Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

InhoudsopgaveBlz.
   
A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE WETSARTIKELEN2
   
 Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)2
 Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)2
   
B.BEGROTINGSTOELICHTING3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Het beleid9
2.1.De beleidsagenda9
2.2.De artikelen22
 1: Grondwet en democratie22
 2: Politie28
 3: Rampenbeheersing en brandweer46
 4: Partners in veiligheid58
 5: Nationale Veiligheid71
 6: Functioneren Openbaar Bestuur78
 7: Informatiebeleid Openbare Sector91
 8: Integratie Minderheden102
 9: Grotestedenbeleid103
 10: Arbeidszaken overheid113
 11: Kwaliteit Rijksdienst121
 12: Algemeen133
 13: Nominaal en onvoorzien136
 14: Toezicht en onderzoek openbare orde en veiligheid137
   
3.De bedrijfsvoering142
   
4.Baten-lastendiensten143
 Baten-lastendienst ITO143
 Baten-lastendienst KLPD152
 Baten-lastendienst BPR169
 Baten-lastendienst CAS175
 Baten-lastendienst IVOP185
   
5.De verdiepingsbijlage193
5.1.De opbouwtabellen193
5.2.De uitsplitsing van budgetten229
5.3.De was/wordt-tabel230
   
6.De bijlage moties en toezeggingen232
   
7.De bijlage ZBO's en RWT's258
   
8.De burgemeestersbenoemingen259
   
9.De overzichtsconstructie Extra-comptabel overzicht (ECO) Grotestedenbeleid260

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE WETSARTIKELEN

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2004 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2004. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2004.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2004 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten ITO, KLPD, BPR, CAS en IVOP voor het jaar 2004 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Th. C. de Graaf

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Opbouw begroting 2004

In de begroting voor 2004 van BZK staat het beleid voor het komende jaar centraal. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de paragraaf Het beleid, waar antwoord wordt gegeven op de vragen:

1. Wat willen we bereiken?

2. Wat gaan we daarvoor doen? en

3. Wat mag het kosten?

In de brief aan de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (d.d. 27 september 2000, kenmerk FEZ2000/N89652) is een nadere invulling afgesproken van de opbouw van de BZK-begroting. Deze opbouw vindt u vanzelfsprekend terug in deze begroting voor het jaar 2004. Daarbij is – met toestemming van de minister van Financiën – een afwijkende invulling gegeven aan de Rijksbegrotingsvoorschriften 2003. Deze afwijkingen betreffen:

– de BZK-begroting bevat per (beleids)artikel meer dan de twee in de Rijksbegrotingsvoorschriften genoemde operationele doelstellingen. Oogmerk van deze afwijking is het bieden aan de Staten-Generaal van meer en daardoor een helderder inzicht in de koppeling tussen programmabudget en operationele doelstelling;

– bij de budgettaire gevolgen van beleid is, aansluitend hierop, gekozen voor een uitsplitsing naar operationele doelstelling in plaats van een uitsplitsing naar instrument. In de toelichting op de artikelen wordt ingegaan op de ingezette beleidsinstrumenten;

– voorts bevat de begroting op wens van de Kamer een tweetal niet voorgeschreven bijlagen, te weten: de burgemeestersbenoemingen en de overzichtsconstructie Extra-comptabel overzicht Grotestedenbeleid.

Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

Opbouw memorie van toelichting begroting 2004
A.Artikelsgewijze toelichting bij de wetsartikelen
B.Begrotingstoelichting
1.Leeswijzer
2.Het beleid
2.1.De beleidsagenda
2.2.De artikelen
3.De bedrijfsvoering
4.Baten-lastendiensten
5.De verdiepingsbijlage
5.1.De opbouwtabellen
5.2.De uitsplitsing van budgetten
5.3.De was/wordt-tabel
6.De bijlage moties en toezeggingen
7.De bijlage ZBO's en RWT's
8.De burgemeestersbenoemingen
9.De overzichtsconstructie Extra-comptabel overzicht Grotestedenbeleid

Het beleid. De kern van een VBTB-begroting is gelegen in de beleidsagenda, het beleidsprogramma en de artikelen (beleids- en niet-beleidsartikelen). Per artikel is naast informatie over de geraamde uitgaven (Wat mag het kosten?) met name ook informatie opgenomen over het voorgenomen beleid; te weten de te realiseren doelen en doelstellingen (Wat willen we bereiken?) en de daartoe beoogde activiteiten en prestaties (Wat gaan we daarvoor doen?).

De beleidsagenda. In de beleidsagenda worden themagewijs de beleidsprioriteiten van het kabinet Balkenende II op de BZK-beleidsterreinen gepresenteerd. In een aparte tabel wordt de budgettaire doorwerking van mutaties samenhangende met de beleidsprioriteiten voor de periode 2004–2007 weergegeven. Het beleidsprogramma concentreert zich op de nadere concrete uitwerking van de politieke prioriteiten van het beleid voor de komende vier jaar. In de Miljoenennota en in de apart uitgebrachte publicatie over het Beleidsprogramma kabinet Balkenende II is meer te lezen over de beleidsprioriteiten uit het Hoofdlijnenakkoord: Meedoen, meer werk, minder regels.

De artikelen. De begroting 2004 van BZK bevat twaalf beleidsartikelen en twee niet-beleidsartikelen. Het onderstaande schema geeft de opbouw van de beleidsartikelen weer. Waar mogelijk en zinvol is deze opbouw ook gehanteerd voor de niet-beleidsartikelen:

Opbouw (beleids)artikelen
1.Algemene beleidsdoelstelling
2.Nader geoperationaliseerde doelstellingen
3.Tabel Budgettaire gevolgen van beleid
4.Budgetflexibiliteit
5.Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming
6.Groeiparagraaf implementatie VBTB

Toelichting bij de opbouw van de (beleids)artikelen:

– de beleidsartikelen bestaan uit een artikelonderdeel apparaat en een programmatisch artikelonderdeel per operationele doelstelling. Voor ieder beleidsartikel is één strategische doelstelling en één of meer operationele doelstellingen geformuleerd. De nummering van de operationele doelstelling verwijst naar het programmatische artikelonderdeel. Operationele doelstelling 1 heeft betrekking op artikelonderdeel 1. Apparaat. De meeste beleidsartikelen kennen geen operationele doelstelling voor het artikelonderdeel apparaat, maar uitsluitend voor de programmatische artikelonderdelen, die genummerd zijn vanaf 2. Om die reden wordt de nummering van de operationele doelstellingen begonnen met 2;

– bij de toedeling van de apparaatsbudgetten aan de beleidsartikelen is als uitgangspunt gehanteerd: het apparaatsbudget van een directie is toebedeeld aan het beleidsartikel waartoe ook de operationele doelen van de directie behoren. Indien deze over meerdere artikelen is verdeeld, is gekozen voor het artikel met het grootste budgettaire beslag. De staf van een directoraat-generaal is toegerekend aan het artikel met het grootste budgettaire beslag van dat directoraat-generaal. Het apparaatsbudget voor de centrale stafdiensten is geplaatst onder niet-beleidsartikel Algemeen (12.1). Een deel van de apparaatsbudgetten van het directoraat-generaal Koninkrijksrelaties en Bestuur i.o. is opgenomen in de begroting van Koninkrijksrelaties (IV);

– de bijdrage van BZK aan de baten-lastendiensten KLPD, ITO, CAS, BPR en IVOP zijn terug te vinden op verschillende begrotingsartikelen, in het bijzonder onder een operationeel doel (en niet onder de apparaatsuitgaven, met uitzondering van IVOP). De BZK-bijdrage voor 2004 (e.v.) is opgenomen bij de artikelen 2.3. (KLPD), 4.3. (ITO), 7.3. (CAS), 7.4. (BPR) en 10.1. (IVOP);

– daar waar geldt kas = verplichting – bijvoorbeeld bij apparaatsuitgaven – heeft de paragraaf budgetflexibiliteit geen toegevoegde waarde. In de desbetreffende gevallen is deze paragraaf niet ingevuld. Voorts blijkt dat naast juridische verplichtingen bestuurlijk aangegane verplichtingen van grote betekenis zijn voor (het gebrek aan) flexibiliteit van een budget;

– de beleidsartikelen Politie (2), Informatiebeleid Openbare Sector (7.2 en 7.3), Arbeidszaken overheid (10) en Kwaliteit Rijksdienst (11) en het niet-beleidsartikel Algemeen (12.2) zijn gewijzigd. Onder B.5.3. is een was/wordt-tabel opgenomen waarin de relatie wordt gelegd tussen de nieuwe en de oude structuur van deze artikelen.

De bedrijfsvoering. In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het jaarverslag over 2002 is een integraal beeld geschetst van de wijze waarop de kwaliteit van de bedrijfsvoering bij BZK wordt gewaarborgd. Hier wordt aandacht besteed aan de specifieke bedrijfsvoeringsthema's, die in 2004 aan de orde zullen komen. Het gaat om de wijzigingen in de hoofdstructuur van BZK en om het opnieuw inrichten van de stafdiensten binnen BZK, ofwel het project Leeuwensprong.

Naar aanleiding van de volumetaakstelling Balkenende I zijn er zo'n 40 maatregelen binnen BZK getroffen om te voldoen aan de gewenste vermindering. In totaal heeft dit gevolgen voor circa 100 fte. Het betekent een reductie van circa 25 fte op het terrein van de ondersteunende staftaken. Voor de overige 75 fte heeft het betrekking op beleids- en beleidsondersteunende (uitvoerende, inspectie-) taken van het ministerie.

Voor wat betreft Balkenende II is de totale efficiencytaakstelling voorlopig op artikel 13 gezet, teneinde bij Voorjaarsnota 2004 de nadere invulling te realiseren. Dit omdat het ministerie zich momenteel in een reorganisatie bevindt en volgend voorjaar het moment is om te bekijken in hoeverre de resultaten van de reorganisatie en de daarbij beoogde efficiencyverbetering bijdragen aan de invulling van deze efficiencytaakstelling.

Daarnaast heeft het kabinet Balkenende II ook een taakstelling op het arbeidsmarkt- en informatiebeleid gelegd, oplopend van € 37 mln in 2003 tot € 45 mln structureel vanaf 2006; ook dit zal gevolgen hebben voor het aantal beleidsambtenaren bij BZK.

Baten-lastendiensten. Binnen de BZK-begroting vallen ook de baten-lastendiensten ITO, KLPD, CAS, BPR, en IVOP. De BZK-bijdrage aan de vijf baten-lastendiensten is terug te vinden op verschillende begrotingsartikelen (zie hiervoor). In de paragrafen over de baten-lastendiensten worden de begrotingsstaten toegelicht aan de hand van de volgende onderdelen:

Opbouw paragraaf Baten-lastendiensten
1.Algemeen
2.Begroting van baten en lasten
3.Overzicht vermogensontwikkeling
4.Kasstroomoverzicht
5.Kengetallen

Voor elke baten-lastendienst wordt naast een korte uiteenzetting over de taken, producten en diensten ook inzicht gegeven in de doelmatigheidsontwikkeling.

De verdiepingsbijlage. Hierin wordt (in de vorm van tabellen) gedetailleerd weergegeven hoe de meerjarenramingen zijn opgebouwd sinds de vorige ontwerp-begroting en wordt voor een viertal artikelen aangegeven hoe de verdeling is naar verschillende majeure budgetten op het gebied van Openbare Orde en Veiligheid (beleidsartikelen 2, 3 en 4). Tevens wordt met een was/wordt-tabel (B.5.3) inzichtelijk gemaakt welke wijzigingen op de begrotings-/artikelstructuur hebben plaatsgevonden.

De bijlage moties en toezeggingen. In de begroting is een bijlage opgenomen met moties en toezeggingen aan de Tweede Kamer. Per motie en toezegging wordt aangegeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering ervan.

De bijlage ZBO's en RWT's. Nieuw dit jaar is het overzicht van alle ZBO's en RWT's die onder de verantwoordelijkheid van de ministers van BZK en voor BVK vallen. Indien een ZBO en/of RWT vanuit de begroting wordt gefinancierd, wordt in deze bijlage aangegeven binnen welke beleidsartikel de bijdrage aan het ZBO en/of RWT is opgenomen, evenals de daarbij behorende raming voor het begrotingsjaar 2004.

De burgemeestersbenoemingen. Hierin worden kwantitatieve gegevens gepresenteerd met betrekking tot burgemeestersbenoemingen in 2002 en in de eerste helft van 2003.

De overzichtsconstructie Extra-comptabel overzicht Grotestedenbeleid (ECO-GSB). Hierin is informatie bijeengebracht van verschillende beleidsartikelen van verschillende begrotingen, met overeenkomstige doelstellingen op het terrein van het grotestedenbeleid. Meer informatie over het grotestedenbeleid is te vinden bij beleidsartikel 9 Het grote-stedenbeleid.

Voorheen trof u naast het ECO-GSB ook de horizontale overzichtsconstructie integratiebeleid etnische minderheden aan. Deze is in deze begroting 2004 niet meer opgenomen, vanwege de overgang per 1 januari 2003 van beleidsartikel 8 Integratie Minderheden naar Justitie.

Algemene groeiparagraaf VBTB

Voor de ontwerp-begroting 2004 heeft BZK getracht een stap voorwaarts te zetten met betrekking tot een aantal elementen van VBTB die in voorgaande begrotingen nog onvoldoende waren ontwikkeld. Daartoe heeft BZK vanaf november 2002 in ambtelijke werkgroepen per beleidsartikel geïnventariseerd waar verbeteringen ten opzichte van de begroting 2003 mogelijk zijn. Bij deze inventarisatie is expliciet betrokken de door de Algemene Rekenkamer aangedragen verbetermogelijkheden (zie: onderzoek Groeiparagrafen 2002–2003: op weg naar een volwaardige VBTB-begroting). Voor de ontwerp-begroting 2004 heeft BZK naast per beleidsartikel gesignaleerde specifieke verbeterpunten speciale aandacht besteed aan de volgende drie zaken:

1. uit de begrotingstekst moet zichtbaar zijn wat de toegevoegde waarde van BZK is; BZK streeft na om daar waar BZK systeem- (en niet resultaat)verantwoordelijk is prestatie-indicatoren te definiëren die de operationele doelstellingen voldoende dekken;

2. de begrotingstekst moet duidelijk en bondig zijn; vakjargon of omvang moet de leesbaarheid van de tekst niet in de weg staan;

3. het plannen en registreren van beleidsevaluaties; het leren van de resultaten en effecten van beleid is – ook voor BZK – van groot belang.

Voorts heeft BZK per beleidsartikel een VBTB-paragraaf (= de groeiparagraaf van voorgaande jaren) opgenomen. In deze VBTB-paragraaf wordt een eindperspectief geschetst van mogelijke VBTB-verbeteringen die in de komende jaren zullen worden aangevuld.

Verantwoordelijkheid van de minister

In deze begroting wordt nog uitgegaan van de begrippen systeem- en resultaatverantwoordelijkheid. In de ontwerp-begroting 2005 zullen deze begrippen worden vervangen door de termen directe en indirecte verantwoordelijkheid. Daarbij zal per onderwerp worden nagegaan of er sprake is van directe dan wel indirecte verantwoordelijkheid van de minister van BZK en/of de minister voor BVK.

Budgettaire gevolgen van beleid

Het voornemen is met ingang van de ontwerp-begroting 2005 een scherper onderscheid te maken tussen (operationele) doelstellingen en instrumenten. Daarbij zal zoveel mogelijk het standaardmodel «budgettaire gevolgen van beleid» worden toegepast.

Doelmatigheidsinformatie in de begroting

Onderstaand wordt ingegaan op de doelmatigheidsinformatie die wordt weergegeven in deze begroting. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar respectievelijk de baten-lastendiensten en het kernministerie.

– Baten-lastendiensten. In tegenstelling tot het ministerie hanteren de agentschappen een baten-lastenstelsel. Dit is van invloed op de aard van de doelmatigheidsinformatie. Bij de baten-lastendiensten staan de volgende vormen van doelmatigheidsinformatie weergegeven:

* integrale kostprijs per product of dienst en/of gehanteerde tarieven;

* informatie over productiviteitsstijging/-daling;

* doorlichtingen van werkprocessen op efficiency;

* aantoonbare verbetering van producten/diensten;

* evaluatie van het agentschap als geheel (één keer in de vijf jaar).

De mate waarin de verschillende vormen voorkomen, is (mede) afhankelijk van het karakter en de aard van de baten-lastendienst en verschilt derhalve per baten-lastendienst. Niet elke vorm komt dus bij elke baten-lastendienst voor.

– Kernministerie. Voor de beleidsartikelen geldt dat:

* beleidsevaluatieonderzoek (mede) betrekking heeft op de ingezette middelen (programmagelden);

* doorlichting van beleids- en beheersprocessen (mede) betrekking heeft op een doelmatige en effectieve organisatie van het proces;

* per operationeel doel de programmagelden worden vermeld.

Overzicht belastinguitgaven

Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de kostprijsverhogende belastingen 2002–2008 op het terrein van BZK. Onderstaande gegevens vormen een onderdeel van de bijlage over de belastinguitgaven, die sinds het begrotingsjaar 1999 standaard in de Miljoenennota wordt opgenomen. Het overzicht bevat budgettaire en andere beleidsrelevante informatie over belastinguitgaven in de Nederlandse belastingwetgeving.

De tabel bevat een meerjarig overzicht van de belastinguitgaven in de kostprijsverhogende belastingen. Naast ramingen voor de jaren 2003 en 2004, bevat de tabel tevens nieuwe ramingen voor het jaar 2002 op basis van realisatiecijfers dan wel nieuwe gegevens of nieuwe ramingsinzichten. De kolommen voor de jaren 2005 tot en met 2008 bevatten extrapolaties voor het jaar 2004 op basis van relevante macro-economische ophoogfactoren. Voorzover nu al bekend is tevens rekening gehouden met autonome wijzigingen in die jaren.

Belastinguitgaven in de kostprijsverhogende belastingen 2002–2008, budgettair belang op transactiebasis (in € mln)
 2002 (raming MN 2003)2002 (realisatie/aangepaste raming)200320042005200620072008
Belasting op personenauto's en motorrijwielen        
Teruggaaf politie en brandweer88888899
         
Motorrijtuigenbelasting        
Vrijstelling politie en brandweer76666677
RegelingBeschrijvingDoelstellingMinisterieEvaluatie
Teruggaaf politie en brandweerVrijstelling voor motorrijtuigen die worden ingezet ten behoeve van de overheidstaak. Houders van personenauto's die worden gebruikt in de uitoefening van de politie- of brandweertaak, krijgen op verzoek de betaalde BPM terug. De motorrijtuigen dienen uiterlijk als zodanig herkenbaar te zijn en het recht hebben gebruik te mogen maken van optische en geluidssignalen. Dienen van het algemene belangBZK
     
Vrijstelling politie en brandweerVoor motorrijtuigen die worden gebruikt in de uitoefening van de politie- of brandweertaak, wordt op verzoek een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend. Dienen van het algemene belangBZK

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

De overheid staat voor de opgave de omschakeling van jaren van uitbundige groei naar jaren met meer soberheid invulling te geven. De begroting voor 2004 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kenmerkt zich door bezuinigingsmaatregelen die voor veel mensen meer en minder ingrijpende consequenties zullen hebben: minder ambtenaren, sobere inkomensontwikkeling, aanzienlijk minder budget voor het arbeidsmarktbeleid, efficiëntere inkoop en minder inhuur van externen. De politie moet efficiënter werken en het ziekteverzuim verder terugdringen. Ook gemeenten en provincies ontkomen niet aan de nieuwe financieel moeilijke periode.

Tegelijkertijd staat de overheid voor de taak een kwalitatief hoogwaardig en goed toegerust apparaat te hebben dat voldoet aan de vragen uit en behoeften van de samenleving. Een overheid waarop de burger kan vertrouwen en een overheid die de problemen waarmee de burger wordt geconfronteerd daadkrachtig en in samenwerking met die burger zelf ter hand neemt.

Dit kan, maar het vraagt een grote gezamenlijke inspanning van overheid, politici en burgers hieraan vorm te geven. De overheid moet daarbij kritisch naar haarzelf kijken. Naar haar organisatie, naar het te voeren beleid en de uitvoering daarvan. De organisatie van de overheid wordt kleiner en coherenter. Het beleid moet meer vrijheid laten aan medeoverheden, maatschappelijke organisaties en burgers, onder meer door de afschaffing van overbodige of onnodige regelgeving. Bij de uitvoering van beleid lijkt het soms voor burgers alsof de aan de overheid toegekende verantwoordelijkheden zijn zoekgeraakt en niet duidelijk is wie waarop aanspreekbaar is als zaken niet adequaat worden uitgevoerd. Er bestaat binnen de overheid een zekere terughoudendheid elkaar aan te spreken op het handelen of te wijzen op ieders eigenstandige verantwoordelijkheid om resultaten te bereiken: nadrukkelijker dan voorheen zal een ieder moeten worden aangesproken op de uitvoering van zijn taak.

Dit vraagt om een krachtige sturing. Een belangrijk element van sturing geven is het maken van politiek bestuurlijke keuzes. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties geven prioriteit aan het uitvoeren van beleid boven het ontwerpen van nieuw beleid. Behalve de ministers moet ook het parlement keuzes maken; keuzes die de burger begrijpt. Om de binding tussen de burgers en hun parlementaire vertegenwoordiging te versterken en om een duidelijk individueel mandaat van volksvertegenwoordigers te creëren zal dit kabinet een voorstel tot wijziging van het kiesstelsel doen. De betrokkenheid van de burger bij het bestuur van zijn directe leefomgeving kan sterk worden vergroot door zijn zeggenschap over het bestuur te versterken. Dit gebeurt ondermeer door de invoering van de gekozen burgemeester.

Ook de burger zelf heeft een belangrijke rol; het lid zijn van een samenleving is niet vrijblijvend. Meer keuzevrijheid voor de burger gaat hand in hand met het nemen van verantwoordelijkheid door de burger. Burgers en ook bedrijven hebben een belangrijke eigen verantwoordelijkheid bij het elkaar aanspreken op normoverschrijdend gedrag en het naleven van wetten en regels. Omgekeerd moeten burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties kunnen rekenen op een betrouwbare en integere overheid. Het proces van verwijdering tussen burgers en bestuur dat de laatste jaren, in elk geval in de beeldvorming, is ontstaan moet van beide kanten gekeerd worden.

Niet alleen in Nederland, maar ook binnen de Europese Unie is op tal van terreinen verdergaande samenwerking onmisbaar voor een effectieve aanpak van problemen. Tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie in de tweede helft van 2004 wordt op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aandacht gegeven aan de volgende onderwerpen: kwaliteit Europees bestuur en stedelijk beleid, openbaarheid van bestuur in Europa, integriteit en kwaliteit bij de politie, terrorismebestrijding en modellen voor grensoverschrijdende samenwerking. De contouren van de Nederlandse prioriteiten zijn opgenomen in de staat van de Europese Unie 2004 (hoofdstuk 2). Voorts zullen in 2004 ook bijdragen worden geleverd aan de operationalisering van doelstellingen van het Nederlandse buitenlandse beleid, waaronder civiele crisisbeheersing in het Europees Veiligheids- en Defensieverband.

In deze beleidsagenda worden de vier prioriteiten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2004 nader uitgewerkt: veiligheid, eigentijds overheidswerkgeverschap, bestuurlijke vernieuwing en modernisering van de overheid. In het beleidsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, opgenomen in een aparte publicatie, komen deze prioriteiten in meerjarenperspectief tot 2007 terug.

Veiligheid

Veiligheidsprogramma «Naar een veiliger samenleving»

Het waarborgen van een veiliger samenleving is één van de kerntaken van de overheid. Het algemene veiligheidsbeleid is verwoord in de kabinetsnota «Naar een veiliger samenleving», kortweg het Veiligheidsprogramma. Het Veiligheidsprogramma bevat de bijdragen die het Rijk, gemeenten, politie, justitie en overige veiligheidspartners dienen te leveren aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van sociale veiligheid.

Het huidige kabinet neemt de uitvoering van het Veiligheidsprogramma onverkort en voortvarend ter hand in de overtuiging dat de veiligheid van de burger gebaat is bij de concrete doelstellingen, afspraken en prestaties die hierin genoemd zijn. De hoofddoelstelling van het Veiligheidsprogramma is dat vanaf 2006 een reductie met – indicatief – circa 20 à 25% van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte in het vizier moet komen. Dat is een forse ambitie, maar het kabinet stelt zich ten doel zichtbaar en resultaatgericht te investeren in de roep van de samenleving om meer veiligheid. Daarom is ook in het Hoofdlijnenakkoord gesteld dat het veiligheidsprogramma wordt uitgevoerd en aangevuld. Het Hoofdlijnenakkoord stelt 350 mln euro tot en met 2007 beschikbaar voor veiligheid, waarvan een deel zal worden aangewend voor het oplossen van specifieke knelpunten bij de politie, zoals het ophogen van de normkostenvergoeding voor de politiekorpsen met het oog op ICT-voorzieningen. Tegenover deze intensiveringen bij de politie staan bezuinigingen wegens efficiencytaakstellingen en het terugdringen van het ziekteverzuim alsmede de loonontwikkeling in de collectieve sector.

Veiligheid is meer dan de afwezigheid van criminaliteit. Naleving van wetten en regels door een ieder is primair van belang. Gedoogbeleid is alleen aanvaardbaar indien daar in uitzonderlijke gevallen met een afgesproken termijn, gemotiveerd en bewust voor wordt gekozen. Het gezag van de overheid en politie dient te worden hersteld door zichtbaar en merkbaar toezicht en door handhaving en consequent optreden bij ordeverstoringen en bij het misbruik van publieke voorzieningen. Overheidsorganisaties bieden burgers duidelijkheid door deze verantwoordelijkheden ook daadwerkelijk te nemen en te staan voor bepaalde waarden in onze samenleving. Ook daarmee bereikt de overheid herstel van gezag en dwingt zij respect af. Goed voorbeeld doet immers goed volgen.

Al langere tijd is er het besef dat iedereen, ook de burger, (nog) meer dan voorheen moeten investeren in de aanpak van het veiligheidsprobleem. Anders worden fundamentele zekerheden en het gevoel van veiligheid aangetast, zeker als de overheid onmachtig of onwillig lijkt om daartegen op te treden. Waar het gevoel van veiligheid verdwijnt en een klimaat van onveiligheid groeit, neemt de saamhorigheid af en verdwijnt het vertrouwen tussen burgers onderling en tussen burger en overheid. Daarom zullen dichtbij de mensen zichtbare verbeteringen worden doorgevoerd. Gemeenten zijn daarvoor primair verantwoordelijk. In het bijzonder hebben gemeenten een verantwoordelijkheid bij het preventiebeleid, zoals het voorkomen van jeugdcriminaliteit. De minister van BZK heeft op rijksniveau een coördinerende rol ten aanzien van het preventiebeleid. Met de dertig grote steden worden in het kader van het grotestedenbeleid in de periode 2005–2009 concrete resultaatsafspraken gemaakt om (de groei van) de subjectieve en objectieve onveiligheid tegen te gaan. Daartoe worden afspraken gemaakt om de overlast en onveiligheid als gevolg van (jeugdige) veelplegers, dak- en thuislozen, drugsgebruikers en van andere overlastgevenden streng aan te pakken. Daarnaast worden afspraken gemaakt over preventieve maatregelen zoals het keurmerk Veilig Wonen en het keurmerk Veilig Ondernemen, de kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan, de ontwikkeling van Regionale Platforms Criminaliteitsbeheersing en een fietsenregistratiesysteem.

Gemeenten moeten aandacht besteden aan de wijze waarop zij samenhang en samenwerking tussen de inzet van de (keten)partners in veiligheid bevorderen. Het kabinet zal gemeenten bij een goede invulling van de lokale regiorol ondersteunen, onder meer door het creëren van samenhang in het rijksbeleid en in wet- en regelgeving en waar mogelijk versterking van implementatiekracht van gemeenten. Daartoe wordt in 2004 het Centrum voor Criminaliteitspreventie en veiligheid verder vorm gegeven. Ook krijgt het programma «Slagen voor veiligheid», dat veel partijen op het gebied van veiligheid en preventie tot elkaar brengt op enigerlei wijze een vervolg.

Het kabinet beziet thans de mogelijkheden om de aanpak van kleine ergernissen in het publieke domein te versterken door gemeenten te stimuleren meer buitengewone opsporingsambtenaren in te zetten. Het kabinet wil op korte termijn een besluit nemen over de introductie van bestuurlijke boete voor overtredingen op de Algemene Plaatselijke Verordening.

De politie is voor de minister van BZK één van de belangrijkste partners als het gaat om de uitvoering van het veiligheidsbeleid. De minister van BZK heeft in 2003, samen met de minister van Justitie, met de korpsbeheerders afspraken gemaakt over hun bijdrage aan de uitvoering van het Veiligheidsprogramma: het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003–2006. Dit Landelijk Kader is uitgewerkt in regionale convenanten met alle vijfentwintig politiekorpsen, het Korps Landelijke Politiediensten en het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie. De ondertekening van de regioconvenanten zal in het najaar 2003 worden afgerond.

Het kabinet wil samen met de lokale overheden veel energie steken in het bevorderen van meer veiligheid, maar verwacht daarbij ook nadrukkelijk een bijdrage van burgers en bedrijven. Dat kan gaan om oplettendheid bij vandalisme in de eigen straat, het zorgen voor een beveiligd huis of het aanspreken van elkaar op normoverschrijdend gedrag in de openbare ruimte. Op zijn beurt zet het kabinet zich in om het veiligheidsbewustzijn bij alle partners te vergroten en om een gedeeld besef van waarden en normen te creëren. Daartoe wordt een veiligheidsbewustzijnsprogramma uitgevoerd dat mensen aanknopingspunten biedt voor een verstandiger en bewustere omgang met veiligheid en risico's. Dit vanuit het gegeven dat zorgen voor veiligheid niet alleen een taak van de overheid is. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een «nalevingscultuur» gebaseerd op veiligheidsbewustzijn. Dit zal (indirect) een bijdrage leveren aan het verhogen van het veiligheidsniveau in de maatschappij.

Actieprogramma «Bewust veiliger»

Het veiligheidsbewustzijnprogramma is onderdeel van het Actieprogramma Rampenbeheersing en Brandweer 2002–2006 «Bewust veiliger». Ook aan de meer fysieke aspecten van veiligheid, die verder in dit programma staan, schenkt de minister van BZK in 2004 aandacht. Het jaar 2004 staat in het teken van de implementatie van het wetsvoorstel Kwaliteitsbevordering rampenbestrijding op alle bestuurlijke niveaus, waarvan de parlementaire behandeling naar verwachting in de loop van 2003 wordt afgerond. De gemeentelijke rampenplannen en de rampenbestrijdingsplannen moeten per 1 januari 2005 worden geactualiseerd. Ook wordt gestart met het opstellen van provinciale risicokaarten, die de in de provincies aanwezige risico's aangeven.

De minister van BZK werkt voorts aan een versterking van de bestuurlijke en operationele samenhang binnen het veiligheidsbestel en tussen politie, brandweer en geneeskundige hulp. In 2004 zal in principe een gelijke gebiedsindeling voor alle hulpverleningsdiensten tot stand komen. Doel is dat de brandweer en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen op de schaal van de 25 politieregio's worden georganiseerd. Het kabinet wil het proces van territoriale congruentie verder doortrekken en werken aan de bestuurlijke congruentie van de hulpverleningsinstanties zodat er geïntegreerde veiligheidsregio's ontstaan.

Stelsel bewaken en beveiligen

In 2004 zal, in aansluiting op de aanbevelingen van de commissie Van den Haak, een nieuw stelsel van bewaking en beveiliging worden ingevoerd. In het nieuwe stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen een rijksdomein en een decentraal domein. De advisering en besluitvorming op nationaal en decentraal niveau zijn daarnaast aangescherpt en opnieuw geprotocolleerd. De Nationaal Coördinator Bewaking en Beveiliging, die beheersmatig bij het ministerie van BZK is ondergebracht, heeft daarbij een belangrijke adviserende en coördinerende taak namens de ministers van BZK en van Justitie. In dit nieuwe stelsel wordt niet volstaan met het reageren op concrete dreigingen. In het kader van een risicobenadering zal een bredere analyse van mogelijke dreigingen en risico's plaatsvinden. Voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) is het vervaardigen van dergelijke dreigings- en risicoanalyses een nieuwe taak. Met het oog op deze taak worden de wet- en regelgeving aangepast en investeert de AIVD nader in kennis- en expertiseopbouw. Het nieuwe stelsel vraagt daarnaast om extra inzet van de politieregio's en het Korps Landelijke Politiediensten. Voorts zal er sprake zijn van een verbeterde informatiecoördinatie tussen de verschillende betrokken diensten en de nationale overheid.

Terrorismebestrijding

Bij het creëren van een veilige samenleving heeft de AIVD een bijzondere taak in de zorg voor onze nationale veiligheid, zoals de bescherming van de democratische rechtsorde en de staatsveiligheid. Daarnaast ligt er in het kader van terrorismebestrijding op het terrein van openbare orde en veiligheid een taak in het beschermen van vitale infrastructuur, crisisbeheersing, het handhaven van de openbare orde en het coördineren van de preventie tegen nucleair, biologisch, radiologisch en chemisch terrorisme.

Het huidige (islamistische) terrorisme vormt een ernstige en structurele dreiging voor de westerse samenlevingen. De traditionele tolerantie van onze westerse samenleving vindt zijn begrenzingen daar waar onze samenleving zelf bedreigd wordt. Ook Nederland kan doelwit zijn van terroristen of kan als logistiek knooppunt in Europa de springplank zijn voor aanslagen elders. Zolang er een reëel risico bestaat van een grootschalige terroristische aanslag, blijft het tijdig onderkennen daarvan en vervolgens voorkomen in 2004 eerste prioriteit. De AIVD geeft daarbij aandacht aan bijvoorbeeld financieringsstromen, radicaliseringsprocessen, modus operandi, migratiestromen en beschikbaarheid van non-conventionele wapens. In dat kader dient een goede aansluiting van de activiteiten van de AIVD met die van Justitie, samenwerking met politie, brandweer en andere competente diensten en internationale samenwerking te worden gewaarborgd. Naar aanleiding van de nota «Terrorisme en de bescherming van de samenleving» wordt het Gezamenlijk Comité Terrorismebestrijding opgericht dat zorg zal dragen voor de regie en samenwerking tussen alle veiligheidssectoren op het gebied van terrorismebestrijding in Nederland.

In 2004 zijn de activiteiten van de AIVD tevens gericht om een ongestoord verloop van het voorzitterschap van de Europese Unie te waarborgen.

Effectiviteit en efficiency politie

Het functioneren van de politie moet in 2004 effectiever worden met onder meer een verhoging van het aantal aan het Openbaar Ministerie aan te leveren rechtbankzaken (oplopend tot 40 000 extra rechtbankzaken in 2006), de aanpak van overlast en het aanhouden van stelselmatige daders. Het kabinet streeft ook naar een efficiënter functionerende politie met minder ziekteverzuim (vermindering tot minimaal 8%), minder bureaucratische belasting van de politie en eenvoudige regels voor burgers en bedrijven om aangifte te doen. In dit kader worden in overeenstemming met het Hoofdlijnenakkoord maatregelen genomen om de politie-inzet op de kerntaken te concentreren en grootschalige politie-inzet bij commerciële manifestaties terug te dringen. In dit verband wordt een wetsvoorstel voor bijdragen in de politiekosten bij commerciële manifestaties voorbereid. Met de korpsen is in het Landelijk Kader Nederlandse Politie een verbetering van de doelmatigheid afgesproken van 5% in de periode 2003–2006, gericht op het vrijspelen van capaciteit voor het primaire proces. Ook de afspraken over vermindering van het ziekteverzuim leveren hieraan een bijdrage.

Voorts neemt de minister van BZK ter ondersteuning van de afspraken uit het Veiligheidsprogramma nadrukkelijk directer de verantwoordelijkheid voor het beheer van de politiekorpsen. Dit betekent in de bestaande situatie ten eerste dat de korpsbeheerders jaarlijks aan de minister van BZK verantwoording moeten afleggen over het nakomen van de prestatieafspraken.

De minister van BZK fungeert in het huidige politiebestel als «beheerder op afstand» hetgeen betekent dat ingrijpen op rijksniveau in het beheer van de regiokorpsen beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke. Een wijziging van de Politiewet moet er ten tweede in voorzien dat de sturingsrelatie tussen de minister van BZK en de korpsbeheerder wordt versterkt. Beoogd wordt een wetsvoorstel hiertoe eind 2003 voor te leggen aan de Raad van State.

Ten derde wordt het wetsvoorstel Samenwerkingsvoorzieningen politie in 2004 bij de Tweede Kamer ingediend op basis waarvan korpsen een voorziening tot samenwerking kunnen treffen. Ook heeft dit wetsvoorstel voor de minister van BZK tot doel op onderdelen gericht sturing te kunnen geven aan de samenwerking tussen korpsen. Dit is in ieder geval noodzakelijk bij de inzet van ICT en de informatiehuishouding van de politiekorpsen. In het hoofdlijnenakkoord is daarnaast in een evaluatie van het functioneren van de politie voorzien. Deze wordt begin 2005 ingevuld als een evaluatie ex ante om te zien of de thans voorziene versterking van de beheersverantwoordelijkheid voldoende is voor een adequate sturing van de Nederlandse politie.

Eigentijds overheidswerkgeverschap

Het kabinet staat voor de uitdaging invulling te geven aan eigentijds overheidswerkgeverschap in een tijd waarin de financiële middelen beperkt beschikbaar zijn en waarin tegelijkertijd hoge eisen aan overheidsdienaren worden gesteld. Aan dit eigentijds werkgeverschap zal het kabinet op verschillende manieren vormgeven. Onder invloed van de economische situatie is in ons land een meerjarige en substantiële matiging in de publieke sector geboden. Het kabinet doet een beroep op een ieder binnen de overheid om gezamenlijk gestalte te geven aan het streven naar versobering in het belang van de financieel-economische perspectieven, zoals onze concurrentiepositie in Europa, de uitgavenontwikkeling en een houdbare pensioenvoorziening.

Het kabinet neemt daarbij zijn verantwoordelijkheid door de komende jaren de kabinetsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling in de collectieve sector ten opzichte van de middellangetermijn-raming van het Centraal Plan Bureau met 1%-punt te beperken. De ontwikkeling van het bruto minimumloon en de uitkeringen loopt gelijk op met de loonontwikkeling in de kabinetssectoren.1

De CAO's in alle kabinetssectoren (Rijk, onderwijs, defensie, politie en rechterlijke macht) lopen af per 31 december 2003. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal als coördinerend minister voor de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector een brief aan de sectoren zenden met daarin opgenomen de speerpunten voor de komende CAO-onderhandelingen alsmede een voorlopige raming van de arbeidsvoorwaardenruimte in 2004. De belangrijkste speerpunten in de brief zijn loonmatiging, het bestrijden van ziekteverzuim, het versoberen van bovenwettelijke sociale regelingen en de sociale zekerheid.

Om de financiële problematiek van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) te ledigen is door de sociale partners die deelnemen in het ABP overeenstemming bereikt over de versobering van de pensioenregeling en over het wijzigen van de financieringssystematiek. Dit onderhandelaarsakkoord wordt in september voorgelegd aan de achterban van de werknemersorganisaties. Ook de Pensioen- en Verzekeringskamer moet nog instemmen met het herstelplan. Voor 2004 legt de ABP-deal een zodanig beslag op de financiële middelen van de werkgevers dat de ruimte voor arbeidsvoorwaardenverbeteringen buitengewoon gering is.

Het kabinet heeft een aantal jaren achtereen flink geïnvesteerd in de versterking van de arbeidsmarktpositie van de overheidswerkgevers met als doel om voor de komende jaren voldoende en goed gekwalificeerde werknemers aan te kunnen trekken. De waardering voor de overheid als werkgever is daardoor toegenomen, getuige onder meer de instroom van mensen uit de marktsector. Dat is een positief gegeven.

Eigentijds overheidswerkgeverschap heeft voorts tot doel te zorgen voor een hoge kwaliteit van het management in de rijksdienst. De Algemene Bestuursdienst heeft daarbij de taak dat de komende jaren, in krimpende ambtelijke organisaties, die hoge kwaliteit blijvend wordt bereikt en vastgehouden. Mede in het kader van een goed beheer van de openbare middelen hecht het kabinet aan transparantie van topinkomens in de (semi-)publieke sector. Er wordt een wettelijke regeling voorbereid die verplicht tot openbaarmaking van inkomens in deze sector die hoger zijn dan het inkomensniveau van een minister. Ook zal de onafhankelijke adviescommissie voor de beloning en rechtspositie van ambtelijke en politieke topstructuur in 2004 enkele adviezen uitbrengen.

Eigentijds werkgeverschap houdt ook in dat het kabinet zich afvraagt in hoeverre het gerechtvaardigd is de bestaande arbeidsrechtelijke verschillen tussen ambtenaren en andere werknemers te handhaven. De vraag naar het nut en de wenselijkheid van het doorzetten van dit aanpassingsproces, leidend tot het opheffen van de ambtelijke status, is in 2004 voorwerp van onderzoek.

Tenslotte is de zorg voor een betrouwbare overheid als geheel en voor de integriteit van de mensen die in overheidsdienst zijn onderdeel van het eigentijds overheidswerkgeverschap. Het kabinet wil het bijzondere karakter van het overheidsapparaat en de daaruit voortvloeiende waarden en normen verbonden aan het vak ambtenaar opnieuw en versterkt onder de aandacht brengen. Ten einde dit voornemen te kunnen realiseren, wordt het integriteitsbeleid binnen de openbare dienst geïntensiveerd. Tot nu is de aandacht van de minister van BZK vooral besteed aan het tot stand brengen van integriteitsregelgeving en aan bewustwording van integriteit. In 2004 wordt dit beleid uitgebouwd met implementatie en handhaving van integriteitsbeleidsmaatregelen, zodat het belang van integer gedrag en houding door ambtenaren en politici wordt uitgedragen.

Een van de instrumenten hiervoor is wijziging van de Ambtenarenwet. Door middel van het opnemen van een aantal kernbeginselen van integriteit in de Ambtenarenwet, het verplichten van (mede)overheden tot het opstellen van een gedragscode en het voeren van een integriteitsbeleid alsmede het afleggen van verantwoordelijkheid hierover aan de ondernemingsraad en het politiek vertegenwoordigend orgaan, wil BZK dit beleid stimuleren. Mogelijke lacunes in het integriteitsbeleid kunnen in 2004 naar voren komen bij een inventarisatie binnen het openbaar bestuur en politie die momenteel wordt gehouden. Integriteitsbeleid bij de overheid vergt voortdurend onderhoud en is meer dan regelgeving alleen. Bewustwordingsprocessen van mogelijke integriteitsproblemen zijn belangrijke middelen om ze te voorkomen. Dat vraagt van alle overheidsorganisaties een transparante organisatiecultuur die wars is van belangenverstrengeling en waarin op open wijze over waarden en normen wordt gesproken.

Bestuurlijke vernieuwing

In het hoofdlijnenakkoord staat dat het kabinet de bestuurlijke vernieuwing met kracht ter hand zal nemen. Bestuurlijke vernieuwing is al decennia lang onderwerp van discussie. Enerzijds is het noodzakelijk het bestuur aan te passen aan de veranderende omgeving, anderzijds is het belangrijk af te wegen wat de waarde van bestaande instituties, gebruiken en regels is en of deze gemist kunnen worden. Aanleiding voor discussie over bestuurlijke vernieuwing is onder andere de lage opkomst bij de verkiezingen, de beperkte ledenaantallen van politieke partijen en burgers die zich onvoldoende betrokken voelen bij wat er in het «Haagse» of in de eigen gemeente of provincie gebeurt.

In het hoofdlijnenakkoord zijn afspraken gemaakt over twee specifieke onderwerpen: de wijziging van het kiesstelsel en de invoering van de gekozen burgemeester.

Naast deze twee specifieke onderwerpen zijn er meer mogelijkheden voor bestuurlijke vernieuwing, bijvoorbeeld het behouden danwel vergroten van de burgerparticipatie. De tijdelijke referendumwet blijft bestaan tot de in de wet opgenomen expiratiedatum van 1 januari 2005. Het oordeel van beide Kamers in tweede lezing over het correctief wetgevingsreferendum wordt afgewacht. In het GSB wordt in de volgende convenantsperiode (2005–2009) de nadruk gelegd op de betrokkenheid van mensen bij hun eigen wijk en buurt.

De in 2002 respectievelijk 2003 ingevoerde dualisering van het gemeente- en provinciebestuur zullen worden geëvalueerd. Wettelijk is vastgelegd dat de eindrapportage van de evaluatie dualisering gemeentebestuur voor 1 januari 2005 en de evaluatie dualisering provinciebestuur voor 1 januari 2006 dient te worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Doelstelling van de evaluatie is te inventariseren hoe de structuurwijziging is geïmplementeerd, welke effecten die heeft en of de effecten beantwoorden aan de doelstelling die bij het begin van de dualisering is geformuleerd.

Het wetsvoorstel Bestuur in stedelijke regio's zal worden ingetrokken. Voor een goede aanpak van de grootstedelijke problematiek en om te kunnen inspelen op nieuwe kansen en mogelijkheden in stedelijke gebieden, zal worden gekomen tot een WGR-plus. In 2004 zal het kabinet een voorstel voor een aangescherpte Wet gemeenschappelijke regelingen aan de Kamer doen toekomen.

Wijziging kiesstelsel

Het kabinet stelt zich tot doel een betere werking van de parlementaire democratie. Een herziening van het kiesstelsel kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. De discussie over het meest wenselijke kiesstelsel kent een lange geschiedenis. Vele varianten zijn besproken en afgewezen. De coalitiepartijen hebben in het hoofdlijnenakkoord een duidelijke afspraak vastgelegd: nog deze kabinetsperiode zal het nieuwe stelsel worden ingevoerd, voor het zomerreces van 2004 wordt een wetsvoorstel aan de Raad van State worden aangeboden.

Uitgangspunt van verandering is een sterkere nadruk op het eigen mandaat van de individuele volksvertegenwoordiger. Dit kan door een deel van de leden van de Tweede Kamer te laten kiezen via een eigen «arena» in de vorm van een district. Kandidaten verkrijgen stemmen op basis van hun plaatselijke of regionale bekendheid. Deze wijze van stemmen kan een nauwere band tussen burger en volksvertegenwoordiger bewerkstelligen: de burger kan de volksvertegenwoordiger directer aanspreken, de volksvertegenwoordiger is in staat contact te onderhouden met de burgers uit de eigen regio. Het andere deel van de leden van de Tweede Kamer kan worden gekozen via landelijke lijsten die partijen samenstellen.

Twee belangrijke voorwaarden voor een voorstel tot wijziging van het kiesstelsel zijn: het nieuwe kiesstelsel blijft binnen de grondwettelijke uitgangspunten van evenredige vertegenwoordiging en het aantal van 150 kamerzetels blijft behouden. De evenredige vertegenwoordiging kan worden behouden door de zetels te verdelen op basis van het totaal aantal, in het gehele land, uitgebrachte stemmen op een partij.

Een andere wijze om de kiezer meer mogelijkheden te bieden om van zijn rechten gebruik te maken is plaatsonafhankelijk maken van het stemproces. Het project Kiezen op Afstand (KOA) werkt toe naar twee verschillende experimenten die gehouden worden bij de verkiezing voor het Europees Parlement in juni 2004.

Invoering direct gekozen burgemeester

Het lokaal bestuur is van grote waarde. De gemeenten hebben een uitgebreid pakket van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden die de burger direct raken. Het lokaal bestuur staat het dichtst bij de burger. De burgemeester heeft daarin een vooraanstaande positie. Omgekeerd is de gemeente voor de burger het meest toegankelijk en het beste aanspreekbaar. De huidige wijze van benoemen van de burgemeester is onduidelijk, de positie van de burgemeester in het bestuur past niet meer.

De burger heeft nagenoeg geen bemoeienis met de benoeming van de belangrijkste bestuurder van zijn of haar gemeente. Door de burger de burgemeester te laten kiezen kan een binding tot stand worden gebracht. Dit versterkt de lokale democratie èn de kracht van het lokaal bestuur. De politiek komt dichter bij de burger. Het lokaal bestuur krijgt een herkenbare leider. Herkenbaar doordat in de verkiezingsstrijd de kandidaten duidelijk moeten maken wie ze zijn en welke plannen zij hebben voor de gemeente. Herkenbaar ook in de leiding en sturing van het dagelijks gemeentebestuur.

Voor veel burgers is de burgemeester het gezicht van het lokaal bestuur. Zijn feitelijke bevoegdheden en rol binnen het gemeentebestuur komen echter niet overeen met verwachtingspatroon dat ten aanzien van de burgemeester bestaat. De staatscommissie Dualisme en lokaal bestuur signaleerde dat de burgemeester vooral een teamleider is die zich bezig houdt met het begeleiden van processen. Zijn directe invloed op de inhoudelijke aspecten van het gemeentebestuur is in veel gemeenten beperkt. Zowel de huidige rol van de burgemeester binnen het lokaal bestuur als de benoemingswijze vormen aanleiding te komen tot het voorstel van de direct gekozen burgemeester.

Na aanvaarding van de Grondwetsherziening betreffende deconstitutionalisering – het uit de grondwet halen van de kroonbenoeming van de burgemeester – is de invoering van een direct door de bevolking gekozen burgemeester binnen de constitutie mogelijk.

Het vorige kabinet heeft een verkennende notitie «Invoering direct gekozen burgemeester» (Kamerstukken II 2002/2003, 28 759, nr. 1) aan de Kamer gezonden. In aanvulling hierop zal in het najaar een beleidsnotitie naar de Kamer worden gezonden waarin de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties zijn visie op de gekozen burgemeester zal toelichten: een «zware» burgemeester binnen de grenzen van de constitutie. Te maken keuzes betreffen bijvoorbeeld het geven van de formateursrol aan de burgemeester, het verlenen van een voordrachtsrecht ten aanzien van wethouders, de bevoegdheid tot het geven van richtlijnen en het verzwaren van het eigen domein van de burgemeester. Het betreft dus zowel de rol van de burgemeester binnen het college van burgemeester en wethouders als zijn rol ten opzichte van de gemeenteraad. Doel van de beleidsnotitie is spoedig met de Tweede Kamer te discussiëren over de vormgeving van de gekozen burgemeester opdat het in het hoofdlijnenakkoord gestelde tijdpad kan worden gehaald. In het hoofdlijnenakkoord is vastgelegd dat in juni 2004 een wetsvoorstel strekkende de invoering van de rechtstreeks door de bevolking gekozen burgemeester aan de Raad van State moet worden aangeboden.

Gelijktijdig aan de behandeling van het wetsvoorstel direct gekozen burgemeester zal worden gewerkt aan de ontwikkeling van een succesvolle praktische invoering van de direct gekozen burgemeester. Daartoe zal ondermeer een helpdesk voor burgemeesters en gemeenten worden opgezet.

Modernisering overheid

De overheid wordt veelal gezien als een groot, log, bureaucratisch, verkokerd en ondoorzichtig geheel. Dit beeld gaat niet altijd op, maar komt wel te vaak op het netvlies.

Burgers zijn anno 2003 aanmerkelijk mondiger dan vroeger. Ze verlangen een goede serviceverlening van de overheid waarbij betrouwbaarheid, kwaliteit, betrokkenheid en transparant handelen belangrijk zijn. Indien zij dit niet ontmoeten zijn zij in staat dit ook aan te vechten; de burger blijkt de weg naar bijvoorbeeld het bestuursrecht goed te kennen. De overheid wordt tegelijkertijd geconfronteerd met een enorme toename van het aantal te verwerken vragen en verzoeken van de burger met een enorme regellast om de zorgvuldigheid van haar handelen te waarborgen. De minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties zal een overheidsbrede operatie modernisering overheid initiëren. Overheidsbreed impliceert de betrokkenheid van alle ministeries, uitvoeringsorganisaties en mede-overheden. Samen met de minister van Justitie zal de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties een visie ontwikkelen op een effectieve overheid binnen de moderne rechtstaat. Daarin worden de verantwoordelijkheden van overheid en burger (waaronder maatschappelijke instellingen) opnieuw gedefinieerd en verbonden aan de betekenis van wetgeving, toezicht en rechtsbescherming in een moderne en internationale samenleving.

De operatie zal drie grote lijnen kennen: de relatie tussen de overheid en de burger, de organisatie en werkwijze van de rijksoverheid zelf en de relatie tussen rijksoverheid en medeoverheden.

De burger staat voorop. De modernisering van de overheid moet niet een intern gerichte exercitie worden; het resultaat voor de burger dient voorop te staan. Het resultaat moet zijn een door de burger ervaren toegankelijke, dienstverlenende en efficiënte overheid.

De overheid dient toegankelijk te zijn voor de burger. Hierbij kan de elektronische overheid een belangrijke rol spelen. Alle relevante overheidsinformatie en -diensten dienen op termijn voor burgers en bedrijven beschikbaar te zijn via het internet. De streefwaarde voor 2004 is dat minimaal 45% van de publieke dienstverlening elektronisch beschikbaar is. Hierbij staat een vraaggerichte benadering centraal. Daarnaast staat eind 2004 80% van de democratische basisinformatie op internet.

De overheid dient niet alleen toegankelijk te zijn, maar ook dienstverlenend. In samenwerking met enkele grote uitvoeringsorganisaties wordt een kwaliteitsagenda ontwikkeld. Doel van de deze agenda is te komen tot een verbeterde dienstverlening aan de burger.

Behalve een toegankelijke overheid wenst de burger een efficiënte overheid. Mensen willen niet keer op keer hun basale gegevens invullen op elk formulier van de gemeente of andere overheidsinstanties: eenmalige gegevensverstrekking! Er zal een actie worden opgezet om deze en andere administratieve lasten voor burgers in kaart te brengen en de mogelijkheden voor reductie te bezien. De doelstelling is de administratieve lasten met 25% te verminderen. In deze actie zal niet alleen het aandeel van het ministerie van BZK worden opgenomen, maar ook het aandeel van de andere ministeries. De actie zal waar mogelijk gebruik maken van de ervaring en expertise van het project vermindering administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Modernisering GBA

Voor de uitvoering van uiteenlopende publiekrechtelijke taken is beschikbaarheid van juiste en volledige persoonsgegevens van burgers noodzakelijk. Het huidige GBA-stelsel dat in 1994 is ingevoerd is – met name in technologische zin – verouderd. Er moet een volledig online GBA-stelsel komen. Vooruitlopend hierop is in 2003 een Landelijk Raadpleegbare Deelverzameling (LRD) op de GBA ingericht, hiermee kan een deel van de GBA-gegevens online worden bevraagd. In 2004 zullen op basis van de uitkomsten van een in 2003 uitgevoerde impactanalyse naar de gevolgen van een verregaande standaardisatie van de GBA-systemen bij gemeenten de hiervoor noodzakelijke activiteiten in gang worden gezet.

De «Haagse» overheid zal zichzelf tegen het licht houden. Enkele voorbeelden van concrete projecten die de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties in 2004 zal vorm geven zijn: het inzichtelijk maken van de uitvoering van de volumetaakstellingen, de hardnekkige groei van de uitgaven voor inhuur van externen omzetten in een neerwaartse lijn, de organisatie en werkwijze van de rijksdienst tegen het licht houden en voorstellen doen om de departementale verkokering tegen te gaan en de politieke sturing te verbeteren, en het opstellen van een plan van aanpak voor de uitwerking van het Shared Service Center HRM. Tevens zullen de zelfstandige bestuursorganen, gedeconcentreerde rijksdiensten en het stelsel van adviesraden onderworpen worden aan een onderzoek betreffende taken, werkwijze en omvang.

Tot slot de relaties tussen overheden. Twee concrete projecten op dit terrein zijn de opschoning van specifieke uitkeringen en het verminderen van de bureaucratie binnen het grotestedenbeleid. Overheden kunnen minder tijd kwijt zijn aan elkaar door deregulering en het terugdringen van bestuurslasten bij (decentrale) overheden. In 2003 is in het Overzicht Specifieke Uitkeringen (OSU) geconstateerd dat specifieke uitkeringen niet altijd een heldere taakverdeling tussen rijk en decentrale overheden als grondslag hebben. Bovendien is niet altijd het nut van bepaalde bestuurslasten aangetoond. De minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties wil in 2004 aan de hand van het OSU het bestaansrecht van specifieke uitkeringen beoordelen. Inzichtelijk zal worden gemaakt welke specifieke uitkeringen kunnen worden gebundeld en welke naar het gemeente- of provinciefonds overgeheveld kunnen worden. Op deze manier kan meer autonomie voor gemeenten en een beperktere controlelast voor de rijksoverheid worden gerealiseerd.

Grotestedenbeleid

Binnen het grotestedenbeleid (GSB) zetten steden en Rijk de komende periode gezamenlijk in op een forse ontbureaucratisering teneinde de problemen in de grote steden in samenhang te kunnen aanpakken. Het grotestedenbeleid stelt burger centraal, in plaats van de regels en de regelingen en de instellingen die deze uitvoeren. In het GSB krijgt de moderne overheid dus bij uitstek gestalte. In de nieuwe convenantsperiode 2005 tot en met 2009 zal een belangrijke stap gezet worden naar minder bureaucratie en meer tastbare resultaten in de steden en wijken door onder andere:

– de grote verscheidenheid aan beleidskaders en -doelstellingen waaraan de grote steden moeten voldoen, te vereenvoudigen en te integreren in gezamenlijk GSB-beleidskader voor de periode 2005–2009 (GSB III) en te vertalen in één geïntegreerde monitor;

– in maatwerkconvenanten meerjarige meetbare afspraken te maken tussen steden en Rijk, waar de stad aanspreekbaar en afrekenbaar op is en waartoe het rijk hen faciliteert;

– de rijksbijdragen voor het GSB te bundelen in brede doeluitkeringen met meer bestedings- en beleidsruimte voor steden zodat zij resultaatgerichter te werk kunnen gaan;

– voor de periode GSB II tot aan de start van GSB III ondersteunt een expertteam de steden bij het wegnemen van belemmeringen voor een snelle uitvoering van maatregelen. Voor de langere termijn heeft het Kenniscentrum Grote Steden een innovatieprogramma ontwikkeld, dat in 2004 zal worden gestart.

Ook een reeds bestaand instrument als het «bestuursakkoord» zal een vervolg krijgen.

Het voortzetten van een goede interbestuurlijke samenwerking met VNG/gemeenten en IPO/provincies kan bijdragen aan een efficiëntere samenwerking tussen overheden. Het kabinet wil een vervolgbestuursakkoord met VNG en IPO opstellen waarin diverse acties bijeenkomen vanuit twee invalshoeken: ruimte bieden aan medeoverheden (kwaliteit openbaar bestuur) en inhoudelijke resultaatsafspraken op vooral het fysieke terrein. Het halfjaarlijkse Overhedenoverleg onder leiding van de minister-president wordt benut om knelpunten en actuele onderwerpen te bespreken.

In het najaar zal een kort en bondig programma modernisering overheid gereed zijn en door de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer worden gezonden. Het zal een korte analyse van het probleem bevatten, een omschrijving van de uit te voeren activiteiten in de tijd evenals een beschrijving van de samenhang tussen de verschillende activiteiten. Uiteindelijk is het een kwestie van doen!

Aansluittabel

Onderstaand overzicht geeft per beleidsthema de intensiveringen uit het hoofdlijnenakkoord weer zoals die in deze ontwerp-begroting 2004 zijn opgenomen. Voorts worden de ombuigingen uit het hoofdlijnenakkoord die neerslaan op de BZK-begroting en overige beleidsintensiveringen vermeld. In B.2.2. De artikelen vindt een nadere onderbouwing plaats aan de hand van de www-vragen.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties (x € 1 000)
Uitgaven200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 20034 917 3804 742 8174 660 1144 663 2784 718 7324 718 732
Nota van wijziging 2003– 147 994-20 97469 882132 672145 673145 673
Amendement 2003– 20 000     
1e suppletore begroting 2003318 750216 876183 227196 563188 341211 141
Nieuwe mutaties:– 87 11228 139– 45 211– 14 4823 66917 077
Uitgavenverhogingen Hoofdlijnenakkoord6 40037 70055 60063 10070 60070 600
1. BZK-aandeel in veiligheidsenveloppe (art. 2.2) 22 50037 50045 00052 50052 500
2. Cie Van der Haak (div. art.)6 40015 20018 10018 10018 10018 100
Ombuigingen Hoofdlijnenakkoord– 823– 74 614– 107 655– 110 743– 114 301– 115 503
1. Efficiency politie – 30 000– 50 000– 50 000– 50 000– 50 000
2. Arbeidsmarkt en informatiebeleid – 37 000– 45 000– 45 000– 45 000– 45 000
3. Vermindering inhuur externen– 700– 3 641– 4 816– 4 816– 4 816– 4 816
4. Efficiency door aanpak ziekteverzuim politie – 1 786– 3 571– 5 357– 7 143– 7 143
5. Generieke subsidietaakstelling– 123– 985– 1 764– 1 764– 2 134– 2 134
6. Efficiencytaakstelling departement – 722– 1 444– 2 166– 2 888– 3 610
7. Efficiencytaakstelling baten-lastendiensten – 480– 960– 1 440– 1 920– 2 400
8. Doorwerking WW  – 100– 200– 400– 400
Overige mutaties– 92 68965 0536 84433 16147 37061 980
Stand ontwerp-begroting 20044 981 0244 966 8584 868 0124 978 0315 056 4155 092 623

2.2. De artikelen

BELEIDSARTIKEL 1: GRONDWET EN DEMOCRATIE

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van het goed functioneren van de democratische rechtsstaat en het constitutioneel bestel, zoals deze onder meer zijn neergelegd in de Grondwet, het Statuut en Europese en internationale verdragen.

Deze algemene beleidsdoelstelling Grondwet en democratie wordt ingevuld aan de hand van onderstaande aandachtsgebieden. De minister van BZK is verantwoordelijk voor het leveren van de inspanningsverplichting die aan deze doelstelling is verbonden. Deze inspanningsverplichting wordt in onderstaande in concrete activiteiten beschreven. Echter, de minister van BZK is niet eindverantwoordelijk voor de te bereiken doelstelling aangezien deze door (externe) factoren, zoals maatschappelijke ontwikkelingen, de media en internationale ontwikkelingen, wordt beïnvloed.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

De algemene beleidsdoelstelling wordt in de begroting niet verder uitgewerkt naar operationele doelstellingen. Wel kunnen per aandachtsgebied het beoogde effect en de daartoe te verrichten activiteiten genoemd worden.

Wat willen we bereiken?

A. Verwezenlijking en ontwikkeling grondrechten.

B. Actueel constitutioneel bestel, dat inspeelt op de ontwikkelingen.

C. Het algemeen democratisch proces bevorderen.

D. Handhaven en verbeteren van het bestuursrecht.

E. Bijdragen aan internationale constitutionele ontwikkelingen.

Wat gaan we daarvoor doen?

A. De discussie over de werking van grondrechten, met name in de verhouding tussen burgers onderling, krijgt in onze pluriforme samenleving veel aandacht. Vragen worden gesteld over de verhouding tussen verschillende grondrechten, bijvoorbeeld over de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod. De regering heeft een notitie over grondrechten in de pluriforme samenleving (GPS) opgesteld. Aan de hand van de discussie over de notitie kunnen in 2004 voorstellen worden ontwikkeld met betrekking tot de vraag of de verankering van grondrechten en hun onderlinge verhoudingen aan herijking toe is. Wat betreft de regelgeving inzake gelijke behandeling is van belang dat, na de implementatie van EG-richtlijnen, de inzichtelijkheid van de regelgeving moet worden vergroot. Daarnaast dient de regelgeving onderling beter te worden afgestemd. Toegezegd is in dit verband, ter verbetering van de inzichtelijkheid en afstemming, in elk geval enkele wetten in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) te integreren. In 2003 is onderzoek gepleegd naar de wijze waarop dit het beste kan gebeuren. De gedachtevorming over de gevolgen van ICT en grondrechten moet na besluitvorming over de aanbevelingen van de commissie-Franken verder worden gebracht. Met name verdient aanpassing van het brief- en telefoongeheim aan nieuwe ontwikkelingen bijzondere aandacht. De vraagstukken die hiermee verbonden zijn, zullen ook in het kader van de Raad van Europa (RvE) aan de orde worden gesteld. De intensivering van de politieke aandacht voor de betekenis en de onderlinge verhouding van grondrechten kan niet los worden gezien van het maatschappelijke debat over waarden in normen in de Nederlandse samenleving. Verschillende BZK activiteiten in het kader van waarden en normen in het onderlinge verkeer tussen burgers in de publieke ruimte, waaronder een campagne ter versterking van het veiligheidsbewustzijn en investeren in burgerschap, worden voortgezet.

