikelen en operationele doelstellingen.

Voor de effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit is samenhang en samenwerking een vereiste. Samenwerking van de ketenpartners politie, Openbaar Ministerie, Halt, Raad, jeugdreclassering, Zittende Magistratuur en justitiële jeugdinrichtingen is een noodzakelijke voorwaarde voor een snelle en gerichte benadering van jeugdigen die strafbare feiten hebben gepleegd. Bij een korte doorlooptijd tussen de aanhouding en de strafuitvoering daalt de kans op recidive. Omdat de privacywetgeving nog vaak wordt ervaren als een complicerende factor in ketensamenwerking, zal een helpdesk privacy worden ingericht om de lokale partijen snel de juiste informatie te geven op dit terrein. Samenwerking vindt met name plaats in het in 2003 ingevoerde casusoverleg tussen Raad, Openbaar Ministerie, politie en andere betrokken partners. In dit casusoverleg wordt de aanpak van individuele jeugdzaken afgestemd, waarbij wordt uitgegaan van 25 000 zaken in het jaar 2004. In dat jaar wordt ook beoogd om zo veel mogelijk alle jongeren die niet naar Halt zijn verwezen en niet zijn voorgeleid in het casusoverleg te bespreken. Het OM heeft daarbij de rol van procesbewaker en de Raad is vooral gericht op een op maat van de jongere te snijden sanctie (operationele doelstellingen 3.3.1 en 3.4.7).

Er worden daarnaast vijf centra in het land opgericht die gespecialiseerd zijn in de borging van specialistisch forensisch onderzoek van gedragsgestoorde jongeren. Deze centra worden gekoppeld aan de Forensisch Psychiatrische Dienst van Justitie. Medewerkers van de Raad worden op dit onderdeel bijgeschoold.

Geconstateerd is dat er te weinig inzicht is hoe vaak de politie verwijst naar de BJZ's bij vermoedens van achterliggende problematiek. In 2004 zal voorzien worden in het opzetten van een informatiesysteem dat dit inzicht moet gaan leveren. Om op termijn alleen die programma's in te zetten die hun effectiviteit bewezen hebben, zullen preventieprogramma's en sanctiemodaliteiten op hun effectiviteit getoetst worden. De Stop-reactie, dat wil zeggen de reactie op strafbaar gedrag gepleegd door kinderen onder de 12 jaar die gezien hun leeftijd nog niet vervolgbaar zijn binnen het jeugdstrafrecht, zal sneller worden toegepast als vroegtijdige mogelijkheid om normoverschrijdend gedrag bij te sturen (operationele doelstelling 5.1.8). De richtlijnen voor Halt zullen verder worden aangescherpt. In 2004 wordt circa 20 000 jongeren een HALT-afdoening aangeboden waardoor ze buiten het strafcircuit blijven.

Op grond van een positief advies over de wettelijke mogelijkheden van invoering van verplichte nazorg, wordt de capaciteit van de jeugdreclassering uitgebreid (beleidsartikel 3.4.8). Ook de jeugdsanctiecapaciteit zal worden uitgebreid als gevolg van de intensivering in de opsporing en vervolging (operationele doelstellingen 3.4.6, 3.4.7, 5.1.3, 5.1.8).

Verplichte nazorg en landelijke invoering van nachtdetentie worden ingezet om de resocialisatie te bevorderen. De samenleving heeft bijzonder last van jongeren die, vaak lichte, delicten plegen. De aanpak van deze zogenaamde veelplegers wordt geïntensiveerd. Vanaf 2004 worden structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor deze uitbreidingen, waarvan onder meer ook voor extra plaatsen in de justitiële jeugdinrichting Glen Mills (operationele doelstelling 5.1.3). Hierbij wordt aangesloten op initiatieven die lokaal, met name in de grote steden, reeds getroffen zijn. Bij de Raad wordt een kwaliteitstoets ingericht op de aan de jongeren op te leggen trajectbenaderingen.

Ook op het gebied van preventie van jeugdcriminaliteit worden diverse acties uitgewerkt binnen het programma «Jeugd Terecht». Criminaliteitspreventie wordt geëffectueerd door middel van het vroegtijdig signaleren van risico's en/of achterliggende (gezins)problematiek en (indien nodig) aanbieden van ondersteuning en hulp aan risicojongeren en jongeren die met de politie in aanraking zijn gekomen wegens het plegen van een strafbaar feit. Activiteiten in dit kader zijn gericht op een sluitende aanpak: van signalering naar gerichte doorverwijzing en passende interventie (binnen een vrijwillig kader) gevolgd door effectiviteitsmeting. Een groot deel van de acties op dit gebied is gericht op de jeugdige en het gezin waartoe hij of zij behoort. Daarnaast is een aantal acties gericht op de omgeving van de jeugdige: De buurt waarin hij of zij opgroeit en de school die bezocht wordt. Buiten de politiecontacten zijn buurt en school namelijk vaak een vindplaats voor risicojongeren en een aangrijpingspunt voor interventie. Spijbelen is bijvoorbeeld een risicofactor voor (toekomstig) crimineel gedrag. Schoolverzuim wordt (indien het gaat om een hardnekkig probleem) bestraft met een geldboete of een alternatieve afdoening zoals een leerstraf gericht op jongere en ouders.

Om binnen de buurt jeugdcriminaliteit te voorkomen is Communities that Care tenslotte een effectieve wijkstrategie die in nauwe samenwerking met het ministerie van VWS verder wordt vormgegeven (operationele doelstelling 3.1.12).

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 3.4       
        
uitgaven437 506419 801383 177359 042369 964373 602373 602
        
ontvangsten9 3355 5009 50012 68312 68312 68412 684
        
verplichtingen437 529419 801383 177359 042369 964373 602373 602

Toelichting

Voor het realiseren van de prioriteiten gericht op de civiele jeugdketen en de jeugdstrafrechtketen heeft het Kabinet in 2004 in het kader van het Hoofdlijnenakkoord € 8 miljoen uitgetrokken, welk bedrag oploopt tot € 29 miljoen vanaf 2007. Dit bedrag moet in samenhang worden gezien met de middelen die zijn uitgetrokken voor de uitvoering van het actieprogramma «Jeugd Terecht», namelijk € 18,5 miljoen in 2004 oplopend tot € 47,5 miljoen vanaf 2006. De middelen van «Jeugd Terecht» zijn voorlopig ondergebracht onder operationele doelstelling 3.4.7. Op basis van uitgewerkte plannen worden aan de uitvoeringsorganisaties die een (meetbare) bijdrage leveren aan de aanpak budgetten ter beschikking gesteld op basis waarvan overheveling plaatsvindt naar de desbetreffende operationele doelstelling.

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 3.4          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 383 177 359 042 369 964 373 602 373 602
waarvan:          
– personeel en materieel 95 740 95 496 94 381 93 088 93 088
– beleid 287 437 263 546 275 583 280 514 280 514
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden100,0%287 437100,0%263 546100,0%275 583100,0%280 514100,0%280 514
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%287 437100,0%263 546100,0%275 583100,0%280 514100,0%280 514

Operationele doelstelling 3.4.3

Het effectief en efficiënt uitvoeren van inningstaken op het gebied van wettelijke onderhoudsbijdragen.

Toelichting

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) is een zelfstandig bestuursorgaan dat in opdracht van de ministeries van Justitie en VWS inningstaken uitvoert op het gebied van wettelijke onderhoudsbijdragen. De Wet LBIO, het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de Jeugdhulpverlening (dit onderdeel wordt opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg) vormen het wettelijk kader voor het verrichten van de inningstaak. Internationale samenwerking is geregeld in het Verdrag van New York. Op basis van het verdrag kan het LBIO bemiddelen bij de invordering van alimentatie in het buitenland. Het LBIO int ook alimentatie in Nederland op verzoeken vanuit het buitenland en voert daarvoor zo nodig procedures.

Naar aanleiding van het eindrapport van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) «Het kind centraal: verantwoordelijkheid blijft» heeft de staatssecretaris van SZW, mede namens de minister van Justitie, aangekondigd te bezien op welke wijze invulling kan worden gegeven aan een ander kinderalimentatiestelsel dat -rekening houdend met het belang van het kind- kan leiden tot zowel een vergroting van de financiële zelfstandigheid van alleenstaande ouders als een besparing op de collectieve uitgaven. In een daartoe strekkend wetsvoorstel, dat in het najaar van 2003 wordt ingediend, zal een regeling worden getroffen voor de vaststelling en inning van kinderalimentatie in die gevallen waarin ouders onderling niet tot een regeling kunnen komen.

De uitvoering van deze wettelijke regeling zal opgedragen worden aan het LBIO. De met deze nieuwe taak samenhangende uitvoeringskosten zullen nog nader in kaart worden gebracht en zijn derhalve nog niet in deze begroting verwerkt.

Daarnaast wordt het redelijk geacht dat ouders een geldelijke bijdrage leveren aan de kosten die de overheid maakt met maatregelen of sancties die aan jongeren worden opgelegd. Concreet wordt daarbij gedacht aan het introduceren van ouderbijdragen aan civiele jeugdbeschermingsmaatregelen (het gaat hier om het uitbreiden van de bestaande eigenbijdrageregeling voor uithuis geplaatste kinderen tot alle vormen van jeugdbescherming), Haltafdoeningen en jeugdsancties. Beoogd wordt deze maatregel zo mogelijk nog in 2004 te implementeren. Daartoe zullen in het najaar van 2003 de juridische, organisatorische en uitvoeringstechnische consequenties nader worden uitgewerkt. Gelet op de aan het LBIO opgedragen kerntaken ligt het vooralsnog in de rede de inning van deze ouderbijdragen op te dragen aan het LBIO.

Volume- en prestatiegegevens

 200220032004
Kinderalimentatie   
Geïnd bedrag ten opzichte van lopende vordering (%)66,46767
Kosten per geïnde Euro (x € 1,-)0,190,190,19
Verzoeken die tot inning leiden (%)38,04040
    
Ouderbijdrage   
Geïnd bedrag ten opzichte van lopende vordering (%)60,86060
Kosten per geïnde Euro (x € 1,-)0,140,140,14

Toelichting

• Een indicator voor effectiviteit van de inning is het geïnd bedrag ten opzichte van de lopende vordering.

• Een indicator voor de efficiency van de inning zijn de kosten per geïnd bedrag.

Beleidsevaluatieonderzoek

Eind 2000 is voor het eerst een klantentevredenheidsonderzoek gedaan. Alle aspecten en klantgroepen in beschouwing nemend scoorde het LBIO 3,5 op een klantentevredenheidsschaal van 1 (laag) tot 5 (hoog). Na een ingrijpende reorganisatie wordt eind 2003/begin 2004 een nieuw klantentevredenheidsonderzoek uitgevoerd. Het streven is dat er minimaal een 3,5 gescoord wordt.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.4.3       
        
uitgaven3 1402 9822 9752 9742 9542 9032 903
programma-uitgaven3 0752 9172 9112 9102 8902 8392 839
waarvan:       
– subsidies3 0752 9172 9112 9102 8902 8392 839
apparaatsuitgaven65656464646464
        
ontvangsten3 7253 6767 67611 67611 67611 67611 676
        
verplichtingen1882 9822 9752 9742 9542 9032 903

Operationele doelstelling 3.4.4

Een effectieve en efficiënte uitvoering van de voogdij van alleenstaande minderjarige asielzoekers.

Toelichting

Omdat een alleenstaande minderjarige asielzoeker (ama) zonder zijn of haar ouders (tijdelijk) in Nederland verblijft, dient op grond van het Burgerlijk Wetboek in het gezag over hem of haar te worden voorzien. Dit geldt ongeacht of de ama in procedure zit, en zolang hij of zij niet kan of behoeft terug te keren naar het land van herkomst.

De stichting Nidos is aanvaard als voogdij-instelling aan wie de kantonrechter de voogdij over ama's opdraagt. De voogd is verantwoordelijk voor het doen verzorgen en opvoeden van de ama. Voor zover de opvangtaak niet expliciet is neergelegd bij het COA, is stichting Nidos zodra de voogdij is uitgesproken, tevens verantwoordelijk voor de vervolgopvang van ama's.

Gerelateerd aan het perspectief van de ama wordt uitgegaan van gescheiden opvangmodaliteiten. De opvang in de terugkeervariant heeft als doel een daadwerkelijke en snelle terugkeer van de ama naar het land van herkomst te bewerkstelligen. De opvang in de integratievariant heeft als doel het voorbereiden en realiseren van daadwerkelijk volwaardig functioneren in de Nederlandse samenleving. In het kader van de terugkeervariant heeft het COA de zogenaamde ama-campus ontwikkeld, welk model in 2003 in twee pilots is beproefd. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie daarvan zal in 2004 worden besloten op welke wijze tot structurele invoering van de zogenaamde terugkeervariant kan worden overgegaan. Voor dit onderwerp wordt verder verwezen naar operationele doelstelling 6.1.3. Om inzicht te geven in de effectiviteit van de voogdij van ama's wordt aangesloten bij het onderzoek naar de effectiviteit van jeugdbeschermingsmaatregelen zoals genoemd bij operationele doelstelling 3.4.8.

Volume- en prestatiegegevens

 2002200320042005
Aantal AMA's onder voogdij    
Aantal AMA's onder voogdij aan het begin van het jaar12 60610 4407 8756 691
Aantal instroom AMA's onder voogdij3 4922 4002 4002 400
Aantal uitstroom AMA's onder voogdij5 6584 9653 5842 784
Aantal AMA's onder voogdij aan het einde van het jaar10 4407 8756 6916 307

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie AMA-campus Vught en Edeaf te ronden in 2004
Evaluatie terugkeer pilots in de Kleinschalige WoonEenheden (KWE's)afgerond in 2003
  
Evaluatie «Trajecten van alleenstaande minderjarige asielzoekers»afgerond in 2002

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.4.4       
        
uitgaven150 553113 02078 31446 74231 60731 58631 586
programma-uitgaven150 302112 82678 12546 55331 41831 39731 397
waarvan:       
– subsidies150 302112 82678 12546 55331 41831 39731 397
apparaatsuitgaven251194189189189189189
        
ontvangsten11000000
        
verplichtingen136 422113 02078 31446 74231 60731 58631 586

VBTB-paragraaf

Wat prestatiegegevens over doelmatigheid betreft is een kostprijsonderzoek gestart. De uitkomsten van dit onderzoek, die in het najaar van 2003 worden verwacht, zullen worden betrokken bij de subsidiëring van stichting Nidos in 2004.

Operationele doelstelling 3.4.7

Efficiënt en kwalitatief goed rekwestreren van maatregelen van kinderbescherming; efficiënt en kwalitatief goed adviseren van justitiële autoriteiten inzake beslissingen over kinderen in civiele en strafrechtelijke aangelegenheden en het voeren van adequate casusregie.

Toelichting

Een belangrijke bijdrage aan het realiseren van de beleidsdoelstelling wordt geleverd door de Raad voor de Kinderbescherming. Deze bijdrage heeft betrekking op beide delen (jeugdbescherming en jeugdcriminaliteit) van de beleidsdoelstelling.

Jeugdbescherming

Justitiële bescherming van minderjarigen vindt plaats via maatregelen van kinderbescherming. Deze worden door de rechter opgelegd, vrijwel altijd op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (Raad). De Raad verricht onderzoek als op grond van signalen aan de Raad sprake lijkt te zijn van een minderjarige in een bedreigende opvoedings- of leefsituatie. In dat geval kan de Raad aan de rechter vragen een kinderbeschermingsmaatregel te treffen (rekwestreren). Vervolgens kan de rechter een ondertoezichtstelling (ots) opleggen (leidend tot gezinsvoogdij) of de ouders het gezag over hun kind ontnemen door middel van een ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag (leidend tot voogdij). Bij andere beslissingen over minderjarigen door justitiële autoriteiten, zoals beslissingen door de rechter in verband met gezags- of omgangskwesties en beslissingen van het ministerie van Justitie over verzoeken tot opname van buitenlandse kinderen ter adoptie, draagt de Raad bij aan het waarborgen van de rechten van kinderen door die autoriteiten te adviseren op basis van gedegen en kwalitatief goed onderzoek

Jeugdcriminaliteit

Een effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit houdt in dat op een delict een zorgvuldige en snelle reactie volgt. De Raad heeft daarbij drie rollen.

In de eerste plaats heeft de Raad in de strafrechtelijke procedure een voorlichtende taak aan de justitiële autoriteiten. De Raad adviseert het OM en de rechter over te nemen strafrechtelijke beslissingen met betrekking tot minderjarigen.

In de tweede plaats heeft de Raad de taak om die jongeren te signaleren die door hun achterliggende problematiek een vergrote kans hebben een criminele carrière te ontwikkelen. Het doel is een dergelijke ongunstige ontwikkeling vroegtijdig te onderkennen en door gerichte strafrechtelijke en civielrechtelijke vervolgactiviteiten tot staan te brengen. In principe wordt op iedere melding van de politie aan de Raad over een proces verbaal of inverzekeringstelling een onderzoek door de Raad gedaan. Bij dit basisonderzoek gebruikt de Raad een gevalideerd instrument (BARO) op basis waarvan de Raad de voorlichtende en signalerende taak zorgvuldig kan uitvoeren. In geval er in het basisonderzoek een ongunstige ontwikkeling wordt onderkend volgt een vervolgonderzoek.

In de derde plaats voert de Raad de casusregie, waaronder wordt verstaan het van het begin tot eind nauwlettend zicht houden op het verloop van de individuele strafzaak van een jongere in de hele jeugdstrafrechtketen en waar nodig informeren van en afstemmen met ketenpartners om te komen tot een snelle, vroegtijdige en consequente reactie op het gepleegde strafbaar feit.

In 2004 worden medewerkers van de Raad bijgeschoold op forensisch onderzoek bij gedragsgestoorde jongeren. Tevens wordt een systeem van kwaliteitstoetsen ontwikkeld voor aan jongeren op te leggen trajectbenaderingen.

Prestatiegegevens

Een belangrijke indicator voor «efficiënt adviseren» en «efficiënt rekwestreren» is de doorlooptijd van de raadsonderzoeken. Per categorie onderzoek zijn normen vastgesteld voor de doorlooptijd. De wachttijd is hierbij een onderdeel. Het aantal zaken dat binnen deze norm wordt afgedaan dient zo hoog mogelijk te zijn. Het streven is om eind 2004 75% van de civiele zaken binnen de genormeerde doorlooptijd af te ronden. Bij het vaststellen van deze streefwaarden is rekening gehouden met de huidige situatie en externe factoren die de doorlooptijd negatief kunnen beïnvloeden, zoals beschikbaarheid van externe deskundigen, tolken en de medewerking van de cliënt. De beschermingsonderzoeken kennen een doorlooptijd van 115 kalenderdagen inclusief wachttijd. De scheiding en omgangszaken hebben een doorlooptijd van 135 kalenderdagen en de buitenlandse adoptiezaken en overige zaken een doorlooptijd van 105 kalenderdagen. De Raad hanteert voor zijn onderzoeken een vaste werklast. Het streven naar kortere doorlooptijden mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van onderzoeken. In het kader van de aanpak verkorting doorlooptijden in de jeugdstrafrechtsketen zijn streefcijfers geformuleerd die in 2004 gehaald moeten worden. Voor de Raad betekent dit dat 80% van de strafzaken binnen de voor de verschillende trajecten vastgestelde doorlooptijden afgerond moeten zijn. Het basisonderzoek kent een doorlooptijd van 40 kalenderdagen inclusief wachttijd. Het vervolgonderzoek kent een doorlooptijd van 115 dagen terwijl de taakstraffen een doorlooptijd hebben van 160 kalenderdagen.

Er is gekozen voor een gefaseerde implementatie van casusregie in verband met de beschikbare uitvoeringscapaciteit. In 2004 zal de eerste fase van het (omvangrijke) werkproces casusregie door de Raad worden uitgevoerd. Over de inhoud van die eerste fase vindt thans nog afstemming met het OM en de jeugdreclassering plaats. Een adequate uitvoering van de casusregietaak impliceert dat de Raad een vooraf vastgesteld aantal zaken volgt volgens zijn interne kwaliteitsnormen en tegen een vooraf vastgestelde kostprijs.

Een indicator voor de kwaliteit van de raadsadviezen is het aantal klachten. Het doel is het percentage klachten per categorie zaak onder de 0,5% te houden. Jaarlijks wordt een analyse gemaakt van de klachten over de Raad.

Volumegegevens

 2002200320042005*
Beschermingsonderzoek (aantallen)8 6618 9888 800pm
     
Scheidings- en omgangsonderzoek (aantallen)4 0094 0083 700pm
     
Adoptie- en naamswijzigingsonderzoek (aantallen)2 8362 7472 400pm
     
Basisonderzoeken (aantallen)21 28722 24524 900pm
     
Vervolgonderzoeken (aantallen)2 9653 0092 880pm

* De volumegegevens zijn nog «pm». De reden hiervoor is onder meer dat er nog nadere invulling moet worden gegeven aan de voor de Raad relevante bezuiningen uit het Hoofdlijnenakkoord. Over de nadere invulling van de volumegegevens 2005 wordt de Tweede Kamer seperaat geïnformeerd.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie Voogdijregeling Antilliaanse jongerenafgerond in 2002
  
Evaluatie van het Clientvolg-systeem Jeugdcriminaliteit (CVS-JC)afgerond in 2002

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.4.7       
        
uitgaven107 066116 111114 650124 632141 188139 017139 017
programma-uitgaven106 810115 833114 377124 352140 898138 726138 726
apparaatsuitgaven256278273280290291291
        
ontvangsten4 4641 1611 161344344345345
        
verplichtingen106 151116 111114 650124 632141 188139 017139 017

VBTB-paragraaf

In 2003 wordt de casusregietaak van de Raad verder uitgewerkt en zullen nadere prestatie-indicatoren en streefwaarden worden vastgesteld voor het jaar 2004 en verder. Voor 2006 zal op grond van de vastgestelde werkprocesbeschrijving tevens een kostprijs worden berekend.

Daarnaast zullen in 2004 de eerste resultaten van een breed uitgevoerd klanttevredenheidsonderzoek (de jeugdigen en ouders) bekend zijn en die kunnen leiden tot verbeteracties.

Ook de uitkomsten van een in 2004 uitgevoerd tevredenheidsonderzoek onder de afnemers van de producten (de ketenpartners) zullen tot verbeteracties in de jaren na 2004 kunnen leiden.

Operationele doelstelling 3.4.8

Het adequaat uitvoeren van de opgelegde maatregelen van jeugdbescherming en van de jeugdreclassering.

Toelichting

De maatregelen van jeugdbescherming en de jeugdreclassering worden uitgevoerd door de Bureaus Jeugdzorg (BJZ). Deze bureaus worden met het inwerking treden van de Wet op de Jeugdzorg (naar verwachting op 1 januari 2004) gefinancierd en aangestuurd door de provincies en grootstedelijke regio's. Provincies en grootstedelijke regio's opereren voor wat de jeugdbescherming en jeugdreclassering (en overige jeugdzorg) betreft op hun beurt weer binnen de kaders zoals gesteld door de ministers van Justitie en VWS. Zij ontvangen daarvoor een doeluitkering van deze ministeries.

Daarnaast zijn onder deze operationele doelstelling ondergebracht de wettelijke taken op het terrein van de internationale kinderontvoering en de interlandelijke adoptie.

Jeugdbescherming

Er zijn drie kinderbeschermingsmaatregelen: ontheffing of ontzetting uit het gezag (leidend tot voogdij), voorlopige voogdij en (voorlopige) ondertoezichtstelling (leidend tot gezinsvoogdij). Voor het BJZ is de instroom een gegeven; wanneer een rechter een beschermingsmaatregel oplegt, voert het BJZ deze uit.

Uit diverse onderzoeken is gebleken dat de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen verbetering behoeft. Om die verbetering te bewerkstelligen is in 2002 het Deltaplan voor de gezinsvoogdij gestart. In het kader van dit plan wordt aan de hand van pilots onderzocht in hoeverre een andere werkwijze, gekoppeld aan een lagere werklast voor de gezinsvoogd, positieve effecten heeft. Daarbij wordt onder andere bezien of de gemiddelde duur van de OTS daalt. In 2004 worden de resultaten van het project bekend en kan worden bezien in hoeverre een brede invoering wenselijk en mogelijk is. Dan is tevens duidelijk in hoeverre het mogelijk is om streefwaarden te formuleren voor de duur van OTS als indicator voor doelmatigheid van de gezinsvoogdij. Andere indicatoren voor de doelmatigheid van het BJZ zijn de gemiddelde doorlooptijd tussen de uitspraak van de rechter en het eerste contact met een medewerker van het BJZ, en de gemiddelde doorlooptijd tussen uitspraak van de rechter en het opgesteld plan van aanpak.

Voor het beoordelen van het stelsel is het van belang dat inzicht kan worden gegeven in de effectiviteit van jeugdbeschermingsmaatregelen. In het najaar 2003 is een onderzoek gestart dat dit inzicht moet opleveren. In samenwerking met de betrokken uitvoeringsorganisaties zullen de algemene gronden voor kinderbeschermingsmaatregelen, zoals genoemd in de wet, worden vertaald naar operationele doelen. Tevens wordt onderzocht hoe de realisatie van deze doelen gemeten kan worden.

Jeugdreclassering

De hieronder genoemde plannen maken deel uit van het programma «Jeugd terecht». Jeugdreclassering is één van de instrumenten waarmee wordt getracht de beleidsdoelstelling, het verminderen van (de herhaling van) delictgedrag van jeugdigen, te realiseren. Bij het beperken van de criminele carrière richt de jeugdreclassering zich vooral op het vergroten van de handelingsmogelijkheden en/of het realiseren van een gedragsverandering bij de betrokken jongeren. Jeugdreclassering vindt plaats in een strafrechtelijk kader; de maatregelen worden uitgevoerd op grond van een beslissing van de Officier van Justitie, rechter of de Raad.

De BJZ's voeren na inwerkingtreding van de Wet op de Jeugdzorg de jeugdreclassering uit. Zij bieden gesubsidieerd door provincie/grootstedelijke regio diverse modaliteiten in het kader van de jeugdreclassering aan, zoals hulp en steun, begeleiding bij schorsing van voorlopige hechtenis en nazorg. Nazorg wordt op vrijwillige basis aangeboden aan jongeren tot 18 jaar die een vrijheidsbenemende straf of maatregel hebben opgelegd gekregen.

De begeleiding heeft tot doel de jeugdige tijdig voor te bereiden op zijn terugkeer in de maatschappij. In alle regio's zijn afspraken gemaakt tussen de jeugdreclassering, de justitiële jeugdinrichtingen en de Raad voor de uitvoering van deze nazorg. Gebleken is dat de instroom vanuit de justitiële inrichtingen naar vrijwillige nazorg achterblijft bij de verwachtingen, onder andere omdat de communicatie tussen de justitiële jeugdinrichtingen en de jeugdreclassering op veel plaatsen niet optimaal verloopt. In 2004 zal de aandacht erop gericht zijn hierin verbetering te brengen. De inventarisatie van nazorgprogramma's zal ook in 2004 worden afgerond. In het jaar 2005 zal vervolgens een toetsingskader worden opgesteld voor het beoordelen van die programma's.

Ook zullen in 2004 extra financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor het structureel vergroten van het aantal jeugdreclasseerders. Deze worden ingezet zowel op het aanbod van nazorgmogelijkheden als op het ontwikkelen van de meer intensieve benadering van zwaardere jeugddelinquenten.

In het jaar 2000 is een begin gemaakt met het structureel en landelijk invoeren van individuele trajectbegeleiding (ITB). ITB is een intensieve begeleidingsvorm van de jeugdreclassering gericht op harde-kern jongeren. Inmiddels hebben alle arrondissementen een aanbod van een dergelijk traject dat maximaal 6 maanden duurt. Voor licht criminele jongeren die tot etnische minderheden behoren bestaat sinds medio 2000 een afzonderlijke ITB-variant, de zogeheten ITB-Criem die maximaal 3 maanden duurt. Deze variant kan vooralsnog slechts worden toegepast in de 25 grote steden (G25), aangevuld met gemeenten behorend tot de G17 (mits die daartoe een verzoek hebben ingediend). De instroom bleek echter tegen te vallen, waardoor op basis van een quick scan naar de oorzaken een nieuw plan van aanpak is opgesteld, dat wordt uitgevoerd in het kader van het actieprogramma «Jeugd terecht». Via het plan van aanpak wordt in 2004 het juridisch kader verhelderd, de doelgroepen worden scherper afgebakend, en de communicatie, voorlichting, en methodiekbeschrijving worden verbeterd. Tevens zal een kostprijs worden vastgesteld en zal een effectevaluatie verricht worden.

Voor de tenuitvoerlegging van de scholings- en trainingsprogramma's (STP) ligt de verantwoordelijkheid bij de directeur van de inrichting waarin de jeugdige verblijft. De jeugdreclassering voert de begeleiding en het toezicht feitelijk uit. Omdat STP een relatief nieuw product is, vraagt dit een grote tijdsinvestering terwijl het vaak (nog) niet is ingebed in de bestaande structuren. In 2004 zal worden onderzocht of juridische belemmeringen hierbij een rol spelen. Daarnaast zal in 2004 worden ingezet op (verdere) verhoging van het aantal afgeronde STP's, onder andere door verbetering van de aansluiting op bestaande trajecten. Wegens deze ontwikkelingen zijn nog geen volume- en prestatiegegevens opgenomen voor de STP.

Opvoedingsondersteuning tenslotte behelst een aanbod voor jeugdigen en hun ouders tot ondersteuning in de vorm van een intensieve «drang-maatregel» of door middel van intensievere begeleiding in een niet vrijwillige setting (OTS). Om dit mogelijk te maken worden in 2004 extra middelen ingezet voor de ontwikkeling van deskundigheidsbevordering van gezinswerkers.

Internationale kinderontvoering en interlandelijke adoptie

Bij het in behandeling nemen van juridische verzoeken in het kader van internationale kinderontvoering en interlandelijke adoptie speelt het Bureau Centrale Autoriteit een belangrijke rol. Dit bureau maakt deel uit van het ministerie van Justitie en is belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in het Haags Kinderontvoeringsverdrag en het Europese Kinderontvoeringsverdrag. Het betreft het bewerkstelligen van een spoedige terugkeer van een kind, als dat door een ouder uit/naar een ander land is meegenomen zonder dat de andere ouder daarvoor toestemming heeft gegeven, alsmede de (internationale) omgangsregeling.

Het Bureau Centrale Autoriteit voert in het kader van het Haags Adoptieverdrag 1993 tevens werkzaamheden uit met betrekking tot adoptie van een kind uit het buitenland (interlandelijke adoptie). Om in aanmerking te komen voor een adoptiekind dienen aspirant-adoptiefouders te beschikken over een beginseltoestemming afgegeven door de Centrale Autoriteit. Men krijgt deze beginseltoestemming nadat de verplichte voorlichtingscursus is gevolgd bij de Stichting Adoptievoorzieningen en na een positief afgerond gezinsonderzoek door de Raad. Het voornemen is om met ingang van 1 januari 2004 de voorlichtingscursus van de Stichting Adoptievoorzieningen geheel door de aspirant-adoptiefouders te laten bekostigen. De lange duur van de totale adoptieprocedure wordt vooral veroorzaakt doordat er meer aanvragen zijn voor adoptie dan kinderen die voor adoptie beschikbaar zijn. Om enerzijds zorgvuldigheid jegens de aspirant-adoptiefouder te betrachten en anderzijds een lange wachttijd nà de verlening van de beginseltoestemming te voorkomen, wordt met ingang van 1 januari 2004 een wachtlijst ingevoerd bij de aanvraag van een beginseltoestemming. De duur van procedure van het moment van in behandeling nemen van de aanvraag tot het moment van afgifte van de beginseltoestemming, zal twaalf maanden zijn.

Volume- en prestatiegegevens

 2002200320042005
(Gezins)Voogdij    
Aantal instroom Voogdij903900900900
Aantal instroom Voorlopige voogdij334330330330
Aantal instroom Ondertoezichtstelling5 3585 5005 5005 500
     
Totaal instroom Jeugdbeschermingsmaatregelen6 5956 7306 7306 730
     
Percentage maatregelen met een doorlooptijd van in kennisstelling tot eerste contact van 5 dagen of minder100%100%
Percentage maatregelen met een doorlooptijd van in kennisstelling tot opgesteld plan van aanpak van 6 weken of minder100%100%
     
Jeugdreclassering    
Aantal instroom reguliere jeugdreclassering4 1964 9505 7006 450
Aantal instroom ITB Harde Kern296440660700
Aantal instroom ITB Criem389735890950
     
Totaal aantal instroom Jeugdreclassering4 8816 1257 2508 100
     
Percentage maatregelen met een doorlooptijd van in kennisstelling tot eerste contact van 5 dagen of minder100%100%
Percentage maatregelen met een doorlooptijd van in kennisstelling tot opgesteld plan van aanpak van 6 weken of minder100%100%

Toelichting

Tot en met het jaar 2002 werden de cliëntgegevens geregistreerd in de pupillenadministratie van het ministerie. Ultimo 2002 is deze registratie beëindigd en leveren de Bureaus Jeugdzorg de benodigde beleids- en verantwoordingsinformatie.

Het aantal zaken is geënt op de realisatie 2002. De instroom bij jeugdreclassering zal naar verwachting geleidelijk stijgen, mede in verband met de uitvoering van het actieprogramma «Jeugd terecht».

Verwacht mag worden dat de versterking van de voorliggende voorzieningen een zekere filterende (preventieve) werking heeft op de noodzaak tot het treffen van een justitiële maatregel. Bij de ondertoezichtstelling is geen rekening gehouden met de mogelijke effecten van dergelijke beleidsintensiveringen door het ministerie van VWS.

De doorlooptijden van in kennisstelling tot eerste contact respectievelijk tot opgesteld plan van aanpak betreffen normen die in de Wet op de Jeugdzorg zijn vastgelegd en derhalve vanaf de inwerkingtreding zullen worden geregistreerd. Vooraf is derhalve niet aan te geven in welke mate de normen daadwerkelijk gehaald zullen worden. Op basis van de realisatiecijfers 2004 zal bezien worden of en welke maatregelen nodig zijn om aan de wettelijke normen te kunnen voldoen.

 2002200320042005
Interlandelijke adoptie    
Aantal voorgelichte aspirant-adoptief ouders1 0001 0001 0001 000
Gemiddelde wachttijd voor in behandeling nemen aanvraag beginseltoestemming (in maanden)2727
Aantal binnen 12 maanden afgehandelde aanvragen als percentage van het totale aantal in behandeling genomen aanvragen97%97%
Aantal in Nederland aangekomen adoptiekinderen1 1201 1201 1201 120
     
Internationale Kinderontvoering    
Teruggeleiding (inkomend)40454550
Teruggeleiding (uitgaand)40454550
Omgangsregeling (inkomend)15151520
Omgangsregeling (uitgaand)15202025

Toelichting

De bovengenoemde cijfers zijn ontleend aan de eigen registratie door het Bureau Centrale Autoriteit en aan gegevens van de Stichting Adoptievoorzieningen.

De discrepantie tussen het aantal voorgelichte ouders en het aantal in Nederland aangekomen adoptiekinderen wordt veroorzaakt, doordat ouders alleen voor hun eerste adoptiekind de voorlichting dienen te volgen.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie Voorlichting Interlandelijke Adoptie (VIA)afgerond in 2002
  
Evaluatie pilots OTS (Deltaplan)af te ronden in 2004
  
Evaluatie Wet Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie (WOBKA)af te ronden in 2004
  
Effectiviteit van de voogdij en de gezinsvoogdijstart in 2003
  
Evaluatie Elektronisch Huisarrest voor minderjarigenafgerond in 2002
  
Effectiviteit Jeugdreclasseringstart in 2003
  
Evaluatie project verbetering doorlooptijden jeugdstrafrechtafgerond in 2003

Jeugdbescherming

In de Wet op de jeugdzorg is bepaald dat deze uiterlijk vijf jaar nadat hij in werking is getreden geëvalueerd zal worden op doeltreffendheid en doelmatigheidsaspecten.

