Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij de wetsartikelen2
   
B.Begrotingstoelichting3
   
 Lijst met afkortingen238
 Trefwoordenregister241

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor het jaar 2004 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2004. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2004.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2004 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten LASER, Bureau Heffingen, Plantenziektenkundige Dienst, Dienst Landelijk Gebied, Voedsel en Waren Autoriteit (CE), Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees en Keuringsdienst van Waren voor het jaar 2004 vastgesteld. Gezien eerdere overleggen met de Tweede Kamer is, lopende de voorhangprocedure, de Dienst Landelijk Gebied reeds als nieuwe baten-lastendienst in de LNV-begroting opgenomen.

De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastendiensten.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

MEMORIE VAN TOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

Leeswijzer4
Beleidsagenda9
 Deel A. Algemeen9
  1. Vitaal en Samen: hoofdlijnen van het beleid in 20049
  2. Financieel kader voor 200410
 Deel B. Beleidsprogramma LNV 2004–200713
01Versterking landelijk gebied36
02Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)55
03Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)65
04Economisch perspectiefvolle agroketens72
05Bevorderen duurzame productie86
06Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid105
07Kennisontwikkeling en innovatie118
08Kennisvoorziening127
09Kennisverspreiding131
10Nominaal en onvoorzien137
11Algemeen138
Bedrijfsvoeringsparagraaf142
Bureau Heffingen144
Dienst Landelijk Gebied151
LASER160
Plantenziektenkundige Dienst166
Voedsel en Waren Autoriteit172
Verdiepingsbijlage195
Bijlage moties en toezeggingen215
Bijlage ZBO's en RWT's227
Bijlage Europese geldstromen228

LEESWIJZER

De memorie van toelichting van de LNV-begroting 2004 kent de volgende indeling:

– de beleidsagenda

– de beleidsartikelen (1 t/m 9)

– de niet-beleidsartikelen (10 en 11)

– de paragraaf inzake bedrijfsvoering

– de paragraaf inzake baten-lastendiensten

– de verdiepingsbijlage

– de bijlage moties en toezeggingen

– de bijlage inzake ZBO's en RWT's

– de bijlage Europese geldstromen

Evenals in de begroting 2003 bevat de memorie van toelichting de bijlage Europese geldstromen. Deze verschaft, voor zover relevant voor het ministerie van LNV, inzicht in de vertaling van het Europese beleid in nationaal beleid, onze nationale inzet binnen de Europese Unie en de Europese geldstromen die buiten het nationale begrotingsverband lopen. Tot slot is achter de memorie van toelichting een trefwoordenregister, een lijst met afkortingen en het organogram van het ministerie van LNV opgenomen.

Deze leeswijzer vermeldt een aantal aandachtspunten van algemene aard.

VBTB algemeen

Bij de beleidsartikelen is, in vervolg op de groeipaden VBTB in de voorgaande jaren, voor het laatst een VBTB-paragraaf opgenomen. Hierin wordt ingegaan op gerealiseerde verbeteringen en nog te realiseren verbeteringen in de vorm van een eindperspectief, met name gericht op doelformuleringen, prestatiegegevens, de www-samenhang in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en de evaluatieprogrammering.

De programma-uitgaven per operationele doelstelling, zijn in de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid», meerjarig uitgesplitst naar beleidsmatig relevante onderwerpen en – voor zover van toepassing – naar financiële instrumenten, bijdragen aan zbo's, internationale overheden en/of medeoverheden.

LNV wil een krachtige bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling (people, planet, profit), oftewel de zorg voor het welbevinden van mensen, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en een vitale economie. Om de stand van zaken van de LNV-beleidsvelden aan te geven is een samenhangende set van indicatoren in ontwikkeling, mede als uitwerking van de Nationale Strategie voor Duurzame Ontwikkeling. De ontwikkeling van de set bevindt zich in 2003 in de afrondende fase. In de set worden doelen en indicatoren opgenomen waar in internationaal verband afspraken over zijn gemaakt. Voorbeelden van mondiaal overeengekomen doelen zijn: het stoppen van het verlies aan biodiversiteit in 2010, herstel van kwetsbare visbestanden in 2015, het met 5% verminderen van de uitstoot van broeikasgassen in 2012, en de halvering van het aantal ondervoede mensen wereldwijd in 2015. Voorbeelden van EU-doelen zijn: een goede ecologische toestand van oppervlaktewater uiterlijk in 2015, het terugdringen van de nitraatbelasting in grondwater en een aanzienlijke reductie van de ammoniakemissie in 2010.

Wijziging begrotingsindeling 2005

Met het introduceren van VBTB is de afgelopen jaren een grote stap gezet naar een verbetering van de transparantie, de kwaliteit, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het overheidsbeleid.

In eerdere VBTB-begrotingen van LNV is aangegeven dat het verbeteren van de toegankelijkheid van de LNV-begroting en -verantwoording – door middel van een heldere koppeling van de doelstellingen aan instrumenten en middelen – een groeiproces is. Daar past bij dat LNV zich voorneemt in de begroting 2005 een gewijzigde begrotingsindeling te presenteren, om zo een verdere vergroting van de transparantie van de LNV-begroting te bereiken. Aanleiding daartoe vormt onder meer een departementale studie naar vermindering c.q. vereenvoudiging van het aantal gebieds- en beleidscategorieën Verwerving en Inrichting.

Budget- en prestatiegegevens intensivering EHS en reconstructie

De intensivering voor de EHS en reconstructie, waartoe in het Hoofdlijnenakkoord is besloten, is in deze ontwerpbegroting nog slechts financieel verwerkt. Dit betekent dat nog geen prestatiegegevens in dit kader zijn opgenomen. Over een concrete invulling in termen van prestaties wordt de Kamer separaat geïnformeerd.

Een overzicht van de verdeling van de middelen (€ 700 mln. voor de periode 2004–2007) over de (beleids)artikelen is weergegeven in (de inleiding bij) de verdiepingsbijlage.

Verantwoordelijkheid LNV

In de afzonderlijke beleidsartikelen wordt ingegaan op de taken en verantwoordelijkheden van de minister van LNV. Het karakter hiervan is afhankelijk van de geformuleerde doelstellingen en streefwaarden bij de beleidsartikelen. Er is onderscheid tussen directe en indirecte verantwoordelijkheid.

De minister van LNV is altijd verantwoordelijk voor de keuze en de opzet van de beleidsinstrumenten die voor het realiseren van de doelstellingen worden ingezet: d.w.z. voor het systeem.

Van indirecte verantwoordelijkheid is dan sprake als de minister van LNV wel verantwoordelijk is voor (keuze en opzet) van het systeem, maar voor het te behalen resultaat (mede) afhankelijk is van de inspanningen van andere overheden/ bestuursorganen of de medewerking van de doelgroep. Een voorbeeld daarvan is de Reconstructiewet. De provincies hebben het initiatief om met plannen te komen om per gebied op maat invulling te geven aan het beleid.

Voor de inzet en de werking van de beleidsinstrumenten in een bepaald begrotingsjaar bestaat bovendien een directe verantwoordelijkheid voor het te behalen resultaat voor zover de minister zelf over de middelen en bevoegdheden beschikt om handelend op te treden. Dit geldt ook voor het uitvoeren van EU-regelgeving en het uitoefenen van bevoegdheden op de wijze en momenten waarop de nationale wetgeving die voorschrijft. Als voorbeeld voor dit laatste kan dienen de veterinaire controle bij de invoer van dieren aan de EU-buitengrens, respectievelijk het nemen van maatregelen bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte.

Toerekening van de apparaatsuitgaven van de uitvoerende diensten aan de beleidsartikelen

De toerekening van de apparaatsuitgaven van (of de bijdrage van het moederdepartment aan) de uitvoerende diensten aan de beleidsartikelen is gebaseerd op de inzet van de betreffende uitvoerende dienst per beleidsartikel. Deze inzet wordt jaarlijks in overleg tussen de beleidsdirecties en uitvoerende diensten bepaald. Uitgangspunt hierbij is de historische inzet. Nieuw of gewijzigd beleid, alsmede het verleggen van de prioriteiten of aanpassingen in de aanpak van de uitvoering, zijn van invloed op deze historische inzet en kunnen leiden tot intensiveringen of extensiveringen. Tot uitvoering wordt in dit kader ook handhaving gerekend. In de onderstaande tabel is de procentuele toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen per uitvoerende dienst voor het begrotingsjaar 2004 weergegeven. In de verantwoording over 2004 zal deze verdeling, met inachtneming van de begrotingsmutaties bij 1e en 2e suppletore begrotingswet en slotwet, worden gehanteerd.

Beleidsartikelen
 1234567891011
AID6%  34%47%13%     
LASER3%2%18%12%7%   1% 57%
Bureau Heffingen    100%      
PD    100%      
DLG72%22%6%        
VWA (CE)     100%     
RVV     100%     
KVW     0%     

Grafiek 1: Procentuele toerekening aan de beleidsartikelen van de LNV-bijdrage per uitvoerende dienst.

kst-29200-XIV-2-1.gif

Overzichtsconstructies

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is een aparte budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de buitenlanduitgaven van de verschillende departementen gebundeld. Zo wordt inzicht verschaft in de belangrijkste uitgaven die Nederland jaarlijks doet in het kader van internationale samenwerking. Belangrijke uitgangspunten van de HGIS zijn het bevorderen van samenwerking en afstemming tussen de ministeries op het gebied van buitenlands beleid. De coördinatie van deze overzichtsconstructie ligt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Voor wat betreft het ministerie van LNV komen de uitgaven uit hoofde van de Agrarische Vertegenwoordiging Buitenland (inclusief de twee centra voor training en technologieoverdracht) en de contributie aan de Food and Agricultural Organisation (FAO) ten laste van de HGIS. De desbetreffende uitgaven worden in beleidsartikel 11 «Algemeen» nader toegelicht.

Het ministerie van LNV draagt tevens de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor internationale natuurprojecten die voortvloeien uit internationale verdragen. Het betreft projecten die worden gefinancierd uit middelen die op de begroting van LNV staan en die onderdeel uitmaken van de HGIS. De desbetreffende uitgaven worden nader toegelicht in Beleidsartikel 1 onder de operationele doelstelling «Internationaal natuurlijk».

In de begroting 2004 is tevens een overzichtsconstructie «Milieu» opgenomen. Deze overzichtsconstructie geeft inzicht in de beleidsvoornemens en de daarbij behorende uitgaven voor de jaren 2004 tot en met 2008 voor het onderwerp Milieu. De coördinatie van deze overzichtsconstructie ligt bij het ministerie van VROM. De hiermee gemoeide LNV-uitgaven hebben betrekking op beleidsartikel 1 «Versterking landelijk gebied», beleidsartikel 4 «Economisch perspectiefvolle agroketens» en beleidsartikel 9 «Kennisverspreiding».

Evaluatieprogrammering

Onder elk beleidsartikel is een overzicht opgenomen met de programmering van evaluatieonderzoek ex post van 2002 tot en met 2008. Hiermee wordt een zo compleet mogelijk beeld gegeven van afgeronde, lopende en geplande onderzoeken per operationele doelstelling. Voor zover mogelijk wordt het laatst uitgevoerde onderzoek en het eerstvolgende onderzoek weergegeven. Uitgangspunt is dat de programmering dekkend is, zoals dat is voorgeschreven in de per 1 januari 2002 in werking getreden Regeling Prestatiegegevens en Evaluatieonderzoek Rijksoverheid (RPE). Dat wil zeggen dat minimaal eenmaal per vijf jaar achteraf wordt geëvalueerd. In de overzichten is het jaartal van afronding aangegeven. De resultaten van de afgeronde evaluatieonderzoeken en de gevolgen daarvan voor het te voeren beleid worden opgenomen in het jaarverslag.

Fiscale instrumenten

Het beleidsinstrumentarium dat LNV inzet of ter beschikking staat om haar doelstellingen te realiseren bestaat naast de instrumenten, die de LNV-begroting belasten, ook uit fiscale instrumenten. Deze fiscale instrumenten worden in de memorie van toelichting van deze begroting, voorzover ze direct betrekking hebben op een beleidsartikel, benoemd onder de beleidsinstrumenten bij de operationele doelstellingen van dat beleidsartikel. Er zijn ook fiscale instrumenten die niet direct aan een beleidsartikel zijn te koppelen, omdat ze worden ingezet ter realisering van een breder scala aan doelstellingen. Dit kunnen maatregelen zijn die specifiek op de LNV-sector zijn gericht dan wel sectoroverstijgende maatregelen. Het gaat hier om de volgende fiscale maatregelen:

DoelgroepDirecte belastingenIndirecte belastingen
LNV-sectorLandbouwvrijstellingLandbouwregeling
   
SectoroverstijgendO.m. zelfstandigenaftrek, doorschuiving stakingswinst, bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit successiewet, aftrek speur-/ontwikkelingswerk, vervroegde afschrijving milieu-investeringen, energie- en milieu-investeringsaftrek. O.m. tariefdifferentiatie accijnzen tractoren en mobiele werktuigen, vrijstelling overdrachtsbelasting bij overdracht aan de volgende generatie.

De budgettaire gevolgen van de fiscale instrumenten zijn onder de noemer belastinguitgaven te vinden in bijlage 5 van de Miljoenennota 2004.

BELEIDSAGENDA

DEEL A. Algemeen

1. Vitaal en Samen: hoofdlijnen van het beleid in 2004

Minder bureaucratie en regelzucht, lagere administratieve lasten, het vastleggen van concrete beleidsdoelen, een voortvarende aanpak van langslepende problemen en herstel van de verbinding met de samenleving; dat zijn voor het kabinet belangrijke ijkpunten voor het beleid van de komende jaren, ook op het gebied van landbouw, natuur en voedselkwaliteit. Inzet van het kabinet is een vitale en duurzame agrarische sector met meer marktwerking en een leefbaar platteland. Beleidsvoornemens die hieraan invulling moeten geven zijn onder meer intensivering van het particulier en agrarisch natuurbeheer en een evenwichtig reconstructiebeleid. Ten aanzien van milieu en dierenwelzijn houdt het kabinet vast aan het uitgangspunt dat Nederland in internationaal en Europees verband zal pleiten voor scherpe normen, maar daar in principe niet zelf op vooruit zal lopen. In het navolgende LNV-Beleidsprogramma 2004–2007 geef ik aan welke concrete doelen ik voor de komende vier jaar stel en op welke wijze deze gerealiseerd moeten worden. Samenwerking met maatschappelijke organisaties is daarbij van belang.

Het is voor de effectiviteit van het werk van belang dat de realisatie van de nationale beleidsagenda plaatsvindt in een goede wisselwerking met de inspanningen die in Brussel worden gepleegd om zaken geagendeerd te krijgen. Niet alleen om discussies in een volgende fase te krijgen maar ook om dossiers tot een goed einde te brengen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verdere vormgeving van het GLB, de vermindering van de administratieve lasten in de landbouw en de voorbereidingen voor de implementatie van de EU-kaderverordening Plattelandsontwikkeling voor de periode vanaf 2006. Maar ook blijft Nederland er voor ijveren om maatschappelijk verantwoorde dierziektebestrijding, met name door afschaffing van het non-vaccinatiebeleid, Europees en internationaal onder de aandacht te krijgen en te houden. Tegelijk houden de telkens nieuwe uitbraken van dierziekten de toekomstige vormgeving van de veehouderijsector hoog op de agenda. In het jaar 2004 wil ik de resultaten van het maatschappelijk debat over de toekomst van de intensieve veehouderij een praktisch vervolg geven. Ik zal daarvoor afspraken met betrokken maatschappelijke partijen maken over de veranderingen die moeten plaatsvinden en hun verantwoordelijkheden om tot verandering te komen.

In de tweede helft van 2004 bekleedt Nederland het voorzitterschap van de Europese Unie. De contouren van de Nederlandse prioriteiten, zoals deze worden ingebracht in het operationele Iers–Nederlandse programma en het strategische meerjarenprogramma 2004–2006, zijn opgenomen in de Staat van de Europese Unie 2004 (hoofdstuk 2). In aanvulling daarop zijn in de Memorie van Toelichting bij de begroting 2004 van het ministerie van LNV accenten te vinden die dit departement betreffen. Op 1 mei 2004 gaan tien nieuwe lidstaten formeel meebeslissen in de Unie. Lopende het Nederlandse voorzitterschap worden de nieuwe stemverhoudingen in de Raad van kracht. Vanzelfsprekend zal er in de aanloop naar en gedurende het voorzitterschap veel geïnvesteerd moeten worden in een voorspoedige integratie van de nieuwe lidstaten in de EU. Daarnaast heeft Nederland de primeur om in een uitgebreide EU met een nieuwe samenstelling van het Europees Parlement (wordt in mei verkozen) en de Europese Commissie (treedt per 1 november aan), voor het eerst met 25 volwaardige lidstaten de besluitvormingsprocessen vorm te geven.

Veel nieuwe Commissievoorstellen zullen zich in de tweede helft van 2004 niet aandienen, zodat we ons vooral zullen richten op het zoveel mogelijk realiseren van de lopende dossiers. Daarbij zal 2004 voor de EU zeker op het gebied van het landbouw- en plattelandsbeleid een belangrijk jaar zijn. De discussie over de structuurfondsen zal beginnen en de nieuwe Financiële Perspectieven worden vastgesteld. Het voorzitterschap biedt een goede mogelijkheid om een stevige impuls te geven aan de discussie en visievorming over een duurzamer landbouwbeleid. Deze initiatieven vormen een concrete invulling van het overkoepelende thema duurzame groei. Daarbij zoekt Nederland nadrukkelijk naar meer ruimte voor initiatieven op regionale schaal binnen het Europese plattelandsbeleid. Andere onderwerpen die naar verwachting tijdens het Nederlands voorzitterschap aan de orde zullen komen zijn, behalve aandacht voor de administratieve lastenverlichting en de vereenvoudiging van regelgeving: de herziening van diverse marktordeningen, verdere afhandeling van het witboek voedselveiligheid, dierenwelzijn, gewasbeschermingsmiddelen, verdere samenwerking op het gebied van controle, handhaving en opsporing m.n. op het gebied van visserij, en het implementatieproces van het gemeenschappelijke visserijbeleid.

2. Financieel kader voor 2004

2.1 Uitgaven

De begroting van de uitgaven voor 2004 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2003 bijgesteld met € 49 mln. Deze bijstelling bestaat uit de mutaties, zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Bedragen x € 1 mln.
 200320042005200620072008
Stand begroting 20032 0611 8661 8461 8661 8311 831
1. Ombuigingen Hoofdlijnenakkoord 2003– 22– 35– 63– 66– 71– 71
2. Intensivering Hoofdlijnenakkoord 2003 6090260290250
3. Loon en prijsbijstelling454747474848
4. Overig345– 23– 20020
Stand begroting 20042 4291 9151 9182 1072 0982 078

Toelichting

1. Ombuigingen Hoofdlijnenakkoord 2003

In het Hoofdlijnenakkoord 2003 is een beperking van de uitgaven op het terrein van LNV opgenomen. Het betreft een ombuiging van € 10 mln. in 2003, € 20 mln. in 2004 en € 40 mln. met ingang van 2005. In de begroting 2004 vindt een gedeeltelijke invulling van deze ombuiging plaats op de programma-budgetten van verschillende beleidsartikelen.

Daarnaast bevat het Hoofdlijnenakkoord 2003 voor LNV ombuigingen op het terrein van de arbeidsvoorwaardenruimte, het beperken van de bureaucratie en regelgeving van de collectieve sectoren, het beperken van de overheidssubsidies en het vergroten van het profijtbeginsel. Het gaat daarbij om de vermindering van de incidentele loonontwikkeling bij het onderwijs, vermindering van de inhuur van externen, het verbeteren van de efficiency bij het Rijk en ZBO's. Conform de opdracht in het Hoofdlijnenakkoord worden deze ombuigingen van € 15,4 mln. in 2004 oplopend tot € 31,4 mln. gerealiseerd binnen het apparaatsbudget.

2. Intensivering Hoofdlijnenakkoord 2003

Binnen het financieel kader 2004–2007 van het Hoofdlijnenakkoord is ruimte gemaakt voor enkele intensiveringen. Voor LNV betreft het een intensivering van € 700 mln. in deze periode bestemd voor reconstructie en voor het realiseren van de EHS, inclusief particulier en agrarisch natuurbeheer.

3. Loon- en prijsbijstelling

De loonbijstellings- en prijsbijstellingstranche 2003 is structureel over de diverse artikelen verdeeld. Met de toedeling van de loonbijstelling is de meerjarige doorwerking van de CAO 2002 verwerkt. De toewijzing vond plaats conform de voorschriften van het ministerie van Financiën.

4. Overig

Het budget is in 2003 opgehoogd met € 259 mln. voor de uitgaven als gevolg van de uitbraak van klassieke vogelpest. De uitgaven hebben betrekking op de maatregelen voor de bestrijding van deze besmettelijke dierziekte, de daarmee gemoeide uitvoerings- en handhavingskosten en de inkomstenderving van de RVV. In dit kader is ook een bedrag beschikbaar gesteld aan het Noodfonds MKZ en Vogelpest, waarop Nederlandse bedrijven (agrarisch en niet-agrarisch) een beroep kunnen doen die als gevolg van de vogelpest in continuïteitsproblemen zijn gekomen. Daarnaast is de budgetophoging 2003 het gevolg van een intertemporele compensatie voor de uitgaven in het kader van het natuurbeleid.

Onder overig zijn voorts opgenomen de aanvullende taakstelling SBB en de aanvullende korting op (de incidentele loonontwikkeling bij) het landbouwonderwijs uit hoofde van het aanvullende pakket ombuigingen.

2.2 Ontvangsten

De begroting van de ontvangsten voor 2004 is ten opzichte van de meerjarencijfers in de begroting 2003 technisch bijgesteld met € 43 mln.

Bedragen x € 1 mln.
 200320042005200620072008
Stand begroting 2003617389394397352352
1. Vogelpest104141   
2. Identificatie & registratie101010101010
3. Overig34– 8– 2– 2– 1– 4
Stand begroting 2004671432443405361358

Toelichting

1. Vogelpest

Op basis van de totale kostenraming medio 2003 van de bestrijdingsmaatregelen van de Klassieke Vogelpest wordt een EU-bijdrage in de kosten verwacht van € 92,0 mln. Deze is door het Rijk voorgefinancierd. Verwachting is dat de EU-bijdrage in 3 tranches van € 10 mln., € 41 mln. en nogmaals € 41 mln. in de jaren 2003 t/m 2005 wordt ontvangen.

2. Identificatie & registratie

Met ingang van 1 januari 2002 zijn alle taken m.b.t. Identificatie en Registratie van dieren (I&R) door het Rijk overgenomen van de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren (GD) en de Productschappen (PVE). De hiermee gemoeide uitgaven worden gedekt uit bijdragen van het bedrijfsleven. Dit leidt tot een meerjarige desaldering van € 9,7 mln.

3. Overig

De verhoging van de ontvangsten in 2003 heeft onder meer betrekking op de EU-afrekening van de caseïnezaak. In dit kader wordt € 13 mln. van de EU ontvangen.

DEEL B. Beleidsprogramma LNV 2004–2007

1. Inleiding

In het Hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet voor de komende jaren een aantal duidelijke ambities vastgelegd op het gebied van natuur, landbouw en voedselkwaliteit. Zo zal het kabinet ondanks de ongunstige economische omstandigheden aanzienlijke investeringen plegen in natuur, reconstructie en een vitaal platteland. Dit gebeurt vanuit de overtuiging dat een rijke natuur een waarde in zichzelf heeft en van fundamentele betekenis is voor de kwaliteit van leven in ons land en eveneens dat een concurrerende land- en tuinbouw een belangrijke drager is van de economie en van de leefbaarheid van het platteland. Duurzame kwaliteit van de leefomgeving is voor alle burgers van direct belang, aldus het regeerakkoord. Duurzame ontwikkeling is voor het kabinet daarom richtsnoer bij het te voeren beleid, waarbij voortdurend moet worden gezocht naar een goede balans tussen de drie dimensies van het begrip duurzaamheid: people, planet en profit. Zowel bij de productie van voedsel als bij het beheer van de omgeving staan behoud van de natuurlijke hulpbronnen en van het sociaal en menselijk kapitaal centraal; respect en zorg zijn hierbij sleutelbegrippen. Het rijksbrede Actieprogramma Duurzame Ontwikkeling wordt uitgevoerd, de LNV-kernset van indicatoren voor duurzame ontwikkeling is eind 2003 gereed en wordt geïntegreerd in de begroting met ingang van 2006 (zie de leeswijzer bij deze begroting).

Het kabinet verbindt de notie van duurzame ontwikkeling aan een ondersteunende opstelling van de overheid ten opzichte van de burger en de ondernemer. Het rijk borgt vanzelfsprekend de publieke belangen, maar biedt tegelijk ook zoveel mogelijk ruimte aan de samenleving – andere overheden, ondernemingen, maatschappelijke organisaties, individuen en hun verbanden – om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de inrichting van hun leven en leefomgeving. «Meedoen» is daarom naast «meer werk» en «minder regels» een van de drie credo's van het kabinet. De overheid biedt overigens niet vrijblijvend ruimte aan het maatschappelijk veld; voor bedrijven, burgers en hun verbanden ligt er de verplichting om verantwoordelijk met de geboden ruimte om te gaan.

Voor het platteland en de voedselproductie betekent het bovenstaande dat ik de samenleving intensief en direct wil betrekken bij de beleidsontwikkeling op voor de land- en tuinbouw belangrijke thema's, zoals de toekomst van de intensieve veehouderij en het mestbeleid. Beleid staat en valt immers met draagvlak voor de aanpak bij de ondernemers en consumenten die het moeten vormgeven. Voor voedselproductie en de zorg voor de leefomgeving geldt bij uitstek dat de internationale beleidsmatige context kaderstellend is. Dat betreft allereerst de Europese Unie, die zowel in geografische zin als in economische en politieke betekenis blijft toenemen. Maar ook op boven-Europese schaal maakt Nederland afspraken die bepalend zijn voor de beleidsterreinen van LNV.

De V in de naam van het Ministerie van LNV staat nu voor Voedselkwaliteit. Dit betekent niet dat de zorg voor de visstand en de visserijsector voortaan minder prioriteit hebben, maar wel dat de eisen die de burger aan de kwaliteit van zijn voedselpakket stelt op rijksniveau meer dan ooit serieus worden genomen. De maatschappelijke eis van voedselkwaliteit heeft een veel grotere reikwijdte dan de stoffelijke betrouwbaarheid van het eindproduct. En niet alleen de laatste schakel, het eindproduct, maar de gehele keten dient te staan in het perspectief van de maatschappelijke opvattingen over voedselkwaliteit. De beleidsinspanningen op het terrein van de voedselveiligheid moeten op deze ketenbenadering aansluiten en daarmee worden ingebed in het bredere kader van een samenhangend beleid voor landbouw, natuur en voedselkwaliteit. In de komende kabinetsperiode zal aan deze verantwoordelijkheid verdere invulling worden gegeven. Daarvoor is een krachtige, onafhankelijke autoriteit voorwaarde, namelijk de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA).

In dit Beleidsprogramma geef ik aan hoe het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet wordt doorvertaald naar het LNV-beleid. De richting is helder en is in veel gevallen reeds uitvoerig met de Kamer besproken. Nu komt het aan op de verwezenlijking: hoe geven we concreet uitvoering aan de ambities, wie is daarbij waarvoor verantwoordelijk, wat willen we deze kabinetsperiode bereiken en hoe pakken we dat aan? Nadruk zal daarbij worden gegeven aan een doelgerichte en doelmatige uitvoering van het beleid. Dit moet tot lastenverlichting voor het bedrijfsleven leiden.

De kern van de beleidsopgave luidt: het realiseren van een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een hoogwaardig voedselaanbod op een samenhangende wijze te combineren met de wensen van burgers op het gebied van wonen, werken en vrije tijd. Door een integrale benadering kunnen nieuwe verbindingen worden gelegd tussen landbouw, natuur en landschap. Europees beleid (met name het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) is hierbij in belangrijke mate voorwaardenscheppend en kaderstellend. Voor het rijk is een herbezinning op zijn verschillende taken en verantwoordelijkheden aan de orde. Daarvoor zijn in het regeerakkoord de ankers geslagen. De richting is van een verzorgende overheid naar een ondersteunende overheid. Centrale thema's zijn:

• Nederland zet zich in voor EU-harmonisatie van regelgeving op het gebied van voedselveiligheid, milieu en dierenwelzijn op een hoog niveau, maar voert in beginsel geen stringenter beleid dan het Europese;

• versterking van de concurrentiekracht, onder meer door een substantiële vermindering van administratieve lasten voor burgers en bedrijven;

• vermindering van regelzucht en bureaucratie, vergroting effectiviteit, slagkracht van maatregelen en «luisterend vermogen» van de overheid;

• versterking van de kenniseconomie;

• versterking van verantwoordelijkheid en zeggenschap van burgers en samenleving;

• waarborgen van de veiligheid van burgers, dus ook van consumenten.

Het kabinet stimuleert innovatie, ondernemerschap, eigen verantwoordelijkheid van de sectoren en voorlopers door de gerichte versterking van kennis als beleidsinstrument en door ruimte te geven aan een aantal concrete projecten gericht op transitie en innovatie. Door betere kennisbenutting is efficiëntere inzet van middelen mogelijk. In het Innovatieplatform van het kabinet worden plannen uitgewerkt voor de te volgen strategie voor kennis. De adviezen van het Innovatieplatform zullen meewegen in de aansturing van de middelen voor kennisontwikkeling en kennisexploitatie. Het Innovatieplatform kan het kabinet zo ook benutten om de verbinding met de kennisinfrastructuur als geheel verder te versterken.

2. Vitale, duurzame land- en tuinbouw

Een vitale land- en tuinbouw, met inbegrip van de gehele agrofoodketen en inclusief de visserij, is om een aantal redenen van belang voor de Nederlandse samenleving:

• voor de economische positie van Nederland (het saldo van de agrarische handelsbalans groeide in 2002 tot bijna 20 miljard euro, hetgeen tweederde van het overschot op de totale handelsbalans bedraagt);

• als producent van goede en veilige agroproducten;

• als beheerder van het landelijk gebied.

Het aandeel van het agrofoodcomplex (productie, verwerking, toelevering, distributie) in de Nederlandse economie beslaat in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid circa 10%. De krachtige positie van het agrofoodcomplex is in de eerste plaats de verdienste van ondernemers. De inzet van het kabinet is om die vooraanstaande positie verder te versterken. Dit vraagt ruimte voor ondernemerschap, een stimulerend klimaat voor innovatie en level playing field binnen en buiten de Europese Unie. Een belangrijke succesfactor is ook een goede kennisexploitatie en een sterke en brede kennisinfrastructuur. Juist de koppeling van kennis en ondernemerschap heeft Nederland een vooraanstaande positie in de wereld bezorgd. Kortom, er is veel reden om trots te zijn op wat al die ondernemers en werknemers in het agrofoodcomplex voor onze samenleving betekenen.

Transitie en innovatie

Naast alles om trots op te zijn, zijn er ook zorgen. Zorgen vanwege de consequenties van onze intensieve land- en tuinbouw en visserij voor natuur en milieu; zorgen vanwege de bijdrage van agrarische distributie aan onze fileproblematiek; zorgen vanwege de kwetsbaarheid van Nederland voor veterinaire en fytosanitaire crises. En zorgen omdat als gevolg van de internationale ontwikkelingen (Europees, onderhandelingen in het kader van de Wereld Handelsorganisatie, WTO) de financiële ondersteuning van de landbouw geleidelijk zal afnemen en de concurrentie toenemen. Dit is de reden dat het vorige kabinet een Transitieagenda heeft opgesteld. Dit kabinet staat voor de uitdaging deze agenda te vertalen in concrete actie.

Onlangs is in het kader van de mid term review besloten tot hervorming van het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid. Daarenboven is er kans dat ook hervormingen voor suiker, groenten en fruit en andere producten op stapel worden gezet. Naast de hervormingen van de zogenoemde eerste pijler van het GLB, zal in 2004 een evaluatie plaatsvinden van de tweede pijler van het beleid, dat wil zeggen van het onderdeel plattelandsbeleid. Aanpassingen daaruit voortvloeiend zullen vanaf 2007 hun beslag krijgen. In dit kader zullen ook nationaal de prioriteiten worden bepaald voor de inzet van middelen uit de verplichte modulatie en de zogenaamde nationale enveloppe. Het beleid in de tweede pijler biedt voorts bij uitstek mogelijkheden om aan te sluiten bij de omslag die ondernemers willen maken naar een verbreding van hun huidige activiteiten, onder andere in de vorm van beheer van natuur- en landschapswaarden en omschakeling naar biologische landbouw. Bij biologische landbouw blijft het kabinet streven naar realisatie van de 10%-doelstelling in 2010.

De transitie in de land- en tuinbouw vergt dan ook een brede aanpak en een verbreding van het traditionele LNV-instrumentarium. Het gaat niet alleen om sturen op productie, maar ook om het reageren op en het beïnvloeden van consumentengedrag. Het vergroten van de vraag in de markt en zelfsturing zijn bepalende factoren. Niet zelf voorop lopen in Europa, maar een effectieve invloed op Europese normstelling uitoefenen zodat het totale beeld verbetert. Niet minder ambitie, maar een effectievere aanpak om die ambitie te realiseren. Het is essentieel dat er ook in de toekomst ondernemers blijven die brood zien in agrarisch ondernemen en dat er jonge mensen zijn die het transitieproces energiek ter hand willen nemen. Het innovatiebeleid moet om de toekomst van de ondernemers zeker te stellen gericht zijn op versterking van het concurrentievermogen van de land- en tuinbouw, met in achtneming van de maatschappelijke context van het agrofoodcomplex. In het transitieproces dient ook aandacht te zijn voor de sociale aspecten waarmee ondernemers (en hun gezinnen) te maken hebben.

Actiepunten:

– Het in Luxemburg overeengekomen akkoord over hervorming van het GLB zal in 2004 uitgewerkt worden in concrete nationale maatregelen en besluiten. Uitgangspunten daarbij zijn dat het beleid bijdraagt aan een meer duurzame landbouw, de uitvoeringslasten voor overheid en ondernemers beperkt blijven en deze uitwerking niet tot concurrentieverstoringen leidt.

– Het beleid in de tweede pijler wordt met het oog op effectuering in 2007 de komende jaren herzien. Bij deze herziening zullen bovengenoemde uitgangspunten eveneens een belangrijke rol spelen in de Nederlandse inzet.

– Het convenant duurzame gewasbescherming wordt geïmplementeerd.

– De nota biologische landbouw zal binnenkort worden geëvalueerd en mede op basis daarvan zal worden bezien welke instrumenten moeten worden ingezet ter realisatie van de doelen.

– In de periode 2003–2006 zullen 9 pilots op het gebied van de agrologistiek worden uitgevoerd/gestart.

– In de periode 2003–2006 zullen 6 pilots op het gebied van transparantie en ICT worden uitgevoerd/gestart.

– De Meerjaren Afspraak Energiebesparing wordt uitgevoerd, de ingezette lijn om via pilotprojecten innovatie te stimuleren wordt voortgezet.

– De Nota Dierenwelzijn zal worden herijkt aan de hand van uitgangspunten die in het Regeerakkoord zijn verwoord.

– Bij de beleidsaanpak gericht op transitie wordt extra aandacht besteed aan de positie van starters, in eerste instantie door middel van steun bij bedrijfsplannen en middels een verruimde borgstellingsfaciliteit.

Duurzaam beheer van het landelijk gebied

Als grootste grondgebruiker blijft de landbouw beeldbepalend voor het platteland. De boer levert zonder directe vergoeding een belangrijke, in sommige cultuurlandschappen zelfs onmisbare bijdrage aan de kwaliteit van het landschap en natuurwaarden. Geredeneerd vanuit de bijzondere kwaliteiten van bepaalde landschappen en de rol van het agrarisch beheer daarbij, wil het rijk de landbouw gerichter ondersteunen om deze beheerfunctie waar te blijven maken. De verplichte modulatie, als onderdeel van de hervorming van het GLB, kan daarvoor worden benut. Daarbij is essentieel dat ondernemers ruimte krijgen om te ondernemen en in te spelen op ontwikkelingen in een grillige markt.

Het kabinet wil in deze kabinetsperiode komen tot een manier van handelen die meer dan tot nu toe leidt tot waardering van diensten die agrarische ondernemers leveren aan de samenleving. Tegenover de bovenwettelijke eisen die de maatschappij stelt aan de kwaliteit van natuur en landschap maar ook aan recreatieve toegankelijkheid en waterbeheer zal immers een redelijke vergoeding moeten staan. In de geleidelijke verbreding van landbouwbeleid naar plattelandsbeleid zal gezocht moeten worden naar mogelijkheden om te komen tot een mix van compensatie voor het produceren in gebieden met natuurlijke handicaps en specifieke vergoedingen voor geleverde diensten. Ik maak dus onderscheid tussen drie lagen die telkens een andere rolopvatting van de overheid vragen.

1. Ruimte voor ondernemerschap binnen de geldende maatschappelijke randvoorwaarden en de eigen boerenethiek leidt tot agrarische bedrijvigheid die zonder specifieke steun van de overheid kan plaatsvinden. Het beleid is hierbij vooral gericht op ruimte bieden binnen zekere randvoorwaarden en faciliteren.

2. Agrarische ondernemers in gebieden met natuurlijke handicaps worden gecompenseerd voor het feit dat ze door ongunstige productieomstandigheden niet in staat zijn concurrerend te produceren. Voorwaarde is dat de productiefunctie in deze gebieden maatschappelijk gewaardeerd worden. Deze benadering strookt met de «bergboerenregeling» in het EU-beleid. Hier ligt een rol voor de rijksoverheid (al dan niet met behulp van Brusselse gelden).

3. (Agrarische) ondernemers worden beloond voor specifieke diensten, gericht op de realisatie van maatschappelijke wensen die verder gaan dan van ondernemers in de reguliere ondernemerspraktijk verwacht mag worden.

Actiepunt:

– Het kabinet zal het zogenaamde drielagenmodel verder uitwerken en implementeren naar de mate waarin dit binnen de EU-kaders van landbouw- en regionaal beleid mogelijk is.

Visserij

Op het terrein van de visserij liggen er forse beleidsopgaven. De inzet van Nederland is gericht op het bevorderen van een duurzame visserij in lijn met de hervorming van het EU-beleid van december 2002 en met de afspraken die in Johannesburg zijn gemaakt over het duurzame beheer van visbestanden. Inzet is een level playing field binnen Europa (ook waar het inspecties betreft) en grotere participatie van belanghebbenden. Dit geldt zowel voor de zee- als voor de kust- en binnenvisserij.

In de kustvisserij zullen verantwoordelijkheden voor beheer worden overgedragen aan de sector. In het eerste kwartaal 2004 wordt op basis van de resultaten van EVA-2 onderzoek een nieuw beleidskader voor de schelpdierenvisserij geformuleerd. Hierin zal een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen het belang van de visserij en de natuurfunctie in de kustwateren (o.a. Waddenzee en Oosterschelde).

Het zeevisserijbeleid is in hoge mate Europees beleid. In december 2002 zijn belangrijke besluiten genomen over een aantal voorstellen in het kader van de hervorming van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. De komende periode worden deze geïmplementeerd en zullen besluiten vallen over nadere voorstellen.

Een aantal visbestanden staat ernstig onder druk. Met het oog daarop worden alternatieven gezocht in aquacultuur. Deze deelsector heeft grote groeipotentie. Tegelijkertijd zijn aan deze groei ook (maatschappelijke) risico's verbonden, bijvoorbeeld op milieu en veterinair gebied. Door het stellen van randvoorwaarden en het wegnemen van onnodige belemmeringen wil de Nederlandse regering de groei van de aquacultuur mogelijk maken.

Actiepunten:

– In 2003 en 2004 zal het nieuwe vlootstructuurbeleid, waartoe de Raad van december 2002 heeft besloten, in de EU nader worden uitgewerkt en nationaal worden geïmplementeerd. Dit zal betekenen dat de Nederlandse regelgeving terzake volledig met de EU-voorschriften zal zijn geharmoniseerd.

– In 2003 zal een definitief herstelplan voor kabeljauw worden vastgesteld. Nederland hecht aan een effectieve herstelstrategie; wel zal de uitwerking hiervan op de verschillende vloten door Nederland worden getoetst op proportionaliteit naar de mate waarin kabeljauw wordt (mee)gevist.

– Zowel de visserijsector als maatschappelijke organisaties worden op Europees niveau nauwer betrokken bij het visserijbeleid door de vorming van regionale adviescomité's. Uiterlijk in 2004 zal een Regionaal Advies Comité voor de Noordzee, bestaande uit stakeholders uit de Noordzeelanden, worden ingesteld.

– Door introductie van een electronisch logboek en koppeling van registratiesystemen van bedrijfsleven en overheid, zullen de administratieve lasten in 2004 met ca. 10% dalen.

– Met de omvorming van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij zal de sportvisserijsector een grotere verantwoordelijkheid krijgen bij de toekomstige inrichting van de sportvisserij in Nederland.

– Met betrekking tot aquacultuur zal een knelpuntenanalyse en een plan van aanpak worden opgesteld teneinde vast te kunnen stellen langs welke weg die groei gestimuleerd c.q. bereikt kan worden met in achtneming van milieu- en veterinaire voorwaarden.

– Voor de bescherming van de visbestanden en het behoud van draagvlak voor het visserijbeleid is een adequate handhaving noodzakelijk. De inzet van het kabinet is dit in de gehele EU te bereiken. Daartoe wordt gewerkt aan het opstellen van benchmarks voor controle en de oprichting van een gemeenschappelijke inspectie-structuur. Deze moet uiterlijk in 2005 effectief worden.

– Deze kabinetsperiode wordt invulling gegeven aan een nieuw beleidskader voor de schelpdiervisserij in de Waddenzee en deltawateren.

Vergroting markttoegang en bilaterale economische samenwerking

Bij de liberalisatie van de wereldhandel wordt met name gesproken over de vermindering van de ondersteuning van de landbouw, verlaging van de invoertarieven en beperking van de exportsteun. Ook de subsidiëring van de visserij is daarbij aan de orde.

Het proces van liberalisatie biedt de exportgerichte Nederlandse agro-industrie kansen op nieuwe markten. Anderzijds zal ook de concurrentie op de Europese interne markt toenemen. In dat laatste geval is het belangrijk dat de extra eisen die de EU stelt aan de productie (o.a. dierenwelzijn, milieu), niet tot onoverkomelijke nadelen voor de eigen producenten leiden. Om dit te vermijden is het noodzakelijk dat op mondiaal vlak erkenning ontstaat voor deze zogenaamde «non-trade concerns». Het is van belang dat deze erkenning wordt vastgelegd in afspraken in het kader van de WTO. Een concretere uitwerking kan dan later volgen. Uiteraard mogen dergelijke eisen niet leiden tot allerlei nieuwe belemmeringen voor de export vanuit ontwikkelingslanden. Met name om die reden wordt ingezet op het verlenen van bijstand aan deze landen om de mogelijkheden die liberalisatie biedt in het kader van extra markttoegang, daadwerkelijk te benutten. Daarnaast worden zij ondersteund bij het voldoen aan de (nieuwe) eisen op het gebied van veterinair-, fytosanitair- en voedselveiligheidsbeleid.

Actiepunten:

– De inzet van Nederland is binnen de EU gericht op vergroting van de markttoegang voor Nederlandse producten op mondiale markten door vermindering van de bestaande handelsbelemmeringen.

– Daarnaast wil Nederland dat de EU zich sterk maakt voor erkenning van non-trade concerns in WTO-kader en de uitwerking ervan in concrete, zo min mogelijk handelsverstorende maatregelen, indien een nieuw handelsakkoord is gesloten.

– Ondersteuning van met name het midden- en kleinbedrijf bij het betreden van internationale markten vanuit het Programma Bilaterale Economische Samenwerking.

– Bijdragen aan versterking van capaciteit en instituties in ontwikkelingslanden om deze landen in staat te stellen beter te voldoen aan strengere westerse normen op het gebied van voedselveiligheid, milieu en duurzame productie.

– Versterken van agroketens in ontwikkelingslanden via publiek private samenwerking, waardoor vergrote markttoegang ook daadwerkelijk tot stand komt.

Administratieve lasten

Vermindering van de administratieve lastendruk is een speerpunt in het Regeerakkoord. Voor de departementen geldt een reductietaakstelling van 25% ten opzichte van 2002. Over de inspanningen die door LNV op het terrein van de administratieve lastenvermindering reeds verricht worden, is uw Kamer de afgelopen periode geïnformeerd.

De vermindering van de administratieve lastendruk blijkt een gecompliceerde opgave, daar met name op de LNV-beleidsvelden door Europese regelgeving een behoorlijke regeldruk ontstaat. Bovendien leidt streven naar maximale rechtvaardigheid en minimaliseren van de risico's bij de naleving bij nationale regelgeving tot fijnmazigheid en extra lasten.

Actiepunten:

– Het bestaande plan van aanpak vermindering administratieve lasten (beleidsprogramma Balkenende I) wordt herijkt aan de hand van de departementale taakstelling uit het Regeerakkoord. Bij de aanpak zal LNV transparant zijn in de dilemma's die zich voordoen en de keuzes die gemaakt moeten worden.

– Minder beleid en minder regels zal de basis moeten geven voor minder administratieve lasten. Hiertoe wordt het LNV beleid doorgelicht.

– Bij nieuw beleid en bij de Nederlandse inbreng in het stellen van kaders op EU-niveau zullen beperking van de administratieve lasten voor ondernemers en beperking van de handhavings- en uitvoeringslast voor de overheid uitgangspunten van beleid zijn. Ook in bestaand EU-beleid zal waar mogelijk worden ingezet op vermindering van lasten.

– Een extra inzet om ook de administratieve lasten bij subsidies te verminderen.

– Via stroomlijning van regelgeving, toezicht en handhaving en betere benutting van ICT, zullen de administratieve lasten waar mogelijk worden gereduceerd.

Kennis en de kennisinfrastructuur

Kennis is een belangrijke pijler voor innovatie, concurrentievermogen van sectoren en voor de ontwikkeling van het platteland. Een hoogkwalitatieve kennisbasis met strategische expertise en met ruimte voor koppeling aan andere publieke en private middelen voor onderzoek is hiervoor voorwaarde. Kennisprogramma's die bijdragen aan innovaties, maatschappelijk verantwoord ondernemen in de keten en zeer gerichte beleidsthema's krijgen prioriteit. Deze vernieuwingen dragen bij aan de kenniseconomie als geheel.

Kennis moet meer openbaar en beter toegankelijk en te exploiteren zijn voor beleid, maatschappij en praktijk. Een betere sturing van onderzoek en kennisexploitatie is noodzakelijk en ook een grotere betrokkenheid van belanghebbenden in bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De positie van voorlopers moet zo versterkt worden. Deze vernieuwingen sluiten aan bij de LNV-Innovatiebrief en het SER-advies hierover.

Actiepunten:

– Voor het waarborgen van een hoogkwalitatieve kennisinfrastructuur voor de agrofood-sector en het platteland als geheel wordt voor het DLO-complex een model ingevoerd met onderscheid in kennisbasis, beleidsondersteunend onderzoek en wettelijke onderzoekstaken. Het budget voor de kennisbasis wordt vergroot ten koste van het beleidsondersteunende onderzoek. Cofinancieringsmogelijkheden worden verruimd.

– Om een betere benutting en toegankelijkheid van onderzoek te realiseren wordt a) het proces voor aansturing van onderzoek en kennis vernieuwd en worden belanghebbenden nauwer betrokken; deze vernieuwing is in 2006 gerealiseerd, b) voor monitoring van de kennisbenutting een programma opgezet en wordt 5–10% van het onderzoeksbudget geoormerkt voor doorwerking van kennis. Op basis van de resultaten (in 2005) vindt mogelijk een verdere verschuiving van budget plaats.

– Voor de inhoudelijke vernieuwing van onderwijs wordt in 2004 een meerjarig programma vastgesteld.

Mest

Na een jarenlang slepende discussie over de implementatie door Nederland van de Nitraatrichtlijn is er zicht op een akkoord met de Europese Commissie. Het akkoord betekent dat de eerstkomende jaren op nationaal niveau geen mestoverschot bestaat. Dat betekent dat verder gedwongen saneren van de veestapel ten gevolge van dit akkoord naar het zich thans laat aanzien achterwege kan blijven. Een definitief akkoord met de Commissie zal overigens pas bereikt kunnen worden na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie over de Nederlandse implementatie van de Nitraatrichtlijn, die voor begin oktober 2003 is voorzien. Deze uitspraak kan onder meer gevolgen hebben voor het stelsel van Minas.

Eerder dit jaar is aangegeven dat in het mestbeleid zowel de administratieve lasten voor de boeren als de uitvoeringskosten voor de overheid taakstellend met 40% moeten worden teruggebracht. Daarin zijn het afgelopen jaar door administratieve vereenvoudigingen al forse stappen gezet. De komende tijd zal gekeken worden naar mogelijkheden om het stelsel ingrijpender aan te passen. Parallel aan de uitwerking van het akkoord met de Commissie zal het totale instrumentarium van mestafzetovereenkomsten (MAO), mineralenaangifte systeem (Minas) en stelsel van productierechten tegen het licht gehouden worden. De daaruit voortvloeiende wijzigingen in de instrumenten zullen worden aangegrepen om te komen tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de regels, uitvoering en administratie; het moet resulteren in een robuuster en goedkoper systeem.

Er zal discussie gevoerd worden over de wijze waarop de sector zelf meer de verantwoordelijkheid – ook financieel – kan dragen voor het realiseren van de beleidsdoelen. In de wijze waarop bedrijven zich naar de overheid moeten verantwoorden zal onderscheid gemaakt worden tussen bedrijven die mest moeten afvoeren en bedrijven waar dit niet het geval is. Deze discussie zal gevoerd worden in samenhang met de discussie over de positie van de intensieve veehouderij in Nederland.

Actiepunten:

– Het huidige stelsel (instrumentarium) zal worden doorgelicht teneinde deze kabinetsperiode tot een aanzienlijke verlichting (40%) van de lasten te komen (zowel voor de boer als voor de uitvoering).

– Op grond van het Hofarrest, de uitkomst van het derogatieoverleg en de evaluatie Meststoffenwet 2002 zullen in het voorjaar 2004 nadere voorstellen worden gedaan voor aanpassing van de wetgeving, die naar verwachting per 2006 in werking kan treden.

– De milieunormen voor stikstof en fosfaat zullen verder worden aangescherpt.

– De werking van het stelsel van dierrechten wordt verlengd tot 1 januari 2007, waarbij de mogelijkheid zal worden geschapen om, indien dat verantwoord is, de dierrechten bij Koninklijk Besluit eerder te laten vervallen.

Herstructurering glastuinbouw

De glastuinbouwsector realiseert op 11 000 ha een productiewaarde van 4,5 miljard euro (bijna een kwart van de productiewaarde van de land- en tuinbouw). De herstructurering van de glastuinbouw, die de afgelopen 10 jaar is ingezet, blijft van groot belang voor vergroting van de duurzaamheid. Voor het overgrote deel gebeurt dit op eigen kracht van de sector.

De verandering die dit kabinet in het ruimtelijk ordeningsbeleid voorstaat (minder centralisme), de dreigende stagnatie van de reconstructie in het Westland, ontwikkelingen in het energie- en CO2-beleid en de noodzaak om subsidies te verminderen zijn voldoende aanleiding om het huidig (financieel) instrumentarium te heroverwegen. Dit zal in overleg met de partijen die het convenant Glastuinbouw en Milieu (Glami) hebben getekend gebeuren. Inzet van het kabinet blijft om het proces van verdere verduurzaming en de realisatie van de afgesproken milieudoelen op een zo effectief mogelijke manier te ondersteunen.

Het ruimtelijk beleid in de glastuinbouw is tot nu toe enerzijds gericht geweest op sanering in de bestaande glastuinbouwcentra (Westland, Aalsmeer) en anderzijds op realisatie van een tiental duurzame glastuinbouwconcentraties verspreid over Nederland. Een restrictief vestigingsbeleid elders (dat wil zeggen: buiten deze glastuinbouwconcentraties) moest voorkomen dat de toeloop naar de tien vestigingslocaties onvoldoende op gang zou komen. Op deze zogenaamde saldo-nul-benadering is veel kritiek aangezien deze in een aantal situaties averechts lijkt te werken en de gewenste sanering onbedoeld wordt ontmoedigd. Het kabinet zal het beleid op dit punt herzien zodat verspreid glas kan worden tegengegaan en de regionale concentraties van glastuinbouw het beleid met betrekking tot de nationale projectlocaties niet ondermijnen. Bij de aanpassing van het beleid zal het kabinet de provincies, meer dan in het verleden het geval was, verantwoordelijk maken voor het vinden van een geschikte locatie.

Actiepunt:

– In overleg met de partners van het convenant Glami zal, gekoppeld aan de nota Ruimte, het huidig financieel instrumentarium worden herijkt.

Fytosanitair

Nederland is kwetsbaar voor de insleep van ziektes en organismen die de gezondheid van planten kunnen schaden. Dit heeft grote consequenties voor de export. Om onze handelspositie te behouden in een internationaal sterk veranderend fytosanitair beleidsveld is een actieve inbreng van Nederland noodzakelijk en behoud van het hoge kwaliteitsniveau. Daarbij is een goede controle van belang. Gelet op onze positie als agrarisch producent en de forse handelsbelangen die in het geding zijn, zal meer dan tot nu toe moeten worden samengewerkt tussen bedrijfsleven en overheid, ieder vanuit een eigen verantwoordelijkheid om problemen zoveel mogelijk te voorkomen.

Zowel het bedrijfsleven als de rijksoverheid dienen alert te zijn op Europese regelgeving die in de Nederlandse situatie niet of nauwelijks uitvoerbaar is. Het is noodzakelijk om de bestaande lappendeken van publieke en private keuringen, die in de huidige structuur steeds meer kritiek van het bedrijfsleven ontmoet, op orde te brengen.

Actiepunt:

– Gelet op de risico's die Nederland fytosanitair loopt, zal de inzet op fytosanitair terrein worden versterkt. Het gaat hier zowel om het ontwikkelen van een proactieve aanpak als een efficiënte uitvoering van keuringen. Dit zal in nauw overleg met het bedrijfsleven gebeuren, waarbij van het bedrijfsleven – vanuit de verantwoordelijkheid en het belang dat het bedrijfsleven heeft – een actieve en proportionele inbreng wordt gevraagd.

3. Natuur en Landschap: samen werken aan kwaliteit

De ecologische en landschappelijke waarden die het landelijk gebied herbergt zijn mede bepalend voor de kwaliteit en identiteit van onze samenleving als geheel. De natuurlijke verscheidenheid, de belevingswaarde van het landschap, de identiteit en cultuurhistorie van Nederland wordt bedreigd. In veel gebieden is de aandacht voor landschappelijke kwaliteiten (bestuurlijk) verwaarloosd of delft het onderspit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Versterking van de kwaliteit van natuur en landschap draagt bij aan de leefbaarheid en komt tegemoet aan de maatschappelijke betekenis van natuur en landschap voor recreatie, de aantrekkelijkheid van de woon- en werkomgeving en versterking van het economische perspectief voor het agrarisch cultuurlandschap. In zeer bijzondere gebieden (de Nationale Landschappen) is het rijk zelf verantwoordelijk voor het normeren van deze kwaliteiten, in de rest van Nederland staat het rijk voor een proces dat leidt tot een adequate normering van landschappelijke kwaliteiten door provincies en gemeenten.

Actiepunt:

– Het kabinet zal in de Nota Ruimte voor andere overheden en burgers de mogelijkheden verruimen hun verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van natuur en landschap, onder voorwaarde dat provincies en gemeenten ontwikkelingen gepaard laten gaan met toename van kwaliteit.

Extra impuls voor de Ecologische Hoofdstructuur

De internationaal verankerde biodiversiteitsdoelstelling luidt dat voor alle in 1982 in Nederland voorkomende soorten en populaties in 2020 duurzame condities voor hun voortbestaan moeten zijn gegarandeerd. De doelstellingen voor de EHS, als onderdeel van het Europese ecologische netwerk, moeten (mede daarom) in 2018 gerealiseerd zijn. Inzet is om in 2010 het biodiversiteitsverlies tot stilstand te hebben gebracht, conform de EU-Biodiversiteitsstrategie en conform de in Johannesburg vastgestelde Millenniumdoelen.

De EHS is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en biedt de groene infrastructuur voor het bereiken van de biodiversiteitdoelstelling. De omvang van de EHS zal in 2018 ongeveer 728 500 ha (incl. 13 500 ha tweede tranche robuuste verbindingen) zijn. Het rijk stuurt vooral op de 27 natuurdoelen en op realisatie van grote eenheden natuur en hun verbindingen. Provincies en andere overheden, terreinbeherende organisaties en particulieren voeren het beleid uit. Met de extra financiële impuls voor de EHS waartoe in de kabinetsformatie is besloten kan voortvarend gewerkt worden aan de realisatie van kwaliteit en kwantiteit van de EHS. In de ontwerpbegroting is deze intensivering nog slechts financieel verwerkt. Over een concrete invulling in termen van prestaties wordt de Kamer separaat per brief geïnformeerd. De financiële impuls zal ingezet worden om beheer, inrichting en, waar nodig, aankoop ten behoeve van de EHS te versterken.

Om de maatschappelijke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de natuur te vergroten zal er in de wijze van realisatie van de EHS de komende jaren een geleidelijke verschuiving plaatsvinden van aankoop, inrichting en doorlevering aan een terreinbeherende organisatie naar agrarisch en particulier natuurbeheer. Door intensivering van agrarisch en particulier beheer zal de maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid voor de natuur in ons land kunnen toenemen. Ook wordt de rol van provincies en gemeenten in de uitvoering vergroot om daarmee de uitvoering te versterken en een meer gebiedsgerichte aanpak te stimuleren.

Uit de evaluatie van Programma Beheer komt het beeld naar voren van een goed functionerend instrument, dat op onderdelen voor verbetering vatbaar is. Voor de agrarisch ondernemer is met name meer zekerheid op de lange termijn van wezenlijk belang. In het kader van Programma Beheer kunnen nu beschikkingen worden afgesloten voor een looptijd van zes jaar. Vanwege het belang van de beheerder om natuur- en landschapswaarden duurzaam te verankeren, zal – rekening houdend met mogelijke beperkingen van cofinanciering door Brussel – in de toekomst een langere looptijd worden nagestreefd.