B. De versterking van het democratische en rechtstatelijke functioneren van Nederland staat in de belangstelling.

Een visie op de modernisering van hoofdstuk 7 van de Grondwet wordt ontwikkeld, in samenhang met de afronding van de tweede lezing van de grondwetswijziging inzake de aanstellingswijze van de burgemeester en de besluitvorming over de kabinetsnotitie over de gekozen burgemeester. Hiernaast zal naar verwachting in 2004 de behandeling van nog drie grondwetswijzigingsvoorstellen worden afgerond (al dan niet in tweede lezing aanvaard) namelijk met betrekking tot de tijdelijke vervanging van volksvertegenwoordigers wegens zwangerschap, bevalling en ziekte; inzake de invoering van het correctief referendum en artikel 23 (samenwerkingsschool).

Gezien het belang van een transparant functionerende overheid is de werking van de Wet Openbaarheid van Bestuur (Wob) in de praktijk in 2003 geëvalueerd. Deze evaluatie die bedoeld is om knelpunten, die zich voordoen in de praktijk, in beeld te brengen zal waarschijnlijk tot een voorstel tot wetswijziging leiden.

Voor wat betreft de discussie over de opheffing van het constitutioneel toetsingsverbod geldt dat de discussie hierover reeds loopt door het initiatiefwetsvoorstel van Groen Links. Bij de behandeling van dit initiatiefvoorstel wordt een standpunt voorbereid; vooralsnog wordt aangesloten bij de regeringsnota. Gewacht wordt op een reactie van Groen Links op het advies van de Hoge Raad over het wetsvoorstel dat op 18 januari 2002 is aangeboden (kamerstukken II, 2002/2003, 28 331, nr 5). De Tweede Kamer heeft ook advies gevraagd aan de Raad voor de Rechtspraak.

Gedachtevorming over actualiseren van het Statuut is wenselijk; in het kader van de viering van 50-jaar Statuut in 2004 zal hieraan aandacht worden besteed.

C. Verkiezingen vormen een onmiskenbaar onderdeel van het democratisch proces. In het jaar 2004 worden op 10 juni de verkiezingen voor het Europees Parlement (EP) gehouden. Vijf jaar geleden kenden deze verkiezingen een dramatische lage opkomst van 29,9%. In samenwerking met het voorlichtingsbureau van het EP in Nederland en met BuiZa zal een voorlichtingscampagne worden gehouden. Op zich past overigens bescheidenheid voor wat betreft de invloed van een voorlichtingscampagne op het opkomstpercentage. Om de algemene belangstelling voor de Europese politiek te stimuleren wordt samengewerkt met de voorlichtingscampagne over het Nederlands voorzitterschap in 2004.

In 2003 is de evaluatie van het verloop van en de voorlichtingscampagne rondom de in 2002 en in 2003 gehouden verkiezingen afgerond. De rapportage hierover zal met de Tweede Kamer wordt besproken en zeer waarschijnlijk als gevolg daarvan uiteindelijk resulteren in wijziging van de Kieswet.

In het hoofdlijnenakkoord is de invoering van een nieuw kiesstelsel afgesproken dat voor het eerst zal gelden bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2007. Het stelsel zal worden ingevoerd in de periode 2004–2007. In 2003 wordt begonnen met het onderzoek naar mogelijke variaties.

Daarnaast wordt uitvoering aan de Tijdelijke referendumwet (Trw) gegeven. Aangezien in het hoofdlijnenakkoord voor het kabinet Balkenende II is afgesproken dat het wetsvoorstel tot intrekking van de Trw wordt ingetrokken, gaat de uitvoering van de Trw tot de expiratiedatum (1 januari 2005) door. Het oordeel van beide Kamers in tweede lezing over de grondwetsherziening inzake de invoering van het correctief referendum wordt afgewacht.

D. De effectiviteit van het bestuur en de rechtsbescherming van de burger staan centraal in de handhaving en verbetering van het bestuursrecht. In 2003 wordt een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de praktijk van het intern klachtrecht, waarna een kabinetsstandpunt wordt vastgesteld. Daarnaast wordt de wetgeving voor het extern klachtrecht afgerond, zo mogelijk in 2004. Een breder onderzoek zal plaatsvinden naar de toepassingspraktijk van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vierde tranche van de Awb en de Tweede evaluatiewet Awb worden afgerond en het werkprogramma van het kabinetsstandpunt over de tweede evaluatie van de Awb wordt vervolgens uitgevoerd.

E. De grenzen tussen nationaal en Europees constitutioneel recht zullen steeds verder vervagen. Bovenstaande aandachtsgebieden kennen alle een internationaal aspect. Daarnaast zijn nog enkele andere onderwerpen van belang. In 2003 is een studie verschenen naar de procedure van goedkeuring van verdragen die van de Grondwet afwijken (art. 91 derde lid GW). Een kabinetsstandpunt zal hierover worden opgesteld.

Een bijdrage wordt geleverd aan de discussie over de toekomst van het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM). Bovendien zal de monitoring worden verbeterd van EHRM-uitspraken.

In 2003 is in de conventie gesproken over een grondwettelijk verdrag waarin de toekomstige structuur en bevoegdheden van de Europese Unie zijn opgenomen. In 2004 zal een bijdrage worden geleverd aan het Nederlandse standpunt op de IGC (follow up op Conventie) over de Europese Grondwet.

Overzicht prestatiegegevens
DoelstellingenEffectindicatorenPrestatie-indicatorenBasiswaardeThroughputStreefwaarde
Verwezenlijking en ontwikkeling grondrechten.Democratische samenleving, waarin grondrechten een belangrijke rol spelen.Gelijkheids- beginsel/gelijke behandeling.Huidige incidentele regeling gelijk- heidsbeginsel. Huidige beleving waarden en normen, zoals in belevingsmonitor.Debatreeks over GPS. Congres RvE/GPS. Evaluatie Alge- mene Wet Gelijke Behandeling. Deelname onderhandelingen in Brussel en Straatsburg. Investeren in burgerschap. Campagne Veilig- heidsbewustzijn.Tijdige, juiste en volledige uitbrei- ding en vernieuwing Algemene wet gelijke behandeling = emancipatie en gelijkwaardigheid van mensen en groepen in de samenleving. Herstel waarden en normen.
      
Actueel constitutioneel bestel, dat inspeelt op de ontwikkelingen.Modern constitutioneel bestel, passend in de huidige samenleving, die aan wijziging onder- hevig is als gevolg van ontwikkelingen in NL, EU, RvE en rest van de wereld.ICT ontwikkelingen in de Grondwet. Link met dualisering. Betrouwbare overheid. Transparantie overheid. Aantal malen dat een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur wordt gedaan.Huidige Statuut en Grondwet. Huidige inrichting overheid. Onderzoek Nationale Ombudsman klachtenbehande- ling 2003.Evaluaties, Cie rapporten, diverse adviezen, Grond- wetswijzigings- voorstellen. Wensen politiek. Evaluatie en aanpassing Wet openbaarheid van bestuur. Wetsvoorstel constitutionele toetsing. Actueel houden Wet Nationale ombudsman en begeleiden onder- zoek. Evaluatie Statuut 50 jaar.Modernisering hoofdstuk 7 Grond- wet. Invoering toetsingsrecht. Wijziging art. 23 Grondwet. Vervanging zieke of zwangere volksvertegenwoordigers. Wettelijk stelsel zelfstandige bestuursorganen. Minder gegronde klachten bij Natio- nale ombudsman tav onderzoek 2003.
      
Het algemeen democratisch proces bevorderen.Hogere deelname aan de democratie/democratische Instellingen. Opkomst bij verkiezingen. Sterkere binding kiezer en geko- zene.Kennisniveau verkiezingen. Betrokkenheid. Geordend verkie- zingsproces. Verandering kies- stelsel. Openbaarheid en Toegankelijkheid. Aantal ingediende verzoeken Tijdelijke referen- dumwet.Huidig kennisniveau kiezers voor- afgaand aan start campagne. Procedures beschreven in Kieswet en Kiesbesluit. Huidig kiesstelsel.Voorlichtingscampagne PB 51. Circulaires. Belevingsmonitor volgen. Website Tijdelijke referendumwet onderhouden. Project invoering nieuw kies- stelselGrotere betrokkenheid en Opkomst kiezers bij verkie- zingen, meer kennis over stemrecht. Uitvoering cf voor- geschreven proce- dures.
      
Handhaven en verbeteren van het bestuursrecht.Effectiviteit van het bestuur en rechts- bescherming van de burger.Evenwichtig bestuursrecht, dat voldoet aan de eisen van de tijd.Huidige Algemene wet bestuursrecht, zoals geëvalueerd in 2002, en aanbe- velingen.Financiering en begeleiding evaluaties Algemene wet bestuursrecht. Deelname Cie Scheltema. Wetsvoorstellen.Aanvullingen Algemene wet bestuursrecht, als de bestuurlijke boete, elektronisch verkeer, extern klachtrecht en samenhangende besluiten. Evaluatie intern klachtrecht.
      
Bijdragen aan internationale constitutionele ontwikkelingen.Democratisch gehalte van Europa. Hogere deelname aan Europese democratie.Europese con- ventie. Eenvormig Euro- pees kiesrecht. Europese verkie- zingen.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Beperkte nationale regelingen. Huidig kennisniveau kiezers.Detachering bij Buitenlandse Zaken. Onderhandelingen in Brussel en Straatsburg. Deelname Euro- pese conventie. Voorlichtingscampagne EP verkiezingen PB 51.Totstandkoming Europese conventie. Monitoren uit- spraken EHRM. Kabinetsstandpunt procedure goed- keuring verdragen die afwijken van GW.
Overzicht beleidsevaluatie
AandachtsgebiedOnderzoekStart(verwacht) Einde
Verwezenlijking en ontwikkeling grondrechten.Evaluatie Algemene Wet Gelijke Behandeling 2004.01/200406/2005
    
Actueel constitutioneel bestel dat inspeelt op de ontwikkelingen.Evaluatie Statuut (koninkrijksrelaties).Werking en knelpunten van de Wet openbaarheid van bestuur.01/200406/200312/200412/2003
 Werking wet parlementaire enquête (in samenwerking met Tweede Kamer).09/200312/2003
    
Het algemeen democratisch proces bevorderen. Niet-stemmers bij verkiezingen.06/200104/2002
 Evaluatie verkiezingen 2002.03/200206/2002
 Evaluatie campagne Voorlichting verkiezingen 2003.12/200206/2003
 Evaluatie deelname verkiezingen Nederlanders in buitenland.05/200310/2003
    
Handhaven en verbeteren van het bestuursrecht.Evaluatie Awb (2003).06/200302/2004
 Evaluatie onderzoek naar regeling intern klachtrecht in de Awb.05/200312/2003
 T.b.v. evaluatie bijhouden referenduminitiatieven o.g.v. Tijdelijke referendumwet.01/200201/2003
Bijdragen aan internationale constitutionele ontwikkelingen.Procedure goedkeuring van verdragen die afwijken van de GW.12/200206/2003

Wat mag het kosten?

De uitgaven bestaan voornamelijk uit apparaatskosten. Voor de voorlichtingscampagne van de verkiezingen van het Europees parlement in juni 2004 is € 1 mln beschikbaar.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
1: Grondwet en democratie2002200320042005200620072008
Verplichtingen8 0105 2625 8964 4405 7423 9123 912
1. apparaat8 0105 2625 8964 4405 7423 9 123 912
        
Uitgaven7 4936 7625 8964 4405 7423 9123 912
1. apparaat7 4936 7625 8964 4405 7423 9123 912
        
Ontvangsten3687000000

4. Budgetflexibiliteit

Artikel 1 Grondwet en democratie betreft uitsluitend apparaatuitgaven en heeft derhalve een minimale budgetflexibiliteit.

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

De werkzaamheden van een organisatorische eenheid op het gebied van Grondwet en democratie zijn weliswaar van belang voor het bereiken van de doelstellingen, maar de politieke en maatschappelijke omgeving zijn zo veelomvattend en dominant, dat de betreffende eenheid deze niet gericht kan aansturen. Omdat de eenheid op het gebied van Grondwet en democratie niet als enige eenheid daarop reëel afrekenbaar is, het is slechts een radertje in het geheel, kan niet worden gezegd dat met meer of minder middelen evenredig meer of minder resultaat kan worden geboekt. Dit alles wil slechts zeggen dat toepassing van VBTB op het beleidsterrein Grondwet en democratie forse krachtinspanning vergt, maar nog niet geheel is uitgekristalliseerd en voor verbetering vatbaar.

Het beleid op het terrein van Grondwet en democratie is sterk afhankelijk van de (politieke) buitenwereld. De beleidsagenda wordt derhalve in hoge mate door de politiek in brede zin beïnvloed. Politiek in brede zin bevat een aantal externe factoren die van invloed zijn op de beleidsagenda zoals maatschappelijke ontwikkelingen, de media en internationale ontwikkelingen. De belevingsmonitor wordt ingezet om de effecten van deze beïnvloeding te tonen.

De intentie om te gaan stemmen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement wordt voornamelijk beïnvloed door de gebeurtenissen in de Europese politiek en de algemene belangstelling daarvoor. Ook zeer belangrijk is de aandacht die in de media wordt besteed aan de verkiezingen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

Voor het jaar 2004 zijn de aandachtsgebieden (gebruikt om de algemene doelstelling nader toe te lichten) geherformuleerd, omdat de prestatiegegevens die hierbij zijn opgenomen te abstract zijn om goed inzicht te bieden in de beoogde output en de wijze waarop deze tot stand komt. De ontwikkelingen worden in ogenschouw genomen. Daar waar nodig zal de VBTB aanpak worden aangepast aan de eisen van de tijd.

BELEIDSARTIKEL 2: POLITIE

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van de randvoorwaarden voor een goed functionerende politieorganisatie waardoor zij in staat is het toezicht en de opsporing te versterken en een adequaat niveau van hulpverlening te bieden, en zodoende een bijdrage levert aan een veiliger samenleving.

De politie is er voor de veiligheid; door de uitvoering van haar wettelijke taken levert de politieorganisatie een bijdrage aan een veiliger samenleving. Het begrip veiligheid heeft een subjectieve en een objectieve component. De inzet van de politie richt zich op beide. De wijze waarop de politie zich manifesteert, bepaalt mede het gevoel van veiligheid bij de burger (subjectieve component). Parallel hieraan gaat het erom dat de politie het aantal overtredingen weet te beperken en de misdaad – waaronder terrorisme – weet terug te dringen en zoveel mogelijk te voorkomen (objectieve component).

Verantwoordelijkheid minister van BZK

Het Nederlandse politiebestel is decentraal van aard. De verantwoordelijkheidsverdeling kenmerkt zich door het uitgangspunt decentraal wat kan, centraal wat moet. Dat betekent dat de uitvoering van politietaken primair op regionaal en lokaal niveau plaatsvindt onder gezag van enerzijds de burgemeesters en anderzijds het Openbaar Ministerie (OM).

De minister van BZK is verantwoordelijk voor het doelmatig en doeltreffend functioneren van het politiebestel. Hij draagt zorg voor de beheersmatige randvoorwaarden waaronder de politieorganisatie functioneert (budgettair, juridisch, organisatorisch). Dit geldt zowel op regionaal niveau als op het bovenregionale en landelijke niveau. In de komende periode zal zijn beheersbevoegdheid worden versterkt. Hij is tevens korpsbeheerder van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).

Samen met de minister van Justitie formuleert de minister van BZK de centrale doelen van het politiebeleid. Het algemene veiligheidsbeleid is verwoord in de kabinetsnota Naar een veiliger samenleving (kamerstukken II, 2002/2003, 28 684, nr. 1), kortweg het Veiligheidsprogramma. Daarin staat benoemd welke organisaties op welke wijze bijdragen leveren aan het bereiken van de algemene veiligheidsdoelstellingen.

De speerpunten in het veiligheidsprogramma richten zich op het aanpakken van de stelselmatige dader (veelpleger) en van jeugdcriminaliteit, versterking van de opsporing en de handhaving, intensivering van het zichtbare toezicht en controle in de publieke ruimte, en intensivering van gerichte preventieprojecten.

De ministers van BZK en van Justitie hebben met de korpsbeheerders afspraken gemaakt over hun bijdrage aan de uitvoering van het Veiligheidsprogramma in het Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003–2006 (hierna: Landelijk Kader; kamerstukken II, 2002/2003, 28 824, nr 1), dat op 15 februari 2003 door de betrokken partijen is getekend. Het Landelijk Kader is uitgewerkt in convenanten met de afzonderlijke regiokorpsen. De tekening van de regioconvenanten zal in het najaar 2003 worden afgerond. De afspraken in het Landelijk Kader en in de regioconvenanten richten zich op het realiseren van drie doelstellingen:

A. het intensiveren van het toezicht en de handhaving;

B. versterking van de algemene criminaliteitsbestrijding;

C. verbetering van de doelmatigheid.

De ministers hebben met de korpsbeheerders ook afspraken gemaakt over de prestaties van de korpsen ultimo 2006. De korpsbeheerders leggen jaarlijks verantwoording af over het nakomen van de prestatieafspraken aan de minister van BZK. Informatie over de voortgang van de uitvoering van het Veiligheidsprogramma en het Landelijk Kader wordt opgenomen in het departementale jaarverslag BZK. Op deze wijze wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Cornielje (kamerstukken II, 2002/2003, 28 600 VI, VII, nr. 91), waarin de informatiewensen van de Tweede Kamer over de uitvoering van het Veiligheidsprogramma uiteen zijn gezet (zie ook de reactie op deze motie in de brief van de ministers van BZK en van Justitie: kamerstukken II, 2002/2003, 28 684, nr 8). Hieronder worden de drie doelstellingen voor de politie nader toegelicht.

A. De politie dient optimaal zichtbaar, bereikbaar en publieksgericht te zijn. Het toezicht en de handhaving worden gerichter uitgevoerd op plaatsen en tijdstippen waar een verhoogd risico op criminaliteit, geweld en overlast is te voorzien, en waarbij de politie indien nodig normhandhavend optreedt. Het gezag in het publieke domein wordt aldus versterkt. De onderstaande indicatoren meten de mate waarin de politie bereikbaar is voor de burger en beschikbaar is op het moment dat dit nodig is, de publieksgerichtheid van de politie en het feitelijk normhandhavend optreden in het publiek domein. De indicatoren maken inzichtelijk in welke mate de politie slaagt in het bereiken van de verbetering van de objectieve veiligheid.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Intensivering toezicht en handhaving toezicht Telefonische bereikbaarheid1.pmpm
 Beschikbaarheid2.4,3 (2002)4,7 (2006)
 Tevredenheid over politie optreden bij laatste politiecontact3.61,3 (2002)68,2 (2006)
 Aantal uit staande houdingen voortkomende boetes en transacties4.1 311 515 (2002)1 491 515 (2006)

1Het gaat om de daadwerkelijke bereikbaarheid van het landelijke telefoonnummer politie (LTP) en via het alarmnummer 1-1-2, en over de kwaliteit van de dienstverlening. Er wordt nog nader overleg gevoerd over de exacte beschrijving van de indicator, de basis- en streefwaarde en de bron.

2Bij deze indicator gaat het om de door de burger gepercipieerde beschikbaarheid van de politie in de eigen buurt. Deze indicator heeft als bron de Politiemonitor Bevolking.

3Bij deze indicator gaat het om de beleving van de burger over het functioneren van de politie bij het laatste politiecontact. Er wordt gestreefd naar een substantiële verbetering van het percentage van de bevolking dat zegt (zeer) tevreden te zijn over het laatste politiecontact. Deze indicator heeft eveneens als bron de Politiemonitor Bevolking.

4Elke burger moet zien en ervaren dat regels consequent worden gehandhaafd, vooral op het gebied van overlast en verstoring van de openbare orde die te typeren zijn als ergernissen in de directe omgeving. Dit zal leiden tot een stijging van het aantal boetes en transacties met circa 15% ten opzichte van 2002.

B. De criminaliteitsbestrijding wordt in zijn algemeenheid versterkt. De politie moet meer zaken opsporen, met daarbij de aanpak van (jeugdige) veelplegers en harde-kernjongeren als beleidsprioriteit. Alle aangiften van misdrijven worden in behandeling genomen en krijgen een adequate opsporingsinspanning die afhankelijk is van de zwaarte van het delict en de opsporingsindicatie. De politie pakt meer misdrijven aan, oplopend tot jaarlijks 80 000 (extra) in 2006. Hierbij is aangenomen dat dit leidt tot 40 000 extra verdachten naar het OM.

De opsporing van criminele illegale vreemdelingen en verdachten van gerelateerde misdrijven (zoals mensensmokkel en mensenhandel) moet verbeteren. Daarvoor wordt ook het operationele vreemdelingentoezicht geïntensiveerd.

Internationale rechtshulpverzoeken moeten een adequaat vervolg krijgen. Zij moeten in ieder geval worden geregistreerd en adequaat in behandeling worden genomen. De onderstaande indicatoren maken inzichtelijk in welke mate de politie slaagt in het bereiken van de doelstellingen.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Versterking opsporingAantal verdachten naar OM1219 599 (2002)259 599 (2006)
 Intensivering vreemdelingentoezicht2pmpm
 Staande houdingen op grond van art. 50 vreemdelingenwet 20002pmpm
 % Rechtshulpverzoeken dat tijdig wordt afgehandeld3pm100% (2006)

1Het gaat hierbij om het aantal verdachten waarvan de politie proces-verbaal naar justitie stuurt.

2Deze indicator betreft de gewenste intensivering van het toezicht op de aanwezigheid van (criminele) illegale vreemdelingen. Er wordt nog nader overleg gevoerd over de exacte beschrijving, de basis- en streefwaarden en de bron(nen). Naar verwachting zal dit in 2003 zijn afgerond.

3De exacte inhoud, basiswaarde, streefwaarde en bron van deze indicator zijn nog in ontwikkeling. Naar verwachting zal dit in 2003 zijn afgerond.

C. De derde politiedoelstelling uit het Landelijk Kader betreft de verbetering van de doelmatigheid van het politieapparaat. Dat wil zeggen: het optimaliseren van de verhouding tussen het prestatievermogen van de politie enerzijds en de inzet van mensen en middelen anderzijds. Met de korpsen is een verbetering van de doelmatigheid met 5% afgesproken in de periode 2003–2006, in te zetten voor het primaire proces. Dit betekent voor alle korpsen samen het vrijspelen van circa 2 550 fte ten gunste van de primaire politietaken binnen de beschikbare capaciteit. In het Landelijk Kader en de regionale convenanten is tevens vastgesteld dat elk korps een gelijke bijdrage aan deze doelstelling levert van 5% van zijn eigen sterkte in 2002. Deze bijdrage en de wijze waarop het hiertoe wil komen wordt onderbouwd in een plan van aanpak dat in 2003 aan de minister van BZK wordt aangeboden. De korpsen zijn vrij in de wijze waarop zij deze doelstelling invullen. Om de korpsen te faciliteren bij het opstellen en invullen van dit plan van aanpak wordt in opdracht van de Raad van Hoofdcommissarissen door een werkverband waarin zowel de korpsen, het NPI en BZK zijn vertegenwoordigd een modelplan van aanpak opgesteld, dat aan de korpsen zal worden uitgereikt. In dit plan worden, conform het Landelijk Kader, samenhangende maatregelen (waaronder de optimalisatie van capaciteitsmanagement) genoemd. Om de startsituatie voor de doelmatigheidsverbetering in kaart te kunnen brengen zal BZK in 2003 een nulmeting doen.

In het Hoofdlijnenakkoord is een taakstelling van € 57 mln opgenomen wegens doelmatigheid en ziekteverzuim. Deze taakstelling zal de sterktedoelstelling niet aantasten. De invulling wordt gezocht in gezamenlijke inkoop, verder standaardiseren van ICT en een lagere collectieve ongevallenpremie. Op termijn kan worden gedacht aan het politieonderwijs en aan doorberekening van de kosten van politie-inzet bij commerciële manifestaties.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
DoelmatigheidAantal fte vrijgespeeld voor primaire taken0 fte2 550 fte
  (31-12-2002)(31-12-2006)

Sterkte

Het Veiligheidsprogramma (en het Landelijk Kader) gaat uit van een sterktegroei met 4 000 fte in de periode 2003–2006 bij de regionale korpsen en het KLPD. Dit aantal is inclusief de 1 000 fte van de zogenaamde doorstart in 2002. Voor deze groei ontvangen de korpsen extra budget, dat oploopt tot structureel € 255 mln vanaf 2006. Door verlenging van de nieuwe politieopleiding zal deze sterktegroei in 2010 volledig zijn geëffectueerd. Rekening houdend met een aantal overige ontwikkelingen (overheveling taken naar de IND, vermindering aantal asielprocedures), komt de sterkte daarmee uit op circa 54 600 fte in 2010.

Onderstaande grafiek geeft de ontwikkeling van de politiesterkte weer.

Ontwikkeling sterktegroei 2001–2010kst-29200-VII-2-1.gif

Door de invoering van het nieuwe politieonderwijs PO 2002 ontstaat er een overgangssituatie waarin sprake is van een beperkte sterktedip. Deze daling van de sterkte zal mogelijk optreden in de jaren 2004–2006. De sterktedip wordt verklaard door het wegvallen van de instroom van aspiranten vanuit het oude politieonderwijs en de stijging van de opleidingsduur onder het nieuwe politieonderwijs PO 2002. Het duurt daardoor veel langer voordat aspiranten, na voltooiing van de opleiding, in het korps instromen en volledig gaan meetellen in de politiesterkte.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
Hoofddoelstelling20042004/2005Evaluatie Veiligheidsprogramma.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Regionale politiekorpsen

Wat willen we bereiken?

Goed functionerende politiekorpsen die zichtbaar, effectief en efficiënt een bijdrage leveren aan de veiligheid in hun regio's. Dit wordt bevorderd door een evenwichtige verdeling van de beschikbare budgetten.

Het Veiligheidsprogramma en de daaruit voortvloeiende afspraken uit het Landelijk Kader geven een nadere invulling aan deze operationele doelstelling. Het Veiligheidsprogramma en het Landelijk Kader hebben echter een bredere strekking dan alleen de regionale politiekorpsen. Daarom is een nadere beschrijving hiervan opgenomen onder de algemene beleidsdoelstelling.

Wat gaan we daarvoor doen?

Allocatie van beschikbare middelen

Het op deze operationele doelstelling geraamde budget wordt over de regiokorpsen verdeeld. Hiermee worden zij in staat gesteld om hun wettelijke taken te verrichten. De bekostiging van de regiokorpsen wordt hieronder op hoofdlijnen omschreven.

De bekostiging van een regiokorps bestaat uit de volgende componenten:

Algemene bijdrage:Bijzondere bijdragen:Aanvullende bijdragen:
1. Basisbekostiging1. Bovenregionale voorzieningen1. Bijdrage Artikel 4
2. Regiospecifiek2. Prestatiebekostiging 
3. Asiel3. Overig 

– Algemene bijdrage:

1. Basisbekostiging. Het leeuwendeel van het totale budget voor de elke politieregio komt tot stand op basis van het zogeheten Budgetverdeelsysteem (BVS). De uitkomst van het BVS vormt, samen met enkele inhoudingen en toevoegingen, de component basisbekostiging. Zoals in het Landelijk Kader is opgenomen zal het BVS in 2004 worden geëvalueerd en indien nodig voor 2007 worden aangepast;

2. Regiospecifiek. Wanneer er sprake is van een bijzondere omstandigheid die enerzijds veel capaciteit vraagt van de politie en waarvan anderzijds wordt geconstateerd dat deze onvoldoende gedekt wordt binnen de basisbekostigingscomponent, kunnen extra gelden worden uitgekeerd in de vorm van regiospecifieke bekostiging. In de praktijk worden deze gelden uitgekeerd voor de Zeehavenpolitie, hofstad (Den Haag), Schiphol, landsgrenzen, eilanden (Wadden) en toezicht op binnenwater;

3. Asiel. Er worden bijdragen verstrekt voor de asieltaken van de politiekorpsen. Deze bijdragen zijn gekoppeld aan de daadwerkelijke inspanningen die met betrekking tot asiel worden geleverd, zoals de aantallen (door de IND vastgestelde) politierelevante asielprocedures en de bezettingsgraad van opvangmogelijkheden voor asielzoekers.

– Bijzondere bijdragen:

1. Bovenregionale Voorzieningen. Voor een nadere toelichting zie operationele doelstelling 2.3.;

2. Prestatiebekostiging. Voor een nadere toelichting zie operationele doelstelling 2.4.;

3. Overig. Naast de bijzondere bijdragen voor de bovenregionale voorzieningen en prestatiebekostiging worden ook andere bijzondere bijdragen (zoals voor de regionale inlichtingendiensten, de regionale infodesks en jeugdcriminaliteit – de zogenaamde Bolkesteingelden) toegekend.

– Aanvullende bijdragen:

1. Artikel 4 Bijdrage. Indien een regiokorps over meerdere jaren geen sluitende begroting kan opstellen en structureel tekorten vertoont, kan BZK dat korps een aanvullende bijdrage verstrekken. Deze bijdrage wordt niet apart in de BZK-begroting geraamd omdat deze binnen het budget van de algemene bijdrage voor de regiokorpsen wordt gedekt.

Ter informatie is hieronder een overzicht opgenomen van de procentuele verdeling van de algemene bijdrage over de regionale korpsen. De onderliggende waarden zijn afkomstig uit de Junicirculaire 2003 (kenmerk EA2003/68345, 27 juni 2003).

Algemene Bijdrage korpsen%
Amsterdam-Amstelland12,25
Rotterdam-Rijnmond11,46
Haaglanden9,66
Utrecht6,49
Midden- en West-Brabant5,46
Hollands-Midden3,90
Brabant-Zuid-Oost3,60
Noord-en Oost-Gelderland3,46
Groningen3,45
Gelderland-midden3,32
Limburg-Zuid3,28
Friesland3,19
Twente3,11
Noord-Holland-Noord2,92
Kennermerland2,84
Brabant-Noord2,80
Gelderland-Zuid2,52
Zuid-Holland-Zuid2,51
Limburg-Noord2,46
IJsselland2,37
Drenthe2,20
Zeeland1,96
Flevoland1,77
Zaanstreek-Waterland1,63
Gooi- en Vechtstreek1,38
Totaal100

Wat mag het kosten?

Voor de regiokorpsen is in 2004 op deze operationele doelstelling in totaal € 3 091,4 mln beschikbaar. Op basis van de Junicirculaire 2003 dienen in 2004 de volgende bedragen beschikbaar te worden gesteld aan de regionale korpsen (x € 1 mln):

 Aantal BVE'sBedrag 2004
Basisbekostiging (excl. asieltaken)46 4232 910,5
Regiospecifieke bijdrage1 22776,9
Asieltaken76247,8
Bijzondere bijdragen en overige 56,2

Voor de combinaties Bovenregionale teams (BRT) en de Interregionale fraudeteams wordt structureel 1% van operationele doelstelling 2.2 afgeroomd en naar operationele doelstelling 2.3 Bovenregionale en landelijke politiezorg overgeheveld.

In onderstaande tabel worden twee prestatie-indicatoren genoemd waarmee de resultaten van de verdeling van middelen in algemene zin worden weergegeven.

Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Personeelsratio177,4% (2002)71–79% (2006)
Solvabiliteitsratio266,7% (2002)47,5–72,5% (2006)

1 Deze indicator geeft de verhouding aan tussen de personele lasten en de totale baten en meet daarmee de toe- of afname van het aandeel van de totale baten die gebruikt worden voor personele kosten. De indicator is ontwikkeld in het kader van het wetsvoorstel vermogensbeheer.

2 Deze indicator geeft inzicht in de verhouding tussen verschillende vermogenscomponenten ten opzichte van het balanstotaal. De indicator is jaarlijks te meten met behulp van de gegevens die de korpsen leveren in de Jaarrekeningen en de begrotingen. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit comptabele regelgeving regionale politiekorpsen en het gewijzigde Besluit financiën regionale politiekorpsen (Stb. 2002, 658) zijn de criteria en eisen aan voornoemde ratio's van kracht geworden.

In onderstaande tabel zijn vier kengetallen opgenomen die informatie verschaffen over heel Nederland. Zij betreffen gerealiseerde aantallen. In onder meer het Jaarverslag Nederlandse Politie, dat in september aan het parlement wordt gestuurd, worden op regioniveau cijfers gepresenteerd die geografische vergelijking en benchmarking mogelijk maken.

KengetalWaarde
Fte/1 000 inwoners3,0 (2002)
Geregistreerde misdrijven per 1 000 inwoners84,9 (2001)
Fte/km21,15 (2002)
Aantal politierelevante asielprocedures94 913 (2002)
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
2.2: Regionale Politiekorpsen 2004Evaluatie BVS.
 20042004Evaluatie functioneren politie (verdergaande organisatorische maatregelen nodig?).

Operationele doelstelling 3: Bovenregionale en landelijke politiezorg

Wat willen we bereiken?

Een effectieve en efficiënte politieorganisatie op bovenregionaal niveau die de wettelijke taken en internationale afspraken adequaat kan uitvoeren.

De volgende elementen dragen bij aan het bereiken van deze doelstelling:

– de implementatie van de Nationale Recherche en de bovenregionale recherche in 2004. Met de implementatie van een nationale recherche en zes bovenregionale rechercheteams wordt voldaan aan de afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het Veiligheidsprogramma en in de brief van de Ministers van BZK en van Justitie aan de Tweede Kamer (28 november 2002, kamerstukken II, 2002/2003, 28 250, nr 4). Hierdoor ontstaat een heldere structuur voor de recherche op regionaal, bovenregionaal en nationaal niveau, met een verbeterde en slagvaardige aansturing door het OM. De samenhang in de aanpak van diverse criminaliteitsvormen wordt vergroot en het aantal losse landelijke en bovenregionale teams wordt beperkt. Internationale rechtshulpverzoeken zullen eenduidig worden afgehandeld door een eenvormige structuur en door de verantwoordelijkheid hiervoor te integreren in de bovenregionale recherchestructuur;

– versterking van de landelijke ondersteuning door het KLPD, waar onder andere groot (en kostbaar) materieel is ondergebracht plus enkele landelijke politiediensten. Met het KLPD is een convenant afgesloten op basis van het Landelijk Kader. In aanvulling op het Landelijk Kader zijn in het KLPD-convenant specifieke afspraken gemaakt over de nationale recherche, criminaliteitsbeleidsanalyses, een landelijk dekkend meldkamersysteem en kwaliteitsmeting van de dienstverlening;

– het bevorderen van de EU-doelstelling voor internationale ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid volgens de richtsnoeren van de Europese Raad van Ministers. De minister van BZK draagt (samen met de minister van Justitie) zorg voor het maken en nakomen van internationale afspraken op het gebied van internationale politiesamenwerking.

Wat gaan we daarvoor doen?

1. Bovenregionale en landelijke voorzieningen effectief en doelmatig organiseren:

– verstrekken van een bijdrage voor de inrichting van een nieuw te vormen Nationale Recherche (NR) bij het Korps Landelijke Politiediensten. Het budget voor de NR bestaat uit de samenvoeging van de budgetten voor de voormalige kernteams, de unit mensensmokkel, de unit synthetische drugs, de XTC-teams en het landelijke rechercheteam van het KLPD. De hoofdofficier van het landelijke parket stuurt de NR gezagsmatig aan; het beheer valt onder verantwoordelijkheid van de minister van BZK in zijn hoedanigheid van korpsbeheerder KLPD. Met ingang van 2004 zal de bekostiging worden verlegd van de kernkorpsen naar het KLPD en zal de ontvlechting plaatsvinden. Een nadere toelichting van het KLPD-budget is opgenomen in paragraaf 4. Baten-lastendiensten, KLPD;

– verstrekken van bijdragen voor de inrichting van 6 bovenregionale teams (BRT/IFT-combinaties) belast met de bestrijding van middelzware criminaliteit op bovenregionaal niveau en horizontale fraude. De omvang van de bijdragen wordt bepaald door 1% van het budget van de regionale korpsen te verleggen naar 6 centrumkorpsen, ieder met een eigen verzorgingsgebied. De uitkomst hiervan wordt verhoogd met de beschikbare budgetten voor de Interregionale Fraudeteams (IFT). De bovenregionale combinaties worden aangestuurd door de regionale driehoek van de regio's waar de combinaties worden gesitueerd en door het Bovenregionaal Rechercheoverleg (BRO);

– een betere afbakening van en afstemming tussen regionale, bovenregionale en landelijke recherchetaken. De aanpak van regionale criminaliteit blijft georganiseerd op regionaal niveau onder de verantwoordelijkheid van de regionale driehoek.

– politiekorpsen uitrusten met bijzondere materiële voorzieningen die op landelijk niveau worden beheerd. Met het vervangen, uitbreiden, updaten en onderhouden van bovenregionale materiële voorzieningen, zoals waterwerpers, bewakingscontainers en voertuigen voor verscherpt rijdend toezicht (VRT's) wordt de toegenomen vraag naar en het geïntensiveerde gebruik van deze voorzieningen beantwoord;

– het nieuwe stelsel van bewaken en beveiligen leidt tot een versterking van de uitvoeringsorganisatie voor bewakings- en beveiligingstaken (kamerstukken II, 2003/2003, 28 974, nr. 2). Zowel bij het KLPD als bij de regionale korpsen wordt de analysecapaciteit uitgebreid. Daarnaast vindt een uitbreiding plaats van de capaciteit voor persoonsbewaking en -beveiliging bij het KLPD en voor objectbewaking en -beveiliging bij de regionale korpsen. De samenhangende uitgaven voor de regiokorpsen zijn opgenomen onder operationele doelstelling 2 en die voor de opleidingen onder operationele doelstelling 5.

2. Maken en nakomen van internationale afspraken:

– bekostigen van Ambassaderaden (i.s.m. Justitie) om de politiesamenwerking en informatievoorziening met de meest relevante landen te bevorderen. Ambassaderaden zijn geplaatst in Washington, Parijs, Berlijn en Brussel;

– coördineren van de politiesamenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba;

– coördineren van de rol van de Nederlandse politie inzake terrorismebestrijding en veiligheid;

– stimuleren en ordenen van de internationale, niet operationele samenwerking van en door de korpsen, onder aansturing van de Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking. Deze is vooral gericht op de buurlanden, overige EU-lidstaten en kandidaat lidstaten alsmede het stimuleren van de grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland en België;

– coördineren van de inzet van politiefunctionarissen ten behoeve van vredesmissies door VN, OVSE en EU en het in Europees verband bijdragen aan besluitvorming hieromtrent;

– voorbereiden van besluitvorming in de Europese Unie inzake politie en de uitvoering daarvan in gang zetten. Dit geldt tevens voor de Raad van Europa. De voorbereiding van het Nederlands voorzitterschap van de EU in 2004 en van de Raad van Europa vragen een grote inzet.

Wat mag het kosten?

In 2004 is voor dit operationele doel € 420,5 mln beschikbaar.

 Aantal BVE'sBedrag 2004 (x € 1 mln)
KLPD (excl. NR) 290,0
Nationale Recherche (KLPD)95359,7
BRT/IFT combinaties64240,2
Grensoverschrijdende Observatieteams623,9
Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme70,4
Parketpolitie120,8
Nederlands Centrum Internationale Politiesamenwerking271,8
Internationale betrekkingen 8,9
Taakontwikkeling/diversen 11,9
Bijzondere materiële voorzieningen 2,9

Met ingang van de begroting 2004 worden de uitgaven voor het Expertisecentrum Diversiteit (ECD) geraamd op operationele doelstelling 2.5 Personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid politie, onder het onderdeel werving, selectie, onderwijs LSOP.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
2.3: Bovenregionale en landelijke politiezorg20032004Bekostigingsonderzoek KLPD.

Operationele doelstelling 4: Prestatievermogen van de politie

Wat willen we bereiken?

Vergroting van het prestatievermogen van de politieorganisatie door het hanteren van het systeem van prestatiebekostiging, het verstrekken van doelsubsidies en het uitvoeren van beleidsonderzoek.

De volgende elementen dragen bij aan het bereiken van deze operationele doelstelling:

– het bevorderen van resultaatgericht werken door het hanteren van het systeem van prestatiebekostiging, dat is gebaseerd op de in het Landelijk Kader gemaakte resultaatafspraken;

– het bevorderen van het innovatief vermogen van de korpsen en het borgen van aandacht voor bijzondere onderwerpen, zoals de politiële jeugdtaak;

– het uitvoeren van strategisch onderzoek en evaluatieonderzoek.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Prestatiebekostiging. De prestatiebekostiging wordt gehanteerd ter bevordering van de realisatie van de afspraken uit het Landelijk Kader. Het uitgangspunt is daarbij dat de korpsen die de gemaakte afspraken in voldoende mate weten te realiseren, voor prestatiebekostiging in aanmerking komen. Van het voor de korpsen beschikbare budget wordt 75% uitgekeerd aan de korpsen die de gemaakte afspraken nakomen en 25% van het budget is beschikbaar voor benchmarking.

– Innovatiebevordering en bijzondere onderwerpen. In het kader van het innovatiebeleid worden subsidies verstrekt voor projecten en ideeën in het politieveld die de kwaliteit van de politiezorg verhogen. In 2004 komen vooral projecten en ideeën in aanmerking die zijn ontleend aan het Veiligheidsprogramma. Wederom zal daarbij de nadruk liggen op het onderling uitwisselen van innovatieve ideeën en het implementeren van regionaal ontwikkelde best practices.

Daarnaast worden subsidies verstrekt aan korpsen om de aandacht te borgen voor een aantal bijzondere beleidsonderwerpen, zoals de versterking van de politiële jeugdtaak. Ter versterking van de politiële jeugdtaak voeren de regionale politiekorpsen in 2003 en 2004 de regionale implementatieplannen uit. In de regionale implementatieplannen geven de politiekorpsen aan hoe kwaliteitsverbeteringen, bijvoorbeeld op het gebied van de taakafbakening en de borging van de politiële jeugdtaak, worden geïmplementeerd. Tevens neemt de minister van BZK in 2004 een besluit over het al dan niet verlengen van de markering van de zogenaamde Bolkesteingelden als bijzondere bijdrage jeugdcriminaliteit. De resultaten van het onderzoek van de Inspectie voor Openbare Orde en Veiligheid naar de politiële jeugdtaak (start tweede helft 2003) zullen bij deze beoordeling worden betrokken.

– Onderzoek. In 2004 wordt in het onderzoek op het terrein van politie en veiligheid de nadruk gelegd op het uitvoeren van strategisch-verkennend onderzoek, onderzoek gerelateerd aan de beleidsthema's uit het Veiligheidsprogramma, alsmede het uitvoeren van beleidsevaluaties. Een overzicht van de beleidsevaluaties 2004 is opgenomen onder de Algemene Beleidsdoelstelling van dit artikel.

Wat mag het kosten?

Voor deze operationele doelstelling is in 2004 in totaal € 75,2 mln beschikbaar.

Bedrag 2004 (x € 1 mln)
Prestatiebekostiging52,6
Bijzondere Bijdrage Jeugdcriminaliteit (Bolkesteingelden)11,3
Overige doelsubsidies2,7
Strategisch onderzoek en beleidsevaluaties4,1
Diversen4,5

Het budget voor bovenregionale bijzondere materiële voorzieningen is overgeboekt naar operationele doelstelling 2.3 Bovenregionale en landelijke politiezorg omdat dit budget beter onder die doelstelling past.

Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Aantal gesubsidieerde innovatieve projecten6 (2002)7 (2004)
Aantal korpsen dat regionaal implementatieplan versterking politiële jeugdtaak voor 2003 en 2004 heeft uitgevoerd (Bolkesteingelden)0 (2003)15 (2004)
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
2.4: Verbeteren prestatievermogen politie20042004Onderzoek expertisefunctie opsporing.
 20042004Bijzondere bijdrage Jeugdcriminaliteit (Bolkesteingelden).
 20042004Evaluatie van forensisch technisch onderzoek.
 mrt 2001mrt 2005Gevolgen invoering pepperspray en de invloed ervan op geweldgebruik door en tegen Politie.

Operationele doelstelling 5: Personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid politie

Wat willen we bereiken?

Beschikken over voldoende gekwalificeerd en gemotiveerd politiepersoneel.

Op vijf deelterreinen dragen de volgende elementen bij aan het bereiken van deze operationele doelstelling:

1. Personeels- en loopbaanbeleid: versterking van een landelijk geïntegreerd personeels- en loopbaanbeleid en terugdringen van ziekteverzuim;

2. Politieonderwijs (LSOP): verbetering bedrijfsvoering;

3. Geweldsmiddelen: toetsen van politieambtenaren die zijn uitgerust met geweldsmiddelen;

4. Capaciteitsmanagement: een betere benutting van de beschikbare capaciteit van het politiepersoneel door vraaggerichte planning van de inzet van personeel;

5. Tewerkstelling personeel bij Nationale en Bovenregionale Recherche.

Wat gaan we daarvoor doen?

De minister van BZK is als sectorwerkgever voor de politie verantwoordelijk voor de randvoorwaarden voor het personeelsbeleid dat de korpsen uitvoeren. Daarom geeft BZK beleidskaders en richtlijnen en draagt BZK zorg voor de monitoring. Het personeelsbeleid van de Nederlandse politie is gericht op de inzetbaarheid, de ontwikkeling en motivatie van het personeel.

In het najaar van 2003 zullen de onderhandelingen met de politievakorganisaties over een nieuw arbeidsvoorwaardenakkoord (Politie-CAO) per 2004 beginnen. Daarom ligt het personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid van de Nederlandse politie voor 2004 nog niet volledig vast.

ad 1. Het onderwerp Personeels- en loopbaanbeleid heeft op de onderdelen werving & selectie, loopbaanbeleid en ziekteverzuim twee speerpunten:

– er worden eenduidige functieomschrijvingen, zogenaamde functierasters, ontwikkeld voor eenheid en samenhang in de gehele recherchekolom. In een later stadium zullen de functierasters worden uitgebreid met andere politietaken voor meer zicht op loopbaanmogelijkheden binnen en tussen korpsen;

– in de regionale convenanten zijn per korps afspraken gemaakt over terugdringen van het ziekteverzuim.

ad 2. Het LSOP, Politieonderwijs- en Kenniscentrum is een zelfstandig bestuursorgaan dat volledig wordt bekostigd vanuit de BZK-begroting.

De bedrijfsvoering van het LSOP is gebaat bij een evenwichtige jaarlijkse instroom van studenten, gecombineerd met een zekere mate van flexibiliteit zonder extra kosten. De 4000 extra fte uit de sterktedoelstelling leiden tot een gemiddelde instroom van 2000 studenten per jaar, inclusief de vervangingsvraag. Gecombineerd met een zekere mate van flexibiliteit wordt de bedrijfsvoering verder afgestemd op een instroom van maximaal 2 200 studenten per jaar. In het convenant worden hierover afspraken gemaakt.

In 2004 wordt de samenwerking met regionale opleidingscentra geëvalueerd om de samenwerking te versterken.

ad 3. De nieuwe toets Aanhoudings- en Zelfverdedigingsvaardigheden vraagt van korpsen extra inspanning naast de overige toetsen op grond van de Regeling Toetsing Geweldbeheersing Politie (RTGP). Het doel van deze toets en de overige toetsen van de RTGP is een slagingspercentage van ten minste 90%. Een streefwaarde van 100% is niet haalbaar, bijvoorbeeld door ziekteverzuim.

ad 4. De inzet van het politiepersoneel wordt verbeterd door een vraaggerichte planning in plaats van een capaciteitsgerichte (aanbodgerichte) planning. De kern van vraaggerichte planning is systematisch inzicht in de vraag naar politiezorg en in de prioriteiten die daarbij worden gesteld. Daarom ondersteunt BZK het project van de korpsen Optimalisering capaciteitsmanagement (looptijd tot en met 2005). Het nieuwe landelijke planningssysteem CMS wordt daarbij gebruikt als instrument. BZK verstrekt richtlijnen aan de korpsen ter verbetering van de inzet van personeel over het toepassen van de normen van de Arbeidstijdenwet (ATW) en het gebruik van de verruimende bepalingen. Het aantal verschoven diensten per werknemer per kwartaal wordt door BZK gevolgd als (voorlopige) prestatie-indicator voor het resultaat van verbetering van capaciteitsmanagement.

ad 5. De rechtspositionele regelgeving voor de Nationale Recherche en de Bovenregionale Recherche zal in 2004 worden geïmplementeerd. BZK zal de implementatie monitoren.

Wat mag het kosten?

Voor dit operationele doel is in 2004 een budget beschikbaar van € 175,1mln.

Bedrag 2004 (x € 1 mln)
Werving, selectie, onderwijs LSOP102,9
Personeelsbeleid33,0
Arbeidsomstandigheden en gezondheid39,2

Het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) wordt nu geraamd op dit operationele doel en is ondergebracht onder werving, selectie, onderwijs LSOP. Voor 2004 is een budget van € 1,3 mln beschikbaar.

Het onderdeel Arbeidsomstandigheden en gezondheid wordt met ingang van deze begroting verantwoord onder operationele doelstelling 2.6. Geneeskundige verzorging politie.

Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Verhouding aangemeld: geselecteerd voor selectieprocedure5:1 (2002)3:1 (2004)
% Met goed gevolg door selectieprocedure LSOP20 (2002)35 (2004)
% Geslaagden initiële opleiding per kwalificatieniveau92 (2006)
% Wapendragenden dat toetsen met goed gevolg aflegt9090
% Ziekteverzuim9,56,7 (2007)
Aantal verschoven diensten per werknemer per kwartaal5,1 (4e kwartaal 2002)PM

Naast de prestatie-indicatoren zijn er de volgende beleidsrelevante kengetallen:

KengetallenWaarde
Aantal fte uitstroom regionale korpsen1 920 (2002)
Aantal fte instroom regionale korpsen3 933 (2002)
Aantal deelnemers School voor Politie Leiderschap156 (2002)
% Personeel dat gebruik maakt van flexibele arbeidsvoorwaardenNihil
% Vrouwen executief personeel (personen; executief)19,2
% Allochtonen (personen; executief + administratief-technisch)6,0
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
2.5: Personeels- en20042004Loopbaanbeleid binnen korpsen.
arbeidsvoorwaardenbeleid politie20042004Samenhang P&O-beleid korpsen.

Operationele doelstelling 6: Geneeskundige verzorging politie (GVP)

Wat willen we bereiken?

Een adequate ziektekostenvoorziening voor het actieve en gepensioneerde politiepersoneel en hun gezinsleden.

De regeling geneeskundige verzorging politie is een verplichte ziektekostenvoorziening voor het politiepersoneel en het gepensioneerde politiepersoneel. Op basis van vrijwilligheid worden gezinsleden verzekerd voor zover zij niet zelfstandig zijn verzekerd voor hun ziektekosten. Het verstrekkingenpakket waarin de regeling voorziet is ruimer dan het ziekenfondspakket omdat het betrekking heeft op het zogenoemde tweede en derde compartiment van de zorg. Hierbij is ook rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de verzekerde beroepsgroep. De regeling kent een systeem van eigen bijdragen per verstrekking en een restitutiesysteem, dat bijdraagt aan een remmende werking op het onnodig consumeren van zorg.

De regeling wordt uitgevoerd door de Dienst geneeskundige verzorging politie (DGVP) via een publiekrechtelijke regeling. De AGIS-groep is feitelijk belast met de uitvoering van de regeling op basis van een administratieovereenkomst. Op het gebied van de zorginkoop wordt samengewerkt met de AGIS-groep en de koepelorganisatie voor publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen (KPZ).

De DGVP ressorteert comptabel onder de minister van BZK. Aan het hoofd van de DGVP staat een commissie die bestaat uit door de minister van BZK benoemde leden namens werkgevers (BZK en de korpsen) en werknemers (namens de vier landelijke politievakorganisaties). De commissie brengt jaarlijks een begroting en kostendekkend premieadvies uit aan de minister van BZK, en een advies over wijzigingen in het verzekeringspakket.

Wat gaan we daarvoor doen?

Er wordt een verplichte nieuwe basisverzekering ziektekosten ontwikkeld voor alle Nederlanders; daarom wordt bezien of en hoe de DGVP als zorgverzekeraar de specifieke taak voor de politiesector kan voortzetten. De uitvoering van de kerntaak staat voorop, waarbij een bijdrage wordt geleverd aan de inzetbaarheid van het politiepersoneel en waarbij gaten in de keten rondom ziekteverzuim worden gedicht. Vanuit dit perspectief zal de inzet van de DGVP gericht zijn op:

1. het handhaven van de hoge servicegraad voor de verzekerden door het hoge niveau en de kwaliteit van de automatisering en daarmee een snelle en efficiënte behandeling van ziektekostennota's;

2. het verstevigen van de band met verzekerden, korpsen, arbodiensten en reïntegratiebedrijven;

3. het verder uitbouwen van succesvolle projecten over de specifieke omstandigheden van het politiepersoneel (zorg op maat);

4. het verder ontwikkelen van nieuwe producten en diensten om de inzetbaarheid van het politiepersoneel te vergroten (zorgbemiddeling).

Wat mag het kosten?

Het beschikbare budget op de BZK-begroting bedraagt € 181,9 mln.

Met ingang van 2004 wordt DGVP als aparte operationele doelstelling geraamd om beter inzichtelijk te maken dat de uitgaven en de premieontvangsten voor de DGVP per saldo in evenwicht zijn.

Het budget voor de DGVP wordt op basis van een fifty-fifty verdeling opgebracht door premies van de politiewerkgevers en het politiepersoneel. Deze premies worden als ontvangsten geboekt op de BZK-begroting. De DGVP gebruikt het budget om vergoedingen aan de verzekerden uit te keren. De vergoedingen voor ziektekostendeclaraties worden op deze operationele doelstelling geboekt als uitgaven. Aan de uitgavenkant is ook de werkgeversbijdrage GVP voor het gepensioneerde politiepersoneel geboekt die BZK afdraagt aan de DGVP.

Voor het ramen van de uitgaven wordt uitgegaan van een kostendekkende premieheffing bij het politiepersoneel en de politiewerkgevers. Gelet op de onvoorspelbaarheid van vooral de ziektekostendeclaraties zijn de uitgaven en ontvangsten in enig jaar zelden gelijk, maar meerjarig wel budgettair neutraal vanwege de kostendekkende premiestelling. De (tijdelijke) exploitatieverschillen worden extracomptabel bijgehouden (bedrijfsreserve c.q. schommelfonds).

KengetallenWaarde
Totaal aantal verzekerden ultimo 2002134 869
– waarvan actieve deelnemers58 252
– waarvan meeverzekerde gezinsleden actieve deelnemers52 475
– waarvan niet-actieve deelnemers16 597
– waarvan meeverzekerde gezinsleden niet-actieve deelnemers7 545
Zorgkosten per verzekerde (2002)€ 1 284

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
2: Politie2002200320042005200620072008
Verplichtingen3 853 8923 811 3263 969 3964 053 9884 183 0374 243 0074 277 534
1. apparaat14 73315 12615 97516 10415 16615 16615 166
2. politie op regionaal niveau3 061 6753 029 7533 099 9943 158 2183 259 3113 298 1773 317 229
3. politie op bovenregionaal en landelijk niveau386 368386 306421 140427 735439 075439 383440 858
4. prestatievermogen van de politie24 11160 09675 32669 79369 69170 88670 886
5. adequaat niveau van politiepersoneel367 005320 045175 019191 831200 779211 314225 314
6. geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081208 081
        
Uitgaven3 614 8033 852 7813 940 0614 037 6084 166 6574 226 6274 261 154
1. apparaat14 23115 12615 97516 10515 16615 16615 166
2. politie op regionaal niveau2 832 8023 071 7683 071 2863 142 1603 243 2543 282 1203 301 172
3. politie op bovenregionaal en landelijk niveau380 213385 388420 512427 489438 829439 137440 612
4. prestatievermogen van de politie19 03759 56975 23869 71669 61470 80970 809
5. adequaat niveau van politiepersoneel368 520320 930175 108191 831200 779211 314225 314
6. geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081208 081
        
Ontvangsten231 521160 199180 159188 522197 2302 06 296206 296

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
2: Politie 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 3 940 061 4 037 608 4 166 657 4 226 627 4 261 154
2. Waarvan apparaatuitgaven 15 975 16 105 15 166 15 166 15 166
3. Dus programma-uitgaven 3 924 086 4 021 503 4 151 491 4 211 461 4 245 988
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht97%3 799 6740%12 0600%12 7820%1020%105
5. complementair noodzakelijk1%55 5141%55 5691%55 5692%54 3691%54 369
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)1%20 22697%3 891 89697%4 025 50097%4 104 80498%4 142 942
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)1%48 6721%61 9781%57 6401%52 1861%48 572
8. beleidsmatig nog niet ingevuld0%00%00%00%00%0
9. Totaal (=3)100%3 924 086100%4 021 503100%4 151 491100%4 211 461100%4 245 988

De algemene bijdrage aan de regionale korpsen, het KLPD en het LSOP wordt een jaar voor de verstrekking vastgelegd. De algemene bijdrage wordt meerjarig bekendgemaakt op grond van de Politiewet 1993 en de LSOP-wet. De algemene bijdrage is bedoeld voor de bekostiging van de personele en materiële kosten en investeringen van de korpsen en het LSOP. Deze budgetten zijn daarom niet flexibel.

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

De toelichting op het beleidsartikel is gebaseerd op de doelstellingen (en de bijbehorende prestatie-indicatoren) die zijn gehanteerd bij het opstellen van het Veiligheidsprogramma en het Landelijk Kader. Deze zijn toegelicht onder het Algemeen deel van dit beleidsartikel. De doelstellingen Intensivering toezicht en handhaving en Versterking van de algemene criminaliteitsbestrijding zijn opnieuw geformuleerd. Als derde doelstelling is nu gekozen voor verbetering van de doelmatigheid met de nieuwe prestatie-indicator aantal fte vrijgespeeld voor primaire taken.

De prestatie-indicatoren (met basis- en streefwaarden) zijn overgenomen uit het Veiligheidsprogramma en het Landelijk Kader, tenzij er sprake was van specifieke operationele doelen. De prestatie-indicator Ophelderingspercentage is daarbij vervallen. Deze is ook niet meer opgenomen in het Veiligheidsprogramma omdat het percentage te weinig zegt over de aard en ernst van de criminaliteit die wordt opgehelderd en de veiligheid van de burger.

De effecten van het Hoofdlijnenakkoord zijn zoveel mogelijk verwerkt, in elk geval in budgettaire zin. De effecten van de bezuinigingen op de uitvoering van de beleidsvoornemens uit het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord zijn op de langere termijn nog niet volledig in te schatten.

Veel hangt af van de afspraken in de convenanten met de regiokorpsen, van de uitvoering ervan en van de informatievoorziening daarover. Inzicht in de toekomstige organisatie (besteldiscussie) en de bedrijfsvoering zijn essentieel. Daarmee hangt ook de opleidingsbehoefte samen. Deze onderwerpen zijn te beïnvloeden. Tegelijkertijd bestaat de kans dat de bezuinigingen de onderlinge verhoudingen niet vergemakkelijken.

Door de prestatieafspraken in het Landelijk Kader en in de regionale convenanten komt er de komende jaren meer en beter meetbaar inzicht in de mate waarin de beleidsdoelen worden bereikt. Op dit moment is het nog niet mogelijk om een analyse van de verwachte trends te maken. De afgesproken prestaties zullen in 2006 moeten worden bereikt. Op dit moment is echter nog niet vast te stellen wanneer welke tussenresultaten kunnen worden verwacht. Het is de bedoeling om hierop in de Verantwoording 2004 terug te komen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

In de begroting 2003 is de opzet van dit artikel grondig herzien. In deze begroting 2004 is deze opzet grotendeels gehandhaafd. Onder de algemene beleidsdoelstelling zijn de doelstellingen uit het Veiligheidsprogramma samengevat en voorzien van indicatoren. Vervolgens zijn de operationele doelen toegelicht volgens de geldstromen van het Rijk naar het politieveld. Door de aard van de bekostiging van het veld (in hoofdzaak: lumpsumbekostiging) kunnen de doelen en de beschikbare budgetten niet één op één worden gekoppeld. Door het Landelijk Kader en de convenanten met prestatieafspraken komt er de komende jaren wel betrouwbaarder informatie beschikbaar over de mate waarin de doelen worden bereikt.

Over de prestatie-indicatoren valt ten slotte nog op te merken:

– in enkele gevallen kon de waarde van prestatiegegevens nog niet worden vastgesteld. Naar verwachting kunnen alle basis- en streefwaarden in 2003 worden bepaald;

– de streefwaarden van de prestatiegegevens betreffen 2006, zoals ook opgenomen in het Veiligheidsprogramma en het Landelijk Kader. Het is niet goed mogelijk om een verwachte groei van de prestaties in de jaren 2004 en 2005 op te nemen. De verwachte prestaties kunnen niet gelijkelijk worden verdeeld over deze jaren. Dit komt door de aard van de gegevens maar ook doordat een aantal ontwikkelingen nu in gang is gezet en nog niet goed is te voorspellen wanneer die meetbare resultaten zullen opleveren. In de verantwoording 2004 zullen de dan bekende prestaties worden toegelicht;

– in de verantwoording 2004 zullen daarnaast meer algemeen vergelijkende kengetallen worden opgenomen. Bijvoorbeeld: outputindicatoren over de jaren heen, prestaties gerelateerd aan het aantal (executieve) fte en benchmarkinformatie.

BELEIDSARTIKEL 3: RAMPENBEHEERSING EN BRANDWEER

1. Algemene beleidsdoelstelling

Bevorderen dat de rampenbeheersing en de brandweer op een kwalitatief en kwantitatief adequaat niveau zijn.

Veiligheid is een kerntaak van de overheid. De minister van BZK ontwikkelt ten aanzien van die kerntaak beleid over het voorkomen, beperken en beheersen van branden, zware ongevallen en rampen en draagt zorg voor een structurele inbedding van veiligheid in besluitvormingsprocessen op rijksniveau. Dit gebeurt in samenwerking met lokale, nationale en internationale partners.

De rampenbeheersing en de brandweerzorg is allereerst een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De brandweer heeft een spilfunctie in de rampenbestrijding en de onderlinge bijstand dient in alle gevallen te zijn gewaarborgd. Daarom heeft de minister van BZK bevoegdheden ten aanzien van de brandweer op grond van de Brandweerwet 1985. Zo kan de minister van BZK regels stellen ten aanzien van functie- en opleidingseisen van brandweerpersoneel, draagt hij zorg voor de opleiding van beroepsbrandweerofficieren en kan hij eisen stellen aan het materieel.

Daarnaast is de minister van BZK systeemverantwoordelijk voor de rampenbeheersing. Hij schept de noodzakelijke voorwaarden, opdat alle verantwoordelijke besturen en diensten in samenhang hun taken kunnen uitoefenen. Dit betekent dat de minister van BZK zorgdraagt voor de totstandkoming van wet- en regelgeving en de voorstellen voor de eventuele wijzigingen hiervan, voor de inrichting en het functioneren en voor de financiering van een gedeelte van de kosten. Een voorbeeld hiervan is het wetsvoorstel Kwaliteitsbevordering rampenbestrijding, waarvan de inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2004. Door deze wetswijziging wordt de planvorming binnen de rampenbestrijdingsorganisatie op een dwingender manier gestalte gegeven.

Tevens zorgt de bewindspersoon voor bepaalde landelijke voorzieningen, zoals het waarschuwingsstelsel en biedt hij inhoudelijke ondersteuning aan gemeenten, regio's en provincies op terrein van beheersing van veiligheidsrisico's, waaronder ook de dreiging van Nucleaire, Biologische en Chemische (NBC) aanslagen.