Jeugdreclassering

In het onderzoek «Jeugdreclassering in de praktijk» (WODC 2002) bleek dat de uitvoering van de jeugdreclassering verbeterd kan worden. Naar aanleiding van dit onderzoek is de sector in 2003 gestart met een uitgebreid scholingstraject van reclasseringswerkers ten behoeve van de professionalisering en methodiekontwikkeling. In 2004 zal worden gewerkt aan verdere kwaliteitsverbetering bij de uitvoering van de jeugdreclassering. Recidive is één van de indicatoren om de effectiviteit van de jeugdreclassering te kunnen vaststellen. Daarom is het WODC als vervolg op bovengenoemd onderzoek in 2003 een onderzoek gestart naar recidive onder jongeren nadat zij zijn begeleid door de jeugdreclassering. De resultaten zullen naar verwachting eind 2003 beschikbaar zullen zijn. Verder is in 2003 een kostprijsonderzoek ITB gestart alsmede een (voorbereiding voor) een effectevaluatie door het WODC; deze betreft zowel ITB voor harde kern jongeren als ITB-Criem. De resultaten van deze onderzoeken zullen naar verwachting eind 2003 beschikbaar komen, op basis waarvan in 2004 zo nodig het beleid wordt aangepast.

Internationale bescherming van kinderen

In 2003 zal met betrekking tot interlandelijke adoptie een klantvriendelijkheidsonderzoek worden afgerond waarin het Bureau Centrale Autoriteit, de Stichting Adoptievoorzieningen en de Raad voor de Kinderbescherming worden betrokken. Het onderzoek richt zich op aspecten als bejegening, informatievoorziening, telefonische bereikbaarheid en deskundigheid. In 2004 zal het resultaat worden verwerkt in beleid en werkwijze van het Bureau Centrale Autoriteit. Verder zal eind 2003 een evaluatieonderzoek starten naar een aantal aspecten van de toepassing van de Wet Opneming Buitenlandse Kinderen ter Adoptie. Het gaat hier onder meer om de vraag of een aantal zaken adequaat in de wet zijn geregeld zoals de taken en de verantwoordelijkheden van de vergunninghouders, het toezicht op de vergunninghouders, het sanctioneren van een vergunninghouder door de Centrale Autoriteit, het systeem van leeftijdsgrenzen en de regeling van de deelbemiddeling.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 3.4.8       
        
uitgaven176 747187 688187 238184 694194 215200 096200 096
programma-uitgaven175 728186 606186 128183 610193 131199 012199 012
waarvan:       
subsidies175 728186 606186 128183 610193 131199 012199 012
apparaatsuitgaven1 0191 0821 1101 0841 0841 0841 084
        
ontvangsten1 135663663663663663663
        
verplichtingen194 768187 688187 238184 694194 215200 096200 096

Toelichting

Het overgrote deel van de geraamde uitgaven heeft betrekking op het aandeel van Justitie in de doeluitkering Wet op de Jeugdzorg aan de provincies en grootstedelijke gebieden. Daarmee worden zij in staat gesteld de Bureaus Jeugdzorg te subsidiëren voor de uitvoering van de wettelijk opgedragen taken op het terrein van jeugdbescherming en jeugdreclassering. In aanvulling op de eerder (begroting 2003) opgelegde efficiencykorting van 3% (exclusief jeugdreclassering), wordt de doeluitkering ingaande 2005 verminderd met 5%. Met de provincies en grootstedelijke regio's zal overleg worden gevoerd over de wijze waarop deze taakstelling wordt ingevuld. Dit zal in samenhang worden bezien met de consequenties van de intensiveringen van het ministerie van VWS op het terrein van de jeugdzorg voor de omvang van de jeugdbescherming en jeugdreclassering.

In het kader van het Hoofdlijnenakkoord is een bedrag van € 100 mln. uitgetrokken voor intensiveringen op het terrein van de jeugdpreventie. Een deel van deze middelen is gereserveerd voor intensiveringen op het terrein van jeugdbescherming en jeugdreclassering. De voor 2004 beschikbare middelen zullen worden aangewend voor de versterking (kwalitatief en kwantitatief) van de jeugdreclassering, de ontwikkeling van drang- en dwangvarianten op het terrein van opvoedingsondersteuning en de verbetering van de uitvoering van ondertoezichtstelling.

Naast de doeluitkering zijn onder deze operationele doelstelling geraamd de subsidies aan de Kinderrechtswinkels en de stichting Adoptievoorzieningen, de kosten van het beheer van het CVS-systeem en de kosten van landelijke projecten (deltaplan, forensische diagnostiek).

De subsidies aan de kinderrechtwinkels zullen in drie jaar geheel worden afgebouwd. Via het systeem van gesubsidieerde rechtsbijstand zalvoorzien worden in de juridische advisering aan jongeren. Voorts zal de subsidie aan de stichting Adoptievoorzieningen teruggebracht worden in verband met het volledig doorberekenen aan aspirant-adoptiefouders van de voorlichtingscursus.

4 – RECHTSPLEGING EN RECHTSBIJSTAND

Beleidsartikel 4.1 Rechtspleging

Met ingang 2002 is het stelsel van de rechtspraak ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste wijziging is dat de rechtspraak, mede door de instelling van de Raad voor de rechtspraak en de invoering van het principe van integraal management bij de besturen van de gerechten, verantwoordelijk is geworden voor het eigen beheer. Deze ontwikkeling is ook terug te zien in de begroting van 2003, alwaar voor de Raad voor de rechtspraak een afzonderlijke operationele doelstelling is geformuleerd. In het begrotingsjaar 2004 worden verdere stappen gezet in het verhelderen van de positie van de rechtspraak in ons staatsbestel. Zo is er in deze begroting een afzonderlijk wetsartikel voor de Raad voor de rechtspraak opgenomen. Dit betekent dat beleidsartikel 4.1 alleen ingaat op de wijze waarop de Minister invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de rechtspraak, welke financiële bijdrage de minister van Justitie aan de Raad voor de rechtspraak ter beschikking stelt en op grond van welke argumenten wordt afgeweken van de begroting van de Raad voor de rechtspraak. De feitelijke vertaling van deze bijdrage in concrete beleidsdoelstellingen (en -prestaties) van de Raad en de gerechten komen terug in het wetsartikel van de Raad voor de rechtspraak.

Beleidsdoelstelling 4.1

Het scheppen van zodanige voorwaarden dat de rechtspraak kan voldoen aan haar maatschappelijke taak.

Toelichting

De minister van Justitie is verantwoordelijk voor het scheppen van zodanige voorwaarden dat de rechtspraak kan voldoen aan haar maatschappelijke taak. Het stelsel van de rechtspraak omvat de organisatie van de civiele, straf en administratieve rechtspraak die bij de wet is ingesteld. De verantwoordelijkheid van de minister van Justitie omvat het in stand houden van een adequaat wettelijk kader en het verstrekken van voldoende financiële middelen.

Na de ingrijpende wijzigingen in het stelsel van rechtspraak, zal thans de nadruk worden gelegd op aanvullende verbeteringen van het stelsel. Deze verbeteringen zijn vooral bedoeld om de slagvaardigheid van de rechtspraak te vergroten. Het vergroten van de slagvaardigheid laat zich vertalen naar de volgende thema's: «het verlichten van de belasting van de rechterlijke macht», «het verder verbeteren van de inrichting van het stelsel» en «het waarborgen van het publiek vertrouwen in de rechtspraak».

Het verlichten van de belasting van de rechterlijke macht

Een eerste subdoelstelling betreft de in het algemene deel van de Memorie van Toelichting genoemde doelstelling «het verlichten van de belasting van de rechterlijke macht». Een aantal opmerkingen ter verduidelijking is op zijn plaats. In de eerste plaats kan worden geconstateerd dat het beroep op de rechterlijke macht bepaald wordt door tal van exogene maatschappelijke ontwikkelingen waar de overheid in het algemeen en Justitie in het bijzonder relatief weinig grip op hebben, zeker op de korte termijn. Ten tweede betekent het verlichten van de werklast van de rechter niet dat wordt gestreefd naar het beperken van de toegang tot de rechter. Voorop blijft staan dat de toegang tot de rechter blijft gewaarborgd. Wel dient kritisch te worden bekeken of buitengerechtelijke geschilafdoening voor bepaalde soorten van geschillen niet een beter alternatief biedt dan de gang naar de rechter. Daarnaast dient te worden bezien in hoeverre een herijking noodzakelijk is van de aan de rechtspraak opgedragen taken die geen geschilbeslechting of berechting van strafbare feiten (non-contentieuze taken) betreffen. Met beheersbaar maken en houden wordt hier bedoeld dat de (Nederlandse) rechter niet onnodig belast wordt. Het is van belang dat de juiste zaken bij de rechter komen en dat de rechtspraak deze zaken adequaat kan afhandelen. Dit betekent dat er niet door onnodige belasting drempels moeten worden opgeworpen die het recht op toegang tot de rechter illusoir maken. De rechter dient niet belast te worden met juridische geschillen die even goed, beter dan wel doelmatiger buitengerechtelijk kunnen worden afgehandeld. Onverkort dient overeind te blijven dat de rechtspraak een adequate bekostiging ontvangt voor de door haar uit te voeren taken. Teneinde een evenwichtig beleid te kunnen voeren zullen het komende jaar een tweetal ontwikkelactiviteiten worden ontplooid.

In de eerste plaats zal in het kader van het bekostigingsmodel worden gewerkt aan een gevalideerd prognosemodel inzake de instroom van zaken (straf, civiel, bestuur) in de rechtspraak.

In de tweede plaats is meer inzicht nodig in de feitelijke verhouding tussen buitengerechtelijke en gerechtelijke geschilafdoening op het gebied van straf (vergelijk OM-afdoening versus strafrechtspraak), civiel (vergelijk arbitrage en mediation versus civiele rechtspraak) en bestuur (vergelijk mediation en bezwaarschriftencommissies versus bestuursrechtspraak). Enkel op basis van kennis van buitengerechtelijke en gerechtelijke voorzieningen kunnen op een zinvolle wijze beleidsinterventies met betrekking tot beheersing van het beroep op de rechter worden gepleegd. Om te bezien wat voor wegen burgers zoal bewandelen om hun recht te krijgen, verricht het WODC thans een grootschalig onderzoek. Via een enquête onder burgers wordt onderzocht het totaal aantal (potentieel) juridische problemen, het tijdverloop van het ontstaan en oplossen van problemen, de buitengerechtelijke geschiloplossingstrajecten, de doorloop naar en afhandeling door de rechter, de inzet en uitkomst van de geschillen, de kosten van rechtshulp en tenslotte het vertrouwen in de werking van het rechtsstelsel. Het onderzoek biedt aangrijpingspunten om te bezien op welke wijze de eigen verantwoordelijkheid van de rechtzoekende bij de wijze van geschilbeslechting beleidsmatig de beste vorm kunnen worden gegeven.

Verder verbeteren van de inrichting van het stelsel

Om ervoor te zorgen dat de rechtspraak ook op langere termijn goed kan blijven functioneren, om knelpunten in het bestaande stelsel op te lossen en in te kunnen spelen op de veranderende maatschappelijke behoeften is het beleid erop gericht om waar mogelijk onnodige belemmeringen weg te nemen en de mogelijkheden te verkennen van aanpassingen in de inrichting van het stelsel van de rechtspraak. In dit kader worden in 2004 de volgende activiteiten ondernomen: de ontwikkeling van een plan van aanpak inzake de lastenverlichting van de rechterlijke macht, verbetering van de bekostigingssystematiek rechtspraak (herziening besluit Financiering rechtspraak en ontwikkeling prognosemodel), modernisering van het griffierechtenstelsel, modernisering van de arbeidsvoorwaarden rechterlijke macht, vormgeven toezichtsrelatie, maatregelen betere benutting 1zittingscapaciteit, herijking non-contentieuze taken rechtspraak en het bezien van de regels inzake de absolute competentie rechtspraak.

Het waarborgen van het publiek vertrouwen in de rechtspraak

Het verbindende element tussen een optimale inrichting en het beheersen van de druk op de rechtspraak is gelegen in het publiek vertrouwen in de rechtspraak. De minister van Justitie heeft mede als taak om burgers een goed functionerend stelsel van de rechtspraak aan te bieden. Alle beleidsmaatregelen die genomen worden dienen dan ook in dit perspectief te worden geplaatst. Teneinde inzicht te verkrijgen in het publiek vertrouwen in de rechtspraak is het noodzakelijk informatie te verzamelen over het beeld dat burgers hebben van het functioneren van de rechtspraak. Instrumenten die hierbij behulpzaam kunnen zijn, betreffen de toepassing van de Justitie Issue Monitor en verschillende vormen van klantwaarderingsonderzoeken.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 4.1       
        
uitgaven696 642725 604794 301780 310770 706752 688754 288
        
ontvangsten135 127144 149145 212147 339148 403148 403148 403
        
verplichtingen1 352 889725 604794 301780 310770 706752 688754 288

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 4.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 794 301 780 310 770 706 752 688 754 288
waarvan:          
– personeel en materieel 793 260 776 769 767 167 749 150 750 750
– beleid 1 041 3 541 3 539 3 538 3 538
waarvan:          
a. juridisch verplicht60,5%63058,5%2 07050,4%1 78238,9%1 37828,7%1 016
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden39,5%41135,5%1 25637,5%1 32742,8%1 51647,0%1 662
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)0,0%06,1%21512,2%43018,2%64424,3%860
           
Totaal uitgaven beleid100,0%1 041100,0%3 541100,0%3 539100,0%3 538100,0%3 538

Operationele doelstelling 4.1.1

Het scheppen van voorwaarden voor het efficiënt functioneren van de rechtspraak.

Rekeninghoudend met de ontwikkeling van de instroom van zaken zal voor het begrotingsjaar 2004 een bijdrage van € 744,9 miljoen aan de rechtspraak ter beschikking worden gesteld. Deze bijdrage moet in het licht worden gezien van de te verwachten instroomontwikkeling bij de gerechten voor de komende jaren. Hieronder worden deze ontwikkelingen kort toegelicht.

(instroom in zaken)

Verwachte instroomontwikkeling*2002200320042005200620072008
Kanton202 500222 000222 000222 000222 000222 000222 000
Straf141 000156 827163 782163 482162 182162 182162 182
Civiel957 000976 100995 2001 014 3001 033 4001 033 4001 033 400
Bestuur **41 07042 79544 52046 24547 97047 97047 970
Vreemdelingenkamers78 00078 00078 00072 00072 00045 00045 000
Totaal1 419 5701 475 7221 503 5021 518 0271 537 5521 510 5521 510 552
        
Procentuele groei t.o.v. 2002 4,0%5,9%6,9%8,3%6,4%6,4%

* Gerechten in eerste aanleg, dus exclusief hoven en bijzondere colleges.

** Excl. vreemdelingenkamers en belastingzaken.

Bovenstaande ontwikkeling is gebaseerd op een analyse van de (autonome) groei in de afgelopen jaren, de verwachte effecten van het Veiligheidsprogramma en de verwachte economische ontwikkelingen. Tevens is rekening gehouden met de voorgenomen maatregel om meer afdoeningen door het OM te laten afhandelen om zodoende de druk op de ZM te doen afnemen. Hieronder wordt per categorie kort de ontwikkeling toegelicht.

Overtredingen (Kanton)

Als gevolg van de uitvoering van het Veiligheidsprogramma zal de overheid burgers directer aanspreken op hun gedrag. Dit vertaalt zich in een actiever en versterkt toezicht in het publieke domein. In 2002 is een stringenter optreden al zichtbaar geworden in een sterk toenemend aanbod van overtredingen bij het OM en een navenant sterke groei van 16% in dat jaar van door de rechter afgehandelde overtredingen.

Strafzaken

De verwachte toename van het aantal misdrijfzaken is het gevolg van een drietal factoren, in de eerste plaats een structurele achterstand in zittingscapaciteit t.o.v. het aanbod van het OM, in de tweede plaats een verwachte verdere groei van het aantal zaken dat doorstroomt van het OM naar de ZM en in de laatste plaats als gevolg van de verwachte instroom van extra zaken die het gevolg zijn van de uitvoering van het Veiligheidsprogramma. Overigens is in deze prognose reeds rekening gehouden met de verruiming van de afdoeningsmogelijkheden door het OM.

(aantal zaken in eerste aanleg)

Uitsplitsing ontwikkeling strafsector200320042005200620072008
Achterstanden en autonome groei10 38212 83215 27717 72217 72217 722
Veiligheidsprogramma5 4459 95013 45515 96015 96015 960
Afdoening door OM00– 6 250– 12 500– 12 500– 12 500
Totale ontwikkeling strafsector15 82722 78222 48221 18221 18221 182

De raming van het aantal strafzaken (inclusief de doorwerking in de strafrechtketen), zowel in de sector kanton als bij de rechtbank, is een scherpe. Zoals reeds in de voortgangsrapportage (TK 28 684, nr. 9) is vermeld, heeft de Raad voor de rechtspraak aangegeven te verwachten dat de gerechten het verlangde aantal strafzaken met de hun toebedachte middelen niet zullen kunnen afdoen. In welke mate de aannames, die ten grondslag liggen aan de raming, zich daadwerkelijk zullen materialiseren is echter afhankelijk van meerdere factoren. Mochten de aannames zich toch niet materialiseren dan zal moeten worden bezien of er ruimte is extra middelen toe te voegen dan wel de ambities bij te stellen. De ontwikkeling hiervan zal dan ook nauwgezet worden gevolgd.

Civiel

De gepresenteerde groei in de civiele sector betreft de verwachte autonome groei. Deze groei is gebaseerd op een trendanalyse en bedraagt circa 2% per jaar. Het betreft de laatste jaren met name een groei van het aantal arbeidszaken.

Bestuur

De gepresenteerde groei in de sector bestuur betreft de verwachte autonome groei. Deze groei is gebaseerd op een trendanalyse en bedraagt circa 4%. De groei in het aantal bestuurszaken is gedurende enige jaren nihil geweest. In 2002 is de instroom echter bijna 15% toegenomen. Deze groei is met name veroorzaakt door opgelopen achterstanden bij uitvoeringsorganen, striktere controle en handhaving en een toename van de sociale zekerheidszaken. Laatstgenoemde oorzaak van de instroomstijging hangt nauw samen met de economische teruggang in ons land.

Op basis van deze verwachte instroomontwikkeling en de door de Raad voor de rechtspraak geleverde onderbouwingen is de begroting van de Raad voor de rechtspraak beoordeeld. Dit begrotingsvoorstel van de Raad voor de rechtspraak wordt separaat aan de beide Kamers aangeboden. De hoogte van het beschikbaar gestelde budget wijkt af van de begroting van de Raad voor de rechtspraak. Hieronder wordt toegelicht op welke punten en waarom van de begroting van de Raad is afgeweken. In het aparte wetsartikel worden, gezien het beschikbaar gestelde budget en de gestelde prioriteiten, de prestaties van de Raad en de gerechten inzichtelijk gemaakt.

De Raad voor de rechtspraak is doordrongen van de huidige economische situatie en de daarmee samenhangende beperkte beschikbaarheid van extra middelen. In dit licht heeft de Raad dan ook zijn begrotingsvoorstel opgesteld waarbij de nadruk is gelegd op de verwachte toename van het beroep op de rechter en de maatregelen die benodigd zijn om deze toestroom op kwalitatief hoogwaardig niveau te kunnen verwerken. In dat licht geeft de Raad dan ook absolute prioriteit aan activiteiten die zijn gericht op het primaire proces alsmede de verbetering van de prestaties van de gerechten.

Capaciteitsclaims

De capaciteitsclaims van de Raad zijn ruwweg in vier categorieën te verdelen, achterstanden, autonome groei, effecten Veiligheidsprogramma en belastingrechtspraak. Op hoofdlijnen worden de door de Raad gepresenteerde cijfers en de daaraan gekoppelde problematiek onderkend. Op een tweetal punten wordt echter vooralsnog afgeweken van het voorstel van de Raad voor de rechtspraak. In de eerste plaats betreft dat de consequenties van het Veiligheidsprogramma. Zoals bij de toelichting op de ramingen al is vermeld is er binnen de strafrechtketen uitgegaan van bepaalde aannames waardoor de inschatting van het aantal zaken en de daarmee gepaard gaande kosten lager is dan die van de Raad.

Naast deze specifieke afwijkingen van de begroting van de Raad wordt tevens afgeweken van de begroting voor zover het 2003 betreft. Gezien de omvangrijke problematiek in 2003 is alleen voor de uitvoering van het Veiligheidsprogramma extra budget beschikbaar gesteld. Voor de overige capaciteitsproblemen kon eerst vanaf 2004 financiële ruimte worden gevonden. Consequentie hiervan zal zijn dat in 2003 de voorraden en doorlooptijden licht zullen oplopen.

Doorlooptijden

Met de Raad voor de rechtspraak is het departement van mening dat het van belang is acceptabele doorlooptijden te hebben dan wel te bereiken. De door de Raad voor de rechtspraak opgenomen claim heeft betrekking op het terugdringen van de doorlooptijden in strafzaken voor zover het de ZM betreft. Om tot een doelmatige inzet van maatregelen en middelen te komen in relatie tot het bereiken van acceptabele doorlooptijden is het in de eerste plaats van belang inzicht te verkrijgen in de doorlooptijd in de totale strafketen. Om dit inzicht te verkrijgen wordt de informatiehuishouding zodanig vorm gegeven dat Justitie voortaan op een heldere en consistentie wijze kan rapporteren over de doorlooptijden in de strafketen. In het licht van deze informatie kunnen vervolgens maatregelen worden genomen om, waar nodig, de doorlooptijden te bekorten. Ondanks de, naar verwachting, licht oplopende doorlooptijden in 2003 streeft de Raad voor 2004 naar gelijke doorlooptijden als in 2002.

Overige begrotingsvoorstellen

Naast de capaciteitsclaims heeft de Raad voor de rechtspraak nog enkele andere voorstellen ter verkrijging van aanvullende middelen in zijn begroting 2004 opgenomen. Op dit moment wordt daarvoor geen extra budget beschikbaar gesteld. Hierbij zijn de volgende argumenten doorslaggevend geweest. De voorstellen van de Raad voor de rechtspraak hebben betrekking op thema's die meer in de randvoorwaardelijke sfeer liggen van het primaire proces. Zo verzoekt de Raad om extra middelen voor de huisvesting van de gerechten, de verbetering van de ICT van de rechtspraak en een uitbreiding van de opleidingscapaciteit. De extra beschikbaar gekomen capaciteitsmiddelen voor de rechtspraak bevatten tevens, via een methodiek van opslagen, middelen voor genoemde doeleinden. Hiermee kan vooralsnog voor het komende begrotingsjaar worden volstaan.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
In de wetten Raad voor de rechtspraak en Organisatie Bestuur Gerechten is een evaluatiebepaling opgenomen dat vijf jaar na inwerkingtreding (te weten 2007) verslag wordt gedaan van de mate waarin de doeleinden die in beide wetten zijn gesteld ook daadwerkelijk zijn bereikt.gepland in 2007In 2004 zal het evaluatieprogramma verder worden uitgewerkt. Dit programma kent vooralsnog drie hoofdonderdelen, te weten: de wetsevaluatie Wetten Raad voor de rechtspraak en Organisatie en Bestuur Gerechten, het kwaliteitsprogramma Raad voor de rechtspraak en de stelselverantwoordelijkheid van de minister van Justitie.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.1.1       
        
uitgaven664 381678 027747 478733 135723 611705 818707 418
programma-uitgaven649 761674 718744 930730 652720 803702 992704 592
waarvan:       
– bijdragen649 760674 718744 930730 652720 803702 992704 592
apparaatsuitgaven14 6203 3092 5482 4832 8082 8262 826
        
ontvangsten132 527144 149145 212147 339148 403148 403148 403
        
verplichtingen1 320 651678 027747 478733 135723 611705 818707 418

Operationele doelstelling 4.1.2

Het scheppen van voorwaarden voor het efficiënt functioneren van de Hoge Raad.

Toelichting

De Hoge Raad bewaakt de rechtseenheid en geeft leiding aan de rechtsvorming. In individuele gevallen is daarnaast ook het aspect van de rechtsbescherming van belang. Hiertoe is de Hoge Raad, als hoogste rechtscollege binnen de rechterlijke macht in Nederland, belast met de cassatierechtspraak en een aantal bijzondere taken die bij wet aan de Hoge Raad zijn opgedragen.

De Hoge Raad valt niet onder het bereik van de Raad voor de rechtspraak. In tegenstelling tot de Raad voor de rechtspraak blijft de minister in beheersmatig opzicht verantwoordelijk voor de Hoge Raad. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat, net als bij de Raad voor de rechtspraak het geval is, de minister niet verantwoordelijk is en kan zijn voor de wijze waarop de Hoge Raad zijn primaire doelstellingen realiseert. Bij de Hoge Raad is dus sprake van een duale structuur met enerzijds de onafhankelijke leden van de rechtsprekende macht (belast met rechtspraak) en van het parket (belast met de onafhankelijke advisering van de rechtsprekende macht) en anderzijds de beheersmatige verantwoordelijkheid die ligt bij de directeur bedrijfsvoering van de Hoge Raad, die mandaat heeft van de minister van Justitie voor het ondersteunend personeel en het beheer.

De minister kan slechts voorwaardenscheppend optreden richting de Hoge Raad en zorgdragen dat de rechtspraak zoals deze bij de Hoge Raad functioneert onder andere van voldoende financiële middelen wordt voorzien.

Om inzicht te bieden in het functioneren van de cassatierechtspraak bij de Hoge Raad zijn de gegevens betreffende de in- en uitstroom van zaken gepresenteerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.1.2       
        
uitgaven17 48919 43419 78320 06220 05920 05120 051
programma-uitgaven17 23419 37719 73020 00920 00619 99819 998
apparaatsuitgaven255575353535353
        
ontvangsten376000000
        
verplichtingen17 46819 43419 78320 06220 05920 05120 051

Volumegegevens

(aantallen)

Instroom en uitstroom Hoge Raad2002200320042005200620072008
Instroom       
Civiele zaken440550540540540540540
Strafzaken2 8253 2403 5663 5373 5043 5383 573
Belastingzaken1 1181 0401 0401 0401 0401 0401 040
Totaal4 3834 8305 1465 1175 0845 1185 153
        
Uitstroom       
Civiele zaken518540540540540540540
Strafzaken3 3693 4003 5663 5373 5043 5383 573
Belastingzaken9821 0251 0251 0251 0251 0251 025
Totaal4 8694 9655 1315 1025 0695 1035 138

Toelichting

De belangrijkste ontwikkeling die in bovenstaande overzicht is te zien is de groei in het aantal strafzaken. Deze groei wordt met name veroorzaakt door de intensiveringen bij de gerechten en de hoven in het kader van de uitvoering van het Veiligheidsprogramma.

Ten aanzien van de in- en uitstroom van belastingzaken moet nog worden bezien welk effect de invoering van belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties zal hebben.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Operationele doelstelling 4.1.3

Het scheppen van voorwaarden voor een doelmatige inzet van middelen bij het College Bescherming Persoonsgegevens, de Commissie Gelijke Behandeling, de Centrale Justitiële Documentatiedienst en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, met inachtneming van de eisen die gesteld worden aan de professionele kwaliteit.

Toelichting

De minister is verantwoordelijk voor het zodanig faciliteren van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), de Centrale Justitiële Documentatiedienst (CJD) en de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak (NVvR) dat de werkzaamheden bij deze organisatieonderdelen op een adequate wijze kunnen worden verricht. Concreet betekent dit dat aan deze colleges financiële middelen ter beschikking worden gesteld, waarmee zij uitvoering kunnen geven aan de taken die aan hen zijn opgedragen. De taken van deze organisaties worden hieronder kort weergegeven.

College Bescherming Persoonsgegevens

Het CBP – onder de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) de opvolger van de Registratiekamer – houdt toezicht op de naleving van wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen. Bij het CBP moet het gebruik van persoonsgegevens worden gemeld, tenzij hiervoor een vrijstelling geldt.

Commissie Gelijke Behandeling

Voor het adviseren over de naleving van de Algemene Wet Gelijke Behandeling en het bevorderen van eenduidige wetstoepassing op het terrein van gelijke behandeling is de CGB in het leven geroepen. De CGB is een onafhankelijke organisatie, waar burgers met klachten over ongelijke behandeling terecht kunnen.

Centrale Justitiële Documentatiedienst

Bij de CJD zijn de taken belegd die de minister heeft uit hoofde van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Het gaat daarbij in het bijzonder om het beheer van de (geautomatiseerde) registers met strafbladen e.d. Als neventaken beheert de CJD het archief van dubbele akten van de burgerlijke stand en voert het de exploitatie van een aantal geautomatiseerde informatiesystemen met persoonsgegevens.

Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak

De NVvR heeft op basis van de Wet Rechtspositie rechterlijke ambtenaren twee taken: enerzijds fungeert de NVvR als vakbond voor rechterlijke ambtenaren, anderzijds verstrekt zij adviezen over wetsontwerpen die van belang zijn voor de rechterlijke macht. Deze taken komen tot uiting in zaken als het sectoroverleg over de arbeidsvoorwaarden van de rechterlijke macht respectievelijk het verstrekken van wetgevingsadviezen aan de minister.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk voor het CBP, de CGB en de NVvR, en direct verantwoordelijk voor de CJD.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.1.3       
        
uitgaven14 55327 87926 78626 85826 78326 56826 568
programma-uitgaven14 44827 84926 75826 83026 75526 54026 540
apparaatsuitgaven105302828282828
        
ontvangsten2 219000000
        
verplichtingen14 54627 87926 78626 85826 78326 56826 568

Operationele doelstelling 4.1.4

Het faciliteren van ontwikkelingen op het gebied van internationalisering en rechtspraak.

Door Justitie, in samenwerking met de Raad voor de rechtspraak en andere relevante actoren, worden beleidsinitiatieven ontplooid op het gebied van internationalisering en rechtspraak. Een deel van deze activiteiten zal betrekking hebben op het vergroten van de toegankelijkheid van Europeesrechtelijke kennisbronnen ten behoeve van de rechterlijke organisatie. In het kader van het project Eurinfra wordt gewerkt aan de bouw van een infrastructuur, bestaande uit een intranet en een helpdesk. Dit project moet worden gezien als één van de instrumenten waarmee de toegankelijkheid van Europeesrechtelijke kennisbronnen vergroot kan worden. Aangezien de verdere uitvoering van het project Eurinfra bij de Raad voor de rechtspraak ligt zal dit deel van het budget worden overgeheveld naar artikel 4.1.1. Raad voor de rechtspraak.

In aanvulling hierop worden enkele beleidsinitiatieven ondernomen teneinde de samenwerking tussen lidstaten op het gebied van de rechtspraak of tussen een internationaal straftribunaal in Nederlandse opsporings- en vervolgingsinstanties te vergroten. Activiteiten die hiermee samenhangen betreft het uitzetten van een voorlichtingstraject ten behoeve van alle relevante autoriteiten in Nederland (opsporings- en vervolgingsautoriteiten), die in contact komen met het International Criminal Court (ICC). Daarnaast wordt in 2004 gewerkt aan de verdere uitbouw van een Europees Justitieel Netwerk (EJN). In 2004 zal mede in kader van het EU voorzitterschap worden bezien hoe de samenhang en samenwerking tussen het EJN en Eurojust zich verder kan ontwikkelen. Nationaal zullen procedures moeten worden ontwikkeld om de relatie tussen het EJN en de Internationale Coördinatie Centra inzake rechtshulpverlening in Nederland verder gestalte zal kunnen krijgen. In aanvulling op beleidsactiviteiten die gericht zijn op toegankelijkheid en samenwerking vereist de vestiging van het ICC in Den Haag in het komende jaar bijzondere aandacht.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.1.4       
        
uitgaven219264254255253251251
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven219264254255253251251
        
ontvangsten5000000
        
verplichtingen224264254255253251251

Beleidsartikel 4.2 Rechtsbijstand

De toegang tot het recht dient mede op grond van verdragsrechtelijke en grondwettelijke verplichtingen te worden gewaarborgd.

Beleidsdoelstelling 4.2

Toegankelijk recht voor rechtzoekenden die deskundige juridische bijstand nodig hebben en die niet over voldoende financiële middelen beschikken.

Toelichting

Om aan die verantwoordelijkheid inhoud te geven is een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand ontwikkeld. Hiervan kunnen rechtzoekenden gebruik maken die deskundige juridische bijstand nodig hebben en die niet over voldoende financiële middelen beschikken.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 4.2       
        
uitgaven330 662338 597365 277352 586355 786362 994368 894
        
ontvangsten4 8024 1294 1294 1294 1294 1294 129
        
verplichtingen353 773338 597365 277352 586355 786362 994368 894

Budgetflexibiliteit bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 4.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 365 277 352 586 355 786 362 994 368 894
waarvan:          
– personeel en materieel 1 135 1 132 1 127 1 117 1 117
– beleid 364 142 351 454 354 659 361 877 367 777
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)100,0%364 142100,0%351 454100,0%354 659100,0%361 877100,0%367 777
           
Totaal uitgaven beleid100,0%364 142100,0%351 454100,0%354 659100,0%361 877100,0%367 777

Operationele doelstelling 4.2.1

Een adequaat stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand voor minder draagkrachtige rechtzoekenden.

Toelichting

Beoogd wordt blijvend te voorzien in een in omvang en kwaliteit voldoende aanbod van rechtsbijstandverleners ter behandeling van de vraag naar rechtshulpverlening aan minder draagkrachtigen.

Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand is geregeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) waarvan de uitvoering is opgedragen aan vijf raden voor rechtsbijstand.

Op grond van de Wrb kunnen burgers met een inkomen en vermogen beneden een wettelijk vastgestelde grens tegen betaling van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage een beroep doen op een toegevoegde rechtsbijstandverlener. Tevens worden toevoegingen afgegeven voor asielzoekers en verdachten in strafzaken, waarvoor (op dit moment in strafzaken) geen eigen bijdrage is verschuldigd.

Normen

Per 1 januari 2003 ligt de hoogste inkomensgrens op € 1391 voor alleenstaanden en op € 1987 voor niet-alleenstaanden (gehuwden,samenwonenden, eenoudergezinnen, etc.). De inkomensgrenzen hebben betrekking op het netto inkomen per maand.

Het uurtarief voor rechtsbijstandverleners bedraagt € 87,36 (prijspeil 2002) indien de rechtsbijstandverlener voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.

Kwantiteit (volume)

Het te verwachten beroep op het stelsel wordt jaarlijks zo goed mogelijk geraamd. Bedacht dient te worden dat het gaat om het voorspellen van menselijk gedrag in omstandigheden die kunnen wijzigen door externe en autonome ontwikkelingen, zoals de conjunctuur en veranderingen in wet- en regelgeving. In zijn algemeenheid geldt dat bij verslechterende economische omstandigheden het aantal geschillen en derhalve het aantal toevoegingen toeneemt, met name voor de terreinen arbeid en sociale zekerheid.

In het Hoofdlijnenakkoord zijn – bovenop de intensiveringen in het Strategisch Akkoord – intensiveringen in de justitiële keten aangekondigd (de zgn. Veiligheidsenveloppe). Deze voor de rechtsbijstand externe ontwikkeling vindt zijn vertaling in de rechtsbijstandbegroting door een (geprognosticeerde) toename in het aantal toevoegingen en inverzekeringstellingen en de kosten daarvan.

Kwaliteit

In aanloop naar de implementatie van een integraal kwaliteitszorgsysteem dat in 2006 op de gehele advocatuur van toepassing is, zullen in de periode 2004–2006 de kwaliteitseisen in de gesubsidieerde rechtsbijstand verder worden aangescherpt.

Vanaf 1 januari 2004 zullen de kwaliteitseisen, zoals zijn overeengekomen in het in 2002 afgesloten convenant tussen Justitie, raden voor rechtsbijstand en de Nederlandse Orde van Advocaten, een voorwaarde zijn om te kunnen deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Vanaf dat moment is het aan de beroepsgroep zélf, in overleg met de raden voor rechtsbijstand, om zorg te dragen dat in 2006 sprake zal zijn van het bovengenoemd integraal kwaliteitszorgsysteem.

Stelselaanpassingen

Sinds december 2002 liggen er voorstellen voor stelselaanpassingen bij de Tweede Kamer. Deze voorstellen hebben betrekking op de strikte scheiding tussen publieke en private voorziening ten aanzien van de rechtsbijstand, het versterken van de 1e lijns hulp door middel van een publieke voorziening en het versterken van het aanbod van rechtsbijstandverleners.

Op 18 juni 2003 heeft over een aantal aspecten ter zake een Algemeen Overleg plaatsgevonden. Afhankelijk van de uitkomsten van het vervolgoverleg over alle voorliggende voorstellen, zal concrete invulling kunnen worden gegeven aan stelselaanpassingen in de komende jaren. Het geheel zal in overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten en de raden voor rechtsbijstand tot stand komen. Aangezien de voorstellen budgettair neutraal zijn, heeft het bovenstaande geen invloed op de rechtsbijstandbegroting. Hierna wordt bezien welke maatregelen moeten worden getroffen om aan de taakstelling van € 6 miljoen invulling te geven.

