Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2006 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2006. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2006.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2006 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat agentschappen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van het Agentschap SZW en Inspectie Werk en Inkomen voor het jaar 2006 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2006

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

Inhoudsopgaveblz
   
1.Leeswijzer3
   
2.De beleidsagenda6
   
3.De beleidsartikelen28
21.Inkomensbeleid28
22.Activerend arbeidsmarktbeleid34
23.Reïntegratie41
24.Sociale werkvoorziening49
25.Arbeid en zorg53
26.Overlegstructuren, collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en medezeggenschap59
27.Regulering van individuele arbeidsrelaties63
28.Pensioenbeleid69
29.Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim74
30.Inkomensbescherming met activering78
31.Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid87
32.Overige inkomensbescherming94
33.Tegemoetkoming specifieke kosten101
34.Rijksbijdragen aan sociale fondsenen spaarfonds AOW106
35.Emancipatie110
   
4.De niet-beleidsartikelen116
97.Aflopende regelingen116
98.Algemeen118
99.Nominaal en onvoorzien121
   
5.De bedrijfsvoering122
   
6.Diensten die een baten-lastenstelsel voeren124
   
7.Verdiepingshoofdstuk131
   
8.De bijlage moties en toezeggingen152
   
9.De bijlage inzake ZBO's en RWT's169
   
10.Bijlage financieel beleid budgetdisciplinesector sociale zekerheid en arbeidsmarkt174
   
11.Bijlage inkomensbeleid186
   
12.Bijlage sociale zekerheid196
   
13.Bijlage subsidies198
   
14.Bijlage gebruikte afkortingen200
   
15.Trefwoordenregister203

1 LEESWIJZER

Begroting politieker, compacter en toegankelijker

In 2004 is de begrotingsopzet interdepartementaal geëvalueerd en verscheen het Eindrapport VBTB-evaluatie: Lessen uit de praktijk (TK 2004–2005, 29 949, nr. 1). De belangrijkste aanbevelingen zijn omgezet in voorstellen die de toegankelijkheid en leesbaarheid van de begroting en jaarverslag vergroten. Vanuit deze invalshoek is onder leiding van het ministerie van Financiën gekeken naar de mogelijkheden om de begroting en jaarverslag politieker en compacter te maken. Dit heeft geleid tot aanpassingen in de Rijksbegrotingsvoorschriften en een gedaantewisseling van de ontwerp-begroting. De informatie op de artikelen wordt puntsgewijs in tabelvorm gepresenteerd en is primair bedoeld voor het vragen van toestemming tot het doen van uitgaven (de zogenaamde autorisatiefunctie van de begroting). In de artikelen wordt verwezen naar beleidsstukken. Deze beleidsstukken zijn via de internetsite www.rijksbegroting.nl te raadplegen.

Opbouw begroting

De begroting van SZW is opgebouwd uit de volgende hoofdstukken:

2. Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt aandacht besteed aan de hoofdlijnen van het beleid van SZW. Daarbij wordt in het bijzonder ingegaan op de prioriteiten.

3. Beleidsartikelen

De belangrijkste beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. Op de begroting van SZW zijn sinds de begroting 2005 15 beleidsartikelen onderscheiden.

Om te komen tot een toegankelijkere en compactere begroting is de opzet en presentatievorm van de beleidsartikelen gewijzigd. De meeste informatie in de artikelen wordt puntsgewijs in tabelvorm gepresenteerd. Daarnaast is de paragraafindeling van de artikelen gewijzigd. Gestart wordt met de paragraaf Algemene doelstelling, vervolgens komt de paragraaf Budgettaire gevolgen van beleid. In de derde paragraaf worden de Operationele doelstellingen gepresenteerd. Afgesloten wordt met het Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken. In de beleidsartikelen wordt verwezen naar relevante beleidsdocumenten. Deze zijn via www.rijksbegroting.nl oproepbaar.

4. De niet-beleidsartikelen

De artikelen 97 (Aflopende regelingen), 98 (Algemeen) en 99 (Nominaal en onvoorzien) betreffen de niet-beleidsartikelen. De middelen op de begroting van SZW die niet rechtstreeks aan een doelstelling gekoppeld kunnen worden of omdat het om een technisch administratieve voorziening gaat (onvoorzien, loonbijstelling) worden op de niet-beleidsartikelen begroot.

5. De bedrijfsvoering

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan specifieke bedrijfsvoeringsthema's.

6. Diensten die een baten-lastenstelsel voeren

Het ministerie heeft twee baten-lastendiensten: het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen. Van deze twee baten-lastendiensten is een technische paragraaf opgenomen die bestaat uit een meerjarige begroting en een kasstroomoverzicht met daarbij een bondige toelichting.

7. Verdiepingshoofdstuk

In dit hoofdstuk is de financieel-administratieve opbouw van de beschikbare verplichtingenbedragen, de kasuitgaven en de ontvangsten ten opzichte van de stand ontwerp-begroting 2005 per artikel weergegeven. De belangrijkste mutaties worden kort toegelicht.

8. t/m 15. Bijlagen

De ontwerp-begroting 2006 bevat acht bijlagen. Deze bijlagen zijn ook in de begroting 2005 opgenomen.

Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften

Toedeling van de apparaatsuitgaven.

Het ministerie van SZW heeft in deze begroting de apparaatsuitgaven zoveel mogelijk aan de verschillende beleidsartikelen toegerekend. Toerekening van middelen (personeel en materieel) vindt jaarlijks plaats op basis van een herziene, globale toedeling van de personeelsinzet naar de verschillende beleidsartikelen. Deze verdeelsleutel wordt ook in het departementaal jaarverslag 2006 gehanteerd. Voor 2007 en volgende jaren zijn bij de beleidsartikelen nog geen apparaatsuitgaven geraamd.

Als gevolg van de nieuwe begrotingsstructuur die met ingang van 2005 is ingevoerd zijn de apparaatsuitgaven voor het jaar 2004 op artikel 98 verantwoord en niet voor een deel op de beleidsartikelen.

De toegerekende apparaatsuitgaven worden niet afzonderlijk bij de beleidsartikelen toegelicht. In artikel 98 «Algemeen» is een integraal overzicht van de inzet van personeel en materieel opgenomen inclusief de verdeling van de personeelsinzet over de verschillende beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Dit staat gelijk aan de verdeelsleutel.

Effectinformatie

Met de motie van het lid Douma c.s. (TK 2004–2005, 29 949, nr. 11) heeft de Kamer aangegeven dat de beleidsdoelen in de begroting geformuleerd moeten worden in termen van te realiseren effecten (outcome) en/of in daarvan afgeleide prestatiegegevens. Daarvan kan alleen worden afgeweken als een motivering wordt gegeven volgens het principe «pas toe of leg uit» («comply or explain»).

De algemene lijn is dat in de begroting van SZW, daar waar mogelijk en zinvol, per begrotingsartikel bij de algemene of bij de operationele doelstelling effectgegevens worden gepresenteerd. In mijn brief aan de Tweede Kamer (TK 2004–2005, 29 949 nr. 22) heb ik aangegeven waarom bij bepaalde artikelen het niet mogelijk is om effectinformatie op te nemen. Een totaaloverzicht van prestatie- en effectindicatoren en kengetallen is op 17 augustus 2005 (TK 2004–2005, 29 949, nr. 35) aan de Kamer aangeboden.

2. BELEIDSAGENDA

1. Inleiding: 2006, het jaar van uitvoering en groeiend vertrouwen

Bij het aantreden van dit kabinet was de groei van de Nederlandse economie volledig tot stilstand gekomen. De scherpe terugval van de economie werd mede veroorzaakt door te hoge loonstijgingen, waardoor de concurrentiepositie van Nederland sterk verslechterde en de economische groei in Nederland vanaf 2001 onder het EU-gemiddelde uitkwam. De werkloosheid liep scherp op; eind 2003 waren 449 000 mensen werkloos. De werkgelegenheid daalde in 2003 met circa 45 000. Het EMU-tekort dreigde zonder ingrijpen tot boven de toegestane 3 procent uit te komen. Een situatie die, na jaren van een zeer uitbundige economische groei, veel mensen niet meer voor mogelijk hadden gehouden.

Het kabinet werd ook geconfronteerd met structurele knelpunten in de Nederlandse economie. Het aantal arbeidsongeschikten naderde de één miljoen. Van de mensen tussen de 55 en 65 jaar werkte slechts ongeveer eenderde. Tegelijkertijd worstelden met name jonge gezinnen met kinderen met de combinatie van arbeid en zorg. De positie van Nederlandse bedrijven stond onder druk, door ontwikkelingen als internationalisering en de voortschrijdende technologie, maar ook door te hoge lonen. Verder zag het kabinet zich genoodzaakt een goed antwoord te vinden op de gevolgen voor de toekomst van de vergrijzing. De komende jaren verdubbelt het aantal 65-plussers en daalt het aantal 30- tot 50-jarigen. Daardoor moet een steeds kleiner wordende groep mensen de kosten opbrengen voor de sociale zekerheid en de gezondheidszorg. Als niet meer mensen aan het werk gaan, dreigen deze voorzieningen daardoor onbetaalbaar te worden.

Dit kabinet zag zich kortom geconfronteerd met een situatie waarin de evenwichten zoek waren. Het evenwicht tussen het aantal werkenden en niet-werkenden, het evenwicht tussen lonen en productiviteit en het evenwicht tussen inkomsten en (toekomstige) uitgaven. Mede als gevolg van de uitzonderlijke periode van hoogconjunctuur in met name de tweede helft van de jaren negentig waren belangrijke structurele problemen te lang blijven liggen.

Het is tegen deze achtergrond dat het kabinet in 2003 een ambitieuze agenda opstelde. De hervormingen van het kabinet op het terrein van werk en inkomen zijn erop gericht nieuwe evenwichten te vinden, waarbij een moderne visie op de solidariteit centraal staat. Dat betekent het waarborgen van sociale zekerheid voor mensen die deze steun echt nodig hebben, een betere balans tussen rechten en plichten in de socialezekerheidsregelingen en een accentverschuiving van nazorg (een uitkering) naar voorzorg (voorkomen van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid).

Nederland staat hierin niet alleen. Vergelijkbare hervormingen vinden plaats in veel Europese landen. Ook zijn naar aanleiding van de vorig jaar gehouden tussentijdse evaluatie van de Lissabonstrategie afspraken gemaakt door de EU-lidstaten om elkaar meer aan te spreken op structurele hervormingen van het nationale beleid. Het doel is om de Europese Unie als kenniseconomie meer concurrentiekracht te geven in de wereld.

De hervormingsagenda van het kabinet heeft als vertrekpunt: meer mensen aan het werk. Het kabinet heeft in 2004 de nieuwe Wet werk en bijstand (WWB) ingevoerd. Mede door de WWB is het aantal bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar lager uitgekomen dan aanvankelijk was voorzien; in 2004 was het aantal bijstandsuitkeringen 337 000, terwijl in 2003 nog werd uitgegaan van 390 000 bijstandsuitkeringen voor het jaar 2004. De vervolguitkering WW is afgeschaft om de regeling meer activerend te maken. De nieuwe Wet kinderopvang die in 2005 van kracht werd, maakt kinderopvang toegankelijker, vooral voor de lagere inkomensgroepen.

In 2006 wordt aan de hervormingsagenda invulling gegeven door een aantal nieuwe regelingen, zoals de nieuwe Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de opvolger van de WAO. In deze wet ligt de nadruk niet langer op iemands beperkingen, maar op zijn of haar mogelijkheden. Alleen mensen die echt niet meer kunnen werken, houden recht op een volledige uitkering. Ook start in 2006 de Levensloopregeling, waarmee mensen kunnen sparen om periodes van verlof financieel te overbruggen. De fiscale ondersteuning van VUT en prepensioen schaft het kabinet geleidelijk af. Het kabinet heeft voorstellen gedaan om in 2006 de WW en het ontslagrecht te herzien. Verder pakt het kabinet het teveel aan regelgeving aan en worden administratieve lasten beperkt. Zo gaat in 2006 voor werkgevers de gecombineerde inning van belasting en premies door de Belastingdienst van start. Ook bereidt het kabinet een nieuwe Arbowet en een nieuwe Arbeidstijdenwet voor, waarin fors is geschrapt in het aantal regels. Tot slot is er een nieuwe Pensioenwet opgesteld, met in zijn verlengde een nieuw Financieel Toetsingskader. Hierdoor krijgen werknemers en gepensioneerden meer zekerheid over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen.

Het kabinet moest deze hervormingsagenda ter hand nemen in een periode waarin de economie niet of nauwelijks groeide. Een periode waarin veel mensen door faillissementen en reorganisaties hun baan verloren. En een periode waarin door fors hogere pensioenpremies, noodzakelijke loonmatiging en lastenverzwaringen de koopkracht van de meeste burgers daalde. Het consumentenvertrouwen is daardoor in de afgelopen jaren sterk onder druk komen te staan. Uitstel van de hervormingen is voor het kabinet evenwel nooit een optie geweest. Dat zou er namelijk toe leiden dat over een paar jaar veel drastischer in de sociale zekerheid moet worden ingegrepen om het hoofd te kunnen bieden aan de snelle internationalisering van de economie en de vergrijzing.

De hervormingsplannen van het kabinet hebben geleid tot een stevige politieke en maatschappelijke discussie. In het Sociaal Akkoord 2004 zijn afspraken gemaakt over WAO, WW en VUT, prepensioen en levensloop. Het kabinet verwacht bovendien op grond van de gemaakte afspraken dat de contractloonstijging in 2005 uiterst terughoudend zal zijn. De afspraken betekenden dat er offers werden gevraagd van zowel werkenden als niet-werkenden. Maar de afspraken betekenen ook dat er een breed draagvlak is gecreëerd voor de hervormingsagenda. Sinds het sociaal akkoord van 2004 is veel in gang gezet. Het kabinet heeft in lijn met het akkoord de verschillende maatregelen uitgewerkt. Sociale partners zijn bezig de centrale (intentie)afspraken om te zetten in concrete CAO-afspraken. Zowel het kabinet als sociale partners werken hiermee aan herstel van het onderlinge vertrouwen.

2006 wordt een jaar waarin mensen veel zullen merken van het ingezette beleid. Veel nieuwe regelingen zullen in dit jaar hun beslag krijgen. Nieuw in te zetten beleid is vooral gericht op het aan de slag helpen van mensen en op dynamisering van de arbeidsmarkt. Nieuwe voorstellen voor ingrepen in de sociale zekerheid zijn in 2006 niet meer te verwachten. 2006 wordt daarom vooral een jaar van «werk in uitvoering». Voor een goede uitvoering hebben de uitvoeringsorganisaties ruimte nodig. Ruimte om te kunnen inspelen op specifieke en/of veranderende omstandigheden, zodat maatwerk kan worden geleverd aan individuele burgers. Maar ruimte betekent tegelijkertijd rekenschap, dat wil zeggen heldere afspraken over te bereiken resultaten en over de verantwoording daarover. Het kabinet zal daarom de vinger aan de pols houden bij de uitvoeringsorganisaties, zodat eventuele problemen op tijd kunnen worden aangepakt.

Het jaar 2006 wordt ook het jaar waarin de eerste vruchten van de hervormingen kunnen worden geplukt. Nederland klimt langzaam, maar zeker uit het dal. Ons land presteert weliswaar op dit moment economisch minder dan de meeste andere EU-landen. Daar staat echter tegenover dat de werkloosheid in vergelijking met andere EU-landen laag is. Ook staat de Nederlandse economie er door de hervormingen in de sociale zekerheid en een verantwoord financieel beleid structureel gezien gezond voor. Dat moet zich de komende jaren gaan uitbetalen. De groei van de Nederlandse economie zal naar verwachting van het CPB in 2006 weer langzaam gaan aantrekken tot 2½%. Door de ingezette koers van loonmatiging profiteert Nederland van de groei van de wereldhandel. De werkgelegenheid trekt volgend jaar aan met 90 000 personen. De werkloosheid daalt van 505 000 in 2005 naar 475 000 in 2006. Het EMU-tekort blijft volgend jaar bovendien ruim onder de drie procent. De administratieve lasten voor het bedrijfsleven door SZW-regelgeving zijn in deze kabinetsperiode al met 15,6% (395 miljoen euro) gedaald. In 2006 dalen de lasten verder met 177 miljoen euro. Hiermee komt de totale reductie van administratieve lasten tot en met 2006 uit op 22,6%.

Bovendien is er in 2006 weer enige ruimte om de koopkracht van burgers te ondersteunen. Om te beginnen herstelt het kabinet de koppeling tussen lonen en uitkeringen. In totaal heeft het kabinet ten behoeve van het koopkrachtbeeld € 2,5 miljard beschikbaar gesteld. De invoering van het zorgstelsel leidt voor iedereen op verschillende wijze tot veranderingen in het inkomen, maar de koopkracht van de meeste Nederlanders zal weer stijgen. Wel wijst het Centraal Planbureau erop dat door onzekerheid over de ontwikkeling van de olieprijzen in 2006, ook het koopkrachtbeeld voor 2006 is omgeven met onzekerheden.

Door de afschaffing van de OZB gebruikersheffing en de verhoging van de algemene heffingskorting wordt de koopkracht van de meeste huishoudens ondersteund. Bovendien betalen mensen die werken volgend jaar minder WW-premie. Dit heeft vooral een positief effect voor mensen met een middeninkomen. Het kabinet heeft bij het samenstellen van het pakket speciaal aandacht besteed aan de positie van gezinnen. Het kabinet voert de nieuwe, meer gestroomlijnde kinderkorting in. Hiervan profiteren vooral gezinnen met kinderen met een inkomen tussen modaal en anderhalf maal modaal. Het nieuwe ziektekostenstelsel valt voor particulier verzekerde gezinnen met kinderen gunstig uit omdat de kindpremie in het nieuwe zorgstelsel vervalt. Volgend jaar zal verder 200 miljoen euro extra beschikbaar komen voor kinderopvang. Al in september 2005 wordt het lesgeld voor 16- en 17-jarigen afgeschaft. Ondanks dat de meeste mensen er naar verwachting op vooruit gaan, blijven er huishoudens van wie de koopkracht daalt of gelijk blijft.

In paragraaf 2 van deze beleidsagenda worden de onderliggende filosofie en het perspectief geschetst van de ingezette hervormingen: een sociale zekerheid die activerend is, een arbeidsmarkt die kansen biedt, werk dat een aantrekkelijk perspectief biedt en kwaliteit en maatwerk in de uitvoering. In paragraaf 3 worden deze vier thema's in hun samenhang beschreven en wordt aangegeven welke stappen het kabinet volgend jaar zet binnen de vier thema's. In paragraaf 4 wordt aangegeven welke betekenis dit heeft voor de verdeling van verantwoordelijkheden in de gehele keten van werk en inkomen.

2. Perspectief op het terrein van werk en inkomen

Een duurzaam solidaire samenleving is het perspectief dat het kabinet met de hervormingen op het terrein van werk en inkomen voor ogen staat. Een samenleving die mensen voorziet van een inkomen als ze door ziekte, werkloosheid of anderszins niet zelfstandig in hun inkomen kunnen voorzien. Maar ook een samenleving die mensen nadrukkelijk aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om alle mogelijkheden aan te grijpen zo snel mogelijk weer wel zelfstandig in het eigen inkomen te voorzien. Uit onder meer recent onderzoek van het SCP, de Belevingsmonitor van het Rijk en de enquête 21minuten.nl blijkt dat voor deze invulling van het begrip solidariteit een breed maatschappelijk draagvlak bestaat. Uit dit onderzoek blijkt ook dat ondanks de ontzuiling en individualisering in de vorige eeuw, er een duurzame behoefte bestaat aan samenbindende en gemeenschappelijke factoren. Een behoefte ook aan solidariteit met kwetsbare groepen in de samenleving.

In een duurzaam solidaire samenleving staat de eigen verantwoordelijkheid van mensen voorop. Dat betekent in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om te voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op de sociale zekerheid, bijvoorbeeld door bij dreigend ontslag alvast zelf op zoek te gaan naar een mogelijke nieuwe baan. Maar wanneer het door omstandigheden onvermijdelijk is toch een beroep op de sociale zekerheid te doen, moet deze ook echte zekerheid bieden. Tegelijkertijd staat daar wel een plicht tegenover. Wie is aangewezen op de sociale zekerheid, heeft de plicht zijn best te doen om zich daaraan zo snel mogelijk te ontworstelen. Enerzijds omdat solidariteit moet worden verdiend in de meest letterlijke zin van het woord: zonder financieel draagvlak is er geen sociale zekerheid. Dat betekent dat iedereen die kan werken, moet werken. Anderzijds omdat de bereidheid van mensen om iets van de eigen welvaart op te offeren in het belang van de zorg voor anderen, alleen standhoudt als de zekerheid bestaat dat die zorg daadwerkelijk terechtkomt bij degenen die haar echt nodig hebben. Daarom is het een onmisbaar onderdeel van duurzame solidariteit om misbruik van sociale zekerheid actief op te sporen en te vervolgen. Het kabinet bereidt een notitie aan de Tweede Kamer voor waarin het handhavingsbeleid met het oog hierop nog eens tegen het licht wordt gehouden.

Een werkelijk solidaire samenleving heeft als uitgangspunt dat iedereen mogelijkheden en talenten heeft om aan het werk te komen. De overheid ondersteunt daarbij door gelijke kansen te scheppen. Mensen moeten zoveel mogelijk gelijke kansen hebben om bepaalde keuzes te kunnen maken. Tegelijkertijd zijn mensen wel zelf verantwoordelijk voor de consequenties van hun eigen keuzes.

Bij deze visie op een sociale zekerheid voor mensen die het echt nodig hebben, past een beter evenwicht tussen rechten en plichten. Deze visie betekent ook dat het accent bij de vormgeving van de sociale zekerheid verschuift van nazorg naar voorzorg. Werkloosheid valt beter te voorkomen wanneer iemand zich tijdig bijschoolt, ziekte en arbeidsongeschiktheid vallen beter te voorkomen wanneer preventie en verzuimbeleid hun werk doen, en overbelasting van grote groepen werknemers valt beter te voorkomen naarmate arbeid en zorg zich beter laten combineren. In al deze gevallen blijkt «genezen» vaak een weerbarstig proces, en is voorkomen de beste optie.

3. Het stelsel van werk en inkomen: activeren en toerusten voor de arbeidsmarkt

De noodzaak van een stelsel van werk en inkomen dat mensen goed toerust voor de arbeidsmarkt, dat stimuleert om te participeren en dat prikkelt om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen loopbaan, staat dan ook centraal in het kabinetsbeleid. De accentverschuiving in de sociale zekerheid van nazorg naar voorzorg, naar een nieuw evenwicht tussen rechten en plichten en naar meer eigen verantwoordelijkheid, komt tot uitdrukking in de volgende thema's:

i) er moet een activerende sociale zekerheid zijn...

Een activerende sociale zekerheid fungeert niet alleen als inkomensvangnet, maar nodigt ook uit tot (hernieuwde) deelname aan de arbeidsmarkt. Hier ligt een belangrijke taak voor de overheid, als voornaamste architect van de regelingen. Op dit vlak is de afgelopen jaren zeer veel in gang gezet. De regelingen zijn meer activerend geworden met een beter evenwicht tussen rechten en plichten. Om de omslag van nazorg naar voorzorg goed te kunnen maken, is er ook een belangrijke taak weggelegd voor werkgevers en werknemers. Zij kunnen goede afspraken maken om het risico op ziekte en arbeidsongeschiktheid in hun bedrijf te verminderen. Ook kunnen zij afspraken maken over «employability» om het risico op werkloosheid te verminderen. Sociale partners kunnen bij reorganisaties afspraken vastleggen in het sociaal plan over bemiddeling naar vervangende werkgelegenheid.

ii) ... en een arbeidsmarkt die kansen biedt

Vervolgens moet de arbeidsmarkt ook voldoende kansen bieden aan hen die langs de kant staan. Dat stelt voorwaarden aan de vormgeving en toegankelijkheid van de arbeidsmarkt. Bedrijven hebben behoefte aan flexibiliteit. Flexibiliteit om snel en eenvoudig mensen te kunnen aannemen, maar ook de flexibiliteit om het personeelsbestand snel en zonder hoge kosten aan te passen aan veranderde omstandigheden. Het vraagt ook om een goede inzet van scholing en onderwijs, zodat mensen een voldoende «employability» behouden. Ook hier hebben de sociale partners een rol, met name op het terrein van scholing.

iii) werken moet een aantrekkelijk perspectief zijn ...

Nog altijd hebben uitkeringsgerechtigden vaak slechts beperkt financieel voordeel als zij weer aan het werk komen. Verder blijkt met name nog altijd voor veel vrouwen de keuze voor al dan niet (meer) werken afhankelijk van de vraag of er voldoende mogelijkheden bestaan arbeid en zorg te combineren. Ouderen ondervinden vaak onvoldoende financiële prikkels om langer door te werken. Om werk een aantrekkelijk perspectief te maken, heeft de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om wet- en regelgeving. Sociale partners hebben een rol bij bijvoorbeeld de financiering van kinderopvang, verlof en bij de vormgeving van het pensioen.

iv) ... en kwaliteit en maatwerk zijn nodig in de uitvoering

In de uitvoering van de sociale zekerheid, bij het UWV, het CWI of de gemeenten, moet de kennis van de lokale arbeidsmarkt worden samengebracht met de kennis van de individuele werkzoekende. Doel is zoveel mogelijk te voorkomen dat de werkzoekende een beroep moet doen op een uitkering. Goede samenwerking tussen alle uitvoeringsinstanties, vooral op regionaal niveau, is dan noodzakelijk. De uitvoeringsorganisaties, die hun cliënten in de eigen regio kennen, maken de inschatting hoe groot de afstand van iemand tot de arbeidsmarkt is, welke vaardigheid iemand heeft of kan ontwikkelen, en wat daarmee de perspectieven zijn voor duurzame reïntegratie.

Uit de beschrijving van deze thema's wordt duidelijk dat de overheid in de gehele keten van werk en inkomen een belangrijke verantwoordelijkheid draagt, maar niet de enige verantwoordelijke is. Werkgevers, werknemers, uitvoeringsinstellingen en gemeenten, maar ook de individuele uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden hebben allen een eigen verantwoordelijkheid. De vier thema's worden in de volgende paragrafen nader uitgewerkt aan de hand van concreet beleid.

3.1 Activerende sociale zekerheid

Het rapport van de zogenaamde Employment Taskforce van de EU, beter bekend als de Taskforce Kok, heeft er eind 2003 nog eens op gewezen dat het voor Nederland noodzakelijk en mogelijk is om meer mensen aan het werk te krijgen. Daartoe is een activerende sociale zekerheid een belangrijke voorwaarde. In een activerende sociale zekerheid is alles erop gericht mensen vanuit een uitkeringssituatie snel terug te leiden naar de arbeidsmarkt.