Het is echter niet alleen een taak van de overheid dat het veiligheidsniveau verhoogd wordt. Ook het gedrag van de burger dient bij te dragen aan een verhoging van het niveau van veiligheid. De uitvoering van het actieprogramma Bewust Veiliger heeft onder meer als doel het bewustzijn van veiligheid bij de burger te vergroten.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Ondersteunen en bevorderen dat de brandweer zijn wettelijke taken kan uitoefenen, waarbij het verbeteren van het prestatievermogen een belangrijk element is

Wat willen we bereiken?

Ten behoeve van het goed functioneren van de brandweer zijn de volgende doelen gesteld:

A. een effectieve brandweerorganisatie;

B. kwalitatief hoogwaardig brandweerpersoneel;

C. voldoende beschikbaarheid van brandweerpersoneel op alle niveaus, waarbij de brandweer zoveel als mogelijk een afspiegeling vormt van de lokale bevolkingssamenstelling.

Wat gaan we daarvoor doen?

A. – bevorderen dat gemeenten zorgdragen voor de ontwikkeling van een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de brandweerzorg. Deze zal begin 2004 gereed zijn. In 2004 wordt gestart met de implementatie. De volledige doorvoering beslaat een periode van drie jaar,

– actualisering van de Handleiding brandweerzorg. In 2004 zal een geactualiseerde Handleiding brandweerzorg beschikbaar zijn;

B. – met de afronding van het project In goede banen is de basis gelegd voor de verdere professionalisering van de brandweer. In de eerste plaats zal, in overleg met vertegenwoordigers van werkgevers en bestuur, een begin worden gemaakt met de standaardisering van de selectie voor repressieve brandweerfuncties,

– verder zullen in 2004 de uitkomsten van het project toekomstbeeld opleidingen, met name voor het brandweeronderwijs, verder worden uitgewerkt. Bij de concretisering van de verschillende scenario's zal de afstemming op het reguliere onderwijs aan de orde komen,

– in 2003 is een begin gemaakt met de omschakeling van ranggericht naar functiegericht opleiden door middel van het project competentiegericht opleiden op officiersniveau. Dit zal in 2005 van start gaan;

C. – Campagnes, gericht op meer vrouwen bij de brandweer, voortzetten en afronden en gericht op meer allochtonen bij de brandweer starten,

– Het beeld van het werken bij de brandweer bijstellen, opdat de toestroom van nieuw personeel met een breed samengestelde achtergrond gegarandeerd kan worden,

– Bijdrage verstrekken aan het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA) in de kosten van de officiersopleiding.

Wat mag het kosten?

A. bevorderen effectieve brandweerorganisatie€ 0,400 mln
B. professionalisering brandweerpersoneel€ 0,650 mln
C. stimuleren toestroom nieuw personeel€ 7,400 mln
Overige kosten: 
– Bijdragen instellingen€ 0,125 mln
– Brandweer Nederlandse Antillen en Aruba€ 0,275 mln
Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
De effectiviteit van de brandweerorganisatie.Er ontbreekt een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de basis brandweerzorg.De ontwikkeling van het systeem door de VNG is begin 2004 gereed. De implementatie start in 2004. De handleiding brandweerzorg is verouderd. Eind 2004 is de geactualiseerde handleiding brandweerzorg gereed.
   
De kwaliteit van brandweerpersoneel.Er zijn geen gestandaardiseerde selectie-eisen voor de brandweerfuncties.Implementatie van het project In goede banen, met als beoogd resultaat standaardisering van de selectie-eisen voor repressieve brandweerfuncties. De afronding ervan is eind 2004.
 Het brandweeronderwijs behoeft aanpassing.De uitvoering van de herstructurering van het brandweeronderwijs zal vanaf 2003 plaatsvinden.
   
De beschikbaarheid van brandweerpersoneel.Er werken te weinig vrouwen en allochtonen in operationele functies bij de brandweer.Eind 2004 zijn er 24 meer beroepsbrandweervrouwen ten opzichte van 2002 en een verdubbeling van het aantal vrouwelijke vrijwilligers ten opzichte van 2001. Het allochtonenbeleid zal in 2004 worden geïmplementeerd.
 De brandweer is te weinig bekend als organisatie waar een verscheidenheid aan werk is.Het imago van de brandweer in zijn algemeenheid is verbeterd.

Operationele doelstelling 3: Ondersteunen en bevorderen dat de partners in de rampenbestrijding hun wettelijke taken kunnen uitoefenen, waarbij het verbeteren van het prestatievermogen een belangrijk element is

Wat willen we bereiken?

Ten behoeve van het goed functioneren van de rampenbestrijdingsorganisatie en het vergroten van het veiligheidsbewustzijn is een aantal doelen gesteld. Als belangrijkste zijn te noemen:

A. Risicoanalyse en planvorming:

– alle regio's hebben eind 2004 een bestuurlijk vastgesteld beheersplan rampenbestrijding, waarin de regionale maatscenario's en te leveren operationele prestaties in relatie tot onderkende risico's zijn opgenomen. De optelsom van deze regionale plannen heeft een landelijk beeld opgeleverd. Vanuit dit landelijk beeld wordt bezien of het ontwikkelen van een zorgnormenkader voor operationele prestaties bij rampenbestrijding mogelijk en noodzakelijk is,

– alle rampenplannen en rampbestrijdingsplannen zijn actueel en getoetst met behulp van het toetsingskader rampenplannen en rampbestrijdingsplannen,

– de beheerorganisatie documentatie rampenbestrijding (handboek Voorbereiding rampenbestrijding en digitale bibliotheek) is operationeel,

– er is overeenstemming over de aanpak van de afstemming tussen land- en zeeregelingen,

– de kwaliteit en uniformiteit in de landelijke planvorming is gestimuleerd,

– de bevolking is geïnformeerd over wat zij moeten doen ten tijde van een ramp,

– de rampenplannen en rampbestrijdingsplannen, die betrekking hebben op de waterstaatszorg, zijn actueel en afgestemd op de calamiteitenplannen van de beheerder van de waterstaatswerken,

– de samenwerking tussen algemene keten en functionele waterketen met betrekking tot elkaars taakuitoefening en hantering van bevoegdheden in geval van natte rampen is bevorderd en heeft meer bekendheid gekregen;

B. Operationalisering:

– de professionalisering van het opleiden en oefenen is ondersteund door het beschikbaar stellen van (aanvullende) faciliteiten aan de regio's,

– er is een lange termijn visie ontwikkeld ten aanzien van opleiden en oefenen,

– er is een lange termijn visie ontwikkeld ten aanzien van operationele informatievoorziening;

C. Kwaliteit, bestuur en toezicht:

– er is een kwaliteitsstelsel voor de rampenbestrijding gedefinieerd,

– er is een actieprogramma verhoging veiligheidsbewustzijn bestuurders beschikbaar,

– er is een heldere verdeelsystematiek van de Rijksbijdrage voor rampenbestrijding als opvolger van de huidige IBDUR ontwikkeld,

– de wijze waarop de financiering, inbedding, ambtelijke structuur en aansturing van de veiligheidsregio's op regionaal niveau vorm moet krijgen, is ten aanzien van politie, de GHOR en de brandweer nader uitgewerkt;

D. Geneeskundige hulpverlening bij rampen (GHOR). Het GHOR-bureau en de GHOR-regio's hebben een grote kwaliteitsverbeteringslag gemaakt ten aanzien van de bedrijfsvoering en de uitvoering van haar wettelijke taken en verantwoordelijkheden;

E. Risicobeleid en veiligheidsbewustzijn:

– een gecoördineerd en samenhangend (veiligheids)beleid op rijksniveau en op gemeentelijk en provinciaal niveau, op het gebied van risicobeleid met nadruk op de aspecten van zelfredzaamheid en hulpverlening,

– een versterkt veiligheidsbewustzijn bij burgers, ondernemingen, instellingen en het openbaar bestuur;

F. Internationale samenwerking. Versterking van de internationale samenwerking op het terrein van de rampenbestrijding;

G. Materiële voorzieningen en landelijke faciliteiten:

– goed functionerend waarschuwingsstelsel,

– in stand houden van een goede bereikbaarheid van de regionale brandweren door middel van goede telecommunicatiemiddelen,

– instandhouding van het materieel voor de rampenbestrijding en geneeskundige hulpverlening,

– ontwikkeling, onderzoek en voorlichting uitrusting rampenbestrijding en geneeskundige hulpverlening;

H. Financiering partners in de rampenbestrijding. De partners in de rampenbestrijding wordt het door medefinanciering mogelijk gemaakt voldoende te zijn voorbereid op de bestrijding en hulpverlening bij rampen en zware ongevallen.

I. Een adequate organisatie van de informatiehuishouding en communicatie;

J. Een bovenregionaal, alsmede een internationaal inzetbare voorziening ten behoeve van de rampenbestrijding is operationeel;

K. De uitvoering van het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog.

Wat gaan we daarvoor doen?

A. – medio 2003 is er een model regionaal beheersplan rampenbestrijding beschikbaar voor de regio's. Het regionale proces tot invulling van het beheersplan en de bestuurlijke vaststelling van regionale ambities wordt gevolgd en waar nodig en mogelijk wordt er bestuurlijke en inhoudelijke ondersteuning gegeven vanuit Nederlandse Vereniging voor Brandweer en Rampenbestrijding (NVBR) en BZK,

– verder worden de regionale uitkomsten geïnventariseerd om te komen tot een landelijk beeld van de regionale ambities ten aanzien van maatscenario's en de daarbij te leveren operationele prestaties in relatie tot onderkende risico's. Tevens vormt dit beeld de basis voor landelijk op te pakken operationele planvorming voor regio-overstijgende risico's,

– een toetsingskader voor zowel rampenplannen en rampbestrijdingsplannen wordt aan Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld. Het actualiseren en vaststellen is een lokaal proces. BZK zal dit proces waar nodig ondersteunen,

– om te waarborgen dat het Handboek Voorbereiding rampenbestrijding actueel is en blijft wordt een beheersorganisatie opgericht,

– het plan van aanpak voor de afstemming van de land- en zeeregelingen wordt opgesteld en er wordt een projectorganisatie ingericht,

– naar aanleiding van de uitkomsten van leidraad maatramp en leidraad operationele prestaties zullen op landelijk niveau de preparatie op de rampenbestrijding worden gestimuleerd,

– uitvoeren van een beperkte campagne met betrekking tot voorlichting bij rampen,

– voortzetting ondersteuning van de Uniecommissie rampen en ongevallenbestrijding (Unie van Waterschappen, V&W en BZK) om het daadwerkelijk opstellen van plannen, het opleiden en oefenen bij waterschappen en hulpverleningsdiensten te bevorderen. Tevens het stimuleren van maatregelen ter preventie van watergerelateerde rampen en ongevallen en voorkomen/tegengaan van schadelijke gevolgen daarvan,

– ondersteunen van gemeenten en regio's bij de implementatie van aangepaste wetgeving (Waterstaatswet en Wrzo) aangaande watergerelateerde rampbestrijdingsplannen en calamiteitenplannen;

B. – vastleggen van een lange termijn visie ten aanzien van opleiden en oefenen (in samenspraak met de werkgevers en de partners in de rampenbestrijding),

– professionalisering van het opleiden en oefenen d.m.v. het realiseren van een betere aansluiting op het reguliere onderwijs en het beschikbaar stellen en houden van oefenfaciliteiten,

– ontwikkelen van een visie voor de operationele informatievoorziening om uitvoerend beleid richting te geven,

– samen met de partners afronden van de implementatie van het EU-mechanisme;

C. – beschrijven kwaliteitsstelsel en deze verankeren binnen de rampenbestrijding als vast kader,

– ontwikkelen en implementeren van een actieprogramma waarmee lokale bestuurders bewuster worden van het thema veiligheid en rampenbestrijding,

– met gebruikmaking van pilots, onderzoek en best practices, brandweer- en GHOR-regio's stimuleren bestuurlijk te integreren en congruent te worden met het regionaal college van de politie;

D. – de GHOR-regio's informeren over de beleidscyclus en het leren omgaan met de beschikbare hulpmiddelen voor beleidsimplementatie,

– verstrekken van gerichte subsidies aan het GHOR-bureau voor het versterken van bedrijfsvoeringsaspecten en aan de GHOR-regio's voor de implementatie van beleid(sinstrumenten);

E. – een bijdrage wordt geleverd aan normalisering en certificering van brandveiligheid voor gebouwen,

– ontwikkelen en actualiseren van brandbeveiligingsconcepten,

– mogelijkheden bepalen om de rol van lokale partijen rond veiligheid bij grote infrastructurele projecten te versterken,

– ontwikkeling van normen voor veiligheid in treinen,

– in het kader van het project Tunnelveiligheid (V&W, BZK en VROM) wordt regelgeving voorbereid en flankerend beleid ingevuld om te komen tot een verbetering van de veiligheid in tunnels,

– het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo '99) en de uitvoering ervan wordt gewijzigd naar aanleiding van de evaluatie van dit besluit (in 2003 gehouden) en naar aanleiding van een wijziging van de richtlijn door de EU,

– het uitvoeren van een evaluatie van het Besluit bedrijfsbrandweren, om het besluit aan te passen aan nieuwe beleidsontwikkelingen,

– in het kader van het project Versterking Pro-actie en Preventie wordt een bijdrage geleverd voor de opleiding van veiligheidsmanagers voor de brandweerregio's,

– de volgende activiteiten op het terrein van vergroting van het veiligheidsbewustzijn bij burgers, ondernemingen, instellingen zullen worden uitgevoerd:

* het Nationaal Voorlichtingsprogramma brandveiligheid wordt uitgewerkt. Dit programma beoogt via zowel massamediale als doelgroepgerichte voorlichting het brandveiligheidbewustzijn van burgers, bedrijven en overheden te vergroten en loopt door tot eind 2006,

* risico-communicatie: het faciliteren van gemeenten bij het communiceren over risico's in de woon- en leefomgeving van burgers. De risicokaart is één van de instrumenten die hiervoor beschikbaar is gesteld. Een vervolgtraject op het project Model Risicokaart, ingezet in 2003, wordt gecontinueerd in 2004. Hiervoor zijn ondersteuning van het IPO en bijdragen aan afzonderlijke provincies noodzakelijk. Doel hiervan is de situatie te bereiken waarin alle provincies en gemeenten gebruik maken van de risicokaart. Het traject loopt door tot medio 2006;

F. – grensoverschrijdende samenwerking: adequate alarmering en informatievoorziening, afstemming van planvorming en bevorderen van grensoverschrijdend oefenen,

– coördinatie van en deelname aan de bijeenkomsten en seminars van de Civil Protection Committee (CPC) en de Senior Civil Emergency Planning Committee (SCEPC),

– uitwerking van het werkprogramma 2004 met de Visegradlanden (Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Polen) en opbouwen van nieuwe contacten (Bulgarije, Turkije, Roemenië),

– voorbereiding invulling Nederlands voorzitterschap van de EU in de tweede helft van 2004 op het terrein van civiele bescherming,

– het bevorderen van de bilaterale samenwerking met andere landen (niet Visegrad, niet NAVO en niet EU) in het kader van internationale afspraken;

G. – de in gang gezette verdichting van het waarschuwingsstelsel zal worden afgerond;

– het verbindingsnet ten behoeve van de brandweer zal in stand worden gehouden tot de komst van C2000, inclusief de mobiele component;

– het mede er voor zorgen dat er een aan de behoeftes aangepaste noodvoorziening voor de telecommunicatie komt;

– de operationele voorraad van het rampbestrijdingsmaterieel zal in stand worden gehouden;

– met betrekking tot de geneeskundige uitrusting zullen de expirerende goederen worden vervangen;

– er zal een onderzoek plaatsvinden naar de fysieke belasting van het brandweerpersoneel bij operationeel optreden in relatie tot de ARBO-wetgeving. Tevens vind er onderzoek en advisering plaats bij de Europese normering van de brandweer uitrusting;

H. de partners in de rampenbestrijding (brandweer- en GHOR-regio's, Nederlandse Rode Kruis en Reddingsbrigades Nederland) wordt een financiële bijdrage verstrekt in de kosten van de organisatie van de rampenbestrijding en hulpverlening.

I. kwantitatieve monitoring, organiseren van regiobijeenkomsten en optimalisering van de internetsite.

J. – een bovenregionaal, internationaal inzetbare bijstandseenheid (Urban Search and Rescue–USAR) is in 2003 samengesteld. Door middel van een bijdrage voor opleidingen en oefenen en beheer van materieel zal de operationaliteit van deze bijstandseenheid worden gewaarborgd,

– het realiseren van de opzet van een landelijke kenniscentrum voor brandweer en rampenbestrijding en een landelijke ondersteuningsfaciliteit, i.c. de Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding (LFR), van waaruit de regio's ondersteuning kunnen krijgen bij hun activiteiten in het kader van de rampenbeheersing;

K. aan gemeenten wordt een bijdrage verstrekt in de kosten van de opsporing en ruiming van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999 is een regeling die toeziet op de toekenning van bijdragen aan gemeenten ter zake van de kosten van de ruiming of opsporing van als gevolg van de Tweede Wereldoorlog achtergebleven explosieven. Sinds 1 januari 2003 is de door de gemeente te betalen drempelbijdrage verhoogd naar € 2,50 per inwoner (zonder maximum) en is het uitkeringspercentage verlaagd van 90% naar maximaal 80%.

Er wordt gewerkt aan een nieuw Bijdragebesluit waarin verwezen wordt naar de beoordelingsrichtlijn van SZW waarin de voorwaarden staan waaraan een (civieltechnisch explosieven)opsporingsbedrijf moet voldoen. Daarnaast biedt het nieuwe Bijdragebesluit meer houvast voor gemeenten bij de aanbesteding van nieuwe projecten.

Wat mag het kosten?

A. Risicoanalyse en planvorming€  1,525 mln
B. Operationalisering€  2,200 mln
C. Kwaliteit, bestuur en toezicht€  1,375 mln
D. Geneeskundige hulpverlening bij rampen (GHOR)€  0,550 mln
E. Risicobeleid en veiligheidsbewustzijn€  1,500 mln
F. Internationale samenwerking€  0,405 mln
G. Materiële voorzieningen en landelijke faciliteiten€  9,086 mln
H. Financiering partners in de rampenbestrijding€ 62,298 mln
I. Adequate organisatie informatiehuishouding en communicatie€  0,198 mln
J. Bovenregionaal/internationaal inzetbare voorziening ten behoeve van de rampenbestrijding€  3,630 mln
K. Uitvoering Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog€ 29,992 mln

Overige kosten operationele doelstelling 3

Wat willen we bereiken?

Inzetkosten bij rampen.Uitvoering van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen.
Bijdrage Kenniscentrum Psychosociale hulpverlening.Bijdrage leveren aan het verbeteren van de psychosociale zorg na rampen.
Jaarlijkse bijdragen aan instellingen op het terrein van rampenbeheersing en geneeskundige hulpverlening.Bijdrage leveren aan de voorbereiding, uitvoering en nazorg van de geneeskundige hulpverlening bij zware ongevallen en rampen. Bijdrage leveren aan de ontwikkeling van kennis op het gebied van de urgentiegeneeskunde. Bijdrage leveren aan de totstandkoming van een samenhangend en gecoördineerd beleid van rijk, provincies en gemeenten ten aanzien van de rampenbestrijding in brede zin.
Rechtspositionele voorzieningen.Uitvoering van een aantal rechtpositionele voorzieningen ten behoeve van (ex-)rampbestrijders.
Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR).Instandhouding van het meetnet.

Wat gaan we daarvoor doen?

Verstrekken van uitkeringen en bijdragen.

Wat mag het kosten?

Inzetkosten bij rampen€ 0,453 mln
Jaarlijkse bijdragen€ 0,621 mln
Rechtspositionele voorzieningen€ 1,745 mln
NMR€ 0,545 mln
Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Risicoanalyse en planvorming  
De prestaties ten aanzien van de rampenbeheersing in relatie tot de geïnventariseerde risico's.Het model voor het regionaal beheersplan rampenbestrijding is in 2003 beschikbaar.Alle regio's hebben eind 2004 een bestuurlijk vastgesteld beheersplan rampenbestrijding, waarin de regionale maatscenario's en te leveren operationele prestaties in relatie tot onderkende risico's zijn opgenomen.
   
De gemeentelijke planvorming op het gebied van rampenbeheersing.Alle doelgroepen beschikken in 2003 over het Handboek Voorbereiding Rampenbestrijding en de digitale bibliotheek is operationeel.De beheersorganisatie van de documentatie rampenbestrijding is in 2004 operationeel.
   
Operationalisering rampenbestrijding  
De mate en de kwaliteit van het opleiden en oefenen als onderdeel van de voorbereiding op het bestrijden van rampen en zware ongevallenHet beleid t.a.v. het opleiden en oefenen is te weinig praktijk georiënteerd, te vrijblijvend en sluit te weinig aan op het kwaliteitsbeleid. Het oefenen is onvoldoende cyclisch van aard, er wordt te weinig van geleerd en is te gecompliceerd.De partners in de rampenbestrijding hebben eind 2004 de opleidingen aangepast, zodat ze beter aansluiten op het reguliere onderwijs. Het oefenproces wordt ondersteund door IT en niet-geautomatiseerde oefenmethodieken. Opleiden en oefenen sluiten integraal op elkaar aan en vormt onderdeel van de kwaliteitsborging.
   
De operationele informatievoorziening als onderdeel van de rampenbestrijding.Het ontbreekt aan een integrale visie ten aanzien van operationele informatievoorziening.In de loop van 2004 is er een visie ontwikkeld, die is vastgesteld door de partners. Deze visie bepaalt de kaders voor het uitvoerend beleid. Het uitvoerend beleid wordt ingevuld door de ICT-Raad rampenbestrijding en crisisbeheersing.
   
Een bovenregionale en een internationaal inzetbare voorbereiding op de rampenbestrijding.In 2003 zijn de voorbereidingen voor een bovenregionaal inzetbare voorziening en een landelijke ondersteuningsfaciliteit zijn getroffen.Een bovenregionaal inzetbare voorziening is in 2004 operatoneel en een landelijke ondersteuningsfaciliteit is voorbereid.
   
Kwaliteit, bestuur en toezicht  
De kwaliteit van de organisatie, de structuur en het toezichtarrangement van de rampenbeheersing.Bestuurders zijn onvoldoende bewust van de eigen verantwoordelijkheid rondom veiligheid en rampenbestrijding.Er is in 2004 een actieprogramma verhoging veiligheidsbewustzijn bestuurders beschikbaar gesteld.
   
Veiligheidsregio's  
Territoriale congruentie, schaalgrootte en bestuurlijke integratie.De brandweer- en GHOR regio's zijn bijna allemaal territoriaal congruent met de politieregio, maar nog niet overal bestuurlijk geïntegreerd. Over de bestuurlijke vorm van de veiligheidsregio en de financiële structuur daarvan moet een standpunt worden geformuleerd.De wijze waarop de financiering, inbedding, aansturing en ambtelijke structuur van de veiligheidsregio's op regionaal niveau vorm moet krijgen is in 2004 ten aanzien van de politie, de GHOR en de gemeentelijke en regionale brandweren nader uitgewerkt.
   
Risicobeleid en veiligheidsbewustzijn  
Model risicokaart.Er is een functioneel ontwerp gemaakt voor het model risicokaart.De risicokaart is geïmplementeerd en in 2004 in gebruik bij gemeenten.
   
Zelfredzaamheid en hulpverlening.De borging van zelfredzaamheid en hulpverlening in regelgeving is onvoldoende.De rol van zelfredzaamheid en hulpverlening is in regelgeving geborgd voor onder meer vervoer gevaarlijke stoffen (2007) en tunnelveiligheid (2005).
   
Informatie bevolking.De bevolking is onvoldoende op de hoogte van wat zij moet doen ten tijde van een ramp.De VORAMP-campagne is in 2004 wederom uitgevoerd en de bevolking is voldoende op de hoogte van wat zij moet doen ten tijde van een ramp.
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
3.3: Ondersteunen partners in Rampenbestrijding.Jan-04Okt-04Evaluatie Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen.
 Jan-04Juli-04Evaluatie Besluit Bedrijfsbrandweren.

Het aantal voorgenomen beleidsevaluaties is beperkt. Enerzijds heeft dit als oorzaak dat onlangs een omvangrijke, tussentijdse evaluatie heeft plaatsgevonden van de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004. Hiermee is een tussentijds beeld verkregen van de versterking van de rampenbestrijding, i.c. het proces dat in 1998 in gang is gezet. Anderzijds is een aantal beleidsonderwerpen, voortgekomen uit de kabinetsstandpunten Enschede en Volendam, onlangs afgerond. Evaluatie van dit beleid is eerst op langere termijn aan de orde.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
3: Rampenbeheersing en brandweer2002200320042005200620072008
Verplichtingen163 131164 833137 462152 295157 107158 075158 075
1. apparaat12 8799 9599 8439 8399 8379 8349 834
2. ondersteunen brandweer8 85610 5587 7767 5748 2678 2688 268
3. ondersteunen partners in rampenbestrijding141 396144 316119 843134 882139 003139 973139 973
        
Uitgaven159 965165 488138 854153 687158 499159 466159 466
1. apparaat12 3199 9599 8439 8399 8379 8349 834
2. ondersteunen brandweer9 22710 5867 8047 6028 2958 2958 295
3. ondersteunen partners in rampenbestrijding138 419144 943121 207136 246140 367141 337141 337
        
Ontvangsten1 242250250250250250250

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
3: Rampenbeheersing en brandweer 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 138 854 153 687 158 499 159 466 159 466
2. Waarvan apparaatuitgaven 9 843 9 839 9 837 9 834 9 834
3. Dus programma-uitgaven 129 011 143 848 148 662 149 632 149 632
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht10%12 8802%2 8731%1 4851%1 4941%1 494
5. complementair noodzakelijk6%7 7286%8 6186%8 9076%8 9656%8 965
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)74%95 31374%106 29265%96 49463%94 13663%94 136
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)10%13 09018%26 06528%41 77630%45 03730%45 037
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%129 011100%143 848100%148 662100%149 632100%149 632

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Aan de hiervoor geformuleerde operationele doelstellingen heeft een aantal veronderstellingen ten grondslag gelegen:

– eind 2002 is het wetsvoorstel kwaliteitsbevordering rampenbestrijding aan de Tweede Kamer aangeboden. Een aantal voorgenomen activiteiten is gebaseerd op dit wetsvoorstel. Er is van uit gegaan dat de Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding (Wkr) per 1 januari 2004 van kracht zal zijn,

– het huidige aantal vrijwilligers bij de brandweer van circa 22000 zal constant blijven,

– de wijze van financiering van de Brandweer- en GHOR-regio's door het rijk, i.c. de toepassing van het Interim Besluit bestrijding van rampen en zware ongevallen (IBDUR) en daarnaast vanuit het gemeentefonds zal in 2004 niet veranderen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

De rampenbestrijding en de brandweerzorg is allereerst een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De minister van BZK is systeemverantwoordelijk. Dat wil zeggen, de minister van BZK verschaft instrumenten aan de operationele organisaties. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt effectief te kunnen optreden. Het is afhankelijk van het gebruik ervan door deze organisaties of daarmee ook de beoogde effectiviteit, i.c. de verbetering van het prestatievermogen, wordt gerealiseerd.

Als prestatie-indicator zijn in de begroting in veel gevallen de door de minister van BZK aangereikte instrumenten opgenomen. Hiermee wordt een beeld gegeven in hoeverre de minister van BZK het mogelijk heeft gemaakt de brandweer en rampenbestrijdingsorganisatie effectief te laten functioneren. Het effect, dat met deze instrumenten wordt bereikt, zal echter niet op korte termijn meetbaar zijn. Bovendien zijn de effecten, in de vorm van meetbare prestatiegegevens, niet in alle gevallen voorhanden. De effecten van het beleid zullen om die reden op een andere wijze dan het gebruik kunnen maken van bestaande gegevens onderzocht moeten worden. Bezien zal worden welke mogelijkheden hiervoor bestaan alsmede de consequenties hiervan voor de toelichting in de begroting in de komende jaren.

BELEIDSARTIKEL 4: PARTNERS IN VEILIGHEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het verbeteren c.q. optimaliseren van het functioneren van en de samenwerking tussen de partners in veiligheid (politie, Marechaussee, brandweer, ambulancediensten, Krijgsmacht, centrale overheid, gemeenten en bedrijven), opdat zij de openbare orde kunnen handhaven en de veiligheid in Nederland kunnen verhogen.

De volgende operationele doelstellingen moeten een bijdrage leveren voor het verbeteren en optimaliseren van het functioneren en samenwerken van de partners in veiligheid:

– het bevorderen van een adequaat integraal veiligheidsbeleid. De veiligheid van de burgers in Nederland moet worden vergroot. Dit vergt een geïntegreerde aanpak van de veiligheidsproblematiek op alle bestuurlijke niveaus. De minister van BZK treedt hierbij coördinerend op;

– een adequate bestuurlijke coördinatie van orde- en veiligheidsmaatregelen, bijstandsverlening en crisisbeheersing. De minister van BZK is verantwoordelijk voor het adequaat coördineren van de crisisbeheersing. De crisisbesluitvorming op rijksniveau wordt door het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) gefaciliteerd. Het NCC ondersteunt de betrokken ministers ten tijde van crises en daarnaast coördineert het NCC het beleid en de uitvoering daarvan op het gebied van de crisisbeheersing;

– het bijdragen aan samenhang in een gemeenschappelijk gebruik van de ICT-infrastructuur. Door een samenhangend geheel van ICT-voorzieningen kunnen de partners efficiënter en effectiever opereren en communiceren. Op het gebied van de politie wordt op dit moment een inhaalslag gemaakt. Daarnaast is begonnen met het aanbrengen van samenhang tussen de verschillende diensten en er wordt naar gestreefd het project C2000 in 2004 te hebben afgerond. De minister van BZK voert dit beleid uit in samenwerking met de andere ketenpartners;

– het realiseren van het netwerk C2000. Er wordt naar gestreefd het project C2000 in 2004 te hebben afgerond.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Het bevorderen van een adequaat integraal veiligheidsbeleid

2.1. Integraal Veiligheidsbeleid

Wat willen we bereiken?

– Verbeteren van de meetbaarheid van de veiligheid in Nederland en de veiligheidsgevoelens van de burgers. Het kabinet heeft het programma Naar een veiliger samenleving (kamerstukken II, 2002/2003, 28 684, nr 9) naar de Tweede Kamer gestuurd. De veiligheid zal door prestatiemeting, effectmeting en evaluaties objectief aantoonbaar en kwantitatief zichtbaar verbeterd moeten zijn. Of dat zo is, zal blijken uit de Jaarrapportage Veiligheid die tegelijk verschijnt met de oktoberrapportage over de voortgang van het Veiligheidsprogramma.

– Tegengaan van versnippering. Daartoe is het nodig de rol van de minister van BZK als coördinerend bewindspersoon voor het integraal veiligheidsbeleid te versterken, onder meer aan de hand van het adjunct-secretariaat in de huidige Raad voor de Veiligheid en het co-secretariaat van het Nationaal Platform voor Criminaliteitsbeheersing. In de Raad voor de Veiligheid worden (maatschappelijke) knelpunten op het gebied van de veiligheid geagendeerd en opgelost in samenspraak met betrokken bewindslieden. Deze maatschappelijke knelpunten zullen via een MDW-achtige aanpak (marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit) worden aangepakt. Dat wil zeggen dat over de jaarlijks door de politiek te prioriteren 5 tot 10 onderwerpen met behulp van de meest betrokken partners binnen een kort tijdsbestek oplossingsrichtingen aan de Raad voor de Veiligheid zullen worden voorgelegd. De minister van BZK coördineert tevens de pijler veiligheid in het kader van het Grotestedenbeleid (GSB). De coördinerende rol wordt daarnaast nog versterkt via intensivering van de publiek-private samenwerking met het bedrijfsleven. Op gemeentelijk niveau ligt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van lokaal integraal veiligheidsbeleid, dat is gebaseerd op een vooraf door het lokale bestuur uitgevoerde veiligheidsanalyse. Tot slot zal in de uitvoering van het veiligheidsbeleid een bundeling van activiteiten met Justitie en andere partners in veiligheid in gang worden gezet om versnippering tegen te gaan.

Wat gaan we daarvoor doen?

– In het kader van het Veiligheidsprogramma zullen de effecten van de aanvullende afspraken die met de grote steden (G30) zijn gemaakt op het terrein van veiligheid (de vierde pijler van het GSB), worden gemeten via de voortgangsrapportage van het Veiligheidsbeleid. Deze rapportage sluit volledig aan bij de rapportage over de veiligheid in de GSB-monitor. De afspraken vormen een opmaat voor de convenantperiode 2005–2009 van het grote stedenbeleid (GSB III). In 2004 zal verder invulling worden gegeven aan de maatregelen zoals die in genoemd programma zijn verwoord. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan versterking van de bestuurlijke handhaving, de ambities rond de keurmerken Veilig Wonen en Veilig Ondernemen en de Kwaliteitsmeter Veilig Uitgaan, beveiliging van diefstalgevoelige apparaten, de vormgeving en inrichting van urgentiegebieden.

Behalve met de G30 worden ook met de overige gemeenten in Nederland afspraken gemaakt om Nederland concreet veiliger te maken. Datzelfde geldt voor de private partijen (bijv. Verbond voor Verzekeraars). Ook over de voortgang van de uitvoering van deze afspraken wordt gerapporteerd via de voortgangsrapportages van het Veiligheidsprogramma.

In het Centrum voor criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), ingangsdatum eind 2003, wordt een aantal versnipperde activiteiten samengebracht. Volgens het Veiligheidsprogramma is het noodzakelijk kennis en expertise te bundelen en een brede toepassing van preventieve maatregelen te bevorderen. Het CCV ondersteunt gemeenten en private partijen bij het implementeren van integraal veiligheidsbeleid en van criminaliteitspreventie. De primaire inzet van het CCV is aangegeven in de jaarprogrammering, die is goedgekeurd door de ministers van BZK en van Justitie. Uiterlijk begin 2004 is bekend wat deze jaarprogrammering voor dat jaar inhoudt.

– Het uitbrengen van de Jaarrapportage Veiligheid, waarin onder andere de actuele standen van de beoogde maatschappelijke effecten (outcome) van het Veiligheidsprogramma en een vergelijking tussen regio's en/of gemeenten op het gebied van veiligheid (benchmark) aan de orde komen. De Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI), die de stand van zaken rond veiligheid in een aantal bedrijven en (overheids-)instellingen meet, wordt in samenwerking met Justitie opnieuw uitgebracht. De MBI levert gegevens die ook van belang zijn voor het veiligheidsprogramma.

– Om de samenhang en de samenwerking met betrekking tot het Integraal Veiligheidsbeleid te bevorderen zullen daarop gerichte publieke en publiek-private initiatieven waar mogelijk worden gecontinueerd en versterkt. Het gaat hier om het ontwikkelen, implementeren en communiceren van veiligheidsconcepten- en arrangementen zoals keurmerken, Veiligheidseffectrapportage, een fietsenregistratiesysteem. Waar mogelijk en gewenst worden dergelijke activiteiten aan het CCV gerelateerd, zodat aan de implementatie daarvan een extra impuls wordt gegeven. Er wordt een onderzoek verricht naar de effecten van enkele keurmerken op het gebied van de integrale veiligheid.

Wat mag het kosten?

Opbouwen en onderhouden van netwerken met de veiligheidspartners op centraal, regionaal en lokaal niveau€ 1,639 mln
Monitoring (Jaarrapportage Veiligheid), onderzoek en strategie-ontwikkeling€ 0,386 mln
Waar mogelijk financiële ondersteuning publiek-private initiatieven voor bevordering samenhang en samenwerking bij het integraal veiligheidsbeleid€ 1,580 mln
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde1
4.2: Het bevorderen van een adequaat integraal Veiligheidsbeleid.Uitbrengen van een Jaarrapportage Veiligheid met meting van de effecten van het Veiligheidsprogramma.01
 Uitbrengen van de Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI).01

1 De bovenstaande basiswaarde heeft betrekking op 1 januari 2004 en de streefwaarde op 31 december 2004.

Bij de aanduiding van de prestatie-indicatoren bij de begroting 2004 is uitgegaan van de door BZK te beïnvloeden factoren. Deze factoren zijn gericht op het in kaart brengen van, stimuleren en implementeren van integraal veiligheidsbeleid op lokaal niveau.

Zoals ook uit de daaraan voorafgaande paragrafen blijkt, worden er meer (beleids)produkten gegenereerd die zich echter niet in basis- en streefwaarden laten registreren.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
4.2: Onderzoek en Strategieontwikkeling.Mrt 2003Sep 2004Veiligheidsrapportage 2004.
Onderzoek.Dec 2004Juni 2005Evaluatie stelsel Bewaking en Beveiliging.

2.2. Een adequate bestuurlijke coördinatie van orde- en veiligheidsmaatregelen, bijstandsverlening en crisisbeheersing

Wat willen we bereiken?

Een optimale coördinatie van orde- en veiligheidsmaatregelen, bijstandsverlening en crisisbeheersing door middel van het realiseren van de volgende subdoelstellingen:

1. adequate informatie-uitwisseling en communicatie tussen bestuurlijke partners;

2. versterkte operationele paraatheid en bestuurlijke coördinatie bij het nemen van orde- en veiligheidsmaatregelen waaronder bewaking en beveiliging van mensen en objecten – en van de bijstandsverlening;

3. het tot stand brengen van een samenhangend stelsel van voorzieningen om – in samenwerking met andere organisaties in (acute) noodsituaties de veiligheid te waarborgen;

4. waarborgen van de continuïteit van vitale producten en diensten van overheid en bedrijfsleven, waaronder ICT;

5. intensivering van opleidingen en (internationale) oefeningen.

Wat gaan we daarvoor doen?

ad 1. Invoeren van een nieuw meldingenbeheersysteem en verbeteren van het informatie- en documentatiesysteem. Vanuit deze informatiepositie zorgen voor een op de behoefte afgestemde uitwisseling van geverifieerde informatie tussen de verschillende overheden over (dreigende) grootschalige c.q. ernstige verstoringen van de openbare orde en veiligheid en crisisomstandigheden;

ad 2. De 24-uurs openstelling stelt het NCC in staat om onder alle omstandigheden alert op gebeurtenissen te reageren en de vereiste sturing en afstemming van de te nemen maatregelen direct ter hand te nemen;

ad 3. Om het integrale crisisbeheersingsbeleid daadwerkelijk gestalte te geven wordt het volgende ondernomen:

– samenwerking met alle betrokken partijen ten behoeve van de vormgeving van het crisisbeheersingsbeleid: ministeries, medeoverheden, operationele instanties, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven,

– het formuleren van een helder begrippenkader (betekenis van gangbare, maar door elkaar gebruikte begrippen als crisisbeheersing, risicobeheersing, rampenbeheersing/-bestrijding, interne en externe veiligheid etc. en hun onderlinge relatie),

– het versterken van de beleidsontwikkeling op het terrein van crisisbeheersing en het bevorderen van de onderlinge samenhang van deelterreinen: multidisciplinariteit en integraal crisisbeheersingsbeleid,

– het aangeven van de speerpunten in het crisisbeheersingsbeleid voor de periode 2004–2007,

– het (nader) inhoud en vorm geven aan coördinatie, onderlinge uitwisseling van informatie en afstemming, overlegstructuur, borging van beleid, toezicht en rapportage; het gaat hier om aspecten die tot de normale taakuitoefening behoren, maar niet of onvoldoende worden uitgevoerd,

– aanpassing van het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming,

– in 2004 zullen de eerste resultaten in praktijk worden gebracht van een kwaliteitszorgsysteem voor crisisbeheersing door de rijksoverheid. Het betreft de implementatie van het deelproject Preparatie. Voor uitbouw van het systeem zal in 2004 een volgend deelproject worden gedefinieerd;

ad 4. De bevindingen van het project Bescherming Vitale Infrastructuur zullen een duidelijk beeld geven van de robuustheid van de Nederlandse infrastructuur. Inzicht zal worden verschaft in de kwetsbaarheid van vitale producten en diensten en in de omvang en effectiviteit van reeds getroffen beschermingsmaatregelen. Ook zullen tekortkomingen worden gesignaleerd waarvoor een samenhangend pakket van maatregelen zal worden ontwikkeld dat de continuïteit van vitale producten en diensten moet waarborgen. Het ontwikkelen van een pakket van maatregelen is geen éénmalige exercitie en zal daarom verankerd worden in de reguliere bedrijfsvoering van overheid en bedrijfsleven.

ad 5. Een goede voorbereiding op crises kenmerkt zich ook door het opleiden en oefenen van betrokkenen (ambtenaren en ministers). Daarnaast zijn oefeningen het instrument bij uitstek voor het testen van structuren en de evaluatie van beleid en procedures. Oefeningen leveren een belangrijke bijdrage aan de aanleg en onderhoud van (crisis)netwerken. Bovendien maken ze een wezenlijk onderdeel uit van het systeem van kwaliteitsborging voor crisisbeheersingsbeleid.

Tegen deze achtergrond organiseert het NCC onder meer interdepartementale oefeningen op niveau van interdepartementaal beleidsteam (jaarlijks) en ministerieel beleidsteam (tweejaarlijks), coördineert het de interdepartementale inbreng bij internationale oefeningen en zal het NCC een interdepartementaal opleidingsplan ontwikkelen.

Wat mag het kosten?

Voor de programma-uitgaven is € 1,349 mln beschikbaar.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde1
4.2: Een adequate bestuurlijke coördinatie van orde- en veiligheidsmaatregelen, bijstandsverlening en Crisisbeheersing.Oplevering nieuw Meldingenbeheersysteem (MBS).01
 Aanpassing Handboek Crisisbesluitvorming.01
 Rapport Bescherming Vitale Infrastructuur.01
 Interdepartementaal opleidingsplan.01
 Jaarlijkse oefening interdepartementaal beleidsteam.01
 Jaarlijkse internationale oefening crisismanagement (civiel-militair).01

1 De bovenstaande basiswaarde heeft betrekking op 1 januari 2004 en de streefwaarde op 31 december 2004.

Operationele doelstelling 3: Het bijdragen aan samenhang in een gemeenschappelijk gebruik van de ICT-infrastructuur

Wat willen we bereiken?

De samenhang en samenwerking bij de ICT-voorzieningen in de OOV-sector moeten verder worden versterkt om het veiligheidsbeleid van het kabinet optimaal te kunnen ondersteunen. Dat gebeurt langs de volgende wegen:

– het realiseren van een ICT-basisvoorziening (LIB) voor alle veiligheidspartners, naast het verder ontwikkelen van de ICT-voorzieningen per OOV-sector. Het dagelijkse beheer van bestaande bovenregionale en landelijke ICT-voorzieningen met de daarbij behorende budgetten worden overgedragen aan het veld, waarbij het ministerie zich primair richt op het ontwikkelen van beleidskaders en het strategische beheer voor de ICT-voorzieningen in de OOV-sector;

– de uitvoering van het ICT-bestek Politie 2001–2005 voor de vernieuwing van de informatiehuishouding van de politie, waaronder de invoering van de elektronische aangifte, het elektronisch proces-verbaal en de bundeling van de ICT-voorzieningen van de 26 politiekorpsen in een beperkt aantal ICT-verzorgingsgebieden ten behoeve van de korpsen;

– het opstellen van samenhangend ICT-programma op het terrein van de rampenbestrijding, dat is gericht op de ontwikkeling van een kwalitatief goede informatievoorziening tussen de veiligheidspartners en het stellen van prioriteiten voor de daarbij te nemen stappen;

– een operationeel Geïntegreerd Meldkamer Systeem in alle meldkamers van de veiligheidsregio's.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Voor de OOV-partners (politie, brandweer) en overige veiligheidspartners wordt een gezamenlijke datatransportdienst ontwikkeld, die wordt geïntegreerd met andere basisvoorzieningen als C2000, GMS en basisgegevensregistraties als het Nationaal Locatiebestand (NLB).

– Bijdragen aan de bekostiging, monitoring en sturing van de uitvoering van het ICT-bestek Politie en de daarop gebaseerde jaarplannen van de Regieraad ICT Politie en de coöperaties CIP en ISC.

– Het organiseren en faciliteren van een Adviescommissie ICT Rampenbestrijding die adviseert in een samenhangend ICT-programma voor de rampenbestrijding.

– Afronding van de invoering van GMS in de meldkamers van de OOV sector.

Wat mag het kosten?

Voor deze operationele doelstelling is een totaal budget beschikbaar van € 76,116 mln, dat als volgt is onderverdeeld:

Beleidsontwikkeling en strategisch beheer van de bovenregionale landelijke infrastructuur, gegevensbestanden en applicaties€ 26,654 mln
Bijdrage aan de Regieraad ICT-Politie ten behoeve van de realisatie van het Bestek ICT-Politie 2001–2005€ 47,379 mln
Ten behoeve van de Adviescommissie ICT Rampenbestrijding voor het voeren van het secretariaat en externe advisering€ 0,315 mln
Afronding en implementatie van het project GMS€ 1,768 mln
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde1
4.3: Het bijdragen aan samenhang in een gemeenschappelijk gebruik van de infrastructuur.Beschikbaarheid 1-1-2 netwerk.95%99,8%
 Aantal verzorgingsgebieden met een gemeenschappelijk rekencentrum voor de inliggende politieregio's.03
 Aantal gemeenschappelijke informatiesystemen voor de Nederlandse Politie.26
 Wettelijke basis voor een publiekrechtelijke samenwerkingsvoorziening ICT-politie.Wetsvoorstel aangeboden aan de TKVastgestelde Wetswijziging
 Projectplan ICT-raad Rampenbestrijding (inclusief financieel plan).01
 Aantal meldkamers van de BAP-diensten die voorzien zijn van een Geïntegreerd Meldkamersysteem (GMS).2627

1 De bovenstaande basiswaarde heeft betrekking op 1 januari 2004 en de streefwaarde op 31 december 2004.

Operationele doelstelling 4: Realiseren van het netwerk C2000

Wat willen we bereiken?

– In de loop van 2004 wordt de uitrol van het landelijke netwerk C2000 afgerond.

– Het digitale radiocommunicatienetwerk voor politie, brandweer, geneeskundige hulpverleningsdiensten en Koninklijke Marechaussee zal operationeel zijn en door deze partijen in gebruik worden genomen.

– Het oprichten van een netwerkbeheerorganisatie bij ITO.

Wat gaan we daarvoor doen?

– In 2004 vinden de laatste afrondende werkzaamheden van het project C2000 plaats. Zo worden, als onderdeel van de infrastructuur, in het eerste kwartaal de laatste 50 opstelpunten opgeleverd; dit resulteert in het totale aantal van 385 opstelpunten.

– De huidige relatie tussen BZK en ITO in de rol van opdrachtgever en opdrachtnemer, leidt in de praktijk tot weinig doortastende besluitvorming en onduidelijkheid bij de leveranciers en het veld over de verantwoordelijkheidsverdeling. De projectdirectie Verbindingen en meldkamerdomein, onder directe aansturing van de directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid, is belast met de directe verantwoordelijkheid voor het contractmanagement en de directe aansturing van de leverancier. Met deze ingreep wordt die onduidelijkheid weggenomen. Daar moet overigens bij worden aangetekend dat dit voor de aansturing en regie een belangrijke stap is, maar organisatorisch een beperkte wijziging inhoudt. Dat is van belang omdat anders de aandacht teveel zou worden gericht op de interne organisatie.

– Er zal een intensief bestuurlijk informatietraject van start gaan, waarin met regionale bestuurders overleg wordt gevoerd over de specifieke zorgpunten uit de regio. Er zal duidelijkheid worden verschaft over de dekking van het netwerk. Als na testen van het netwerk blijkt dat de 95% niet wordt gehaald, zal BZK maatregelen treffen om alsnog de gegarandeerde dekking te realiseren. Daarnaast zal benchmarking worden gestimuleerd zodat de veiligheidsregio's van elkaars aanpak en oplossingen kennis kunnen nemen.

– Het project C2000 zal in 2004 overgaan van projectfase naar beheerfase.

Zodra het project is afgerond zal een eindrapportage naar de Tweede Kamer worden verzonden.

Wat mag het kosten?

Voor het project C2000 is € 166,683 mln beschikbaar:

Voor netwerk gereserveerd€ 100,533 mln
Projectkosten Verbindingen en Meldkamerdomein€ 17,622 mln
Oprichten netwerkbeheerorganisatie, alsmede exploitatiekosten V&M€ 48,528 mln
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde1
4.4: Het realiseren van het netwerk C2000. Opstelpunten netwerk C2000.335385
 Aangesloten meldkamers op C2000 netwerk.2627

1 De bovenstaande basiswaarde heeft betrekking op 1 januari 2004 en de streefwaarde op 31 december 2004.

Operationele doelstelling 5: Realiseren van multidisciplinaire projecten

5.1. CFA II Volendam

Wat willen we bereiken?

De slachtoffers van de Nieuwjaarsbrand in Volendam wordt maximale hulp en ondersteuning geboden bij het opbouwen van een eigen bestaan en het verwerven van een zelfstandige, onafhankelijke economische positie in de maatschappij. Het Centrum voor Reïntegratie en Nazorg (CRN) treedt hierbij naar getroffenen en zorgaanbieders adviserend en informerend, maar ook regisserend en coördinerend op.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het CRN biedt de slachtoffers en hun naasten het volgende:

– ondersteuning in het zoeken van mogelijkheden op maat voor (bij)scholing en (her)intreding op de arbeidsmarkt;

– begeleiding in het zoeken van de juiste lichamelijke en psycho-sociale nazorg;

– verlaging van drempels van instellingen en coördinatie van hun aanbod;

– hulp bij het vinden van oplossingen via regelingen;

– praktische en emotionele ondersteuning dicht bij huis;

– een ontmoetingsplaats.

Wat mag het kosten?

Het budget voor de activiteiten voor het CRN bedraagt € 1,008 mln.

5.2. Colokatie Meldkamers

Wat willen we bereiken?

Voor iedere veiligheidsregio het naar één locatie brengen en samenvoegen van de meldkamers van de politie, brandweer en ambulancediensten.

Wat gaan we daarvoor doen?

Er zullen 25 meldkamers moeten worden gecolokeerd in de 25 veiligheidsregio's. De meldkamers moeten voorafgaand of parallel aan de uitrol van C2000 gecolokeerd zijn, dan wel tijdelijke voorzieningen treffen om de installatie van C2000 doorgang te laten vinden. Het ondersteunen van de veiligheidsregio's door BZK bij het colokeren van de meldkamers is gestart in juli 2001 en zal doorlopen tot eind 2004.

Eind 2003 zijn 17 meldkamers van de in totaal 25 regio's gecolokeerd. Alle overige regio's hebben voor de landelijke invoering van C2000 vooruitlopend op de bouw van de gecolokeerde meldkamer, tijdelijke voorzieningen in de huidige meldkamers getroffen. Van de resterende 8 regio's zullen in de loop van 2004 vijf regio's over een gecolokeerde meldkamer gaan beschikken. Daarmee wordt de tijdelijke voorziening die in 2003 is getroffen beëindigd. De tijdelijke voorziening bij de regio Kennemerland zal in 2005 worden omgezet in een definitief gecolokeerde meldkamer en in Rotterdam in 2006. Van de laatste regio (Amsterdam-Amstelland) is nog niet bekend wanneer wordt overgegaan naar een gecolokeerde meldkamer. Het colokeren is een proces dat plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de regio.

Wat mag het kosten?

Het budget voor deze activiteiten in 2004 bedraagt € 0,347 mln.

5.3. Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC)

Wat willen we bereiken?

Na de vuurwerkramp en de nieuwjaarsbrand hebben de verschillende disciplines die betrokken zijn bij de rampenbestrijding de behoefte uitgesproken aan een vorm van landelijke operationele coördinatie. Hiertoe zal in 2004 het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum worden gerealiseerd, met als hoofdtaak de coördinatie van de multidisciplinaire operationele ondersteuning bij grootschalige rampen en evenementen.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het LOCC vormt als een faciliterende en coördinerende organisatie een belangrijke schakel in de operationele opschaling. De kerntaak betreft de coördinatie van de operationele ondersteuning van de diverse disciplines bij grootschalige rampen en evenementen en de advisering hieromtrent aan het NCC en de regio's. Het LOCC zal beschikken over een permanente kernbezetting van waaruit opgeschaald kan worden. Het LOCC zal ook reguliere operationele taken uitvoeren aansluitend op de geuite behoefte vanuit de diverse disciplines. Een snelle en efficiënte opschaling zal hierdoor bevorderd worden.

Het LOCC dient op grond van bovenstaande punten in elk geval te voorzien in:

– operationele coördinatie op landelijk niveau zowel ter ondersteuning van het NCC als de regio's;

– de organisatie van geïntegreerde multidisciplinaire informatievoorziening ten behoeve van de regio's en het NCC;

– een stevige backoffice waarin de operationele aspecten van de diverse disciplines in samenhang kunnen worden voorbereid;

– de beschikbaarheid van een actuele databank waarin alle beschikbare menskracht en middelen zijn opgenomen die nodig zijn bij rampen of andere activiteiten die groot of zeer ernstig van aard zijn;

– het inzicht en de kennis inzake de processen die zich tijdens calamiteiten voordoen.

Wat mag het kosten?

Het budget voor de activiteiten van het LOCC bedraagt € 1,5 mln.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde1
4.5: Het realiseren van multidisciplinaire projecten.Realiseren van 25 gecolokeerde meldkamers.1722

1 De bovenstaande basiswaarde heeft betrekking op 1 januari 2004 en de streefwaarde op 31 december 2004.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
4: Partners in veiligheid2002200320042005200620072008
Verplichtingen200 833154 798222 13098 72061 87683 04383 043
1. apparaat9 5827 4876 6976 9156 8736 8726 872
2. integraal veiligheidsbeleid52 64010 0524 9544 1754 0864 0654 065
3. ICT-infrastructuur97 77182 24176 11667 56331 08052 28052 280
4. netwerk C200040 84037 863132 50818 55718 32718 32618 326
5. projecten017 1551 8551 5101 5101 5001 500
        
Uitgaven247 351246 331257 30599 72062 87683 04383 043
1. apparaat8 7957 4876 6976 9156 8736 8726 872
2. integraal veiligheidsbeleid49 03510 0524 9544 1754 0864 0654 065
3. ICT-infrastructuur95 50782 24176 11667 56331 08052 28052 280
4. netwerk C200094 014132 396166 68318 55718 32718 32618 326
5. projecten014 1552 8552 5102 5101 5001 500
        
Ontvangsten4 312000000

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
4: Partners in veiligheid 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 257 305 99 720 62 876 83 043 83 043
2. Waarvan apparaatuitgaven 6 697 6 915 6 873 6 872 6 872
3. Dus programma-uitgaven 250 608 92 805 56 003 76 171 76 171
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht11%26 5946%5 2462%1 000    
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)89%224 01494%87 44391%50 93495%72 10395%72 103
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)   1167%4 0695%4 0685%4 068
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%250 608100%92 805100%56 003100%76 171100%76 171

Ad 6. Specificatie:

OnderwerpDocument20042005200620072008
C2000.Eindrapport werkgroep Kosten en Baten versie 1.0.166 68318 80018 80018 80018 800
       
Regieraad ICT Politie.Meerjarenraming Regieraad.47 25038 2071 77822 43322 433
       
Integraal veiligheidsbeleid.Actieprogramma naar een veiliger samenleving.3 5863 5863 5863 5863 586
       
Geïntegreerd Meldkamersysteem.Brief (GMS96/308) aan TK waarin is verwoord dat het Rijk 50% van de beheerkosten voor haar rekening neemt.1 7631 7631 7631 7631 763
       
Landelijk telefoon- nummer politie.Bijdrage Nederlands Politie Instituut.1 1501 1501 1501 1501 150
       
ICT-raad rampenbestrijding.Actieprogramma bewust veiliger.315315315315315
       
Multidisciplinaire en internationale basisvoorzieningen voor ICT.Actieprogramma naar een veiliger samenleving en bewust veiliger. 18 67518 59519 10919 109
       
Borging essentiële ICT voorzieningen.Verdrag van Schengen en bestek ICT politie.2 5354 0004 0004 0004 000
       
NCC.Instellingsbesluit DGOOV.732947947947947
Totaal categorie 6 224 01487 44350 93472 10372 103

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

– Operationele doelstelling 2: Verondersteld mag worden dat de veranderingen die zijn aangebracht in de prestatie-indicatoren, in het bijzonder voor veiligheidsbeleid, beter stuurbaar en controleerbaar zullen zijn.

Het opgenomen budget (apparaat- en programma-uitgaven) voor het NCC is gebaseerd op reguliere activiteiten. In crisissituaties wordt het NCC opgeschaald om bestuurders te faciliteren in het nemen van orde- en veiligheidsmaatregelen. De daarmee samenhangende kosten zijn niet voorspelbaar en derhalve niet begroot binnen dit artikel.

Het programma Naar een veiliger samenleving geeft aan welke concrete doelstelllingen het kabinet voor 2006 nastreeft en hoe het kabinet die doelstelling wil bereiken. Er bestaat een risico dat voor realiseren van alle genoemde doelstellingen onvoldoende budget beschikbaar zal zijn.

– Operationele doelstelling 3: Er is een risico dat de vervanging van het huidige PolitieNet niet goed of tijdig geschiedt. Als maatregel wordt de eis gesteld dat ISC (de aanbodcoöperatie) als directievoerder namens BZK jegens ITO tijdig en voldoende de vervanger van PolitieNet oplevert, eventueel het huidige PolitieNet langer subsidiëren. Daarnaast bestaat het risico dat regionale politiekorpsen niet meewerken aan de overgang naar de vervanger van PolitieNet. Als maatregel kan de overgang naar de vervanger van het PolitieNet, door regelgeving, verplicht worden gesteld.

– Operationele doelstelling 4: Voor het project C2000 wordt verondersteld dat in de loop van 2004 het digitale radiocommunicatienetwerk voor politie, brandweer, Koninklijke Marechaussee en geneeskundige hulpverleningsdiensten operationeel is. Na realisatie doet de beheerfase haar intrede. De beheerfase maakt onderdeel uit van operationele doelstelling 3 (bijdragen aan samenhang in en gemeenschappelijk gebruik van de ICT-infrastructuur) waardoor waarschijnlijk operationele doelstelling 4 (realiseren van het netwerk C2000) zal komen te vervallen.

Als risico's voor het project C2000 worden gezien het draagvlak bij de gebruikers, de dekking van het netwerk en de haalbaarheid van de einddatum van het project. Daarnaast hebben de betrokken partijen een eigen verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk in gebruik nemen van C2000 en de voorbereidingen daarop. BZK vervult hierbij een voorwaardenscheppende en ondersteunende rol.

– Operationele doelstelling 5: Voor het project Colokatie Meldkamers gelden dezelfde risico's als benoemd onder operationele doelstelling 4.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

In algemene zin geldt voor het begrotingsjaar 2004 dat een verbeterslag is gemaakt ten aanzien van de prestatie-indicatoren op het gebied van veiligheidsbeleid. Nagenoeg alle operationele doelstellingen zijn gedekt door prestatie-indicatoren. Beleidsevaluatie is een verbeterpunt voor het jaar 2004.

Ten aanzien van operationele doelstelling 2 geldt dat hierin eveneens de activiteiten van het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) zijn opgenomen. Gezien de huidige ontwikkelingen op het gebied van beveiliging en crisisbeheersing (aanbevelingen commissie Van den Haak ten aanzien van het feitenonderzoek beveiliging Pim Fortuyn) wordt in 2004 bezien of een aparte operationele doelstelling noodzakelijk is.

Als onderdeel van de oprichting van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) zal in het kader van VBTB een nulmeting in 2004 worden gehouden, om tot een verbetering te komen van de huidige praktijk.

BELEIDSARTIKEL 5: NATIONALE VEILIGHEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevordert de nationale veiligheid als bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) en de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo).

In de Wiv en de Wvo zijn de taken van de AIVD en de daartoe aan de dienst verleende bevoegdheden vastgelegd. Op grond hiervan doet de AIVD onderzoek naar personen, stromingen en fenomenen, (inter)nationale organisaties en maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in binnen- en buitenland die een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, de staatsveiligheid of andere gewichtige belangen van de staat, en rapporteert de dienst relevante bevindingen aan beleidsverantwoordelijken en andere belanghebbenden. Voorts verricht de AIVD beveiligingsbevorderende activiteiten en voert hij met het oog hierop veiligheidsonderzoeken uit. Tenslotte heeft de AIVD een inlichtingentaak betreffende het buitenland.

Ingevolge het Actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid is in 2002 een personele groei van de AIVD ingezet, waarvan in 2006 het structurele niveau wordt bereikt. In 2004 zal de AIVD de met behulp van deze groei geïntensiveerde aandacht voor het identificeren en controleren van potentiële terroristen en hun helpers, het onderkennen en observeren van mogelijke kweekvijvers voor nieuwe terroristen en het analyseren en exploiteren van informatie met het oog op beleidsvorming en beveiligingsmaatregelen voortzetten en verder uitbouwen.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Naast de apparaatsdoelstelling wordt de beleidsdoelstelling van de AIVD in de begroting niet verder uitgewerkt naar operationele doelstellingen. Wel worden per werkterrein het beoogde effect en de daartoe te verrichten activiteiten, alsmede de daartoe te maken kosten benoemd.

a. Doelstelling Apparaat

Wat willen we bereiken?

Het beschikken over een effectieve, efficiënte organisatie, waarin de wettelijke taken op een samenhangende wijze worden uitgevoerd.

Wat gaan we daarvoor doen?

– het implementeren en uitvoeren van een integraal kwaliteitsbeleid volgens de uitgangspunten van het INK-model;

– het inrichten en instandhouden van een adequate informatiehuishouding;

– het in overleg met afnemers en ketenpartners waarborgen van een taakuitoefening die voldoet aan de wensen van de externe omgeving;

– het opzetten en implementeren van een effectief management-control systeem.

Wat mag het kosten?

De apparaatskosten bedragen in totaal circa € 90,1 mln.

In het Overzicht kengetallen wordt de daadwerkelijke bezetting van de AIVD genoemd in een gemiddeld aantal fte over het gehele jaar:

Overzicht kengetallen
Operationele doelstellingOnderwerpKengetal
5.1: ApparaatBezetting (gemiddeld in fte)890

In het Overzicht prestatiegegevens worden prestatiegegevens genoemd op het terrein van veiligheidsonderzoeken:

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaarde1Streefwaarde2
5.1: ApparaatAantal veiligheidsonderzoeken  
 a. door AIVD12 25514 185
 b. door derden, onder verantwoordelijkheid van AIVD (Kmar, Politie)49 25042 370

1 De basiswaarden zijn afgestemd op de in 2003 ingezette capaciteit.

2 De streefwaarden zijn afgestemd op de in 2004 in te zetten capaciteit; hiermee kan ong. 95% van de verwachte vraag naar veiligheidsonderzoeken worden gedekt; in de streefwaarden zijn de consequenties van de invoering van een Verklaring Omtrent het Gedrag voor een groot deel van het luchthavenpersoneel, de uitvoering van onderzoeken voor defensie-orderbedrijven door de MIVD, het aanpassen van het aantal vertrouwensfuncties bij de rijksoverheid en de groei van het aantal vertrouwensfuncties bij de politie niet verwerkt.

In het Overzicht beleidsevaluatie worden de voorgenomen onderzoeken genoemd, alsmede de beoogde start- en einddatum:

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingPeriodeOnderwerp
5.1: ApparaatEerste helft 2004Informatieverstrekking inzake contraproliferatie van massavernietigingswapens.
 Eerste helft 2004Opzet en werking interne bereikbaarheids- en berichtgevingsstructuur (duty-officer).
 Tweede helft 2004Inrichting interne informatiehuishouding (opslag en terugvindbaarheid).
 Tweede helft 2004Proces van werving en selectie van nieuw personeel.

b. Werkterreinen

Werkterrein 1: Bescherming van de democratische rechtsorde, staatsveiligheid en andere gewichtige belangen van de staat

Wat willen we bereiken?