Project VIValt

Het Kabinet heeft het standpunt ingenomen dat alle inkomensafhankelijke regelingen het belastbaar inkomen als draagkrachtbegrip dienen te hanteren. Dit standpunt is door de Tweede Kamer overgenomen. De gesubsidieerde rechtsbijstand hanteert op dit moment het netto (maand-)inkomen als draagkrachtbegrip. Naar aanleiding van bovengenoemd kabinetsstandpunt en de wens om de administratieve lasten rond de toevoegingsaanvraag te verminderen, gaat de gesubsidieerde rechtsbijstand over op het belastbaar (jaar)inkomen als draagkrachtbegrip. Deze wijziging van het draagkrachtbegrip staat bekend als het project VIValt.

Gelet op de noodzakelijke aanpassingen van wet- en regelgeving en de uitvoeringsorganisatie (inclusief ICT) wordt ernaar gestreefd de overgang per 1 juli 2004 te realiseren.

Tenslotte zijn onder deze operationele doelstelling de aan de rechtsbijstand gerelateerde kosten voor tolken en vertalers opgenomen.

Met onderstaande tabel wordt beoogd inzicht te geven in de omvang van de aanspraak op de gesubsidieerde rechtsbijstand.

Volume- en prijsgegevens

 eenheid2002200320042005200620072008
Uitvoeringslasten raden voor rechtsbijstand        
prijs€ 1,–€ 39,7€ 40,1€ 40,1€ 40,1€ 40,1€ 40,1€ 40,1
volume (afgegeven toevoegingen + gewogen productie stichtingen)aantallen353 514360 935365 715369 915374 315382 115388 515
vaste kosten (incl. automatisering, projecten)€ 1 000,–8 2729 5908 6358 0457 8167 8167 816
         
Programmauitgaven raden voor rechtsbijstand        
Strafzaken (ambtshalve)        
prijs€ 1,–€ 869€ 944€ 975€ 975€ 975€ 975€ 975
volume (afgegeven toevoegingen)aantallen86 99294 14288 34290 14291 44294 84297 642
         
Strafzaken (regulier)        
prijs€ 1,–€ 600€ 608€ 630€ 630€ 630€ 630€ 630
volume (afgegeven toevoegingen)aantallen29 86430 86433 56434 86436 96439  56441 664
         
Civiele zaken        
prijs€ 1,–€ 685€ 647€ 679€ 679€ 679€ 679€ 679
volume (afgegeven toevoegingen)aantallen159 289165 110165 990167 090168 090169 890171 390
         
Inverzekeringstellingen        
prijs€ 1,–€ 205€ 217€ 225€ 225€ 225€ 225€ 225
volumeaantallen74 85878 45883 85885 25886 05890 25892 758
         
Stichtingen rechtsbijstand        
prijs€ 1,–€ 115€ 129€ 129€ 129€ 130€ 130€ 130
volume (afgegeven toevoegingen)aantallen214 607221 485221 485221 485221 485221 485221 485
         
Asiel        
prijs€ 1,–€ 4 017€ 1 717€ 1 789€ 1 603€ 1 603€ 1 603€ 1 603
volume (instroom asielzoekers)aantallen17 03330 00030 00030 00030 00030 00030 000

Beleidsevaluatieonderzoek

Bij toekomstige evaluaties zal gebruik worden gemaakt van beschikbaar gekomen onderzoeksgegevens uit de (in ontwikkeling zijnde) monitor rechtsbijstand. Deze monitor wordt ontwikkeld op grond van de verantwoordelijkheid voor het onderhouden van een adequaat stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand.

In 2002 is begonnen met het meer systematisch verzamelen van informatie over de verhouding tussen de vraag naar en het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand. Hiermee wordt beoogd pro-actief voor het beleid relevante trends in kaart te brengen. Naar verwachting is deze monitor eind 2003 operationeel.

Parallel aan de ontwikkeling van deze instrumenten worden in het kader van de toetsing van het stelsel normen ontwikkeld waaraan het ten minste moet voldoen. Tevens zal in het onderzoek aandacht worden besteed aan het niet-gebruik van het stelsel.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.2.1       
        
uitgaven330 662338 597365 277352 586355 786362 994368 894
programma-uitgaven329 873337 473364 142351 454354 659361 877367 777
waarvan:       
– subsidies327 623337 473364 142351 454354 659361 877367 777
apparaatsuitgaven7891 1241 1351 1321 1271 1171 117
        
ontvangsten4 8024 1294 1294 1294 1294 1294 129
        
verplichtingen353 773338 597365 277352 586355 786362 994368 894

Beleidsartikel 4.3 Schuldsanering natuurlijke personen

Het is een maatschappelijk belang dat burgers met een problematische schuldensituatie die minnelijk niet oplosbaar is daarvan verlost kunnen worden.

Beleidsdoelstelling 4.3

Sanering van schulden van burgers in een problematische schuldensituatie die minnelijk niet oplosbaar is.

Toelichting

Zonder aanvullende voorzieningen hebben burgers in die situatie veelal levenslang de gevolgen te dragen van het faillissement en de bijbehorende schuldenlast. Wanneer in dergelijke gevallen, mits onder strenge condities, burgers met een schone lei kunnen beginnen dan ontstaat voor hen en hun gezinsleden weer perspectief op het (volwaardig) deel kunnen nemen aan de maatschappij. Daarmee kunnen verdere problemen (in gedrag en – levenslange – afhankelijkheid van uitkeringen) worden voorkomen.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 4.3       
        
uitgaven10 60511 13511 14311 21211 21511 20411 204
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen11 26411 13511 14311 21211 21511 20411 204

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 4.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 11 143 11 212 11 215 11 204 11 204
waarvan:          
– personeel en materieel 240 238 236 232 232
– beleid 10 903 10 974 10 979 10 972 10 972
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)100,0%10 903100,0%10 974100,0%10 979100,0%10 972100,0%10 972
           
Totaal uitgaven beleid100,0%10 903100,0%10 974100,0%10 979100,0%10 972100,0%10 972

Operationele doelstelling 4.3.1

Een adequaat stelsel van wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen in een problematische schuldensituatie.

Toelichting

In 1998 is de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) als een bijzondere regeling in de Faillissementswet opgenomen, waarmee wordt beoogd om onder toezicht van een rechter-commissaris en een bewindvoerder een problematische schuldensituatie te saneren en de aanwezige boedel te liquideren. Hiervoor is nodig een voldoende aanbod van kwalitatief goede bewindvoerders ter begeleiding van schuldsaneringszaken. De Wsnp is het sluitstuk van minnelijke schuldsanering waarbij, al dan niet bijgestaan door een derde partij, schuldenaar en schuldeiser(s) tot een vergelijk komen over de afwikkeling van openstaande schulden. Belangrijke uitvoerende organisaties in het minnelijk traject zijn de gemeenten, (gemeentelijke) kredietbanken, sociale diensten en het maatschappelijk werk.

Uitvoerbaarheid Wsnp

Inmiddels is duidelijk geworden dat als gevolg van de economische recessie het beroep op schuldhulpverlening en de Wsnp sterk toeneemt. Dit leidt tot een verhoogde werkdruk op de rechters en de bewindvoerders. In toenemende mate zijn er signalen over uitvoeringsproblemen en is alle aanleiding deze serieus te nemen. Een adviesaanvraag bij de ministeriële adviescommissie insolventierecht met als thema's vereenvoudiging van de wet, verzwaring van de bewijslast op de verzoeker en beperking van de toestroom heeft hoge prioriteit gekregen.

Tijdens een Algemeen Overleg in juli 2002 zijn met de Tweede Kamer een aantal verbeteringen besproken in beleid, wet- en regelgeving die voorjaar 2002 reeds waren aangekondigd. De Tweede Kamer ging op hoofdlijnen akkoord. Het streven is erop gericht de wijzigingen in 2004 te kunnen implementeren, tegelijkertijd met de actuele ontwikkelingen die voortvloeien uit het advies van de Commissie insolventierecht. Als concreet voorbeeld zij hier vermeld de versterking van de slagkracht van het minnelijk traject door de rechter voorafgaand aan de beslissing tot toelating tot de Wsnp een ruimere bevoegdheid te geven tot het opleggen van een dwangakkoord (primair te beoordelen, het schuldsaneringsverzoek subsidiair). Dwarsliggende schuldeisers die een beperkt deel van de schuldenlast vertegenwoordigen kunnen zo worden «overruled», waardoor een drie jaar durende belasting van het wettelijk traject wordt voorkomen.

Op basis van in de zomer van 2003 aan de minister uitgebracht advies, zal een standpunt worden bepaald hoe dit advies wordt ingebracht in het reeds lopende herzieningstraject van de Wsnp.

Het belang van een minnelijke regeling

Een goede uitvoering van het minnelijk traject voorkomt dat onnodig beroep op de Wsnp-rechter wordt gedaan. Beleidsinzet is om de status van dit traject op te waarderen met meer kwaliteit, uniformiteit, slagkracht en een betere informatievoorziening. Indien niet alleen schulden worden gesaneerd maar ook bijkomende problemen worden aangepakt, zoals werkloosheid, te dure huisvesting en psychosociale problemen, krijgt de integrale schuldhulpverlening werkelijk gestalte. Deze werkwijze is gericht op een duurzame oplossing van de individuele schuldenproblematiek door het probleem bij de bron aan te pakken. Tweerichtingsverkeer is het doel: De Wsnp draagt bij aan het beleid van de minister van SZW in samenwerking met de gemeenten in het kader van de integrale schuldhulpverlening en het armoedebeleid, maar omgekeerd moet een kwalitatief goed minnelijk traject de Wsnp in staat stellen om als «uiterste redmiddel» te fungeren.

Overgang naar het wettelijk traject

Indien geen minnelijke oplossing mogelijk is geeft de gemeente een verklaring op grond van artikel 285 van de Faillissementswet af. Die verklaring biedt de basisinformatie voor de rechterlijke beoordeling van het verzoek om toelating tot de Wsnp en is ook de basis van het dossier van de bewindvoerder. Bij honorering van het verzoekschrift benoemt de rechter immers een bewindvoerder, die erop toeziet dat de schuldenaar de voorwaarden van de saneringsregeling naleeft. De update van de modelverklaring is najaar 2003 operationeel zodat er completere informatie ligt bij de start van het wettelijk traject.

De uitvoering

De uitvoering van de Wsnp heeft de minister gemandateerd aan de raad voor rechtsbijstand Den Bosch (Bureau Wsnp). Het Bureau Wsnp ondersteunt een kwalitatief en kwantitatief voldoende aanbod van bewindvoerders en zorgt op basis van een subsidieregeling voor de vaststelling van de vergoedingen van bewindvoerders. De Raad fungeert als spil bij de voor de Wsnp zo kenmerkende ketenafhankelijkheid van betrokken partijen, zoals geldverstrekkers, schuldeisers, schuldhulpverleners, gemeenten, kredietbanken, rechtbanken, advocaten en bewindvoerders. De Raad is ook gesprekspartner bij de komende aanpassing van lagere weten regelgeving, zoals het salarisbesluit en het subsidiebesluit (eind 2003).

De vergoeding

Naar aanleiding van het advies van de Commissie Monitor bewindvoerdersubsidie Wsnp zijn de vergoedingen aan de bewindvoerders per 1 december 2000 verhoogd.

Een tweede monitor die eind 2002 beschikbaar is gekomen, heeft, afgezien van de jaarlijkse trendmatige indexering niet geleid tot aanpassing van het bewindvoerdersubsidie, maar zal wel tot een vermindering van de werkdruk en een verruiming van de opbrengsten uit de aanwezige boedel (salaris) leiden.

Met de onderstaande tabel wordt beoogd inzicht te geven in de omvang van de aanspraak op de wettelijke schuldhulpverlening.

Volume- en prijsgegevens

 eenheid2002200320042005200620072008
Uitvoeringslasten raad voor rechtsbijstand        
prijs€ 1,–€ 43€ 38€ 43€ 43€ 43€ 43€ 43
volume (Wsnp-zaken)aantallen7 8498 4247 5007 5007 5007 5007 500
         
Programmauitgaven raad voor rechtsbijstand        
prijs€ 1,–€ 1 235€ 1 279€ 1 344€ 1 344€ 1 344€ 1 344€ 1 344
volume (Wsnp-zaken)aantallen7 8498 4247 5007 5007 5007 5007 500

Beleidsevaluatieonderzoek

In vervolg op de in 2000 gereed gekomen evaluatie van de werking van de Wsnp, waarvan de resultaten thans worden verwerkt in wet- en regelgeving, zal in 2007 een volgende evaluatie plaatsvinden.

Monitor Wsnp

De verantwoordelijkheid voor het stelsel van wettelijke schuldsanering brengt met zich dat aan de hand van informatie over het functioneren van het stelsel relevante ontwikkelingen en trends worden gevolgd. Op basis daarvan wordt beoordeeld of het stelsel aan zijn doel beantwoordt. Zo nodig kan op basis daarvan besloten worden tot maatregelen leidend tot wijzigingen binnen het stelsel of zelfs tot stelselwijziging. Het Bureau Wsnp verzamelt reeds gegevens over het aantal beschikbare bewindvoerders, het aantal toelatingsvonnissen en (tussentijdse) beëindigingen. In 2002 is begonnen met het meer systematisch verzamelen van informatie. Hiermee wordt beoogd meer pro-actief relevante trends voor het te voeren beleid in kaart te brengen, mede met het oog op de volgende evaluatie in 2007.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.3.1       
        
uitgaven10 60511 13511 14311 21211 21511 20411 204
programma-uitgaven10 41910 89710 90310 97410 97910 97210 972
waarvan:       
– subsidies10 41910 89710 90310 97410 97910 97210 972
apparaatsuitgaven186238240238236232232
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen11 26411 13511 14311 21211 21511 20411 204

Beleidsartikel 4.4 Juridische dienstverlening

De rechtsstaat brengt met zich dat de toegang tot het recht dient te worden gewaarborgd. Belangrijke peilers van die toegang zijn, vanwege de complexiteit van het recht, de diensten verleend door juridische en andere beroepsbeoefenaren, die zich bezig houden met advisering en ondersteuning bij rechtsvorming (zoals bijvoorbeeld advocaten en notarissen), geschilbeslechting (advocaten en mediators) en ten uitvoerlegging van rechterlijke vonnissen (zoals deurwaarders). Om aan die verantwoordelijkheid inhoud te geven wordt ook in het beleid specifiek aandacht gegeven aan de blijvende toegankelijkheid, kwaliteit en integriteit van de dienstverlening door juridische beroepsbeoefenaren (advocaten, notarissen en deurwaarders) en andere deskundigen/instanties op het terrein van alternatieve geschilbeslechting.

Beleidsdoelstelling 4.4

Toegankelijkheid van het recht door en met ondersteuning van juridische dienstverleners alsmede van andere deskundigen en instanties op het terrein van alternatieve geschilbeslechting.

Toelichting

Het beleid van Justitie is erop gericht dat in de dienstverlening de markt zijn werk doet. Dit brengt mee dat terughoudendheid is geboden in de regelgeving ten aanzien van de beroepen en dat waar nodig voorwaarden worden geschapen voor marktwerking. Anderzijds dienen in het belang van een goede rechtspleging en rechtsbedeling (indien nodig door middel van regelgeving) de toegang tot de juridische diensten en de vereiste (minimum) kwaliteit van die diensten gewaarborgd te zijn.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 4.4       
        
uitgaven5 3179 9539 9009 9509 9499 9329 932
        
ontvangsten5000000
        
verplichtingen7 7229 9539 9009 9509 9499 9329 932

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 4.4          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 9 900 9 950 9 949 9 932 9 932
waarvan:          
– personeel en materieel 1 194 1 186 1 181 1 168 1 168
– beleid 8 706 8 764 8 768 8 764 8 764
waarvan:          
a. juridisch verplicht0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)100,0%8 706100,0%8 764100,0%8 768100,0%8 764100,0%8 764
           
Totaal uitgaven beleid100,0%8 706100,0%8 764100,0%8 768100,0%8 764100,0%8 764

Operationele doelstelling 4.4.1

Een adequaat stelsel van vrije juridische beroepen.

Toelichting

Justitie is verantwoordelijk voor de kernfuncties van het notariaat, de advocatuur en de gerechtsdeurwaarders. Deze zijn in het belang van rechtspleging en rechtsbedeling bij wet gereglementeerd. Tegen de achtergrond van de toenemende complexiteit van regelgeving en van rechtsverhoudingen, speelt ook consumentenbescherming een rol.

Kernfuncties juridische beroepsgroepen

De te waarborgen juridische diensten zijn: belangenbehartiging ten behoeve van rechtzoekenden zoals advisering en procesvertegenwoordiging, het regelen van rechtsbetrekkingen door middel van notariële akten; het inleiden van procedures bij de civiele rechter en de executie van vonnissen en dwangbevelen. Daarnaast richt het beleid zich op andere aan deze kernfuncties verwante (juridische) diensten, indien die van invloed zijn op de beschikbaarheid, de kwaliteit en de integriteit van de dienstverlening.

Kwaliteit en integriteit

De juridische beroepsgroepen hebben een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid nu veelal wettelijk is voorgeschreven dat de consument gebruik maakt van hun diensten. Voor Justitie blijft het belangrijkste punt aan de aanbodzijde de verantwoordelijkheid voor een kwalitatief goede en integere dienstverlening. Kwaliteit en integriteit worden mede bevorderd door de werking van het toezicht en het tuchtrecht. De inrichting en bekostiging van het tuchtrecht is aan een heroriëntatie toe. De mate waarin overheidsbetrokkenheid vanzelfsprekend is bij het tuchtrecht is niet voor iedere beroepsgroep gelijk. Het tuchtrecht kan ook duidelijker gepositioneerd worden. Ook de organisatie van het toezicht op de beroepsgroepen zal opnieuw worden bezien. Voor het toezicht zullen nadere spelregels worden ontwikkeld. Uitgangspunt hierbij is een sluitend systeem van toezicht, waarbij ook voor de consument helder is welke externe toets op welke aspecten ziet en wat hij van een toezichthouder wel of niet kan verwachten.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie Verordening op de praktijkoefening van de advocaat in dienstbetrekkingafgerond in 2002
  
Evaluatie Stichting Geschillencommissie (geschilbeslechting consumentenzaken)afgerond in 2001
  
Evaluatie landelijk project mediation rechtelijke machtafgerond in 2003
  
Evaluatie landelijk project mediaton gesubsidieerde rechtsbijstandafgerond in 2003
  
Mediation in civiele en bestuursrechtelijke zaken: een internationaal literatuuronderzoekafgerond in 2002
  
Arbitrage en bindend adviesafgerond in 2002
  
De praktijk van toepassing van mediation binnen de justitiële infrastructuur in ons omringende rechtsstelselsafgerond in 2003
  
Evaluatie invoering vrije tarieven notariaatafgerond in 2002

Voor het volgen van de afstemming tussen de vraagzijde (rechtzoekenden) en aanbodzijde (beschikbaarheid juridische dienstverleners) zijn trendrapportages in ontwikkeling (voorjaar 2004). Deze trendrapportages vormen een soort «thermometer» waarmee eventuele fricties en onvolkomenheden tijdig kunnen worden gesignaleerd. Zij vormen zo de basis voor pro-actieve en systematische beleidsontwikkeling. Onvolkomenheden in de afstemming van vraag en aanbod zijn vooral ook vanuit consumentenoogpunt een zorg. Transparantie in kwaliteit en tariefstelling heeft daarom bij alle beroepsgroepen de aandacht. Mede naar aanleiding van de motie De Vries (TK, 23 706, nr. 52) wordt ingezet op een consumentvriendelijke regeling voor geschillen over notariële declaraties. De introductie van de notaris in loondienst kan een gunstig effect hebben op verbreding van het aanbod en daarmee de tariefstelling. Een standpunt over het advies van de Werkgroep notaris in loondienst is in voorbereiding. Voor eind 2003 is bovendien de evaluatie van de Notariswet gepland.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.4.1       
        
uitgaven3 6444 1894 1234 1394 1374 1244 124
programma-uitgaven3 0683 4913 4173 4393 4413 4393 439
waarvan:       
– subsidies2 8013 4913 4173 4393 4413 4393 439
apparaatsuitgaven576698706700696685685
        
ontvangsten1000000
        
verplichtingen5 9954 1894 1234 1394 1374 1244 124

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Operationele doelstelling 4.4.2

Bevordering van alternatieve (buitengerechtelijke) vormen van geschilafdoening.

Toelichting

Mogelijkheden tot alternatieve geschillenbeslechting kunnen voor partijen soms een betere en meer duurzame oplossing bieden voor hun conflict dan de gang naar de rechter. De rechterlijke macht kan daardoor op termijn tevens worden ontlast. Daarom bevordert Justitie (de kwaliteit van) alternatieve vormen van geschilafdoening, samengevat onder de term «Alternative Dispute Resolution» (ADR). Het kader is neergelegd in de beleidsbrief ADR 2000–2002 «Meer wegen naar het recht» die in november 1999 aan de Tweede Kamer is gezonden (TK, 26 352, nr. 19).

Beleidskoers mediation

Het recht wordt niet meer verwezenlijkt bij rechtspraak alleen. Met andere woorden: het rechtsbestel functioneert mede dankzij de veelvormigheid van geschillenbeslechtingsmethoden. Mediation is daarbij een belangrijke aanwinst die focust op de eigen verantwoordelijkheid van partijen. De beleidskoers heeft geresulteerd in een meer gestructureerde introductie van mediation in de rechtspraktijk – op experimentele basis – via verwijzing door de rechterlijke organisatie en binnen het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand. Taakverlichting voor de rechterlijke macht is daarbij een belangrijke, maar niet de enige invalshoek.

Bij de meer klassieke en gereguleerde ADR-typen als arbitrage en bindend advies ligt de verantwoordelijkheid voor de oplossing uiteindelijk in handen van een derde die een beslissing neemt. Mediation laat de verantwoordelijkheid voor (het vinden van) de oplossing van het conflict aan partijen zelf. Uitgangspunt bij mediation is immers dat partijen vrijwillig, en onder begeleiding (niet: leiding) van een onafhankelijke derde, zelf een gezamenlijke oplossing voor hun conflict proberen te vinden. In hoeverre deze vrijwilligheid kan worden gestimuleerd door incentives is, conform het Kabinetsstandpunt, ook onderwerp van nadere studie.

Geschillencommissies

De geschillencommissies onder de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken (SGC) doen uitspraak op basis van bindend advies en dragen zo bij aan een buitengerechtelijke afdoening van consumentengeschillen. Uit de evaluatie (2002) blijkt dat de geschillencommissies over het algemeen goed functioneren en in een duidelijke behoefte voorzien. In 2003/2004 staat op de agenda op welke wijze het aantal geschillencommissies onder de SGC kan worden uitgebreid en op welke wijze de markt kan worden geprikkeld om meer de verantwoordelijkheid daarvoor op zich te nemen.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie van de competentiegrensverhoging voor civiele handelszakenafgerond in 2002
  
Eindevaluatie herstelbemiddelingafgerond in 2002

Om na te gaan of structurele voorzieningen voor doorverwijzing naar mediation binnen de justitiële infrastructuur bestaansrecht hebben, zijn bij vijf rechtbanken en drie stichtingen rechtsbijstand deelprojecten gestart, waarbij rechtzoekenden – in geschikte gevallen – werden doorverwezen naar mediators. De projecten zijn op 1 januari 2003 geëindigd en worden medio 2003 door het WODC geëvalueerd. Ook zijn subsidies verleend aan opgezette initiatieven op het gebied van bestuursrecht, huurrecht en arbeidsrecht, die deels bij de eindevaluatie betrokken worden. Tevens is een aantal wetenschappelijke onderzoeken uitgezet naar de werking van ADR (waaronder onderzoeken arbitrage en bindend advies). Medio 2003 is de eindevaluatie van alle projecten en onderzoeken voorzien. Deze bundeling zal de basis zijn voor een definitieve standpuntbepaling richting de Tweede Kamer (najaar 2003).

Na de evaluatie zal begin 2004 worden besloten over de vraag in welke mate een ruimer toepassingsbereik van deze vormen van ADR kan worden gerealiseerd.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 4.4.2       
        
uitgaven1 6735 7645 7775 8115 8125 8085 808
programma-uitgaven1 4795 2845 2895 3255 3275 3255 325
waarvan:       
– subsidies1 4795 2845 2895 3255 3275 3255 325
apparaatsuitgaven194480488486485483483
        
ontvangsten4000000
        
verplichtingen1 7275 7645 7775 8115 8125 8085 808

5 – SANCTIETOEPASSING

Beleidsartikel 5.1 Tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties

Het ministerie van Justitie levert een bijdrage aan de veiligheid van de samenleving door tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen en door de aan haar zorg toevertrouwde personen de kans te bieden een maatschappelijk bestaan op te bouwen.

Beleidsdoelstelling 5.1

Het bevorderen van de veiligheid van de maatschappij door een effectieve tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen.

Een goed functionerend sanctiesysteem is essentieel voor een betrouwbare strafrechtpleging. De sanctie is het sluitstuk van de strafrechtelijke procedure; de geloofwaardigheid vereist dat een opgelegde sanctie ook daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd. Tegelijkertijd begint met de tenuitvoerlegging van de sanctie de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving. Voor het vergroten van de maatschappelijke veiligheid is vereist dat iemand niet meer in herhaling vervalt. Daarom dient de tenuitvoerlegging van een sanctie tevens in het teken te staan van het voorkomen van recidive. Deze dubbele doelstelling is de kern van het justitiële beleid.

In de komende kabinetsperiode worden veel inspanningen gepleegd om een veiliger klimaat in Nederland te scheppen. De uitvoering daarvan leidt tot een grotere druk op het sanctiestelsel. Oplossingen worden in velerlei richtingen gezocht en variëren van capaciteitsuitbreiding gecombineerd met een versobering van de tenuitvoerlegging tot het zoeken naar goedkopere varianten of substitutie van sancties. In het programma Modernisering Sanctietoepassing (MST) worden tal van maatregelen voorbereid variërend van meervoudig celgebruik tot herinvoering van de invrijheidstelling onder voorwaarden, van verdere versobering van regimes tot uitbreiding van voorwaardelijke sancties. Daarnaast is voor 2004 € 41 miljoen beschikbaar voor het verder uitbreiden van de sanctiecapaciteit (intra- en extramuraal). Deze capaciteit is met name bestemd voor (jeugdige) veelplegers, kortgestraften en het terugdringen van het aantal tbs-passanten in het gevangeniswezen.

Tegelijkertijd wordt in de komende kabinetsperiode aandacht besteed aan het terugdringen van recidive.

Daarbij wordt selectief geïnvesteerd in kansrijke groepen. De aanpak van veelplegers maakt daar onderdeel van uit. Deze groep is verantwoordelijk voor een onevenredig groot aandeel in de criminaliteit en bezorgt de maatschappij veel overlast. Het beleid is erop gericht om de meest actieve veelplegers gedurende langere tijd te detineren of onder toezicht te plaatsen. Deze strategie heeft als achtergrond dat de veiligheid van de samenleving er sterk mee is gebaat dat ex-veroordeelden niet opnieuw in crimineel gedrag vervallen. Tevens daalt op termijn de behoefte aan celcapaciteit. De belangrijkste projecten die in dit verband kunnen worden genoemd zijn de programma's «Modernisering Sanctietoepassing» (MST) en «Jeugd Terecht» (JT). Met betrekking tot de nadere uitwerking van de maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord wordt de Tweede Kamer rond Prinsjesdag separaat geïnformeerd.

Modernisering sanctietoepassing (MST)

De beschikbaarheid van voldoende celcapaciteit is het belangrijkste instrument voor een tijdige, volledige en ongestoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen het gevangeniswezen. Bij brief van 16 oktober 2002 inzake «Modernisering Sanctietoepassing» (MST) (TK 28 600 VI, nr. 6) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de «ernstige en acute capaciteitstekorten» bij de sanctietoepassing. In deze brief wordt de beleidsvisie toegelicht; hoe te komen tot een consequente en doelgerichte sanctietoepassing, uitmondend in een pakket aan maatregelen, dat moet leiden tot een vermindering van de capaciteitsdruk.

Het pakket aan maatregelen in het kader van MST bestaat onder meer uit het openhouden van aanvankelijk af te stoten capaciteit, het invoeren van meerpersoonscelgebruik, het realiseren van twee uitzetcentra voor vreemdelingen en het realiseren van capaciteit voor veelplegers. Het pakket aan maatregelen van MST moeten in een reeks vanaf 2003 tot eind 2008 leiden tot een equivalent van 6 000 extra plaatsen welke zijn opgebouwd uit 5 232 intra- en extramurale plaatsen – waaronder 600 plaatsen in de uitzetcentra voor vreemdelingen – en 768 plaatsen vanwege individueel versneld ontslag (IVO). De Tweede Kamer is hierover schriftelijk geïnformeerd (TK 24 587, nr. 88).

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 5.1       
        
uitgaven1 301 3081 426 7921 518 9031 493 3031 506 7811 530 3961 529 642
        
ontvangsten5954518545454545
        
verplichtingen1 316 3611 426 7921 518 9031 493 3031 506 7811 530 3961 529 642
waarvan:       
– garanties43 85843 44443 00842 57342 10741 60741 107

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 5.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 1 518 903 1 493 303 1 506 781 1 530 396 1 529 642
waarvan:          
– personeel en materieel 1 364 764 1 341 510 1 339 569 1 356 736 1 348 183
– beleid 154 139 151 793 167 212 173 660 181 459
waarvan:          
a. juridisch verplicht99,6%153 52299,6%151 18699,6%166 54399,6%172 96599,6%180 733
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,4%6170,4%6070,4%6690,4%6950,4%726
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
           
Totaal uitgaven beleid100,0%154 139100,0%151 793100,0%167 212100,0%173 660100,0%181 459

Operationele doelstelling 5.1.2

De tijdige, volledige en ongestoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen het gevangeniswezen en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van gedetineerden.

De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen in het gevangeniswezen dient de beveiliging van de samenleving. Het reguliere gevangeniswezen bestaat uit gevangenissen en huizen van bewaring. In 2004 zal het gevangeniswezen over 12 839 plaatsen beschikken (circa 6% hiervan is bestemd voor vrouwen) en de detentiecentra over gemiddeld 1 265 plaatsen. De extramurale capaciteit bedraagt in 2004 844 plaatsen.

De veiligheid wordt primair bereikt door onttrekking van de gedetineerde aan de samenleving en door de gedetineerde, indien hij daarvoor in aanmerking komt, een zodanig programma aan te bieden dat hij na terugkeer in de samenleving niet (althans zo min mogelijk) in herhaling vervalt. Het voorkomen van recidive is daarmee het tweede hoofddoel van een vrijheidsstraf.

Samenwerking in de strafrechtketen

Een verbetering van de informatie-uitwisseling in de strafrechtsketen wordt gerealiseerd met behulp van het in ontwikkeling zijnde «early warning system» onder regie van het OM. Dit heeft tot doel vroegtijdig ontwikkelingen in de behoefte aan celcapaciteit te kunnen signaleren en zo mogelijk maatregelen te treffen waarmee het instrument individueel versneld ontslag (IVO) niet vaker hoeft te worden ingezet dan strikt noodzakelijk is.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Formele capaciteit (incl. MST)11 70512 56512 83913 63613 83913 86713 867
waaronder SOV-plaatsen (intramuraal)203258290312366366366
Percentage bezettingsgraad97,196,296,296,296,296,296,2
Substitutie-effect cellen door uitvoering PP, BPP, ED en ET208657844854859859859
Formeel gebruik aantal politiecellen2953252525252525

Capaciteit detentiecentra

 2002200320042005200620072008
Formele capaciteit, incl. 96 KMAR-cellenpm*1 2291 265698449437437

* In 2002 zijn de gerealiseerde uitgaven verantwoord onder operationele doelstelling 3.3.3.

De capaciteit in detentiecentra is extra capaciteit, die is ontwikkeld om gehoor te kunnen geven aan de politieke wens om drugskoeriers te kunnen insluiten. De krapte in het reguliere gevangeniswezen was zodanig dat er naar alternatieve detentiemogelijkheden is uitgeweken. Vanaf 1 april 2005 – na het verstrijken van de periode van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugskoeriers – valt deze detentiecapaciteit onder de Penitentiaire beginselenwet.

De realisatie van de doelstelling wordt als volgt gemeten.

Tijdige en volledige tenuitvoerlegging

Het doel is om door middel van het inzetten van het instrument IVO (Individueel Versneld Ontslag) te voorkomen dat preventief gedetineerden aan de voordeur wegens plaatsgebrek moeten worden heengezonden. Tevens wordt beoogd met dit instrument te bewerkstelligen dat niet langer door plaatsgebrek strafonderbreking (SOB) moet worden verleend aan gearresteerde veroordeelden. Vanwege de aanhoudende capaciteitsdruk leidt dit ertoe dat – anders dan tot dusverre werd nagestreefd – het aantal IVO's niet systematisch afneemt. Het voor de komende jaren te verwachten aantal IVO's is afhankelijk van de vraag of de beschikbare capaciteit voldoende zal zijn om alle straffen en maatregelen tijdig en volledig ten uitvoer te kunnen leggen. Hierover zal te zijner tijd worden gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

Ongestoorde tenuitvoerlegging

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de justitiabele zich niet aan de detentie kan onttrekken. Ontvluchtingen en onttrekkingen moeten dan ook worden voorkomen. De verwachting is dat in 2004 het aantal ingeslotenen zal zijn toegenomen, onder andere door invoering van meerpersoonscelgebruik. Omdat hierdoor meer gedetineerden van de gesloten capaciteit gebruik maken is een verdere daling van het aantal ontvluchtingen niet te verwachten.

Reïntegratie

De maatschappelijke reïntegratie en recidivevermindering worden bevorderd door een gefaseerde en begeleide terugkeer in de maatschappij. Het «Penitentiair Programma» (PP) vormt daarbij een belangrijk instrument (het basis-PP is een kort PP en wordt hier inbegrepen bij het begrip PP). Aan het einde van hun detentie kunnen gedetineerden buiten de inrichting een programma volgen dat bestaat uit arbeid, opleiding of andere activiteiten voor reïntegratie van belang zijn. Om de uitstroom via PP's te vergroten is het beleid gericht op het verruimen van de doelgroep. Daartoe is ook de huidige regelgeving aangepast. In 2004 zal het mogelijk zijn geworden om gedetineerden met een straf tussen zes en twaalf maanden via een penitentiair programma te laten uitstromen. Als prestatiegegeven wordt het percentage uitstroom via PP's gehanteerd. Dit was tot dusverre gedefinieerd als het percentage van de groep gedetineerden die aan een PP begon en dat ook succesvol afsloot. Deze definitie doet geen recht aan de inspanningen die worden gedaan om veroordeelden voor een PP in aanmerking te brengen. Daarom is de definitie van het prestatiegegeven veranderd en expliciet gericht op het bereik van de maatregel en het vergroten van de doelgroep. De definitie luidt thans: «Het aantal gedetineerden, veroordeeld tot een straf van 1 jaar of meer, dat voor een PP in aanmerking is gekomen ten opzichte van het totale aantal gedetineerden met een straf van 1 jaar of meer». Dit is exclusief de groep «zes-twaalf maanden». De praktijk zal eerst moeten uitwijzen of het strafrestant van de veroordeelden in deze categorie voldoende lang is om een PP te kunnen uitvoeren/volbrengen.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Heenzendingennihilnihilnihilnihilnihilnihilnihil
IVO's *4 8376 200
SOB's*4 2116 030
Aantal ontvluchtingen uit gesloten inrichtingen2020≤ 20≤ 20≤ 20≤ 20≤ 20
Reïntegratie via PP's ** 21%23%25%27%29%29%

* Het aantal IVO's en SOB's voor 2004 en verder is nog niet bekend.

** In de praktijk blijkt dat vanwege de strenge criteria een beperkt deel van de gedetineerden met een celstraf langer dan 1 jaar voor een PP in aanmerking komt (circa 30%). Wie niet wil meewerken aan deelname, niet beschikt over een geschikt opvangadres, illegaal in Nederland verblijft of een te groot veiligheidsrisico vormt, komt niet in aanmerking voor een PP.