Met de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB, zie beleidsartikel 30) in 2004 is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering volledig overgegaan naar gemeenten. Omdat ze zelf de beleidsvrijheid hebben en financieel verantwoordelijk zijn, worden gemeenten maximaal gestimuleerd zoveel mogelijk bijstandsgerechtigden aan het werk te helpen.

Box WWB

De laatste jaren neemt het aantal bijstandsgerechtigden minder toe dan op basis van de conjuncturele ontwikkeling verwacht mocht worden. Het is bekend dat het bijstandsvolume met vertraging de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking (WBB) volgt. De verwachting was dan ook dat na de grote stijging van de werkloosheid vanaf 2002 het bijstandsvolume flink zou toenemen. Deze verwachting is, zoals uit de figuur blijkt, niet uitgekomen.kst-30300-XV-2-1.gif

Na een stijging van de werkloosheid met 50 000 in 2002, 94 000 in 2003 en 83 000 in 2004 blijft de toename van het aantal bijstandsgerechtigden beperkt tot 8 000 à 9 000 in de jaren 2003 en 2004 en tot slechts 3 000 in 2005. Dit duidt erop dat de invoering van de Wet werk en bijstand de bijstandsontwikkeling meer dan verwacht heeft beperkt.

Dat blijkt ook uit recent in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door Regioplan gehouden onderzoek «Gemeenten en de WWB I. Geprikkeld tot werken» en uit de Divosa Monitor 2005. Anderhalf jaar na invoering heeft de wet de bedoelde verandering van werk boven inkomen in gang gezet. De gemeenten tonen zich tevreden over de decentralisatie en vinden dat de verantwoordelijkheden nu daar gelegd worden waar ze moeten liggen. Dat prikkelt gemeenten om beleid te ontwikkelen dat erop is gericht het aantal mensen in de bijstand te beperken. De effecten van het nieuwe beleid zijn volgens het onderzoek nog niet precies te meten. Het is wel merkbaar dat er minder mensen voor een uitkering bij de bijstand aankloppen. «Het feit dat voor een uitkering een tegenprestatie in de vorm van werk wordt verwacht, is voor sommige potentiële klanten een reden om toch maar geen aanvraag in te dienen,» schrijft Regioplan. Het bureau signaleert ook dat veel gemeenten zich inspannen om mensen uit de bijstand door te laten stromen naar een betaalde baan.

De invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA; zie beleidsartikel 31) in 2006 is een volgende belangrijke stap in de richting van een activerend socialezekerheidsstelsel. De wet maakt een helder onderscheid tussen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Hiermee wordt inkomenszekerheid verschaft aan diegenen die echt niet meer kunnen werken. Zij die nog wel gedeeltelijk in staat zijn te werken, worden aangesproken op hun mogelijkheden in plaats van hun onmogelijkheden. Met de invoering van de nieuwe wet ontstaat voor hen een grotere financiële prikkel om weer te gaan werken; wie meer gaat werken, ziet zijn inkomen stijgen. Sinds 1 oktober 2004 worden WAO'ers jonger dan 50 jaar opnieuw gekeurd volgens nieuwe, aangescherpte keuringseisen. Dit moet ertoe leiden dat een deel van deze groep weer (deels) aan het werk gaat.

De wet stimuleert ook werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst te houden of te nemen. De werkgever betaalt dan een lagere premie en krijgt dan bijvoorbeeld een tegemoetkoming voor de kosten van loondoorbetaling bij ziekte en een korting op de premies voor sociale verzekeringen. Tegelijkertijd blijft het succesvolle preventiebeleid van de Wet verbetering poortwachter overeind (zie beleidsartikel 31). Werkgevers en werknemers worden snel op hun verantwoordelijkheid aangesproken om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid terug te dringen.

Box WAO/WIA

Het aantal WAO-uitkeringen steeg in de periode 1998–2001 met ruim 20 000 per jaar. Er kwamen jaarlijks ca. 100 000 nieuwe WAO-uitkeringen bij terwijl per jaar ca. 80 000 mensen uitstroomden uit de WAO. Sinds 2002 heeft een omslag plaatsgevonden, onder meer als gevolg van de per 1 april 2002 in werking getreden Wet verbetering poortwachter en de steeds groter wordende verantwoordelijkheid van de individuele werkgever voor de kosten van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De jaarlijkse instroom van nieuwe uitkeringen is scherp gedaald tot ca. 60 000 in 2004, terwijl de uitstroom rond de 80 000 is blijven schommelen. Sinds 2003 daalt daarom het aantal WAO-uitkeringen.

Figuur 2: WAO/WIA-instroom en uitstroom per jaar (links) en totaal aantal uitkeringen (rechts)kst-30300-XV-2-2.gif

In 2005 is de daling van het aantal WAO-uitkeringen bijzonder groot vanwege twee recente kabinetsmaatregelen. Werkgevers zijn per 1 januari 2004 verplicht om twee jaar, in plaats van één jaar, het loon door te betalen van zieke werknemers. Daardoor zal er in 2005 nauwelijks instroom in de WAO plaatsvinden. Daar komt bij dat de uitstroom uit de WAO als gevolg van de per 1 oktober 2004 gestarte herbeoordelingsoperatie met aangescherpte keuringseisen, juist aanmerkelijk zal stijgen.

In de nabije toekomst zal de druk op de arbeidsongeschiktheidsregelingen toenemen als gevolg van onder meer de geleidelijke veroudering van de beroepsbevolking en de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Bij ongewijzigd beleid zou dit resulteren in een hernieuwde stijging van het aantal WAO'ers. Dat was voor het kabinet de hoofdreden tot invoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 1 januari 2006. Deze wet is gericht op activering en leidt tot een verdere beperking van het aantal arbeidsongeschikten. Het aantal arbeidsongeschikten in de WAO en WIA zal in de toekomst naar verwachting dalen tot ca. 550 000. In 2002 raamde de SER in haar advies «Werk maken van arbeidsgeschiktheid» nog een oploop van het aantal WAO'ers tot 1,1 miljoen bij ongewijzigd beleid.

Ook de WW krijgt een activerender karakter (zie beleidsartikel 30). Het kabinet is blij met het akkoord dat binnen de SER is gesloten over modernisering van de WW in relatie tot de ontslagbescherming (zie beleidsartikel 27). De verkorting van de totale duur van de WW van vijf jaar naar drie jaar en twee maanden, is een belangrijke stap voorwaarts. Hierdoor gaat de WW meer fungeren als een brug tussen twee banen. Het kabinet zal de voorstellen van de SER dan ook uitwerken in wetgeving. Het kabinet verwacht hiervoor in november 2005 een wetsvoorstel in te dienen. De wijzigingen in de WW kunnen in de loop van 2006 ingaan.

3.2 Een arbeidsmarkt die kansen biedt

De opkomst van de grote economieën in Azië en de sterke groeicijfers die de nieuwe lidstaten van de Europese Unie laten zien, bieden kansen voor de Nederlandse economie. Er ontstaan nieuwe markten en daarmee nieuwe kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven en nieuwe kansen voor de werkgelegenheid in Nederland. Het is belangrijk dat de Nederlandse arbeidsmarkt in staat is om die kansen te benutten. De uitbreiding van de Europese Unie en de opkomst van de Aziatische reuzen India en China vergroten immers de concurrentie voor Nederlandse bedrijven en uiteindelijk ook de concurrentie met Nederlandse werknemers. Daarom is het belangrijk dat de arbeidsmarkt flexibel en dynamisch is, dat de loonontwikkeling verantwoord blijft en dat er blijvend wordt geïnvesteerd in het opbouwen en onderhouden van kennis en vaardigheden.

Niet alleen de internationalisering neemt snel toe; ook de technologische ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op. Om concurrerend te blijven, moeten bedrijven zich voortdurend kunnen aanpassen. Bedrijven willen hun mensen flexibel kunnen inzetten; zij moeten dus snel en eenvoudig mensen kunnen aannemen, maar ook snel en eenvoudig hun personeelsbestand kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden op de markt(en) waar zij opereren. De mogelijkheid om makkelijker banen te schrappen, zal bedrijven ook minder huiverig maken banen te creëren.

Ontwikkelingen als internationalisering en de voortschrijdende technologie brengen met zich mee dat een blijvende baanzekerheid steeds meer tot het verleden behoort. Het beste antwoord op deze ontwikkelingen is een dynamische arbeidsmarkt, die weliswaar geen baanzekerheid kan bieden, maar wel de werkzekerheid vergroot. Op een flexibele en dynamische arbeidsmarkt is het immers eenvoudiger om na ontslag weer door te stromen naar een andere baan. Naast een sociale zekerheid die mensen activeert, vraagt dat ook om een arbeidsmarkt die kansen biedt.

De Nederlandse arbeidsmarkt is op een aantal terreinen al behoorlijk flexibel. Bedrijven kunnen tijdelijke vacatures vervullen via uitzendwerk en er zijn ruime mogelijkheden voor werken in deeltijd. Daarnaast heeft het kabinet recentelijk aangegeven (in het kabinetsstandpunt over ontslag en WW) dat het op korte termijn enkele versoepelingen in het ontslagrecht wil aanbrengen. Zo leidt een heroverweging van het zogeheten last in-first out beginsel ertoe dat niet langer de laatst binnengekomen werknemer als eerste voor ontslag in aanmerking komt. Daardoor krijgen met name jongeren en herintreders meer kansen op de arbeidsmarkt. Per CAO zal van deze hoofdregel afgeweken kunnen worden (zie beleidsartikel 26). Hierdoor kunnen werkgevers en werknemers bij noodzakelijke ontslagen beter rekening houden met de specifieke belangen van de onderneming en die van de betrokken werknemers. Ten slotte leidt de beperking van de verwijtbaarheidtoets in de WW ertoe dat er een einde komt aan de zogeheten pro forma ontslagprocedures, die alleen worden gevoerd om het recht op de WW-uitkering veilig te stellen. In de toekomst kunnen noodzakelijke ontslagen tussen werkgever en werknemer met wederzijds goedvinden worden gerealiseerd, zonder dat de werknemer hierdoor zijn recht op een WW-uitkering verliest.

Naast flexibiliteit is het voor een kansen biedende arbeidsmarkt van belang dat alle ruimte die er is voor werkgelegenheid ook wordt benut, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Dit gebeurt nog niet optimaal. Ondanks een hoge werkloosheid onder laagopgeleiden wordt een deel van de seizoenswerkzaamheden in de land- en tuinbouw verricht door werknemers uit de Midden- en Oosteuropese landen en landen buiten de EU. Voor Nederlandse uitkeringsgerechtigden is in 2005 een project gestart om hen via een detacheringsconstructie aan de slag te helpen in de land- en tuinbouw. Dit project loopt door tot in 2006.

Voor de zogenaamde kennismigranten heeft het kabinet de Nederlandse arbeidsmarkt toegankelijker gemaakt. In 2006 neemt het kabinet een beslissing over het vrij verkeer van werknemers uit de vorig jaar tot de Europese Unie toegetreden Midden- en Oosteuropese lidstaten. Feit is dat de Europese grenzen steeds meer open gaan en dat werkgevers in bepaalde sectoren zich voor het vervullen van vacatures ook meer gaan oriënteren op arbeidsmarkten buiten Nederland. Dit heeft gevolgen voor de Nederlandse arbeidsmarkt en de Nederlandse arbeidsverhoudingen. Ook werpt het een scherper licht op de noodzaak om Nederlandse uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden zonder uitkering actief bij de arbeidsmarkt te betrekken.

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt spelen diverse problemen gelijktijdig, zoals de armoedeval, productiviteitsval en scholingstekorten. Elk van deze problemen vraagt om andere oplossingen. Vanwege het grote belang van de onderkant van de arbeidsmarkt heeft het kabinet vorig jaar juni een brief aan de Tweede Kamer gestuurd met beleidsopties die de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten aan de onderkant van de arbeidsmarkt stimuleren. Ook is om die reden de Raad voor Werk en Inkomen gevraagd een zogenoemde reïntegratieladder op te stellen. De vier sporten van de ladder beschrijven welke reïntegratie-instrumenten geschikt zijn voor welke uitkeringsgerechtigde. Afhankelijk van hoe ver iemand van de arbeidsmarkt afstaat, varieert de begeleiding van bijvoorbeeld schuldhulpverlening, vrijwilligerswerk, stages tot een sollicitatiecursus. Het idee achter de ladder is dat iedereen mogelijkheden krijgt om omhoog te klimmen, met uiteindelijk een betaalde baan als doel. Ook zogenoemde participatiebanen maken onderdeel uit van de reïntegratieladder (zie beleidsartikel 23). In zo'n baan doen mensen voor wie een betaalde baan nog te hoog gegrepen is, werkervaring op. Het kabinet staat hier positief tegenover en gaat dit voorstel in overleg met de Tweede Kamer verder uitwerken. Een reële optie hierbij is dat het kabinet een speciale wettelijke regeling in het leven roept waarmee participatiebanen mogelijk worden gemaakt.

De sociale werkvoorziening wordt gemoderniseerd en blijft voorbehouden aan mensen die op een beschermde werkplek zijn aangewezen. Het gaat om mensen die als gevolg van een handicap uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. Voor hen moeten gemeenten vaker werkplekken op maat zoeken, bij voorkeur bij een gewone werkgever. Om een efficiënte uitvoering van de sociale werkvoorziening te stimuleren wordt de financieringsstructuur aangepast (zie beleidsartikel 24).

De Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (de witte werksterrregeling) zal blijven voortbestaan totdat er in overleg met de Tweede Kamer een alternatief is gevonden voor het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening (of totdat de conclusie is getrokken dat er geen alternatief voorhanden is). Daarnaast kunnen de betreffende schoonmaakbedrijven gebruikmaken van een afbouwregeling. Deze regeling is bedoeld om te stimuleren dat de medewerkers die nu een gesubsidieerde schoonmaakbaan hebben bij bedrijven die willen stoppen, een andere baan kunnen vinden.

Kansen bieden doet het kabinet ook door ondernemerschap te stimuleren als een werkend alternatief voor het werknemerschap (zie beleidsartikel 30). Daarvoor zal het kabinet onder andere voorstellen doen om het voor WW-gerechtigden makkelijker te maken te starten als ondernemer. WW'ers mogen volgens deze voorstellen onder andere acquisitie plegen gedurende een oriëntatieperiode van drie maanden. Ook wil het kabinet in 2006 een korte afbouwperiode in de WW creëren, waardoor de ondernemer de tijd tussen het opstarten van zijn bedrijf en de eerste inkomsten kan overbruggen.

Daarnaast is een kansen biedende arbeidsmarkt ook een markt van gelijke kansen. Discriminatie op de Nederlandse arbeidsmarkt is onaanvaardbaar (zie beleidsartikel 27). Ook werkgevers moeten dus hun verantwoordelijkheid nemen en mensen een kans geven ongeacht hun afkomst, geslacht, leeftijd of handicap.

Verder is een effectieve bestrijding nodig van illegale vormen van arbeid en van ontduiking van het Nederlands arbeidsrecht (zie beleidsartikel 22). De Arbeidsinspectie voert vanaf 1 januari 2005 een lik-op-stuk beleid voor werkgevers die illegalen in dienst hebben en de boetes voor het in dienst hebben van illegalen zijn fors verhoogd van circa 900 euro naar 8 000 euro per illegale werknemer voor ondernemingen en 4 000 euro per illegale werknemer voor particulieren. Daarnaast maken steeds meer gemeenten werk van het terugdringen van misbruik van uitkeringen.

Om niet kwetsbaar te zijn op een dynamische arbeidsmarkt, is voldoende «employability» noodzakelijk. Dat betekent op zijn minst het hebben van een startkwalificatie en voortdurende bijscholing. Dit is een terrein waarop de nieuwe projectdirectie Leren en Werken van SZW en OC&W het komende jaar initiatieven ontplooit (zie beleidsartikel 22). De directie wil onder andere regionale samenwerking stimuleren, die moet leiden tot 15 000 duale trajecten (combinaties van werk en scholing) en een regionale infrastructuur voor loopbaanadvies- en begeleiding. Hierin speelt ook het erkennen van Elders Verworven Competenties (EVC) een belangrijke rol. De projectdirectie zal tegelijkertijd de effectiviteit van de huidige financiële instrumenten onderzoeken. Bovendien komt er een pilot waarin het financiële risico voor werkgevers als gevolg van ziekteverzuim door jongeren wordt weggenomen.

3.3 Werk als aantrekkelijk perspectief

Werk biedt mensen de gelegenheid hun talenten te ontplooien en verder te ontwikkelen. Werk bevordert de integratie, het biedt mensen sociale contacten en betrekt hen bij de samenleving. Werk vormt bovendien de beste garantie tegen armoede en sociale uitsluiting. Daarnaast is het door de vergrijzing en ontgroening en de aantrekkende economie noodzakelijk dat meer mensen aan het werk gaan. Het stimuleren van een grotere arbeidsdeelname van alle bevolkingsgroepen heeft daarom voor het kabinet hoge prioriteit.

De armoedeval vermindert de aantrekkelijkheid van werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt (zie beleidsartikel 21). Daar kampen mensen met een lage verdiencapaciteit en kennen zij vaak een geringe inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk. Dit wordt nog eens versterkt wanneer met het aanvaarden van werk ook het profijt van inkomensafhankelijke regelingen als de huursubsidie minder wordt. Het gebrek aan financiële prikkels om werk te aanvaarden doet zich overigens niet alleen voor bij de overgang van uitkering naar baan. Ook de doorstroom naar een nieuwe baan vanuit een bestaande baan kan worden belemmerd, evenals een uitbreiding van het aantal gewerkte uren. In 2006 gaat het kabinet door op de ingeslagen weg om werk relatief financieel aantrekkelijker te maken. De verdere verhoging van de specifiek aan werk gerelateerde fiscale kortingen, zoals de arbeidskorting met € 56, levert hieraan een belangrijke bijdrage. Ook de afschaffing van het gebruikersdeel in de OZB heeft een positief effect op de armoedeval omdat mensen niet langer de kwijtschelding van deze belasting mislopen als ze er in inkomen op vooruit gaan.

Het risico van een lage participatie speelt vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt en bij specifieke groepen op de arbeidsmarkt, zoals veel etnische minderheden, ouderen, vrouwen en jongeren. Veel allochtonen, ouderen, vrouwen met kinderen en jongeren worstelen met specifieke knelpunten die hen belemmeren om te (gaan) werken (zie beleidsartikel 22). Voor ouderen is het bijvoorbeeld niet altijd aantrekkelijk om langer door te blijven werken. Ook worden zij soms te snel afgeschreven door werkgevers. Vooral vrouwen worstelen vaak met de combinatie van arbeid en zorg (zie beleidsartikel 25). De zorg voor kinderen en mantelzorg voor ouderen kunnen in sommige gevallen een belemmering zijn om aan het werk te gaan of te blijven. Op dit moment werkt 54 procent van de vrouwelijke beroepsbevolking, tegen 72 procent van de mannen. Uit onderzoek dat het kabinet heeft laten verrichten, blijkt dat de arbeidsmarktpositie van etnische minderheden nog steeds erg kwetsbaar is. Hun arbeidsmarktparticipatie blijft ver achter, de werkloosheid ligt op een beduidend hoger niveau, de uitkeringsafhankelijkheid is veel hoger en het beroepsniveau ligt op een relatief laag niveau. Ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in het gerealiseerde onderwijs, blijft de positie van etnische minderheden achter bij die van autochtonen. De problematiek van allochtone vrouwen is een apart verhaal. Hun achterstand maakt duidelijk dat de emancipatie nog niet voltooid is en dat deze groep specifieke belemmeringen ervaart op de arbeidsmarkt (zie beleidsartikel 35). Jongeren ten slotte kampen vaak met een gebrekkige aansluiting tussen school en arbeidsmarkt. Hun gebrek aan een startkwalificatie en werkervaring maakt voor hen de kans op werk kleiner.

Uitgangspunt hierbij is dat specifieke groepen in voldoende mate kunnen profiteren van het algemene arbeidsmarktbeleid. Bovendien biedt het beleid veel ruimte voor maatwerk aan individuele burgers. Aanvullend beleid gericht op één van de groepen moet agenderend, innovatief en tijdelijk van aard zijn. Aanvullend arbeidsmarktbeleid vult het algemene arbeidsmarktbeleid aan daar waar het (nog) onvoldoende effectief is en creëert een gevoel van urgentie.

De afgelopen jaren heeft het kabinet een aantal algemene maatregelen voorbereid, die ertoe moeten leiden dat meer mensen, ook uit de genoemde specifieke groepen, aan de slag gaan.

De belastingvoordelen voor VUT en prepensioen verdwijnen en de Levensloopregeling gaat in 2006 van start (zie beleidsartikel 25). Uit een meting van De Nederlandsche Bank is gebleken dat een groot gedeelte van de pensioenfondsen en verzekeraars hun regelingen aangepast hebben aan de nieuwe regels ten aanzien van VUT en prepensioen. Hierdoor zijn voor circa 4,5 miljoen werknemers (75%) de regelingen op orde. Vanwege het risico dat voor 25% van de werknemers de zaken niet tijdig zullen zijn geregeld, wil het kabinet voor het jaar 2006 een aanvullende overgangsregeling treffen. De regeling houdt in dat nog tot 1 januari 2007 de mogelijkheid wordt geboden de regeling aan te passen aan de nieuwe regels. Het kabinet zal alleen belasting heffen over de «bovenmatige» pensioenopbouw in 2006, dat wil zeggen pensioenopbouw die niet valt onder de nieuwe regels voor VUT en prepensioen. Deze belastingheffing krijgt vorm als een eindheffing bij werkgevers. Hiermee kan worden voorkomen dat de lasten van 1,5 miljoen mensen sterk toenemen.

Ter ondersteuning van de Levensloopregeling is per 1 juni 2005 het recht op langdurend zorgverlof van kracht geworden. Ook de in 2005 ingevoerde nieuwe Wet kinderopvang is gericht op een betere combinatie van arbeid en zorg door de voorwaarden te creëren voor goede en toegankelijke kinderopvangvoorzieningen. Omdat gebleken is dat de betaalbaarheid van kinderopvang voor met name ouders met middeninkomens een probleem vormt, heeft het kabinet besloten om in 2006 200 miljoen euro extra te investeren in kinderopvang.

Voor specifieke groepen heeft het kabinet acties in gang gezet die er met name op zijn gericht om betrokken partijen bij elkaar te brengen, hen te stimuleren acties te ondernemen en die breder te verspreiden. De komende tijd zal de Regiegroep Grijs Werkt onder het motto Senior Power acties in het veld aanjagen en goede voorbeelden van leeftijdbewust beleid verder verspreiden. Tegelijkertijd is er een stimuleringsregeling in het leven geroepen voor bedrijven die aan de slag gaan met leeftijdbewust personeelsbeleid.

Het kabinet is gestart met het «Breed Initiatief Maatschappelijke Binding» om het sociale klimaat te verbeteren en de binding van burgers met de samenleving te versterken. Op het terrein van arbeid zijn door de overheid, sociale partners, uitvoeringsorganisaties, minderhedenorganisaties en andere belangenorganisaties een groot aantal concrete extra actiepunten geformuleerd om de arbeidsparticipatie van allochtonen een extra impuls te geven en discriminatie tegen te gaan. Voorts heeft het kabinet de Stuurgroep Allochtone Vrouwen en Arbeid in het leven geroepen om de acties te bewaken die de Commissie Participatie vrouwen uit etnische minderheidsgroepen (PAVEM) in gang heeft gezet. Tegelijkertijd moet de stuurgroep voor de verbinding zorgen tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij de participatie van allochtone vrouwen. Het plan van aanpak «Emancipatie en Integratie» beoogt om de komende jaren 20 000 vrouwen en meisjes extra te laten deelnemen aan bijvoorbeeld bijeenkomsten, taalcursussen of arbeidsmarkttrajecten. Hierbij zal intensief worden samengewerkt met de gemeenten van de G30 (zie beleidsartikel 35).

De Taskforce Jeugdwerkloosheid moet ervoor zorgen dat er in 2007 40 000 extra jeugdbanen bijkomen en dat werkloze jongeren en voortijdig schoolverlaters binnen een half jaar terug naar school gaan of werk hebben. Omdat een kleine groep jongeren niet bereikt wordt, gaat het kabinet maatregelen nemen om te realiseren dat elke jongere tot 23 jaar die geen startkwalificatie heeft, aan het werk is of naar school gaat.

3.4 Kwaliteit en maatwerk in de uitvoering

Uit het overzicht tot nu toe wordt duidelijk dat in nagenoeg de gehele keten van werk en inkomen nieuw beleid wordt ingezet. Daarmee komt vanuit verschillende perspectieven druk te liggen op de uitvoering. Allereerst moet het voorgenomen beleid in daden worden omgezet, maar daarnaast moet het nieuwe beleid leiden tot nieuw gedrag, nieuwe werkwijzen en natuurlijk ook nieuwe uitkomsten. Dat gehele proces is samengebald in de dagelijkse praktijk van de uitvoering. Daar wordt het uiteindelijke succes van het nieuwe beleid bepaald.

Dat roept de vraag op welke factoren kunnen helpen om de uitvoering zo goed mogelijk te laten functioneren. Allereerst dienen uitvoeringsorganisaties en lokale overheden ruimte en verantwoordelijkheid te krijgen. Ruimte die het leveren van maatwerk mogelijk maakt. Alleen de mensen die de cliënten kennen en die de arbeidsmarkt kennen, weten immers wat nodig is. Niet iedereen heeft hulp nodig om weer op de arbeidsmarkt terecht te komen. «Ruimte» kan ook betekenen ruimte om een uitkeringsgerechtigde direct op de plichten aan te spreken en zonodig gerichte sancties op te leggen. Maatwerk leidt tot een grotere betrokkenheid van uitkeringsgerechtigden bij hun reïntegratieproces. Voorbeeld hiervan is de Individuele reïntegratieovereenkomst die WAO'ers of WW'ers sinds 2004 kunnen aangaan. Uitkeringsgerechtigden nemen hierbij zelf de regie over hun reïntegratietraject.

Bij kwaliteit in de uitvoering hoort ook samenwerking tussen verschillende uitvoeringsorganisaties. Een betere dienstverlening betekent het verlagen van de administratieve lasten door inzet van ICT en het delen van informatie door uitvoeringsinstanties. Als leidend principe zal gelden dat in de keten van werk en inkomen elk gegeven maar eenmaal aan een burger wordt gevraagd. Dit wordt per 2007 in de wet vastgelegd. Ter ondersteuning van deze ambitie wordt een (organisatie-overstijgend) digitaal klantdossier ontwikkeld. Via dit dossier is alle informatie over cliënten beschikbaar voor alle betrokkenen, onafhankelijk van plaats en tijd. Ook op regionaal niveau zijn er samenwerkingsverbanden tussen betrokken partijen in de uitvoering en het bedrijfsleven.