1. Het adequaat informeren van verantwoordelijken op het gebied van:

a. terrorisme, teneinde terroristische activiteiten in Nederland, of elders met voorbereiding of ondersteuning vanuit Nederland, te voorkomen en radicaliseringsprocessen tegen te gaan die leiden tot aanwas van het terroristisch potentieel;

b. gewelddadig politiek activisme, teneinde grootschalige (gewelddadige) verstoringen van de openbare orde en/of het (met geweld) ontregelen van democratische besluitvorming te voorkomen;

c. radicaliseringstendensen, teneinde pogingen tegen te gaan die tot doel hebben de integratie van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving te belemmeren en radicaliseringsprocessen af te stoppen die die polarisatie tussen bevolkingsgroepen in de hand werken;

d. ongewenste bemoeienis van vreemde mogendheden, teneinde politieke en economische spionage door vreemde mogendheden te voorkomen, beïnvloeding van migrantengroepen door vreemde mogendheden tegen te gaan en geëigende maatregelen te nemen tegen buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten die op ongewenste wijze betrokken zijn bij legale en illegale migratie, proliferatie van massavernietigingswapens en terrorisme;

e. contra-proliferatie van massavernietigingswapens, teneinde verspreiding te voorkomen vanuit of via Nederland van goederen, technologie en kennis die van belang zijn voor de productie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen;

f. internationale organisaties, teneinde fysieke dreigingen tegen de gebouwen, het personeel en de bezoekers van de organisaties tegen te gaan en ontvreemding van informatie binnen de internationale organisaties te voorkomen;

g. migratie, teneinde het reizen naar of via Nederland en het verblijven in Nederland van personen die een risico vormen voor de nationale veiligheid te voorkomen.

2. Het effectief samenwerken met en verlenen van ondersteuning aan zusterdiensten op de Antillen en Aruba.

Wat gaan we daarvoor doen?

1. a. Het onderzoeken, helpen beheersen, verstoren en helpen voorkomen van terroristische activiteiten in of vanuit Nederland. Bestrijding van terrorisme geschiedt in Nederland op basis van een brede benadering en in een situatie van asymmetrie. De brede benadering omvat twee elementen:

1. terrorisme wordt niet als een geïsoleerd fenomeen bestreden maar in combinatie met aangrenzende fenomenen van radicalisering, rekrutering, illegale migratie, proliferatie van massavernietigingswapens en financieringsconstructies,

2. bij de bestrijding wordt gebruik gemaakt van een gevarieerd instrumentarium, dat zowel politieke, bestuurlijke, financiële, strafrechtelijke als veiligheidsdienst-operationele middelen omvat, die enkel- of meervoudig worden ingezet tegen terrorisme en de aanpalende fenomenen.

De asymmetrie bestaat hieruit, dat de bestrijding van terrorisme in brede zin in Nederland plaatsvindt in een feitelijke vredessituatie, met inzet van rechtstatelijke middelen, tegen terroristen die zich met het Westen in oorlog wanen. De consequentie hiervan is dat de instrumenten ter bestrijding van terrorisme niet altijd optimaal zijn toe te snijden op de middelen die de tegenstander – de terrorist – gebruikt (unequal arms). Een rechtstatelijke brede bestrijding van terrorisme vergt grote zorgvuldigheid (respecteren van grondrechten, wettelijke bepalingen), een langdurige en consequente inspanning, zeer intensieve nationale en internationale samenwerking (EU-samenwerking, verplichtingen in het kader van VN-veiligheidsraadresoluties en verder opgevoerde samenwerking met I&V-diensten en politiediensten) en veel geld.

b. Het onderzoeken en (helpen) afstoppen van in aanleg c.q. potentie gewelddadige groepen en stromingen. Met het oog op het Europese voorzitterschap zal het accent daarbij liggen op de meer radicale segmenten binnen het anti-globalisme. Daarnaast krijgt ook het dierenrechtactivisme bijzondere aandacht wegens het huidige virulente karakter van dit type activisme.

c. Het onderzoeken van radicaliseringsprocessen, met name onder moslims in Nederland en het verstrekken van informatie hierover teneinde het weerstandsvermogen hiertegen binnen de samenleving en in het bijzonder de moslimgemeenschap te bevorderen; het onderzoeken van integratiebelemmerende krachten binnen (relatief) nieuwe etnische minderheidsgroepen in Nederland.

d. Het onderzoeken van inlichtingenactiviteiten van buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland, met, naast politieke spionage, bijzondere aandacht voor inlichtingenactiviteiten binnen de ICT-sector en economische spionage, en trachten dergelijke activiteiten te frustreren; het verrichten van onderzoek naar activiteiten van buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten in relatie tot (financiering van) terrorisme, verspreiding van massavernietigingswapens en (illegale) migratie en trachten dergelijke activiteiten te frustreren.

e. Het verrichten van onderzoek naar de verwervingsactiviteiten door diverse staten (onder andere Iran, Noord-Korea, Pakistan en Libië) van grondstoffen, andere materialen en kennis die van belang zijn voor de productie van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen; het leveren van bijdragen aan andere overheidsonderdelen ten behoeve van de beleidsvorming en handhaving op het terrein van contra-proliferatie; het bevorderen van awareness bij bedrijven.

f. Met name International criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY) en International criminal court of justice (ICC). Het onderzoeken van (potentiële) gewelddadige of terroristische dreigingen ten aanzien van internationale organisaties, teneinde vroegtijdig risicoanalyses op te kunnen stellen en acute veiligheidsrisico's te onderkennen en deze te (laten) neutraliseren; het onderzoeken van manipulatieve of intimiderende activiteiten in Nederland die het ongestoord functioneren van internationale organisaties kunnen belemmeren; het verrichten van onderzoek naar personen die, onder het cover van internationale organisaties, in en gericht tegen Nederland inlichtingenactiviteiten ondernemen.

g. Het verrichten van onderzoek naar gebruik/misbruik van migratiekanalen door politieken religieus-extremistische groeperingen en door inlichtingendiensten van vreemde mogendheden; onderzoeken van integriteitsaantastingen bij Nederlandse overheidsorganisaties in relatie tot (illegale) migratie; onderzoeken van asielaanvragers die mogelijk op grond van het feit dat zij betrokken zijn geweest bij oorlogsmidaden een verblijfsstatus wordt geweigerd (de zogenaamde 1F-procedure); verder uitbouwen en benutten van de samenwerking met Nederlandse overheidsinstanties.

2. Het doen van gezamenlijk onderzoek met de VNA en de VDA naar internationaal terrorisme, naar integriteitproblemen in de openbare sector alsook naar bestuurlijke tekortkomingen in de Nederlandse Antillen en Aruba; ondersteunen van de VDA in de vorm van coaching en opleiding.

Wat mag het kosten?

Deze aandachtsgebieden vragen als gevolg van diverse ontwikkelingen regelmatig bijstelling van de inzet. Naar huidig inzicht bedragen de kosten van de inzet circa € 50,5 mln (circa 56% van het apparaat).

Werkterrein 2: Veiligheidsonderzoeken

Wat willen we bereiken?

Het minimaliseren van het risico dat niet de juiste personen een vertrouwensfunctie gaan vervullen.

Wat gaan we daarvoor doen?

– het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken naar personen die vertrouwensfuncties (gaan) bekleden en het afgeven, intrekken of weigeren van verklaringen van geen bezwaar;

– het houden van toezicht op veiligheidsonderzoeken die, onder mandaat van de AIVD, worden uitgevoerd door de politie en de Koninklijke marechaussee.

Wat mag het kosten?

Deze aandachtsgebieden vragen als gevolg van diverse ontwikkelingen regelmatig bijstelling van de inzet. Naar huidig inzicht bedragen de kosten van de inzet circa € 13,7 mln (circa 15% van het apparaat).

Werkterrein 3: Beveiligingsbevordering

Wat willen we bereiken?

Het minimaliseren van het risico van aantastingen van de nationale veiligheid door het bevorderen van het weerstandsvermogen van de overheid en van die onderdelen van het bedrijfsleven die door de overheid als vitaal zijn aangemerkt.

Wat gaan we daarvoor doen?

– het leveren van beleidsbijdragen en ontwikkelen van regelgeving (zowel nationaal en internationaal) op het gebied van beveiliging;

– het instellen van onderzoeken naar beveiliging van personen, gebouwen, terreinen, processen en gegevensstromen, het geven van beveiligingsadviezen en het (mede) vaststellen van functies als vertrouwensfunctie en het verstrekken van dreigingsinschattingen en dreigingsmeldingen die vanuit de A-taak ontvangen zijn;

– het in het kader van het nieuwe stelsel van bewaking en beveiliging, op basis van dreigingsinformatie die vanuit de A-taak ontvangen is, opstellen en verstrekken van dreigingsinschattingen en dreigings- en risicoanalyses voor personen en objecten die tot het publieke, rijksdomein behoren;

– het doen bepalen van en voorzien in de behoefte van de overheid aan cryptografische producten, het evalueren van beveiligingssoftware en -hardware en het verzorgen van het sleutelmanagement in het kader van cryptoverbindingen;

– het bevorderen van integriteitszorg en het fungeren als Meldpunt voor Integriteitsaantastingen (Mepia).

Wat mag het kosten?

Deze aandachtsgebieden vragen als gevolg van diverse ontwikkelingen regelmatig bijstelling van de inzet.

Naar huidig inzicht bedragen de kosten van de inzet circa € 18 mln (circa 20% van het apparaat en € 1,4 mln programmagelden).

Werkterrein 4: Inlichtingen betreffende andere landen

Wat willen we bereiken?

Het verwerven van inzicht in ontwikkelingen in andere landen die relevant zijn voor de internationale rechtsorde, vrede en veiligheid en de positie van Nederland in internationaal verband en die noodzakelijk zijn voor onze nationale veiligheid.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het verrichten van onderzoek betreffende andere landen ten aanzien van onderwerpen die door de Nederlandse regering in het kader van de nationale veiligheid van belang worden geacht.

Wat mag het kosten?

Deze aandachtsgebieden vragen als gevolg van diverse ontwikkelingen regelmatig bijstelling van de inzet. Naar huidig inzicht bedragen de kosten van de inzet circa € 8,6 mln (circa 9% van het apparaat).

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
5: Nationale Veiligheid2002200320042005200620072008
Verplichtingen71 31777 91681 55088 641105 371105 36995 369
1. apparaat69 33374 49378 47785 568102 298102 29692 296
2. geheime uitgaven1 9843 4233 0733 0733 0733 0733 073
        
Uitgaven67 36577 91681 55088 641105 371105 36995 369
1. apparaat65 38174 49378 47785 568102 298102 29692 296
2. geheime uitgaven1 9843 4233 0733 0733 0733 0733 073
        
Ontvangsten1 1061 0299191919191

In de budgetcijfers voor 2006 en 2007 is jaarlijks € 10 mln opgenomen voor de kosten van investeringen in nieuwe huisvesting van de AIVD. Deze bedragen zijn toegekend aan 2004 en 2005 in de eerste nota van wijziging van de begroting 2002, op basis van voorlopige herhuisvestingsplannen. Door middel van een gelijktijdige verlaging van het budget in 2004 en 2005 en een verhoging van het budget in 2006 en 2007 is het toegekende budget beschikbaar voor 2006 en 2007.

4. Budgetflexibiliteit

Voor artikel 5 zijn de verplichtingen- en kasramingen gelijk.

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Geen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

Het jaarverslag van de AIVD vormt inmiddels de nadere onderbouwing van de realisatie van de begroting en de meer gedetailleerde toelichting op het departementale jaarverslag. Voor 2004 zullen het jaarplan en de tussentijdse rapportages voor interne doeleinden op vergelijkbare wijze worden uitgebouwd.

Voorts zal de AIVD in 2004 voor de eerste maal een mededeling over de bedrijfsvoering publiceren. Bij alle ontwikkelingen vormen het karakter van de AIVD en de noodzakelijke bescherming van bronnen, werkwijzen en actueel kennisniveau overigens een beperkende factor.

BELEIDSARTIKEL 6: FUNCTIONEREN OPENBAAR BESTUUR

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het bevorderen van een doeltreffende, doelmatige en democratische inrichting en werking van het openbaar bestuur zoals onder meer neergelegd in de Grondwet en in andere wetten, en optimalisering van de interbestuurlijke samenwerking.

De minister van BZK is verantwoordelijk voor het bevorderen van een goed functioneren van het openbaar bestuur en de interbestuurlijke samenwerking. Zowel de inrichting als de werking van het openbaar bestuur dienen doeltreffend, doelmatig en democratisch te zijn. Het functioneren van het openbaar bestuur en de interbestuurlijke samenwerking wordt bevorderd met behulp van een aantal instrumenten dat nader wordt uitgewerkt bij de operationele doelen.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Het ontwikkelen en onderhouden van beleid en regelgeving op het terrein van de inrichting van de rijksoverheid, de medeoverheden en de financiële en bestuurlijke verhoudingen

Wat willen we bereiken?

A. Gemeenten en provincies. BZK is systeemverantwoordelijk voor een goede bestuurlijke en financiële inrichting en werking van het lokale en provinciale bestuur. Speerpunten zijn de herkenbaarheid en de aanspreekbaarheid van de gekozen vertegenwoordigers voor de burger, het probleemoplossende vermogen van het bestuur, een adequate dienstverlening door het ambtelijke apparaat, een goede ontwikkeling van centrumsteden in relatie tot hun omgeving.

B. Rijk. De minister voor BVK is systeemverantwoordelijk voor de organisatie en kwaliteit van de rijksoverheid. Centraal staat de doelstelling te bevorderen dat organisaties op het niveau van de rijksoverheid ten behoeve van de samenleving doeltreffender en doelmatiger functioneren. Daarbij komen onder andere ministeriële verantwoordelijkheid, sturing, toezicht, publieke verantwoording en de relatie met de burgers aan de orde. Zoals aangegeven in het Hoofdlijnenakkoord zullen daarbij ook de taken, werkwijze en omvang van de ZBO's tegen het licht worden gehouden.

Ministeries zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun toezichtarrangementen; BZK heeft als doel ondersteuning van en advisering bij deze processen. De zelfevaluaties toezichtarrangementen hebben ten doel de verbetering van de positionering en inrichting van de toezichthouders.

Het voeren van beleidsvisitaties heeft als doel de kwaliteit van de beleidsprocessen binnen de overheid te verbeteren.

De doelstelling van de Kaderwet adviescolleges en het beleid van de minister voor BVK is om het publieke adviesstelsel sober en transparant te houden en de uniformiteit te bevorderen. De Kaderwet adviescolleges en de werking van het publieke adviesstelsel zijn reeds in 2001 geëvalueerd (kamerstukken II, 2001/2002, 28 101, nr 1 en 2). Op basis daarvan zullen, zoals aangegeven in het Hoofdlijnenakkoord, de taken, werkwijze en omvang van de adviesraden tegen het licht worden gehouden.

C. Interbestuurlijke samenwerking. Burgers vragen om een overheid die problemen oplost. Om te voorkomen dat overheden elkaar in het wiel rijden of naar burgers en instellingen tegenstrijdige signalen afgeven, is samenwerking tussen overheden onontbeerlijk. Interbestuurlijke samenwerking maakt een belangrijk onderdeel uit van verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur. De ministers van BZK en voor BVK dragen verantwoordelijkheid voor de bestuurlijke en financiële verhoudingen en de vernieuwing daarbinnen. Om de kwaliteit van de samenwerking te verbeteren is het nodig aan mede-overheden ruimte te bieden en om gezamenlijke resultaatsafspraken te maken om maatschappelijke problemen die meerdere overheden raken aan te pakken. Ruimte bieden aan overheden vraagt om een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheden. Samenwerking komt concreet naar voren bij afstemming van het beleid in de regio, bijvoorbeeld rond de grote steden.

Wat gaan we daarvoor doen?

A. De herkenbaarheid en de aanspreekbaarheid van gekozen vertegenwoordigers voor de burger wordt verbeterd door de komende invoering van de gekozen burgemeester en door de dualisering van provincies en gemeenten die in gang is gezet. De gekozen burgemeester zal zijn intrede doen in ons lokale bestuur. Een notitie over de hoofdlijnen van het stelsel van de gekozen burgemeester zal op korte termijn aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Deze notitie vormt de basis voor de noodzakelijke aanpassing van de wet- en regelgeving, die nog in deze kabinetsperiode tot stand zal worden gebracht.

De Vernieuwingsimpulsen voor dualisme in het lokale en provinciale bestuur worden voortgezet in samenwerking met de gemeenten en de provincies. Tegelijkertijd vindt een verdere verduidelijking van de rolverdeling binnen gemeenten en provincies plaats door middel van aanpassing van medebewindswetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Verder zal in 2004 een evaluatie plaatsvinden van de eerste fase van de dualisering in de gemeenten.

Voor het bevorderen van binnengemeentelijk zelfbestuur en het stimuleren van concrete prestatievergelijkingen tussen gemeenten (benchmarking) wordt onder andere een algemeen toegankelijke website ingericht met behulp waarvan prestaties en kosten transparanter worden gemaakt. Hiermee wordt het makkelijker voor burgers, bedrijven en instellingen om het bestuur gericht op zijn verantwoordelijkheden aan te spreken. In het kader van het herindelingsbeleid zullen zonodig, wanneer daartoe het verzoek wordt ingediend bij de minister van BZK, (te) kleine gemeenten worden samengevoegd.

De financiële verhouding van gemeenten en provincies met het rijk moet zodanig zijn dat de medeoverheden adequaat en op democratisch gelegitimeerde wijze invulling kunnen geven aan hun taken. BZK en Financiën zorgen voor voortdurend onderhoud van het verdeelstelsel van gemeentefonds en provinciefonds, een kritische toets op zowel het eigen inkomstengebied van gemeenten, als ook op de verstrekking van specifieke uitkeringen door de ministeries.

Tevens zal vanaf 2004 systematisch worden nagegaan of de nieuwe regelgeving ter versterking van de financiële functie van gemeenten en provincies (waaronder het besluit begroting en verantwoording voor gemeenten en provincies) aan de verwachtingen voldoet.

B. BZK adviseert in samenwerking met Financiën over voorstellen tot verzelfstandiging van publieke taken. Deze voorstellen dienen te voldoen aan de eisen van de beleidskaders die er voor verzelfstandiging zijn. Op basis van onder meer de advieservaring bereidt BZK beleid voor over nieuwe organisatievormen voor de uitvoering van publieke taken.

De in 2003 gestarte evaluatie naar het functioneren van ZBO's zal uiterlijk in 2004 worden afgerond. Deze evaluatie zal ook aandacht schenken aan de relatie tussen ZBO's en burgers. Op basis van de resultaten van het evaluatieonderzoek naar de sturings- en verantwoordingsrelaties tussen ZBO's en ministeries wordt het normenkader terzake bijgesteld.

Om voor de burgers duidelijk te maken wat tot de rijksoverheid behoort, is de Minister voor BVK voornemens een openbaar register van ZBO's in te stellen. Het openbaar bestuur moet transparant zijn ingericht. Daarvoor is het van belang dat er voor burgers/bedrijven, het parlement en overheidsinstanties een openbaar register van zelfstandige bestuursorganen komt. Dat bevordert de duidelijkheid over wat tot het openbaar bestuur (i.c. ZBO's) behoort.

In het kader van de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van publieke taken door uitvoeringsorganisaties (veelal ZBO's) participeert BZK in het samenwerkingsverband van beroepsuitoefenaars van uitvoeringsorganisaties. BZK ondersteunt de tweede benchmark van uitvoeringsorganisaties. Onder benchmark wordt verstaan het uitvoeren van een vergelijkend onderzoek met als doel best practices te benoemen, hiervan de oorzaken te achterhalen en daarvan te leren voor de eigen uitvoeringsorganisatie.

De bestaande toezichtarrangementen worden getoetst aan de in 2001 vastgestelde Kaderstellende visie Toezicht. De ministeries zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun toezichtarrangementen. Alle ministeries evalueren in de periode 2003 t/m 2005 hun toezichtarrangementen die vervolgens door een interdepartementale commissie (Ambtelijke Commissie Toezicht II) worden getoetst. Deze commissie wordt door medewerkers BZK ondersteund.

Het instrument van de interdepartementale beleidsvisitatie naar interdepartementale beleidsprocessen wordt geëvalueerd, nadat in 2004 de laatste twee beleidsterreinen zijn gevisiteerd.

Ook in 2004 worden weer drie debatten gewijd aan actuele ontwikkelingen binnen de organisatie van de rijksdienst. BZK benut de debatten mede als voertuig voor eigen visieontwikkeling op een bepaald actueel thema. Na afloop van de debatten verschijnt een publicatie.

In 2004 zal de Minister voor BVK er naar streven om het publieke adviesstelsel sober te houden. Dat betekent grotere terughoudendheid bij de instelling van nieuwe adviescolleges. Ook zal worden bevorderd dat de adviescolleges meer uniform worden ingesteld en ingericht. Instrumenten daartoe zijn de toepassing van de Kaderwet adviescolleges, de checklist benoemingen en de standaard-instellingsregeling. Voorts zal een aanvang worden gemaakt met een ingrijpendere versobering van het bestaande adviesstelsel.

C. De verplichtende gemeentelijke samenwerking rond de zeven stedelijke regio's wordt voortgezet. Per 1 januari 2005 is daarvoor een nieuwe wettelijke voorziening noodzakelijk. Begin 2004 zal daartoe een wetsvoorstel worden ingediend bij het parlement.

Om de kwaliteit van de interbestuurlijke betrekkingen te verbeteren worden alternatieve sturingsinstrumenten ontwikkeld. Zo wordt ketenregie als alternatief sturingsmodel in het sociale domein ontwikkeld. Ketenregie kan met name binnen het sociale domein van nut zijn, omdat hierbij sprake is van complexe situaties met meerdere actoren die een bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke problemen (bijv. jeugdbeleid). Ingezet wordt op het stimuleren en faciliteren van gemeenten en instellingen in de uitvoeringspraktijk. Hiervoor ontwikkelt BZK een implementatieplan dat in 2004 tot uitvoering komt. De praktische handleiding ketenregie zal hierbij in ieder geval een rol spelen.

Vergroting van de kwaliteit van het openbaar bestuur kan ook worden bereikt door voortzetting van een goede interbestuurlijke samenwerking met VNG/gemeenten en IPO/provincies. Het kabinet wil een vervolg-bestuursakkoord met VNG en IPO opstellen waarin diverse acties via twee stromen bijeenkomen: ruimte bieden aan medeoverheden (kwaliteit openbaar bestuur) en inhoudelijke resultaatsafspraken op met name het fysieke terrein. De minister van BZK is de coördinerende minister voor een vervolg-bestuursakkoord. Het kabinet denkt ruimte te bieden aan mede-overheden door onder meer centrale regels en planvoorschriften te verminderen en door sanering of bundeling van specifieke uitkeringen. Het halfjaarlijkse Overhedenoverleg onder leiding van de minister-president wordt nieuw leven in geblazen en agendeert knelpunten binnen beide stromen én biedt ruimte voor actuele onderwerpen.

Verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur kan worden bereikt door deregulering en het terugdringen van bestuurslasten bij decentrale overheden. In 2003 is in het Overzicht Specifieke Uitkeringen (OSU) geconstateerd dat specifieke uitkeringen niet altijd een heldere taakverdeling tussen rijk en decentrale overheden als grondslag hebben. Bovendien is niet altijd het nut van bepaalde bestuurslasten aangetoond. Het kabinet wil dan ook in 2004 aan de hand van het OSU het bestaansrecht van specifieke uitkeringen beoordelen. Inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke uitkeringen overgeheveld kunnen worden naar het gemeentefonds of provincie-fonds of bundeling tot brede doeluitkeringen. Deze operatie komt voort uit de wens het bestuurlijke en financiële arrangement van specifieke uitkeringen te verbeteren. De minister voor BVK coördineert deze operatie.

Wat mag het kosten?

In totaal is voor dit artikelonderdeel € 16,634 mln beschikbaar.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
6.2: Het ontwikkelen en onderhouden van beleid en regelgeving op het terrein van de inrichting van de rijksoverheid, de medeoverheden en de financiële en bestuurlijke verhoudingen.1. Dualisering gemeenten om de rolverdeling tussen gemeenteraad en college van B&W te verhelderen en de positie van de raad als kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan te versterken. 1. De rolverdeling zoals die is gegroeid vòòr de invoering van de dualisering per 7-3-2002; zie de analyse van de Staatscommissie dua- lisme en lokale democratie d.d. 17 januari 2000 en het kabinetsstandpunt daarover van 22 mei 2000.1. – Cultuuromslag tot en met 2006 volgens het plan van aanpak tweede fase Vernieuwingsimpuls gemeenten. – Inzicht in de stand van zaken mbt de dualisering (via evaluatie van de relevante Gemeentewettelijke bepalingen) in 2004. – Wijziging van de mede-bewindswetgeving in 2004.
    
 2. Dualisering provincies om de rolverdeling tussen provinciale staten en gedeputeerde staten te verhelderen en de positie van provinciale staten als kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordi- gend orgaan te versterken. 2. De rolverdeling zoals die is gegroeid vòòr de invoering van de dualisering; zie de analyse van de Staatscom- missie dualisme en lokale democratie d.d. 17 januari 2000 en het kabinetsstand- punt daarover van 22 mei 2000. 2. – Cultuuromslag tot en met 2007 volgens het plan van aanpak tweede fase Ver- nieuwingsimpuls provin- cies. – Inzicht in de stand van zaken mbt de dualisering (via evaluatie van de relevante Provinciewette- lijke bepalingen) in 2005. – Wijziging van de mede-bewindswetgeving in 2005.
    
 3. Versterking lokaal bestuur door het scheppen van voorwaarden voor betere participatie van burgers en voor betere dienstverlening van het ambtelijke apparaat.3. – Beleidskader herindeling van dec. 2002. – Overzicht van best practices d.d. juli 2002 van binnengemeentelijke decentralisatie. – Kwaliteitsmonitor lokaal bestuur d.d. dec. 2001.3. – Afronding lopende wetge- vingsprocessen tot her- indeling van gemeenten in het Westland, van Geldrop en Mierlo en in de Ach- terhoek c.a. in 2004. – Meer aandacht van provincies voor de kwaliteit van het lokale bestuur in hun provincie. – Meer inzet van gemeenten bij het toepassen van vormen van binnenge- meentelijke decentralisatie. – Verdere ontwikkeling en toepassing kwaliteitsmaatstaven lokaal bestuur.
    
 4. Voortzetting bestuurlijke samenwerking op regionaal niveau door het bevorderen van een heldere taakverdeling en werkwijze tussen de samenwerkende gemeenten, de provincies en het Rijk op een aantal concrete beleidsterreinen, waaronder vooral Ruimtelijke Ordening en Verkeer & Vervoer.4. De huidige taakverdeling en werkwijze op basis van de Kaderwet bestuur in ver- andering; huidige Kaderwetgebieden verdwijnen met ingang van 1-1-2005. 4. Nieuwe wettelijke verankering van verplichte samenwerking tussen gemeenten per 1-1-2005.
    
 5. Het bevorderen van een adequate financiële en bestuurlijke verhouding en het democratisch functioneren van de medeoverheden, zodat zij adequaat invulling kunnen geven aan de gestelde taken. Inzicht in de financiële en bestuurlijke verhouding is dan onontbeerlijk. Daartoe worden instrumenten ontwikkeld. 5. De basiswaarde is de huidige financiële en bestuurlijke verhouding. Voor het inzicht zijn de volgende instrumenten beschikbaar: * Periodiek onderhoudsrapport gemeente- en provinciefonds; * Financieel overzicht gemeenten en provincies; * Benchmarking; * Kader versterking financiële functie.5. Het onderhouden van de financiële en bestuurlijke verhouding door uitvoering te geven aan het programma van Plavat en POR. Naast de verdere ontwikkeling en onderlinge afstemming van bestaande instrumenten zal het instrumentarium in 2004 uitgebreid worden met een belastingpanel en de moni- toring van het kader finan- ciële functie. Ten slotte zal toepassing van benchmarking (= bedrijfsvergelijking in brede zin) worden gestimuleerd als middel om het (democratisch) functioneren van medeoverheden te bevorderen.
 6. Voortgang onderzoeksprogramma ketenregie als sturingsmodel voor het sociale domein. 6. Praktische handleiding ketenregie.6. a. Uitvoering implementatieplan ter stimulering van ketenregie in het sociale domein. b. Verfijning en toetsing van het methodisch kader en de handleiding ketenregie.
    
 7. Een goede inrichting van specifieke uitkeringen, waarbij het financiële arrangement aansluit op het bestuurlijke arrangement en de bestuurlijke lasten beperkt zijn.7. Het aantal en de huidige inrichting van specifieke uitkeringen. Het instrument Overzicht Specifieke Uitkeringen (OSU) geeft hiervoor het juiste inzicht.7. Aan de hand van OSU2004 inzicht in en oordeel over bestaansrecht specifieke uitkeringen. Inzicht in mogelijkheid van overheveling van specifieke uitkeringen naar gemeentefonds of provinciefonds of bundeling tot brede doeluitkeringen.
    
 8. Voortzetting resultaatgerichte, interbestuurlijke samenwerking met IPO/provincies en VNG/gemeenten8. a. BANS 1999–2002. b. Intenties van Rijk/IPO/VNG ten aanzien van interbestuurlijke samenwerking 2002–2006 vastgelegd tijdens het Overhe- denoverleg 24 april 2002.8. Opstellen van een vervolgbestuursakkoord met IPO en VNG langs twee stromen: ruimte bieden aan medeoverheden en inhoudelijke resultaatsafspraken.Nieuw leven inblazen van Overhedenoverleg.
    
 9. Naleving beleidskaders verzelfstandiging publieke taken en bevordering kwaliteit uitvoering van publieke taken. 9. De door het kabinet vast- gestelde kaders; het gaat hierbij m.n. om de volgende beleidskaders:– Verantwoord verzelf- standigen, rapportage van de commissie Sint, (1994); – Aanwijzingen voor de regelgeving (1996); – Kabinetsstandpunt Borging van publieke belangen (kamerstukken II, 2000/2001, 27 771, nr 1).9. – Voorstellen voor verzelfstandiging van publieke taken van de ministeries en de relaties tussen ministeries en ZBO's voldoen aan de eisen van de beleidskaders. In sommige gevallen leidt politiek overleg tot afwijking van het beleids- kader. In 2004 wordt de evaluatie naar het func- tioneren van ZBO's afge- rond. Dat zal naar ver- wachting leiden tot aan- passing van het beleidskader inzake sturing en verantwoording ZBO's. – In 2004 wordt met ondersteuning vanuit BZK de tweede benchmark van uitvoeringsorganisaties afgerond om de kwaliteitsverbetering van hun eigen organisatie te bevorderen.
 10. Ontwikkeling van een openbaar register ZBO's.10. Artikel 40 voorstel Kaderwet ZBO's en andere wettelijke eisen (Awb, Wet nationale ombudsman) inzake relatie burger – openbaar bestuur. 10. Zodra de Kaderwet ZBO's in werking treedt, zal er een openbaar register ZBO's zijn dat burgers inzicht verschaft welke instanties tot de centrale overheid behoren en waardoor transparant wordt gemaakt welke rechten en plichten er zijn ten aanzien van deze bestuursorganen.
    
 11. Naleving kaderstellende visie Toezicht. 11. De door het kabinet vast- gestelde kaderstellende visie Toezicht (kamerstukken II, 2001/2002, 27 831, nr 1). 11. BZK bevordert vanuit de systeemverantwoordelijkheid dat de te evalueren toezichtarrangementen van de ministeries naar aanleiding van de zelfevaluaties zoveel mogelijk zijn aangepast aan de kaderstellende visie Toezicht.
    
 12. Stimuleren van een samen- hangende aanpak van beleidsterreinen binnen de rijksoverheid. 12. Een samenhangende kwali- teitsaanpak waaronder toe- passing van twee interdepartementale beleidsvisita- ties en evaluatie van de in 2003 uitgevoerde beleidsvisitaties. 12. Een ontkokerde werkwijze op twee interdepartementale beleidsterreinen om de kwaliteit van de beleidsprocessen te verbeteren.
    
 13. Versobering van en meer uniformiteit in het publieke adviesstelsel.13. Kaderwet adviescolleges, De staat van advies (kamerstukken II, 2001/2002, 28 101, nr 1), Checklist benoemingen en standaard-instellings- besluit.13. Minder adviescolleges dan in 2003.Meer uniformiteit bij de instelling en inrichting van adviescolleges cf de Kaderwet adviescolleges.
    
 14. Heroverweging aanstellingswijze burgemeester. 14. – Het huidige stelsel betreffende de aanstelling van de burgemeester. – De verkennende notitie invoering direct gekozen burgemeester d.d. 2 januari 2003.14. – Voorbereiding van de her- overweging en verwerking eventuele resultaten in de Gemeentewet en andere regelingen. – Afschaffing openbaarheid van de aanbeveling en afschaffing van de moge- lijkheid van een burge- meestersreferendum.
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingPlanningOnderwerp
6.2: inrichting en werking openbaar bestuurEind 2004/begin 2005Evaluatie interdep.beleidsvisitatie naar interdep.beleidsprocessen
 Eind 2004Evaluatie dualisering gemeenten en provincies.

Operationele doelstelling 3: Het ontwikkelen van de rechtspositie en van het arbeidsvoorwaardenbeleid van politieke ambtsdragers

Wat willen we bereiken?

BZK wil randvoorwaarden scheppen om de toegang tot het openbaar bestuur en volksvertegenwoordiging te waarborgen. De bezoldiging en de overige rechtspositionele voorzieningen dienen passend en toereikend te zijn.

Ten einde burgemeesters optimaal toe te rusten voor de uitoefening van het ambt worden nieuwe personeelsinstrumenten ontwikkeld en ondersteunende faciliteiten geboden. De toepassing van bestuurscompetenties blijft daarbij niet beperkt tot het selectieproces. Door de verschillende onderdelen van het opleidingsaanbod voor burgemeesters samen met het Nederlands Genootschap Burgemeesters (NGB) te definiëren in competenties moet het mogelijk worden een individueel ontwikkelingstraject gebaseerd op een persoonlijk profiel te volgen. Voorts zullen de competenties worden benut voor de verdere structurering en objectivering van de inhoud van de functioneringsgesprekken tussen raad en burgemeester.

De belangstelling voor een voortzetting van de loopbaan buiten het ambt is sterk toegenomen. Nader onderzocht zal worden welke factoren in de loopbaan van de burgemeester bepalend zijn voor een succesvolle uitstroom en welke instrumenten daaraan kunnen bijdragen.

De snel op elkaar volgende ontwikkelingen maken een goed zicht op de veranderende aspecten van het ambt in de vorm van een toegankelijk datasysteem noodzakelijk.

Wat gaan we daarvoor doen?

In de integrale beleidsnotitie rechtspositie politieke ambtsdragers (kamerstukken 28 479) worden samenhangende voorstellen gedaan, waarvan de uitvoering zal leiden tot normalisering en modernisering van de regelgeving, vooral op de terreinen van het primaire inkomen, neveninkomsten, pensioenen en de uitkeringen bij aftreden van politieke ambtsdragers.

Het organiseren van een (jaarlijkse) workshop voor gemeenten over bestuurscompetenties; het (her)definiëren van het scholingsaanbod in termen van competenties; het opstellen van een handreiking voor de functioneringsgesprekken tussen de burgemeester en gemeenteraad; het ondersteunen van de commissarissen van de Koningin bij de voorselectie van geschikte kandidaten.

De in 2003 gestarte pilot loopbaanoriëntatie wordt opnieuw aan een twintigtal burgemeesters aangeboden. De verkenning van de loopbaanmogelijkheden voor burgemeesters in de Rijksdienst zal worden gecontinueerd.

Kennisontwikkeling door kennisdeling: opzetten van een database die toegankelijk verzicht biedt van kenmerken van burgemeesters en een communicatiestructuur over deze kenmerken.

Wat mag het kosten?

Op de rechtspositionele voorzieningen en arbeidsvoorwaarden politieke ambtsdragers en burgemeesters is in totaal € 6,345 mln beschikbaar. Hierin zit nadrukkelijk begrepen alle wachtgeldkosten voor burgemeesters die bij herindeling ontslag kregen.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
6.3: Het ontwikkelen van de rechtspositie en van het arbeidsvoorwaardenbeleid van politieke ambtsdragers.1. Het zorgdragen voor arbeidsvoorwaarden die in overeenstemming zijn met de aard en de zwaarte van de politieke functies en die in redelijke verhouding staan tot de beloningsstructuur in met name de publieke sector. 1. – De huidige rechtspositiebesluiten. – de notitie rechtspositie politieke ambtsdragers (2002) en het over deze notitie uit te brengen advies van de Adviescommissie beloning en rechtspositie ambtelijke en politieke topstructuur (2004). 1. Normalisering en modernisering van de regelgeving met betrekking tot de rechtspositie, met name op het terrein van het primaire inkomen, neveninkomsten, pensioenen en op de uitkeringen bij aftreden.
    
 2. Het verruimen van de loopbaanmogelijkheden van burgemeesters teneinde de doorstroming in het burgemeestersambt te bevorderen.2. a. In 2003 is een pilot loop- baanoriëntatie gestart met als doel de loopbaanmogelijkheden van een twintigtal burgemeesters te onderzoeken. b. I.s.m. de Algemene Bestuursdienst is een traject gestart waarbij voor 10 burgemeesters de mogelijkheden voor een functie in de Rijksdienst worden onderzocht.2. a. Een nieuwe groep van 20 burgemeesters wordt de mogelijkheid geboden deel te nemen aan een loopbaanoriëntatie traject. b. 10 burgemeesters nemen deel aan het ABD-traject.
    
 3. Het vergroten van de kennis en verzamelen van gege- vens over het burgemees- tersambt en samenstelling van de beroepsgroep met het oog op de instroom en doorstroom. 3. In 2003 is er geen toegankelijke database.3. In 2004 is er een toegankelijke database beschikbaar. Kennis over burgmeesters is niet meer fragmentarisch maar wordt met andere belanghebbende gedeeld en gecommuniceerd.

Operationele doelstelling 4: Het faciliteren van politieke partijen door uitvoering van de Wet op de subsidiëring politieke partijen

Wat willen we bereiken?

Politieke partijen vervullen een essentiële functie binnen het stelsel van de representatieve democratie. Uit de voorwaardenscheppende taak van het Rijk voor het democratisch bestel vloeit de zorg voort voor een adequaat niveau alsmede een transparant systeem van inkomsten van politieke partijen, dat past bij de maatschappelijke ontwikkelingen.

Wat gaan we daarvoor doen?

Aan partijen die zetels hebben behaald in de Eerste en/of Tweede Kamer wordt jaarlijks subsidie verstrekt. Om de gestelde doelen te bereiken is een wijziging van het wettelijk stelsel gewenst. Het streven is gericht op een nieuwe Wet op de partijfinanciering, waarin het resultaat van de nog te voeren politieke discussie over onder meer het systeem van de subsidie, over het uitbreiden van de subsidiabele doelen, over het aanscherpen van de regels voor giften en partijsponsoring en over mogelijke steun aan lokale politieke partijen moet neerslaan.

Wat mag het kosten?

De subsidie is per 1 januari 2001, 1 januari 2002 en per 1 januari 2004 verhoogd. Het totale subsidiebedrag komt daarmee op € 15,609 mln.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
6.4: Het faciliteren van politieke partijen door de uitvoering van de wet op de subsidiëring politieke partijen.Het scheppen van randvoorwaarden voor het democratisch proces en het daartoe inrichten van een inzichtelijk systeem voor de financiering van politieke partijen.De notitie herijking subsidiëring politieke partijen van april 2002;De (gewijzigde) wet subsidiëring politieke partijen.Uitbreiding van de wet subsidiëring politieke partijen tot een wet op de partijfinanciering.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
6: Functioneren Openbaar Bestuur2002200320042005200620072008
Verplichtingen76 10124 75335 21035 06634 01433 10433 104
1. apparaat8 0018 2288 2228 0497 9737 9727 972
2. inrichting en werking openbaar bestuur49 243– 1 0145 6345 6315 6304 1854 185
3. rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers6 2687 4395 7455 7785 5266 0616 061
4. faciliteren politieke partijen12 58910 10015 60915 60814 88514 88614 886
        
Uitgaven51 67234 86146 81035 86634 01433 10433 104
1. apparaat7 8618 2288 2228 0497 9737 9727 972
2. inrichting en werking openbaar bestuur26 4819 98616 6345 6315 6304 1854 185
3. rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers6 0496 0396 3456 5785 5266 0616 061
4. faciliteren politieke partijen11 28110 60815 60915 60814 88514 88614 886
        
Ontvangsten4 901172168163159155155

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
6: Functioneren Openbaar Bestuur 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 46 810 35 866 34 014 33 104 33 104
2. Waarvan apparaatuitgaven 8 301 8 127 8 050 8 049 8 049
3. Dus programma-uitgaven 38 509 27 739 25 964 25 055 25 055
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht92%35 24588%24 48287%22 70793%23 24393%23 243
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)2%7702%5553%7793%7523%752
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)6%2 49410%2 702      
8. beleidsmatig nog niet ingevuld    10%2 4784%1 0604%1 060
9. Totaal (=3)100%38 509100%27 739100%25 964100%25 055100%25 055

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Operationele doelstelling 6.2:

A. – Dualisering gemeenten en provincies: Aan het beleid tot verduidelijking van de rolverdeling tussen gemeenteraden en provinciale staten enerzijds, en de colleges van burgemeesters en wethouders respectievelijk de colleges van gedeputeerde staten anderzijds (dualisering gemeenten en provincies), ligt de veronderstelling ten grondslag dat daarmee de volksvertegenwoordigende, controlerende en kaderstellende functies van raden en staten worden versterkt, dat het bestuur transparanter wordt voor burgers en maatschappelijke organisaties en dat de kwaliteit van het bestuur wordt vergroot;

– WGR: Aan het streven naar voortzetting van de meer verplichtende bestuurlijke samenwerking op regionaal niveau ligt de veronderstelling ten grondslag dat deze samenwerking bijdraagt aan de oplossing van regionale problemen, vooral op het terrein van ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. Een betere regionale afstemming van het grotestedenbeleid is onontbeerlijk voor het bereiken van de maatschappelijke doelstellingen van het grote-stedenbeleid;

– Benoemingswijze burgemeesters: Aan het beleid tot heroverweging van de aanstellingswijze van de burgemeester ligt de veronderstelling ten grondslag dat de huidige procedure voor burgemeesterbenoemingen niet in alle opzichten bevredigend is.

B. De veronderstelling is dat de inzet van het Begeleidingsteam Verzelfstandigingen van BZK en Financiën leidt tot betere naleving van de beleidskaders inzake verzelfstandiging van publieke taken. Volgens Aanwijzing voor de regelgeving dient het Begeleidingsteam bij voorstellen tot verzelfstandiging te worden ingeschakeld. Aan de evaluatie van zelfstandige bestuursorganen ligt onder meer de veronderstelling ten grondslag dat bepaalde normen zoals de Aanwijzingen voor de regelgeving geactualiseerd moeten worden. Met de ontwikkeling van een openbaar register inzake ZBO's wordt het effect beoogd, dat er een voor een ieder toegankelijk overzicht van zelfstandige bestuursorganen komt, dat beter inzicht geeft in welke instanties tot de overheid behoren en daarmee welke rechten en plichten er zijn.

De veronderstelling is dat de zelfevaluaties van toezichtarrangement door de ministeries en vervolgens de toetsing daarvan door de Ambtelijke Commissie Toezicht II (ACT II) zullen bijdragen aan de naleving van de Kaderstellende visie op toezicht. In het Instellingsbesluit ACT II (Stcrt. 2003, nr 63) zijn de taken van deze commissie geregeld. Het effect van dit proces zullen beter georganiseerde en ingerichte toezichtarrangementen zijn.

Aan de interdepartementale beleidsvisitaties ligt de veronderstelling ten grondslag dat deze kunnen bijdragen tot ontkokering en verbetering van de interdepartementale samenwerking op verschillende beleidsterreinen.

De Kaderwet adviescolleges en het beleid inzake het publieke adviesstelsel heeft ten doel het adviesstelsel sober te houden. De veronderstelling is dat zonder de Kaderwet en beleid van BZK het aantal adviescolleges onverantwoord zal toenemen met als gevolg ondoelmatigheid en vertraging in de politieke besluitvorming. Gelet op de wens uit het Hoofdlijnenakkoord om adviesraden tegen het licht te houden, is naast het tegengaan van de toename ook een verdere versobering van het bestaande adviesstelsel nodig. Daartoe zal de Overgang naar een Adviesstelsel van Soberheid en Eenvoud (OASE) worden gestart.

C. Interbestuurlijke samenwerking en samenhang tussen bestuurlijke en financiële arrangementen vergroten de beleidseffectiviteit. Het betrekken van partners voorkomt dat betrokkenen elkaar in de wielen rijden en zorgt ervoor dat alle partners hetzelfde doel nastreven. Consensus over een gezamenlijk referentiekader is daarbij een voorwaarde.

Operationele doelstelling 6.3: Aan het beleid tot het ontwikkelen van een rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid voor politieke ambtsdragers ligt de veronderstelling ten grondslag dat de dynamische ontwikkelingen in het lokale openbaar bestuur op termijn tot een wijziging van de functie-inhoud leiden en daarmee andere eisen aan de burgemeester zal stellen. Met de voorgestelde beleidsontwikkeling wordt hierop geanticipeerd. Het doel is kwaliteit en continuïteit van het bestuur te waarborgen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

Operationele doelstelling 6.2: Op basis van de uitkomsten van de evaluatie van ZBO's en de bepalingen uit het Hoofdlijnenakkoord ter zake van ZBO's zullen het beleid en de wet- en regelgeving inzake verzelfstandiging worden aangepast. Dat betekent actualisering van de basis- en streefwaarden in 2004. In de jaren daarna zal dat rijksdienstbreed zijn uitwerking bij de verschillende concrete verzelfstandigingen hebben.

Het kabinet zal uiterlijk 31 juli 2005 een evaluatie gereed hebben van de Kaderstellende visie en de checklist en de mate waarin de toezichthouders op rijksniveau aan de vernieuwde checklist voldoen. Op dat moment zullen de prestatie-indicatoren, basiswaarden en streefwaarden opnieuw worden bezien.

De Minister voor BVK dient in 2005 een evaluatie van de doeltreffendheid en effecten van de Kaderwet adviescolleges in de praktijk naar de Tweede en Eerste Kamer te sturen. Op dat moment of, zo mogelijk, eerder zal de streefwaarde met het oog op versobering van het adviesstelsel worden aangescherpt. Dit mede in het perspectief van het Hoofdlijnenakkoord waarbij taken, werkwijze en omvang van adviesraden tegen het licht dienen te worden gehouden.

Operationele doelstelling 6.3: Er is met het oog op de beleidsontwikkeling al langer behoefte aan het over een periode van meerdere jaren op gestructureerde wijze verzamelen van (cijfermatige) gegevens en inzichten over de ontwikkelingen in en rond het ambt met inbegrip van de wijzigende samenstelling van de beroepsgroep burgemeesters. Stond 2003 in het teken van het inventariseren van de nog gefragmenteerde versnipperde kennisbestanden, met ingang van 2004 zal een begin worden gemaakt met een toegankelijke database, die in de komende jaren nog verder zal worden uitgebreid. Deze database zal ertoe leiden dat de prestatie-indicatoren beter meetbaar zullen worden.

BELEIDSARTIKEL 7: INFORMATIEBELEID OPENBARE SECTOR

1. Algemene beleidsdoelstelling

Door de inzet van informatie- en communicatietechnologie (ICT) bijdragen aan een beter presterende en geloofwaardige overheid die bevordert dat gegevens omtrent de identiteit van burgers zorgvuldig worden vastgesteld, vastgelegd en gebruikt.

De beleidsfocus is gericht op alle burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen. De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de stimulering van alle overheidsorganisaties – en in het bijzonder de Rijksoverheid – om ICT te benutten om te komen tot:

– een beter presterende overheid, een overheid die:

* beter haar doelen bereikt (verbetering effectiviteit),

* met lagere kosten (verbetering efficiëntie);

* met minder bureaucratie en regelzucht;

* op een dienstverlenende, vraaggerichte wijze, zodat burgers, bedrijven en instellingen goed geïnformeerd eigen keuzes kunnen maken en zichzelf kunnen ontplooien;

– een overheid die persoonsgegevens zorgvuldig vaststelt, vastlegt en gebruikt;

– een overheid die in het gebruik van ICT en het daarbij behorende overheidsinformatiebeleid tot de koplopers in Europa behoort.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Verbeteren van zowel de publieke dienstverlening als van de toegankelijkheid van overheidsinformatie en het bewerkstelligen van een goed functionerende en betrouwbare informatie- en communicatie-infrastructuur binnen de openbare sector

Wat willen we bereiken?

Dienstverlening. Een toegankelijke overheid met een niveau van dienstverlening dat voldoet aan de hoge verwachtingen van de samenleving in de 21ste eeuw, waarbij niet het product maar de wensen van de burgers centraal staan is het einddoel. Om dit te bereiken zijn voor 2004 de volgende subdoelen geformuleerd:

– ultimo 2004 kan minimaal 45% van de totale publieke dienstverlening elektronisch worden afgehandeld;

– ultimo 2004 zal 60% van alle formulieren elektronisch beschikbaar zijn;

– Kiezen Op Afstand. Het doel is op termijn het stemproces zoveel mogelijk plaatsonafhankelijk te maken zodat de kiezer meer mogelijkheden heeft om te stemmen. Een stapsgewijze aanpak wordt voorgestaan om dat doel te bereiken. De stapsgewijze aanpak houdt onder meer in dat er in 2004 bij verkiezingen wordt geëxperimenteerd met vormen van plaatsonafhankelijk stemmen;

– in 2004 zullen vijf Innovatie-kanskaarten uitgevoerd worden om de toegevoegde waarde van ICT in sectoren te verkennen. Maatschappelijke problemen vormen het uitgangspunt bij het formuleren van het onderwerp voor een Innovatie-kanskaart. In 2004 zullen ten minste drie gesignaleerde kansen handen en voeten krijgen door middel van een pilotproject en/of verdiepingsstudie.

Toegankelijkheid. Ultimo 2004 wordt 50% van de verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen ontsloten via een decentrale wettenbank.

Communicatie- en informatie-infrastructuur. In 2004 zal het aantal elektronische transacties waarbij een door PKI ondersteunde elektronische handtekening wordt gebruikt binnen de domeinen overheid-overheid en overheid-bedrijfsleven zijn vermeerderd met 50 000 ten opzichte van 2003.

Wat gaan we daarvoor doen?

Dienstverlening. In het project Dienstverlening zonder bureaucratie wordt gewerkt aan de introductie van elektronische formulieren en het eenmalige verzamelen van gegevens. Dit vormt de aangewezen route om de interne organisatie en de informatiehuishouding van de overheid op orde te brengen en onnodige (handmatige) handelingen te elimineren. Daarmee wordt niet alleen de publieke dienstverlening gediend, maar ook de interne efficiency van de overheid. Het project Dienstverlening zonder bureaucratie zal ook een brede verkenning uitvoeren naar concrete mogelijkheden om de bureaucratie van de dienstverlening terug te dringen.

Het programma Elektronische Gemeente (Egem) zal gemeenten ondersteunen bij de inzet van ICT om beter te kunnen presteren.

In 2004 wordt het project superpilots afgerond. Dit project heeft tot doel tot een zo volledig mogelijk aanbod te komen van elektronische publieke dienstverlening.

Toegankelijkheid. Burgers hebben recht op een overheid waar ze eenvoudig zaken mee kunnen doen. Toegankelijkheid is een voorwaarde voor goede dienstverlening.

Met basisinformatie van de democratische rechtsstaat wordt bedoeld alle wet- en regelgeving, informatie van gekozen bestuursorganen en rechterlijke uitspraken. Deze informatie hoort zelfstandig, gratis en in onderlinge samenhang elektronisch raadpleegbaar en opnieuw bruikbaar te worden gemaakt. Verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen zijn niet opgenomen in de overheidswettenbank. Toegankelijkheid van algemeen verbindende voorschriften van lagere overheden kan sterk worden vergroot als de decentrale overheden ertoe zouden overgaan om op uniforme wijze geconsolideerde regelgeving op internet te publiceren, inclusief versiebeheer en wel zodanig dat alle lokale verordeningen vanuit één ingang elektronisch toegankelijk zijn. Dit kan alleen worden bewerkstelligd als deze overheden het consolidatie- en publicatieproces verrichten volgens een bepaalde standaard.

In 2004 zullen gemeenten, provincies en waterschappen actief worden gestimuleerd om hun regelgeving in geconsolideerde vorm via internet toegankelijk te maken. Dit zal gebeuren door een praktisch handboek voor het bouwen van een decentrale wettenbank voor de lagere overheden uit te geven. Met behulp van externe middelen (bijvoorbeeld uit het Nationaal Actieplan Elektronische Snelwegen) zal het stimuleringsbeleid geïntensiveerd worden (bijvoorbeeld door het maken van een stimuleringsregeling). Dit moet ertoe leiden dat eind 2005 100% van de publieke instanties voldoet aan de minimum richtlijnen omtrent democratische basisinformatie op de website.

Wetgeving kan nog niet elektronisch officieel bekend worden gemaakt. Hiervoor is een aantal wetswijzigingen vereist. Voorbereiding van deze wetswijzigingen worden in 2004 verder getroffen. Gedacht wordt aan een wettelijke verplichting om verordeningen langs elektronische weg officieel bekend te maken. Op deze wijze ontstaat een authentieke registratie (waarvan ook de overheidswettenbank deel uitmaakt) van alle algemeen verbindende voorschriften van de Nederlandse overheid. Burgers hebben recht op toegang tot deze informatie.

In 2004 zal een overheidsmetadatamodel worden ontwikkeld. Dit instrument verbetert de toegankelijkheid en beheersbaarheid van overheidsinformatie voor burgers en overheden.

De overheid kan als katalysator fungeren voor nieuwe diensten in de informatiemaatschappij. Bij de implementatie van de EU Richtlijn Commerciële exploitatie van overheidsinformatie wordt waar mogelijk de bestaande beleidslijn Naar optimale beschikbaarheid van overheidsinformatie verankerd in bestaande wet en regelgeving. Een publiekrechtelijke regeling ter effectuering van de beleidslijn zal gelden voor alle informatie die bestuursorganen verstrekken, verplicht of onverplicht, met uitzondering van de informatie waarvoor al uitdrukkelijk is bepaald dat de overheid deze niet mag exploiteren of waarvoor in bijzondere wetten een speciale regeling van de kosten is getroffen.

Communicatie- en informatie-infrastructuur. Het programma Architectuur van de Overheid zorgt voor een gemeenschappelijke, organisatieoverschrijdende aanpak van automatisering. Nevendoel is het verbeteren van de kwaliteit, consistentie en beheersbaarheid van ICT projecten binnen de overheid.

In 2004 wordt er gewerkt aan standaardisering van processen, gegevensstructuren, technieken en communicatiemethoden. Als voorlopige activiteiten zijn voorzien:

– het ontwikkelen van een gestandaardiseerde basis voor een integratie-architectuur van de Nederlandse Overheid;

– vereenvoudiging van de toepassing van bestaande generieke instrumenten, en uniformering van de implementatie;

– het uitvoeren van een aantal projecten die ketenproblemen aanpakken en die met een architectuurbenadering oplosbaar zijn.

In de motie Vendrik (kamerstukken II, 2002/2003, 28 600 XIII, nr 30) wordt aan het kabinet gevraagd om er voor te zorgen dat in 2006 de gehele publieke sector gebruik maakt van open standaarden en om een ambitieus plan neer te zetten voor Open Source Software. Onder meer in reactie hierop hebben BZK en EZ het programma OSOSS opgezet, dat als doel heeft overheden te ondersteunen indien ze gebruik willen maken van Open Standaarden en Open Source Software. Daartoe zullen in 2004 instrumenten worden ontwikkeld en aangereikt die hen helpen om de toepassing van Open Standaarden en Open Source Software intern te organiseren. Dit zijn een catalogus voor open standaarden, een uitwisselingsplatform voor Open Source Software, een handleiding om zelf een community op te zetten en advies op maat. Verder zal onderzocht worden of dit voldoende is voor acceptatie van Open Standaarden of dat een vorm van voorschrijven noodzakelijk zal zijn.

Voor de elektronische communicatie van burger, bedrijven en instellingen met de overheid en tussen overheidsorganisaties onderling is ook in 2004 een Public Key infrastructuur (PKI) nodig die goed functioneert en waarlangs berichten en gegevens zodanig kunnen worden uitgewisseld dat:

– ze ongeschonden verstuurd worden en aankomen;

– vaststelbaar is van wie ze afkomstig zijn;

– vertrouwelijkheid wordt gegarandeerd.

In 2004 zal de inzet van het expertise centrum PKI primair gericht zijn op de domeinen overheid-overheid en overheid-bedrijfsleven, omdat daar een gekwalificeerde elektronische handtekening het meest urgent blijft. Naast het op peil houden van de kennis op het gebied van PKI zal met name ondersteuning geboden worden bij concrete adviezen.

De uitkomsten van de actielijnen die in 2002 zijn uitgezet om tot implementatie van het persoonsnummerbeleid te komen (kamerstukken II, 2002/2003, 28 600 VII, nr 21), worden samengenomen in een implementatieplan dat in oktober 2003 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Dit plan moet duidelijkheid verschaffen over de organisatorische, technische, juridische en financiële consequenties die aan de introductie van een burgerservicenummer verbonden zijn, zodat een definitief besluit over invoering genomen kan worden. Dan zal het plan vanaf 2004 worden uitgevoerd.

In 2004 zal ofwel via pilots ofwel door een traject van samenwerking met gemeenten en stakeholders onderzocht worden of invoering van een digitale kluis haalbaar en wenselijk is. Op basis van de uitkomsten zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd. Doel van de digitale kluis is dat burgers meer regie krijgen over hun eigen persoonsgegevens.

KOA. De eerste twee experimenten met plaatsonafhankelijk stemmen gaan plaatsvinden bij de verkiezing voor het Europees Parlement (10 juni 2004). Voor het experiment met pc- en telefoonstemmen wordt in 2003 de stemdienst ontwikkeld, getest en in de praktijk beproefd. Het experiment zelf begint op 10 december 2003 (start van de registratie van de kiezers in het buitenland) en duurt tot 10 juni 2004 (21.00 uur Nederlandse tijd). Gedurende die periode worden de kiezers geregistreerd, de gegevens van de kiezers geanonimiseerd, de stembescheiden gemaakt en verzonden naar de kiezers, voorlichting gegeven en kan er worden gestemd voor de verkiezing van het Europees Parlement.

De gemeenten die gaan experimenteren met het stemmen in een stemlokaal van eigen keuze binnen de gemeente zullen nieuwe oproepingskaarten (met echtheidskenmerken) ontwikkelen, een register opstellen en bijhouden van vervallen verklaarde oproepingskaarten, voorlichting geven over de nieuwe wijze van stemmen en de leden van de stembureaus opleiden. De experimenten worden vervolgens geëvalueerd waarna het kabinet zal besluiten over eventuele verdere experimenten.

Wat mag het kosten?

Totaal is voor de realisatie van deze operationele doelstelling € 11,419 mln beschikbaar.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
7.2: Verbeteren van zowel de publieke dienstverlening als van de toegankelijkheid van overheidsinformatie en het bewerkstelligen van een goed functionerende en betrouwbare informatie- en communicatie-infrastructuur binnen de openbare sector.1. Percentage van de totale publieke dienstverlening dat elektronisch kan worden afgehandeld.35%45%
2. Percentage beschikbare elektronische formulieren. 35%60%
3. Percentage verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen dat ontsloten is via een decentrale wettenbank.n.v.t.50%
4. Aantal elektronische transacties waarbij een door PKI ondersteunde elektronische handtekening wordt gebruikt binnen de domeinen overheid-overheid en overheid-bedrijfsleven. nog niet beschikbaar50 000 meer dan in 2003

Operationele doelstelling 3: Het instandhouden en optimaliseren en het bevorderen van het gebruik van overheidsbrede ICT-voorzieningen

Wat willen we bereiken?

De afgelopen jaren is op het gebied van de elektronische overheid een groot aantal programma's en projecten gestart. Verschillende van die programma's hebben reeds geleid tot de realisatie van overheidsbrede ICT-voorzieningen. Deze krijgen nu een structurele organisatorische inbedding binnen de Rijksoverheid waarbij de nadruk ligt op het beheer en de instandhouding van deze voorzieningen, op de optimalisering van de prestaties en het bevorderen van het gebruik.

Het gaat hierbij om:

– het Kenniscentrum Elektronische Overheid (ELO);

– het overheidsportaal Overheid.nl;

– het Computer Emergency Response Team van de overheid GOVCERT.NL;

– het Rijksoverheidsintranet RYX;

– het beleidsorgaan voor de PKI voor de Overheid, de Policy Authority PKI;

– de Handelingenbank, een instrument voor de selectie van overheidsarchieven en de ontsluiting van overheidsdocumenten;

Voor al deze voorzieningen zal op basis van een gedifferentieerde set van beschikbaarheids-, output-, gebruiks- en tevredenheidsindicatoren een kwaliteitsindex worden ontwikkeld. Het streven is voor elk van deze voorzieningen een continu kwaliteitsniveau van minimaal een zeven te realiseren op een schaal van tien.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Het ELO is opgericht ten behoeve van kennisuitwisseling en het verstrekken van algemene adviezen en voorlichting over en voor de elektronische overheid in brede zin. In 2004 wordt het Kenniscentrum verder ontwikkeld. Dit krijgt vorm door het beheer van een digitale kennisbank waarin inhoudelijke kennis over de inzet van ICT door overheden wordt verzameld en beschikbaar gemaakt. Daarin wordt tevens de kennis van afgeronde ELO-programma's gebundeld (zoals Overheidsloket 2000 en Stroomlijning Basisgegevens). Daarnaast wordt gewerkt aan de verdere professionalisering van de voorlichtings- en adviesfunctie van het Kenniscentrum.

– De website www.overheid.nl zal in 2004 worden verbeterd en uitgebreid. Met betrekking tot de officiële publicaties (Staatsblad, Tractatenblad, Staatscourant, Kamerstukken) zal een eigen database in gebruik worden genomen die de gebruiksmogelijkheden vergroot. Het wettenbestand zal fasegewijs worden uitgebreid en er worden links aangebracht tussen wetten en officiële publicaties. De kwaliteit en actualiteit van de almanak met overheidsorganisaties zal worden verbeterd. Het overheidsloket dat 2 500 overheidsdiensten bevat zal worden verbonden met productoverzichten van gemeenten, provincies en waterschappen en de afstemming met postbus51.nl zal worden verbeterd. Daarnaast zal het gebruik van de website zoveel mogelijk worden bevorderd.

– GOVCERT.NL is organisatorisch ondergebracht bij de Stichting ICTU. In 2004 zal een besluit worden genomen over de structurele organisatorische ophanging en rechtsvorm van GOVCERT.NL, waarbij vooral gezocht zal worden naar synergie met de te treffen maatregelen op het terrein van de bescherming van de vitale infrastructuur.

– Het Rijksoverheidsintranet RYX is per 1 april 2003 de beheerfase in gegaan. Hierin staat centraal het verhogen van het nut dat de gebruikers ervaren door enerzijds het voortdurend aanpassen van het aanbod op de vraag naar informatiebronnen en functionaliteiten, en anderzijds door het bevorderen van het gebruik van RYX door overheidsorganisaties om specifieke doelgroepen binnen de Rijksdienst te bereiken. Het speerpunt daarbij zal zijn het benutten van RYX als infrastructuur voor de dienstverlening van het op te richten Shared Servicecentrum HRM aan medewerkers, managers en personeelsadviseurs. De Stichting ICTU, die RYX beheert, onderhoudt de basisinfrastructuur en ontwikkelt en implementeert eventuele nieuwe functionaliteiten en content.

– Om het stelsel van de PKI voor de Overheid goed te laten verlopen, is een toezichthouder nodig die beziet of de partijen voldoen c.q. blijven voldoen aan het Programma van Eisen. Daarnaast dient het stamcertificaat van de Overheid en het Programma van Eisen beheerd te worden. Daartoe is in 2003 een Policy Authority (PA) ingesteld, die in 2004 als organisatieonderdeel zal worden ingebed in BPR. De PA beheert de toelatingseisen en de basiscertificaten op basis waarvan burgers, bedrijven, instellingen en overheidsorganisaties een elektronische handtekening die voldoet aan de PKI-eisen, kunnen verkrijgen.