CJIB-detentieplaatsen

Bij de CJIB-detentieplaatsen gaat het om bij de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis voor niet betaalde boetes c.q. gijzelingen in Mulder-zaken vanaf 2004 plaatsen met een versoberd regime binnen de bestaande capaciteit te realiseren. In de huidige situatie is het zo dat niet-betalende overtreders opgesloten worden binnen de reguliere capaciteit. Met de invoering van de CJIB-detentieplaatsen zal deze categorie gedetineerden voor hun relatief korte straf in versoberde opvang worden ingesloten. Dit vermindert de druk op de overige relatief kostbare capaciteit.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk.

Beleidsevaluatieonderzoek

Om de operationele doelstelling te kunnen evalueren spelen, naast de jaarlijkse prognoses sanctiecapaciteit gevangeniswezen, de volgende beleidsevaluatieonderzoeken een rol.

Omschrijvingstatustoelichting
Evaluatie extra beveiligde inrichting te Vughtafgerond in 2003 
   
Evaluatie Project meerpersoons- celgebruik (mpc) in het Nederlandse gevangeniswezenstart in 2003, af te ronden in 2004In het kader van MST zal meerpersoonscelgebruik worden ingevoerd. Door het WODC zal onderzocht worden wat de mogelijke gevolgen en effecten zijn ten aanzien van de kwaliteit van de detentie en ten aanzien van de veiligheid en het welzijn binnen de inrichtingen voor personeel en gedetineerden. Rapportage wordt in 2004 verwacht.
   
In kaart brengen van resultaten van de proeven met de toepassing van een nieuw justitieel verslavingsbeleid in het gevangeniswezen, als basis voor verdere vormgeving van de uitvoeringspraktijk in dit beleidstart in 2003, af te ronden in 2004 
   
Evaluatie van de Tijdelijke wet noodcapaciteit drugkoeriers in de praktijk, als informatie voor de parlementaire discussie over de verlenging van de noodwetgevingafgerond in 2002 
   
Evaluatie verslaafdenvoorziening inclusief evaluatie Strafrechtelijk Opvang Verslaafden (SOV)lopend, af te ronden in 2006 
   
Gedetineerdensurveylopend, af te ronden in 2003/2004 
   
Pilots schotloze detentie in Nieuwersluis in PI te Utrechtstart in 2003 
   
Elektronische detentiestart in 2003 
   
Recidivemonitor (plus deelonderzoeken)lopend, af te ronden in 2003DJI continueert het jaarlijks monitoren van de detentierecidive van de uitstroomcohorten van het gevangeniswezen. Voorts rapporteert het WODC in het kader van de zogenaamde Recidivemonitor volgens planning vanaf 2003 jaarlijks de resultaten van onderzoeken naar de algemene recidive van de uitstroomcohorten (dat wil zeggen inclusief de misdrijven die niet hebben geleid tot een nieuwe detentie). Onderzoek geeft aan dat circa 50% binnen zes jaar recidiveert. Daarnaast zal het WODC ook diverse recidivemetingen verrichten ten behoeve van het beleidsprogramma Terugdringen Recidive.
   
Evaluatie samenwerking Gevangeniswezen en SRNstart in 2003 
   
Behoefte ex-gedetineerden naar opvang voorzieningenstart in 2003 

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.2       
        
uitgaven812 115916 490998 059969 679973 034991 114982 725
programma-uitgaven811 832916 171997 778969 400972 757990 841982 452
waarvan:       
– bijdragen811 832916 171997 778969 400972 757990 841982 452
apparaatsuitgaven283319281279277273273
        
ontvangsten5000000
        
verplichtingen812 136916 490998 059969 679973 034991 114982 725

VBTB-paragraaf

Elektronische detentie

Elektronische detentie is een vorm van extramurale detentie waarbij een gedetineerde zijn straf thuis uitzit met een elektronische enkelband en minimale begeleiding van de reclassering. Met ingang van de begroting 2005 zal, indien in wettelijke kaders is voorzien, een prestatiegegeven worden geformuleerd welke een maat is van de omvang van de tenuitvoerlegging door middel van elektronische detentie.

Implementatie programma's

Met de resultaten van het programma «Terugdringen Recidive» wordt een aanbod van programma's ontwikkeld dat op zijn effectiviteit is onderzocht. Deze goedgekeurde programma's zijn gericht op recidivevermindering en maatschappelijke integratie. In 2005 zal een prestatiegegeven worden geformuleerd dat een maat is voor het aantal goedgekeurde programma's die tijdens detentie zijn aangeboden, op basis van individuele diagnoses.

Operationele doelstelling 5.1.3

De tijdige en volledige, ongestoorde en pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen binnen de justitiële jeugdinrichtingen en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van jeugdige delinquenten en onder toezicht of voogdij gestelde jeugdigen.

De sector Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI) bestaat uit opvang- en behandelinrichtingen.

Capaciteit

De formeel beschikbare capaciteit bij de JJI's is een belangrijk instrument bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen en straffen voor jeugdigen. De gemiddelde formele capaciteit van de JJI's ligt in 2004, in vergelijking met de begroting voor 2003, 206 plaatsen lager. Op basis van de capaciteitsprognoses 2002 werd namelijk een minder sterke stijging van de capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen voor de jaren 2003 en 2004 voorzien. Gelet hierop is besloten om de uitbreiding van de capaciteit te temporiseren en tijdelijk beschikbaar gestelde capaciteit van het gevangeniswezen terug te geven (TK, 24 857, nr. 88).

De hierdoor vrijkomende middelen worden ingezet ter medefinanciering van de uitbreiding van de capaciteit uit hoofde van de uitvoering van de nota «Modernisering sanctietoepassing» (MST). In 2004 wordt een nieuwe justitiële jeugdinrichting in Lelystad geopend. Tevens krijgt in 2004 de uitvoering van het amendement Rietkerk inzake 25 extra inkoopplaatsen Glen Mills, waarmee in 2003 is gestart, zijn verdere beslag. In de financiering voor 2004 is, bij de verdeling van de middelen die in het Hoofdlijnenakkoord zijn uitgetrokken, voorzien voor Jeugdzorg/preventie.

Nachtdetentie en STP

Eind 2003 is de mogelijkheid van voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie gefaseerd landelijk – dat wil zeggen op alle geografische locaties met opvangcapaciteit – ingevoerd. Het is niet bekend hoe groot de behoefte in de praktijk aan de modaliteit zal zijn, waardoor opvangplaatsen of opvangafdelingen vooralsnog niet als specifiek voor nachtdetentie geoormerkt zullen kunnen worden. Zoals in de paragraaf «beleidsevaluatieonderzoek» aangegeven, zal het effect van de toepassing van nachtdetentie op de capaciteitsbehoefte nader worden onderzocht.

De toepassing van een scholings- en trainingsprogramma (STP) of proefverlof – een relatief jonge modaliteit – is nog in ontwikkeling maar vertoont een stijgende lijn. Met de extramurale scholings- en trainingsprogramma's alsmede met proefverlof wordt beoogd een sterke impuls te geven aan de bevordering van de maatschappelijke reïntegratie van de jeugdige, zoals ook verwoord in «Jeugd Terecht» en de JJI missie. Uit dien hoofde wordt rekening gehouden met een stijging per 2005 van het aantal STP's betreffende jeugdige veelplegers (substitutie-effect 3 plaatsen). Na enige aanloopproblemen, die maakten dat de aanvankelijk geraamde aantallen niet onmiddellijk werden gerealiseerd, wordt voor 2004 een groei verwacht tot 180 STP's en proefverloven, met een totaal substitutie-effect van 60 plaatsen.

Jeugd Terecht

In het kader van «Jeugd Terecht» wordt expliciet aandacht besteed aan de categorie jeugdige veelplegers. Hun aantal is niet exact bekend. In 2003 is gestart met een project, waarbij groepen uit de vier grote steden gericht bij elkaar geplaatst worden in Den Engh. Dit project wordt in 2004 verder uitgebouwd. Hiervoor worden 36 plaatsen bestemd waarvan 12 uit de reguliere capaciteit en 24 extra plaatsen.

De realisatie van de doelstelling wordt als volgt gemeten.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Formele capaciteit (plaatsen)2 3002 3152 4582 5822 5892 5892 589
Bezettingsgraad (%)*87,995,095,095,095,095,095,0
Substitutie-effect door Scholings- en trainingprogr. /proefverlof (plaatsen)25406079898989

*Bezetting 2002 heeft te maken met personele problematiek die heeft geleid tot sluiting/onttrekking van plaatsen. Personele problematiek is grotendeels opgelost, waardoor formele capaciteit en bezettingsgraad vanaf 2003 zijn toegenomen.

Tijdige en volledige tenuitvoerlegging

Tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat voldoende capaciteit beschikbaar moet zijn, zodat heenzendingen, passanten of wachtlijsten zo min mogelijk voorkomen.

Wat betreft de wachttijden voor crisisplaatsingen van ondertoezichtgestelden (OTS-ers) in de opvang respectievelijk de plaatsing van PIJ-passanten (jeugdigen die wachten in een opvanginrichting op plaatsing in een behandelinrichting) zijn normen ontwikkeld (TK, 27 400 VI, nr. 600):

• De geformuleerde norm voor de PIJ-passanten is dat 80% van hen binnen een maand na het onherroepelijk worden van het vonnis moet zijn geplaatst in een behandelinrichting. In de begroting 2003 is vermeld dat de streefnorm van 80% zeker niet vóór 2006 gehaald zal worden. Daar is geen verandering in gekomen. Dit hangt niet alleen af van een stroomlijning van de logistieke processen tussen het Openbaar Ministerie en de sector JJI, maar ook van de beschikbare JJI-capaciteit en met name eveneens van een betere doorstroming vanuit de JJI's naar GGz-vervolgvoorzieningen van jongeren met ernstige psychiatrische problemen, zoals zedendelinquenten en jongeren met een lichte verstandelijke handicap. Dat de bezetting relatief laag is betekent niet dat wachtlijsten voor PIJ-passanten verkort kunnen worden. Immers niet elke behandelplaats is geschikt voor iedere PIJ-er. Er zijn voor bepaalde groepen PIJ-ers gespecialiseerde behandelplaatsen. Het halen van de 80% wordt pas in 2006 verwacht, met name omdat getracht wordt een betere doorstroming te bewerkstelligen naar – eveneens gespecialiseerde – GGz-vervolgvoorzieningen.

• Voor de OTS-crisisplaatsingen geldt als norm dat zij (en in ieder geval de zwaarste categorie) binnen één week na aanmelding in een opvanginrichting geplaatst moeten zijn. Plaatsingsproblemen gelden vooral voor meisjes als gevolg van capaciteitstekort. Hierin is – en afhankelijk van de behoefte wordt – voorzien door herbestemming van capaciteit.

Ongestoorde tenuitvoerlegging

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de jeugdige niet ontvlucht of zich onttrekt aan de straf of maatregel. Het aantal ontvluchtingen uit een gesloten inrichting is als prestatie-indicator opgenomen, omdat daarbij de maatschappelijke veiligheid het meest in het geding is. Het streven is erop gericht de aantallen verder te reduceren.

Pedagogisch verantwoord

Voor het «pedagogisch verantwoord» zijn gelden de eisen terzake die zijn neergelegd in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de daarop gebaseerde lagere regelgeving. De tenuitvoerlegging beoogt te leiden tot gedragsverandering en vergroting van taakvaardigheden teneinde uiteindelijk de recidive te verminderen. Voor het meten van de vorderingen wordt verwezen naar hetgeen in de VBTB-paragraaf is opgenomen.

Reïntegratie

Zoals ook in «Jeugd Terecht» is aangegeven blijkt uit internationaal onderzoek dat door goede nazorg de effectiviteit van sancties toeneemt. De verschillende sanctiemodaliteiten moeten worden gevolgd door een traject van begeleiding of toezicht waarmee wordt voorkomen dat de jeugdige terugvalt in zijn oude levensstijl. Vanzelfsprekend dienen dan de vorderingen van de jeugdige zodanig te zijn dat extramuraal verblijf uit oogpunt van veiligheid verantwoord is te achten. Daarom is, vooralsnog uitsluitend ten aanzien van de PIJ-uitstromers, als prestatie-indicator opgenomen het percentage deelname aan een extramuraal STP of proefverlof. Voor 2004 wordt ernaar gestreefd dat 50% van hen in de loop van het behandeltraject in aanmerking zullen komen voor deze extramurale modaliteit. Uiteindelijk, vanaf 2005, wordt een output verwacht van 70%. Bij de resterende 30% moet gedacht worden aan jongeren die daaraan niet willen meewerken, niet beschikken over een geschikt extramuraal opvangadres of van wie deelname een te groot veiligheidsrisico inhoudt.

De formulering van een (zo hoog mogelijke) norm STP voor OTS-ers ligt niet voor de hand, omdat voor hen het brede palet van jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar is.

In 2003 is een start gemaakt met de implementatie van het landelijk kader voor de forensische jeugddiagnostiek bij de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD).Voor 2004 wordt verwacht dat ruim 50% van de strafrechtelijke-jeugdrapportages via de FPD en conform het landelijk kader zal verlopen. Voor civielrechtelijke rapportages wordt ingezet op circa 30% van het totale aantal. De taakstelling wordt definitief na afronding van de evaluatie in 2003.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Plaatsing PIJ-passanten binnen normtijd (80% < 1 maand na vonnis)17%145%55%65%80%80%80%
        
Crisisplaatsing OTS-ers       
Binnen normtijd (100% < 1 week)80%100%100%100%100%100%100%
        
Aantal ontvluchtingen uit gesloten inrichtingen171111≤ 11≤ 11≤ 11≤ 11
        
Aantallen STP/proefverlof (jeugdigen)280160180250270270270
        
PIJ-uitstromers na STP of proefverlof25%50%50%70%70%70%70%

1 Op grond van analyse van 87 plaatsingen van PIJ-passanten in periode januari – september 2002. PIJ = Plaatsing In een Justitiële jeugdinrichting.

2 Dit betreft alle STP's/proefverloven, ongeacht verblijfstitel (PIJ, jeugddetentie en OTS).

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk, met uitzondering van de particuliere inrichtingen waarvoor een indirecte verantwoordelijkheid geldt.

Beleidsevaluatieonderzoek

De operationele doelstelling wordt over een periode van vijf jaren geëvalueerd. Het is gebruikelijk dat alle nieuwe regelgeving (wetten en convenanten) en nieuwe regimes enkele jaren na hun invoering worden geëvalueerd. Daarnaast wordt periodiek toezichtsonderzoek uitgevoerd door de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming (IJHVJB) naar de kwaliteit van de tenuitvoerlegging.

Omschrijvingstatustoelichting
Evaluatie Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingenstart in 2003 
   
Evaluatie Glen Millsstart in 2003Op 19 december 2001 heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen een plaatsingsovereenkomst met de Glen Mills School afgesloten om voor een periode van vooralsnog drie jaar 75 open plaatsen in te kopen. Door het amendement Rietkerk is het aantal uitgebreid tot 100 plaatsen. Het onderzoek richt zich op de effectiviteit van de methodiek van de Glen Mills School (programmadoelen).
   
Evaluatie nachtdetentiestart in 2004Eind 2003 wordt nachtdetentie als modaliteit van de voorlopige hechtenis gefaseerd landelijk ingevoerd. In 2004/2005 zal dit worden geëvalueerd.
   
Recidivemonitor (plus deelonderzoeken)af te ronden in 2003Het meten van de daadwerkelijke recidive na vertrek uit de inrichting respectievelijk beëindiging van de straf of maatregel, is onmiskenbaar van belang. Onafhankelijk recidiveonderzoek biedt inzicht in de effectiviteit van de vrijheidsbenemende maatregelen. Met name de trend in de ontwikkeling van de recidive is een goede maat voor de effectieve realisatie van de reïntegratieopdracht van de sector JJI. Daarom zal de recidivemonitor verder worden ontwikkeld en zal vanaf 2004 jaarlijks over recidive van ex-JJI jeugdigen worden gerapporteerd (TK, 27 834, nr. 4).

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.3       
        
uitgaven259 658262 143271 465276 628269 342268 196268 031
programma-uitgaven259 307261 789271 158276 350269 066267 924267 759
waarvan:       
– bijdragen259 307261 789271 158276 350269 066267 924267 759
apparaatsuitgaven351354307278276272272
        
ontvangsten5000000
        
verplichtingen259 658262 143271 465276 628269 342268 196268 031
waarvan:       
– garanties43 85843 44443 00842 57342 10741 60741 107

VBTB-paragraaf

• Een pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van de straf of maatregel impliceert opvoeding, verzorging, scholing (onderwijs/opleiding) en voor zover geïndiceerd, behandeling en beoogt te leiden tot gedragsverandering en vergroting van taakvaardigheden. In de afgelopen jaren zijn instrumenten ontwikkeld en gevalideerd waarmee de inrichtingen de vorderingen ter zake tijdens de uitvoering van de verblijfs- en behandelplannen kunnen meten.

Ter voldoening aan het gestelde in de groeiparagraaf 2003 zullen de inrichtingen, ter waarborging van de kwaliteit van hun tenuitvoerlegging, met ingang van 2004 één van deze instrumenten moeten gaan gebruiken.

• Voorts wordt in 2004 in het kader van «Jeugd Terecht» de effectiviteit van de verschillende jeugdsancties nader onderzocht.

Operationele doelstelling 5.1.4

De tijdige en ongestoorde tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel en het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van tbs-verpleegden.

De tbs-maatregel is primair gericht op het beveiligen van de maatschappij. Dat gebeurt op de korte termijn door dwangverpleging en de gedwongen opname in een tbs-inrichting. Op langere termijn gebeurt dit door terbeschikkinggestelden zodanig te behandelen dat een veilige terugkeer naar de maatschappij mogelijk wordt. Het voorkomen van recidive is dan ook een tweede belangrijke doelstelling van de tbs-maatregel. Om deze doelen te bereiken is tijdige en ongestoorde tenuitvoerlegging van de maatregel vereist en moet aan de tbs-gestelde een passende behandeling worden aangeboden, met als uiteindelijke doel dat maatschappelijke reïntegratie van de tbs-gestelde kan worden gerealiseerd. Er zijn drie rijksinrichtingen en vijf particuliere justitiële inrichtingen. Daarnaast wordt tot de sector gerekend het Pieter Baan Centrum voor observaties ter beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid.

Capaciteit

Eén van de belangrijkste instrumenten bij de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel is de beschikbare capaciteit. In de brief van 16 oktober 2002 (TK, 28 600 VI, nr. 6) is kenbaar gemaakt dat de behoefte aan capaciteit de komende jaren verder toeneemt. De beschikbare capaciteit blijft achter bij de stijgende behoefte aan capaciteit, onder meer door de stijging van het aantal opleggingen van de tbs-maatregel in combinatie met gevangenisstraf. Dit verklaart de forse stijging van het aantal passanten in de komende jaren. Aan de oplossing kan worden bijgedragen door flexibele inzetbaarheid en uitbreiding van de beschikbare capaciteit, het bevorderen van de door- en uitstroom van tbs-gestelden en te streven naar een hogere bezettingsgraad. Het onderzoek van het WODC naar de behoefte aan longstay-voorzieningen is van belang voor het realiseren van voldoende capaciteit voor blijvend delictgevaarlijke tbs-gestelden.

De realisatie van de doelstelling wordt als volgt gemeten.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Formele capaciteit justitiële inrichtingen1 1141 1241 1081 0981 0961 0961 096
Formele capaciteit niet- justitiële       
inrichtingen (GGz)199174194194194194194
Bezettingsgraad justitiële inrichtingen95,3%95,0%96,0%96,0%96,0%96,0%96,0%

Tijdige tenuitvoerlegging

Om de tbs-maatregel tijdig ten uitvoer te kunnen leggen dient voldoende capaciteit beschikbaar te zijn. Een tijdige tenuitvoerlegging betekent dat het aantal passanten zo klein mogelijk is.

Ongestoorde tenuitvoerlegging

Een ongestoorde tenuitvoerlegging betekent dat de justitiabele zich niet kan onttrekken aan de dwangverpleging. Het aantal ontvluchtingen uit tbs-klinieken is hiervoor een indicator, omdat daarbij de maatschappelijke veiligheid het meest in het geding is.

Reïntegratie

De vraag of er voldoende capaciteit is, wordt mede bepaald door de gemiddelde verblijfsduur. Immers hoe langer de verblijfsduur, des te meer capaciteit nodig is voor de tenuitvoerlegging van een zelfde aantal tbs-vonnissen. De belangrijkste indicator voor het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van tbs-gestelden is een afnemende recidive in combinatie met een afnemende gemiddelde verblijfsduur. Het beleid is daarom gericht op het voorkomen van recidive en op terugdringing van de verblijfsduur.

Er wordt naar gestreefd de gemiddelde verblijfsduur terug te dringen door toepassen van preklinische interventie, het verbeteren van de door- en uitstroom door forensisch psychiatrische circuitvorming en de ontwikkeling van zorgprogramma's.

Het voorkomen van recidive is een belangrijke doelstelling van de tbs-maatregel. Weliswaar kan niet altijd een rechtstreeks causaal verband worden gelegd tussen de recidive en de wijze van tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel, maar desalniettemin is het wel een goede indicatie voor de mate waarin het doel van de maatregel is bereikt. Het voorkomen van recidive moet worden bereikt door een adequate behandeling van de tbs-gestelde, door terugkoppeling van de recidive op individueel niveau naar de behandelaars en door de toepassing van een gestructureerde wijze van risicotaxatie. Het in 2003 opgerichte Expertisecentrum Forensische Psychiatrie (EFP) zal, bij dit laatste, een coördinerende rol vervullen. Daarnaast zal het EFP een belangrijke bijdrage leveren aan het ontwikkelen van kennis over effectieve behandelmethoden en de coördinatie en stimulering van wetenschappelijk onderzoek.

Adequaat toezicht is van belang voor het voorkomen van recidive. Het convenant met de SRN, waarin afspraken zijn gemaakt over adequaat toezicht bij de in-, door- en uitstroom van tbs-gestelden, is daarom in 2003 geëvalueerd.

Er is een categorie tbs-gestelden waarbij het recidive-gevaar onvoldoende is afgenomen, ondanks intensieve behandelinspanningen. In het licht van de beveiliging van de maatschappij zijn er voorzieningen in de tbs-inrichtingen waar de tbs-maatregel voor deze categorie tbs-gestelden op een veilige en humane wijze ten uitvoer wordt gelegd. Om inzicht te krijgen in de benodigde capaciteit voor deze categorie tbs-gestelden wordt een onderzoek verricht naar de behoefte aan longstay-voorzieningen binnen de tbs en de GGz.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Aantal passanten153180131153163163163
Aantal ontvluchtingen42≤ 2≤ 2≤ 2≤ 2≤ 2

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk, met uitzondering van de particuliere inrichtingen waar een indirecte verantwoordelijkheid geldt.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Capaciteitsbehoefte long-stay voor chronisch forensisch psychiatrische patiëntenaf te ronden in 2004In februari 2003 is een onderzoek van start gegaan dat beoogt inzicht te geven in de benodigde capaciteit voor chronisch forensisch psychiatrische patiënten, waaronder tbs-gestelden, in zowel de tbs-instellingen als de GGz-instellingen. Dit onderzoek zal medio 2004 worden afgerond.
   
Recidivemonitor (plus deelonderzoeken)lopend, af te ronden in 2003Er is een jaarlijkse recidivemonitor opgezet waarbij de recidive van de jaarlijks uitstromende tbs-gestelden wordt vastgesteld. Dit onderzoek vormt een belangrijk onderdeel van de «WODC Recidivemonitor» dat een langlopend onderzoeksproject is waarin gestandaardiseerde recidivemetingen worden verricht onder verschillende groepen justitiabelen. Hiermee wordt beoogd een beter beeld te verkrijgen van de effecten van strafrechtelijke interventies in onderlinge vergelijking.
   
Recidive TBS naar type delictlopendDit betreft een onderzoek waarbij de recidive van de uitgestroomde cohorten van tbs-gestelden in de afgelopen 25 jaar bepaald wordt en opgesplitst naar type delict.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.4       
        
uitgaven67 98772 29774 68174 15175 78276 12275 930
programma-uitgaven67 68771 97874 39973 87175 50475 84875 656
waarvan:       
– bijdragen67 68771 97874 39973 87175 50475 84875 656
apparaatsuitgaven300319282280278274274
        
ontvangsten5000000
        
verplichtingen67 98772 29774 68174 15175 78276 12275 930

VBTB-paragraaf

De duur van de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel is een belangrijk gegeven. Het bepaalt in aanzienlijke mate de voor de tenuitvoerlegging benodigde hoeveelheid plaatsen in tbs-klinieken. Daarnaast kan de duur van het intramurale verblijf worden gehanteerd als maatstaf voor de efficiëntie. In combinatie met gegevens over recidive is de verblijfsduur een goede indicator voor de effectiviteit, in de zin van het bevorderen van de maatschappelijke reïntegratie van tbs-gestelden. Momenteel wordt bezien hoe op zinvolle wijze gebruik kan worden gemaakt van gegevens met betrekking tot de verblijfsduur. In de begroting van 2005 zullen daartoe voorstellen worden gedaan.

Operationele doelstelling 5.1.5

De reïntegratie door gerichte advisering, begeleiding en toezicht van strafrechtelijk justitiabelen.

De Stichting Reclassering Nederland (SRN) levert een bijdrage aan de herinpassing van de justitiabele in de samenleving, gericht op het terugdringen van recidive. Deze bijdrage levert zij door advisering en uitvoering van op maat gesneden en op reïntegratie gerichte trajecten, ook als alternatief voor voorlopige hechtenis of vrijheidsstraf (waaronder taakstraf meerderjarigen die beschreven is onder de operationele doelstelling 5.1.11). Daarnaast draagt zij in het kader van vrijheidstraffen of maatregelen bij aan de reïntegratie door bijvoorbeeld het begeleiden en uitvoeren van penitentiaire programma's (zie 5.1.2), het houden van toezicht en/of het bieden van nazorg.

In de komende jaren zal gewerkt worden aan het doeltreffender en doelmatiger inzetten van de middelen bestemd voor reclasseringsactiviteiten. Het verbeteren van de doeltreffend- en doelmatigheid van de reclasseringswerkzaamheden maakt vooral onderdeel uit van het onder 5.1 genoemde project «Modernisering Sanctietoepassing» en het programma «Terugdringen Recidive» dat daar onderdeel van uitmaakt. Daarbij is veel aandacht voor de extramurale sanctietoepassing, in het bijzonder de effectiviteit van gedragsinterventies. In de loop van 2004 zal een screeningsinstrument beschikbaar komen waarmee kan worden bepaald of er aanknopingspunten zijn voor op recidivevermindering gerichte gedragsinterventies. Verder worden nieuwe interventies experimenteel beproefd en wordt een nieuw samenwerkingsmodel tussen het gevangeniswezen en de reclassering getest. Om de aansluiting van justitiële reïntegratietrajecten op maatschappelijke nazorgvoorzieningen te verbeteren, worden nadere afspraken gemaakt met lokale overheden en zorginstellingen.

Instrumenten

De instrumenten die door de reclassering worden ingezet zijn:

• Advisering en toezicht: vroeghulp, vroeghulpinterventie, diagnose, voorlichtingsrapport, adviesrapport, maatregelrapport en toezicht;

• Reïntegratie trajectbegeleiding, reïntegratieprogramma's en toeleiding zorg.

Onderstaande volumegegevens 2004 zijn nog «pm». De reden hiervoor is dat voor de SRN een bezuiniging geldt uit het Hoofdlijnenakkoord. Over de nadere invulling van deze bezuiniging, inclusief volumegegevens, wordt de Tweede Kamer rond Prinsjesdag separaat geïnformeerd.

Volumegegevens

 200220032004
Vroeghulpbezoeken16 37015 000pm
Vroeghulpinterventie1 8341 850pm
Voorlichtingsrapport17 89015 000pm
Adviesrapport10 72911 500pm
Maatregelrapport397468pm
Reïntegratieprogramma's4 1064 494pm
Trajectbegeleiding46 08736 178pm
Toeleiding zorg2 8004 000pm
Toezicht8 7548 432pm
Diagnose60 000pm

Beleidsevaluatieonderzoek

Voor 2004 staan twee beleidsevaluatieonderzoeken gepland, het evaluatieonderzoek naar de samenwerking tussen gevangeniswezen en reclassering en het evaluatieonderzoek naar een nieuwe interventie in het kader van het Programma «Terugdringen Recidive».

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.5       
        
uitgaven105 326114 515111 125108 364122 877124 248126 817
programma-uitgaven105 123114 294110 928108 167122 680124 051126 620
waarvan:       
– subsidies0114 294110 928108 167122 680124 051126 620
apparaatsuitgaven203221197197197197197
        
ontvangsten8000000
        
verplichtingen116 827114 515111 125108 364122 877124 248126 817

VBTB-paragraaf

Voor de meting van effecten van de reclasseringsinterventies is een vergelijking van de recidivegegevens van strafrechtelijk justitiabelen – met behulp van de thans in ontwikkeling zijnde recidivemonitor – die wel reclasseringsinterventie hebben gehad met degenen die dit niet hebben gehad van belang. Met behulp van de recidivemonitor zal inzichtelijk moeten worden of de reclasseringinterventie heeft geleid tot een terugdringen van recidive. In 2006 zal hiernaar een eerste beleidsevaluatie worden uitgevoerd.

In 2005 zullen de volumegegevens worden aangevuld met andersoortige prestatiegegevens. Voor de voorlichtings- en adviesrapportage is het streven inzicht te bieden in het percentage adviezen dat (gedeeltelijk) is overgenomen. Dit zal in 2005 geschieden door middel van een eerste beleidsevaluatie.

Ten aanzien van reïntegratieactiviteiten is het streven inzicht te bieden in het percentage reïntegratieprogramma's en toeleidingen zorg waarbij doelen (deels) zijn bereikt. Dit zal in 2005 geschieden door middel van een beleidsevaluatie dan wel op basis van gegevens uit Cliënt Volgsysteem (CVS).

Voor de begroting 2005 wordt overwogen de middelen voor de adviserings- en toezichtproducten onder te brengen bij de beleidsartikelen 3.3 en 4.1 (Openbaar Ministerie en de Zittende Magistratuur). De voornaamste overweging daarbij is dat het OM en de ZM direct gebruik maken van de geleverde producten en vanuit die rol invloed hebben op het volume van de te leveren producten.

Operationele doelstelling 5.1.6.

De tijdige, volledige en pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen en het bevorderen van het voorkomen van recidive.

De coördinatie van de uitvoering van de taakstraffen voor minderjarigen ligt bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Een belangrijke taak van de RvdK is het waarborgen van voldoende aanbod voor de uitvoering van taakstraffen tegen aanvaardbare kosten. De Raad zorgt ervoor dat een geschikte werk- en/of leerstraf voor de betreffende jongere wordt gevonden en dat de jongere die taakstraf ook daadwerkelijk uitvoert. Uit oogpunt van kostenbeheersing en effectiviteit wordt door de Raad kritisch omgegaan met de inzet van werk- en leerstraffen.

De Raad coördineert de taakstraffen op zodanige wijze dat deze bijdragen tot een positieve gedragsverandering bij de jongere zodat deze, ter voorkoming van recidive, alternatieven krijgt voor delinquent gedrag, zoals een zinvolle vrijetijdsbesteding. De taakstraf moet tevens bijdragen aan verhoging van de veiligheid van de maatschappij.

De Raad vervult nog meer taken op het gebied van kinderbescherming en advisering ten aanzien van jeugdige delinquenten. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in operationele doelstelling 3.4.7 is opgenomen.

Instrumenten

In hoeverre de Raad de doelstelling van coördinatie van de taakstraffen realiseert, wordt als volgt gemeten. Tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat er voldoende capaciteit moet zijn. Voor een tijdige afdoening zijn normen ontwikkeld. Deze norm zal als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening worden gehanteerd.

In het project «Verkorting Doorlooptijden Jeugdstrafrechtsketen» is afgesproken dat de Raad de raadsnorm hanteert dat 80% van de taakstraffen moet zijn volbracht binnen 160 dagen na aanmelding bij de Raad. De Raad heeft zich als doel gesteld om per 1 januari 2004 deze norm te realiseren. Voor de pedagogisch verantwoorde wijze van tenuitvoerlegging en de bijdrage aan het voorkomen van verder delinquent gedrag wordt het percentage geslaagde taakstraffen als prestatie-indicator genomen. Indien het percentage geslaagde (dat wil zeggen volledig uitgevoerde en afgeronde) taakstraffen van de gestarte taakstraffen groter is dan 85% is de norm gehaald. Taakstraffen zijn mislukt indien bijvoorbeeld sprake is van recidive tijdens de uitvoering van de taakstraf, geen reactie op herhaalde verzoeken, ziektemelding enz.

Er is een toenemende behoefte aan capaciteit voor taakstraffen voor minderjarigen de komende jaren. Uit de prestatiegegevens blijkt dat de capaciteit voor taakstraffen de komende jaren gestaag zal groeien. Er is sprake van een lichte toename van het percentage leerstraffen en een lichte afname van het percentage werkstraffen.

Volume- en Prestatiegegevens

 2002200320042005
Taakstraffen in aantal15 43116 28116 500pm

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Evaluatie leerstraf sociale vaardigheidstraining en seksualiteitlopend, af te ronden in 2004Inzicht in de effectiviteit van de straf moet worden vergroot. Hiertoe zal in het kader van het actieprogramma Jeugd Terecht in 2003 en 2004 door de Raad een project Kwaliteit van leerstraffen worden uitgevoerd en zal het WODC een evaluatieonderzoek doen naar de uitvoering van twee leerstraffen (de leerstraf sociale vaardigheidstraining en de leerstraf seksualiteit van de Rutgers Nisso Groep). Daarnaast worden in het kader van de recidivemonitor ook metingen gedaan van de recidive na een taakstraf. De eerste resultaten daarvan komen beschikbaar in 2004.
Jeugdreclassering in de praktijk afgerond in 2002

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.6       
        
uitgaven16 90215 73516 32116 89817 30217 26117 461
programma-uitgaven16 80315 64316 24216 81817 22217 18217 382
apparaatsuitgaven99927980807979
        
ontvangsten2000000
        
verplichtingen16 73715 73516 32116 89817 30217 26117 461

Operationele doelstelling 5.1.8

Het voorkomen van verder delinquent gedrag door minderjarigen door een tijdige, volledige en pedagogisch verantwoorde tenuitvoerlegging van de Halt-afdoeningen voor minderjarigen en de Stop-reacties voor twaalfminners.

De Halt-afdoening richt zich op minderjarigen van 12–18 jaar die relatief lichte delicten hebben gepleegd en voor het eerst daarvoor met de politie in aanraking komen. De Stop-reactie richt zich op twaalfminners en hun ouders. Bij hen is het van groot belang dat er een snelle reactie volgt. Voor een tijdige afdoening zijn er normen ontwikkeld (de zgn. Kalsbeeknormen; er zijn nog geen normen voor Stop). Voor het Halt-traject is de norm dat er tussen de datum ontvangst bij Halt en de eerste werkzaamheden 55 dagen mogen zitten. Deze norm zal als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening worden gehanteerd. Als prestatie-indicator voor een tijdige afdoening wordt in 2004 en de jaren erna gehanteerd dat 80% van de afdoeningen binnen deze norm blijft. 80% is een realistisch percentage omdat er ook (meer complexe) zaken zijn die meer tijd vergen zoals de afdoening van groepsdelicten of een afdoening met schaderegeling. Als indicator voor een volledige uitvoering wordt gehanteerd 88% gerealiseerde (afgeronde) Halt-afdoeningen. Deze prestatie-indicatoren worden ten doel gesteld binnen het kader van het totaal aantal geraamde Halt-afdoeningen in 2004 en de jaren erna.

Prestatiegegevens

 2002200320042005200620072008
Aantal Halt-afdoeningen21 71527 30027 00027 90027 90027 90027 900
waarvan Stop-reactie1 4161 5001 5001 5001 5001 5001 500
Doorlooptijd Halt-afdoening binnen norm, 55 dagen datum ontvangst en 1e werkzaamheden (in %)80808080808080
Gerealiseerde Haltafdoeningen (%)88888888888888

N.b. Het % gerealiseerde (geslaagde) Halt-afdoeningen is als percentage van het aantal gestarte Halt-afdoeningen.