Maar bij meer ruimte voor de uitvoeringsorganisaties op het terrein van werk en inkomen hoort ook het afleggen van rekenschap. Organisaties moeten kunnen laten zien hoe zij de belangen van cliënten invullen en hoe zij omgaan met publieke belangen. Daarom worden met de uitvoeringsorganisaties sinds enkele jaren prestatieafspraken gemaakt. Daarom ook heeft het kabinet de gemeenten de beleidsvrijheid en de financiële verantwoordelijkheid gegeven voor de uitvoering van de WWB. Gemeenten zullen daarover ook verantwoording moeten afleggen, met name aan hun eigen burgers.

Het is evident dat 2006 voor met name de uitvoering een heel belangrijk jaar wordt. In het jaar 2006 wordt heel veel nieuw beleid voor het eerst in uitvoering genomen: WALVIS, de Levensloopregeling, de omzetting van de WAO in de WIA en de voorstellen rond WW en ontslag. Tegelijkertijd is 2006 voor de uitvoering een belangrijk jaar omdat voor het eerst sinds de introductie van de huidige uitvoeringsstructuur van werk en inkomen (SUWI) deze structuur zal worden geëvalueerd.

In 2006 wordt de nieuwe Pensioenwet, met daaraan gekoppeld een nieuw financieel toetsingskader, in het Parlement besproken. Dit toetsingskader stelt eisen aan de financiële positie van pensioenfondsen, waardoor werknemers en gepensioneerden meer zekerheid krijgen over de (toekomstige) uitbetaling van hun pensioen. Pensioenfondsen moeten bovendien deelnemers beter informeren over hun opgebouwde pensioenrechten en over de indexatie van pensioenen.

4. Nieuwe verantwoordelijkheden: ruimte en rekenschap

De kwaliteit van de keten van werk en inkomen hangt niet alleen af van de inhoud van de regelgeving. Ook de verantwoordelijkheidsverdeling die in regels en uitvoering besloten ligt, beïnvloedt het functioneren van de keten. Een goed functionerend stelsel van sociale zekerheid kan alleen bestaan bij een sterke, goed functionerende rechtsorde. Het stelsel van sociale zekerheid berust op een stelsel van rechten, plichten, aanspraken en aansprakelijkheden. De wetgeving biedt daarvoor de infrastructuur. De rechter zorgt ervoor dat geschillen worden beslecht. Niet alleen het «wat» is van belang, maar ook het «hoe». Bij de pogingen om via een andere verantwoordelijkheidsverdeling te komen tot verdere verbeteringen in het functioneren van de keten van werk en inkomen, zijn twee invalshoeken van bijzonder belang. Allereerst de verschuiving van nazorg naar voorzorg. Omdat voorkomen beter is dan genezen, moet de sociale zekerheid zodanig zijn vormgegeven dat partijen die risico's als ziekte of arbeidsongeschiktheid kunnen beïnvloeden, ook daadwerkelijk de verantwoordelijkheid krijgen en nemen om die risico's te minimaliseren. Datzelfde geldt overigens voor werkloosheid; ook daarbij kan voorzorg – in de zin van scholing en «employability» – een preventieve rol spelen. Daarnaast is er soms winst te behalen door verantwoordelijkheden meer decentraal en daarmee dichter bij de dagelijkse praktijk te beleggen, uiteraard mits er in zo'n setting voldoende checks en balances zijn, dan wel kunnen worden gecreëerd.

In de uitvoering en financiering van de sociale zekerheid zijn er diverse voorbeelden van de bovenstaande invalshoeken te vinden. Zo heeft het kabinet met de invoering van de WWB in 2004 de verantwoordelijkheid voor de bijstand en de reïntegratie van bijstandsgerechtigden bij de gemeenten gelegd. Verder zijn bedrijven, door de verlengde loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte en de Wet poortwachter, verantwoordelijk gemaakt voor de bestrijding van ziekteverzuim en eventuele reïntegratie. In termen van voorzorg dienen burgers meer ruimte te krijgen om naar eigen voorkeur arbeid en zorg te combineren en om flexibel te kunnen omgaan met de verdeling van tijd over werk, scholing, zorg en vrije tijd. Met dat doel wordt in 2006 dan ook de Levensloopregeling ingevoerd.

In deze benadering past ook het streven naar verlichting van administratieve lasten: het kabinet wil meer ruimte geven aan ondernemers door regeldruk en de administratieve lasten te verminderen (zie beleidsartikel 22). Hierdoor krijgen bedrijven de ruimte om datgene te doen waar zij het beste in zijn: ondernemen. Daarmee wordt ook werkgelegenheid gecreëerd; het zijn immers uiteindelijk de bedrijven die voor werkgelegenheid zorgen. Niet alleen bedrijven, maar ook burgers zijn in hun contact met de overheid veel tijd kwijt met tijdrovende informatieverplichtingen die voortvloeien uit regelgeving. De Tweede Kamer zal najaar 2005 via een Plan van aanpak worden geïnformeerd over concrete voornemens van SZW om burgers tijd en geld te besparen. Hierbij zal bijzondere aandacht worden besteed aan uitkeringsgerechtigden.

Ook daar waar werkgevers en werknemers via tegengestelde belangen elkaar in evenwicht kunnen houden, kan de overheid zich terughoudender opstellen. Zo moet er ruimte zijn voor maatwerk en flexibiliteit in de bescherming van werknemers. Door werknemers en werkgevers zelf de ruimte te geven om onderling afspraken te maken over hoe zij bijvoorbeeld zaken rond arbeidsomstandigheden willen vormgeven, wordt maatwerk in de bescherming gerealiseerd en blijft onnodige hinder van algemene regelgeving achterwege. In de nieuwe Arbowet zal daarom meer worden overgelaten aan de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers (zie beleidsartikel 29). Ook op het terrein van arbeidstijdenwetgeving wil het kabinet meer overlaten aan individuele en collectieve werknemers en werkgevers (zie beleidsartikel 27).

De discussie over de bredere verantwoordelijkheidsverdeling in de sociale zekerheid is eigenlijk pas net op gang gekomen. Het kabinet heeft vorig jaar met prinsjesdag zijn visie op een nieuw stelsel van werk en inkomen neergelegd in de notitie «Nieuwe accenten op het terrein van werk en inkomen». Verschillende partijen zijn momenteel op dit thema aan het studeren, in het kader van het denken over de toekomst van de welvaartsstaat. Het CPB en de WRR zijn ieder met een omvangrijke studie bezig en de SER zal op verzoek van het kabinet eind 2005 met een advies voor de middellange termijn komen. Naar verwachting zullen al deze studies ook raken aan het thema van de verantwoordelijkheidsverdeling. In de context van dezelfde discussie zal ook het kabinet medio 2006 met een nieuwe notitie komen, waarin een nadere analyse van de toekomstige welvaartsstaat wordt gegeven, mede op basis van de diverse nog te verschijnen rapporten en adviezen.

5. Slot

Het jaar 2006 wordt een jaar van «werk in uitvoering». Maar 2006 moet ook het jaar worden van groeiend vertrouwen, vertrouwen dat de hervormingen die worden doorgevoerd hun vruchten zullen gaan afwerpen en dat we daarvan in 2006 al enigszins kunnen proeven.

De hervormingen die volgend jaar worden ingevoerd, brengen het perspectief dat dit kabinet voor ogen staat een stap dichterbij. Het perspectief van een samenleving waaraan iedereen deelneemt. En het perspectief van een stelsel van sociale zekerheid dat ook op de langere termijn houdbaar is, zodat AOW, pensioenen en een goede gezondheidszorg voor de toekomst veilig worden gesteld. Die samenleving vraagt om een modernisering van de manier waarop we de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid hebben vormgegeven, met behoud van solidariteit. Met de hervormingsagenda van dit kabinet zal die modernisering voor een belangrijk deel zijn ingevuld. Het belangrijkste is nu dat de hervormingen hun beslag krijgen en neerslaan in een vernieuwd stelsel van werk en inkomen. Want wie voorbereid is op de toekomst, kan die toekomst ook met vertrouwen tegemoet zien.

Tabel 2.1: Beleidsprioriteiten
DoelstellingMaatregelenFinancieel kaderRealisatiemomentBegrotingsartikelen
WAO:Vermindering van de instroom van duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers tot maximaal 25 000 per jaar.Verlenging loondoorbetaling per 1-1-2004 Beperking van aanvullingen op de verplichte loondoorbetaling in het eerste en tweede ziektejaar (afspraken uit sociaal akkoord 2004) Invoering Wetsvoorstel Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005. Versterking marktwerking en vraagsturing op terrein van arbeidsomstandigheden, verruiming en herordening van arbodienstverlening in 2005 en evaluatie Wet verbetering Poortwachter uiterlijk april 2006. Arboconvenanten (eerste en tweede fase) in samenspraak met sociale partners over o.a. voorkoming arbeidsrisico"s, beperking van ziekteverzuim en WAO-instroom in bedrijfstakken met een hoog arbeidsongeschiktheidsrisico. Programma's versterking arbeidsveiligheid, versterking arbobeleid stoffen en nieuw productbeleid.Besparing als gevolg van de stelselherziening op uitkeringslasten en uitvoeringskosten ten opzichte van ongewijzigd beleid ten tijde van het HA oplopend tot € 680 miljoen in 2007Na invoering van het wetsvoorstel Nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling in 2006 en in elk jaar daarna.23: Reïntegratie29: Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid
Reïntegratie:Toename van het percentage uitkeringsgerechtigden dat uitstroomt naar reguliere arbeid – na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject – met een kwart (ten opzichte van 2004).Invoeren Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2004 (onder andere nieuwe budgetteringssystematiek, vrij besteedbaar reïntegratiebudget, betere afstemming rechten en plichten) Invoeren werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) per 29 december 2005, als onderdeel van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling (onder andere werken beter belonen dan niet-werken en meer werken beter belonen dan minder werken) Sturing op resultaat via prestatieafspraken met UWV over reïntegratie WW'ers en arbeidsgehandicapten.Flexibel reïntegratiebudget, € 1,6 miljard Onderdeel van het totaalbudget voor reïntegratie (zie beleidsartikel 23)200722: Activerend arbeidsmarktbeleid23: Reïntegratie24: Sociale werkvoorziening30: Inkomensbescherming met activering31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid
Arbeidsparticipatie:Toename van de netto arbeidsparticipatie van ouderen (55–64 jaar) tot 40% in 2007.Afschaffen van de fiscale faciliëring voor VUT en prepensioen vanaf 2006 met uitzondering van lopende uitkeringen en van werknemers die per 1-1-2005 ouder zijn dan 55 jaar plus een aanvullend overgangsre geling tot 2011. Herinvoering op 1 januari 2004 van de sollicitatieplicht voor werklozen van 57,5 jaar en ouder, en premievrijstelling bij in dienst nemen en in dienst houden van oudere werknemers. Invoering Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, in werking getreden op 1 mei 2004. Afschaffen van de vervolguitkering WW. Invoering met terugwerkende kracht voor nieuwe instroom in de WW per 11–8-2003. Diverse maatregelen die voortvloeien uit het «kabinetsstandpunt stimuleren langer werken ouderen» (gepubliceerd in april 2004), waaronder een meerjarige voorlichtingscampagne ter bestrijding van vooroordelen over oudere werknemers en ter stimulering van langer doorwerken. De hervormingen WW beogen per1 oktober 2006 een verkorting van de uitkeringsduur – in het bijzonder voor oudere werklozen – en de bevordering van werkloosheidspreventie en werkhervatting door werkgevers en werknemers. De aanscherping van de wekeneis zal per 1 april 2006 ingevoerd wordenExtra opbrengst LB/IB van € 795 miljoen in 2006 en € 1 080 miljoen in 2007. Herinvoering sollicitatieplicht van 57,5 plussers in combinatie met de invoering van een premievrijstelling bij het in dienst houden en nemen van oudere werknemers leidt tot een besparing die oploopt naar structureel € 94 mln. De afschaffing van de vervolguitkering WW levert een besparing tot € 530 mln structureel op. In totaal wordt voor «stimuleren langer werken ouderen» in 2005 € 6,9 mln en in 2006 en 2007 € 9,1 mln. gereserveerd. De hervorming leidt naar verwachting tot een volume-effect van 42000 uitkeringen en een budgettair effect van € 480 mln.200721: Inkomensbeleid22: Activerend arbeidsmarktbeleid27: Regulering van individuele arbeidsrelaties30: Inkomensbescherming met activering
Arbeid en zorg:Verkleinen van de groep werknemers die wel wil combineren, maar dat feitelijk (nog) niet doet met 25%Invoering Wet kinderopvang op 1 januari 2005 Invoering Levensloopregeling op 1 januari 2006 Invoering Wet langdurend zorgverlof op 1 juni 2005 Implementatie resultaten Stimuleringsmaatregel DagindelingExtra overheidsbijdrage in het nieuwe stelsel van kinderopvang vanaf 2005.Intensivering van € 635 miljoen in 2006 en € 730 miljoen in 2007 voor de Levensloopregeling.Realisatie van de doelstelling in 200925: Arbeid en zorg35: Emancipatie
     
Vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met een kwart op het terrein van SZW, onder andere via deregulering.Administratieve lasten bedrijven. Maart 2005 is een geactualiseerde Plan van aanpak ingediend bij de Tweede Kamer. De Kamer is juli 2005 op de hoogte gesteld van de kabinetsreactie op het SER-advies over de evaluatie van Arbowet en Arbobesluit. Van de belangrijkste onderdelen van het actieplan is in 2005 de Wet Administratieve Lastenverlichting en Vereenvoudiging in de Sociale Verzekeringen (««Walvis»») ingevoerd en zal de Belastingdienst vanaf 1 januari 2006 premies en loonbelasting gezamenlijk gaan heffen (Wfsv). Op het terrein van Arbeidsomstandigheden wordt voortgang geboekt bij de operatie om de risico-inventarisatie en -evaluatie te vereenvoudigen en bedrijven via internet in staat te stellen tijdwinst te boeken bij het voldoen aan informatieverplichtingen. Daarnaast zal in 2007 de nationale kop op de Arbowetgeving vrijwel zijn verdwenen.De administratieve lasten op het terrein van SZW worden middels al bij de Tweede Kamer bekende actiepunten en voornemens teruggebracht van € 2 533 miljoen in 2002 tot maximaal € 1 951 miljoen in 2007. Hiermee is € 51 miljoen van de kwart reductie nog niet ingevuld, maar het samen met de Belastingdienst in gang gezette project Loondomein zal hieraan zeker een belangrijke bijdrage leveren.200722: Activerend arbeidsmarktbeleid23: Reïntegratie27: Regulering van individuele arbeidsrelaties29: Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim30: Inkomensbescherming met activering31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid
Tabel 2.2: Aansluitingstabel uitgaven begroting 2005 naar begroting 2006
UitgavenArtnr.200520062007200820092010
Ontwerpbegroting 2005 23 87024 26324 66024 73924 849 
        
Amendement / Nota van Wijziging       
Ombuigingstaakstelling ZBO's (29 800 XV 26)22 – 1– 3– 3– 3 
Reïntegratie-taakstelling (29 800 XV 26)23– 25     
Diverse maatregelen Motie Verhagen (29 800 XV 26)30– 68– 251113 
Extra efficiency-taakstelling (29 800 XV 26)98– 2– 2– 2– 2– 2 
Reïntegratie-taakstelling (29 800 XV 26)99 – 25– 25– 25– 25 
Amendement Smilde wachtlijsten WSW (29 800 XV 29)23– 20     
Tegengaan oplopen wachtlijsten WSW (29 800 XV 29)2420     
        
Mutaties Voorjaarsnota (1e sup 2005)       
Centra voor Werk en Inkomen2218– 5– 5– 5– 5 
Overboeking naar het GemeentefondsANW/NUG23– 10– 10– 10– 10– 10 
Andere invulling wachtlijsten WSW2320     
Andere invulling Reïntegratie-taakstelling2325     
Volume- en prijseffect WWB30– 294– 249– 371– 383– 381 
Doorwerking IOAW-leeftijd 50 > 55 jaar301618262829 
Volume- en prijseffect IOAW30– 10– 12– 11– 11– 11 
Afschaffen rijksbijdrage WAZ34– 11– 11– 11– 11– 11 
Rijksbijdrage BIKK AOW en Anw34– 5265227232232 
Rijksbijdrage AOW tegemoetkoming (€ 40)34100103105109112 
Loon- en prijsbijstellingdiv7426252424 
Overige mutaties Voorjaarsnota (o.a. eindejaarsmarge)div1228– 6– 8– 10 
        
Mutaties Miljoenennota       
Stimuleringsregeling ID-banen23–27351836 
Modernisering WSW24 20202020 
Kinderopvang (intensivering en inburgering)257208222223225 
Aanpassingen WWB3014– 428– 444– 385– 362 
Aanpassingen Wajong312230262626 
Aanpassingen Toeslagenwet32203628135 
Mutaties AKW33– 21– 42– 48– 50– 51 
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds, BIKK, AOW en Anw34453170165161161 
Verhoging tegemoetkoming AOW-ers (€ 15)34 39394041 
Overige mutatiesdiv– 105– 67– 80– 40– 37 
        
Ontwerpbegroting 2006 24 18324 36724 55024 69624 83525 010
Tabel 2.3: Aansluitingstabel ontvangsten begroting 2005 naar begroting 2006
OntvangstenArtnr.200520062007200820092010
Ontwerpbegroting 2005 532600464464464 
        
Mutaties Voorjaarsnota (1e sup 2005)       
Hogere terugontvangsten WIW2343     
Terugontvangsten RKB254     
Afwikkeling CBA972     
        
Mutaties Miljoenennota       
Ontvangsten Agenda vd Toekomst en afboeking ontv reïntegratie23 61616– 4 
Terugontvangsten RKB en KOA25125    
Diverse terugontvangsten o.a. Bbz, IOAW, Wajong, TW, AKW30, 31, 3235     
Bijstelling ontvangsten Arbvo976     
Correctie HA taakstellingen98– 16– 16– 16– 16– 16 
Invulling PIA-taakstelling met verhuuropbrengsten9811111 
        
Ontwerpbegroting 2006 619596465465445445

Tabel 2.4: Totaaloverzicht begroting- en premiegefinancierde uitgaven 2006

«In constante prijzen (x 1 000); premieuitgaven exclusief post nominaal»

Art.ArtikelBegrotingsuitgavenPremieuitgavenTotaal
 Beleidsartikelen   
21Inkomensbeleid705 705
22Activerend arbeidsmarktbeleid362 821 362 821
23Reïntegratie1 774 653230 1902 004 843
24Sociale werkvoorziening2 211 575 2 211 575
25Arbeid en zorg922 985892 4291 815 414
26Overlegstructuren, collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en medezeggenschap4 177 4 177
27Regulering van individuele arbeidsrelaties2 629 2 629
28Pensioenbeleid1 483 1 483
29Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim92 428 92 428
30Inkomensbescherming met activering4 765 4044 948 6379 714 041
31Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid1 717 83910 746 56312 464 402
32Overige inkomensbescherming328 57725 404 29925 732 876
33Tegemoetkoming specifieke kosten3 300 719 3 300 719
34Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW8 648 941 8 648 941
35Emancipatie13 044 13 044
     
 Niet-beleidsartikelen   
97Aflopende regelingen201 201
98Algemeen219 099 219 099
99Nominaal en onvoorzien46 46
     
 Totaal artikelen24 367 32642 222 11866 589 444

3. DE BELEIDSARTIKELEN

21 Inkomensbeleid

Zorgdragen voor een evenwichtige en activerende inkomensontwikkeling.

Omschrijving

Om een zo gelijkmatig mogelijk gespreide inkomensontwikkeling over de verschillende inkomensgroepen te bereiken

Om de financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden en te verbeteren (beperken armoedeval)

Bijdrage

SZW beoordeelt de ontwikkeling van de inkomens in Nederland alsmede de inkomens- en armoedevaleffecten van afzonderlijke beleidsvoorstellen zowel vanuit het eigen departement als vanuit andere overheidsorganen (en kan voor de onderdelen die binnen haar invloedssfeer liggen corrigerend optreden)

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• het volgen en beoordelen van de inkomensontwikkeling van burgers door middel van standaard koopkrachtcijfers en het zo mogelijk corrigerend optreden

• het in kaart brengen en beoordelen van de gevolgen van het geheel aan beleidsvoorstellen voor het totale koopkrachtbeeld

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de spanning tussen een evenwichtiger inkomensontwikkeling en verkleining van de armoedeval. Verkleining van de werkloosheidsval impliceert bijvoorbeeld dat de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden uit elkaar gaat lopen.

• de financieel economische situatie en daarmee de mogelijkheden om negatieve effecten te compenseren

• algemene factoren zoals loon- en prijsontwikkeling

• doorwerking van het beleid van andere departementen en overheidsorganen

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• voor de verschillende inkomensgroepen de koopkrachtmutatie zoveel mogelijk aan elkaar gelijk is en dat uitschieters worden voorkomen

• de inkomensposities van zwakke groepen worden beschermd

• de arbeidsparticipatie wordt gestimuleerd

Verwijzingen beleidsstukken

• Bijlage inkomensbeleid

• Motie Omtzigt (Motie met verzoek om een overzicht van de marginale druk en werkloosheidsvallen bij verschillende huishoudens en inkomensniveaus, vergezeld van een meerjarige aanpak van dit probleem) (TK 2004–2005, 29 764 nr. 26)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 21.1: Begrotingsuitgaven artikel 21 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen 7627050000
Uitgaven 7627050000
        
Programmauitgaven 000000
Waarvan juridisch verplicht  
        
Apparaatsuitgaven 7627050000
Apparaatsuitgaven 762705    
        
Ontvangsten 000000

Er worden geen programmauitgaven op dit beleidsartikel begroot, alleen toegerekende apparaatskosten.

Operationele doelstelling 1: Het bereiken van een zo gelijkmatig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling.

Motivering

Om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van de zwakste groepen

Instrumenten

• Generiek koopkrachtbeeld in de vorm van een standaard koopkrachtoverzicht

• Specifiek koopkrachtbeeld van afzonderlijke maatregelen die niet in het generieke koopkrachtbeeld tot uitdrukking komen

Activiteiten

• Beoordelen van en zo mogelijk corrigerend optreden ten aanzien van de inkomenseffecten van beleid. In 2006 spelen de volgende voor het inkomensbeeld relevante maatregelen:

– de invoering van de Zorgverzekeringswet en de daarmee samenhangende zorgtoeslag

– daling van de AWBZ-premie met 0,9%-punt vanwege de overheveling van een deel van het AWBZ-pakket naar de nieuwe zorgverzekering.

– verhoging van de belastingtarieven eerste en tweede schijf, zodat per saldo het gecombineerde tarief eerste schijf met 0,25%-punt daalt en het gecombineerde tarief tweede schijf met 0,5%-punt.

– verhoging van de algemene heffingskorting met € 78 (naast de gebruikelijke indexering).

– de invoering van de nieuwe gestroomlijnde kinderkorting.

– verlaging van de combinatiekorting en verhoging van de aanvullende combinatiekorting

– verhoging van de arbeidskorting (met € 56)

– daling van de AWF-premie voor werknemers met 0,65%-punt. Dit is het saldo van een stijging van de AWF-premie met 0,5%-punt, samenhangend met de nieuwe premieheffingssystematiek uit hoofde van de Wet financiering sociale verzekeringen en een beleidsmatige verlaging met 1,15%-punt mede gericht op de verbetering van de inkomenspositie van de middeninkomens.

– verhoging van de alleenstaande ouderenkorting en de tegemoetkoming voor AOW-ers en in samenhang hiermee de verlaging van de algemene ouderenkorting. De bestaande inkomensgrens in de alleenstaande ouderenkorting vervalt.

• Monitoren van de loonontwikkeling. De gemiddelde geraamde loonstijging bedraagt in 2006 1½%.

• Monitoren van de prijsstijging (inflatie). De geraamde inflatie voor 2006 is 1%. De afschaffing van de OZB-gebruikersheffing heeft een drukkend effect op de inflatie van ½%-punt.

Doelgroepen

• Verschillende inkomensgroepen

Effectindicatoren

• De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 21.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten)premies en kinderbijslag. Tabel 21.2 is, evenals voorgaande jaren, opgesteld volgens de conclusies van het rapport «Opbouw en samenstelling inkomenskengetallen» (Ministerie van SZW, augustus 2003).

• De cijfers houden geen rekening met veranderingen in de samenstelling van de bevolking of in persoonlijke omstandigheden van burgers zoals bijvoorbeeld werkaanvaarding of baanverlies, promotie of verandering van huishoudsamenstelling (scheiding, geboorte van een kind).

• In de berekeningen van de standaardkoopkrachtcijfers voor 2006 wordt voor het eerst ook rekening gehouden met de buitengewone uitgavenregeling voor de ziektekosten (BU/TBU). Hier is voor gekozen, omdat sommige groepen per definitie voor deze regeling in aanmerking komen en omdat gebleken is dat het feitelijk gebruik fors is toegenomen. De cijfers in de eerste kolom van tabel 21.2 zijn berekend op basis van de veronderstelling dat het huishouden in zowel 2005 als 2006 van de aftrek voor buitengewone uitgaven gebruik maakt. In de tweede kolom is de veronderstelling dat in geen van beide jaren van deze regeling gebruik wordt gemaakt. De regeling voor buitengewone uitgaven voor ziektekosten kent geen wijzigingen tussen 2005 en 2006. Toch zitten er verschillen in de uitkomsten. De regeling voor aftrek van buitengewone uitgaven beperkt het effect van wijzigingen in de ziektekosten voor huishoudens.

• Het standaard inkomensbeeld voor 2006 laat een positief beeld zien (tabel 21.2).

• Binnen het standaard inkomensbeeld is er sprake van grote spreiding. Oorzaak hiervan is invoering van de Zorgverzekeringswet en het hiermee samenhangende vervallen van de ziekenfondsgrens. Voor gezinnen met kinderen en een inkomen boven de huidige ziekenfondsgrens (ongeveer € 33 000) is de koopkrachtverbetering bijvoorbeeld relatief groot (bij 2 maal modaal + 5½%) omdat deze groep niet langer premie hoeft te betalen voor de kinderen. Ziekenfondsverzekerden zijn op dit moment al geen premie voor de kinderen verschuldigd en ondervinden hiervan dus niet een dergelijk groot voordeel.

• Ten opzichte van de in tabel 21.2 opgenomen effecten is sprake van een grote spreiding. Dit zijn de zogenaamde niet-standaardeffecten. Dit wordt veroorzaakt door:

1. de spreiding ten opzichte van de gemiddeld in de tabel opgenomen effect van invoering van de zorgverzekeringswet door bijvoorbeeld grote verschillen in huidige werkgeversbijdragen. Huishoudens met een lage werkgeversbijdrage kunnen hierdoor een meer positieve koopkrachtontwikkeling ondervinden en huishoudens met een hoge werkgeversbijdrage een meer negatieve.