– De handelingenbank is een instrument dat gebruikt wordt bij de digitalisering van overheidsdocumenten en archieven. Om het gebruik en de verdere ontwikkeling van de Handelingenbank te stimuleren is een gebruikersplatform ingesteld, waarin de participerende overheidsorganisaties zitting hebben. Het Gebruikersplatform stuurt en coördineert het beheer van de Handelingenbank. Er wordt een website ontwikkeld via welke implementatieplannen, opleidingen en de software (onder open source licentie) ter beschikking worden gesteld aan de gebruikers.

Centrale Archief Selectiedienst (CAS). De CAS houdt zich bezig met het bewerken, beheren en beschikbaar stellen van archieven van ministeries en Hoge colleges van staat. Om te voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgelegd in raamconvenanten met ministeries en Hoge Colleges van Staat worden 96 860 uur geleverd voor de uitvoering van door de opdrachtgevers aangedragen projecten. Daarnaast biedt de CAS ondersteuning aan ministeries en de Hoge colleges van staat bij het streven naar effectief archief- en informatiebeheer, door middel van adviesen uitvoeringsprojecten. Hiervoor is 13 442 uur beschikbaar. Tevens is de CAS voornemens het beheren en beschikbaar stellen van circa 58 km archief te realiseren. Voor deze beheersactiviteit zijn 8 487 uur beschikbaar.

Wat mag het kosten?

Totaal is voor de realisatie van deze doelstelling € 17,993 mln beschikbaar. Een gedeelte van dit bedrag is de bijdrage van BZK aan CAS, namelijk € 5,118 mln.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
7.3: Het instandhouden en optimaliseren en het bevorderen van het gebruik van overheidsbrede ICT-voorzieningen.1. Overheidsportaal Overheid.nl.nog niet beschikbaar7 (kwaliteitsniveau)
2. Computer Emergency Response Team van de overheid GOVCERT.NLnog niet beschikbaar7
3. Rijksoverheidsintranet RYXnog niet beschikbaar7

Operationele doelstelling 4: Het instandhouden en optimaliseren van de reisdocumentenketen en het instandhouden en ontwikkelen van het stelsel van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) zoals neergelegd in de Paspoortwet en de wet GBA

Wat willen we bereiken?

1. Het optimaliseren van het GBA-stelsel door het op termijn online maken van het GBA-stelsel en het vergroten van de flexibiliteit en kwaliteit in de vorm van een verregaande standaardisatie van de decentraal gebruikte GBA-systemen.

2. Garanderen van de kwaliteit van het uitgifteproces reisdocumenten en de beveiliging bij de uitgevende instanties. Harmonisatie van de beveiligingseisen gesteld in de Paspoort Uitvoeringsregeling Nederland (PUN) 2001 en de Wet GBA.

3. Invulling geven aan het kabinetsstreven om identiteitsfraude tegen te gaan door opname van biometrie op reisdocumenten, zijnde identiteitsdocumenten. Tevens voldoen aan de internationale standaarden voor biometrie op reisdocumenten.

Wat gaan we daarvoor doen?

1. In 2004 zal de nadruk liggen op het uitwerken van de adviezen van de commissie Toekomst van de GBA om te komen tot een volledig online GBA-stelsel en verdere flexibilisering. Bepalend zullen hierbij zijn de uitkomsten van de impactanalyse naar financiële, organisatorische en technische consequenties van het door het kabinet voorgestelde GBA-startpakket op de burgerzakensystemen. Indien uit deze impactanalyse blijkt dat invoering van een GBA-startpakket tegen redelijke kosten onmogelijk blijkt of andere belemmeringen in dit kader naar voren komen zal gezocht moeten worden naar alternatieven om tegemoet te komen aan de doelstellingen die met de modernisering van de GBA worden beoogd. In 2003 zal met de gemeenten en afnemers overleg worden gevoerd over de uitkomsten van de impactanalyse en over de eventueel noodzakelijke alternatieven. Aansluitend hierop worden in 2004 de voorbereidingen getroffen voor de ontwikkeling van een GBA-startpakket of een nader te bepalen alternatief.

2. In 2004 wordt gestart met het uitvoeren van de eerste externe onderzoeken naar de toepassing van de beveiligingsmaatregelen voor de reisdocumenten bij gemeenten. De resultaten worden gebruikt voor de verdere ontwikkeling van het externe onderzoek en voor de verbetering van de kwaliteit van het uitgifteproces bij gemeenten. In 2004 wordt gestart met het harmoniseren van de beveiligingseisen gesteld in de PUN 2001 en de Wet GBA. Met de harmonisatie worden de beveiligingseisen van de GBA en de PUN 2001 aangepast aan de beveiligingsvereisten die een online GBA stelt. De harmonisatie van de beveiligingseisen zullen van invloed zijn op de GBA-audit en het externe onderzoek naar de toepassing van de beveiligingsmaatregelen voor de reisdocumenten bij gemeenten. Het proces van harmonisatie van de beveiligingseisen loopt gelijk met de modernisering van de GBA en duurt tot circa 2008.

3. In 2003 zal de Kamer over de resultaten van het onderzoek naar en het kabinetsstandpunt over de toe te passen biometrische technologie ter bestrijding van look-alike fraude en over de wijze van invoering worden geïnformeerd. Tevens worden de consequenties op het gebied van wetgeving en financiën besproken. Aansluitend op de besluitvorming van de Kamer zullen, afhankelijk van de uitkomst, in de tweede helft van 2003 voorbereidingen worden getroffen voor de aanbesteding van de noodzakelijke aanpassingen in documenten en apparatuur en zal een plan voor de invoering van biometrie worden opgesteld. Recent heeft ICAO (een internationale organisatie die standaarden vaststelt voor reisdocumenten) besloten de gelaatsherkenning als primair biometrisch kenmerk aan te wijzen. In het kabinetsstandpunt wordt op deze ontwikkelingen ingegaan.

Wat mag het kosten

Voor bovenstaande activiteiten 1 en 2 is in totaal beschikbaar € 4,738 mln.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
7.4: Het instandhouden en optimaliseren van de reisdocumentenketen en het instandhouden en ontwikkelen van het GBA-stelsel zoals neergelegd in de Paspoortwet en de Wet GBA.1. klanttevredenheid.7,07,1
2. GBA-audit: percentage van gemeenten die in één keer slagen.30%40%
3. reisdocumentenaudit percentage gemeenten die slagen. nog niet beschikbaarnog niet beschikbaar

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
7: Informatiebeleid Openbare Sector2002200320042005200620072008
Verplichtingen109 299125 45951 05339 57641 53752 47755 458
1. apparaat2 3382 5122 1992 1032 0832 0832 083
2. verbeteren ICT-voorzieningen14 90735 8148 1926 7254045 50411 504
3. instandhouden en optimaliseren ICT-voorzieningen45 03847 7225 1641 7097 0679 0889 088
4. reisdocumenten en GBA-stelsel47 01639 41135 49829 03931 98335 80232 783
        
Uitgaven93 61877 60367 10956 25552 65856 47755 458
1. apparaat2 3732 5122 1992 1032 0832 0832 083
2. verbeteren ICT-voorzieningen14 79513 17711 41910 7254 4049 50411 504
3. instandhouden en optimaliseren ICT-voorzieningen29 43422 50317 99314 38814 1889 0889 088
4. reisdocumenten en GBA-stelsel47 01639 41135 49829 03931 98335 80232 783
        
Ontvangsten53 67135 23228 59627 75929 89233 71132 765

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
7: Informatiebeleid Openbare Sector 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 67 109 56 255 52 658 56 477 55 458
2. Waarvan apparaatuitgaven 2 199 2 103 2 083 2 083 2 083
3. Dus programma-uitgaven 64 910 54 152 50 575 54 394 53 375
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht82%53 24380%43 25291%45 92782%44 64784%44 647
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)6%3 7927%4 0008%4 0007%4 0007%4 000
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)12%7 87513%6 900      
8. beleidsmatig nog niet ingevuld    1%64811%5 7479%4 728
9. Totaal (=3)100%64 910100%54 152100%50 575100%54 394100%53 375

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Operationele doelstelling 7.2: Bij het formuleren van de operationele doelstellingen van artikel 7 is steeds aangegeven hoe deze doelen bereikt zullen worden. Hierbij wordt uitgegaan van een aantal veronderstellingen. Een van de belangrijkste veronderstellingen voor het beleid in 2004 is dat de streefwaarden die geformuleerd zijn voor eind 2003 worden gehaald. Mochten deze waarden lager uitvallen dan zal dit consequenties hebben voor het beleid van 2004.

Een andere veronderstelling is dat voor het bereiken van de doelstellingen van het komende jaar gedeeltelijk financiering plaatsvindt uit nog niet definitief toegewezen middelen van het Nederlands Actieprogramma elektronische Snelwegen (NAP). Voor de programma's OSSOS, Egem, Architectuur van de Overheid en Dienstverlening zonder bureaucratie zijn dergelijke claims neergelegd. Het geformuleerde beleid voor deze acties gaat uit van toekenning van de claims.

Met KOA wordt het stemproces plaatsonafhankelijker gemaakt. Dat biedt de kiezer meer faciliteiten en dus ook meer flexibiliteit bij het uitbrengen van zijn/haar stem. Met experimenten, te beginnen in 2004, wordt vastgesteld of de kiezer met de nieuwe faciliteiten weet om te gaan en hoe de kiezer de faciliteiten waardeert.

Operationele doelstelling 7.4: De activiteiten die samenhangen met activiteit 3 (biometrie) zijn afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek naar en het kabinetstandpunt over de toe te passen biometrische technologie. Hierover wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2003 geïnformeerd.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

De operationele doelstellingen 7.2 en 7.3 zijn nieuw in vergelijking met de begroting voor 2003. Operationele doelstelling 7.2 is een samenvoeging van de oude operationele doelstellingen 7.2 en 7.3 om zo ruimte te maken voor een nieuwe operationele doelstelling 7.3. De oorspronkelijke indeling van de activiteiten gericht op enerzijds de front-office (de dienstverlening aan burgers en bedrijven) en anderzijds de back-office (al hetgeen binnen overheidsorganisaties moet gebeuren om die dienstverlening mogelijk te maken) werd vanuit sturingsoogpunt meer en meer als kunstmatig gezien, omdat de doelen op het ene terrein niet gerealiseerd kunnen worden onafhankelijk van de voortgang op het andere terrein. Zinvoller is een onderscheid tussen activiteiten die zich nog in de beleidsvormings- en ontwikkelfase bevinden en waar de initiële projectdoelen nog gehaald moeten worden (de nieuwe operationele doelstelling 7.2) en voorzieningen die al zijn gerealiseerd en waarbij de nadruk komt te liggen op instandhouding en optimalisering (de nieuwe operationele doelstelling 7.3). Ook qua financiële sturing is dat onderscheid zinvol, omdat het budget gekoppeld aan operationele doelstelling 7.3 al belegd is met meerjarige verplichtingen en daardoor niet of nauwelijks flexibel is. Bij operationele doelstelling 7.2 gaat het vooral om kortlopende verplichtingen nodig om beleid te vormen of projecten uit te voeren.

Voor de prestatie-indicatoren betekent dit dat voor operationele doelstelling 7.3 geheel nieuwe indicatoren moeten worden ontwikkeld. Het karakter van die indicatoren is inmiddels duidelijk: voor al deze voorzieningen zal op basis van een gedifferentieerde set van beschikbaarheids-, output-, gebruiks- en tevredenheidsindicatoren een kwaliteitsindex worden ontwikkeld. Het streven is voor elk van deze voorzieningen een continue kwaliteitsniveau van minimaal een zeven te realiseren op een schaal van tien. De indexen zelf en de onderliggende indicatoren moeten echter nog worden ontwikkeld.

De prestatie-indicator voor PKI is nieuw in vergelijking met de begroting voor 2003. In de begroting 2003 werd ernaar gestreefd dat eind 2003 bij 5% van alle mogelijke elektronische transacties binnen de domeinen overheid-overheid en overheid-bedrijfsleven een door PKI ondersteunde elektronische handtekening wordt gebruikt. De meetbaarheid van deze indicator laat te wensen over aangezien het lastig is te bepalen wat wordt verstaan onder alle mogelijke elektronische transacties, en dat vervolgens te meten. Daarom wordt voor 2004 gekozen voor een prestatie-indicator die nominaal meetbaar is. In 2004 zal het aantal elektronische transacties waarbij een door PKI ondersteunde elektronische handtekening wordt gebruikt binnen de domeinen overheid-overheid en overheid-bedrijfsleven zijn vermeerderd met 50 000 ten opzichte van 2003. Daartoe wordt eind 2003 een nulmeting uitgevoerd.

De prestatie-indicatoren voor operationele doelstelling 7.4 zijn in 2004: klanttevredenheid en slagingspercentage GBA-audit. Vanaf najaar 2004 worden tevens de eerste reisdocumentenaudits bij gemeenten uitgevoerd. Als streefwaarde is opgenomen een percentage van 10% gemeenten dat slaagt voor de audit. Een en ander is echter afhankelijk van het aantal gemeenten dat in 2004 een externe audit zal doen uitvoeren.

De waarden genoemd bij het klanttevredenheidsonderzoek en GBA-audit zijn gelijk aan 2003. Ten aanzien van het klanttevredenheidsonderzoek is gesteld door expertbureaus (zoals het NIPO) dat dit de maximaal haalbare waarde is. BPR wenst meer inzicht te krijgen of afnemers van de GBA de gegevens daadwerkelijk overeenkomstig de daartoe door de Minister van BZK verstrekte autorisaties gebruiken.

In overleg met het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) zal hiervoor een controle-instrument worden ontwikkeld. Het streven is erop gericht om een convenant te sluiten met het CBP op basis waarvan het controle instrument kan worden vormgegeven. Nagegaan zal worden of het mogelijk is ook ten aanzien van de audit bij afnemers een prestatie-indicator worden ontwikkeld.

BELEIDSARTIKEL 8: INTEGRATIE MINDERHEDEN

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
8: Integratie Minderheden20022003*20042005200620072008
Verplichtingen216 762Vervallen     
1. apparaat4 273      
2. positieverbetering etnische minderheden38 904      
3. coördineren inburgering nieuwkomers en oudkomers121 203      
4. huisvesting statushouders door gemeenten24 415      
5. remigratieregeling27 967      
        
Uitgaven161 095Vervallen     
1. apparaat4 273      
2. positieverbetering etnische minderheden25 230      
3. coördineren inburgering nieuwkomers en oudkomers82 662      
4. huisvesting statushouders door gemeenten24 425      
5. remigratieregeling24 505      
        
Ontvangsten3 648Vervallen     

* Met ingang van de ontwerp-begroting 2003 overgegaan naar de begroting van Justitie (VI).

BELEIDSARTIKEL 9: GROTESTEDENBELEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

Beleidsartikel 9 van de BZK-begroting is de centrale plaats binnen de rijksbegroting waar een horizontaal overzicht wordt gegeven van de kabinetsbrede doelstellingen van het grotestedenbeleid (GSB). De eigen verantwoordelijkheden en doelstellingen van de andere bij het GSB betrokken ministers worden in de desbetreffende departementale begrotingen opgenomen. Hier wordt weergegeven welke operationele doelstellingen de Minister voor BVK heeft met betrekking tot zijn systeemverantwoordelijkheid en budgettaire medeverantwoordelijkheid voor het GSB.

Complete en vitale grote steden

De grote steden1 hebben een achterstand op het gebied van de veiligheid en sociale, fysieke en economische infrastructuur. Op belangrijke punten als het verbeteren van de veiligheid, bevorderen van de integratie, versterken van de sociale infrastructuur, tegengaan van (langdurige) werkloosheid en de differentiatie van woonwijken staan de steden voor absoluut en relatief grote opgaven. Het uiteindelijke doel van het GSB in de periode 1999–2004 is om te komen tot een leefbare en veilige stad, die in fysiek, economisch en sociaal opzicht voldoet aan de – steeds hogere– eisen die bewoners, bedrijven, instellingen, bezoekers en recreanten nu en in de toekomst aan de stad stellen: een stad die sociaal, leefbaar en veilig is en kansen biedt aan burgers die kansen nodig hebben en ze ook daadwerkelijk benutten en zo te komen tot een meer dan gemiddelde vooruitgang op de hierna genoemde doelstellingen. Een economisch vitale stad, met hoogwaardige vestigingslocaties, die werk biedt aan wie dat zoekt.

Dit uiteindelijke doel wordt geconcretiseerd in 9 meetbare maatschappelijke doelstellingen die een indicatie geven van de achterstanden en aandachtspunten in de grote steden:

 9 Doelstellingen16 IndicatorenOntwikkeling vanaf 1998
1aTerugdringing van de (structurele) werkloosheid.Percentage geregistreerde werklozen (GWL) op stadsniveau. Aandeel Niet Werkende Werkzoekenden in de potentiële beroepsbevolking in de aangewezen wijken ten opzichte van het stedelijk gemiddelde (naar etnische herkomst en werkloosheidsduur).In de G4 gedaald van 8,2% (1998) naar 4,4% (2000), in de G21 gedaald van 5,8% (1998) naar 3,5% (2000).De werkloosheid in aandachtswijken daalt tussen 1998 en 2001 iets sneller dan het stadsgemiddelde (41% tegenover 40%).
    
1bBevordering van de arbeidsplaatsen.Aantal werkzame personen (=arbeidsplaatsen).In 1999–2001 is het aantal banen in Nederland met 4,7% gestegen. In de G4 en de G21 was dat resp. 2,3% en 5,2%. In de G5 was dat 6,1%.
    
2Versterking van de economische concurrentiepositie.Gemiddeld rapportcijfer ondernemersklimaat in de gemeente.Van 2000 tot 2002 is dit cijfer in de G4 gestegen van 6,2 naar 6,5. In de G21 van 6,5 naar 6,6 en in de G5 ook van 6,5 naar 6,6.
    
3Verbetering van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.Aandeel op de bevolking (van 16 tot 25 jaar) dat maximaal over een vbo/mavo-diploma beschikt.Op stadsniveau geen cijfers beschikbaar, na invoering leerlingenvolgsysteem is indicator te volgen.
    
4Versterking van de positie van de stedelijke woonmilieus op de regionale woningmarkt.Aandeel huishoudens behorend tot de midden- en hogere inkomensgroepen.In de G4 gestegen van 46% (1998) naar 47% (2000), in de G21 gedaald van 52% (1998) naar 51% (2000). In de G5 gelijk gebleven (61%). (Nederland ook gelijk gebleven met 60%).
    
5Verbetering van de fysieke leefomgeving en leefbaarheid.Gemiddeld rapportcijfer voor de woonomgeving.Onvoldoende bekend over gemiddelde ontwikkeling.
  Aandeel inwoners dat (zeer) tevreden is over de groenvoorziening in de buurt.Aandeel bevolking dat tevreden is over groenvoorzieningen is voor de G30 tussen 97 en 2002 constant gebleven in G30.
  Kengetal verloedering.In de G4 tussen 1997en 2002 licht gestegen van 5,1 naar 5,3; in G21 van 4,1 naar 4,2.
    
6Vergroting van de bereikbaarheid van economische activiteiten.Geen indicator beschikbaar. 
    
7Versterking van de sociale infrastructuur.Kengetal sociale kwaliteit van de woonomgeving.In alle steden constant gebleven tussen 97 en 2002 (6,1 voor G30).
  Beleid ten aanzien van kwetsbare groepen.Geen kwantitatieve informatie.
    
8Verbetering van de veiligheid, tevens veiligheid op scholen.Slachtofferschap van vermogensmisdrijven, vernielingen en verstoring van de openbare orde, geweldsdelicten. Aandeel in de bevolking dat zich wel eens onveilig voelt.In periode 1997–2001: G4: percentage slachtoffers van inbraak, auto en fiets daalt, geweld en vernielingen stijgen echter licht. G21: voor alle categorieën percentage slachtoffers afgenomen. Tussen 97–2002: G4 toename van 41% naar 44%. G21 afname van 37% naar 32%.
  Aandeel in de bevolking dat zich in de eigen buurt wel eens onveilig voelt.Tussen 97–2002: G4 toename van 26% naar 34%; G21 afname van 27% naar 23%;
  Aandeel jeugdige delictplegers per 1 000 inwoners van de leeftijdscategorie 12–25 jaar.Van 98 tot en met 2001: G4: daling van 42 naar 36; G21: constant (29).
  Veiligheid op scholen.Geen kwantitatieve gegevens.
    
9Duurzaam herstel van de kwetsbare wijken.Relatieve stijging van de gemiddelde waarde van onroerende goederen in het kader van de Wet Onroerende Zaakbelasting.CBS nog geen nieuwe cijfers op wijkniveau beschikbaar.

Grootstedelijke problematiek heeft een meervoudig karakter en dient daarom integraal benaderd te worden. Het vraagt om een programmatische aanpak, zodat steden de (implementatie van) beleid naar eigen inzicht kunnen spreiden over de convenantsperiode. Door de steden worden de in de tabel genoemde 9 doelstellingen gerealiseerd door een samenhangende aanpak op de pijlers fysiek, sociaal, veiligheid en werk en economie. Maatwerk is vereist zodat de stedelijke aanpak beter aansluit op vragen en noden van burgers, bedrijven en instellingen. Maatwerk is daarom ook toegepast bij de ontwikkeling van Meerjarige Ontwikkelingsprogramma's (MOP's) door de steden. Deze zijn per stad gebaseerd op een stadsvisie tot 2010. In convenanten tussen de G25 en het Rijk zijn voor de periode 1999–2003 (GSB II) afspraken gemaakt over de prestatie-indicatoren bij de 9 (outcome-) doelstellingen per stad in hun MOP's. De G5 hebben een meerjarig wijkprogramma tot en met 2003 opgesteld met betrekking tot Leefbaarheid, hierover zijn in 2000 convenanten afgesloten.

De steden moeten hun inzet zoveel mogelijk kunnen richten op het bereiken van (meetbare) resultaten, met een minimum aan bureaucratie. Het Rijk faciliteert de steden daarbij door in te zetten op ingrijpende vermindering van de rijksbureaucratie, beperking van de rijkssturing tot hoofdlijnen, ontschotting van geldstromen, vereenvoudiging van de programmavereisten, afschaffing van de dubbele verantwoording en meerjarige zekerheid voor de duur van het convenant.

Het kabinet is gezamenlijk verantwoordelijk voor het stimuleren van complete steden door het ontwikkelen van een samenhangend, gecoördineerd en ontkokerd beleid, zoals vastgelegd in de convenanten met de grote steden. De vakministers zijn onverkort inhoudelijk en beleidsmatig verantwoordelijk voor het sectorale GSB-beleid. Om de samenwerking tussen en samenhang binnen de pijlers in het GSB te verbeteren is per pijler één ministerie verantwoordelijk voor de pijlercoördinatie: VROM voor de fysieke pijler, EZ voor de pijler werk en economie, VWS voor de sociale pijler en BZK en Justitie voor de pijler veiligheid. De pijlercoördinatoren dragen zorg voor een gecoördineerd optreden per pijler richting de steden. De uitvoering van de MOP's is de verantwoordelijkheid van de steden.

In het Actieplan GSB van eind 2002 is afgesproken om met ingang van 1-1-2005 de rijksuitkeringen voor het GSB te bundelen in een beperkt aantal brede doeluitkeringen (BDU's). Voor deze BDU's worden voor de nieuwe convenantsperiode (2005–2009) resultaatafspraken met de steden gemaakt gebaseerd op één geïntegreerd beleidskader.

In het Actieplan is ook afgesproken dat de huidige convenantsperiode met een jaar wordt verlengd. Hiertoe worden aanvullende outputafspraken gemaakt tussen het Rijk en de steden op het gebied van veiligheid en inburgering. Deze afspraken vormen de opmaat voor (de aanpak) in GSB III. Daarnaast zullen de G30 de bestaande outcome-afspraken naar evenredigheid aan passen. In 2005 wordt de huidige convenantsperiode verantwoord. Eind 2004 worden in nieuwe convenanten tussen steden en Rijk voor de periode GSB III afgesloten.

De Minister voor BVK heeft systeemverantwoordelijkheid met betrekking tot de gecoördineerde aanpak van het GSB en is verantwoordelijk voor de inhoudelijke en procesmatige coördinatie van het GSB. Deze coördinerende rol wordt uitgeoefend ten opzichte van alle bij het GSB betrokken ministeries en steden en de op steden gerichte Europese structuurfondsen. Hiertoe heeft hij tevens budgettaire medeverantwoordelijkheid, die hem de bevoegdheid geeft mee te beslissen over de beleidsterreinen binnen het GSB ten einde een gecoördineerde aanpak te bewaken. Rijksbreed zijn alle voor GSB relevante regelingen en hun budgettaire omvang weergegeven in het Extra Comptabel Overzicht (ECO) GSB. Per regeling is daarin aangegeven hoeveel geld beschikbaar is voor het totale beleidsterrein en hoeveel daarvan naar de G25 gaat. Daarnaast is de Minister voor BVK tevens verantwoordelijk voor de coördinatie van het Europese GSB dat in tien Nederlandse steden wordt gevoerd.

Om de samenwerking tussen en samenhang binnen de pijlers in het GSB te verbeteren is per pijler één ministerie verantwoordelijk voor de pijlercoördinatie.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Het ontwikkelen van een samenhangend gecoördineerd en ontkokerd beleid

Wat willen we bereiken?

Operationele doelstelling 2 betreft het beleid waarmee BZK zelf vorm geeft aan haar systeemverantwoordelijkheid en de budgettaire medeverantwoordelijkheid voor de algemene GSB-doelstelling Complete en vitale grote steden. Het doel van BZK is faciliteren van de steden bij het behalen van resultaten op de 9 doelstellingen door in te zetten op ingrijpende vermindering van de rijksbureaucratie, beperking van de rijkssturing tot hoofdlijnen, ontschotting van geldstromen, vereenvoudiging van de programmavereisten, afschaffing van de dubbele verantwoording en meerjarige zekerheid voor de duur van het convenant. De Minister voor BVK ontwikkelt en coördineert de randvoorwaarden voor de aanpak en de inhoud van het GSB beleid richting de steden en de betrokken ministeries.

Wat gaan we daarvoor doen?

De volgende instrumenten worden ingezet:

1. de jaarlijkse GSB-monitor, het Jaarboek GSB, biedt inzicht in de situatie in de grote steden, de voortgang van de steden;

2. in 2004 coördineert BZK de ontwikkeling en actualisatie door de pijlercoördinatoren van de geharmoniseerde verantwoordingsdocumenten per pijler t.b.v. de financiële verantwoording van de steden over 2003.

De verantwoording over de periode GSB II bestaat uit twee onderdelen: de beleidsmatige en de financiële verantwoordingen over de bestedingen en de verantwoording over de MOP's. Uitgangspunt bij de verantwoording over de GSB II periode is dat de verantwoordingen qua proces en inhoud op elkaar worden afgestemd. De beleidsmatige en financiële verantwoording over de bestedingen valt onder primaire verantwoordelijkheid van het regelingsverantwoordelijke ministerie. De verantwoording over de MOP's valt primair onder verantwoordelijkheid van de coördinerend minister. In 2004 faciliteert BZK de steden bij het opstellen van de verantwoording GSB II over de MOP's;

3. door het Rijk worden budgetten beschikbaar gesteld aan de steden ten behoeve van de uitvoering van hun MOP's. Het extra-comptabel overzicht (ECO) maakt inzichtelijk en transparant welke regelingen in het GSB zijn opgenomen en wat hun budgettaire omvang is. Voor steden biedt het ECO een meerwaarde omdat het indicatief overzicht hen inzicht geeft in de omvang van de middelen die aan hen beschikbaar worden gesteld. Steden en de Tweede Kamer hebben op deze manier inzicht in de geldstromen van het GSB. Met het oog op de coördinerende rol en budgettaire medeverantwoordelijkheid van de Minister van BZK wordt in de toekomst meer gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het ECO als (sturings)instrument heeft. Het ECO levert dan voor alle betrokkenen een meerwaarde op ten opzichte van de huidige situatie. De implementatie van het Plan van Aanpak ECO in de toekomst wordt in 2004 afgerond. De steden en de ministeries worden hierbij betrokken;

4. met ingang van 1 januari 2005 worden de rijksuitkeringen voor het GSB gebundeld in een beperkt aantal brede doeluitkeringen (BDU's). De BDU's zijn de instrumenten waarmee het rijk GSB uitvoert en de steden faciliteert. Het geïntegreerde beleidskader levert de doelstellingen voor de BDU's. De afspraken over deze doelstellingen worden in convenanten tussen steden rijk vastgelegd. Via de BDU's ontvangen steden de bijbehorende financiële middelen. Kenmerk van de BDU's is meer bestedings- en beleidsruimte voor steden zodat zij resultaatgerichter te werk kunnen gaan. Bij de ontwikkeling van de BDU's wordt programmatische verantwoording ingevoerd en rekening gehouden met de overige uitgangspunten van de harmonisering Financiële Verantwoordingen GSB. De enorme verscheidenheid en hoeveelheid aan rijksvoorwaarden die verbonden zijn aan de afzonderlijke regelingen in GSB II worden in de BDU's gestroomlijnd respectievelijk verminderd. In 2003 heeft de inventarisatie plaatsgevonden van de interdepartementale regelingen die gebundeld kunnen worden tot BDU's. De inhoudelijke prioriteiten voor GSB III zijn leidend bij de bundeling van de rijksuitkeringen. De BDU's krijgen hun beslag in regelgeving. Het traject van aanpassing van bestaande wetgeving, het schrijven van nieuwe wetgeving en de besluitvorming daarover dient vóór 2005 afgerond te zijn;

5. eind 2004 maken Rijk en steden in de maatwerkconvenanten meetbare afspraken op de doelstellingen uit het geïntegreerde beleidskader. Ex-ante toetst het Rijk het ambitieniveau van de stad aan de hand van de omvang en de maatschappelijke urgentie van de lokale problematiek en de omvang van de financiële rijksbijdrage. Het overleg daarover is gericht op overeenstemming die wordt bekrachtigd door het convenant;

6. BZK faciliteert kennisuitwisseling over grootstedelijke problematiek door deel te nemen aan de programmaraad van het Kenniscentrum Grote Steden (KC GS), een onafhankelijke en zelfstandige stichting. Daarnaast is BZK waarnemend lid van het bestuur van het KC GS. Het KC GS heeft als doelstellingen: het bevorderen van kennisverspreiding tussen steden, vergroten van kennisuitwisseling tussen onderzoeksinstellingen en de beleidspraktijk en het systematischer vertalen van kennis uit het buitenland over het oplossen van stedelijke problemen naar de Nederlandse praktijk. Medio 2003 is het KCGS geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie geven aanleiding voor continuering van het KC GS. In 2004 streeft BZK er naar om via het bestuur en de programmaraad hetzelfde niveau van kennisuitwisseling als in 2003 te realiseren.

Het Expertteam GSB is in 2003 operationeel geworden. Het ressorteert onder het KC GS. Hierdoor is het onafhankelijk van BZK. Het Expertteam wordt door de steden ingeschakeld. Doel van het Expertteam is om de steden te ondersteunen in het oplossen van knelpunten in de uitvoering van GSB II en bij te dragen aan een snelle verspreiding van goede voorbeelden. Op die manier krijgt de uitvoering van GSB II een extra impuls. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie in 2004 zal het Expertteam worden stopgezet dan wel gecontinueerd in 2005;

7. de structuurfondsenprogramma's Doelstelling 2 stedelijke gebieden en het Urban II programma zijn in aanvulling op het nationale GSB gericht op een verdere ontwikkeling van een aantal achterblijvende gebieden in tien grote steden. De programma's lopen tot en met 2006. Het doel is het verkleinen van sociaal economische achterstanden. Jaarlijks wordt eind juni het jaarverslag gepresenteerd. Het doel van BZK is om meer aandacht voor stedelijke problematiek en integrale benadering van het GSB op Europees niveau te vragen. Samen met de steden worden acties ondernomen om op Europees niveau uitwisseling van ervaringen en best practices te bewerkstelligen. Onder het URBACT-programma van de EU worden zogenaamde Thematische netwerken opgericht, waarbij Europese steden best practices, kennis en ervaringen uitwisselen, mede met het oog op de inzet voor stedelijk beleid na 2006. De wederzijdse leereffecten kunnen tevens worden benut voor het Nederlandse GSB. Daarenboven kunnen (tussentijdse) resultaten worden ingezet tijdens het Nederlands voorzitterschap van de EU in 2004. Het voorzitterschap zal benut worden om het Nederlands GSB onder de aandacht te brengen en te versterken.Ten tijde van het Nederlands voorzitterschap wordt een informele ministersconferentie georganiseerd over de toekomst van stedelijk beleid in Europa. Het Nederlands voorzitterschap is een goede kans om stedelijk beleid te agenderen en te positioneren.

Wat mag het kosten?

Voor de uitvoering van het GSB door de Minister voor BVK is in 2004 € 3,715 mln beschikbaar.

In onderstaande tabel staan de operationele doelstellingen en prestatie-indicatoren van de Minister voor BVK met betrekking tot de algemene doelstelling van het GSB zoals geformuleerd in paragraaf 1.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
9.2: Het ontwikkelen van een samenhangend gecoördineerd en ontkokerd beleid.1. Monitoring en onderzoek GSB.1. GSB-monitor 2002 (Jaarboek GSB).1a. Jaarlijks uitbrengen en verbeteren van jaarboek GSB.
    
 2. Financiële verantwoordingen GSB en verantwoording over resultaten MOP's GSB II. 2a. In 2001 is er geen sprake van geharmoniseerde verantwoordingen over regelingen in het GSB. 2a. In 2004 leveren de pijler-coördinatoren tijdig geharmoniseerde verant-woordingsdocumenten per pijler t.b.v. de verantwoording 2003.
  2b. In 2001 is er geen sprake van één (virtueel) loket voor beleidsinformatie en verantwoordingsinformatie. 2b. In 2004 kan bij de indie-ning van de financiële verantwoording over 2003 en van beleidsinformatie gebruik worden gemaakt van een (virtueel) loket.
  2c. In GSB I geen verantwoording door de steden over outcomeresultaten op programmaniveau.2c. Op basis van het Plan van aanpak Beleidsmatige verantwoording GSB II leveren de G30 15 juli 2005 beleidsinformatie in bij Rijk t.b.v. van de verantwoording over de MOP's.
    
 3. Invulling budgettaire medeverantwoordelijkheid Minister voor BVK.3. Werking en informatieve waarde van het ECO in 2002. 3. ECO als sturings- en informatieinstrument in 2004.
    
 4. Beleids- en bestedingsruimte steden. 4a. Grote verscheidenheid aan rijksvoorwaarden, beleidskaders en doelstellingen in 2003.4a. In 2004 één gezamenlijk geïntegreerd beleidskader t.b.v. GSB III.
  4b. (Vrijwel) niet gebundelde (veelal) op verschillende sturingsprincipes gestoelde specifieke uitkeringen in 2003. 4b. Ontschotting en bundeling van geldstromen door instellen van brede doeluitkeringen met ingang van 1-1-2005 in GSB III.
  4c. In 2003 is sprake van dubbele verantwoording door steden over GSB.4c. In GSB III geen dubbele verantwoordingsstructuur.
   4d. Afronden van het wet- en regelgevingstraject in 2004.
    
 5. Prestatieafspraken maken met de G30. 5. Convenanten GSB II5. Afsluiten convenanten GSB III tussen de G30 en het rijk in 2004. 
    
 6. Facilitering van kennisuitwisseling over grootstedelijke problematiek in en tussen de grote steden.6. Het Expertteam GSB is in 2003 van kracht.6. Versnelling uitvoering GSB II.
    
 7. Positionering GSB in Europees verband en coördinatie van Doelstelling 2 en Urban II. 7a. Sinds 1997 staat stedelijk beleid op de Europese agenda.7a. In 2004 Nederland voorzitter EU.
  7b. Uitvoeringsconvenanten voor D 2 en Urban II uit 2000 en 2001 met afspraken tussen Rijk en steden.7b. Verdere coördinatie in 2004 van de programma's voor D 2 en Urban II.
    
 8. Communicatie over GSB.8a. Tot en met 2003 is in GSB geen sprake van een gezamenlijke noemer voor het kabinet. 8a. Het GSB in 2004 positioneren als kabinetsbreed beleid door te communiceren onder een gezamenlijke noemer.
  8b. In de huidige convenanten is geen communicatieparagraaf opgenomen.8b. In de nieuwe convenanten wordt een communicatieparagraaf opgenomen.
Overzicht beleidsevaluatie
Prestatie-indicatorenPlanningOnderwerp
9.2 – 1Mei 2004Jaarboek 2003
9.2 – 22005Eindverantwoording GSB II
9.2 – 52007Mid term review GSB II
9.2 – 62004Evaluatie Expertteam
9.2 – 82005Pijlercoördinatie
n.v.t.Procesevaluatie Experiment Drechtsteden 

Operationele doelstelling 3: Het stimuleren van grote steden tot het realiseren van de GSB-doelstellingen

Wat willen we bereiken?

Operationele doelstelling 3 betreft het beleid waarmee BZK zelf vorm geeft aan haar systeemverantwoordelijkheid en de budgetttaire medeverantwoordelijkheid voor de algemene GSB-doelstelling Complete en vitale grote steden. Het doel van BZK is het stimuleren van de steden bij het behalen van resultaten op de 9 doelstellingen door het beschikbaar stellen van middelen. In het kader van de verlenging van GSB II heeft BZK de regeling Sociale Integratie en Veiligheid (SIV) G25 en Leefbaarheid Partiële steden met een jaar verlengd naar 2004. Voor beide regelingen is het grootste gedeelte van het budget doorgetrokken naar 20041. Hierover zijn aanvullende afspraken gemaakt passend bij de doelstellingen van de regelingen.

In 2004 is € 10 mln vrijgemaakt voor de G30 voor het regulier maken van ID-banen of voor doorstroming naar reguliere arbeidsplaatsen. Bij de behandeling van de begroting 2003 van BZK is het amendement Rietkerk aangenomen voor de opvang van overlastgevende dak- en thuislozen. Deze middelen zijn toegevoegd aan de bijdrageregeling SIV G25 en de regeling Leefbaarheid partiële steden. Vooruitlopend op de systematiek in GSB III zijn outputdoelstellingen op het gebied van veiligheid en inburgering toegevoegd aan de regelingen, waarover extra afspraken gemaakt zijn:

– realisatie van een verbeterde nazorg van stelselmatige daders;

– realisatie van een sluitende aanpak van sociale opvang en hulpverlening gericht op overlastgevende personen (waaronder dak- en thuislozen) met gecompliceerde, meervoudige problemen;

– realisatie van toezicht op locaties met een verhoogd risico;

– aantal succesvol afgeronde inburgeringstrajecten.

Wat gaan we daarvoor doen?

Vanuit BZK worden budgetten beschikbaar gesteld aan de steden om hun MOP's tot uitvoering te brengen.

Wat mag het kosten?

Voor de uitvoering van de doelstelling van dit artikelonderdeel is in totaal € 128,035 mln beschikbaar.

In onderstaande tabel staat de operationele doelstelling en prestatie-indicator van de Minister voor BVK met betrekking tot de algemene doelstelling van het GSB zoals geformuleerd in paragraaf 1.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingenPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
9.3: Het stimuleren van grote steden tot het realiseren van de GSB-doelstellingen.Bijdrageregeling SIV G25 en de regeling Leefbaarheid partiële steden.De situatie met betrekking tot sociale integratie en veiligheid respectievelijk leefbaarheid in 1998/1999 bij aanvang van de huidige convenantsperiode in de grote steden.Verbetering van de situatie in 2004 aan het einde van de huidige convenantsperiode in de grote steden met betrekking tot sociale integratie en veiligheid.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
9: Grotestedenbeleid2002200320042005200620072008
Verplichtingen433 34933 841101 98773 16473 30373 27273 372
1. apparaat4 2304 0993 6003 5293 4933 4933 493
2. faciliteren grotestedenbeleid7 4538 2903 1812 6222 9402 9113 011
3. stimuleren grotestedenbeleid421 66621 45295 20667 01366 87066 86866 868
        
Uitgaven141 987167 043135 350106 858106 232106 201106 201
1. apparaat4 2244 0993 6003 5293 4933 4933 493
2. faciliteren grotestedenbeleid4 4449 8343 7153 4873 0403 0113 011
3. stimuleren grotestedenbeleid133 319153 110128 03599 84299 69999 69799 697
        
Ontvangsten323000000

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
9: Grotestedenbeleid 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 135 350 106 858 106 232 106 201 106 201
2. Waarvan apparaatuitgaven 3 600 3 529 3 493 3 493 3 493
3. Dus programma-uitgaven 131 750 103 329 102 739 102 708 102 708
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht97%127 79811%11 36611%11 30111%11 29811%11 298
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)  86%88 51286%88 43286%88 43386%88 433
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)3%3 9533%3 451      
8. beleidsmatig nog niet ingevuld    3%3 0063%2 9773%2 977
9. Totaal (=3)100%131 751100%103 329100%102 739100%102 708100%102 708

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Binnen het GSB wordt uitgegaan van een meerjarige, programmafilosofie wat betekent dat de steden in hun meerjarige ontwikkelingsprogramma's op basis van de 9 doelstellingen meerjarige resultaatafspraken opnemen. De uitvoering van deze resultaatafspraken is de verantwoordelijkheid van de stad. Op stedelijk niveau is daarom op gedetailleerder niveau zichtbaar wat de problemen zijn en hoe deze het beste opgelost kunnen worden.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

In 2003 worden de outputindicatoren ontwikkeld die horen bij het geïntegreerde beleidskader GSB III. Deze vormen de basis voor de meerjarige afspraken met de steden voor de periode 2005–2009. Deze nieuwe doelstellingen en outputindicatoren zullen naar verwachting in de begroting voor 2005 verwerkt worden. Verder wil BZK het horizontale karakter van dit artikel versterken. Zoals hiervoor aangegeven wordt het ECO verbeterd. Het zal in 2004 meer rijksbrede beleidsmatige informatie bevatten. Het lijkt daarom logisch dat het ECO dan niet alleen in een bijlage wordt opgenomen. Bezien wordt of het ECO integraal onderdeel uit kan maken van het begrotingsartikel van GSB. Het ECO krijgt dan een beleidsmatig karakter dat past bij de budgettaire medeverantwoordelijkheid van de Minister voor BVK. In dat kader wordt tevens bezien of het Overzicht Specifieke Uitkeringen (OSU) en het ECO elkaar kunnen versterken. Het OSU wordt jaarlijks door BZK uitgebracht. In 2003 is veel aandacht besteed aan de verbetering van de beleidsmatige informatie in het OSU.

BELEIDSARTIKEL 10: ARBEIDSZAKEN OVERHEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het verbeteren van de kwaliteit van de collectieve sector door er voor te zorgen dat er enerzijds binnen een goed functionerende arbeidsorganisatie, tegen zo beperkt mogelijke kosten, voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is en anderzijds het vermogen om te moderniseren/verbeteren toeneemt.

Een goede bedrijfsvoering is binnen de collectieve sector een noodzakelijke voorwaarde voor het leveren van goede beleidsprestaties. Samen met diverse andere instellingen creëert BZK voorwaarden (kaderstelling, stimuleren en faciliteren) voor die goede bedrijfsvoering. Daarbij spitsen de werkzaamheden zich toe op het aspect arbeid/HRM. Naast de coördinerende rol op het terrein van arbeidszaken (arbeidsvoorwaardenvorming, arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen) wordt bovendien energie gestopt in het stimuleren en faciliteren van processen die binnen de collectieve sector moeten leiden tot modernisering/verbetering. De komende jaren zal binnen deze context vooral aandacht en energie worden gestopt in het realiseren van een verantwoorde loonontwikkeling binnen de collectieve sector, het vormgeven van een eigentijds werkgeverschap, het dossier topinkomens, het dossier integriteit en het Programma Modernisering Overheid.

In dit onderhavige artikel is een stevige sanering doorgevoerd. Daarbij is een flink aantal lopende activiteiten en daarmee samenhangende uitgaven komen te vervallen. Hiermee is niet alleen invulling gegeven aan de bij het hoofdlijnenakkoord opgelegde taakstelling arbeidsmarktcommunicatie en informatiebeleid, er is tevens geld en menskracht vrijgespeeld om een bijdrage te kunnen leveren aan het Programma Modernisering Overheid. In het Programma Modernisering Overheid wordt bezien in hoeverre activiteiten ter stimulering van innovatie die eerder binnen BZK werden uitgevoerd, kunnen worden voortgezet. Een samenhangende visie en aanpak van de Minister van BVK zal separaat worden aangeboden.

De collectieve sector, waar de activiteiten zich op richten, heeft een totale loonsom van circa € 70,1 mld. Deze loonsom is terug te vinden op diverse begrotingen. De verdeling is in de onderstaande tabel weergegeven:

SectorVolume werkzame personen (ultimo 2001) in fte'sGrondslag loonsom 2003 (in € 1 mld)
Rijk111 3465,6
Onderwijs totaal315 58716,4
waaronder Hoger Beroepsonderwijs22 498 
waaronder Universiteiten42 211 
en Onderzoeksinstellingen2 959 
Defensie72 1563,9
Politie54 9543
Rechterlijke Macht2 5860,3
Gemeenten, inclusief Gemeenschappelijke regelingen179 0097,5
Provincies12 1830,6
Waterschappen8 6990,4
Totaal overheidssectoren756 61137,7
G&G-regulier160 5266,1
w.o. welzijn75 857 
zorg premie540 70026,3
(waaronder de Academische Ziekenhuizen)40 881 
Totaal collectieve sector1 574 57570,1

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstellingen 2, 3 en 4: Met ingang van de ontwerp-begroting 2004 zijn deze operationele doelstellingen samengevoegd in de nieuwe operationele doelstelling 6 (zie ook B.5.3. Was/wordt-tabel).

Operationele doelstelling 5: Niet aan doelen toe te rekenen uitgaven

Van oudsher ligt de verantwoordelijkheid voor de pensioenen voor de Nederlandse ambtenaren uit de overzeese gebiedsdelen en hun nagelaten betrekkingen bij BZK. Deze verantwoordelijkheid omvat het onderhoud en beheer van de regelingen en het adequaat uitbetalen van de uitkeringen. Het uitkeren van de pensioenen zelf is door BZK uitbesteed aan een hiertoe opgerichte stichting.

Wat willen we bereiken?

– Het onderhouden en beheren van de betreffende regelingen.

– Het op een juiste wijze toepassen van de betreffende regelingen.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Signaleren van relevante ontwikkelingen.

– Inhoudelijke en beleidsmatige ondersteuning van de instanties waaraan het uitvoerende werk is besteed en het beschikbaar stellen van voldoende middelen om de uitkeringen te kunnen doen.

Wat mag het kosten?

Rechtspositie postactieven (voormalig) overzeese gebiedsdelen50 085
Wet Rietkerk-uitkering2 261
Uitvoering APPA-regelingen4 995
Wachtgelden en uitkeringen172
Totaal57 513

Operationele doelstelling 6: Het scheppen van randvoorwaarden (te weten kaderstellen, stimuleren en faciliteren) richting sectoren/overheidsinstellingen bij het realiseren van de doelstellingen 1 t/m 4 zoals hieronder verwoord

Wat willen we bereiken?

1. Voldoende gekwalificeerd personeel. Ten eerste dient geborgd te worden dat er te allen tijde voldoende gekwalificeerd personeel aanwezig is binnen de collectieve sector (dit omvat overigens ook de vertegenwoordiging van Nederlanders in Europese vertegenwoordigende lichamen). Om dit te borgen zal beleid moeten worden ontwikkeld dat leidt tot het:

a. vergroten van de aantrekkelijkheid van de werkgever, zodat het arbeidsaanbod toeneemt,

b. vergroten van de arbeidsparticipatie, ofwel het voorkomen van uitval/reïntegreren zodat de arbeidsvraag afneemt,

c. verhogen van de arbeidsproductiviteit, zodat eveneens de arbeidsvraag afneemt.

2. Een goed functionerende arbeidsorganisatie. Naast deze meer beleidsinhoudelijke doelstelling is er ook de kwaliteit van het opereren van de arbeidsorganisatie van belang. Deze tweede doelstelling omvat onderwerpen als:

a. verbeteren van het arbeidsvoorwaardenvormingsproces collectieve sector,

b. verbeteren van de arbeidsverhoudingen/relaties (waaronder integriteit).

3. Tegen zo beperkt mogelijke kosten. Het spreekt voor zich dat ieder streven vergezeld gaat van een financiële beperking. Dit vertaalt zich niet alleen in transparantie betreffende de kosten die door BZK worden gemaakt om haar rol te vervullen maar ook in de totale kosten die aan de factor arbeid zijn te relateren binnen de collectieve sector. Om het streven naar beheersing van dit laatste aspect meer zichtbaar te maken is een aparte subdoelstelling geformuleerd. Deze subdoelstelling valt in feite in 4 onderdelen uiteen, te weten:

a. beperken/beheersen van de totale loonkosten,

b. beperken/beheersen van de kosten van sociale regelingen incl. bovenwettelijke uitkeringen,

c. beperken/beheersen van de kosten voor pensioenvoorziening,

d. beperken/beheersen van de transactiekosten van de arbeidsvoorwaardenvorming en HRM-kolom.

4. Het vermogen om te moderniseren/verbeteren neemt toe. Een van de meest belangrijke doelen van dit kabinet is het creëren van een gemoderniseerde overheid. Burgergericht, daadkrachtig en betrouwbaar zijn hierbij de trefwoorden.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Kaderstellende activiteiten richting de sectoren in de vorm van het vaststellen van de beschikbare budgettaire ruimte voor sectorale CAO's, alsmede het monitoren van de processen en uitkomsten van CAO-onderhandelingen. Daarnaast het aanpassen van de regelgeving m.b.t. het ambtenarenrecht, de Indische pensioenen en de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.

– Stimulerende activiteiten richting de overheidsinstellingen in de vorm van informatie- en kennisoverdracht. Dit zal worden ingevuld via zelfstandige onderzoeksrapportages en publicaties in tijdschriften. Daarnaast zal via conferenties, campagnes, speeches, presentaties en diverse internetfaciliteiten informatie worden uitgewisseld. Hiervoor worden ook de reguliere intersectorale overleggen gebruikt. Tevens dragen het verzamelen en verspreiden van goede praktijkvoorbeelden en het vergroten van de mogelijkheden tot bedrijfsvergelijking bij aan de informatie en kennisoverdracht.

– Faciliterende activiteiten richting de overheidsinstellingen via subsidie- en bijdrageverstrekking aan instellingen en het voeren van ondersteunende secretariaatstaken.

– Beleidsvorming via advisering bij beleidsbrieven en het opstellen van de jaarlijkse Trendnota Arbeidszaken Overheid en participatie in diverse overleggen. Tevens zal via het onderhouden en het ontwikkelen van een kennisinfrastructuur inhoud worden gegeven aan de beleidsvorming.

Wat mag het kosten?

Subdoelstelling:Belangrijkste activiteitenKosten
1. Het scheppen van randvoorwaarden voor sectoren/overheidsinstellingen bij het realiseren van de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel.DG-conferentie, onderzoek, subsidie en bijdrage verstrtekking, Arbeidsmarktmodel inclusief kenniscentrum.2 025
2. Het scheppen van randvoorwaarden voor sectoren/overheidsinstellingen bij het realiseren van een goed functionerende arbeidsorganisatie. Subsidie en bijdrage verstrtekking, onderzoek, congres Integriteit.6 940
3. Het scheppen van randvoorwaarden voor sectoren/overheidsinstellingen bij het beperken van de kosten.Onderzoek.333
4. Het scheppen van randvoorwaarden voor sectoren/overheidsinstellingen bij het realiseren van een toename van het vermogen om te moderniseren.3e internationale kwaliteitsconferentie, Bijdrage aan programma modernisering, Lopende verplichting Inaxis/IKP9 380
– Nog niet verwerkte subsidietaakstelling – 543
TOTAAL 18 135

Ontvangsten

Het betreft met name de ontvangsten met betrekking tot de Garantiewet Surinaamse pensioenen. Dit betreft het jaarlijkse aandeel van Buitenlandse Zaken in de betalingen op grond van deze wet ter grootte van € 590 000.

Prestatiegegevens

De effectmeting komt tot stand door waarden toe te kennen aan indicatoren die rechtstreeks samenhangen met de operationele doelstelling. Is er sprake van voldoende gekwalificeerd personeel? Functioneert de arbeidsorganisatie naar behoren? Is er sprake van kostenbeheersing? Is het vermogen om te verbeteren/moderniseren daadwerkelijk toegenomen? Antwoord op de bovengenoemde vragen levert overigens nog onvoldoende informatie op om het beleid op een verantwoorde wijze aan te passen/bij te sturen. Hiervoor is er per subdoelstelling een verdiepingsslag nodig, waarbij de, voor de betreffende subdoelstelling, kritische factoren worden benoemd. Zo zal in het geval van de operationele doelstelling voldoende gekwalificeerd personeel nader worden bezien hoe de arbeidsproductiviteit, de arbeidsparticipatie en de waardering voor de overheid als aantrekkelijke werkgever zich ontwikkelen.

Daarnaast dient men zich er rekenschap van te geven dat goede scores op de operationele doelstelling geenszins hoeven te betekenen dat BZK haar voorwaardenscheppende rol goed vervult. Om meer zicht te krijgen op de prestatie van BZK is bij het onderdeel beleidsevaluatie onderzoek opgenomen dat periodiek zal worden uitgevoerd waarbij wordt gefocust op die rol.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
10.6:Het scheppen van randvoorwaarden voor sectoren/overheidsinstellingen bij het realiseren van:   
 1. Voldoende gekwalificeerd personeel;Percentage openstaande vacatures per sector nu en op termijn.1.6% (gemiddeld over de sectoren).Maximaal 1.5% per sector.
     
 2. Een goed functionerende arbeidsorganisatie;Expertoordeel.Kwalificatie goed bij de meest recente evaluatie (2001).Behoud van dat niveau bij nieuwe evaluatie (2006).
     
 3. Tegen zo beperkt mogelijke kosten;– Totale loonsom coll.sector;70.1 mld 
  – Kosten sociale regelingen;  
  – Huidige en toekomstige pensioenaanspraken;  
  – Transactiekosten arbeid (kosten HRM-organisaties).  
     
 4. Het vermogen om te verbeteren toeneemt. Mate waarin sectoren niet alleen kennis hebben genomen van goede ontwikkelingen in andere sectoren en er ook wat mee doen (gericht evaluatie-onderzoek mede op onderstaande aspecten). Toename van het aantal publieke instellingen dat goede praktijkvoorbeelden heeft overgenomen en toegepast.

Voor een nadere toelichting bij de te ontwikkelen basis- en streefwaarden zie de groeiparagraaf.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
Het scheppen van randvoorwaardenJan. 2004Dec. 2004Ontwikkeling en eerste uitvoering van tevredenheids-onderzoek/effectmeting bij o.a. sectoren en experts naar de prestatie van BZK.
a) hebben van voldoende gekwalificeerd personeelDec. 2003April 2004Trendnota Arbeidszaken Overheid.
b) creeren van een goed functionerende arbeidsorganisatieJan. 2004Dec. 2004Functioneren CAOP.
c) beperken/beheersen loonkostenJan. 2004Dec. 2004Follow up-Beloningsonderzoek 2003. Volume ontwikkeling in de sector Rijk (1976–2002).
d) laten toenemen van het vermogen te verbeteren/moderniseren  Aanpak en doorlooptijd van het onderzoek zal nader worden bezien.

Eén van de evaluatieonderzoeken is gericht op het ontwikkelen van een opzet voor een periodiek terugkerend tevredenheidonderzoek dat na uitvoering zicht geeft op de prestaties die BZK levert als (rand)voorwaardenscheppende instantie. Meer concreet zou dit tevredenheidonderzoek antwoord moeten geven op de vragen of:

a. met enige zekerheid is vast te stellen dat de sectoren door onze stimulerende en faciliterende activiteiten ook daadwerkelijk zijn gestimuleerd/gefaciliteerd en zijn de hiermee gemoeide kosten in proportie;

b. experts/sectoren tevreden zijn over onze kaderstellende activiteiten.

Wanneer de opzet is goedgekeurd zal het onderzoek in de tweede helft van 2004 ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Daarmee vindt in feite een nulmeting plaats. Het streven is deze uitkomsten zoveel mogelijk mee te nemen in de begrotingsvoorbereiding 2005.

Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de kosten van de collectieve sector mogelijk in de vorm van een beloningsonderzoek. Bovendien zal onderzoek worden gedaan naar de ontwikkeling van de omvang van het rijk in de periode 1976–2002 en ontwikkelscenario's voor de middellange termijn. Het functioneren van het CAOP en het sectorenmodel zijn eveneens onderwerp van evaluatie. De vraag of er arbeidsmarktknelpunten zijn wordt jaarlijks in het reguliere onderzoeksprogramma meegenomen.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
10: Arbeidszaken overheid2002200320042005200620072008
Verplichtingen34 68532 44988 30884 87285 02484 27584 175
1. apparaat23 62213 20912 66012 34611 79711 68811 688
2. arbeidsmarktpositie collectieve sector3 35811 249     
3. ambtelijk overlegstelsel en integriteitsvraagstukken6 7466 752     
4. Nederlandse Presentie in organen van de EU9591 239     
5. uitkeringsregelingen  57 51357 22257 12357 13657 036
6. randvoorwaarden sectoren/overheid  18 13515 30416 10415 45115 451
        
Uitgaven34 09032 44988 30884 87285 02484 27584 175
1. apparaat23 57713 20912 66012 34611 79711 68811 688
2. arbeidsmarktpositie collectieve sector2 88111 249     
3. ambtelijk overlegstelsel en integriteitsvraagstukken6 7466 752     
4. Nederlandse Presentie in organen van de EU8861 239     
5. uitkeringsregelingen  57 51357 22257 12357 13657 036
6. randvoorwaarden sectoren/overheid  18 13515 30416 10415 45115 451
        
Ontvangsten8 07429619619619619619

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
10: Arbeidszaken overheid 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 88 308 84 872 85 024 84 275 84 175
2. Waarvan apparaatuitgaven 12 660 12 346 11 797 11 688 1 688
3. Dus programma-uitgaven 75 648 72 526 73 227 72 587 72 487
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht86%64 67387%62 95777%56 15177%55 96177%55 861
5. complementair noodzakelijk4%3 3852%1 5692%1 6192%1 6112%1 759
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)10%7 50011%8 00021%15 45721%15 01521%14 867
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)          
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%75 558100%72 526100%73 227100%72 587100%72 487

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

1. Bij de effectbereiking (zie ook prestatiegegevens) dient men zich te realiseren dat de rol van BZK zoals gesteld in hoge mate een voorwaardenscheppende is. Mede daarom wordt in het evaluatieonderzoek apart ingezoomd op de meer directe prestaties van BZK ter zake.

2. Bij het ramen van de budgetten is van de volgende veronderstellingen uitgegaan:

– het voor onderzoek geraamde bedrag is gebaseerd op de ervaringscijfers van de afgelopen jaren;

– het opgenomen bedrag voor de APPA-regelingen is geraamd op basis van ervaringscijfers. Of en in hoeverre de uitgaven voor de APPA-uitkeringen zullen stijgen is afhankelijk van eventuele wisselingen in het kabinet.

– bij de raming voor de APPA pensioenwaarde-overdracht en waarde-overname is aangenomen en dat er sprake is van inverdieneffecten. De overdrachtssommen van een waarde-overdracht en een waarde-overname zijn echter onvoorspelbaar, omdat zij het gevolg zijn van niet te plannen oorzaken zoals de wisseling van een kabinet, de persoonlijke pensioensituatie en persoonlijke voorkeur van een Appa-gerechtigde. Dat maakt een 100% dekkingsgraad van de raming onzeker;

– de bedragen die gemoeid zijn met de regelingen met betrekking tot de rechtspositie postactieven (voormalig) overzeese gebiedsdelen vertonen al enige jaren een dalende tendens. Die tendens zal zich doorzetten, nu, gelet op de leeftijdsopbouw van het bestand, het aantal uitkeringsgerechtigden in de komende jaren zal blijven afnemen. Er zal nauwelijks sprake zijn van enige instroom.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

Bij de opstelling van de begroting 2004 is veel werk verzet om begrotingsartikel 10 meer VBTB-proof te maken. Hiermee is een forse verbeterslag gerealiseerd, maar het beeld is nog niet helemaal compleet. Via het opzetten van een programma van beleidsevaluaties zullen gegevens worden verzameld die de effectiviteit van het beleid zullen moeten onderbouwen.

Bij de doelstellingen en prestatie-indicatoren dient men zich te realiseren dat BZK in hoge mate slechts in voorwaardenscheppende zin kan bijdragen. De nog te ontwerpen evaluatieonderzoeken moeten de komende periode helderheid verschaffen ten aanzien van de vraag of en in hoeverre de activiteiten van BZK ook effectief zijn. Het streven is de uitkomsten hiervan zoveel mogelijk mee te nemen in de begrotingsvoorbereiding 2005. Omdat alle prestatie-indicatoren zijn herzien en een zogenaamde nulmeting nog niet heeft plaatsgevonden, zijn nog niet alle indicatoren van waarden voorzien. Ook hiervan is het streven dat voor de begroting 2005 deze waarden zo veel mogelijk bekend zijn.

Uiteindelijk doel is om de oordelen terug te brengen tot een (samengesteld) rapportcijfer over de effecten van beleid in algemene zin en het functioneren van BZK op het betreffende terrein in specifieke zin.

Er wordt een begin gemaakt met het inventariseren van maatregelen die door overheden en overheidsinstellingen zijn getroffen op het terrein van integriteit. Op basis daarvan zal voor de prestatie-indicator op dit beleidsterrein voor de begroting 2005 zowel een basiswaarde als een streefwaarde worden bepaald.

BELEIDSARTIKEL 11: KWALITEIT RIJKSDIENST

1. Algemene beleidsdoelstelling

De zorg voor een goede personele en organisatorische kwaliteit van het Rijk. De prestaties van het Rijk staan of vallen met de gemotiveerde inzet van mensen: de ambtenaren in dienst van het Rijk.

Het Hoofdlijnenakkoord heeft de nieuwe agenda gezet voor het beleid gericht op de kwaliteit van het Rijk. De komende jaren zal het zich concentreren op twee hoofdprioriteiten: het programma modernisering overheid en de arbeidsvoorwaardenproblematiek.

Het kwaliteitsbeleid zet in op prestatieverhoging en verbetering en minder bureaucratie en regels. Voor het verhogen van de slagvaardigheid van de overheid voorziet het Hoofdlijnenakkoord in een takenoperatie waarin regelgeving, staand beleid en organisatie van de rijksdienst ter hand wordt genomen. Daarbij zullen ook de taken, werkwijze en omvang van de zelfstandige bestuursorganen, gedeconcentreerde rijksdiensten en adviesraden tegen het licht worden gehouden. Bij de uitvoering van taken zal intensiever en efficiënter gebruik worden gemaakt van ICT. Deze operatie stelt mede daardoor ook zwaardere eisen aan de kwaliteit van het management in het Rijk. Beoogd wordt de effectiviteit, slagkracht en luisterend vermogen van de overheid te vergroten.

Het arbeidsvoorwaardenbeleid staat in het teken van het bijdragen aan het herstel van de economische groei en de werkgelegenheid. De overheid geeft hierbij zelf het voorbeeld, want de arbeidsvoorwaardenruimte in de publieke sectoren is begrensd met 1%-punt per jaar ten opzichte van de huidige middellange termijn prognose. Daar bovenop wordt de arbeidsvoorwaardenruimte voor de ambtenaren belast door stijging van de werkgeverspremies voor de pensioenen.