Mede ter invulling van het in hoofdstuk 2 beschreven drielagenmodel, wil ik een koppeling aanbrengen tussen verschillende geldstromen, zowel publiek als privaat. Ook heb ik het voornemen om een versterkte gebiedsgerichte samenwerking tussen terreinbeheerders en particulieren en een gebiedsgerichte uitvoering met meer verantwoordelijkheden bij regio's en burgers te realiseren. Uiteindelijk zou een dienstenmodel moeten ontstaan, met waar mogelijk een systeem van prijsvorming van Groene Diensten, maar daarvoor moet dan wel eerst bereikt worden dat de EU-kaders hiervoor de benodigde ruimte geven. Om de systematiek voor Groene Diensten verder uit te werken zullen de komende jaren in verschillende gebieden verkenningen worden uitgevoerd.

Actiepunten:

– In deze kabinetsperiode wordt circa 16 000 ha grond verworven en circa 19 000 ha ingericht en komt circa 21 000 ha in beheer. Van de nog oorspronkelijk te verwerven EHS (ca. 63 000 ha) wordt 60% gerealiseerd door grondaankopen en 40% via beheer.

– Investeringen in natte natuur en soortenbeleid worden gecontinueerd.

– De samenhang binnen de EHS wordt vergroot door het aanleggen van 27 000 ha robuuste verbindingen als essentieel onderdeel van het ecologisch netwerk in de periode tot 2018. De realisatie van een eerste tranche à 13 500 ha wordt voortgezet. Het resterende areaal wordt planologisch beschermd om onomkeerbare veranderingen te voorkomen.

– Door bestaande effectgerichte subsidies, maar ook in het kader van de reconstructie (bijvoorbeeld door bedrijfsbeëindiging en -verplaatsing) worden milieu- en watercondities rondom de EHS verbeterd (met name rond de zeer kwetsbare natuurgebieden) ter vergroting van de recreatieve, ecologische en landschappelijke kwaliteit.

– Bescherming van de EHS vindt plaats via het instrumentarium van de ruimtelijke ordening. Wat betreft de Vogel- en Habitatrichtlijnen, is een wetsvoorstel aanhangig bij de Kamer dat voorziet in implementatie van die richtlijnen in de Natuurbeschermingswet 1998.

– Programma Beheer wordt vereenvoudigd, de werking ervan zal worden verbeterd.

– Verlenging van de looptijd van contracten voor agrarisch (en particulier) natuurbeheer zal worden nagestreefd, om dit beheer een zowel uit ecologisch als economisch oogpunt duurzamer karakter te geven.

– Het kabinet zal een systematiek voor Groene Diensten uitwerken die, binnen de EU-kaders, ruimte biedt aan ondernemerschap en ondernemers beloont voor specifieke geleverde diensten. Het gaat om het introduceren van een nieuwe manier van denken en het maatschappelijk waarderen van de bijdrage die ondernemers leveren aan maatschappelijke doelen. Het bestaande instrumentarium voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (Programma Beheer) wordt uitgebouwd naar een model van Groene Diensten. Doel is zorg te dragen voor een beloningssysteem voor die economische actoren die een extra bijdrage leveren aan de kwaliteit van natuur en landschap, recreatieve toegankelijkheid en waterbeheer.

– De samenwerking tussen agrarische natuur- en landschapsverenigingen, organisaties voor particulier natuurbeheer en terreinbeherende organisaties zal, binnen Brusselse kaders, worden bevorderd om de verschillende soorten beheer beter in samenhang te benutten.

– Uiterlijk in 2005 zal in het kader van de Noordzeeministersconferentie worden aangegeven welke stappen zijn gezet ter implementatie van het besluit een aantal gebieden met bijzondere ecologische waarden op de Noordzee extra bescherming te bieden, inclusief de eerste aanmelding van gebieden. Deze activiteiten zullen worden afgestemd met de verplichtingen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen.

– In de eerste helft van 2004 wordt het nieuwe Beheersplan Waddenzee uitgebracht. Deze bevat een beheersvisie voor de periode tot 2030.

– Onderzocht wordt of grondgebonden landbouwbedrijven binnen de EHS en de Nationale Landschappen onder de Natuurschoonwet gebracht kunnen worden. Bij dit onderzoek zal, gelet op het niet-gebudgetteerde karakter van de Natuurschoonwet, bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de beheersing van de budgettaire gevolgen op korte en lange termijn.

– Internationaal zal Nederland de bekendheid van en het draagvlak voor ecologische netwerken als essentieel instrument van biodiversiteitsbeleid vergroten door agendering in internationale fora en door kennisverspreiding. Hiermee geeft Nederland invulling aan één van de afspraken in WSSD-kader (de World Summit on Sustainable Development).

Uitvoering soortenbeleid wordt versterkt

Naast de EHS zijn aanvullende maatregelen nodig om de biodiversiteitsdoelen te realiseren. Daarvoor dient het soortenbeleid. Dit beleid staat maatschappelijk gezien steeds meer in de belangstelling, omdat soms economische ontwikkelingen worden beïnvloed door het vóórkomen van beschermde soorten, er soms sprake is van aanzienlijke schade voor de landbouw en soms omdat de ene soort schade kan opleveren voor de andere.

Actiepunten:

– Inzet is om op korte termijn te komen tot een akkoord met terreinbeheerders, FPG, KNJV, Dierenbescherming en IPO, over een betere uitvoering van het faunabeheer.

– Vanaf 2004 zullen de aanbevelingen van het IBO Vogel- en Habitatrichtlijn en de «Task Force Soortenbeleid» worden vertaald in beleid en zal worden gestart met de uitvoering van het beleid.

– De toegankelijkheid en bruikbaarheid van kennis over o.a. de toepassing en de effecten van de wet- en regelgeving met betrekking tot natuur (o.a. Vogel- en Habitatrichtlijnen) en de verspreidingsgegevens van beschermde plant- en diersoorten zal worden versterkt door een voorziening te treffen ter facilitering van overheden, bedrijfsleven en andere betrokkenen.

Nationale Landschappen

Het rijk heeft bijzondere verantwoordelijkheid voor landschappelijke kwaliteiten die internationaal zeldzaam zijn, nationaal zeer kenmerkend zijn of onder grote stedelijke druk staan. Dergelijke gebieden met een hoge landschappelijke kwaliteit vormen de Nationale Landschappen. Deze gebieden hebben kwaliteiten die van grote betekenis zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling. In de Nota Ruimte zal het Rijk het algemene beleidskader voor deze landschappen en de bijbehorende ruimtelijke voorwaarden formuleren. Rijksmiddelen worden ingezet voor behoud en versterking van deze kwaliteiten, als daaraan veel te verbeteren valt en als veel mensen kunnen genieten van deze kwaliteiten.

Actiepunten:

– De Nationale Landschappen worden ruimtelijk verankerd in de Nota Ruimte, waarna in 2004 in overleg met provincies gestart wordt met de implementatie.

– Binnen de Nationale Landschappen is het rijk voornemens via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG, zie hoofdstuk 4) en Groene Diensten financieel bij te dragen aan het beheer en de realisatie van met name het netwerk van gebiedseigen, veelal historische en ecologisch belangrijke landschapsstructuren. Deze rijksbijdrage zal dan de co-financiering van beheers- en inrichtingsplannen zijn.

Een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie

Naast de speciale verantwoordelijkheid voor de Nationale Landschappen, heeft het rijk een stimulerende en regierol voor de kwaliteitsontwikkeling in het landelijk gebied als geheel. Het gaat om zowel de formulering van het ruimtelijke beleidskader als om het stellen van proceseisen in de Nota Ruimte die leiden tot provinciale en gemeentelijke normen voor het behoud en de versterking van regionale identiteit, verscheidenheid, ecologische kwaliteit en kenmerkendheid van het Nederlandse cultuurlandschap.

Het landschap is grotendeels gevormd door menselijk handelen, de resultante van de verschillende (gebruiks)functies die er een plek hebben gekregen. Sommige landschappen achten we echter van zoveel waarde, dat deze bijzondere publieke aandacht en zorg verdienen. Het rijk kan hier innovatieve ontwikkelingen stimuleren door praktische ideeënontwikkeling gericht op kwaliteit en kwaliteitsvernieuwing van het landschap. Daarnaast zal het rijk provincies en gemeenten vragen meer verantwoordelijkheid te nemen voor de ecologische, landschappelijke en recreatieve kwaliteit. Ze worden gevraagd expliciet de gewenste landschappelijke kernkwaliteiten vast te stellen die het afwegingskader vormen voor de ruimtelijke ontwikkeling van het landelijk gebied. Meer dan nu reeds het geval is, dienen natuur- en landschapskwaliteit gelijktijdig en in samenhang ontwikkeld te worden met ruimtelijke ontwikkelingen als woningbouw en infrastructuur. Dit is de essentie van de voorgestane ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie (OLS), welke wordt verankerd in de Nota Ruimte.

Actiepunten:

– Nieuwe toepassingen van «ruimte voor ruimte» zullen in nader aan te wijzen gebieden worden gestimuleerd teneinde in plaats van glastuinbouw of verblijfsrecreatie uit landschappelijk oogpunt aantrekkelijkere functies te realiseren.

– Het kabinet zal een Rijksadviseur voor landschapsarchitectuur bij het Bureau Rijksbouwmeester aanstellen ten behoeve van de vernieuwing en de ontwerpopgaven voor het landelijk gebied.

– Het kabinet zal provincies en gemeenten vragen expliciet de gewenste landschappelijke kwaliteiten vast te leggen en deze als randvoorwaarde te gebruiken bij ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.

4. Ruimte op het platteland

De kern van de beleidsopgave voor het plattelandsbeleid is een duurzame landbouw, een vitale natuur, een vertrouwd platteland en een duurzame berging van water op een samenhangende wijze te combineren met de wensen voor wonen, werken en vrije tijd. Hierbij wordt gewerkt vanuit het concept duurzame ontwikkeling, met als uitgangspunt een evenwichtige benadering van economische, ecologische en sociaal-culturele belangen. Vaak kunnen functies worden gecombineerd, zoals natuur met water, water met landbouw, landbouw met recreatie, enzovoorts. Maar vaak moeten ook keuzen gemaakt worden.

Het platteland moet voor iedereen vertrouwd terrein zijn. De overheid moet open staan voor de veelsoortige betekenissen die mensen aan het platteland geven. Het stimuleren of afremmen van ontwikkelingen moet daarom ook steeds in het licht worden gezien van de culturele rijkdom en sociale samenhang in het gebied zelf. De sociaal-culturele component zal in de verschillende facetten van het landbouw- en plattelandsbeleid een zichtbaarder plaats moeten krijgen (de people-dimensie van duurzame ontwikkeling).

De integrale benadering van het platteland vereist dat een goede samenhang gecreëerd wordt tussen de beschikbare EU-instrumenten, inclusief de financiële. Het gaat om het GLB (incl. de Plattelandskaderverordening), de Structuurfondsen en de Communautaire Initiatieven. De «Brusselse» instrumenten en geldstromen moeten zo meer de publieke functies van het platteland ondersteunen, inclusief de ondersteuning van de rol van de landbouw. Wel moet bedacht worden dat de hervorming van het GLB (vergroening eerste pijler en verschuiving van eerste naar tweede pijler) deze kabinetsperiode (nog) van relatief bescheiden omvang zal zijn. Essentie van deze systematiek is dat het gaat om de verankering van een manier van denken in concreet handelen. Deze zal geleidelijk aan moeten groeien, maar wel met vastberadenheid moeten worden aangevat.

Het kabinet wil met een «Grote Vereenvoudiging» op het terrein van sturing, doelen en instrumenten de slagkracht van het plattelandsbeleid vergroten. De met het IPO en VNG gemaakte afspraken over een nieuw sturingsmodel zullen op korte termijn geïmplementeerd worden. Daarmee zal de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en provincies en gemeenten helder zijn en zal het rijk zich beperken tot de hoofdlijnen. De doelen van het rijksbeleid zullen zich dan uiteraard ook meer tot de hoofdlijnen beperken. Daarom worden de bijbehorende operationele doelstellingen verminderd en vereenvoudigd. Voorzien wordt dat deze laatste wijzigingen met ingang van het begrotingsjaar 2005 van kracht zullen worden. Het ILG zal starten in 2004 en stap voor stap de bestaande instrumenten beter op elkaar afstemmen en integreren. Het ILG zal niet alleen LNV-instrumenten en -middelen bundelen, maar ook die van andere departementen. Eind 2003 zal door het kabinet – in overleg met IPO, VNG en Waterschappen – het implementatietraject ILG vastgesteld worden.

Deze kabinetsperiode zal in het teken staan van het uitvoeren van de initiatieven die reeds in gang zijn gezet; dit zal voorrang krijgen boven het ontwikkelen van nieuwe initiatieven en ideeën.

Actiepunten:

– Begin 2004 zal de Nederlandse inzet worden vastgesteld in de discussie die de komende jaren in de EU zal worden gevoerd over het territoriale deel van het plattelandsbeleid. Het gaat daarbij over de gewenste samenhang tussen EU-landbouwbeleid en EU-regionaal beleid en de daarmee samenhangende consequenties voor het GLB (incl. plattelandskaderverordening, Structuurfondsen en Communautaire Initiatieven) voor de periode vanaf 2007.

– De integrale benadering van het landelijk gebied en de noodzaak van meer aandacht voor de uitvoering, wordt nader uitgewerkt in de Nationale Agenda voor een Vitaal Platteland, met daaraan gekoppeld een integraal meerjarenprogramma voor de uitvoering. De Agenda wordt eind 2003 in samenhang met de Nota Ruimte uitgebracht.

– De operationele doelen van het Rijk aangaande het landelijke gebied zullen aanzienlijk vereenvoudigd worden en de begrotingsindeling zal in 2005 daarop aangepast worden.

– Het nieuwe sturingsmodel landelijk gebied zal geïmplementeerd worden. In een Wet Inrichting Landelijk Gebied (WILG) zal het kabinetsbeleid op het terrein van sturing, financiering en instrumentatie vastgelegd worden.

– Vooruitlopend op de WILG, zal het Investeringsbudget Landelijk Gebied op 1 januari 2004 als bestuurlijk instrument van start gaan; in het daarbij behorende ontwikkelingsplan zal opgenomen zijn met welk tempo de verschillende nu bestaande rijksregelingen daarin in vereenvoudigde en samenhangende vorm zullen worden opgenomen.

– Het interdisciplinaire karakter van het onderzoek naar de plattelandseconomie zal worden versterkt. Het begrip duurzaamheid is daarbij leidend.

– Het SCP zal worden verzocht tweejaarlijks een «Sociale staat van het platteland» op te stellen gericht op sterkten én zwakten in het landelijk gebied, te beginnen met de landbouw.

Welkom op het platteland

De burger moet zich welkom voelen op het platteland. Mensen moeten er in rust en stilte kunnen bijtanken van de hectiek van alledag, kunnen genieten van het buiten zijn en inspiratie kunnen opdoen. Deze waarden en betekenis van het platteland kunnen beter worden benut door de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het landelijk gebied te vergroten. Het is een taak van de overheid de toegankelijkheid van het platteland te bevorderen. Provincies en gemeenten hebben hierin het voortouw. De veelzijdigheid van het hedendaagse platteland is ook economisch van betekenis. De toeristisch-recreatieve sector – nu reeds goed voor 9% van het BNP en een directe omzet van 28 miljard euro – groeit snel.

Het beleid voor de verblijfsrecreatie is gericht op het geven van ruimte aan toeristisch-recreatieve bedrijven om aan de eisen van de consument te voldoen en hun concurrentiepositie te behouden zonder dat dit ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit en natuurwaarden. Er is behoefte aan een integrale uitwerking op gebiedsniveau, onder regie van provincies met het doel om zowel de toekomst van de natuur als van het bedrijfsleven veilig te stellen. De huidige kampeerregelgeving zoals vastgelegd in de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) is niet toegesnedenop het gewenste regionaal maatwerk dat geboden moet worden. Daarnaast is het dereguleringstraject binnen de Rijksoverheid aanleiding om de WOR in te trekken. Daarvoor zullen eerst relevante onderdelen ervan worden geregeld in andere bestaande wettelijke kaders om toename van decentrale regelgeving en lokale en regionale ongelijkheid (en onduidelijkheid) te voorkomen.

Actiepunten:

– De toegankelijkheid van het landelijk gebied wordt verbeterd door de verbinding te leggen tussen steden en platteland. De kwaliteit en omvang van wandel- en fietspaden en vaarwegen (en -routes) worden vergroot, met name in het landelijk gebied nabij de steden, en de publieke openstelling van (landbouw)gronden wordt gestimuleerd. Ook de landelijke routenetwerken (11 000 km) krijgen de komende jaren een kwaliteitsimpuls.

– Voor het realiseren van voldoende groen in en om de stad zal het lopende programma uitgevoerd worden en zet het kabinet per 2005 in zowel de stedelijke omgeving als in het landelijk gebied in op een gelijktijdige ontwikkeling en financiering van groen in relatie tot verstedelijking.

– Goede ruimtelijke inpassing van recreatievoorzieningen zal gestimuleerd worden met behulp van Rood met Groen- en PPS-constructies.

– Voor het realiseren van een betere landschapskwaliteit tegen lagere publieke kosten zullen in de Nota Ruimte de rijksuitgangspunten Rood met Groen worden vastgesteld.

– De Wet op de Openluchtrecreatie wordt ingetrokken.

Duurzaam gebruik van water, bodem en lucht

Schoon water, bodem en lucht zijn de bronnen van ons bestaan. Het kabinet staat voor de wezenlijke vraag hoe deze bronnen in de toekomst in goede staat te houden. Vastgesteld kan worden dat de milieudruk vanuit de landbouw afneemt (zie NMP4), maar dat er nog steeds een behoorlijke opgave ligt voor de vermindering van de milieu-effecten. Het kabinet wil haalbare voorwaarden stellen, die in Europees verband geharmoniseerd worden doorgevoerd.

De overheid staat in de komende jaren voor de opgave om het watersysteem op orde te brengen. Voor de kwantiteitsproblemen is nieuw beleid ingezet (Nota Waterbeleid voor de 21ste Eeuw (WB21) en Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)): meer ruimte voor water, die vooral in het landelijk gebied moet worden gevonden. Tegelijkertijd is de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater nog steeds niet aan de maat. Voor de waterkwaliteit is de Europese Kaderrichtlijn Water leidend. Het kabinet werkt aan een grotere samenhang tussen het natuurbeleid (verdroging en natte natuur), het landbouwbeleid (watervoorziening en groene diensten), het mest- en gewasbeschermingsbeleid (waterkwaliteit) en het recreatiebeleid (schoon en toegankelijk).

Ook het bodembeleid is in beweging. De Europese Commissie werkt aan een EU-bodemstrategie en nationaal zullen in het bodembeleid de gebruiksfuncties zoals landbouw, natuur en recreatie meer centraal komen te staan. Betere afstemming van het bodembeleid met het omgevingsbeleid voor water en lucht moet op termijn leiden tot de flexibilisering van de uitvoering van het milieubeleid op bedrijfs- en gebiedsniveau in lijn met het wetsvoorstel Stad en Milieu.

Actiepunten:

– Het ecologische ambitieniveau voor grond- en oppervlaktewater zal in 2004 vastgesteld worden en in het verlengde daarvan worden de stroomgebiedsbeheersvisies voor 2009 tezamen met alle andere overheidspartijen vastgesteld.

– De Nederlandse inzet ten aanzien van de EU-bodemstrategie wordt begin 2004 vastgesteld.

– Gericht op de verplichtingen uit de eerste budgetperiode van de Kyotoverplichting wordt voor 2005 een nationaal monitorings- en rapportagesysteem voor landgebruik en bossen vastgesteld, waarmee wordt vastgelegd op welke wijze de CO2-opslag wordt gerealiseerd.

Reconstructie

Binnen de totale beleidsopgave voor het plattelandsbeleid, heeft de Reconstructie van de zandgebieden prioriteit. Dit kabinet heeft voor reconstructie en EHS extra middelen beschikbaar gesteld. De reconstructie is, behalve op het realiseren van varkensvrije zones en het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven ook gericht op extensivering van de melkveehouderij, verbetering van de milieukwaliteit en op een integrale aanpak van verdroging en van de stikstof- en fosfaatproblematiek in en rond de grote natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook de realisering van de EHS en uitbreidingsmogelijkheden van de recreatie zijn beleidsthema's in de reconstructie.

Een selectieve, geconcentreerde benadering past bij de uitgangspunten van het kabinetsbeleid, waarbij de wensen en initiatieven van burgers en ondernemers startpunt vormen, duurzaamheid een belangrijke voorwaarde is en kennisintensieve innovatie een belangrijk doel. De reconstructie van de zandgebieden wordt daarmee een voorbeeld voor het integrale plattelandsbeleid, inclusief de samenhang tussen landbouw- en regionaal beleid.

Met de intensivering zal vanaf 2004 de uitvoering van de reconstructieplannen op gang komen. De voortvarende start van de uitvoering in de vorm van het urgentieprogramma 2003 zal worden voortgezet. Ook wordt ingezet op een betere benutting van Europese structuurfondsen, met name Doelstelling 2-gelden, en zal gezamenlijk naar een oplossing worden gezocht voor concrete knelpunten bij de toepassing van regelgeving.

Actiepunten:

– Gezien de noodzaak de ambities en middelen met elkaar in balans te brengen, kiest het kabinet voor een selectieve, geconcentreerde aanpak van de reconstructie met prioriteit voor natuur, duurzame landbouw, water en varkensvrije zones.

– Het urgentieprogramma 2003 wordt voortgezet in 2004.

– In 2004 wordt een begin gemaakt met de uitvoering van reconstructieplannen. Het kabinet zal op korte termijn in overleg treden met provincies over de mogelijkheden om reconstructieprojecten tot uitvoering te brengen de komende jaren.

– Het kabinet zet in op de maximale benutting van de Doelstelling 2-middelen.

5. De V van Voedselkwaliteit

Integraal beleid voor voedselkwaliteit

Het beleid voor voedselkwaliteit raakt de gezondheid van de burger. De eis van de burger dat de kwaliteit van levensmiddelen onberispelijk moet zijn, is daarom begrijpelijk en terecht. De maatschappelijke eis omtrent voedselkwaliteit heeft een veel grotere reikwijdte dan alleen de betrouwbaarheid van het eindproduct. De betrouwbaarheid van het eindproduct is afhankelijk van het gehele productieproces. Niet alleen de laatste schakel, het eindproduct, maar de gehele keten dient te staan in het perspectief van voedselkwaliteit. Het LNV-beleid omspant deze gehele keten.

Voedselkwaliteitsbeleid heeft betrekking op de omstandigheden waaronder voedsel geproduceerd wordt. Risico's ten aanzien van de veiligheid van het voedsel moeten worden voorkomen. Zo moeten bijvoorbeeld alle grondstoffen die aan de basis van de humane consumptieketen staan van onbesproken kwaliteit zijn. Ook dient de voedselproductie plaats te vinden in een milieuvriendelijke omgeving en worden dierenwelzijn en diergezondheid vanzelfsprekend in acht genomen. Voor beide elementen – kwaliteit en veiligheid – zal ik mij inzetten op zowel nationaal als internationaal niveau.

Door een integrale benadering van voedselveiligheid en voedselkwaliteit zal reductie van volksgezondheids- en dierziekterisico's kunnen worden bereikt. Onder het motto «preventie voorkomt bestrijding» zal de overheid ondernemers aanmoedigen daadwerkelijk de verantwoordelijkheid te nemen die ze hebben voor de gezondheid van dieren en de veiligheid van voedselproducten. Dit gebeurt onder meer door gezamenlijk met het bedrijfsleven en consumenten te werken aan de totstandkoming van transparante ketengarantiesystemen, die voldoen aan de wettelijke eisen op het gebied van monitoring, I&R, traceerbaarheid en normstelling en waarbij aanpak bij de bron en aanscherping van het hygiënebeleid uitgangspunten zijn.

Het is – mede naar aanleiding van de recente verschuiving van de VWA van VWS naar LNV – goed om de betrokkenheid van de departementen bij het voedselveiligheidsbeleid fundamenteel te beschrijven. In samenhang hiermee zal eveneens worden bezien op welke wijze het voedselwetgevingscomplex aangepast kan worden tot een uniformer stelsel.

Actiepunten:

– In het najaar van 2003 verschijnt een beleidsnotitie waarin, in samenspraak met het ministerie van VWS, wordt aangegeven hoe het integrale beleid ten aanzien van de voedselveiligheid wordt vormgegeven.

– In samenhang met de genoemde beleidsnotitie wordt onderzocht of en, zo ja, hoe de wet- en regelgeving op het terrein van voedselveiligheid en -kwaliteit kan worden omgebouwd tot een meer uniform geheel.

– De onafhankelijkheid van werkmethoden en de bevoegdheden van de VWA worden wettelijk verankerd.

Ketenbenadering

Het is een kerntaak van de overheid om de gezondheid van dieren, de veiligheid van voedselproducten en de gezondheid van de burgers duurzaam te borgen. Dit uitgangspunt sluit evenwel de verantwoordelijkheid van derden, producent en consument, geenszins uit. Het meedoen als kernnotie van het Hoofdlijnenakkoord van dit kabinet is hier onverkort van toepassing. In het beleid ten aanzien van de voedselveiligheid en kwaliteit staan voor mij de voedselketens centraal. Specifieke risico's in de afzonderlijke ketens moeten helder in beeld gebracht worden, zodat zo gericht mogelijke actie kan plaatsvinden om deze risico's weg te nemen.

De overheid geeft invulling aan zijn verantwoordelijkheid door het productieproces te borgen aan de hand van productie-eisen en normering van het eindproduct. Ketenpartijen zullen worden gehouden hun verantwoordelijkheid te nemen door afspraken te maken over veiligheidsgaranties en – in aansluiting op internationale ontwikkelingen (Codex Alimentarius, Office International des Epizoöties (OIE), General Food Law) procesnormen tussen de schakels in de ketens.

Vroege signalering en onderkenning van (nieuwe) risico's in de voedselketen zijn in het kader van de bewaking van de volks- en diergezondheid van groot belang. Het inzicht in de aanwezige risico's dient te worden vergroot. Ik wil daarom adequate systemen laten ontwikkelen om vroegtijdig veiligheidsrisico's in de voedselketen op te sporen.

Technologische innovatie brengt steeds verfijnder en gevoeliger methoden voort, waardoor het mogelijk is de aanwezigheid van steeds lagere hoeveelheden risicovolle stoffen in (dier)voeding aan te tonen. Het is van belang om de internationale normstelling ten aanzien van risicovolle stoffen in voeding in de pas te laten lopen met de technologische mogelijkheden en ontwikkelingen, waarbij beperking van het risico voor mens en dier leidend principe dient te zijn. Binnen Europees verband zal Nederland zich ervoor inspannen dat ook ondernemers aan het begin van de keten gestimuleerd zullen worden verantwoordelijkheid voor veiligheid te nemen.

De consument dient over toereikende informatie te beschikken om verantwoorde keuzes ten aanzien van zijn voedselpakket te maken. Op voedselproducenten rust de verantwoordelijkheid om zo open en transparant mogelijke informatie over de kwaliteit en veiligheid van zijn voedselproduct te bieden. Het initiatief van het bedrijfsleven om nog slechts salmonellavrij pluimveevlees te verkopen, is er een voorbeeld van waartoe openheid over de kwaliteit van producten kan leiden. De overheid wil de transparantie van de voedselketen bevorderen door de resultaten van controles bij voedselproducenten openbaar te maken. Bezien zal worden welke aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk zijn om openbaarmaking van controleresultaten te optimaliseren.

Toepassingen van moderne biotechnologie moeten gepaard gaan met optimale waarborgen voor de (voedsel)veiligheid, keuzevrijheid van de burger, de ethische aanvaardbaarheid en transparantie van de besluitvorming.

Actiepunten:

– Om potentiële risico's voor de volks- of diergezondheid in de voedselketen tijdig in beeld te brengen wordt in 2004 onderzocht of en hoe bestaande informatiestromen aan elkaar gekoppeld kunnen worden. De VWA speelt bij het onderzoek naar en de ontwikkeling van deze signaleringssystemen een belangrijke rol.

– Binnen de risico-inventarisatie door de VWA zal prioriteit worden gegeven aan specifieke, relatief nieuwe ketens en producten, zoals viskweek, exotische voedingsmiddelen en nutriceuticals.

– Het bedrijfsleven wordt krachtig aangezet om adequate ketengarantiesystemen te ontwikkelen en te implementeren, zodat de overheid zich op termijn kan richten op «toezicht-op-toezicht». Nederland zal zich in Europees verband ervoor blijven inzetten dat toezicht-op-toezicht mogelijk wordt.

– Teneinde de transparantie in de voedselketen te optimaliseren wordt bezien in hoeverre ruimte in wet- en regelgeving kan worden gerealiseerd om de resultaten van de controles in de voedselketen openbaar te maken.

– De burger moet in staat worden gesteld om weloverwogen beslissingen te nemen ten aanzien van het wel of niet kopen van voedsel waarin genetisch gemodificeerde ingrediënten of daarvan afgeleide producten zijn verwerkt. Gerichte overheids-communicatie zal dit bevorderen.

Keuring en controle

De ketenbenadering, waarin de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en veiligheid van producten en de controle daarop wordt neergelegd bij het bedrijfsleven, schept de mogelijkheid om over te gaan op het houden van rijkstoezicht op de door het bedrijfsleven uitgevoerde controle op het ketengarantiesysteem (toezicht op toezicht). Ik houd daarmee onverkort vast aan het uitgangspunt dat het bedrijfsleven zelf primair verantwoordelijkheid draagt voor adequaat functionerende ketensystemen. Dan kan het rijk steeds meer terugtreden op het gebied van feitelijke keuring en controle en zich bij haar toezicht op de door het bedrijfsleven uitgevoerde controles op de ketensystemen richten op die punten waar zich de grootste risico's ten aanzien van de voedselveiligheid voordoen. De uitoefening van dit toezicht vindt plaats door de VWA.

In veel sectoren dient te worden gekomen tot arrangementen op het gebied van toezicht op toezicht, waarbij met het bedrijfsleven duidelijke afspraken zullen worden gemaakt over inzet en verantwoordelijkheden. Zo vraagt de keuring van vlees en vleesproducten door de gewijzigde risico's voor de volksgezondheid als gevolg van ontwikkelingen in de dierproductie en vleesindustrie om een andere benadering. De discussie hierover loopt zowel nationaal als internationaal. Ik wil in samenspraak met de minister van VWS komen tot een grotere verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor de keuring van vlees en vleesproducten. Mijn inzet hierbij is de keuring in ketenverband. Dat wil zeggen dat vleeskeuring is ingebouwd en is geïntegreerd in de gehele productieketen en niet langer wordt beperkt tot een eindproductkeuring.

Deze veranderende benadering vraagt tevens wijzigingen in de werkwijze van de VWA/RVV. Ik wil mij ervoor inzetten dat de VWA/RVV een nog meer flexibele en klantgerichte dienst wordt, die werkt op basis van kostendekkendheid en die erop is gericht het bedrijfsleven efficiënt te bedienen. Daarbij zal de VWA/RVV zich steeds meer gaan toeleggen op toezichthoudende taken.

Om deze andere verdeling van verantwoordelijkheden te realiseren is overeenstemming nodig met de collega-lidstaten in de Europese Unie.

Actiepunten:

– De systematiek van de vleeskeuringen wordt gemoderniseerd, zodat deze wordt ingebouwd en geïntegreerd in de gehele productieketen en niet langer beperkt blijft tot een eindproductkeuring.

– De VWA/RVV wordt verder omgevormd tot een flexibel opererende dienst, gericht op het klantgericht en efficiënt bedienen van het bedrijfsleven op basis van kostendekkendheid.

– De problematiek van de illegale groeibevorderaars blijft onverminderd mijn aandacht behouden. In dat verband wordt:

• het onderzoek naar snelle detectiemethoden voor residuen van groeibevorderaars, diergeneesmiddelen en verboden stoffen gestimuleerd;

• de controle op het gebruik van groeibevorderaars reeds in 2003 geïntensiveerd.

Diergezondheid en dierziektebestrijding

Over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid en bedrijfsleven op het gebied van het voorkomen van dierziekten is reeds een discussie op gang gekomen. Die wil ik met kracht voorzetten. In deze discussie is voor mij van belang dat het bedrijfsleven zelf meer verantwoordelijkheden terzake van dierziektepreventie zal gaan dragen. De hiermee samenhangende extensivering van de regelgeving op dit punt brengt tegelijk een verlaging van de administratieve lasten met zich mee.

Met name op twee punten zal ik een forse inzet leveren: (1) de methode van dierziektebestrijding en de inzet van het vaccinatie-instrument daarbij en (2) de financiering van de dierziektebestrijding. Ook in de financiering van de bestrijding zal de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven sterker tot uitdrukking moeten komen, evenals dit het geval is voor de financiering van afvalstromen (destructiemateriaal) van veehouderijbedrijven.

Welke risico's de samenleving wil nemen en welke prijs daarvoor betaald wordt, is het resultaat van een publieke, politieke afweging. In dit verband wil ik wijzen op de effecten die de laatste uitbraken van dierziektecrises hebben gehad op het maatschappelijk denken over de Nederlandse intensieve veehouderij. Het doden van gezonde dieren heeft grote weerstand opgeroepen. Ik zet me daarom ook nadrukkelijk in om bij het bestrijden van dierziekten te voorkomen dat gezonde dieren gedood moeten worden.

De rijksoverheid is primair verantwoordelijk voor bestrijding van de zogeheten lijst A-dierziekten en een aantal voor de mens (levens-) bedreigende zoönosen. Dit laat evenwel onverlet dat het bedrijfsleven zelf ook verantwoordelijkheid draagt voor de financiering van dierziektepreventie, -monitoring en -bestrijding naar rato van risico dat wordt veroorzaakt. Ik beschouw dierziekten ten principale als een bedrijfsrisico, waarvan de economische gevolgen en de schade die andere sectoren hiervan ondervinden tot de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven gerekend behoren te worden. In het kader van de financiering van de dierziektebestrijding zullen voor de periode na 2004 nieuwe afspraken met het bedrijfsleven gemaakt worden. Daarin zullen de bovengenoemde beleidsuitgangspunten nadrukkelijk worden doorvertaald. De sector zal tegelijk worden gestimuleerd om te zoeken naar mogelijkheden om de financiële risico's in verband met dierziekte-uitbraken te verzekeren. De eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven staat ook voorop bij de verwerking van destructiemateriaal. Hierop is het beginsel «de vervuiler betaalt» onverkort van toepassing.

Ter vergroting van de efficiency van de bestrijding van dierziekten zal ook de tracering van dieren geoptimaliseerd worden. Dat heeft gevolgen voor de diersoorten die onder het I&R-systeem gebracht zullen worden.

Actiepunten:

– Nederland zet zich onverminderd in voor afschaffing van het Europese non-vaccinatiebeleid.

– De financiering van de destructie en kosten ten gevolge van uitbraken van besmettelijke dierziekten behoren tot de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. In dit verband:

• zal de bijdrage van de overheid aan de kosten van destructie gedurende deze kabinetsperiode worden beëindigd. De wijze waarop een en ander tegen zo min mogelijke kosten voor de individuele ondernemer gerealiseerd kan worden, wordt op korte termijn uitgewerkt;

• worden bij de opstelling van een nieuw convenant inzake de financiering van de kosten van dierziektebestrijding duidelijke afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven terzake. Ik zal in dit verband het bedrijfsleven aanzetten om de mogelijkheid van een verzekeringssysteem voor het afdekken van de financiële gevolgen van dierziekte-uitbraken te onderzoeken en te implementeren.

– In het kader van de dierziektebestrijding liggen er ten aanzien van schapen en geiten sterke aandachtspunten in het kader van identificatie en registratie. Ik zet me ervoor in om een I&R voor schapen en geiten op Europees niveau te regelen.

01 Versterking landelijk gebied

Algemene beleidsdoelstelling

Versterking van het landelijk gebied is gericht op kwaliteitsverbetering en het in onderlinge samenhang versterken van de verschillende functies in het landelijk gebied. Het betreft hier de doelstelling in het landelijk gebied exclusief de Ecologische Hoofdstructuur (beleidsartikelen 2 en 3). Deze doelstelling valt uiteen in een zestal doelstellingen:

* 01.11: Gebiedenbeleid, een verbetering van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur;

* 01.12: Reconstructie, een integrale aanpak van specifieke problemen in de concentratiegebieden;

* 01.13: Landelijk natuurlijk, de verbetering van de kwaliteit van natuuren landschap in het landelijk gebied;

* 01.14: De stedelijke omgeving (Groen in en om de stad)

* 01.15: Realiseren gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied;

* 01.16: Internationaal natuurlijk, een structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit.

Met betrekking tot de instrumenten inrichting en verwerving zijn samenvattende prestatie overzichten opgenomen. Beide overzichten zijn in vergelijkbare vorm in 2000 en 2001 aangeboden aan de Tweede Kamer ter uitvoering van kamerbrede moties om inzicht te geven in de financiën van grondverwerving en inrichting. Hierna zijn de overzichten vanaf de 1e VBTB-begroting 2002 in samengevatte vorm opgenomen in de begroting en verantwoording van LNV. Het overzicht van inrichting is opgenomen onder beleidsartikel 1, het overzicht van grondverwerving staat onder beleidsartikel 2.

Grafiek 2: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29200-XIV-2-2.gif

In onderstaande tabel zijn prestatiegegevens over het landinrichtingsinstrument aangegeven. De opgenomen beleidscategorieën zijn overeenkomstig het financieel overzicht inrichting dat op 19 september 2001 naar de Tweede Kamer is verzonden.

De taakstellingen worden gerealiseerd door inrichtingsprojecten die veelal meerdere jaren lopen. Dit betekent dat de hier opgenomen kasuitgaven in eerste plaats betrekking hebben op het onderhanden werk en niet op de geraamde afgeronde taakstellingen. Afgeronde hectares zijn gedurende de voorgaande jaren ingericht en worden in 2004 opgeleverd.

Prestaties in ha., tenzij anders vermeldTaakstelling totaalRestant taakstelling per 1-1-2003Afronding haOnderhanden werk ha
01 Versterking landelijk gebied    
01.11 Gebiedenbeleid    
Ruimtelijke structuur  35 000595 000
01.13 Landelijk natuurlijk    
Bosuitbreidinglocaties3 0001 62050650
Bos, landschap & kwaliteitsimpuls1e tranche *26 83023 1601752 500
01.14 De stedelijke omgeving «GIOS»    
Recreatiebos (incl. VINAC strategisch en regionaal groen)11 9788 4081501 600
Staatsbos4 0402 40050700
Groene verbindingen (incl. VINAC strategisch groen)795 km775 km10 km25 km
01.15 realisering gevarieerde recr.mogelijkheden    
Inrichting Recreatie2 090 km1 440 km100 km700 km
02 Realisatie EHS    
02.13 inrichting droge EHS    
Reservaat100 00063 9801 10016 000
Natuurontwikkeling50 00042 2906509 000
Robuuste verbindingen 1e tranche13 50013 500200
02.14 inrichting natte EHS    
Natte natuur6 5005 9401 150800

* Kwaliteitsimpuls landschap 1e tranche (20 000 ha) is niet apart begrensd en wordt in samenhang met Bos & Landschap in planvorming uitgevoerd.

Operationele doelstellingen

01.11 Gebiedenbeleid

Het programma betreft de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur in gebieden die perspectiefvol en/of waardevol en/of kwetsbaar zijn bezien vanuit landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, cultuurhistorie, water en milieu.

Streefwaarden

Het betreft hier:

1. Verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw en van het landelijk gebied in zijn totaliteit, die (mede) worden gerealiseerd met het landinrichtingsinstrumentarium (o.a. aanpassing van de verkavelingstructuur en aanpassing van wegen en waterlopen). Een inrichtingsbehoefte bezien vanuit de landbouw resteert van ca 595 000 ha. In 2004 wordt 35 000 ha ingericht.

2. Verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw, de natuur en het landelijk gebied, die wordt gerealiseerd met het instrument «vrijwillige kavelruil». In 2004 wordt 8 000 ha via vrijwillige kavelruil heringericht.

3. Verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke structuur, die (mede) worden gerealiseerd met de Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB).

Onderstaande doelen worden nagestreefd:

– anti-verdroging

– natuurvriendelijke oevers

Omschrijving2004
1. Ruimtelijke structuur35 000 ha ingericht
2. Ruimtelijke structuur8 000 ha kavelruil
3. Ruimtelijke structuur en fysieke leefomgevingDiverse projecten via de regeling SGB

Beleidsinstrumenten

* Bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract(en) tussen Rijk en provincies over de gebiedsgerichte inrichting van het landelijk gebied.

* Landinrichtingsinstrumentarium.

* Vrijwillige kavelruil.

* Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB).

* Fiscale vrijstelling landinrichting.

* Fiscale vrijstelling naburige landerijen.

Doelgroep

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesTotale uitgaven (x € 1000)
LandinrichtingAfronding inrichting: 35 000 ha48 346
 Onderhanden inrichting: 595 000 ha 
Vrijwillige kavelruilAfronding kavelruil 10 000 ha1 702
Stimuleringskader30 projecten4 233
SGBpm projecten3 630
Uitfinanciering NUBL 280

01.12 Reconstructie varkenshouderij/kwaliteitsimpuls zandgebieden

Reconstructie van de zandgebieden is, naast het realiseren van varkensvrije zones, gericht op extensivering van de melkveehouderij, verbetering van de milieukwaliteit en op een integrale aanpak van verdrogings-, stikstof- en fosfaatproblematiek in en rond de grote natuurgebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook de realisering van de EHS en uitbreidingsmogelijkheden van de recreatie zijn beleidsthema's in de reconstructie.

Sinds de inwerkingtreding van de Reconstructiewet Concentratiegebieden op 1 april 2002 is de planvorming in de reconstructiegebieden in volle gang. Onder regie van de reconstructieprovincies is een twaalftal reconstructieplannen opgesteld: in Gelderland, Utrecht, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel. De totale oppervlakte van de gebieden waarvoor plannen worden opgesteld is ca. 1.1 miljoen hectare, ca. 1/3 van Nederland. De planvorming ligt achter op de wettelijke termijn uit de Reconstructiewet. De vertraging wordt deels veroorzaakt door het complexe en tijdrovende proces van de integrale en bottom-up ontwikkeling van deze plannen. Daarnaast loopt de planvorming vertraging op door het ontbreken van zekerheid over de beschikbare middelen. Tegenvallende economische ontwikkelingen hebben er toe geleid dat er vanuit de ICES-middelen geen extra geld beschikbaar is gekomen voor de reconstructie. In dat licht zijn afgelopen voorjaar tussen de bewindslieden van LNV, VROM, V&W en de 5 reconstructieprovincies en de VNG bestuurlijk afspraken («Krokusakkoord») gemaakt over de reconstructie. Hierin zijn onder andere afspraken neergelegd over financiële inspanningen van de genoemde partijen in de reconstructie en over de start van de uitvoering van de reconstructie in de vorm van enkele urgente projecten.

Met de vorming van de nieuwe provinciale colleges in de reconstructieprovincies is de reconstructie prominenter op de agenda gezet. Er is in een aantal provincies extra geld beschikbaar gesteld. Het Krokusakkoord heeft daar zeker aan bijgedragen.

Om de dynamiek in het reconstructieproces vast te houden is er, vooruitlopend op de planvorming, in 2003 reeds een start gemaakt met de uitvoering van enkele concrete, urgente projecten.

Dit betreft enerzijds een experiment voor het oplossen van urgente knelgevallen in de intensieve veehouderij. Een 16-tal bedrijven met investeringsplannen op korte termijn op een vanuit reconstructieoogpunt ongewenste plek, wordt financiële ondersteuning geboden bij de verplaatsing naar een planologisch betere en duurzame locatie.

Het Rijk (de Ministeries van LNV en VROM) stelt maximaal 8 miljoen euro beschikbaar om de waarde van de achtergelaten gebouwen te vergoeden. De reconstructieprovincies zijn opdrachtgever bij dit experiment en nemen tevens de sloopkosten van de bedrijfsgebouwen voor hun rekening.

Met dit experiment wordt ervaring opgedaan met de bijdrage die bedrijfsverplaatsing van intensieve veehouderijbedrijven kan leveren aan het realiseren van reconstructiedoelen. Het experiment heeft een looptijd van 3 jaar, waarbij de uitgaven worden voorzien in 2004 (40%) en 2005 (60%).

Daarnaast is gestart met de uitvoering van concrete projecten op het gebied van extensivering van de melkveehouderij, waarvoor reeds gelden naar aanleiding van het rapport van de Commissie Herstructurering Melkveehouderij beschikbaar zijn gesteld. De gelden van LNV worden ingezet voor gebieden binnen de reconstructie, de gelden van VROM worden ingezet voor gebieden buiten de reconstructie. Hiervoor zal een pilotregeling worden opgesteld.

Tenslotte zijn afspraken gemaakt over een maximale benutting van Europese structuurfondsen, en zal gezamenlijk naar een oplossing worden gezocht voor concrete knelpunten bij de toepassing van regelgeving.

De intensivering voor reconstructie en EHS, waartoe in het Hoofdlijnenaccoord is besloten, is in deze ontwerpbegroting nog slechts financieel verwerkt. Over een concrete invulling in termen van prestaties wordt de Kamer separaat per brief geïnformeerd.

De afspraken over de uitvoering van een reconstructieplan voor de eerstkomende 4 jaar kunnen pas worden gemaakt nadat een reconstructieplan is goedgekeurd. Vooruitlopend op de vaststelling van een plan (het Rijk zal het plan ter goedkeuring moeten toetsen), is het mogelijk projecten die passen binnen de reconstructiedoelen reeds in uitvoering te nemen. Op dat moment kunnen algemene doelstellingen van de reconstructie worden vertaald in operationele doelstellingen en bijbehorende streefwaarden.

Het Ministerie van LNV adviseert en ondersteunt de provincies en de provinciale commissies bij het maken van de reconstructieplannen en maakt op basis van goedgekeurde reconstructieplannen met de reconstructieprovincies afspraken over de uitvoering van projecten in het kader van het uitvoeringscontract gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied. De DLG ondersteunt de provincies eveneens bij het maken van de plannen; daarnaast voert de DLG belangrijke onderdelen van de plannen uit.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Voorbereiding uitvoering reconstructie12 plannen
Experiment Experiment verplaatsing intensieve veehouderij (urgente knelgevallen)16 bedrijven
Projecten extensivering melkveehouderijPM

Beleidsinstrumenten

* Reconstructiewet concentratiegebieden

* Bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract(en) gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk-provincies

* Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium

* Subsidieregeling gebiedsgericht Beleid (SGB)

* Experiment verplaatsing intensieve veehouderij

* Pilotregeling extensivering melkveehouderij 2003

* Pilotregeling extensivering melkveehouderij na 2003

Doelgroep

De verbetering van de ruimtelijke structuur en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving is bedoeld voor alle gebruikers van het landelijk gebied.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven (x € 1 000)
Voorbereiding uitvoering reconstructie12 plannen 1 232
Experiment verplaatsing intensieve veehouderij*16 bedrijven 1 600
Uitfinanciering NUBL  2 068

* Raming is exclusief VROM-aandeel (50%).

01.13 Landelijk Natuurlijk

In 2020 is de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het landelijk gebied aanzienlijk versterkt, onder gelijktijdige verruiming voor ontwikkelingen die het duurzaam gebruik en de architectonische en cultuurhistorische kwaliteit versterken, en heeft een kwart van het agrarisch gebied een kwaliteitsimpuls gekregen:

1. Meer mogelijkheden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied mits deze per saldo de kwaliteit van het landschap verhogen. Meer lokale inzet voor landschapsontwikkeling. Meer maatschappelijke betrokkenheid bij bescherming en beheer. Daartoe wordt de ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie toegepast in de Ruimtelijke ordening tot en met de realisatie van projecten. In 2008 heeft tenminste 70% van de gemeenten daartoe een landschapsontwikkelingsplan opgesteld.

2. De landschapswaarden en de open ruimten van (inter)nationaal belang zijn beschermd en versterkt in een systeem van nationale landschappen. Hierbij is ruim een kwart van het landelijk gebied betrokken.

3. Naast de EHS zijn aanvullende maatregelen nodig om biodiversiteitdoelen te realiseren. Daarvoor dient het soortenbeleid. Aandachtspunten zijn opschaling van soortenbeschermingsplannen naar leefomgevingplannen, integratie van het soortenbeleid in het ruimtelijke beleid en soortspecifieke inrichtings- en beheersmaatregelen.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Voltooide studies offensieve landschapsstrategie (etudes)4
Aantal door gemeenten opgestelde landschapsontwikkelingsplannen8
Ontwikkelingsprogramma's nationale landschappen (aantal gereed)2
Verkenningen groene diensten in uitvoering2
Aantal opgestelde soortenbeschermingsplannen5

Beleidsinstrumenten

1. Om de operationele doelstellingen te kunnen realiseren zijn op nationaal niveau kernkwaliteiten van landschappen geformuleerd, die in het landschapsbeleid een richtinggevende functie moeten vervullen. Provincies en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de regionale en lokale uitwerking en verankering. Hierbij dienen de voorwaarden geschapen te worden om een versterkte inzet voor natuur en landschap op lokaal en regionaal niveau te verzekeren. Voorts kan in dat kader meer ruimte worden gegeven aan ontwikkelingen in het landelijk gebied onder gelijktijdige garantie van verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit proces wordt door het Rijk gestimuleerd door de subsidiering van gemeentelijke landschapsontwikkelingsplannen en de beschikbaarstelling van kennis. De uitvoering van de nota Belvedère en het architectuurbeleid worden vanaf 2004 grotendeels in het landschapsbeleid geïntegreerd.

2. De bescherming en ontwikkeling van landschappen en open ruimten van (inter)nationaal belang vindt plaats door de aanwijzing van nationale landschappen. De inzet van rijksmiddelen op het gebied van beheer, inrichting en verwerving buiten de EHS wordt in deze gebieden geconcentreerd. Binnen deze gebieden draagt het Rijk bij aan de realisering en bescherming van een netwerk van groen-blauwe dooradering.

3. Voor de inzet van particulieren en agrariërs ten behoeve van de kwaliteit van het landelijk gebied wordt het instrument groene diensten verder ontwikkeld. De ambitie is om hiermee een verbeterd instrument voor beheer in het landelijk gebied te ontwikkelen, dat past binnen de EU-eisen. De proeftuinen in het kader van de kwaliteitsimpuls landschap zijn in 2003 stopgezet. Twee van deze proeftuinen worden voortgezet in de vorm van verkenningen voor de uitvoering van groene diensten, te weten Ooijpolder en Groene Woud. Indien budgettair mogelijk worden andere systemen voor groene diensten getest in een 3-tal additionele verkenningen.

4. In het kader van het soortenbeleid worden in 2004 5 soortenbeschermingsplannen opgesteld. Daarnaast worden 14 van dergelijke plannen uitgevoerd en 3 geëvalueerd en worden rode lijsten (lijsten van bedreigde soorten) opgesteld voor 4 soortgroepen.

5. Aanvullend aan het gebiedenbeleid, zal een beschermingsregime worden ontwikkeld voor historisch-geografisch waardevolle objecten (de groene cultuurhistorie) van (inter)nationale betekenis. In dat kader worden ook enkele voordrachten voor de werelderfgoedlijst van de UNESCO voorbereid.

6. Fiscale vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer: (gedeeltelijke) vrijstelling van inkomstenbelasting over ontvangen subsidies voor functiewijziging en beheer op grond van de subsidieregeling natuurbeheer 2000 en de regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden. De vrijstelling met betrekking tot de subsidies SN wordt ingevoerd onder voorbehoud van goedkeuring van zowel de regeling als de vrijstelling door de Europese Commissie.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie in €Totale uitgaven x € 1000
Verwerving overig bos/landschap in landinrichting72 ha38 0002 749
Inrichting bos uitbreidingslocaties in landinrichting, waarvan:   
– afronding50 ha 3 836
– onderhanden650 ha  
Inrichting overig bos/landschap in landinrichting, waarvan:   
– afronding175 ha 4 482
– onderhanden2 500 ha  
Opstellen landschapsontwikkelingsplannen8108 500868
Verkenning Groene Diensten2 2 000
Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap, waarvan   
– beheerd door SBB*) 9 466
– beheerd door PNB's60 000 ha. 1006 077
Bosaanleg op landbouwgrond (inrichting)1 650 ha. 2 500
Weidevogelbeheer3 034 ha.5771 750
Beheer wintergasten15 588 ha.1782 750
Landschapbeherende stichtingen12 4 761
Inkomenscompensatie bos op landbouwgrond1 970 ha.8121 600
Belvedère subsidieregeling  2 722
Faunafonds  8 250
Regeling draagvlak natuur  1 350
Soortenbeschermingsplannen5 1 815

* Het areaal beheerd door Staatsbosbeheer dat vanuit 01.13 gefinancierd wordt, maakt deel uit van het areaal genoemd in artikel 3 (208 508 ha.)

01.14 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»

De inzet van Groen in en om de stad is verbetering van kwaliteit van de stedelijke omgeving door het in balans brengen en houden van groen en rood. De volgende programma's gelden hiervoor:

* Groen in de stad: herstructurering van 75 bestaande parken, aanleg van 16 nieuwe groengebieden en 23 groene verbindingen in de periode 2000–2004. Het ministerie van LNV stuurt gemeenten aan via convenanten Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) en Grote Steden Beleid (GSB);

* Groen in/om de stad: aanleg van 10 000 ha kwaliteitsimpuls stadslandschap in 2020 (uitvoeringsperiode 2011–2020; Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur):

* Groen om de stad: aanleg van nieuw groen nabij de steden (de natuuronderdelen van de Strategische Groenprojecten Randstadgroenstructuur zijn ondergebracht bij de beleidsartikelen 2 en 3 ecologische Hoofdstructuur) in de periode 1994–2013 (als gevolg van temporisering wordt de termijn van de uitvoering nader bepaald), waarvan uit:

– het Structuurschema Groene Ruimte: (op basis van planvorming) 9 859 ha recreatiebos, 3 839 ha staatsbos en 450 km groene verbindingen (uitvoeringsperiode: 1994–2013,;

– actualisering Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (VINAC): (op basis van planvorming) 2 845 ha strategisch groen (waarvan 365 ha groene verbindingen) en 484 ha regionaal groen (uitvoeringsperiode 2004–2010).

In aanvulling hierop biedt de regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart mogelijkheden om diverse projecten te ondersteunen die mede zijn gericht op het vergroten van de recreatieve gebruiksmogelijkheden en de bereikbaarheid van het Groene Hart vanuit de stedelijke gebieden.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Verwerving groen om de stad425 ha
Inrichting groen om de stad200 ha
Groene verbindingen10 ha/km

De streefwaarden hebben alleen betrekking op groen om de stad. De streefwaarden betreffen vanaf 2004 zowel de taakstellingen uit het Structuurschema Groene Ruimte 1 als de taakstellingen voor groen in het kader van de Actualisering van de Vierde Nota ruimtelijke Ordening (VINAC). T.b.v. van de financiële dekking van de Actualisering van de Vierde Nota ruimtelijke Ordening (VINAC) worden beschikbare middelen voor realisering van Groen in en om de stad ingezet. Overigens is een belangrijk gedeelte van de VINAC reeds als ruilgrond verworven en onderdeel van het BBL bezit.

De uitvoering van de kwaliteitsimpuls stadslandschap (NVM) start vanaf 2010. Reden om in 2004 hiervoor nog geen streefwaarden op te nemen.

Voor het groen in de stad is in het kader van de convenanten ISV/GSB afgesproken dat de steden inspanningen gaan leveren conform de Stedelijke Meerjarenontwikkelingsprogramma's. Met de steden is de afspraak gemaakt dat zij inzicht bieden in hoe zij het proces naar realisatie van doelen organiseren (jaarlijkse procesmonitoring). Na 5 jaar beoordeelt het rijk de gerealiseerde prestaties.

Beleidsinstrumenten

Groen in de stad:

* convenanten Rijk-individuele steden gebaseerd op het Grote Steden Beleid, Wet Stedelijke Vernieuwing en Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing.

Groen om de stad:

* bufferzoneconvenant VROM-LNV (1996), VROM en LNV zijn overeengekomen om – vooruitlopend op de omvorming van rijksbufferzones tot regionale parken – in ieder geval tot 2005 door te gaan met het realiseren van de verwervings- en inrichtingstaakstellingen.

* Bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract(en) gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk–provincies.

* Intentiedocumenten verstedelijking (getekend maart–april 2002 door Rijk–provincies en stedelijke regio's). Dit houdt in dat groen op basis van de intentiedocumenten verstedelijking integraal wordt uitgewerkt in relatie tot wonen, werken, infrastructuur en milieu. In 2003/2004 worden hiertoe regioconvenanten gesloten. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn het in balans krijgen en houden van het groen in en om de stad; Voorst zijn afspraken gemaakt over het op tijd afkrijgen van het vigerende SGR en VINAC programma.

* Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium.

* het Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV); Het IPSV programma is bedoeld om de stedelijke vernieuwing te stimuleren bij de gemeenten en markt partijen; LNV draagt niet financieel bij, maar beslist wel mee m.b.t. de inzet van dit instrument.

* Het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV). Dit betreft subsidie aan gemeenten ter bevordering van de stedelijke vernieuwing; het ISV loopt tot en met 2004.

* Regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart.

Doelgroep

Groen in de stad:

aanbod ten behoeve van recreanten in de nabijheid van de woning voor de burgers van de G30 steden en de omliggende gemeenten.

Groen om de stad:

aanbod ten behoeve van recreanten binnen 5 km van de woning.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale Uitgaven (x € 1000)
LNV verwervings- en landinrichtings Instrumentarium;   
verwerving* 390 ha verwerving recreatie- en staatsbos59 00023 071
inrichtingAfronding:  
 * 50 ha staatsbos ingericht  
 * 150 ha recreatiebos ingericht (incl VINAC)  
 * 10 km Groene verbindingen (incl VINAC)  
 Onderhanden: 8 464
 * 700 ha staatsbos  
 * 1 600 ha recreatiebos (incl VINAC)  
 * 25 km groene verbinding (incl VINAC)  
VINAC-regionaal groen35 ha verwerving 1 690
Groene Hart Impuls50 Projecten 2 655
Stimuleringskader 454
Overig bosaanleg (PPS) 620

01.15 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied

Het recreatiebeleid is vastgelegd in de Beleidsbrief Toerisme en Recreatie (d.d. 4 juli 2001), het daaraan gekoppelde Toeristisch-Recreatief ActieProgramma (d.d. 21 maart 2002) en zal worden geactualiseerd in de Agenda Vitaal Platteland. Hoofddoelstelling is het vergroten van de kwaliteit (gebruik- en belevingswaarde voor de recreant) en de toeristisch-recreatieve waarde (economische waarde voor ondernemers) van de omgeving in en om de stad (01.14) en van het landelijk gebied (01.15) voor 16 miljoen Nederlanders, met in het bijzonder aandacht voor kinderen, ouderen, gehandicapten en allochtonen. Recreatie draagt nadrukkelijk en in directe zin bij aan de fysieke (via beweging) en mentale gezondheid (via ontspanning) van mensen, het contact tussen mensen en met de natuur en de economische ontwikkeling van stedelijk en met name landelijk gebied. Recreatie en toerisme zullen zich steeds meer gaan ontwikkelen als de maatschappelijke en economische motor van het landelijk gebied. Indirect betekent dit dat recreatie bijdraagt aan het welzijn van mensen en aan een hogere kwaliteit van de leefomgeving.