2. het vervallen van de toeslag op de kinderkorting. Dit betekent dat de kinderkorting voor gezinnen met drie of meer kinderen een kleinere verhoging van de kinderkorting ondervinden dan waar in het generieke beeld mee rekening wordt gehouden. Ten opzichte van het generieke beeld gaat het om een effect van – 0,4%-punt.

3. Voor de afschaffing van het OZB-gebruikersdeel wordt in het generieke beeld een positief effect van 0,4%-punt verondersteld. Voor huishoudens die geen OZB betalen (bijvoorbeeld huishoudens met kwijtschelding) treedt dit voordeel niet op.

– In bijlage 11 wordt nader ingegaan op de niet in het generieke beeld opgenomen effecten van maatregelen.

Tabel 21.2: Standaard koopkrachteffecten
Koopkrachtcijfers (mutaties in %)2006 incl BU2006 excl BU
ACTIEVEN:  
Alleenverdiener mk  
Modaal¾¼
2*modaal
Tweeverdiener  
modaal + ½ modaal mk00
2*modaal + ½ modaal mk
modaal + modaal zk½½
2*modaal + modaal zk¼¼
Alleenstaande  
WML11
Modaal½½
2*modaal00
Alleenstaande ouder  
WML¾¾
Modaal½½
   
INACTIEVEN:  
Sociale minima  
paar mk11
Alleenstaande00
alleenstaande ouder½½
AOW(alleenstaand)  
sociaal minimum22
AOW+5.00022
AOW (paar zk)  
sociaal minimum½¾
AOW+10.000

Verwijzingen beleidsstukken

• Bijlage 11 Inkomensbeleid

Operationele doelstelling 2: In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding (beperken armoedeval).

Motivering

Om bij te dragen aan een activerend inkomensbeleid

Instrumenten & activiteiten

• Hetzelfde als die geschetst bij OD1, met name de arbeids- en de combinatiekorting.

Doelgroepen

• Huishoudens die door een grotere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren

Effectindicatoren

• De onderstaande tabel presenteert indicatoren voor de ontwikkeling van de werkloosheidsval en de marginale druk. De indicatoren voor de werkloosheidsval zijn berekend conform de systematiek die ook in voorgaande begrotingen is gebruikt.

• De berekeningswijze van de cijfers voor marginale druk is aangepast ten opzichte van vorige begrotingen. In voorgaande begrotingen werd voor specifieke inkomensniveau's een marginale druk berekend. Deze cijfers bleken zeer gevoelig voor het exacte inkomensniveau. Zo werd voor een modaal inkomen met kinderen een marginale druk berekend van ruim 100% omdat op dat inkomensniveau het huishouden het recht op de kinderkorting verloor. Bij een inkomen van een paar euro hoger of lager speelde dit effect niet. De nieuwe systematiek gaat uit van de berekening van de marginale druk op een groter inkomenstraject. In de nieuwe systematiek wordt zodoende rekening gehouden met de doorwerking van effecten over het hele inkomenstraject van minimumloon tot en met twee maal modaal. Dit traject is daarbij in drie delen gesplitst. Het arbitraire karakter van het net wel of net niet rekening houden met schokeffecten op een specifiek inkomensniveau wordt hiermee vermeden.

• Voor alleenstaanden wordt de afstand tussen inkomen uit werk en inkomen uit een minimumuitkering groter. De oorzaak ligt in het vervallen van de procentuele ZFW-premie. Omdat deze inkomensafhankelijk was betaalden werkende alleenstaanden meer premie dan alleenstaanden met een minimumuitkering.

• De ontwikkeling van de marginale druk geeft een diffuus beeld. Voor twee van de getoonde situaties stijgt de marginale druk, voor vier daalt de marginale druk. Voor alleenverdieners met kinderen daalt de marginale druk tussen modaal en 2 maal modaal bijvoorbeeld omdat de overgang vlak boven modaal van ZFW-verzekerd naar (duurder) particulier verzekerd voor deze groep vervalt.

ArmoedevalcijfersNiveau 2005MutatieNiveau 2006
Werkloosheidsval*   
alleenverdiener mk– 1¼– ¼– 1½
alleenstaande8
alleenstaande ouder– 7– 6
Herintredersval**   
partner minimumloon1617½
Marginale druk***   
Alleenverdiener mk   
Minimumloon – minimumplus69½– 10¾58¾
Minimumplus – Modaal7072¾
Modaal – 2*modaal59¼– 653½
Marginale drukNiveau 2005MutatieNiveau 2006
Tweeverdiener****    
HoofdverdienerPartner   
minimumloon½ * Minimumloon – ½ *minimumplus35¼37¾
minimumplus ½ * Minimumplus – ½ * Modaal38– 2¾35¼
modaal½ * Modaal – modaal50– 149

Bron: CPB/MEV

* Deze cijfers tonen de procentuele mutatie in het besteedbaar inkomen bij het aanvaarden van een baan op het niveau van het minimumloon vanuit een uitkering op het niveau van het sociaal minimum. De cijfers zijn berekend inclusief het effect van gemeentelijke regelingen en huursubsidie.

** Dit cijfers laat de procentuele toename zien in het huishoudinkomen van een gezin waarbij één partner werkt tegen het minimumloon en de niet-verdienende partner een baan aanvaardt met een inkomen van ½ * minimumloon.

*** Deze cijfers tonen de marginale druk op de genoemde inkomenstrajecten.

**** De marginale druk voor tweeverdieners is berekend onder de veronderstelling van een gelijkblijvend inkomen van de meestverdienende partner. De marginale druk wordt berekend voor de bij de partner genoemde inkomenstrajecten.

Verwijzingen beleidsstukken

• In september wordt de Kamer separaat geïnformeerd over de invulling van de motie Omtzigt (TK 2004–2005 29 764 nr. 26) die vraagt om een overzicht van werkloosheidsvallen en marginale drukken en een meerjarige plan van aanpak van de armoedevalproblematiek.

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)geen  

22 Activerend arbeidsmarktbeleid

Zorgdragen voor een toename van de netto arbeidsparticipatie.

Omschrijving

Bevorderen dat het aandeel werkenden in de leeftijdcategorie 15 tot en met 64 jaar (verder) toeneemt

Bijdrage

SZW wil met het algemeen arbeidsmarktbeleid belemmeringen wegnemen voor participatie op de arbeidsmarkt. Waar nodig wordt tijdelijk, aanvullend specifiek beleid gevoerd

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• beleid en maatregelen die moeten bijdragen aan het wegnemen van belemmeringen voor deelname op de arbeidsmarkt

• het stimuleren van de samenwerking tussen de sociale partners, de gemeenten, UWV en CWI

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• juiste beleidsmaatregelen die maximaal bijdragen aan bevordering van de arbeidsparticipatie

• goed inspelen op conjuncturele ontwikkelingen door de uitvoerende instanties

• bereidheid tot samenwerking in de keten van werk en inkomen

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• de netto arbeidsparticipatie stijgt (opgenomen als prestatie-indicator bij OD 3)

• het percentage uitkeringsgerechtigden toeneemt dat uitstroomt naar reguliere arbeid na te hebben deelgenomen aan een reïntegratietraject (ten opzichte van 2004); zie artikel 23

• de integratie van allochtonen wordt bevorderd

• wordt voorkomen dat mensen in een sociaal isolement raken

• de sociale zekerheid betaalbaar blijft

• de door SZW veroorzaakte administratieve lasten dalen (opgenomen als prestatie-indicator bij OD 1)

Verwijzingen beleidsstukken

• brief «Visie op arbeidsmarktbeleid» (TK 2003–2004, 29 544 nr. 1)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 22.1: Begrotingsuitgaven artikel 22 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen374 769405 726361 321335 552310 276309 271308 271
Uitgaven375 659407 225362 821337 052310 276309 271308 271
        
Programmauitgaven375 659388 288341 822337 052310 276309 271308 271
Waarvan juridisch verplicht  98%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 2       
Duale trajecten   5 000   
Operationele doelstelling 3       
Stimulering arbeidsparticipatie7 94514 06819 80619 806464646
Primair proces385776506    
Voorlichting 3 4221 0001 000   
Operationele doelstelling 4       
Centra voor Werk en Inkomen358 874361 310312 244303 730302 714301 709300 709
BKWI8 4558 7128 2667 5167 5167 5167 516
Handhaving       
        
Apparaatsuitgaven 18 93720 9990000
Apparaatsuitgaven 18 93720 999    
        
Ontvangsten28711 50014 60014 60014 60014 60014 600

Duale trajecten

Duale trajecten zijn een onderdeel van concrete acties op het terrein van Leven lang leren die worden uitgevoerd door de projectdirectie Leren & Werken (gezamenlijke directie van de ministeries van SZW en OCW). Met duale trajecten is in 2005, 2006, 2007 een budget gemoeid van € 5,0 miljoen. Voor 2005 en 2006 is dit budget overgeboekt naar de begroting van OCW.

Stimulering arbeidsparticipatie

In aanvulling op en ter versterking van het algemene arbeidsmarktbeleid is besloten tot het uitvoeren van een aantal aanvullende acties. Hiervoor is in 2006 een budget van € 19,8 miljoen beschikbaar. Dit budget zal worden ingezet ten behoeve van de onderdelen diversiteitmanagement, drempelslechting, Taskforce Jeugdwerkloosheid, langer doorwerken en hoger opgeleide vluchtelingen.

CWI

De programma-uitgaven van CWI hebben betrekking op de uitvoeringskosten. CWI verzorgt hiervan de dienstverlening aan werkzoekenden (voorkomen dan wel bekorten van uitkeringssituatie door onder meer ondersteuning/bemiddeling/activering) en werkgevers (zorgdragen voor actueel en toegankelijk CV-bestand en op verzoek actieve bijdrage aan snelle vacaturevervulling; ontslag- en tewerkstellingsvergunningen). Hiertoe onderhoudt CWI een netwerk van 130 vestigingen.

Daarnaast voert CWI onder meer de Wsw-indicatiestelling uit. Dit wordt verantwoord op artikel 24. Het budgettair kader gaat er van uit dat het transformatieproces ultimo 2005 door CWI zal zijn afgerond. Vanaf 2006 wordt het structureel lagere basisbudget bereikt. In bijlage 9 «De bijlage inzake ZBO's en RWT's» wordt ingegaan op het budget en de prestatie-indicatoren van CWI.

BKWI

Het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) vormt een verbindende schakel in de SUWI-keten door het onderhouden van voorzieningen en standaarden waarmee de SUWI-organisaties gegevens op een efficiënte en betrouwbare manier kunnen uitwisselen. Voor BKWI is in 2006 een bedrag van € 8,3 miljoen beschikbaar.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de bestuurlijke boeten in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen.

Tabel 22.2: Fiscale uitgaven artikel 22 (x € 1 miljoen)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Belastinguitgaven614368169160162165168
        
Operationele doelstelling 2       
Heffingskorting voor toetreders52     
Afdrachtvermindering onderwijs w.v. WVA startkwalificatie28374146464646
Afdrachtvermindering lage lonen404181     
Afdrachtvermindering langdurig werklozen754422    
        
Operationele doelstelling 3       
Arbeidskorting voor ouderen102104106114116119122

Afdrachtvermindering onderwijs

De afdrachtvermindering onderwijs (WVA-onderwijs) geldt voor leerlingen die de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) volgen (vroeger: het leerlingwezen), bepaalde studenten in het hoger beroepsonderwijs met wie een leerwerkovereenkomst is gesloten en bepaalde categorieën assistenten en onderzoekers in opleiding. Doelstelling van de afdrachtvermindering onderwijs is het verruimen van het aantal leerarbeidsplaatsen door verlaging van de loonkosten. Hiervoor is in 2006 een budget beschikbaar van € 41 miljoen.

Arbeidskorting voor ouderen

De arbeidskorting voor ouderen is bedoeld om de arbeidsparticipatie van deze groep te bevorderen. Deze arbeidskorting komt bovenop de reguliere korting die voor elke werkende geldt. Met de arbeidskorting voor ouderen is in 2006 een budget van € 106 miljoen gemoeid.

Operationele doelstelling 1: Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Motivering

Om te komen tot een verantwoorde loonontwikkeling die investeringen en de concurrentiepositie van bedrijven bevordert en daarmee de werkgelegenheid en welvaart

Instrumenten

• Scheppen van voorwaarden voor een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten via:

• De inzet van het belasting- en premie-instrumentarium

• Het niveau en aanpassing van het wettelijk minimumloon

• De wettelijke inkadering van het overleg tussen werkgevers en werknemers (CAO en AVV)

Activiteiten

• Verminderen administratieve lasten voor bedrijven en werknemers

• Stimuleren innovatie, scholing en onderwijs

Doelgroepen

• Werkgevers en werknemers alsmede hun organisaties

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2007
Loonkosten per eenheid product (effectindicator)– 2,1%– 2%– 2% 
Administratieve lasten door SZW veroorzaakt ten opzichte van 2002 (effectindicator)– 9,2%– 15,6%– 22,6%– 25%
Omvang van de wig inclusief werkgeverslasten naar inkomensniveau (prestatieindicator)44,1%42,5%42,5% 

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan 2005, Bijlagen A4 en A6, pp. 186–191

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief aan TK «kabinetsplan aanpak administratieve lasten» (TK 2004–2005, nr. 29 515 nr 61)

Operationele doelstelling 2: Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen. Het minimaal benodigde niveau voor duurzame arbeidsparticipatie is het niveau van startkwalificatie (HAVO/VWO of MBO-2 niveau)

Instrumenten

• WVA-onderwijs: Fiscale faciliteit voor werkgevers als tegemoetkoming in de kosten van opleiden via de beroepsbegeleidende leerweg

• WVA-startkwalificatie: Fiscale faciliteit voor werkgevers in de kosten van het opleiden van een voormalig werkloze werknemer tot startkwalificatieniveau

• Subsidies scholingsprojecten via Europees Sociaal Fonds

Activiteiten

• Bevorderen van het aantal EVC-trajecten (7.500 extra trajecten in 2006) en het bevorderen van de toegankelijkheid van EVC voor het individu via een infrastructuur voor EVC

• Creëren van duale trajecten; gecombineerde trajecten van werken en leren

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie

Indicatoren
 Realisatie 2003Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Extra toename in de beroepsbevolking (25–65) met een startkwalificatie (bovenop de trendmatige ontwikkeling) (prestatieindicator)71 000*50 00050 00050 000
Aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking (25–65) met een startkwalificatie (prestatieindicator)75,1%*  >80%

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (bewerking SZW).

* Realisatiecijfers 2004 zijn nog niet beschikbaar.

Kengetallen

 20042005*2006*
Extra EVC-trajecten2 5007 500
Aantal duale trajecten2 0008 000

Bron: Plan van aanpak 2005–2007 Projectdirectie leren en werken

* De streefcijfers voor EVC en duale trajecten zijn bepaald voor de periode 2005–2007. Voor EVC bedraagt dit 20 000 trajecten; voor duale trajecten 15 000

Verwijzingen beleidsstukken

• Kabinetsnotitie Duale Trajecten (TK 2004–2005, 30 012 nr. 3)

Operationele doelstelling 3: Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie belemmeren

Motivering

Om de arbeidsparticipatie van etnische minderheden, jongeren, ouderen en vrouwen te bevorderen

Instrumenten

• Subsidies voor projecten

• Voorlichtingscampagnes

• Fiscale maatregelen (zie tabel 22.2)

• Onderzoek

• Conferenties

• Afspraken met sociale partners

• Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV)

• Internationale diplomawaardering

Activiteiten

Etnische minderheden

• Subsidiëren van activiteiten in het kader van «Breed Initiatief Maatschappelijke binding»

• 2500 vluchtelingen in 3 jaar aan werk helpen (uitvoering door samenwerkingsverband van Vluchtelingenwerk Nederland, UAF, CWI en Emplooi)

• 300 hoger opgeleide vluchtelingen aan werk helpen in 3 jaar (uitvoering door samenwerkingsverband VWS/EZ en OCW)

Jeugdwerkloosheid

• In 4 jaar 40 000 jeugdbanen genereren met behulp van de Taskforce Jeugdwerkloosheid

• Inzetten van het budget drempelslechting door CWI

Ouderen

• Tijdelijke stimuleringsregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid

• Communicatietraject onder leiding van Regiegroep Grijs Werkt

• Subsidiëren van Pilots (intersectorale) mobiliteit

• Financieren landelijk netwerk diversiteitmanagement (DIV)

Allochtone Vrouwen

• Instellen stuurgroep «Allochtone vrouwen en arbeid» (uitvoering motie Koser-Kaya)

Overig

• Handhaven WAV door de Arbeidsinspectie in samenwerking met de Vreemdelingenpolitie en de Belastingdienst

• Financieren landelijk nerwerk diversiteitsmanagement (DIV)

Doelgroepen

• Ouderen

• Etnische minderheden waaronder (hoger opgeleide) vluchtelingen

• Jongeren

• (Allochtone) Vrouwen

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Netto-arbeidsparticipatie van etnische minderheden (effectindicator)48%54%  
Percentage werkloze jongeren (15–22 jaar) (effectindicator)*13,5%10–15%  
Netto-participatiegraadouderen (banen < 12 uur) (effectindicator)40% >40%45%
Netto-participatiegraadvrouwen (effectindicator)54%  65%
Percentage bezochte bedrijven met overtreding WAV (prestatieindicator)18% 25% 
Nalevingniveau WAV** (effectindicator)n.b.  >85%

Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (participatiegraad); SZW/AI rapportages Arbeidsinspectie.

* Cijfer in kolom realisatie 2004 betreft leeftijdscategorie 15 t/m 24 jaar

** Cijfer in kolom realisatie 2004 is nog niet beschikbaar. Streefcijfer in kolom 2010 betreft streven 2008, wordt niet jaarlijks gemeten

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief aan de TK «Arbeidsmarktmaatregelen hoger opgeleide vluchtelingen» (TK 2004–2005, 27 223 nr. 64)

• Kabinetsstandpunt «Stimuleren langer werken ouderen» (TK 2003–2004, 27 046 nr. 5)

• Brief staatssecretaris met overzicht concrete maatregelen die arbeidsparticipatie van ouderen bevorderen (TK 2003–2004, 27 046 nr. 8)

• Brief aan TK «Evaluatie wet samen» (TK 2004–2005, 27 223 nr. 55)

• Plan van aanpak bestrijding jeugdwerkloosheid (TK 2002–2003, 23 972 nr. 64)

• Kabinetsreactie op het eindrapport van de commissie PaVEM (TK 2004–2005, 29 203 nr. 26)

• Kabinetsreactie op onderzoek «Etnische minderheden op de arbeidsmarkt» (TK 2004–2005, 27 223, nr. 66)

Operationele doelstelling 4: Verhogen van het aandeel ingeschrevenen bij de Centrale Organisatie Werk en Inkomen dat wordt bemiddeld naar werk

Motivering

Om een (mogelijk) langdurig beroep op een uitkering te voorkomen (preventie) dan wel te beperken (uitstroombevordering) – de SUWI doelstelling «werk boven uitkering»

Om er aan bij te dragen dat mensen niet langdurig aan de kant staan (verhogen van arbeidsparticipatie van werklozen)

Om bij te dragen aan een snelle vacaturevervulling voor werkgevers

Instrumenten

• Bijdrage aan Centrale Organisatie Werk en Inkomen (CWI) en bijdrage aan Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)

• Regelgeving (Wet SUWI)

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Opstellen beleid en regelgeving met betrekking tot CWI

• Aansturen van en toezicht houden op CWI

• Activiteiten CWI

• Activiteiten gericht op het voorkomen van een uitkering (preventie)

• Onafhankelijke diagnose en indicatie stellen en beoordelen van competenties van werkzoekenden

• Bemiddelen en activeren, gericht op duurzame plaatsing (bemiddelingsgesprekken, vacature-matching)

• Verstrekken van reïntegratieadviezen/overdrachtsrapportages met arbeidsmarktkansenanalyse

• Uitvoeren van de uitkeringsintake, als beroep op uitkering niet heeft kunnen worden voorkomen

• Dienstverlenen aan werkgevers (aanbieden geschikte kandidaten voor vacatures)

• Wsw-indicatiestellen (het budget voor deze activiteit is opgenomen in artikel 24)

Doelgroepen

• Ingeschreven werkzoekenden

• Werkgevers

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006
PreventiequoteWW(prestatieindicator)19,9%20%21%
PreventiequoteWWB (prestatieindicator)46,5%45%48%
UitstroomquoteWW(prestatieindicator)59,1%55%52%
UitstroomquoteWWB (prestatieindicator)61,8%55%40%
Vervullingquote van vacatures (prestatieindicator)35,5%38%40%

Bron: Realisatie 2004: Jaarverslag CWI 2004; Streven 2005: Jaarplan CWI 2005; Streven 2006: conceptjaarplan CWI 2006.

Bij de uitstroomquotes zijn de steefcijfers 2005 gebaseerd op uitsluitend fase 1-cliënten en de 2006-streefcijfers op Route A-cliënten (fase 1 plus een deel van fase 2 en 3).

Verwijzingen beleidsstukken

• Meibrief CWI (TK 2004–2005, 26 448 nr. 207)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties * (waaronder ex ante)Evaluatie SUWI-wet20052005
 Evaluatie SUWI-wet20062006

* Onderzoek combinatie leren en werken gaat over naar OCW (projectdirectie Leren en Werken)

23 Reïntegratie

Voorkomen van uitval uit arbeid en inschakeling in reguliere arbeid van hen die dat niet op eigen kracht kunnen.

Omschrijving

Om de uitkeringsafhankelijkheid te verminderen en te voorkomen

Bijdrage

SZW bevordert de reïntegratie en voorkomt uitval uit arbeid

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

– het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de WWB door gemeenten (flexibel reïntegratiebudget)

– uitvoering reïntegratie-inspanningen door UWV

– uitvoering van de ESF en EQUAL programma's

– uitvoering Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met Werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW) door de RWI

– wet- en regelgeving (medewetgever) in relatie tot reïntegratie en preventie

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

– goede samenwerking met en tussen de uitvoerende instanties (gemeenten, CWI en UWV)

– goed inspelen op conjuncturele ontwikkelingen door de uitvoerende instanties

– realiseren van een sluitende aanpak voor (niet)uitkeringsgerechtigden (zowel volwassenen als jongeren)

– optimale benutting van ESF en EQUAL programma's

– optimale werking van de reïntegratiemarkt

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

– instroom in de (langdurige) werkloosheid wordt voorkomen

– (langdurige) uitkeringsafhankelijkheid wordt voorkomen

Verwijzing beleidsstukken

– Enig Programmeringsdocument Europees Sociaal Fonds Doelstelling 3 Periode 2000 – 2006. «Activerend Arbeidsmarktbeleid en een Leven Lang Leren».

– Programmadocument Europees Sociaal Fonds EQUAL Periode 2004 – 2006. «Bestrijding discriminatie en ongelijkheid op de arbeidsmarkt».

– MvT Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (TK 2004–2005, 30 118, nr 3)

– MvT Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (TK 2004–2005, 30 034, nr. 3)

– Beleidsnotitie reïntegratiemarkt (TK 2004–2005, 28 719, nr. 4)

– Werkloosheidswet en ontslagrecht; kabinetsstandpunt (TK 2004–2005, 30 109 nr. 1)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 23.1: Begrotingsuitgaven artikel 23 (x €1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen3 449 2981 853 1861 774 6531 716 7891 694 7971 694 2651 688 268
Uitgaven1 987 1081 915 6871 774 6531 716 7891 694 7971 694 2651 688 268
        
Programmauitgaven1 979 6121 904 9911 763 5391 706 7841 685 7951 685 2631 679 266
Waarvan juridisch verplicht  98%1%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Flexibel reïntegratiebudget1 631 4671 610 8431 629 2701 629 2701 629 2701 629 2701 629 270
Agenda voor de Toekomst144 55051 30821 387601   
RSP6 4807 9987 8657 8657 8657 8657 865
Stimuleringsregeling ID-banen46 63568 52035 80118 0003 0006 000 
SZW cofinanciering Equal4 2426 8934 8566 8943 038  
Praktijkscholing63 39867 6245 076    
RWI/SVWW19 57431 36316 2816 0006 0006 0006 000
ReïntegratieWajong49 39447 43331 76029 23927 58827 10927 109
ReïntegratieWajonguitvoeringskosten04 4252 9972 8852 1522 1372 140
        
Overige programmauitgaven       
Handhaving201410     
Subsidies12 3517 6037 3855 1696 0216 0216 021
Voorlichting964      
Onderzoek356571861861861861861
        
Apparaatsuitgaven7 49610 69611 11410 0059 0029 0029 002
Apparaatsuitgaven 2 6883 106    
Agentschap SZW7 4968 0088 00810 0059 0029 0029 002
        
Ontvangsten313 04082 701146 63420 50020 500500500

1. Programmauitgaven

Flexibel reïntegratiebudget gemeenten

Dit budget is bedoeld ter financiering van de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van personen uit de gemeentelijke doelgroepen. De uitvoeringskosten worden niet gefinancierd uit dit budget.

Agenda voor de Toekomst

Het betreft de uitfasering van middelen voor de prestatie-afspraken met gemeenten en de projecten die in het kader van de Agenda voor de Toekomst worden uitgevoerd.

RSP

Dit budget is bestemd voor de Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren en de bijbehorende afbouwregeling.

Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken ID-banen

De middelen voor 2006 zijn nodig voor de uitfinanciering van de toegekende subsidies en leer-werktrajecten voor zittende werknemers in ID- en WIW-banen met als doel doorstromen naar ongesubsidieerd werk.

SZW cofinanciering EQUAL

Vanaf 2001 is cofinanciering voor EQUAL projecten in het programma 2000 – 2006 in de begroting opgenomen. Een deel van de beschikbare gelden is bedoeld als subsidie voor aanvragers buiten SZW die onvoldoende cofinanciering op kunnen brengen om EQUAL-subsidie aan te vragen. Een ander deel van de beschikbare gelden is bestemd voor cofinanciering voor departementale aanvragers.

Praktijkscholing

De in 2006 beschikbare middelen van ca € 5 miljoen zijn bestemd voor de afwikkeling van de subsidie aan de ROC's en de liquidatie van de stichting Centrum Vakopleiding.

RWI/SVWW

Het hier opgenomen bedrag betreft de apparaatskosten van de RWI. Het structurele budget hiervoor is vastgesteld op € 6,0 miljoen. Voor 2006 is tevens een budget voor de uitfinanciering van de SVWW opgenomen.