Het programmabudget binnen artikel 11 is met ruim 60% gereduceerd als gevolg van de taakstelling ter grootte van structureel € 45 mln op het arbeidsmarkt- en informatiebeleid van het Rijk. Gestopt worden de programma's Waarderen en Belonen, Investeren in Leren en startfinancieringen ten behoeve van expertprogramma's. Hierop vooruitlopend wordt in overleg en in samenwerking met de ministeries ernaar gestreefd om activiteiten, gericht op de positionering van het Rijk als arbeidsorganisatie in 2004 versneld kostendekkend te krijgen op basis van financiering door de gebruikers. Daarmee wordt binnen het resterende budget maximale ruimte gecreëerd voor het programma Modernisering Overheid en de inzet voor de nieuwe CAO.

Het programma modernisering overheid kent voor de HRM-kolom in het Rijk de ambitieuze vertaling in de oprichting van een shared servicecenter HRM Rijk. Voor de periode tot 2006 betreft het opdrachtgeverschap aan de ontwikkeling van de shared service HRM op het terrein van de personeelsregistratie en salarisadministratie enerzijds en het met de ministeries gezamenlijk oppakken van het delen van instrumentontwikkeling en expertises. Deze ontwikkeling past in het al eerder ingezette beleid richting één concern Rijk en leidt tot doelmatigheidswinst. Na de oprichtingsfase gaat het om het invullen van het opdrachtgeverschap op een wijze die maakt dat de shared service HRM met z'n tijd meegaat en vanuit de klant georiënteerd zorgt voor een hoogwaardige kwalitatieve dienstverlening. De shared service HRM draait dan kostendekkend en biedt het Rijk een behoorlijk inverdieneffect.

Het is de komende jaren een belangrijke opgave om personele mobiliteit en capaciteitsreductie zodanig te combineren, dat een minimale gedwongen uitstroom wordt gerealiseerd, terwijl er ruimte blijft voor de instroom van vers bloed en de doorstroom van jong (management-)talent. De instroom van vers bloed en de doorstroom van (management-) talent is niet alleen belangrijk voor de interne kwaliteit van het Rijk maar ook voor het imago van het Rijk op de arbeidsmarkt. Dit imago dient te worden gehandhaafd en zo mogelijk te worden versterkt.

Door de bezuinigingen dient de interne capaciteit optimaal te worden benut en zal een verantwoorde uitstroom worden bevorderd. Het flankerend sociaal beleid is erop gericht om medewerkers van werk naar werk te geleiden, zowel in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid als bij het vervallen van arbeidsplaatsen.

Ter bevordering van deze in-, door- en uitstroom zal de transparantie van de in- en externe arbeidsmarkt van het Rijk verhoogd dienen te worden. De benodigde infrastructuur zal in samenwerking met diverse partners op alle niveaus versterkt worden. Hiertoe worden plaatsen van vraag en aanbod in kaart gebracht en wordt het werving- en selectieproces actief en interdepartementaal gefaciliteerd. Bij de bevordering van de transparantie van de arbeidsmarkt voor (top-)managers zal het managementpotentieel Rijksbreed in beeld gebracht worden.

Bij alle maatregelen staat het management in het Rijk voor de afweging om ieder voor zich de problemen aan te pakken of meer rijksbreed op te trekken. Maatgevend in deze afweging zou moeten zijn of een zoveel mogelijk rijksbrede aanpak uiteindelijk goedkoper is en een kwalitatief beter georganiseerde rijksdienst oplevert dan individuele maatregelen. Een incentive daarbij is om inverdieneffecten te realiseren die uit een efficiëntere organisatie en werkwijze van de rijksdienst voortvloeien.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 2: Het Rijk beschikt nu en in de toekomst over professionele, goed toegeruste topmanagers

Wat willen we bereiken?

Stelselmatig bevorderen en onderhouden van de kwaliteit van het management in de Algemene Bestuursdienst (ABD); daartoe voldoende talent in beeld hebben en ontwikkelen om te voldoen aan de opvolgingsvraag waarvoor het Rijk zich de komende jaren gesteld ziet en versterken van concern-management development binnen het Rijk.

Wat gaan we daarvoor doen?

Selectie. De advisering aan opdrachtgevers over de selectie van topmanagers is één van de hoofdtaken van Bureau ABD. De juiste persoon op de juiste tijd op de juiste plek: de perfecte match is het doel van alle selectieactiviteiten. Deze selectieactiviteiten bestaan uit searchactiviteiten, vacaturevervulling, werkzaamheden rond het werkgeverschap van de leden van de Top Management Groep, aandacht voor diversiteit en de coördinatie van EU topbenoemingen.

Ontwikkeling. Het aanbod van ontwikkelactiviteiten beoogt de vaardigheden van de ABD-leden te vergroten en draagt bij aan de uitbreiding van het concernbrede netwerk van overheidsmanagers. Loopbaanadvies, opleidingen, netwerkbijeenkomsten en coaching en intervisie door intercollegiale consultatie zijn voorbeelden van ontwikkelactiviteiten. Naast dit aanbod is het kandidatenprogramma ontwikkeld. Dit is een ontwikkelingstraject voor managers in schaal 14 en schaal 15 dat uitzicht biedt op ABD functies. Er is permanent aandacht voor diversiteit bij al deze activiteiten. Ze dragen alle bij aan de beschikbaarheid van goed toegeruste en professionele managers. In 2002 is besloten tot de opzet van de ABD-interim, een pool ten behoeve van de flexibele inzet van topmanagers op interimopdrachten bij het Rijk. Gezien de beoogde terugdringing van de inhuur van externe interimmanagers en adviseurs wordt de verdere ontwikkeling van de ABD-interim ter hand genomen. Bureau ABD biedt ontwikkelactiviteiten aan en matcht de vraag aan genoemd aanbod. In 2004 worden de ontwikkelactiviteiten sterker gerelateerd aan de concernstrategie op HRM-gebied. Op basis van de kwaliteitsmonitor die medio 2003 start zal het ontwikkelaanbod bovendien vraaggerichter worden gemaakt.

Concern MD. Op het terrein van HRM maakt het Rijk de afgelopen jaren een sterke ontwikkeling door naar een concernorganisatie. Daaruit is onder meer de behoefte ontstaan aan een structurele professionele advisering over managementontwikkeling vanuit een door het concern gedragen beleid: Concern MD. Speerpunt van de activiteiten van Bureau ABD op dit terrein is in 2004 de verdere professionalisering van het Talent Review Process (TRP). In het TRP worden de organisatiebehoeften van het ministerie en het concern in verband gebracht met de opvolgingsplanning. Ministeries brengen hun managementtalent in beeld, mede ten behoeve van het concern. Zo kan aan MD op concern niveau een strategische invulling worden gegeven (denk bijv. aan concernbrede opvolgingsscenario's). Het TRP leidt tot verdere interdepartementale afstemming en samenwerking op het gebied van MD.

Wat mag het kosten?

Search en selectie120
Ontwikkeling5 949
Concern MD140
Totaal6 209
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorenBasiswaarde (2002)Streefwaarde (2004)
11.2: Het Rijk beschikt nu en in de toekomst, over professionele, goed toegeruste topmanagers. Herkomst benoemingen: verhouding ABD/overig rijk/markt.6:3:16:3:1
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
11.2: Het houden van een kwaliteitsmonitor. mei 2003december 2003In 2003 houdt Bureau ABD een kwaliteitsmeting van zijn dienstverlening. E.e.a. moet uitmonden in een vorm van kwaliteitscontrole. De resultaten hiervan zullen leiden tot het inzicht dat op gebieden actie ondernomen moet worden.
    
Onderzoek In/door/uitstroom.juli 2003januari 2004In 2003 is een evaluatie gestart naar het kwantitatieve mobiliteitsbeleid (In/door/uitstroom) van het Bureau ter vervanging van voormalige prestatieindicatoren. De resultaten hiervan zullen leiden tot een nadere specificering en definiëring van het mobiliteitsbeleid voor de ABD en de mogelijke ontwikkeling van een prestatieindicator met een basiswaarde.
    
Vervolgonderzoek In/door/uitstroom.augustus 2004januari 2005In 2004 worden de resultaten van het onderzoek naar het kwantitatieve mobiliteitsbeleid getoetst aan de werkelijke realisatie. Het resultaat hiervan leidt tot de invoering van één of meer kwantitatieve mobiliteitsindicatoren of tot een kwantitatieve mobiliteitsmonitor.
    
Onderzoek kwalitatief mobiliteitsbeleid. juli 2003januari 2004In 2003 is gestart met een onderzoek naar kwalitatief mobiliteitsbeleid ter vervanging van voormalige prestatieindicatoren. De resultaten hiervan zullen leiden tot een nadere specificering en definiëring van het kwalitatief mobiliteitsbeleid in het kader van de ontwikkeling van ABD-leden en de vormgeving van een monitor naar kwalitatief mobiliteitsbeleid.
    
Vervolgonderzoek kwalitatief mobiliteitsbeleid. augustus 2004januari 2005In 2004 worden de resultaten van het onderzoek naar het kwantitatieve mobiliteitsbeleid getoetst aan de werkelijke realisatie. Het resultaat hiervan leidt tot de invoering van eenzee monitor naar kwalitatief mobiliteitsbeleid of tot één of meer indicatoren voor kwalitatief mobiliteitsbeleid.

Operationele doelstelling 3 en 4: Met ingang van de ontwerp-begroting 2004 zijn deze operationele doelstellingen samengevoegd in operationele doelstellingen 6, 7 en 8 deels inspelend op nieuwe activiteiten in het licht van het hoofdlijnenakkoord, deels vanwege een andere ordening van het artikel (zie ook B.5.3. Was/wordt-tabel).

Operationele doelstelling 5: Garantieregelingen

Wat willen we bereiken?

In 1974 is door de toenmalige minister van BiZa de mogelijkheid geschapen om een hypotheekgarantie te verlenen voor tijdige betaling van rente en aflossing op een hypothecaire geldlening, die in verband met de aankoop van een woning is afgesloten. Voor het burgerlijk rijkspersoneel is de hypotheekgarantie met ingang van 8 december 1990 ingetrokken, zodat deze regeling in principe geen kosten meer met zich meebrengt. Wel moet rekening worden gehouden met een risico van de reeds toegekende garanties.

Wat gaan we daarvoor doen?

Monitoren voortgang aflossingen hypotheek en beoordelen van het uitstaande risico op de verleende garanties.

Wat mag het kosten?

Aangenomen kan worden dat indien niet aan een aflossingverplichting kan worden voldaan, de opbrengst van gedwongen verkoop voldoende zal zijn om de resterende schuld te voldoen. Daarom wordt € 1,363 mln als theoretisch risico beschouwd per 1-1-2004.

Operationele doelstelling 6: Professionele en goed toegeruste medewerkers voor nu en in de toekomst

Instroom

Wat willen we bereiken?

Het verkrijgen van inzicht op het niveau van het Rijk in de plekken waar de komende jaren, vanwege een herschikking van taken en modernisering overheid, sprake zal zijn van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;

Het onderhouden van het imago van het Rijk op de arbeidsmarkt.

Wat gaan we daarvoor doen?

De infrastructuur voor een effectieve doorstroom van Rijksambtenaren zal in samenwerking met partners binnen en buiten de overheid versterkt worden. Hiertoe wordt een samenwerkingsverband van mobiliteitscentra in het leven geroepen.

Continuering van het traineeprogramma op basis van de vraag van en financiering door de deelnemende ministeries.

Continueren van een minimaal pakket aan arbeidsmarktcommunicatie-activiteiten. Tevens worden de ervaringen en de opgebouwde bekendheid van het Rijk dankzij de imagocampagne Werken bij het Rijk. Als je verder denkt gebruikt voor de rijksbrede ontwikkeling o.l.v. de Rijksvoorlichtingsdienst van een corporate identity van het Rijk. Dit tevens in aansluiting op het programma modernisering overheid.

De digitale arbeidsmarkt continueren en verdere acties ondernemen om via dit medium besparingen te realiseren op de wervings- en wachtgeldkosten van personeel.

Arbeidsvoorwaarden

Wat willen we bereiken?

Begrensde loonontwikkeling conform regeerakkoord. Vergroten van de efficiency bij de uitvoering van het arbeidsvoorwaardenbeleid.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het afsluiten van een CAO, conform de kaders die het Regeerakkoord geeft; de CAO zal de komende jaren door grote soberheid gekenmerkt worden.

Harmonisatie en vereenvoudiging van secundaire arbeidsvoorwaarden. Dit is van belang voor de reductie van de administratieve last van de secundaire arbeidsvoorwaarden en tevens vergemakkelijkt het de mobiliteit van ambtenaren. Het is een uitvoeringsvoorwaarde voor de Shared Service Center HRM.

Het implementeren van de maatregelen in de lopende CAO waaronder een eenvoudiger vervoersregeling en kinderopvangregeling.

Ontwikkelen

Wat willen we bereiken?

Interdepartementale doorstroom van personeel, waar nodig ondersteund door om- en bijscholing, verhogen.

Doelmatigheid en doelgerichtheid van de investeringen in opleiding en ontwikkeling van rijksambtenaren verhogen.

De bijdrage van medewerkers en managers aan het primaire proces optimaliseren door het faciliteren van beleidsinnovatie.

Vernieuwing in scholing en employability stimuleren via de inzet van het A+O fonds Rijk.

Wat gaan we daarvoor doen?

Organisatie van een loopbaandag, bedoeld om de transparantie van de interne arbeidsmarkt van het Rijk voor rijksambtenaren te verhogen en hen meer inzicht te bieden in de mogelijkheden tot om- en bijscholing.

Het uitbouwen van de mogelijkheden van het ontwikkelplein: dit is een intranet-site die inzicht geeft in het aanbod en kwaliteit van opleidingen.

Samenwerking faciliteren tussen diverse Rijksacademies en andere partners die zich bezig houden met beleidsinnovatie.

De inzet van het A+O fonds Rijk richten op innovatieve ontwikkelingen binnen het Rijk.

Sociaal Beleid

Wat willen we bereiken?

Via een effectief sociaal beleid de gewenste afslanking van het aantal ambtenaren te realiseren zodanig dat een kwalitatief hoogwaardig apparaat in stand blijft en waarmee het percentage allochtonen en andere voorkeursgroepen in de organisaties op gelijk niveau blijft; evenredige deelname van ouderen aan het arbeidsproces betekent voor het Rijk dat het aantal ouderen in dienst van het Rijk in de komende jaren zal afnemen.

Een op termijn betaalbare pensioenvoorziening te realiseren welke een acceptabel beslag op de arbeidsvoorwaardenruimte legt.

Verdere verlaging ziekteverzuim en WAO instroom.

Wat gaan we daarvoor doen?

Overeenstemming bereiken met de werknemersvertegenwoordigingen over een verantwoord sociaal statuut.

Het inrichten van een interdepartementale voorziening voor herplaatsing van medewerkers uit delen van het Rijk waar afslanking plaatsvindt. Zodanig dat optimaal gebruik gemaakt wordt van de binnen het Rijk aanwezige talenten. Hierbij wordt optimaal gebruik gemaakt van bestaande en nieuwe digitale kennisen informatiesystemen (zie instroom en ontwikkelen).

Overeenstemming bereiken met andere overheidssectoren, werknemersvertegenwoordigingen en ABP over een betaalbare pensioenvoorziening.

Evaluatie van het lopende Arbo-convenant en bezien of voortzetting van het convenant t.b.v. diensten of ministeries met een bovengemiddeld ziekteverzuim wenselijk is.

Wat mag het kosten?

Instroom7 686
Arbeidsvoorwaarden73 414
Ontwikkelen4 071
Sociaal beleid350
Totaal85 521
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorenBasiswaarde (2002)Streefwaarde (2004)
11.6: Het Rijk beschikt over professionele en goed toegeruste medewerkers voor nu en in de toekomst.– Diversiteit in het personeelsbestand percentage allochtonen (e.e.a afhankelijk van voortzetting registratieplicht in kader wet Samen);8%, stand 20029%
 – Gemiddelde leeftijd onder medewerkers bij het Rijk;41,8 jr42 jr
 – Ziekteverzuim;7%6,5%
 – WAO-instroom.1,01%1,01%
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
11.6: Het Rijk beschikt over professionele en goed toegeruste medewerkers voor nu en in de toekomst. Sep 2003Jun 2004Evaluatie convenant inzake aanpak werkdruk, ziekteverzuim en (re)integratie van langdurig zieke werknemers en arbeidsgehandicapten in de sector Rijk.

Operationele doelstelling 7: Een goed functionerende organisatie

Wat willen we bereiken?

Het herinrichten van de rijksdienst met het oog op betere dienstverlening aan burger, synergie (raakvlakken) en efficiëntie (kostenreductie).

Wat gaan we daarvoor doen?

Het in samenwerking met andere ministeries ontwikkelen van voorstellen voor de verbeterde dienstverlening, herinrichting en ontbureaucratisering van het Rijk. Zoals in de beleidsagenda is aangegeven, is er binnen het Programma Modernisering Overheid dat in het najaar 2003 aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd een specifiek deelprogramma gericht op de sector Rijk.

Het monitoren van het (personeels)volume van het Rijk en het gebruik van externen gedurende de komende kabinetsperiode.

Wat mag het kosten?

Voor de kosten wordt verwezen naar artikel 10, programma modernisering overheid.

Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorenBasiswaarde (2002)Streefwaarde (2004)
11.7: Een goed functionerende organisatie. – In overleg met Minister voor BVK zijn knelpunten benoemd die prioriteit hebben.01
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
11.7: Een goed functionerende organisatie. december 2003mei 2005Monitor Volumeontwikkeling Personeel Rijk.
 december 2003mei 2005Monitor inhuur externen Rijk.

Operationele doelstelling 8: Een goed functionerende (integrale) bedrijfsvoering, in het bijzonder een kwalitatief hoogwaardige en efficiënt ingerichte organisatie van de HRM-functie

HRM stelsel

Wat willen we bereiken?

Onder de titel Vernieuwing HRM-stelsel Rijk zal een samenhangend programma worden uitgevoerd met als algemeen doel het zodanig om te vormen en in te richten van het HRM-stelsel dat de kwaliteit van de HRM-functie bij de afzonderlijke ministeries en voor het Rijk als geheel wordt verhoogd. Daarmee worden de volgende vier beoogde effecten nagestreefd:

– het optimaliseren van de dienstverlening, gericht op de HRM-functie en het HR-instrumentarium in zijn algemeenheid en de HRM-professional in het bijzonder;

– het introduceren van een nieuw concept van zelfbediening: medewerkers, managers en HRM-professionals kunnen via digitale zelfbediening een aantal administratieve en registratieve werkzaamheden op een eenvoudige wijze geautomatiseerd zelf afhandelen;

– managers: balans tussen inhoud, mensen en organisatie: een versnelde versterking van de ontwikkeling van de managers waarin de focus wordt verbreed van de inhoud van (beleids-) inhoudelijke thema's naar meer aandacht voor medewerkers;

– het tot stand brengen van integrale managementinformatie. Het doel is deze informatie meer te stroomlijnen door het afspreken van eenduidige definities, standaardisatie en informatie-uitwisseling.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het faciliteren en volgen van de uitvoering van departementale plannen ter verhoging van de kwaliteit van de HRM functie. Centraal zal hierin staan de ontwikkeling van de HRM functie naar een strategische adviesfunctie en het ontwikkelen van resultaatgericht management.

Het inrichten van een Shared Service Centrum HRM. In dit centrum zullen en personeelsregistratie en salarisadministratie van alle ministeries gebundeld worden verzorgd. Op basis van een concept van zelfbediening van medewerkers, managers en HRM-professionals zullen kwaliteit en kosten in een aanmerkelijk betere verhouding komen.

De inzet van het instrument benchmarking voor personeelsmanagement, waarmee organisaties, in eerste instantie binnen de rijksoverheid, met elkaar vergeleken worden. Zo worden organisaties gestimuleerd te leren van elkaar door middel van best practices en tot beter functioneren.

Het stroomlijnen en verder ontwikkelen van informatievoorziening op hrm-gebied.

Algemeen

Dit betreft beleidsverantwoording door middel van up-date van databases/modellen en een sociaal jaarverslag, het onderhouden van het HRM netwerk van P&O directies (ICPR), Communicatie over HRM beleid via HRM magazine BinnenbeRijk.

Wat mag het kosten?

HRM stelsel16 880
Algemeen735
Totaal17 615
Overzicht prestatiegegevens
Operationele doelstellingPrestatie-indicatorenBasiswaarde (2002)Streefwaarde (2004)
11.8: Een goed functionerende (integrale) bedrijfsvoering in het bijzonder een kwalitatief hoogwaardige enefficiënt ingerichte organisatie van de HRM functie.– Eind 2005 is een oplos- sing beschikbaar voor personeelsadministratie en salarisverwerking;01
 – De Pilot benchmarken is uitgevoerd;01
 – Percentage medewerkers dat aangeeft per jaar tenminste 1 formeel gesprek te hebben gehad over functio- neren/ontwikkeling/resultaten, gekoppeld aan beloningsafspraken77%88%
 – Percentage concrete resultaatafspraken, direct afgeleid uit directiejaarplannen (volgens de VBTB-systematiek57%68%
Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
11.8: Een goed functionerende (integrale) bedrijfsvoering, in het bijzonder een kwalitatief hoogwaardige en efficiënt ingerichte organisatie van de HRM-functie. Okt 2003Mrt 2004Monitor op voortgang programma Vernieuwing HRM-stelsel Rijk.
 Okt 2003Mrt 2004Beloningsmonitor: stand van zaken van praktijk rond waarderen en belonen, enquete onder leidinggevenden en medewerkers.
 20032004Via Benchmarking:Tevredenheid onder medewerkers meten over hun werk, management, loopbaanperpectief (er wordt een instrument aangeboden dat de manager eens in de 1 jaar kan inzetten, dus eind 2004 is de nulmeting rond).
 20032004Tevredenheid onder managers meten over de geboden ondersteuning van personeelsinstrumenten en personeelsadvies.
 20032004Tevredenheid onder directies P&O meten over de ondersteuning vanuit het concernniveau bij het verrichten van hun werk.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
11: Kwaliteit Rijksdienst2002200320042005200620072008
Verplichtingen76 729138 926119 420111 338112 779107 890101 890
1. apparaat9 88111 39310 0759 5569 4598 6318 631
2. topmanagers rijksdienst1 1844 0286 2096 7816 7806 7816 781
3. concurrerende arbeidsvoorwaarden sector rijk41 25760 646     
4. samenstelling en effectieve organisatie van de rijkssector24 40762 859     
5. garantieregelingen  00000
6. professionele en goede medewerkers  85 52177 43677 00578 94378 943
7. functionerende organisatie  00000
8. functionerende bedrijfsvoering  17 61517 56519 53513 5357 535
(garantieverplichtingen*)  (1 363)(1 250)(1 138)(1 032)(926)
        
Uitgaven71 175138 926119 420111 338112 779107 890101 890
1. apparaat9 66011 39310 0759 5569 4598 6318 631
2. topmanagers rijksdienst1 1164 0286 2096 7816 7806 7816 781
3. concurrerende arbeidsvoorwaarden sector rijk34 85460 646     
4. samenstelling en effectieve organisatie van de rijkssector25 54562 859     
5. garantieregelingen  00000
6. professionele en goede medewerkers  85 52177 43677 00578 94378 943
7. functionerende organisatie  00000
8. functionerende bedrijfsvoering  17 61517 56519 53513 5357 535
        
Ontvangsten1 59580400000

* Garantieverplichtingen zijn niet meegenomen in de totaaltelling. Tot en met 2003 geraamd op artikel 12.

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
11: Kwaliteit Rijksdienst 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 119 420 111 338 112 779 107 890 101 890
2. Waarvan apparaatuitgaven 10 075 9 556 9 459 8 631 8 631
3. Dus programma-uitgaven 109 345 101 782 103 320 99 259 93 259
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht47%51 36549%50 28045%46 75244%43 33246%43 332
5. complementair noodzakelijk19%21 30921%21 42823%23 71918%17 73113%11 731
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)34%36 67130%30 07432%32 84938%38 19641%38 196
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)          
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%109 345100%101 782100%103 320100%99 259100%93 259

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Operationele doelstelling 2: Zoals aangekondigd in de groeiparagraaf van de begroting 2003 is hard gewerkt aan de formulering van betere prestatie-indicatoren voor artikel 11.2. In deze begroting is de weerslag daarvan zichtbaar.

De prestatie-indicator herkomst benoemingen geeft inzicht in de mate waarin de rijksoverheid er in is geslaagd managementkwaliteiten van buiten de eigen ABD-populatie aan te trekken en vanuit het Rijk de ABD in te laten stromen. Het cijfer geeft inzicht in de verhouding tussen het aantal vacatures waarop een persoon uit de ABD is benoemd en de van personen die van buiten het Rijk (markt) of vanuit de lagere echelons van de eigen organisatie (overig rijk) zijn benoemd. Onder personen uit de lagere echelons wordt natuurlijk mede begrepen de instroom uit het ABD-kandidatenprogramma. Bij aanstelling op een nieuwe functie wordt de herkomst (vorige functie) van een ABD-lid geadministreerd.

Ondanks de te verwachten krimp van de organisatie wordt gestreefd naar handhaving van de verhouding zoals die in 2002 is gerealiseerd.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

In algemene zin geldt dat de operationele doelstellingen zijn aangepast, dat wil zeggen, de huidige operationele doelstelling 6 is een samenvoeging van de oude doelstellingen 3 en 4.

Operationele doelstellingen 7 en 8 zijn nieuw, deels inspelend op nieuwe activiteiten in het licht van het hoofdlijnenakkoord, deels vanwege een andere ordening van de begroting.

Ook de prestatie-indicatoren zijn tegen het licht gehouden en aangepast aan de te ondernemen nieuwe activiteiten.

Was er vorig jaar nog naast de begroting een aparte Personeelsbrief waarin het te voeren rijkspersoneelsbeleid en activiteiten opgetekend stond, dit jaar is er voor gekozen om geen aparte Personeelsbrief uit te brengen, maar de begroting te gebruiken om het personeelsbeleid te schetsen.

Operationele doelstelling 2: In de eerste helft van 2003 is een kwaliteitsmonitor ontwikkeld. De monitor is een evaluatie van het leeuwendeel van de activiteiten van Bureau ABD die bijdragen aan de operationele doelstelling van het bureau. In de tweede helft van 2003 zal deze monitor geoperationaliseerd worden en periodiek herhaald worden. Op basis hiervan zal een systeem van evaluatieplanning worden opgezet. In de groeiparagraaf van de volgende begroting wordt over de resultaten daarvan gerapporteerd. Met dit instrument wordt beoogd de kwaliteit van de dienstverlening van Bureau ABD structureel in kaart brengen om hieruit verbeteracties te destilleren.

NIET-BELEIDSARTIKEL 12: ALGEMEEN

1. Algemene beleidsdoelstelling

Op dit artikel worden die uitgaven verantwoord die betrekking hebben op de bedrijfsvoering van het ministerie. Tevens wordt op dit artikel de uitvoering van een niet beleidsmatige activiteit verantwoord, namelijk de bijdrage van BZK aan de functionele kosten Koninklijk Huis.

Als algemeen begrotingsartikel zijn aan dit artikel geen kwantificeerbare prestatiegegevens gekoppeld.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

De Centrale Stafdiensten (CS) kennen de volgende taken om het ministerie te ondersteunen in de uitvoering van haar beleidsactiviteiten: financiën, personeel en organisatie, informatie voorziening, voorlichting en communicatie, auditdienst en facilitaire zaken. Het streven hierbij is om deze taken zo transparant mogelijk uit te voeren, om zo verantwoording af te kunnen leggen naar de klanten van de CS en uiteindelijk naar het parlement. Dit heeft zich in onderstaande doelstellingen voor de CS vertaald.

Operationele doelstelling 1: Apparaat

Wat willen we bereiken?

De Centrale Stafdiensten willen op professionele wijze diensten verlenen aan haar klanten, i.c. de lijnorganisatie en de bewindspersonen. Hierbij wordt vraaggestuurd gewerkt, dat wil zeggen, de producten en diensten met het bijbehorende kwaliteitsniveau komen altijd in nauw overleg tot stand met de klanten. Periodiek wordt gemeten of de dienstverlening ook aansluit bij de behoeften van de klanten, waarbij de dienstverlening indien nodig wordt bijgesteld. De dienstverlening kenmerkt zich door in een integrale aanpak en advisering, waarbij resultaatgericht en kostenbewust opereren centraal staan. Uitgangspunt hierbij is dat het huidige dienstenniveau minstens gehandhaafd wordt of zelfs een hoger dienstenniveau kan worden geboden.

Wat gaan we daarvoor doen?

De Centrale Stafdiensten bestaan uit acht directies die elk naast de dagelijkse dienstverlening een aantal speerpunten hebben voor 2004, die een bijdrage leveren aan bovenstaande doelstelling. De belangrijkste speerpunten zijn:

1. bevorderen van resultaatgerichte cultuur door medewerkers te stimuleren in hun werk en persoonlijke ontwikkeling, waarbij transparantie in waardering en beloning wordt uitgedrukt;

2. uitwerken en implementeren van een modern, op outputsturing gericht planning & control systeem;

3. uitwerken en uitvoeren van het verbeterplan voor een optimaal inkoopbeleid;

4. efficiënter maken van de werkprocessen middels innovatieve ICT middelen.

In 2004 zullen verder de resultaten van het BZK-brede verbeterproject Leeuwensprong zichtbaar worden. Leeuwensprong heeft als één van de belangrijkste doelstellingen de stafdiensten doelmatiger en efficiënter te laten werken. De realisatie van een aantal van de genoemde speerpunten is geïntegreerd in het project Leeuwensprong.

De projectdirectie Nieuwe Huisvesting zal in het tweede jaar van haar bestaan voor de geplande nieuwbouw van de Ministeries van Justitie en van BZK verder gaan met het ontwikkelen van een stimulerende werkomgeving, het afronden van het programma van eisen van inbouw en gebruikersvoorzieningen en het stimuleren van shared facilities met Justitie.

Wat mag het kosten

De totale uitgaven aan apparaat van de Centrale Stafdiensten bedragen voor 2004 € 70,709 mln.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
12.1: Apparaat1 januari 20041 juli 2004Evaluatie VBTB (jaarlijks).
 1 april 20041 juli 2004Evaluatie formatieaanpassing DI.
 1 april 20041 juli 2004Medewerker/stakeholdersonderzoek.

Operationele doelstelling 2: Bijdrage functionele kosten Koninklijk Huis

Op grond van de Wet van 10 december 1970 Stb. 573, houdende herziening van het financieel statuut voor het Koninklijk Huis, komen een aantal uitgaven van H.M. de Koningin en H.K.H. Prinses Juliana ten laste van de BZK-begroting. Het betreft een bijdrage in de functionele kosten Koninklijk Huis en een subsidie aan de Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam.

Wat mag het kosten

De totale bijdrage in de functionele kosten Koninklijk Huis bedraagt in 2004 € 10,797 mln.

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
12: Algemeen2002200320042005200620072008
Verplichtingen362 119150 57581 50685 28285 86790 137108 937
1. apparaat78 59075 69270 70974 56375 22779 49798 297
2. bijdrage functionele kosten Koninklijk Huis1283 52974 88310 79710 71910 64010 64010 640
(garantie-verplichtingen2)(1 599)(1 475)     
        
Uitgaven172 712173 10581 50685 28285 86790 137108 937
1. apparaat73 61975 69270 70974 56375 22779 49798 297
2. bijdrage functionele kosten Koninklijk Huis99 09397 41310 79710 71910 64010 64010 640
        
Ontvangsten19 7654 373983983983983983

1 De niet aan doelen toe te rekenen (rechtspositionele) regelingen worden vanaf 2004 geraamd op de artikelen 6.2, 9.3 en 10.5. De doorberekening garantiewet Surinaamse pensioenen worden vanaf 2004 geraamd op ontvangstenartikel 10. Voor een uitgebreid overzicht wordt verwezen naar de was/wordt-tabel (B.5.3.).

2 Garantieverplichtingen zijn niet meegenomen in de totaaltelling. Vanaf 2004 geraamd op artikel 11.

4. Budgetflexibiliteit

Voor apparaatuitgaven (artikel 12.1) zijn de uitgaven gelijk aan de verplichtingen. Dit geldt ook voor de bijdrage functionele kosten Koninklijk Huis (artikel 12.2).

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

Geen.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

Artikel 12 is een niet-beleidsartikel en kent daarom geen prestatie-indicatoren.

NIET-BELEIDSARTIKEL 13: NOMINAAL EN ONVOORZIEN

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
13: Nominaal en onvoorzien2002200320042005200620072008
Verplichtingen0– 30– 1 226– 2 424– 3 588– 5 986– 5 986
1. loonbijstelling0 21   
2. prijsbijstelling0– 39– 38– 36   
3. onvoorzien09– 1 190– 2 389– 3 588– 5 986– 5 986
        
Uitgaven0– 30– 1 226– 2 424– 3 588– 5 986– 5 986
1. loonbijstelling0 21   
2. prijsbijstelling0– 39– 38– 36   
3. onvoorzien09– 1 190– 2 389– 3 588– 5 986– 5 986

BELEIDSARTIKEL 14: TOEZICHT EN ONDERZOEK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

1. Algemene beleidsdoelstelling

A. Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (Inspectie OOV) draagt bij aan het behoud c.q. vergroten van publieke waarde, dat wil zeggen het vermogen om publieke taken naar behoren uit te voeren, van politie, brandweer en rampenbestrijding.

B. Onderzoeksraad voor veiligheid (Ovv) draagt bij aan het verwerven van inzichten naar de aard, oorzaak en gevolg van grote ongevallen en incidenten.

2. Nader geoperationaliseerde doelstellingen

Operationele doelstelling 1: Inspectie Openbare Orde en Veiligheid

Inspectie OOV richt zich op kwaliteitsverbetering van politie, politieonderwijs, brandweer en rampenbestrijding op het niveau van individuele organisaties. De beoogde kwaliteitsverbetering draagt bij aan de publieke waarde van de betrokken organisaties, dat wil zeggen het vermogen om publieke taken van de betrokken organisaties naar behoren uit te voeren.

Naar aanleiding van het kabinetsstandpunt Kaderstellende Visie op Toezicht en het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp wordt het toezicht op het terrein van de openbare orde en veiligheid geïntensiveerd en versterkt. De Minister van BZK draagt algemene verantwoordelijkheid voor het beleid met betrekking tot de brandweerzorg, rampenbestrijding, politiezorg en politieonderwijs in Nederland. Daarnaast dragen regionale en gemeentelijke besturen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de openbare orde en veiligheid. Op basis van stimulerend toezicht stelt de Inspectie OOV de verantwoordelijke besturen in staat de veiligheid van de burger te vergroten.

Wat willen we bereiken?

Het in stand houden, c.q. verbeteren van de kwaliteit van politie, politieonderwijs, brandweer en rampenbestrijding door middel van systematisch en repeterend uitgevoerde inspecties op het niveau van individuele organisaties. De inspecties worden aangevuld met thematische onderzoeken.

Wat gaan we daarvoor doen?

– Met betrekking tot het inspecteren van de politie en gemeentelijke brandweren worden, op basis van de uitwerking van de publieke waarde, toezichtsarrangementen en bijbehorend instrumentarium ontwikkeld.

– Het toezichtsinstrument zal (geheel of gedeeltelijk) in tenminste vier politiekorpsen worden beproefd.

– Het toezichtsinstrument zal bij een nader te bepalen aantal gemeentelijke brandweren worden beproefd.

– In de regio's Twente, Brabant Zuid Oost, Utrecht, Groningen en Hollands Midden wordt, in samenwerking met andere betrokken rijksinspecties de voorbereiding van de rampenbestrijding doorgelicht.

– De bestandsopname van het presterend vermogen van de politie-onderwijsinstellingen wordt afgerond.

– Diverse thematische onderzoeken op het terrein van politie, brandweer en rampenbestrijding.

– De Inspectie OOV rapporteert over haar bevindingen aan de verantwoordelijke besturen, de betrokken organisaties en, door tussenkomst van de verantwoordelijke ministers, aan de Tweede Kamer.

– De Inspectie OOV beschrijft haar activiteiten uitgebreid in het werkplan 2004 dat door de Minister van BZK, in overeenstemming met de Minister van Justitie, aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Wat mag het kosten?

€ 3,5 mln.

Overzicht beleidsevaluatie
Operationele doelstellingStartdatumEinddatumOnderwerp
14.1: Inspectie Openbare orde en VeiligheidSep 2003Mrt 2004Als onderdeel van de rijksbrede evaluatie van de kaderstellende visie op toezicht zal de Inspectie OOV in 2004 op basis van de bijbehorende checklist een zelfevaluatie uitvoeren die door de ACT II zal worden beoordeeld.
 Apr 2004Okt 2004Evaluatie van de toepassing en instrumentarium van de Algemene Doorlichting Rampenbestrijding.

Operationele doelstelling 2: Onderzoeksraad voor veiligheid

Naar aanleiding van het Onderzoeksrapport van de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp en het eindrapport van de Commissie Onderzoek Cafébrand heeft het Kabinet destijds nut en noodzaak onderschreven van het onafhankelijk integraal ongevallenonderzoek. Door dit onderzoek wordt lering getrokken uit de gebeurtenissen en voorkomen dat soortgelijke voorvallen zich in de toekomst herhalen. Per 1 januari 2004 fungeert de Onderzoeksraad voor veiligheid (Ovv) als onafhankelijk onderzoeksorgaan in het koninkrijk, dat op eigen gezag besluit tot het doen van onderzoek naar de oorzaak van (ernstige) ongevallen en rampen of een dreiging daartoe. Uit het onderzoek dient lering te worden getrokken en aanbevelingen te worden gedaan om de structurele veiligheid te vergroten.

Wat willen we bereiken?

Formuleren van zodanige aanbevelingen, opgenomen in de onderzoeksrapporten van de Ovv en gericht aan overheden en bedrijfsleven, dat zij bijdragen tot het vergroten van de structurele veiligheid binnen het Koninkrijk.

Wat gaan we daarvoor doen?

Doen van onderzoek en aanbevelingen naar aanleiding van een voorval of (reeks van) incidenten.

Wat mag het kosten?

Afkomstig uit het BZK-budget van de Raad voor Rampen en Calamiteiten: € 2,475 mln.

De budgetten voor respectievelijk de Defensie-ongevallenraad i.o. en de Raad voor de Transportveiligheid zullen (na feitelijke formele oprichting van de Ovv) worden overgeheveld naar artikel 14 op de BZK-begroting en zijn bestemd voor de Ovv.

Overzicht prestatiegegevens
Prestatie-indicatorenBasiswaardeStreefwaarde
Realiseren beoogde personele capaciteit Ovv. pmpm
Onderzoek transportsector initiëren en continueren van door RvTV reeds in gang gezette onderzoeken op deze sector. pmpm
Onderzoek initïeren op niet-transportsectoren. pmpm

3. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
14: Toezicht en onderzoek openbare orde en veiligheid2002200320042005200620072008
Verplichtingen 7 7895 9155 8695 9005 9005 900
1. Inspectie Openbare orde en Veiligheid 3 5143 4403 3943 4253 4253 425
2. Onderzoeksraad voor veiligheid 4 2752 4752 4752 4752 4752 475
        
Uitgaven 7 7895 9155 8695 9005 9005 900
1. Inspectie Openbare orde en Veiligheid 3 5143 4403 3943 4253 4253 425
2. Onderzoeksraad voor veiligheid 4 2752 4752 4752 4752 4752 475

4. Budgetflexibiliteit

Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
14.1: Inspectie Openbare orde en Veiligheid 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 3 440 3 394 3 425 3 425 3 425
2. Waarvan apparaatuitgaven 3 156 3 156 3 156 3 156 3 156
3. Dus programma-uitgaven 284 238 269 269 269
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht          
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)          
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)100%284100%238100%269100%269100%269
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%284100%238100%269100%269100%269
Budgetflexibiliteit (kasflexibiliteit) (x € 1 000)
14.2: Onderzoeksraad voor veiligheid 2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 2 475 2 475 2 475 2 475 2 475
2. Waarvan apparaatuitgaven      
3. Dus programma-uitgaven 2 475 2 475 2 475 2 475 2 475
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht          
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)          
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)100%2 475100%2 475100%2 475100%2 475100%2 475
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%2 475100%2 475100%2 475100%2 475100%2 475

Aangezien de Inspectie OOV en de Ovv twee verschillende organiaties zijn, is er voor gekozen de budgetflexibiliteit afzonderlijk voor de operationele doelstellingen weer te geven.

5. Veronderstellingen in effectbereiking, doelmatigheid en raming

– Inspectie OOV: Inspecteren van politie, politieonderwijs, brandweer en rampenbestrijding op basis van publieke waarde impliceert een bredere normatiek dan uitsluitend naleving van wet- en regelgeving en de daarbij behorende normen. Een dergelijke interpretatie van de inspectiefunctie dient (mede) gedragen te worden door de belanghebbenden, hetgeen van belang is voor de te behalen resultaten.

– Ovv: De vaststelling van het jaarbedrag is gebaseerd op aannames van onderzoekskosten voor V&W, Defensie en BZK (incl overige terreinen. Hoe de financiële groei van de nieuwe raad zich de komende jaren manifesteert is nog niet geheel duidelijk. Voor een prognose van de meerjarencijfers zijn geen concrete gegevens over de onderzoekskosten voor de niet-transportsectoren voorhanden. De komende jaren zullen dus op basis van het onderzoeksaanbod op alle sectoren en de onderzoekservaringen de meerkosten voor de Ovv nader moeten worden vastgesteld.

6. Groeiparagraaf implementatie VBTB

– Inspectie OOV: De Inspectie OOV streeft er naar om alle politiekorpsen, politieonderwijsinstellingen en rampenbestrijdingsorganisaties éénmaal per vier jaar te inspecteren. Dat houdt in dat in de periode 2004 t/m 2007 een «bestandsopname» wordt gedaan. In de daaropvolgende cyclus van inspecties moeten de effecten van verbetering aantoonbaar zijn en kan aan onderlinge vergelijking worden gedaan. In deze periode zal tussentijds aan effectmeting worden gedaan door bij de verantwoordelijke besturen te informeren naar de mate waarin de aanbevelingen van de Inspectie OOV worden uitgewerkt. In 2004 en later zullen de verschillende toezichtsarrangementen worden geëvalueerd. Op basis hiervan worden ervaringsgegevens gegenereerd die zullen uitwijzen of het streven haalbaar is c.q. moet worden bijgestuurd.

– Ovv: Aangezien de Ovv per 1 januari 2004 met zijn werkzaamheden aanvangt zal nagegaan worden op welke wijze de effecten van de aanbevelingen naar aanleiding van de onderzoeksrapporten meetbaar zijn in het beleid.

3. DE BEDRIJFSVOERING

Een effectieve en efficiënte uitvoering van de taken – mede in het licht van de taakstellingen van het Kabinet – noodzaken tot een herbezinning op de organisatie van BZK. In dit kader heeft BZK zich voor de komende jaren een organisatieverandering voorgenomen.

Het betreft enerzijds een wijziging van de hoofdstructuur, waarbij het aantal directoraten-generaal door middel van een meer logische clustering van taken van vier tot drie wordt teruggebracht. Anderzijds worden tegelijkertijd de stafdiensten opnieuw ingericht, waarbij gemeenschappelijke dienstverlening het uitgangspunt is. De uitvoering van de voornemens zal in goed overleg met onder meer de groepsondernemingsraad in 2003/2004 plaatsvinden.

4. BATEN-LASTENDIENSTEN

BATEN-LASTENDIENST ITO

1. Algemeen

1.1. Taken en diensten

De Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV (ITO) is onderdeel van het directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid (DGOOV). Per 1 mei 1998 is aan ITO de status van baten-lastendienst van BZK verleend. ITO verleent diensten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT) ten behoeve van de politie, brandweer en rampenbestrijdingsorganisaties, Justitie en andere opsporings- en hulpverleningsorganisaties. In 2002 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 53d van de Politiewet 1993 aangenomen, waarin de taken van ITO zijn vermeld.

De missie van ITO, zoals verwoord in het ondernemingsplan 2002–2005, luidt: ITO ontwikkelt, implementeert en beheert besloten en bedrijfszekere informatie- en communicatietechnologiediensten en draagt op die manier bij aan de kwaliteit en effectiviteit van de sectoren Openbare Orde en Veiligheid (OOV) en justitie.

De wettelijke basis voor de taken van ITO is 1 december 2002 van kracht geworden. Artikel 53d van de Politiewet 1993, het 1e tot en met 5e lid, waarin de taken van ITO worden geregeld, luidt als volgt:

1. Onze Minister van BZK draagt zorg voor de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen en het beheer daarvan voor de politie ten behoeve van de taakuitvoering door de politie;

2. Onze Minister van BZK draagt op verzoek van een of meer korpsbeheerders zorg voor de informatie- en communicatievoorzieningen en het beheer daarvan, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor de taakuitvoering van de politie;

3. Indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is voor de samenwerking tussen de politie en de desbetreffende diensten of organisaties draagt Onze Minister van BZK zorg voor de voorzieningen op het gebied van de informatie- en communicatiehuishouding en het beheer daarvan, op verzoek van

a. Onze Minister die het aangaat ten behoeve van de onder hem ressorterende diensten;

b. Een regionale brandweer als bedoeld in de Brandweerwet 1985;

c. Een centrale post ambulancevervoer als bedoeld in de Wet ambulancevervoer;

4. Onze Minister van BZK stelt voor de voorzieningen aan de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten, alsmede aan de diensten en organisaties, bedoeld in het 3e lid, kostendekkende tarieven vast;

5. De Organisatie Informatie- en communicatietechnologie OOV is belast met de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de in het 1e tot en met het 3e lid bedoelde voorzieningen;

Het onderscheid tussen de taken onder 1 tot en met 3 bestaat uit de wijze waarop de financiering van deze taken plaatsvindt. De taken onder 1 worden voornamelijk bekostigd door het moederministerie, de taken onder 2 betreffen vergoedingen die rechtstreeks in rekening worden gebracht bij de regionale politiekorpsen en de taken onder 3 betreffen vergoedingen die rechtstreeks in rekening worden gebracht bij de in dit lid bedoelde diensten.

Per hoofdtaak is aangegeven wat ITO wil bereiken, welke activiteiten daarvoor worden uitgevoerd en wat die in het begrotingsjaar 2004 gaan kosten:

A. De zorg voor en het beheer van de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen voor de politie. De doelen voor 2004 die het ITO zich gesteld heeft betreffen het realiseren van een naadloze overgang van de huidige regionale analoge mobiele netwerken naar het landelijke mobiele digitale netwerk C2000 en het realiseren van een moderne, toekomstvaste ICT infrastructuur voor de gehele Nederlandse politie. Verder zullen de landelijke informatiesystemen adequaat worden ontwikkeld en beheerd op een dusdanige wijze dat deze systemen voldoen aan de eisen van deze tijd. Op een betrouwbare en veilige manier zal worden voorzien in de informatiebehoeften van de klanten van ITO.

Daarnaast wordt deskundigheid geleverd op het gebied van ICT en beveiliging bij de verdere vernieuwing van de landelijke ICT-voorzieningen. Het jaar 2004 zal verder in het teken staan van de continuering van het frequentiebeheer, monitoren van en participeren in ontwikkelingen van de Tetrastandaard (C2000), beheren van de BIP2000-standaards voor de nutsvoorziening en de homogene infrastructuren en de werkplekken.

Om de gestelde doelen te realiseren zal ITO de landelijke informatiesystemen en infrastructuren beheren, waardoor deze adequaat en betrouwbaar blijven functioneren. De migratie van de landelijke informatiesystemen naar de nieuwe systeemstructuur en -architectuur zal plaatsvinden. De beveiligingsarchitectuur (Thrusted Third Party/Public Key Infrastructure) en een uniforme en universele dragerdienst voor OOV-diensten en Justitie zal verder worden uitgewerkt. Tenslotte zal ITO adviseren aan CIP over de verdere integratie van de infrastructuren en applicatieportfolio.

De begroting voor 2004 gaat uit van totale uitgaven van € 71 mln voor het realiseren van deze taak (exclusief de projecten C2000 en GMS, waarvan de uitgaven zijn begrepen onder taak C).

B. De zorg voor en het beheer van de informatie- en communicatievoorzieningen van politiekorpsen, de Coöperatie Informatiemanagement Politie (CIP) en de ICT Service Coöperatie voor Politie, Justitie & Veiligheid (ISC). Het ontwikkelen en beheren van niet-landelijke informatiesystemen en infrastructuren van de Nederlandse politiekorpsen, CIP en ISC die beantwoorden aan de eigentijdse eisen.

De activiteiten richten zich op het beheren en de vernieuwing van ICT-voorzieningen van de regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten. Hierbij wordt eveneens gebruik gemaakt van de uniforme en breed geaccepteerde technische standaards.

Voor het realiseren van deze taak gaat de begroting 2004 uit van een totaal van € 74 mln. Hiervan is € 61 mln toe te rekenen aan CIP/ISC.

C. De zorg voor en het beheer van voorzieningen voor informatie- en communicatiehuishouding van aangewezen overheidsdiensten die met de politie samenwerken, waaronder justitie, brandweer en ambulancediensten. Het verzorgen van de verdere migratie, realisatie en uitrol van de projecten C2000 en GMS bij politie, Koninklijke marechaussee, brandweer en ambulancediensten. Het aanbieden en leveren van ICT-brede dienstverlening aan overige ketenpartners en overige klanten.

Het verzorgen van de oplevering van het netwerk C2000 en de ingebruikname van de radiobediensystemen. Daarnaast wordt een begin gemaakt met het inrichten van de beheerorganisatie en het beheren van het netwerk. De projectorganisatie GMS wordt afgerond met de overdracht van de beheertaken naar de reguliere ITO-organisatie. Voor zover mogelijk worden de opdrachten voor de overige dienstverlening projectmatig uitgevoerd.

Voor 2004 zijn de totale uitgaven begroot op € 65 mln, waarvan voor C2000 en GMS is inbegrepen € 47 mln.

De totale begrote baten over 2004 zijn als volgt te verdelen naar de taken A tot en met C (x € 1 mln):

TaakOpbouw baten naar takenBaten 2004
ADe zorg voor en het beheer van de landelijke informatie- en communicatievoorzieningen voor de politie71
BDe zorg voor en het beheer van de informatie- en communicatievoorzieningen van politiekorpsen, CIP en ISC74
CDe zorg voor en het beheer van voorzieningen voor informatieen communicatiehuishouding van aangewezen overheidsdiensten die met de politie samenwerken, waaronder justitie, brandweer en ambulancediensten65
 Eindtotaal210

1.2. Beheer

Eind 2002 is gestart met de uitvoering van een meerjarig plan ter verbetering van de bedrijfsvoering. Het plan heeft tot doel het management beter in staat te stellen de organisatie te beheersen. Dit moet leiden tot het efficiënt en effectief bereiken van de gestelde doelen en het voldoen aan de geldende normen en regelgeving.

Het verbeterplan is gebaseerd op onder meer de rapportages over de bedrijfsvoering over de afgelopen jaren. Op basis van een analyse van knelpunten en risico's zijn de oorzaken en aanbevelingen vertaald naar concrete en meetbare maatregelen die gericht zijn op het wegnemen van de geconstateerde bevindingen.

Borging van de voorgenomen maatregelen in de organisatie en communicatie over concipiëren, uitvoeren en realiseren van het verbeterplan draagt bij aan het succesvol zijn van het verbeterplan.

Op basis van de kritische succesdoelen zal de directie van ITO de beleidsprioriteiten voor 2004 bepalen. De interne sturing zal sterk gericht zijn op het realiseren van deze beleidsprioriteiten.

1.3. Toekomstige ontwikkelingen

In het ICT-bestek politie 2001–2005 zijn drie belangrijke hoofdlijnen voor veranderingen uiteengezet. Het gaat hierbij om duidelijkheid over de sturing van ICT-hoofdprocessen en het versterken van de ICT-vraag en het -aanbod. Om deze veranderingen door te voeren, wijzigt de organisatie van de ICT bij de Nederlandse politie. Er zijn in 2001 twee coöperaties opgericht: de CIP voor de ICT-vraagzijde en de ISC voor de ICT-aanbodzijde. Na een overgangsperiode zullen deze coöperaties uiteindelijk opgaan in één of twee publiekrechtelijke organisaties. In deze publiekrechtelijke organisatie(s) zullen diverse (project)organisaties die nu ook al betrokken zijn bij de vraag en/of het aanbod van ICT-voorzieningen, worden samengevoegd. De intentie is om op termijn samen te gaan met de (eventueel) publiekrechtelijke opvolger(s) van CIP en ISC.

In 2002 is tussen BZK, CIP/ISC en ITO een convenant gesloten om nauwe samenwerking tussen CIP/ISC en ITO te regelen. Deze operationele integratie zal op termijn plaatsvinden. ITO functioneert in de aanloop naar deze integratie naar de klant Politie al zoveel mogelijk alsof zij geïntegreerd is met ISC.

De formele personele, organisatorische en juridische integratie van ITO met ISC zal pas kunnen worden afgerond na oprichting van een (eventueel) publiekrechtelijke aanbodorganisatie (naar verwachting 2005).

Hoewel ISC in eerste instantie de aanbiedende partij is voor politie, zal de nieuwe organisatie zich ontwikkelen tot een aanbieder van ICT-voorzieningen aan heel OOV en Justitie.

Uitgangspunten. Bij de opstelling van de begroting is uitgegaan van een aantal aannames en inschattingen ten aanzien van de verwachte ontwikkelingen voor de komende jaren in de producten- en dienstenportfolio.

Het financieel regime en het toezicht daarop is voor de huidige privaatrechtelijke ISC en de publiekrechtelijke baten-lastendienst ITO niet gelijk. De eisen ten aanzien van de financiële huishouding na de bovengenoemde operationele integratie zijn nog niet bepaald. Afstemming hierover zal in de loop van 2003 plaats vinden. Dit betekent dat na de operationele integratie van de taken met het ISC, de statutair directeur ITO formeel aangewezen blijft voor de verantwoording aan het moederministerie. Hiertoe zal voor 2004 een management contract tussen de Directeur Generaal Openbare Orde en Veiligheid en de Directeur ITO worden gesloten. Voor de uitvoering van deze taak zal de statutair directeur ITO een eigen staf ter beschikking hebben. De extra kosten van de integratie zijn niet in de begroting opgenomen.

De belangrijkste aannames bij de opstelling van de begroting zijn:

– gestreefd wordt om de projectorganisatie C2000 in 2004 te beëindigen. In de exploitatie zijn alleen de binnen de scope van de huidige projectovereenkomst opgenomen activiteiten begroot,

– bij het opstellen van de begroting is geen formeel besluit bekend over het moment van integratie met het publiekrechtelijke ISC. Als gevolg hiervan is de begroting opgesteld in de veronderstelling van een eventuele zelfstandige voortzetting van de activiteiten van ITO in 2004,

– op grond van de huidige ontwikkelingen zal de dienst JustitieNet eindigen per 1 juli 2004. Door deze voortijdige stopzetting van netwerkdiensten aan Justitie ontstaan bijzondere lasten, die op dit moment vooralsnog worden ingeschat op € 5,9 mln. Deze bijzondere lasten hebben betrekking op onder meer het afwaarderen van activa doordat het netwerk gedeeltelijk afgebouwd dient te worden. Daarnaast ontstaan verwachte verliezen op de dienstverlening aan LIO, KLPD, PolitieNet, AmbulanceNet en BZKnet als gevolg van negatieve synergie effecten. Hiermee wordt de bedrijfszekere dienstverlening via ITO losgelaten. Deze kosten zullen in rekening worden gebracht bij Justitie,

– investeringen ten behoeve van het beheer van de nutsvoorziening zijn buiten de begroting 2004 gehouden. De financiering vindt plaats via het privaatrechtelijke ISC. De exploitatie wordt door ITO doorberekend aan het ISC.

De verschillende producten en diensten zijn als gevolg van technische innovaties die kenmerkend zijn voor ICT producten en diensten voortdurend aan veranderingen onderhevig. De bestuurlijke- en politieke omgeving van ITO is complex en daarnaast sterk in beweging. Dit heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de besluitvorming van klanten en opdrachtgevers. Deze besluitvorming heeft grote financiële implicaties voor de meerjarenbegroting van ITO. De onzekerheid van de financiële implicaties neemt, naarmate het begrotingsjaar verder in de toekomst ligt, vanzelfsprekend toe.

Voorts is bij de opstelling van de (meerjaren) begroting uitgegaan dat de huidige contractuele afspraken met de klanten van ITO worden verlengd. Ten aanzien van Justitie wordt een afbouw van de afname van datacommunicatievoorzieningen voorzien medio juni 2004. Ten aanzien van het project nutsvoorziening is verondersteld dat de projectactiviteiten in 2004 (belang € 7,4 mln) worden voortgezet. De nutsvoorziening is een nieuwe technische infrastructuur met aanverwante diensten die geschikt is voor spraakdata integratie, videoconferencing, communicatie met externe partners en die koppelbaar is met mobiele netwerken waarop alle politielocaties worden aangesloten. De nutsvoorziening vormt de basis waarop de verdere vernieuwing van de politiële informatievoorziening wordt vormgegeven.

2. Begroting van baten en lasten

In onderstaande tabel is de begroting van baten en lasten over de periode 2003 tot en met 2008 weergegeven. Vanaf 2005 zal ITO zijn opgegaan in een nieuwe publiekrechtelijke organisatie:

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst ITO2002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederministerie99 926188 607117 858121 394125 036128 787132 650
Opbrengst overige ministeries23 45621 90717 774515530546563
Opbrengst derden18 51010 44874 34776 57778 87581 24183 678
Opbrengst overige1 229      
Rentebaten1892 317225225225225225
Buitengewone baten767
Exploitatiebijdrage 
Totaal baten144 077223 279210 204198 711204 666210 799217 116
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten64 46677 51968 49570 55072 66674 84677 092
* materiële kosten78 906138 056122 959114 678118 172121 896125 845
Rentelasten1 3462 6042 8123 1893 2693 2273 070
Afschrijvingskosten3 242      
* materieel 4 0008 5388 7949 0589 3309 610
* immaterieel     
Dotaties voorzieningen1 542100    
Buitengewone lasten1 1315 900
Totaal lasten150 633222 279208 704197 211203 165209 299215 616
        
Saldo van baten en lasten– 6 5561 0001 5001 5001 5001 5001 500

De daling van de baten bij het moederministerie wordt veroorzaakt door met name de afronding van het project C2000 (effect inclusief de beheerorganisatie € 30 mln) en de materiële verschuiving van product en projectopdrachten naar het ISC/CIP. Deze bedragen zijn in de begroting 2004 gepresenteerd onder opbrengst derden.

De baten opbrengst ministeries bestaat uit een deel reguliere JustitieNet business over de eerste zes maanden van 2004 van € 11,9 mln en uit een incidentele vergoeding van € 5,9 mln van Justitie in verband met het vervroegd stoppen met de afname van netwerkdiensten.

De afwijking in de baten 2004 van de categorie opbrengst derden ten opzichte van de begroting 2003 is een gevolg van het opnemen van de baten van ISC en CIP voor totaal € 61 mln. Een belangrijk deel hiervan vormt de nutsvoorziening van € 32 mln. Voor 2003 was dit voor € 8,7 mln begrepen onder de baten moederministerie.

De baten en lasten zijn te verdelen in product- en projectopbrengsten. De producten zijn opgenomen in de productencatalogus, de projecten komen via een traject van voorcalculatie tot stand en worden voornamelijk op regiebasis uitgevoerd. Het project C2000 is een zogenaamd groot project, waarover, conform de procedure regeling grote projecten, periodiek wordt gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

De verdeling is als volgt (x € 1 000):

 Totaal 2004ProductenProjectenProject C2000Overige baten
Moederrministerie117 85869 7513 00045 107 
Overige ministeries17 77417 774   
Opbrengst derden74 34752 95521 392  
Rentebaten225   225
Buitengewone baten    
Totaal210 204140 48024 39245 107225

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

De baten die aan de diverse opdrachtgevers in rekening worden gebracht zijn onder te verdelen naar de producten en projecten, waarbij de projecten nader uiteengezet zijn in projecten ITO en het project C2000.

De belangrijkste opdrachtgever is het moederministerie, hetgeen voornamelijk een gevolg is van het omvangrijke C2000 project (inclusief het beheer deel). Onder de baten opbrengst ministeries zijn de opbrengsten van Justitie verwerkt. De dienstverlening aan Justitie is opgezegd en zal eindigen ultimo juni 2004. In de exploitatie is hiermee rekening gehouden. De opbrengst derden voor 2004 betreft de opbrengsten van het ISC, CIP, de regionale politiekorpsen, de Koninklijke marechaussee en overige afnemers. Het ISC en CIP waren in 2003 opgenomen onder het moederministerie. De rentebaten bestaan uit de begrote rentebaten over het saldo van de rekening Rijkshoofdboekhouding.

Onderstaand overzicht geeft een uitsplitsing van het saldo van baten en lasten naar producten, projecten en overige:

Begroting van baten en lasten naar producten, projecten, C2000 en overige (x € 1 000)
 batenbatenlastenlastensaldosaldo
 200420032004200320042003
Producten140 48055 904136 39354 6174 0871 287
Projecten24 39225 12224 39225 122
C200045 107139 93645 107139 936
Overige2252 3172 8122 604– 2 587– 287
Eindtotaal210 204223 279208 704222 2791 5001 000

Het negatieve resultaat op de post overige bestaat voor € 2,6 mln uit financiële baten en lasten.

2.1.2. Lasten

Personele kosten. De personele lasten die in de begroting zijn opgenomen omvatten de interne personele kosten en de kosten van externe inhuur. De interne personele kosten van de staande organisatie zijn totstandgekomen op basis van de verwachte formatieve bezetting in fte vermenigvuldigd met een begroot gemiddeld jaarloon per interne fte. De interne personele kosten van de projectorganisatie C2000 zijn bepaald op basis van een gemiddeld uurtarief per interne medewerker, verhoogd met een opslag voor algemene (overhead) kosten vermenigvuldigd met het aantal verwachte declarabele uren. Ten aanzien van de kosten externe inhuur is een inschatting gemaakt van het aantal benodigde uren die zijn omgerekend met een gemiddeld uurtarief (inclusief omzetbelasting):

Personele kosten (x € 1 000)Staande organisatieProjectTotaal C2000
Personele kosten intern34,7751,58736,362
Kosten externe inhuur26,6005,53332,133
Totaal61,3757,12068,495

Het gemiddeld aantal fte op jaarbasis is in onderstaande tabel weergegeven, eveneens uitgesplitst naar de staande organisatie en het project C2000. De feitelijke bezetting voor het project C2000 zal gedurende de eerste zes maanden van 2004 naar verwachting op 16 interne medewerkers en 26 externe medewerkers liggen.

De verhouding intern/extern is bij de staande organisatie vastgesteld op 80%-20%:

Gemiddeld aantal fteStaande organisatieProjectTotaal C2000
Interne fte5358543
Externe fte13313146
Totaal66821689

Rentelasten. Dit is de rente die door Financiën in rekening wordt gebracht voor aangegane leningen die worden aangewend ter financiering van investeringen in vaste activa. De belangrijkste lening betreft de lening voor de Radiobediensystemen. De rentelasten hangen voornamelijk samen met het beroep op de leenfaciliteit voor de financiering van productinvesteringen. Deze lasten maken integraal onderdeel uit van de tarieven.

Afschrijvingskosten. De afschrijvingskosten omvatten met name de kosten van automatiseringsapparatuur en software en de afschrijvingen op de radiobediensystemen. De post van € 8,5 mln is als volgt opgebouwd:

Afschrijvingskosten2004
Automatiseringsapparatuur en software2,500
Overige categorieën1,500
Radiobediensystemen4,538
Totaal8,538

Buitengewone lasten. De buitengewone lasten hangen samen met de kosten als gevolg van de vroegtijdige stopzetting van de dienstverlening aan Justitie. Deze kosten van € 5,9 mln zijn ook als baten in de begroting 2004 opgenomen onder de categorie opbrengst ministeries.