Invoering van een ouderbijdrage jeugdbescherming en -sancties heeft mede betrekking op Halt-afdoeningen. De intentie is om ouders een vergoeding te vragen voor een maatregel die hun kind krijgt opgelegd. Met de maatregel wordt beoogd een verband te leggen tussen de overtreding van het kind en de verantwoordelijkheid van de ouders. De geraamde opbrengst van de maatregel is zichtbaar op het inningsartikel 3.4.3.

De Halt-bureaus zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Halt-afdoeningen en de Stop-reacties. Halt Nederland zal in 2004 een verdere professionalisering en versterking van de Halt-bureaus stimuleren. Zo wordt de samenwerking en schaalvergroting bij de Halt-bureaus verder vormgegeven en zal het verbeteren van de contacten met de politie leiden tot het op peil houden dan wel verhogen van het aantal verwijzingen naar Halt-bureaus. Ook zal de kwaliteit van de Halt-afdoening en de processen op de Halt-bureaus (verder) worden genormeerd. Daarnaast zal er in de loop van 2004 meer inzicht zijn in de effectiviteit van de Halt-afdoening en de factoren die daartoe bijdragen (zie beleidsevaluatieonderzoek). Dit alles met het oogmerk de kwaliteit en effectiviteit van de afdoening te verbeteren. In 2003 is de financieringssystematiek van de Halt-afdoeningen geëvalueerd. In 2004 zullen zonodig aanpassingen worden geïmplementeerd.

Eind 2003 zal een uniforme procedure van de Stop-reactie worden vastgesteld. In 2004 zal deze landelijk worden geïmplementeerd. Tevens zal het bereik van de Stop-reactie verder worden vergroot.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Evaluatie Haltlopend, af te ronden in 2005In 2003 is een start gemaakt met een evaluatieonderzoek naar de effectiviteit van de Halt-afdoeningen (zowel recidive als attitude- en gedragsverandering) en naar de succes- en faalfactoren voor een effectieve afdoening. In de loop van 2004 zullen de resultaten bekend worden.
  In 2004 zal een aanvang worden gemaakt met een onderzoek naar de effectiviteit van de Stop-reactie. Naar verwachting zal dit onderzoek in 2005 kunnen worden afgerond.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.8       
        
uitgaven9 98111 85411 62211 82811 36711 46011 660
programma-uitgaven9 89411 75111 53211 73811 27711 37011 570
waarvan:       
– subsidies011 75111 53211 73811 27711 37011 570
apparaatsuitgaven871039090909090
        
ontvangsten444000000
        
verplichtingen11 54911 85411 62211 82811 36711 46011 660

VBTB-paragraaf

Prestatie-indicatoren die inzicht verschaffen in het voorkomen van verder delinquent gedrag zijn in ontwikkeling. Daarbij kan enerzijds gebruik gemaakt worden van de registratie van Halt (geautomatiseerd systeem Aurah), waarin is opgenomen in hoeverre de jongeren opnieuw bij een Halt-bureau terechtkomen en anderzijds wordt evaluatie-onderzoek uitgevoerd naar de resultaten van de Halt-afdoeningen. Dit onderzoek is gestart in 2003 en de eerste resultaten komen beschikbaar in 2004. In dit onderzoek zal ook worden nagegaan wat de relatie is tussen de verschillende prestatie-indicatoren en het uiteindelijk doel van de Halt-afdoening het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van verder delinquent gedrag. Daarnaast worden er in het kader van de recidivemonitor ook metingen gedaan van de recidive na een Halt-afdoening. De eerste resultaten daarvan komen beschikbaar in 2004. Door het genoemde evaluatieonderzoek komt ook meer zicht op een indicator voor het pedagogisch gehalte van de Halt-afdoening (bijvoorbeeld mate waarin de afdoening aansluit bij het type-delict).

Operationele doelstelling 5.1.9

In stand houden en faciliteren van een orgaan belast met een wettelijk opgedragen onafhankelijk advies-, toezicht- en rechtsprekende taak op het terrein van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ; verder de Raad) oefent drie taken uit: advisering, toezicht en rechtspraak op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheids(beperkende) straffen en maatregelen. De Raad let daarbij in het bijzonder op de toepassing van de bepalingen inzake de rechtspositie van personen aan wie een dergelijke straf of maatregel is opgelegd. De Raad is onafhankelijk en doet jaarlijks verslag van zijn adviserende, toezichthoudende en rechtsprekende werkzaamheden.

De adviestaak is primair gericht op de toepassing van beleid en regelgeving op het terrein van gevangeniswezen, terbeschikkingstelling, reclassering en jeugdbescherming. Het toezicht van de Raad wordt ingevuld door onder andere het afleggen van werkbezoeken en het zich laten informeren over de feitelijke bejegening en de positie van de betrokken personen. Met betrekking tot de rechtsprekende taak heeft de Raad als beroepsrechter in hoogste instantie de taak te beslissen over klachten die in eerste aanleg door de Commissies van Toezicht zijn behandeld.

De Instellingswet heeft een geldingsduur van 4 jaar. Dit betekent dat de Instellingswet in beginsel op 1 april 2005 vervalt, en daarmee de Raad, tenzij voordien wetgeving die het voortbestaan van de Raad bewerkstelligt tot stand is gekomen (zie beleidsevaluatieonderzoek).

Volumegegevens

 200220032004
Adviezen183030
Toezichtbezoeken646565
Beroepen2 1952 2502 250
Behandeling klachtbrieven440500500

Beleidsevaluatieonderzoek

Een evaluatieonderzoek van de taakuitoefening, in het licht van de beperkte werkingsduur die aan de Instellingswet is verbonden, is in 2003 van start gegaan. De uitkomsten van de evaluatie worden in het jaar 2004 bekendgemaakt en zullen mede bepalend zijn voor besluitvorming over de inhoud van een nieuw wetsvoorstel dat zo nodig moet worden ingediend om de Raad na 1 april 2005 voort te laten bestaan.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.9       
        
uitgaven2 7792 6202 5722 5632 5402 4892 489
programma-uitgaven0000000
apparaatsuitgaven2 7792 6202 5722 5632 5402 4892 489
        
ontvangsten82000000
        
verplichtingen2 7812 6202 5722 5632 5402 4892 489

Operationele doelstelling 5.1.10

Zorgdragen voor een zorgvuldige en efficiënte behandeling van gratieverzoeken en daarmee bijdragen aan een rechtvaardige strafrechtspleging.

Op 1 juni 2003 is het project «Redesign gratie» voltooid en is de nieuwe Gratiewet in werking getreden.

Op die datum is op basis van de nieuwe wetgeving een aantal veranderingen in het werkproces gratie doorgevoerd die tot doel hebben om tot een snellere en meer doelmatige afdoening van gratieverzoeken te komen en om de procedure te stroomlijnen. Zo wordt nu gewerkt met gratieformulieren en verzamelt het Bureau Gratie via electronisch berichtenverkeer de benodigde zaaks- en persoonsinformatie. Daardoor zijn in beginsel geen inlichtingen van de politie meer benodigd en hoeft niet in alle gevallen advies van het OM te worden gevraagd. De nieuwe werkwijze zal onder meer moeten leiden tot een verkorting van doorlooptijden en een vermindering van het aantal kansloze gratieverzoeken, uiteraard zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de zorgvuldigheid en de kwaliteit van het voorbereiden van de gratiebeslissingen. Het recht om een gratieverzoek in te dienen staat niet ter discussie.

Prestatiegegevens

Gratie2002200320042005200620072008
Aantal beslissingen4 2254 0004 0004 0004 0004 0004 000
Aantal voorwaardelijke verleningen1 1051 7001 7001 7001 7001 7001 700
Aantal onvoorwaardelijke verleningen333300300300300300300
Aantal afwijzingen1 9522 1002 1002 1002 1002 1002 100
Doorlooptijd: % binnen 6 maanden80808080808080

Beleidsevaluatieonderzoek

Een evaluatieonderzoek naar de nieuwe wetgeving zal plaats vinden in de tweede helft van 2006.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.10       
        
uitgaven1 3121 1591 4501 3951 3871 3701 370
programma-uitgaven1 1911 0521 3561 3011 2941 2791 279
waarvan:       
– bijdragen001 3561 3011 2941 2791 279
apparaatsuitgaven1211079494939191
        
ontvangsten1201400000
        
verplichtingen7641 1591 4501 3951 3871 3701 370

VBTB-paragraaf

Op basis van de ervaringen met de nieuwe werkwijze zullen naar verwachting in de loop van 2004 nieuwe prestatiegegevens worden gedefinieerd waardoor doorlooptijden en resultaat beter kunnen worden gemeten en verantwoord.

Operationele doelstelling 5.1.11

De tijdige en volledige tenuitvoerlegging van taakstraffen voor meerderjarigen gericht op het bevorderen van het voorkomen van recidive.

Naast vrijheidsstraf en geldboete kan een veroordeelde een taakstraf (werkstraf of leerstraf) opgelegd krijgen. De verdachte moet gedurende een bepaald aantal uren onbetaald een bepaalde taak uitvoeren. Een belangrijke taak van de Stichting Reclassering Nederland (SRN) is de uitvoering van taakstraffen tegen aanvaardbare kosten (zie ook 5.1.5). De taakstraf draagt bij aan verhoging van de veiligheid van de maatschappij en is gericht op het bevorderen van het voorkomen van recidive. Een werkstraf is het verrichten van onbetaalde arbeid in het kader van de executie van een justitiële beslissing. Een leerstraf is het volgen van een als leerstraf erkend programma in het kader van de executie van een justitiële beslissing. De SRN coördineert en begeleidt de uitvoering van de taakstraffen voor meerderjarigen.

De SRN realiseert de taakstraffen op zodanige wijze dat sprake is van tijdigheid en volledigheid van de tenuitvoerlegging. De doelstelling wordt als volgt gemeten: tijdige en volledige tenuitvoerlegging betekent dat er voldoende capaciteit moet zijn. Op basis van de prognoses van het WODC en afstemming met de ketenpartners (OM) worden er met de SRN productie afspraken gemaakt. Voor 2003 is een productie-afspraak gemaakt van 31 000 werkstraffen en 900 leerstraffen. In overleg met de rechterlijke macht en in lijn met de uitgangspunten van het project «Modernisering Sanctietoepassing» en het Hoofdlijnenakkoord wordt bezien op welke wijze de beschikbare middelen vanaf 2004 jaren voor de executie van taakstraffen het meest effectief kunnen worden ingezet. Derhalve zijn de prestatiegegevens op PM gesteld. Over de nadere invulling van de prestatiegegevens wordt de Tweede Kamer separaat geïnformeerd.

Instrumenten

De instrumenten waarmee de reclassering de tijdige en volledige tenuitvoerlegging van taakstraffen voor meerderjarigen bewerkstelligt zijn onderverdeeld in werk- en leerstraffen.

Volumegegevens

 200220032004200520062007
Aantal werkstraffen20 37231 000pmpmpmpm
Aantal leerstraffen692900pmpmpmpm

Beleidsevaluatieonderzoek

Voor de meting van effecten van de taakstraffen is een vergelijking van de recidivegegevens van strafrechtelijk justitiabelen – met behulp van de thans in ontwikkeling zijnde recidivemonitor – die wel een taakstraf hebben gehad met degenen die dit niet hebben gehad van belang. In 2006 zal hiernaar een eerste beleidsevaluatie worden uitgevoerd.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is indirect verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.11       
        
uitgaven24 10629 46131 13931 32932 68237 67542 698
programma-uitgaven24 01929 35531 04631 23632 58937 58242 605
waarvan:       
– subsidies029 35531 04631 23632 58937 58242 605
apparaatsuitgaven871069393939393
        
ontvangsten2000000
        
verplichtingen26 73429 46131 13931 32932 68237 67542 698

VBTB-paragraaf

Om inzicht te geven in de effectiviteit van de ten uitvoerlegging van taakstraffen wordt in de begroting van 2005 het percentage geslaagde (= afgeronde) taakstraffen als prestatiegegeven opgenomen.

Operationele doelstelling 5.1.12

Het reguleren en beheersen van kansspelen met bijzondere aandacht voor het beschermen van de consument, het tegengaan van gokverslaving en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit.

De doelstelling van het kansspelbeleid is gebaseerd op de Wet op de kansspelen, de kabinetsstandpunten inzake de Wet op de kansspelen (TK, 24 038, nrs. 180 en 228) en de eerste en tweede voortgangsrapportage kansspelen (TK, 24 036, nrs. 257 en 280). De doelstelling wordt gerealiseerd door het implementeren van de beleidswijzigingen (zie onderstaand) zoals neergelegd in de tweede voortgangsrapportage kansspelen.

De beleidswijzigingen krijgen beslag in een herziening van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en aanverwante regelgeving. Het projectbureau kansspelen is verantwoordelijk voor de implementatie van de wijzigingen in het beleid en de regelgeving. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de ministeries van Economische Zaken, van Financiën, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het College van toezicht op de kansspelen en betrokken organisaties en kansspelbegunstigden. De Tweede Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang van het project.

Het Kabinet heeft de volgende beleidsvoornemens:

• Uniformering van de vergunningvoorwaarden van loterijen.

• Certificering van begunstigde goede doelen.

• Ontwikkeling van een model verdeelsysteem.

• Uitvoering van een meerjarig onderzoek naar gokverslaving.

• Besluitvorming over de inrichting en de omvang van het casinoaanbod.

• Besluitvorming over een beperkte uitbreiding van het aantal vergunningen voor goede doelen loterijen.

• Aanpassing regelgeving promotionele kansspelen.

• Uitvoering van een gelimiteerde proef met interactieve kansspelen op internet.

• Intensivering en vernieuwing van toezicht en handhaving.

• Het concentreren van het kansspelbeleid en de uitvoering bij het ministerie van Justitie.

De herziening van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en aanverwante regelgeving is voorzien in 2005.

College van toezicht op de kansspelen

Het College houdt toezicht op de naleving van de Wet op de kansspelen door de vergunninghouders van de landelijke kansspelen. Voorts adviseert het College de verantwoordelijke bewindspersonen over het verlenen, wijzigen en intrekken van de vergunningen voor deze landelijke kansspelen, en over het verlenen van instemming met wijziging van de statuten en reglementen van de vergunninghouders. In verband met de vernieuwing en intensivering van het toezicht zal een nieuw toezichthoudend orgaan worden ingericht, met een adequaat en effectief instrumentarium, dat het hele terrein van de kansspelen bestrijkt. Het nieuwe toezichthoudend orgaan zal in de aanloop naar een herziene Wet op de kansspelen worden ingericht.

Toezicht

Ten aanzien van toezicht vinden de volgende activiteiten plaats door het College:

• Toetsing aan kwartaalrapportages en jaarstukken van de landelijke vergunninghouders.

• Uitbrengen van onderzoeks- en adviesrapportages (audits) en toezichtrapportages over de naleving van de regelgeving door de vergunninghouders.

• Afstemming van de toezichtactiviteiten met de betrokken ministeries.

Advies

De advisering van het College omvat:

Het uitbrengen van adviezen op grond van artikel 34 van de Wet op de kansspelen (adviezen inzake vergunningen, statuten en reglementen van de vergunninghouders van de landelijke kansspelen) en overige adviezen over de uitvoering van de Wet op de kansspelen aan de verantwoordelijke bewindspersonen.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is voor de implementatie van de beleidswijzigingen en het toezicht op de kansspelen indirect verantwoordelijk.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Onderzoek «casinobehoefte»afgerond in 2002
  
Vernieuwd toezicht kansspelenafgerond in 2003
Evaluatieonderzoek naar de proef met kansspelen op internetgepland voor 2004

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.1.12       
        
uitgaven1 142518469468468461461
programma-uitgaven1 032468469468468461461
apparaatsuitgaven1105000000
        
ontvangsten30454545454545
        
verplichtingen1 188518469468468461461

Beleidsartikel 5.2 Ontvangsten uit boeten en transacties

Beleidsdoelstelling 5.2

Het bevorderen van de veiligheid van de maatschappij door een effectieve tenuitvoerlegging van financiële sancties en maatregelen.

Een belangrijk middel om strafbaar gedrag te voorkomen en zo de veiligheid te vergroten, is een snelle en adequate interventie in geval van gepleegde strafbare feiten. In veel gevallen van delinquent gedrag, zoals met betrekking tot gedragingen in het verkeer, kunnen financiële sancties worden opgelegd, zoals een boete of een (politie- of OM-)transactie.

Indien overtreders spoedig na een strafbaar feit bericht krijgen van een te betalen sanctie, en indien vervolgens de snelle en volledige betaling van die sanctie actief wordt nagestreefd, zal dit helpen toekomstig strafbaar gedrag van betrokkenen zelf te voorkomen. Tevens zal hiervan door het beeld van een snel en effectief interveniërende overheid een generaalpreventieve werking kunnen uitgaan op andere potentiële overtreders.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 5.2       
        
uitgaven60 00261 23152 91953 27953 65754 28855 288
        
ontvangsten511 669532 527548 174563 175578 175588 174588 174
        
verplichtingen60 00261 23152 91953 27953 65754 28855 288

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 5.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 52 919 53 279 53 657 54 288 55 288
waarvan:          
– personeel en materieel 39 795 40 085 40 430 40 994 41 889
– beleid 13 124 13 194 13 227 13 294 13 399
waarvan:          
a. juridisch verplicht45,3%5 93945,5%6 00945,7%6 04246,0%6 10946,4%6 214
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)54,7%7 18554,5%7 18554,3%7 18554,0%7 18553,6%7 185
           
Totaal uitgaven beleid100,0%11 057100,0%11 098100,0%11 125100,0%11 184100,0%11 281

Operationele doelstelling 5.2.1

Een adequate inning van opgelegde of toegepaste financiële sancties en geaccepteerde transacties in reactie op een wetsovertreding.

De inningstaak is belegd bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Justitie is zo verantwoordelijk voor het afhandelen, innen en coördineren van opgelegde straffen, administratieve sancties, transacties en maatregelen.

Het CJIB streeft naar een zo effectief mogelijke toepassing van de bij haar beschikbare gegevens en informatie. Daartoe wordt aan ketenpartners beleids-, management- en sturingsinformatie verschaft evenals executiedocumentatie.

Onder een adequate inning wordt verstaan dat een hoog percentage van de ter inning overgedragen opgelegde of toegepaste financiële sancties en geaccepteerde transacties binnen een bepaalde termijn wordt geïnd dan wel afgedaan. De realisatie van deze doelstelling wordt mede mogelijk gemaakt door een hoge automatiseringsgraad en een efficiënte en effectieve procesvoering.

Het CJIB is in toenemende mate het gezicht van het ministerie van Justitie voor de burgers aan wie een financiële sanctie is opgelegd. Als sprake is van meer sancties bij een persoon kan de effectiviteit van de tenuitvoerlegging worden vergroot door deze aan elkaar te koppelen.

Een belangrijke rol wordt hierbij vervuld door de Verwijs Index Personen (VIP). Door de verdere ontwikkeling van VIP wordt de samenhang in de justitiële keten versterkt. Voor de verbetering van de kwaliteit van de informatievoorziening in de strafrechtketen zijn daarom in de begroting structureel middelen opgenomen voor VIP evenals voor de versterking van de executie.

Voor de uitvoering van de in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen maatregel «aanpak illegaliteit» is voor 2004 de raming boeten en transacties verhoogd met € 10 miljoen. De bestrijding van illegaal verblijf zal allereerst plaatsvinden langs de weg van het vreemdelingentoezicht en het uitzettingsbeleid. Daarnaast zullen diegenen worden aangepakt die illegaal verblijf van vreemdelingen in ons land faciliteren en zich langs die weg verrijken. Te denken valt aan huisjesmelkers, koppelbazen en werkgevers van illegalen, maar ook aan personen of organisaties die zich bezighouden met mensenhandel en mensensmokkel.

Prestatiegegevens

Soort waarde (%, aantal, etc.)2002200320042005200620072008
WAHV-sancties*       
– Percentage geïnde zaken binnen 1 jaar94,9949494949494
        
Boeten       
– Percentage afgedane OM-zaken binnen 1 jaar60,7606060606060
        
Transacties       
– Percentage geïnde zaken binnen 1 jaar71,0707070707070
        
Schadevergoedingsmaatregelen       
– Percentage afgedane zaken binnen 3 jaar60,2606060606060
        
Ontnemingsmaatregelen       
– Percentage afgedane zaken binnen 3 jaar58,9606060606060

*Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften.

Beleidsevaluatieonderzoek

Als vervolg op het in 2001 verrichte evaluatieonderzoek naar de kostprijzen van het CJIB, is het CJIB gestart met een project dat een nieuw kostprijsmodel alsmede de kostprijzen voor de periode 2004–2006 moet gaan opleveren. Dit project is naar verwachting eind 2003 afgerond.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister van Justitie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 5.2.1       
        
uitgaven60 00261 23152 91953 27953 65754 28855 288
programma-uitgaven59 89661 12352 82453 18453 56254 19555 195
waarvan:       
– bijdragen59 89661 12352 82453 18453 56254 19555 195
apparaatsuitgaven1061089595959393
        
ontvangsten511 669532 527548 174563 175578 175588 174588 174
        
verplichtingen60 00261 23152 91953 27953 65754 28855 288

6 – ASIEL, MIGRATIE EN INTEGRATIE

Beleidsartikel 6.1 Toelating asiel en regulier

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is verantwoordelijk voor de toelating van reguliere vreemdelingen en asielzoekers, voor de opvang van asielzoekers gedurende de aanvraagprocedure, voor het tegengaan van illegaal verblijf en voor het bevorderen van terugkeer en naturalisatie.

De grondslag van deze beleidsdoelstelling wordt gevormd door het Verdrag van Genève uit 1951, het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, het VN-verdrag ter bestrijding van marteling, de Vreemdelingenwet 2000 en, voor het behandelen van aanvragen tot naturalisatie, de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Beleidsdoelstelling 6.1

Gereguleerde toelating van vreemdelingen tot Nederland, op een maatschappelijk verantwoorde wijze, die recht doet aan de belangen van vreemdelingen die hier tijdelijk of definitief willen verblijven.

Algemeen

Vreemdelingen kunnen worden onderscheiden in asielzoekers en in reguliere vreemdelingen. Asielzoekers zijn mensen die een beroep doen op het Vluchtelingenverdrag van 1951. Hierin wordt gesteld dat een vluchteling iemand is die in het land van herkomst gegronde vrees heeft voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of om zijn politieke overtuiging. Asielzoekers kunnen ook worden toegelaten als zij bij terugkeer naar het eigen land een reëel risico lopen op marteling of op een andere wrede of onmenselijke behandeling, of op bedreiging van leven of vrijheid, of als zij hun land hebben verlaten om ervaringen die dusdanig traumatiserend zijn dat terugkeer niet van hen kan worden verlangd. Ook wanneer terugkeer naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele (oorlogs-) situatie aldaar kunnen mensen in Nederland worden toegelaten.

Reguliere vreemdelingen komen hier op andere gronden dan het vluchtelingenverdrag, bij voorbeeld voor bezoek, vakantie, gezinsvorming, gezinshereniging, voor studie, op medische gronden of als buitenlandse werknemer.

In 2004 zullen naar verwachting rond de 18 000 asielverzoeken, 262 500 reguliere verzoeken tot toelating voor arbeid, studie of gezinsvorming of -hereniging en visa en 32000 verzoeken tot naturalisatie worden ingediend.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 6.1       
        
uitgaven270 863265 195221 685214 832198 327194 378194 378
        
ontvangsten215000000
        
verplichtingen269 867265 195221 685214 832198 327194 378194 378

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 6.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 221 685 214 832 198 327 194 378 194 378
waarvan:          
– personeel en materieel 221 192 214 346 197 841 193 893 193 893
– beleid 493 486 486 485 485
waarvan:          
a. juridisch verplicht32,3%15932,7%15932,7%15932,8%15932,8%159
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%00,0%00,0%00,0%00,0%0
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)67,7%33467,3%32767,3%32767,2%32667,2%326
           
Totaal uitgaven beleid100,0%493100,0%486100,0%486100,0%485100,0%485

Operationele doelstelling 6.1.3

Een vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier – met inbegrip van visa – aanvraagt of een verzoek tot naturalisatie indient, krijgt binnen de daarvoor gestelde termijnen een besluit uitgereikt.

De Vreemdelingenwet 2000 (TK, 28 630, nrs. 1–2) noemt zes maanden als termijn voor het besluiten op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. Deze termijn kan met zes maanden worden verlengd bij onderzoek door derden of door het Openbaar Ministerie. Ook kan de termijn worden verlengd bij bezwaar, beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij de Raad van State of door beleidswijzigingen als – bij asiel – het instellen van een besluitmoratorium. Voor visa geldt een termijn van acht tot tien weken, voor naturalisaties een termijn van een jaar. Het behalen van de doelstelling, het uitreiken van een besluit binnen de gestelde termijnen, is dus afhankelijk van meerdere actoren, waaronder de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), rechtsprekende instanties en de aanvrager.

Gezinshereniging en gezinsvorming

Het streven is problemen bij de integratie van echtgenoten, partners en kinderen uit derde landen zoveel mogelijk te voorkomen en het integratieproces zo soepel mogelijk te laten verlopen, dit mede om gedwongen huwelijken te voorkomen. Daartoe worden de voorwaarden voor gezinshereniging en gezinsvorming overeenkomstig het Hoofdlijnenakkoord en binnen de grenzen van de internationale verdragen aangescherpt waardoor naar verwachting de instroom zal afnemen. De minimumleeftijd voor gezinsvorming wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar en de inkomenseis wordt verhoogd tot 120% van het wettelijk minimumloon. Daarnaast zal de Europese richtlijn inzake het recht op gezinshereniging worden geïmplementeerd.

Alleenstaande minderjarige asielzoekers

In het vreemdelingenbeleid is er specifieke aandacht voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama's). Dit beleid is gericht op beperking van de instroom en bevordering van de terugkeer en intensivering van de aanpak van illegale immigratie en mensensmokkel. Alleenstaande minderjarigen die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel moeten zo snel mogelijk, maar uiterlijk op het moment dat zij achttien jaar worden, terugkeren naar het land van herkomst. Als terugkeer niet mogelijk is, mag de alleenstaande minderjarige in Nederland blijven. In artikel 6.2 en 6.3 wordt ingegaan op de opvang en terugkeer van ama's.

Vreemdelingenwet 2000

De rechterlijke toets in bewaringszaken vindt volgens de huidige wetgeving plaats na 10 dagen. Het wetsvoorstel beoogt de rechterlijke toets in bewaringszaken te laten plaatsvinden na 28 dagen. Daarmee wordt de situatie teruggebracht zoals deze was voor de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000. Hiermee wordt beoogd om de voorraden van zaken bij de vreemdelingenkamers te verminderen en meer verwerkingscapaciteit te creëren voor de afdoening van bodemprocedures. De eerste resultaten worden in 2004 verwacht, na wijziging van de Vreemdelingenwet in de tweede helft van 2003.

Harmonisatie en internationale samenwerking

Om secundaire immigratiestromen tegen te gaan moet het asiel- en migratiebeleid in de EU-landen met voorrang worden geharmoniseerd. Een Europese benadering van het vreemdelingenbeleid is hier essentieel. Nederland kan hier goede invulling aan geven, in het bijzonder ook omdat Nederland in de tweede helft van 2004 een half jaar lang voorzitter is van de Europese Unie. Het ambitieuze wetgevingsprogramma waarover op de Europese Raad van Tampere in oktober 1999 meer concrete afspraken gemaakt zijn, moet dan zijn afgerond, maar het is niet uit te sluiten dat een akkoord over een aantal ontwerp-richtlijnen onder Nederlands voorzitterschap nog zal moeten worden bereikt. De onderhandelingen over de volgende richtlijnen zullen naar verwachting tot in 2004 worden voortgezet:

• De richtlijn betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op arbeid in loondienst en economische activiteiten als zelfstandige;

• De richtlijn betreffende de voorwaarden inzake toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op studie, beroepsopleiding of vrijwilligerswerk;

• De richtlijn inzake verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning aan slachtoffers van mensensmokkel en mensenhandel.

Daarnaast zal de implementatie van reeds eerder aangenomen richtlijnen in 2004 worden uitgevoerd. Het gaat om de volgende Europese instrumenten voor harmonisatie van wetgeving:

• De richtlijn inzake de status van langdurig verblijvende onderdanen van derde landen (reeds aangenomen);

• De richtlijn inzake het recht op gezinshereniging (reeds aangenomen);

• Een richtlijn betreffende minimumnormen voor de erkenning en de status van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en

• Een richtlijn betreffende minimumnormen voor de procedure in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus.

Om de asielinstroom te beperken zal bovendien gestreefd worden naar een versterking van de bescherming van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Daartoe wordt onder meer overleg gepleegd binnen de EU en met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR). Van bijzonder belang zijn de initiatieven van de UNHCR in het kader van de zogenaamde Conventie Plus. Onder de noemer Conventie Plus zal UNHCR trachten speciale afspraken te maken tussen landen van oorsprong, landen van doorreis en landen van herkomst. De Conventie Plus zal de positie van UNHCR versterken doordat UNHCR activiteiten kan ontwikkelen die haar activiteiten in het kader van het Vluchtelingenverdrag aanvullen. De Nederlandse inzet in Conventie Plus zal zijn om te komen tot een pilot op het gebied van bescherming in de regio. De voorbereidingen voor een dergelijke pilot zullen in 2004 gestalte krijgen.

Invulling Hoofdlijnenakkoord

Het voornemen is de aanvragen tot een machtiging voor een voorlopig verblijf (mvv) sneller af te doen. Hierbij ligt het niet voor de hand om de controles voor de mvv-aanvraag te verminderen. Verkorting van de totale proceduretijd kan gevonden worden in het afschaffen van de reguliere bezwaarprocedure. Een wetswijziging daartoe wordt voorbereid. Daarnaast kan een vereenvoudiging van de vvr-procedure (Verblijfsvergunning regulier) voor EU-onderdanen een bijdrage leveren aan kortere doorlooptijden en een ombuiging van het hiertoe bestemde budget. Ook de mogelijkheden van verhogingen van leges zullen worden ingezet. Per 1 januari 2004 zal een beperkte verhoging worden gerealiseerd binnen de bestaande methodiek. Verder zal onderzoek gedaan worden naar de kostprijzen van de reguliere werksoorten en de daarmee gemoeide huidige leges. Op basis daarvan zullen voorstellen worden gedaan om te komen tot kostendekkende leges voor alle reguliere werksoorten vanaf 2006.

bedragen x € 1 miljoen

Maatregelen Hoofdlijnenakkoord20042005200620072008
Verhoging leges2,52,515,015,015,0
Vereenvoudiging reguliere procedures1,02,02,52,5

Door de dalende instroom van asielzoekers is het beroep op de aanmeldcentra (AC's) verminderd. Daarnaast worden maatregelen binnen de AC's voorzien ter invulling van de efficiencytaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord. Beide effecten leiden er toe dat bezien zal worden op welke wijze de openingstijden van de AC's aan de landsgrenzen beperkt kan worden en de behandelcapaciteit van de AC's doelmatiger kan worden ingezet en meer in overeenstemming met het werkaanbod binnen de IND kan worden gebracht. Aangezien het Vreemdelingenbesluit (VB) bepaalt dat de AC's geopend zijn gedurende de hele week, zal het VB op dit punt aangepast worden.

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) is een bij de Vreemdelingenwet 2000 ingesteld onafhankelijk adviesorgaan in de zin van de Kaderwet Adviescolleges 1996. De ACVZ adviseert gevraagd en ongevraagd aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en aan het Parlement over het vreemdelingenrecht en -beleid.

De ACVZ heeft voorts naast haar bovengenoemde taak als beleidsadviescollege een adviestaak in individuele zaken. Deze taak vloeit mede voort uit de EG-richtlijn 64/221. De ACVZ adviseert de minister over een te nemen besluit op bezwaar of administratief beroep, ingediend door een gemeenschapsonderdaan indien de toegang tot Nederland aan hem is geweigerd dan wel indien wordt vastgesteld dat aan hem geen rechtmatig verblijf op grond van de Vreemdelingenwet en regelgeving (meer) toekomt, op grond van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

Volumegegevens

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) handelt asielaanvragen, reguliere aanvragen en verzoeken tot naturalisatie af. Een aanvraag is afgehandeld op het moment dat een definitief besluit heeft plaatsgevonden. Het doorlopen van een bezwaar- dan wel beroepsprocedure maakt hier onderdeel van uit. In 2004 worden administratieve taken van de Vreemdelingendiensten overgenomen (naar verwachting 156 000 procedures). Hierdoor is de verwachting dat het percentage zaken dat binnen de wettelijke termijn gedurende dit overgangsjaar kan worden afgehandeld lager zal zijn.

Aantal afgehandelde procedures2002200320042005200620072008
Asiel35 29629 00029 00025 00025 00025 00025 000
Regulier100 506112 500208 000262 500262 500262 500262 500
Naturalisatie31 79532 00032 00032 00032 00032 00032 000

*Cijfers inclusief intrekkingen en herbeoordelingen.

Tijdigheid is een belangrijk element in de afhandeling van de aanvragen. Afgezet tegen het totaal aantal eerste besluiten zijn in onderstaande tabel de streefwaarden weergegeven van het percentage eerste besluiten binnen de wettelijke termijn.

Aantal eerste besluiten2002200320042005200620072008
Asiel60 – 70%78%80%80%80%80%80%
Regulier60 – 70%80%70%80%80%80%80%
Naturalisatie70%70%80%80%80%80%80%

*Het binnen de wettelijke termijn genomen aantal eerste besluiten asiel, regulier en naturalisatie, als percentage van het totaal aantal aanvragen, realisatie 2002 en ramingen 2003–2008.

De kwaliteit van de besluiten kan worden aangegeven met het percentage van de beschikkingen dat stand houdt bij de rechter.

Houdbaarheidspercentage van beschikkingen bij de rechter, als percentage van het totaal aantal aangespannen procedures, realisatie 2002 en ramingen vanaf 2003:

Houdbaarheidspercentage2002200320042005200620072008
Asiel84%85%85%85%85%85%85%
Regulier77%80%80%80%80%80%80%

Het houdbaarheidspercentage van besluiten bij de rechter is een kwaliteitsindicator van de afwijzende besluiten in combinatie met de duurzaamheid van de achterliggende motiveringen. Daar beroep doorgaans pas na enige tijd wordt behandeld en tussentijdse ontwikkelingen in het land van herkomst een rol spelen bij de uitspraak van de rechter, kan een besluit als niet houdbaar worden beschouwd dat op het moment van afgifte nog juist was, maar waarbij de achterliggende motivering niet duurzaam bleek te zijn. De tussentijdse ontwikkelingen verklaren in belangrijke mate het vernietigingspercentage van de besluiten.

Aan deze ramingen liggen de volgende technische vooronderstellingen ten grondslag:

 2002200320042005200620072008
Instroom asiel in de aanmeldcentra18 66718 00018 00018 00018 00018 00018 000
Afdoening bij de aanmeldcentra, %45%40%40%40%40%40%40%
Instroom regulier*102 642145 500262 500262 500262 500262 500262 500
Instroom naturalisatie38 72632 00032 00032 00032 00032 00032 000

*De sterke stijging bij instroom regulier wordt veroorzaakt door de overname van de taken van de Vreemdelingendienst. Dat leidt in 2004 tot een extra aanbod. Uitgangspunt in de begroting is dat sprake is van een tijdelijke toename van het aantal MVVaanvragen in 2003 doordat de VD-en de voorraden versneld wegwerken. Deze factoren verklaren de groei van de voorraad in 2004.

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatustoelichting
Evaluatie au pair regelingafgerond in 2003 
   
Evaluatie Vreemdelingenwet 2000, Deelproject 1 Procesevaluatie asielprocedurelopend in 2003, af te ronden in 2004Om na te gaan of de Vreemdelingenwet 2000 voldoet aan zijn verwachtingen en of de uitvoering loopt zoals destijds is voorzien, is een evaluatie in voorbereiding. De evaluatie van de Vreemdelingenwet 2000 is uitgewerkt in drie onderzoeksprojecten: asielprocedure, vreemdelingentoezicht en terugkeerbeleid. De evaluatie zal eind 2004 gereed zijn.
   
Evaluatie Vreemdelingenwet 2000, Deelproject 2 Kwaliteit asielbesluitenlopend in 2003, af te ronden in 2004 
   
Evaluatie aanpassing BW ter voorkoming van schijnhuwelijkenlopend in 2003, af te ronden in 2004Per 1 april 2001 is een aantal bepalingen in het Burgerlijk Wetboek ter voorkoming van schijnhuwelijken gewijzigd: de doelgroep van de wet is ingeperkt, de geldigheidsduur van de verklaring is verlengd en de regelgeving is uitgebreid tot geregistreerde partners. Onderzocht zal worden wat de uitvoeringspraktijk aan deze wijzigingen heeft gehad. Om dit goed te kunnen meten is besloten niet eerder dan in 2003 met de evaluatie te beginnen. De resultaten van de evaluatie worden begin 2004 verwacht.