Reïntegratie Wajong

Dit betreft de totale bijdrage van het arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten aan de reïntegratie van jonggehandicapten. Subsidies en voorzieningen die voor 1 januari 2006 zijn gestart, worden uit het Reïntegratiefonds betaald. Dit reïntegratiefonds wordt mede gevoed vanuit het arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten en zal na invoering van de WIA geleidelijk worden afgebouwd en uiteindelijk in 2010 worden opgeheven. Subsidies, voorzieningen die vanaf 1 januari 2006 worden ingezet en de extra middelen voor reïntegratie jonggehandicapten die bij begroting 2003 zijn vrijgemaakt zullen na invoering WIA rechtstreeks worden gefinancierd vanuit het arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.

2. Overige programmauitgaven

Subsidies

Dit is een samengestelde post, waar ondermeer bedragen voor ESF en EQUAL staan opgenomen. Deze post bevat voor ESF en EQUAL activiteiten ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de regelingen zoals publiciteit, voorlichting, mainstreaming, coördinatie, bewaking, onderzoek, organisatie van congressen, uitvoering van evaluatie enzovoorts. De uitvoering vindt plaats door onderdelen van het ministerie of door derden.

Binnen de post subsidies is voor de jaren 2005–2007 elk jaar € 160 000,– beschikbaar voor projectsubsidies aan landelijke zelfhulporganisaties voor uitkeringsgerechtigden conform amendement Bakker (TK 2004–2005, 30 105 XV nr. 6). Dit budget is van artikel 30 overgeheveld naar artikel 23, omdat op dit artikel ook de subsidie aan de Landelijke Cliëntenraad wordt verantwoord.

3. Apparaatsuitgaven

Bijdrage aan Agentschap SZW

De uitvoering van subsidieregelingen is voor een belangrijk deel opgedragen aan het Agentschap SZW. Een aantal taken, o.a. coördinatie, bewaking, onderzoek en evaluatie, wordt door onderdelen van het ministerie of door derden uitgevoerd. Voor de programmaperiode 2000–2006 worden ESF 3 en het Communautair Initiatief EQUAL uitgevoerd. Voor de uitvoering van de regelingen ESF 3 en voor het communautaire initiatief EQUAL in de lopende periode 2000–2006 is alleen de financiering die door de lidstaat wordt ingezet opgenomen. De Europese subsidies voor 50% cofinanciering van de uitvoering zijn niet in de rijksbegroting opgenomen.

4. Ontvangsten

De voor 2006 geraamde ontvangsten hangen grotendeels samen met de terugbetaling uit hoofde van de zogenaamde reserveringsconstructie voor liquiditeit in geval van overbenutting bij de ESF programma's en met terugontvangsten als gevolg van lagere vaststellingen van subsidies Agenda voor de toekomst.

Tabel 23.2: Premieuitgaven artikel 23 (x €1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Uitgaven493 709404 472233 617203 637160 075159 683162 386
        
Programmauitgaven493 709404 472233 617203 637160 075159 683162 386
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
ReïntegratieWAO/WIA/WAZ443 709371 781207 873176 453136 897133 595133 587
ReïntegratieWAO/WIA/WAZuitvoeringskosten50 00032 69222 31721 09615 75616 03616 062
Nominaal  3 4276 0887 42210 05212 737

Reïntegratie WAO/WIA/WAZ

Dit betreft de middelen voor de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden in de premiegefinancierde arbeidsongeschiktheidsregelingen WAO, WIA en WAZ. Subsidies en voorzieningen die voor 1 januari 2006 zijn gestart, worden uit het Reïntegratiefonds betaald. Dit reïntegratiefonds wordt gevoed vanuit de relevante arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsfondsen en zal na invoering van de WIA geleidelijk worden afgebouwd en uiteindelijk in 2010 worden opgeheven. Subsidies en voorzieningen die vanaf 1 januari 2006 worden ingezet, zullen na invoering WIA rechtstreeks vanuit de relevante arbeidsongeschiktheidsfondsen worden gefinancierd. De uitgaven in verband met de No Risk Polis worden vanaf 2006 overgeheveld naar het vangnet Ziektewet en zijn vanaf 2006 opgenomen in artikel 31.

In onderstaande tabel worden de premie- en begrotingsgefinancierde uitgaven aan reïntegratie Wajong/WAO/WIA /WAZ nader uiteengezet in verschillende posten.

Tabel 23.3 Uitgaven reïntegratieWajong/WAO/WIA/WAZ (x € 1 mln.)
 2004200520062007200820092010
Werkgeversvoorzieningen211700000
Werknemersvoorzieningen69597069606969
Inkoop trajecten inclusief scholing221199143111796767
Extra reïntegratieWajong5121212121212
Uitvoeringskosten50674643323232
Overig1771321514141313
Totaal Uitgaven543486286249197193193

Bronnen: SZW en UWV

De Werkgeversvoorzieningen bestaan uit de meerkostenregeling en loondispensatie. De werknemersvoorzieningen bestaan uit de meeneembare werkplekvoorzieningen en de vervoersvoorzieningen leef-werk, intermediairs visueel/auditief, persoonlijke ondersteuning, proefplaatsing en loon- en inkomenssuppletie. Doel van deze instrumenten is om werkgevers te stimuleren om gedeeltelijk arbeids(on)geschikten in dienst te nemen of te houden en om werknemers en gedeeltelijk arbeids(on)geschikten te stimuleren om (aangepast) werk te kunnen blijven doen en/of te aanvaarden.

De inkoop van trajecten inclusief scholing betreft de kosten voor trajecten. Vanaf 1 juli 2003 zijn de uitgaven aan scholing tijdens trajecten onderdeel van de trajectprijs. Alleen voor trajecten die voor 1 juli 2003 zijn gestart, wordt scholing nog separaat vergoed. Vanaf 1 juli 2005 bestaat door het scholingsprotocol de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden scholing los van een traject te vergoeden. De extra reïntegratie Wajong betreft het beschikbare budget dat bij begrotingsbehandeling 2003 is vrijgemaakt voor extra reïntegratie Wajong. Overig bestaat uit de aflopende voorzieningen werkgevers en de aflopende voorzieningen werknemers.

Reïntegratie WW

Voor 2006 is € 90 mln in totaal beschikbaar voor de reïntegratie van WW-ers. Het is de bedoeling om vanaf de ontwerpbegroting 2007 reïntegratielasten en uitvoeringskosten WW op te nemen in tabel 23.2

Operationele doelstelling 1: Het voorkomen van uitval uit arbeid en het toeleiden naar reguliere arbeid van hen die dat niet op eigen kracht kunnen door het bieden van reïntegratievoorzieningen.

Motivering

Om de uitkeringsafhankelijkheid te verminderen en te voorkomen

Instrumenten

Instrumenten gericht op:

Uitvoerders:

– Flexibel reïntegratiebudget WWB (gemeenten)

– Subsidie Agenda voor de Toekomst (gemeenten)

– Bijdrage aan UWV

– Bijdrage aan RWI

– Bijdrage aan Agentschap SZW

– Subsidie voor praktijkscholing (HVS)

– Subsidie cofinanciering EQUAL

Werkgevers/uitkeringsgerechtigden/nuggers/werknemers

– Subsidie reïntegratie WAJONG

– Subsidie i.h.k.v. stimuleringsregeling ID-banen

– Regeling Schoonmaakdiensten Particulieren (RSP)

– Premiekorting/Subsidie aan werkgevers t.b.v. gedeeltelijk arbeidsgeschikten

– Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met Werkloosheid bedreigde werknemers (SVWW)

Activiteiten

– Voeren van bestuurlijk overleg en algemeen ketenoverleg (AKO)

– Voeren van bestuurlijk overleg met belangenorganisatie gemeenten (VNG), RWI, BOREA en UWV

– Kaders stellen voor de reïntegratiemarkt

– Onderhouden van wet- en regelgeving

– Monitoren

– Voorlichten en communiceren

– Verrichten van onderzoek

Doelgroepen

– Niet uitkeringsgerechtigden

– WW'ers

– Bijstandsgerechtigden

– Gedeeltelijk arbeids(on)geschikten

– Anw'ers

– (Schoonmaak) Werkgevers

Indicatoren

Sluitende Aanpak: Hiaatpercentage

Het huidige reïntegratiebeleid richt zich op een actieve en op maat gesneden aanpak voor mensen die niet zelfstandig aan de slag komen. Gemeenten, CWI, UWV en werkgevers hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om de individuele ondersteuning bij de zoektocht naar werk, zoals bemiddeling, stages, scholing of een sollicitatietraining, zo effectief mogelijk te laten verlopen.

De Sluitende Aanpak is een van de manieren waarop de overheid vorm heeft gegeven aan reïntegratiebeleid. Het doel van de Sluitende Aanpak is het bevorderen van uitstroom uit de werkloosheid vóórdat voor volwassenen de grens van 12 maanden en voor jongeren de grens van 6 maanden werkloosheid is bereikt. Indien de uitvoerders inschatten dat een werkloze niet op eigen kracht binnen 12 maanden resp. 6 maanden uit de werkloosheid zal uitstromen, zal de uitvoerder ten gevolge van het sluitende aanpakbeleid met de werkloze een bemiddelingsgesprek voeren en/of hem/haar een reïntegratietraject aanbieden.

De realisatie van het sluitende aanpakbeleid wordt jaarlijks gevolgd. Met ingang van 2006 zal dat niet meer zijn in de vorm van de mate van sluitendheid, maar via het hiaatpercentage (Verzamelbrief reïntegratie d.d. 31 mei 2005, Kamerstukken II, 2004–2005). De overstap van de mate van sluitendheid naar hiaatpercentage wordt gemaakt om nauwkeuriger de bijdrage van de uitvoerders en het kabinet in beeld te brengen. Het hiaatpercentage geeft inzicht in de vraag: wie heeft gedurende 12 maanden werkloosheid geen hulp bij reïntegratie ontvangen1

25% doelstelling

In de begroting 2005 van SZW stond de doelstelling opgenomen dat de uitstroom uit reïntegratietrajecten naar regulier werk in 2007 met 25 procent moet zijn toegenomen t.o.v. 2004 ( de zgn. 25%-doelstelling). In het kwartaalbericht Arbeidsmarkt september 2005 zal de nulmeting van de doelstelling worden gepresenteerd. De nulmeting betreft de uitstroom naar werk maximaal 24 maanden na de start van trajecten in 2002. Vervolgens zal er jaarlijks in september inzicht worden gegeven in de voortgang van de realisatie van de 25%-doelstelling.

De invulling van de doelstelling geldt over het totaal van alle reïntegratietrajecten (WW, WAO, Bijstand en NUG). De toename moet onder meer gerealiseerd worden door optimalisatie van de reïntegratiemarkt.

 Realisatie 2004Streefwaarde 2005Streefwaarde 2006Streefwaarde 2007
Sluitende aanpak: hiaatpercentage*    
– hiaatpercentage volwassenen0%0%
– hiaatpercentage jongeren (< 23 jaar)0%0%
25% doelstelling: percentage uitstroom naar regulier werk na volgen reïntegratietraject (totaal: jongeren en volwassenen, alle uitstroom)(*)**
KengetallenRealisatie 2004Streefwaarde 2005Streefwaarde 2006
Kengetal 25%-doelstelling duurzame uitstroom(*)
    
Kengetallen snelle start reïntegratietrajecten:   
Snelle start WW25%85%85%
Snelle start AG83%85%85%
    
Kengetallen handhaving(***):   
Percentage sancties op signalen onvoldoende inzet reïntegratieAO8%
Percentage sancties op signalen onvoldoende inzet reïntegratieWW14%

Bron: UWV jaarverslag

(*) Cijfers nulmeting en toelichting hiaat en sluitendheid. Beschikbaar in kwartaalbericht arbeidsmarkt september 2005

(**) In 2007 moet 25% meer dan in 2004 zijn gerealiseerd

(***) De definitieve vormgeving van een adequate nalevingindicator is nog in studie. Over de uitkomsten van die studie wordt gerapporteerd in het jaarverslag 2005. Bij de kengetallen wordt nu wel informatie geboden over sancties op signalen onvoldoende inzet reïntegratie. Deze informatie wordt structureel uitgevraagd bij UWV.

Verwijzingen beleidsstukken

– Brief effectiviteit van reïntegratiebeleid (TK 2004–2005, 28 719, nr. 5)

– Reïntegratiebeleid (o.a. Integraal overzicht middelen, trajecten en plaatsingen conform motie Bruls) (TK 2004–2005, 28 719 nr. 19)

Reïntegratie: middelen, trajecten en plaatsingen

Vanaf het jaarverslag SZW 2005 wordt een eerste aanzet gegeven om de kosteneffectiviteit van reïntegratietrajecten in beeld te brengen. De gegevens uit de tabellen 23.4 (middelen) en 23.5 (trajecten en plaatsingen) kunnen op dit moment nog niet aan elkaar gekoppeld worden. Het UWV werkt aan een model dat meer inzicht moet geven in de door de jaren heen verwachte betalingen door UWV van in een eerder jaar gestarte trajecten.

Tabel 23.4: Middelen voor inkoop reïntegratietrajecten (x € 1 mln)
 20022003200420052006
Arbeidsgehandicapten(AG)222237221199143
WW4887938090
WWB11 9581 7831 6311 6111 629
Totaal2 2282 1071 9451 8901 862

Bronnen: UWV (WW en Arbeidsgehandicapten) en SZW (WWB)

1 Totaal van sluitende reïntegratie, WIW-dienstbetrekkingen, basis- en werkervaringsplaatsen en ID-banen.

Toelichting bij tabel 23.4:

De middelen hebben betrekking op trajecten die in het betreffende jaar zijn betaald (en die dus in dat jaar én voorgaande jaren zijn gestart). Daarnaast geldt dat gemeenten ook andere middelen voor trajecten kunnen inzetten dan middelen uit het W-deel, bijvoorbeeld eigen gemeentelijk middelen en ESF-middelen. Deze middelen zijn niet opgenomen in tabel 23.4.

Tabel 23.5 Resultaten van reïntegratietrajecten1
 Gestarte trajectenWaarvan realisatie plaatsingen tot en met ultimo 2004Waarvan plaatsingen meest recente tussenstandPlaatsingspercentage
    RealisatieTussenstand
AG     
2002225 9928 27332%
200342 316*10 599*25%
200438 9094 66912%
WW     
200228 8592 85532%
200328 898*8 341*29%
200450 9467 70815%
ABW     
200278 9048 54511%
200370 2283****
2004******
NUG     
200215 2247 97452%
2003******
2004******

Bron: SZW Uitstroom naar werk, UWV Jaarverslag

1 Plaatsingscijfers AG en WW betreft duurzame uitstroom, plaatsingscijfers ABW en NUG betreft alle uitstroom

2 Trajecten excl. 1e kwartaal en realisatie plaatsingen t/m 2e kwartaal 2005

3 Voorlopig cijfer o.b.v. Agenda voor de toekomst

* De realisaties van de WW en AG trajecten gestart in kalenderjaar 2003 is bij jaarverantwoording 2005 bekend

** Cijfers bekend bij jaarverantwoording 2005, ofwel uit SZW/FEZ Uitstroom naar werk, of wel bewerking daarvan door SZW.

Voor de plaatsingscijfers van gestarte trajecten in 2006 gelden de volgende streefwaarden: voor AG 40% en voor WW 50%

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken

Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie SUWI, waaronder de evaluatie van de RWI20062006
 Evaluatie reïntegratiemarkt20062006

24 Sociale werkvoorziening

Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van personen met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn.

Omschrijving

Om de arbeidsparticipatie te bevorderen van personen uit de doelgroep die willen deelnemen aan het arbeidsproces aangepaste arbeid aanbieden, die tevens een bijdrage levert aan het behouden en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid.

Bijdrage

SZW biedt middelen ter beschikking en stelt voorwaarden aan gemeenten ter realisering van aangepaste arbeid bij gemeenten voor personen uit de doelgroep

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• het ter beschikking stellen en verdelen van de middelen ten behoeve van de uitvoering van de Wsw door gemeenten

• de regelgeving met betrekking tot de Wet sociale werkvoorziening (Wsw); in zijn hoedanigheid van medewetgever

• het toezicht op de uitvoering en handhaving van de naleving van de Wsw door gemeenten

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

het met behulp van subsidie,

• aanbieden van aangepaste arbeid aan personen uit de doelgroep

• aangepaste arbeid te laten bijdragen aan het behouden en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van personen uit de doelgroep

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

• arbeidsplaatsen worden gerealiseerd in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving voor personen uit de doelgroep en

• de individuele arbeidsbekwaamheid wordt vergroot

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Aantal personen in Wsw werknemersbestand tegenover de totale doelgroep (effect-indicator)88%88%89%94%
Realisatie van arbeidsplaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (effect-indicator)101%100%100%100%
Ontwikkeling van de doelmatigheid per standaardeenheid t.o.v. het jaar 2003 (effect-indicator)1102102104104

Bron: Verslag over de uitvoering Wsw door gemeenten; Wsw monitor

1 In deze effectindicator komt de doorwerking van de vermindering van inkomsten uit SPAK en VLW voor gemeenten tot uiting, zoals bij begroting SZW 2003 is ingezet.

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief staatssecretaris met informatie over voorstel herziening Wsw dat op basis van een onderzoekstraject is vastgesteld (TK 2004–2005, 29 817 nr. 7)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 24.1: Begrotingsuitgaven artikel 24 (x € 1.000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen2 213 4862 455 4392 430 2292 429 1782 429 1572 429 1572 429 157
Uitgaven2 184 9302 222 5902 211 5752 210 5952 210 5742 210 5742 210 574
        
Programmauitgaven2 184 9302 222 0262 210 5552 210 5952 210 5742 210 5742 210 574
Waarvan juridisch verplicht  99%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Wet sociale werkvoorziening2 184 9302 222 0262 192 2552 192 2952 192 2742 192 2742 192 274
Uitvoeringskosten indicatie door CWI  18 30018 30018 30018 30018 300
        
Apparaatsuitgaven 5641 0200000
Apparaatsuitgaven 5641 020    
        
Ontvangsten515 388444 629417 658417 698417 737417 843417 843

Wet sociale werkvoorziening

De programma-uitgaven Wsw voor 2006 zijn onderverdeeld in een deel ten behoeve van de indicatie Wsw door CWI, een centraal en een decentraal deel.

Centraal budget

Jaarlijks wordt na Bestuurlijk Overleg met de VNG in september een deel van de begroting «centraal» gereserveerd. Het centrale budget bedraagt in 2006 € 24,8 miljoen en is bestemd voor de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) en vooral het moderniseringstraject Wsw.

Decentraal budget

Het decentrale deel van het Wsw budget bedraagt € 2.167,4 miljoen en is bedoeld ter financiering van het voor 2006 taakgestelde aantal arbeidsplaatsen. Niet gerealiseerde arbeidsplaatsen worden in latere jaren verrekend. Het aantal te realiseren arbeidsplaatsen blijft 89.817 standaardeenheden.

Uitvoeringskosten Indicatie Wsw door CWI

Voor de uitvoering van de indicatiestelling Wsw door CWI is voor 2006 een bedrag van € 18,3 miljoen beschikbaar. In 2005 staan deze uitgaven nog op artikel 22 als onderdeel van het budget CWI.

Ontvangsten

De ontvangsten bestaan jaarlijks grotendeels uit de anticumulatiebaten. Dit zijn uitkeringen Waz, WAO of Wajong van personen met een Wsw-betrekking die worden «verrekend» met de Wsw-salarissen en daarom als ontvangsten worden verantwoord op de SZW-begroting. Voor 2006 gaat het om een bedrag van € 417,7 miljoen. Het totaalbedrag aan anticumulatiebaten is van jaar op jaar vrijwel constant.

Daarnaast worden bij de vaststelling van de subsidie Wsw over eerdere jaren onder meer niet benutte subsidiemiddelen teruggevorderd van de gemeenten.

Tabel 24.2: Specificatie ontvangsten artikel 24 (x € 1 mln)
 200420052006
Ontvangsten bij vaststelling subsidie Wsw68.926.90.0
Anticumulatie baten WAZ1.91.71.7
Anticumulatie baten WAO171.4142.6142.6
Anticumulatie baten Wajong273.2273.4273.4

Bron: SZW-administratie

Operationele doelstelling 1: Het realiseren van aangepaste arbeid voor degenen die hiervoor zijn geïndiceerd.

Motivering

Om personen met een Wsw-indicatie, door het aanbieden van aangepaste arbeid, deel te laten nemen aan het arbeidsproces

Instrumenten

• Subsidie aan gemeenten voor Wsw-arbeidsplaatsen

Activiteiten

• Voeren van Bestuurlijk Overleg met VNG

• Toekennen van budgetten aan gemeenten

• Toezien op de uitvoering

• Vaststellen van de Wsw-subsidie

• Uitvoeren van de indicatiestelling (door CWI)

Doelgroepen

• Personen met een Wsw-indicatie (personen met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn)

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Verblijfsduur op de wachtlijst Wsw (prestatieindicator)Gem. 10 maandenMax. 12 maandenMax. 12 maandenMax. 12 maanden

Bron: WSW Monitor

Kengetallen

 200420052006
Wachtlijst (personen) (ultimostand)12 95014 00012000
Werknemersbestand (personen)(ultimostand)98 30098 60099 000
Totale doelgroep (personen) (ultimostand)111 250112 600111 000
Werknemersbestand (SE) (gemiddeld)89 64089 81589 815
Gemiddelde prijs (SE)24 39124 36324 127

Bron: Verslag over de uitvoering Wsw door gemeenten, WSW-monitor

Verwijzingen beleidsstukken

Brief staatssecretaris met informatie over voorstel herziening Wsw dat op basis van een onderzoekstraject is vastgesteld (TK 2004–2005, 29 817 nr. 7)

Operationele doelstelling 2: Het bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van de sw-werknemer.

Motivering

Om personen met een Wsw-indicatie aangepaste arbeid aan te bieden die een bijdrage levert aan het vergroten van de arbeidsbekwaamheid.

Instrumenten

• Subsidie aan gemeenten voor Wsw-arbeidsplaatsen

Activiteiten

• Voeren van Bestuurlijk Overleg met VNG

• Toekennen van budgetten aan gemeenten

• Toezien op de uitvoering

• Vaststellen van de Wsw-subsidie

• Uitvoeren van de indicatiestelling (door CWI)

Doelgroepen

• Personen met een Wsw-indicatie (personen met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn)

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Aantal plaatsingen in begeleid werken t.o.v. totaal aantal plaatsingen (prestatie-indicator)10%25%25%1

Bron: Wsw-monitor

1 In de brief van 15 juni 2005 (Kamerstukken II, 2004/05, 29 817, nr. 7) is als voorstel opgenomen om de kwantitatieve normering van plaatsing in begeleid werken te vervangen door een bonussysteem. Bij introductie van deze systematiek is het percentage te realiseren beleid werken geen prestatieindicator meer.

Kengetallen

 200420052006
Instroom in begeleid werken6958001 250
Eindstand begeleid werkers1 57520002 650
Eindstand gedetacheerden14 47515 00015 250

Bron: Wsw-monitor

Verwijzingen beleidsstukken

Brief staatssecretaris met informatie over voorstel herziening Wsw dat op basis van een onderzoekstraject is vastgesteld (TK 2004–2005, 29 817 nr. 7)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)geen  

25 Arbeid en zorg

Bevorderen dat werknemers arbeid en zorg kunnen combineren.

Omschrijving

Om werknemers die arbeid en zorg willen combineren te faciliteren.

Bijdrage

SZW zorgt voor een adequaat stelsel van verlofarrangementen en een stelsel van toegankelijke en verantwoorde kinderopvang

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van verlofarrangementen

• de vormgeving en werking van een op de financiering van verlof toegesneden fiscaal kader (i.c. de levensloopregeling), samen met de Minister van Financiën

• de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van kinderopvang, waarbij de Staatssecretaris van Financiën de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de Rijksbijdrage voor de financiering van de kinderopvang

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de toepassing van de Wet arbeid en zorg door werkgevers

• de mate waarin in CAO's bovenwettelijke dan wel afwijkende afspraken zijn gemaakt over verlofregelingen en de levensloopregeling

• snelheid en variëteit van aanbod aan levensloopprodukten door banken, verzekeraars en beleggingsinstellingen

• de mate waarin werknemers hun verlof kunnen financieren

• de mate waarin werkgevers een bijdrage leveren in de kosten voor kinderopvang

• het adequaat functioneren van de markt voor kinderopvang

• de mate van vertrouwen die werknemers hebben in de kwaliteit van kinderopvang

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• werknemers arbeid en zorg kunnen combineren in de mate waarin ze dat willen

• een bijdrage wordt geleverd aan de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen

Indicator
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2007
Het aandeel werknemers (m/v) dat arbeid en zorg wil combineren maar dat feitelijk (nog) niet doet, op het totaal aantal werknemers (m/v) dat wil combineren (effectindicator)Nog niet bekend1  – 25%

Bron: CBS-monitor Arbeid en zorg

1 De realisatie 2004 geldt als nulmeting en wordt door het CBS uitgevoerd in 2005.

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet arbeid en zorg (Staatsblad 2001, nr. 567)

• Langdurend zorgverlof (Staatsblad 2005, nr. 274 en nr. 278)

• Levensloopregeling (Staatsblad 2005, nr. 115)

• Wet kinderopvang (Staatsblad 2004, nr. 455)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 25.1: Begrotingsuitgaven artikel 25 (x €1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen298 084692 370922 985939 722966 138968 466975 717
Uitgaven299 799692 570922 985939 722966 138968 466975 717
        
Programmauitgaven299 799690 986921 026939 722966  138968 466975 717
Waarvan juridisch verplicht  0%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Rijksbijdrage loopbaanonderbreking375300     
Voorlichting 750     
Operationele doelstelling 2       
KOA-regeling59 13110 000     
Kinderopvang238 049678 370919 786938 482964 898967 226974 477
Primair proces977497533533533533533
Voorlichting832563201201201201201
Onderzoek435506506506506506506
        
Apparaatsuitgaven 1 5841 9590000
Apparaatsuitgaven 1 5841 959    
        
Ontvangsten10 08925 8005 0000000

Kinderopvang

De grootste programma-uitgaven betreffen de uitgaven voor kinderopvang. De Wet kinderopvang is in 2005 ingevoerd. De uitgaven hebben betrekking op de kinderopvangtoeslag die werkende ouders die formele kinderopvang gebruiken, van het Rijk ontvangen.

Met ingang van 2006 vind een intensivering met € 200 miljoen plaats voor de kinderopvang. Het merendeel hiervan wordt ingezet voor een verhoging van de kinderopvangtoeslag. De subsidietabellen voor het eerste kind worden zodanig aangepast dat vanaf 130% WML de subsidie verhoogd wordt voor alle inkomensgroepen tot het niveau van het huishoudinkomen van bruto € 96 543 per jaar. De intensivering is bedoeld om de negatieve inkomenseffecten van de Wet kinderopvang voor de midden en hogere inkomens (vanaf 1,5 x modaal) te repareren en daarmee ook het belemmerend effect van de hoge kosten kinderopvang op (een uitbreiding van) de arbeidsparticipatie van met name de minstverdienende ouder. Daarnaast wordt een deel van de intensivering ingezet om andere knelpunten in de kinderopvang op te lossen.