3. Overzicht vermogensontwikkeling

Overzicht vermogensontwikkeling (x € 1 000)
Baten-lastendienst ITO2002200320042005200620072008
1.Eigen vermogen per 1 januari2 8275711 5713 0714 5716 0717 571
         
2.Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar– 6 5561 0001 5001 5001 5001 5001 500
         
 3a. Uitkering aan moederministerie– 2 408
 3b. Bijdrage moederministerie ter versterking van eigen vermogen6 708
 3c. Overige mutaties in eigen vermogen 
3.Totaal directe mutaties in eigen vermogen4 300
         
4.Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)5711 5713 0714 5716 0717 5719 071

4. Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht 2004 (x € 1 000)
Baten-lastendienst ITO2002200320042005200620072008
1.Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)15 86756 23811 4519 6419 1728 7788 659
         
2.Totaal operationele kasstroom21 581– 30 0007 50010 00012 50015 00017 500
         
 3a. -/- totaal investeringen– 9 499– 24 587– 7 645– 12 500– 12 500– 12 500– 12 500
 3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen138150150150150150150
3.Totaal investeringskasstroom– 9 361– 24 437– 7 495– 12 350– 12 350– 12 350– 12 350
         
 4a. -/- eenmalige uitkering aan moederministerie– 2 408
 4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie6 708
 4c. -/- aflossingen op leningen– 1 438– 1 018– 7 260– 10 619– 13 044– 15 269– 16 213
 4d. +/+ beroep op leenfaciliteit25 28910 6685 44512 50012 50012 50012 500
4.Totaal financieringskasstroom28 1519 650– 1 8151 881– 544– 2 769– 3 713
         
5.Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)56 23811 4519 6419 1728 7788 65910 096
 (maximale roodstand € 0,5 mln)       

Het beroep op de leenfaciliteit 2004 betreft de faciliteit voor de reguliere investeringen 2004 (€ 5,445 mln). Over de leningen voor de radiobediensystemen zal de eerste aflossing in 2004 plaatsvinden. Deze aflossing is begrepen in het bedrag van € 7,26 mln.

5. Kengetallen

Kengetallen
Baten-lastendienst ITO200220032004
Ontwikkeling aantal servicecalls9,00010,00012,000
Declarabele uren637,000700,000715,000
Aantal interne fte443539543
Aantal externe fte154213146
Totaal aantal fte597752689

De beschrijving van de kengetallen is als volgt:

– Het aantal servicecalls geeft een indicatie van het activiteitenniveau van ITO als gevolg van meldingen van klanten. Alhoewel de werkzaamheden per call verschillen geeft het hogere aantal calls in de begroting 2004 een indicatie van de bedrijvigheid binnen ITO van onder andere de engineeringbureaus.

– Het aantal declarabele uren omvat het aantal uren dat vanuit de productieve afdelingen wordt toegerekend aan de producten en projecten.

– Het aantal fte geeft aan de verwachte gemiddelde personele bezetting, onderverdeeld naar interne en externe medewerkers. De daling ten opzichte van 2003 wordt veroorzaakt door de afbouw van de projectorganisatie C2000.

BATEN-LASTENDIENST KLPD

1. Algemeen

1.1. Algemeen

Taken

Het Korps landelijke politiediensten (KLPD) kent drie soorten taken:

– Zelfstandige taken. Deze taaksoort omvat uitvoerende politietaken die om redenen van efficiency en (inter)nationale belangen aan het KLPD zijn opgedragen. Met het beleidsplan Nederlandse Politie als leidraad richt het KLPD zich bij de uitvoering van deze taken direct op de samenleving. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het uitvoeren van rechercheonderzoeken, het verlenen van internationale rechtshulp en de bestrijding van jeugdcriminaliteit.

– Ondersteunende taken. Deze taaksoort omvat taken die vanwege specifieke deskundigheid of vanwege efficiënte allocatie van middelen aan het KLPD zijn opgedragen. Volgens een klantgerichte werkwijze verricht het KLPD deze taken ter ondersteuning van de hele Nederlandse politie of andere (bijzondere) handhavingdiensten. Hiertoe behoren bijvoorbeeld taken van de politie Luchtvaartdienst, de dienst Levende Have, de dienst Logistiek en de dienst Specialistische Recherche toepassingen.

– Coördinerende taken. Uit hoofde van zijn coördinerende taken faciliteert het KLPD de samenwerking binnen de Nederlandse politie en andere handhavingdiensten. In de eerste plaats betreft dit de coördinatie van nationale en internationale opsporingsinformatie en datamodellering. Andere coördinerende taken liggen op het operationele vlak, zoals de coördinatie van de inzet van het Rampen Identificatie Team en de Bijzondere Bijstand Eenheid.

De bovengenoemde taken worden uitgevoerd door de twaalf operationele diensten van het KLPD hierbij ondersteund door vier concerndiensten en vier stafbureaus. Onderstaand worden de taken van de operationele diensten nader belicht. Tevens wordt in deze paragraaf een indicatieve relatie gelegd tussen de raming van de directe kosten 2004 per dienst naar de resultaatgebieden van het Informatiemodel Nederlandse Politie.

Diensten

– Dienst Nationale Recherche (i.o.). In het Strategisch Akkoord is vastgesteld dat de kernteams worden samengevoegd tot een Nationale Recherche, gepositioneerd bij het KLPD en rechtstreeks aangestuurd door het Openbaar Ministerie (OM). Uit de evaluatie van de kernteams is gebleken dat op dit punt verbeteringen noodzakelijk en mogelijk zijn. Ook beheersmatig wordt met deze oplossing veel eenduidigheid bereikt. De samenvoeging beoogt een efficiëntere inzet van capaciteit en een eenduidige aansturing. De Nationale Recherche wordt gevormd door de huidige zes kernteams alsmede het Landelijk Recherche Team (LRT), de Unit Synthetische Drugs, de Unit Mensensmokkel en de XTC-teams en worden beheersmatig ondergebracht bij het KLPD. De dienst Recherche Onderzoek wordt hierbij begrepen. De Nationale Recherche wordt gedeconcentreerd gehuisvest. Voor deconcentratie is gekozen op grond van overwegingen op het gebied van informatie-uitwisseling, samenwerking met de politieregio's, het personeelsbeleid, effectiviteit en efficiency. De dienst opereert specifiek op het terrein van de bestrijding van zware en/of georganiseerde criminaliteit. Deze vormen van criminaliteit zijn een ernstige bedreiging van de rechtsorde binnen Nederland en/of in internationaal verband. Het OM stelt de onderzoeksprioriteiten vast, de driehoek van het KLPD (OM, BZK, KLPD) zorgt voor de uitvoering en capaciteitstoedeling. De Nationale Recherche zal in 2003 feitelijk operationeel zijn. Per 1 januari 2004 zal de Nationale Recherche beheersmatig zijn onderbracht bij het KLPD. In deze begroting is de overheveling van bijdragen en kosten budgettair neutraal opgenomen.

– Dienst Specialistische Recherche Toepassingen (DSRT). Met tactische en technische expertise ondersteunt de dienst op een innovatieve wijze de Nederlandse politie en andere opsporingsinstanties op het terrein van de bestrijding van zwareen georganiseerde criminaliteit en speelt daarbij in op politieke en/of maatschappelijke veranderingen.

– Dienst Internationale Netwerken (DIN). In de internationale opsporingsketen levert de dienst een bijdrage aan de internationale rechtshandhaving door het ontwikkelen van expertise en het fungeren als centrale, controlerende en coördinerende instantie bij alle vormen van rechtshulp(verzoeken). Daarnaast vervult zij de coördinerende en adviserende rol en vertegenwoordigt zij de Nederlandse politie voor internationale operationele politiesamenwerking.

– Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI). De laatste jaren heeft de dienst een toenemende rol verkregen in de aanpak van de regio-overschrijdende middencriminaliteit en de ernstige vormen van criminaliteit met een grote maatschappelijke impact, alsook in de analyse van veiligheidsrisico's. Hoewel er ook internationale activiteiten worden verricht, zijn die altijd te herleiden naar een bijdrage aan de Nederlandse rechtsorde. Het karakter van de bijdrage is gericht op het verstrekken van gegevens en informatie, het ter beschikking stellen van kennis en expertise en het doen van beleidsadvisering aan die actoren in de keten, die daarmee op effectieve en efficiënte wijze de criminaliteit kunnen bestrijden.

– Dienst Verkeerspolitie. De dienst richt zich vooral op de verbetering van de mobiliteit en veiligheid van verkeer en vervoer op het hoofdwegennet. Ook wordt aan de beperking van de milieubelasting, veroorzaakt door verkeer en vervoer, evenals de voorkoming en beheersing van de verkeersvervoerscriminaliteit veel aandacht besteed.

– Dienst Waterpolitie. De Waterpolitie richt zich met name op de bevordering van de veiligheid, de beperking van de milieubelasting en de beheersing van de vaartuig- en transportcriminaliteit te water. Tevens wordt nautische ondersteuning verleend aan regionale politiekorpsen en andere relevante partners zowel nationaal als internationaal.

– Dienst Spoorwegpolitie. De kerntaken van de Spoorwegpolitie richten zich naast de algemene veiligheid op het voorkomen van en optreden tegen incidenten en inbreuken op het systeem van betaald openbaar vervoer, het voorkomen en onderzoeken van incidenten en/of ongevallen met een strafrechtelijk of ordeverstorend karakter. Het voorkomen van en optreden tegen incidenten die de veiligheid en leefbaarheid in en nabij de stations en in de treinen verstoren met het doel het (sociale) veiligheidsgevoel van reizigers en treinpersoneel te verhogen.

– Dienst Luchtvaartpolitie. De dienst levert luchtsteun aan de Nederlandse politie, gebruik makend van een luchtvloot en hoogwaardige technische opsporingsmiddelen. De dienst richt zich op het strafrechtelijk afhandelen van luchtvaartongevallen, het adviseren, voorlichten, toezien op en controleren van de luchtvaartregelgeving.

– Dienst Operationele Ondersteuning en Coördinatie. Voor de behoeften van de openbare orde en de veiligheidsdiensten wordt specifieke of specialistische ondersteuning geboden, die niet door andere publieke of private partijen geleverd kan worden en/of om efficiencyredenen bij haar zijn ondergebracht. De dienst heeft een leidende rol bij specialistische operationele ondersteuning, coördinatie en informatie.

– Dienst Levende Have Politie. De dienst richt zich voornamelijk op het ter beschikking stellen van beredenen, praktijkgerichte opleidingen aan personeel en het africhten van honden en paarden. Daarnaast wordt door het beschikbaar stellen van paarden en speur- en surveillancehonden een op de vraag afgestemde bijdrage geleverd aan de openbare orde en veiligheid, de criminaliteitsbestrijding en de handhaving van de rechtsorde.

– Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB). De Nederlandse Staat heeft belang bij de veiligheid van publieke personen met een nationaal en/of internationaal afbreukrisico. De zorg voor deze veiligheid heeft een wettelijke basis en is gestoeld op opdrachten van Justitie met betrekking tot andere daartoe aangewezen (diplomatiek) personen. De vraag naar persoonsbeveiliging is in de afgelopen jaren fors toegenomen. De verwachting bestaat dat ook in de komende jaren deze vraag verder zal toenemen. De dienst DKDB draagt zorg voor een maximale beveiliging met minimale inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van deze personen. De mate van beveiliging is afhankelijk van de opdracht en de risicoanalyse. In de begroting is rekening gehouden met uitbreiding van de capaciteit op basis van de beschikbaar gestelde gelden in het kader van het nieuwe stelsel van beveiligen.

– Dienst Logistiek. Deze dienst is het facilitaire bedrijf van en voor de Nederlandse politie. Naast in- en verkoop alsmede distributie vindt ontwikkeling, advisering en bemiddeling plaats voor kleding, uitrusting, wapens, munitie, voertuigen en politieapparatuur. In het dienstenpakket is tevens opgenomen het inspecteren en repareren van de wapens van de Nederlandse politie en het vervoer, de bewaring en vernietiging van gerechtelijke wapens, het landelijke transport van DNA en het vervoer stukken van overtuiging naar het Nederlands Forensisch Instituut.

Indicatieve kostentoerekening per dienst naar resultaatgebied

De doelstellingen en activiteiten onderverdeeld binnen het Informatiemodel Nederlandse Politie laten zich voor 2004 in (directe) kostenraming (indicatief) als volgt toerekenen (x € 1 mln):

TAAKVELDVeiligheidLeefbaarheidMaatschap-pelijke integriteitDienstverleningBijzondere politietakenTotaal
Dienst    BeveiligingWater, Lucht, Levende haveRecherche-onder-zoeken 
Nationale recherche (incl DRO)0,41,0 0,70,3 63,866,2
SRT0,20,70,90,61,7 17,021,1
NRI1,23,11,59,3*  13,6*28,7
Internationale netwerken  0,211,10,2  11,5
Verkeerspolitie0,93,827,40,61,5  34,2
Waterpolitie1,83,11,10,30,120,0 26,4
Spoorwegpolitie4,66,92,714,1   28,3
Luchtvaartpolitie0,90,2 1,00,28,30,811,4
Levende Have0,72,41,30,20,33,30,58,7
Operationele Coördinatie0,80,110,49,4 0,10,120,9
DKDB 0,6 1,822,3  24,7
Logistiek   7,6   7,6
RST  1,49,5   10,9
Subtotaal operationeel11,521,946,966,226,631,795,8300,6

* In de loop van 2003 zal bij de toerekening ook aandacht besteed worden aan de bijzondere politietaak beveiliging.

De vorenstaande indicatieve toerekening heeft plaatsgevonden op basis van de voorlopige kaderbepaling 2004 naar de diensten en een indicatie van de tijdsbesteding.

Aansluiting met de onderhavige lastenbegroting

De totale directe lasten voor de voornoemde resultaatgebieden omvatten een totaalbedrag van € 300,6 mln. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de onderstaande nog toe te rekenen (in)directe kosten.

OmschrijvingBedrag
Direct toegerekende kosten naar resultaatgebieden300,6
opleidingskosten aspiranten incl werving en overhead4,2
nog toe te rekenen personeelskosten decentrale diensten1,0
nog toe te rekenen afschrijving en rente18,7
centrale ICT-kosten t.b.v. decentrale diensten21,1
kosten C2000pm
centrale facilitaire kosten12,9
korpsbrede bijdragen en activiteiten5,0
postactieven0,5
centrale projecten4,0
overige kosten waaronder beheer en management37,5
stelpost indirecte kosten kernteams (w.o. beheer en overhead)5,2
stelpost beheer uitbreiding beveiliging (w.o. beheer en overhead)0,9
subtotaal411,6
waarvan voorziening reorganisatie en TOR– 4,3
aansluiting met de lastenbegroting 2004407,3

1.2. Beheer

Mede naar aanleiding van de aankondiging van de Algemene Rekenkamer in het Rapport bij de financiële verantwoording 2000 dat zij een bezwaaronderzoek zal uitvoeren bij het KLPD, zijn in de jaren 2001–2003 maatregelen binnen het KLPD getroffen op het gebied van beheer. In het kader van de korpsbrede reorganisatie is tevens de organisatie van het beheer heringericht. Verder is in 2001 een Programma Integrale Verbetering Bedrijfsvoering KLPD gestart. In het eerste jaar van het Programma Integrale Verbetering Bedrijfsvoering KLPD is een aantal urgente beheersmatige financiële knelpunten opgelost, is de sturingsrelatie met BZK vastgelegd in een regeling Agentschap KLPD inclusief informatieprotocol en is een start gemaakt met een korpsbreed AO/IC-traject. In 2002 en 2003 is de aandacht vanuit het programma verder uitgebreid naar de verbetering van de bedrijfsvoering van alle concerndiensten en de desbetreffende stafbureau's.

Naar huidig inzicht zullen eind 2003 de geconstateerde knelpunten op het gebied van beheer grotendeels zijn opgelost en zal het Programma Integrale Verbetering Bedrijfsvoering KLPD worden beëindigd. In 2004 zal de verdere verbetering van het beheer binnen het KLPD door de staande organisatie worden opgepakt. Verdere optimalisatie van de samenwerking op het gebied van beheer, binnen de verschillende beheersdiensten enerzijds en met de operationele diensten anderzijds, is een belangrijk aandachtpunt. Het traject van Europese aanbestedingen krijgt verder ruim aandacht.

2. Totaal overzicht van baten- en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004
Baten-lastendienst KLPD2002200320042005200620072008
Baten       
opbrengst moederministerie303 662315 347368 789373 262384 655384 834384 834
opbrengst overige ministeries7 38017 98213 9189 6638 5848 5848 584
opbrengst derden6 18422 38023 44027 33127 51727 47027 131
rentebaten589000000
buitengewone baten4 292000000
exploitatiebijdrage02 0171 2003503003000
Totaal baten322 107357 726407 347410 606421 056421 188420 549
        
Lasten       
apparaatskosten       
* personele kosten216 401254 256283 234282 672286 941285 181284 033
* materiële kosten67 03077 42785 05884 53585 88285 58685 912
rentelasten3 6145 9277 6527 7807 8757 8867 758
afschrijvingskosten       
* materieel19 25626 42835 61138 78842 30544 18643 575
* immaterieel0000000
dotaties voorzieningen18 600– 6 388– 4 296– 3 305– 2 057– 1 796– 836
buitengewone lasten0000000
Totaal lasten324 901357 650407 259410 470420 946421 043420 441
        
Saldo van baten en lasten– 2 7947688136110145108

In 2002 zijn voorzieningen getroffen voor de reorganisatiekosten en kosten TOR. In de jaren 2003 tot en met 2005 worden de reorganisatiekosten genomen, terwijl de voorziening TOR doorloopt tot en met het jaar 2009.

Zoals uit vorenstaand overzicht blijkt, geven de begroting 2004 en de meerjarencijfers tot en met 2008 in meerjarig perspectief een sluitend resultaat, waarbij is opgenomen:

– Vorming Nationale Recherche. Per 1 januari 2004 wordt de Nationale Recherche beheersmatig ondergebracht bij het KLPD. In deze begroting is de overheveling van bijdragen en kosten budgettair neutraal opgenomen. De kosten voor de Nationale Recherche worden specifiek ten laste van de hiervoor bestemde bijzondere bijdrage verantwoord. Een in een uitvoeringsjaar eventueel te realiseren resultaat wordt, conform regelgeving, separaat opgenomen in de balans. De incidentele kosten en financiering (2004) voor de vorming van de Nationale Recherche zijn nog niet verwerkt.

– Uitbreiding Nationaal Opsporing en Vervolging Oorlogsmisdrijventeam (Novo). In de meerjarenraming is een sterkte-uitbreiding van 20 fte opgenomen onder gelijktijdige inboeking van een verhoging van de bijdrage hiervoor.

– Maatregelen ten behoeve van de dienst persoonsbeveiliging. De vraag naar persoonsbeveiliging is vanaf 2001 fors toegenomen. De verwachting bestaat dat ook in de komende jaren deze vraag verder zal toenemen. In de begroting is rekening gehouden met uitbreiding van de capaciteit op basis van de beschikbaar gestelde gelden in het kader van het nieuwe stelsel van beveiligen.

– Sociale veiligheid. De gemiddelde sterkte van de dienst spoorwegpolitie zal, gelet op inrichting van 3 teams Veel Voorkomende Criminaliteit (VVC-team) de komende jaren toenemen.

– Continuering van het project samenwerken aan bereikbaarheid (SWAB). In de meerjarenraming is rekening gehouden met de aanname dat het convenant met V&W zal worden verlengd.

– Uitbreiding Recherche Samenwerking Nederlandse Antillen (RST). In de begroting en meerjarenraming is rekening gehouden met de voorgenomen uitbreiding van de capaciteit van het RST voor ondermeer intensivering van onderzoeken.

– Uitbreiding, verbetering huisvesting. De groei van de sterkte van het KLPD enerzijds en de Arbo-wetgeving anderzijds maakt een uitbreiding en verbetering in huisvesting noodzakelijk.

– Landelijke ICT-ontwikkeling. In de meerjarenraming is mede onder verwijzing naar de rapportage Onderzoek kosten regionale politiekorpsen rekening gehouden met een toename van exploitatiekosten ICT. Vooruitlopend hierop dient de basis Korpsinfrastructuur omgebouwd te worden naar het ontwerp van de toekomstige nutsvoorziening Nederlandse Politie. De initiële kosten doen zich voor in 2003/2004; de structurele meerkosten vanaf 2004.

– Nieuwe Luchtvloot. In de begroting en meerjarenraming is zowel in de exploitatie als afschrijving en rente rekening gehouden met de uitlevering van 8 nieuwe helikopters bij de dienst luchtvaartpolitie. Indien het uitleveringsschema zal wijzigen zal aanpassing van de kostenraming plaatsvinden.

– Verbindingsnetwerk C2000. Op basis van de huidige inzichten en calculaties is, in zowel de investeringensfeer als de exploitatie, rekening gehouden met de uitrol van het nieuwe verbindingsnetwerk C2000 evenals de ontmanteling van de bestaande netwerken (Alex 90 het Netwerk Spoorwegpolitie). In de begroting zijn vooralsnog de meerkosten bugettair neutraal opgenomen. Overleg hierover met BZK is gaande.

– Opleiding aspiranten. Gelet op de gemaakte afspraken tussen alle politiekorpsen over het werven van personeel bij andere politiekorpsen (het zgn. gentlemen-agreement) en de relatief onevenwichtige leeftijdsopbouw binnen het korps, is vanaf 2001 de werving/selectie alsmede het opleiden van aspiranten zelf ter hand genomen. In de begroting wordt rekening gehouden met jaarlijks 120 aspiranten, waarvoor een bijdrage voor 60 aspiranten op jaarbasis wordt ontvangen van BZK.

In deze begroting is nog geen rekening gehouden met de overdracht van personeel en middelen ten behoeve van de inrichting van de Coöperatieve vraag en aanbod organisatie (ISC/CIP). Eveneens heeft in de raming nog geen vertaling plaats gevonden van de meerkosten die zullen gaan ontstaan in verband met het Voorzitterschap EU in 2004.

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

Opbouw baten moederministerie. De bijdrage moederministerie, zie artikel 2.3 van de BZK-begroting, is opgebouwd uit een algemene bijdrage en een aantal doeluitkeringen. De bijdrage moederministerie vormt circa 83% van de totale batenbegroting. In onderstaande tabel wordt de opbouw moederministerie weergegeven:

Totaal Bijdrage BZK2002200320042005200620072008
OW 2003 (algemene en bijzondere bijdrage) 278 195277 513278 531279 413279 413279 413
Mutaties 21 47220 57223 61233 15433 32233 322
mutaties bijzondere bijdrage 5 18059 80460 21961 18861 19961 199
Overige Bijdragen BZK 10 50010 90010 90010 90010 90010 900
Totaal Bijdrage BZK303 662315 347368 789373 262384 655384 834384 834

De bijdrage moederministerie is opgebouwd vanuit de stand ontwerpbegroting 2003, aangevuld met de mutaties voorjaarsnota. In bovengenoemde bijdrage is nog geen rekening gehouden met bijdragen waarover nog overleg gaande is. Gelet op het feit dat hiervoor wel kosten bestaan, zijn deze bijdragen in de opstelling bijdragen derden en overige opbrengsten separaat geraamd.

Hiernaast ontvangt het KLPD een bijzondere bijdrage voor de taak Recherche Samenwerking Nederlandse Antillen (RST), zie ook de begroting van Koninkrijkrelaties (IV).

In de begroting en meerjarenraming is met betrekking tot RST rekening gehouden met een ophoging van de bijdrage ten behoeve van een vergroting van de capaciteit voor de intensivering van onderzoeken. De bestaande rechtspositieregeling voor langdurige uitzending van politiepersoneel wordt momenteel herzien. Nog geen rekening is gehouden met de effecten hiervan.

Opbouw baten overige ministeries

Totaal Bijdrage overige ministeries2002200320042005200620072008
Totaal gelabelde doeluitkeringen MvJ 11 4278 8678 5748 5848 5848 584
Totaal overige bijdragen 000000
Totaal Bijdragen V&W 6 5555 0511 089000
Totaal Bijdragen overige ministeries7 38017 98213 9189 6638 5848 5848 584

Van Justitie worden (doel)uitkeringen ontvangen voor onder meer de beveiliging van het ICTY (Joegoslavië-tribunaal), de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit, Informatie en Analysecentrum Mensensmokkel (IAM) en voor de apparaatskosten van de bijzondere bijstandseenheid (BBE). De bijdrage voor LRT (€ 2,5 mln) is vanaf 2004 meegenomen in de bijdrage vanuit het moederministerie.

De doeluitkeringen van V&W zijn bestemd voor de bevordering van verkeersveiligheid en doorstroming van verkeer op het hoofdwegennet. Het betreft hier de bijdrage voor Samenwerken aan bereikbaarheid (SWAB) en Weight in Motion (Wim. NL). In de bijdrage SWAB is rekening gehouden met het basis convenant tot 2003, aangevuld met de verlenging van deze werkzaamheden tot en met 2004. In de post opbrengsten derden en overige opbrengsten is geraamd dat de taak ten behoeve van SWAB zal worden gecontinueerd. Gelet op het feit, dat hier sprake is van specifieke doeluitkeringen wordt in de begroting uitgegaan van een budgettair neutraal karakter. Een in een uitvoeringsjaar eventueel te realiseren resultaat zal, conform afspraak, worden opgenomen in de balans.

Opbouw bijdragen derden

Bijdragen Derden BZK200320042005200620072008
Bekostiging aspiranten1 9652 1702 4152 5192 5192 519
Taakstelling Logistiek4 538
Recherche magazine454454454454454454
TOR282494704786739400
Bolkesteingelden227227227227227227
Landelijk loket horizontale fraude (LLHF)227227227227227227
Liasions VS227227227227227227
Ambassaderaad186186186186186186
Verhoging bijdrage interpol148148148148148148
Bijdrage samenw. KLPD-regio's7777    
Bijdrage Europese regionale conferentie (ERC)21     
Totaal BZK8 3524 2104 5884 7744 7274 388
       
Andere ministeries      
Verlenging convenant SWAB (V&W)003 5003 5003 5003 500
BVOM (JUST)3 4253 4253 4253 4253 4253 425
Uitbreiding Novo (JUST)1 7001 7001 7001 7001 7001 700
Gedragsdeskundige Zeden (JUST)909090909090
Landelijk Parket financieel rechercheren (JUST)909090909090
Sweepen ambassade (BUIZA)270270270270270270
Prijsbijstelling RGD (VROM)550550550550550550
Totaal andere ministeries6 1256 1259 6259 6259 6259 625
       
Diversen      
Marge en doorberekening logistiek2 6607 6387 6387 6387 6387 638
Bijdrage Landelijke milieugroep (LMG)900900900900.900900
Landelijk telefoonnummer Politie815839839839839839
Edison/Vis766766766766766766
Participanten Tap-faciliteit387387387387387387
Project M356462462462462462
Pit326326326326326326
EER272272272272272272
LICC454545454545
Diverse opbrengsten260250250250250250
Doorbelasting vluchten Rotterdam200200200200200200
Twinning180180180180180180
Landelijk platform vuurwapens170170170170170170
bijdrage C2000 participanten121670683683683683
Saop19500000
Vordering luchtvloot25000000
Totaal diversen7 90313 10513 11813 11813 11813 118
Totaal Generaal DERDEN22 38023 44027 33127 51727 47027 131

De raming bijdragen derden bestaat uit zogenaamde bijdragen onderweg en overige opbrengsten. De bijdragen onderweg zijn te beschouwen als nog te ontvangen bijdragen, waarover (nagenoeg) overeenstemming bestaat dan wel overleg gaande is. Na formele afwikkeling kunnen deze bijdragen worden overgeboekt naar de bijdrage moederministerie of de bijdrage overige ministeries. Hiernaast zijn posten opgenomen waarover meer sluitende afspraken noodzakelijk zijn, doch, waarvan in het kader van de uit te voeren taken aangenomen wordt dat deze in de begroting tot baten zullen leiden. Ten slotte zijn hierin ook baten opgenomen die beschouwd dienen te worden als opbrengsten. Deze ontstaan door middel van facturering.

Zoals uit vorenstaand overzicht blijkt wordt in meerjarig perspectief ruim driekwart van deze baten verklaard door de navolgende posten:

– bekostiging aspiranten,

– taakstelling Logistiek,

– verlenging van het convenant SWAB,

– bijdrage van het OM voor snelheidshandhaving,

– uitbreiding Novo.

Opbouw exploitatiebijdrage. Onder de post exploitatiebijdragen, is in het kader van de herstructurering van de bedrijfsvoering spoorwegpolitie, een bijdrage opgenomen.

2.1.2. Lasten

Personele lasten. De huidige kostenbegroting van het KLPD bestaat voor 67% uit personele kosten. Hiervan heeft circa 85% betrekking op de salarissen en sociale lasten.

Personeelskosten totaal2002200320042005200620072008
Salarissen, toelagen sociale lasten 197 736236 211237 235238 797237 522236 565
Verhaal personeelskosten – 3 585– 1 745– 1 497– 1 248– 1 248– 1 248
salariskosten -/- doorberekening 194 151234 466235 738237 549236 274235 317
Opleiding en vorming 7 3949 0349 42711 74811 70611 645
Overige personeelskosten 26 76829 23429 70729 84430 10129 970
Postactieven 943500300300100100
Personeelskosten eigen personeel 229 256273 234275 172279 441278 181277 032
Personeel van derden 25 00010 0007 5007 5007 0007 000
Totaal Personeelskosten216 401254 256283 234282 672286 941285 181284 032

De personele kosten zoals deze voor 2004 en in meerjarig perspectief zijn geraamd geven, binnen de totale raming aan personeelskosten een verschuiving te zien. Dit wordt verklaard door:

– een toename van de geraamde sterkte. In de navolgende tabel wordt inzicht verschaft in de geraamde meerjarensterkte;

– een daling van de gemiddelde loonsom als gevolg van de instroom aspiranten. Gelet op de gemaakte afspraken tussen alle politiekorpsen over het werven van personeel bij andere politiekorpsen (het zogenaamde gentlemen-agreement); en de relatief onevenwichtige leeftijdsopbouw binnen het KLPD, is vanaf 2001 besloten zelf de werving/selectie alsmede het opleiden van aspiranten ter hand te nemen. In de meerjarenraming is rekening gehouden met een dalend gemiddelde loonsom;

– een toename van kosten voor opleiding en vorming. In het onderzoek Bekostiging KLPD is vastgesteld dat het KLPD op het gebied van opleidingskosten, in relatie tot de regionale korpsen, gemiddeld per fte, een lager kostenpatroon voordoet. In de komende jaren zal een intensivering van opleiding gaan plaatsvinden;

– een daling van kosten voor inhuur personeel derden. Om enerzijds de groei in sterkte te kunnen financieren en anderzijds de toekomstige vorming van de ISC/CIP gestalte te kunnen geven, is het noodzakelijk en bestaat de mogelijkheid om in meerjarig perspectief een aanzienlijke kostendaling te realiseren met betrekking tot de inhuur van personeel derden.

In de post overige personeelskosten is de voorgenomen toename van het budget van RST volledig opgenomen. Tevens is in deze post rekening gehouden met de effecten van de Nationale Recherche.

In het navolgende overzicht is een opbouw gegeven van de sterkte. De sterkte is opgebouwd vanuit de basisformatie zoals deze is opgenomen in de organisatiebeschikking 2002. Hierop vindt aanpassing plaats voor de taken waarvoor aanvullende gelden worden verkregen.

In deze opstelling heeft tevens de verwerking plaatsgevonden van de aanvullende budgetten politie ten behoeve van de zogenaamde blauwe diensten, de toevoeging van de bestaande formatie vanuit voor de kernteams en de toevoeging ten behoeve van het nieuwe stelsel van beveiliging. Tevens is opgenomen de capaciteit die voortkomt uit werktijdverlenging en de aspiranten. Ten slotte is opgenomen de, uit de voorzieningen gedekte sterkte (reorganisatie en Tor).

Ten aanzien van de uitbreiding van de formatie van het KLPD ten behoeve van de vorming van de Nationale Recherche is in de begroting aangesloten bij de bestaande formatie van de kernteams, XTC, USD en UMS zoals deze in 2003 door de regiokorpsen is vastgesteld. De gemiddelde bezetting 2002 gaf een onderbezetting te zien van circa 100 fte. Gestreefd wordt om in 2004 de feitelijke bezetting conform de formatie te hebben ingevuld. Nadat de feitelijke beheeroverdracht in 2004 zal zijn gerealiseerd, kan op basis van de dan verkregen informatie met betrekking tot de feitelijke kosten nader worden vastgesteld naar welk niveau de definitieve meerjarige formatie zich kan ontwikkelen.

Opbouw sterkte KLPD in relatie tot geraamde bezetting (fte op basis van 36 uur)2002200320042005200620072008
Structurele basisformatie (OW 2003)3 3143 3143 3143 3143 3143 3143 314
SWAB93939393939393
Terreurgelden91101101101101101101
112 centrale43434343434343
WIM NL42424242424242
Harm2222     
BVOM30303030303030
LTP19191919191919
LMG12121212121212
RVTV-overige kamers10101010101010
wapeninspecteurs10101010101010
Bolkestein4444444
Focus444PMPMPMPM
Buiza Sweepen3333333
LARA22     
Liasion Nrd America, xtc-gelden2222222
Vuurwapenactiviteiten2222222
Gedragsdesk moord/zeden & fin rech land parket2222222
Twinning2222222
Vliegers Rotterdam2222222
LICC1111111
Totaal formatierapport (2002)3 7103 7203 6963 6923 6923 6923 692
aanpassing dynamische en statische beveiliging16161616161616
subtotaal3 7263 7363 7123 7083 7083 7083 708
Verhoging 1-1-2 333333
uitbreiding veiligheidsenveloppe0183059898989
project Meldpunt Misdaad anoniem1688888
Landelijke loket horizontale fraude 444444
Vervoer DNA 233333
overkomst formatie kernteams, XTC, UMS, USD vanuit Regio's*  663663663663663
Uitbreiding Novo  2020202020
Inbedding C2000  77777
cie v/d Haak (beleid en expertise) 72530303030
cie v/d Haak (persoonsbeveiliging, incl overhead) 103945454545
Totaal capaciteit taken3 7273 7864 5144 5504 5804 5804 580
Aspiranten112135120120120120120
interne blokkade aspiranten– 39– 45– 40– 40– 40– 40– 40
Aantal Tor fte's (70% deelname) 5373921029570
ambtenaren t.l.v. reorganisatievoorziening 603716000
werktijdverlening 36–38 uur98989898989898
Werktijdverlenging (38/40)1430     
Gedetacheerd personeel6053155   
Totaal3 9724 1704 8174 8414 8604 8534 828

* De toevoeging formatie kernteams betreft de voorlopige formatie zoals deze is vastgesteld op basis van inventarisatie 2003.

De vorenstaande sterkte, verminderd met het natuurlijke verloop, sluit aan bij de raming voor salarissen toelagen en sociale lasten.

Exploitatie lasten

Omschrijving2002200320042005200620072008
Huisvesting 11 97812 98913 11113 67513 65313 586
Huisvesting RGD 18 76223 09123 79423 44323 40523 290
Voertuigen 8 68310 58310 68310 74510 72710 674
Vliegtuigen/heli's 2 1082 5002 5002 5002 5002 500
Vaartuigen 2 0502 2252 2252 2252 2252 225
Verbindingen 2 8455 0071 2004 3454 3454 345
Automatisering 13 90114 43214 95616 11716 09116 788
Geweldsmiddelen 1 6771 9241 9421 9541 9501 941
Operationele activiteiten 16 84619 93120 10820 22920 19720 104
Tijdelijke taakstelling – 1 423– 6 254– 4 354– 7 802– 7 802– 7 802
Totaal 77 42785 05884 53585 88285 58685 912
Rente 5 9277 6527 7807 8757 8867 758
Afschrijvingen 26 42835 61138 78842 30544 18643 575
Totaal89 900109 782128 321131 103136 062137 658137 245

De exploitatiekosten zullen de komende jaren toenemen als gevolg van de navolgende ontwikkelingen:

– Huisvesting. De huisvestingskosten bestaan uit algemene huisvestingskosten en kosten huren RGD. In de begroting is rekening gehouden met een toename van kosten als gevolg van de groei in sterkte en verbetering op grond van naleving Arbowetgeving.

In 2003 is door het KLPD een strategische nota huisvesting opgesteld. Afhankelijk van de keuzes hierin en de besluitvorming hierover kunnen de kosten in meerjarig perspectief wijzigen.

– Vervoermiddelen. De kosten vervoermiddelen bestaan uit de kosten onderhoud en brandstof van voertuigen, vaartuigen en vliegmiddelen. In de begroting is rekening gehouden met een toename van kosten voor voertuigen die samenhangt met de groei in sterkte, voor vaartuigen als gevolg van een toename van het aantal vaaruren en een toename van kosten voor vliegmiddelen als gevolg van de uitlevering van een nieuwe luchtvloot.

– Verbindingen. Op basis van de huidige inzichten en calculaties is, in zowel de investeringensfeer als de exploitatie, rekening gehouden met de uitrol en implementatie van het nieuwe digitale communicatie en verbindingsnetwerk C2000. In de begroting is rekening gehouden met de navolgende aannames: voor de jaren 2004 en 2005 wordt er gelet op de korting op de bijdrage van uitgegaan dat de aansluitkosten centraal worden gefinancierd. Vanaf 2006 komen de aansluitkosten ten laste van KLPD. In 2004 en 2005 bestaan er ontmantelingkosten Alex-90 en netwerk spoorwegpolitie. Gelet op de huidige discussie met BZK inzake de financiering zijn de meerkosten alsmede die behoren bij de rente en afschrijvingen geëlimineerd. De kosten zijn onder het kopje «tijdelijke taakstelling» in mindering gebracht op de totale kostenbegroting.

– Automatisering. In 2003 is door de Raad van Hoofdcommissarissen de begroting vastgesteld voor de landelijke ICT-ontwikkelingen. In de meerjarenraming is mede onder verwijzing naar de rapportage Onderzoek kosten regionale politiekorpsen rekening gehouden met een toename van exploitatiekosten ICT. Vooruitlopend op de vorming van de nieuwe vraag en aanbodorganisatie dient de basis Korpsinfrastructuur van het KLPD omgebouwd te worden naar het ontwerp van de toekomstige nutsvoorziening Nederlandse Politie. De initiële kosten doen zich voor in 2003/2004; de structurele meerkosten vanaf 2004. Ondanks het feit dat in de meerjarenraming, qua kostenontwikkeling, is gesteund op de uitkomsten uit het hiervoor genoemde onderzoek zal, gelet op de specifieke aard en taakstelling van het KLPD en de daarvoor benodigde ICT-technologie nader moeten worden vastgesteld of de geraamde verruiming binnen de begroting toereikend zal zijn om de toekomstige meerkosten op te vangen.

– Geweldsmiddelen, operationele activiteiten en beheer. De in de begroting opgenomen kostenstijging voor geweldsmiddelen, operationele activiteiten en beheer worden in zijn geheel verklaard door een stijging van de sterkte.

– Tijdelijke taakstelling C2000. Van een nadere toelichting wordt verwezen naar het onderdeel «Verbindingen».

Rente- en afschrijvingskosten. De kosten voor rente- en afschrijving stijgen de komende jaren aanzienlijk. De toename van deze kosten wordt veroorzaakt door de vervanging van de verouderde luchtvloot, de vervanging van het verbindingsnetwerk (C2000), de inpassing en de omschakeling naar een nieuwe basis Korps Infrastructuur en het meerjarige vervangingsplan vaartuigen. In de navolgende overzichten worden de rente en afschrijvingskosten in meerjarig perspectief nader onderverdeeld.

– Rentekosten. De financiering van alle investeringen vanaf 2000 dienen plaats te vinden door middel van een lening bij Financiën. Gegeven de afgesloten leningen (convenanten), de huidige aanvraag en de prognose geeft dit de onderstaande rentelast te zien (x € 1 000):

Rentekosten2002200320042005200620072008
Conversie + Spopo (gesloten convenant) 200867645429917585
Algemeen 2000 (gesloten convenant) 7374571961037750
Vaartuigen klein 2000–2003 44362922158
Vaartuigen groot 2000–2003 917931829728627525
lening 2002 (aanvraag) 000000
lening 2003 (aanvraag 1 3173 2143 9424 4974 8695 122
Helikopters (aanvraag) 4261 8321 8331 6381 4421 247
Vaartuigen klein (aanvraag) 000000
Vaartuigen groot (aanvraag) 381460462551643679
Provisie convenanten 974635373842
Totaal rentekosten3 6145 9277 6527 7807 8757 8867 758

– Afschrijvingskosten. Mede onder invloed van de vervanging van de luchtvloot, de vervanging van de grote vaartuigen, het verbindingsnetwerk en de basisinfrastructuur stijgen de afschrijvingskosten de komende jaren (x € 1 000):

Afschrijvingskosten2002200320042005200620072008
Geplande afschrijvingen 18 08214 45110 8627 4434 9803 219
Afschrijving algemeen 2002 1 8623 7243 7243 7242 7741 274
Afschrijving algemeen 2003 4 3148 6278 6278 6276 9133 607
Afschrijving algemeen 2004 03 1006 2006 2005 5873 764
Afschrijving algemeen 2005 003 3076 6136 6135 959
Afschrijving algemeen 2006 0003 4096 8206 820
Afschrijving algemeen 2007 00003 6177 234
Afschrijving algemeen 2008 000004 133
Afschrijvingen vaartuigen groot 1 2151 6161 7021 9232 5163 199
Afschrijvingen luchtvloot 9554 0934 3664 3664 3664 366
Totaal afschrijving19 25626 42835 61138 78842 30544 18643 575

Bekostigingsonderzoek. In 2002 is in het kader van de toekomstige bekostiging van het KLPD, op basis van de realisatie 2001, onderzoek gedaan naar de kosten van het KLPD. Hiervoor is een rapportage opgesteld. Aangegeven is dat binnen het KLPD een basiscomponent en een bovenregionale component zullen worden onderscheiden. De basiscomponent bestaat uit taken en bedrijfsvoeringaspecten die vergelijkbaar zijn met de taken en bedrijfsvoeringaspecten van de regionale politiekorpsen. De bovenregionale component heeft voornamelijk betrekking op de landelijke taken.

Er zijn ten opzichte van de regionale korpsen kostenverschillen geconstateerd. Deze zijn deels zijn toe te schrijven aan omgevingsfactoren, evenals aan bedrijfsvoeringaspecten. Over het algemeen zijn deze kosten verschillen goed te verklaren. Zoals uit onderstaand overzicht blijkt ontwikkelen de kosten zich ten opzichte van het basisjaar 2001, anders dan is vastgesteld in bekostigingsonderzoek. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in de geraamde kosten 2003 incidentele meerkosten aanwezig zijn die in meerjarig perspectief niet zijn meegenomen. Anderzijds zal de vervanging van de duurzame productiemiddelen van het KLPD, in de komende jaren tot aanmerkelijk hogere kosten leiden.

In onderstaand overzicht is de relatie tussen de uitkomsten uit het bekostigingsonderzoek (2001), de realisatie in het jaar 2002 en de meerjarenramingen 2003 en verdere jaren weergegeven:

Omschrijving20012002200320042005200620072008
Salariskosten/toelagen sociale lasten46 02047 75449 99649 93949 82949 80149 71249 772
overige personeelskosten5 4924 7447 7317 7227 9058 4148 4898 493
personeelskosten derden2 5555 8386 3212 1141 5751 5641 4651 473
materiele kosten16 62018 14119 93719 30518 67019 53819 54519 717
kosten afschrijving en rente7 7646 1898 1379 1479 78110 46510 89810 800
totaal gemiddelde kosten78 45182 66692 16688 22687 76189 78290 10990 254

3. Ontwikkeling eigen vermogen

Overzicht vermogensontwikkeling (in € 1 000)
Baten-lastendienst KLPD20012002200320042005200620072008
1.Eigen vermogen per 1 januari– 4 1949 1006 3066 3826 4706 6076 7176 862
          
2.Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar13 294– 2 7947688136110145108
          
 3a. Uitkering aan moederministerie        
 3b. Bijdrage moederministerie ter versterking van eigen vermogen        
 3c. Overige mutaties in eigen vermogen        
3.Totaal directe mutaties in eigen vermogen        
          
4.Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)9 1006 3066 3826 4706 6076 7176 8626 970

Gegeven het geprognosticeerde saldo van baten en lasten, zoals is opgenomen in de meerjarenbegroting zal het eigen vermogen in de jaren 2004 en 2008 licht toenemen tot € 7,0 mln. Het toegestane maximum bedraagt 5% over de gemiddelde omzet van de afgelopen drie jaren. Het eigen vermogen dient als buffer voor onverwachte en incidentele tegenvallers. Het verwachte eigen vermogen in 2004 komt in deze raming uit op 2% van het toegestane maximum.

In het gepresenteerde overzicht is nog geen rekening gehouden met de vermogensoverdracht vanuit de Regionale korpsen met betrekking tot de kernteams. Pas na opstelling van de verantwoording 2003, kan deze overdracht in de balans worden verwerkt.

4. Meerjarig Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst KLPD2002200320042005200620072008
1.Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)26 27026 06418 90013 04910 1225 8565 339
         
2.Totaal operationele kasstroom39 44219 43524 04231 62036 35839 53539 847
         
 3a. -/- totaal investeringen– 28 403– 97 333– 46 013– 35 047– 37 372– 38 143– 38 143
 3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen2 379pmpmpmpmpmpm
3.Totaal investeringskasstroom– 26 024– 97 333– 46 013– 35 047– 37 372– 38 143– 38 143
         
 4a. -/- eenmalige uitkering aan moederministerie       
 4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie       
 4c. -/- aflossingen op leningen– 18 395– 26 599– 29 893– 34 547– 40 624– 40 052– 40 052
 4d. +/+ beroep op leenfaciliteit4 77197 33346 01335 04737 37238 14338 143
4.Totaal financieringskasstroom– 13 62470 73416 120500– 3 252– 1 909– 1 909
         
5.Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)26 06418 90013 04910 1225 8565 3395 134
 (maximale roodstand € 0,5 mln)       

De stand rekening courant zal in de jaren 2004 tot en met 2008 dalen als gevolg van enerzijds afname van de voorzieningen en anderzijds een daling van de kortlopende schuld. Ook hierbij geldt dat in het gepresenteerde overzicht nog geen rekening gehouden met de verwerking van de effecten die voortkomen uit de beheeroverdracht van de kernteams.

5. Kengetallen

Batenlastendienst KLPDResultaat 2001Resultaat 2002Stand ontwerpbegroting 2003Ontwerp begroting 2004
Gemiddelde bezetting3 5343 6784 0674 730
Gemiddelde prijs per fte in €46 02847 97448 47549 939

BATEN-LASTENDIENST BPR

1. Algemeen

1.1. Taken en diensten

Wat willen we bereiken?

BPR (Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten) heeft als algemene beleidsdoelstelling te bevorderen dat de identiteit van de burger zorgvuldig wordt vastgesteld, vastgelegd en verstrekt ten behoeve van publieke dienstverlening.

Het gaat daarbij om de volgende, namens de Minister van BZK uitgevoerde taken:

– de voorbereiding van het beleid en de wet- en regelgeving ten aanzien van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) en reisdocumenten;

– de ontwikkeling en uitvoering van het kwaliteitsbeleid inzake de GBA en reisdocumenten;

– het geven van voorlichtingen en ondersteuning ten aanzien van de GBA en reisdocumenten aan burgers en overheden;

– het uitoefenen van controle op de ontwikkeling, productie en distributie van reisdocumenten;

– het bijhouden van een basisregister en een signaleringsregister reisdocumenten;

– de inning van de leges voor reisdocumenten;

– het beheer van het GBA-netwerk, inclusief de inning van de berichtkosten;

– de toetsing van de aangesloten GBA-systemen.

Wat gaan we daarvoor doen?

Het in stand houden en ontwikkelen van het GBA-stelsel zoals neergelegd in de wet GBA en het in stand houden en optimaliseren van de reisdocumentenketen zoals neergelegd in de paspoortwet.

Wat mag het kosten?

– De kosten voor het in stand houden en beheren van het GBA-stelsel worden doorberekend aan de gebruikers in de vorm van een kostendekkende prijs per bericht. Het GBA-tarief 2004 is in juli 2003 vastgesteld.

– De kosten voor het in stand houden van de reisdocumentenketen worden gedekt uit het tarief voor het reisdocument dat in juli 2003 vastgesteld zal worden. De activiteiten voor beleidsontwikkeling wet- en regelgeving GBA en reisdocumenten worden door BZK betaald.

1.2. Beheeractiviteiten

De beheeractiviteiten van BPR zijn in paragraaf 1.1 inhoudelijk reeds toegelicht.

1.3. Strategische Ontwikkelingsprojecten

Onder deze activiteiten komen de ontwikkelingsprojecten aan bod die van strategisch belang zijn, hetzij omdat ze betrekking hebben op zaken die op langere termijn grote impact hebben op de beheertaken van BPR, hetzij omdat zij invulling geven aan de strategische doelen van BZK. Voor een deel gaat het om (grootschalige) ontwikkel- en implementatieprojecten die bij BPR zijn belegd, voor een ander deel om beleidsdossiers waar BPR nauw bij betrokken is, maar waarvoor de verantwoordelijkheid bij andere eenheden ligt.

De projecten Modernisering GBA, Biometrie en Kiezen op Afstand worden verantwoord in de begroting van baten en lasten van BPR.

2. Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst BPR2002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst GBA-Beheer12 50110 40910 80010 80010 80010 80010 800
Opbrengst GBA-Beleid1 7252 1872 2431 2862 0972 0972 097
Opbrengst Reisdocumenten38 34231 12728 59627 75929 89233 71230 668
Opbrengst Modernisering GBA2 3323 2974 538    
Opbrengst EID/Biometrie2 4102 269     
Opbrengst Kiezen op afstand1 0004 6533 800    
Buitengewone baten       
Opbrengst       
Totaal baten58 31053 94249 97739 84542 78946 60943 565
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten4 2193 4744 1894 1894 1894 1894 189
* materiële kosten1 4261 3551 5481 5481 5481 5481 548
GBA-Beheer8 1467 7938 2008 2008 2008 2008 200
GBA-Beleid9381 4841 5816241 4351 4351 435
Reisdocumenten34 77728 94326 72525 88828 02131 84128 797
Modernisering GBA2 2612 4104 418    
EID95469     
Biometrie7552 099     
Kiezen op afstand7844 4423 558    
Totaal lasten54 26052 06950 21940 44943 39347 21344 169
        
Saldo van baten en lasten4 0501 873– 242– 604– 604– 604– 604

De baten voor GBA-beleid en Modernisering GBA komen voor € 6,781 mln uit artikel 7.4. Dit is exclusief Biometrie want dit bedrag is 0. De baten voor KOA komen uit artikel 7.2 voor een bedrag van € 3 800. De totale bijdrage van het moederministerie voor 2004 bedraagt derhalve € 10,581 mln.

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten

Opbrengst GBA Beheer. Betreft de aan de gebruikers van de GBA in rekening gebrachte berichten. Het opgenomen bedrag is gebaseerd op:

* 80 mln berichten;

* een tarief voor 2004 van € 0,135 per bericht.

Opbrengst GBA-Beleid. Het CBS participeert als enige afnemer van de GBA niet in het financieringsmodel GBA. Voor het berichtenverkeer ten behoeve van het CBS wordt van BZK een bijdrage van € 0,608 mln ontvangen. Aangezien eventuele verschillen tussen deze bijdragen en de werkelijke kosten door BPR zelf moeten worden betaald, is dit verantwoord onder GBA-Beleid.

Voor het reguliere beleid GBA wordt een bijdrage van € 0,735 mln ontvangen van BZK door BPR.

Opbrengst Reisdocumenten. Betreft de aan uitgevende instanties in rekening gebrachte reisdocumenten. Uitgegaan is van de door BPR in de kaderbrief opgenomen ontvangsten reisdocumenten.

Opbrengst Modernisering GBA. Voor het project Modernisering GBA zijn in 2001 claim gelden toegekend voor de periode 2001–2004. Voor 2004 is dit een bedrag van € 4,538 mln.

Opbrengst Biometrie. Voor het project Biometrie zijn nog geen gelden toegekend voor 2004 ev.

Opbrengst KOA. Voor het project Kiezen Op Afstand is € 3,8 mln beschikbaar. KOA wordt verantwoord onder artikel 7.2.

2.1.2. Lasten

De lasten van BPR worden verantwoord onder de vijf hoofdproducten. De lasten zijn gesplitst in personele, materiele en overige lasten.

Personele kosten. De geraamde loonkosten zijn gebaseerd op de vastgestelde vaste formatieve bezetting van 60 fte.

De kosten zijn doorberekend naar de verschillende hoofdproducten. Basis voor de doorberekening is de relatieve inzet van alle personeelsleden binnen een organisatorisch onderdeel ten behoeve van de verschillende hoofdproducten. De personele kosten worden herleid naar personeelsleden en vervolgens toegerekend aan het organisatorisch onderdeel waartoe een personeelslid behoort.

De kosten voor extern personeel zijn gebaseerd op de geraamde extra inzet in 2004 ten gevolge van vervanging door ziekte of vacatures en voor incidentele werkzaamheden.

De kosten voor opleiding en werving en de reiskosten zijn gebaseerd op ervaringscijfers.

Materiele kosten. Basis voor de doorberekening aan de hoofdproducten is dezelfde als voor personele kosten. Huur, service- en huisvestingskosten naar rato van het gebruik van de ruimte; kantoorkosten naar rato van het aantal formatieplaatsen. Aan de projecten zal op basis van het DAR tarief de kosten in rekening gebracht worden.

De huur heeft betrekking op de kale huurprijs voor de kantoorruimte aan het Lange Vijverberg. Onder servicekosten vallen alle met het huurcontract samenhangende kosten, zoals beveiliging, catering en huur parkeerplaatsen. De huisvestingskosten omvatten de ten laste van de huurder zelf komende kosten, zoals water, elektra en schoonmaken.

De kantoorkosten hebben betrekking op kantoorartikelen, computerbenodigdheden, onderhoud aan hard-software en aan kantoormachines, porti, telefoon e.d.

De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiele vaste activa (automatiseringsapparatuur en programmatuur, inventaris en overige) en het relatiebeheersysteem.

GBA-Beheer. Op basis van de geraamde berichten zijn de lasten voor het instandhouden van het GBA-stelsel begroot. De dotatie ten behoeve van het schommelfonds dienen voor de stabilisatie van het GBA-tarief Het saldi van inkomsten en uitgaven GBA-Beheer zal conform regelgeving worden verrekend worden met de GBA-Gebruikers.

GBA-Beleid. De kosten van het CBS berichtenverkeer en beleidsontwikkelingen GBA worden hieronder verantwoord.

Reisdocumenten. De activiteiten met betrekking tot de kosten van de reisdocumentenketen (onder andere productie, distributie, ICT, IAR en kwaliteitsbevorderende maatregelen) worden hier verantwoord. De kosten worden op basis van de in de kostprijs opgenomen component verantwoord.

Modernisering GBA. De kosten van de activiteiten i.h.k.v. modernisering GBA worden hieronder verantwoord. De geplande activiteiten kunnen alleen worden uitgevoerd indien de benodigde gelden ter beschikking worden gesteld.

Biometrie. De activiteiten met betrekking tot haalbaarheid en de uitrol van Biometrie in reisdocumenten worden hier verantwoord.

Kiezen op afstand. De activiteiten in het kader van Kiezen op Afstand worden hieronder verantwoord. De geplande activiteiten kunnen alleen worden uitgevoerd indien de benodigde gelden terBuitengewone lasten. beschikking worden gesteld.

BPR heeft geen buitengewone lasten.

Saldo van Baten en Lasten. In 2004 wordt er een negatief saldo van € 0,242 mln voorzien. Dit betreft de door te belasten kosten voor P&M inzake de projecten KOA en Biometrie. Afhankelijk van het ter beschikking komen van extra additionele middelen en het uitvoeren van activiteiten ontstaat hier het saldo van Baten en Lasten.

3. Overzicht vermogensontwikkeling

Overzicht vermogensontwikkeling (in € 1 000)
Baten-lastendienst BPR2002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari6182 3644 1223 8803 2762 6722 068
        
2. Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar1 7461 873– 242– 604– 604– 604– 604
        
3a. Uitkering aan moederministerie       
3b. Bijdrage moederministerie ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties in eigen vermogen – 115     
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen – 115     
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)2 3644 1223 8803 2762 6722 0681 464

4. Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst BPR2002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)2 4963 0644 9374 6954 0913 4872 883
        
2. Totaal operationele kasstroom7682 242127– 235– 235– 235– 235
        
3a. –/– totaal investeringen– 167– 369– 369– 369– 369– 369– 369
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 167– 369– 369– 369– 369– 369– 369
        
4a. –/– eenmalige uitkering aan moederministerie       
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie       
4c. –/– aflossingen op leningen– 33      
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit       
4. Totaal financieringskasstroom– 33000000
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)3 0644 9374 6954 0913 4872 8832 279
maximale roodstand € 0,5 mln)       

5. Kengetallen

Reisdocumenten. Ten behoeve van de verstrekking van reisdocumenten in de komende jaren wordt uitgegaan van de volgende herziene ramingen. Opgemerkt wordt dat eind 2002 een herzien ramingsmodel op basis van de evaluatie van de verstrekkingen sinds oktober 2001 (nieuwe generatie reisdocumenten) in gebruik genomen is (aantallen x 1 000):

 20032004200520062007
Nationaal paspoort1 8251 8081 7541 8892 130
Nederlandse ID-kaart714704684737832
Spoed (2%)5150495359

GBA-berichtenverkeer. De ontwikkeling van het GBA-berichtenverkeer in de komende jaren is mede afhankelijk van de ontwikkelingen rondom de Modernisering GBA. Vooralsnog is bij onderstaande kengetallen geen rekening gehouden met grootscheepse wijzigingen in de wijze waarop het berichtenverkeer plaatsvindt. De realisatie van een online raadpleegbare GBA zal uiteraard aanzienlijke consequenties hebben voor de nu gepresenteerde aantallen in de latere jaren van de meerjarenraming (aantallen x 1 000):

 20032004200520062007
Productieomgeving70 00080 00080 50081 50082 000
Testomgeving7575757575

BATEN-LASTENDIENST CAS

1. Algemeen

1.1. Taken en diensten

De Centrale Archief Selectiedienst (CAS) van BZK, te Winschoten heeft als taak om in opdracht van de zorgdragers, te weten ministeries en hoge colleges van staat, werkzaamheden te verrichten in verband met archiefbewerking (KB CAS 12 december 1996). De missie van de CAS luidt: het als facilitair bedrijf binnen de Rijksoverheid optimaal uitvoeren van de kerntaak – het leveren van diensten op het terrein van archiefbewerking conform de eisen van de Archiefwet in zowel een papieren als digitale omgeving.

Als facilitaire dienst op het terrein van waardering, verrijking en beheer van overheidsinformatie beschikt de CAS over een pakket diensten en producten waarmee een belangrijke rol wordt vervuld bij het komen tot een efficiënt informatiebeheer ter waarborging van rechtmatige en doelmatige bestuurlijke en bedrijfsmatige processen.

De doelstellingen van de CAS zijn:

– het realiseren van de in de meerjarenovereenkomsten met ministeries vastgelegde verplichtingen (raamconvenanten) met betrekking tot archiefbewerking;

– het acquireren en uitvoeren van opdrachten die buiten de werking van de convenanten vallen ten einde een sluitende exploitatie te realiseren;

– het ontwikkelen van de bestaande dienstverlening door gebruik te maken van moderne Informatie Technologie;

– het bieden van full-service op het terrein van archivering door koppeling van advisering, beheer en archiefbewerking en het inspelen op de veranderende behoeften bij zorgdragers;

– het realiseren van een financieel resultaat waardoor de continuïteit van de organisatie wordt gewaarborgd.

De kerntaken van de CAS zijn:

A. Het bewerken en beheren van archieven van ministeries en hoge colleges van staat.

B. Het beschikbaar stellen van archiefruimte aan ministeries en hoge colleges van staat.

Ad. A. Het bewerken en beheren van archieven van ministeries en hoge colleges van staat

Wat willen we bereiken?

De CAS wil ook in 2004 voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgelegd in raamconvenanten met ministeries en hoge colleges van staat. Het CAS-budget, zoals genoemd in de begroting, is bepalend voor de jaarlijks beschikbare productiecapaciteit ten behoeve van de raamconvenanten.

Daarnaast zal de CAS ondersteuning bieden aan de ministeries en de hoge colleges van staat, door middel van advies- en uitvoeringsprojecten, bij het streven naar effectief archief- en informatiebeheer. Het gaat hierbij om projecten ter verbetering van de interne bedrijfsvoering.

Hiervoor zullen projectconvenanten worden afgesloten die zoveel mogelijk binnen de werking van de afgesloten raamconvenanten vallen. Voorts zal de CAS voor dezelfde zorgdragers archieven, merendeels voorafgaand aan bewerking onderbrengen in de opslaghal (zie ad. B).

Wat gaan we daarvoor doen?

Voor het jaar 2004 betekent de uitvoering van de raamconvenanten het leveren van 96 860 uur voor de uitvoering van door de opdrachtgevers aangedragen projecten.

Als gevolg van het inspelen op de behoeften van de zorgdragers ten aanzien van betaald werk, heeft de CAS een voorschot in de afgelopen jaren hierop moeten nemen. In 2004 zal er dientengevolge minder betaald werk kunnen worden aangenomen. Gezien de flexibiliteit van raamconvenanten zal dit bij de meeste aangeboden archiefbewerkingsprojecten ook niet nodig zijn.

Wat mag het kosten?

Voor de uitvoering van projecten in het kader van de afgesloten raamconvenanten zal in 2004 voor de convenantsverplichtingen € 4 605 768 beschikbaar zijn.

Voor projecten welke niet onder de werking van de afgesloten raamconvenanten vallen is € 954 280 beschikbaar, waarvan € 322 506 voor beheerprojecten.

Ad. B. Het beschikbaar stellen van archiefruimte aan ministeries en hoge colleges van staat.

Wat willen we bereiken?

De CAS wil op het terrein van beheren en beschikbaar stellen van archieven de natuurlijke partner worden voor de convenantspartners als het gaat om opslagcapaciteit ter beschikking te stellen voor archieven voorafgaand aan de bewerking door de CAS. Bovendien wil ze voor cliënten van de Rijksoverheid logistieke oplossingen aanbieden op het terrein van intensief dossierverkeer. De CAS bemerkt overigens een steeds grotere behoefte aan opslagcapaciteit bij zorgdragers.

Wat gaan we daarvoor doen?

De CAS zal ook in 2004 met goed toegerust personeel, goede geautomatiseerde logistieke programma's en een opslaghal die aan de eisen voldoet, het beheren en beschikbaar stellen van circa 58 km archief trachten te realiseren. De CAS zal ook in 2004 om haar natuurlijk partnerschap gestalte te kunnen geven, nog meer dan in het verleden moeten (kunnen) inspelen op de archiefbewerkings- en -opslagbehoefte van de zorgdragers.

Wat mag het kosten?

De kosten voor het beschikbaar stellen van de opslaghal ten behoeve van het in opslag nemen van archiefbescheiden bedragen € 745 305.

1.2. Beheer

Strategisch Beleid

De CAS zal in 2004 verder uitvoering geven aan de realisatie van het Strategisch Bedrijfsplan dat mede op basis van de resultaten van extern onderzoek is geformuleerd. Hierin worden de speerpunten gevormd door het kunnen bieden van nieuwe producten en diensten – elektronisch gegevensbeheer, online archiefbewerking en operationeel advies; het instellen van accountmanagement voor effectief contact met zorgdragers; het formeren van een volwaardige afdeling automatisering, alsmede upgrading van de gehele organisatie.

In 2004 wil de CAS uitvoering geven, in nauwe samenwerking met het Nationaal Archief en de Raad voor Cultuur, gestarte initiatief, aan het beleid met tot doel een preselectie en intradepartementale en interdepartementale prioritering van archieven van zorgdragers. Er blijkt draagvlak te bestaan bij de eindverantwoordelijken van de archieven bij de zorgdragers om een aanzet te geven tot ombuiging van het algehele archiefbeleid. Hierin worden strategische in plaats van operationele keuzes bepalend voor de voortgang van de archiefbewerking en -overdracht. Maatschappelijk en politiek relevante archieven zijn richtinggevend bij de uitvoering van dit beleid.