Ama-campus

In 2004 zal op basis van de uitkomsten van de evaluatie van het pilotproject voor de inrichting van het campusmodel worden besloten of tot structurele invoering van het campusmodel voor de opvang van ama's wordt overgegaan. Deze twee dienen ter beantwoording van de vraag in hoeverre de door het COA ontwikkelde en uitgevoerde vorm van opvang en de daarin toe te passen methodiek van toegevoegde waarde is voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen voor ama's.

Monitor Naturalisatietoets

In het Besluit Naturalisatietoets is aangegeven dat een vreemdeling onder andere genaturaliseerd kan worden wanneer hij aantoonbaar beschikt over kennis van de Nederlandse maatschappij, de staatsinrichting en de Nederlandse taal. De toets is gestart op 1 april 2003. Aan de Tweede Kamer is toegezegd de invoering van de toets en de resultaten van de toets na anderhalf jaar te evalueren. Om tussentijds zicht te krijgen op het verloop van de toetsen in de praktijk worden periodiek gegevens verzameld en wordt hierover gerapporteerd in de vorm van een monitor. De uiteindelijke evaluatie die aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden kan worden gebaseerd op deze tussenrapportages.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.1.3       
        
uitgaven270 863265 195221 685214 832198 327194 378194 378
programma-uitgaven268 212263 746220 240213 386196 890192 966192 966
waarvan:       
bijdragen267 893263 746219 906213 059196 563192 640192 640
– subsidies3190334327327326326
apparaatsuitgaven2 6511 4491 4451 4461 4371 4121 412
        
ontvangsten215000000
        
verplichtingen269 867265 195221 685214 832198 327194 378194 378

Beleidsartikel 6.2 Asielopvang

Zolang de asielprocedure duurt wordt de asielzoeker huisvesting en beperkte faciliteiten geboden. Deze opvang wordt uitgevoerd door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), een zelfstandig bestuursorgaan. Tezamen met andere organisaties als Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland zorgt het COA voor uitvoering van het opvangbeleid.

Beleidsdoelstelling 6.2

Sobere doch humane opvang van vreemdelingen die daar recht op hebben, rekening houdend met de ruimtelijke en maatschappelijke inpasbaarheid en met het in EU-verband gevoerde opvangbeleid.

De grondslag van dit artikel vormt naast internationale verdragen de Wet COA en enige op de wet COA gebaseerde voorschriften als het Subsidiebesluit COA, het Faciliteitenbesluit opvangcentra en de Regeling opvang asielzoekers (ROA).

De komende jaren zal naar verwachting het aantal mensen in de opvang als gevolg van de afnemende instroom en de versnelling van de totale asielprocedure na de invoering van de vreemdelingenwet 2000 sterk gaan afnemen. Dit heeft voor de COA organisatie dan ook duidelijke gevolgen, de krimp van de COA organisatie is reeds in gang gezet en zal de komende jaren nog verder doorzetten.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 6.2       
        
uitgaven1 015 529858 195454 514254 146220 404191 902191 902
        
ontvangsten100 228195 010195 010195 010195 010195 010195 010
        
verplichtingen772 958858 195454 514254 146220 404191 902191 902
waarvan:       
– garanties192 0000131 4000000

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 6.2          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 454 514 254 146 220 404 191 902 191 902
waarvan:          
– personeel en materieel 735 724 713 692 692
– beleid 453 779 253 422 219 691 191 210 191 210
waarvan:          
a. juridisch verplicht97,7%443 3110,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%096,0%243 25095,4%209 51794,7%181 04494,7%181 044
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)2,3%10 4684,0%10 1724,6%10 1745,3%10 1665,3%10 166
           
Totaal uitgaven beleid100,0%453 779100,0%253 422100,0%219 691100,0%191 210100,0%191 210

Operationele doelstelling 6.2.5

Alle vreemdelingen in de asielprocedure en daarmee gelijkgestelden ontvangen immateriële en materiële opvangfaciliteiten die voldoen aan in de wet- en regelgeving vastgestelde kwalitatieve normen.

De aan vreemdelingen in de asielprocedure gelijkgestelden zijn asielzoekers aan wie een verblijfsvergunning is verleend en voor wie nog geen reguliere huisvesting beschikbaar is en uitgeprocedeerden van wie de finale vertrektermijn van 28-dagen nog niet is verstreken. De materiële en immateriële opvangfaciliteiten zijn neergelegd in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (RVA).

Het ministerie van Justitie draagt zorg voor beleidsontwikkeling ten aanzien van de opvang, zowel nationaal als internationaal. De Europese Unie heeft de richtlijn tot vaststelling van de minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten vastgesteld. Deze richtlijn dient uiterlijk in februari 2005 te zijn geïmplementeerd en is hiermee het eerste Europees beleid dat wordt uitgevoerd bij de opvang van asielzoekers.

Ama opvang

Om alleenstaande minderjarige asielzoekers zo goed mogelijk voor te bereiden op hun terugkeer dan wel integratie wordt er gewerkt aan de inrichting van gescheiden opvangmodaliteiten. Zo kan enerzijds de zogeheten terugkeervariant en anderzijds de integratievariant worden onderscheiden. Voor de realisatie van de terugkeervariant wordt momenteel het campusmodel in een pilot beproefd, waarbij alle inspanningen zijn gericht op het motiveren van de jongeren om daadwerkelijk terug te keren naar het land van herkomst. Dit campusmodel is vormgegeven in twee pilotprojecten. In 2004 zal na evaluatie van de twee pilots in Vught en Deelen worden besloten of het campusmodel structureel zal worden ingevoerd.

De raming van het aantal op te vangen asielzoekers is als volgt:

 200320042005200620072008
Instroom COA10 80010 80010 80010 80010 80010 800
Uitstroom COA35 87235 79217 38212 85212 31110 800
Gemiddelde bezetting asielzoekers (incl. ama's)59 96434 93219 14514 82813 04713 047
Gemiddelde bezetting ama's3 9983 1233 6494 4954 5034 503
Gemiddelde bezetting statushouders in de opvang16 4393 9291 8721 0801 0801 080
       
Capaciteit      
TNV800800800800
Buffer2 0004 0004 000

1 De aangegeven reeks betreft een raming van het aantal statushouders dat gemiddeld in het jaar in de opvang aanwezig zal zijn.

Het COA zal vanaf begrotingsjaar 2004 gefinancierd worden op basis van een outputsystematiek. Naast het COA zijn verschillende organisaties bij de opvang betrokken, waarvan een aantal subsidie ontvangt van het ministerie van Justitie. Dit zijn met name de Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VVN) en het Nederlandse Rode Kruis (NRK). Deze organisaties dragen bij aan de kwaliteit van de opvang en de rechtsbescherming van asielzoekers en daarmee gelijkgestelden. Vluchtelingenwerk Nederland verzorgt de algemene informatieverstrekking en gesprekshulp voor asielzoekers, verwijst door, bemiddelt en verzorgt individuele begeleidingstrajecten. Daarnaast verzorgt VVN algemene voorlichting en heeft een rol in de begeleiding van hulpverleningsinstanties. Ook VVN zal vanaf 2004 een outputfinanciering kennen.

Ontvangsten

Op de ontvangsten worden geraamd de kosten van de opvang van asielzoekers in het 1e jaar die ten laste worden gebracht van de ODA-gelden op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast is in de raming rekening gehouden met terugontvangsten naar aanleiding van afrekeningen van voorschotten.

Hoofdlijnenakkoord

De taakstellingen in het kader van het Hoofdlijnenakkoord zijn ingevuld met een aantal maatregelen. Allereerst wordt zolang de krimp bij het COA voortduurt gebruik gemaakt van de tijdelijke overcapaciteit om de TNV functie (tijdelijke noodvoorziening) in te vullen. Hierdoor kan de specifieke TNV-capaciteit tijdelijk gesloten worden. Ten tweede zal uitgaande van de voortzetting van de daling, de aansturing van de COA organisatie vanaf 2007 worden herzien waardoor de overheadkosten afnemen. Ten derde worden vanaf 2004 extra effecten verwacht van de nieuw te vormen terugkeerorganisatie. Hierdoor is de bezetting van het COA neerwaarts bijgesteld. Ten vierde wordt de beveiliging van de COA-locaties anders ingericht waardoor er een besparing is in te boeken. Ten vijfde wordt de uitplaatsing van statushouders uit de opvang versneld zodat de achterstand wordt ingelopen. In samenspraak met betrokken partijen zal bij vertraging in de uitplaatsing worden bekeken hoe een en ander zal worden bekostigd. Tot slot worden de kwaliteitseisen aan de buffercapaciteit vanaf 2006 versoberd. In de komende Kabinetsperiode zal, in lijn met het Hoofdlijnenakkoord, bezien worden wat de mogelijkheden zijn om de opvang van asielzoekers verder te versoberen.

bedragen x € 1 miljoen

Maatregelen Hoofdlijnenakkoord20042005200620072008
Tijdelijk Opheffen TNV10,010,0
Doorbelasting statushouders11,03,73,73,73,7
Beveiliging COA-locaties5,04,02,02,02,0
Andere COA-organisatie10,010,0
Uitstroom uit de opvang1,55,018,022,522,5
Kale buffercapaciteit COA2,44,84,8

Nederlandse Rode Kruis en Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland (VVN)

Het voornemen is de subsidierelatie met het Nederlandse Rode Kruis (NRK) te centraliseren, zodat het NRK binnen de rijksoverheid slechts één aanspreekpunt zal hebben. Dit houdt in dat de subsidierelatie door Justitie zal worden overgedragen aan het ministerie van VWS.

Het NRK wordt bekostigd naar prestatie. Geraamd is dat er jaarlijks 4000 inhoudelijke verzoeken worden gedaan tot opsporing van met name familieleden en er 2000 Rode-Kruisberichten uitgaan naar gebieden waar geen reguliere postbezorging bestaat.

Voor de kostenraming is uitgegaan van het jaar 2003. In dit jaar geldt een basissubsidie van € 0,4 miljoen gebaseerd op 1500 inhoudelijke verzoeken en 1500 RK-berichten. Afgesproken is dat elke 100 extra inhoudelijke verzoeken € 7453 kosten en elke 100 extra Rode-Kruisberichten € 1 962. Dit leidt tot een kostenraming van € 0,6 miljoen.

De subsidieverstrekking aan VVN kent twee componenten, de eerste component betreft de dienstverlening in de centrale opvang, de tweede is het landelijk bureau VVN (de steunfunctie voor asielzoekers), waar de centrale coördinatie van alle activiteiten plaatsvindt.

Europees Vluchtelingenfonds

Het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) is een fonds dat tot doel heeft de situatie van asielzoekers in de opvang en de positie van vluchtelingen met een integratietraject te verbeteren en de terugkeer van afgewezen of binnenkort af te wijzen asielzoekers te vergemakkelijken. Het ministerie van Justitie fungeert als beheer- en controleautoriteit van het EVF en verzorgt de toewijzing van subsidie vanuit het EVF tot maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Instanties en overheidsinstellingen kunnen projectvoorstellen indienen op het terrein van opvang, integratie en vrijwillige terugkeer.

Voor het EVF wordt de basis gevonden in de Beschikking van de Raad tot instelling van een EVF van de Raad. Om in aanmerking te komen voor subsidie is de Beschikking van de Commissie van 20 maart 2001 van belang. Daarnaast wordt een basis gevonden in het Verzoek om medefinanciering van het betreffende programmajaar. Voor de volledigheid zij vermeld dat de gelden die uit Europa ontvangen worden geen onderdeel uitmaken van de Justitiebegroting.

Beleidsevaluatieonderzoek

De veiligheid vrouwen en meisjes in de opvang («Zwakke groepen in de opvang»)

Doel van het onderzoek is om:

• Inzicht te verkrijgen in de veiligheidssituatie van vrouwen en meisjes in de opvang door het in beeld brengen van objectief waarneembare situaties van onveiligheid waarmee vrouwen in de centrale opvang geconfronteerd worden;

• Inzicht verkrijgen in de veiligheidsbeleving van vrouwen en meisjes in de opvang met in achtneming van factoren als voorgeschiedenis en culturele achtergrond;

• Een inventarisatie te maken van het bestaande beleid betreffende veiligheid voor vrouwen en meisjes in de opvang.

Het onderzoek is 1 juli 2002 van start gegaan en medio 2003 afgerond. In het najaar van 2003 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd.

EVF

Ter verbetering van lopende en toekomstige programma's is in 2003 de werking geëvalueerd van een aantal met EVF-gelden gesubsidieerde projecten en het effect van EVF-subsidies. Over de resultaten van het onderzoek is de Tweede Kamer separaat geïnformeerd.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.2.5       
        
uitgaven1 015 529858 195454 514254 146220 404191 902191 902
programma-uitgaven1 014 559857 424453 773253 403219 661191 159191 159
waarvan:       
– bijdragen993 513846 691443 305243 231209 487180 993180 993
– subsidies17 76510 73310 46810 17210 17410 16610 166
apparaatsuitgaven970771741743743743743
        
ontvangsten100 228195 010195 010195 010195 010195 010195 010
        
verplichtingen772 958858 195454 514254 146220 404191 902191 902
waarvan:       
– garanties192 0000131 4000000

VBTB-paragraaf

Per 1 januari 2004 worden de afspraken uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek voor het COA (IBO-COA) betreffende de kwaliteit van de opvang, de aantallen op te vangen mensen en de kostprijs van de opvang geïmplementeerd. Door middel van een Nota van Wijziging zullen de uitkomsten van het IBO-traject voor de begrotingsbehandeling, in het najaar van 2003, worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Mede afhankelijk van de evaluatie van de twee pilots van het ama-campusmodel zal in 2004 worden besloten op welke wijze de opvangmodaliteiten voor ama's, gericht op integratie en op terugkeer, nader zullen worden ingericht. Daarna kan worden beoordeeld of dit zou moeten leiden tot aanpassing van de operationele doelstellingen 3.4.4 en 6.2.5 ten aanzien van de opvang van ama's.

Beleidsartikel 6.3 Toezicht en terugkeer vreemdelingen

Het beleid op het terrein van toezicht en terugkeer is er op gericht illegaal verblijf tegen te gaan. Toezicht omvat naast grensbewaking en het mobiel toezicht op vreemdelingen ook het binnenlands vreemdelingentoezicht.

Beleidsdoelstelling 6.3

Het tegengaan van illegaal verblijf in Nederland en het bevorderen van terugkeer van vreemdelingen, teneinde negatieve maatschappelijke en sociale effecten te voorkomen.

Op dit onderdeel wordt nauw samengewerkt tussen het ministerie van Justitie, het ministerie van Buitenlandse zaken, de Vreemdelingendienst en de Koninklijke Marechaussee. Hoewel deze laatste drie organisaties qua begroting niet opgenomen zijn onder beleidsartikel 6.3, zijn ze van wezenlijk belang voor de realisatie van het beleid. In de overzichtsconstructie zijn de niet-Justitie onderdelen opgenomen.

Het terugkeerbeleid is zowel gericht op illegalen als op mensen die een verblijfsvergunning is geweigerd. De grondslag van deze beleidsdoelstelling is de Vreemdelingenwet 2000 en de daarop gebaseerde regelgeving.

Nederland telt ongeveer tussen 112 000 en 163 000 illegalen, zo blijkt uit onderzoek (TK, 19 637, 692) van het Rotterdams Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Beleidsonderzoek (RISBO). Met name in de grote steden is illegaliteit een omvangrijk verschijnsel en ondervindt men dagelijks de negatieve gevolgen van de aanwezigheid van een grote populatie illegalen. De ruime marge in de schatting van het aantal illegalen brengt met zich mee dat de effecten van beleidsmaatregelen niet eenvoudig in kaart zijn te brengen.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 6.3       
        
uitgaven124 356146 509156 593165 078170 592178 941179 363
        
ontvangsten133000000
        
verplichtingen124 417146 509156 593165 078170 592178 941179 363

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 6.3          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 156 593 165 078 170 592 178 941 179 363
waarvan:          
– personeel en materieel 151 485 159 980 165 500 173 860 174 282
– beleid 5 108 5 098 5 092 5 081 5 081
waarvan:          
a. juridisch verplicht93,5%4 7740,0%00,0%00,0%00,0%0
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden0,0%093,6%4 77193,6%4 76593,6%4 75593,6%4 755
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)6,5%3346,4%3276,4%3276,4%3266,4%326
           
Totaal uitgaven beleid100,0%5 108100,0%5 098100,0%5 092100,0%5 081100,0%5 081

Operationele doelstelling 6.3.6

Het voorkomen dat vreemdelingen zich illegaal toegang verschaffen tot Nederland en het bewerkstelligen van het vertrek uit Nederland van vreemdelingen die niet rechtmatig of niet meer rechtmatig in Nederland verblijven.

Zoals aangegeven werkt het ministerie van Justitie bij de uitvoering van het beleid samen met de vreemdelingendienst van de politie en met de Koninklijke Marechaussee. De uitvoering is gericht op het tegengaan van illegale toegangsverschaffing, op de controle op legaal verblijf van vreemdelingen, op de opsporing en het in bewaring nemen van illegale, uitgeprocedeerde en criminele vreemdelingen en op de uitzetting van illegalen en uitgeprocedeerden.

Toezicht op vreemdelingen

Ter verhoging van de effectiviteit van de Koninklijke Marechaussee als toezichthouder wordt overwogen de Koninklijke Marechaussee in 2004 de bevoegdheid tot inbewaringstelling te verlenen. Dit kan tevens leiden tot een hoger aantal inbewaringstellingen in 2004.

De Vreemdelingendienst van de politie wordt in staat gesteld zich meer te concentreren op preventief en repressief toezicht en op de naleving van de vreemdelingrechtelijke regels door overheveling van toelatingstaken naar de IND. Daarbij heeft het ministerie van Justitie de centrale regie met betrekking tot de coördinatie van activiteiten gericht op terugkeer of uitzetting.

Bestrijding illegaliteit

De overlast die wordt veroorzaakt door illegale vreemdelingen moet worden bestreden teneinde het maatschappelijke draagvlak voor de integratie van toegelaten vreemdelingen te behouden. Maatregelen zijn de intensivering van het vreemdelingentoezicht en het scherper sanctioneren van tewerkstelling van illegalen.

Naast de bestrijding van illegaal verblijf zullen maatregelen worden genomen om het profiteren van illegale vreemdelingen tegen te gaan. Het betreft hier maatregelen die onder andere liggen op de terreinen van andere departementen. Er zal, onder meer door middel van financiële sancties, worden opgetreden tegen personen die zich via illegalen verrijken, zoals huisjesmelkers, koppelbazen en werkgevers.

Vrijwillige terugkeer en gedwongen vertrek van vreemdelingen

Het terugkeerbeleid wordt verder geïntensiveerd. Daar waar het gaat om asielzoekers die nog onder de oude Vreemdelingenwet vallen, wordt de projectmatige aanpak voortgezet. De komende periode zal bezien worden op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de in het Hoofdlijnenakkoord genoemde terugkeerorganisatie. Hierbij zal onder meer aandacht worden besteed aan de organisatie van het huidige terugkeerproces.

In de aanpak van terugkeer wordt onderscheid gemaakt tussen vrijwillige en gedwongen terugkeer.

Bij vrijwillige terugkeer wordt de voorbereiding, het vervoer en het vertrek naar het land van herkomst, gefaciliteerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Het ministerie van Justitie initieert maatregelen ter ondersteuning van het vertrek, initieert contacten tussen uitgeprocedeerden en de IOM, subsidieert de IOM en werkt met de IOM samen. Het bevorderen van zelfstandige terugkeer is één van de uitgangspunten van het beleid.

Daarnaast wordt ingezet op de terugkeer van ama's door waar mogelijk in samenwerking met de Minister van Ontwikkelingssamenwerking de programma's van internationale instellingen als IOM en UNICEF te ondersteunen. Evenals in 2003 worden ambtelijke missies ondernomen naar landen van herkomst om de autoriteiten aldaar te bewegen hun alleenstaande minderjarige onderdanen terug te nemen, zonodig met steun van Nederland bij de opvang in hun eigen land. Ook hierbij wordt nauw samengewerkt met de IOM. Naar verwachting zal de opvangvoorziening in Angola, die met Nederlandse steun is gebouwd en in 2003 is geopend, in 2004 volledig worden gebruikt. Deze missies passen in het beleid dat gericht is op het bevorderen van opvang in landen van herkomst.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken speelt een grote rol bij het onderhandelen over terug- en overnameverdragen, in verschillende internationale fora (UNHCR, IOM) en bilaterale overleggen met herkomstlanden.

Voor de uitvoerende taken van het IOM zijn de volgende bedragen geraamd:

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
IOM4 7004 7004 7004 7004 7004 7004 700

Waar vrijwillig vertrek niet aan de orde is zal worden overgegaan tot gedwongen vertrek. Ter fine van uitzetting dient het instrument van de vreemdelingenbewaring. Vreemdelingenbewaring garandeert de beschikbaarheid van de vreemdeling voor eventueel gedwongen vertrek en is tevens bedoeld voor onderzoek naar diens identiteit en nationaliteit, wanneer de vreemdeling niet beschikt over geldige reis- en verblijfdocumenten.

Eén van de maatregelen zal betrekking hebben op een versobering van het detentieregime in vreemdelingenbewaring, te realiseren vanaf 2005. Deze maatregel zal bij de justitiële inrichtingen worden gerealiseerd door middel van het versoberen van de programma's en de huisvesting.

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Vreemdelingenbewaring91 500111 900124 100134 700140 800148 400148 800
Uitzetcentra13 10018 90018 90031 60037 80037 800

Uitzetcentra

Met de uitzetcentra wordt beoogd om extra capaciteit beschikbaar te hebben om illegale vreemdelingen die bij (grootschalige) acties ter bestrijding van illegaliteit en andere illegale vreemdelingen in bewaring te stellen en op korte termijn uit te zetten.

De detentiecapaciteit komt gefaseerd ter beschikking. Vanaf 2003 zijn 300 plaatsten beschikbaar. In 2006 zal worden gestart met de uitbreiding van nog eens 300 plaatsten.

Harmonisatie van het Europees beleid

Mede met het oog op het voorzitterschap van Nederland van de Europese Unie zal in het kader van het tegengaan van illegaal verblijf actief uitvoering worden gegeven aan de ontwikkeling van wet- en regelgeving in internationaal verband. Hierbij zal direct worden samengewerkt met Ierland en Luxemburg als respectievelijk, voorzitter van de EU voorafgaande aan het voorzitterschap van Nederland, respectievelijk voorzitter van de EU na het voorzitterschap van Nederland.

Verder zal Nederland in kader van het Europees voorzitterschap meer specifiek aandacht schenken aan valse documenten en biometrie. Zo zal Nederland in het kader van het voorzitterschap een internationaal seminar over biometrie organiseren. Nederland wil tevens de uitwisselbaarheid van biometrische gegevens met andere landen bevorderen.

Eén van de middelen om illegale toegang en verblijf in Nederland tegen te gaan en terrorisme te bestrijden is het bevorderen van het gebruik van biometrie in visa. In Europees verband wordt hiertoe gewerkt aan het vaststellen van gemeenschappelijke biometrische kenmerken en van de mogelijkheden om reis- en identiteitsdocumenten, waaronder visa, van een biometrisch kenmerk te voorzien. Door de ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken wordt gewerkt aan een visumwet waarin bepalingen omtrent het gebruik van biometrie in visa zullen worden meegenomen.

Prestatiegegevens

Een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd kan worden opgesloten in een daartoe aangewezen inrichting (art. 6 Vreemdelingenwet 2000). Vreemdelingenbewaring wordt toegepast voor in Nederland verblijvende ongewenste vreemdelingen (art. 59 van de Vreemdelingenwet 2000). De reguliere inrichtingen voor vreemdelingenbewaring zijn, behalve voor kortdurend verblijf, ook ingericht op een langer verblijf voor vreemdelingen voor wie de uitzettingsprocedure vaak meer tijd vergt. Uitzetcentra zijn daarentegen bestemd voor kortdurend verblijf en het voorzieningenniveau is hierop afgestemd. De uitzetcentra dienen om de druk op de reguliere inrichtingen voor vreemdelingenbewaring en op de politiecellen af te laten nemen. Gekozen is voor twee uitzetcentra met op termijn 600 plaatsen.

Ook kunnen vreemdelingen worden opgesloten in een politiecel wanneer het vermoeden bestaat van illegaal verblijf in Nederland. De eerste dagen van verblijf in een politiecel worden met name benut voor de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, daarna kan vreemdelingenbewaring volgen. Wanneer een vreemdeling langer dan vier dagen in een politiecel zit komen de kosten ten laste van het ministerie van Justitie. De raming van het aantal dagen dat de politie naar verwachting zal declareren zijn in de tabel omgerekend op jaarbasis.

De gemiddelde formele capaciteit van vrijheidsontneming, van vreemdelingenbewaring voor kort- en langdurig verblijf, van vreemdelingenbewaring in uitzetcentra, en de capaciteit van politiecellen, realisatie 2002 en prestatie-afspraken en ramingen 2003–2008:

 2002200320042005200620072008
Vrijheidsbeneming (Grenshospitium)237208223236238238238
Vreemdelingenbewaring excl. uitzendcentra1 1031 1781 2661 3401 3461 3461 346
Vreemdelingenbewaring in uitzetcentra200300300500600600
Totaal formele capaciteit1 3401 5861 7891 8762 0842 1842 184
Bezettingspercentage96,4%96,2%96,2%96,2%96,2%96,2%96,2%
Politiecellen57252525252525

Van het totaal aan formele capaciteit is 96,2% bruikbaar in verband met onderhoud, reparatie en frictieleegstand. Frictieleegstand ontstaat door de indeling van vreemdelingen in categorieën, zoals mannen en vrouwen of categorieën vreemdelingen die uit het oogpunt van beheersbaarheid niet samen worden geplaatst.

Voor het aantal onvrijwillig vertrokkenen wordt verwezen naar de overzichtsconstructie in de bijlage en in de begrotingen van de betreffende departementen. Het aantal vreemdelingen waarbij de IND ten behoeve van hun terugkeer activiteiten verricht staat weergegeven in de volgende tabel.

Het aantal vreemdelingen waarbij de IND activiteiten verricht voor toezicht en terugkeer, realisatie 2002 en ramingen 2003–2008:

 2002200320042005200620072008
Toezicht12 54810 00010 00010 00010 00010 00010 000
Terugkeer50 38151 00050 00050 00050 00050 00050 000

Beleidsevaluatieonderzoek

Omschrijvingstatus
Evaluatie terugkeerbeleid 1998–99afgerond in 2003
  
Evaluatie Vreemdelingenwet 2000, deelproject 3 Operationeel toezichtaf te ronden in 2004
  
Evaluatie Vreemdelingenwet 2000, deelproject 4 Terugkeerbeleidaf te ronden in 2004

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.3.6       
        
uitgaven124 356146 509156 593165 078170 592178 941179 363
programma-uitgaven123 571145 931156 017164 500170 013178 362178 784
waarvan:       
– bijdragen123 252140 829150 909159 402164 921173 281173 703
– subsidies3195 1025 1085 0985 0925 0815 081
apparaatsuitgaven785578576578579579579
        
ontvangsten133000000
        
verplichtingen124 417146 509156 593165 078170 592178 941179 363

Beleidsartikel 6.4 Integratie minderheden

Sinds het begin van de jaren zestig hebben grote groepen migranten uit niet-westerse landen zich in ons land gevestigd. Ze komen uit landen die sociaal-economisch en cultureel ver afstaan van de westerse wereld. Voor het behoud van de samenhang van de Nederlandse samenleving is het nodig dat de migranten en hun kinderen in Nederland integreren. Dat gaat niet vanzelf. Het vergt beleid en maatregelen van de Nederlandse overheid. Het ministerie van Justitie heeft tot taak dit integratiebeleid te coördineren en een aantal onderdelen ervan zelf uit te voeren.

Beleidsdoelstelling 6.4

Integratie van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving.

Integratie wordt omschreven als gedeeld burgerschap van minderheden en autochtonen. Burgerschap is te specificeren als de mogelijkheid voor personen en groepen actief deel te nemen aan alle aspecten van de samenleving. Ter realisering van gedeeld burgerschap is nodig: versterking van de toerusting van minderheden, intensivering van toenadering tussen minderheden en autochtonen en vergroting van toegankelijkheid van instellingen en voorzieningen voor minderheden.

Om als burger volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving is er een aantal minimumvereisten. Het is nodig dat men de Nederlandse taal spreekt, een zekere concurrentiekracht heeft op de verschillende maatschappelijke markten, in het bijzonder op de arbeidsmarkt, en op ongedwongen wijze kan verkeren met medeburgers. Deze ongedwongen omgang vereist de acceptatie van gemeenschappelijke basiswaarden, de naleving van de daarbij behorende normen en wederzijdse openheid voor bestaande verschillen.

Om optimaal gebruik te kunnen maken van de vrijheden en de rechten die het burgerschap met zich brengt dienen de maatschappelijke instellingen en voorzieningen voor ieder in gelijke mate toegankelijk te zijn en zodanig te zijn ingericht dat ze bijdragen aan de realisering van integratie.

Toegankelijkheid van instellingen is op zichzelf nog geen garantie voor integratie. In hoeverre migranten en hun kinderen zich de Nederlandse taal eigen maken, zich een plaats verwerven op de arbeidsmarkt, sociale contacten aangaan, kortom integreren, hangt uiteindelijk van henzelf af, van de eigen inzet en activiteiten.

De hier genoemde elementen zijn in het integratiebeleid terug te vinden in de drieslag toerusting, toenadering en toegankelijkheid. Toerusting betekent dat men beschikt over de vaardigheden die nodig zijn om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Een belangrijk deel van deze vaardigheden wordt verkregen door onderwijs en scholing. Toenadering is de bereidheid tot wederzijdse acceptatie op basis van gemeenschappelijke waarden en normen. Toegankelijkheid wil zeggen dat de instellingen van de samenleving in gelijke mate openstaan voor etnische minderheden en autochtonen.

Het integratiebeleid wil volwaardig en gedeeld burgerschap bij minderheden en autochtonen bevorderen door middel van een samenhangende strategie gericht op het stimuleren van de toerusting van minderheden, het versterken van de toenadering tussen minderheden en autochtonen en het vergroten van de toegankelijkheid van de instellingen en voorzieningen van de samenleving. Toerusting, toenadering en toegankelijkheid zijn de operationele doelstellingen van het integratiebeleid. Ze vinden hun concrete vertaling in prestatie-indicatoren op de verschillende maatschappelijke terreinen waar de integratie van de minderheden moet worden gerealiseerd: inburgering, onderwijs, opvoeding, arbeid, zorg, welzijn, vrije tijdsbesteding, sociale zekerheid en criminaliteitsbestrijding.

Het merendeel van de beleidstaken ten aanzien van integratie ligt op de beleidsterreinen van andere ministeries dan het ministerie van Justitie: OCW, SZW, VWS, VROM, BZK en EZ. Daarom is de rol van Justitie binnen het integratiebeleid in de eerste plaats een coördinerende. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is verantwoordelijk voor de coördinatie en de samenhang van het integratiebeleid. Coördineren houdt in: afstemmen, initiëren, stimuleren en soms afremmen. De coördinerende bevoegdheid wordt uitgeoefend ten opzichte van alle bij het integratiebeleid betrokken ministeries en betreft de verantwoordelijkheid voor het systeem. De inhoudelijke verantwoordelijkheid ligt bij de vakministeries en de gemeenten. Voor een overzicht van alle beleidsterreinen waarbij de minister betrokken is, wordt verwezen naar de interdepartementale overzichtsconstructie integratiebeleid.

De samenhang in het integratiebeleid komt ook tot uitdrukking in een aantal sectoroverstijgende projecten en beleidsinvalshoeken. De belangrijkste daarvan zijn:

• De inburgering van nieuwkomers en oudkomers.

• Het tegengaan van ruimtelijke segregatie tussen minderheden en autochtonen en het verbeteren van de leefkwaliteit van de concentratiewijken van minderheden.

• Versterking van het draagvlak voor gemeenschappelijke waarden en normen.

• Terugdringen van de overmaat aan criminaliteit onder jongeren uit etnische minderheidsgroepen.

• Het versterken van de integratie van jongeren via opvoeding, onderwijs en vrije tijdsactiviteiten.

• Het verbeteren van de positie van de minderheden op de arbeidsmarkt.

• Het tegen gaan van discriminatie en racisme.

• De inzet op lokaal integratiebeleid.

De doelstellingen worden aan de hand van de drie centrale thema's ingedeeld: 1) toerusting, 2) toenadering en 3) toegankelijkheid.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Beleidsdoelstelling 6.4       
        
uitgaven0345 168274 163221 700219 843207 826210 826
        
ontvangsten026 503454454454454454
        
verplichtingen0334 002271 456221 131219 843207 826210 826

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Beleidsdoelstelling 6.4          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 274 163 221 700 219 843 207 826 210 826
waarvan:          
– personeel en materieel 3 421 3 241 3 292 3 211 3 211
– beleid 270 742 218 459 216 551 204 615 207 615
waarvan:          
a. juridisch verplicht89,9%243 49192,5%202 11092,4%200 15291,7%187 54591,8%190 545
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden9,0%24 4846,3%13 7186,4%13 7987,1%14 4787,0%14 478
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)1,0%2 7671,2%2 6311,2%2 6011,3%2 5921,2%2 592
           
Totaal uitgaven beleid100,0%270 742100,0%218 459100,0%216 551100,0%204 615100,0%207 615

Operationele doelstelling 6.4.5

Personen uit minderheden zijn toegerust met de vaardigheden en middelen die nodig zijn om deel te kunnen nemen aan de samenleving, om te kunnen concurreren op de verschillende maatschappelijke markten en om een zelfstandig bestaan te kunnen opbouwen.

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wil de toerusting tot stand brengen via beleid inzake ten eerste inburgering, ten tweede onderwijs en jeugd en ten derde werk.

Het beleid richt zich voor wat betreft inburgering op:

Nieuwkomers:

– Vreemdelingen van achttien jaar of ouder die voor de eerste maal verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 of niet-tijdelijk verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 hebben; (asielgerechtigden, gezinsvormers en gezinsherenigers arbeidsmigranten).

– Nederlanders van achttien jaar of ouder, die buiten Nederland geboren zijn en voor de eerste keer ingezetene in de zin van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn, tenzij zij in Nederland verblijven voor een tijdelijk doel (het betreft met name Antillianen en Arubanen).

Oudkomers:

Leden van etnische minderheidsgroepen van 18 jaar of ouder die buiten Nederland zijn geboren, al voor langere tijd legaal in Nederland verblijven anders dan voor een tijdelijk doel en niet verplicht zijn om op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers een inburgeringsprogramma te volgen.

Voor wat betreft onderwijs en jeugd richt het beleid zich op gemeenten en op instellingen op het terrein van onderwijs- en jeugdbeleid. Voor wat betreft werk richt het beleid zich op sectoren en branches, regionale opleidingscentra, lokale beleidsmakers en bedrijven.

Inburgering

Inburgeringsprogramma's bieden nieuwkomers de eerste stap op weg naar verdere integratie in de Nederlandse samenleving. Op basis van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) zijn nieuwkomers verplicht een inburgeringprogramma te volgen met als doel professionele, educatieve of maatschappelijke zelfredzaamheid. Dit is gedecentraliseerd beleid: Justitie financiert en faciliteert de gemeenten opdat zij zorgen voor een effectieve uitvoering van de Wet. Een deel van de nieuwkomers onttrekt zich aan de inburgeringsplicht en wordt niet door gemeenten bereikt. Het streven is in 2004 een bereik te realiseren van 88%. Een tweede streven is de uitval van nieuwkomers te beperken tot 15%. Het gaat hierbij om nieuwkomers die voortijdig het educatieve programma stoppen.