Het programma omvat:

* Verbeteren toegankelijkheid landelijk gebied:

– aanleg van recreatievoorzieningen in het landelijk gebied, te weten (op basis van planvorming) 1 467 km nieuwe lijnelementen door verwerving en inrichting in de periode tot en met 2018.

– in ere herstellen van kerke-, jaag- en schouwpaden.

– stimuleren (gedeeltelijk) publieke openstelling (agrarische) gronden van particuliere landeigenaren.

– verbeteren toegankelijkheid oevers nabij stedelijke gebieden en de belangrijkste vakantiegebieden.

– Realisering van landelijke netwerken voor wandelen, fietsen en varen. Het Ministerie van LNV heeft meerjarenafspraken met Stichting LAW (wandelpaden) en LF (fietspaden) t/m 2010 en met SRN (vaarwegen) t/m 2012 voor een totaalnetwerk van ruim 12 000 km. In 2008 moet er ca. 11 000 km bruikbaar en bewegwijzerd netwerk zijn, verdeeld over:

* Wandelen. Begin 2004 zal 3150 km Lange Wandelroutes (LAW) aan de geformuleerde kwaliteitseisen voldoen. Tussen 2004 en 2008 komt daar nog eens 1000 km bij.

* Fietsen. Begin 2004 zal 1250 km Landelijke Fietsroute (LF) aan de geformuleerde kwaliteitseisen voldoen. Vanaf 2004 t/m 2008 krijgen 1550 km oude routes een kwaliteitsimpuls en daarnaast komt er nog eens 600 km nieuwe fietsroute bij. Het streven is om in 2008 ongeveer 3400 km fietsroute te hebben.

* Varen. In 2008 moet 3450 km basis recreatie toervaartnet (BRTN) voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen, tegen 2200 begin 2004. Vanaf 2004 moet er dan nog 1250 km bruikbaar gemaakt worden. Verder stelt SRN zich de taak om het net knelpuntenvrij te maken. Aandachtspunten hierbij zijn bruggen, sluizen, wacht- en aanlegsteigers, toegankelijkheid van stedelijke havens en veiligheid van vaartrajecten. Naast de bijdrage van LNV is hierbij ook rekening gehouden met de bijdrage van derden ten behoeve van alle genoemde verbeteringen.

* Beheer van recreatieve voorzieningen in ca. 217 400 ha natuur- en bosgebieden.

* Creëren van voldoende en diverse verblijfsrecreatiemogelijkheden door middel van het scheppen van bestuurlijke en juridische voorwaarden en van ruimtelijke mogelijkheden. Conform de opgave in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (VIJNO) en in deel 1 van het Tweede Structuurschema Groene Ruimte is zo'n 15 000 hectare aan additionele ruimte voor recreatiemogelijkheden nodig. In verband met beperking uitbreidingsmogelijkheden door aanwezigheid Ecologische Hoofdstructuur zal in de meest extreme situatie een (beperkt) aantal verblijfsrecreatiebedrijven gesaneerd en/of uitgeplaatst moeten worden. Via één of twee pilots zal ervaring opgedaan worden met de gekozen oplossingsrichtingen.

* Innovatie; projecten die een innovatieve bijdrage leveren aan de realisatie van rijksrecreatiedoelen.

* Bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de recreatie. Kennis- en Innovatiecentrum Stichting Recreatie voert voor LNV jaarlijks projecten uit met betrekking tot recreatie en de groene stedelijke en landelijke ruimte. Deze kennis is toegankelijk en bruikbaar voor derden.

Streefwaarden

Omschrijving2004
verbeteren toegankelijkheidVerwerven 75 ha Inrichten aanleg 100 km paden
landelijk routenetwerkNationale netwerken 1350 km
beheer recreatieve voorzieningen217 400 ha
Innovatie30 projecten
bevorderen kennis en deskundigheid (KIC)45 projecten

Beleidsinstrumenten

* Bestuursovereenkomst en uitvoeringscontract(en) gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied Rijk-provincies.

* Het LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium.

* Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid (SGB).

* Regeling versterking recreatie (RVR).

* Subsidieregeling netwerk landelijke wandelpaden (SNLW).

* Rijksbijdrage Staatsbosbeheer.

* Deelname Wet gemeenschappelijke regelingen m.b.t. Recreatieschappen Midden-Delfland en Grevelingen.

Doelgroep

Recreanten en ondernemers

Hoofddoelstelling is het vergroten van de kwaliteit (gebruik- en belevingswaarde voor de recreant) en de toeristisch-recreatieve waarde (economische waarde voor ondernemers) in het landelijk gebied met in het bijzonder aandacht voor kinderen, ouderen, gehandicapten en allochtonen.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per haTotale uitgaven (x € 1000)
LNV verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium   
* Verwerving t.b.v. recreatievoorzieningen75 ha verwerving38 0002 841
* Inrichting recreatieve voorzieningen100 km afgerond 5 382
 700 km onderhanden  
    
RVR: Landelijke routenetwerken1 350 km 1 518
* wandelen (incl SNLW)200 km  
* Fietsen900 km  
* Varen250 km  
    
RVR: Versterking recreatie sector75 projecten 2 564
* Projecten met innovatief karakter30 projecten  
* Bevordering kennis en deskundigheid (KIC)45 projecten  
    
Beheer recreatieve voorzieningen natuur- en bosgebden   
* SBB210 200 ha. 21 002
* Midden-Delfland & Grevelingen 7 200 ha. 1 407

Toelichting

De inzet van het landinrichtingsinstrumentarium voor investeringen in recreatie in het landelijk gebied bestaat uit een Rijksbijdrage van 50%. Het overige deel komt voor rekening van decentrale overheden.

01.16 Internationaal natuurlijk

Structurele ombuiging van het wereldwijde verlies aan biodiversiteit door:

1. het nakomen door Nederland van internationale verplichtingen

2. het actief bijdragen van Nederland in internationaal verband aan de wereldwijde aanpak van een duurzame ontwikkeling en behoud van biodiversiteit door het versterken van beschermde gebieden, bufferzones en andere elementen van ecologische netwerken, het verduurzamen van het gebruik van biodiversiteit, met speciale aandacht voor agrobiodiversiteit en het verminderen van negatieve effecten van Nederlands handelen op de biodiversiteit in het buitenland.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Het aantal MoU's5
Het aantal in 2003 startende internationale natuurprojecten75

Het weergegeven aantal internationale natuurprojecten betreft natuurprojecten die gefinancierd worden uit middelen die op de begroting staan van het ministerie van LNV en middelen die onderdeel uitmaken van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS.) De HGIS is een gezamenlijk rijksbreed budget. De budgetten van de HGIS staan voornamelijk op de begroting van BZ/OS maar worden door of in overleg met betrokken departementen besteed. De projecten worden gerealiseerd in samenwerking met de departementen BZ/OS, V&W, VROM, EZ, OCW. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het internationale natuurbeleid levert het Ministerie van LNV een grote beleidsinhoudelijke bijdrage.

Het realiseren van projecten binnen Nederland die voortvloeien uit internationale verdragen wordt verantwoord op beleidsartikel 3: Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer).

Beleidsinstrumenten

De doelstellingen van het internationaal natuurbeleid worden gerealiseerd in het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal (BBI). Het BBI groepeert de verschillende beleidsvoornemens van de verschillende ministeries, en vertaalt de doelen die Nederland zich op het gebied van biodiversiteit in de periode 2002–2006 heeft gesteld naar concrete stappen.

Instrumenten zijn:

• Internationale verdragen en richtlijnen binnen de EU op het gebied van natuurbescherming en biodiversiteit; Biodiversiteitsverdrag, Ramsar Conventie, Bonn Conventie met Agreements (AEWA, Batsagrement, ASCOBANS, Seals), UNESCO Werelderfgoedverdrag, OSPAR, CITES, Cartagena Conventie, Bern Conventie, Pan-Europese Biologische en Landschapsdiversiteitsstrategie, EU-Vogelrichtlijn, EU-Habitatrichtlijn, EU-Biodiversiteitsstrategie, EU-Kaderrichtlijn Water;

• Overeenkomsten met internationale organisaties (IUCN, Birdlife International, Plantlife International, Eeconet Action Fund, UNEP), pre-accessie landen en Memorandums of Understanding (MoU's, bilaterale overeenkomsten);

• Projectsubsidies in kader van: de ontwikkeling van het Europese natuurbeleid, w.o. de ontwikkeling van een Pan-Europees Ecologisch Netwerk; natuurontwikkeling in Midden- en Oost Europa; natuurontwikkeling buiten Europa in kader van ontwikkelingssamenwerking;

• Besluit Natuurbeheer Midden- en Oost Europa;

• Contributies aan internationale organisaties en secretariaten van internationale verdragen op het gebied van natuurbescherming;

• Vertegenwoordiging in en bijdragen aan internationale gremia.

Doelgroepen

Samenwerking met maatschappelijke actoren staat centraal in het internationale biodiversiteitsbeleid. Belangrijke partners bij de uitvoering van het BBI zijn onder meer de doellanden, multilaterale organisaties, non-gouvernementele organisaties en de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland

Prestatiegegevens

InstrumentTotale uitgaven (x € 1000)
Internationale natuurprojecten en contributies2 150

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
01 Versterking landelijk gebied2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN278 670237 025195 473223 577281 413285 254270 108
UITGAVEN302 528305 318256 357265 069322 804326 645311 499
Programma-uitgaven228 682234 936199 885210 187267 938271 878256 732
U0111 Gebiedenbeleid81 94677 13958 19158 59555 96647 73347 733
– Landinrichting 59 99248 34648 86045 80841 10541 105
– Kavelruil 1 4191 7021 6541 6541 6541 654
– SGB 9 5033 6303 5703 650  
– Stimuleringskader 5 6784 2334 6935 0365 1565 156
– uitfinanciering NUBL 547280– 182– 182– 182– 182
U0112 kwaliteitsimpuls zandgebieden/reconstructie11 3504 85810 90028 36684 386107 88692 386
– Intensivering Reconstructie  6 00016 00082 000105 50090 000
– Reconstructie 3 8581 2329 9662 3862 3862 386
– Experiment intensieve veehouderij  1 6002 400
– uitfinanciering NUBL 1 0002 068
U0113 Landelijk Natuurlijk62 80175 07356 97643 56443 02730 79331 147
– Rijksbijdrage SBB 10 7719 4669 3769 2639 4299 783
– Verwerving 6 6382 7492 7802 7802 7802 780
– Landinrichting 13 08311 1867 8666 421– 4 378– 4 378
– Programma Beheer 8 88513 0779 40910 51910 51810 518
– Overig beheer 16 61917 3339 0068 9487 3487 348
– Overige regelingen 19 0773 1655 1275 0965 0965 096
U0114 De stedelijke omgeving «Groen in en om de stad»35 29740 19736 95441 40546 72147 60947 609
– Verwerving 29 72523 07125 04527 00730 83727 690
– Inrichting 5 8808 46411 54714 62313 32314 780
– VINAC-regionaal groen  1 6901 6901 6901 6901 690
– Groene hart 2 9402 6552 6632 8892 9672 967
– Stimuleringskader 1 167454    
– Publiek Private Samenwerking (bosaanleg) 485620460512482482
U0115 Realisering gevarieerde recreatiemogelijkheden in het landelijk gebied35 27635 68434 71436 11235 69835 71735 717
– Verwerving 3 1742 8413 0483 2453 3143 314
– Inrichting 5 4845 3826 1256 4546 5636 563
– Rijksbijdrage SBB 20 65721 00221 43820 24519 98819 988
– Beheer recreatieschappen 1 4071 4071 4071 4071 4071 407
– Routenetwerken 2 4161 5181 6101 7141 7511 751
– Versterking sector 2 5462 5642 4842 6332 6942 694
U0116 Internationaal natuurlijk2 0121 9852 1502 1452 1402 1402 140
– Internationale natuurprojecten en contributies 1 9852 1502 1452 1402 1402 140
Apparaatsuitgaven73 84670 38256 47254 88254 86654 76754 767
U0121 Apparaat72 68568 8449 3208 2297 8637 7717 771
U0122 Baten-lastendienst1 1611 53847 15246 65347 00346 99646 996
– waarvan intensivering EHS  7 6008 1199 63913 43913 439
ONTVANGSTEN84 61391 00976 64476 29975 41866 08866 088

Toelichting

De budgetten voor het verwervings- en landinrichtingsinstrumentarium zijn in onderhavige begroting verdeeld over de beleidsartikelen 1 en 2.

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel GRR/RLG63,760,93 881
Personeel DN33,955,21 876
Personeel AID40,948,51 985
Materieel  1 330
Overig apparaat*  248
Bijdrage aan Laser/DLG  47 152
Totaal apparaatsuitgaven  56 472

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De apparaatsuitgaven betreffen de Dienst Landelijk gebied voor 2003, de beleidsdirecties GRR en Natuurbeheer en de AID. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op Laser en de Dienst Landelijk Gebied, die met ingang van 2004 de status krijgt van een baten-lastendienst. Dit verklaart de grote verschuiving in 2004 t.o.v. 2003 tussen U01.21 en U01.22.

Ontvangsten 2004 (x € 1000)
Totaal76 644
Landinrichtingsrente40 161
Bijdragen van derden22 554
EU-ontvangsten11 113
Overige ontvangsten2 816

De ontvangsten hebben met name betrekking op landinrichting (landinrichtingsrente en bijdragen derden) en verder op EU-ontvangsten voor inrichting en op diverse overige ontvangsten.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 256 357 265 069 322 804 326 645 311 499
2. Waarvan apparaatuitgaven 56 472 54 882 54 866 54 767 54 767
3. Dus programma-uitgaven 199 885 210 187 267 938 271 878 256 732
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht24%47 97218%37 83410%26 7945%13 5945%12 837
5. complementair noodzakelijk10%19 9898%16 8157%18 7567%19 0315%12 837
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)56%111 93659%124 01068%182 19873%198 47175%192 549
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)10%19 98813%27 32410%26 79410%27 18810%25 673
8. beleidsmatig nog niet ingevuld0%2%4 2045%13 3965%13 5945%12 836
9. Totaal (=3) 199 885 210 187 267 938 271 878 256 732

Veronderstellingen

De meest kritische factor voor het bereiken van de ruimtelijke doelen is de tijdige beschikbaarheid van voldoende grond tegen een prijs die niet leidt tot verstoring van de grondmarkt. Tot nu toe stond vrijwillige verwerving voorop. De evaluatie van de voortgang van de Strategische groenprojecten wijst uit dat vooral in het westen grondeigenaren vanwege ontwikkelingen op het gebied van de woningbouw hoge verwachtingswaarden hebben van gronden die bedoeld zijn voor groene projecten. Er moeten mogelijkheden zijn om vanuit de markt te komen tot een aanzienlijke vergroting van de financieringsmogelijkheden van groen, een betere inhoudelijke afstemming van rood en groen en het beter onderling doen aansluiten bij de uitvoering van groene en rode projecten.

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
01.11SGB   X   
01.11ILG      X
01.12Reconstructiewet X  X  
01.13Werking van Programma Beheer X     
01.13De (interdepartementale) Architectuurnota    X  
01.13FF-wet   X   
01.13/15Verzelfstandiging SBB X     
01.13/16Effecten van het natuurbeleid X     
01.13/16Nota Natuur voor Mensen  X    
01.13/16NatuurbalansX      
01.13/16Natuurverkenning    X  
01.14GSB, ISV   X   
01.15Openstelling landelijk gebied XX    
01.16Actieplan Natuurbeheer Midden- en Oost Europa 2000–2004 X     

Reconstructie valt uiteen in twee delen: Pilots (2003) en Reconstructiewet (2006).

GSB ISV (Grote Steden Beleid, Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing): de resultaten van deze evaluatie worden verwacht in het najaar van 2005. Zowel de betreffende steden als het Rijk zullen hierin een beleidsmatige verantwoording geven.

De evaluatie Openstelling Landelijk Gebied is opgesplitst in een evaluatie betreffende de gebieden van Natuurmonumenten en SBB (uitvoering in 2003) en een evaluatie van de particuliere terreinen (2004).

Verantwoordelijkheid LNV

Naast de Rijksoverheid hebben provincies een belangrijke rol bij grondverwerving, (land)inrichting en natuurbeheer. De Ministeries van LNV, VROM en V&W sluiten met de provincies – op basis van een bestuursovereenkomst en provinciale uitvoeringsprogramma's – jaarlijks een vierjarig voortschrijdend uitvoeringscontract. Dit uitvoeringscontract bindt Rijk en provincies, maar laat onverlet de bevoegdheid van de begrotingswetgever en het budgetrecht van Provinciale Staten en de noodzaak te komen tot herziening van afspraken als gevolg van zwaarwegende andere belangen. De minister van LNV is direct medeverantwoordelijk voor de inzet en werking van de beleidsinstrumenten en de nakoming van internationale verplichtingen in het kader van het Beleidsprogramma Biodiversiteit Internationaal.

VBTB-paragraaf

Het kabinet wil met een «Grote Vereenvoudiging» op het terrein van sturing, doelen en instrumenten de slagkracht van het plattelandsbeleid vergroten. De met het IPO en VNG gemaakte afspraken over een nieuw sturingsmodel zullen op korte termijn geïmplementeerd worden. Daarmee zal de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en provincies en gemeenten helder zijn en zal het rijk zich beperken tot de hoofdlijnen. De doelen van het rijksbeleid zullen zich dan uiteraard ook meer tot de hoofdlijnen beperken. Daarom worden in het kader van de VBTB-begroting de bijbehorende operationele doelstellingen (inclusief onderliggende de beleids-, en gebiedscategorieën) verminderd en vereenvoudigd. Voorzien wordt dat deze laatste wijzigingen met ingang van het begrotingsjaar 2005 van kracht zullen worden. Het ILG zal starten in 2004 en stap voor stap de bestaande instrumenten beter op elkaar afstemmen en integreren. Het ILG zal niet alleen LNV-instrumenten en -middelen bundelen, maar ook die van andere departementen. Eind 2003 zal door het kabinet – in overleg met IPO, VNG en Waterschappen – het implementatietraject ILG vastgesteld worden.

02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

Algemene beleidsdoelstelling

Er wordt een samenhangend netwerk gerealiseerd van kwalitatief hoogwaardige natuurterreinen, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), met als doel:

* het veilig stellen van soorten en ecosystemen (biodiversiteit);

* productie van schoon water, CO2-vastlegging;

* bescherming van landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;

* het voldoen aan recreatieve behoeften;

* het creëren van een aantrekkelijk leefklimaat en vestigingsklimaat.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en vindt zijn grondslag in het Natuurbeleidsplan en het Structuurschema Groene Ruimte (SGR). De EHS bestaat uit verschillende soorten terreinen: bestaande natuurterreinen, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, beheersgebieden, de Noordzee, grote wateren en rivieren. In de regeringsnota Natuur voor Mensen, Mensen voor Natuur (NvM) zijn aanvullende ambities geformuleerd met betrekking tot vergroting van het areaal natuur in Nederland. Belangrijk speerpunt in NvM met betrekking tot de realisatie van nieuwe natuur vormen de zogenaamde robuuste verbindingen, waarvan het totale ambitieniveau 27 000 ha. bedraagt. Op dit moment wordt gewerkt aan de realisatie van een eerste tranche à 13 500 ha. Het resterende areaal wordt planologisch beschermd om onomkeerbare veranderingen te voorkomen.

Omvang van de ambities

TerreinsoortTotale oppervlakteGrondslagrealisatietermijn
Bestaande natuurterreinen453 500 haSGR2 018
Reservaten en natuurontwikkelingsgebieden151 500 haSGR2 018
Beheersgebieden binnen EHS90 000 haSGR2 018
Noordzee, grote wateren en rivieren6 300 000 haSGR2 018
Robuuste verbindingen13 500 haNvM2 018
Uitbreiding natte natuur6 500 haNvM2 010
TOTAAL7 015 000 ha  

In 2018 zal de EHS zijn afgerond. Wat betreft de kwaliteit van de EHS stuurt het Kabinet op het realiseren van 27 soorten natuur (natuurdoelen genoemd) volgens de taakstellingen voor natuurkwaliteit uit NvM. Op de Landelijke Natuurdoelenkaart zal worden aangegeven waar in Nederland de realisatie van de verschillende natuurdoelen wordt nagestreefd. Deze kaart wordt in 2003 in overeenstemming met de provincies en de rijksterreinbeheerders (Verkeer en Waterstaat, Defensie en Staatsbosbeheer) vastgesteld.

Om de maatschappelijke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de natuur te vergroten zal er de komende jaren een verschuiving plaatsvinden van minder grondaankopen naar meer beheer door agrariërs en andere particulieren. Het Kabinet gaat niet meer van het automatismeuit dat de EHS alleen gerealiseerd kan worden als grond wordt verworven, daarna ingericht en vervolgens doorgeleverd wordt aan en beheerd door een terreinbeherende organisatie. Het Kabinet wil voor de nog te realiseren reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en robuuste verbindingen een nieuwe weg inslaan. Hierbij wordt eerst gekeken welke natuurdoelen gerealiseerd kunnen worden via agrarisch of particulier natuurbeheer met behoud van de (landbouw)functie van de grond. Vervolgens wordt nagegaan welke doelen gehaald kunnen worden via particulier beheer met waar nodig inrichtingsmaatregelen, waarbij de functie van de grond verandert in de bestemming natuur. Als ook dat niet kan leiden tot het gewenste natuurdoel, zal ingezet worden op verwerving en inrichting door de Staat en beheer door een terreinbeherende organisatie. Het streven is erop gericht om van de nog te realiseren nieuwe natuur circa de helft via agrarisch en particulier beheer te realiseren en de andere helft door verwerving en beheer door een terreinbeherende organisatie. In 2006 zal het Kabinet evalueren hoe deze nieuwe koers in de praktijk uitpakt.

De intensivering voor reconstructie en EHS, waartoe in het Hoofdlijnenakkoord is besloten, is in deze ontwerpbegroting nog slechts financieel verwerkt. Over een concrete invulling in termen van prestaties wordt de Kamer separaat per brief geïnformeerd.

Grafiek 3: Eventuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat

kst-29200-XIV-2-3.gif

Verwerving droge EHS wordt mede gefinancierd vanuit autonome middelen van de provincies. Deze middelen lopen niet via de LNV-begroting en zijn als zodanig niet door LNV beïnvloedbaar, maar zijn wel meegenomen bij de definiëring van de streefwaarden met betrekking tot verwerving. Dit geldt eveneens voor diverse programma's waar de ministeries van VROM en V&W aan bijdragen. Deze middelen van derden zijn niet verwerkt in het budgettaire beeld.

In onderstaande tabel worden per beleidscategorie de restanttaakstellingen en het te verwerven areaal weergegeven. Het in 2003 te verwerven areaal voor de EHS-categorieën (reservaten, natuurontwikkeling en robuuste verbindingen) is gebaseerd op een prognose van DLG. De cijfers 2003 voor de overige categorieën zijn gebaseerd op de ontwerpbegroting 2003. De restanttaakstelling per 1-1-2004 is voor de EHS-categorieën aangepast aan de door het Kabinet ingezette koers van minder grondaankopen en meer beheer door agrariërs en andere particulieren.

Taakstellingen en prestaties in ha.Restant taakstelling per 1-1-20032003Restant taakstelling per 1-1-2004Restant taakstelling 60% verwerving2004Restant taakstelling 2005 e.v.
Reservaten (U02.11)28 1842 27525 90915 54580714 738
Natuurontwikkeling (U02.11)26 8252 23024 59514 75785513 902
Recreatie- en staatsbos (incl. VINAC) (U01.14)8 1865167 670nvt4257 160
Bos, landschap & kwaliteitsimpuls (U01.13)6 1771566 021nvt725 949
Recreatie in landinrichting (U01.15)1 339831 256nvt751 181
Natte natuur( incl V&W) (U02.12)2 590712 519nvt2882 231
Robuuste verbindingen 1e tranche (U02.11)12 847012 8477 7084057 303

Als gevolg van de ombuigingen op het verwervingsbudget uit het Strategisch Akkoord 2002 is de taakstelling traditionele natuurterreinen geschrapt. Deze terreinen zijn in streekplannen planologisch voldoende veiliggesteld en natuurwaarden zijn reeds aanwezig. De taakstelling bosuitbreidinglocaties is geschrapt ter invulling van de subsidie- en uitgaventaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord 2003.

Operationele doelstellingen

02.11 Verwerving droge EHS

1. In 2020 is het functioneren van de EHS als een netwerk aanzienlijk versterkt door vergroting van de ruimtelijke samenhang. In 2020 zijn robuuste verbindingen gerealiseerd met een totale oppervlakte van 13 500 ha. Aantal en globale begrenzing worden aangegeven op een in de Nota Ruimte op te nemen kaart.

2. In de streefwaarden is de verwerving van gronden voor de robuuste verbindingen opgenomen. Circa 50% van de restanttaakstelling wordt gerealiseerd via agrarisch en particulier beheer en het restant via verwerving, inrichting en beheer.

3. In 2018 omvat de EHS op het land circa 605 000 hectare bos- en natuurterreinen, waarvan 453 500 ha. bestaand bos en andere natuurterreinen en 151 500 ha. areaal dat een functiewijziging heeft ondergaan (1 500 ha. te realiseren na 2018).

Streefwaarden

Omschrijving2004
Robuuste verbindingen te verwerven405 ha
Uitbreiding EHS met functiewijziging (excl. Robuuste verbindingen) te verwerven1 662 ha

Beleidsinstrumenten

* Voor Staatsbosbeheer directe rijksfinanciering via aankopen door DLG

* Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% rijksfinanciering via de regeling particuliere nb-organisaties

* Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% provinciale financiering via de provinciale subsidieregelingen voor aankoop van gronden.

Doelgroepen

* Staatsbosbeheer

* Vereniging Natuurmonumenten

* de provinciale Landschappen

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1000Totale uitgaven x € 1000
Verwerving robuuste verbindingen4053815 400
Afronding bestaande natuurterreinen  1 000
Verwerving reservaten8073830 672
Verwerving natuurontwikkeling8553832 488

* Het verwerven van bestaande natuurterreinen is stopgezet. Deze terreinen zijn in streekplannen planologisch voldoende veiliggesteld en natuurwaarden zijn reeds aanwezig. Voor bijzondere gevallen wordt echter nog een bedrag van maximaal € 1 miljoen gereserveerd.

02.12 Verwerving natte EHS

In 2010 is de voor Nederland karakteristieke natte natuur met 6 500 ha toegenomen. Hiervan wordt 3 000 hectare verworven. Het resterend areaal is reeds in overheidsbezit. Realisering van deze doelstelling vindt plaats middels financiering met ICES2-middelen en vormt onderdeel van de Samenwerkingsafspraak Veiligheid & Natte Natuur tussen het ministerie van LNV en het ministerie van V&W (maart 2000). In de begroting 2003 werd uitgegaan van een toename van natte natuur in 2010 met 11 000 ha. Dit verschil wordt als volgt verklaard:

* Circa 1 500 ha natte natuur wordt gerealiseerd langs de Maas. Financiering hiervan vindt plaats middels reguliere EHS-middelen en valt derhalve onder operationele doelstelling 2.11. Verwerving natte EHS betreft uitsluitend natte natuurprojecten die gefinancierd worden middels ICES2-middelen.

* De staatssecretarissen van LNV en V&W hebben in hun brief aan de Tweede Kamer (08–10–1999), inzake een nadere concretisering van de investeringspakketten in het kader van ICES2, de verwachting uitgesproken dat bij uitvoering van de plannen voor rivierverruiming een areaal kenmerkende riviernatuur in de orde van grootte van circa 3 000–4 000 ha extra zal ontstaan langs de Rijntakken en de Maas. Aangezien er echter geen (ICES-)middelen ter dekking tegenover staan, is deze verwachting geen taakstelling en hoort ze dus niet in deze (prestatie) begroting te worden opgenomen.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Natte natuur288 ha

Beleidsinstrumenten

* Voor Staatsbosbeheer directe rijksfinanciering via aankopen door DLG

* Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% rijksfinanciering via de regeling particuliere nb-organisaties

* Voor de particuliere natuurbeschermingsorganisaties 50% provinciale financiering via de provinciale subsidieregelingen voor aankoop van gronden.

Doelgroepen

* Staatsbosbeheer

* Vereniging Natuurmonumenten

* de provinciale Landschappen

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1000Totale uitgaven x € 1000
Verwerving terreinen natte natuur288 ha3810 960

02.13 Inrichting droge EHS

1. In 2020 is het functioneren van de EHS als netwerk aanzienlijk versterkt door vergroting van de ruimtelijke samenhang.

• In 2020 zijn door het opheffen van fysieke barrières (ontsnippering) migratiemogelijkheden binnen en tussen eenheden van de EHS veilig gesteld. In 2010 is 90% van de geïnventariseerde knelpunten, waar alleen met een infrastructurele maatregel de doorsnijding kan worden opgeheven, opgelost. In het kader van het Meerjarenprogramma Ontsnippering (MJPO), dat in 2004 door de ministers van V&W, VROM en LNV naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd, zal een geactualiseerde doelstelling worden bepaald.

• In 2020 zijn, via particulier of agrarisch natuurbeheer danwel verwerving en inrichting, tussen grote eenheden van de EHS robuuste verbindingen gerealiseerd met een oppervlakte van 13 500 ha. Aantal en globale begrenzing worden aangegeven op een in de Nota Ruimte op te nemen kaart.

2. In 2018 zijn in de EHS de fysieke condities gerealiseerd, die passen bij de voor de EHS geldende kwalitatieve natuurdoelen, zodat een effectief op de natuurdoelen gericht beheer mogelijk is. In het bijzonder zullen de gronden in de EHS, die een functiewijziging moeten ondergaan, zijn ingericht. Het te hanteren instrumentarium wordt afgestemd op de verschuiving van verwerving naar beheer.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Percentage taakstelling ontsnippering gerealiseerd10
Inrichting robuuste verbindingen200 ha onderhanden
Uitbreiding EHS met functiewijziging (exclusief robuuste verbindingen) ingericht1 750 ha

Beleidsinstrumenten

* het LNV-inrichtingsinstrumentarium: landinrichting, de SGB, de reconstructie en inrichtingsmaatregelen in het kader van Programma Beheer;

* de kwaliteit van de natuur, waar de inrichting zich op richt, wordt afgeleid uit de natuurdoelen, die worden vastgelegd in de landelijke Natuurdoelenkaart 2003.

* Ministerie van Verkeer en Waterstaat/Rijkswaterstaat

* Provinciale wegbeheerders

Doelgroepen

* Staatsbosbeheer

* Vereniging Natuurmonumenten

* de 12 provinciale Landschappen

* particuliere beheerders van natuurterreinen

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1000Totale uitgaven x € 1000
Inrichting robuuste verbindingen:   
– onderhanden200 ha 1 359
Inrichting reservaten, waarvan:   
– afronding1 100 ha 9 000
– onderhanden16 000 ha  
Inrichting natuurontwikkeling, waarvan:   
– afronding650 ha 9 000
– onderhanden9 000 ha  

02.14 Inrichting natte EHS

In 2010 is de voor Nederland karakteristieke natte natuur in oppervlakte en kwaliteit versterkt, in combinatie met maatregelen die de veerkracht van watersystemen vergroten (meegroeien met water). Hiermee worden tegelijkertijd de recreatiemogelijkheden vergroot en wordt de identiteit van Nederland als waterland versterkt.

* Er wordt circa 6500 ha natte natuur ingericht in en langs de grote wateren;

* Doelen van de natte onderdelen van de EHS zijn toegewezen en in het verlengde daarvan worden afspraken met belangrijke partijen (Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen, VEWIN, Staatsbosbeheer en particuliere terreinbeherende organisaties) gemaakt.

Streefwaarden

Omschrijving2004
Natte natuur ingericht1 150 ha

Beleidsinstrumenten

* het LNV-inrichtingsinstrumentarium, met name landinrichting;

* De kwaliteit van natte natuur wordt gestuurd door gebruik te maken van de natte bouwstenen van de Landelijke Natuurdoelenkaart;

* In afspraken met beheerders (o.a. met Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat) worden natte natuurwensen verwerkt.

Doelgroepen

* Staatsbosbeheer

* Vereniging Natuurmonumenten

* de 12 provinciale Landschappen

* Rijkswaterstaat

* Waterschappen

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1000Totale uitgaven x € 1000
Inrichting terreinen natte natuur:   
– afronding1 150 ha  
– onderhanden800 ha 24 075

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1000
02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN281 048195 169174 998201 103303 337306 749300 249
Waarvan garanties9 1009 0769 0769 0769 0769 0769 076
UITGAVEN243 900190 874176 490204 245307 137310 549304 049
Programma-uitgaven225 836171 459158 454188 693293 627297 041290 541
U0211 Verwerving droge EHS186 248144 07599 060110 820200 590195 149161 649
– Intensivering EHS  19 50027 000112 000111 50067 000
– Verwerving overig 144 07579 56083 82088 59083 64994 649
U0212 Verwerving natte EHS17 7642 69210 96011 56311 56311 56311 563
– Verwerving 2 69210 96011 56311 56311 56311 563
U0213 Inrichting droge EHS18 64717 36624 35942 72857 89266 74793 747
– Intensivering EHS  5 00010 00023 00022 00049 000
– Landinrichting overig 17 36619 35932 72834 89244 74744 747
U0214 Inrichting natte EHS3 1777 32624 07523 58223 58223 58223 582
– Landinrichting 7 32624 07523 58223 58223 58223 582
Apparaatsuitgaven18 06419 41518 03615 55213 51013 50813 508
U0221 Apparaat17 33218 5133 2432 9492 7652 7652 765
U0222 Baten-lastendienst73290214 79312 60310 74510 74310 743
– waarvan intensivering EHS  1 70020072 3473 1973 197
ONTVANGSTEN22 07318 2584 75710 56812 7883 3383 338

Toelichting

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DN49,755,42 752
Materieel  378
Overig apparaat*  113
Bijdrage aan Laser/DLG  14 793
Totaal apparaatsuitgaven  18 036

*Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De apparaatsuitgaven betreffen de Dienst Landelijk gebied voor 2003 en de directie Natuurbeheer. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op Laser en de Dienst Landelijk Gebied die met ingang van 2004 de status krijgt van een baten-lastendienst. Dit verklaart de grote verschuiving in 2004 t.o.v. 2003 tussen U02.21 en U02.22.

Ontvangsten 2004 (x € 1000)
Totaal4 757
EU-ontvangsten230
Bijdragen van derden3 175
Overige ontvangsten1 352

De ontvangsten hebben betrekking op EU-bijdragen in het kader van POP voor verwerving en inrichting en op bijdragen van derden (gemeenten en waterschappen) voor inrichting.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 176 490 204 245 307 137 310 549 304 049
2. Waarvan apparaatuitgaven 18 036 15 552 13 510 13 508 13 508
3. Dus programma-uitgaven 158 454 188 693 293 627 297 041 290 541
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht20%31 69120%37 73920%58 72520%59 40820%58 108
5. complementair noodzakelijk11%17 43011%20 75611%32 29910%29 70410%29 054
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)10%15 84510%18 86910%29 36310%29 70410%29 054
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)55%87 15055%103 78149%143 87750%148 52150%145 271
8. beleidsmatig nog niet ingevuld4%6 3384%7 54810%29 36310%29 70410%29 054
9. Totaal (=3) 158 454 188 693 293 627 297 041 290 541

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
02.11/12/13/14Effecten van het natuurbeleid X     
02.11/12/13/14Nota Natuur voor Mensen  X    

Veronderstellingen

* De hoogte van de grondprijs is, naast het beschikbare grondaanbod, bepalend voor het welslagen van dit beleidsonderdeel. Bij stijgende grondprijzen kan met het beschikbare budget minder grond worden gekocht.

* De verwerving van gronden is zeer afhankelijk van het aanbod van grond. Is het grondaanbod laag of is er sprake van een lage grondmobiliteit in een bepaalde regio, dan kan dit leiden tot het niet behalen van de begrote prestaties.

* Het slagen van het beleid wordt in belangrijke mate bepaald door de mate waarin terreinen voor functiewijziging beschikbaar komen, hetzij via verwerving, hetzij via deelname van agrariërs en andere particuliere grondeigenaren aan de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) van Programma Beheer.

* Het realiseren van de natuurdoelen wordt behalve door de inrichting in belangrijke mate tevens bepaald door andere externe (milieu-)factoren en de kwaliteit van het beheer.

* Binnen de kaders van de landelijke natuurdoelen, die tussen rijk en provincies zijn overeengekomen, bepalen provincies de meer specifieke doelen en daarmee de condities, die via inrichting moeten worden gerealiseerd.

* Bijsturing van beleid kan plaatsvinden via de uitvoeringscontracten tussen Rijk en Provincies.

Verantwoordelijkheid LNV

Met betrekking tot verwerving is de minister van LNV direct verantwoordelijk voor de te behalen resultaten. In het kader van het convenant tussen Rijk en het IPO is aan de provincies de programmerings- en uitvoeringsbevoegdheid toegekend.

Met betrekking tot inrichting is de minister van LNV direct verantwoordelijk voor de te behalen resultaten. De specifieke natuurdoelen waar de inrichting op is gericht, worden door de provincies bepaald. De minister van LNV is verantwoordelijk voor een adequate inzet en werking van de beleidsinstrumenten.

In het kader van de Samenwerkingsafspraak Veiligheid & Natte Natuur is voor het natte natuurprogramma een programmerings- en uitvoeringsbevoegdheid toegekend aan regionale stuurgroepen.

VBTB-paragraaf

Het kabinet wil met een «Grote Vereenvoudiging» op het terrein van sturing, doelen en instrumenten de slagkracht van het plattelandsbeleid vergroten. De met het IPO en VNG gemaakte afspraken over een nieuw sturingsmodel zullen op korte termijn geïmplementeerd worden. Daarmee zal de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en provincies en gemeenten helder zijn en zal het rijk zich beperken tot de hoofdlijnen. De doelen van het rijksbeleid zullen zich dan uiteraard ook meer tot de hoofdlijnen beperken. Daarom worden in het kader van de VBTB-begroting de bijbehorende operationele doelstellingen (inclusief onderliggende de beleids-, en gebiedscategorieën) verminderd en vereenvoudigd. Voorzien wordt dat deze laatste wijzigingen met ingang van het begrotingsjaar 2005 van kracht zullen worden. Het ILG zal starten in 2004 en stap voor stap de bestaande instrumenten beter op elkaar afstemmen en integreren. Het ILG zal niet alleen LNV-instrumenten en -middelen bundelen, maar ook die van andere departementen. Eind 2003 zal door het kabinet – in overleg met IPO, VNG en Waterschappen – het implementatietraject ILG vastgesteld worden.

LNV zal zich inspannen om de inzichtelijkheid van de relatie tussen middelen en prestaties op het gebied van inrichting te vergroten.

03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

Algemene beleidsdoelstelling

Er wordt een samenhangend netwerk beheerd van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS.) De omvang van de EHS zal in 2018 ca. 715 000 ha. zijn. Een belangrijke kern hiervoor wordt gevormd door de 17 Nationale Parken en 1 grensoverschrijdend park. Ook historische buitenplaatsen, multifunctioneel bos en gebieden met agrarisch natuurbeheer vormen een onderdeel van de EHS. Ook beheer van bezoekerscentra, educatie en voorlichting vormen een onderdeel van het beheer.

Wat betreft de kwaliteit van de EHS stuurt het Kabinet op het realiseren van 27 soorten natuur (natuurdoelen genoemd) volgens de taakstellingen voor natuurkwaliteit uit de NvM. Op de Landelijke Natuurdoelenkaart zal worden aangegeven waar in Nederland de realisatie van de verschillende natuurdoelen wordt nagestreefd. Deze kaart wordt in 2003 in overeenstemming met de provincies en de rijksterreinbeheerders (Verkeer en Waterstaat, Defensie en Staatsbosbeheer) vastgesteld. De landelijke natuurdoelenkaart zal met de onderliggende provinciale natuurdoeltypekaarten en met het Handboek Natuurdoeltypen, waarin de voor een bepaalde natuurkwaliteit benodigde milieu- en watercondities zijn aangegeven, de komende jaren richtinggevend zijn voor het milieu- en waterbeleid van rijk en provincie, en voor de inzet van instrumenten voor het beheer (Programma Beheer).

Met de EHS wordt in belangrijke mate invulling gegeven aan een aantal internationale verplichtingen zoals het Biodiversiteitsverdrag, de Wetlands-conventie, en de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De EHS is onderdeel van het te ontwikkelen pan-Europese ecologische netwerk (Natura 2000). Het beheer van droge natuur vindt vooral plaats door Staatsbosbeheer, gemeenten, particuliere terreinbeherende organisaties en overige particulieren. Voor het beheer van de natte natuur is vooral Rijkswaterstaat verantwoordelijk.

In de realisatie van de EHS vormt beheer een onmisbare schakel. Na verwerving en inrichting van gronden, worden door middel van beheer de noodzakelijke condities voor het bereiken van de gewenste natuurdoelen gerealiseerd. Habitats voor flora en fauna worden beschermd of ontwikkeld, waardoor de (o.a. in internationaal verband afgesproken) biodiversiteitdoelstellingen gerealiseerd kunnen worden.

Beheer betreft reguliere maatregelen zoals maaien en snoeien, maar ook invulling van herstelbeleid, bijvoorbeeld door maatregelen te nemen tegen de effecten van verzuring, verdroging en vermesting. Programma Beheer is het belangrijkste instrument om het beheer tot uitvoering te brengen.

Om de maatschappelijke betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de natuur te vergroten zal er de komende jaren een verschuiving plaatsvinden van grondaankopen naar beheer door agrariërs en andere particulieren. Het Kabinet gaat niet meer van het automatisme uit dat de EHS alleen gerealiseerd kan worden als grond wordt verworven, daarna ingericht en vervolgens doorgeleverd wordt aan en beheerd door een terreinbeherende organisatie. Het Kabinet wil voor de nog te realiseren reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en robuuste verbindingen een nieuwe weg inslaan. Hierbij wordt eerst gekeken welke natuurdoelen gerealiseerd kunnen worden via agrarisch of particulier natuurbeheer met behoud van de (landbouw)functie van de grond. Vervolgens wordt nagegaan welke doelen gehaald kunnen worden via particulier beheer met waar nodig inrichtingsmaatregelen, waarbij de functie van de grond verandert in de bestemming natuur. Als ook dat niet kan leiden tot het gewenste natuurdoel, zal ingezet worden op verwerving en inrichting door de Staat en beheer door een terreinbeherende organisatie. Het streven is erop gericht om van de nog te realiseren nieuwe natuur circa de helft via agrarisch en particulier beheer te realiseren en de andere helft door verwerving en beheer door een terreinbeherende organisatie. In 2006 zal het Kabinet evalueren hoe deze nieuwe koers in de praktijk uitpakt.

De intensivering voor Reconstructie en EHS, waartoe in het Hoofdlijnenakkoord is besloten, is in deze ontwerpbegroting nog slechts financieel verwerkt. Over een concrete invulling in termen van prestaties wordt de Kamer separaat per brief geïnformeerd.

Grafiek 4: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-4.gif

Operationele doelstellingen

03.11 Beheer van de EHS

Deze operationele doelstelling omvat – binnen de door internationale verdragen vastgestelde voorwaarden – het realiseren van de natuurdoelen, zoals vastgelegd op de natuurdoelenkaart, het beheer van bos en andere droge natuur, het beheer van natte natuur en het nakomen van internationale verdragen.

Streefwaarden
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Uitbreiding beheer droge natuur exclusief robuuste verbindingen5 000 ha
Uitbreiding beheer natte natuur150 ha
Uitbreiding agrarisch natuurbeheer2000 ha

Beleidsinstrumenten

* Internationale afspraken vastgelegd in de Wetlands-conventie, de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn;

* Wettelijke verankering van Vogel- en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet en het SGR;

* Programma Beheer: Subsidieregeling natuurbeheer 2000, Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, Regeling Organisatiekosten Samenwerkingsverbanden;

* Natuurdoelenkaart, onderliggende provinciale natuurdoelenkaarten en Handboek Natuurdoeltypen;

* Convenanten met terreinbeherende organisaties;

* Besluit versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren (VNBBL);

* Regeling effectgerichte maatregelen in bossen en natuurterreinen;

* Subsidieregeling nationale en grensoverschrijdende parken;

* Besluit behoud historische buitenplaatsen;

* Fiscale vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer: (gedeeltelijke) vrijstelling van inkomstenbelasting over ontvangen subsidies voor functiewijziging en beheer op grond van de subsidieregeling natuurbeheer 2000 en de regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden. De vrijstelling met betrekking tot de subsidies SN wordt ingevoerd onder voorbehoud van goedkeuring van zowel de regeling als de vrijstelling door de Europese Commissie.

* Fiscale vrijstelling bos- en natuurterreinen (forfaitair rendement): een vrijstelling voor de grondslag van het forfaitaire rendement in de inkomstenbelasting voor bos- en natuurterreinen en NSW-landgoederen.

Voorts vindt een klein deel van de doelrealisatie nog plaats via «oude» regelingen (waarvan de meeste inmiddels zijn opgegaan in Programma Beheer), waarbij nog uitfinanciering plaatsvindt van lopende verplichtingen.

Doelgroepen

* Staatsbosbeheer

* Defensie, Rijkswaterstaat

* Gemeenten

* Waterschappen

* Particuliere terreinbeherende organisaties

* Overige particuliere en agrarische beheerders van natuur, bos en landschap, en hun koepelorganisaties

* Boeren en agrarische natuurverenigingen

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie in €Totale uitgaven x € 1 000
Beheer bestaand bos, natuurterreinen en landschap433 508 ha  
– waarvan beheerd door SBB208 508 ha *) 46 174
– waarvan beheerd door PNB's of via SN225 000 ha10022 500
Particulier natuurbeheer (functieverandering)775 ha20001 550
Agrarisch natuurbeheer en landschapsbeheer (SAN)62000 ha80049 600
Bijdrage nationale parken18 parken 5 310
Overlevingsplan bos en natuur50 projecten 3 449
Onderhoud historische parken en tuinen260 1 000
Herstel historische parken en tuinen35 276
Natuurbeschermingswet175 gebieden 1 186
Specifieke thema's  1 406

*Dit betreft het volledige areaal dat in beheer is bij Staatsbosbeheer, zowel binnen als buiten de EHS (zie ook 01.13).

Staatsbosbeheer

Bedragen x € 1 000
 Aantal prestatiesTotale uitgaven
1 Terreinbeheer  
1a Doeltypebeheer Natuur, Bos en Landschap208 508 ha29 442
1b Doeltypebeheer Recreatie210 190 ha21 002
1c Bijzondere kosten 8 560
2 Voorlichting, Educatie en Vermaatschappelijking 14 732
3 Overige Producten en Bedrijfsonderdelen 2 906
Totaal* 76 642

*Contractbesprekingen met Staatsbosbeheer zijn nog niet afgerond.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN170 574144 992157 907166 164173 468163 646174 617
UITGAVEN141 795133 448164 280172 829180 132170 310181 281
Programma-uitgaven118 576119 258149 951158 567165 757155 939166 108
U0311 Beheer van de EHS118 576119 258149 951158 567165 757155 939166 108
– Intensivering EHS  17 50013 50013 50016 50019 000
– Rijksbijdrage SBB 43 77946 17446 12345 79545 94046 369
– Programma Beheer 52 56471 80382 48790 07874 09378 963
– Beheer nationale parken 4 6035 3105 4995 4585 4585 458
– Overlevingsplan Bos en Natuur 8 5293 4493 4243 4073 4073 407
– Overige beheersregelingen 9 7835 7157 5347 51910 54112 911
Apparaatsuitgaven23 21914 19014 32914 26214 37514 37115 173
U0321 Apparaat10 4505 4482 1492 1562 0252 0252 025
U0322 Baten-lastendienst12 7698 74212 18012 10612 35012 34613 148
– waarvan intensivering EHS  7003 6643 8044 1544 154
ONTVANGSTEN3 93314 58316 60514 16318 433103103

Toelichting

De programma-uitgaven zijn bij de vorenstaande operationele doelstelling toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DN33,055,41 830
Materieel  243
Overig apparaat*  76
Bijdrage aan Laser/DLG  12 180
Totaal apparaatsuitgaven  14 329

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De apparaatsuitgaven betreffen de Dienst Landelijk gebied voor 2003 en de directie Natuurbeheer. De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op Laser en de Dienst Landelijk Gebied die met ingang van 2004 de status krijgt van een baten-lastendienst. Dit verklaart de grote verschuiving in 2004 t.o.v. 2003 tussen U03.21 en U03.22.

De ontvangsten hebben met name betrekking op EU-bijdragen in het kader van co-financiering van het Programma Beheer en de regeling beheersovereenkomsten natuurontwikkeling RBON.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 164 280 172 829 180 132 170 310 181 281
2. Waarvan apparaatuitgaven 14 329 14 262 14 375 14 371 15 173
3. Dus programma-uitgaven 149 951 158 567 165 757 155 939 166 108
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht46%68 97756%88 79856%92 82459%92 00453%88 037
5. complementair noodzakelijk30%44 98527%42 81326%43 09725%38 98527%44 849
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)6%8 9976%9 5146%9 9455%7 7975%8 305
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)14%20 9937%11 1007%11 6037%10 9165%8 305
8. beleidsmatig nog niet ingevuld4%5 9994%6 3425%8 2884%6 23710%16 612
9. Totaal (=3) 149 951 158 567 165 757 155 939 166 108

Veronderstellingen

* Het realiseren van de natuurdoelen door middel van beheer wordt in belangrijke mate bepaald door externe (milieu-)factoren. Om natuurdoelen te behalen, zullen soms (herstel)maatregelen nodig zijn om beperkende externe factoren te minimaliseren.

* De deelname aan Programma Beheer geschiedt op vrijwillige basis. De deelnamebereidheid om natuur en landschap te beheren bij particuliere en agrarische beheerders bepaalt voor een groot deel of het gewenste areaal en de gewenste natuurdoelen behaald kunnen worden.

* De provincies zijn verantwoordelijk voor het opstellen van gebiedsplannen, op basis waarvan de subsidies in het kader van Programma Beheer worden toegekend. Of en waar gelden beschikbaar worden gesteld voor het beheer van natuurdoelen wordt dus in grote mate bepaald door de provincies.

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
03.11Werking van Programma Beheer X     
03.11Aansturing SBB X     
03.11Stelsel van Nationale Parken  X    
03.11Nota Natuur voor Mensen  X    
03.11Natuurbalans X     
03.11Natuurverkenning X  X  

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is direct verantwoordelijk voor het opstellen van de natuurdoelenkaart, die de basis en randvoorwaarde vormt voor het beheer. Verder is LNV indirect verantwoordelijk voor de overige genoemde beleidsinstrumenten: LNV faciliteert beheerders van natuur in het behalen van de gewenste natuurkwaliteit op regionaal en lokaal niveau. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing van EHS-gebieden en voorts voor het opstellen van gebiedsplannen, op basis waarvan de meeste subsidies in het kader van Programma Beheer worden toegekend.

VBTB-paragraaf

Er wordt gewerkt aan het scherper in kaart brengen van de toekomstige beheerslasten, analoog aan de informatie die in 2001 inzake verwerving en inrichting aan de Kamer is verzonden. Dit zal mogelijk leiden tot een andere begrotingsindeling en een meer inzichtelijke presentatie van de prestatiegegevens inzake beheer. Voorzien wordt dat deze wijzigingen met ingang van het begrotingsjaar 2005 van kracht zullen worden.

04 Economisch perspectiefvolle agroketens

Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling is de bevordering van duurzame en vitale agroketens. De overheid ziet zich geplaatst voor de uitdaging om de condities te scheppen waaronder de agrosector zich duurzaam kan ontwikkelen en rekening houdt met maatschappelijke wensen. Dit doet zij onder meer door:

• het stimuleren en faciliteren van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

• het stimuleren van vernieuwing in de keten op gebieden van duurzaamheid, marketing, kwaliteit, garantiesystemen en differentiatie in niche markten zoals streek- en biologische producten;

• de inzet van het internationaliseringsinstrumentarium (inclusief de instrumenten van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken);

• het ondersteunen van belangrijke processen van herstructurering in de veehouderij, de glastuinbouw en de visserij.

Op deze wijze draagt de overheid bij aan (her)nieuw(d) perspectief voor de agrosector en blijft de Nederlandse agrosector internationaal concurrerend op vooral hoog ontwikkelde markten.

Grafiek 5: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-5.gif

Operationele doelstellingen

04.11 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex

Het kabinet heeft voor 2010 een duurzaam werkend, op eigen kracht internationaal concurrerend agro-foodcomplex voor ogen, dat midden in de samenleving staat en toonaangevend is binnen Europa. Een agrobedrijfsleven dat, ondanks afnemende marktondersteuning door de overheid, nieuwe strategieën ontwikkelt en zich richt op technologische en innovatieve ontwikkelingen, die zich – deels buiten de agrosector – voltrekken, en op de mogelijkheden in internationale markten.

Aangrijpingspunten voor bepaling van de concurrentiekracht van het agro-foodcomplex zijn aanpassingsvermogen aan de markt en maatschappij, ondernemersklimaat, samenwerkingsvermogen in flexibele netwerken en ketens, beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige productiefactoren, juridische en bestuurlijke institutionele omgeving en een internationaal speelveld, dat goed toegankelijk is en wordt benut.

De verantwoordelijkheid voor de concurrentiekracht ligt primair bij de sectoren c.q. bedrijven zelf. Het ministerie streeft naar een effectieve bijdrage aan de gewenste ontwikkeling, met name bij het MKB, met de volgende subdoelstellingen:

• Het bevorderen van een zo groot mogelijke participatie en presentatie van Nederlandse bedrijven en agrarische producten op buitenlandse markten.

• Verbeteren van de energie-efficiency in bedrijven die gebaseerd is op reële en wettelijke voorgeschreven besparingsmogelijkheden.

• Agrologistieke systeeminnovaties richting meer duurzame, innoverende en vervoersefficiënte agrologistiek.

• Het verbeteren van informatiesystemen in ketens waardoor keteninformatie transparant en snel beschikbaar komt voor overheid, consument en bedrijfsleven.

Streefwaarden

Omschrijving20042007
Gerealiseerde bilaterale (agro-)economische samenwerkingsactiviteiten (BES)75% 
Aan MJA deelnemende bedrijven die in 2004 de voorgedragen energiebesparende maatregelen getroffen hebben75% 
Geactualiseerde meerjarenplannen van deelnemende sectoren50% 
Succesvolle agrologistieke pilots 25%

Een belangrijke indicator voor het effect van het programma Bilaterale Economische Samenwerking (BES) vormt de mate van realisatie van BES-activiteiten. Aangezien deelname aan activiteiten grotendeels voor rekening van de deelnemers komt, indiceert de mate van realisatie de aansluiting op de behoeften van de doelgroep.

De streefwaarden voor Energie-efficiency vloeien voort uit de verantwoordelijkheid die de overheid heeft ten aanzien van het programma MJA, namelijk het bedrijfsleven faciliteren bij het nemen van energiebesparende maatregelen en toetsen en monitoren van de voortgang van de afspraken. In de meerjarenplannen bepalen de sectoren zelf de energie-efficiency doelstelling van de sector. Dit gebeurt op basis van de voorgedragen maatregelen van de deelnemende bedrijven. In 2004 zullen de meerjarenplannen geactualiseerd worden voor de periode 2005 – 2008.

In 2003 is aan de kamer gerapporteerd welke innovatieve agrologistieke pilots uitgevoerd zullen worden. LNV streeft ernaar dat in 2007 minimaal 25% van deze pilots succesvol zal zijn en een bijdrage zal leveren aan doelen als transportbesparing, filebestrijding, dierenwelzijn, ruimtelijke kwaliteit en voedselveiligheid.

Het instrument Transparantie en ICT is nog in ontwikkeling. Een streefwaarde is nog niet vastgesteld.

Beleidsinstrumenten

De uitvoering van de beleidsinstrumenten wordt voor een belangrijk deel bepaald door de inzet van het bedrijfsleven zelf. De agrosector in Nederland is internationaal van aard waarbij het niet alleen om export,import en re-export van producten gaat, maar ook langdurige relaties in de vorm van investeringen en participatie in productie en logistiek in andere landen, en om kennisoverdracht. In nauwe samenspraak met de LNV-vertegenwoordiging in het buitenland en het agrobedrijfsleven wordt jaarlijks een breed spectrum van activiteiten ontwikkeld en uitgevoerd om de bilaterale economische samenwerking (BES) te bevorderen. Onderdeel daarvan zijn onderhandelingen over de vermindering van handelsbelemmeringen, vooral op veterinair en fytosanitair terrein. De biologische landbouw wordt bij alle daartoe geëigende BES-instrumenten als een volwaardige sector meegenomen. Het accent van het programma ligt op de nieuwe EU-lidstaten, kandidaat EU-lidstaten en «Nieuwe Buren» van de EU. In dit kader worden twee nieuwe centra voor training en technologieoverdracht opgezet in Rusland en de Oekraïne. De bekostiging van deze centra wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het cluster van buitenlanduitgaven en -ontvangsten op de rijksbegroting.

De meerjarenafspraken energie-efficiëncy tussen overheid en voedings- en genotmiddelenindustrie lopen tot 2012. De afspraken zijn bedoeld om bedrijven te faciliteren bij het nemen van energiebesparende maatregelen, het opzetten van energiezorg, het monitoren van besparingsresultaten en het onderzoeken van nieuwe besparingsmogelijkheden in de keten.

Agrologistiek beoogt systeeminnovaties richting duurzaamheid en vervoersefficiëntie te bewerkstelligen door het uitvoeren van 9 pilots. Voor de ondersteuning van de pilots op bestuurlijk en ruimtelijk vlak is een platform opgericht. Het bedrijfsleven betaalt de kosten van de pilots, LNV financiert aanvullend onderzoek zoals planontwikkeling op overkoepelend niveau en de facilitatie van het proces.

Het Platform voor Transparantie is een partnerschap tussen de overheid (LNV/VWA) en het bedrijfsleven. Het totale project heeft een looptijd van 4 jaar waarin 6 pilots worden uitgevoerd. De pilots hebben tot doel de transparantie van de betrokken ketens te vergroten door de informatie-uitwisseling tussen alle betrokken partijen in de keten beter op de behoefte af te stemmen. Hiermee wordt de transparantie ten behoeve van voedselveiligheid, ketenbrede tracing en tracking en de uitwisselbaarheid en kwaliteit van informatie verbeterd.