Door middel van dit beleid kan met en binnen de keten, zorgdrager – CAS – Nationaal Archief – burger, veel effectiever worden ingespeeld op het concept van de transparante overheid en diens verantwoording alsmede de reconstructie van processen. Bovendien speelt het in op het Rapport Wallage, dat de boodschap heeft de burger nauwer bij het handelen van de overheid te betrekken.

2. Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004 (x € 1 000)
Baten-lastendienst CAS2002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederministerie t.b.v. convenanten archiefbewerking4 2244 5894 6064 5744 5404 5404 540
Opbrengst archiefbewerking t.b.v. ministeries, niet zijnde convenanten1 2068569541 1081 1551 1151 084
Opbrengst archiefbewerking t.b.v. derden161      
Opbrengst opslaghal626683746746746746746
Rentebaten24      
Overige opbrengsten122      
Exploitatiebijdrage586496524524524524524
Totaal baten6 9496 6246 8306 9526 9656 9256 894
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten       
– loonkosten4 1454 2844 4614 4614 4614 4614 461
– fictieve wachtgeldverplichtingen124135120120120120120
* materiële kosten       
– gebruikersvergoeding huur gebouwen1 0861 0831 1301 1301 1301 1301 130
– huisvestingskosten197287211211211211211
– kantoorkosten181176217217217217217
– productiekosten203197207207207207207
– marketingkosten24191919191919
– algemene kosten172929393939393
– fictieve verzekeringspremie27272727272727
Rentelasten33191512964
Afschrijvingskosten397305330455471434405
Dotaties/onttrekkingen voorzieningen70      
Kosten toegerekend aan projecten191      
Totaal lasten6 8506 6246 8306 9526 9656 9256 894
        
Saldo van baten en lasten99000000

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

2.1.1. Baten (x € 1)

Om de hierna genoemde opbrengsten te kunnen genereren heeft de CAS voor het jaar 2004 de volgende productiecapaciteit (in uren) geraamd:

3,5 formatieplaatsen à 1 450 uur per jaar5 075
82,12 formatieplaatsen à 1 360 uur per jaar111 469
4 formatieplaatsen à 1 150 uur per jaar4 177
totaal 89,62 fte120 721
inhuurkrachten3 500
Totale productiecapaciteit124 221

N.B. van de groepen formatieplaatsen à 1 150 uur en formatieplaatsen à 1 360 uur maken 2 medewerkers gebruik van de Regeling ArbeidsparticipatieSenioren (PAS-regeling), vandaar minder dan 4 x 1 150 uur en 82,12 x 1 360 uur bij deze groepen.

Opbrengst moederministerie t.b.v. convenanten archiefbewerking. De meerjarencijfers uit de begroting zijn bepalend voor de hoeveelheid in te zetten productiecapaciteit ten behoeve van het moederministerie. Deze capaciteit wordt ingezet om de archieven te bewerken zoals genoemd in de meerjarige convenanten die BZK/CAS heeft afgesloten met de ministeries en Hoge colleges van staat.

De opbrengst archiefbewerking ten behoeve van het moederministerie in het kader van het convenantensysteem bedraagt:

Ontwerp-begroting (operationeel doel 7.3) 5 118 000
Verantwoord als exploitatiebijdrage1 – 524 524
Rente- en huisvestingsbudget ten behoeve van opslaghal2 – 134 505
Fictieve wachtgeldverplichtingen119 570 
Fictieve verzekeringspremie27 227 
Totaal fictieve kosten3 146 797
Totale opbrengst moederministerie t.b.v. convenanten archiefbewerking 4 605 768

1 Zie hetgeen hierover is vermeld bij de batenpost exploitatiebijdrage.

2 Als gevolg van de stelselwijziging Rijksgebouwendienst (RGD) en de invoering van de leenfaciliteit bij Financiën zijn in het door het moederministerie beschikbare gestelde CAS-budget voor het hoofdgebouw en de opslaghal structureel budgetten opgenomen voor de huur- en rentelasten.

De in de kostprijs opslaghal opgenomen rente- en huisvestingscomponenten (€ 9 670 voor rente en € 124 835 voor huur) hebben geen betekenis voor wat betreft de te leveren prestaties aan het moederministerie in het kader van het convenantensysteem. Jaarlijks dient de CAS een voorstel bij BZK/DGOB in te dienen voor de bestemming van deze gelden.

3Ten behoeve van de integrale kostprijsberekening worden een tweetal fictieve kostencomponenten opgenomen in de tariefberekening. Aangezien door het opnemen van deze fictieve posten er een kostprijsstijgende werking optreedt in de uurtarieven, worden de fictieve bedragen die als kosten worden begroot ook als opbrengst moederministerie begroot, zodat deze fictieve posten geen invloed hebben op de te leveren prestaties aan het moederministerie.

De opbrengst moederministerie kan als gevolg van eventuele suppletore begrotingswijzigingen in 2003 nog een wijziging ondergaan. Als gevolg hiervan zal de opbrengst archiefbewerking niet-convenanten evenredig worden aangepast.

Om de hiervoor genoemde opbrengst moederministerie ad € 4 605 768 te realiseren worden van de beschikbare productiecapaciteit de volgende uren ingezet ten behoeve van het convenantensysteem:

Tariefgroep middel à 4776 930 uur
Tariefgroep laag à 4415 889 uur
Tariefgroep hoog à 724 041 uur
Totaal96 860 uur

De beschikbare productiecapaciteit is dan als volgt te verdelen:

Archiefbewerking t.b.v. convenanten, betaling door moederministerie96 860 uur
Archiefbewerking, niet zijnde convenanten13 442 uur
Uitleenactiviteiten8 487 uur
Te realiseren opbrengsten118 789 uur
Onzekerheidsmarge ter dekking van calculatieverliezen en ontwikkelingsprojecten5 432 uur
Totaal beschikbare productiecapaciteit124 221 uur

Opbrengst archiefbewerking ministeries (niet zijnde convenanten). Deze opbrengst bestaat uit twee delen, namelijk:

Opbrengst archiefbewerking, niet zijnde convenanten t.b.v. ministeries: 
Tariefgroep middel 13 442 uur à 47631 774
Opbrengst uitleenactiviteiten: 
Tariefgroep uitleen 8 487 uur à 38322 506
Totaal opbrengst archiefbewerking ministeries (niet zijnde convenanten)954 280

Opbrengst opslaghal 746 000

De beschikbare opslagcapaciteit bedraagt 65 km archief. De opbrengst is begroot op basis van de lopende contracten, zijnde 58 km opslag archief. De reservecapaciteit van 7 km blijft beschikbaar voor de klanten met wie de CAS langlopende contracten heeft afgesloten om zodoende de jaarlijkse groei van de aanwezige archiefbestanden te kunnen plaatsen in de opslaghal.

Exploitatiebijdrage 524 524

Voor de huur van het hoofdgebouw en de opslaghal wordt door de RGD € 1 129 981 in rekening gebracht. Van dit bedrag wordt € 524 524 niet meegenomen in de tariefberekening en als zodanig dus niet gedekt. Vandaar dat dit bedrag als exploitatiebijdrage wordt verantwoord. Zie ook hetgeen is vermeld onder de kostenpost gebruikersvergoeding huur gebouwen.

Totaal overzicht baten:
Opbrengst moederministerie t.b.v. convenanten archiefbewerking4 605 768
Opbrengst archiefbewerking ministeries (niet zijnde convenanten)954 280
Opbrengst opslaghal746 000
Exploitatiebijdrage524 524
Totale baten6 830 572

2.1.2. Lasten (x € 1)

Personele kosten, bestaande uit:

Loonkosten gebaseerd op 110 fte 
loonkosten direct productief, 89,62 fte3 098 921
loonkosten medewerkers overhead, 20,38 fte962 904
Bij de raming van de salariskosten gebaseerd op 110 fte is rekening gehouden met de schaalindeling van de medewerkers en de geldende salarissen, sociale premies en werkgeverslasten zoals die per 1 mei 2003 van toepassing zijn. Tevens zijn gevolgen van de CAO 2002–2003 meegenomen. 
Toeslagen formatief personeel51 480
Inhuurkrachten ten behoeve van tariefgroep uitlening72 100
Overige inhuurkrachten en externe deskundigen38 115
Overige personeelskosten, waaronder:reiskosten woon-werkverkeer, reis- en verblijfkosten voor dienstreizen, opleidingskosten, kinderopvang, representatiekosten, toeslagen e.d. 237 132
Totale loonkosten4 460 652

Fictieve wachtgeldverplichtingen. Om tot een integrale kostprijs te komen dient deze post te worden meegenomen in de tariefberekening. De wachtgeldcomponent bedraagt € 1 087 per fte, conform Handleiding Overheidstarieven 2003 van Financiën.

Fictieve wachtgeldcomponent direct productieve medewerkers97 418
Fictieve wachtgeldcomponent medewerkers overhead22 152
Totale fictieve wachtgeldverplichtingen119 570

Materiële kosten, bestaande uit:

Algemene kosten92 600
Hiertoe behoren de kosten voor telefoon, porti, catering en advieskosten. 
Huisvestingskosten (huurderlasten)211 357
Hiertoe behoren de volgende kosten: energie, schoonmaak, belastingen, beveiliging en klein onderhoud gebouwen en terreinen. 
Kantoorkosten217 104
Hiertoe behoren de volgende kosten: onderhoud kantoormachines, onderhoud hard- en software, kantoorartikelen, papier en enveloppen en computerbenodigdheden. 
Marketingkosten19 500
Hiertoe behoren de kosten voor advertenties, folders en kosten PR. 
Productiekosten206 530
Hiertoe behoren de kosten voor het transporteren van de archieven van en naar de klanten, de vernietigingskosten van voor vernietiging aangewezen archiefbestanddelen en de kosten van archiefdozen en omslagen. 
Totale materiële kosten747 091

Gebruikersvergoeding huur gebouwen. De gebruikersvergoeding RGD bestaat uit 2 delen, namelijk de oorspronkelijke gebruikersvergoeding als gevolg van de stelselwijziging bij de RGD en de aanvullende gebruikersvergoeding als gevolg van de uitbreiding van de gebouwen die in 2001/2002 heeft plaatsgevonden. De gebruikersvergoeding is gebaseerd op het prijsniveau van het jaar 2003 en bestaat uit:

Gebruikersvergoeding hoofdgebouw516 364
Gebruikersvergoeding opslaghal396 660
Subtotaal913 024
Van deze totale gebruikersvergoeding wordt € 524 524 (€ 252. 699 voor het hoofdgebouw en € 271 825 voor de opslaghal) niet meegenomen in de tariefberekening, omdat de CAS bij de bepaling van de integrale kostprijs uitgaat van de huurprijzen die voor de regio Winschoten van toepassing zijn. Het bedrag van € 524 524 wordt verantwoord als exploitatiebijdrage BZK. 
Extra gebruikersvergoeding als gevolg van de uitbreiding in 2001/2002: 
Gebruikersvergoeding hoofdgebouw21 166
Gebruikersvergoeding opslaghal195 791
Subtotaal216 957
Voor de extra gebruikersvergoeding, als gevolg van de uitbreiding, wordt door het moederministerie geen budget beschikbaar gesteld. 
Totale gebruikersvergoeding1 129 981

Fictieve verzekeringspremie 27 227

Om te komen tot een integrale kostprijs dienen alle kosten, ongeacht of deze door de CAS worden betaald, in de kostprijs te worden verwerkt. Voor bedrijfsschadenverzekeringspremie is € 27 227 meegenomen.

Afschrijvingskosten. De afschrijvingskosten zijn gebaseerd op de aanwezige materiële vaste activa per 31 december 2002 en op basis van de geplande investeringen voor de jaren 2003 en 2004. De afschrijvingskosten zijn verdeeld over het hoofdgebouw en de opslaghal en kunnen als volgt worden gespecificeerd:

AfschrijvingskostenHoofdgebouwOpslaghalTotaal
Gebouwen en terreinen 3 0223 022
Machines en installaties33 32034 30967 629
Inventaris64 2899 47873 767
Automatiseringsapparatuur185 636185 636
Totale afschrijvingskosten283 24546 809330 054

Van het totaal heeft € 128 132 betrekking op de aanwezige activa per 31 december 2002. De overige afschrijvingskosten ad. € 201 922 hebben betrekking op de investeringen in de jaren 2003 en 2004.

Rentelasten 15 321

Vanaf 2000 wordt in de begroting de rentelast opgenomen voortvloeiend uit het beroep dat zal worden gedaan op de Leenfaciliteit bij Financiën. De rentelasten voor 2004 hebben betrekking op de lening afgesloten per 1 januari 2000. Voor investeringen in de jaren 2003 en 2004 wordt geen beroep gedaan op de leenfaciliteit.

Totaal overzicht lasten:

Personele kosten4 460 652
Fictieve wachtgeldverplichtingen119 570
Materiële kosten747 091
Gebruikersvergoeding1 129 981
Verzekeringspremie27 227
Afschrijvingskosten330 054
Rentelasten15 321
Totale lasten6 829 896

Tariefberekening

De kosten zijn als volgt verdeeld:

Directe loonkosten formatief personeel3 098 921
Fictieve wachtgeldverplichting97 418
Totale directe loonkosten formatief personeel3 196 339
Inhuurkrachten tariefgroep uitlening72 100
Totale directe loonkosten3 268 439
Toonkosten overhead formatief personeel962 904
Fictieve wachtgeldverplichting22 152
Toeslagen51 480
Overige inhuurkrachten en externe deskundigen38 115
Overige personeelskosten237 132
Totale indirecte loonkosten1 311 783

De overige kosten zijn te verdelen in kosten ten behoeve van de uurtarieven en ten behoeve van de kostprijs opslaghal:

 t.b.v. uurtarievent.b.v. opslaghaltotaal
Algemene kosten92 600 92 600
Huisvestingskosten190 15721 200211 357
Kantoorkosten217 104 217 104
Marketingkosten19 500 19 500
Productiekosten206 530 206 530
Gebruikersvergoeding RGD284 831320 626605 457
Fictieve verzekeringen27 22746 80927 227
Afschrijvingskosten283 245 330 054
Rentelasten5 6519 67015 321
Subtotaal1 326 845398 3051 725 150
Lump-sum– 347 000347 0000
Totaal overige kosten979 845745 3051 725 150

Opmerking lump-sum:

Voor het jaar 2004 wordt er tegenover de kosten opslaghal van € 398 305 een opbrengst opslaghal verwacht van € 0,746 mln. Ten laste van het begrote resultaat opslaghal ad. € 347 695 wordt € 347 000 gebracht. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de kosten die gedekt moeten worden door het in rekening brengen van de diverse uurtarieven. Dit heeft een positief effect op de uurtarieven.

Onzekerheidsmarge

Om tot een verkoopprijs te komen wordt de kostprijs van een uurtarief verhoogd met een onzekerheidsmarge.

Deze marge dient enerzijds ter dekking van bij de voorcalculatie niet voorziene verliezen op projecten en anderzijds ten behoeve van ontwikkelingsprojecten op digitaal gebied.

De tariefberekening is als volgt (x € 1):

TariefgroepDirecteIndirecteTotaleProductieDir.kostenInd.kostenTot. kostenMargeTARIEFMarge
 loonkostenkostenkostenurenper/uurper/uurper/uur  in uren
Middel2 495 9851 751 4824 247 46794 94126,2918,4544,742,26474 569
Laag394 209304 903699 11216 52823,8518,4542,301,7044639
Hoog213 91477 052290 9664 17751,2118,4569,662,3472136
Uitleen164 331158 191322 5228 57519,1618,4537,610,393888
Subtotaal3 268 4392 291 6285 560 067124 221     5 432
Opslaghal  745 305       
Subtotaal  6 305 372       
Niet in tarief opgenomen          
Gebruikersvergoeding RGD  524 524       
Totale kosten 2004  6 829 896       

3. Overzicht vermogensontwikkeling

Overzicht vermogensontwikkeling (in € 1 000)
Baten-lastendienst CAS2002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari674397307307307307307
        
2. Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar99      
        
3a. Uitkering aan moederministerie– 376– 90     
3b. Bijdrage moederministerie ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties in eigen vermogen       
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 376– 90     
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)397307307307307307307

4. Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst CAS2002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)1 5741 1631 7881 8771 9401 7771 170
        
2. Totaal operationele kasstroom951 028989301115– 51– 27
        
3a. –/– totaal investeringen– 139– 323– 836– 179– 220– 505– 232
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 139– 323– 836– 179– 220– 505– 232
        
4a. –/– eenmalige uitkering aan moederministerie– 376– 90     
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie27690     
4c. –/– aflossingen op leningen– 267– 80– 64– 59– 58– 51– 50
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit       
4. Totaal financieringskasstroom– 367– 80– 64– 59– 58– 51– 50
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)1 1631 7881 8771 9401 7771 170861
maximale roodstand € 0,5 mln)       

4.1. Toelichting bij het kasstroomoverzicht (x € 1 000)

De afname van het saldo bij het RIC met 302 in de periode 2003 tot en met 2008 wordt veroorzaakt door:

– toename liquiditeit als gevolg van afschrijvingen met 2 400,

– afname liquiditeit als gevolg van investeringen via rekening-courant voor 2 295,

– afname liquiditeit als gevolg van aflossing lening bij Financiën voor 362,

– afname liquiditeit als gevolg van afname werkkapitaal met 45.

5. Kengetallen

Ramingskengetalle nEenheidRealisatie 200220032004
Tarief laagUur in € 1424244
Tarief middelUur in € 1454547
Tarief hoogUur in € 1686872
Tarief uitleenUur in € 1373638
     
Productieve uren per jaar per persoonUren1 3631 3601 360
     
Brutomarge projectenIn € 1 000– 168– 140– 190
DekkingsresultaatIn € 1 000118140190
     
Productierealisatie convenanten uren/meters in procentenProcenten82/7090/90100/100

5.1. Toelichting bij de kengetallen

– Het kengetal brutomarge geeft weer in hoeverre de kosten van projecten worden gedekt door de opbrengsten van projecten. Door het gebruik van dit kengetal is het mogelijk om inzicht te verschaffen in hoeverre het toegepaste systeem van voorcalculatie voldoet.

– Het kengetal dekkingsresultaat is de resultante van 2 componenten, namelijk budgetresultaat en productieresultaat. Budgetresultaat geeft de verhouding weer tussen de begrote en gerealiseerde kosten. Productieresultaat geeft weer de verhouding tussen de begrote en gerealiseerde productie-uren.

– Het kengetal productierealisatie convenanten uren/meters in procenten geeft weer in hoeverre de CAS er in slaagt om de meerjarig afgesloten convenanten, tussen CAS en de diverse ministeries en Hoge Colleges, binnen het afgesproken tijdstip af te werken.

BATEN-LASTENDIENST IVOP

1. Inleiding

1.1. Positionering

IVOP is een baten-lastendienst van BZK. De zorg voor ontwerp, ontwikkeling, bouw en het in bedrijf houden van hoogwaardige informatiesystemen op het gebied van de salaris- en financiële personeelsadministratie zijn de kerntaken van IVOP (Informatievoorziening Overheidspersoneel). Daarbij verzorgt IVOP ook gebruiksgerichte ondersteuning in de vorm van opleidingen, voorlichting en advisering. Zij heeft daartoe materiedeskundigheid en een ruime ervaring.

In de filosofie van IVOP draait het niet alleen om het systeem, maar vooral om de dienstverlening. Dienstverlening bij het vertalen van wensen en eisen van de aangesloten organisaties naar functionaliteit en mogelijkheden van de systemen.

IVOP is de uitvoeringsorganisatie die namens het samenwerkingsverband van 46 deelnemers (onder andere alle ministeries) voor in totaal 73 organisaties met ongeveer 260 000 (semi-) ambtenaren bij Pink Roccade Public (PRP) de salarisberekening en salarisbetaling laat uitvoeren.

De deelnemers zijn vertegenwoordigd in een Algemene Vergadering van Deelnemers (AVD). IVOP wordt direct aangestuurd door een bestuur dat verantwoording aflegt aan de AVD.

IVOP berekent de kosten sinds 1994 integraal door aan gebruikers van de systemen. Het contract tussen het samenwerkingsverband en Pink Roccade Public inzake beheer, onderhoud en exploitatie van het IPA-salarissysteem loopt in ieder geval tot 31 december 2003, met een optie op verlenging van telkens 12 maanden.

1.2. Doelstellingen

Zoals in de voorgaande paragraaf aangegeven draagt IVOP zorg voor ontwerp, ontwikkeling, bouw en het in bedrijf houden van hoogwaardige informatiesystemen op het gebied van de salaris- en financiële personeelsadministratie. Als logisch gevolg van deze taken zijn er in de loop der jaren andere vormen van dienstverlening bij gekomen (opleidingen, voorlichting, advisering en verwerking van individuele opdrachten).

Medio 2001 is de aanbestedingsprocedure voor de vervanging van het IPA-salarissysteem (project Toekomst) stopgezet. Reden hiervan is dat geen van beide offertes naar aard en omvang voldeden aan het gevraagde. De vervanging van het IPA-salarissysteem die vanaf het najaar van 2001 onder leiding van de nieuwe dienstverleningsorganisatie Prisc is opgepakt is in het najaar van 2002 gestopt.

Het nieuw te vormen rijksbrede SSC-HRM dat uitvoering moet geven aan de vernieuwing van het HRM-stelsel Rijk neemt de verantwoordelijkheid voor deze vervanging over. Met ingang van 1 januari 2006 moet het SSC-HRM volledig operationeel zijn. Voor IVOP heeft dat de volgende consequenties:

– De huidige IPA-dienstverlening onder leiding van IVOP wordt met ingang van 1 januari 2006 beëindigd;

– IVOP houdt op te bestaan. Rekening houdend met de afronding van zaken zal IVOP uiterlijk 31 december 2006 worden opgeheven.

In verband hiermee hanteert IVOP voor de komende jaren de volgende uitgangspunten:

– IVOP garandeert aan haar klanten en gebruikers continuïteit in niveau en kwaliteit van de huidige IPA-dienstverlening. Daar waar mogelijk en/of noodzakelijk zal de kwaliteit worden verbeterd;

– IVOP garandeert haar werknemers, afnemers en leveranciers een professionele migratie naar de nieuwe situatie. Contracten (met afnemers en leveranciers) moeten op tijd worden opgezegd.

Voor 2006 wordt IVOP opgeheven: vooralsnog wordt rekening gehouden met 10 fte personeel en € 1 mln kosten in verband met het verwijderen van het salarissysteem bij Pink Roccade Public.

1.3. Producten van IVOP

De producten van IVOP kunnen in twee hoofdgroepen worden onderverdeeld:

1. Salarisinformatie

2. Personeels- en personeel/financiële informatie

ad.1. IVOP is volledig verantwoordelijk voor een correcte inhoud van de systemen voor de salarisverwerking. De producten op het gebied van salarisverwerking betreffen het onderhoud en beheer van het salarissysteem kern en de standaard interface. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal verschillende vormen van onderhoud en beheer, te weten:

– basisonderhoud,

– centrale regelgeving,

– individueel onderhoud.

De eerste twee categorieën worden doorberekend op basis van een tarief per individuele arbeidsrelatie (= een dienstbetrekking met een werknemer) (IAR) die een opdrachtgever in een van de systemen geregistreerd heeft. De totale kosten van de onderwerpen in de categorieën basisonderhoud en centrale regelgeving worden per systeem gedeeld door het aantal IAR's van de opdrachtgevers die van het systeem gebruik maken. Zo ontstaat voor die systemen een kostprijs per IAR. Op basis van de berekende kostprijs per IAR wordt – rekening houdend met eventuele tekorten of overschotten uit voorgaande jaren – door de AVD een in meerjarig perspectief kostendekkend tarief per IAR vastgesteld.

Het individueel onderhoud wordt doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp. Wanneer hierbij sprake is van meerdere opdrachtgevers per onderwerp wordt het aantal IAR's als verdeelsleutel voor de door te berekenen bedragen gehanteerd.

De kosten van de exploitatie van het salarissysteem worden door PRP rechtstreeks bij de gebruikers in rekening gebracht. IVOP kan namens de deelnemers afspraken maken over het verrekenen van de exploitatiekosten.

ad. 2. De producten van IVOP op het gebied van de personeels- en personeel/financiële informatievoorziening betreffen de ontwikkeling, het onderhoud en beheer van diverse personeels- en personeel/financiële systemen. Ten aanzien van deze informatiesystemen worden twee soorten van onderhoud en beheer gevoerd te weten basisonderhoud en individueel onderhoud. Het basisonderhoud wordt doorberekend middels een tarief per IAR of een tarief per (soort) licentie. Het individuele onderhoud wordt doorberekend op basis van een offerte per aan te passen onderwerp.

De meetbaarheid van de producten van IVOP in termen van input en output is afhankelijk van het heterogene karakter van de producten en diensten van IVOP. De aard en omvang van de werkzaamheden worden immers enerzijds bepaald door de wensen van de deelnemers en anderzijds door de ontwikkelingen in wet- en regelgeving en arbeidsvoorwaarden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het gestelde bij 5. Kengetallen.

2. Begroting van baten en lasten

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst IVOP2002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederministerie2 5384 3163313481 750  
Opbrengst overige ministeries6 2255 0405 2544 7290  
Opbrengst derden2 6902 5752 6822 3430  
Totaal omzet11 45311 9318 2677 4201 750  
Rentebaten715025250  
Buitengewone baten00000  
Totaal baten11 52411 9818 2927 4451 750  
        
Lasten       
Kostprijs van de omzet       
Kosten IVOP4 5005 4043 1542 825750  
Kosten extern6 5375 6394 3483 8461 000  
Totaal kostprijs van de omzet11 03711 0437 5026 6711 750  
Dekkingsresultaat       
Apparaatskosten       
* personele kosten4 3294 4962 5982 252500  
* materiële kosten9451 276792582250  
* afschrijvingskosten1471542372200  
Totale apparaatskosten5 4215 9263 6273 054750  
Dekking door declarabele uren5 0665 9263 6273 054750  
Totaal dekkingsresultaat– 3550000  
Totaal kostprijs van de omzet11 39211 0437 5026 6711 750  
Directe kosten voor opdrachten6799328298780  
Afschrijvingskosten systemen330000  
Dotaties voorzieningen00000  
Rentelasten00000  
Buitengewone lasten1120000  
Totaal lasten12 21611 9758 3317 5491 750  
        
Saldo van baten en lasten– 6926– 39– 1040  

2.1. Toelichting bij de begroting van baten en lasten

Sinds 1997 is de indeling van de begroting van baten en lasten aangepast aan de opzet en indeling zoals die in het Jaarverslag van IVOP wordt gehanteerd. Dit Jaarverslag wordt aan de AVD ter goedkeuring voorgelegd. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat in alle vormen van financiële rapportage en verslaglegging, die door IVOP wordt vervaardigd, een eenduidige indeling en begripsbepaling wordt gehanteerd.

In deze begroting wordt opnieuw dezelfde systematiek gevolgd (die aansluit op de VBTB-stijl). Derhalve wordt in de resultatenrekening voor het jaar 2003 gebruik gemaakt van de cijfers zoals die in het jaarplan 2003 staan vermeld.

2.1.1. Baten

Bij de raming van de omzet 2004 is er van uitgegaan dat de tarieven zodanig zullen worden vastgesteld dat er sprake zal zijn van dekking van de totale kosten. De tarieven voor 2004 zullen eind 2003 door de AVD worden vastgesteld. Hierbij is het uitgangspunt dat de tarieven in meerjarig perspectief gezien kostendekkend zullen zijn.

De baten in de jaren 2002 en 2003 zijn inclusief de door te berekenen kosten van de aanpassingen in verband met de Euro. De baten in de jaren 2002 tot en met 2004 worden beïnvloed door de door te berekenen kosten verbonden aan de opbouw van Prisc, de kosten van het toegroeien van IVOP naar deze nieuwe organisatie en de kosten van het SSC-HRM voor het eerste halfjaar 2003 waarvoor IVOP op dit moment de financiële administratie voert.

De doorberekening van de SSC-HRM-kosten na medio 2003 zijn niet in de cijfers opgenomen.

Overzicht Baten (x € 1 000)
Omschrijving200220032004
Salarissysteem5 7127 0255 505
PF/PI systemen1 5041 6381 562
Overige omzet4 2373 7141 200
Totaal11 45312 3778 267
Verdeling omzet 2004 (x € 1 000)
OmschrijvingMoederministeriesAndereOverigen ministeries
Salarissysteem1543 3651 986
PF/PI systemen1771 139246
Overige 750450
Totaal3315 2542 682
Specificatie opbrengst moederministerie 2004 (in € 1 000)
Omschrijving2004
artikel 10 BZK50
artikel 11 BZK25
artikel 12 BZK178
KLPD en ITO78
Totaal331

2.1.2. Lasten

Kostprijs van de omzet

– Kosten IVOP. Deze post is de som van de direct aan de opdrachten toe te wijzen kosten van IVOP. De IVOP-kosten zijn opgebouwd uit het aantal uren per type activiteit vermenigvuldigd met de kostprijs per uur.

– Externe kosten. Deze post betreft de uitbesteding van het technisch beheer en onderhoud van het IPA-Salarissysteem (Pink Roccade Public) en de Vogel-systemen (Trilogic). Deze kosten zijn structureel en hebben een gelijkmatig verloop. In de periode 2002 tot en met 2004 bevat deze post tevens de kosten van de ingehuurde expertisebureau's in het kader van de projecten Euro en Prisc en de SSC-HRM-kosten van het eerste halfjaar 2003 waarvoor IVOP op dit moment de financiële administratie voert. De SSC-HRM-kosten na medio 2003 zijn niet in de cijfers opgenomen.

Personeelskosten. De geraamde personeelskosten zijn gebaseerd op de veronderstelde benodigde capaciteit voor het jaar 2004.

Materiële kosten. Onder deze post zijn alle reguliere materiele kosten van IVOP opgenomen voor het jaar 2004.

Afschrijvingskosten IVOP. Onder deze post zijn de afschrijvingen op de bedrijfsmiddelen van IVOP opgenomen.

In 2003 wordt een grote investering in kantoorautomatisering ten behoeve van het SSC-HRM gerealiseerd. Dit veroorzaakt in 2004 en 2005 hogere afschrijvingskosten.

Afschrijvingskosten (x € 1 000)
Omschrijving2002200320042005200620072008
Salarissysteem0000   
PF/PI systemen33000   
Hardware7176159139   
Software38414345   
Inventaris18181919   
Kantoorapparatuur20151617   

Directe kosten voor opdrachten. Hieronder zijn begrepen de bestuurs- en controlekosten. Dit zijn de kosten van IVOP in het kader van de ondersteuning van het bestuur en de AVD alsmede de kosten van de EDP-auditpool.

Afschrijvingskosten systemen. De afschrijvingskosten hebben uitsluitend betrekking op de PF/PI-systemen.

Dotaties aan voorzieningen. Omdat vaststaat dat het onderhoud en beheer van de systemen door IVOP uiterlijk 31 december 2005 zal worden stopgezet en er in het verleden slechts een beperkt beroep op de voorzieningen is gedaan is besloten de voorzieningen terug te brengen naar nihil ultimo 2002. Deze versnelde afbouw van de reservepositie is van invloed geweest op de tariefstelling voor 2001 en 2002 (de afbouw van de reserve is opgenomen in de tarieven).

3. Overzicht vermogensontwikkeling

Overzicht vermogensontwikkeling (in € 1 000)
Baten-lastendienst IVOP2002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari836144150111777
        
2. Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar– 6926– 39– 104   
        
3a. Uitkering aan moederministerie       
3b. Bijdrage moederministerie ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties in eigen vermogen       
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen       
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)1441501117777

4. Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht 2004 (in € 1 000)
Baten-lastendienst IVOP2002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari (incl. deposito)7 0603 7071 667427348  
        
2. Totaal operationele kasstroom– 3 129– 1 840– 1 052116   
        
3a. –/– totaal investeringen– 224– 200– 188– 195   
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 224– 200– 188– 195   
        
4a. –/– eenmalige uitkering aan moederministerie       
4b. +/+ eenmalige storting door moederministerie       
4c. –/– aflossingen op leningen       
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit       
4. Totaal financieringskasstroom       
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)3 7071 667427348348  
maximale roodstand € 0,5 mln)       

5. Kengetallen

Met betrekking tot (de meetbaarheid van) de producten IVOP is een aantal indicatoren ontwikkeld. Deze indicatoren richten zich op de kosten per categorie onderhoud en/of beheer van het salarissysteem en van de personeel-financiële systemen. De kosten voor de deelnemers worden uitgedrukt in tarieven per IAR's. Op basis hiervan kan achteraf een beeld worden geschetst van (verbetering van) de doelmatigheid van IVOP.

De totale uitgaven aan het onderhoud en beheer van het salarissysteem worden echter beïnvloed door het aantal onderhoudsopdrachten dat in een bepaald jaar moest worden uitgevoerd. Omdat kostenbeheersing voor de deelnemers aan het samenwerkingsverband een van de belangrijkste doelstellingen is, wordt de effectiviteit van IVOP mede beoordeeld aan de hand van de meerjarige ontwikkeling in de totale kosten per systeem.

In onderstaande overzichten is de ontwikkeling van de tarieven per iar aangegeven:

Tarieven voor het Salarissysteem199819992000200120022003
Basisonderhoud Salarissysteem Kern14,73*17,4318,8519,2819,0019,85
Basisonderhoud Standaard Interface1,491,490,470,70  
Centrale regelgeving Salarissysteem Kern1,241,062,903,102,60 

* Exclusief het tarief voor het millenniumbestendig maken (22,39).

Tarieven voor de PF/PI systemen199819992000200120022003
IBIS2,222,222,63**3,13**2,05**1,05**
IBIS-individueel1,361,361,401,451,501,50
Productie IBIS (Roccade-kosten)1,541,02    
SNIP1,951,952,38**2,97**1,30**0,85**
Productie SNIP1,091,09    
VINK0,540,681,24**1,88**1,00**0,80**
Productie VINK0,320,27    
Journalisering 0,450,22   
CBS0,110,110,11   

** Inclusief de productiekosten.

5. DE VERDIEPINGSBIJLAGE

5.1. De opbouwtabellen

Totaal begroting

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
Totaal begroting2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 4 685 2964 703 6184 629 1664 632 3304 687 795 
Nota van wijziging 2003 – 147 994– 20 97469 882132 672145 673 
Amendement 2003 – 20 000     
1e suppletore begroting 2003 317 250216 876183 227196 563188 341 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk – 106 655– 913– 51 448– 13 59612 666 
Stand ontwerp-begroting 20045 606 2274 727 8974 898 6074 830 8274 947 9695 034 4755 074 783
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
Totaal begroting2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 4 917 3804 742 8174 660 1144 663 2784 718 732 
Nota van wijziging 2003 – 147 994– 20 97469 882132 672145 673 
Amendement 2003 – 20 000     
1e suppletore begroting 2003 318 750216 876183 227196 563188 341 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk – 87 11228 139– 45 211– 14 4823 669 
Stand ontwerp-begroting 20044 823 3264 981 0244 966 8584 868 0124 978 0315 056 4155 092 623
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
Totaal begroting2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 207 472210 581215 175214 355214 351 
Nota van wijziging 2003 – 1 588– 1 588– 1 588– 1 588– 1 588 
1e suppletore begroting 2003 – 1 9762 1245 05116 70829 593 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk – 1 750– 251– 251– 251– 251 
Stand ontwerp-begroting 2004320 526202 158210 866218 387229 224242 105241 159

Beleidsartikel 1: Grondwet en democratie

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
1: Grondwet en democratie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 5 4284 7134 6835 9834 172 
1.1: apparaat 5 4284 7134 6835 9834 172 
1e suppletore begroting 2003: 750243– 111– 111– 111 
1.1: apparaat 750243– 111– 111– 111 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 916940– 132– 130– 149 
1.1: apparaat – 916940– 132– 130– 149 
a. verkiezingen Europees Parlement – 1 0001 000    
b. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 11912311211495 
* reallocatie (diversen) – 35– 183– 244– 244– 244 
Stand ontwerp-begroting 2004:8 0105 2625 8964 4405 7423 9123 912
1.1: apparaat8 0105 2625 8964 4405 7423 9123 912
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
1: Grondwet en democratie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 5 4284 7134 6835 9834 172 
1.1: apparaat 5 4284 7134 6835 9834 172 
1e suppletore begroting 2003: 2 250243– 111– 111– 111 
1.1: apparaat 2 250243– 111– 111– 111 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 916940– 132– 130– 149 
1.1: apparaat – 916940– 132– 130– 149 
a. verkiezingen Europees Parlement – 1 0001 000    
b. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 11912311211495 
* reallocatie (diversen) – 35– 183– 244– 244– 244 
Stand ontwerp-begroting 2004:7 4936 7625 8964 4405 7423 9123 912
1.1: apparaat7 4936 7625 8964 4405 7423 9123 912
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
1: Grondwet en democratie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 700000 
Stand ontwerp-begroting 20043687000000

Beleidsartikel 2: Politie

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
2: Politie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 3 640 3133 699 3993 708 6273 734 7003 764 607 
2.1: apparaat 11 66911 86911 64211 55211 552 
2.2: politie op regionaal niveau 2 903 1972 919 0142 925 0542 943 3052 961 390 
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 362 622362 391363 536365 764367 086 
2.4: prestatievermogen van de politie 58 85280 28774 88274 78274 782 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 303 973325 838333 513339 297349 797 
Nota van wijziging 2003: 17 000130 000199 800257 400271 400 
2.2: politie op regionaal niveau 17 000127 000186 800237 400251 400 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel  3 00013 00020 00020 000 
1e suppletore begroting 2003: 29 29723 40932 00139 82848 894 
2.1: apparaat – 17587785– 121– 121 
2.2: politie op regionaal niveau 9 208– 4 265– 6 106– 10 057– 10 239 
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 7 3609 84713 51821 53221 714 
2.4: prestatievermogen van de politie 1 281– 1 888– 1 888– 1 888– 1 888 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 11 46519 12825 69230 36239 428 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: 124 716116 588113 560151 109158 106 
2.1: apparaat 3 4743 5193 6773 7353 735 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 3 2183 3603 5533 6093 609 
* reallocatie (diversen) 256159124126126 
2.2: politie op regionaal niveau 100 34858 24552 47088 66395 626 
a. 15%-reeks veiligheidsenveloppe  22 50037 50045 00052 500 
b. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 1143 7004 3714 3714 371 
c. technische bijstelling       
* regieraad ICT    30 00030 000 
* Irak beveiliging diplomatieke diensten 5 000     
* efficiency door aanpak ziekteverzuim politie  – 1 786– 3 571– 5 357– 7 143 
* efficiency door politie  – 30 000– 50 000– 50 000– 50 000 
* bovenregionale teams  – 30 168– 30 807– 31 804– 31 810 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 94 26893 99994 97796 45397 708 
* reallocatie – 34     
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 16 32448 90250 68151 77950 583 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 7866 4007 4297 4297 429 
b. technische bijstelling       
* Irak opstart LSGBO 42     
* Irak handboek veiligheidsbeleid 6 000     
* bovenregionale teams  30 16830 80731 80431 810 
* terreurgelden  2 8752 9302 9301 730 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 8 4969 4599 5159 6169 614 
2.4: prestatievermogen van de politie – 37– 3 073– 3 201– 3 203– 2 008 
a. technische bijstelling       
* terreurgelden  – 2 875– 2 930– 2 930– 1 730 
* reallocatie (diversen) – 37– 198– 271– 273– 278 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 4 607– 172 947– 180 374– 188 880– 197 911 
a. technische bijstelling       
* overgang naar 2.6: DGVP  – 181 942– 190 307– 199 015– 208 081 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4 6078 9959 93310 13510 170 
2.6: geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081 
a. technische bijstelling       
* overgang van 2.5: DGVP  181 942190 307199 015208 081 
Stand ontwerp-begroting 2004:3 853 8923 811 3263 969 3964 053 9884 183 0374 243 0074 277 534
2.1: apparaat14 73315 12615 97516 10415 16615 16615 166
2.2: politie op regionaal niveau3 061 6753 029 7533 099 9943 158 2183 259 3113 298 1773 317 229
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau386 368386 306421 140427 735439 075439 383440 858
2.4: prestatievermogen van de politie24 11160 09675 32669 79369 69170 88670 886
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel367 005320 045175 019191 831200 779211 314225 314
2.6: geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081208 081
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
2: Politie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 3 681 7683 670 0643 692 2473 718 3203 748 227 
2.1: apparaat 11 66911 86911 64311 55211 552 
2.2: politie op regionaal niveau 2 945 2122 890 3062 908 9962 927 2482 945 333 
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 361 704361 763363 290365 518366 840 
2.4: prestatievermogen van de politie 58 32580 19974 80574 70574 705 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 304 858325 927333 513339 297349 797 
Nota van wijziging 2003: 17 000130 000199 800257 400271 400 
2.2: politie op regionaal niveau 17 000127 000186 800237 400251 400 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel  3 00013 00020 00020 000 
1e suppletore begroting 2003: 29 29723 4093200139 82848 894 
2.1: apparaat – 17587785– 121– 121 
2.2: politie op regionaal niveau 9 208– 4 265– 6 106– 10 057– 10 239 
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 7 3609 84713 51821 53221 714 
2.4: prestatievermogen van de politie 1 281– 1 888– 1 888– 1 888– 1 888 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 11 46519 12825 69230 36239 428 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: 124 716116 588113 560151 109158 106 
2.1: apparaat 3 4743 5193 6773 7353 735 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 3 2183 3603 5533 6093 609 
* reallocatie (diversen) 256159124126126 
2.2: politie op regionaal niveau 100 34858 24552 47088 66395 626 
a. 15%-reeks veiligheidsenveloppe  22 50037 50045 00052 500 
b. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 1143 7004 3714 3714 371 
c. technische bijstelling       
* regieraad ICT    30 00030 000 
* Irak beveiliging diplomatieke diensten 5 000     
* efficiency door aanpak ziekteverzuim politie  – 1 786– 3 571– 5 357– 7 143 
* efficiency door politie  – 30 000– 50 000– 50 000– 50 000 
* bovenregionale teams  – 30 168– 30 807– 31 804– 31 810 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 94 26893 99994 97796 45397 708 
* reallocatie – 34     
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau 16 32448 90250 68151 77950 583 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 7866 4007 4297 4297 429 
b. technische bijstelling       
* Irak opstart LSGBO 42     
* Irak handboek veiligheidsbeleid 6 000     
* bovenregionale teams  30 16830 80731 80431 810 
* terreurgelden  2 8752 9302 9301 730 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 8 4969 4599 5159 6169 614 
2.4: prestatievermogen van de politie – 37– 3 073– 3 201– 3 203– 2008 
a. technische bijstelling       
* terreurgelden  – 2 875– 2 930– 2 930– 1 730 
* reallocatie (diversen) – 37– 198– 271– 273– 278 
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel 4 607– 172 947– 180 374– 188 880– 197 911 
a. technische bijstelling       
* overgang naar 2.6: DGVP  – 181 942– 190 307– 199 015– 208 081 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4 6078 9959 93310 13510 170 
2.6: geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081 
a. technische bijstelling       
* overgang van 2.5: DGVP  181 942190 307199 015208 081 
Stand ontwerp-begroting 2004:3 614 8033 852 7813 940 0614 037 6084 166 6574 226 6274 261 154
2.1: apparaat14 23115 12615 97516 10515 16615 16615 166
2.2: politie op regionaal niveau2 832 8023 071 7683 071 2863 142 1603 243 2543 282 1203 301 172
2.3: politie op bovenregionaal en landelijk niveau380 213385 388420 512427 489438 829439 137440 612
2.4: prestatievermogen van de politie19 03759 56975 23869 71669 61470 80970 809
2.5: adequaat niveau van politiepersoneel368 520320 930175 108191 831200 779211 314225 314
2.6: geneeskundige verzorging politie  181 942190 307199 015208 081208 081
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
2: Politie2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 172 250175 881175 881175 881175 881 
1e suppletore begroting 2003 – 3 5824 27812 64121 34930 415 
Nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:       
a. uitname schommelfonds – 8 469     
Stand ontwerp-begroting 2004231 521160 199180 159188 522197 230206 296206 296

2.2.a. 15%-Reeks veiligheidsenveloppe. Dit betreft de invulling van de intensivering op het gebied van Veiligheid uit het hoofdlijnenakkoord Balkenende II.

2.2.c./4.3.b. Regieraad ICT. Op basis van het convenant politie 1999 en het door de Minister van BZK aan de Tweede Kamer aangeboden ICT-bestek politie met bijbehorend rapport van de projectgroep financiën financiert de Regieraad, in samenhang met de reeds beschikbare ICT-gelden van de korpsen, de inhaalslag op het terrein van ICT bij de politie. BZK reserveert voor de dekking van de verhoogde lasten een budget van € 4,537 mln in 2001 oplopend tot € 30,858 mln in 2005 en verdere jaren.

In 1999 is besloten de extra middelen deels centraal te houden voor de inhaalslag op het terrein van de ICT-politie. Dat meerjarige budget voor de Regieraad ICT Politie is bij 1e suppletore begroting 2001 overgeheveld van dPOL (artikel 2) naar dVIP (artikel 4).

In 2006 zal dat budget na realisatie van de inhaalslag worden toegevoegd aan de normvergoeding voor de politieregio's ter dekking van de structurele kosten van exploitatie en vervanging die voor rekening van de korpsen komen (decembercirculaire 2002). Het toevoegen aan de normvergoeding wordt gerealiseerd door de voorgestelde reallocatie (€ 30 mln).

2.2.c./2.3.c. Irak opstart LSGBO en Irak handboek veiligheidsbeleid/Irakbeveiliging diplomatieke diensten. In verband met de oorlog in Irak zijn er extra kosten gemaakt. Het betreft kosten voor intensivering van bewaking en beveiliging zowel bij de KLPD als bij de regiokorpsen (waaronder de intensivering van de beveiliging van diplomatieke vestigingen), opschaling van het NCC, extra kosten AIVD, alsmede kosten van de zogeheten veiligheidsmonitor. De totale kosten hiervan, die zijn toegerekend aan de periode van de Irak-oorlog, bedragen € 12,232 mln (zie tevens artikel 4.1.b., 4.2.b., 5.1.c., 12.1.a. en 13.3.h.).

2.2.c. Efficiency door aanpak/politie. Dit betreft de invulling van de ombuigingen uit het hoofdlijnenakkoord Balkenende II.

2.2.c. Bovenregionale teams. In 2004 vindt implementatie plaats van de Nationale Recherche en de bovenregionale recherche. Om de daarbij behorende bovenregionale en landelijke voorzieningen effectief en doelmatig te organiseren worden enerzijds bijdragen verstrekt voor de inrichting van deze nieuw te vormen Nationale Recherche (NR) bij het Korps Landelijke politiediensten en anderzijds bijdragen verstrekt voor de inrichting van 6 bovenregionale teams (BRT/IFT-combinaties) belast met de bestrijding van middelzware criminaliteit op bovenregionaal niveau en horizontale fraude.

2.3.b./2.4.a. Terreurgelden . De reallocatie betreft het op de juiste operationele doelstelling ramen van de gelden die voor de bestrijding van terreur aan de BZK-begroting zijn toegevoegd. Op het moment dat de terreurgelden werden toegevoegd aan de BZK begroting zijn deze abusievelijk op operationele doelstelling 2.4 geboekt.

Beleidsartikel 3: Rampenbeheersing en brandweer

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
3: Rampenbeheersing en brandweer2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 137 780134 580135 751135 676135 677 
3.1: apparaat 6 2246 2656 0725 9975 997 
3.2: ondersteunen brandweer 7 9727 9607 9537 9537 954 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding 123 584120 355121 726121 726121 726 
Nota van wijziging 2003:   16 00020 00020 000 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding   16 00020 00020 000 
1e suppletore begroting 2003: 23 936254– 1 920– 1 070– 70 
3.1: apparaat – 180– 162– 157   
3.2: ondersteunen brandweer 668– 498– 693   
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding 23 448914– 1 070– 1 070– 70 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: 3 1172 6282 4642 5012 468 
3.1: apparaat 3 9153 7403 9243 8403 837 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 2 8262 8933 0653 1023 099 
* reallocatie (diversen) 1 089847859738738 
3.2: ondersteunen brandweer 1 918314314314314 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 102104104104104 
* reallocatie 1 606     
* desaldering 210210210210210 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding – 2 716– 1 426– 1 774– 1 653– 1 683 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 2121212121 
* reallocatie (diversen) – 2 737– 1 447– 1 795– 1 674– 1 704 
Stand ontwerp-begroting 2004:163 131164 833137 462152 295157 107158 075158 075
3.1: apparaat12 8799 9599 8439 8399 8379 8349 834
3.2: ondersteunen brandweer8 85610 5587 7767 5748 2678 2688 268
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding141 396144 316119 843134 882139 003139 973139 973
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
3: Rampenbeheersing en brandweer2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 138 435135 972137 143137 068137 068 
3.1: apparaat 6 2246 2656 0725 9975 997 
3.2: ondersteunen brandweer 8 0007 9887 9817 9817 981 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding 124 211121 719123 090123 090123 090 
Nota van wijziging 2003:   16 00020 00020 000 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding   16 00020 00020 000 
1e suppletore begroting 2003: 23 936254– 1 920– 1 070– 70 
3.1: apparaat – 180– 162– 157   
3.2: ondersteunen brandweer 668– 498– 693   
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding 23 448914– 1 070– 1 070– 70 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: 3 1172 6282 4642 5012 468 
3.1: apparaat 3 9153 7403 9243 8403 837 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 2 8262 8933 0653 1023 099 
* reallocatie (diversen) 1 089847859738738 
3.2: ondersteunen brandweer 1 918314314314314 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 102104104104104 
* reallocatie 1 606     
* desaldering 210210210210210 
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding – 2 716– 1 426– 1 774– 1 653– 1 683 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 2121212121 
* reallocatie (diversen) – 2 737– 1 447– 1 795– 1 674– 1 704 
Stand ontwerp-begroting 2004:159 965165 488138 854153 687158 499159 466159 466
3.1: apparaat12 3199 9599 8439 8399 8379 8349 834
3.2: ondersteunen brandweer9 22710 5867 8047 6028 2958 2958 295
3.3: ondersteunen partners in rampenbestrijding138 419144 943121 207136 246140 367141 337141 337
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
3: Rampenbeheersing en brandweer2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 4040404040 
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk:       
a. technische bijstelling       
* desaldering 210210210210210 
Stand ontwerp-begroting 20041 242250250250250250250

Beleidsartikel 4: Partners in veiligheid

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
4: Partners in veiligheid2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 179 810128 85581 95775 19574 194 
4.1: apparaat 5 3464 8934 6354 6044 604 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 4 5804 5334 2204 1424 142 
4.3: ICT-infrastructuur 80 92275 04266 86560 43660 436 
4.4: netwerk C2000 87 61843 0435 2375 0135 012 
4.5: projecten 1 3441 3441 0001 0000 
Amendement 2003: – 20 000     
4.4: netwerk C2000 – 20 000     
1e suppletore begroting 2003: 38 22939 0841 0951 0951 095 
4.1: apparaat 1 048860756747747 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 2 07732272727 
4.3: ICT-infrastructuur 732529418429429 
4.4: netwerk C2000 22 07237 663– 106– 108– 108 
4.5: projecten 12 300     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 43 24154 19115 668– 14 4147 754 
4.1: apparaat 1 0939441 5241 5221 521 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 200200800800800 
b. technische bijstelling       
* Irak opschaling NCC 145     
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 748744724722721 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 3 395389– 72– 83– 104 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 800400    
b. technische bijstelling       
* Irak veiligheidsmonitor 460     
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4847444343 
* reallocatie (diversen) 1 087– 58– 116– 126– 147 
4.3: ICT-infrastructuur 587545280– 29 785– 8 585 
a. correctie extrapolatie ICT infrastructuur     21 200 
b. technische bijstelling       
* regieraad ICT    – 30 000– 30 000 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 867825729654654 
* reallocatie (diversen) – 280– 280– 449– 439– 439 
4.4: netwerk C2000 – 51 82751 80213 42613 42213 422 
a. projectorganisatie – 50 00050 000    
b. bijstelling verplichtingen – 6 047 12 96912 96912 969 
c. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4 2461 938457453453 
* reallocatie – 26– 136    
4.5: projecten 3 5115115105101 500 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 5001 5001 5001 5001 500 
b. verplichtingenschuif centrum reïntegratie en nazorg 3 000– 1 000– 1 000– 1 000  
c. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 11111010  
Stand ontwerp-begroting 2004:200 833154 798222 13098 72061 87683 04383 043
4.1: apparaat9 5827 4876 6976 9156 8736 8726  872
4.2: integraal veiligheidsbeleid52 64010 0524 9544 1754 0864 0654 065
4.3: ICT-infrastructuur97 77182 24176 11667 56331 08052 28052 280
4.4: netwerk C200040 84037 863132 50818 55718 32718 32618 326
4.5: projecten017 1551 8551 5101 5101 5001 500
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
4: Partners in veiligheid2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 268 296163 03094 92688 16487 163 
4.1: apparaat 5 3464 8934 6354 6044 604 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 4 5804 5334 2204 1424 142 
4.3: ICT-infrastructuur 80 92275 04266 86560 43660 436 
4.4: netwerk C2000 176 10477 21818 20617 98217 981 
4.5: projecten 1 3441 3441 0001 0000 
Amendement 2003: – 20 000     
4.4: netwerk C2000 – 20 000     
1e suppletore begroting 2003: 38 22939 0841 0951 0951 095 
4.1: apparaat 1 048860756747747 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 2 07732272727 
4.3: ICT-infrastructuur 732529418429429 
4.4: netwerk C2000 22 07237 663– 106– 108– 108 
4.5: projecten 12 300     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 40 19455 1913 699– 26 383– 5 215 
4.1: apparaat 1 0939441 5241 5221 521 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 200200800800800 
b. technische bijstelling       
* Irak opschaling NCC 145     
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 748744724722721 
4.2: integraal veiligheidsbeleid 3 395389– 72– 83– 104 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 800400    
b. technische bijstelling       
* Irak veiligheidsmonitor 460     
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4847444343 
* reallocatie (diversen) 1 087– 58– 116– 126– 147 
4.3: ICT-infrastructuur 587545280– 29 785– 8 585 
a. correctie extrapolatie ICT infrastructuur     21 200 
b. technische bijstelling       
* regieraad ICT    – 30 000– 30 000 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 867825729654654 
* reallocatie (diversen) – 280– 280– 449– 439– 439 
4.4: netwerk C2000 – 45 78051 802457453453 
a. projectorganisatie – 50 00050 000    
c. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 4 2461 938457453453 
* reallocatie – 26– 136    
4.5: projecten 5111 5111 5101 5101 500 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 5001 5001 5001 5001 500 
c. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 11111010  
Stand ontwerp-begroting 2004:247 351246 331257 30599 72062 87683 04383 043
4.1: apparaat8 7957 4876 6976 9156 8736 8726 872
4.2: integraal veiligheidsbeleid49 03510 0524 9544 1754 0864 0654 065
4.3: ICT-infrastructuur95 50782 24176 11667 56331 08052 28052 280
4.4: netwerk C200094 014132 396166 68318 55718 32718 32618 326
4.5: projecten014 1552 8552 5102 5101 5001 500
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
4: Partners in veiligheid2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 00000 
Stand ontwerp-begroting 20044 312000000

4.1.b./4.2.b.Irak opschaling NCC/Irak Veiligheidsmonitor. In verband met de oorlog in Irak zijn er extra kosten gemaakt. Het betreft kosten voor intensivering van bewaking en beveiliging zowel bij de KLPD als bij de regiokorpsen (waaronder de intensivering van de beveiliging van diplomatieke vestigingen), opschaling van het NCC, extra kosten AIVD, alsmede kosten van de zogeheten veiligheidsmonitor. De totale kosten hiervan, die zijn toegerekend aan de periode van de Irak-oorlog, bedragen € 12,232 mln (zie tevens artikel 2.2.d., 2.3.c., 5.1.c., 12.1.a. en 13.3.h.).

4.3.b./2.2.d.Regieraad ICT. Op basis van het convenant politie 1999 en het door de Minister van BZK aan de Tweede Kamer aangeboden ICT-bestek politie met bijbehorend rapport van de projectgroep financiën financiert de Regieraad, in samenhang met de reeds beschikbare ICT-gelden van de korpsen, de inhaalslag op het terrein van ICT bij de politie. BZK reserveert voor de dekking van de verhoogde lasten een budget van € 4,537 mln in 2001 oplopend tot € 30,858 mln in 2005 en verdere jaren.

In 1999 is besloten de extra middelen deels centraal te houden voor de inhaalslag op het terrein van de ICT-politie. Dat meerjarige budget voor de Regieraad ICT Politie is bij 1e suppletore begroting 2001 overgeheveld van dPOL (artikel 2) naar dVIP (artikel 4).

In 2006 zal dat budget na realisatie van de inhaalslag worden toegevoegd aan de normvergoeding voor de politieregio's ter dekking van de structurele kosten van exploitatie en vervanging die voor rekening van de korpsen komen (decembercirculaire 2002). Het toevoegen aan de normvergoeding wordt gerealiseerd door de voorgestelde reallocatie (€ 30 mln).

4.4.b.Bijstelling verplichtingen. Om in de komende jaren het beschikbare budget op artikel 4.4. C2000 zowel aan de kas- als verplichtingzijde synchroon te laten lopen is deze mutatie noodzakelijk. Hiermede wordt de kas=verplichting gelijk getrokken.

Beleidsartikel 5: Nationale Veiligheid

Opbouw verplichtingen en uitgaven (x € 1 000)
5: Nationale Veiligheid2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 71 00484 81690 84987 61087 611 
5.1: apparaat 68 00481 77187 80484 56584 566 
5.2: geheime uitgaven 3 0003 0453 0453 0453 045 
1e suppletore begroting 20 032: 3 7572 2702 4032 4032 403 
5.1: apparaat 3 3622 2702 4032 4032 403 
5.2: geheime uitgaven 395     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: 3 155– 5 536– 4 61115 35815 355 
5.1: apparaat 3 127– 5 564– 4 63915 33015 327 
a. stelsel bewaking en beveiliging (Van den Haak) 1 0003 0004 0004 0004 000 
b. huisvesting  – 10 000– 10 00010 00010 000 
c. technische bijstelling       
* Irak veiligheid 385     
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 1 5982 1302 2752 2442 241 
* reallocatie – 133– 694– 914– 914– 914 
* desaldering 277     
5.2: geheime uitgaven 2828282828 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 2828282828 
Stand ontwerp-begroting 2004:71 317(67 365)77 91681 55088 641105 371105 36995 369
5.1: apparaat69 333(65 381)74 49378 47785 568102 298102 29692 296
5.2: geheime uitgaven1 984(1 984)3 4233 0733 0733 0733 0733 073
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
5: Nationale Veiligheid2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 9191919191 
1e suppletore begroting 2003 661     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk:       
a. technische bijstelling       
* desaldering 277     
Stand ontwerp-begroting 20041 1061 0299191919191

5.1.c. Irak veiligheid. In verband met de oorlog in Irak zijn er extra kosten gemaakt. Het betreft kosten voor intensivering van bewaking en beveiliging zowel bij de KLPD als bij de regiokorpsen (waaronder de intensivering van de beveiliging van diplomatieke vestigingen), opschaling van het NCC, extra kosten AIVD, alsmede kosten van de zogeheten veiligheidsmonitor. De totale kosten hiervan, die zijn toegerekend aan de periode van de Irak-oorlog, bedragen € 12,232 mln (zie tevens artikel 2.2.d., 2.3.c., 4.1.b., 4.2.b., 12.1.a. en 13.3.h.).

Beleidsartikel 6: Functioneren Openbaar Bestuur

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
6: Functioneren Openbaar Bestuur2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 38 84739 03828 16726 75925 914 
6.1: apparaat 8 2418 2408 1378 0628 062 
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur 14 76414 7483 7543 7542 388 
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 5 5675 7746 0005 3675 887 
6.4: faciliteren politieke partijen 10 27510 27610 2769 5769 577 
1e suppletore begroting 2003: – 318– 20    
6.1: apparaat – 415– 20    
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur – 13     
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 110     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 13 776– 3 8086 8997 2557 190 
6.1: apparaat 4022– 88– 89– 90 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 231260256255254 
* herschikkingen DGOB 171     
* reallocatie (diversen)  – 258– 344– 344– 344 
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur – 15 765– 9 1141 8771 8761 797 
a. verplichtingen Den Haag – 11 000– 11 000    
b. technische bijstelling       
* overgang van 12.2: Oorlogsgravenstichting  2 2912 2962 2962 296 
* herschikkingen DGOB – 3 971– 180    
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 39118117116102 
* reallocatie (diversen) – 833– 343– 536– 536– 601 
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 1 762– 29– 222159174 
a. professionaliseringsfonds burgemeesters 1 400– 600– 800   
b. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 162171178159174 
* overboeking 200400400   
6.4: faciliteren politieke partijen – 1755 3335 3325 3095 309 
a. verplichtingen subsidie politieke partijen – 508     
b. technische bijstelling       
* subsidie politieke partijen  5 0005 0005 0005 000 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 333333332309309 
Stand ontwerp-begroting 2004:76 10124 75335 21035 06634 01433 10433 104
6.1: apparaat8 0018 2288 2228 0497 9737 9727 972
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur49 243– 1 0145 6345 6315 6304 1854 185
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers6 2687 4395 7455 7785 5266 0616 061
6.4: faciliteren politieke partijen12 58910 10015 60915 60814 88514 88614 886
Opbouw uitgaven (x € 1 000)
6: Functioneren Openbaar Bestuur2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003: 38 84739 03828 16726 75925 914 
6.1: apparaat 8 2418 2408 1378 0628 062 
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur 14 76414 7483 7543 7542 388 
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 5 5675 7746 0005 3675 887 
6.4: faciliteren politieke partijen 10 27510 27610 2769 5769 577 
1e suppletore begroting 2003: – 318– 20    
6.1: apparaat – 415– 20    
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur – 13     
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 110     
Nog niet opgenomen in een begrotingstuk: – 3 6687 7927 6997 2557 190 
6.1: apparaat 4022– 88– 89– 90 
a. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 231260256255254 
* herschikkingen DGOB 171     
* reallocatie (diversen)  – 258– 344– 344– 344 
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur – 4 7651 8861 8771 8761 797 
b. technische bijstelling       
* overgang van 12.2: Oorlogsgravenstichting  2 2912 2962 2962 296 
* herschikkingen DGOB – 3 971– 180    
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 39118117116102 
* reallocatie (diversen) – 833– 343– 536– 536– 601 
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers 362571578159174 
b. technische bijstelling       
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 162171178159174 
* overboeking 200400400   
6.4: faciliteren politieke partijen 3335 3335 3325 3095 309 
b. technische bijstelling       
* subsidie politieke partijen  5 0005 0005 0005 000 
* toedeling loon-, prijsbijstelling, ww en ww-correctie 333333332309309 
Stand ontwerp-begroting 2004:51 67234 86146 81035 86634 01433 10433 104
6.1: apparaat7 8618 2288 2228 0497 9737 9727 972
6.2: inrichting en werking openbaar bestuur26 4819 98616 6345 6315 6304 1854 185
6.3: rechtspositie en arbeidsvoorwaardenbeleid politieke ambtsdragers6 0496 0396 3456 5785 5266 0616 061
6.4: faciliteren politieke partijen11 28110 60815 60915 60814 88514 88614 886
Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
6: Functioneren Openbaar Bestuur2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 172168163159155 
Stand ontwerp-begroting 20044 901172168163159155155

6.2.a. Herindeling Den Haag. Dit zijn tegenboekingen van de verhogingen van de verplichtingenramingen die zijn gemeld bij Nota van wjjziging 2002 (kamerstukken II, 2001/2002, 28 000 VII, nr 25).

6.2.b. Oorlogsgravenstichti ng. Met ingang van de ontwerp-begroting 2004 zijn diverse regelingen die voorheen waren geraamd op artikel 12 Algemeen overgebracht naar het beleidsterrein waartoe ze behoren (zie ook 9.3.b., 10.5.a., 12.2.a. en B.5.3 Was/wordt-tabel).

Beleidsartikel 7: Informatiebeleid Openbare Sector