Voor de jaren 2006 en 2007 wordt bovendien uit het budget van de Wet kinderopvang € 10,1 miljoen extra overgeheveld naar het gemeentefonds voor de kinderopvang van huishoudens met een sociaal medische problematiek. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de motie Koser Kaya c.s. (TK, 2004–2005, gewijzigde motie 29 800 XV, nr. 45). In de loop van 2007 zal vervolgens een besluit worden genomen of de huidige situatie waarbij de gemeenten verantwoordelijk zijn voor de financiering van kinderopvang voor deze doelgroep wordt gecontinueerd en/of dat de doelgroep onder een ander wettelijk regime zal komen, zoals bijvoorbeeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Tabel 25.2: Premiegefinancierde uitgaven artikel 25 (x €1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Uitgaven878 000891 705905 215920 614936 021951 729967 723
        
Programmauitgaven878 000891 705905 215920 614936 021951 729967 723
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlofuitkeringslasten855 000870 760872 350872 350872 350872 350872 350
Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlofuitvoeringskosten23 00020 94520 07920 33820 30620 31820 351
Nominaal  12 78627 92643 36559 06175 022

Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof

De uitgaven betreffen de zwangerschaps- en bevallingverlofsuitkeringen en adoptieverlofuitkeringen van werknemers en zelfstandigen die via premies worden gefinancierd en de uitvoeringskosten van het UWV die met het verstrekken van deze uitkeringen gepaard gaan. Vanaf 2006 zijn er geen uitkeringslasten en uitvoeringskosten meer met betrekking tot deze regelingen voor zelfstandigen. Dit i.v.m. de beëindiging van de toegang tot de WAZ per 1 augustus 2004.

De uitkeringslasten zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof werden voorheen opgenomen als onderdeel van de Ziektewet uitkeringslasten respectievelijk de WAZ-uitkeringslasten op artikel 31.

Tabel 25.3: Fiscale uitgaven artikel 25 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Belastinguitgaven426 00050 000863 000965 0001 100 0001 160 0001 170 000
Operationele doelstelling 1       
Afdrachtkorting ouderschapsverlof46 00050 00033 000    
Levensloopregeling  760 000895 0001 030 0001 090 0001 100 000
w v spaarfaciliteit  690 000825 000960 0001 020 0001 030 000
w v  ouderschapsverlofkorting  70 00070 00070 00070 00070 000
        
Operationele doelstelling 2       
Afdrachtvermindering kinderopvang228 000      
Aftrekpost uitgaven voor kinderopvang152 000      

Levensloop

De levensloopregeling treedt op 1 januari 2006 in werking. De uitgaven aan de levensloopregeling betreffen ten eerste de belastinguitgaven vanwege deelname van werknemers aan de levensloopspaarregeling en ten tweede de uitgaven aan de heffingskorting waar werknemers beroep op kunnen doen ter financiering van ouderschapsverlof.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen voor een adequaat stelsel van verlofarrangementen.

Motivering

Om te bevorderen dat werknemers arbeid en zorg kunnen combineren

Instrumenten

• Wet arbeid en zorg

• Levensloopregeling

Activiteiten

• Voorlichten over de levensloopregeling, waaronder ook het gebruik van de ouderschapsverlofkorting

• Voorlichten over de Wet arbeid en zorg, waaronder het recht op langdurend zorgverlof

Doelgroepen

• (potentiële) Werknemers

• Werkgevers

Indicatoren
 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2007
Het aandeel werknemers (m/v) dat behoefte heeft aan verlof, maar dit (nog) niet gebruikt, op het totaal aantal werknemers (m/v) met behoefte aan verlof (effectindicator)Nog niet bekend1  – 25%

Bron: Monitor arbeid en zorg, CBS

1 De realisatie 2004 geldt als nulmeting en wordt door het CBS uitgevoerd in 2005.

Kengetallen

• De kengetallen over zwangerschaps- en bevallingsverlof en adoptieverlof geven het gebruik (aantal toekenningen) weer.

• De kengetallen over ouderschapsverlof geven het gebruik weer van het aantal ouders dat, betaald of onbetaald, ouderschapsverlof opneemt.

• De financieringsregeling loopbaanonderbreking is per 1 juni 2005 afgeschaft, behoudens overgangsrecht.

• Per 1 augustus 2004 is het recht op een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, adoptie en opname van een pleegkind in het gezin voor zelfstandigen vervallen. Het recht bestaat nog wel voor alfahulpen (die ook tot de zelfstandigen worden gerekend).

 200420052006
Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering   
Aantal toekenningen werknemers (*1000)131130130
Aantal toekenningen zelfstandigen (*1000)511
Adoptieverlofuitkering   
Aantal werknemers met uitkering (*1000)1,51,51,5
Ouderschapsverlof   
Aantal werknemers met (betaald en onbetaald) ouderschapsverlof(*1000)737373
Uitkeringen financiering loopbaanonderbreking   
Aantal gebruikers (*1000)0,20,1
Uitkeringslasten (* € 1000)221110
Levensloopregeling   
totaal aantal deelnemers aan de spaarfaciliteit (*1000)1 800
totaal aantal ontvangers van de ouderschapsverlofkorting (*1000)65

Bron: UWV jaarverslag

Verwijzingen beleidsstukken

• Langdurend zorgverlof (Staatsblad 2005, nr. 274 en nr. 278)

• Levensloopregeling (Staatsblad 2005, nr. 115)

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen voor een stelsel van toegankelijke en verantwoorde kinderopvang.

Motivering

Om te bevorderen dat werknemers arbeid en zorg kunnen combineren

Instrumenten

• Wet kinderopvang

• Subsidieregeling kinderopvang

Activiteiten

• Uitbreiden van de reikwijdte van de wet doordat ook oudkomers die een door de gemeente aangeboden inburgeringstraject volgen in aanmerking komen voor een financiële bijdrage op grond van de Wet kinderopvang

• Verslagleggen aan de Tweede Kamer over het eerste jaar (2005) van de Wet kinderopvang

• Opstellen van een beleidsreactie op gemeentelijke jaarverslagen toezicht en handhaving kinderopvang

• Verrichten van onderzoek naar de werking van de wet, met het oog op de eerste evaluatie per 1 juli 2006 van de financieringssystematiek

• Subsidie verlenen aan projecten die bijdragen aan toegankelijke en verantwoorde kinderopvang

• Voorlichten over de Wet kinderopvang

Doelgroepen

• Ouders die arbeid en de zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen).

• Ouders die een reïntegratietraject of een verplicht inburgeringstraject combineren met de zorg voor kinderen of ouders die een studie met de zorg voor kinderen combineren.

Indicatoren

• Gestreefd wordt naar een situatie waarbij in 2008 voor 90% van de werknemers een werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang beschikbaar is.

• De Wet kinderopvang beoogt de financiële toegankelijkheid van formele kinderopvang te waarborgen. Het streven is het aantal gebruikmakende ouders tenminste gelijk te houden in vergelijking met de situatie voor de inwerkingtreding van de wet (2004).

• Binnen het aantal gebruikers wordt gestreefd naar een gelijkblijvend aandeel huishoudens met een inkomen tot € 45 000.

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2008
Percentage werknemers met een werkgeversbijdrage (effectindicator)66,1%  90%
Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van formele kinderopvang(effectindicator)227 000  groter of gelijk aan 2004
Het aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van formele kinderopvang 111 003  groter of gelijk aan 2004

Bronnen:

Werkgeversbijdrage kinderopvang, Regioplan. De situatie op de peildatum 1 juli 2004;

Het aanbod van kinderopvang per eind 2004, Research voor Beleid 2005;

De klant in beeld, rapportage gebruikersonderzoek nulmeting, Vyvoj.

Kengetallen

• Tot 2005 lag het zwaartepunt van het overheidsbeleid op stimulering van het aanbod. Vanaf 2005 is het beleid vraaggericht. Het aanbod lag in 2003 en 2004 als volgt:

 20032004
Soort opvang (aantal plaatsen * 1000)  
Hele dagopvang114124
Buitenschoolse opvang6274
Gastouderopvang108
Totaal185207

Bron: Het aanbod van kinderopvang per eind 2004, Research voor Beleid, 2005

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet kinderopvang (Staatsblad 2004, nr. 455)

• Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang (Staatsblad 2004, 544)

• Regeling Wet kinderopvang (Staatscourant 6 oktober 2004, nr. 192, pag. 17)

• Tijdelijk besluit innovatieve kinderopvang (Staatsblad 2005, 204)

• Beleidsregels kwaliteit kinderopvang (Staatscourant 17 november 2004, nr. 222, pag. 18 en Staatscourant 26 april 2005, nr. 80, pag. 13)

• Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang (Staatscourant 17 november 2004, nr. 222, pag. 20 en Staatscourant 26 april 2005, nr. 80, pag. 13)

• Subsidieregeling kinderopvang (Staatscourant 28 april 2005, nr. 81, pag. 12 en Staatscourant 11 mei 2005, 89, pag. 21)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
BeleidsdoorlichtingenAlgemene Doelstelling20062006
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie regeling uitbreiding kinderopvang20052005

26 Overlegstructuren, collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en medezeggenschap

Het bevorderen van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen.

Omschrijving

Om een bijdrage te leveren aan evenwichtige arbeidsverhoudingen via zelfregulering door sociale partners op hun domein en via afstemming en coördinatie van overheidsbeleid en het beleid van sociale partners op sociaal en sociaal-economisch terrein

Bijdrage

SZW biedt diverse instrumenten en structuren ter ondersteuning van zelfregulering en coördinatie

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vormgeving en het onderhoud van het wettelijk instrumentarium

• het voeren van overleg met de centrale organisaties van werkgevers en werknemers (verenigd in de Stichting van de Arbeid) over actuele onderwerpen van gemeenschappelijk belang

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de mate waarin de sociale partners op de verschillende niveaus en andere betrokkenen belang hechten aan collectieve arbeidsvoorwaardenvorming, medezeggenschap, samenwerking en kwaliteit van overleg en waarin zij het aangeboden instrumentarium toepassen

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• sociale partners door middel van zelfregulering stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen tot stand brengen en in stand houden

• er sprake is van een verantwoorde ontwikkeling van collectief tussen sociale partners afgesproken arbeidsvoorwaarden

• de hoge mate van arbeidsrust wordt voortgezet

• door betrokkenheid van de werknemers de onderneming goed functioneert

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet Medezeggenschap werknemers (TK 2004/2005, 29 818, nr. 3)

• Voorjaarsrapportage CAO-afspraken 2005 (TK 2004/2005, 29 800 XV, nr. 86)

• Wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten (TK 2004/2005, 25 695, nr. 25).

• Brief aan TK naar aanleiding van het AO d.d. 6-4-2005 (TK 2004/2005, 25 695, nr. 32)

• Aanbiedingsbrief van minister SZW bij de definitieve versie van de kabinetsverklaring naar aanleiding van het Najaarsoverleg 2004 (TK 2004/2005, 29 800, nr.58)

• Uitkomsten Voorjaarsoverleg 2005 (TK 2004/2005, 29 800 XV, nr. 87)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 26.1: Begrotingsuitgaven artikel 26 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen2924 1404 131503503503503
Uitgaven2924 1014 177503503503503
        
Programmauitgaven292506699503503503503
Waarvan juridisch verplicht  50%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Voorlichting (WMW) 206353203203203203
Subsidies292300346300300300300
        
Apparaatsuitgaven 3 5953 4780000
Apparaatsuitgaven 3 5953 478    
        
Ontvangsten0000000

Voorlichting WMW

Het betreft hier voorlichting ter verbetering van de kwaliteit van medezeggenschap in het algemeen en in verband met de wetswijziging in het bijzonder. Het gaat hier om specifieke voorlichting over de WMW en om voorlichting over de nationale OR-verkiezingen.

Subsidies

Het gaat hier om de subsidieregeling «Kwaliteit arbeidsverhoudingen» (Staatscourant 14 december 2000, nr. 243, pagina 19).

Operationele doelstelling 1: Het bevorderen van zelfregulering door sociale partners.

Motivering

• Om het recht op collectief onderhandelen van sociale partners teneinde arbeidsvoorwaarden door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten te regelen, te waarborgen en te bevorderen

• Om het grondwettelijk recht op medezeggenschap door werknemers te regelen, te waarborgen en te bevorderen

Instrumenten

• Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO)

• Wet op het Algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (AVV)

• Wet op de loonvorming

• Wet op de bedrijfsorganisatie (WBO)

• Wet op de ondernemingsraden (WOR), te vervangen door de Wet Medezeggenschap Werknemers (WMW)

• Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR)

• Wet rol werknemers Europese vennootschap

Activiteiten

• Invoeren van de Wet Medezeggenschap Werknemers (WMW) ondersteunen door middel van het project «Kwaliteitsverbetering bevordering medezeggenschap», bestaande uit onder andere een voorlichtingscampagne en het ambassadeursnetwerk medezeggenschap

• Invoeren van de Wet werknemers Europese coöperatieve vennootschap en implementeren van andere Europese richtlijnen met betrekking tot de medezeggenschap van werknemers

• Uitbrengen kabinetsstandpunt met betrekking tot de toekomst van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, mede op basis van door product- en bedrijfschappen geformuleerde toekomstvisies

Doelgroepen

• Sociale partners en hun organisaties/instellingen

• Werknemers en werkgevers

• Ondernemingsraden en Europese ondernemingsraden

• (Hoofd)product- en (hoofd)bedrijfschappen en de SER

Indicatoren

• Aangezien de toepassing van het aangeboden instrumentarium niet onder de verantwoordelijkheid van de minister valt, maar bij sociale partners ligt, is het formuleren van indicatoren hier niet zinvol

Kengetallen

• De kengetallen geven informatie over de mate van het gebruik van het aangeboden instrumentarium door sociale partners

• Meting van de naleving medezeggenschap vindt om de drie jaar plaats. De eerstvolgende meting vindt in 2005 plaats. De uitkomsten zullen in 2006 worden gepubliceerd. Dit zal de laatste meting zijn in de WOR-periode (en in die zin functioneren als een nulmeting voor de WMW)

Collectieve arbeidsvoorwaardenvorming200420052006
Aantal bedrijfstak-CAO's195174 
Aantal direct gebonden werknemers4 650 0004 644 500 
Aantal door AVV gebonden werknemers686 000662 500 
Aantal ondernemings-CAO's564574 
Aantal gebonden werknemers716 000859 000 
Totaal aantal CAO's759748 
Totaal aantal werknemers onder CAO's6 0520006 166 000 
Naleving medezeggenschap200220052008
Percentage OR-plichtige ondernemingen met OR71%  

Bronnen: Voorjaarsrapportage CAO-afspraken

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet Medezeggenschap werknemers (TK 2004/2005, 29 818, nr. 3)

• Voorjaarsrapportage CAO-afspraken 2005 (TK 2004/2005, 29 800 XV, nr. 86)

• Wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten (TK 2004/2005, 25 695, nr. 25)

• Brief aan TK naar aanleiding van het AO d.d. 6-4-2005 (TK 2004/2005, 25 695, nr. 32)

• Uitkomsten Voorjaarsoverleg 2005 (TK 2004/2005, 29 800 XV, nr. 87)

Operationele doelstelling 2: Afstemmen en onderling coördineren van overheidsbeleid en het beleid van sociale partners.

Motivering

Om zoveel mogelijk draagvlak te verkrijgen voor het kabinetsbeleid op sociaal en sociaal-economisch terrein

Om een adequate overlegstructuur tussen het kabinet en sociale partners in stand te houden ten behoeve van onderlinge beleidsafstemming en coördinatie op sociaal en sociaal-economisch terrein

Instrumenten

• Voorjaars- en najaarsoverleg

Activiteiten

• Onderhouden van een adequate overlegstructuur

• Voeren van overleg met sociale partners in het bijzonder op centraal niveau, maar ook op decentraal niveau

Doelgroepen

• Sociale partners

Indicatoren

• Afstemming, coördinatie en onderhandelingen over telkens wisselende onderwerpen lenen zich niet goed voor het formuleren van indicatoren

Verwijzingen beleidsstukken

• Aanbiedingsbrief van minister SZW bij de definitieve versie van de kabinetsverklaring naar aanleiding van het Najaarsoverleg 2004 (TK 2004/2005, 29 800, nr. 58)

• Uitkomsten Voorjaarsoverleg 2005 (TK 2004/2005, 29 800 XV, nr. 87)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie naleving WOR/WMW20052006

27 Regulering van individuele arbeidsrelaties

Bescherming van werknemers binnen een arbeidsrelatie onder waarborging van voldoende flexibiliteit voor de werkgever.

Omschrijving

Om werknemers een basisniveau van bescherming te bieden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkelingen en voldoende ruimte biedt voor eigen verantwoordelijkheid van sociale partners.

Bijdrage

SZW zorgt voor de ontwikkeling en het onderhoud van beleid en regelgeving op het gebied van gelijke behandeling bij de arbeid, arbeidsrecht en arbeids- en rusttijden en voor het bevorderen van de naleving hiervan.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• een basisniveau aan arbeidsrechtelijke bescherming en ordening;

• het bevorderen van de naleving en toezicht op de naleving.

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• maatschappelijk draagvlak voor normen;

• mate waarin sociale partners hun eigen verantwoordelijkheid nemen voor zelfregulering;

• kunnen hanteren van voldoende effectieve handhavingsinstrumenten om naleving te bevorderen dan wel af te dwingen, hetzij door de overheid, hetzij door betrokken partijen.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• er op de arbeidsmarkt minder ongerechtvaardigde verschillen bestaan in de behandeling van werkzoekenden en werknemers;

• er een goede balans blijft bestaan tussen rechten en plichten voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, alsmede een adequaat stelsel van ontslagbescherming;

• de risico's voor de werknemer met betrekking tot veiligheid en gezondheid verminderd worden, voor zover deze verband houden met zijn arbeids- en rusttijden en er bij het opstellen van werkroosters in redelijkheid rekening gehouden wordt met zijn persoonlijke omstandigheden.

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief aan de Tweede Kamer over de integratiewet Awgb (TK 2004/2005, 29 311, nr. 8)

• Kabinetsstandpunt Vereenvoudiging Arbeidstijdenwet (TK 2003/2004, 29 379, nr. 1)

• Kabinetsstandpunt over WW en ontslagrecht (TK 2004/2005, 30 109, nr. 1)

• Brief aan EK en TK over evaluatie Flexwet (TK 2004/2005, 30 108, nr. 1)

• Brief minister aan TK reactie Stichting van de Arbeid inzake bescherming van klokkenluiders private sector (TK 2004/2005, 29 200 XV, nr. 9)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 27.1: Begrotingsuitgaven artikel 27 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen 2 8262 629338438438438
Uitgaven 2 8262 629338438438438
        
Programmauitgaven 538438338438438438
Waarvan juridisch verplicht  50%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Subsidies 538438338438438438
        
Apparaatsuitgaven 2 2882 1910000
Apparaatsuitgaven 2 2882 191    
        
Ontvangsten 1 8001 8001 8001 8001 8001 800

Subsidies

Het betreft subsidie aan het Expertisecentrum LEEFtijd. Met ingang van 2008 wordt de huidige subsidieconstructie (op basis van Jaarplannen) beëindigd en zal LEEFtijd overgaan op projectsubsidies.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen boeten-opbrengsten ATW (€ 1,8 miljoen per jaar) opgelegd door de Arbeidsinspectie.

Operationele doelstelling 1: Bevordering van gelijke kansen op (toegang tot) de arbeidsmarkt door bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling bij arbeid en beroep.

Motivering

Om werknemers en werkzoekenden bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling en te waarborgen dat een ieder gelijke kansen heeft op het terrein van de arbeid, hetgeen bijdraagt aan de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, allochtonen, ouderen en gehandicapten.

Instrumenten

• Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid

• Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen

• Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur

• Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers

• Commissie gelijke behandeling en de Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen

• Subsidie aan Expertisecentrum LEEFtijd

• Het ondersteunen van werkgevers met onder andere de Managementtool gelijke beloning en Leidraad aanstellingskeuringen

• Voorlichting en onderzoek

Activiteiten

• Integreren van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de Algemene wet gelijke behandeling

• Implementeren van de herziene tweede richtlijn (gelijke behandeling m/v) in nationale regelgeving

• Terugdringen van ongelijke beloning in strijd met de wet door voorlichting, onderzoek, instrumentontwikkeling en overleg met sociale partners.

• Bevorderen van een zorgvuldig werving- en selectiebeleid en het tegengaan van niet-functionele aanstellingskeuringen (door evaluatie van de WMK en het uitvoeren van de uitkomsten daarvan).

• Tegengaan van negatieve beeldvorming en discriminatie van etnische minderheden op de arbeidsmarkt (in het kader van en als vervolg op het Breed Initiatief Maatschappelijke Binding)

• Tegengaan van ongerechtvaardigd leeftijdsonderscheid door voorlichting, overleg met sociale partners, volgen van jurisprudentie, overleg en samenwerking met het Expertisecentrum LEEFtijd.

Doelgroepen

• CAO-partijen

• Individuele werkgevers en werknemers

• Intermediairs op de arbeidsmarkt

Indicatoren

• De gecorrigeerde beloningsverschillen1 fungeren als indicator voor de stand van beloningsdiscriminatie; de ongecorrigeerde beloningsverschillen fungeren als indicator voor de stand van de emancipatie. Het streven is erop gericht dat zowel de gecorrigeerde als de ongecorrigeerde beloningsverschillen afnemen.

• De cijfers voor 2004 zijn nog niet beschikbaar en daarom niet opgenomen in onderstaande tabel.

 Realisatie 2000Realisatie 2002Streven 2006
Gecorrigeerde beloningsverschillen   
Verschil man-vrouw bedrijfsleven (effectindicator)7%7%5%
Verschil man-vrouw overheid (effectindicator)3%3%2,5%
    
Ongecorrigeerde beloningsverschillen   
Verschil man-vrouw bedrijfsleven (effect-indicator)23%22%20%
Verschil man-vrouw overheid (effect-indicator)15%14%13%

Bron: SZW/ AI Rapportage Arbeidsinspectie Rapport «De arbeidsmarktpositie van werknemers in 2002».

Kengetallen

 2002200320042005
Commissie gelijke behandeling    
Aantal oordelen op terrein van de arbeid 127204 
–geslacht 58%37% 
–leeftijd 0%9% 
–handicap 0%8% 
–overig 42%46% 
Totaal 100%100% 
Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen    
Klachten71217 
Vragen9197139 
Totaal98109156 

Bron: gegevens Commissie gelijke behandeling en Jaarverslag 2004 Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen

Verwijzingen beleidsstukken

• Vierde voortgangsbrief gelijke beloning (TK 2004/2005, 27 099, nr. 11)

• Kabinetsreactie Onderzoek «Etnische minderheden op de arbeidsmarkt» (TK 2004/2005, 27 223, nr. 66)

• Routeplanner voor de discussie over wegnemen van belemmeringen voor doorwerken na 65 jaar (TK 2004/2005, 28 170, nr. 29)

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst.

Motivering

Om de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers te waarborgen zonder daarbij het belang van werkgevers voor het goed kunnen functioneren van de onderneming uit het oog te verliezen

Instrumenten

• Arbeidsovereenkomstenrecht

• Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945

• Wet melding collectief ontslag

• Ontslagbesluit

• Wet bescherming persoonsgegevens

• Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

• Besluit minimumjeugdloonregeling

• Beleidsregels Werktijdverkorting

• Monitor naleving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

Activiteiten

• Verdere uitwerking geven aan de beleidsvoornemens op het terrein van het ontslagrecht zoals verwoord in het kabinetsstandpunt WW en ontslag

• Inrichten van het ontslagstelsel nader bezien aan de hand van het advies van de SER over sociaal economische ontwikkeling op middellange termijn (MLT-advies SER).

• Vergunningverlening door CWI ex art. 6 BBA 1945 (ontslagvergunning)

• Vergunningverlening ex art. 8 BBA 1945 (ontheffing verbod op werktijdverkorting)

Doelgroepen

• Werkgevers en werknemers

Indicatoren

• De doelstelling van het beleid, het zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers, leent zich niet voor een kwantitatieve indicator (inclusief streefwaarden).

Kengetallen

 20032004
Ontslagen  
Aantal ontslagaanvragen CWI85 88190 253
Waarvan via collectieve aanvraag (percentages)14%15%
Aantal ontbindingsverzoeken rechtbanken78 49172011
Totaal aantal aanvragen en verzoeken164 372162 264
Aanvragen WTV (werktijdverkorting)  
Aantal aanvragen1 712347
Aantal toegewezen1 399185

Bron: CWI Ontslagstatistiek

Verwijzingen beleidsstukken

• Kabinetsstandpunt WW en Ontslag (TK 2004/2005, 30 109, nr. 1)

• Brief aan de Eerste en Tweede Kamer over evaluatie van de Flexwet (TK 2004/2005, 30 108, nr. 1)

• Brief aan Tweede Kamer over klokkenluiders (TK 2004/2005, 29 200 XV, nr. 9)

Operationele doelstelling 3: Zorgdragen voor een adequaat normstelsel voor arbeids- en rusttijden.

Motivering

• Om de veiligheid en gezondheid van de werknemer, voor zover verband houdend met zijn arbeids- en rusttijden, bescherming te bieden

• Om te bevorderen dat bij het opstellen van werkroosters in redelijkheid rekening gehouden wordt met de persoonlijke omstandigheden, en werkgevers en werknemers daarin een actieve rol spelen en hun eigen verantwoordelijkheid nemen.

Instrumenten

• Arbeidstijdenwet (ATW)

• Arbeidstijdenbesluit (ATB)

• Arbeidstijdenbesluit vervoer (ATB-v)

• Nadere Regeling Kinderarbeid

• Handhaving en toezicht

• Voorlichting

Activiteiten

• Implementeren wetsvoorstel Vereenvoudiging ATW

• Aanpassen van de regelgeving naar aanleiding van gesignaleerde knelpunten, waaronder uitspraken van het Europese Hof van Justitie (aanwezigheidsdiensten)

• Bijdragen aan totstandkomen en wijziging nieuwe internationale regelgeving (EU-richtlijn betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, ILO-verdragen)

• Controleren, handhaven en sanctioneren van wetgeving door de Arbeidsinspectie

Doelgroepen

• Werkgevers en werknemers

• Kinderen en jeugdigen, en vrouwen rond de bevalling

• Zelfstandigen (zzp'ers) in geval van veiligheidsrisico's voor derden

Indicatoren

• De doelstelling van het beleid om te komen tot een transparante regelgeving waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met zowel de bescherming van de werknemer als met de benodigde flexibiliteit voor de onderneming, leent zich niet voor een kwantitatieve indicator.