Doelgroepen

Nederlandse productie-, verwerkings-, distributie- en handelsbedrijven van agrarische (food en non-food) producten, met name het MKB. Buitenlandse overheden, instituties en bedrijven. Maatschappelijke organisaties.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
Bilaterale Economische Samenwerking120283 306
Energie  1 520
Agrologistieke pilots91111 000
Transparantie en ICT  3 000
Overig (projecten)15801 205

De middelen voor energie-efficiency en transparantie zijn met name bedoeld om technologische en innovatieve ontwikkelingen te stimuleren en te faciliteren. De resultaten die dit oplevert zijn moeilijk te vertalen in concrete prestaties met bijbehorende gemiddelde kostprijzen. De gemiddelde en totale uitgaven onder overig worden sterk beïnvloed door het project CLIENT. CLIENT heeft tot doel administratieve en logistieke processen voor grenscontroles op landbouwgoederen te verbeteren.

04.12 Herstructurering (melk)veehouderij

Het Kabinetsstandpunt van 20 juli 2001 inzake het advies van de Commissie Herstructurering Melkveehouderij vormt het uitgangspunt voor de doelstellingen en de inzet van de in dit kader beschikbare rijksmiddelen. Conform dit Kabinetsstandpunt zullen de rijksmiddelen worden ingezet t.b.v. het in de periode tot 2010 bereiken en behouden van grondgebondenheid op gebiedsniveau in kwetsbare en waardevolle gebieden waar sprake is van meerdere, met elkaar samenhangende, milieuproblemen die om een integrale aanpak vragen en waarbij grondgebonden melkveehouderij kan bijdragen aan de oplossing.

Het realiseren van de extensivering van de melkveehouderij vereist een integrale gebiedsgerichte aanpak. In de reconstructiegebieden kan de extensivering van de melkveehouderij integraal deel uitmaken van de reconstructieplannen en in de gebieden buiten de werking van de Reconstructiewet concentratiegebieden geldt de bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied als kader.

Streefwaarden

Het Rijk stuurt op de doelen. In dit kader heeft het Rijk een doelenboom opgesteld die de provincies inzicht verschaft in de met de gebiedsgerichte extensivering van de melkveehouderij te bereiken doelen.

De streefwaarden zijn afhankelijk van de specifieke gebiedskwaliteiten die in de planvorming via de extensiveringsprojecten melkveehouderij worden nagestreefd. De uiteindelijk te realiseren gebiedspecifieke streefwaarden bestaan uit een mix van de volgende factoren:

a. structuur melkveehouderij (intensiteit op gebiedsniveau en/of huiskavelgrootte)

b. milieukwaliteit (nitraatuitspoeling)

c. natuurkwaliteit (verdroging, ammoniak, fosfaatdoorslag)

d. bodemerosie

e. landschap.

In 2003 hebben de provincies – vooruitlopend op de afronding van de reconstructieplannen – ervaring kunnen opdoen met het ontwikkelen en uitvoeren van (onderdelen) van extensiveringsprojecten in de melkveehouderij. Hiertoe is een pilotregeling opgesteld op basis waarvan in 2003 voor maximaal € 13 mln. aan verplichtingen kan worden aangegaan op basis van bestaande rijksinstrumenten. Deze pilotregeling verschaft individuele melkveehouders die deelnemen aan een door de provincie geïnventariseerd project (thans 11), toegang tot de bestaande rijksinstrumenten. Voorwaarde is dat de bereikte extensivering van de betrokken melkveehouderijbedrijven duurzaam wordt geborgd, de projecten passen binnen de provinciale planvorming en een bijdrage leveren aan de realisatie van de rijksdoelen voor milieu, natuur en landschap. Prioriteit zal worden gegeven aan projecten die de grootste (integrale) bijdrage leveren aan de Rijksdoelen en die tevens kunnen rekenen op de grootste financiële bijdrage van derden (o.a. D2-gelden of private financiers).

Na 2004 zullen de middelen ten behoeve van de extensivering van de melkveehouderij onderdeel vormen van het ILG (prestatiegericht inzet van middelen). In dit kader zullen met de provincies concrete afspraken worden gemaakt met betrekking tot de gebiedsspecifieke streefwaarden.

Beleidsinstrumenten

De herstructurering van de melkveehouderij verloopt langs drie samenhangende trajecten.

* Het bevorderen van extensivering. Provincies beschikken hiervoor over de volgende instrumenten: de Regeling Bedrijfshervestiging en -beëindiging, kavelruil (vrijwillig), herverkaveling en het creëren van inplaatsingslocaties. Dit zijn bestaande instrumenten die al in 2003 kunnen worden ingezet.

* Het behoud van grondgebondenheid. Om dit te bereiken staat in beginsel een palet aan bestaande instrumenten, zoals o.a. inrichting en boerderijverplaatsing, ter beschikking. Eind 2003 zullen het Rijk en de provincies gezamenlijk voorstellen ontwikkelen over de inzet van instrumenten.

* Perspectief bieden voor grondgebonden melkveehouderij. Het bevorderen van grondgebonden melkveehouderij in waardevolle, kwetsbare, gebieden is pas duurzaam wanneer deze bedrijven, al dan niet met verbrede doelstellingen, een goed toekomstperspectief hebben. Dit kan worden gerealiseerd met deels bestaande en deels nog te ontwikkelen instrumenten, zoals Stimulans Duurzame Landbouw, agrarisch natuurbeheer en Subsidieregeling Gebiedsgericht Beleid.

Doelgroepen

Niet grondgebonden melkveebedrijvenbedrijven in droge zandgebieden met een gestapelde problematiek.

Prestatiegegevens

BeleidsinstrumentPrestatieUitgaven(x € 1 mln.)
Herstructurering (melk)veehouderij 5,3

De prestatiegegevens zijn op dit moment nog niet in te vullen omdat de provincies eind 2003 pas met hun projectvoorstellen komen.

04.13 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie

Het operationele doel is het bevorderen van een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw. Om perspectiefvol te zijn moet economisch en vraaggericht worden geproduceerd met aandacht voor kwaliteit en innovatie van producten en productieprocessen. Duurzaam houdt in dat de productie plaatsvindt binnen de (wettelijke) randvoorwaarden voor energie, milieu, ruimtelijke kwaliteit en sector, dan wel op een vrijwillig gekozen hoger niveau.

Subdoelen daarbij zijn:

* een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw in economische en milieutechnische zin;

* een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw qua ruimtelijke kwaliteit;

Hierbij moet bedacht worden dat deze subdoelen onderling/wederzijds afhankelijk zijn. Duurzaam gebruik van energie past in de context van het energiebesparingsbeleid en het klimaatbeleid.

Een tweede operationele doel is de implementatie van het energiebesparingsbeleid voor de primaire glastuinbouwproductie. Dit beleid is geconcretiseerd in afspraken met de sector. Deze afspraken hebben betrekking op vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, mineralen en energie (de Integrale Milieutaakstelling IMT). In het Aanvullend Convenant Glastuinbouw en Milieu (2002) is met de sector voorts overeengekomen dat betrokken partijen (overheid en bedrijfsleven) zich ten doel stellen de (ruimtelijke) herstructurering zodanig te bevorderen en te faciliteren, dat de haalbaarheid van de IMT wordt vergroot, duurzame ontwikkeling en inrichting van nieuwe glastuinbouwlocaties is gewaarborgd, de ruimtelijke en milieuhygiënische kwaliteit van bestaande concentratiegebieden belangrijk verbetert, en de sociaal-economische positie en de concurrentiekracht van de sector verbeteren.

Streefwaarden

InstrumentRealisatie t/m 2003Streefwaarde 2004Streefwaarde 2006Streefwaarde 2010
RSG (nieuw glas)610 ha195 ha1 000 ha 
Stidug1 143 ha  2 700 ha

Perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw

In de periode 1997 tot en met 2006 wordt de (achterhaalde) bedrijfsstructuur op 25% van het glastuinbouwareaal verbeterd. Tot en met 2003 is circa 610 ha nieuw glas gerealiseerd.

In 2004–2006 zal nog ca 390 ha nieuw glas worden gerealiseerd op bedrijven die hun bedrijfsstructuur hebben verbeterd.

In de periode 2000–2010 wordt de omslag gemaakt van (nu merendeels) autonome vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven naar landbouwontwikkelingsgebieden met een omvang van 2700 ha netto glas. Naast de reeds aangewezen 10 gebieden gaat het ook om hervestiging van glastuinbouwbedrijven in door provincies aan te wijzen regionale landbouwontwikkelingsgebieden. In 2010 is het verspreid vestigen van glastuinbouwbedrijven gestopt.

In de periode tot 2006 wordt de verwezenlijking van de basisinrichting van de infrastructuur in het Westland en Aalsmeer en omstreken gerealiseerd. Met de beschikbare gelden tot en met medio 2003 is ongeveer de helft van de infrastructuurplannen gerealiseerd.

Implementatie energiebesparingsbeleid

Met betrekking tot energie is vastgelegd:

SectorEfficiencyverbeteringAandeel duurzame energie
 2005201020052010
Glastuinbouw t.o.v. 1980 65% 4%
Paddestoelen t.o.v. 199520% 5% 
Bloembollen t.o.v. 199522% 4% 

In het Glami/IMT zijn voorts de volgende doelstellingen voor 2010 opgenomen (alle ten opzichte van 1984–1988 behalve stikstof en fosfaat).

Gewasbeschermingsmiddelen2010
Vermindering van het verbruik72%
Emissiereductie (lucht)88–72%
Emissiereductie (bodem,grondwater)>75%
Emissiereductie (oppervlaktewater)95%
Vermesting: 
Emissiereductie stikstof en fosfaat t.o.v. 198595%

Het Besluit glastuinbouw (een bundeling van regels op grond van Bestrijdingsmiddelenwet, Wet Milieubeheer en Wet verontreiniging oppervlaktewater) regelt dat een glastuinder jaarlijks uiterlijk 1 mei zijn gebruik van energie, gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen over het voorafgaande jaar rapporteert aan LNV, gemeenten en waterschappen (voor het eerst per 1 mei 2003). Op basis van deze registraties zal jaarlijks de Stuurgroep Glastuinbouw en Milieu een voortgangsrapport uitbrengen over het voorafgaande jaar, waarin voor de onderscheiden milieuvelden wordt ingegaan op de mate van handhaving en doelbereiking.

Beleidsinstrumenten

Het beleid voor een perspectiefvolle en duurzame glastuinbouwsector en energiebesparing kent diverse ingangen: regelgeving, subsidies/fiscaal, onderzoek, communicatie/voorlichting. Specifieke belastinguitgaven ten behoeve van de glastuinbouw zijn de regulerende energiebelasting en het verlaagde BTW-tarief sierteelt, respectievelijk € 113 mln, en € 169 mln. in 2003.

Perspectiefvolle en duurzame glastuinbouw

* Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw (RSG): subsidie voor vernieuwende investeringen op bedrijven of clusters van bedrijven, die hun bedrijfsstructuur verbeteren en subsidie voor afbraak van glas op beëindigende bedrijven.

* Infrastructuurregeling: subsidieregeling in samenwerking met gemeenten en waterschappen ter verbetering van de infrastructuur in de glastuinbouwgebieden Westland en Aalsmeer.

* Stimuleringsregeling Inrichting Duurzame Glastuinbouwgebieden (Stidug): bevordert de ontwikkeling van landbouwontwikkelingsgebieden en de hoogwaardige en duurzame inrichting ervan

* Stimulering van onderzoeksinfrastructuur: er komt een nieuw proefstation voor de Bloemisterij en Glasgroenten in Bleiswijk.

* Landbouwkwaliteitswet en Bestrijdingsmiddelenwet: deze regelgeving draagt tevens bij aan voedselveilige producten.

* Stallingsbedrijf glastuinbouw Nederland: dit bedrijf is in 2001 opgericht als stimuleringsinstrument om de herstructurering van de glastuinbouw op gang te brengen. Het bedrijf is gericht op het vergroten van de mobiliteit van glastuinders om te komen tot een versnelde en duurzame inrichting van nieuwe en bestaande glastuinbouwgebieden.

Implementatie energiebesparingsbeleid

* Besluit glastuinbouw: ingegaan per 1-4-2002. Het Besluit glastuinbouw integreert de meest relevante milieuregelgeving voor de glastuinbouw en vertaalt de Integrale Milieutaakstelling 2000–2010 op sectorniveau naar de individuele glastuinbouwbedrijven.

* Het ministerie van LNV levert in 2004 een bijdrage aan energieonderzoek in de glastuinbouw, bloembollen en paddestoelensector. Dit draagt bij aan de energiedoelstelling 2010 (GLAMI/IMT).

* Communicatie/voorlichting, inclusief een voorlichtingsproject energiemanagement, demonstratie- en bestaande innovatieprojecten.

* Certificering: het ministerie van LNV sluit met registratie voor regelgeving aan bij certificeringssystemen in de markt, gericht op kwaliteit, milieu en de consument.

* Stimulering van demonstratieprojecten in de glastuinbouw, bloembollen en paddestoelensector in het kader van de aparte energietender binnen de demonstratieregeling.

Doelgroepen

Doelgroep is de Nederlandse glastuinbouwsector bestaande uit 10 345 bedrijven met een totaal glasareaal van 10 524 ha (bron CBS landbouwtelling over 2001).

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie (x € 1 000)Totale uitgaven (x € 1 000)
RSG investeringen195 hectare438 313
RSG glasafbraak40 hectare451 815
STIDUG6 projecten 10 475
IRGWestland, Aalsmeer e.o. 427
Energie en demoregelingvoorlichting, demo en onderzoek 2 595
Diverse  127

04.14 Herstructurering visserij

Doelstelling van de herstructurering in het visserijbeleid is het verminderen van de vangstcapaciteit van de visserijvloot.

Streefwaarden

Evenwicht tussen de te vangen hoeveelheden vis en de vangstcapaciteit van de visserijvloot. Om dit te bewerkstelligen wordt er naar gestreefd de omvang van de vloot in 2004 met ca. 2040 BrutoTon – zijnde ca. 2,6% van de capaciteit in de kottersector – terug te brengen.

Beleidsinstrumenten

Voor het realiseren van deze doelstelling zijn middelen uit de brandstofcompensatie en uit het Europese Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) beschikbaar.

Om evenwicht tussen de te vangen hoeveelheden vis en de vangstcapaciteit van de zeevisserijvloot te realiseren, zijn de volgende instrumenten beschikbaar:

* openstelling van subsidieregelingen met bijdrage vanuit de Europese begrotingen voor vrijwillige sanering van vaartuigen;

* beheersing van de visserij-inspanning op zee door middel van een regime van zeedagen. De aantallen uitgegeven zeedagen zijn gerelateerd aan de toegestane hoeveelheden te vangen vis.

Doelgroepen

Schipper-eigenaren, reders en opvarenden van vissersvaartuigen.

Prestatiegegevens

BeleidsinstrumentPrestatieUitgaven (x € 1 mln.)
Vrijwillige saneringCapaciteitsvermindering met ca. 2040 BT5,3

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
04 Economisch perspectiefvolle agroketens2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN110 08191 62375 04755 91056 28440 32840 328
UITGAVEN178 73272 59270 95070 40072 88155 42155 421
Programma-uitgaven127 68046 73744 40244 77747 76430 82130 821
U0411 Versterking concurrentiekracht agrofoodcomplex11 0288 66310 0317 8716 6766 1976 197
– Bilaterale economische samenwerking 2 7873 3063 3783 4503 5223 522
– Masterplan Duitsland/Nachbarland Niederlande       
– Energie 1 4551 5201 5521 5851 6171 617
– Agrologistiek 5851 0001 0001 000400400
– Transparantie en ICT 2 9253 000    
– Overig 9111 2051 941641658658
U0412 Herstructurering (melk)veehouderij93 5108 6805 3224 7918 3768 2828 282
– RBV-1 1 811     
– SEP Veehouderij 3 450     
– Herstructurering (melk)veehouderij 3 4195 3224 7918 3768 2828 282
U0413 Herstructurering glastuinbouw en duurzaam gebruik energie8 56718 96123 75226 52027 11716 34216 342
– RSG 8 16010 12810 54910 874  
– Stidug 6 19710 47512 38512 25512 19812 198
– Energie en demoregeling 2 8872 5953 0983 1963 3363 336
– Inrichting 817427436445454454
– Overig 90012752347354354
U0414 Herstructurering Visserij14 57510 4335 2975 5955 595  
– Vlootstructuurbeleid 10 4335 2975 5955 595  
Apparaatsuitgaven51 05225 85526 54825 62325 11724 60024 600
U0421 Apparaat23 50820 39321 28720 52420 03019 51619 516
U0422 Baten-lastendiensten27 5445 4625 2615 0995 0875 0845 084
ONTVANGSTEN118 2653 9494 4654 7374 7372 5071 107

Toelichting

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DL43,160,02 580
Personeel I&H41,654,52 269
Personeel AID  12 239
Materieel  3 390
Overig apparaat*  809
Bijdrage aan LASER  5 213
Bijdrage aan DLG  48
Totaal apparaatsuitgaven  26 548

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De uitgaven voor het apparaat hebben betrekking op de Algemene Inspectiedienst en de beleidsdirecties Landbouw en Industrie en Handel. De uitgaven voor de baten-lastendiensten hebben betrekking op LASER en de Dienst Landelijk Gebied.

Ontvangsten 2004 (x € 1 000)
Totaal4 465
EU-ontvangsten Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw2 580
Ontvangsten Visserij FIOV1 700
Overige ontvangsten185

De ontvangsten hebben onder meer betrekking op inkomsten afkomstig uit het Europese Structuurfonds FIOV in het kader van de Regeling capaciteitsvermindering en andere maatregelen uit hoofde van het Enkelvoudig Programmerings Document (EPD). Daarnaast worden inkomsten van de Europese Unie geraamd voor de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw.

Budgetflexibiliteit

Bedragen in EUR 1000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 70 950 70 400 72 881 55 421 55 421
2. Waarvan apparaatsuitgaven 26 548 25 623 25 117 24 600 24 600
3. Dus programma-uitgaven100%44 402100%44 777100%47 764100%30 821100%30 821
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht54%24 34546%20 42443%21 01143%13 18143%13 181
5. complementair noodzakelijk12%5 29712%5 59512%5 595    
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)24%10 46031%13 95134%16 10445%13 85045%13 850
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)10%4 30011%4 80711%5 05412%3 79012%3 790
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%44 402100%44 777100%47 764100%30 821100%30 821

Veronderstellingen

Uitgangspunt bij de versterking van de concurrentiekracht van het agrofoodcomplex is dat door de stimulerende en faciliterende rol van de overheid met relatief weinig financiële inzet een maximaal beleidseffect kan worden gerealiseerd. In het komende decennium zal de Nederlandse agrosector zich zodanig aan moeten kunnen passen dat voldaan wordt aan eisen op het gebied van milieu, voedselveiligheid en markt en maatschappij. Bovendien zal de Nederlandse agrosector haar weg moeten weten te vinden in een wereld waarin sprake is van een voortgaand proces van handelsliberalisatie, verschillen in cultuur over non-trade concerns, relatief hoge kostprijzen in het eigen land en toenemende concurrentie uit nieuwe productiegebieden. De beleidsinzet bij het verbeteren van energie-efficiëncy is gebaseerd op het commitment dat Nederland en de Europese Unie zijn aangegaan in Kyoto (1997) voor het terugdringen van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen.

Voor het behalen van de beleidsdoelen glastuinbouw is de economische situatie een kritische succesfactor, evenals de mate waarin ondernemers investeren in beleidsmatig en op duurzaamheid gewenste voorzieningen. Daarnaast is het van belang dat de bedrijven in regio's met een herstructureringsopgave, prioriteit geven aan de investeringsinhaalslag. Tenslotte is het stoppen van verspreide nieuwvestiging afhankelijk van vrijwillige medewerking van ondernemers en van aanpassingen in (streek- en) bestemmingsplannen.

Sanering visserij:

Op grond van de besluitvorming door de Europese Landbouw- en Visserijraad over de herziening van het Gemeenschappelijke Visserijbeleid zijn de lidstaten niet meer verplicht aan Europese reductiepercentages voor hun vloten te voldoen. Het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid voorziet in een stelsel van herstelplannen en flankerend beleid om de gevolgen daarvan op te vangen. De Raad gaat er van uit dat vermindering van visserijmogelijkheden er toe leidt dat overheden zullen doorgaan met het definitief uit de vaart nemen van vaartuigen en hiervoor gelden zullen reserveren. Gezien de wenselijkheid van een Europees Level Playing Field worden ook voor het uit de vaart nemen van Nederlandse vaartuigen middelen gereserveerd.

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
04.11Activiteitenprogramma Bil. Agr. Ec. Samenw.   X   
04.11Masterplan Duitsland X     
04.11Energie efficiency  X    
04.11Agrologistiek   X   
04.11Transparantie & ICT     X 
04.12Extensivering melkveehouderij  X    
04.13Duurzaam gebruik energie glastuinbouw   X   
04.13Herstructurering bedrijfsstructuur glastuinbouw     X 
04.13Ruimtelijke herstructurering glastuinbouw    X  
04.14Uitvoering EPD  X  X 

04.11

In 2003 is voor het programma Bilaterale Economische Samenwerking een monitor ontwikkeld waarmee van alle activiteiten onder meer de waardering wordt geregistreerd. Als de monitor goed functioneert kan jaarlijks gerapporteerd worden en zal het 3-jaarlijkse waarderingsonderzoek bij het Nederlandse agrobedrijfsleven vervallen.

In 2004 zal voor energie efficiency een evaluatie worden uitgevoerd. De voortgang van de uitvoering van agrologistiek wordt in 2005 tussentijds geëvalueerd. In 2008 zal de totale uitvoering worden geëvalueerd. Het project Transparantie zal na afloop (in 2007) worden geëvalueerd.

04.12 Ex ante evaluatie

De planvorming en instrumentatie vormen de verantwoordelijkheid van de provincies. De geplande ex ante evaluatie is vervangen door de genoemde pilotregeling, die de provincies het kader biedt om in de praktijk ervaring op te doen met het ontwikkelen van extensiveringsprojecten en het daartoe benodigde instrumentarium. De ervaringen zullen input leveren voor de meerjarige programmering voor de periode 2004 en later.

Ex post evaluatie

In de reconstructiegebieden zal de extensivering van de melkveehouderij integraal deel uitmaken van de reconstructieplannen en in de gebieden buiten de werking van de Reconstructiewet concentratiegebieden geldt de bestuursovereenkomst gebiedsgerichte inrichting landelijk gebied als kader.

De ex post evaluatie van de extensivering van de melkveehouderij zal meelopen binnen de evaluatietrajecten die voor de twee voornoemde kaders worden uitgezet.

04.13

In 2005 zal een evaluatie plaatsvinden inzake Duurzaam gebruik van energie in de glastuinbouw. In 2006 vindt de evaluatie Ruimtelijke herstructurering glastuinbouw plaats, gericht op de projectvestigingslocaties en de bestaande gebieden Westland en Aalsmeer. In 2007 zal de eindevaluatie plaatsvinden van de Herstructurering bedrijfsstructuur glastuinbouw, nadat in 2006 de RSG zal zijn beëindigd.

04.14

In 2004 zal een aanpassing plaatsvinden van het Enig Programmerings Document op grond van tussentijds evaluatieonderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid in het kader van de uitvoering van het EU structuurbeleid voor het visserijcluster. Het onderzoek strekt zich uit over de eerste drie jaar van de programmaperiode, die loopt van 2000 tot 2006. In 2007 zal de gehele programmaperiode worden geëvalueerd.

Verantwoordelijkheid LNV

Het agrofoodcomplex is zelf primair verantwoordelijk voor zijn concurrentiekracht. Daarbij zal het bedrijfsleven moeten inspelen op handels-, vervoers- en bedrijfseconomische belemmeringen en krachtige maatschappelijke eisen (voedselveiligheid, dierenwelzijn duurzaamheid) over de wijze van produceren. Ter verbetering en behoud van de concurrentiekracht streeft LNV naar een vitaal agrofoodcomplex. LNV is indirect verantwoordelijk voor het wegnemen van handelsbelemmeringen en het stimuleren van een duurzame wijze van produceren.

LNV legt inzake de herstructurering (melk)veehouderij volgens het sturingsmodel tussen Rijk en provincies vast hoe en waar welke middelen voor welke doelen worden besteed. Het Rijk is verantwoordelijk voor de inzet en werking van het rijksinstrumentarium; de provincies zijn direct verantwoordelijk voor de uitvoering.

LNV is indirect verantwoordelijk voor de realisatie van doelstellingen en streefwaarden met betrekking tot de economisch perspectiefvolle agroketens en direct verantwoordelijk voor de inzet van beleidsinstrumenten die gericht zijn op een effectieve bijdrage aan de ontwikkeling van de concurrentiekracht van de sectoren en bedrijven.

VBTB-paragraaf

Duurzame en vitale agroketens zijn van maatschappelijk belang. Op het gebied van de extensivering van de melkveehouderij zullen, mede op basis van de ervaringen met de pilotregeling en het door provincie en private partijen gefinancierde project Het Klooster, de provincies in 2004 verder uitwerking geven aan het extensiveringsinstrumentarium en de programmering van de extensivering melkveehouderij. Instrumenten kunnen na goedkeuring door de Europese Commissie in de programmering voor 2004 en later worden opgenomen.

05 Bevorderen duurzame productie

Algemene beleidsdoelstelling

Algemene doelstelling is de bevordering van duurzame productie door sectoren in land-, tuinbouw en visserij. Voor de laatstgenoemde sector betekent dit specifiek het bevorderen van een visserij die rekening houdt met de draagkracht van het ecosysteem in het water.

De productiesectoren staan de komende jaren voor een forse opgave om te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van product en productiewijze. Deze verwachtingen – bijvoorbeeld ten aanzien van voedselveiligheid, dierenwelzijn, natuur en milieu – ontwikkelen zich snel en vormen de «licence to produce» voor het bedrijfsleven waarbij de op Europees niveau afgesproken normen, in principe richtinggevend zijn. Het is primair aan het bedrijfsleven zelf om daarop in te spelen en «tekorten» tussen dat wat de samenleving verlangt en dat wat het bedrijfsleven biedt, weg te werken.

De overheid ondersteunt dit proces door enerzijds heldere randvoorwaarden te stellen en anderzijds ontwikkelingen in de richting van duurzame productie te stimuleren. Een voorbeeld van deze procesondersteuning is het maatschappelijk debat dat eind 2003 wordt gevoerd over de intensieve veehouderij in ons land.

Grafiek 6: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-6.gif

Operationele doelstellingen

05.11 Bevorderen biologische landbouw

De doelstelling van de Beleidsnota biologische landbouw 2001–2004 is de ontwikkeling naar een op eigen kracht internationaal concurrerende duurzame sector, die midden in de samenleving staat en toonaangevend is in Europa. Een vraaggerichte benadering staat daarbij voorop. De belangrijkste beleidsspeerpunten betreffen professionalisering van vraaggerichte ketens, transparante en sluitende ketens, kennisontwikkeling en -verspreiding en stimulering van de biologische primaire productie.

Streefwaarden

De geformuleerde kwalitatieve doelstelling uit de beleidsnota kan worden vertaald in een kwantitatief richtinggevende streefwaarde van 10% biologisch areaal in 2010. Ook het huidige kabinet houdt vast aan deze streefwaarde. De groei van de biologische landbouw komt tot uiting in het aantal hectare. Ook de groei van het aantal bedrijven werd als indicatie gebruikt. Aangezien de gemiddelde omvang in hectare van de biologische bedrijven toeneemt, is het niet langer mogelijk om de groei in hectares te relateren aan de groei in aantal bedrijven. Daarom is deze doelstelling – naast de groei gemeten in hectares – voortaan ook gerelateerd aan het aandeel biologische producten in de consumentenbestedingen aan voedselproducten. De samenwerkende ketenpartijen binnen de Task Force hebben in een convenant de ambitie neergelegd dat 5% van de consumentenbestedingen voor levensmiddelen in 2004 wordt bestemd voor biologische producten. Het gerealiseerde aandeel over het totaal in 2002 is 1,6%, met daarbij de volgende onderverdeling AGF 3,6, zuivel 1,9, brood 1,9, vlees 1,7 en overig food 0,9.

OmschrijvingCumulatief 2002Groei 2002Begroting 2003Streefwaarde 2004
Groei in ha42 60914 8838 000–11 00010 000–12000
Groei in aantal bedrijven1 56050320–400
% biologische landbouw    
(ha) op totale areaal    
landbouw2,2% 2,7% – 3%3% – 3,5%
Aandeel biologisch in consumentenbestedingen  5%

Bron: LEI i.s.m. Stichting Skal

1 getallen betreffen biologische landbouw inclusief «IN omschakeling»

Beleidsinstrumenten

Voor de inzet van beleidsinstrumenten is de Beleidsnota biologische landbouw het uitgangspunt. Op basis van de tussentijdse (deel)evaluatie van de nota is begin 2003 besloten dat de RSBP in 2004 nog eenmaal wordt opengesteld.

Het ministerie van LNV zet in 2004 de volgende beleidsinstrumenten in:

* Professionaliseren van de ketens: LNV zal de ketenpartijen verder stimuleren om met concrete projecten en plannen te komen ter opschaling van de biologische keten en de goedgekeurde projecten (o.a. package deal regeling) conform de doelstellingen uit te voeren;

* Beschikbaar stellen van financiële middelen voor mediacampagne;

* Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV);

* Kennisontwikkeling en -verspreiding: de ingezette beleidslijn ten aanzien van onderzoek t.b.v. de biologische landbouw bij de WUR en andere instituten wordt voortgezet;

* Openstelling Regeling Stimulering Biologische Productiemethoden (RSBP);

* Mogelijkheid gebruikmaking fiscale instrumenten;

* Kaderregeling kennis en advies;

* Subsidie Biologica

* Faciliteiten Borgstellingsfonds voor de Landbouw.

De huidige instrumenten-mix wordt tegen het licht gehouden met behulp van de evaluatie die in 2004 gepland staat. Aan de hand daarvan zal bekeken worden of aanpassing dan wel herijking van de instrumenten noodzakelijk is.

Doelgroepen

Het beleid met betrekking tot de biologische landbouw richt zich op alle actoren die een bijdrage kunnen leveren aan de groei en de professionalisering van de keten, te weten: primaire sector (zowel gangbare als biologische producenten), de relevante partijen in de keten en de consument.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
PublieksvoorlichtingTV-spots/prints 726
BiologicaBeleidsondersteuning 460
Professionalisering van de ketenprojecten/processen 2 217
IBV*29912 635
RSBP*  2 620
Kwaliteitszorg*  64
Kaderregeling  75

* Deze posten betreffen de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen in voorgaande jaren.

05.12 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen

Transitie naar een duurzame productie zal de komende jaren in het teken staan van het op gang brengen van veranderingsprocessen bij ondernemers en ketens, bij burgers en consumenten. In 2003 zal het maatschappelijk debat over de intensieve veehouderij worden georganiseerd, wat samenhangt met de opdracht voor LNV in het NMP4 om met andere betrokken partijen tot lange termijn-oplossingen te komen. Dat vergt nieuwe vormen van verantwoordelijkheids(ver)deling en de inzet van verschillende maatschappelijke actoren waaronder de overheid wat betreft regels en instrumenten. Aansluitend op het maatschappelijk debat, zal concrete invulling worden gegeven aan de richting en beleidsinstrumenten die bijdragen aan de transitie naar een duurzame landbouw.

Andere specifieke aandachtsvelden bij een marktgerichte en duurzame landbouw zijn:

– de positie van starters c.q. vestiging van jonge agrariërs;

– de sociaal-economische begeleiding van overnemers van perspectiefvolle bedrijven.

Doelstelling hierbij is dat jongeren zich optimaal voorbereiden op het starten van een bedrijf dan wel een bedrijfsovername, en een bewuste keuze maken.

Daarnaast moet bij een duurzame productie het gebruik van mineralen in de land- en tuinbouw op bedrijfsniveau plaatsvinden binnen de milieurandvoorwaarden. Het mest- en mineralengebruik (stikstof en fosfaat) dient te worden beperkt tot een hoeveelheid waarbij de milieunormen voor het grond- en oppervlaktewater niet worden overschreden, hetgeen betekent dat de verliesnormen op bedrijfsniveau niet mogen worden overschreden. Daarnaast is het uitgangspunt om landelijk een evenwicht op de mestmarkt te bereiken en het landelijke mestoverschot tot een verantwoord niveau te reduceren.

Met de beleidsmaatregelen die het kabinet op 4 oktober 2002 heeft voorgesteld en die in juni 2003 in de vorm van een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer zijn gezonden, is het verwachte mestoverschot teruggebracht naar 0 mln kg fosfaat. Ook in 2004 is geen mestoverschot te verwachten. Weliswaar zal de aanscherping van de stikstofverliesnormen voor de droge gronden – volgens het ingediende wetsvoorstel – leiden tot een lichte toename van het mestoverschot, maar daar tegenover staat een afname als gevolg van de autonome afname van de melkveestapel. De beleidsaanpassingen die mogelijk worden doorgevoerd op grond van een akkoord met de Europese Commissie over de derogatie of op grond van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de inbreukprocedure Nitraatrichtlijn, zullen niet eerder dan in 2006 hun beslag krijgen. Daarnaast streeft LNV naar een 40% vermindering van het benodigde budget voor de uitvoering van het mestbeleid in 2006.

De beleidsmatige inspanning met betrekking tot de transitie naar een duurzame landbouw is niet alleen aan deze operationele doelstelling verbonden. Projectmatige en thematische inspanningen worden in diverse onderdelen van de hoofdstukken 4 en 5 beschreven.

Streefwaarden

Ten aanzien van de veranderingsprocessen is het uiteindelijke streven naar een duurzaam en maatschappelijk geaccepteerd landbouwcomplex in 2030. De op verduurzaming gerichte concrete projecten en maatregelen van de overheid staan in de diverse beleidsartikelen weergegeven. Meer op het totale proces en de randvoorwaarden gerichte inspanningen tot en met 2006 zijn:

• De transitie-ontwikkeling en de inspanningen van de diverse maatschappelijke actoren waaronder ook de overheid, zijn zichtbaar geworden door een adequate brede monitoring en door thematische verkenningen en -berichten.

• Het LNV-instrumentarium ten behoeve van innovatie en kennisverspreiding vormt een helder en samenhangend pakket; alle ondernemers zijn bekend met de mogelijkheden voor kennisbenutting, bedrijfsontwikkeling, advies en ondersteuning.

• De transitie-belemmerende of conflicterende onderdelen in de LNV-regelgeving en voorzieningen zijn in beeld gebracht en er zijn gerichte acties tbv uitzonderingen, integratie, vereenvoudiging of afschaffing gestart.

Op milieugebied:

Omschrijving2004
MINAS: percentage bedrijven zonder overschrijding van de verliesnormen100%
MAO: percentage bedrijven zonder overschrijding jaarplafond100%

De realisatie van deze streefwaarden wordt nagegaan aan de hand van gegevens van Bureau Heffingen en de AID. De resultaten over de MINAS-aangiften komen beschikbaar twee jaar na het begrotingsjaar, m.a.w. in 2006. Dit is het gevolg van de aangifte-systematiek, waarbij vóór 1 september van het jaar volgende op het aangiftejaar aangifte moet worden gedaan. De resultaten hiervan komen vervolgens het daaropvolgende jaar beschikbaar. De resultaten voor wat betreft MAO over 2004 zijn rond 1 april 2005 beschikbaar.

Beleidsinstrumenten

In 2004 zullen de volgende instrumenten worden ingezet:

Regeling facilitering ondernemersgroepen

Een regeling om uiteenlopende groepen ondernemers op vraagbasis te faciliteren met advies en procesondersteuning bij vernieuwende, toekomstgerichte bedrijfsontwikkeling.

Regeling versterking maatschappelijk draagvlak duurzame landbouw.

Een subsidieregeling op tenderbasis voor projecten van maatschappelijke organisaties inzake het bevorderen van duurzaam consumeren en het verkleinen van de kloof tussen producenten en consumenten.

Voorbereiding bedrijfsovername

De middelen die hiervoor zijn gereserveerd zullen worden besteed door middel van openstelling van de kaderregeling Kennis en Advies.

Overname perspectiefvol bedrijf

In dit kader speelt het Borgstellingsfonds voor de landbouw al vele jaren een rol bij de bedrijfsovername.

Doelstelling is daarbij dat jongeren die een perspectiefvol bedrijf willen stichten of overnemen doch onvoldoende garanties kunnen bieden voor financiering het bedrijf toch kunnen overnemen. Het Fonds staat dan borg bij de bank. Voor starters zijn hiervoor enkele versoepelingen in ontwikkeling bij het fonds.

Dierrechten en mestafzetovereenkomsten (MAO)

Het stelsel van mestafzetovereenkomsten heeft tot doel de mestproductie te limiteren tot de beschikbare mestplaatsingsruimte. Deze contracten moeten voor 1 januari van het betreffende kalenderjaar worden afgesloten. Dit stelsel zorgt ervoor dat niet meer mest wordt geproduceerd dan kan worden afgezet. Op 1 april van het betreffende kalenderjaar is zowel van het vorige kalenderjaar als van het lopende kalenderjaar de stand van zaken met betrekking tot de mestafzetovereenkomsten en het bijbehorende traject van erkenning van tussenpersonen, mestverwerkers en exporteurs bekend. Het stelsel van dierrechten (varkens en pluimvee) en mestproductierechten (onder andere rundvee) blijft in 2004 nog bestaan. In verband met het derogatieoverleg en de uitspraak in de Hofprocedure is thans een wetsvoorstel in voorbereiding om het rechtenstelsel tot uiterlijk 1-1-2007 in stand te houden.

Mineralenheffing

MINAS reguleert via een heffing de mineralenstromen op bedrijfsniveau. Hierbij wordt achteraf vastgesteld of sprake is van evenwicht op bedrijfsniveau. Het afgelopen jaar heeft onderzoek plaatsgevonden naar het zogenoemde MINAS-gat (onverklaarbare heffingen bij grondloze bedrijven). Het resultaat van het onderzoek heeft geleid tot het verlengen van de verrekeningtermijn van betaalde heffingen van 3 tot 6 jaar. In juni 2003 heeft het kabinet bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend gericht op het faseren van de aanscherping van de stikstof- en fosfaatverliesnormen.

Handhaving en controle

In de evaluatie van de Meststoffenwet 2002 is vastgesteld dat een prohibitieve heffing voor een goede werking van het MINAS-stelsel niet gemist kan worden. Ook de handhaving van het op 1 januari 2002 in werking getreden stelsel van mestafzetovereenkomsten, middels een last onder dwangsom, lijkt goede mogelijkheden te bieden. De huidige controle-instrumenten tezamen maken een effectieve en efficiënte handhaving mogelijk; uit belevingsonderzoek blijkt dat de combinatie van preventief en repressief handhavingsbeleid goed werkt. Daarom wordt de huidige handhavingscapaciteit gehandhaafd.

RBV

De Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) biedt veehouders de mogelijkheid op vrijwillige basis hun bedrijf tegen marktprijzen aan de overheid te verkopen. Op grond van deze regeling haalt de overheid fosfaatoverschot uit de markt door veehouders die hun varkens-, kippen- of rundvleestak beëindigen subsidie te verlenen op het doorhalen van dier- of mestproductierechten. In totaal is voor het opkoopdeel van de RBV € 303,2 mln. beschikbaar gesteld. In 2004 zal het restant van de tweede tranche RBV worden uitbetaald. Het zal hierbij gaan om uitbetaling van rechten die reeds in voorafgaande jaren uit de markt zijn gehaald. Dit zal derhalve geen invloed meer hebben op de mestproductie in 2004.

Doelgroepen

Alle maatschappelijke actoren van producent tot consument die een verantwoordelijkheid hebben voor het dichterbij brengen van een duurzaam landbouwcomplex, waaronder milieuorganisaties en waterbeheerders.

Innovatieve agrarische ondernemers, met name in de intensieve veehouderij en jonge bedrijfsopvolgers.

Voor het mestbeleid betreft het in principe alle veehouderijen en akkerbouwbedrijven, intermediairs (met name mestvervoerders), mestverwerkende bedrijven en mestexporteurs.

Prestatiegegevens

Voorbereiding bedrijfsovername

Het streven is er op gericht dat 500 jongeren worden gestimuleerd een ondernemingsplan te ontwikkelen.

Overname perspectiefvol bedrijf

Het beleid is er op gericht dat in 2004 ongeveer 60 jongeren een bedrijf kunnen overnemen met de faciliteit van het Borgstellingfonds.

InstrumentAantal per prestatieGemiddeld per prestatieTotale uitgaven in 2004
Kaderregeling*500280140 000
Borgstellingsfonds6023 0001 400 000

* Dit betreft uitfinanciering van de openstelling 2003.

Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (cumulatief t/m 2004)
 Aantal kg. fosfaat forfaitair*) (x 1 mln.)Prijs per kg. fosfaat forfaitair (x € 1)Uitgaven (x € 1 mln.)
RBV – 17,916,61131,2
RBV – 211,714,75172
totaal19,631,36303,2

* Om een vergelijking met de reductiedoelstelling te kunnen maken dient de forfaitaire fosfaatproductie die als basis is gehanteerd voor de berekening van de subsidie, te worden omgerekend naar de overeenkomstige fosfaatproductie op basis van de verwachte excretienormen die zijn gebruikt in het kader van de overschotberekening. Ter vergelijking: de in de tweede tranche RBV verplichte 11,7 mln. kg fosfaat (forfaitair) komt overeen met een bijdrage in de reductie van het mestoverschot van 7,8 mln. kg fosfaat.

Voor de tweede tranche van de RBV is in 2002 in totaal voor € 138,6 mln. verplicht. De overige verplichtingen (€ 33,4 mln.) zullen in 2003 plaatsvinden. In 2002 is hiervan reeds € 14,4 mln. uitbetaald. De resterende uitgaven zullen in 2003 plaatsvinden. Met dit bedrag wordt in totaal 11,7 mln. forfaitaire kilogram fosfaat opgekocht. Met beide openstellingen van de RBV wordt in totaal 19,6 mln. forfaitaire kilogram fosfaat uit de markt gehaald. Omgerekend betekent dit een bijdrage in de reductie van het mestoverschot van 13,1 mln. kilogram fosfaat (norm 2003).

05.13 Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk

Het gewasbeschermingsbeleid verkeert in een overgangsfase. Begin 2003 hebben de overheid en enkele relevante maatschappelijke organisaties een «Afsprakenkader Gewasbeschermingsbeleid» ondertekend. Essentie daarvan is dat partijen elk hun verantwoordelijkheid nemen en gezamenlijk werken aan een duurzame geïntegreerde gewasbescherming. Vertrekpunt van het nieuwe beleid is dat de milieu- en arbodoelstellingen uit de nota Zicht op Gezonde teelt gehandhaafd blijven. Deze doelstellingen vragen nog wel om een verdere operationalisering. Deze operationalisering is in voorbereiding en zal uitmonden in een nieuwe nota van het kabinet over het gewasbeschermingsbeleid. Het nieuwe beleid zal deels worden uitgevoerd met instrumenten die al waren ontwikkeld.

Ook in de toekomst zal de landbouw in Nederland behoefte hebben aan gewasbeschermingsmiddelen. Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven inzake de voorziening in die middelen, zullen betrokken departementen zich inspannen om, binnen te stellen randvoorwaarden voor de noodzakelijke bescherming van mens en milieu, zo gunstig mogelijke voorwaarden te creëren voor het beschikbaar komen van een effectief middelenpakket. Het gewasbeschermingsbeleid is gericht op een duurzame landbouw. De landbouw van de toekomst vraagt een anders georiënteerde productiewijze. Kernbegrippen daarbij zijn betrouwbaar voedsel, lage milieubelasting en minimale afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen. Telers zullen zichtbaar moeten maken hoe ze werken. Het gewasbeschermingsbeleid is er mede op gericht dit transitieproces te faciliteren.

Teneinde een duurzamer gewasbeschermingspraktijk te bereiken zijn de volgende subdoelen geformuleerd.

1. Geïntegreerde gewasbescherming op gecertificeerde bedrijven

2. Lagere milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen.

Daarnaast is ook het internationaal sterk veranderend fytosanitair beleidsveld een belangrijk aspect. Gestreefd wordt naar een proactieve aanpak en efficiënte uitvoering van keuringen. Dit zal in nauw overleg met het bedrijfsleven plaatsvinden, waarbij van het bedrijfsleven – vanuit de verantwoordelijkheid en het belang dat het bedrijfsleven heeft – een actieve inbreng wordt gevraagd.

Streefwaarden

– In 2010 zijn alle bedrijven gecertificeerd; in 2005 90%.

– Met betrekking tot de milieubelasting – welke wordt gemeten met de nationale milieu-indicator – geldt als streefwaarde voor 2010 een reductie van ten minste 95% t.o.v. een voor 1998 vastgesteld ijkpunt; voor 2005 een reductie van 75%.

Beleidsinstrumenten

Aanpassing kennisbeleid

Dit instrument betreft het verder aanpassen van het kennisbeleid. Het huidig instrumentarium voor kennis en kennisdoorstroming (voorlichting) wordt voor wat betreft geïntegreerde gewasbescherming afgestemd op sectorplannen zoals overeengekomen in het afsprakenkader gewasbescherming d.d. 10 maart 2003.

Toelatingsbeleid Kleine Toepassingen en GNO's

Het fonds Kleine Toepassingen ondersteunt de toelatingsaanvraag voor bestrijdingsmiddelen die gebruikt worden in kleine teelten. Daarnaast is er in een subsidieregeling voorzien voor ondersteuning van de toelatingsaanvraag voor gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong (GNO's)

Diversen Zicht Op Gezonde Teelt (ZOGT)

Bevorderen geïntegreerde gewasbescherming: een terughoudend gebruik en beperkte emissie zal worden bevorderd door de toepassing van planmatige geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren. Uitgebreider en effectievere handhaving: Het aantal controles en de effectiviteit daarvan zal worden opgevoerd. Beoordeling middelen op basis Annex I-stoffen: de Gewasbeschermingsrichtlijn verplicht EU-lidstaten tot herbeoordeling van middelen indien daarin stoffen voorkomen die de Europese Commissie heeft geplaatst op Annex I van de richtlijn.

Bijdrage aan KCB en CTB

Dit betreft de LNV-bijdrage voor de controlewerkzaamheden die het Kwaliteits-Controle Bureau Groenten en Fruit (KCB) uitvoert, alsmede de afgifte van certificaten in verband met export naar derde landen (niet EU-landen) voor wat betreft de re-export van gemengde zendingen. Deze zendingen hebben betrekking op in Nederland geproduceerde groenten en fruit alsmede elders geproduceerde groenten en fruit. Daarnaast betreft dit het aandeel van LNV in de kosten van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) bij (EU-) beoordelingswerkzaamheden, beleidsadvisering, kosten van bezwaar en beroep en informatieverstrekking.

Doelgroepen

Doelgroepen voor het beleid zijn gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. Dat zijn vooral agrarische ondernemers, loonwerkers, hoveniers, beheerders van openbaar groen, beheerders van bedrijfsterreinen en niet-professionele gebruikers, zoals hobbytuinders.

Prestatiegegevens

InstrumentPrestatiesGemiddelde kosten per prestatieTotale uitgaven (x € 1 000)
Kennisontwikkeling  1 815
Fonds kleine toepassingen20129 714908
Toelatingsbeleid Subsidieregeling745 400908
Gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong (GNO's)  771
Overige w.o. handhaving en div. projecten  802
Bijdrage aan KCB en CTB  395

05.14 Verbetering dierenwelzijn

Het kabinetsstandpunt van maart 2002 vormt op hoofdlijnen het uitgangspunt voor het te voeren dierenwelzijnsbeleid. Om het dierenwelzijn te verbeteren wordt er gestreefd naar een veehouderij waarbij de dieren hun natuurlijk gedrag kunnen vertonen. Over 10 tot 20 jaar moet dit binnen bereik zijn. De overheid kan dit nadrukkelijk niet alleen. Andere partijen zoals de veehouders, retail, ketenpartijen en de consument zijn hierbij van cruciaal belang. Transparantie van product en productiewijze zijn hierbij belangrijk.

Het hoofdlijnenakkoord geeft aan dat een hoog dierenwelzijn dient te worden nagestreefd, waarbij een eventueel wettelijke basis in Europees verband tot stand dient te komen.

Het beleid voor dierenwelzijn is mede afhankelijk van de uitkomsten van het maatschappelijk debat over de intensieve veehouderij dat eind 2003 zal plaatsvinden.

Streefwaarden

Op de langere termijn wordt gestreefd naar de mogelijkheid tot natuurlijk gedrag bij dieren. Voor de korte termijn gaat het om de volgende streefwaarden:

• een verhoging van het niveau van dierenwelzijn in de op handen zijnde (en te wijzigen) Europese richtlijnen;

• de ontwikkeling van een welzijnsindex;

• alle Nederlandse dierentuinen zijn in het bezit van een vergunning conform de Europese richtlijn Dierentuinen.

Beleidsinstrumenten

Instrumenten die vanuit overheidswege worden ingezet:

* Nationale regelgeving op basis van EU-richtlijnen (o.a. GWWD).

• onderzoek uitvoeren en beschikbaar stellen;

• onderzoek uitvoeren met kopgroepen (andere Europese landen);

• bevorderen van transparantie in de keten (o.a. de welzijnsindex);

• visitaties dierentuinen;

• uitvoering van het Honden- en Kattenbesluit.

Doelgroepen

Partijen uit de keten waaronder: veehouders, retail en consumenten.

05.15 Ecologisch duurzame visserij

Het visserijbeleid is gericht op duurzaamheid. Doelen daarbij zijn:

* Een verantwoorde visserij die is gebaseerd op de voorzorgsbenadering en die de gevolgen voor het ecosysteem beperkt en daar verantwoordelijkheid voor neemt;

* Integraal visstandbeheer op de (Staats)binnenwateren.

* Welzijnsvriendelijke productiewijze in de viskweek.

Streefwaarden

a. Verantwoorde visserij

Een verantwoorde visserij tracht eventuele schade aan het milieu tot een minimum te beperken en de vangsten blijvend op een optimaal niveau te houden.

• De Nederlandse zeevisserij vist in Europese wateren binnen de quota, die jaarlijks in EU-kader worden vastgesteld. Maatgevend daarbij zijn de door de International Council for the Exploration of the Seas (ICES) vastgestelde voorzorgsniveaus.

• Om het mariene ecosysteem te ontlasten wordt de ontwikkeling van meer selectieve visserijtechnieken gestimuleerd. Het gaat daarbij met name om het verder ontwikkelen van de zogenaamde elektropulskor, die in 2004 op praktijkschaal zal worden getest. Parallel aan de technische ontwikkeling zal Nederland in zich EU-verband inspannen voor een noodzakelijke aanpassing van de regelgeving om beroepsmatig vissen met de elektropulskor mogelijk te maken.

• Bestanden buiten de Europese wateren, die de Nederlandse zeevisserijvloot tot en met 2004 op grond van Europese visserijakkoorden mag bevissen, worden eveneens duurzaam beheerd. In 2001 hebben de EU en Mauritanië een visserijovereenkomst gesloten, waarin ook voor de Nederlandse vloot vangstmogelijkheden zijn ondergebracht. Onderzoek gericht op bevordering van de duurzaamheid begeleiden deze visserijactiviteiten. Dit onderzoek richt zich met name op de voorkoming van visserij op ondermaatse vis en op de voorkoming van ongewenste bijvangsten van zeezoogdieren.

• Eind 2003 zal na een uitgebreid evaluatieonderzoek en een maatschappelijke consultatie nieuw beleid voor de schelpdiervisserij zijn ontwikkeld, dat in 2004 in uitvoering wordt genomen.

• Er zal nieuw beleid ontwikkeld worden ten aanzien van de sleepnetvisserij in de kustwateren, gericht op een meer duurzame en beheerste visserij. In 2004 dient het nieuwe beleid voor deze visserij te zijn afgerond en geïmplementeerd.

• Innovatie wordt een belangrijk aandachtspunt voor de schelpdiercultuur en de viskweek en gaat deel uitmaken van het bestaande c.q. nieuw te ontwikkelen visserijbeleid. Kader voor dit innovatiebeleid is een op te richten platform waarbinnen de samenwerking tussen kennisinstellingen, bedrijfsleven en overheid wordt vormgegeven. De uitwerking van het innovatiebeleid vindt ook plaats door nationale ondersteuning van specifieke innovatieprojecten. Deze ondersteuning geldt als co-financiering om ook gebruik te kunnen maken van de FIOV gelden.

• In 2004 zal een beleidsplan voor de visserij op het IJsselmeer verschijnen, dat er toe moet leiden dat ten behoeve van een duurzame visserij meer verantwoordelijkheden bij het visserijbedrijfsleven worden neergelegd. Het convenant tussen Producentenorganisatie IJsselmeer en Vogelbescherming Nederland wordt ondersteund. In dat convenant is afgesproken dat vogelsterfte als gevolg van de visserij wordt gereduceerd tot maximaal 2000 vogels in 2004.

b. Integraal visstandbeheer op de (Staats)binnenwateren.

• Het streven is er op gericht om in 2004 het landelijk dekkend netwerk van visstandbeheercommissies (VBC's) actief te hebben. Binnen de door de VBC's op te stellen beheersplannen wordt gestreefd naar benutting op basis van een duurzame visstand en visserij. In vrijwel alle wateren zijn inmiddels VBC's opgericht of in het eindstadium van de voorbereiding daartoe.

• De teruglopende hoeveelheid aal in de Nederlandse binnenwateren blijft een knelpunt in de beroepsbinnenvisserij. Daarom zal worden gewerkt aan maatregelen ten behoeve van duurzaam herstel van de aalstand. De EU heeft een richtlijn vastgesteld waarvan de uitvoering per lidstaat moet worden geïmplementeerd. Nationaal zal worden gewerkt aan beheers- en inrichtingsmaatregelen die de migratie van (schier)aal bevorderen. Daarnaast dient via een monitoringsprogramma van vijf jaar inzicht te ontstaan in de omvang van het schieraalbestand, zodat migratiebevorderende maatregelen hierop kunnen worden afgestemd.

c. Viskweek

• De Nederlandse viskweeksector is een jonge, zich snel ontwikkelende bedrijfstak, die is gebaseerd op hoogwaardige kennis over de toepassing en het management van recirculatietechnieken. De verdere ontwikkeling en groei van de viskweek in Nederland, vooral via vraaggestuurde productieketens zal worden gestimuleerd. LNV stelt hierbij de randvoorwaarden. Het accent zal hierbij liggen op welzijnsvriendelijke productie- en dodingsmethoden.

Beleidsinstrumenten

Verantwoorde visserij:

* Bestandsonderzoek. Monitoring van visbestanden levert indicatoren voor het behoud en herstel van visbestanden.

* Vaststelling, in december van elk kalenderjaar, van maximale vangsthoeveelheden vis (TACs en quota) door de Europese Raad van Visserijministers.

* Bijstandsprogramma's in het kader van de Europese Structuurfondsen (FIOV)

* Het beheer van de individuele vangsthoeveelheden door groepen vissers (co-management).

* Afgifte van publieke en privaatrechtelijke vergunningen.

* Voor de naleving van nationale en Europese regels worden controles op zee, bij aanlanding en in de keten uitgevoerd. De controles op zee vinden plaats in kustwachtverband. Daarnaast zal op schepen langer dan 18 meter de installatie van satellietvolgsystemen worden verplicht en zal een pilot met een elektronisch logboek worden uitgevoerd.

* Om ervaring op te doen met andere beheersinstrumenten dan het huidige dat stuurt op toegestane vangsthoeveelheden, zal in de vorm van een pilot project het sturingsinstrument visserij-inspanning getoetst worden. Dit project zal na overleg met de visserijsector worden uitgevoerd met bedrijfsvaartuigen en praktisch inzicht moeten geven in de voor- en nadelen van het instrument.

* Waar mogelijk zal onderzoek worden geëntameerd naar visserijtechnieken, met bijdrage van de Europese Unie, die selectiviteit bevorderen, het (benthische) ecosysteem ontlasten dan wel de duurzaamheid op andere wijze bevorderen.

* De jaarlijkse inventarisatie van de schelpdierbestanden in de kustwateren vormt een basis voor de uitvoering van een verantwoorde en beheerste schelpdiervisserij.

* In 2004 is een nieuw beleidsbesluit schelpdiervisserij in de kustwateren beschikbaar. Dit is thans in ontwikkeling. De exacte instrumenten die worden ingezet om in de toekomst te komen tot een duurzame schelpdiervisserij zijn afhankelijk van de resultaten van het huidige proces.

Integraal visstandbeheer (Staats)binnenwateren:

* De benutting van schubvis in de binnenwateren zal plaatsvinden op basis van het benuttingsinstrument.

* Er bestaat op hoofdlijnen overeenstemming tussen de betrokken partijen over de wijze waarop de omvorming van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij kan plaatsvinden. Een nieuw voorgenomen besluit tot omvorming zal de Kamer in het najaar van 2003 bereiken. Het voorgenomen besluit voorziet onder meer in het samengaan van de OVB en de Nederlandse Vereniging van Sportvissersfederaties (NVVS). De beroepsbinnenvisserij blijft voor de belangenbehartiging aangesloten bij het Productschap Vis.

* Illegale visserij op de binnenwateren zal worden bestreden door middel van gerichte acties in Friesland, Randmeren en Benedenrivieren door AID, KLPD en de regiopolitie.

* Monitoring van het effect van beperkende visserijmaatregelen op de bijvangst van watervogels, en verdere uitwerking van alternatieve visserij methoden op het IJsselmeer.

Viskweek:

* Uitbreiding van de «lijst voor productie te houden diersoorten» met een aantal vissoorten.

* Plaatsing van een aantal noodzakelijke diergeneesmiddelen op de vrijstellingslijst.

Doelgroepen

Visserijbedrijfsleven en zijn organisaties, sportvisserij en hun organisaties, VBC's (Visstandbeheercommissies) en niet-gouvernementele organisaties.