Gemeenten dienen ook oudkomers in een achterstandspositie zoveel mogelijk – binnen de mogelijkheden van de budgettaire kaders – naar een inburgeringstraject toe te leiden. Hiervoor dient het Rijk zowel de Regeling Oudkomers voor de circa 300 participerende gemeenten zo goed mogelijk uit te voeren als de overgangsregeling voor de 54 grote gemeenten, waaronder de 30 GSB-gemeenten. Het doel van de inburgeringsprogramma's voor oudkomers is werklozen door te geleiden naar betaald werk en opvoeders beter in staat te stellen hun kinderen op te voeden en te begeleiden bij hun schoolloopbaan. De verwachting is dat gemeenten in 2004 met de huidige beschikbare middelen 16 000 oudkomerstrajecten laten starten en dat 12000 oudkomerstrajecten zullen worden afgerond. In 2004 dient tevens outputfinanciering ingevoerd te zijn voor de 54 grote gemeenten.

Tenslotte wordt de Tweede Kamer in het kader van het «Groot Project Inburgering» geïnformeerd over de ontwikkeling en resultaten in de uitvoering van het oudkomersbeleid. De informatievoorziening in het kader van het groot project is een groeimodel. Van gemeenten wordt verwacht dat zijn hun informatiesystemen op orde maken en dat de kwaliteit van de gegevens stijgt. In 2004 wordt gestreefd naar 30 goedkeurende accountantsverklaringen.

Tenslotte worden in 2004 de maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord uitgewerkt, waaronder inburgering in het land van herkomst, de ontwikkeling van een inburgeringsexamen, de betaling en vergoeding van de kosten van de inburgeringscursus en het afschaffen van de gedwongen winkelnering.

Effectieve uitvoering Wet inburgering nieuwkomers:

• In de eerste plaats dient het Rijk de uitvoering van de Win zodanig te organiseren dat gemeenten tijdig de Rijksbijdrage ontvangen en hierover tijdig geïnformeerd worden. Het Rijk dient tijdig de beleidsinformatie en de financiële informatie op te vragen van het voorgaande jaar en de gemeenten te informeren over de resultaten van de verzamelde informatie.

• Het continueren van de activiteiten van de interdepartementale Frontoffice Inburgering en KIEM voor ondersteuning en kennisuitwisseling van gemeenten.

• Het opstellen van een wetsvoorstel waarin de eigen verantwoordelijkheid van nieuwkomers om de inburgeringcursus af te maken, wordt afgebakend.

• De ontwikkeling van een inburgeringsexamen: het meten van een bepaald taalniveau in het land van herkomst wordt voorwaarde voor toelating in Nederland. Daarnaast is het behalen van het inburgerings-examen nodig voor het verkrijgen van de definitieve verblijfsvergunning en voor het bepalen van een startkwalificatie van de inburgeraar. Een examen dat alleen de taal meet is niet voldoende. Het inburgeringsexamen moet ook de kennis van de Nederlandse samenleving en de benodigde competenties van de individuele inburgeraar meten.

• Door niet alleen de Regionale Opleidingscentra (ROC's)onderwijs te laten aanbieden, kunnen gemeenten terecht bij concurrerende onderwijsinstellingen. Nieuwkomers met verschillende achtergronden en perspectieven in Nederland dienen gebruik te kunnen maken van een gedifferentieerd en op maat gesneden aanbod.

Faciliteren gemeenten een oudkomersbeleid te voeren:

• Het tijdig verstrekken van bijdragen aan gemeenten, gemeenten tijdig infomeren over budgetten, verantwoordingen, accountantsprotocollen, monitor en resultaten ter uitvoering van de regeling Inburgering oudkomers waaraan circa 300 kleinere gemeenten participeren.

• Invoering van een overgangsregeling voor de steden behorende tot de G-54.

• Het stimuleren van trajecten om de inburgeringcursussen zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de praktijk. Voor het combineren van werken en leren zullen sociale partners worden aangesproken en ondersteund. Daarnaast zullen ook de combinaties van Nederlandse taal met beroepsopleiding, opvoedingsondersteuning en sociale activering worden uitgebreid.

Vergroten betrouwbaarheid informatievoorziening gemeenten in het kader van het groot project inburgering

• Het opleveren van drie voortgangsrapportages aan de Tweede Kamer.

• De implementatie van het informatiemodel, om de informatievoorziening te verbeteren en te komen tot een geïntegreerde rapportage over oudkomers en nieuwkomers. Deze implementatie kent een fasering. Zo zullen op gemeentelijk niveau de inburgeringsprocessen eerst verder moeten worden geprofessionaliseerd zodat registratie een integraal onderdeel hiervan vormt. De gemeenten zullen hiervoor ook hun klantdossiers op orde moeten brengen. De Frontoffice zal hier op aanvraag de gemeenten bij ondersteunen. Gedurende deze gemeentelijke verbeterslag zal het Rijk een aantal voorzieningen moeten treffen. Deze voorzieningen lopen uiteen van wetswijzigingen voor elektronisch uitwisselen van persoonsgegevens tot en met het selecteren en inrichten van een uitvoeringsinstantie, die de geïntegreerde rapportages van de gemeenten zal ontvangen. De implementatie van het informatiemodel zal vanwege de geschetste fasering eind 2004 pas volledig kunnen zijn afgerond.

Uitwerken maatregelen Hoofdlijnenakkoord:

• Wijzigen van de vreemdelingenwet door het introduceren van een basisniveau als voorwaarde voor toelating van gezinsvormers en gezinsherenigers.

• Het voorbereiden van een infrastructuur voor de toetsing in het land van herkomst

• Het ontwikkelen van een inburgeringsexamen dat in Nederland moet worden afgelegd

• Het (gefaseerd) openstellen van de markt voor inburgeringscursussen

• Het ontwikkelen van een systeem voor kwaliteitsgaranties.

Op grond van het Hoofdlijnenakkoord wordt het budget in 2004 verlaagd met € 28 miljoen. Omdat de maatregelen nog niet ten volle zijn geïmplementeerd wordt deze taakstelling gerealiseerd door een versobering van het inburgeringsbeleid.

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Effectieve uitvoering Wet Inburgering NieuwkomersPercentage bereikte nieuwkomers85% bereikte nieuwkomers (2001)88% bereikte nieuwkomers
 Uitvalpercentage bij nieuwkomers18% uitvallers (2001)15% uitvallers
    
Gemeenten in staat stellen een oudkomersbeleid te voerenAantal oudkomers dat door gemeenten in staat wordt gesteld om een oudkomerstraject te starten13 000 (2002)16 000
 Aantal oudkomers dat een inburgeringstraject heeft afgerond6 500 (2002)12 000
    
Verhogen betrouwbaarheid informatie over de inburgering van oudkomersAantal goedkeurende accountantsverklaringen van de 54 gemeenten in het kader van het Groot Project Inburgering9, incl. goedgekeurde met beperking van de 1e helft van 200230 goedgekeurde verklaringen in 2004

Onderwijs en Jeugd

Onder grote groepen allochtone jongeren is onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal een van de grootste belemmeringen voor betere prestaties in het onderwijs. Onder meer hierdoor is de doorstroming naar havo, vwo of mbo en hbo onevenredig lager ten opzichte van autochtone leerlingen en is de schooluitval groter. Op de langere termijn is het streven gericht op evenredige deelname van allochtone jongeren in de verschillende vormen van onderwijs door het verminderen van de taalachterstand.

De ontwikkeling van een eigen identiteit is voor jongeren die opgroeien in twee vaak zeer verschillende culturen nog gecompliceerder dan voor autochtone jongeren. Deze kinderen lopen een groot risico om te marginaliseren of uiteindelijk in crimineel gedrag te vervallen. Deze jongeren vroegtijdig begeleiding en ondersteuning bieden, kan bijdragen aan de verbetering van hun schoolprestaties en maatschappelijke positie.

Vanuit de coördinerende taak van Justitie worden onderstaande beleidsprioriteiten zoveel mogelijk samen met de betreffende vakdepartementen ontwikkeld zodat initiatieven, die in de praktijk succesvol blijken ook beklijven. Vanwege die medebetrokkenheid bij de beleidsontwikkeling zal worden gestreefd naar medefinanciering door de vakdepartementen.

Stimuleren van de taalontwikkeling

Bezien wordt op welke wijze de taalontwikkeling van allochtone kinderen binnen de bestaande programma's voor de Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) verder kan worden gestimuleerd. Tevens wordt ingezet op het vergroten van de samenhang van de programma's en de trajecten voor inburgeraars die taal en opvoedingsvoedingscursussen volgen.

Sinds december 2002 is het mogelijk om leerwerktrajecten in de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo op te zetten. Via pilots zullen duale trajecten gestimuleerd worden die beogen in een praktijkgerichte context de Nederlandse taalvaardigheid te vergroten.

Mentoring

Mentoring is een veelbelovend individueel begeleidingsinstrument om jongeren adequate ondersteuning te bieden. Mentoring behoort nu reeds tot het aanbod van verschillende instellingen voor onderwijs en jeugdhulpverlening. Op basis van de evaluatie van het pilotproject «Mentoring in het vmbo (2001–2004)» zal de mentormethodiek voor risicoleerlingen verder ontwikkeld en geïmplementeerd worden. Door aanvullende training worden mentoren beter toegerust om jongeren van Antilliaanse herkomst op effectieve wijze te ondersteunen. Op basis van deze ervaringen zullen methoden ontwikkeld worden voor de ondersteuning van mentoren voor andere (allochtone) doelgroepen.

Begeleid wonen

Ten behoeve van de opvang en begeleiding van jonge Antillianen worden onder de Experimentele stimuleringsregeling opvang en integratie Antilliaanse jongeren (Stcrt. 2002, 84, blz. 7) projecten uitgevoerd die gezamenlijk een gesloten keten van voorzieningen vormen gericht op huisvesting en integratietrajecten. Deze vorm van begeleid wonen zal op basis van de ervaringen opgedaan met Antilliaanse jongeren in 2004 worden opgezet voor andere doelgroepen.

Inbedding gemeentelijk preventiebeleid

Het jaar 2004 is het laatste uitvoeringsjaar van het «Preventiebeleid 2001–2004». Achtendertig gemeenten voeren volgens de adviezen van de Externe Commissie CRIEM (ook: de commissie Bandell), in de jaren 2001– 2004 plannen uit om marginalisering van en criminaliteit onder jeugd van etnische herkomst te voorkomen. Van deze achtendertig gemeenten dienen er 8 uiterlijk 1 oktober 2004 hun eindrapportage in, de overige 30 doen dat uiterlijk 1 oktober 2005.

Het jaar 2004 is tevens het laatste uitvoeringsjaar van de «Bijdrageregeling Antillianengemeenten». In dit kader versterken zeven Antillianengemeenten in de jaren 2001 tot en met 2004 hun beleid ten aanzien van Antilliaanse jongeren door middel van extra opvang en begeleiding. Ook deze zeven gemeenten dienen hun eindrapportage uiterlijk 1 oktober 2005 in.

De ervaringen die onder beide stimulerende maatregelen opgedaan zijn zullen zo mogelijk ingebed worden in het gemeentelijk jeugdbeleid en het actieprogramma «Jeugd Terecht».

Operatie JONG en Jeugd Terecht

Door deelname aan de «Operatie JONG» wordt gericht gewerkt aan sensibilisatie en interculturalisatie van de bestaande instellingen en organisaties op het gebied van de jeugdvoorzieningen, zodat de toegankelijkheid (bereik en hulpaanbod) wordt vergroot.

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Onderwijsonderwijsachterstand van allochtone jongerenonderwijsachterstand volgens de integratiemonitor 2002verbetering t.o.v. de basiswaarde met betrekking tot deelname aan vve-programma's, doorstroming naar hogere vormen van VO, vermindering van taalachterstand en van schooluitval
Jeugd   
Preventiebeleid 2001–2004voorkomen van marginalisering en criminaliteit onder jongeren van allochtone herkomstgoedgekeurde plannen van de gemeenten (de inhoudelijke afspraken bijv. over aantallen en de tijdsplanning)implementatie conform de ingediende plannen en structurele inbedding van het ontwikkelde beleid in het gemeentelijk jeugdbeleid
    
Regeling Antillianengemeentenvoorkomen van marginalisering en criminaliteit onder Antilliaanse jongerenplannen van aanpak van de 7 «Antillianengemeenten»implementatie conform de door de gemeenten ingediende plannen en structurele inbedding van het ontwikkelde beleid in gemeentelijk jeugdbeleid
    
Experimentele stimuleringsregeling opvang en integratie Antilliaanse jongeren 2002–2004)behoefte aan opvang en begeleiding van jonge Antillianenstand van zaken volgens de in 2002 ingediende en geselecteerde plannenrealisatie van in totaal 480 opvangplaatsen voor Antilliaanse jonge nieuwkomers op het gebied van begeleid wonen

Arbeidsmarkt

Het Kabinet streeft verbetering van de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden na, in het bijzonder op de volgende meetpunten: vergroting van de arbeidsparticipatie met 0,75 procent en voorkomen van onevenredig hoge uitstroom uit werk door etnische minderheden. Binnen deze algemene doelstelling wordt gestreefd naar een bijdrage aan de werkgelegenheidsontwikkeling door toename van het etnisch ondernemerschap en door toename van het aantal duale trajecten.

Stimuleren van duale trajecten werk en inburgering

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft samen met de minister van SZW in 2003 de Sociaal Economische Raad en de Raad voor Werk en Inkomen gevraagd om advies te geven over de vraag hoe een verdere stimulans aan duale trajecten inburgering en werk gegeven kan worden. Op grond van de adviezen van deze adviesorganen zullen in 2004 verdere activiteiten ondernomen worden.

Stimuleren van interculturalisatie van personeelsbeleid in ondernemingen

Met het oog op de bestendiging en verbetering van de positie van etnische minderheden in bedrijven zullen instrumenten ontwikkeld worden, die multicultureel personeelsbeleid inbedden in het algemene personeels- en kwaliteitsbeleid van ondernemingen.

Lokaal arbeidsmarktbeleid

In het kader van het project lokaal integratiebeleid (6.4.2) zal gestimuleerd worden dat gemeenten in hun lokaal arbeidsmarktbeleid specifieke initiatieven ondernemen met het oog op instroom van etnische minderheden op de arbeidsmarkt.

Etnisch ondernemerschap

Etnisch ondernemerschap is zowel voor de leefbaarheid en veiligheid in wijken en buurten als ook voor de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden een belangrijk middel. Om de bijdrage van etnisch ondernemers aan de leefbaarheid van wijken te bevorderen en om de integratie van etnisch ondernemers in algemene ondernemersverenigingen te stimuleren zullen in enkele steden experimenten gestart worden.

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Vergroten arbeidsparticipatieonevenredige uitstroom uit werknetto-arbeidsparticipatie in 2002 en het werkloosheidscijfer 2002 (EBB)een toename van de participatie met 0,75% en werkloosheidsontwikkeling onder allochtonen evenredig aan die van autochtonen
Etnisch ondernemerschaptoename van etnisch ondernemerschapcijfers in de monitor etnisch ondernemerschapverdere groei van etnisch ondernemerschap

Beleidsevaluatieonderzoek

Voor adequaat beleid is kennis nodig over de actuele integratie van minderheden (monitoren) en over de effecten van het integratiebeleid in het algemeen en van specifieke projecten en maatregelen in het bijzonder. Daartoe verschijnt om de twee jaar de integratiemonitor, waarin wordt gemeten hoe de integratie van etnische minderheden in de samenleving zich heeft ontwikkeld, gespecificeerd naar elk van de drie doelstellingen uit de begroting. De monitor wordt verzorgd door het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO). In de tussenliggende jaren verschijnt een beleidseffectrapportage uitgevoerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau. In 2004 zal de derde integratiemonitor verschijnen

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.4.5       
        
uitgaven0279 849233 598192 452193 398180 498183 498
programma-uitgaven0278 378232 162191 089192 048179 148182 148
apparaatsuitgaven01 4711 4361 3631 3501 3501 350
        
ontvangsten026 04900000
        
verplichtingen0268 683230 891191 883193 398180 498183 498

Operationele doelstelling 6.4.6

Toenadering tussen minderheden en autochtonen door het bereiken van wederzijdse communicatie en acceptatie van minderheden en autochtonen op basis van een minimale consensus over gemeenschappelijke waarden en normen.

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wil de toenadering tot stand brengen via lokaal integratiebeleid. Het voorkomen en bestrijden van racisme/discriminatie is een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen komen tot wederzijdse communicatie en acceptatie. Het in de Grondwet verankerde non-discriminatie beginsel (artikel 1) biedt de basis voor gelijke behandeling. Dit grondrecht beschermt een ieder die zich in Nederland bevindt.

Antiracisme

Ter versterking en verbetering van het functioneren van antidiscriminatiebureaus (ADB's) is het nodig dat zij professionaliseren en voldoen aan de criteria van de door de Rijksoverheid in het leven geroepen Stimuleringsregeling professionalisering ADB's. De aanpak van discriminatie dient zo laagdrempelig mogelijk te zijn en dient dichtbij de mensen plaats te vinden. ADB's zijn behulpzaam bij het realiseren van de toegang tot het recht voor burgers wanneer zij geconfronteerd zijn met een discriminerend voorval.

Het Nationaal Actieprogramma Nederland/antiracisme (NAP NL/antiracisme) dient ter implementatie van de internationaal gemaakte afspraken uit de VN conferentie te Durban in 2001 en de Raad van Europa conferentie te Straatsburg in 2000.

Jaarlijks wordt een monitor racisme uitgebracht, waarin racistische incidenten in Nederland worden beschreven en beleidsaanbevelingen worden gedaan. Thans vindt een selectieronde plaats m.b.t. de uitbesteding van de monitor. De monitor racisme (nieuwe stijl) moet eind 2004 voor driekwart gereed zijn (einddatum van de monitor is mei 2005). De Rijksoverheid wil meer investeren in de verdere uitbouw van organisaties die belast zijn met de voorkoming en bestrijding van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat, vooroordelen en aanverwante intolerantie. Daarvoor zal een aantal maatregelen worden uitgevoerd, zoals het verbeteren van de infrastructuur en samenwerking van instanties en organisaties (het Nationaal Platform voor overleg en samenwerking tegen Racisme en Discriminatie, samenwerking tussen het Landelijk Bureau ter bestrijding van rassendiscriminatie en de Landelijke Vereniging van antidiscriminatiebureaus). Het Kabinet zal tijdig voor de behandeling van de begroting van het ministerie van Justitie een brief aan de Tweede Kamer zenden over de aanpak van het antisemitisme.

In het kader van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie organiseert de overheid een tweedaagse Interministeriële EU-conferentie over Integratiebeleid. Dit voorzitterschap kan aldus een goede gelegenheid vormen voor Nederland om daadwerkelijk een stap te zetten in een gecommunautariseerd integratiebeleid. De componenten die communautair geregeld kunnen worden zijn afhankelijk van de mate van ruimte die de rechtsbasis geeft. Voor antiracisme is in het EU-verdrag al een krachtige basis. Nederland kan het mogelijk achten op deze basis voort te bouwen, bijvoorbeeld op het gebied van interculturalisatie van instituties.

De fase na afloop van de EU-conferentie is eveneens van belang, immers juist hier dient de slag gemaakt te worden om op basis van de uitkomsten van de conferentie hardere afspraken te maken.

Gelet op de uitvoering van de EU-richtlijnen art. 13: Kaderbesluit gemeenschappelijke strafbaarstelling racisme, spant de Rijksoverheid zich in om op Europees niveau een uniforme bestrijding van racisme en discriminatie te bewerkstelligen.

Tevens heeft Nederland het voortouw genomen om structureel mee te werken aan een goed functionerend Europees registratiesysteem voor racistische incidenten (Europees waarnemingscentrum inzake Racisme en Xenofobie – EUMC). Deze initiatieven worden verder uitgebouwd.

In het belang van een goede onderlinge vergelijking van resultaten en om de vorderingen te bewaken, worden eind 2004 voortgangsrapporten van de subsidieaanvragers verwacht. Aan de hand van een zestal gestelde prioriteitsthema's, nl. registratie en monitoren, klachtbehandeling, laagdrempeligheid, samenwerking organisaties, vergroten verzorgingsgebied, beleidsadvisering, wordt de voortgang van het traject in kaart gebracht. Het gehele traject zal eind 2004/begin 2005 worden afgerond.

Het ministerie van Justitie coördineert en evalueert de totstandkoming van het NAP NL/antiracisme en de uitvoering van de activiteiten/conclusies uit dit Actieprogramma.

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Antidicriminatiebureausbeoordelingscriteria voor een professioneel ADB, namelijk: registratie en monitoren;klachtbehandeling; laagdrempeligheid;samenwerking organisaties;vergroten verzorgingsgebied;beleidsadviseringDe ADB's zijn op 1 januari 2004 op ¾ van hun plan zijn (blijkt uit voortgangsrapportages)ADB's voldoen volledig aan de beoordelingscriteria voor een professioneel ADB
    
NAP/NLvoortgang cf. planninghet NAP met de bijbehorende planning van activiteiten ligt eruitvoering volgens de vastgestelde planning
    
Monitor racismeovereenkomst met het geselecteerde bureauhet bureau dat het moet uitvoeren is geselecteerduitvoering volgens de vastgestelde planning
    
Uitbouw van organisaties die belast zijn met de voorkoming en bestrijding van racisme, rassendiscriminatie vreemdelingenhaat, vooroordelen en aanverwante intolerantieinhoudelijke eisen in de diverse formele stukken m.b.t. betrokken actorende situatie bij de start van het beleidde implementatie van het op te stellen plan van aanpak

Lokaal integratiebeleid

Het integratiebeleid moet in toenemende mate vorm krijgen op lokaal niveau. Daar vindt de beleidsuitvoering plaats. Steeds meer taken en verantwoordelijkheden worden gedecentraliseerd naar gemeenten. Steeds meer gemeenten zien ook de urgentie van de integratieproblematiek en het belang van een betere inkadering van integratievraagstukken in de verschillende beleidsterreinen.

Op Rijksniveau wordt meer en meer afgestapt van het doelgroepdenken. De integratievraagstukken worden zoveel mogelijk geïntegreerd in het algemene beleid. Met de Beleidsagenda Integratie Lokaal Niveau wil de Rijksoverheid bewerkstelligen dat er een kanteling in het beleidsdenken komt. Dit moet resulteren in het integreren van het integratievraagstukken in het generieke beleid. Daar waar het generieke beleid onvoldoende maatwerk biedt en niet effectief is, kan specifiek en doelgroepgericht beleid nodig blijken. Een andere invalshoek is de afstemming van het Rijksbeleid op de lokale situatie. In hoeverre stimuleert of belemmert Rijksbeleid het oplossen van integratievraagstukken op lokaal niveau? Het instrument lokaal integratiebeleid is bedoeld om in gesprek met gemeenten te komen tot een betere afstemming tussen de verschillende beleidssectoren waarbinnen het integratievraagstuk speelt. Daarnaast gaat het om het verbeteren van de afstemming tussen Rijks- en lokaal beleid.

In 2004 worden rondetafelconferenties met gemeenten georganiseerd. De rondetafelconferenties zijn bedoeld om met gemeenten van gedachten te wisselen over de invulling van een lokale integratieagenda. Daarnaast zal gemeenten ondersteuning geboden worden bij de analyse van de lokale situatie, onder meer door het kenniscentrum Integratie en door middel van het aanbieden van een integratiescan.

Prestatiegegevens

beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Lokaal integratiebeleidaantal gemeenten dat een lokale integratieagenda geformuleerd heeftsituatie bij de start van het beleidgemeenschappelijk plan van aanpak voor invulling lokale integratieagenda's is gereed

Integratie in wijken en buurten

In de brief van 23 december 2002 (TK, 28 612, nr. 3) van de ministers van VROM en voor Vreemdelingenzaken en Integratie is een beleidskader geschetst om in de komende jaren te komen tot een verantwoord diversificatiebeleid via met name het verstedelijkingsbeleid en een gerichte wijkaanpak. Minderheden en autochtonen wonen en leven in ons land, met name in de concentratiewijken in de grote steden, tot op zekere hoogte gescheiden van elkaar. Concentratie van minderheden in de wijken hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met vermindering van leefkwaliteit, maar in de praktijk blijkt dat een groot deel van de concentratiewijken te maken heeft met een verloedering van de fysieke leefomgeving, problemen in de sfeer van leefbaarheid en met een overmaat aan criminaliteit. Voor een succesvolle integratie van minderheden is het nodig dit proces een halt toe te roepen en de negatieve effecten ervan te bestrijden. Hoewel gemeenten primair verantwoordelijk zijn, kan het Rijk een belangrijke bijdrage leveren aan het beleid gericht op vergroting van de sociaal-economische dynamiek en op versterking van de sociale samenhang. Hierbij is het noodzakelijk dat de instituties op het terrein van het onderwijs, de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg, de woningtoewijzing etc, voldoende toegankelijk zijn voor minderheden.

Op Rijksniveau vereist dit op elkaar afgestemde beleidsinitiatieven van de betrokken departementen. Dit vindt onder meer zijn neerslag in het programma voor het Grotestedenbeleid 2005–2009. Op gemeentelijk niveau moeten eveneens de initiatieven op de diverse beleidsterreinen op elkaar worden afgestemd. Hiervoor wordt onder meer het instrument lokaal integratiebeleid ingezet.

Taakstelling huisvesting vergunninghouders

Huisvesting vormt de eerste stap in het integratieproces van asielzoekers die in de centrale opvang een verblijfsvergunning krijgen. Deze personen moeten gemiddeld zes maanden na het verlenen van die status woonruimte in een gemeente krijgen. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie initieert en coördineert het proces van eerste huisvesting onder andere via onderzoeken en overleg met alle betrokken partijen. De gemeenten krijgen van de minister, mede namens de minister van VROM, elk half jaar op grond van de Huisvestingswet de opdracht om op basis van de taakstellingsystematiek vergunninghouders te huisvesten.

Daarnaast verstrekt het Rijk nog een lumpsumvergoeding op grond van de Zorgwet VVTV aan gemeenten voor personen waarvoor die gemeenten een zorgplicht hebben zolang die personen nog de procedure van bezwaar en beroep hebben lopen tegen intrekking en niet-verlenging van de Voorwaardelijke Vergunning tot Verblijf (VVTV).

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Integratie in wijken en buurtenvoortgang in de uitvoering van de gebiedsgerichte aanpaksituatie bij de start van het beleidvoortgang conform planning plan van aanpak

Beleidsevaluatieonderzoek

Zie hiervoor het onder 6.4.5 weergegeven beleidsevaluatieonderzoek.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.4.6       
        
uitgaven031 11416 6596 0094 1264 1174 117
programma-uitgaven029 61915 1984 6332 7632 7542 754
apparaatsuitgaven01 4951 4611 3761 3631 3631 363
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen031 11416 6596 0094 1264 1174 117

Operationele doelstelling 6.4.7

Instellingen en voorzieningen zijn in gelijke mate toegankelijk (d.w.z. staan in gelijke mate open en zijn in gelijke mate productief) voor minderheden en autochtonen.

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie wil de toegankelijkheid tot stand brengen via beleid inzake (maatschappelijke) participatie en via het remigratiebeleid.

Participatie

Participatie van minderheden in algemene instellingen en in politiek-bestuurlijke processen is een belangrijke graadmeter voor de integratie van minderheden. Behalve als graadmeter kan deelname van minderheden aan algemene instellingen en aan politiek-bestuurlijke processen ook een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen en daardoor de betrokkenheid bij de samenleving van andere minderheden bevorderen.

Meer in het bijzonder gaat het om de participatiebevordering op drie terreinen:

• Beleidsmatige participatie;

• Bestuurlijke participatie;

• Maatschappelijke participatie.

Bij beleidsmatige participatie gaat het om het bevorderen van de participatie van minderheden in het beleidsproces, met andere woorden het betrekken van minderheden bij het beleid dat departementen aan het ontwikkelen zijn. Basis voor de beleidsmatige participatie is het in de Wet Overleg Minderhedenbeleid (WOM) verankerde Landelijk Overleg Minderheden (LOM). In 2004 zullen verschillende samenwerkingsverbanden op hun representativiteit worden getoetst en zal een strategische agenda moeten zorgdragen voor een tijdelijke en structurele behandeling van integratie onderwerpen tussen de minister en de samenwerkingsverbanden.

Bij bestuurlijke participatie gaat het om het bevorderen van de participatie van minderheden in besturen en raden van toezicht van algemene instellingen. Met een sectorale aanpak van bestuurlijke participatie is er ruimte voor faseverschillen in aanpak en tempo. Sommige sectoren van departementen, zoals de sectoren cultuur van OCW en vrijwilligerswerk van VWS, hebben reeds een traject doorlopen, en een bestuurdersbank voor culturele instellingen respectievelijk vrijwilligersorganisaties gerealiseerd.

Bij maatschappelijke participatie gaat het om het bevorderen dat minderheden participeren op maatschappelijke terreinen waar de samenleving een actieve maatschappelijke participatie van hen verwacht. Tot 1 januari 2004 is de «Tijdelijke stimuleringsregeling zelforganisaties minderheden» (Stcrt. 12 december 2001, nr. 241) van kracht. Het doel van deze regeling is het bevorderen van organisatievorming onder minderheden. Dit is geconcretiseerd door subsidies te verstrekken voor concrete projectactiviteiten die gericht zijn op informatievoorziening aan de doelgroep van de zelforganisatie, de bevordering van de communicatie binnen de doelgroep van de zelforganisatie en de bevordering van het functioneren en de levensvatbaarheid van de zelforganisatie.

Prestatiegegevens

Beleidsmaatregelindicatorbasiswaarde 2004streefwaarde 2004
Beleidsmatige participatieuitvoering van de in overleg met de LOM-samenwerkingsverbanden opgestelde strategische agenda; en uitvoering van de representativiteitstoetsennadere uitwerking over de wijze waarop de Strategische Agenda en de representativiteitstoetsen tot stand kunnen komen zoals opgenomen in het rapport van Van de Buntop schema liggende uitvoering van de Strategische Agenda en representativiteitstoetsen
    
Bestuurlijke participatievoortgang uitvoering meer leden uit minderheidsgroeperingen in besturener zijn nu meer leden uit minderheidsgroepen in twee sectoren, namelijk cultuur en vrijwilligerswerkduidelijke verbetering in 2004 van het aantal leden van minderheden bij besturen en raden van toezicht van woningcorporaties
    
Maatschappelijke participatiepolitieke besluitvorming over de continuering van de «Tijdelijke stimuleringsregeling zelforganisaties minderheden»«Tijdelijke stimuleringsregeling zelforganisaties minderheden» die tot 1 januari 2004 van kracht iso.b.v. een evaluatie van deze regeling duidelijkheid geven of en in welke vorm deze regeling zal worden gecontinueerd

Remigratiebeleid

Het voornemen is, conform het gestelde in het Hoofdlijnenakkoord, de Remigratiewet in 2004 in te trekken. Er zullen geen nieuwe uitkeringen meer worden verstrekt. De bestaande gevallen zullen echter (blijvend) moeten worden uitgekeerd. Bij intrekking van de wet zal er daarnaast mogelijk een overgangsrecht moeten komen ten aanzien van de reeds toegekende uitkeringen.

Het verstrekken van de voorzieningen van de Remigratiewet, de eenmalige vergoeding voor reis- en vervoerkosten en hervestiging en de periodieke uitkering ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland, is uitbesteed aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Vanaf de intrekking van de Remigratiewet blijft de SVB belast met de uitvoering van de bestaande uitkeringen.

Het NMI is verantwoordelijk voor het verstrekken van samenhangende objectieve informatie en voorlichting aan de doelgroepen inzake de procedures en intrekking van de Remigratiewet.

Tot een jaar na intrekking van de Remigratiewet zal het NMI nog belast blijven met de uitvoering van de nazorg in verband met de terugkeeroptie van de laatst geremigreerden.

Prestatiegegevens

Het aantal gefaciliteerden, d.w.z. het aantal personen dat recht heeft op voorzieningen inclusief personen van wie de remigratievoorziening wordt gekort door samenloop met andere uitkeringen.

Aantal uitkeringsgerechtigden2003*2004*
Eenmalige reis- en vervoerkosten en kosten hervestiging140150
Periodieke uitkering**7 9508 365

* Prognose SVB. Voor 2004 verwacht de SVB, hoewel het kabinet voornemens is de Remigratiewet per 2004 in te trekken, nog een groei in het bestand, omdat er per 1=1-2004 nog aanvragen in behandeling zijn.

** Incl. remigratie-uitkeringen die (gedeeltelijk) worden afgeschaft.

Beleidsevaluatieonderzoek

Zie hiervoor het onder 6.4.5 weergegeven beleidsevaluatieonderzoek.

Directe en indirecte verantwoordelijkheid

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie is direct verantwoordelijk.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Operationele doelstelling 6.4.7       
        
uitgaven034 20523 90623 23922 31923 21123 211
programma-uitgaven033 67123 38222 73721 82122 71322 713
waarvan:       
– subsidies02 2962 3002 3002 3002 3002 300
apparaatsuitgaven0534524502498498498
        
ontvangsten0454454454454454454
        
verplichtingen034 20523 90623 23922 31923 21123 211

HOOFDSTUK 4. NIET-BELEIDSARTIKELEN

Niet-beleidsartikel 7.1 Algemeen

Niet-beleidsdoelstelling 7.1

Een effectieve organisatie en bedrijfsvoering van het departement.

Het niet-beleidsartikel 7.1 «Algemeen» bestaat voor een groot gedeelte uit apparaatsuitgaven die niet direct toe te rekenen zijn aan één van de operationele doelstellingen op de Justitiebegroting. Het betreft voornamelijk stafdiensten die werkzaamheden verrichten ten behoeve van de Justitieorganisatie als geheel. Het gaat in dit verband om de directie Voorlichting, de directie Personeel en Organisatie, de directie Financieel-Economische Zaken, het bureau van de Secretaris-Generaal, de dienst SAFIR (salarisadministratie en financiële rechtspositietoepassing), de directie Informatisering, de Departementale Accountantsdienst, de Gemeenschappelijke Beheerorganisatie (exploitatie en beheer van geautomatiseerde systemen) en de directie Bedrijfsvoering en Ondersteuning Bestuursdepartement.

De directie Voorlichting informeert publiek, pers en organisaties over het beleid van Justitie, is verantwoordelijk voor de productie van veelgevraagde publieksbrochures (vooral op het terrein van familierecht) en adviseert de Justitieorganisatie over voorlichtingsprojecten. De directie Personeel en Organisatie (DP&O) adviseert de minister, de ambtelijke leiding en de managers van de Justitieonderdelen over beleidsvorming en kaderstellingen op het terrein van personeel en organisatie. Naast advisering houdt DP&O zich onder andere ook bezig met de uitvoering van het bedrijfsmaatschappelijk werk, de uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht in personeelskwesties, interne en externe arbeidsmarktcommunicatie en management developmentbeleid. Voor DP&O zal 2004 een bijzonder jaar worden in verband met de vorming van het Shared Service Center HRM op het gebied van personeelsregistratie en salarisverwerking. Dit programma richt zich op kwaliteitsverbetering en kostenefficiency, waarbij de inspanningen in 2004 gericht zullen zijn op de voorbereidingen van de reorganisatie van de P&O kolom binnen alle sectoren van Justitie. De directie Financieel-Economische Zaken (DFEZ) is de concerncontroller van het ministerie en zet zich in voor een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende toewijzing en besteding van publieke middelen. DFEZ is onder andere verantwoordelijk voor de coördinatie van de begrotingsvoorbereiding, -uitvoering en -verantwoording binnen het ministerie, voor de coördinatie van de planning & controlcyclus en voor het beheer van de financiële infrastructuur. Het bureau van de Secretaris-Generaal (BSG) staat ten dienste van de ambtelijke en politieke leiding van het departement. BSG verzorgt de organisatie van de centrale overleggen waaraan de leiding deelneemt, de communicatie met het departement alsmede de communicatie met externe partners w.o. de griffie van de Tweede Kamer. De directie Informatisering (DI) stuurt de informatisering binnen Justitie, coördineert de aanpak van sectoroverstijgende vraagstukken op ICT-terrein en geeft leiding aan sectoroverstijgende ICT-projecten. In 2004 zal DI bijvoorbeeld leiding geven aan de ontwikkeling en implementatie van een nieuw Justitienetwerk. De Departementale Accountantsdienst is belast met wettelijke controletaken en het verrichten van periodiek onderzoek naar de bedrijfs- en beleidsvoering. Onder de directie Bedrijfsvoering en Ondersteuning Bestuursdepartement vallen o.a. de collectieve facilitaire voorzieningen (w.o. huisvesting, telecommunicatie en reproductie), de documentaire informatievoorziening, en de (kantoor)automatisering.