Kengetallen

 19982003
Percentage CAO's met bepalingen uit «cluster» arbeidstijd  
Met bepalingen over maximum arbeidstijd77%92%
Met bepalingen over nachtarbeid44%18%
met bepalingen over zondagsarbeid63%39%
% CAO's met tenminste één bepaling (arbeidstijd; specifiek+ algemeen)93%99%
uit «cluster» rusttijd  
Met bepalingen over wekelijkse en/of dagelijkse rust55%18%
Met bepalingen over pauzes58%27%
% CAO's met tenminste één bepaling (rusttijd; specifiek+ algemeen)75%72%
over de mogelijkheid nadere afspraken te maken met OR/pvt te maken  
uit cluster arbeidstijd18%48%
uit cluster rusttijd13%24%

Bron: De Arbeidstijdenwet in 2003, Ministerie van SZW, 2004

Verwijzingen beleidsstukken

• Kabinetsstandpunt Vereenvoudiging Arbeidstijdenwet (TK 2003/2004, 29 379, nr. 1)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie besluit aanstellingskeuringen20042005
 Evaluatie algemene wet gelijke behandeling (voortouw BZK)20052006
 Evaluatie wet medische keuringen (voortouw VWS)20052006
 Evaluatie wet flexibiliteit en zekerheid20062006
 Evaluatie klokkenluidersregelingen in ondernemingen 20052006

28 Pensioenbeleid

Bevorderen en beschermen van arbeidspensioenen.

Omschrijving

Om werkgevers en werknemers te stimuleren afspraken te maken over aanvullend pensioen en om een waarborg te scheppen dat een pensioentoezegging van de werkgever aan zijn werknemers na pensionering gestand wordt gedaan.

Bijdrage

SZW schept het wettelijk kader waarbinnen sociale partners aan de inhoud en de uitvoering van pensioenregelingen vorm geven.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• een adequaat wettelijk kader voor arbeidspensioenen;

• een op arbeidspensioenen toegesneden fiscaal kader, samen met de Minister van Financiën;

• de organisatie van het toezicht op de uitvoering van pensioenregelingen;

• het overleg met sociale partners over een betaalbaar en duurzaam pensioenstelsel dat rekening houdt met maatschappelijke ontwikkelingen en andere aspecten van sociaal-economisch beleid.

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• economische ontwikkelingen;

• arbeidsvoorwaardenonderhandelingen;

• langer doorwerken van ouderen;

• voldoende ruimte in EU-regelgeving voor handhaving van nationale kenmerken van het pensioenstelsel;

• een transparant beheer en bestuur van pensioenuitvoerders;

• een voldoende pensioenbewustzijn in de samenleving.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

• ouderen na pensionering over een adequate inkomensvoorziening beschikken.

Verwijzingen beleidsstukken

• Hoofdlijnen voor een nieuwe Pensioenwet (TK 2002/03, 28 294, nrs. 1 en 2).

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 28.1: Begrotingsuitgaven artikel 28 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen 1 0631 4830000
Uitgaven 1 0631 4830000
        
Programmauitgaven 000000
Waarvan juridisch verplicht  
        
Apparaatsuitgaven 1 0631 4830000
Apparaatsuitgaven 1 0631 483    
        
Ontvangsten 000000

Er worden geen programmauitgaven op dit beleidsartikel begroot, alleen toegerekende apparaatskosten

Operationele doelstelling 1: Vergroten van het bereik van aanvullende pensioenen.

Motivering

Om zoveel mogelijk werknemers in de gelegenheid te stellen een aanvulling op de AOW te verkrijgen om na pensionering hun levenstandaard zo goed mogelijk te kunnen handhaven

Instrumenten

• Pensioen- en Spaarfondsenwet/Pensioenwet

• Wet Beroepspensioenregelingen

• Wet verplichtstelling bedrijfstakpensioenfondsen 2000

• Fiscale regelingen voor pensioenen

Activiteiten

• Voorlichten via de Pensioenkijker

• Stimuleren van sociale partners tot een breder bereik van pensioentoezeggingen aan werknemers, onder andere door verlagen van intredeleeftijd

• Bevorderen van gelijke behandeling in al zijn facetten in pensioenregelingen (geen onrechtmatig onderscheid naar geslacht en leeftijd)

Doelgroepen

• Werknemers

• Werkgevers

• Pensioenfondsbesturen

Indicatoren

Streven is halvering van het in 1996 gemeten percentage van 7.

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Percentage werknemers tussen 25 en 65 jaar dat uitgesloten wordt van een pensioenregeling van de werkgever (effectindicator)3,5%

Kengetallen

Toetredingsleeftijd bij pensioenregelingen199820012004
Aandeel actieve deelnemers (%)   
< 25 jaar49%69%77%
>=25 jaar51%31%19%
Onbekend4%

Bron: bewerking SZW op basis van DNB, Pensioenmonitor 1998–2004

Verwijzingen beleidsstukken

• Nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (Wet verplichte beroepspensioenregeling) (TK 2003/04, 29 481);

• Hoofdlijnen voor een nieuwe Pensioenwet (TK 2002/03, 28 294, nrs. 1 en 2);

Operationele doelstelling 2: Verbeteren van de houdbaarheid van het stelsel van aanvullende pensioenen.

Motivering

Om er voor te zorgen dat pensioentoezeggingen ook daadwerkelijk tot pensioenuitkeringen komen.

Instrumenten

• Pensioen- en Spaarfondsenwet; te vervangen door de Pensioenwet met daarin verankerd het Financieel toetsingskader pensioenen

• Toezicht op de uitvoering van pensioenregelingen door De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten

Activiteiten

• Opstellen van Invoeringswet en nadere regelgeving in verband met invoering Pensioenwet

• Overleggen met Stichting van de Arbeid over een code voor pension fund governance

• Overleggen met pensioenuitvoerders over verbeteringen in de praktijk van de uitvoering van pensioenregelingen

Doelgroepen

• Sociale partners

• Gepensioneerden

• Pensioenuitvoerders

Indicatoren

• De primaire verantwoordelijkheid ligt bij sociale partners. Bovendien is er sprake van een groot aantal (macro-economische) afhankelijkheden. Daarom kon vooralsnog geen indicator voor de operationele definitie worden geformuleerd. Aan de hand van het toezichtkader en de daarmee samenhangende handhavingsinstrumenten wordt het beoogde maatschappelijk effect nagestreefd.

Kengetallen

• Het type pensioenregeling als kengetal voor de wijze waarop aan de pensioentoezegging invulling wordt gegeven (zie tabel 28.3). In de grote verandering in percentages voor eindloon en middelloon komt de aanpassing van pensioenregelingen om de door de beurscrisis verslechterde financiële situatie van pensioenuitvoerders te verbeteren tot uitdrukking.

Type regeling bij pensioenregelingen199820032004
Aandeel actieve deelnemers (%)   
Eindloon67%52%12%
Middelloon25%36%74%
Beschikbare premie0%3%2%
Overig8%9%11%

Bron: bewerking SZW op basis van DNB, Pensioenmonitor 1998–2004

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief staatssecretaris SZW bij aanbieding nota over hoofdlijnen voor regeling financiële toezicht op pensioenfondsen in de Pensioenwet (TK 2003/04, 28 294, nr. 4H);

• Brief minister SZW met de definitieve versie van de Uitwerkingnota en de aanbiedingsbrief aan de sociale partners (TK 2003/04, 28 294, nr. 11);

• Brief minister over de kerntaken van pensioenfondsen, alsmede zelfregulering (TK 2003/04, 28 294, nr. 8);

• Brief minister ter aanbieding van het rapport «Pension fund Governance» en de vervolgnotitie over het financieel toetsingskader (TK 2003/04, 28 294, nr. 9);

• Brief minister over uitkomst overleg Ministerie SZW, De Nederlandsche Bank en de Stichting van de Arbeid over nota financiële toezicht op pensioenfondsen (FTK-matrixnota) (TK 2003/04, 28 294, nr. 16).

• Wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10) (TK 2004/05, 30 104, nr. 3).

Operationele doelstelling 3: Verbeteren van de betrokkenheid van deelnemers bij hun pensioenvoorziening.

Motivering

Om deelnemers te stimuleren kennis te nemen van hun pensioenregelingen en hun verantwoordelijkheid voor aanvullend pensioen te nemen

Instrumenten

• Voorlichting, vooral door tussenkomst van de Pensioenkijker

• Overleg met sociale partners, gepensioneerden en pensioenuitvoerders over pension fund governance

• Het wettelijke kader in de Pensioenwet voor voorlichting en medezeggenschap

Activiteiten

• (Mede)Financieren van een project van het Coördinatieorgaan samenwerkende ouderenorganisaties (CSO) gericht op kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap door gepensioneerden;

• Bevorderen van een infrastructuur voor medezeggenschap bij de uitvoering van pensioenregelingen.

Doelgroepen

• Deelnemers en gepensioneerden in pensioenregelingen

• Bevolking in de leeftijd van 18 tot 65 jaar met in het bijzonder aandacht voor vrouwen, jongeren en allochtonen

Indicatoren

 Streven 2005Streven 2006Streven 2007Streven 2008
Percentage pensioenfondsen met meer dan 250 deelnemers met een (evenredige) vertegenwoordiging van gepensioneerden in bestuur/deelnemersraad (effectindicator)65% 90% 

Bron: evaluatieonderzoek convenant CSO-STAR

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief staatssecretaris SZW over medezeggenschap deelnemers rechtstreeks verzekerde regelingen (TK 2003/04, 28 294, nr. 7);

• Kabinetsstandpunt over het initiatief wetsvoorstel van het lid Giskes (nu overgenomen door het lid Bakker) tot wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (bestuursstructuur pensioenfondsen) (TK 2004/05, 28 294, nr. 10).

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie vrijstellingsbesluit wet Bpf20052006
 Evaluatie wet verevening pensioenrechten bij scheiding (samen met Justitie)20062006

29 Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim

Bevorderen van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en goede ARBO-zorg.

Omschrijving

Om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te beperken

Om bij te dragen aan arbeidsproductiviteit en groei van ondernemingen

Om incidenten met een maatschappelijk ontwrichtend karakter te voorkomen

Bijdrage

SZW activeert zelfwerkzaamheid en stuurt op ernstige risico's met stimuleringsbeleid, vraaggestuurde informatie en in regelgeving en handhaving

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• het bevorderen van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en goede ARBO-zorg

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de mate waarin werkgevers en werknemers hun verantwoordelijkheid nemen

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• Het beroep op sociale verzekeringen zoals de WIA wordt verminderd (zie artikel 31)

• Efficiënter en effectiever arbobeleid in bedrijven wordt gevoerd

Verwijzingen beleidsstukken

SER-adviesaanvraag evaluatie Arbowet 1998 (TK 2004–2005, 25 883 nr. 33)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 29.1: Begrotingsuitgaven artikel 29 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen45 830100 43792 42832 37222 77821 17721 177
Uitgaven44 023100 70092 42834 45223 91421 17721 177
        
Programmauitgaven44 02352 81545 54934 45223 91421 17721 177
Waarvan juridisch verplicht  45%30%5%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Handhaving388602     
Primair proces2 9343 6222 6572 6572 2572 2572 257
Subsidies5 11413 36212 40312 54914 09412 94912 949
Onderzoek1 8372 1741 328908908908908
Operationele doelstelling 2       
Arboconvenanten23 26621 90521 57514 0912 443684684
Primair proces531400     
Subsidies8 3639 6807 5864 2474 2124 3794 379
Voorlichting505682     
Onderzoek1 085388     
        
Apparaatsuitgaven 47 88546 8790000
Apparaatsuitgaven 44 88546 879    
        
Ontvangsten6 7985 0845 0845 0845 0845 0845 084

Subsidies OD 1: De uitgaven zijn met name toe te schrijven aan de programma's VAV en VASt en aan de subsidieregelingen SPA en FARBO.

Arboconvenanten: De uitgaven nemen af door afronding van de convenanten uiterlijk in 2007.

Subsidies OD 2: Hier worden uitgaven geraamd voor verzuimbeleid (onder andere Commissie het werkend perspectief) en het project sociale zekerheid en zorg.

Ontvangsten: Deze houden verband met de handhaving door de Arbeidsinspectie van de regelgeving op arboterrein.

Operationele doelstelling 1: Beperken van de arbeidsrisico's waaraan werknemers zijn blootgesteld.

Motivering

Om uitval te voorkomen ten gevolge van de arbeid

Instrumenten

• Subsidieverlening/-regeling

• Wet- en regelgeving

• Sectorale afspraken

Activiteiten

• Stimuleren risicogestuurd beleid op basis van ernstige risico's

• Ondersteunen bedrijven bij het voorkomen van arbeidsongevallen via het Programma Versterking Arbeidsveiligheid (VAV)

• Stimuleren van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf om via het Programma Versterking Arbeidsomstandighedenbeleid Stoffen (VASt) de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen te beheersen

• Stimuleren ontwikkeling nieuwe of sterk verbeterde arbeidsmiddelen (SPA)

• Stimulering van aanschaf en gebruik van innovatieve arbovriendelijke bedrijfsmiddelen (FARBO)

• Handhaven van regels op arboterrein door inspecties en het openbaar maken van inspectieresultaten

Doelgroepen

• Werkgevers en werknemers

Indicatoren *

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006
Percentage werknemers blootgesteld aan schadelijk geluid (effectindicator)5%2,3%
Percentage werknemers dat regelmatig kracht moet zetten (effectindicator)23%15,4%
Aantal afspraken met branches; versterking arbeidsveiligheid (prestatieindicator)61220
Percentage door AI bezochte bedrijven waar wordt gehandhaafd (prestatieindicator)50%58%55%

Bron: CBS (EBB, module arbeidsomstandigheden, zoals door SZW bewerkt); SZW; Rapportage Arbeidsinspectie

* In het licht van de het in 2005 uitgebrachte SER advies over de Arboregelgeving zullen alle in deze paragraaf genoemde indicatoren in 2006 worden heroverwogen.

Kengetallen

 200120022003
Aantal verzuimongevallen95 000103 00093 000
Aantal doden door arbeidsongevallen11591104
Ongevallen met letsel en verzuim (aantal per 100.000 werknemers)1 2001 3001 200

Bron: Monitor arbeidsongevallen in Nederland 2002, TNO rapport

Farbo-producten met (gedeeltelijk) positief advies van de Arbeidsinspectie200420052006
Fiscale regeling11 600  
Subsidieregeling 20002000

Bron: Rapportage Arbeidsinspectie (fiscale regeling)

SZW (subsidieregeling)

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief over evaluatie Farboregeling (TK 2004–2005, 25 883 nr. 31)

• Brief over het programma Versterking Arbeidsveiligheid en het programma Versterking Arbeidsomstandighedenbeleid Stoffen (VASt) (TK 2003–2004, 25 883 nr. 30)

• Monitor Arbeidsongevallen in Nederland 2002, TNO rapport (tabel 17, p.25)

Operationele doelstelling 2: Beperken ziekteverzuim en instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen ten gevolge van arbeid

Motivering

Om mensen aan het werk te houden door het stimuleren en ondersteunen van beleid ter voorkoming van ziekte en uitval ten gevolge van arbeid

Instrumenten

• Subsidieverlening

• Wet- en regelgeving

• Voorlichting

• Sectorale afspraken

Activiteiten

• Toegankelijk en toepasbaar maken van de kennis over de Risico-inventarisatie en evaluatie (ri&e)

• Faciliteren van voortgaande digitalisering van branchespecifieke ri&e's die via internet vrij toegankelijk zijn

• Ontwikkelen van ARBO-informatiepakketten voor het MKB

• Begeleiden uitvoering en afronding van met sociale partners afgesloten arboconvenanten, over beperking van blootstelling aan belangrijke arbeidsrisico's en bevordering van vroege reïntegratie.

• Stimuleren van aanpassingen van werkplek of werkomgeving ten behoeve van werk voor arbeidsgehandicapten.

Doelgroepen

• Werkgevers en werknemers

Indicatoren

De indicator aandeel werkzame arbeidsgehandicapten wordt in 2006 heroverwogen

 RealisatieStreven 2005Streven 2006Streven 2010
RI&E's beschikbaar bij bedrijven (effectindicator)86% (2003)192%94%98 %
Aandeel werkzame arbeidsgehandicapten dat nog aanpassingen in het werk noodzakelijk acht (effectindicator)16% (2004)15%

Bron: CBS (EBB, module arbeidsgehandicapten); Rapportage Arbeidsinspectie

1 Realisaties 2004 nog niet vergelijkbaar.

Verwijzingen beleidsstukken

• Jaarrapportage Arboconvenanten 2004 (TK 2004–2005, 25 883 nr. 41)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie wet verbetering poortwachter20052005

30 Inkomensbescherming met activering

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen de financiële risico's bij inkomensverlies.

Omschrijving

Om personen te beschermen tegen de financiële risico's bij inkomensverlies en hen in beginsel een inspanningsverplichting om betaalde arbeid te verkrijgen op te leggen.

Bijdrage

SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van de uitkeringen en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van uitkeringen door gemeenten en UWV. Zij verstrekt hiertoe financiële middelen.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• een adequate bescherming van personen tegen inkomensverlies;

• de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel;

• een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de sociale verzekeringen door het UWV en voor het toezicht daarop;

• het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de bijstandsregelingen door gemeenten;

• de bepaling van de hoogte van het sociaal minimum/algemene bijstandsniveaus;

• de vaststelling van het niveau van de individuele uitkeringen van de sociale verzekeringen;

• de coördinatie van het rijksbeleid op het terrein «sociale insluiting».

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving;

• een effectieve uitvoering van de wetten door gemeenten en het UWV;

• de hoogte van het nalevingsniveau van wet- en regelgeving door de gerechtigden.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• in beginsel in inkomensbescherming tot op ten minste het sociaal minimum wordt voorzien;

• personen er weer in slagen zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien;

• er zodoende invulling wordt gegeven aan de grondwettelijke taak van de overheid te zorgen voor de «bestaanszekerheid der bevolking».

Verwijzingen beleidsstukken

• Nieuwe accenten op het terrein van werk en inkomen (TK 2004–2005, 29 804 nr.1)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 30.1: Begrotingsuitgaven artikel 30 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen10 145 3865 134 7154 828 1884 632 3714 689 7454 734 2454 810 347
Uitgaven5 175 9425 012 6004 765 4044 686 4794 704 8124 734 2454 810 347
        
Programmauitgaven5 175 9425 008 7334 758 4574 686 4794 704 8124 734 2454 810 347
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
WWB4 616 1464 564 5704 338 1114 245 3064 232 3344 237 7194 273 558
IOAW191 023199 446214 313237 045264 300283 408318 712
IOAZ36 72834 37842 93850 95858 11864 79870 528
Bijstandzelfstandigen63 75373 07166 63466 56366 55366 55366 553
Bijstandbuitenland2 3492 6002 6002 6002 6002 6002 600
Overig185 41927 6019 2069 90411 83512 56512 565
Handhaving13 85623 51814 78017 83318 13318 13318 133
Subsidies119114     
Voorlichting251110     
Operationele doelstelling 3       
WWIK uitkeringslasten53 90751 45539 39439 39739 40039 40039 410
WWIK uitvoeringskosten5 4564 7934 7514 7514 7514 7514 751
Operationele doelstelling 4       
BIA uitkeringslasten6 2306 0485 6185 2924 6403 8723 410
BIA uitvoeringskosten705220200170189143127
Operationele doelstelling 5       
TRI uitkeringslasten 17 00018 5006 1501 350100 
TRI uitvoeringskosten 3 8091 412501609203 
        
Apparaatsuitgaven 3 8676 9470000
Apparaatsuitgaven 3 8676 947    
        
Ontvangsten44 23127 69700000

WWB

Dit betreft het inkomensdeel van de Wet Werk en Bijstand (WWB), inclusief de middelen voor de langdurigheidstoeslag. Het WWB Werkdeel is begroot op beleidsartikel 23 Reïntegratie. Een vergoeding voor de uitvoeringskosten ontvangen gemeenten via de algemene uitkering uit het gemeentefonds.

IOAW/IOAZ/Bijstand zelfstandigen

Dit betreffen optellingen per regeling van het budgetdeel (25%) en het declaratiedeel (75%). Een vergoeding voor de uitvoeringskosten ontvangen gemeenten via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De stijging van de uitgaven voor de IOAW en IOAZ worden veroorzaakt door de afschaf van de vervolguitkering WW en de WAZ.

Het budget 2005 voor bijstand zelfstandigen is als gevolg van een ramingsbijstelling op grond van conjucturele ontwikkelingen van € 8 miljoen tot € 14 miljoen.

Handhaving

Uit dit budget worden onder meer de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau voor gemeenten gefinancierd.

WWIK

Dit betreffen de uitkeringslasten en uitvoeringskosten van de WWIK die voor 100% door 20 uitvoerende centrumgemeenten en «Kunstenaars & Co» worden gedeclareerd.

BIA

Dit betreffen de uitgaven voor deze tijdelijke overgangsregeling op grond waarvan naar verwachting ultimo 2016 het uitkeringsrecht vervalt.

TRI

Deze regeling is in het leven geroepen om de inkomensgevolgen tengevolge van de herbeoordelingen in het kader van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen te beperken. De verwachting is dat het recht op deze regeling per 2009 komt te vervallen.

Tabel 30.2: Premie uitgaven artikel 30 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Uitgaven5 137 7825 672 3415 016 6944 563 4034 474 5614 281 5994 109 372
        
Programmauitgaven5 137 7825 672 3415 016 6944 563 4034 474 5614 281 5994 109 372
Waarvan juridisch verplicht  97%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 2       
WWuitkeringslasten4 463 7824 991 0554 456 7774 049 4883 905 4043 666 5493 463 221
WWuitvoeringskosten674 000681 286491 860378 538364 032350 364327 521
Nominaal  68 057135 377205 125264 686318 630
        
Ontvangsten528 553547 972642 241667 804667 005671 433669 637

WW uitkeringslasten

Met ingang van 2006 zetten de uitkeringslasten WW een dalende lijn in. Deze daling wordt enerzijds veroorzaakt door een verbeterde conjunctuur en anderzijds door in het recente verleden ingevoerde beleidsmaatregelen.

WW uitvoeringskosten

Als gevolg van het dalende WW-volume, vertonen de uitvoeringskosten eveneens een dalende lijn. Ook de efficiency-afspraken uit SUWI dragen nog steeds aan deze daling bij.

Een deel van de uitkeringslasten en uitvoeringskosten WW is te relateren aan reïntegratie-activiteiten die onder artikel 23 worden verantwoord. Op dit moment is het echter niet mogelijk om deze uitkeringslasten en uitvoeringskosten uit te splitsen naar de begrotingsartikelen 23 en 30. Met ingang van de begroting 2007 is deze uitsplitsing wel te maken en worden deze middelen overgeheveld van artikel 30 naar artikel 23.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud.

Motivering

Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociale minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk weer zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien.

Instrumenten

• Het inkomensdeel van de WWB (v.w.b. het reïntegratiebudget wordt verwezen naar art. 23);

• Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

• Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

• Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz);

• Inlichtingenbureau gemeenten;

• Subsidies (o.a. ter bevordering van beleidsinnovatie).

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• onderhouden van de wet- en regelgeving;

• ramen macrobudget WWB inkomensdeel en onderhouden verdelingssystematiek;

• toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

• opstellen nationaal actieplan «sociale insluiting» 2006;

• uitvoeren SZW-actiepunten uit plan van aanpak schuldhulpverlening.

Activiteiten gemeenten:

• beoordelen van recht op een uitkering;

• verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

• Mensen tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 32)

• Mensen met een langdurig minimuminkomen en/ of grote afstand tot de arbeidsmarkt.

Indicatoren

In samenhang met de in artikel 23 opgenomen doelstelling om in 2007 25% meer uitstroom uit reïntegratietrajecten naar regulier werk te hebben verwacht de regering dat de WWB leidt tot een bijstandslastenreductie van 5% in 2006, rekening houdende met de conjunctuur en effecten van Rijksbeleid. In het kader van de evaluatie WWB is voor dit laatste een analyse voorzien.

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Bijstandslastenreductie WWB (effectindicator)  5%1 

1 Ten opzichte van situatie zonder WWB.

Kengetallen

 200420052006
Volume ontwikkelingen   
Volume WWB thuiswonenden, periodiek <65 (x 1 000)1337340348
Volume WWB thuiswonenden, periodiek ≥ 65 (x 1 000)1232527
Volume IOAW (x 1 000)1141716
Volume IOAZ (x 1 000)1233
Volume Bijstandbuitenland (x 1 000)2111
Volume Bbz (x 1 000)122
Handhaving   
Bekendheid met regels354%  
Aantal fraudeonderzoeken456 340  
Totaal fraudebedrag (€ mln)4114  
% afdoening476%  
Incassoratio415%  
Nalevingsniveau van de opgaven van inkomsten371% (64%-77%) 5 

Bronnen:

1 CBS bijstanduitkeringenstatistiek

2 SZW-administratie

3 SZW POROSZ

4 CBS fraude- en debiteurenstatistiek

5 Betrouwbaarheidsinterval

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet Werk en Bijstand (Staatsblad 2003, 375)

• Plan van aanpak evaluatie WWB 2004–2007 nader uitgewerkt (TK 2004–2005, 29 674 nr.6)

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat een tijdelijke en activerende inkomensvoorziening wordt verstrekt aan werknemers die werkloos zijn geworden.

Motivering

Om werknemers tijdelijk te beschermen tegen het risico van loonderving als gevolg van werkloosheid. Om werknemers te activeren tot werkhervatting.

Instrumenten

• Werkloosheidswet (WW);

• Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV.

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

• onderhouden van de wet- en regelgeving. In dit kader is voor 2006 onder meer het voorbereiden van wijziging van de WW, het aanpassen van het ontslagrecht (beide in overeenstemming met het kabinetsstandpunt over het SER-advies) en de invoering van premiedifferentiatie in de wachtgeldfondsen van belang.

Activiteiten van UWV:

• beoordelen van recht op een uitkering;

• verstrekken van uitkeringen;

• verbeteren van de kwaliteit van de controle op naleving van de arbeidsverplichtingen.

Doelgroepen

• Werknemers (incl. personen die met werknemers worden gelijkgesteld);

• Werkgevers.

Indicatoren

• Het kabinet heeft in en buiten de WW maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen en hun beroep op de WW te beperken. Het kabinet wil de instroom van oudere werknemers in de WW terugdringen en de gemiddelde uitkeringsduur van alle WW-gerechtigden, maar met name van ouderen bekorten. De eerste twee indicatoren bieden inzicht in de uitwerking van het kabinetsbeleid op werknemers in de leeftijdscategorie 57½ jaar en ouder afgezet tegen respectievelijk de leeftijdscategorie 55–57½ jaar en het gemiddelde voor de totale WW-populatie.