Prestatiegegevens

BeleidsinstrumentOnderdelenPrestatieUitgaven (x € 1 mln.)
SamenwerkingsovereenkomstOnderzoeken visserij niet-Europese wateren in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met MauritaniëBestandsinzichten; selectievere vistechnieken2,8
Verbetering BinnenvisserijMonitoringsprogramma  
 aalBestandsinzichten1,0
 Monitoringsprogramma IJsselmeer  
 Bestrijding illegale visserij binnenwateren  
InnovatieInnovatieprojecten pelagische visserijVermindering milieubelasting3,8
 Kustvisserij en viskweek 1,2
    
Technische maatregelen en Onderzoek (FIOV)Selectieve vistechniekenpraktijkproefpulskor3,7
 «F-project»verbetering bestandsbeoordeling1
Diverse  1,9

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
05 Bevorderen duurzame productie2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN266 206140 129117 889116 142113 725113 408101 660
UITGAVEN151 326318 541121 837110 338106 576106 25994 511
Programma-uitgaven55 695227 44240 14735 93434 63835 03423 286
U0511 Bevorderen biologische landbouw8 25912 2918 79710 36412 06012 1274 627
– Stimulering van de biologische primaire productie 5 1662 6202 5344 5104 6274 627
– Professionalisering van de ketens 2 9702 217    
– Platform biologica 460460    
– Publieksvoorlichting 653726    
– Investeringsregeling Biologische Varkens (IBV) 2 3422 63533050  
– Kwaliteitszorg 45764    
– Overig 24375    
– Intensivering   7 5007 5007 500 
U0512 Vermindering milieubelasting door gebruik van dierlijke mest en mineralen binnen milieunormen40 456193 1567 2946 9506 0666 1066 106
– Duurzame landbouw/kennisont- wikkeling en -verspreiding 15 0751 3123 1894 2584 4074 407
– RBV-2 165 475     
– Overig 12 6065 9823 7611 8081 6991 699
U0513 Een duurzamer gewasbeschermingspraktijk4 5485 9917 5997 1816 1356 3894 389
– Aanpassing kennisbeleid/monitoring evaluatie 1 6331 8151 497   
– Kleine toepassingen en GNO's 2 3282 5872 587   
– Diversen ZOGT 1 5888021 7023 6263 8563 856
– Bijdrage aan KCB en CTB 442395395509533533
– Intensivering  2 0001 0002 0002 000 
U0514 Verbetering dierenwelzijn1 9856 0911 088842842842842
– Vogelpest (noodfonds en sociaal) 5 000     
– LID 182182182182182182
– IBG 800408408408408408
– Overig 109498252252252252
U0515 Ecologisch duurzame visserij4479 91315 36910 5979 5359 5707 322
– Samenwerkingsovereenkomst 2 8562 818    
– Verbetering van de binnenvisserij 9529586 5586 5396 5396 539
– Technische maatregelen en onderzoek 6 10511 5934 0392 9963 031783
        
Apparaatsuitgaven95 63191 09981 69074 40471 93871 22571 225
U0521 Apparaat36 49832 74233 58132 13831 13630 42830 428
U0522 Baten-lastendiensten59 13358 35748 10942 26640 80240 79740 797
– Waarvan invensivering    1 0651 065 
ONTVANGSTEN47 677196 27524 71532 44130 20624 92024 072

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DL39,060,02 328
Personeel Visserij107,953,25 744
Personeel AID  17 208
Materieel  7 029
Overig apparaat*  1 272
Bijdrage aan Bureau Heffingen  33 103
Bijdrage aan de Plantenziektenkundige Dienst  12 024
Bijdrage aan LASER  2 982
Totaal apparaatsuitgaven  81 690

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De uitgaven voor het apparaat hebben betrekking op de Algemene Inspectiedienst en de beleidsdirecties Landbouw en Visserij. De uitgaven voor de baten-lastendiensten hebben betrekking op Bureau Heffingen, de Plantenziektenkundige Dienst en LASER.

Ontvangsten 2004 (x € 1 000)
Totaal24 715
Mineralenheffing7 261
Duurzame Visserij7 091
Overige (w.o. EU-ontvangsten)10 363

De ontvangsten betreffen Minas-heffing, diverse EU-ontvangsten voor o.a. biologische landbouw en EU-demoregeling. Daarnaast worden ontvangsten geraamd uit hoofde van brandstofcompensatie, vergunningverlening, visakten en verhuur van percelen en visrechten.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 121 837 110 338 106 576 106 259 94 511
2. Waarvan apparaatsuitgaven 81 690 74 404 71 938 71 225 71 225
3. Dus programma-uitgaven 40 147 35 934 34 638 35 034 23 286
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht31%12 53627%9 77220%7 06716%5 45519%4 457
5. complementair noodzakelijk37%14 49627%9 62925%8 58125%8 64828%6 400
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)15%6 1569%3 24812%4 16715%5 27924%5 595
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)15%6 08634%12 31740%13 86942%14 73025%5 912
8. beleidsmatig nog niet ingevuld2%8733%9683%9543%9224%922
9. Totaal (=3)100%40 147100%35 934100%34 638100%35 034100%23 286

Veronderstellingen

De belangrijkste veronderstellingen voor de biologische sector zijn dat de biologische markt een (internationale) groeimarkt is, dat de consumenten bereid zijn een (beperkte) meerprijs te betalen en dat de biologische biologische landbouw een blijvend goed imago en een onderscheidend vermogen houdt. Voorts wordt verondersteld dat een gezamenlijke aanpak en samenwerking tussen de marktpartijen effectiever is dan een individuele aanpak en dat er mogelijkheden zijn om de efficiency in de ketens te verbeteren.

Voor een goede werking van het mineralenbeleid (implementatie nitraatrichtlijn) via MINAS is een globaal evenwicht op de nationale mestmarkt nodig. Verondersteld wordt dat met mestafzetovereenkomsten evenwicht op de mestmarkt wordt gerealiseerd. Zoals hierboven genoemd, is ervoor gekozen het rechtenstelsel, als extra zekerheid, tot uiterlijk 1-1-2007 in stand te houden. Het draagvlak van het huidige mestbeleid is echter nog steeds een probleem als gevolg van o.a. de administratieve lastendruk.

Met betrekking tot gewasbescherming wordt verondersteld dat:

* de markt op basis van overheidseisen certificatieschema's ontwikkelt en certificering stimuleert;

* het draagvlak voor certificering bij primaire producenten gehandhaafd blijft (inclusief bedrijfseconomische ontwikkeling van de sector);

* het bedrijfsleven de eigen verantwoordelijkheid neemt voor de beschikbaarheid van een effectief gewasbeschermingsmiddelenpakket (binnen de randvoorwaarden van de overheid);

* er geen extreme toename is van ziekten en plagen door reeds aanwezige of geïmporteerde organismen.

Met betrekking tot dierenwelzijn wordt verondersteld dat Europese richtlijnen worden ontwikkeld en waarbij ook andere partijen dan de overheid, zoals de veehouders, retail, ketenpartijen en consumenten, meewerken in het streven naar een veehouderij waarbij de dieren hun natuurlijk gedrag kunnen vertonen.

Gezien de afhankelijkheid van natuurlijke factoren zoals weersinvloeden, zal er steeds onzekerheid blijven bestaan over het realiseren van ecologische doelen.

Ter voorkoming van onderuitputting van Europese middelen die in het kader van het FIOV beschikbaar zijn, zullen ook andere overheden bereid gevonden moeten worden een deel van de Nederlandse cofinanciering voor hun rekening te nemen.

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
05.11Biologische Landbouw  X    
05.12Duurzame Landbouw   X   
05.12Meststoffenwet (inclusief RBV)X X    
05.12Programma Nitraat-projecten (Kennisontw en versp) X     
05.13Gewasbeschermingbeleid  X    
05.14Verbeteren dierenwelzijn    X  
05.15SleepnetvisserijX      
05.15Vaste vistuigenX      
05.15Beleidsbesluit Binnenvisserij X     
05.15Uitvoering EPD  X  X 
05.15Schelpdiervisserij in de kustwateren (EVA II) X     
05.15Structuurnota zee- en kustvisserijX      

05.11

Eind 2002 is een tussentijdse evaluatie uitgevoerd van de Beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004 voor het onderdeel «Professionalisering van de vraaggerichte ketens» en van de «Regeling Stimulering Biologische Productie» voor de periode 1997–2002.

Begin 2004 zal de gehele operationele doelstelling ex-post worden geëvalueerd. De resultaten van deze evaluatie zullen gebruikt worden voor de opzet van het beleid ten aanzien van biologische landbouw vanaf 2004.

05.12

De transitie naar duurzame landbouw zal eind 2004 tussentijds worden geëvalueerd. Daarbij komen met name ook de onderwerpen binnen deze operationele doelstelling aan de orde, de op proces en randvoorwaarden gerichte doelen en activiteiten inclusief de daarbij ingezette middelen en instrumenten.

In de Meststoffenwet is opgenomen dat iedere twee jaar de resultaten van het mestbeleid zullen worden geëvalueerd. De eerstvolgende evaluatie zal in 2004 plaatsvinden. De voorbereidingen hiervoor zijn voorjaar 2003 gestart. De resultaten van de evaluatie 2000–2002 zijn inmiddels in een voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet opgenomen.

05.13

De effecten van het gewasbeschermingsbeleid worden jaarlijks gemonitord en in 2004 geëvalueerd. Op basis van de met de Nationale Milieu-indicator berekende milieubelasting, zal het beleid, indien nodig, tussentijds worden bijgestuurd.

05.14

In 2006 zullen de doelstellingen ter verbetering van het dierenwelzijn worden geëvalueerd.

Verantwoordelijkheid LNV

Of en in welke mate de groei en professionalisering van de biologische landbouw daadwerkelijk zal plaatsvinden, is in hoge mate afhankelijk van de inzet van de betrokken partijen in de sector. De Minister jaagt aan, faciliteert en is direct verantwoordelijk voor het inzetten van instrumenten en middelen conform de voornemens in de Beleidsnota Biologische Landbouw 2001–2004.

De transitie duurzame landbouw wordt aangemerkt als een gezamenlijke verantwoordelijkheid: van bedrijven, maatschappelijke organisaties (inclusief de burgers en consumenten waarvoor zij staan), kennisinstellingen en de overheid. Binnen de overheid is de minister van LNV de eerstverantwoordelijke om de bijdrage van de overheid aan het transitieproces naar duurzame landbouw vorm en inhoud te geven. Die bijdrage concentreert zich met nadruk op het enerzijds stellen van de doelen en creëren van randvoorwaarden en het anderzijds bieden van voldoende «ruimte», informatie, structuren en stimulerende middelen voor de initiatieven en ontwikkelingen.

LNV is direct verantwoordelijk voor het oplossen van het mest- en mineralenoverschot. Daarvoor zijn instrumenten ontwikkeld die landelijk voor evenwicht op de mestmarkt moeten zorgen (mestafzetovereenkomsten en dierrechten) en op bedrijfsniveau voor evenwicht in de mineralenstromen (MINAS). Daarnaast hebben diverse opkoopregelingen (o.a. RBV), afroming en kortingen de mestproductie de afgelopen jaren sterk gereduceerd.

LNV (en deels ook de mede betrokken departementen) is direct verantwoordelijk voor de doelstellingen inzake de beoordeling van stoffen door het CTB, het tijdig gereed en functioneel zijn van de beoogde wet- en regelgeving, alsmede voor de voorgenomen inzet van capaciteit voor handhaving. LNV is tevens direct verantwoordelijk voor de aansturing van het benodigde onderzoek, de beschikbaarheid van geschikte instrumenten voor het meten van de milieubelasting en de totstandkoming van het vereiste kader voor de ontwikkeling van certificatieschema's door private partijen.

LNV is indirect verantwoordelijk voor onderzoek naar verbetering dierenwelzijn en de verspreiding van de uitkomsten daarvan. LNV is daarnaast verantwoordelijk voor een stevige inzet in de Europese Unie.

VBTB-paragraaf

De komende jaren zal gewerkt worden aan de nadere invulling van het beleid ten aanzien van duurzame landbouw. Hiertoe biedt het maatschappelijk debat Intensieve veehouderij aangrijpingspunten. Daarna kan, al dan niet met behulp van evaluatiegegevens op de betreffende beleidsvelden gewerkt worden aan verdere concretisering van beleidsinzet, verantwoordelijkheidsverdeling tussen diverse actoren, maatschappelijke effecten, streefwaarden en beleidsprestaties. Op het gebied van dierenwelzijn zal daarnaast de komende jaren de Europese regelgeving impact hebben en zullen relevante onderzoeksresultaten beschikbaar komen.

Concrete stappen die op het gebied van de mestwetgeving zullen worden gezet zijn:

– Volledigheid en kwaliteit van de operationele doelen: de betrouwbaarheid van de prestatie- en effectgegevens worden met name bepaald door de uitvoerende diensten Bureau Heffingen, AID en Laser. In de regelingsafspraken met deze diensten zal hieraan specifiek aandacht besteed moeten worden.

– Evaluatie van de meststoffenwet vindt eens per 2 jaar plaats. De laatste evaluatie heeft in 2002 plaatsgevonden, de eerstkomende zal in 2004 worden afgerond. Om de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid te kunnen toetsen zal in het kader van de evaluatie 2004 worden nagegaan of hiervoor een vaste set indicatoren kan worden ontwikkeld.

06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

Algemene beleidsdoelstelling

De lijn die in 2003 is ingezet is ook voor de begroting van 2004 uitgangspunt. Doelstelling blijft het bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consument, de stimulering van de voedselkwaliteit en verbetering van de diergezondheid.

LNV wil in het kader van deze doelstelling toewerken naar een situatie waarin de Nederlandse veestapel zich kenmerkt door een hoog diergezondheidsniveau en waarin het aangeboden voedsel voldoet aan de minimale veiligheidseisen die de overheid stelt aan zowel de grondstoffen (inclusief diervoeders) als het eindproduct. Producenten en houders van dieren hebben en nemen in die context een eigen verantwoordelijkheid. Productie- en distributieketens zijn transparant; de kwaliteitsverschillen met betrekking tot bijvoorbeeld de herkomst van grondstoffen, diergezondheid en dierwelzijn zijn voor de consument inzichtelijk, zodat deze een bewuste keuze kan maken. Daarbij zullen zowel consument als producent meer op hun eigen verantwoordelijkheden worden aangesproken. LNV zal investeren in het helder maken welke bijdrage van ieder – van begin tot eind van de keten – nodig is om veilig met dieren en planten om te kunnen gaan en voedsel te kunnen produceren en consumeren. LNV wil daartoe een omslag realiseren van regels naar bewustwording. Daarbij zal vooral het instrument van kennisoverdracht worden ingezet, zoals onderwijs en ook investeren in communicatie. Niet alleen om de kenbaarheid van risico's te vergroten, maar ook van regels en achtergronden, zowel voor producenten als consumenten.

Uitgangspunt is een integrale benadering (zowel in beleid als in de praktijk) die moet leiden tot het reduceren van risico's bij het houden van dieren, het telen van gewassen en het produceren van voedsel. De verandering van overwegend verticale keten- en productiekolommen naar meer fluïde productienetwerken dwingt daartoe. Gezamenlijk met bedrijfsleven en consumenten moet worden gestreefd naar de totstandkoming van transparante garantiesystemen die zijn gericht op zowel voedselveiligheid als op (preventie van) dierziekten. Monitoringsystemen kunnen worden geïntegreerd en vereenvoudigd. Hetzelfde geldt voor traceerbaarheidsystemen en systemen voor Identificatie & Registratie.

Strevend naar aansluiting bij internationale ontwikkelingen en naar internationaal gedeelde normen en processtandaarden wil LNV actief blijven investeren in internationale harmonisatie van normen en processtandaarden (OIE, Codex).

De aandacht voor sturingsaspecten blijft in 2004 onverkort bestaan. Centrale doelstelling hierbij is het eenduidig en transparant maken van de aansturing van met uitvoeringstaken belaste instanties op het terrein van voedselveiligheid en diergezondheid. Dit krijgt door herprioritering extra aandacht.

De overheid is en blijft eindverantwoordelijk voor de controle en handhaving, maar zal steeds meer de rol van toezichthouder op zich nemen vanuit een heldere aansturing, meer op outcome gericht, door de hele productiekolom en gebaseerd op gedegen wetenschappelijke risicobeoordeling, aanpak en communicatie van de risico's voor de volks- en diergezondheid. Hierin is een grote rol weggelegd voor de Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA) als gezaghebbende en onafhankelijke autoriteit. Tevens is van belang dat handhaving en monitoring plaatsvindt in internationale samenwerking met andere Europese voedselautoriteiten. Uitgangspunt bij de aansturing van de VWA is dat zij haar taken in grote onafhankelijkheid kan uitvoeren, binnen de context van de ministeriële verantwoordelijkheid en met inachtneming van de vigerende (inter)nationale regelgeving.

Grafiek 7: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-7.gif

Operationele doelstellingen

06.11 Bewaking en verhoging van het diergezondheidsniveau en effectieve bestrijding van dierziekten

De crises waarmee we op het gebied van zowel voedselveiligheid als diergezondheid geconfronteerd worden geven aan dat het roer om moet. Meer inzet op preventie is noodzakelijk teneinde de risico's op dierziekten te verminderen. Het nieuw te ontwikkelen preventiebeleid kenmerkt zich door een samen met het bedrijfsleven vast te stellen ambitieniveau en meer verantwoordelijkheid voor het bedrijfsleven voor de uitvoering van het preventieve beleid. Daarnaast zal gestreefd worden naar een betere balans tussen de uitvoerbaarheid van het preventieve beleid en het beheersen van de risico's.

Monitoring vormt de tweede pijler onder het preventieve beleid. Het in een zo vroeg mogelijk stadium adequaat kunnen optreden tegen dierziektes en potentiële gevaren voor de volks- en diergezondheid is blijvend noodzakelijk.

De bestaande monitoringssystematiek zal op zijn effectiviteit beoordeeld en (eventueel) aangepast worden.

Streefwaarden

In 2003 zijn deels meerjarige streefwaarden geformuleerd, waarop in 2004 kan worden voortgebouwd. Een enkele nieuwe streefwaarde is geformuleerd:

1. Eind 2003 zal een brief naar de Tweede Kamer gaan waarin is aangegeven op welke wijze de preventie van dierziekten zal worden aangepakt en welk instrumentarium daartoe zal worden ingezet. Daarin zal tevens worden aangegeven welke regelgeving zal verdwijnen of aangepast ten einde de administratieve- en uitvoeringslasten te verlagen. In 2004 zal de verdere implementatie van beleid gericht op preventie moeten plaatsvinden. Streefwaarde is dat de acties voortvloeiend uit het preventieproject worden geïmplementeerd in 2004.

2. In 2004 wordt gerealiseerd dat professionele houders van dieren een verhoogd inzicht hebben in, en als gevolg daarvan een verbeterde wijze van omgaan hebben met, dierziekterisico's. Tevens wordt meer inzicht verkregen in potentiële gevaren die een risico met zich meebrengen voor de gezondheid van mens en dier. Streefwaarde is dat de acties voortvloeiend uit het preventieproject worden geïmplementeerd.

3. In het kader van het scrapie-programma is eind 2004 50% van de fokkerijpopulatie TSE-ongevoelig.

4. In 2004 wordt een subsysteem opgeleverd van het nieuwe (geautomatiseerde) I&R systeem. Het betreft het meest generieke gedeelte van het I&R systeem, bestaande uit meldingseenheden en houderschapsbeheer bij rund, schaap en geit.

5. In het kader van een herijking van het beleid t.a.v. de diergeneesmiddelenregistratie wordt in 2004 toegewerkt naar een kostenefficiënte registratieketen, waarbij de registratiekosten volledig door de producenten zullen worden opgebracht.

6. Nederland is, mede door de bestrijding van niet te vermijden besmettingen, vrij van OIE lijst A-ziekten en daarnaast vrij van een belangrijk aantal OIE lijst B-ziekten waarvoor op Europees niveau bewakingsprogramma's zijn voorgeschreven. Streefwaarde voor 2004 is continuering van deze huidige dierziektevrije status.

7. Op peil houden van de crisisorganisatie dierziekten door:

a. ontwikkelen en openbaar maken van beleidsdraaiboeken en (wettelijk verplichte) rampenplannen.

b. onderzoek naar effectieve en maatschappelijk aanvaardbare vaccinatie strategieën en dodingmethoden ten tijde van crisis.

c. inkoop en beheer voorraad markervaccin KVP.

d. uitvoeren van een integrale oefening van de crisisorganisatie dierziekten.

8. In 2004 zal een notitie worden opgesteld over het voorgestane monitoringsprogramma waarvoor LNV zich verantwoordelijk acht.

9. In 2004 zal het EU-voorzitterschap gebruikt worden om maatschappelijk verantwoorde dierziektebestrijding op de Europese agenda te krijgen en te houden. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de selectieve inzet van vaccins als bestrijdingsinstrument bij een dierziekteuitbraak, om te voorkomen dat gezonde dieren gedood moeten worden.

Beleidsinstrumenten

1. Preventieve Diergezondheid

Er bestaat geen specifiek voorlichtingsprogramma gericht op preventie van dierziekten. Wel zijn in de afgelopen jaren enkele speciale voorlichtingsacties geweest op het gebied van MKZ.

In 2003 is voorts een programma ontwikkeld om de professionele en particuliere dierhouders bewust te maken van hun verantwoordelijkheid t.a.v. de preventie van dierziekten. Ook in 2004 zullen voorlichtingsprogramma's over preventie en bestrijding worden ingezet om dierhouders te stimuleren om zich in te zetten voor een gezonde veestapel.

2. Identificatie & Registratiesystemen

In 2003 is een begin gemaakt met de verbetering en vereenvoudiging van de Identificatie & Registratiesystemen (I&R systeem) voor schapen, geiten en runderen. Parallel hieraan is de handhaving in de rundersector aangescherpt. In aanvulling op het ontwikkelen van deze verbetermaatregelen wordt doorgewerkt aan het intensiveren en efficiënter organiseren van de controle en handhaving, onder meer door informatie-uitwisseling tussen betrokken diensten en het uitvoeren van gecombineerde controles. De informatieanalyse en het onderzoek naar de technische en economische haalbaarheid van de nieuwbouw van het I&R systeem heeft geleid tot de beslissing dat het nieuwe geautomatiseerde systeem in eerste instantie voor de rundersector zal worden ontwikkeld. Met het oog op de toekomstvastheid van het systeem wordt het zo generiek mogelijk van opzet, zodat het bruikbaar is voor verschillende sectoren (diersoorten), uitgaande van individuele identificatie en centrale registratie. De oplevering van het nieuwe I&R systeem vindt naar verwachting plaats in de loop van 2005.

3. Monitoringprogramma's

Voortzetting van monitoringprogramma's waarmee inzicht wordt verkregen in trends van de diergezondheidssituatie: basismonitoring, para-tbc bij runderen, scrapie-programma schapen, TSE bij schapen en NCD bij pluimvee. Opzet van een nieuw systeem waarmee het inzicht wordt verhoogd in potentiële gevaren die een risico met zich meebrengen voor de gezondheid van mens en dier.

4. Handhaving EU dierziektevrije status

Voortzetting van bewakingprogramma's dierziektevrije status conform eisen EU-regelgeving: Brucellose en Leucose bij runderen en Brucella melitensis bij schapen.

5. Diergeneesmiddelen

Met een tariefstelling in het kader van de Regeling Registratie Diergeneesmiddelen wordt de overheidsbijdrage omlaag gebracht. Streven is dat de registratiekosten met ingang van 2005 volledig door de aanvragers worden opgebracht.

6. Crisisorganisatie Dierziektebestrijding

Blijvend investeren in optimaliseren en up to date houden van de crisisorganisatie dierziekten, het doorlopend ontwikkelen en actualiseren van draaiboeken en rampenplannen. Een High Containment Unit wordt paraat gehouden voor noodzakelijk onderzoek naar zeer besmettelijke dierziekten en zoönosen onder geconditioneerde omstandigheden. Daarnaast wordt onderzoek uitgevoerd naar effectieve en aanvaardbare dodingmethoden voor pluimvee en varkens in crisistijd.

Verder worden nieuwe vaccinatiestrategieën ontwikkeld en voorraad markervaccin KVP ingekocht en beheerd.

Doelgroep

Het beleid voor preventie van de diergezondheid en het handhaven van de EU dierziektevrije status blijft gericht op alle professionele en particuliere dierhouders, hetgeen eveneens de doelgroepen zijn voor de uitvoering van de monitoringprogramma's en het I&R systeem. De informatie die door de verschillende systemen en programma's wordt gegenereerd is tevens bruikbaar voor partijen in de productieketen en controlerende organisaties.

Prestatiegegevens

InstrumentPrestatieAantal
OnderzoekRapportage onderzoek para-tbc1
 Onderzoek vaccinatiestrategieën, markervaccins en dodingmethoden ten tijde van crises 
   
Voorlichting, communicatieVoorlichtingprogramma's preventie en bestrijding van dierziekten2
   
BasismonitoringBedrijfsbezoeken3 700
 Telefonische consulten5 000
 Secties15 000* (76 000 bepalingen)
   
Monitoring KVPSecties7 400 (4 000 bedrijven)
Monitoring WildOnderzoek wilde zwijnen300
   
ScrapieprogrammaErfelijkheidstesten90 000
 Geruimde bedrijven75
   
Identificatie en registratieOntwikkeling en nieuwbouw I&R systeem, opgebouwd uit drie deelsystemen1
   
Herziening monitoring-systematiekUitwerking notitie voorgestane monitoringsprogramma1
   
Bewakingsprogramma'sPrevalentieonderzoek Brucellose, Leucose, Brucella meltensis19 000 bedrijven
   
Tariefstelling registratie diergeneesmiddelenKostenefficiënte registratieketen. Overheidsbijdrage omlaag 
   
Beleidsdraaiboeken en rampenplannenVerbeteren2

* Het streven is dat 100% van de ter sectie aangeboden dieren wordt onderzocht. Het werkelijke aantal secties is dus afhankelijk van het aantal aanbiedingen.

Keuring aantal aangeboden dieren, in aantal en %
OmschrijvingVerwachte aantal aangeboden dierenVerwachte aantal aangehouden%Verwachte aantal afgekeurd%
Artikel 10 runderen450 00033 7507,52 2500,5
Artikel 10 kalveren1 350 00021 6001,64050,03
Artikel 10 varkens14 750 00019 1750,131 4750,01
Artikel 10 schapen/geiten600 0009 0001,56 0001
Artikel 4 varkens310 00071 300233 1001
Bijzondere slachtplaatsen120 00096 000807 2006

Noot: Deze activiteiten worden (grotendeels) doorberekend aan derden en hebben geen betrekking op de bijdrage aan de VWA/RVV op dit beleidsartikel (zie voorts paragraaf baten-lastendiensten).

06.12 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van voedselkwaliteit

Ook in 2004 zal de inzet van beleid gericht zijn op het waarborgen van productieprocessen in ketens van primaire en secundaire sector, met als doel:

* veilige voedselproducten;

* handhaven (herstel) van consumentenvertrouwen, en

* verbeteren van de keuzemogelijkheden voor consumenten met betrekking tot de kwaliteit van voedingsmiddelen.

Er vindt onverminderde inzet plaats op het terrein van controle en handhaving van (meest) Europese wet- en regelgeving die voedselveiligheid beogen. Daarnaast is de ontwikkeling van ketengarantiesystemen een belangrijk element om deze doelstelling te realiseren. Dit proces van verdergaande samenwerking in de keten wordt door de overheid gefaciliteerd. Aanvullend wil LNV de toepassing stimuleren van traceerbaarheidsystemen en HACCP in alle schakels van de voedselketen.

Transparante systemen voor traceerbaarheid in de keten zullen eveneens kunnen bijdragen aan de keuzemogelijkheden van de consument om te kunnen kiezen tussen (kwaliteit van) producten en zo aan de omschakeling van aanbod- naar vraaggestuurde ketens. Een pilotproject vraaggestuurde ketens zal de essentiële elementen in kaart brengen die deze omschakeling definitief moet helpen realiseren. In 2004 zullen wederom drie bijeenkomsten van het Consumentenplatform worden gehouden. En zullen aanbevelingen van het platform in projecten of beleidsvoorstellen worden uitgewerkt.

Streefwaarden

1. Borging middels ketengarantiesystemen

In 2004 is tenminste een pilotproject (salmonella-vrij pluimveevlees) operationeel, dat voldoet aan alle overeengekomen eisen. Daarnaast zal duidelijkheid worden gegeven onder welke voorwaarden en op welke wijze door de overheid gefaciliteerd kan worden dat marktpartijen meer mogelijkheden krijgen om de voedselveiligheid in de keten te garanderen door middel van ketengerichte samenwerking. Aanvullend wordt in 2004 begonnen met stimulering van de toepassing van traceerbaarheid en HACCP in alle schakels van de voedselketen.

2. Toezicht en controle

Het huidige niveau van voedselveiligheid wordt gehandhaafd door (afspraken over) toezicht en controle op wet- en regelgeving (door VWA/RVV). De controle op het handhavingverbod groeibevorderaars wordt geïntensiveerd. Tevens is het streven dat een veilige, duurzame en kostendekkende verwerking van dierlijke bijproducten wordt gerealiseerd, onder meer door de ontwikkeling van alternatieve verwerkingsmethoden. Het streven is in 2005 voor drie slachterijtypen alternatieve verwerkingsmethoden gerealiseerd te hebben.

3. Kaderwet diervoeders

Met de Kaderwet diervoeders wordt beoogd de implementatie van de Europese diervoederregelgeving, inclusief het toezicht op de naleving van de regels en de handhaving daarvan, over te hevelen van het Productschap diervoeders naar het ministerie van LNV. Dit past bij het streven om te komen tot een heldere taak- en verantwoordelijkheidsverdeling binnen het openbaar bestuur, waarbij de verantwoordelijkheid voor de volksgezondheidsbelangen en de implementatie van communautaire regels bij de rijksoverheid moet liggen. Voorts worden door de Kaderwet diervoeders de bestuurlijke bevoegdheden van het ministerie vergroot om, waar dat nodig is voor de naleving van de regelgeving, of anderszins in het belang van de volks- en diergezondheid en milieu, te kunnen ingrijpen. Het wetsvoorstel is in het voorjaar van 2003 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.

4. Verbeteren consumentenvertrouwen

Om het vertrouwen van de consument in de voedselproductie en het beleid te vergroten, is het van belang om die consument beter te informeren en te betrekken bij aspecten die met voedselproductie te maken hebben. Naast het Consumentenplatform, dat zich richt op beleidsontwikkeling, en de voorlichtingsactiviteiten die door het Voedingscentrum worden uitgevoerd, wil LNV twee pilotprojecten opzetten die tot doel hebben de transparantie van de voedselproductie en de controle op de voedselveiligheid te vergroten en de consumenten(organisaties) beter te betrekken bij de inrichting van ketenzorg- en ketengarantiesystemen. Met de eerste pilot wordt uitwerking gegeven aan een aanbeveling van het consumentenplatform; de tweede is het gevolg van een studie naar methoden om ketenomkering concreet vorm te geven en dient als voorbeeld/stimulans voor de sector. Bij ketenomkering bepaalt de consument de kwaliteit en productiewijze (milieu en diervriendelijkheid van de aangeboden producten).

Beleidsinstrumenten

1. Ketengarantiesystemen

Ook in 2004 is bij een bedrijf de pilot operationeel om verder ervaring op te doen met de ontwikkeling van een ketengarantiesysteem. In de loop van 2004 zal mede op basis van deze pilot beleid worden ontwikkeld om ketengarantiesystemen verder te stimuleren.

2. Traceerbaarheid en HACCP

In het kader van risicomanagement zal in 2004 het zwaartepunt verschuiven van monitoringsystemen naar beleidsmaatregelen die zijn gericht op preventie van voedselveiligheidsrisico's en resulteren in een toename van het aantal (primaire) bedrijven met HACCP en traceerbaarheidsystemen. Voorts zullen in het kader van een in ontwikkeling zijnde Europese verordening inzake diervoederhygiëne regels worden gesteld voor aanscherping van de hygiënevoorschriften, alsmede voor verplichte invoering van HACCP-principes voor (primaire) bedrijven in de diervoedersector. De inzet van Nederland zal tevens gericht zijn op het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

3. Handhaving niveau veiligheid via toezicht en communicatie/voorlichting

Diverse uitvoerende diensten (VWA/RVV, AID, COKZ) houden zich bezig met controle op de voedselveiligheid, op basis van bestaande wet- en regelgeving, zowel op nationaal als Europees gebied. Waar nodig worden controles buiten bestaande wetgeving uitgevoerd.

In 2004 wordt een EU verordening inzake etikettering en traceerbaarheid van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders van kracht. Hieraan zal binnen de bestaande inzet de nodige aandacht worden geschonken. Een bijdrage wordt verleend aan de VWA en het VCN ten behoeve van voorlichting en communicatie aan de consument over een veilige manier van omgaan met voedsel en de daarmee gepaard gaande risico's.

4. Transparantie product en productiewijze

Participatie van de consument bij de beleidsontwikkeling wordt gerealiseerd door het consumentenplatform en de uitwerking van aanbevelingen van het platform in projecten. Het Voedingscentrum zal worden ingeschakeld om de Nederlandse consument te informeren over veilige en duurzame voedselproductie. Twee pilotprojecten zullen worden opgezet met als doel de transparantie van de voedselproductie en de controle op de voedselveiligheid te vergroten en de consumenten(organisaties) beter te betrekken bij de inrichting van ketenzorg- en ketengarantiesystemen.

5. Verwerking dierlijke bijproducten

Bij de inzet van de controlecapaciteit (AID) zijn ook in 2004 controles op dumping en onderzoek na melding van dumping van kadavers van belang. Verder zal de overheidsbijdrage in de destructiekosten worden afgebouwd naar 0%. Zodat het tarief dat bij aanbieders van kadavers in rekening wordt gebracht, zal worden verhoogd naar kostendekkend niveau. In het kader van een stimuleringsprogramma Alternatieve verwerking slachtafvallen zal een drietal pilots worden opgezet en uitgevoerd.

6. Kaderwet diervoeders

Doel is het realiseren van een heldere verantwoordelijkheidsverdeling inzake «toezicht op toezicht». Bij de invoering van de Kaderwet Diervoeders wordt in overleg met de VWA bezien op welke wijze invulling zal worden gegeven aan de mogelijkheid om bij het toezicht rekening te houden met bedrijfscontrolesystemen van het bedrijfsleven. Er wordt een project opgezet om de voorwaarden voor de erkenning van private controlesystemen uit te werken. Hierbij zal rekening worden gehouden met de eisen die voortvloeien uit de in ontwikkeling zijnde verordeningen inzake controle en hygiëne van diervoeders, ter beperking van additionele administratieve lastendruk.

Doelgroep

De doelgroep voor het beleid t.a.v. voedselveiligheid is breed. Waar het gaat om de veilige productie van voedingsmiddelen door middel van ketengarantiesystemen zijn voedselproducenten (primaire sector én andere partijen in de keten) en certificerende organisaties van belang. De consument zal gestimuleerd worden bewuster te kopen. Het LNV-consumentenbeleid is dan ook primair gericht op de consument die de productieketen door middel van de vraag kan sturen.

Prestatiegegevens

InstrumentPrestatieAantal
KetengarantiesystemenPilot pluimvee1
   
 Voorwaarden waaronder een ketengarantiesysteem kan gaan werken en uitwerken rol overheid (faciliteren)1
   
Traceerbaarheid en HACCPPlan van aanpak stimulering met beschrijving van verantwoordelijkheid overheid en bedrijfsleven1
   
OnderzoekAnalyse van interventiestrategieën bestrijding campylobacter1
   
 Onderzoeksproject vraagsturing1
   
ConsumentenplatformBijeenkomsten Consumentenplatform3
   
 Uitwerken aanbevelingen in projecten3
   
Communicatie en voorlichting VCNConsumentenonderzoek, informatievoorziening via internet, telefonische informatiedienst, media en lesmateriaal Communicatieprogramma biotechnologie en voedsel 
   
Transparantie product en productiewijzePilotprojecten2
   
Handhaving en toezichtControles en keuringen door VWA/RVV, AID, COKZ12 rapportages
   
 Intensivering handhavingverbod groeibevorderaars door inzet van mobiele teams AID4 rapportages
   
Verwerking dierlijke bijproductenStimuleringsplan Alternatieve verwerking3 pilots
   
 Afbouwen overheidsbijdrage 
   
Kaderwet diervoedersProject voorwaarden erkenning private controlesystemen t.a.v. diervoederregelgeving1

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
06 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN264 325369 54790 37467 35868 26166 88466 884
UITGAVEN257 926369 54290 36969 81968 26166 88466 884
Programma-uitgaven103 974331 92353 49233 58532 39631 21831 218
U0611 Bewaking en verhoging van       
diergezondheidsniveau en effectieve       
bestrijding van dierziekten83 654295 84222 28721 70020 10718 53218 532
– Preventieve diergezondheid 1 1621 2011 2461 2871 3271 327
– Identificatie & Registratiesystemen 3 2745 3635 4723 6301 7951 795
– Monitoringsprogramma's 6 0657 3356 4826 5896 7076 707
– Handhaving EU dierziektevrije status 4 5073 8503 9304 0034 0764 076
– Crisisorganisatie dierziektebestrijding 4 4544 5384 5704 5984 6274 627
– MKZ 14 300     
– Vogelpest 258 880     
– Overig 3 200     
U0612 Bevorderen van de veiligheid van voedsel ten behoeve van de consumentenbescherming en de stimulering van Voedselkwaliteit20 32036 08131 20511 88512 28912 68612 686
– Ketengarantiesystemen 1 7041 7181 7181 7181 7181 718
– Risicomanagement 5 5465 8035 3145 5445 7735 773
– Handhaving niveau van voedselveiligheid 9 5819 6844 8535 0275 1955 195
– Destructie 19 15014 000    
– Overig 100     
        
Apparaatsuitgaven153 95237 61936 87736 23435 86535 66635 666
U0621 Apparaat153 95222 43619 72719 16218 85218 65518 655
U0622 Baten-lastendiensten015 18317 15017 07217 01317 01117 011
ONTVANGSTEN170 36357 77750 70050 7009 7009 7009 700

Toelichting

De uitgaven op U0611 in 2003 houden in hoge mate verband met de uitbraak van de Vogelpest. Voor de financiering van destructiekosten is in 2004 nog € 14 mln. beschikbaar.

De apparaatsuitgaven hebben betrekking op de beleidsdirectie Voedings- en Veterinaire Aangelegenheden en de Algemene Inspectie Dienst. De uitgaven voor de baten-lastendiensten hebben betrekking op de VWA/CE en de VWA/RVV.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel VVA77,564,55 003
Personeel BRD17,154,2927
Personeel RDA1,872,0130
Personeel AID101,746,84 762
Materieel  8 262
Overig apparaat*  643
Bijdrage aan VWA/CE en VWA/RVV  17 150
Totaal apparaatsuitgaven  36 877

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

Ontvangsten 2004 (x € 1 000)
Totaal50 700
EU-ontvangsten Vogelpest41 000
I&R9 700

Voor de jaren 2003 t/m 2005 wordt op dit artikel de EU-bijdrage voor de bestrijding van de Klassieke Vogelpest geraamd. De totale EU-bijdrage voor de Vogelpest wordt op basis van huidige inzichten voorlopig geraamd op € 92 mln. Met ingang van 1 januari 2002 zijn alle taken m.b.t. I&R door LNV overgenomen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en de Productschappen (PVE). Door het overnemen van de I&R taken zijn de ontvangsten binnen begrotingsverband gebracht.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1 Totaal geraamde kasuitgaven 90 369 69 819 68 261 66 884 66 884
2. Waarvan apparaatuitgaven 36 877 36 234 35 865 35 666 35 666
3. Dus programma-uitgaven 53 492 33 585 32 396 31 218 31 218
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht57%30 66370%23 44370%22 66770%21 85370%21 853
5. complementair noodzakelijk43%22 82930%10 14230%9 72930%9 36530%9 365
6. bestuurlijk geboden (maar niet juridisch)          
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)          
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
           
9. Totaal (=3)100%53 492100%33 585100%32 396100%31 218100%31 218

Veronderstellingen

Veronderstellingen of randvoorwaarden die ten grondslag liggen aan het kunnen realiseren van de doelstellingen en streefwaarden zijn:

* betrokkenheid en inzet voedselproducerende sectoren bij opzetten van private ketengarantiesystemen

* goedkeuring op Europees niveau van de – binnen het ketengarantiesysteem – beoogde wijze van controle en toezicht – primair door de keten zelf en «toezicht op toezicht» door de overheid

* geen nieuwe uitbraak van een besmettelijke dierziekte

* ontwikkelingen in EU-verband

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek 20032004200520062007
06.11Biotechnologie bij dieren  X   
06.11Diergezondheid    X 
06.12HACCP en traceerbaarheid genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders      
06.12Destructiewet  X   
06.12Dierlijke bijproducten   X  
06.12Voedselveiligheid    X 

Per 2006 is de (ex post) evaluatie voorzien van de verschillende operationele doelstellingen per beleidsveld. Daarnaast zullen nog een aantal deelevaluaties worden uitgevoerd.

* De evaluatie van het beleid t.a.v. biotechnologie bij dieren in 2004

* De nulmeting HACCP en traceerbaarheid in 2004

* De nulmeting (en monitoring) van de uitvoering van de verordening genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders in 2004

* De bepaling van het nalevingniveau van de Destructiewet m.b.t. het melden van kadavers in 2004

* De evaluatie uitvoering verordening dierlijke bijproducten die medio 2005 zal worden opgestart.

De door de minister toegezegde evaluatie m.b.t. Aviaire Influenza (eind 2003) is niet in bovenstaand overzicht opgenomen, aangezien dit geen beleidsevaluatie, maar een procesevaluatie betreft. De resultaten van deze evaluatie zullen in de loop van 2004 worden bekend gemaakt.

Verantwoordelijkheid LNV

De ondernemers in de voedselproducerende sectoren zijn en blijven verantwoordelijk voor het produceren van voedselproducten die voldoen aan de eisen die aan de veiligheid worden gesteld. De overheid stelt deze eisen vast, veelal in de vorm van eindnormen en vaak in Europees verband. Ook het toezicht en controle op de naleving van deze normen is en blijft een directe verantwoordelijkheid van de overheid. De houder van (landbouw)huisdieren is en blijft eveneens primair verantwoordelijk voor de gezondheid van zijn dieren en het voorkomen van dierziekten. De overheid stimuleert schone bedrijfsvoering en een prudent gebruik van diergeneesmiddelen en antibiotica.

In het najaar van 2003 verschijnt een beleidsnotitie waarin, in samenspraak met het ministerie van VWS, wordt aangegeven hoe het integrale beleid ten aanzien van de voedselveiligheid nader wordt vormgegeven.

VBTB-paragraaf

In de begroting 2003 is het voornemen aangekondigd om te bezien in hoeverre de inzet van de instrumenten als indicator een voldoende beeld geeft in VBTB-termen. Hieraan wordt in de tweede helft van 2003 nadere invulling gegeven. Implementatie van deze verbeterslag kan in 2004 worden gerealiseerd, onder meer ten hoeve van de opstelling van de begroting 2005 en latere jaren. Doelstellingen en streefwaarden van beleid zullen nader worden geconcretiseerd met als uiteindelijk doel de meetbaarheid te vergroten en vast te stellen of maatschappelijke effecten ook daadwerkelijk met ingezet beleid worden gerealiseerd. In dit kader zal per beleidsveld geschikte effect- en prestatie-indicatoren worden ontwikkeld naast een betrouwbaar systeem om de prestaties (na een nulmeting) te kunnen monitoren.

07 Kennisontwikkeling en innovatie

Algemene beleidsdoelstelling

De algemene beleidsdoelstelling is het ontwikkelen van kennis die van meerwaarde is voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrofoodsector en een duurzaam gebruik van de groene ruimte door alle actoren.

Om een indicatie te krijgen van effecten van kennisontwikkeling is in 2003 gestart met het onderzoeken van de bruikbaarheid en het gebruik van onderzoek door verschillende belanghebbenden. Dit onderzoek zal periodiek plaatsvinden. De volgende belanghebbenden worden onderscheiden: overheid, wetenschap, onderwijs, maatschappelijke groeperingen en bedrijfsleven. Er wordt aangesloten op de andere LNV beleidsartikelen.

Grafiek 8: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-8.gif

Operationele doelstellingen

07.13 Kennisbasis

Operationele doelstelling: het instandhouden van een kennisinfrastructuur voor de agrofoodsector en de groene ruimte door middel van het ontwikkelen van strategische expertise Nieuwe wetenschappelijke inzichten en vaardigheden als uitkomst van fundamenteel onderzoek zijn onontbeerlijk voor vernieuwingen in een duurzame agro-foodsector en een duurzaam gebruik van de groene ruimte. De kans op succes wordt vergroot door gunstige voorwaarden te creëren voor (fundamenteel) onderzoek. Daarom investeert LNV in een solide kennisbasis op het terrein van voedsel en groen. Ook ontwikkelen en uitbouwen van wetenschappelijke en technologische kennis met als doel om op langere termijn een doorbraak te bewerkstelligen op dit terrein behoort tot de kennisbasis. LNV kiest voor het ontwikkelen en uitbouwen van dergelijke kennis door structurele financiering van de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO). Daarnaast wordt gekozen voor financiering van strategische speerpuntprogramma's bij andere kennisinstellingen en samenwerkingsverbanden. De ontwikkeling van de kennisbasis komt onder meer tot uitdrukking in aantallen en inhoud van proefschriften, wetenschappelijke artikelen en literatuur, (internationale) onderzoeksnetwerken, innovatieve toepassingen, inzichten en verkenningen.

Streefwaarden

A Positieve beoordeling onderzoek WU
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Positieve beoordeling door visitatie=>80%

Binnen een cyclus van 6 jaar wordt het onderzoek verzorgd door Wageningen Universiteit beoordeeld door visitatiecommissies volgens de systematiek van het Standard Evaluation Protocol 2003–2009. LNV streeft naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van alle visitaties binnen Wageningen Universiteit.

B Positieve beoordeling onderzoeksscholen WU
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Positieve beoordeling=>80%

De onderzoeksscholen van Wageningen Universiteit, waarbinnen alle onderzoek is georganiseerd, worden eenmaal per 6 jaar beoordeeld door de KNAW op thematische organisatie van onderzoek en de kwaliteit van opleiding van jonge onderzoekers. De leden van de externe beoordelingscommissie worden door de KNAW voorgedragen en door WU benoemd. Uitgangspunt van het systeem is (openbare) zelfevaluatie door de onderzoekscholen; deze dient ten minste twee maal per vijf jaar te worden uitgevoerd. De zelfevaluatie dient als basis voor de beoordeling door de KNAW. De beoordeling leidt bij een positieve uitkomst tot de status van formeel erkend instituut. Alle 6 onderzoekscholen zijn erkend. LNV streeft naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van alle onderzoekscholen.

C Aanwezigheid goedgekeurd strategisch plan en rapportage resultaten programma's kennisbasis
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Goedgekeurd strategisch planaanwezig
Rapportage over de behaalde resultaten per kennisbasisprogramma.aanwezig

* De inzet van middelen voor de kennisbasis bij DLO wordt beoordeeld door middel van goedkeuring van de strategische plannen van Wageningen Universiteit en Research als geheel (incl. Ondernemingsplan) en van de afzonderlijke kenniseenheden.

* Ten behoeve van beoordeling van de resultaten van kennisbasisonderzoek stelt DLO een rapportage op over de behaalde resultaten per kennisbasisprogramma over het voorafgaande jaar.

D Positieve beoordeling wetenschappelijke kwaliteit DLO
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Positieve beoordeling door visitatie100%

De onderzoeksinstellingen van DLO worden afzonderlijk één maal per vier jaar gevisiteerd door een (internationaal) panel van deskundigen. Er wordt gestreefd naar een positieve beoordeling van alle onderzoeksinstellingen van DLO. Deze norm geldt voor alle uitgevoerde visitaties.

E Beoordeling DLO als «gezonde organisatie»
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Adequate verantwoording (periodieke managementrapportage)aanwezig

Ten behoeve van een beoordeling vanuit de optiek van LNV als verantwoordelijke («eigenaarsrol») voor de kennisinfrastructuur verantwoordt DLO jaarlijks over kwaliteit van bedrijfsprocessen, weerstandsvermogen, rendement, ISO-certificering, en waarborgen op het terrein van scheiding van publieke en private activiteiten. Verantwoording vindt plaats in de periodieke managementrapportage van DLO aan LNV.

Beleidsinstrumenten

* Regeling Subsidie Stichting DLO

* Bekostigingsbesluit Wageningen Universiteit gebaseerd op de Wet Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW).

* Beoordeling van Strategische Plannen van Wageningen UR (incl. Ondernemingsplan) en van de Kenniseenheden vastgelegd in de Regeling subsidie Stichting DLO.

* Visitatieprogramma DLO.

Doelgroepen

Doelgroepen zijn overheid, wetenschap, onderwijs, maatschappelijke groeperingen en bedrijfsleven.

Prestatiegegevens

InstellingAantalPrijs/eenheid x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
DLO kennisbasisonderzoek  19 588
Wageningen Universiteit basisvoorziening onderzoek/investeringen  70 341
Wageningen Universiteit promoties21481,2917 396
Wageningen Universiteit Onderzoekscholen6998,335 990
ISRIC (International Soil Reference and Information Centre)  1 059
KNAW-fellows  599

07.14 Beleidsondersteunend onderzoek

Operationele doelstelling: het generen van nieuwe kennis ter beantwoording van (kennis-)vragen van overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven.

Voor beleid en innovatie is kennis nodig. LNV verstrekt daarom opdrachten aan publieke en private instellingen. Opdrachten komen tot stand door het formuleren van kennisvragen uit het beleidsproces (zie de algemene en operationele doelstellingen in deze begroting). Bijna altijd in interactie met belanghebbenden en op basis van beleidsambities, verkenningen en maatschappelijke signalen.

De opdrachten worden langs twee lijnen uitgevoerd. Er wordt gewerkt met programmering van DLO-activiteiten op basis van de regeling subsidie Stichting DLO. Om de scope van het beleidsondersteunende onderzoek te verbreden worden daarnaast opdrachten aanbesteed in een open kennismarkt. Het kan gaan om korte termijn – (bijvoorbeeld 6 maanden) en middellange termijn (bijvoorbeeld 4 jaar) onderzoek.

Streefwaarden

Beleidsondersteunend onderzoek levert verkenningen, oorzaak- en gevolganalyses, methodiekontwikkeling en evaluaties op, veelal in de vorm van rapporten en publicaties. Het genereert conceptontwikkeling of onderbouwt beleid en uitvoering. Deze producten lenen zich voor beoordeling van de mate waarin is beantwoord aan vooraf gestelde vragen en bepaling van de bruikbaarheid en het gebruik.

Beoordeling beleidsondersteunend onderzoek vanuit het beleidsdomein voedsel en groen
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Percentage positief beoordeelde projecten60%

Het percentage positieve oordelen van het totaal aantal oordelen geeft de score. Er wordt op langere termijn gestreefd naar een score van 80%. Er heeft een nulmeting plaatsgevonden; op basis daarvan wordt de streefwaarde voor 2004 op 60% gesteld. Als tussendoel wordt ingezet op een jaarlijkse toename van het percentage met 10%, zodat eind 2006 de score van 80% moet zijn bereikt.

Beleidsinstrumenten

* Regeling subsidie Stichting DLO, voor (routine)onderzoek, verkenningen en beleidsstudies.

* Open programmering: beleidsondersteunend onderzoek aanbesteed in een open kennismarkt.

* Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster.

* Stimuleringsprogramma's beleidsondersteunend onderzoek.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
DLO onderzoeksprogramma's  104 615
DLO bouwtaken en integratievergoeding  10 948
Innovatienetwerk Groene ruimte en Agrocluster  3 398
Open programmering onderzoek  9 728
Stimuleringsprogramma  9 260

07.15 Wettelijke onderzoekstaken (WOT)

Operationele doelstelling: het nakomen van wettelijke verplichtingen en geratificeerde internationale verdragen voorzover daarin onderzoeksverplichtingen voor LNV zijn opgenomen. Dit betreft met name onderzoek naar diergezondheid, voedselveiligheid, vis- en schelpdierbestanden, natuurplanbureautaken, genetische bronnen en economische informatie. De minister stelt deze taken veilig door structurele financiering van faciliteiten en de uitvoering van dit onderzoek. Deze taken worden vastgelegd in uitvoeringsovereenkomsten.

Streefwaarden

Er wordt beoordeeld op gespecificeerde doelen, producten en leveringsvoorwaarden in uitvoeringsovereenkomsten.

A Aantal clusters van wettelijke onderzoekstaken welke zijn ondergebracht in uitvoeringsovereenkomsten
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Aantal afgeronde uitvoeringsovereenkomsten6

Het streven is er op gericht de wettelijke onderzoekstaken in zes clusters voor eind 2004 onder te brengen in uitvoeringsovereenkomsten.

B Rapportage over behaalde resultaten
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Percentage jaarprogramma's met positieve beoordeling100%

Ten behoeve van de beoordeling van de werking rapporteert DLO per jaarprogramma over behaalde resultaten, in het licht van de gestelde doelen. De streefwaarde is dat voor 100% van de jaarprogramma's een positieve beoordeling kan worden afgegeven.

De kwaliteit van de betrokken kennisinstellingen wordt getoetst door middel van visitaties en audits. Op de beoordeling door middel van visitaties is ingegaan in onderdeel 7.13.

C Beoordeling externe audit
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Resultaat externe auditvoldoende

In 2004 wordt via een audit van het WOT-instrumentarium beoordeeld of DLO de juiste maatregelen heeft genomen om aan het WOT-statuut te voldoen. De meetpunten volgen rechtstreeks uit het WOT-statuut.

Beleidsinstrumenten

* WOT-uitvoeringsovereenkomsten gebaseerd op de Regeling Subsidie Stichting DLO.

Prestatiegegevens

2004
InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
DLO clusters WOT66 10636 636

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen in € 1 000
07 Kennisontwikkeling en innovatie2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN419 649310 181292 544288 687284 423285 095285 338
UITGAVEN310 276313 162294 770288 903285 860286 532286 775
Programma-uitgaven301 896307 778289 558283 890280 973281 646281 889
U0713 Kennisbasis109 676109 011114 973113 652112 729113 017113 260
– Bekostiging WU98 70897 82395 38594 78194 57594 86395 106
– DLO, kennisbasis10 96811 18819 58818 87118 15418 15418 154
U0714 Beleidsondersteunend onderzoek157 231161 856137 949133 602131 608131 993131 993
– Stimuleringsprogramma's17 29518 2309 2607 6269 3099 4509 450
– Bijdrage Innovatienetwerk3 1453 3813 3983 4732 1942 2382 238
– Bijdrage DLO127 357135 088115 563112 575109 977109 977109 977
– Open programmering onderzoek9 4345 1579 7289 92810 12810 32810 328
U0715 Wettelijke onderzoekstaken34 98936 91136 63636 63636 63636 63636 636
Apparaatsuitgaven8 3805 3845 2125 0134 8874 8864 886
U0721 Apparaat8 3805 3845 2125 0134 8874 8864 886
ONTVANGSTEN13 47423 4059 9849 7589 5759 5759 575

Toelichting

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel DWK59,761,33 657
Personeel Innovatienetwerk1177,1846
Materieel DWK  163
Materieel Innovatienetwerk  210
Overig apparaat*  336
Totaal apparaatsuitgaven  5 212

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

De apparaatsuitgaven van de beleidsartikelen 7 (Kennisontwikkeling en innovatie), 8 (kennisvoorziening) en 9 (kennisverspreiding) zijn onder dit beleidsartikel (7) gebracht en hebben betrekking op de beleidsdirectie Wetenschap en Kennisoverdracht en het Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster.

Ontvangsten 2004 (x € 1 000)
Totaal9 984
Rente en aflossing DLO9 741
Div. ontv. onderzoek26
FES-ontvangsten in het kader van ICES/KIS II200
Ontvangsten apparaat DWK17

De ontvangsten hebben betrekking op:

* de rente en aflossing over de verstrekte lening aan de Stichting DLO inzake aankoop van grond en gebouwen.

* een bijdrage van Buitenlandse Zaken voor een project in Indonesië

* FES-ontvangsten in het kader van ICES/KIS II

* het apparaat van DWK

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitg. 294 770 288 903 285 860 286 532 286 775
2. Waarvan apparaatsuitg. 5 212 5 013 4 887 4 886 4 886
3. Dus programma-uitgaven 289 558 283 890 280 973 281 646 281 889
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht o.b.v. nationale wetgeving*95%274 48648%136 17647%132 63547%131 95847%132 201
5. complementair noodzakelijk0% 0% 0% 0% 0% 
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch) door afspraken/convenanten/toezeggingen met/aan niet-zbo's1%3 44147%134 57347%131 05546%129 81846%129 818
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma, betreft algemeen regeringsbeleid)4%11 6315%13 1414%12 6425%12 8865%12 886
8. beleidsmatig nog niet ingevuld0% 0% 2%4 6412%6 9842%6 984
9. Totaal (=3)100%289 558100%283 890100%280 973100%281 646100%281 889

*Wettelijke onderzoekstaken vinden ten dele plaats op basis van Europese wetgeving.

Toelichting

De apparaatsuitgaven zijn naar hun aard op korte termijn niet flexibel. Dit zelfde geldt voor de bijdragen aan DLO, waar LNV een structurele subsidierelatie mee onderhoudt. DLO verricht structurele werkzaamheden in het kader van de subsidieregeling waaronder wettelijke onderzoekstaken, strategische expertise ontwikkeling en meerjarige onderzoeksprogramma's. Ook onderzoekscontracten in het kader van de open programmering kunnen meerjarig zijn.

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
07.13KennisbasisX    X 
07.14Beleidsondersteunend onderzoek    X  
07.14Open programmering onderzoek X     
07.14InnovatieNetwerk groene ruimte en agrocluster   X   
07.15Waarborgen Wettelijke onderzoekstaken   X   

* Wetenschappelijke kwaliteit wordt beoordeeld door interne en externe visitaties van de instellingen.

* In 2003 zijn nadere afspraken gemaakt over de uitvoering van subsidievoorwaarden van de regeling subsidie Stichting DLO. In 2006 zal een evaluatie plaatsvinden.

* Het innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster wordt in 2005 geëvalueerd. Op basis van de evaluatie wordt bepaald hoe de activiteiten van het Innovatienetwerk na 2005 worden voortgezet.

* In het kader van de vernieuwing van het aansturen van het onderzoek van het ministerie van LNV is in 2001 begonnen met een verbreding van de scope van het onderzoek via een systeem van open programmering. De ervaringen met de eerste tenders open programmering zijn in 2003 opnieuw beknopt geëvalueerd ten behoeve van de verdere ontwikkeling en bijstelling.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is direct verantwoordelijk voor het doen instandhouden en het ontwikkelen van de kennisbasis (infrastructuur). Organisaties die daar deel van uitmaken zijn verantwoordelijk voor de resultaten.

LNV is direct verantwoordelijk voor het doen beantwoorden van de kennisvragen voortkomend uit het beleidsproces. Opdrachtnemers van onderzoekopdrachten zijn resultaatverantwoordelijk.