De kwaliteit van de sturing van de Justitieorganisatie alsmede het (financieel) beheer, de bedrijfsvoering en de voorlichting is mede afhankelijk van de kwaliteit van de hier genoemde stafdiensten.

Naast de apparaatuitgaven voor de stafdiensten zijn bij niet-beleidsartikel 7.1 ook uitgaven opgenomen betreffende de staven van de (vier) Directoraten-generaal en de uitgaven voor de politieke en ambtelijke leiding van het departement. Onder dit niet-beleidsartikel zijn tevens uitgaven opgenomen met betrekking tot het bureau Internationale Zaken (BIZ), het bureau van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, de directie Inkoop, Huisvesting en Milieu en de projectdirectie Nieuwbouw Justitie. Daarnaast zijn uitgaven begroot voor uitkeringen in het kader van onrechtmatige detentie en overige schadeloosstellingen. Vooral voor BIZ zal 2004 een bijzonder jaar worden in verband met het Nederlands voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in de periode van 1 juli tot en met 31 december. Justitie zal – net als de andere departementen – veel tijd, energie en aandacht moet steken in dit voorzitterschap. De voorbereidingen hiervoor zijn inmiddels in gang gezet. De coördinatie van deze voorbereidingen alsmede de coördinatie van de werkzaamheden gedurende het voorzitterschap ligt binnen Justitie bij het bureau Internationale Zaken.

Bij niet-beleidsartikel 7.1 «Algemeen» zijn ook uitgaven begroot voor activiteiten die niet rechtstreeks betrekking hebben op de Justitieorganisatie. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om uitgaven voor tolken die werkzaamheden verrichten voor andere departementen. In incidentele gevallen komt het voor dat – ter voorkoming van veel administratieve werkzaamheden – ten laste van niet-beleidsartikel 7.1 (centraal) kosten worden geboekt die betrekking hebben op de gehele Justitie-organisatie. Het gaat in deze gevallen altijd om uitgaven van een gering materieel belang.

Budgettaire gevolgen van het

beleid bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Niet-beleidsdoelstelling 7.1       
        
uitgaven178 683176 167135 870130 247132 791132 607151 963
programma-uitgaven10 53734 52433 78933 81834 54334 81735 201
waarvan:       
– subsidies10 51010 70710 41110 12110 12510 11910 119
apparaatsuitgaven168 146141 643102 08196 42998 24897 790116 762
        
ontvangsten17 0166 2117 2089 5329 5839 7059 705
        
verplichtingen160 451176 167135 870130 247132 791132 607151 963

Budgetflexibiliteit

bedragen x € 1 000

  2004 2005 2006 2007 2008
Niet-beleidsdoelstelling 7.1          
           
Totaal geraamde kasuitgaven 135 870 130 247 132 791 132 607 151 963
waarvan:          
– personeel en materieel 101 947 96 529 99 132 99 076 118 502
– beleid 33 923 33 718 33 659 33 531 33 461
waarvan:          
a. juridisch verplicht67,1%22 74867,9%22 88068,1%22 90668,3%22 90668,5%22 906
b. complementair noodzakelijk en/of bestuurlijk gebonden2,3%7642,1%7171,9%6281,5%5061,3%436
c. overig (bv. een reserving o.b.v. een regeling of programma)30,7%10 41130,0%10 12130,1%10 12530,2%10 11930,2%10 119
           
Totaal uitgaven beleid100,0%33 923100,0%33 718100,0%33 659100,0%33 531100,0%33 461

Niet-beleidsdoelstelling 7.2 Nominaal en onvoorzien

Nominaal en onvoorzien

De grondslag voor het in de begroting opnemen van «nominaal en onvoorzien» staat in artikel 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet (CW). Niet-beleidsartikel 7.2 wordt bij het ministerie van Justitie echter niet gebruikt voor het aanhouden van middelen ter dekking van «onvoorziene» uitgaven. Dit niet-beleidsartikel wordt bij Justitie uitsluitend gebruikt voor het tijdelijk «parkeren» van nog te verdelen loon- en prijsbijstellingen, het tijdelijk «parkeren» van andere nog te verdelen middelen en nog te verdelen taakstellingen alsmede voor de verwerking van intertemporele compensaties.

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Niet-beleidsdoelstelling 7.2       
        
uitgaven09 598– 2 84410 96323 43238 47449 674
apparaatsuitgaven09 598– 2 84410 96323 43238 47449 674
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen09 598– 2 84410 96323 43238 47449 674

Niet-beleidsdoelstelling 7.3 Geheime uitgaven

Geheime uitgaven

De grondslag voor het in de begroting opnemen van geheime uitgaven staat in artikel 5, lid 6 van de Comptabiliteitswet (CW).

Budgettaire gevolgen van het beleid

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Niet-beleidsdoelstelling 7.3       
        
uitgaven9792 0012 0022 0172 0192 0192 019
programma-uitgaven8951 9651 9531 9681 9691 9691 969
apparaatsuitgaven84364949505050
        
ontvangsten0000000
        
verplichtingen1 0072 0012 0022 0172 0192 0192 019

HOOFDSTUK 5 BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen aan de orde:

• Toezicht

• Auditdienst

• Agentschappen

• Shared Service Center

• Risicomanagement

• Wet bescherming persoonsgegevens

• Subsidies

• Wet TES

• Professioneel Inkopen

Toezicht

In april 2002 is het principebesluit genomen om het toezicht op zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) van Justitie op het niveau van de directoraten-generaal te onderzoeken en indien nodig te versterken. Per directoraat-generaal zijn er toezichtarrangementen ontwikkeld. Uit een onderzoek door de accountantsdienst is gebleken dat het financieel-economisch toezicht voldoende is geregeld dit in tegenstelling tot het toezicht op de inhoudelijke (beleids)aspecten. De aanbevelingen die voortkomen uit dit onderzoek en van het nu lopende rijksbrede project «Evaluatie kaderstellend toezicht», worden meegenomen in het herijkingstraject besturingsmodel van Justitie. Begin 2004 zal het onderzoek naar het functioneren van het besturingsmodel (inclusief toezicht) worden afgerond.

Auditdienst

De omvorming van de Departementale Accountantsdienst tot een auditdienst is medio 2003 formeel geaccordeerd. Dit houdt onder meer in dat akkoord is gegaan met de brede taakstelling voor de DAD voor wat betreft haar wettelijke taakstelling ten aanzien van de jaarverslaglegging, het doen van onderzoeken naar de beleidsprocessen en de bedrijfsvoering en de doelmatigheid daarvan. In de werkwijze van auditdienst wordt ervoor gewaakt dat de onafhankelijke positie van de accountant niet vertroebeld wordt door de adviserende activiteiten. De certificerende accountant die een rechtmatigheidsoordeel afgeeft, wordt in dat jaar niet ingezet bij adviesopdrachten van datzelfde onderdeel.

Agentschappen

Het beleid van Justitie is er op gericht om organisatieonderdelen die zich daarvoor lenen, om te vormen tot agentschap. Met behulp van het agentschapmodel kunnen onder meer verbeteringen worden aangebracht bij de besturing, de productdefiniëring en kostprijsberekening. Voorts kan de bedrijfsvoering op bedrijfseconomische basis worden geschoeid en kunnen doelmatigheidsverbeteringen worden bereikt. Met ingang van 1 januari 2004 zal het aantal agentschappen binnen Justitie worden uitgebreid met de Directie Bestuurszaken en het Nederlands Forensisch Instituut. In de loop van 2004 worden voorbereidingen getroffen om Gemeenschappelijke Beheerorganisatie (belast met het beheer van o.a. de financiële en personele informatiesystemen) te laten voldoen aan de instellingsvoorwaarden voor een agentschap waarna een aanvraag zal volgen. Ook het Openbaar Ministerie zal in 2004 een zelfde traject doorlopen.

Begin december 2002 is het eindrapport van de tweede rijksbrede evaluatie van het agentschapmodel en het kabinetsstandpunt hierover aan de Tweede Kamer aangeboden. Een van de conclusies hieruit is dat alle bestaande agentschappen uiterlijk 31 december 2004 moeten voldoen aan de huidige (bijgestelde) instellingsvoorwaarden. Bij Justitie betreft dit de agentschappen Dienst Justitiële Inrichtingen, de Immigratie- en Naturalisatiedienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Laatstgenoemde agentschappen hebben daartoe een plan van aanpak ingediend bij het ministerie van Financiën waarin de verbetermaatregelen zijn opgenomen die in de loop van de jaren 2003 en 2004 zullen worden uitgevoerd. Deze verbetermaatregelen spitsen zich voornamelijk toe op het verder verbeteren van het kostprijsmodel en het resultaatgerichte sturingsmodel waarin een betere afbakening (rolverdeling) dient te worden aangebracht.

Shared Service Center

Met betrekking tot het Shared Service Center HRM zal binnen Justitie een programma-organisatie worden ingericht. Deze organisatie zal zich bezig houden met het realiseren van de condities die noodzakelijk zijn om de taken met betrekking tot de personeelsregistratie en salarisadministratie over te dragen aan het Shared Service Center HRM. Dit houdt onder meer in dat de volgende activiteiten in 2004 zullen worden uitgevoerd:

• Het stroomlijnen van de werkprocessen;

• Het digitaliseren van de personeelsdossiers;

• Het gereedmaken van de ICT voorzieningen voor de invoering van het concept van Medewerker Zelfservice en

• Het toegankelijk maken van regelgeving op het gebied van Personeel en Organisatie.

Risicomanagement

Voor het afgeven van een mededeling over de bedrijfsvoering worden risico's gesignaleerd, prioriteiten gesteld en verbeteringsmaatregelen getroffen. Bij het systematisch in kaart brengen van de risico's wordt onderscheid gemaakt tussen de beleidsprocessen en de ondersteunende processen.

Ten aanzien van de beleidsprocessen wordt gebruik gemaakt van de strategische risico-analyse (SRA). Dit instrument is ontwikkeld om het management zelf een omgevingsanalyse te laten uitvoeren. In 2003 zijn er bij de Raad voor de Kinderbescherming en de Dienst Justitiële Inrichtingen pilots gestart om meer ervaring op te doen met dit SRA-instrument. Op basis van de opgedane ervaring wordt bezien of het voor heel Justitie wordt ingevoerd.

Ten aanzien van de ondersteunende processen zijn de afwijkingen ten opzichte van de baselines leidend voor de risico-analyse. Naast de twee bestaande baselines, het normenkader financieel beheer en de basisvoorziening informatiebeveiliging, zijn in 2003 twee nieuwe baselines opgesteld op het gebied van ICT en HRM. De baseline Personeel & Organisatie bevat naast de minimale wettelijke vereisten ook vier speerpunten voor de komende jaren. De onderdelen van Justitie worden geacht de baselines in 2003 te implementeren, voor zover dat nog niet is gebeurd.

De door het management geprioriteerde risico's, betrekking hebbende op zowel de beleidsprocessen als de ondersteunende processen, worden opgenomen in de jaarplannen en de justitiebrede risico's in het auditplan. Hiermee is vanaf 2004 de naleving en de kwaliteit van de gehele bedrijfsvoering gewaarborgd.

Wet bescherming persoonsgegevens

De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is op 1 september 2001 in werking is getreden. De implementatie en blijvende naleving van de Wbp en de inbedding in de organisatie baart nog zorgen. Daarom maakt de implementatie van de Wbp deel uit van de algemene managementafspraken voor 2004 en wordt deze bewaakt in de departementale planning & control cyclus. De auditdienst gaat vervolgens een audit uitvoeren naar de implementatie en het functioneren van de Wbp binnen Justitie in 2004.

Daarnaast is in november 2002 besloten een Functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen inclusief secretariële ondersteuning. Het projectbureau dat nu verantwoordelijk is voor de implementatie van de Wbp zal een voorstel doen hoe de wettelijk taak van deze functionaris ter zake het houden van toezicht op de naleving van de Wbp nader vormgegeven kan worden. Verder zal dit projectbureau voorstellen doen voor het inbedden in de organisatie van de taken en verantwoordelijkheden van de FG voor het ministerie van Justitie.

Subsidies

Justitie heeft vorig jaar een begin gemaakt het doorlichten en verbeteren van het subsidieproces. Naar aanleiding van de achterstanden bij de eindafrekeningen is een interne werkinstructie opgesteld waarin de termijnen zijn aangescherpt en geüniformeerd. Daarnaast heeft de accountantsdienst een audit uitgevoerd en geadviseerd het subsidieproces te stroomlijnen. Separaat aan het subsidiebeheer is ook gekeken naar het subsidiebudget, de financiële kant van subsidies. Anticiperend op de bezuinigingen zijn er beoordelingscriteria ontwikkeld die gebruikt worden voor het accepteren, continueren, afbouwen of stopzetten van subsidies. Het audit committee heeft vervolgens de opdracht gegeven de achterstanden bij subsidies, afspraken inzake termijnen, beoordelingscriteria voor aanvraagbeoordeling en dossieropbouw e.d. integraal uit te werken in algemene subsidievoorschriften (ASV). Hierin zal ook het risico van misbruik en oneigenlijk gebruik, het sanctiebeleid mede in relatie tot de Europese subsidies worden verwerkt. Met het oog op het beperken van de beheerslast wordt ook het gedachtegoed uit het rijksbrede DORAEC project meegenomen. In 2004 zal de ASV geïmplementeerd worden waarmee naar verwachting Justitie haar subsidiebeleid en beheer weer op orde heeft.

Wet TES

Sinds 1 mei 2002 dient, conform de Wet Toezicht Europese Subsidies (Wet TES), de beleidsverantwoordelijke minister toezicht te houden en verantwoording af te leggen over Europese subsidieregelingen waarbij de Nederlandse Staat door de Europese Commissie aansprakelijk gesteld kan worden. Jaarlijks dient de Tweede Kamer geïnformeerd te worden over de uitvoering van de wet TES. Naast de controle- en toezichttaak zal Justitie onderzoeken of er voldoende gebruik wordt gemaakt van de bestaande regelingen. In interdepartementaal verband wordt gezamenlijk de implementatie ter hand genomen.

Professioneel Inkopen

In 2003 heeft Justitie een inkoopdiagnose gehouden waarmee inzicht is verkregen in de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de inkoopfunctie. Op basis van het verbeterplan zal Justitie in 2004 de aandacht met name richten op de toepassing van Europese aanbestedingsregels, het inrichten van een gezamenlijk contractenregister, het meer gezamenlijk inkopen op enkele inkoopsegmenten en optimalisatie van het factuurproces uit het oogpunt van doelmatigheid.

Met betrekking tot de huisvesting voor Justitie wordt in 2004 de focus vooral gericht op inbreng in het kader van de evaluatie van de stelselwijziging Huisvesting, het versterken van de eigen bestuurlijke informatievoorziening en de afstemming tussen vraag en aanbod van Justitiebrede huisvestingscapaciteit om doelmatigheid te bevorderen.

Verder wordt door Justitie ruim aandacht geschonken aan het borgen van de nakoming van milieu wet- en regelgeving. Door middel van nulmetingen wordt de situatie voor geheel Justitie in beeld gebracht. Het jaar 2004 zal vooral in het teken staan van verdere optimalisering door verbeterplannen.

HOOFDSTUK 6. BATEN-LASTENDIENSTEN

TOELICHTING BIJ DE BATEN-LASTENDIENSTEN

01 IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST (IND)

Algemeen

De IND is de toelatingsorganisatie van Nederland. Als agentschap wordt uitvoering gegeven aan het beleid zoals is vormgegeven binnen het beleidsartikel Asiel, migratie en integratie. Daarbij wordt een bijdrage geleverd aan 2 beleidsdoelstellingen.

De IND draagt bij aan de beleidsartikelen 6.1 en 6.3. Binnen beleidsartikel 6.1 draagt de IND bij aan operationele doelstelling 6.1.3: «Een vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel of regulier – met inbegrip van visa – aanvraagt of een verzoek tot naturalisatie indient, krijgt binnen de daarvoor gestelde termijnen een besluit uitgereikt». Binnen beleidsartikel 6.3 draagt de IND bij aan operationele doelstelling 6.3.6: «Het voorkomen dat vreemdelingen zich illegaal toegang verschaffen tot Nederland en het bewerkstelligen van het vertrek uit Nederland van vreemdelingen die niet rechtmatig of niet meer rechtmatig in Nederland verblijven».

De IND moet met een grote maatschappelijke alertheid en met voortvarendheid verder werken aan korte doorlooptijden met zorgvuldige beschikkingen.

De politiek vraagt meer, om korte doorlooptijden, om beslissingen die in één keer goed zijn, om actief toezicht, om terugkeer van diegenen die niet worden toegelaten, om duidelijke en eensluidende informatievoorziening en om bestrijding van migratiecriminaliteit. Daarnaast krijgt de differentiatie per proces meer aandacht. Voorbeeld hiervan is, bij regulier, het idee van de arbeids(migratie)loketten, de zogenaamde «verkorte MVV-procedure». Bij asiel is dit het onderscheid tussen de korte procedure van de «kansloze» asielzoeker (het AC-proces) en het asielbeslisproces.

Deze ontwikkelingen in de directe omgeving van de IND hebben inmiddels geleid tot nieuwe uitdagingen die de IND in de komende periode zal moeten oppakken, dan wel leiden tot een doordenking of herbezinning op het bedrijfsvoeringconcept. Dit zijn:

• De overdracht van (toelatings) taken (regulier) van de Vreemdelingendiensten (VD) naar de IND;

• De mogelijke overdracht van politieke verantwoordelijkheid voor de taken in het kader van de visa- en MVV-procedures van de minister van Buitenlandse Zaken naar de minister van Justitie (visumwet);

• Een toenemend accent op de organisatie van terugkeer en het beëindigen van de voorzieningen;

• Toenemende belangstelling voor de relatie grensbewaking, toezicht vreemdelingen, integratie en veiligheid;

• Het realiseren van taakstellingen met betrekking tot efficiency en beperking inhuur externen in een financieel gezond agentschap;

• De bij een laag blijvende asielinstroom ontstane buffercapaciteit asiel;

• De ontwikkeling naar een vraaggestuurde organisatie (in tegenstelling tot een voorraadgestuurde organisatie). De IND zal zo mogelijk alleen nog voorraden hebben die korte doorlooptijden mogelijk maken.

Vooruitlopend op het per 1 januari 2005 voldoen van de «oude» agentschappen aan de nieuwe instellingsvoorwaarden, zijn reeds 3 van de 7 voorwaarden in de begroting verwerkt. De uitkomst daarvan is dat er op hoofdlijnen 4 hoofdproducten – en 9 subproducten – worden onderscheiden bij de IND: Asiel, Regulier, Naturalisatie en Toezicht & Terugkeer. Bij deze producten zijn ook doelmatigheidsindicatoren opgenomen. Tot slot is er een financiële vertaling gemaakt van de agentschapbegroting naar deze 4 hoofdproducten. Daarbij zijn tevens kostprijzen berekend op basis van een nieuw kostprijsmodel. Hierbij is een wijziging aangebracht in de toerekening van de kosten aan de verschillende producten waardoor een verschuiving in de kosten tussen toelating asiel en regulier en terugkeer plaatsvindt. Bij de begrotingsvoorbereiding 2005 zullen de productieplanning en de middelen met elkaar in evenwicht moeten worden gebracht. Dit zal gebeuren aan de hand van een herijking van de kostprijzen per hoofprduct van de IND. In 2003 zal hiertoe de wijze waarop gegevens worden geadministreerd (geld, formatie, uren) nader worden uitgewerkt en aangepast aan de randvoorwaarden van het kostprijsmodel. Hierdoor wordt beter inzichtelijk wat bijvoorbeeld de effecten zijn van de fluctuerende inzet van formatie op de kostprijzen. De gepresenteerde kostprijzen zijn gezien het bovenstaande – dan ook nog voorlopig en moeten gezien worden als rekenprijzen.

De IND heeft de afgelopen jaren met de operatie «Goed ingevoerd is goed uitgevoerd» al veel bereikt met de betrouwbaarheid van de informatievoorziening. Daaraan wordt in 2003 verder vorm gegeven zodat in 2004 de informatie nog betrouwbaarder wordt.

Meerjarige begroting van baten en lasten

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement302 794277 066245 588236 610219 571216 442216 442
Opbrengst overige departementen 9 80028 00028 00028 00028 00028 000
Opbrengst derden25 62748 41450 70050 70063 20063 20063 200
Rentebaten364186200200200200200
Buitengewone baten0000000
Exploitatiebijdrage0000000
Totaal baten328 785335 466324 488315 510310 971307 842307 842
        
Lasten       
Apparaatskosten       
• Personele kosten172 905161 945168 052160 953156 787156 708156 708
• Materiële kosten159 267155 552141 768141 339141 581137 437137 074
Rentelasten9371 1959211 1461 1911 2381 271
Afschrijvingskosten       
• Materieel17 66916 77413 74712 07211 41212 45912 789
• Immaterieel0000000
Dotaties voorzieningen0000000
Buitengewone lasten0000000
Totaal lasten350 778335 466324 488315 510310 971307 842307 842
        
Saldo van baten en lasten– 21 993000000

Baten

Opbrengst moederdepartement

In de volgende paragraaf wordt de opbrengst van het moederdepartement naar product gesplitst. In de begroting is rekening gehouden met de structurele loon- en prijsbijstelling 2003.

Opbrengst overige departementen

Met ingang van 2003 is voor het product Regulier een aantal taken van de Vreemdelingendienst (ministerie van BZK) gefaseerd overgedragen aan de IND. Dit heeft tot gevolg dat de opbrengst van overige departementen per 2003 met € 9,8 miljoen en per 2004 structureel met € 28 miljoen is verhoogd.

Opbrengst derden

De opbrengst derden bestaat uit de leges die de aanvrager moet betalen voor een verblijfsvergunning regulier en bij het verzoek tot naturalisatie. De wettelijke basis voor de leges wordt gevonden in de Vreemdelingenwet 2000, de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit Optie- en Naturalisatiegelden 2002 en de Vreemdelingen Circulaire. Vanuit het Hoofdlijnenakkoord is voor 2004 en 2005 een stijging van de leges Regulier voorzien van € 2,5 miljoen ten opzichte van de huidige raming van € 48,2 miljoen. Vanaf 2006 wordt een stijging voorzien van € 15 miljoen. Voor de afhandeling van VVR-aanvragen worden leges ontvangen. Voor de afhandeling van MVV- en de Visa aanvragen worden door de IND geen leges ontvangen, terwijl de te heffen leges op aanvragen van EU-onderdanen aan een maximum gebonden zijn. Het effect van de thans voorgestelde verhoging (Hoofdlijnenakkoord) is naar zijn aard dus beperkt. In relatie tot de verdere uitwerking van het kostprijsmodel zal ook het streven naar kostendekkende leges verder worden uitgewerkt.

Rentebaten

Bij een positief saldo op de rekening-courant wordt een rentepercentage vergoed van variërend tussen de 2 à 4% op jaarbasis. In bovenstaand overzicht is rekening gehouden met een gemiddeld rentepercentage van 3% per jaar.

Lasten

Personele kosten

bedragen x € 1 000

 2002200320042005200620072008
Huidige meerjaren reeks* 3 7393 7393 7393 7393 7393 739
Hoofdlijnenakkoord + aanvullende maatregelen  226384476476476
Gemiddelde formatie in fte3 5373 7393 5133 3553 2633 2633 263
Middenloonsom (in €)43 23844 35044 35044 35044 35044 35044 350
Kosten ambtelijk personeel152 933148 573155 802148 794144 714144 714144 714
Overige P-kosten19 97213 37212 25012 15912 07311 99411 994
Totaal Personele kosten172 905161 945168 052160 953156 787156 708156 708

* Betreft de reeks vóór de invulling van de taakstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord op het personele vlak.

De personele kosten worden bepaald door de formatie (gerelateerd aan de te leveren prestaties) en de gemiddelde loonsom. De kosten per formatieplaats worden verhoogd door secundaire kosten zoals gedifferentieerd belonen, vorming & opleiding en kosten woon-werkverkeer. De kosten van externe inzet, bijvoorbeeld uitzendkrachten en deskundigen, worden binnen het totale kader personeel gefinancierd. In de personele kosten is rekening gehouden met de krimp bij Asiel, de overdracht van de VD-taken, de taakstellingen uit het Hoofdlijnenakkoord en het sluitend krijgen van de begroting.

De reductie van het personeelsbestand wordt gerealiseerd door een samenstel van maatregelen. Het startcijfer per ultimo 2003 is zo opgebouwd dat de reductie van het personeel Asiel als gevolg van het Strategisch Akkoord en de toename van personeel als gevolg van overname VD-taken is verwerkt. Ten opzichte van dit cijfer is de formatie verder verkleind in verband met de maatregelen van het Hoofdlijnenakkoord. Een voorstel tot afschaffing van de bezwaarprocedure regulier heeft een krimp oplopend tot 50 fte in 2007 en 2008 als gevolg. De efficiency taakstelling oplopend tot circa 130 fte in 2007 en 2008 wordt gerealiseerd door interne maatregelen waaronder invoering procesorganisatie vanaf 2004. Ten behoeve van een sluitende begroting zijn ook in de personele sfeer aanvullende maatregelen nodig tot ongeveer 190 fte in 2007 en 2008. Deze worden gerealiseerd door een samenstel van maatregelen waaronder vereenvoudiging van de verblijfsvergunningverlening aan EU-onderdanen. Tevens is vanaf 2007 een daling verwerkt in de reeks mutaties van 100 fte in verband met de dan weggewerkte voorraden bij de Vreemdelingenkamers.

Materiële kosten

De materiële kosten zijn opgebouwd uit programmakosten en apparaatskosten. De programmakosten hebben een directe relatie met de uitvoering van de afgesproken prestaties. De volgende categorieën maken deel uit van de programmakosten: tolkenkosten, kosten procesvertegenwoordiging, verwijderingkosten en opvangkosten aanmeldcentra. De apparaatskosten komen voort uit de bedrijfsvoering van de IND. Het betreft huisvestingskosten, bureaukosten en kosten op het gebied van ICT.

Ook in de materiële sfeer zijn maatregelen nodig ten behoeve van een sluitende begroting. Dit betreft besparingen als gevolg van aan de personele krimp verbonden materiële kosten, besparingen in huisvesting en andere voorzieningen. Tenslotte wordt gestreefd naar verdere uitvoering van ICT-werkzaamheden in eigen beheer, waardoor de inhuur van externen drastisch wordt beperkt.

Rentelasten

In bovenstaand overzicht is rekening gehouden met een gemiddeld rentepercentage van 3,5 per jaar.

Afschrijvingskosten

Op de materiële vaste activa wordt, op basis van de economische levensduur, lineair afgeschreven. Hierbij geldt als uitgangspunt dat:

• Het actief langer dan 1 jaar wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering van de IND;

• Het economisch eigendom ligt bij de IND;

• De aanschafwaarde van de individuele goederen gelijk is aan of groter is dan € 500,– (inclusief BTW).

De afschrijvingen geschieden overeenkomstig de geschatte economische levensduur en zijn berekend op basis van de aanschafwaarde verminderd met de geschatte restwaarde.

Afschrijvingstermijnen Activa

GrondNiet afschrijven
Gebouwen30 jaar
Verbouwingen5 jaar
Inventarissen/installaties5 jaar
Hardware en software4 jaar
Vervoermiddelen4 jaar

Saldo van baten en lasten

Er is in 2004 een sluitende begroting.

Onderstaand wordt een nadere toelichting gegeven op de 2 operationele doelstellingen waaraan de IND een bijdrage levert. Het betreft achtereenvolgens de operationele doelstellingen 6.1.3 en 6.3.6.

Operationele doelstelling 6.1.3

Asiel

Vreemdelingen kunnen, als zij vervolging in hun eigen land vrezen, asiel (bescherming) aanvragen in Nederland. De IND onderzoekt of de asielzoeker een vluchteling is volgens de omschrijving in het Vluchtelingenverdrag van Genève. De IND beoordeelt de asielaanvraag. Binnen de uitvoering van het product Asiel zijn wederzijdse afhankelijkheden met de volgende organisaties: Vreemdelingenkamers, Raad van State, Koninklijke Marechaussee, ministerie van Buitenlandse Zaken en de Vreemdelingendiensten.

De ontwikkelingen op het terrein asiel hangen nauw samen met het vergroten van de stabiliteit in de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 (VW2000). Binnen het AC-proces zal de nadruk moeten liggen op het bijhouden van een wisselende instroom, waarbij het afdoeningpercentage in de AC's, rekening houdend met het beleid, wordt gemaximaliseerd (AC, tenzij), uiteraard met behoud van een voldoende kwaliteit van de beslissing.

Kengetallen Asiel

Volumegegevens2002200320042005200620072008
Beginvoorraad 1/118 96510 0358 2857 4357 6857 1856 685
AC-instroom18 66718 00018 00018 00018 00018 00018 000
Overige instroom7 6999 25010 1507 2506 5006 5006 500
Totale instroom26 36627 25028 15025 25024 50024 50024 500
Afgehandeld:       
– Aanvragen35 29623 00023 00019 00019 00019 00019 000
– Intrekkingen en herbeoordelingen06 0006 0006 0006 0006 0006 000
Totaal afgehandeld35 29629 00029 00025 00025 00025 00025 000
Eindvoorraad 31/1210 0358 2857 4357 6857 1856 6856 185
        
Statusverleningen9 9098 1208 1207 0007 0007 0007 000
Doelmatigheidskengetallen2002200320042005200620072008
AC afdoeningspercentage45%40%40%40%40%40%40%
Wettelijke termijn60–70%78%80%80%80%80%80%
Standhouding van beslissingen84%85%85%85%85%85%85%
Aantal gegronde klachten1,2%1,6%1,6%1,6%1,6%1,6%1,6%

bedragen x € 1000

Financiële kengetallen2002200320042005200620072008
– Opbrengst moederdepartement209 208198 569175 779172 644171 938170 274170 274
– Opbrengst derden0000000
Baten209 203198 569175 779172 644171 938170 274170 274
Lasten220 351184 506162 095157 856155 981155 171155 171
Saldo van baten en lasten– 3 14314 06313 68414 78815 95715 10315 103
        
Gemiddelde kostprijs (in € 1)6 0166 3625 5896 3146 2396 2076 207
Procentuele mutatie 5,8%– 12,1%13,0%– 1,2%– 0,5%0,0%

Toelichting

De asiel instroom wordt geraamd op 18 000. Onder overige instroom zijn de herbeoordelingen, intrekkingen en de zij-instroom opgenomen. De zij-instroom wordt veroorzaakt door vernietiging van beschikkingen door de rechtbank of door intrekking van beschikkingen door de IND. Statusverleningen hebben betrekking op de positieve beslissingen binnen het totaal van de afgehandelde aanvragen. De daling in 2005 van de overige instroom ten opzichte van 2004 heeft te maken met de staart van het wegwerken van bezwaarzaken bij de rechtbanken.

Regulier

Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV)

Als een vreemdeling langer dan 3 maanden in Nederland wil verblijven, is een verblijfsvergunning noodzakelijk. In veel gevallen kan de vreemdeling slechts een verblijfsvergunning aanvragen als hij in het bezit is van een Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). De IND beoordeelt bij de aanvraag van een MVV of een vreemdeling aan alle toelatingsvoorwaarden voldoet.

VISA

Een visum voor kort verblijf is een Schengenvisum. Dit geeft de houder ervan recht op een verblijf voor maximaal 3 maanden in de Schengenlanden. De Visadienst beoordeelt of de aanvrager aan alle voorwaarden voldoet. Zodra de aanvraag is goedgekeurd, krijgt hij bericht van de ambassade of het consulaat.

Het hoofddoel in het proces toelating en verblijf regulier zal de komende tijd liggen op het versnellen van de procedures door verkorting van de doorlooptijden. Dit kan bereikt worden via:

• Vereenvoudiging van de procedures alsmede de overdracht van taken (administratief en beslis) van VD naar de IND;

• Differentiatie bij de diverse reguliere producten afhankelijk van de maatschappelijke vraag, zoals de verkorte MVV-procedure of het «arbeidsloket»;

• Als onderdeel van de te treffen efficiencymaatregelen zal een wetsvoorstel worden ontwikkeld met het oog op de afschaffing van de mogelijkheid tot bezwaar.

Kengetallen Regulier

Volumegegevens2002200320042005200620072008
Beginvoorraad 1/114 42816 56149 561104 061104 061104 061104 061
Instroom:       
– Machtiging tot voorlopig verblijf64 72877 50060 00060 00060 00060 00060 000
– Vergunning tot verblijf regulier:       
eerste aanleg15 47443 00086 00086 00086 00086 00086 000
verlenging  91 50091 50091 50091 50091 500
– Visa22 44025 00025 00025 00025 00025 00025 000
Totaal instroom102 642145 500262 500262 500262 500262 500262 500
Afgehandeld:       
– Machtiging tot voorlopig verblijf60 80160 00060 00060 00060 00060 00060 000
– Vergunning tot verblijf regulier:       
eerste aanleg16 08727 50077 00086 00086 00086 00086 000
verlenging  46 00091 50091 50091 50091 500
– Visa23 61825 00025 00025 00025 00025 00025 000
Totaal afgehandeld100 506112 500208 000262 500262 500262 500262 500
Eindvoorraad 31/1216 56149 561104 061104 061104 061104 061104 061
        
Inwilligingen58 68862 250120 640152 250152 250152 250152 250
Doelmatigheidskengetallen2002200320042005200620072008
Wettelijke termijn60–70%80%70%80%80%80%80%
Standhouding van beslissingen77%80%80%80%80%80%80%
Aantal gegronde klachten2,4%3,7%5,0%4,0%3,0%3,0%3,0%

bedragen x € 1 000

Financiële kengetallen2002200320042005200620072008
Opbrengst moederdepartement53 79543 73637 20433 74718 05315 95315 953
Opbrengst overige departementen09 80028 00028 00028 00028 00028 000
Opbrengst derden21 56842 05144 56544 56557 06557 06557 065
Baten75 36395 587109 769106 312103 118101 018101 018
Lasten81 65493 594106 907103 532101 47199 60399 603
Saldo van baten en lasten– 6 2911 9932 8622 7801 6471 4151 415
        
Gemiddelde kostprijs (x € 1)812832514394387379379
Procentuele mutatie 2,4%– 38,2%– 23,3%– 2,0%– 1,8%0,0%

Toelichting

Inwilligingen regulier hebben betrekking op de positieve beslissingen binnen het totaal van de afgehandelde aanvragen. De sterke stijging bij Vergunning tot Verblijf Regulier (VVR) wordt veroorzaakt door de overname van de VD-taken. Dat leidt in 2004 tot een extra aanbod van 156 000. Gezien de wettelijke termijn van 6 maanden zullen bij de verlengingen 46 000 afgehandeld worden. Uitgangspunt in de begroting is dat sprake is van een tijdelijke toename van het aantal MVV aanvragen in 2003 doordat de VD-en de voorraden versneld wegwerken. Deze factoren verklaren de groei van de voorraad in 2004.

De daling van de kostprijs in 2004 wordt onder meer verklaard door de overname van de VD taken. Het effect wordt vanaf 2005 volledig zichtbaar, met als gevolg dat de kosten nog verder dalen.

Naturalisatie

Als een vreemdeling een bepaalde tijd in Nederland woont, kan hij zich laten naturaliseren tot Nederlander. De IND beslist of de verzoeker bij de Koningin kan worden voorgedragen voor naturalisatie. De IND toetst daarbij of wordt voldaan aan de in de Rijkswet op het Nederlanderschap gestelde voorwaarden. Voorts is de IND verantwoordelijk voor het afhandelen van bezwaarschriften en de vertegenwoordiging in beroepszaken.

Kengetallen Naturalisatie

Volumegegevens2002200320042005200620072008
Beginvoorraad 1/111 35718 28818 28818 28818 28818 28818 288
Instroom38 72632 00032 00032 00032 00032 00032 000
Afgehandeld:       
– Naturalisatie31 79532 00032 00032 00032 00032 00032 000
– Intrekkingen  pmpmpmpmpm
Totaal afgehandeld31 79532 00032 00032 00032 00032 00032 000
Eindvoorraad 31/1218 28818 28818 28818 28818 28818 28818 288
        
Positieve beslissingen29 28830 00030 00030 00030 00030 00030 000
Doelmatigheidskengetallen2002200320042005200620072008
Wettelijke termijn70%70%80%80%80%80%80%
Aantal gegronde klachten0,18%0,20%0,19%0,19%0,19%0,19%0,19%

bedragen x € 1 000

Financiële kengetallen2002200320042005200620072008