LNV is direct verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van wettelijke onderzoekstaken. Opdrachtnemers zijn resultaatverantwoordelijk.

08 Kennisvoorziening

Algemene beleidsdoelstelling

Het waarborgen van een stelsel van groen voorbereidend, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, alsmede universitair onderwijs.

Operationele doelstelling

08.11 Voorzieningen groen onderwijs

Operationele doelstelling: het waarborgen van aanbod, continuïteit en kwaliteit van voorzieningen van groen voorbereidend middelbaar en hoger beroepsonderwijs alsmede universitair onderwijs door adequate bekostiging, toezicht en monitoring van financiële en inhoudelijke kengetallen.

Streefwaarden

A Toenemend aantal «LNV-instellingen» dat beschikt over een systeem voor kwaliteitszorg (opzet)
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Kwaliteitszorg bij WU (accreditatie)100%
Kwaliteitszorg bij HBO-instellingen (accreditatie)100%
Kwaliteitszorg in het MBO, inclusief IPC's (kwaliteitszorgsysteem)100%
Kwaliteit in het VMBO onderwijs (kwaliteitskaarten en schoolplan)100%
B Toenemend aantal «LNV-instellingen» waar de kwaliteitszorg naar behoren functioneert (werking)
OmschrijvingStreefwaarde 2004
Leerstoelgroepen WU=>80%
HBO onderwijs=>75%
MBO onderwijs (inclusief IPC's)=>70%
VMBO onderwijs=>50%

Het aanbod van voorbereidend, middelbaar en hoger onderwijs en universitair onderwijs wordt verzorgd door bij de wet erkende instellingen. Daarom moeten instellingen een systeem voor kwaliteitszorg hebben. In 2004 wordt de kwaliteit van de opleiding binnen het groene HBO en WO, evenals voor het overig hoger onderwijs, gewaarborgd door de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO). Kwaliteitszorg- en accreditatiesystemen worden steeds meer als basis voor het waarborgen van algemene kwaliteit van instellingen en hun opleidingen benut.

* In 2004 zal de kwaliteit van opleidingen van Wageningen Universiteit gewaarborgd worden door de Nederlandse Accreditatie Organisatie (NAO). De basis voor de accreditatie door de NAO blijven visitatierapporten van opleidingen, dat wil zeggen een beoordeling door een panel van externe deskundigen. De visitaties van de opleidingen van Wageningen Universiteit vinden plaats binnen een cyclus van 6 jaar volgens de systematiek van de VSNU. LNV streeft naar een positieve beoordeling van tenminste 80% van alle visitaties binnen Wageningen Universiteit.

* Per jaar worden ca. 2 studierichtingen van het HAO gevisiteerd door een visitatiecommissie benoemd door de HBO-raad resp. de Accreditatieraad. Alle studierichtingen worden minimaal één maal per 5 jaar gevisiteerd. Een positieve beoordeling leidt tot accreditatie. Het percentage instellingen waarvan al haar studierichtingen in de voorafgaande vijf jaar na visitatie positief zijn beoordeeld geeft aan of de kwaliteitszorg voor het HAO naar behoren functioneert.

* Het systeem voor kwaliteitszorg voor het MBO betreft kwaliteitszorgsystemen. De WEB bepaalt dat op alle scholen (inclusief IPC's) een kwaliteitszorgsysteem aanwezig moet zijn. Alle instellingen worden één maal per drie jaar beoordeeld door de Inspectie van het Onderwijs. De werking van kwaliteitszorg voor MBO wordt beoordeeld als het percentage instellingen en scholen (inclusief IPC's) dat een positieve beoordeling heeft gekregen op het functioneren van haar kwaliteitszorgsysteem in de afgelopen 3 jaar.

* Het resultaat van de kwaliteit bij het VMBO wordt uitgedrukt in de kwaliteitskaart. Beoordeling vindt jaarlijks plaats door de Inspectie van het Onderwijs op drie onderdelen: rendement van de onderbouw, slagingspercentage en gemiddeld cijfer. Het percentage groene VO-scholen dat een score behaalt van gelijk of hoger op de kwaliteitskaart ten opzichte van het landelijk gemiddelde van alle VO-scholen geeft aan of de kwaliteitszorg voor het VMBO-groen naar behoren functioneert.

C Alle instellingen voor «groene opleidingen» hebben solvabiliteit en de liquiditeit (ten behoeve van continuïteit van de instellingen) op orde
OmschrijvingTotaal Aantal InstellingenStreefwaarde 2004
Aantal WO-groen instellingen11
Aantal HBO-groen instellingen66
Aantal MBO/VMBO-groen instellingen (inclusief IPC's)1414

Solvabiliteit en liquiditeit worden bepaald aan de hand van de meest recente jaarrekening. Voor HAO en AOC's zijn die opgeslagen in het Jaarrekening Registratie Systeem (JRS):

* De solvabiliteit wordt als acceptabel beoordeeld indien de verhouding tussen eigen vermogen plus egalisatierekening (exclusief voorzieningen) enerzijds en totaal vermogen anderzijds hoger is dan 0,1.

* De liquiditeit wordt als acceptabel beoordeeld indien de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden hoger is dan 0,6.

Beleidsinstrumenten

* Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) op basis waarvan het hoger en wetenschappelijk onderwijs worden bekostigd alsmede het hierop gebaseerde Bekostigingsbesluit Wageningen Universiteit.

* Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) op basis waarvan AOC's (VO en MBO), IPC's en Aequor worden bekostigd.

* Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) op basis waarvan scholengemeenschappen worden bekostigd.

* Wet op het Onderwijs Toezicht op basis waarvan het toezicht wordt uitgevoerd.

* Afspraken met betrekking tot (gelijke) bekostiging van onderwijs LNV t.o.v. OCenW en maatregelen ter verbetering van verantwoording, toezicht en controle.

* Systematiek van de VSNU voor visitatie en beoordeling.

Doelgroepen

* Onderwijsinstellingen.

* Diegenen die onderwijs genieten binnen door LNV bekostigde onderwijsinstellingen.

Prestatiegegevens

InstellingAantalPrijs/eenheid x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
Wageningen Universiteit basisvoorziening onderwijs  17 532
Wageningen Universiteit component 1e jaars9783,723 636
Wageningen Universiteit getuigschriften onderwijs62223,5314 634
HBO-groen (aantal studenten)8 4006,2552 375
AOC's (niet gebaseerd op leerlingaantallen)  30 437
AOC's BOL (aantal deelnemers)15 0004,8672 927
AOC's BBL (aantal deelnemers)8 6002,8224 239
AOC's VMBO/LWOO (aantal leerlingen)12 6007,8398 649
AOC's overig VMBO (aantal leerlingen)22 1005,22115 281
IPC's aantal leerling cursistweken18 4000,5810 584
ASC-subsidie (Afrika Studie Centrum)  652

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
 2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN416 550476 668440 946453 618465 917475 732477 799
UITGAVEN400 375414 413440 946453 618465 917475 732477 799
Programma-uitgaven400 375414 413440 946453 618465 917475 732477 799
U0811 Voorzieningen groen onderwijs400 375414 413440 946453 618465 917475 732477 799
– Bekostiging WU, onderwijs32 27333 11435 80237 70339 47040 61241 638
– Bekostiging HBO-groen52 44952 76252 37552 09851 88952 03452 188
– Bekostiging VMBO/MBO groen315 002327 885341 533352 690363 691372 219373 106
– Bekostiging IPC's  10 58410 47510 21510 21510 215
– ASC-subsidie651652652652652652652
ONTVANGSTEN8013263030303030

Aangezien binnen dit artikel wordt bekostigd volgens vaste regels zijn er in principe geen ontvangsten.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 440 946 453 618 465 917 475 732 477 799
2. Waarvan apparaatsuitgaven          
3. Dus programma-uitgaven 440 946 453 618 465 917 475 732 477 799
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht o.b.v. nationale wetgeving100%440 946100%453 618100%465 917100%475 732100%477 799
5. complementair noodzakelijk          
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch)          
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma)          
8. beleidsmatig nog niet ingevuld          
9. Totaal (=3)100%440 946100%453 618100%465 917100%475 732100%477 799

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
08.11Kennisvoorziening (evaluatie CFI)   X   

* Evaluaties met betrekking tot algemeen onderwijsbeleid worden uitgevoerd door OCenW (OCenW-volgend beleid).

* Voor het algemeen onderwijsbeleid zijn de kaders voor toezicht wettelijk vastgelegd. De resultaten van toezicht worden in het jaarlijkse (landbouw-) onderwijsverslag opgenomen. Jaarlijks houdt de inspectie een aantal meta-evaluaties inzake de opzet en de werking van de kwaliteitszorgsystemen bij de diverse LNV-instellingen.

* Met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de instellingen worden door het Ministerie van LNV (in samenwerking met het agentschap CFI van OCenW) analyses van de financieel economische positie van groene onderwijsinstellingen als totaal uitgevoerd welke kunnen fungeren als benchmark voor afzonderlijke instellingen.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is direct verantwoordelijk voor het waarborgen van het stelsel van LNV-onderwijs en voor de bekostiging van de bij wet erkende instellingen van het groene onderwijs. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het geven van goed onderwijs.

VBTB-paragraaf

In de begroting 2005 wordt een indicator toegevoegd met betrekking tot doorstroom van leerlingen/rendement.

09 Kennisverspreiding

Algemene beleidsdoelstelling

De (toekomstige) doelgroepen in het agrofoodcomplex en de groene ruimte breed inzetbaar kwalificeren en gekwalificeerd houden voor arbeidsmarkt en maatschappij alsmede het uitwisselen van kennis en informatie tussen het ministerie van LNV en maatschappelijke doelgroepen met het oog op voorbereiding en realisatie van LNV-beleid.

Inhoudelijk richtinggevend zijn de volgende beleidsthema's:

* versterking van het landelijk gebied

* veiligstelling, inrichting en beheer van natuur (o.a. EHS) en landschap

* realisatie van economisch perspectiefvolle agroketens

* bevordering van duurzame productie en voedselveiligheid.

Grafiek 9: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-9.gif

Operationele doelstellingen

09.16 Vakdepartementaal onderwijsbeleid

Operationele doelstelling: het waarborgen van ruimte voor inhoudelijke vernieuwing van opleidingen voor het LNV-domein (agrosector en groene ruimte), met accent op het realiseren van een optimale kennisdoorstroming over maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen.

Een actuele kwaliteit van vernieuwing van opleidingen en kennisdoorstroming naar de huidige beroepsgroepen voor de agrosector en de groene ruimte is essentieel voor het functioneren van mensen op de toekomstige en huidige arbeidsmarkt in die sectoren. Gezien de ontwikkelingen in deze sectoren zijn naast algemene ontwikkelingen in het onderwijs ook specifieke inhoudelijke vernieuwingen noodzakelijk. De huidige instrumenten zijn veelal een mix van algemene onderwijskundige ontwikkelingen en specifieke inhoudelijke vernieuwingen. Daarenboven is een meer vanuit de doelstellingen van het LNV-beleid en maatschappelijke ontwikkelingen gestuurde vernieuwing nodig (vraaggestuurde vernieuwingen). Tegen die achtergrond vindt een herijking van alle bestaande instrumenten plaats. Van belang is de effectiviteit bij het bereiken van de doelgroepen en het uiteindelijke effect c.q de bijdrage aan de inhoudelijke vernieuwingen.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2004
Stimuleringsprogrammagereed
Regeling praktijklerengereed
Cursusonderwijsgereed
Beleidskader voorwaardenscheppende projecten voor het onderwijsgereed

* In 2004 wordt, mede op basis van maatschappelijke discussies in onder meer de daartoe ingestelde Programmaraad, het inhoudelijk beleidskader Inhoud Groen Onderwijs 2004–2006 uitgewerkt en vastgesteld. Dit beleidskader is bepalend voor de stimulering van vernieuwing van opleidingen en de kennisdoorstroming naar de huidige beroepsgroepen.

* VIA-regeling en Kaderbrief Inhoudelijke vernieuwing opleidingen 2002/2003 worden omgebouwd naar een stimuleringsprogramma voor het gehele onderwijs en gericht op vraaggestuurde en inhoudelijke vernieuwing van opleidingen die van belang is voor de toekomstige beroepsgroep in de agrosector en de groene ruimte.

* Het kader voor de regeling praktijkleren wordt gaandeweg aangescherpt. Het gaat om specifieke bekostiging van de LNV-instellingen ten behoeve van leren in de praktijk in gesimuleerde situaties met dure en bijzondere apparatuur. In 2003 is een voorlopig beleidskader praktijkleren voor alle opleidingen vastgesteld. In 2004 wordt het beleidskader praktijkleren op basis van onderzoek naar de noodzaak per opleiding verder aangescherpt en vastgesteld.

* Het instrument voor cursusonderwijs wordt gaandeweg omgevormd tot een integraal instrument voor postinitieel leren (leren na afronding van een opleiding) gericht op alle doelgroepen in de agrosector en de groene ruime.

* Het beleidskader voor voorwaardenscheppende projecten richt zich op instandhouding en uitbreiding van het onderwijsnetwerk ten behoeve van initieel (VMBO, MBO, HBO, WO) en postinitieel leren. Projecten en programma's die betrekking hebben op instandhouding van onderwijsinstellingen worden gaandeweg afgebouwd.

Beleidsinstrumenten

* Stimuleringsprogramma voor inhoudelijke vernieuwing van opleidingen in het groene en het overige onderwijs.

* Regeling praktijkleren ten behoeve van opleidingen voor de agrosector en de groene ruimte. Met dit instrument wordt het leren in gesimuleerde praktijksituaties met specifieke en dure apparatuur en faciliteiten gestimuleerd. Het gaat om instructie met machinerie dan wel apparatuur die niet in de beroepspraktijk op bedrijven kan plaatsvinden vanwege bedrijfs- en/of gezondheidsrisico's. Over de uitvoering wordt door de onderwijsinstellingen verantwoording afgelegd op basis van per instelling vooraf gestelde doelen.

* Opdrachten voor onderwijs voor doelgroepen in de agrosector en de groene ruimte via specifieke cursussen. Voor cursussen wordt de kwaliteit gewaarborgd doordat alleen door de overheid bekostigde en gecontroleerde instellingen deze cursussen mogen aanbieden. De thema's zijn gekoppeld aan de beleidsthema's van LNV.

* Voorwaardenscheppende projecten voor het onderwijs. Dit betreft onderzoek ten behoeve van kenniscirculatie en financiering van organisaties die een functie hebben in het netwerk van onderwijs-bedrijfsleven-maatschappelijke organisatie. Nieuwe projecten en programma's vanuit het veld worden gericht op de (vak)inhoudelijke vernieuwing van opleidingen en het daarvoor benodigde netwerk.

Doelgroepen

Zij die onderwijs genieten en zij die betrokken zijn (o.a. werkzaam) bij maatschappelijke activiteiten op de aandachtsgebieden van LNV..

Prestatiegegevens

InstrumentenAantalGemiddelde kosten per eenheid x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
VIA-regelingen  2 458
Regeling praktijkleren  15 096
Cursusonderwijs  1 963
Overig vakdepartementaal  9 593

09.17 Algemeen onderwijsbeleid

Operationele doelstelling: het waarborgen van algemene onderwijskundige vernieuwing van het onderwijs in de LNV-instellingen. Hiervoor is het ministerie van OCenW beleidsbepalend en het ministerie van LNV trendvolgend.

Thema's van het algemene onderwijsbeleid zoals «Doorstroom», «Elders en eerder verworven competenties in de diplomering» en «Kwaliteitsverbetering van examens» krijgen prioriteit. Dit beleid is gericht op onderwijskundige vernieuwingen die moeten bijdragen aan de kwaliteit van de opleidingen en meer ruimte voor maatwerk en diversiteit van leren. Het ICT-beleid is gericht op het bevorderen van het gebruik van informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs, met als doel een goede aansluiting van het onderwijs op de maatschappij. LNV volgt voor de algemene onderwijskundige vernieuwing het beleid van OCenW. LNV/OCenW geven daarnaast gezamenlijk prioriteit aan de aanpak van knelpunten in de wet- en regelgeving en aan een verdere integratie van het algemene onderwijsbeleid met als doel: gelijke ontwikkelingsmogelijkheden en integrale regelingen voor LNV en OCenW-instellingen (ICT, impulsregelingen, kenniskringen, BAMA) en meer ruimte voor samenwerking tussen de instellingen.

Streefwaarden

OmschrijvingStreefwaarde 2004
Een gelijke en gelijktijdige ontwikkeling van het groen en overig onderwijs100%

Beleidsinstrumenten

Deze zijn aangegeven bij het onderdeel prestatiegegevens.

Doelgroepen

Zij die onderwijs genieten binnen door LNV bekostigde onderwijsinstellingen.

Prestatiegegevens

InstrumentAantal prestatiesGemiddelde kosten per prestatie x € 1 000Totale uitgaven x € 1 000
ICT Regelingen en overige afspraken ICT  6 726
Overige regelingen (OCenW-conforme regelingen t.b.v. onderwijskundige vernieuwing)  15 402

09.18 Voorlichting

Het realiseren van een optimale kennisdoorstroming over beleidsmatige ontwikkelingen met betrekking tot voedsel en groen.

Het doel van de kennisdoorstroming is dat de betrokkenen de juiste maatregelen kunnen treffen om aan doelstellingen van LNV-beleid te voldoen. Hiervoor worden voorlichtingsopdrachten verstrekt voor het communiceren met diverse doelgroepen. De opdrachten zijn afgeleid van nieuwe beleidsnota's van het ministerie van LNV en worden openbaar aanbesteed.

Streefwaarden

Burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties handelen zoveel mogelijk met LNV-kennis die efficiënt wordt gedeeld en doorgegeven. Resultaten van dit handelen zullen gemeten worden. De output is echter pas op termijn zichtbaar.

Beleidsinstrument

Voorlichtingsopdrachten: met de opdrachten worden voorlichtingsopdrachten voor het domein voedsel en groen gefinancierd. De nota's van het ministerie van LNV zijn hierbij leidend.

Doelgroep

Actoren binnen het LNV-beleidsdomein (producenten, consumenten en kenniswerkers op het gebied van voedselvoorziening en groene ruimte).

Prestatiegegevens

 Aantal tenders voorlichtingGem. bedrag (x € 1 000)Totale uitgaven (x € 1 000)
Voorlichting  10 526

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 000
09 Kennisverspreiding2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN106 40972 03860 56459 52261 09662 94063 184
UITGAVEN83 13471 63462 12661 02062 59364 29764 541
Programma-uitgaven82 16871 25961 76460 66762 24163 94564 189
U0916 Vakdepartementaal onderwijsbeleid46 46938 22529 11028 68028 86929 82629 968
– VIA-regeling 1 5982 4582 1702 3282 4062 418
– Regeling cursusonderwijs 1 4891 9631 7341 8571 9181 928
– Regeling praktijkleren 24 68415 09615 73316 54717 18717 264
– Overig vakdepartementaal 10 4549 5939 0438 1378 3158 358
U0917 Algemeen onderwijsbeleid29 71022 12822 12822 48823 20923 70223 804
– Overige regel. WU, Alg. 120536790106109
– Overige regel. HBO-groen, Alg. 3 9274 2964 3844 5344 6334 647
– Overige regel. VMBO/MBO-groen, Alg. 11 59711 05311 20511 58711 79811 862
– Regelingen ICT 8 4696 7266 8326 9987 1657 186
U0918 Voorlichting5 9898 92110 5269 49910 16310 41710 417
– Voorlichting5 9898 92110 5269 49910 16310 41710 417
        
Apparaatsuitgaven966375362353352352352
U0922 Baten-lastendienst966375362353352352352
ONTVANGSTEN1 8392264545454545

De programma-uitgaven zijn bij vorenstaande operationele doelstellingen toegelicht aan de hand van prestatiegegevens.

De apparaatsuitgaven baten-lastendienst hebben betrekking op LASER.

De ontvangsten betreffen diverse ontvangsten in het kader van het vakdepartementaal onderwijsbeleid.

Budgetflexibiliteit

Bedragen x € 1 000
  2004 2005 2006 2007 2008
1. Totaal geraamde kasuitgaven 62 126 61 020 62 593 64 297 64 541
2. Waarvan apparaatsuitgaven 362 353 352 352 352
3. Dus programmauitgaven100%61 764100%60 667100%62 241100%63 945100%64 189
Waarvan op 1 januari 2004:          
4. juridisch verplicht o.b.v. nationale wetgeving23%14 5244%2 4222%1 2260%350% 
5. complementair noodzakelijk0% 0% 0% 0% 0% 
6. bestuurlijk gebonden (maar niet juridisch) door afspraken/convenanten/toezeggingen met/aan niet-zbo's54%33 30270%42 50966%41 02364%41 15864%41 258
7. beleidsmatig gereserveerd (o.g.v. een wettelijke regeling of beleidsprogramma, betreft algemeen regeringsbeleid)23%13 93826%15 73632%19 99236%22 75236%22 931
8. beleidsmatig nog niet ingevuld0% 0% 0% 0% 0% 
9. Totaal (=3)100%61 764100%60 667100%62 241100%63 945100%64 189

Evaluatie

Operationele doelstellingEvaluatieonderzoek2002200320042005200620072008
09.16Kaderbrief inhoudelijke vernieuwing opleidingen  X    
09.16VIA-regeling  X    
09.16Regeling cursusonderwijs  X    
09.17Algemeen onderwijsbeleid (Evaluatie CFI)   X   
09.18Voorlichting  X    

Evaluaties met betrekking tot algemeen onderwijsbeleid worden uitgevoerd door OCenW (OCenW-volgend beleid).

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is direct verantwoordelijk voor vakdepartementaal onderwijsbeleid en kennisverspreiding. De begunstigden zijn verantwoordelijk voor het daadwerkelijk te behalen resultaat.

LNV is systeemverantwoordelijk voor algemene onderwijskundige vernieuwing voor het groen onderwijs. De minister van LNV volgt het algemene onderwijsbeleid van OCenW. De begunstigde instellingen zijn verantwoordelijk voor resultaten.

VBTB-paragraaf

Het vakdepartementale beleid wordt herijkt. In de begroting 2005 zullen concrete streefwaarden en prestaties worden opgenomen.

10 Nominaal en onvoorzien

Dit niet-beleidsartikel heeft een bijzonder karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen naar de overige beleidsartikelen plaats. Daarnaast worden onvoorziene uitgaven op het artikel geraamd. Het artikel bevat de posten prijsbijstelling, loonbijstelling en onvoorzien.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen.

Loonbijstelling

Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkeling en de overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premies sociale zekerheid. Vanuit dit artikel wordt de loonbijstelling toegedeeld aan de loongevoelige beleidsartikelen.

Onvoorzien

De grondslag van deze post ligt in de Comptabiliteitswet 2001, waarin de mogelijkheid is opgenomen om een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen.

Budgettaire gevolgen

Bedragen x € 1 000
10 Nominaal en onvoorzien2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN0– 26 822– 8 366– 17 666– 5 648– 3 646– 3 646
UITGAVEN0– 26 822– 8 366– 17 666– 5 648– 3 646– 3 646
U1021 Prijsbijstelling0000000
U1022 Loonbijstelling0000000
U1023 Onvoorzien0– 26 822– 8 366– 17 666– 5 648– 3 646– 3 646
ONTVANGSTEN 000000

Toelichting

Op het onderdeel Onvoorzien is het tekort over het jaar 2002 opgenomen. Tevens is het nog niet ingevulde deel van de subsidietaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord op dit onderdeel geplaatst.

11 Algemeen

Op dit artikel worden de uitgaven, zowel apparaat als programma, toegelicht die niet vallen onder de voorgaande beleidsartikelen. Dit betreft: de apparaatsuitgaven van staf- en andere directies op het kerndepartement, regiodirecties, de Dienst Basisregistraties, uitgaven in het kader van het actieplan emancipatie, internationale contributies en de uitvoering van EU maatregelen.

Grafiek 10: Procentuele verdeling uitgaven 2004 over operationele doelstellingen en apparaat kst-29200-XIV-2-10.gif

Budgettaire gevolgen

Bedragen x € 1 000
11 Algemeen2002200320042005200620072008
VERPLICHTINGEN317 924266 010245 338239 251240 842239 035239 035
UITGAVEN318 432266 142245 333239 247240 838239 031239 031
Programma-uitgaven70 99146 98042 73842 45742 23342 23742 237
U1111 Emancipatie93198203204206209209
U1113 Internationale contributies7 4767 4357 4317 4337 4347 4357 435
U1114 Uitvoering van EU-maatregelen63 42239 34735 10434 82034 59334 59334 593
        
Apparaatsuitgaven247 441219 162202 595196 790198 605196 794196 794
U1121 Apparaat226 741192 222176 964171 938173 811172 011172 011
U1122 Baten-lastendienst20 70026 94025 63124 85224 79424 78324 783
ONTVANGSTEN301 680265 585244 435244 435244 435244 435244 435

Toelichting

De programma-uitgaven worden onderstaand toegelicht.

Gegevens inzake apparaatsuitgaven (bedragen x € 1 000)
Raming 2004Gemiddelde sterkteGemiddelde prijsTotaal
Personeel algemene leiding en stafdirecties 1)74663,047 027
Personeel overige directies 2)68251,835 351
Materieel  32 298
Materieel Ministerie algemeen en huisvesting  31 142
Overig apparaat*  31 146
Bijdrage aan Laser  25 631
Totaal apparaatsuitgaven  202 595

* Dit betreft uitgaven voor overig personeel en post-actieven.

1) Dit betreffen de personele uitgaven van de algemene leiding en de stafdirecties Kabinet (incl. LNV-VB), Personeel en Organisatie, Financieel Economische Zaken, Informatiemanagement en Facilitaire Aangelegenheden, de Accountantsdienst en de directie Voorlichting.

2) Dit betreffen de personele uitgaven voor de regio- en projectdirecties, de directies Juridische Zaken en Internationale Zaken, het Expertisecentrum LNV en de Dienst Basisregistraties.

Er is nog geen rekening gehouden met budgettaire uitvoeringsconsequenties van het akkoord over de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Na vaststelling van het implementatieplan, waarin de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken instanties zijn uitgewerkt, zal de begroting in het voorjaar indien nodig worden aangepast.

Op dit artikel worden tevens de materiële uitgaven ministerie algemeen geraamd, zoals huisvestings- en automatiseringsuitgaven, die niet zijn toe te rekenen aan de beleidsartikelen.

De afname van het apparaatsbudget is het gevolg van de ombuigingen (volumetaakstelling, efficiencytaakstelling, taakstelling inhuur externen) op de diverse apparaatsuitgaven uit het Strategisch Akkoord 2002 en het Hoofdlijnenakkoord 2003. Daarbij zijn niet opgenomen de bijkomende kosten die voortvloeien uit de veranderingen in het LNV-apparaat.

De uitgaven voor de baten-lastendienst hebben betrekking op uitvoeringskosten van LASER uit hoofde van de uitvoering van diverse EU-regelingen. Het gaat hier om diverse GLB-regelingen alsmede om de uitvoeringskosten van POP-projecten.

Ontvangsten 2004 (x € 1 000)
Totaal244 435
Landbouwheffingen230 000
EU-ontvangsten5 684
Overige ontvangsten8 751

De ontvangsten hebben met name betrekking op de landbouwheffingen. In de bijlage Europese geldstromen worden de ontvangsten uit hoofde van de landbouwheffingen per landbouwproduct weergegeven. Daarnaast worden op dit artikel ontvangsten geraamd voor de uitvoering van EU-landbouwmaatregelen. Tot slot is sprake van diverse overige ontvangsten.

Toelichting op de programma-uitgaven

U11.11 Emancipatie

Met het emancipatiebeleid wil het kabinet bereiken dat mensen hun eigen keuzen (kunnen) maken. Dit betreft op de beleidsterreinen van LNV o.a. consumenten, verwerkers, handelaren, recreanten, producenten en dienstverleners. Bij emancipatie hoort tevens onlosmakelijk dat mensen verantwoording willen en moeten afleggen.

Om de emancipatiedoelstellingen te bereiken zal worden ingezet op een gedragsverandering bij beleidsmakers en bij doelgroepen. Daartoe subsidieert LNV projecten waar aandacht is voor het voorkomen van uitsluiting en het versterken van verscheidenheid. De ontwikkeling van concrete diversiteitsprojecten moet de noodzaak van diversiteitsbeleid kracht bijzetten.

U11.13 Internationale contributies

Het ministerie van LNV voldoet jaarlijks aan de contributieverplichtingen uit hoofde van het Nederlands lidmaatschap van internationale organisaties die zich bewegen op het beleidsterrein van LNV. De contributie aan de FAO (Food and Agricultural Organisation) van de Verenigde Naties is veruit de grootste en behelst ca. 80 procent van het budget voor internationale contributies. De FAO-contributie wordt toegerekend aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), het cluster van buitenlanduitgaven en -ontvangsten op de rijksbegroting.

U11.14 Uitvoering van EU-maatregelen

Op dit artikel worden uitgaven geraamd die samenhangen met de uitvoering van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie. Concreet gaat het hier om de interventiekosten, de medebewindskosten, de uitgaven uit hoofde van de apurementprocedure en de kosten van schikkingen die samenhangen met de uitvoering van de Regeling Superheffing. Onder «interventiekosten» worden de kosten van in-, op- en uitslag verstaan van de marktordeningsproducten zuivel, rundvlees en granen.

De medebewindskosten betreffen de vergoedingen voor taken die door de productschappen in medebewind worden verricht. Deze taken omvatten de uitvoering van maatregelen in het kader van het markt- en prijsbeleid van de Europese Unie en hebben in hoofdzaak betrekking op het opleggen van heffingen, het verlenen van exportrestituties, alsmede de administratie hiervan. Een nadere toelichting betreffende de uitvoering door de productschappen uit hoofde van medebewind wordt in de EU-bijlage gegeven.

Ten behoeve van de afwikkeling van declaraties over afgesloten jaren met het EOGFL, afdeling Garantie, door middel van de zogenaamde apurement-procedure is op dit artikel een stelpost opgenomen.

Verantwoordelijkheid LNV

LNV is verantwoordelijk voor de uitvoering van de EU-maatregelen.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

Organisatieverandering

Het thema bij de invulling van de ombuigingen uit het Strategisch Akkoord van 2002 en het Hoofdlijnenakkoord 2003 is «minder beleid, minder regels, minder inzet». LNV heeft er voor gekozen via een beleidsdoorlichting duidelijke keuzen te maken. Langs deze weg dient ook een administratieve lastenverlichting voor de sector van 25% te worden gerealiseerd. De met de zgn. Houtskoolschets ingezette koers leidt er toe dat de formatie van LNV uiteindelijk kan afnemen met 1 200 fte.

Een en ander vergt een transitieperiode.

Onderdeel hiervan is een groot aantal organisatieveranderingen dat is ingezet om de LNV organisatie gereed te maken voor de toekomst. In 2004 zullen deze projecten reeds tot eerste resultaten leiden.

In de beleidsuitvoering is ervoor gekozen om 4 bestaande uitvoerende diensten te fuseren tot 1 nieuwe, gestroomlijnde organisatie voor uitvoering van regelingen.

Een aantal projecten is gericht op het efficiënter uitvoeren van staftaken (bundeling bedrijfsvoering, oprichting dienst ICT uitvoering) en een aantal vooral gericht op het anders positioneren van de beleidstaken van LNV met name betreft dit de samenvoeging van de regionale directies tot 1 directie regionale zaken.

Op 4 juli 2003 heeft de Ministerraad ingestemd met het plan om te komen tot een Shared Services Centrum (SSC) voor de gehele rijksoverheid op het gebied van de personeels- en salarisadministratie. Ook voor LNV zal dit duidelijke consequenties hebben in de vorm van vermindering van werklast op het gebied van het personeelswerk en veranderingen in organisatie en werkwijze. Anticiperend op de aansluiting per 1-1-2006 zal binnen de LNV-organisatie reeds eerder een aantal veranderingen worden doorgevoerd. Dit betekent dat binnen LNV al tot een zekere bundeling van taken zal worden overgegaan.

Agentschappen

Het streven om alle uitvoerende diensten van LNV om te vormen tot agentschappen is een stap dichterbij gekomen. DLG zal per 1 januari 2004 en AID per 1 januari 2005 de agentschapstatus verkrijgen.

De voorgenomen fusie tussen de diensten Bureau Heffingen, LASER, Dienst Basisregistraties en het LNV-loket zal leiden tot een agentschap Dienst Regelingen LNV. Deze fusie bouwt voort op de eerder ingezette kanteling van de LNV-uitvoeringsorganisatie in een front office, mid office en back office, in de ontwikkeling naar een meer klantgericht ministerie. Doel is de fusie in 2004 te effectueren.

Medio 2003 is de beheersverantwoordelijkheid voor de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) overgegaan van VWS naar LNV. De VWA heeft de status van tijdelijk agentschap. Daarbinnen functioneren naast een centrale eenheid de agentschappen RVV en Keuringsdienst van Waren.

Mededeling over de bedrijfsvoering

Over het begrotingsjaar 2002 is voor het eerst in het departementale jaarverslag een mededeling over de bedrijfsvoering afgegeven. De daarin genoemde aandachtspunten zijn vervolgens in 2003 opgepakt zodat de kwaliteit van de bedrijfsvoering verbeterd wordt. Een belangrijke inhoudelijke aanvulling is het systematisch toepassen van risicomanagement in de bedrijfsprocessen. Het gaat om het consequent in beeld brengen en beheersen van bedrijfsvoeringrisico's die afbreuk kunnen doen aan het realiseren van de LNV-beleidsdoelstellingen. Deze cyclus van continue kwaliteitsbewaking en -verbetering wordt in 2004 verder verdiept.

Management Control Systeem

Op departementaal niveau vormen binnen LNV de jaarplancyclus en de begrotingscyclus de basis voor het systematisch invullen van management control. In 2004 zal de planning- en controlcyclus voor het LNV-concern verder worden uitgebouwd. Belangrijkste aandachtspunten zijn de relatie met uitvoerende diensten en instellingen en het verhelderen van de rol van opdrachtgever, de rol van eigenaar en die van toezichthouder.

Op directieniveau zal in 2004 het Management Control Systeem (MCS) versterkt worden door een meer gestructureerde aandacht van de directieleiding voor bedrijfsvoering ter ondersteuning van het primaire proces. Dit geldt zowel voor beleidsontwikkeling als voor uitvoering.

De Mededeling bedrijfsvoering vormt een onderdeel van het MCS. De in 2002 ontwikkelde aanpak, waarbij een eensluidend normenkader op het gebied van financieel en materieel beheer wordt toegepast door de dienstonderdelen en de auditdienst (in de zgn. baseline onderzoeken), wordt geconsolideerd.

Bureau Heffingen

Profiel

Bureau Heffingen (BHf) is als agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit belast met de uitvoering van wet- en regelgeving op het gebied van het mestbeleid. BHf wil als uitvoeringsorganisatie de logische en effectieve schakel zijn tussen beleid en doelgroepen. Opdrachtgevers mogen rekenen op een efficiënte wijze van uitvoering van de wet- en regelgeving, doelgroepen mogen rekenen op een klantgerichte service.

In het type werk van Bureau Heffingen zijn twee belangrijke componenten te onderscheiden.

• Het omzetten van wet- en regelgeving in administratieve processen

• Het registreren en beoordelen van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van die wet- en regelgeving.

Taken (Instrumenten)

Voor de uitvoering van het mestbeleid is in de loop der jaren een aantal instrumenten ingezet. Door middel van de inzet van het instrument Rechten is beoogd een plafond aan te brengen in het houden van dieren (via mestproductie-, varkens- en pluimveerechten). Het Mineralenaangiftesysteem (Minas) kijkt naar het mineralenmanagement van het boerenbedrijf. Minas is in 1998 ingevoerd. Aan de ene kant wordt geregistreerd hoeveel mineralen worden aangevoerd (kunstmest, voer) en aan andere kant wordt gemeten hoeveel mineralen er weer uitgaan (mest, dieren, producten). Het verschil kan wordt beschouwd als verlies. Dat verlies mag voldoen aan een maximum plafond: de verliesnorm. Om de milieunorm van 50 mg nitraat per liter grondwater te kunnen halen, is in 2002 tevens het stelsel vanmestafzetovereenkomsten ingevoerd. Iedere veehouder moet – nog voordat hij mest produceert – kunnen aantonen waar hij die mest kwijt kan. Naast de uitvoering van de drie genoemde stelsels heeft BHf nog een aantal andere taken:

• Uitvoering van de Wet herstructurering varkenshouderijen, de Opkoopregeling varkensrechten en de afronding van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV);

• Uitvoeren van de Regeling administratieve voorschriften bestrijdingsmiddelen;

• Uitvoeren van de Regeling «Financiering identificatie en registratie» (FIER);

• Leveren van inbreng bij vormgeving van het nieuwe mestbeleid en de totstandkoming van regelgeving en het verschaffen van gegevens ter beoordeling van de effectiviteit van het gevoerde beleid;

• Voorlichting en communicatie.

Planning/Verantwoording

In een protocol zijn de afspraken vastgelegd tussen de opdrachtgever (veelal de beleidsdirectie Landbouw) en Bureau Heffingen inzake de te volgen procedure en de bestuurlijke informatie bij de totstandkoming en het onderhouden van opdrachten. BHf maakt door middel van offertes inzichtelijk welke tijd en kosten gemoeid zijn bij de uitvoering van nieuwe taken als gevolg van beleids- of wetswijzigingen. Over de planning van de uit te voeren taken, die in het jaarplan en de begroting zijn opgenomen, wordt vooraf met eigenaar van het agentschap, de Bestuursraad, en de opdrachtgever overleg gevoerd. Over de realisatie van het jaarplan en de begroting wordt aan de Bestuursraad gerapporteerd. Dit gebeurt middels de CCS- en de begrotingsrapportages. Het productenkader maakt deel uit van deze rapportages.

Ontwikkelingen

Voor het mestbeleid als geheel geldt een formatieve taakstelling van 40%. Dit vormt aanleiding om voortdurend kritisch te kijken naar de eigen financiën, verdere efficiencyverbeteringen, stroomlijning van de bedrijfsprocessen, enz. Daarnaast is een robuust nieuw meststelsel een belangrijke voorwaarde. Het Nederlandse mestbeleid is al geruime tijd onderwerp van discussie met de Europese Commissie (EC). De EC is van mening dat Minas niet voldoet aan de nitraatrichtlijn en heeft Nederland in gebreke gesteld bij het Europese Hof van Justitie. De uitspraak van het Europese Hof van Justitie over MINAS is van groot belang voor het huidige Nederlandse stelsel van mestwet- en regelgeving. Deze uitspraak wordt in het najaar van 2003 verwacht. Bureau Heffingen is hier vanuit de rol als uitvoerder van het beleid nauw bij betrokken evenals bij de Evaluatie Meststoffenwet 2004.

Strategische agenda

De strategische agenda van BHf geeft de belangrijke speerpunten voor 2004 aan.

Partner in beleid

Vanuit de expertise die BHf als uitvoerder van wet- en regelgeving heeft opgebouwd levert BHf een bijdrage aan de vormgeving van het mestbeleid.

BHf wil zich bij de uitvoering van het beleid concentreren op de sterke en toekomstvaste elementen in het bestaande beleid en de zwakkere elementen afbouwen. Aspecten die bij deze afweging van belang zijn: administratieve lasten, klantgerichtheid, effectiviteit, uitvoeringskosten, uniforme/generieke processen. Daartoe biedt BHf aan de opdrachtgever opties voor de verbeterde vormgeving van de uitvoering van het mestbeleid aan.

Klantgerichtheid

In de missie is aangegeven wat de klant van Bureau Heffingen mag verwachten. In 2002 is een aantal zaken in gang gezet die in 2004 verder ontwikkeld of benut zal worden.

Integrale klantafhandeling

Een belangrijke stap in het verbeteren van de dienstverlening richting de boer is het werken volgens het uitgangspunt van integrale klantafhandeling (IKA). Dit betekent dat een klant zoveel mogelijk door één medewerker wordt geholpen, die daarbij aandacht heeft voor de samenhang tussen de verschillende instrumenten.

Vermindering administratieve lastendruk

Een belangrijke bijdrage aan een hogere tevredenheid van de klant wordt eveneens bereikt door een verdere verlaging van de administratieve lasten. Door verdere digitalisering moet het in 2004 mogelijk worden om transacties en aangiften elektronisch te melden. Daarnaast wordt gewerkt aan de harmonisatie van begrippen en de overgang naar één registratienummer voor bedrijven (samen met DBR).

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

Bureau Heffingen
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement53 89845 41735 40129 71528 28928 28628 286
Opbrengst derden297471471471471471471
Rentebaten190170170170170170170
Exploitatiebijdrage 1 160     
        
Totaal baten54 38547 21836 04230 35628 93028 92728 927
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personeel18 46417 80716 15411 89310 59310 90010 900
* materieel22 64518 0398 9338 1858 1858 1858 185
Huisvesting4 5845 2835 0665 0665 0665 0665 066
Rentelasten499451379395388372372
Afschrijvingskosten       
* materieel1 8972 1272 1922 3252 4562 2502 250
* immaterieel4 4773 5113 3182 4922 2422 1542 154
Dotaties voorzieningen– 399      
        
Totaal lasten52 16747 21836 04230 35628 93028 92728 927
        
Saldo van baten en lasten2 218000000

Toelichting

Baten

De Opbrengst moederdepartement in 2004 sluit aan bij de in de begroting van LNV geraamde bedragen.

De Opbrengst derden heeft grotendeels betrekking op het registreren van blokkaderecht en het toepassen van het profijtbeginsel bij overdracht mestproductierechten, pluimvee- en varkensrechten. Het betreft vergoedingen (leges) die veehouders moeten betalen voor de behandeling van overdracht van mestproductierechten dan wel pluimvee of varkensrechten. De leges dienen vooraf te worden voldaan.

De Rentebaten hebben betrekking op het voordelige saldo van de Rekening-courant.

Lasten

De personele kosten in 2004 hebben betrekking op de salariskosten van het personeel op de vaste en tijdelijke formatieplaatsen (400 fte) en van uitzendkrachten (10 fte) en zijn gebaseerd op een middensom van € 39 400,–. De externe inhuur (10 fte) wordt verantwoord onder de materiële kosten. De totale personele bezetting is verlaagd van 570 in 2002 naar 420 fte's in 2004.

De materiële kosten in 2004 bestaan uit personeelsgebonden kosten (10%), automatiseringskosten (19%), logistieke kosten (37%) en diensten derden(4%) en overig (30%).

De huisvestingskosten betreffen de exploitatielasten (huur, energie, schoonmaakkosten etc.) van de panden waarin Bureau Heffingen is gehuisvest.

De rentelasten hebben betrekking op de financiering van de vaste activa d.m.v. leningen (aflossingsdragend vermogen met verschillende rentepercentages).

De afschrijvingen voeden de begroting van kapitaaluitgaven en -ontvangsten. De afschrijvingen vinden lineair plaats en zijn gebaseerd op de historische aanschafwaarde. De afschrijvingslasten in 2004 bestaan uit € 2,2 mln afschrijvingen materieel en €3,3 mln afschrijvingen immaterieel.

Kasstroomoverzicht 2004

Bureau Heffingen
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari8 0327 68810 47411 12411 01110 69110 156
        
2. Totaal operationele kasstroom3 6839 5105 5104 8174 6984 4044 404
        
3a. -/- totaal investeringen– 4 547– 4 629– 4 380– 4 380– 4 380– 4 380– 4 380
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen13      
        
3. Totaal investeringskasstroom– 4 534– 4 629– 4 380– 4 380– 4 380– 4 380– 4 380
        
4a. -/- uitkering aan moederdepartement – 1 663     
4b. + storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossingen op leningen– 4 293– 5 061– 4 860– 4 930– 5 018– 4 939– 4 939
4d. + beroep op leenfaciliteit4 8004 6294 3804 3804 3804 3804 380
        
4. Totaal financieringskasstroom507– 2 095– 480– 550– 638– 559– 559
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)7 68810 47411 12411 01110 69110 1569 621

De operationele kasstroom bestaat uit het saldo baten en lasten, de afschrijvingen en de mutaties werkkapitaal. Voor 2003 is in de mutatie werkkapitaal uitgegaan van een bijdrage vanuit het moederdepartement t.b.v. de gedane voorfinanciering ad. € 3,9 mln.

De investeringen 2004 zijn onderverdeeld in:

• Hardware, maatwerk software, software en ontwerpen van formulieren door derden (€ 3,9 mln. met afschrijvingstermijn 3 jaren)

• Inventaris/installaties en overige materiële vaste activa bestaande uit kantoormeubilair, kantoormachines en overige aanschaffingen (€ 0,2 mln met afschrijvingstermijn 5 jaren)

• Verbouwingen en huisvesting (€ 0,3 mln. met afschrijvingstermijn 10 jaren)

Overzicht vermogensontwikkeling

Bureau Heffingen
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari1 2763 4941 8311 8311 8311 8311 831
        
2. Saldo van baten en lasten2 218      
        
3a. Uitkering aan moederdepartement – 1 663     
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties       
        
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen – 1 663     
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)3 4941 8311 8311 8311 8311 8311 831

Het positieve exploitatieresultaat over 2002 wordt grotendeels uitgekeerd aan het moederdepartement.

Prestaties

Ten behoeve van de planning en de verslaglegging is een productenkader opgesteld in de vorm van instrumentafspraken met Directie Landbouw waarin de hoofdproducten (= kerntaken) van Bureau Heffingen zijn benoemd. Per instrumentafspraak worden de gerealiseerde output en de bestede uren vermeld.

Productenkader 2003
 Product-eenheden x 1 000Uren x 1 000Uren per product-eenheidLasten totaal x € 1 000Lasten per producteenheid
1. Minas1 4714760,3227 13818,45
2. Rechten312287,4810 986354,38
3. Mestafzetovereenkomsten511192,346 101119,63
4. Overig wet- en regelgeving35150,4169519,87
      
Subtotaal1 5888380,5344 92028,29
5. Dienstverlening 43 2 298 
      
Totaal1 588881 47 218 
Productenkader 2004
 Product-eenheden x 1 000Uren x 1 000Uren per product-eenheidLasten totaal x € 1 000Lasten per producteenheid
1. Minas8104400,5420 57825,40
2. Rechten281405,036 567234,53
3. Mestafzetovereenkomsten511112,195 201101,98
4. Overig wet- en regelgeving35300,851 39839,95
      
Subtotaal9247210,7833 74436,52
5. Dienstverlening 43 2 298 
      
Totaal924764 36 042 

Toelichting

1. Bestaat uit aangifte Minas (80 000), invordering Minas (2000) en diverse registraties (mestopslag, MAB, VDM, BOOM, voerjaaroverzicht).

2. Bestaat uit transacties Mestproductierechten (11 730), transacties varkensrechten, bedrijfsmutatieformulieren (14 425), blokkaderecht en RBV.

3. Bestaat uit Mestafzetovereenkomsten (50 500) en Mest buiten Landbouw (TME 350).

4. Bestaat uit registratie grensboeren (600), registratie EVOA (24 200), bestrijdingsmiddelen (500), Melding voorafgaand aan export (9 800).

Doelmatigheidsgegevens

Telefoon
TelefoonAantal Raming 2003Aantal Raming 2004
Divisie Rechten30 00020 000
Divisie Heffingen32 60020 000
Divisie R & I30 00010 000
Totaal92 60050 000

De aantallen 3e lijns telefoon (op dossierniveau) is de afgelopen jaren verminderd. De sector is beter bekend met de wet- en regelgeving. Bovendien behoren de achterstanden in de afhandeling van Minas-aangiften vanaf 2004 tot het verleden; de 1e en 2e lijns telefoongesprekken worden door het LNV-loket behandeld.

Klachten
KlachtenAantal Raming 2003Aantal Raming 2004
Rechten2020
Minas3625
Mestafzetovereenkomsten 5
Totaal5650

De klachten Minas zullen enigszins afnemen omdat de achterstanden in de afhandeling van Minas-aangiften zijn ingelopen. Klachten over Mestafzetovereenkomsten zijn gesteld op 5 per jaar.

De norm is dat klachten binnen 14 werkdagen afgehandeld worden inclusief terugkoppeling van het resultaat naar de klant.

Bezwaar & Beroep
Bezwaarschriften/categorieAantal Raming 2003Aantal Raming 2004
Rechten206380
Minas14 00010 800
Mestafzetovereenkomsten1 354200
Totaal15 56011 380
Beroepschriften/categorieAantal Raming 2003Aantal Raming 2004
Rechten30100
Minas650500
Mestafzetovereenkomsten 40
Totaal680640

Rechten: De raming van het aantal af te handelen bezwaren in 2004 is hoger omdat de voorraden zijn toegenomen. De raming van het aantal beroepszaken ligt in 2004 hoger omdat de resterende zaken complexer zijn, waardoor vaker beroep aangetekend zal worden.

Het aantal af te handelen bezwaarschriften Minas zal afnemen omdat er, door het inlopen van de achterstanden in af te handelen Minas-aangiften, in 2004 minder nieuwe bezwaar- en beroepschriften binnen zullen komen (minder beoordelingen – minder bezwaren – minder beroep).

Op basis van ervaringscijfers is het aantal bezwaar- en beroepschriften MAO bijgesteld naar respectievelijk 200 en 40 per jaar.

Bezwaar- en beroepschriften

Rechten worden afgehandeld binnen 6 weken, met eventueel verdaging van nog eens 4 weken. Bezwaar- en beroepschriften Minas-aangifte worden afgehandeld binnen 6 maanden tenzij verdaging plaatsvindt.

Dienst Landelijk Gebied

Profiel

Voor Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen vertaalt de Dienst Landelijk Gebied (DLG) beleid voor het landelijk gebied naar de praktijk. DLG voert projecten en programma's uit die zijn gericht op functiewijzigingen in het landelijk gebied en de stadsrand en een duurzaam gebruik en beheer hiervan. De uitvoering van projecten en programma's heeft vaak een meerjarig karakter.

DLG is sterk gericht op het begeleiden van de uitvoering, procesmanagement, kwaliteitsborging en verantwoording over de geleverde prestaties. DLG is te karakteriseren als een multi-projectenorganisatie. DLG werkt op een professionele, zakelijke, maar niet commerciële wijze. Per 1 januari 2004 opereert DLG als agentschap van het Ministerie van LNV. Een evaluatie van deze agentschapsvorming is voorzien in 2007.

De missie van DLG luidt: «DLG werkt aan een mooi en vitaal buitengebied van stad en land».

De producten/diensten van DLG zijn weergegeven in onderstaande tabel

Overzicht bedrijfsprocessen en producten/diensten van DLG
BedrijfsprocesProduct/Dienst
1. Omzetten grond1.1 Verwerving grond 1.2 Vervreemding grond 1.3 Exploitatie grond
2. Inrichten landelijk gebied2.1 Planvorming 2.2 Planuitvoering
3. Uitvoeren subsidieregelingen3.1 Adviezen aanvragen 3.2 Uitvoering subsidieregelingen
4. Adviseren4.1 Advisering algemeen en beleid 4.2 Informatieverstrekking

De producten van DLG ten behoeve van het moederdepartement zijn gericht op het in opdracht uitvoeren van voorgenomen beleid, zoals dat is vastgelegd in de beleidsartikelen van de LNV-begroting:

01 Versterking landelijk gebied

02 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

03 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

04 Economisch perspectiefvolle agroketens

De grondverwervingtransacties die plaatsvinden in het bedrijfsproces omzetten grond (1) worden verricht door het ZBO Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL). De medewerkers van DLG voeren de werkzaamheden uit voor BBL.

Voor die subsidieregelingen waarin sprake is van medefinanciering door de Europese Unie is DLG erkend betaalorgaan.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

Dienst Landelijk Gebied
Bedragen x € 1 00020042005200620072008
Baten     
Opbrengst moederdepartement63 55961 12259 87859 87159 871
Opbrengst overige departementen1 7451 7451 7451 7451 745
Opbrengst derden7 9477 9477 9477 9477 947
Rentebaten122122122122122
Buitengewone baten00000
Exploitatiebijdrage00000
Verborgen opbrengsten6 7216 7216 7216 7216 721
Totaal baten80 09477 65776 41376 40676 406
      
Lasten     
Apparaatskosten     
* personeel51 44448 41846 88546 45347 069
* materieel15 82214 86714 38314 24614 441
Rentelasten499632682686678
Afschrijvingskosten     
* materieel2 9333 5363 5403 8893 326
* immaterieel1 4852 3333 0783 2943 054
Dotaties aan voorzieningen570570570570570
Buitengewone lasten00000
Verborgen lasten6 7216 7216 7216 7216 721
Totaal lasten79 47477 07775 85975 85975 859
      
Saldo van baten en lasten620580554547547

Toelichting

Baten

Van het moederdepartement wordt jaarlijks een opdracht ontvangen, zoals afgesproken in het aansturingprotocol DLG. De door DLG te verrichten werkzaamheden en het van het moederdepartement te ontvangen bedrag bij uitvoering van de opdracht wordt hierin nader vastgesteld.

De opbrengsten overige departementen (zgn. tweeden) hebben voornamelijk betrekking op het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De opbrengsten derden hebben voornamelijk betrekking op provincies.

De opbrengsten zijn als volgt verdeeld over de producten:

ProductenMoederdepartement (%)Tweeden (%)Derden (%)
– verwerving grond7375
– vervreemding grond481
– exploitatie grond2 0
– planvorming192314
– planuitvoering363238
– adviezen aanvragen5 1
– uitvoering subsidieregelingen15 8
– advisering algemeen en beleid11 7
– informatieverstrekking1 26

Rentebaten: gerekend is met 1,5% rente en kwartaalstorting van het moederdepartement.

De verborgen opbrengsten hebben een fictief karakter. Voor de bepaling van de integrale kosten is het namelijk noodzakelijk dat de kosten die andere diensten c.q. directies van LNV verantwoorden, voor de voortbrenging van DLG-producten en diensten worden meegenomen. Desbetreffende diensten berekenen deze kosten echter niet door aan DLG. Op haar beurt brengt DLG deze kosten dan ook niet in rekening bij de LNV-opdrachtgevers. Wel worden deze kosten aan opdrachtgevers buiten LNV in rekening gebracht. In concreto gaat het hier om huisvestingskosten.

Lasten

De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel vaste als tijdelijke formatie.

De gemiddelde personeelssterkte is 1015,7 fte tegen een gemiddelde prijs van € 49 105,– voor ambtelijk personeel. Dit is in totaal € 49,9 mln.

Daarnaast zijn er kosten geraamd voor de inhuur van derden om werk te kunnen uitvoeren. Het betreft o.a. kosten verband houdend met het onderhoud van de geautomatiseerde systemen.

Dit is in totaal € 1,5 mln.

De materiële kosten bestaan uit personeelsgerelateerde kosten (reis- en verblijfkosten, opleidingen) 26%, bureaukosten 14%, uitvoeringskosten 25%, huisvestingskosten 28% en overige kosten (w.o. diensten derden en overige automatiseringskosten) 7%.

De rentelasten vloeien voort uit de financiering van de investeringen van DLG via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. De geldende rentepercentages zijn:

3 jaar: 2,73%

4 jaar: 3,00%

7 jaar: 3,71%

De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële en immateriële vaste activa zoals opgenomen in de indicatieve openingsbalans. De afschrijvingskosten volgen uit de geraamde boekwaarde van de activa per 1 januari 2004 en uit het investeringsprogramma van DLG. De afschrijvingen vinden lineair plaats met een afschrijvingstermijn van 3 tot 7 jaar. De afschrijvingskosten zijn gebaseerd op waardering van de activa zoals opgenomen in de indicatieve openingsbalans – door middel van een inventarisatie bij een aantal vestigingen van DLG. De verzamelde gegevens zijn geëxtrapoleerd. In de definitieve openingsbalans worden de gegevens uit de complete inventarisatie en de daarop gebaseerde waardering opgenomen.

Dotaties aan voorzieningen: als voorzieningen zijn opgenomen: wachtgeld en dubieuze debiteuren (begroot als 2% van de omzet tweeden en derden). Als besloten wordt tot reorganisatie moet ook daarvoor een voorziening worden opgenomen. Deze is nu als Pm opgenomen.

De verborgen lasten betreffen kosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van DLG, maar door andere directies en diensten van LNV worden verantwoord. Het betreft hier de kosten van huisvesting.

Indicatieve openingsbalans
Bedragen x € 1 0001-1-2004
Activa 
Immateriële vaste activa3 427
Materiële vaste activa 
* Grond en gebouwen0
* Installaties en inventarissen2 473
* Overige materiële vaste activa4 805
Voorraden 
Debiteuren1 300
Nog te ontvangen van het moederdepartement2 120
Overig nog te ontvangen850
Liquide middelen0
  
Totaal activa14 975
  
Passiva 
Eigen vermogen 
* Exploitatiereserve0
* Verplichte reserves0
* Onverdeeld resultaat0
Leningen bij het MvF10 705
Voorzieningen370+pm
Crediteuren1 400
Nog te betalen posten2 500
  
Totaal passiva14 975

Toelichting

De indicatieve openingsbalans geeft een geprognosticeerde stand van zaken per 1 januari 2004. De definitieve openingsbalans zal begin 2004 worden opgesteld als onderdeel van de verantwoording over 2003 en worden voorzien van een accountantsverklaring. De omvang van de verschillende posten zal nog wijzigen als gevolg van het feitelijk beloop 2003 en de definitieve afspraken tussen eigenaar en DLG over de financiering van het agentschap DLG, die in de tweede helft van 2003 worden gemaakt.

Algemene grondslagen voor de opstelling van de openingsbalans

De openingsbalans is opgesteld in (duizenden) euro's. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders wordt vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarde.

Grondslagen voor de waardering van activa en passiva

– De immateriële vaste activa worden gewaardeerd op het bedrag van de bestede kosten, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen. De jaarlijkse afschrijvingen bedragen een percentage van de bij derden bestede kosten zoals nader in de toelichting op de balans is gespecificeerd.

– De materiële vaste activa worden gewaardeerd op verkrijgingprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen. De afschrijvingen worden gebaseerd op de geschatte economische levensduur en worden berekend op basis van een vast percentage van de verkrijgingprijs, rekening houdend met eventuele residuwaarde. Er wordt afgeschreven vanaf het moment van ingebruikneming.

– De vorderingen worden opgenomen tegen nominale waarde, onder aftrek van de noodzakelijk geachte voorzieningen voor het risico van oninbaarheid. Deze voorzieningen worden bepaald op basis van individuele beoordeling van de vorderingen

Toelichting op de onderscheiden posten van de openingsbalans

– De waarde van de vaste activa is gebaseerd op een inventarisatie van de aanwezige activa. Van de activa is op basis van de historische aanschaf de aanschafwaarde en cumulatieve afschrijvingen de boekwaarde per 1 januari 2004 bepaald. Hierbij is ook rekening gehouden met investeringen die in 2003 plaatsvinden.

Een overzicht van de vaste activa is onderstaand opgenomen:

Bedragen x € 1 000Immateriële vaste activaMateriële vaste activaTotaal
  Installaties en inventarisOverige materiele vaste activa 
Aanschaffingen11 9058 68912 09232 686
Cumulatieve afschrijvingen8 4786 2167 28721 981
Boekwaarde per 1 januari 20043 4272 4734 80510 705
Afschrijvingspercentages25%-331/3%14 2/7%-331/3%14 2/7%-331/3% 

– De debiteuren bestaan hoofdzakelijk uit tweeden en derden voor wie DLG opdrachten uitvoert en factureert, onder aftrek van een geraamde voorziening voor dubieuze debiteuren van 2% van de factuurwaarde van opdrachten voor tweeden en derden. Per datum openingsbalans zullen de vorderingen per post beoordeeld worden op volwaardigheid.

– Nog te ontvangen van het moederdepartement: het saldo van de kortlopende vorderingen en schulden en de voorzieningen is opgenomen als vordering op het moederdepartement.

– De post overige nog te ontvangen bedragen bestaat uit terug te ontvangen ziektegelden en het per einde van het boekjaar nog te factureren bedrag aan omzet aan tweeden en derden. Dit is indicatief bepaald op 1/12 deel van de omzet.

Bedragen x € 1 0001–1–2004
Nog te factureren opbrengsten750
Te ontvangen ziektegelden100
 850

– De liquide middelen bestaan uit de rekening-courant bij de rijkshoofdboekhouding, welke per 1 januari 2004 wordt geopend.

– Exploitatiereserve: In de tabel toekomstige vermogensontwikkeling is de toekomstige vermogensontwikkeling van het agentschap weergegeven. Uitgegaan is van een geleidelijke opbouw van de exploitatiereserve op basis van het risicobeleid van DLG. De exploitatiereserve groeit tot maximaal 5% van de gemiddelde omzet. De opbouw van deze reserve zal worden gefinancierd via het tarief (risico-opslag).

– Voorzieningen: Op basis van in de tweede helft van 2003 te maken afspraken over het risicobeleid zullen voorzieningen worden vastgesteld. Vooralsnog is uitgegaan van de volgende voorzieningen:

Bedragen x € 1 0001-1-2004
Wachtgeld370
Reorganisatiepm
 370 + pm

– De uitstaande leningen bij het ministerie van Financiën bestaan uit de volgende leningen. Het gaat hierbij om rentedragende leningen met een looptijd langer dan een jaar.

Bedragen x €1 0001-1-2004
Lening uit hoofde overdracht vaste activa10 705
Lening uit hoofde van nieuwe investeringen0
 10 705

– De post crediteuren betreft kosten waarvan de factuur in het volgende boekjaar betaald wordt. Indicatief is hier een bedrag opgenomen van de materiële lasten van 1 maand.

– Overige nog te betalen posten

Bedragen x €1 0001-1-2004
Nog te betalen vakantiegeld1 900
Nog te betalen interim-uitkering600
 2 500

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Per 1 januari 2004 zullen de financiële verplichtingen worden gespecificeerd die niet in de balans behoeven te worden opgenomen, maar waarvan de gegevens moeten worden vermeld in de toelichting bij de balans.

Kasstroomoverzicht 2004

Dienst Landelijk Gebied
Bedragen x € 1 00020042005200620072008
1. Rekeningcourant RIC 1 januari02 7403 3203 8744 421
      
2. Totaal operationele kasstroom7 1586 4497 1727 7306 927
      
3a. -/- totaal investeringen6 75611 1424 0169 7984 255
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen00000
      
3. Totaal investeringskasstroom– 6 756– 11 142– 4 016– 9 798– 4 255
      
4a. -/- uitkering aan moederdepartement00000
4b. + storting door moederdepartement00000
4c. -/- aflossingen op leningen4 4185 8696 6187 1836 380
4d. + beroep op leenfaciliteit6 75611 1424 0169 7984 255
      
4. Totaal financieringskasstroom2 3385 273– 2 6022 615– 2 125
      
5. Rekeningcourant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)2 7403 3203 8744 4214 968

Toelichting

Het beginsaldo op de rekening courant per startdatum van het agentschap is nul. De ontwikkeling van de exploitatiereserve wordt opgebouwd met 1% per jaar tot maximaal 5% van de toekomstige baten.

De boekwaarde van de vaste activa per 1 januari 2004 wordt overgedragen aan DLG. Deze overdracht wordt gefinancierd met een initiële lening, welke wordt afgelost in 7 jaar.

DLG heeft een investeringsplan opgesteld voor de komende vijf jaar. Ter financiering worden leningen afgesloten. Het investeringsplan is gebaseerd op plannen ten aanzien van de huisvesting, waaronder nieuwe inrichting van enkele kantoren en ICT dat voorziet in de vervanging van kantoorautomatisering en bedrijfssystemen.

Het aflossingsschema van de leningen is afgestemd op de afschrijvingslasten die voortvloeien uit toekomstige investeringen en de overdracht van de boekwaarde van de vaste activa per startdatum van het agentschap.

Overzicht vermogensontwikkeling

Dienst Landelijk Gebied
Bedragen x € 1 00020042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari06201 2001 7542 301
      
2. Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar620580554547547
      
3a. Uitkering aan moederdepartement00000
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen00000
3c. Overige mutaties00000
      
4. Eigen vermogen per 31 december6201 2001 7542 3012 848

Prestaties

De prestaties die DLG levert worden gevormd door het aantal directe uren per product/dienst waartoe DLG een opdracht heeft verkregen en de daarmee bereikte resultaten. In 2003 vindt de nulmeting plaats van de prestatie-indicatoren. De gegevens zullen worden geleverd bij de eerste suppletore begroting.

 UrenAantallen gerealiseerd
Producten20032004 20032004
Verwerving grond  ha  
Vervreemding grond  ha  
Exploitatie grond  ha  
Planvorming  plannen  
Planuitvoering  plannen  
Adviezen aanvragen  adviezen  
Uitvoering subsidieregelingen  regelingen  
Advisering algemeen en beleid  adviezen  
Informatieverstrekking     

Doelmatigheidsgegevens

DLG onderscheidt een mix van indicatoren en prikkels met betrekking tot de doelmatigheid. De eerste drie doelmatigheidsindicatoren zijn gericht op de kostprijs en de laatste twee op de kwaliteit. In 2003 vindt de nulmeting plaats van de doelmatigheidsindicatoren. De gegevens zullen worden geleverd bij de eerste suppletore begroting.

 20032004
Gemiddeld aantal direct productieve uren per ftep.m.p.m.
Verhouding tussen directe en indirecte urenp.m.p.m.
Gemiddelde prijs per uurp.m.p.m.
(Toegewezen) bezwaarschriften, verloren geschillenp.m.p.m.
Doorlooptijd per (subsidie)aanvraagp.m.p.m.

Toelichting

– Het gemiddeld aantal direct productieve uren per fte werkzaam in de projecten is een kostprijsindicator.

– Bij de verhouding tussen directe en indirecte uren zijn de directe uren gedefinieerd als alle uren die kunnen worden gedeclareerd bij opdrachtgevers.

– De gemiddelde prijs per uur is de basisindicator voor het meten van de doelmatigheid van DLG. Op basis van het proefdraaien met DLG als Agentschap wordt in 2003 de kostprijs vastgesteld.

– De indicator voor (toegewezen) bezwaarschriften, verloren geschillen bij rechtbank is een indicator voor de kwaliteit van de output van het proces.

– De doorlooptijd per (subsidie) aanvraag is de indicator voor de efficiency van het proces.

In het externe besturingsmodel wordt de doelmatigheidsprikkel voor DLG op onderdelen tevens gevormd door «concurrentie» van de provincies zelf. De provinciale besturen kunnen bijvoorbeeld besluiten de planvorming in eigen hand te houden wanneer DLG te duur wordt bevonden of te weinig kwaliteit biedt. De inzet van DLG wordt bekostigd en afgerekend op basis van uren. Echter ook de in die uren geleverde prestaties kunnen de provincies redenen geven tot (on)tevredenheid over de dienstverlening van DLG en eventuele aanzet tot verdergaande doelmatigheid. De provincies krijgen immers op basis van het uitvoeringscontract de beschikking over beperkte vooraf afgesproken DLG-capaciteit om daarmee rijksdoelen te realiseren.

Met betrekking tot de kwaliteit van DLG worden – naast monitoring met behulp van de genoemde indicatoren – ook kwaliteitsaudits uitgevoerd door onder meer de afdeling interne controle, die nagaat of er conform de wet- en regelgeving door DLG wordt gewerkt. Daarnaast voert de Europese Commissie ten aanzien van betaalorgaanactiviteiten inspecties uit op de werkwijze en uitvoering van DLG. Bij de opdrachtgevers worden tenslotte onderzoeken uitgevoerd naar de klanttevredenheid.

In 2007 zal door de Bestuursraad-SG de eerste evaluatie van doelmatigheid, doeltreffendheid, transparantie en kwaliteit van bedrijfsvoering over de jaren 2004, 2005 en 2006 plaatsvinden.

LASER

Profiel

LASER heeft als kerntaak de uitvoering van regelingen op het terrein van primaire landbouw, visserij, verwerkende industrie, natuur, bos, landschap en recreatie. Daarnaast werkt het agentschap LASER ook voor andere opdrachtgevers, zoals andere departementen, provincies en gemeenten.

De regelingen die LASER uitvoert hebben in veel gevallen betrekking op de uitvoering van financiële regelingen in de vorm van subsidies, interventies en garanties. Ook worden op grond van wettelijke bepalingen vergunningen verstrekt en ontheffingen verleend. Advies over de uitvoerbaarheid van regelingen maakt deel uit van het werk. Tevens worden gegevens verzameld, bewerkt en verstrekt. In noodsituaties is LASER onder meer actief op het terrein van crisisbeheersing (o.a. de uitbraak van Aviaire Influenza, BSE en MKZ) en de uitvoering van schaderegelingen, zoals de uitvoering van de Wet Tegemoetkoming Schade bij rampen en zware ongevallen (WTS), waaronder de vuurwerkramp Enschede valt. Het totale werkterrein van LASER is zeer gevarieerd en onderhevig aan wisselende politiek-maatschappelijke accenten.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

Laser
Bedragen x € 10002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst Moederdepartement66 98247 08344 80143 43743 33843 31944 421
Opbrengst Overige departementen5 9455 451892892892892892
Opbrengst Derden9902 3122 4252 4252 4252 4252 425
Rentebaten6884869168
Buitengewone baten19
        
Verborgen opbrengsten7 0975 2895 0624 8352 108
        
Totaal baten81 03360 13553 24851 67348 84946 72747 506
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten45 18434 59129 75430 38927 90827 43828 730
* materiele kosten25 13015 96213 68913 99812 83712 61613 225
Rentelasten210522508522534559567
Afschrijvingskosten       
* materieel1 0471 0961 4241 5151 4711 4451 449
* immaterieel1 8652 0624 0354 1385 2154 6693 535
Dotaties voorzieningen21- 
Buitengewone lasten4
        
Verborgen lasten6 8545 9023 8381 111884
        
Totaal lasten80 27360 13553 24851 67348 84946 72747 506
        
Saldo van baten en lasten760

Toelichting

Baten

De opbrengsten LNV volgen uit het meerjarig beeld van de uit te voeren regelingen op grond van het werkpakket 2003. De omzetraming voor 2004 t/m 2008 heeft een voorlopig karakter.

De opbrengsten overige departementen hebben betrekking op de uitvoering van regelingen in opdracht van het Ministerie van VROM en BZK.

De opbrengsten derden hebben enerzijds betrekking op uitvoering van regelingen in opdracht van lagere overheden. Anderzijds heeft deze post betrekking op de vergoeding van verstrekte vergunningen (leges), de verkoop van kaarten, etc..

De verborgen opbrengsten hebben een fictief karakter. Voor de bepaling van de integrale kosten is het namelijk noodzakelijk dat de kosten die andere LNV diensten verantwoorden voor de voortbrenging van LASER producten en diensten worden meegenomen. Desbetreffende diensten berekenen deze kosten echter niet door aan LASER. Op haar beurt brengt LASER deze kosten dan ook niet in rekening bij de LNV-opdrachtgevers. Wel worden deze kosten aan opdrachtgevers buiten LNV in rekening gebracht.

Lasten

De personele kosten hebben betrekking op de salariskosten van zowel de vaste als tijdelijke formatie. Voor ambtelijk personeel gaan we uit van een productiviteit van 76,5%. Daarnaast verhoudt de verdeling van tijdelijk personeel tot vast personeel zich als 1:3,3.

De materiële kosten hebben betrekking op opleidingen (10%), reis- en verblijfkosten (12%), bureaukosten en drukwerk (20%), huisvestingskosten (25%), automatisering (25%). Daarnaast zijn er kosten geraamd voor de inhuur van derden (2%) om regelingen te kunnen uitvoeren. Het betreft o.a. kosten verband houdend met het onderhoud van de geautomatiseerde systemen. De overige 6% bestaat uit Catering, Abonnementen en Projectkosten.

De rentelasten vloeien voort uit de financiering van de investeringen van LASER via de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën. De geldende rentepercentages zijn:

– 3 jaar: 3,35%

– 4 jaar: 3,55%

– 7 jaar: 4,13%

– 30 jaar: 5,60%

De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële en immateriële vaste activa. Onder de materiële activa vallen o.a. de kantoorinventaris kantoormachines, hardware (alle met een afschrijvingstermijn van 3 jaar) en installaties (afschrijvingstermijn 7 jaar). De immateriële vaste activa betreft de inzet van Informatie Technologie voor de uitvoering van de regelingen: software en licenties (afschrijvingstermijnen respectievelijk 4 en 3 jaar). De afschrijvingskosten volgen uit de boekwaarde van de activa en uit het investeringsprogramma van LASER. De afschrijvingen vinden lineair plaats met een afschrijvingstermijn van 3 tot 30 jaar.

Voor 2004 is het bedrag voor afschrijvingen € 5 458 984 als volgt verdeeld over de verschillende categorieën.

A) Kantoorinventaris, Kantoormachines en Hardware € 1 261 369

B) Installaties €    79 264

C) Software en Licenties € 4 118 351

De verborgen lasten betreffen kosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van LASER, maar door een andere LNV directie worden verantwoord. Het betreft in hoofdzaak de gecalculeerde huur voor de regionale vestigingen, het verborgen aandeel in de huur van het hoofdgebouw van LNV en de calculatorische afschrijvingen.

Kasstroomoverzicht 2004

Laser
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekeningcourant RIC 1 januari5 738425 1328 9938 5559 4299 478
        
2. Totaal operationele kasstroom–3 1128 1258 2215 1436 6946 1154 983
        
3a. -/- totaal investeringen– 8 483– 5 496– 6 019– 4 732– 7 400– 5 878– 6 812
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen
3. Totaal investeringskasstroom– 8 483– 5 496– 6 019– 4 732– 7 400– 5 878– 6 812
        
4a. -/- eenmalige uitkeringen aan LNV       
4b. +/+ eenmalige storting door LNV       
4c. -/- aflossingen op leningen– 1 215– 3 035– 4 360– 5 581– 5 820– 6 066– 6 119
4d. +/+ beroep op leenfaciliteit7 1145 4966 0194 7327 4005 8786 812
4. Totaal financieringskasstroom5 8992 4611 659– 8491 580– 188693
        
5. Rekeningcourant RIC 31 december (=1+2+3+4)425 1328 9938 5559 4299 4788 342

Toelichting

De stijging van de operationele kasstroom wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de stijging van de afschrijvingskosten. De investeringen voor de periode 2003 t/m 2007 leiden tot een jaarlijkse stijging van deze kosten.

De investeringen in de immateriële vaste activa vloeien voort uit het investeringsprogramma ter vervanging van de huidige systemen. Daarnaast zijn de investeringen in de materiële vaste activa voornamelijk gericht op het vervangen van verouderde en afgeschreven activa.

De investeringen voor 2004 bedragen € 6 019 206. Dit is opgebouwd uit de volgende investeringen.

A) Kantoorinventaris, Kantoormachines en Hardware € 1 270 275

B) Installaties €    56 015

C) Software en Licenties € 4 692 916

De uiteindelijke stijging van de Rekeningcourant RIC wordt veroorzaakt, doordat de afschrijvingen de aflossingen tot 2007 overstijgen.

Overzicht vermogensontwikkeling

Laser
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari2 4613 2213 2213 2213 2213 2213 221
        
2. Saldo van baten en lasten760
        
3a. Uitkering aan moederdepartement 
3b. Bijdrage moederdepartement 
3c. Overige mutaties 
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen       
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)3 2213 2213 2213 2213 2213 2213 221

Kengetallen en indicatoren

Beheersmatige indicatoren

LASER onderscheidt een aantal indicatoren om het (financieel) beheer te kunnen monitoren. Deze indicatoren geven inzicht in de betreffende ontwikkelingen over de jaren heen en zijn weergegeven in tabel 6.1.

Tabel 6.1
 20012002200320042005
Gemiddeld uurtarief (€)52,9353,7456,5056,5056,50
Resultaatontwikkeling (x € 1000)777760
Flexibiliteit personele inzet0,290,290,190,250,25
Productiviteit Ambtelijk Personeel (%)76,776,976,576,576,5
Directe Tijdsinzet per Aanvraag1,592,011,721,721,72
Uitvoeringskosten per Aanvraag117,46158,5396,9396,9396,93

Toelichting op de beheersmatige indicatoren

Het gemiddeld uurtarief is ter dekking van de apparaatskosten van LASER. Vanaf 2002 is een duidelijke stijging te zien in het gemiddeld uurtarief. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van de loonkosten uit hoofde van de loonbijstelling 2002 en de invoering van IKAP.

De flexibiliteit van de personele inzet zegt iets over de inzet van uitzendkrachten ten opzichte van het aantal ambtenaren dat vast in dienst is bij LASER. Het streven is om dit op 0,25 te houden, teneinde de noodzakelijke flexibiliteit te hebben om fluctuaties in het werkpakket op te kunnen vangen. Zoals blijkt uit het overzicht zat LASER voor het jaar 2001 en 2002 boven de streefwaarde, wat betekent dat naar verhouding meer uitzendkrachten zijn ingezet. De reden hiervoor is dat voor een aantal regelingen voor een beperkte periode extra personeelsinzet vereist was. In 2001 had dit vooral te maken met de MKZ crisis, terwijl in 2002 het aantal uren per aanvraag (zie directe tijdsinzet per aanvraag) voor een aantal regelingen boven de norm lag.

Met betrekking tot de productiviteit van ambtelijk personeel, is de norm 76,5%. Deze waarde gaat uit van een productiviteit van 1400 uur en houdt rekening met verlies van productieve uren door ziekte, opleiding, bijzonder verlof etc. In 2001 en 2002 lag de productiviteit iets boven de norm.

De directe tijdsinzet per aanvraag en de uitvoeringskosten per aanvraag zeggen iets over de efficiency. In 2002 is de uitvoering per aanvraag minder efficiënt verlopen dan in 2001. Een belangrijke reden hiervoor is de afhandeling van de MKZ-crisis, waarvoor de prestaties al in 2001 zijn verwerkt. De verwachting is dat er vanaf 2003 weer beter op deze indicator zal worden gepresteerd.

Naast doelmatigheid en doeltreffendheid dient LASER te streven naar een optimale kwaliteit in de uitvoering van de regelingen. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de zorgvuldigheid in de uitvoering van de regelingen door LASER.

 200220032004
Bezwaarschriften   
Afgehandeld (aantal)4 3024 7494 750
Toegekend (%)353535
Afgewezen (%)656565
Beroepschriften   
Uitspraken (aantal)302459460
Gegrond (%)403030
Ongegrond (%)607070

Prestaties en doelmatigheidskengetallen

In tabel 6.2 zijn de producten van LASER (i.c. de regelingen) onderverdeeld naar de beleidsartikelen. Voor ieder artikel is aangegeven tot welke output desbetreffende producten zullen/hebben leiden/geleid in de jaren 2002, 2003, 2004.

Tabel 6.2
 Aantal Regelingen Integrale Kosten (x € 1 mln.)Integrale Kosten per PrestatieSubsidie Omvang (x € 1 mln.)
 200220032004200220032004200220032004200220032004
Artikel 1 Versterking Landelijk Gebied3833338 2625 4185 153352,14178,89178,8912,989,0111,51
Artikel 2 Verwerving en Inrichting EHS
Artikel 3 Beheer EHS1614143 7042 4492 329622,80398,21398,218,561,661,66
Artikel 4 Economisch Perspectiefvolle Agroketens1812121 3931 1451 089136,5085,6285,624,3911,6111,83
Artikel 5 Bevorderen Duurzame Productie33292911 6667 0186 674187,68132,97132,97116,08163,78159,81
Artikel 6 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid11661 4821 9771 880460,41460,41100,960,000,00
Artikel 9 Kennisverspreiding6447446846503 740,38805,07805,075,008,708,70
Artikel 11 Algemeen (=EU)38202040 22628 39227 02671,9462,6962,69431,15394,00396,60
Totaal15911811867 72747 08344 801   679,12588,76589,18

Toelichting op prestaties en doelmatigheidsindicatoren.

Het aantal regelingen in een beleidsartikel en de subsidieomvang geven inzicht in de activiteit per beleidsartikel. De integrale kosten geven een beeld van de met de uitvoering gemoeide kosten. De kosten per prestatie geven inzicht in de efficiency van de uitvoering per beleidsartikel.

Plantenziektenkundige Dienst

Profiel

De kerntaak van de Plantenziektenkundige Dienst (PD) is het weren, bestrijden en beheersen van ziekten en plagen in de plantaardige sector. Hiermee wordt beoogd een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen, de handel zoveel mogelijk ongestoord te laten plaatsvinden en het Nederlandse landschap in stand te houden. Een duurzame, veilige en concurrerende land- en tuinbouw betekent onder andere minder gebruik en minder afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen. Het voorkómen, dan wel beperken van ziekten en plagen levert daaraan een belangrijke bijdrage.

De wettelijke basis van de werkzaamheden van de PD is onder andere te vinden in de Plantenziektenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet, Europese regelgeving en internationale verdragen. Daarnaast voert dit agentschap inspectiewerkzaamheden uit en voorziet in beleidsadviezen.

Alle producten en diensten van de PD worden in beginsel in rekening gebracht bij de bedrijven waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Indien het wettelijk niet mogelijk is de tarieven door te berekenen aan het bedrijfsleven of indien de tarieven om beleidsmatige redenen onder de kostprijs worden vastgesteld, zijn de kosten voor de opdrachtgevende beleidsdirecties van LNV.

De PD voert tevens in opdracht van derden werkzaamheden uit. De financiering hiervan komt voor rekening van derden.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

Plantenziektenkundige Dienst
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement14 56712 11612 02411 95711 92611 92511 925
Opbrengst overige departementen      
Opbrengst derden9 95813 88914 93515 92315 75715 58615 336
Rentebaten11      
        
Totaal baten24 53626 00526 95927 88027 68327 51127 261
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personeel16 42515 00715 00715 00715 00715 00715 007
* materieel5 6846 3167 2058 2478 1328 0397 913
* huisvesting3 0253 0323 1233 1233 1233 1233 123
Rentelasten144300254231208192163
Afschrijvingskosten       
* materieel4881 000846695614552555
* immaterieel183200374427449448350
Dotaties voorzieningen161150150150150150150
Buitengewone lasten593      
        
Totaal lasten26 70326 00526 95927 88027 68327 51127 261
        
Saldo van baten en lasten– 2 167000000

Toelichting

Baten

De opbrengst moederdepartement van €12,0 mln betreft een vergoeding voor het uitvoeren van fytosanitaire en kwaliteitsregelgeving. Het betreft hier activiteiten gericht op uitroeien, beheersen en monitoring van quarantaine of quarantaine waardige organismen (q-organismen). Daarnaast levert de PD fytosanitaire beleidsondersteuning en beleidsondersteuning gericht op geïntegreerde gewasbescherming in opdracht van de directie Landbouw. Naast algemene beleidsondersteuning verstrekt het kerndepartement ook concrete opdrachten zoals bijvoorbeeld ondersteuning van de directie Natuurbeheer op het gebied van het biodiversiteit en genetisch gemanipuleerde organismen of de ontwikkeling van een systeem dat de afhandeling van im- en exportprocedures efficiënter en effectiever zal doen verlopen in opdracht van de directie Industrie & Handel.

De opbrengst derden wordt geraamd op € 14,9 mln.

Hieronder volgt een specificatie van de opbrengsten derden:

Productgroepen (bedragen x € 1 000)2004
Weren en vrijwaren (fytosanitair en kwaliteit)*10 935
Uitroeien van Q-organismen442
Beheersen van Q-organismen442
Monitoren van Q-organismen884
Kennis en Expertise235
Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen496
Detectie en identificatie van Q-organismen1 474
  
Toezicht (keuringsdiensten)27
  
Totaal bedrijfsleven via tarieven14 935

* Met weren wordt bedoeld import; met vrijwaren export.

Weren en vrijwaren: de belangrijkste vergoeding wordt verkregen uit import-exportinspecties. Jaarlijks worden er tussen de 100 000 en 150 000 import- en exportinspecties uitgevoerd in handelsstromen die een totale waarde van ca. € 11 miljard vertegenwoordigen.

Kennis en expertise: De PD levert een belangrijke bijdrage aan het zogenaamde «Twinning»-programma van de EU dat kandidaat-lidstaten helpt met het voorbereiden op het lidmaatschap van de EU. Concreet betekent dit dat de PD bijdraagt aan het versterken van de bestuurlijke capaciteit van de kandidaat-lidstaten zodat zij bij toetreding gereed zijn om de (fytosanitaire) wetgeving van de EU toe te passen. Daarnaast onderneemt de PD activiteiten op het gebied van «Capacity building», welke eenzelfde doel hebben als twinning activiteiten, maar waarvan de doelgroep niet gelieerd is aan toetreding tot de EU. Van de EU ontvangt de PD een kostendekkende bijdrage hiervoor.

Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: voor het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen geeft het agentschap adviezen over de toelaatbaarheid van bestrijdingsmiddelen op basis van de dossiers die de toelatinghouder bij het CTB heeft ingeleverd. De PD richt zich hierbij met name op evaluatie van de landbouwkundige deugdelijkheid.

Detectie en identificatie van Q-organismen: o.a. in het kader van import en exportinspecties maar ook op verzoek van derden wordt plantaardig materiaal onderzocht op q-organismen.

Lasten

De personeelskosten van € 15 mln. zijn gebaseerd op een formatie van 349 fte. en een middensom van € 43 000,–. De personeelskosten betreffen zowel het vast personeel als uitzendkrachten/detachering. Externe inhuur wordt verantwoord onder materiële kosten.

De materiële kosten bedragen in 2004 € 7,2 mln. Deze kosten kunnen als volgt worden gespecificeerd.

Het betreffen hoofdzakelijk reis- en verblijfsvergoedingen (circa 15%), bureau- en laboratoriumbenodigdheden (circa 40%) en dienstverlening door derden (circa 35%).

De huisvestingskosten van € 3,1 mln zijn geraamd aan de hand van de vaste structurele exploitatie-uitgaven voor huur, onderhoud, gas, water en licht.

De rentelasten van € 0,3 mln. hebben met name te maken met de initiële lening en de lening voor nieuwe investeringen.

De afschrijvingskosten bedragen in 2004 € 1,2 mln. De afschrijvingskosten zijn uit te splitsen naar materiele en immateriële afschrijvingen. De gehanteerde afschrijvingstermijn voor investeringen in automatiseringsapparatuur en datacommunicatie (€ 0,6 mln.) bedraagt 3 jaar. De gehanteerde afschrijvingstermijn voor investeringen in installaties laboratorium en telecommunicatieapparatuur (€ 0,35 mln.) is 5 jaar en afschrijvingen op inventaris (€ 0,25 mln.) is 10 jaar.

De dotatie aan voorzieningen bedraagt in 2004 € 0,15 mln.

Het betreft dotaties voorzieningen voor wachtgeldverplichtingen (€ 0,1 mln.) en de reorganisatie (€ 0,05 mln.)

Kasstroomoverzicht 2004

Plantenziektenkundige Dienst
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekeningcourant RIC 1 januari6923911 5221 4841 4151 2321 205
        
2. Totaal operationele kasstroom1 8941 2001 2201 1221 0631 000905
        
3a. -/- totaal investeringen– 1 388– 2 831– 750– 750– 750– 750– 750
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen       
3. Totaal investeringskasstroom– 1 388– 2 831– 750– 750– 750– 750– 750
        
4a. -/- uitkering aan moederdepartement– 717      
4b. + storting door moederdepartement 700     
4c. -/- aflossingen op leningen– 690– 769– 1 258– 1 191– 1 246– 1 027– 1 039
4d. + beroep op leenfaciliteit6002 831750750750750750
        
4. Totaal financieringskasstroom– 8072 762– 508– 441– 496– 277– 289
        
5. Rekeningcourant RIC 31 december (incl. deposito) (=1+2+3+4)3911 5221 4841 4151 2321 2051 071

De investeringen hebben betrekking op:

Inventaris/installaties 200 000

Hardware en software 275 000

Immateriële vaste activa 275 000

Overzicht vermogensontwikkeling

Plantenziektenkundige Dienst
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari2 290– 594106106106106106
        
2. Saldo van baten en lasten voorafgaand jaar– 2 167      
        
3a. Uitkering aan moederdepartement– 717      
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen 700     
3c. Overige mutaties       
        
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen– 717700     
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1+2+3)– 594106106106106106106
Prestaties
Producten (in aantallen)Productgroep20032004
Inspectiebezoeken weren (fytosanitair en kwaliteit)Weren27 37727 377
Inspectiebezoeken vrijwaren (fytosanitair en kwaliteit)Vrijwaren96 44796 447
Inspectiebezoeken uitroeienUitroeienPmPm
Inspectiebezoeken beheersenBeheersenPmPm
Inspectiebezoeken monitoringMonitoring20 18720 187
Inspectiebezoeken toezichtToezicht7070
Mutaties besmetverklaringenFytosan. Opsporing500500
Monstername bruinrot/ringrotFytosan. Opsporing85 00085 000
Monsters detectie en identificatieDetectie en identificatie40 70040 700
Adviesuren landbouwkundige deugdelijkheidDuurzaam gebruik van gewasbeschermings-middelen1 6001 600
Verstrekte vergunningenDuurzaam gebruik van gewasbeschermings-middelen10 47510 475
Productgroep (bedragen x € 1 000)2004
Weren van Q-organismen1 812
Weren van plantaardige producten van inferieure kwaliteit1 811
Vrijwaren van Q-organismen4 325
Vrijwaren van plantaardige producten van inferieure kwaliteit3 974
Uitroeien van Q-organismen1 296
Beheersen van Q-organismen1 296
Monitoren van Q-organismen2 592
Kennis en Expertise3 013
Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen350
Detectie en identificatie van Q-organismen2 984
Beleidsondersteuning3 304
Toezicht (keuringsdiensten)202
Totaal kosten26 959

Doelmatigheidsgegevens

Inzet arbeidscapaciteit (in procenten)2002 (%)2003 (%)2004 (%)
Bruto capaciteit100100100
Bezettingsgraad (= netto capaciteit)838383
Afwezigheid (verlof en ziekte)171717
Netto capaciteit100100100
Primair proces576669
Management en beheer343431
Kennis- en methodenontwikkeling900

Met ingang van 2003 is kennis en methodenontwikkeling benoemd als primair proces.

Wering schadelijke organismen200220032004
Aantal geïnspecteerde zendingen65 00070 00075 000
Aantal geweerde zendingen188180200
Percentage geweerde zendingen0,290,260,27
Kwaliteit200220032004
Klachten   
Aantal afgehandeld6910
Aantal gegrond verklaard698
Beroeps- en bezwaarschriften   
Aantal uitspraken6911
Afgewezen (%)100100100
Toegekend (%)000

De beroepschriften worden afgehandeld door een rechtbank, de bezwaarschriften door LNV en klachten worden door de PD zelf afgehandeld.

Voedsel en Waren Autoriteit

Inleiding

Op grond van het Koninklijk Besluit van 2 juni 2003, houdende overgang van het beheer van de Voedsel en Waren Autoriteit (Stb. 2003, 240) is de Minister van LNV met terugwerkende kracht tot en met 27 mei 2003 beheersverantwoordelijk geworden voor de VWA. Tot dan viel de VWA beheersmatig onder verantwoordelijkheid van de minister van VWS. Om de overgang van de VWA naar LNV te realiseren is een project gestart, waarin alle relevante aspecten aan de orde komen (juridisch, personeel, financieel, facilitair e.d.). In aansluiting hierop is de begroting 2004 van het tijdelijk agentschap VWA opgenomen in de ontwerpbegroting 2004 van LNV. Op dit moment bestaat de VWA-organisatie (nog) uit drie onderdelen: de Centrale Eenheid (VWA/CE), de Rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees (VWA/RVV) en de Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW). Ook de begroting van de VWA bestaat daarom nog uit drie afzonderlijke begrotingen. De begrotingen van de VWA-onderdelen worden in de onderstaande paragrafen 1, 2 en 3 toegelicht. Omdat de VWA/KvW voor het eerst onderdeel uitmaakt van de LNV-begroting, is de toelichting in de VWA/KvW-paragraaf op onderdelen uitgebreid.

In overleg met de Minister van Financiën is besloten om aan de VWA per 1 januari 2003 de status van tijdelijk agentschap te verlenen. De VWA/RVV en de VWA/KvW blijven een agentschap totdat de VWA als geheel de status van agentschap heeft. Hiertoe is een project gestart met als voorlopig streven om per 1 januari 2005 aan de instellingsvoorwaarden voor een agentschap te kunnen voldoen. Het jaar 2004 wordt beschouwd als een zogenaamd proefjaar in het kader van de agentschapvorming. De VWA/RVV en VWA/KvW behouden hun status als baten-lastendienst in afwachting van de verdere organisatieontwikkeling van de VWA als geheel, tot één geïntegreerd agentschap, dat voldoet aan de eisen van het ministerie van Financiën. Het streven is om dit per 1 januari 2005 te realiseren (uiterlijk per 1 januari 2006). Daarnaast worden door samenwerking tussen de verschillende onderdelen en de ontwikkeling van shared services de eerste stappen tot integratie gezet. Einddoel is om op termijn de VWA om te vormen tot één centrale staf en één uitvoeringsorganisatie, waarin beide werkmaatschappijen zijn geïntegreerd.

1. Missie

De Voedsel en Waren Autoriteit werkt aan zichtbare risicoreductie op het gebied van voedsel en consumentenproducten in relatie tot volksgezondheid, diergezondheid en dierenwelzijn.

Het werkterrein van de VWA betreft de gezondheidsbescherming van mens en dier en de veiligheid van (zowel voedselgerelateerde als niet-voedselgerelateerde) producten. Het werkterrein beslaat gehele productieketens, van grondstof en hulpstof tot aan de consumptie, het gebruik van het eindproduct en alle processen die daarbij een rol spelen. Dit omvat overigens mede de zorg voor gezondheidsbescherming op het vlak van alcohol en tabak. De VWA maakt deel uit van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.

De VWA is opgericht om het vertrouwen van de consumenten en burgers op een hoog niveau te houden c.q. te verbeteren. De toezichthoudende diensten VWA/KvW en VWA/RVV zijn samengebracht en ressorteren nu onder de beheersverantwoordelijkheid van één Minister, nl. de Minister van LNV.

2. Doelstellingen

De doelstellingen van de VWA zoals verwoord in de in november 2002 opgestelde Strategische Ondernemingsvisie zijn:

a. het concreet en aantoonbaar bijdragen aan het verminderen, dan wel pro-actief beheersen van gezondheids- en veiligheidsrisico's.

b. het bijdragen aan c.q. herstellen van het vertrouwen van burgers en consumenten in veilig voedsel en veilige producten.

3. Taken

De VWA voert de volgende taken uit:

a. Toezicht

– het zorgdragen voor een ketenbreed en ketendekkend toezicht dat professioneel en effectief wordt uitgeoefend;

– het adviseren van de ministers of handhaving van (nieuwe) regelgeving en normstelling uitvoerbaar is;

– het ontwikkelen van «beoogde nalevingsniveaus» en van daarop gebaseerde toezichtarrangementen o.a. door middel van pilots over het nalevingsgedrag van doelgroepen, de effectiviteit van toezichtarrangementen en gevolgen voor aansturingsrelaties;

– het ontwikkelen van per taakveld herkenbare aanspreekpunten voor zowel producenten als consumenten.

b. Risicobeoordeling

De VWA zorgt voor onafhankelijke, deskundige en eenduidige risicobeoordelingen door:

– ontwikkelen van één systematiek voor het verwerken en beoordelen van signalen (één VWA-meldkamer);

– pro-actief risico's te (laten) beoordelen;

– opstelling van één integraal onderzoeksprogramma op het terrein van voedsel- en productveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, mede ter ondersteuning van de beleidsorganisaties binnen VWS en LNV.

c. Risicocommunicatie

Bedrijfsleven, consumenten en burgers worden in een vroeg stadium betrokken bij (pro-actieve) risicobeoordeling. Bij een mogelijk nieuw gevaar of incident zorgt de VWA voor een eenduidig, helder en betrouwbaar oordeel dat publiek bekend en toegankelijk wordt gemaakt (o.a. op de VWA-website).

d. Incidenten- en calamiteitenmanagement

De VWA beheert één centraal meldpunt voor meldingen van incidenten en calamiteiten op het hele terrein van voedsel en waren, inclusief dierziekten. Hierdoor kan alert op signalen van consumenten, bedrijven, laboratoria, de Europese Commissie of andere landen worden gereageerd. Na beoordeling van de melding zal de VWA slagvaardig optreden door, binnen de eigen bevoegdheden, zelf maatregelen te nemen. De VWA zal de verantwoordelijke ministers periodiek op de hoogte stellen van de meldingen en ondernomen acties. Daar waar de melding een potentieel politieke en/of maatschappelijke lading heeft, zal de verantwoordelijke minister direct en adequaat worden geïnformeerd en – in voorkomende gevallen – worden geadviseerd over te nemen maatregelen.

e. Beleidsadvisering

De VWA adviseert de ministers van LNV en VWS gevraagd en ongevraagd over:

– de kwaliteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wet- en regelgeving en normstellingen op het gebied van de veiligheid van voedsel en waren (inclusief dierziektes);

– beleidsmatige aspecten van het bevorderen van de veiligheid van voedsel en waren (inclusief dierziektes);

– de Nederlandse inbreng in internationale fora;

– de beoordeling van signalen, incidenten en calamiteiten;

– te nemen maatregelen in een crisissituatie en bij situaties van grote politieke gevoeligheid;

– de evaluatie van crises;

– onderzoeksprogrammering m.b.t. risicobeoordeling;

– publieksvoorlichting.

f. Internationale contacten

De VWA coördineert internationale contacten op het gebied van toezicht, risicobeoordeling en risicocommunicatie (de kerntaken van de VWA) , o.a. met de EFSA en FVO. De VWA adviseert over de Nederlandse inbreng bij internationaal overleg dat is gericht op wet- en regelgeving en normstelling.

Paragraaf 1. Voedsel en Waren Autoriteit/Centrale Eenheid (VWA/CE)

Profiel

De belangrijkste taken die worden vormgegeven in de Centrale Eenheid VWA zijn:

• strategieontwikkeling op het gebied van toezicht, risicobeoordeling en risicocommunicatie;

• hoofdinspectietaken (toezichtbeleid, risicobeoordeling, signalering en advisering);

• onderzoeksprogrammering;

• communicatie naar de media, maatschappelijk veld en publiek;

• incidenten- en calamiteitenmanagement;

• beleidsadvisering ministers LNV en VWS;

• (coördinatie van) internationale contacten en inbreng;

• metatoezicht/auditfunctie;

• strategische bedrijfsvoering;

• aansturing en contractering met de opdrachtgevers resp. de werkmaatschappijen;

• (concernbrede) bestuurlijke juridische zaken;

• strategische interne communicatie alsmede strategische communicatiemiddelen (internet/intranet).

De Centrale Eenheid van de VWA bestaat naast de Directeur-Generaal uit vier directies. Het gaat om drie inhoudelijke directies: Toezicht, Onderzoek en Risicobeoordeling en om Communicatie en Voorlichting. De drie centrale inhoudelijke directies hebben het voortouw bij het ontwikkelen van de centraal gestelde VWA-driehoek: de samenhang tussen Toezicht, Risicobeoordeling en Onderzoek en Risicocommunicatie. Deze directies dragen zorg en zijn verantwoordelijk voor inhoudelijke taken en producten. Enerzijds zijn deze taken en producten intern gericht. Anderzijds hebben deze directies een aantal eigen primaire processen die leiden tot «producten» voor externe opdrachtgevers (LNV, VWS). Voorbeelden hiervan zijn beleidsadvisering, risicobeoordeling, onderzoeksprogrammering en publiekscommunicatie.

Daarnaast worden in de Centrale Eenheid de strategische, VWA-brede, bedrijfsvoeringstaken inclusief verantwoording en concerncontrol naar de eigenaar van de VWA én de zorg voor VWA-brede bedrijfsvoeringstrategie en speerpunten, ondergebracht in de directie Bedrijfsvoering en Bestuursondersteuning (B&B).

De directie Bedrijfsvoering en Bestuursondersteuning heeft als werkterrein de ondersteunende werkprocessen, m.n. op het gebied van financiën, personeel en organisatie, facilitaire zaken, ICT, concerncontrol e.d. Bij de directie Bedrijfsvoering is ook een Stafbureau, als algemeen ondersteunende unit voor de inhoudelijke taken van de VWA, ondergebracht.

In 2003 zijn de vier directies van de Centrale Eenheid op basis van een vastgesteld organisatie- en formatieplan ingesteld. In de loop van 2003 zullen de betreffende functies daadwerkelijk worden bezet.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

VWA/CE
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement/LNV 14 2589 1759 1759 1759 1759 175
Opbrengst overige departementen/VWS  7 5577 3967 3267 3517 351
Opbrengst derden       
Rentebaten       
Buitengewone baten       
Exploitatiebijdrage       
        
Totaal baten 14 25816 73216 57116 50116 52616 526
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten 4 7385 2255 2255 2255 2255 225
* materiële kosten 8 90810 0709 9639 9039 98110 029
Rentelasten 150311264261208160
Afschrijvingskosten       
* materieel 4621 1261 1191 1121 1121 112
* immaterieel       
Dotaties voorzieningen       
Buitengewone lasten       
        
Totaal lasten 14 25816 73216 57116 50116 52616 526
        
Saldo van baten en lasten 000000

Toelichting

Baten

De VWA ontvangt een opbrengst moederdepartement/LNV ter dekking van de kosten van de directies van de Centrale Eenheid. In verband met de beheersmatige overgang van de VWA van VWS naar LNV is ook het bij VWS voor de VWA/CE beschikbare budget overgeheveld van de begroting van VWS naar de begroting van LNV. In verband met de verhuizing zijn de kosten in 2003 eenmalig hoger dan in latere jaren. In het kader van het agentschapstraject VWA kunnen nieuwe ontwikkelingen in de kostprijssystematiek leiden tot nieuwe opdrachtgeversrelaties m.b.t. LNV en VWS. In aansluiting hierop zal herverdeling van budgetten plaatsvinden.

De VWA/CE ontvangt een opbrengst overige departementen/VWS vanuit de opdrachtgeversrol van VWS voor het (laten) doen van onderzoek.

De VWA/CE krijgt de beschikking over een deel van het RIVM-budget dat wordt herverdeeld in het kader van de agentschapvorming RIVM per 1 januari 2004. Het gaat hierbij om de financiële vertaling van de trekkingsrechten die de VWA/KvW in het verleden op RIVM-capaciteit had en dat beleidsmatig wordt geraamd op de VWS-begroting.

Lasten

De centrale eenheid zal uiteindelijk gaan bestaan uit 90 à 100 fte. Een deel van deze formatie is het gevolg van nieuwe taken van de VWA. Hiervoor is aanvullend budget beschikbaar gesteld. De begroting van de personele kosten (inclusief kosten voor opleiding, reiskosten e.d.) voor deze nieuwe taken is gebaseerd op een gemiddelde bezetting van in totaal 58 fte. Een ander deel van de formatie van de Centrale Eenheid heeft betrekking op de overgang van bestaande functies (en medewerkers) van de werkmaatschappijen VWA/KvW en VWA/RVV naar de Centrale Eenheid van de VWA. In verband hiermee zal ook nog een verrekening moeten plaatsvinden; de technische uitwerking hiervan zal nog in 2003 moeten plaatsvinden. Een deel van de formatie van de VWA/CE zal mogelijk gevuld worden met gedetacheerd personeel om in de toekomst een meer flexibele organisatie te creëren.

De materiële kosten bestaan uit huurkosten en kosten voor bureau en bedrijfsvoering. De belangrijkste component (€ 2,3 mln.) wordt gevormd door het aandeel dat aan de VWA/CE wordt toegerekend i.v.m. de huurkosten van het Centre Court. In dit gebouw zijn vanaf begin september 2003 de staven van de Centrale Eenheid en van beide werkmaatschappijen van de VWA ondergebracht. In verband met deze verhuizing liggen de materiële kosten in 2003 eenmalig hoger dan in 2004.

De rentelasten hebben volledig betrekking op lasten als gevolg van geleend vermogen.

Het rentepercentage voor de lange termijn is gesteld op 4,67% en voor de korte termijn op 3,72%.

De afschrijvingskosten zijn als volgt bepaald.

Omschrijving (Bedragen x € 1000)Termijn in jaren200320042005200620072008
Inventaris/inrichting gebouw10415738738738738738
Hard en software347388381374374374
Totaal 4621 1261 1191 1121 1121 112

Kasstroomoverzicht 2004

VWA/CE
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari 000000
        
2. Totaal operationele kasstroom 4501 1261 1191 1121 1121 112
        
3a. -/- totaal investeringen – 8 500  – 1 125  
3b. +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
3. Totaal investeringskasstroom – 8 500  – 1 125  
        
4a. -/- uitkering aan moederdepartement       
4b. + storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossingen op leningen – 450– 1 126– 1 119– 1 112– 1 112– 1 112
4d. + beroep op leenfaciliteit 8 500  1 125  
        
4. Totaal financieringskasstroom 8 050– 1 126– 1 11913– 1 112– 1 112
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito)(= 1 + 2 + 3 + 4) 000000

Toelichting:

Investeringen: in 2006 vindt de vervanging plaats van computers (en andere hardware) die zijn gekocht bij de agentschapsstart van de VWA in 2003.

Overzicht vermogensontwikkeling

VWA/CE
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari 353535353535
        
2. Saldo van baten en lasten 000000
3a. Uitkering aan moederdepartement       
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties       
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen 000000
        
4. Eigen vermogen per 31 december(1 + 2 + 3) 353535353535

Paragraaf 2. Voedsel en Waren Autoriteit/Keuringsdienst van Waren (VWA/KvW)

Profiel

De VWA bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenartikelen in de gehele productieketen; van grondstof tot eindproduct. De belangrijkste taak van de VWA/KvW is het toezichthouden op en bevorderen van de naleving van voorschriften voor eet- en drinkwaren, consumentenartikelen en veterinaire zaken. Het werkterrein is vastgelegd in verschillende wetten en verordeningen. De belangrijkste wetten en voorschriften zijn:

• Warenwet

• Gezondheidswet

• Vleeskeuringswet

• Veewet

• Destructiewet

• Wet op de dierproeven

• Bestrijdingsmiddelenwet

• Wet Milieugevaarlijke stoffen

• Drank- en Horecawet

• Tabakswet

• PBO-voorschriften

• Diergeneesmiddelenwet

• Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

• Besluit Veiligheid attractie- en speeltoestellen

De aandacht van de VWA/KvW richt zich primair op de volksgezondheid en daarnaast op consumentenbescherming. Veiligheid moet hierbij als een verbijzondering van het begrip volksgezondheid beschouwd worden.

De minister van VWS heeft op grond van artikel 38 van de Gezondheidswet een aanwijzingsbevoegdheid. Daarnaast bestaat in het kader van de opsporing een duidelijke lijn naar Justitie, met name de Officier van Justitie en het Openbaar Ministerie.

Taken

De belangrijkste taken van de VWA/KvW zijn handhaving en signalering/advisering. Beide taken hebben hetzelfde doel: het bevorderen van de naleving van voorschriften voor eet- en drinkwaren, consumentenartikelen en veterinaire zaken. Hoewel beide taken hier separaat zijn genoemd, is er een duidelijke relatie. Alleen gezamenlijk kunnen deze activiteiten de invulling van de missie op een kwalitatief goed niveau garanderen. Naast deze twee kerntaken draagt de VWA/KvW bij aan consumentenvoorlichting en handhavingscommunicatie van de VWA en worden klachten en vragen van burgers behandeld. De strategische communicatie-activiteiten zijn binnen de VWA belegd bij de Centrale Eenheid.

Voor de uitoefening van zijn taken beschikt de VWA/KvW over een aantal bevoegdheden. De belangrijkste daarvan zijn plaatsen voor onderzoek betreden, ter plekke onderzoeken of monsters nemen, zakelijke bescheiden inzien en kopiëren, proces-verbaal opmaken en ondeugdelijke goederen in beslag nemen. Daarnaast heeft de VWA/KvW de bevoegdheid om bestuurlijke boeten op te leggen aan overtreders van de Warenwet. Met deze bevoegdheid is de VWA/KvW beter in staat een lik-op-stukbeleid te voeren bij overtredingen.

Gekoppeld aan de hoofdtaken handhaving en signalering worden twee doelstellingen gehanteerd:

1. Het bewerkstelligen van normconform gedrag door toezicht op het naleven van wetten en opsporen van overtredingen.

Conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is handhaving de verzamelterm voor de activiteiten «toezicht» en «opsporing». Deze twee begrippen liggen in elkaars verlengde en kunnen in elkaar overgaan.

Binnen de VWA is de directie Toezicht verantwoordelijk voor de ontwikkeling van handhavingsmethodieken en werkwijzen. De implementatie daarvan zal plaatsvinden bij de werkmaatschappijen.

In 2004 zal de handhaving van de Tabakswet worden geïntensiveerd. Verder wordt de samenwerking tussen de VWA/KvW en de VWA/RVV geïntensiveerd. Zo zal het in 2003 gestarte project inzake «HACCP in de vers-vlees sector» worden voortgezet.

Het algemene effect dat door handhaving wordt beoogd is een verhoging van de naleving van de wet. Onderzoek naar het nalevingsniveau en de nalevingsmotieven van ondernemingen inzake de Warenwet staat voor 2004 gepland.

Instrumenten voor de verwezenlijking van deze doelstelling

Om de handhavingsdoelstelling te realiseren wordt een bepaald instrumentarium ingezet. Handhaving betekent: nagaan of een individueel bedrijf zich aan de wet houdt en maatregelen nemen wanneer een overtreding wordt geconstateerd. Handhaving bestaat uit twee onderdelen: toezicht (in enge zin) en opsporing.

– Toezicht is een activiteit waarbij de toezichthouder steekproefsgewijs de mate van overeenstemming met wettelijke voorschriften nagaat.

– Opsporing is een activiteit die gericht is op het bevestigen van vermoedens dat de voorschriften zijn overtreden.

In het instrument handhaving is «keuring» niet opgenomen. Wel houdt de VWA/KvW toezicht op keuringsinstanties van zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke aard. Dit wordt additioneel toezicht of tweedelijnstoezicht genoemd. Tot de taken van de VWA/KvW behoort ook voorlichting om de handhavingstaak te ondersteunen. Als tijdens een inspectie geen uitspraak gedaan kan worden over het betreffende product, worden er monsters genomen. Laboratoriumonderzoek biedt dan uitkomst. Ook in het kader van algehele surveillance wordt monsteronderzoek uitgevoerd. De raming van de aantallen inspecties en monsteronderzoeken voor 2004 en verder is in tabel 1 weergegeven. Een bestaande afspraak is dat de productieaantallen van de VWA/KvW tot en met 2005 jaarlijks (lineair) met ca. 5% t.o.v. het productieplan 2000 toenemen als gevolg van efficiencyverbetering. Ondanks deze efficiencyverbetering is sprake van een daling van de totale aantallen inspecties en monsteronderzoeken, vanwege de dalende financiële middelen in 2004 en verder.

Tabel 1: Raming inspecties en monsteronderzoeken
 200320042005200620072008
Inspecties130 320127 976126 759125 588125 588125 588
Monsteronderzoek108 085106 141105 131104 160104 160104 160

2. Het leveren van een bijdrage aan het adviseren en informeren van de Ministers en decentrale overheden.

De VWA/KVW levert deze bijdrage o.a. door: het stellen van diagnoses (op grond van handhaven, surveillance en monitoren) en het aangeven van mogelijke oplossingen. Signalering moet inzicht geven in de mate van gezondheidsbedreiging van een categorie producten, een proces of een bepaalde sector bedrijven. De activiteiten van de VWA/KvW bestaan voor ca. 20% uit signaleringsprojecten in het kader van Staatstoezicht. Het effect dat met signaleren en adviseren wordt beoogd is een risicoreductie van levensmiddelen en producten op de volgende terreinen: chemische productveiligheid; primaire land- en tuinbouwproducten en veterinaire producten; samengestelde levensmiddelen en mechanische productveiligheid.

Instrumenten voor de verwezenlijking van deze doelstelling

Advies

De VWA kan de minister van VWS en andere overheden ongevraagd adviseren als het gaat om aanwezige gezondheidsrisico's. Behalve adviezen over de staat van de volksgezondheid, kan de VWA ook adviseren over de mate waarin de regelgeving te handhaven is voordat deze van kracht wordt en over effecten van nieuwe wetgeving op de volksgezondheid. De VWA/KvW draagt bij aan het opstellen van de adviezen van de Centrale Eenheid.

Onderzoek

De VWA/KvW verricht onderzoek naar de staat van de volksgezondheid en de determinanten daarvan. Via internet worden periodieke rapportages gepubliceerd en up-to-date gehouden. Er wordt een overzicht gegeven van waarnemingen, onderzoeksresultaten en effecten van het handelen op de diverse deelterreinen van de VWA/KvW. Dergelijke rapportages sluiten aan bij de VolksgezondheidsToekomstVerkenningen en Het Nationaal Kompas Volksgezondheid op de website van het RIVM.

Handhaving

De handhavingspraktijk draagt niet alleen bij aan de eerste doelstelling, ten dele vormt het ook een instrument voor advisering en signalering: de signaleringsafdelingen sturen inhoudelijk de handhavingspraktijk. De VWA/KvW besteedt voor zijn wettelijke reguliere handhavings- en signaleringstaak onder meer aandacht aan:

• import: producten die als zodanig of door besmetting of verontreiniging potentieel schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid;

• productveiligheid: producten voor kinderen;

• voedselveiligheid: bijzondere eet- en drinkwaren;

• consumenteninformatie: etikettering over onder meer genetisch gemodificeerde organismen (ggo's), virale besmettingen en parasitaire zoönosen;

• genotmiddelen: verstrekking van alcoholhoudende dranken en tabak.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

VWA/KvW
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement/LNV       
Opbrengst overige departementen/VWS70 79568 28367 74867 14166 51266 51266 512
Opbrengst derden2 4388171 0001 0001 0001 0001 000
Rentebaten36      
Buitengewone baten470      
Exploitatiebijdrage       
        
Totaal baten73 73969 10068 74868 14167 51267 51267 512
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personele kosten48 48545 56346 26145 71145 17345 04944 865
* materiële kosten20 09419 32417 40417 21717 29417 74018 447
Rentelasten528855826845862846830
Afschrijvingskosten       
* materieel2 9493 5374 1574 2684 0833 7773 270
* immaterieel       
Dotaties voorzieningen317250100100100100100
Buitengewone lasten1 382      
        
Totaal lasten73 75569 52968 74868 14167 51267 51267 512
        
Saldo van baten en lasten– 16– 42900000

Toelichting

Baten

Er is geen opbrengst moederdepartement/LNV geraamd. Op de LNV-begroting zijn geen begrotingsmiddelen beschikbaar.

De opbrengst overige departementen/VWS bestaat uit de vergoeding voor inspecties, monsternames en signaleringsactiviteiten die door de VWA/KvW worden uitgevoerd en is inclusief een vergoeding voor de uitvoering van de Drank- en Horecawet. De bijdrage van VWS aan de VWA/KvW is in de begroting 2003 geraamd op artikel 11. Als gevolg van de integratie van de Zorgnota in de VWS-begroting 2004 is de begrotingsindeling echter gewijzigd. De VWS-bijdrage aan de VWA/KvW wordt thans geraamd op artikel 21.

Het budget van de Keuringsdienst van Waren moet nog worden gecorrigeerd voor de taakstellingen op grond van het Hoofdlijnenakkoord 2003 (additionele efficiencytaakstelling, volumetaakstelling uitvoerende diensten).

De opbrengst derden bestaan bij de VWA/KvW uit opbrengsten voor laboratoriumwerk t.b.v. aanverwante Rijksdiensten (€ 138 500), het organiseren van ringonderzoeken, het vervaardigen van standaard referentie materialen (€ 155 000) en uit het verstrekken van exportverklaringen (€ 706 500).

Onder exportverklaringen verstaat men een zogenaamde «no doubt» verklaring. Hierin verklaart de VWA/KvW dat op basis van zijn bevindingen geen reden bestaat te twijfelen aan de door het bedrijf zelf opgestelde verklaring m.b.t. de te exporteren producten. Ook is opgenomen in de verklaring dat het bedrijf onder regelmatige controle van de VWA/KvW staat. Door uitbreiding van de Europese Unie zullen de inkomsten uit het verstrekken van exportverklaringen in de komende jaren geleidelijk afnemen. Omdat de opbrengsten uit de overige hierboven genoemde werkzaamheden zullen toenemen, blijven de totale opbrengsten derden constant.

Onder ringonderzoeken wordt verstaan het rondzenden aan ten minste zeven laboratoria van een monster met een (voor de verzender) bekend gehalte van een bepaalde stof. De deelnemende laboratoria dienen het gehalte van de stof te bepalen. De afwijking van de gevonden waarde van een laboratorium t.o.v. het gemiddelde van alle metingen dient binnen 2 sd (standaard deviatie) te liggen. Indien de afwijking te groot is, wordt een laboratorium uitgesloten. Ringonderzoeken worden dus gebruikt ter validatie van de gebruikte analysemethode of ter bepaling van de kwaliteit van een laboratorium. Voor zover de deelnemende laboratoria niet tot de VWA/KvW behoren wordt er op kostendekkende basis een vergoeding gevraagd.

Het gebruik van standaard referentie materialen dient ook ter validatie van de methode. Dit houdt in dat een standaard waarvan het gehalte van een bepaalde stof bekend is, wordt toegevoegd aan een meetserie. Als de gemeten waarde gelijk is aan de bekende waarde, wordt afgeleid dat de methode valide is. Dergelijke standaard referentie materialen worden ter beschikking gesteld aan de laboratoria van de VWA/KvW en op kostendekkende basis geleverd aan externe laboratoria.

De buitengewone baten 2002 zijn als volgt opgebouwd (x €):

baten voorgaande jaren207 987
vrijval van een deel wachtgeldvoorziening177 817
boekwaarde afgestoten activa38 583
vergoeding sociale werkplek18 000
diversen27 512
Totaal469 899

Lasten

De personeelskosten zijn opgebouwd uit salariskosten en overige personeelskosten.

(bedragen x € 1 mln)2002200320042005200620072008
Salarissen46,443,444,043,542,942,842,6
Overige p-kosten2,12,12,22,22,22,22,2
Totaal48,545,546,245,745,145,044,8
Aantal fte977974929923918916914
Gemiddelde kosten (€) per fte49 64246 71449 73149 51249 12849 12749 015

De verwachting is dat in 2004 ca. 13 fte (inclusief uitzendkrachten) ingehuurd zullen moeten worden. De kosten hiervoor bedragen ca. € 848 000.

Onder de materiële kosten zijn ook de huurkosten begrepen. Voor 2004 bedraagt de totale huur € 6,212 mln. Hierin is een bedrag van € 0,6 mln. begrepen voor het aandeel van de VWA/KvW in de kosten van de gezamenlijke huisvesting van de centrale staven van de VWA. Voor volgende jaren zijn de huren met 2,5% per jaar geïndexeerd.

De rentelasten zijn het gevolg van het aantrekken van vreemd vermogen ten behoeve van investeringen. Dit vreemd vermogen is via de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën aangetrokken. Voor leningen afgesloten met een looptijd van 10 jaar geldt een gemiddeld rentepercentage van ongeveer 5%, voor leningen met een looptijd van 5 jaar geldt een rentepercentage van ongeveer 4% en voor leningen met een looptijd van 3 jaar geldt een gemiddeld rentepercentage van ongeveer 3,5%.

De afschrijvingen zijn bepaald op basis van in onderstaande tabel vermelde termijnen. Hierbij is zoals te doen gebruikelijk bij de VWA/KvW, de helft van de normale afschrijvingen berekend in het jaar van aanschaf.

Categorie(bedragen x €)Afschr. termijn in jaren2002200320042005200620072008
Laboratoriumapparatuur101 255 571852 4351 149 8981 331 4271 467 5571 603 6871 739 817
Hulpapparatuur565 893374 717640 361693 648675 501657 350466 230
Dienstauto's5642 207743 458843 527670 260443 154312 350118 000
Inventaris10180 354792 937653 362533 661441 848396 836379 045
Soft- en hardware3804 973773 459870 3041 039 2581 054 941807 146567 300
Totaal 2 948 9983 537 0064 157 4524 268 2544 083 0013 777 3693 270 392

De dotatie is bestemd voor de voorziening wachtgelders (€ 75 000) en claimrisico (€ 25 000).

De buitengewone lasten 2002 zijn als volgt opgebouwd (x €):

lasten voorgaande jaren174 328
projectkosten (o.a. VISIO*)1 057 563
desinvestering vaste activa144 714
diversen5 547
Totaal1 382 152

* Vernieuwde Informatie Systemen Infrastructuur en Organisatie

Saldo van baten en lasten

Het saldo zal worden toegevoegd aan het eigen vermogen.

Kasstroomoverzicht 2004

VWA/KvW
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari5 8926 2376 7358 1969 38110 98212 244
        
2. Totaal operationele kasstroom2 9583 1084 1574 2684 0833 7773 270
        
3a. -/- totaal investeringen– 4 735– 7 840– 4 800– 2 269– 2 269– 2 269– 2 269
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen171      
        
3. Totaal investeringskasstroom– 4 564– 7 840– 4 800– 2 269– 2 269– 2 269– 2 269
        
4a. -/- uitkering aan moederdepartement       
4b. + storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossingen op leningen– 2 519– 2 610– 2 696– 3 083– 2 482– 2 518– 2 529
4d. + beroep op leenfaciliteit4 4707 8404 8002 2692 2692 2692 269
        
4. Totaal financieringskasstroom1 9515 2302 104– 814– 213– 249– 260
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito)(=1 + 2 + 3 + 4)6 2376 7358 1969 38110 98212 24112 982

De investeringen voor 2004 hebben betrekking op:

Omschrijving activaAfschrijvings-termijnInvestering in 2004 (x €)
Laboratorium apparatuur10 jaar2 269 268
Inventaris10 jaar170 000
Hulpapparatuur5 jaar354 500
Soft- en hardware3 jaar2 006 374
Totaal 4 800 142

Overzicht vermogensontwikkeling

VWA/KvW
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari3 1323 1162 6872 6872 6872 6872 687
        
2. Saldo van baten en lasten– 16– 42900000
        
3a. Uitkering aan moederdepartement       
3b. Bijdrage moederdepartement ter versterking van eigen vermogen       
3c. Overige mutaties       
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen 000000
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1 + 2 + 3)3 1162 6872 6872 6872 6872 6872 687

Kwaliteitskengetallen

– Doorlooptijd van de monsters van monsterneming tot monsterafhandeling90% < 10 weken
– Doorlooptijd van constatering overtreding tot maken processen-verbaal door het Bureau Bestuurlijke Boetes90% < 10 weken
– Het percentage te bezoeken bedrijven65%
– Het percentage geïnspecteerde bedrijven dat opnieuw zal worden bezocht i.v.m. een eerder geconstateerd niet-naleven van de regelgeving20%
– Het percentage inspecties en monsters waarbij een niet-naleven van de regelgeving wordt geconstateerd20%
– Het percentage inspecties en monsters dat tot maatregelen leidt20%

Paragraaf 3. Voedsel en Waren Autoriteit/Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (VWA/RVV)

Profiel

De VWA/RVV is per 1 januari 2003 verzelfstandigd als baten-lastendienst. De verzelfstandiging van de VWA/RVV sluit aan bij de taken en de positie van de VWA/RVV als werkmaatschappij van de Voedsel en Warenautoriteit. Alle producten en diensten van de VWA/RVV worden in rekening gebracht bij de afnemers. In beginsel betreft dit de bedrijven waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Indien het wettelijk niet mogelijk is om tarieven in rekening te brengen of indien de tarieven om beleidsmatige reden beneden kostprijs worden vastgesteld, worden de kosten in rekening gebracht bij de opdrachtgevende beleidsdirecties van LNV en VWS. Voor alle activiteiten zijn regelingsafspraken gemaakt die zijn verankerd in protocollen. De bijdrage van LNV aan het agentschap VWA/RVV is geraamd op beleidsartikel 6 van de LNV-begroting: «Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid».

Producten VWA/RVV

Het producten- en dienstenpakket van de VWA/RVV bestaat uit het verrichten van keuringswerkzaamheden, controle & audit, dierziektebestrijding en beleidsondersteunende werkzaamheden. Deze producten en diensten vinden hun oorsprong in de Nederlandse wetgeving (Vleeskeuringswet, Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, Landbouwwet, Warenwet, enz.) en in diverse Europese richtlijnen en verordeningen. De VWA/RVV onderscheidt vier hoofdproducten, te weten: (1) het verlenen, verlengen of intrekken van erkenningen, (2) controle en toezicht, (3) het verstrekken van (export-)certificaten en (4) dierziektebestrijding. In onderstaande paragrafen worden de producten kort toegelicht.

Het verlenen, verlengen en intrekken van erkenningen.

De VWA/RVV toetst in het kader van de zgn. toelating of inrichtingen (bijvoorbeeld slachterijen) voldoen aan de wettelijke eisen. Indien dit het geval is wordt de inrichting erkend. Periodiek vinden controles plaats en periodiek – meestal 1 keer per kwartaal – wordt een grondige systematische inspectie verricht. Als blijkt dat niet aan de eisen wordt voldaan, kan een procedure tot intrekken van de erkenning worden gestart. Vergelijkbaar met het erkennen van inrichtingen zijn de erkenningen van schepen, bedrijfsprocessen (HACCP), de registratie van handelaren, de afgifte van kentekenplaten aan houders van veewagens/voertuigen, enz.

Controle & toezicht.

De VWA/RVV neemt tevens keuringsbeslissingen met betrekking tot partijen dieren en dierlijke producten. Hierbij wordt getoetst of aan de gestelde eisen wordt voldaan. Indien dit het geval is volgt een goedkeuring in de vorm van bijvoorbeeld een stempel of certificaat. De keuring wordt zowel verricht op basis van een verplichte melding als op basis van initiatief van de VWA/RVV. De keuring, controle en toezichtwerkzaamheden door de VWA/RVV zijn voorwaarde om de dieren of de dierlijke producten in het handelsverkeer te brengen.

(Export)certificaten

In verband met de export van dieren en dierlijke producten kunnen de ontvangende landen (al dan niet op basis van een bilaterale overeenkomst) eisen dat de zending vergezeld gaat van een door de VWA/RVV afgegeven certificaat. Uit dit certificaat moet blijken dat voldaan is aan de eisen die worden gesteld.

Dierziektebestrijding

De VWA/RVV heeft op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) taken op het gebied van dierziektebestrijding. Het gaat hierbij om preventie, monitoring, het afhandelen van verdenkingen en het bestrijden van uitbraken (crisis).

Binnen de VWA/RVV spelen thans een aantal belangrijke ontwikkelingen en veranderingen zoals de privatisering BSE, de veranderingen in de vleeskeuring en het grote aantal bedrijfssluitingen waardoor de bedrijfsdrukte daalt.

Privatisering BSE

LNV heeft met het bedrijfsleven afgesproken dat de BSE-werkzaamheden (monsterneming) worden geprivatiseerd. Hierdoor vervallen per 2004 € 4,5 mln. aan kosten en opbrengsten. Wel blijft de monsterneming TSE bestaan (is onderdeel van een regelingsafspraak) alsmede het door de VWA/RVV uit te voeren toezicht op de BSE-werkzaamheden. Deze werkzaamheden moeten opgenomen worden in een nieuwe regelingsafspraak.

Toekomst vleeskeuring

Thans wordt in Europees verband de mogelijkheid bezien om regelgeving in te voeren, die het op termijn mogelijk maakt de primaire keuring in de varkensslachterijen te privatiseren. Dit sluit aan bij het streven van de VWA om het accent van de werkzaamheden te verleggen van keuring naar toezicht. In overleg met het bedrijfsleven worden de mogelijke gevolgen voor de toekomst in veterinair, sociaal, organisatorisch en financieel opzicht in kaart gebracht. In dit kader wordt in de tweede helft van 2003 een pilot uitgevoerd waarbij de mogelijkheid wordt onderzocht om, onder verantwoordelijkheid van de VWA/RVV, de primaire keuring geheel door externe keuringsassistenten uit te laten voeren. Over de gevolgen daarvan zal de Kamer nader worden geïnformeerd.

Investeringen

De ontwikkeling van keuren naar toezicht zal gepaard gaan met een sociaal plan, waarin overheid en bedrijfsleven participeren, teneinde de kosten van flankerend beleid te financieren. Om goed te kunnen anticiperen op de toekomstige ontwikkelingen zal tegelijkertijd, naast investeringen in de dierziekteorganisatie, blijvend geïnvesteerd moeten worden in het opleiden van personeel en ICT. De kosten van bovengenoemde pilot worden gefinancierd door bedrijfsleven en LNV (totaal € 4,0 mln.).

Bedrijfssluitingen

Afname van de bedrijvigheid in de rundvlees-, varkens- en pluimveesector leidt tot derving van de opbrengsten en een verlaagde kostendekkendheid van de VWA/RVV. Naar aanleiding hiervan heeft de VWA/RVV inmiddels een bezuinigingsplan doorgevoerd. Mochten deze bezuinigingen onverhoopt niet volledig worden gerealiseerd komen resterende tekorten naar rato van opdrachtgeverschap ten laste van LNV en VWS.

Begroting van baten en lasten voor het jaar 2004

VWA/RVV
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
Baten       
Opbrengst moederdepartement/LNV 12 4107 9757 8977 8387 8367 836
Opbrengst DGF 8 1003 1003 1003 1003 1003 100
Opbrengst VWS (etikettering) 2 4251 1701 1701 1701 1701 170
Opbrengst derden 79 37787 56584 43579 34479 34679 346
Rentebaten       
Overige opbrengsten 3 3001 0001 0001 0001 0001 000
Buitengewone baten       
Exploitatiebijdrage LNV/VWS 6 2000    
Bijzondere baten LNV/bedrijfsleven  4 000    
        
Totaal baten 111 812104 81097 60292 45292 45292 452
        
Lasten       
Apparaatskosten       
* personeel 79 31069 40068 10065 07065 07065 070
* materieel 29 69528 16025 20022 28022 28022 280
* huisvesting 
Rentelasten 322350402402402402
Afschrijvingskosten       
* materieel 1 4851 2501 9502 4502 4502 450
* immaterieel  6501 1501 4501 4501 450
Dotaties voorzieningen 1 0001 000800800800800
Bijzondere lasten  4 000    
        
Totaal lasten 111 812104 81097 60292 45292 45292 452
        
Saldo van baten en lasten 000000

Toelichting

Baten

De opbrengst moederdepartement/LNV is op grond van de beschikbare LNV budgetten bijgesteld. Uitgangspunt is dat een groot aantal activiteiten, welke thans nog door LNV worden betaald, in 2004 wordt getarifeerd (o.a. destructie). In onderstaande tabel is een specificatie van de bedragen per regelingsafspraak opgenomen.

OmschrijvingOpdrachtgeverOpbrengsten 2004 (x € 1 000)
RoodvleesLNV/VVA 
BuitengrenscontrolesLNV/VVA 
Pluimvee en wildLNV/VVA 
Levende dierenLNV/VVA1 800
Export dierlijke productenLNV/VVA1 200
WelzijnLNV/DL36
DiervoedersLNV/VVA1 400
Dierlijke bijproductenLNV/VVA250
AquacultuurLNV/VISS45
DierziektenLNV/VVA2 500
Toezicht op toezichtLNV/VVA150
Watergehalte pluimveevleesLNV/I&H94
Restactiviteiten LNVLNV/VVA500
Totaal 7 975

De opbrengst VWS is geraamd op basis van de vigerende regelingsafspraken. Uitgangspunt is dat in 2003 voor vrijwel alle op basis van VWS-regelgeving te verrichten activiteiten, tariefgrondslagen en kostendekkende tarieven zijn ingevoerd. Voor de werkzaamheden waar dit niet het geval is, wordt een bijdrage ontvangen van VWS. Dit betreft opbrengsten inzake etikettering (€ 0,370 mln.) en bijzondere slachtplaatsen (€ 0,8 mln.) (onderdeel regelingsafspraak roodvlees). In totaal € 1,170 mln.

De opbrengst derden is geraamd op de opbrengst van voorgaande jaren ad. € 79,4 mln. In de opbrengstenraming is tevens rekening gehouden met het integraal doorbereken van de huisvestingskosten in het tarief ad. € 1,3 mln., het effect van de tariefsstijgingen 2002 (€ 0,5 mln.) en de opbrengststijging invoer derde landen (€ 1,5 mln.). Verder is rekening gehouden met de in mei 2002 ingevoerde LNV-tarieven voor erkenningverlening en onderhoud, ad. € 1,0 mln. en de effecten van nieuwe tarieven vanuit de regelingsafspraak LNV (o.a. destructie) (€ 2,764 mln.).

De tariefgrondslag voor de VWS-regelgeving (vis, visserijproducten, vleeskeuring) en de tariefsverhoging bijzondere slachtplaatsen worden medio 2003 ingevoerd. De opbrengsten hiervan bedragen € 1,0 mln.

De overige opbrengsten bestaan o.a. uit de verkoop van Rabiës certificaten. Op grond van de ervaringscijfers is hiervoor een bedrag van € 1,0 mln. opgenomen.

Op grond van de pilot toekomst vleeskeuring is een bijzondere bate opgenomen van € 4,0 mln. Dit bedrag is bestemd voor de financiering van de pilot (zie toelichting toekomst vleeskeuring). De kosten van de pilot zullen in belangrijke mate worden gefinancierd door het bedrijfsleven.

Lasten

De personeelskosten van de RVV, ad € 58,8 mln. euro zijn gebaseerd op de begrote bruto bezetting 2003, rekening houdend met het ombuigingsplan en de hieraan gekoppelde vacaturestop. De kosten zijn geraamd op de werkelijke bezetting, rekening houdend met de netto mutaties (instroom minus uitstroom). De belangrijkste mutaties betreffen de monsternemers (€ 2,9 mln.) die vanwege de voorgenomen privatisering niet in de begroting 2004 zijn opgenomen. Verder zijn de lonen en salarissen conform het ombuigingsplan en de natuurlijke uitstroom in combinatie met de vacaturestop omlaag bijgesteld.

CategorieAantal fte /urenKosten in € per fte / per uurTotale kosten in € 1 000
RVV personeel   
– Dierenarts216 fte60 00013 000
– Keurmeester570 fte37 00021 100
– MICA/SK/MVA102 fte41 8004 300
– Overige fee-earners60 fte46 5002 800
– LRVV*77 fte38 0002 900
– Management, beleid en administratie295 fte49 80014 700
Totaal1 320 fte 58 800
    
Keuringsassistenten100 fte40 0004 000
    
Practitioners52 000 uur75 / per uur3 900
    
Uitzendkrachten67,5 fte40 0002 700
    
Totaal generaal  69 400

* LRVV = Laboratorium VWA/RVV

Als gevolg van de afname van het werkaanbod en mede door efficiëntere inzet van eigen personeel wordt geraamd dat de inzet van practitioners, keuringsassistenten en uitzendkrachten zal afnemen. Ten opzichte van 2003 zijn deze kosten (exclusief afname monsternemers) met € 2,4 mln. bijgesteld.

Ook bij de materiële kosten is rekening gehouden met een daling in de bedrijfsdrukte en de privatisering van BSE. In de materiële kosten is een bedrag van € 1,2 mln. begrepen voor het aandeel van de VWA/RVV in de kosten van de gezamenlijke huisvesting van de centrale staven. De materiële kosten zijn als volgt gespecificeerd:

OmschrijvingKosten 2004 in € 1 000
Reis, verblijf, representatiekosten5 785
Opleidingskosten2 300
Kosten inhuur externen2 900
Kantoorkosten5 100
Specifieke kosten5 300
Onderzoekskosten RIKILT1 900
Algemene kosten275
Huisvestingskosten4 600
Totaal28 160

De opleidingskosten zijn ondanks de afname van het aantal fte op hetzelfde niveau als 2003 geraamd. Met name in het kader van de overgang van keuring naar toezicht zijn investeringen in het personeel noodzakelijk.

De huisvestingskosten zijn geraamd op basis van de huidige contracten en derhalve op hetzelfde niveau als vorig jaar.

De rentelasten van € 350 000 hebben te maken met het afsluiten van de initiële lening (overdracht vermogensbestanddelen) en de lening voor nieuwe investeringen. De initiële lening in 2003 bedraagt € 1,127 mln. De lening voor nieuwe investeringen bedraagt € 3,9 mln. De rente is berekend op basis van de Regeling Leen- en Depositofaciliteit Baten-lastendiensten 2003 van de Minister van Financiën.

De afschrijvingskosten materieel bedragen in 2004 € 1,9 mln. De gehanteerde afschrijvingstermijn voor investeringen in automatiseringsapparatuur, datacommunicatie en voor de immateriële activa bedraagt 3 jaar. De gehanteerde afschrijvingstermijn voor investeringen in inventaris, installaties laboratorium en telecommunicatieapparatuur is 5 jaar. De afschrijvingskosten kunnen als volgt worden gespecificeerd.

Omschrijving activaAfschrijvingstermijnAfschrijving in 2004 (x € 1 000)
Meubilair en inventaris5 jaar420
Apparatuur LRVV5 jaar160
Automatiserings- en telecomm. apparatuur3 jaar670
Immateriële activa3 jaar650
Totaal 1 900

De dotaties aan de voorziening dubieuze debiteuren bedraagt in 2004 € 1,0 mln. Dit betreft circa 1% van de begrote opbrengsten, ten bedrage van € 100,0 mln. Voor het overige zijn geen voorzieningen en dotaties aan voorzieningen opgenomen.

Kasstroomoverzicht 2004

VWA/RVV
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Rekening courant RIC 1 januari  1 0001 0001 0001 0001 000
        
2. Totaal operationele kasstroom 2 4851 9003 1003 9003 9003 900
        
3a. -/- totaal investeringen – 4 020– 3 900– 3 900– 3 900– 3 900– 3 900
3b. + totaal boekwaarde desinvesteringen       
        
3. Totaal investeringskasstroom – 4 020– 3 900– 3 900– 3 900– 3 900– 3 900
        
4a. -/- uitkering aan moederdepartement – 1 127     
4b. + storting door moederdepartement       
4c. -/- aflossingen op leningen – 1 485– 1 900– 3 100– 3 900– 3 900– 3 900
4d. + beroep op leenfaciliteit 5 1473 9003 9003 9003 9003 900
        
4. Totaal financieringskasstroom 2 5352 000800   
        
5. Rekening courant RIC 31 december (incl. deposito) (= 1 + 2 + 3 + 4) 1 0001 0001 0001 0001 0001 000

Toelichting

Per 1 januari 2004 heeft de VWA/RVV naar verwachting een saldo van € 1,0 mln. op haar rekening courant verhouding bij het ministerie van Financiën. Gezien het feit dat de aflossingen op de leningen synchroon lopen met de afschrijvingen op de investeringen en er geen mutaties zijn voorzien in het werkkapitaal en de voorziening dubieuze debiteuren, blijft het saldo op de rekening courant constant. De eenmalige uitkering aan LNV in 2003 betreft de vergoeding aan LNV voor de in het kader van de openingsbalans VWA/RVV van LNV per saldo overgenomen vaste activa.

De investeringen, ten bedrage van € 3,9 mln., bestaan uit investeringen in meubilair en inventaris (inclusief vereiste ARBO-investeringen in interne en externe werkplekken) ad € 0,4 mln., investeringen in automatisering- en telecommunicatieapparatuur (€ 1,5 mln.) en investeringen in apparatuur LRVV, ad € 0,75 mln.(waaronder vervanging van liquid chromatografie massa spectrometer, ad. € 350 000). Voor de vervanging van oude specifieke (maatwerk) informatiesystemen is een bedrag van € 1,25 mln. opgenomen.

Overzicht vermogensontwikkeling

VWA/RVV
Bedragen x € 1 0002002200320042005200620072008
1. Eigen vermogen per 1 januari p.m.p.m.p.m.p.m.p.m.p.m.
        
2. Saldo van baten en lasten 000000
        
3a. Uitkering aan moederdepartement       
3b. Bijdrage ter versterking van eigen vermogen moederdepartement       
3c. Overige mutaties       
3. Totaal directe mutaties in eigen vermogen 000000
        
4. Eigen vermogen per 31 december (1 + 2 + 3) p.m.p.m.p.m.p.m.p.m.p.m.

Toelichting

De besluitvorming inzake het eigen vermogen van de VWA/RVV is nog niet afgerond. Deze post is dan ook als pro memorie opgenomen.

Kengetallen en indicatoren 2004

Voor de beoordeling van de doelmatigheid zijn in het traject naar baten-lastendienst twee indicatoren vastgesteld, te weten: (1) de integrale kostprijs per uur en (2) de bezettingsgraad van de fee-earners. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de integrale kostprijs per uur zoals die in de belangrijkste sectoren gelden.

Prestatie-indicatoren 2004

 Aantal directe uren fee-earners (x 1 000)Kostprijs per direct uur (x €)Opbrengst (x € 1 000)
Artikel 10 slachterijen runderen85,081,006 880
Artikel 10 slachterijen kalveren59,571,804 269
Artikel 10 slachterijen varkens339,879,6027 062
Artikel 10 slachterijen schapen/geiten16,689,401 484
Artikel 10 slachterijen eenhoevigen0,4140,0049
Artikel 4 roodvlees slachterijen21,6130,302 815
Bijzondere slachtplaatsen22,3136,803 050
Pluimvee- en wildslachterijen93,589,908 407
Vleesverwerkende bedrijven e.d.127,676,409 746
Levend vee e.d.19,9195,003 881
Vis18,971,401 343
Invoer 3e landen58,891,305 366
Werkzaamheden op verzoek36,5139,805 102
Erkenningverlening en onderhoud23,892,22 202
Overige primaire activiteiten*diversdivers5 909
    
Totaal  87 565

*De opbrengsten uit de overige primaire activiteiten bestaan uit een grote hoeveelheid verschillende producten en diensten zoals entrepots, analyses LRVV etc., met andere tariefeenheden.

Kwaliteitsindicatoren 2004

OmschrijvingRegelgevingAantal
Aantal bezwaarschriftenLNV70
 VWS20
Aantal schadeclaimsLNV90
 VWS10
Aantal klachtenAlgemeen145
 Diertransport (Animo)260

Toelichting

Als indicatoren van kwaliteit zijn de bezwaarschriften, schadeclaims en het aantal klachten opgenomen. Het betreft het aantal ingediende bezwaarschriften, schadeclaims en klachten. De klachten over diertransporten betreft met name de onjuiste invulling van certificaten. Als gevolg van de Vogelpest is het niet uitgesloten dat, net zoals na de MKZ periode in 2001, een groot aantal bezwaarschriften wordt ingediend.

VERDIEPINGSBIJLAGE

In deze verdiepingsbijlage zijn de begrotingsmutaties opgenomen, na de vaststelling van de 1e suppletore begroting 2003. Veel van de mutaties komen bij de betreffende artikelen terug en worden hieronder toegelicht. De uitvoeringsmutaties worden – zo nodig – onder het betreffende artikel toegelicht.

HLA 2003 uitgavenbeperking

In het Hoofdlijnenakkoord 2003 is een beperking van de uitgaven op het terrein van LNV opgenomen. Het betreft een ombuiging van € 10 mln. in 2003, € 20 mln. in 2004 en € 40 mln. met ingang van 2005. In de begroting 2004 vindt een gedeeltelijke invulling van deze ombuiging plaats, op de programmabudgetten van verschillende beleidsartikelen. Concreet betekent het een vermindering op de uitgaven met betrekking tot het onderstaande.

• Deel c uit de regeling versterking sector.

• Regeling Kwaliteitsimpuls Groene Hart.

• Stimuleringskader Natuur en Landbouw.

• Herziening normkosten Staatsbosbeheer.

• Task Force inrichting (Rijk-provincies).

• Temporiseren van de realisatie van de Randstadgroenstructuur.

• Restant taakstelling bosuitbreidingslocaties wordt per direct geschrapt.

• MVO en duurzame landbouw.

• Kostendekkend laten functioneren VAN COKZ.

Volledige invulling van de ombuiging diverse uitgaven LNV zal in later stadium plaatsvinden. Het restant van de ombuiging is opgenomen onder artikel 10 «Nominaal en onvoorzien».

HLA 2003 apparaatstaakstellingen

Het Hoofdlijnenakkoord 2003 bevat voor LNV ombuigingen op het terrein van de arbeidsvoorwaardenruimte, het beperken van de bureaucratie en regelgeving van de collectieve sectoren en het vergroten van het profijtbeginsel. Het gaat daarbij om de vermindering van de incidentele loonontwikkeling bij het onderwijs, vermindering van de inhuur van externen, het verbeteren van de efficiency bij het Rijk en ZBO's (DLO en SBB). Conform de opdracht in het Hoofdlijnenakkoord worden deze ombuigingen van € 15,4 mln. in 2004 oplopend tot € 31,4 mln. gerealiseerd binnen het apparaatsbudget.

HLA 2003 intensivering

Binnen het financieel kader 2004–2007 van het Hoofdlijnenakkoord is ruimte gemaakt voor enkele intensiveringen. Voor LNV betreft het een intensivering van € 700 mln. in deze periode bestemd voor knelpunten reconstructie en voor het realiseren van de EHS, inclusief particulier en agrarisch natuurbeheer. De verdeling over de operationele doelstellingen is als volgt:

Bedragen x € 1 0002004200520062007
U0112Reconstructie6 00016 00082 000105 500
U0122Baten/lastendienst7 6008 1199 63913 439
U0211Verwerving droge EHS19 50027 000112 000111 500
U0213Inrichting droge EHS5 00010 00023 00022 000
U0222Baten/lastendienst1 7002 0072 3473 197
U0311Beheer EHS17 50013 50013 50016 500
U0322Baten/lastendienst7003 6643 8044 154
U0422Baten/lastendienst 1 2101 8611 861
U0511Bevorderen biologische landbouw 7 5007 5007 500
U0513Gewasbescherming2 0001 0002 0002 000
U0522Baten/lastendienst  1 0651 065
U1122Baten/lastendienst  1 2841 284

SA 2002 volumetaakstelling

In de Voorjaarsnota 2003 is de volumetaakstelling Rijk uit het Strategisch Akkoord 2002 van het eerste kabinet Balkenende voor 2003 verwerkt. De verwerking van de meerjarige doorwerking vindt thans in de begroting 2004 plaats. Over de invulling van deze volumetaakstelling is de Kamer (TK 28 600 XIV, nr.112) geïnformeerd. Onder het thema «minder beleid, minder regels, minder inzet» wordt gestreefd naar een inspanningreductie op o.a. het mestbeleid, natuurbeleid en veterinair beleid. De volumetaakstelling van € 10,5 mln. oplopende tot € 17,1 mln. in 2007 wordt gerealiseerd binnen het apparaatsbudget van de diverse artikelen.

Herschikking

In de hiervoor genoemde brief (TK 28 600 XIV, nr.112) is tevens aangegeven dat het realiseren van een dergelijke omvangrijke beleidswijziging tijd vergt. Hiervoor is een periode van transitie noodzakelijk, waarin de wijzigingen worden doorgevoerd. Tot en met 2006 zal daarom over het geheel van de artikelen genomen per saldo sprake zijn van een aflopende uitgavenvermindering.

Loonbijstelling

De loonbijstellingstranche 2003 is structureel over de diverse artikelen verdeeld. Met deze toedeling is de meerjarige doorwerking van de CAO 2002 verwerkt. De toewijzing heeft plaatsgevonden conform de voorschriften van het ministerie van Financiën.

Prijsbijstelling

Dit betreft de meerjarige doorwerking van de juridisch verplichte prijsbijstelling 2003. De toewijzing heeft plaatsgevonden conform de voorschriften van het ministerie van Financiën.

Beleidsartikel 1 Versterking landelijk gebied

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerpbegroting 2003 234 176199 852227 816221 723199 432 
Mutaties Nota van Wijziging – 2 992– 4 988– 6 842– 7 701– 8 143 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 3 763– 7 644– 2 315– 2 484– 2 488 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 9 600– 14 300– 18 320– 18 320 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 1 983– 3 043– 3 590– 4 695 
3 HLA 2003 intensivering  13 60024 11991 639118 939 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 2 853– 3 743– 4 278– 4 278 
5 Herschikking  – 8 175– 1 9064 3454 909 
6 Loonbijstelling 3 0472 8582 7892 7932 791 
7 Prijsbijstelling 123125127128130 
8 Baten-lastendienst DLG  – 1 096– 1 100– 1 100– 1 100 
9 Kwaliteitsimpuls landschap  14 109    
10 Bijdragen derden 8 356     
11 Intensieve veehouderij  1 6002 400– 1 000– 1 000 
12 EU-ontvangsten – 1 910     
13 Aanvullende ombuiging Staatsbosbeheer  – 226– 319–546– 923 
14 Overige – 12– 106– 106– 196 
Stand ontwerpbegroting 2004278 670237 025195 473223 577281 413285 254270 108
B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 302 565260 616269 248263 114240 823 
Mutatie Nota van Wijziging – 2 992– 4 988– 6 842– 7 701– 8 143 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 3 859– 7 524– 2 255– 2 484– 2 488 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 9 600– 14 300– 18 320– 18 320 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 1 983– 3 043– 3 590– 4 695 
3 HLA 2003 intensivering  13 60024 11991 639118 939 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 2 853– 3 743– 4 278– 4 278 
5 Herschikking  – 8 175– 1 9064 3454 909 
6 Loonbijstelling 3 0472 8582 7892 7932 791 
7 Prijsbijstelling 123125127128130 
8 Baten-lastendienst DLG  – 1 096– 1 100– 1 100– 1 100 
9 Kwaliteitsimpuls landschap  14 109    
10 Bijdragen derden 8 356     
11 Intensieve veehouderij  1 6002 400– 1 000– 1 000 
12 EU-ontvangsten – 1 910     
13 Aanvullende ombuiging Staatsbosbeheer  – 226– 319–546– 923 
14 Overige – 12– 106– 106– 196 
Stand ontwerpbegroting 2004302 528305 318256 357265 069322 804326 645311 499

8 Baten-lastendienst DLG

Ten behoeve van de overgang van de Dienst landelijk Gebied naar een baten-lastendienst zijn de apparaatsontvangsten vanaf 2004 gesaldeerd met de uitgaven.

9 Kwaliteitsimpuls landschap

Het budget voor Natuur voor Mensen staat meerjarig geparkeerd op beleidsartikel 2 en het budget voor Programma Beheer op artikel 3. Aangezien de daarmee samenhangende prestaties voor de Kwaliteitsimpuls Landschap op het onderhavige beleidsartikel staan wordt dit artikel verhoogd met € 14,1 mln., ten laste van beleidsartikelen 2 en 3. Deze budgetoverheveling is noodzakelijk om de prestaties en budgetten van de beleidsdoelstellingen in de begroting met elkaar in overeenstemming te brengen

10 Bijdragen derden

Ten gevolge van het uitvoeren van additionele opdrachten voor derden worden extra ontvangsten gerealiseerd ad € 8,4 mln. Hier staan uitgaven tegenover van dezelfde omvang, welke worden verantwoord op dit beleidsartikel.

11 Intensieve veehouderij

In het kader van het experiment «urgente knelgevallen intensieve veehouderij» wordt vanuit het budget voor «herstructurering veehouderij» voor 2004 en 2005 € 1,6 mln. en € 2,4 mln. overgeheveld vanuit beleidsartikel 4 naar het onderhavige beleidsartikel. Het totaalbedrag van € 4 mln. wordt in de jaren 2006 t/m 2009 gecompenseerd.

12 EU-ontvangsten

De EU-ontvangsten in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) vallen € 1,9 mln. lager uit. Dit houdt verband met het feit dat een aantal milieuprojecten niet door de EU in aanmerking zijn gekomen voor een bijdrage. Als gevolg hiervan worden zowel de uitgaven als ontvangsten in dit kader lager.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 84 56377 74077 39976 51867 188 
Nieuwe mutaties       
1 Bijdragen derden 8 356     
2 Baten-lastendienst DLG  – 1 096– 1 100– 1 100– 1 100 
3 EU-ontvangsten – 1 910     
Stand ontwerpbegroting 200484 61391 00976 64476 29975 41866 08866 088

1 Bijdragen derden

Ten gevolge van het uitvoeren van additionele opdrachten voor derden worden extra ontvangsten gerealiseerd ad € 8,4 mln. Hier staan uitgaven tegenover van dezelfde omvang, welke worden verantwoord op de uitgaven van dit artikel.

2 Baten-lastendienst DLG

Ten behoeve van de overgang van de Dienst landelijk Gebied naar een baten-lastendienst zijn de apparaatsontvangsten vanaf 2004 gesaldeerd met de uitgaven.

3 EU-ontvangsten

De EU-ontvangsten in het kader van het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) vallen € 1,9 mln. lager uit. Dit houdt verband met het feit dat een aantal milieuprojecten niet door de EU in aanmerking zijn gekomen voor een bijdrage. Als gevolg hiervan worden zowel de uitgaven als ontvangsten in dit kader lager.

Beleidsartikel 2 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (verwerving en inrichting)

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 156 964174 794174 051177 655182 569 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 37 893– 13 753– 11 533– 11 578– 11 578 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 477– 732– 883– 1 171 
2 HLA 2003 intensivering  26 20039 007137 347136 697 
3 SA 2002 volumetaakstelling  – 675– 940– 1 112– 1 112 
4 Herschikking  4931 2171 8811 318 
5 Loonbijstelling 312323308302301 
6 Kwaliteitsimpuls landschap  – 11 629    
7 Baten-lastendienst DLG – 278– 275– 275– 275 
Stand ontwerpbegroting 2004281 048195 169174 998201 103303 337306 749300 249
B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 152 669176 286177 193181 455186 369 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 37 893– 13 753– 11 533– 11 578– 11 578 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 477– 732– 883– 1 171 
2 HLA 2003 intensivering  26 20039 007137 347136 697 
3 SA 2002 volumetaakstelling  – 675– 940– 1 112– 1 112 
4 Herschikking  4931 2171 8811 318 
5 Loonbijstelling 312323308302301 
6 Kwaliteitsimpuls landschap  – 11 629    
7 Baten-lastendienst DLG – 278– 275– 275– 275 
Stand ontwerpbegroting 2004243 900190 874176 490204 245307 137310 549304 049

6 Kwaliteitsimpuls landschap

Het budget voor Natuur voor Mensen staat meerjarig geparkeerd op het onderhavige beleidsartikel. Aangezien de daarmee samenhangende prestaties voor de Kwaliteitsimpuls Landschap op beleidsartikel 01 staan wordt dit artikel verlaagd met € 11,6 mln., ten gunste van beleidsartikel 1. Deze budgetoverheveling is noodzakelijk om de prestaties en budgetten van de beleidsdoelstellingen in de begroting met elkaar in overeenstemming te brengen.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 6 2585 03510 84313 0633 613 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 12 000     
Nieuwe mutaties       
– Baten-lastendienst DLG – 278– 275– 275– 275 
Stand ontwerpbegroting 200422 07318 2584 75710 56812 7883 3383 338

Beleidsartikel 3 Realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (beheer)

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 129 329145 907150 711158 818146 525 
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr. 71 12 000     
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 1 270– 7 599– 2 648– 3 478– 3 478 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 700– 700– 700– 700 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 592– 957– 1 038– 1 195 
3 HLA 2003 intensivering  18 20017 16417 30420 654 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 327– 517– 608– 608 
5 Herschikking  2 724233549352 
6 Loonbijstelling 2 2173 0213 2573 3283 343 
7 Prijsbijstelling 176188189186189 
8 Kwaliteitsimpuls landschap  – 2 480    
9 Aanvullende ombuiging Staatsbosbeheer  – 326– 460– 785– 1 328 
10 Baten-lastendienst DLG – 109– 108– 108– 108 
Stand ontwerpbegroting 2004170 574144 992157 907166 164173 468163 646174 617
B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 127 785150 280155 376163 482151 189 
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr. 71 12 000     
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 8 730– 5 599– 648– 1 478– 1 478 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 700– 700– 700– 700 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 592– 957– 1 038– 1 195 
3 HLA 2003 intensivering  18 20017 16417 30420 654 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 327– 517– 608– 608 
5 Herschikking  2 724233549352 
6 Loonbijstelling 2 2173 0213 2573 3283 343 
7 Prijsbijstelling 176188189186189 
8 Kwaliteitsimpuls landschap  – 2 480    
9 Aanvullende ombuiging Staatsbosbeheer  – 326– 460– 785– 1 328 
10 Baten-lastendienst DLG – 109– 108– 108– 108 
Stand ontwerpbegroting 2004141 795133 448164 280172 829180 132170 310181 281

8 Kwaliteitsimpuls landschap

Het budget voor Programma Beheer staat meerjarig geraamd op het onderhavige artikel. Aangezien een deel van de daarmee samenhangende prestaties op beleidsartikel 1 staan wordt dit artikel verlaagd met € 2,5 mln., ten gunste van beleidsartikel 1. Deze budgetoverheveling is noodzakelijk om de prestaties en budgetten van de beleidsdoelstellingen in de begroting met elkaar in overeenstemming te brengen.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 14 58316 71414 27118 541211 
Nieuwe mutaties       
– Baten-lastendienst DLG – 109– 108– 108– 108 
Stand ontwerpbegroting 20043 93314 58316 60514 16318 433103103

Beleidsartikel 4 Economisch perspectiefvolle agroketens

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 64 02660 22142 83344 33828 454 
Mutatie Nota van Wijziging 4 3017 1949 80010 97911 607 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 25 149– 1 061– 944– 1 040– 1 039 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 155– 155– 5 155– 5 155 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 659– 998– 1 130– 1 344 
3 HLA 2003 intensivering  01 2101 8611 861 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 279– 635– 827– 827 
5 Herschikking  5 7295 5575 6285 241 
6 Loonbijstelling 764753738726626 
7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties 5 000     
8 Intensieve veehouderij  – 1 600– 2 4001 0001 000 
9 Nitraatmiddelen herstr. veehouderij  5 0001 000   
10 Diverse onderzoeken DLO – 7 917     
11 Overige 300– 96– 96– 96– 96 
Stand ontwerpbegroting 2004110 08191 62375 04755 91056 28440 32840 328

10 Diverse onderzoeken DLO

Ten behoeve van de uitvoering van diverse onderzoeken en projecten door DLO wordt verplichtingenbudget overgeboekt naar artikel 7.

B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 62 80058 08157 56161 07543 547 
Mutatie Nota van Wijziging 4 3017 1949 80010 97911 607 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 1 133– 2 738– 1 042– 1 040– 1 039 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 155– 155– 5 155– 5 155 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 659– 998– 1 130– 1 344 
3 HLA 2003 intensivering  01 2101 8611 861 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 279– 635– 827– 827 
5 Herschikking  5 7295 5575 6285 241 
6 Loonbijstelling 764753738726626 
7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties 5 000     
8 Intensieve veehouderij  – 1 600– 2 4001 0001 000 
9 Nitraatmiddelen herstr. veehouderij  5 0001 000   
10 Overige 860– 376– 236– 236– 96 
Stand ontwerp-begroting 2003178 73272 59270 95070 40072 88155 42155 421

7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties

Ten behoeve van de sanering van vaartuigen en de opkoop van licenties wordt € 5 mln. overgeboekt vanuit artikel 4 naar het onderhavige artikel, waar de uitgaven zullen worden verantwoord.

8 Intensieve veehouderij

In het kader van het experiment «urgente knelgevallen intensieve veehouderij» wordt vanuit het budget voor «herstructurering veehouderij» voor 2004 en 2005 € 1,6 mln. en € 2,4 mln. overgeheveld naar artikel 1. Het totaalbedrag van € 4 mln. wordt in de jaren 2006 t/m 2009 gecompenseerd.

9 Nitraatmiddelen herstructurering veehouderij

Tot en met 2003 worden de nitraatgelden (t.b.v. nitraatprojecten) verantwoord op artikel 5. Vanaf 2004 zijn de nitraatgelden bestemd voor herstructurering van de melkveehouderij.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 3 9494 4674 7394 7392 509 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003       
Nieuwe mutaties  – 2– 2– 2– 2 
Stand ontwerpbegroting 2004118 2653 9494 4654 7374 7372 5071 107

Beleidsartikel 5 Bevorderen duurzame productie

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 139 589133 122123 066121 756121 618 
Mutatie Nota van Wijziging – 306– 438– 576– 564– 573 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 11 025– 3 783– 4 386– 4 620– 4 620 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  0– 4 000– 5 000– 5 000 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 5 437– 7 593– 8 380– 10 062 
3 HLA 2003 intensivering  2 0008 50010 56510 565 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 4 237– 5 863– 6 519– 6 519 
5 Herschikking  5 2885 7313 7164 789 
6 Loonbijstelling 2 3622 3001 9311 8381 877 
7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties – 5 000     
8 Nitraatmiddelen herstr. veehouderij  – 5 000– 1 000   
9 Diverse onderzoeken DLO – 908     
10 Uitstellen verzelfstandiging OVB – 5 600– 5 600    
11 Overige – 1 033– 3263329331 333 
Stand ontwerpbegroting 2004266 206140 129117 889116 142113 725113 408101 660

9. Diverse onderzoeken DLO

Ten behoeve van de uitvoering van diverse onderzoeken en projecten door DLO wordt verplichtingenbudget overgeboekt naar artikel 7.

B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 315 342136 990117 223114 607114 469 
Mutatie Nota van Wijziging – 306– 438– 576– 564– 573 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 12 776– 3 703– 4 347– 4 620– 4 620 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  0– 4 000– 5 000– 5 000 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 5 437– 7 593– 8 380– 10 062 
3 HLA 2003 intensivering  2 0008 50010 56510 565 
4 SA 2002 volumetaakstelling  – 4 237– 5 863– 6 519– 6 519 
5 Herschikking  5 2885 7313 7164 789 
6 Loonbijstelling 2 3622 3001 9311 8381 877 
7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties – 5 000     
8 Nitraatmiddelen herstr. veehouderij  – 5 000– 1 000   
9 Uitstellen verzelfstandiging OVB – 5 600– 5 600    
10 Overige – 1 033– 3263329331 333 
Stand ontwerpbegroting 2004151 326318 541121 837110 338106 576106 25994 511

7 Sanering vaartuigen en opkoop licenties 8 Nitraatmiddelen herstructurering veehouderij

Zie de toelichting bij beleidsartikel 4.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 201 87529 82531 30128 41622 84822 848
Mutatie Nota van Wijziging       
Mutatie 1e suppletore begroting 2003       
1. Uitstellen verzelfstandiging OVB – 5 600– 5 600    
2. Overige  4901 1401 7902 072 
Stand ontwerpbegroting 200447 677196 27524 71532 44130 20624 92024 072

2. Overige

Als gevolg van de verhoging van de tarieven verhuur visgronden wordt de ontvangstenraming bijgesteld.

Beleidsartikel 6 Voedselveiligheid, voedselkwaliteit en diergezondheid

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 90 52990 63370 66870 66870 668 
Mutatie Nota van Wijziging – 111– 199– 273– 313– 331 
mutatie 1e suppletore begroting 2003 262 772– 4 942– 7 450– 5 081– 5 081 
nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 1 000– 3 000– 5 000– 7 000 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 402– 645– 737– 936 
3 SA 2002 volumetaakstelling  – 467– 696– 770– 770 
4 Herschikking  – 4 053– 2 020– 1 262– 417 
5 Loonbijstelling 703702680667663 
6 VWA /CE 14 9259 1759 1759 1759 175 
7 Overig 729927919914913 
Stand ontwerpbegroting 2004264 325369 54790 37467 35868 26166 88466 884
B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 90 52990 63370 66870 66870 668 
Mutatie Nota van Wijziging – 111– 199– 273– 313– 331 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 262 767– 4 947– 4 989– 5 081– 5 081 
Nieuwe mutaties       
1 HLA 2003 uitgavenbeperking  – 1 000– 3 000– 5 000– 7 000 
2 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 402– 645– 737– 936  
3 SA 2002 volumetaakstelling  – 467– 696– 770– 770 
4 Herschikking  – 4 053– 2 020– 1 262– 417 
5 Loonbijstelling 703702680667663 
6 VWA/CE 14 9259 1759 1759 1759 175 
7 Overig 729927919914913 
Stand ontwerpbegroting 2004257 926369 54290 36969 81968 26166 88466 884

6. VWA/CE

In verband met de overgang van de Voedsel en Warenautoriteit van het ministerie van VWS naar het ministerie van LNV wordt de bijdrage aan de VWA Centrale Eenheid (VWA/CE) overgeheveld naar LNV.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 38 07700000
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 19 70050 70050 7009 7009 7009 700
Stand ontwerpbegroting 2004170 36357 77750 70050 7009 7009 7009 700

Beleidsartikel 7 Kennisontwikkeling en innovatie

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 311 335294 502293 755291 660292 094 
Mutatie Nota van Wijziging – 284– 509– 659– 764– 808 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 4 6132 9282 6662 9632 963 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 277– 672– 869– 1 115 
2 SA 2002 volumetaakstelling  – 193– 305– 349– 349 
3 Herschikking  – 11 561– 13 505– 15 599– 15 080 
4 Loonbijstelling 7 8347 6847 6487 6227 633 
5 Prijsbijstelling 167166166166167 
6 Aanvullende ombuiging ILO  – 229– 456– 456– 459 
7 Overig – 4 25833494949 
Stand ontwerpbegroting 2004419 649310 181292 544288 687284 423285 095285 338

7 Overige

Vanuit beleidsartikel 7 wordt in 2003 € 13,1 mln. overgeboekt naar beleidsartikel 9. Dit betreft een technische correctie op de budgettaire verwerking van de maatregelen welke door de minister van LNV in zijn brief over de LNV-begroting aan de Tweede Kamer is voorgelegd. (TK 28 600 XIV, nr. 112).

Ten behoeve van de uitvoering van diverse onderzoeken en projecten door DLO wordt in 2003 € 8,8 mln verplichtingenbudget overgeboekt vanuit beleidsartikel 4.

B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 312 455295 051293 873293 097293 531 
Mutatie Nota van Wijziging – 284– 509– 659– 764– 808 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 4 1184 6052 7642 9632 963 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 277– 672– 869– 1 115 
2 SA 2002 volumetaakstelling  – 193– 305– 349– 349 
3 Herschikking  – 11 561– 13 505– 15 599– 15 080 
4 Loonbijstelling 7 8347 6847 6487 6227 633 
5 Prijsbijstelling 167166166166167  
6 Aanvullende ombuiging ILO  – 229– 456– 456– 459 
7 Overig – 11 12833494949 
Stand ontwerpbegroting 2004310 276313 162294 770288 903285 860286 532286 775

7 Overige

Vanwege een groter aantal gerealiseerde promoties dan geraamd is in 2003 een overboeking noodzakelijk vanuit beleidsartikel 8 van € 2,0 mln.

C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 21 5819 7589 7589 5759 575 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 1 824226    
Stand ontwerpbegroting 200413 47423 4059 9849 7589 5759 5759 575

Beleidsartikel 8 Kennisvoorziening

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 388 891403 501415 560426 450435 702 
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr.37 2 3002 3002 3002 3002 300 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 63 10113 91615 99818 08019 121 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 644– 1 310– 1 992– 2 683 
2 Loonbijstelling 10 18010 76011 08211 38111 620 
3 Prijsbijstelling 825853878900918 
4 Aanvullende ombuiging ILO  – 982– 2 023– 2 075– 2 119 
5 Overig 11 37111 24211 13310 87310 873 
Stand ontwerpbegroting 2004416 550476 668440 946453 618465 917475 732477 799

5 Overige

Voor normatieve uitgaven ten behoeve van agrarische innovatie- en praktijkcentra (IPC's) wordt vanaf 2004 meerjarig budget overgeheveld ten laste van het beleidsartikel 9. Tevens is eenmalig voor 2003 extra verplichtingbudget nodig om de rijksbijdrage voor 2004 in 2003 vast te leggen.

B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 388 891403 501415 560426 450435 702 
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr. 37 2 3002 3002 3002 3002 300 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 13 10113 91615 99818 08019 121 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 644– 1 310– 1 992– 2 683 
2 Loonbijstelling 10 18010 76011 08211 38111 620 
3 Prijsbijstelling 825853878900918 
4 Aanvullende ombuiging ILO  – 982– 2 023–2 075– 2 119 
5 Overig – 88411 24211 13310 87310 873 
Stand ontwerpbegroting 2004400 375414 413440 946453 618465 917475 732477 799
C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 182182182182182 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 25630303030 
Nieuwe mutaties:       
1 Overig – 112– 182– 182– 182– 182 
Stand ontwerpbegroting 20048013263030303030

Beleidsartikel 9 Kennisverspreiding

A. Opbouw verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 95 44393 76093 46893 19293 647 
Mutatie Nota van Wijziging – 601– 1 049– 1 435– 1 623– 1 734 
Mutatie amendement – 2 300– 2 300– 2 300– 2 300– 2 300 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 37 048– 8 119– 7 874– 7 597– 7 597 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 180– 347– 509– 676 
2 SA 2002 volumetaakstelling  – 1– 3– 3– 3 
3 Herschikking  – 12 887– 13 206– 11 542– 9 886 
4 Loonbijstelling 3 0313 0773 0763 0763 090 
5 Aanvullende ombuiging ILO  – 228– 457– 458– 461 
6 Overig 13 513– 11 509– 11 400– 11 140– 1 1 140 
Stand ontwerpbegroting 2004106 40972 03860 56459 52261 09662 94063 184

6 Overige

Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de beleidsartikelen 7 en 8.

B. Opbouw uitgaven beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 95 43995 11794 82694 54995 004 
Mutatie Nota van Wijziging – 601– 1 049– 1 435– 1 623– 1 734 
Mutatie amendement – 2 300– 2 300– 2 300– 2 300– 2 300 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 – 36 973– 8 194– 7 874– 7 597– 7 597 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 180– 347– 509– 676 
2 SA 2002 volumetaakstelling  – 1– 3– 3– 3 
3 Herschikking  – 12 887– 13 206– 11 542– 9 886 
4 Loonbijstelling 3 0313 0773 0763 0763 090 
5 Aanvullende ombuiging ILO  – 228– 457– 458– 461 
6 Overig 13 038– 11 229– 11 260– 11 000– 11 140 
Stand ontwerpbegroting 200483 13471 63462 12661 02062 59364 29764 541
C. Opbouw ontvangsten beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 4545454545 
Nieuwe mutaties:       
1 Overig 181     
Stand ontwerpbegroting 20041 8392264545454545

Artikel 10 Nominaal en onvoorzien

A. Opbouw uitgaven en verplichtingen beleidsartikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 10 86611 09711 43811 43811 425 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 7 48536 15235 87036 10436 452 
Nieuwe mutaties       
1. HLA 2003 uitgavenbeperking  – 8 545– 17 845– 5 825– 3 825 
2. Loonbijstelling – 38 517– 40 633– 40 834– 41 034– 41 186 
3. Prijsbijstelling – 6 656– 6 438– 6 296– 6 330– 6 513 
Stand ontwerpbegroting 20040– 26 822– 8 366– 17 666– 5 648– 3 646– 3 646

De loonbijstellings- en prijsbijstellingstranche 2003 zijn bij Voorjaarsnota 2003 aan de LNV-begroting toegevoegd en is op onderstaande wijze verdeeld over de diverse artikelen.

Loonbijstelling
K=V20032004200520062007
U0111 Gebiedenbeleid191189186184184
U0113 Landelijk Natuurlijk1 031848810831837
U0115 Real.recr. In land.gebied511538548557557
U0116 Internationaal natuurlijk1212111111
U0121 Apparaatsuitgaven1 280233226221220
U0122 Agentschappen221 0381 0089899
U0213 Inrichting droge EHS1817171717
U0221 Apparaatsuitgaven28186807878
U0222 Agentschappen13220211207206
U0311 Beheer droge EHS1 9382 7462 9863 0633 078
U0321 Apparaatsuitgaven15456585757
U0322 Agentschappen125219213208208
U0414 Herstructurering Visserij928995950
U0421 Apparaatsuitgaven594586567556552
U0422 Agentschappen7878767574
U0515 Ecologisch duurzame viss. 403417168139186
U0521 Apparaatsuitgaven907898853808804
U0522 Agentschappen1 052985910891887
U0612 Voorlichting en Voeding8284828181
U0621 Apparaatsuitgaven362362350343341
U0622 Agentschappen259256248243241
U0713 Kennisbasis2 9773 0172 9942 9752 987
U0714 Beleidsonderst.onderz.3 8263 6133 6053 6013 601
U0715 Wett.onderz.taken858883883883883
U0721 Apparaatsuitgaven173171166163162
U0811 Voorzien.groen onderw.10 18010 76011 08211 38111 620
U0916 Vakdep.onderwijsbeleid1 5051 5131 5161 5101 521
U0917 Alg. onderwijsbeleid1 0491 0781 0801 0901 093
U0918 Voorlichting472481475471471
U0922 Agentschappen55555
U1022 Loonbijstelling– 38 517– 40 633– 40 834– 41 034– 41 186
U1114 Uitvoering EU maatr. 704697688681681
U1121 Apparaatsuitgaven6 9788 0778 2688 2598 201
U1122 Agentschappen385381369362360
Prijsbijstelling
K=V20032004200520062007
U0113 Landelijk Natuurlijk3939393840
U0115 Real. gevarieerde recreatie land. gebied8486889090
U0311 Beheer van de EHS176188189186189
U0713 Kennisbasis167166166166167
U0811 Voorz.groen onderwijs825853878900918
U1021 Prijsbijstelling– 6 656– 6 438– 6 296– 6 330– 6 513
U1121 Apparaat5 3655 1064 9364 9505 109

Artikel 11 Algemeen

A. Opbouw verplichtingen artikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 201 832188 094183 045186 129188 725 
Mutatie Nota van Wijziging – 6  
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr. 71 – 12 000  
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 63 67017 38419 03320 34320 329 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 4 708– 6 510– 6 876– 7 546 
2 HLA 2003 intensivering  001 2841 284 
3 SA 2002 volumetaakstelling  9 03212 70214 46614 466 
4 Herschikking  22 44217 89912 2848 774 
5 Loonbijstelling 8 0679 1559 3259 3019 242 
6 Prijsbijstelling 5 3655 1064 9364 9505 109 
7 Overig – 918– 1 167– 1 179– 1 039– 1 348 
Stand ontwerpbegroting 2004317 924266 010245 338239 251240 842239 035239 035
B. Opbouw uitgaven artikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 201 832188 094183 045186 129188 725 
Mutatie Nota van Wijziging – 6  
Mutatie amendement 28 600-XIV, nr. 71 – 12 000  
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 63 67017 38419 03320 34320 329 
Nieuwe mutaties:       
1 HLA 2003 apparaatstaakstellingen  – 4 708– 6 510– 6 876– 7 546 
2 HLA 2003 intensivering  001 2841 284 
3 SA 2002 volumetaakstelling  9 03212 70214 46614 466 
4 Herschikking  22 44217 89912 2848 774 
5 Loonbijstelling 8 0679 1559 3259 3019 242 
6 Prijsbijstelling 5 3655 1064 9364 9505 109 
7 Overig – 786– 1 172– 1 183– 1 043– 1 352 
Stand ontwerpbegroting 2004318 432266 142245 333239 247240 838239 031239 031

3 SA 2002 volumetaakstelling

Op dit artikel was bij de begroting 2003 de resterende volumetaakstelling als stelpost opgenomen. Deze mutatie is het resultaat van de verdeling van de bij Voorjaarsnota 2003 ingevulde taakstelling over de artikelen (inclusief dit artikel).

C. Opbouw ontvangsten artikel (x € 1 000)
 2002200320042005200620072008
Stand ontwerp-begroting 2003 245 756245 706245 706245 706245 706 
Mutatie 1e suppletore begroting 2003 21 427327327327327 
Nieuwe mutaties: – 1 598– 1 598– 1 598– 1 598– 1 598 
Stand ontwerpbegroting 2004301 680265 585244 435244 435244 435244 435244 435
Licence