• Het beoogd maatschappelijk effect van handhaving is de naleving van de wet- en regelgeving. Naleving kan inzichtelijk worden gemaakt door nakoming van de belangrijkste verplichtingen, die aan het verkrijgen van een uitkering zijn verbonden, te meten (effectindicatoren). Om aan te geven dat frauderen niet ongestraft blijft, worden ook het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening als kengetal in beeld gebracht. Dat geldt ook voor de mate waarin kennis van regelgeving aanwezig is, omdat dit van invloed is op de mate waarin de uitkeringsgerechtigden zich aan de wet houden.

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2007
Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 57½ jaar en ouder t.o.v. de leeftijdscategorie 55–57½ jaar (effectindicator)11,021–1,051–1,051–1,05
Duur WW-uitkering in maanden (effectindicator):1    
– totale WW-populatie1010109
– leeftijdscategorie 57½ jaar en ouder31302928
Nalevingsniveau van verplichtingen om (weer) werk te vinden (effectindicator)266%(60%-71%)66%> 66%> 66%
Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid (effectindicator)275%(68%-81%)75%> 75%> 75%

Bron:

1 UWV jaarverslag

2 SZW POROSZ

Kengetallen

 200420052006
Volume ontslagwerkloosheid met aanvullend beleid (x 1 000 uitkeringsjaren)1266290253
Aantal nieuwe uitkeringen (x 1 000)2426453445
Aantal beëindigde uitkeringen (x 1 000)2384430452
Handhaving   
Bekendheid met regels354%  
Aantal signalen (alle wetten)434 498  
Totaal fraudebedrag (x € mln)49,2  
% afdoening495%  

Bronnen:

1 SZW-administratie

2 UWV juni nota 2005

3 SZW POROSZ

4 UWV jaarverslag

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet van 6 november 1986 (Stb. 1986, nr. 566)

• Brief aan TK n.a.v. IWI-rapport «Toetsen van sollicitatieactiviteiten in het kader van de WW» (TK 2004–2005, 26 448, nr. 199)

• Brief aan TK inzake invoering premiegroepen in wachtgeldfondsen (TK 2004–2005, 26 448, nr. 179)

• Werkloosheidswet en ontslagrecht; Kabinetsstandpunt (TK 2004–2005, 30 109 nr.1)

Operationele doelstelling 3: Verstrekken van een tijdelijke financiële ondersteuning aan kunstenaars.

Motivering

Om kunstenaars in de gelegenheid te stellen een renderende beroepspraktijk op te bouwen, al dan niet in combinatie met inkomsten buiten de kunst.

Instrumenten

• Wet werk en inkomen kunstenaars(WWIK);

• Reïntegratiebudget WWB (art. 23).

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• onderhouden van de wet- en regelgeving;

• toezien op een rechtmatige wetsuitvoering.

Activiteiten centrumgemeenten:

• beoordelen van recht op een uitkering;

• verstrekken van uitkeringen aan kunstenaars.

Doelgroepen

• Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

• Academieverlaters kunstvakopleidingen.

Indicatoren

De WWIK stelt beroepsmatige kunstenaars in de gelegenheid te werken aan de opbouw van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar.

Daarom zijn er geen verplichtingen voor de kunstenaar en gemeenten gericht op inschakeling op de arbeidsmarkt. De WWIK kent geen uitstroomdoelstelling, wel is de uitkeringsduur gebonden aan een maximum van 4 jaar, waarbij een progressieve inkomens-eis van kracht is. Met het oog op de doelstelling van de WWIK zijn voor deze regeling geen specifieke indicatoren geformuleerd.

Kengetallen

Een indicatie voor de doeltreffendheid van de WWIK wordt gegeven door het aandeel van de uitstroom uit de WWIK dat niet binnen een halfjaar een beroep doet op een uitkering op grond van de WWB.

 200420052006
Het uitstroomaandeel WWIK dat gedurende een half jaar zelfstandig kan voorzien in het levensonderhoud*)Toename t.o.v. 2004 
Aantal personen Wwik per 31–123 4363 0003 000

Bron: SZW-administratie

* Vanwege het medio 2005 nog ontbreken van instroomcijfers in de WWB over vierde kwartaal 2004 is het niet mogelijk om cijfer voor uitstroom uit de WWIK voor 2004 te berekenen. In het jaarverslag over 2005 zal het desbetreffende cijfer voor geheel 2004 worden gepresenteerd.

Verwijzingen beleidsstukken

• Wwik (Staatsblad 2004 nr. 717)

Operationele doelstelling 4: Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan oudere herkeurde arbeidsongeschikten.

Motivering

Om oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren, een inkomen op minimumniveau te bieden en ze te motiveren (zo snel mogelijk) te gaan werken.

Instrumenten

• De tijdelijke Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA);

• Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

• onderhouden van de wet- en regelgeving.

Activiteiten UWV:

• beoordelen van recht op een uitkering;

• verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

• Personen die op 1 augustus 1993 reeds recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren (na afloop van WW-periode);

• Personen die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen (na afloop van WW-periode).

Indicatoren

• Geen indicator geformuleerd. De BIA is een overgangsregeling voor een steeds kleiner wordende groep uitkeringsgerechtigden. Ultimo 2006 zal het uitkeringsrecht op grond van de BIA vervallen.

Kengetallen

 200420052006
Aantal uitkeringsjaren BIA850779722
Gemiddelde uitkering BIA (*€ 1)7 3297 7647 781

Bron: SZW-administratie

Verwijzingen beleidsstukken

• Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (Staatsblad 1996, nr. 93)

Operationele doelstelling 5: Zorgdragen dat een tijdelijke tegemoetkoming wordt verstrekt aan bepaalde arbeidsongeschikten die herbeoordeeld zijn in de zg. herbeoordelingsoperatie.

Motivering

Om te voorkomen dat herbeoordeelde arbeidsongeschikten die een lagere uitkering of geen uitkering meer ontvangen, en die nog niet (meer) werk hebben gevonden in financiële problemen komen, ontvangen zij als zij geen WW krijgen, een tijdelijke tegemoetkoming.

Instrumenten

• De Tijdelijke Regeling Inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI);

• Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

• onderhouden van de wet- en regelgeving.

Activiteiten UWV:

• beoordelen van recht op een uitkering;

• verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

• Herbeoordeelde arbeidsongeschikten, die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage hebben gekregen, die niet meer zijn gaan werken en die geen recht op WW hebben.

Indicatoren en kengetallen

• Gezien de geringe aantallen gerechtigden, het geringe uitkeringsbedrag en de korte looptijd van de regeling (de herbeoordelingsoperatie duurt ca. 2,5 jaar) zijn geen indicatoren en kengetallen geformuleerd.

Verwijzingen beleidsstukken

• Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Staatscourant 2004, nr. 242, pag 30)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Nulmeting aantal huishoudens met schulden20052005
 Inventarisatie stand van zaken WWB20042005
 Gemeentelijke verordeningen onder de WWB20052005
 Nulmeting uitstroom kunstenaars20042005

31 Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen de financiële risico's bij arbeidsongeschiktheid.

Omschrijving

Het wettelijk stelsel beschermt werknemers, personen die met werknemers worden gelijkgesteld en jonggehandicapten tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Bijdrage

SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van de uitkeringen en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van uitkeringen door het UWV.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vaststelling van het niveau van de uitkering

• de vormgeving van het wettelijk stelsel

• een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering door het UWV en voor het toezicht daarop

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de effectieve uitvoering van de wetten door het UWV

• de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving

• de hoogte van het nalevingsniveau van wet- en regelgeving door de gerechtigden

• invoering van de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen, bestaande uit de IVA- en de WGA-regelingen, per 29 december 2005

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• werknemers en jonggehandicapten adequaat worden beschermd tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid

• gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers worden gestimuleerd om arbeid te verrichten

• werkgevers worden gestimuleerd om gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers in dienst te houden of te nemen

• de instroom van volledige en duurzaam arbeidsongeschikten vanaf 2007 wordt beperkt tot maximaal 25 000 per jaar (als effectindicator opgenomen onder de operationele doelstelling 1)

Verwijzingen beleidsstukken

• MvT Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (TK 2004–2005, 30 034, nr. 3).

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 31.1: Begrotingsuitgaven artikel 31 (x € 1 000):
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen1 729 2431 696 6671 717 8391 746 6861 782 8971 822 6981 847 278
Uitgaven1 729 2431 696 6671 717 8391 746 6861 782 8971 822 6981 847 278
        
Programmauitgaven1 729 2431 695 2471 713 6851 746 6861 782 8971 822 6981 847 278
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 2       
Wajonguitkeringslasten1 679 0481 641 3191 666 4391 702 6011 738 7781 778 2231 802 616
Wajonguitvoeringskosten50 19553 92847 24644 08544 11944 47544 662
        
Apparaatsuitgaven 1 4204 1540000
Apparaatsuitgaven 1 4204 154    
        
Ontvangsten045100000

Wajong

De uitkeringslasten Wajong laten een stijgend patroon zien (zie voor een toelichting over de geleidelijke stijging van het aantal Wajong uitkeringen de toelichting bij operationele doelstelling 2).

De daling van de uitvoeringskosten in 2006 en latere jaren hangt samen met de uit SUWI-voortvloeiende efficiency-afspraken, waardoor vanaf 2006 ten opzichte van 2002 25% op de reguliere uitvoeringskosten wordt bespaard.

De zorgtoeslag in het nieuwe zorgstelsel (vanaf 2006) biedt onvoldoende compensatie voor Wajongers in de leeftijd van 18 tot 23 jaar. De tegemoetkoming om deze groep te compenseren kost € 4,2 miljoen in 2006. De hier opgenomen raming bevat zowel de reguliere uitkeringslasten Wajong als de lasten van deze tegemoetkoming.

Tabel 31.2: Premie-uitgaven artikel 31 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Totaal uitgaven11 933 94111 505 80910 859 40310 651 17910 583 01010 569 85410 646 686
        
Programmauitgaven11 933 94111 505 80910 859 40310 651 17910 583 01010 569 85410 646 686
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
WAOuitkeringslasten9 601 4669 127 8568 148 0317 342 7776 675 0246 106 6955 628 983
WAOuitvoeringskosten777 000872 704713 465540 469451 527391 131338 306
IVA uitkeringslasten  115 857409 908706 5671 003 6031 302 279
IVA uitvoeringskosten  22 89046 37169 48892 652116 003
WGA uitkeringslasten  95 095395 329608 228757 617883 871
WGA uitvoeringskosten  26 02244 90759 45771 19684 011
ZW uitkeringslasten820 475805 252979 1791 023 2941 054 0591 078 7661 116 028
ZW uitvoeringskosten212 000189 458178 407169 194168 872168 975169 249
WAZuitkeringslasten489 000476 153438 668385 500342 115301 143257 930
WAZuitvoeringskosten34 00034 38628 94922 33420 13317 99315 865
Nominaal  112 840271 096427 580580 083734 161

WAO

De uitkeringslasten WAO dalen de komende jaren scherp. Vanwege de introductie van de Wet WIA per 1 januari 2006 is de instroom in de WAO vanaf 2006 beperkt tot een gering aantal oude rechten. Ook in 2005 was de instroom in de WAO al beperkt vanwege de verlenging van de loondoorbetalingsperiode bij ziekte van 1 naar 2 jaar. Tenslotte daalt het aantal WAO'ers extra vanwege de herbeoordelingsoperatie, die sinds 1 oktober 2004 loopt.

IVA/WGA

De uitkeringslasten IVA en WGA bouwen zich vanaf 2006 langzaam op. Op de ontwikkeling van beide onderdelen van de WIA is uitgebreid ingegaan in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet WIA (TK 2004–2005, 30 034, nr. 3, hoofdstuk 13). Voor 2006 zijn de ramingen van IVA en WGA ten opzichte van de genoemde memorie van toelichting aangepast vanwege de gunstige instroomontwikkeling van de WAO in 2004 en vanwege de eerste informatie over de effecten van de aanscherping van het Schattingsbesluit.

ZW

De uitkeringslasten van het vangnet ZW zijn vooral afhankelijk van het aantal werklozen en het aantal flexwerkers. Dit zijn de grootste groepen die bij ziekte recht krijgen op een ZW-uitkering. Daarnaast worden de uitkeringen vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof in het ZW volume meegerekend. Afgezien van de ontwikkeling van het aantal werklozen, flexwerkers en zwangerschaps- en bevallingsverloven stijgen de uitkeringslasten van de ZW in 2005 en 2006 als gevolg van de verlenging van de ziekteperiode tot twee jaar.

WAZ

Vanwege de beëindiging van de toegang tot de WAZ per 1 juli 2004 zullen de uitkeringslasten van de WAZ een dalende lijn laten zien. Het lopend bestand van de WAZ zal geleidelijk uitstromen, terwijl er geen zelfstandigen meer instromen (afgezien van een beperkt aantal oude rechten).

Uitvoeringskosten WAO, IVA, WGA, ZW en WAZ

Vanaf 2004 vertonen de uitvoeringskosten een dalende trend. Dit hangt samen met de uit SUWI-voortvloeiende efficiency-afspraken, waardoor vanaf 2006 ten opzichte van 2002 25% op de reguliere uitvoeringskosten wordt bespaard. Daarnaast wordt de daling bij de WAO veroorzaakt door de verminderde instroom als gevolg van de Wet Verbetering Poortwachter, van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting 2003 en in latere jaren als gevolg van de geraamde besparingen als gevolg van de voorgenomen wet WIA. Een algemene toelichting op de uitvoeringskosten is opgenomen in bijlage 9 inzake ZBO's en RWT's.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat een permanente inkomensvoorziening wordt verstrekt aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers en een in principe tijdelijke inkomensvoorziening aan gedeeltelijk arbeidsgeschikte en tijdelijk volledig arbeidsongeschikte werknemers.

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid

Instrumenten

• Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regelingen

• Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

• Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

• Ziektewet (ZW)

• Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen (WAZ) beëindigd per 1 aug. 2004

• Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003

• Bijdrage uitvoeringskosten aan UWV

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Invoeren Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005

• Treffen van financiële maatregelen ter stimulering van gedeeltelijk arbeidsgeschikten om méér arbeid te verrichten

• Treffen van financiële maatregelen ter stimulering van werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers in dienst te houden of te nemen

Activiteiten UWV

• Verstrekken van IVA-, WGA-, WAO-, ZW- en WAZ-uitkeringen

• Herbeoordelen bestaande uitkeringen arbeidsongeschiktheid

Doelgroepen

• Werknemers

• Personen die met werknemers worden gelijkgesteld

Indicatoren

• Het beoogd maatschappelijk effect van handhaving is de naleving van de wet- en regelgeving. Naleving kan inzichtelijk worden gemaakt door nakoming van de belangrijkste verplichtingen, die aan het verkrijgen van een uitkering zijn verbonden, te meten. Om aan te geven dat frauderen niet ongestraft blijft worden ook het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening als kengetal in beeld gebracht. Dat geldt ook voor de mate waarin kennis van regelgeving aanwezig is omdat dit van invloed is op de mate waarin de uitkeringsgerechtigden zich aan de wet houden. De getallen bij de effectindicatoren en kengetallen omvatten tevens die van de WAZ en de Wajong.

• Beperking van de instroom van volledige en duurzaam arbeidsongeschikten tot maximaal 25 000 per jaar (conform beleidsagenda)

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Nalevingsniveau van verplichtingen ihkv herstel (effectindicator)178%(70%-88%)78%> 78%> 78%
Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid (effectindicator)181%(74%-87%)81%> 81%> 81%
Instroom van volledige en duurzaam arbeidsongeschikten (effectindicator)2xxmax. 25 000max. 25 000

Bronnen:

1SZW POROSZ

2 UWV jaarverslag

X van toepassing vanaf 2006: invoering WIA

Kengetallen

• Het aantal ZW-uitkeringen in 2006 neemt iets toe. Dit is het gevolg van de verlenging van de ziekteperiode tot twee jaar en een stijging van het aantal zieke werklozen vanwege de oplopende werkloosheid.

WAO + IVA + WGA200420052006
Bestand   
* in uitkeringen (ultimo, x1000)765687635
* als % verzekerde populatie11,6%10,3%9,5%
* % werkende WAO/IVA/WGA'ers28%28%28%
Instroom   
* in uitkeringen (x 1000)59,215,235,3
* instroomkans0,9%nvt0,5%
Uitstroom   
* in uitkeringen (x1000)78,994,788,1
* uitstroomkans9,3%12,1%12,2%
Handhaving   
* Bekendheid verplichtingen/sancties (1)51% 
* Aantal signalen (alle wetten)34.498  
* Totaal schadebedrag (x € 1 mln)10  
* Afdoeningspercentage94%  
WAO200420052006
Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000)765687607
Instroom in uitkeringen (x1.000)59,215,25,3
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)78,994,786,1
IVA200420052006
Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000)15,0
Instroom in uitkeringen (x1.000)15,0
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)0,0
WGA200420052006
Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000)13,0
Instroom in uitkeringen (x1.000)15,0
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)2,0
WAZ200420052006
Bestand   
* in uitkeringen (ultimo, x 1.000)55,453,749,2
* als % verzekerde populatie7,3%7,0%6,6%
* % geheel arbeidsongeschikt61,7%60,8%60,8%
* Gem. % arbeidsongeschiktheid82,0%81,7%81,6%
* % werkende WAZ'ers6%6%6%
Instroom in uitkeringen (x 1.000)6,25,12,3
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)6,66,86,8
ZW200420052006
Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)646873
Instroom in uitkeringen (x1.000)411
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)380
Handhaving   
* Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)0,8  
* Afdoeningspercentage inlichtingenplicht99%  

Bronnen: UWV jaarverslag m.u.v. (1) SZW POROSZ

Verwijzingen beleidsstukken

• MvT Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (TK 2004–2005, 30 034, nr. 3)

• Wijziging Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (TK 2003–2004, 28 333, nr. 44)

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan jonggehandicapten.

Motivering

Om jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid

Instrumenten

• Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG)

• Bijdrage uitvoeringskosten aan UWV

Activiteiten

Activiteiten UWV

• Beoordelen nieuwe aanvragen

• Verstrekken van WAJONG -uitkeringen

• Herbeoordelen jonggehandicapten

Doelgroepen

• Jonggehandicapten zoals jongeren, leerlingen en studenten van 18 jaar en ouder die geen arbeidsverleden hebben, arbeidsongeschikt zijn geworden en niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Vrijwel alle WAJONG-gerechtigden zijn volledig arbeidsongeschikt. Het merendeel van de werkzame WAJONG'ers werkt voor WSW-bedrijven.

Indicatoren

• Voor de WAJONG zijn geen afzonderlijke indicatoren opgenomen; deze is meegenomen in het onderdeel WAO (OD 1)

Kengetallen

• Het aantal Wajong-uitkeringen zal voorlopig blijven stijgen. De instroom ligt op een structureel niveau met nog slechts beperkte ontwikkelingen vanwege demografische factoren, terwijl de uitstroom relatief laag is. Het bestand Wajong'ers is nog relatief jong, waardoor de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau ligt. Binnen de totale uitstroom is het aandeel vanwege demografische redenen desondanks het hoogst. De reden daarvan is dat Wajong'ers slechts weinig herstellen.

Wajong200420052006
Bestand   
* in uitkeringen (ultimo, x 1.000)142,5144,7147,8
* als percentage verzekerde populatie1,35%1,39%1,43%
* Percentage geheel arbeidsongeschikt97,7%97,7%97,7%
* Gem. percentage arbeidsongeschiktheid98,8%98,8%98,8%
* Percentage werkende Wajong'ers28%28%28%
Instroom in uitkeringen (x1.000)9,49,49,5
Uitstroom in uitkeringen (x1.000)5,07,36,3

Bronnen: UWV jaarverslag

* Van de WAJONG worden ook geen afzonderlijke handhavingsgegevens bijgehouden: de kengetallen handhaving WAO bevatten mede die van de WAJONG.

Verwijzingen beleidsstukken

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie wet instroomcijfers WAO20052006

32 Overige inkomensbescherming

Zorgdragen voor adequate bescherming zonder activerende voorwaarden tegen de financiële risico's bij inkomensverlies.

Omschrijving

Om bepaalde personen te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen op minimumniveau

Bijdrage

SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van de uitkering of toeslag en zorgt voor de uitvoering door het verstrekken van uitkeringen door SVB, gemeenten en toeslag door het UWV

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vaststelling van het niveau van de uitkering of toeslag

• de vormgeving van het stelsel van wet en regelgeving

• een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering door de SVB en het UWV en het toezicht hierop

• toezicht op een rechtmatige uitvoering door gemeenten

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de effectieve uitvoering van de wetten door de uitvoeringsorganen SVB, UWV en gemeenten

• de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving

• de hoogte van het nalevingsniveau van wet- en regelgeving door de gerechtigden

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

in Nederland inkomensbescherming tot op het sociaal minimum wordt geboden

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet inkomensaanvulling 2005 (Stb 2005, 192)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 32.1: Begrotingsuitgaven artikel 32 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen341 093349 169328 577304 991283 193270 953259 487
Uitgaven341 093349 169328 577304 991283 193270 953259 487
        
Programmauitgaven341 093348 449327 793304 991283 193270 953259 487
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 3       
Toeslagenwetuitkeringslasten329 518337 241317 888295 475274 555263 103252 055
Toeslagenwetuitvoeringskosten11 57511 2089 9059 5168 6387 8507 432
        
Apparaatsuitgaven 7207840000
Apparaatsuitgaven 720784    
        
Ontvangsten5 6591 29800000

Toeslagenwet

De toeslagenwet (TW), die in 1987 in het kader van de stelselherziening is ingevoerd, vult de loondervingsuitkering (ZW, WW, WAO, WAZ, Wajong, BIA en WAMIL) aan tot het voor de leefvorm relevant sociaal minimum. De TW kent geen vermogentoets, maar wel een toets op het inkomen van de toeslaggerechtigde en zijn partner. De TW vult maximaal aan tot het minimumniveau. In 2006 wordt een lichte daling van het volume verwacht. De daling is vooral het gevolg van een verlaging van het aantal uitkeringsjaren in de WAO.

Tabel 32.2: Premie uitgaven artikel 32 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Uitgaven24 459 40825 139 13525 815 69526 641 84327 199 78228 063 13728 927 131
        
Programmauitgaven24 459 40825 139 13525 815 69526 461 84327 199 78228 063 13728 927 131
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
ANW uitkeringslasten1 438 6221 377 0001 343 6461 315 0231 285 5951 252 3921 212 296
ANW uitvoeringskosten31 95334 31533 19832 63832 09531 79431 414
Nominaal  16 82535 54053 77271 17787 220
Operationele doelstelling 2       
AOWuitkeringslasten22 889 56923 369 59523 631 04423 934 70624 329 54624 831 81425 316 502
Tegemoetkoming AOW'ers 251 700294 900300 300306 800314 500322 200
AOWuitvoeringskosten99 264106 525101 511103 843106 664109 169111 595
Nominaal  394 571739 7931 085 3101 452 2911 845 904

Anw

Met betrekking tot de Anw is sprake van een lichte daling van het volume ten opzichte van de begroting 2005. Deze verlaging is het gevolg van een iets lagere toestroom van vooral vrouwelijke nabestaanden met ingang recht na 1 juli 1996. In absolute aantallen gaat het in totaal om een geringe aanpassing (<2000).

AOW

De raming van de AOW is op basis van de meest recente volumecijfers van de SVB opwaarts bijgesteld.

De uitkeringslasten van met name de AOW zijn in hoofdzaak het gevolg van demografische ontwikkelingen.

Verder heeft op 7 juli 2005 het Hof van Justitie te Luxemburg uitspraak gedaan in een prejudiciële zaak met betrekking tot de socialeverzekeringspositie van in het buitenland wonende personen met een langlopende Nederlandse uitkering. De uitspraak heeft betrekking op de situatie van hen, wier verplichte verzekering volksverzekeringen met ingang van 1 januari 2000 is vervallen, en die tenminste voor één andere Nederlandse socialeverzekeringswet verzekerd zijn gebleven (dat geldt voor bepaalde in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden). Ingevolge de uitspraak is dit toegestaan, mits voor het onderdeel waarvan de verplichte verzekering is vervallen een stelsel van vrijwillige verzekering in de plaats is gekomen met gelijke voorwaarden als die gelden voor de verplichte verzekering. Volgens het Hof van Justitie voldoet het Nederlandse stelsel van vrijwillige verzekering hier niet aan. Er dient nog besluitvorming plaats te vinden over de wijze waarop reparatie van de Nederlandse wetgeving over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 moet plaatsvinden. Binnenkort zal de Tweede Kamer een wetsvoorstel ontvangen met voorstellen voor maatregelen voor de periode vanaf 1 januari 2006.

Tegemoetkoming AOW'ers

Met het oog op de koopkrachtontwikkeling van personen van 65 jaar en ouder zijn in het jaar 2005 twee regelingen ingevoerd voor AOW-gerechtigden. De eerste tegemoetkoming van € 5 bruto wordt maandelijks naast de AOW-uitkering uitbetaald (€ 60 bruto op jaarbasis). De tweede tegemoetkoming bedroeg € 40 bruto en wordt in een bedrag ineens uitbetaald tegelijk met de vakantieuitkering over de AOW. Inmiddels is een wetsvoorstel in voorbereiding op basis waarvan de mogelijkheid voor koopkrachtcompensatie voor AOW-gerechtigden in de wet wordt vastgelegd. Iedere AOW-gerechtigde zal in dit kader in 2006 een tegemoetkoming ontvangen van ruim € 116.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan alleenstaande nabestaanden, wezen of halfwezen voor wie het niet mogelijk is om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien.

Motivering

Om personen die geconfronteerd zijn met het overlijden van een partner of ouders en die vanwege leeftijd, de zorg voor een jong kind, of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) een eigen inkomen kunnen verwerven, te voorzien van een minimuminkomen

Instrumenten

• Nabestaandenuitkering (+evt halfwezenuitkering) aan alleenstaande nabestaanden op grond van Algemene nabestaandenwet (Anw)

• Wezenuitkering aan volle wezen op grond van de Anw

• Bijdrage uitvoeringskosten aan SVB

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Opstellen beleid en regelgeving Anw

• Opstellen beleid en regelgeving uitvoering Anw

• Aanpassen tweemaal per jaar van niveau uitkeringen aan minimumloonontwikkeling

• Aansturen van en toezicht houden op SVB

Activiteiten SVB

• Beoordelen nieuwe aanvragen

• Verstrekken van uitkeringen

• Verwerken mutatiemeldingen

Doelgroepen

• Alleenstaande nabestaanden, wezen en halfwezen volgens de definitie van de Anw

Indicatoren

• Het beoogd maatschappelijk effect van handhaving is de naleving van de wet- en regelgeving. Naleving kan inzichtelijk worden gemaakt door nakoming van de belangrijkste verplichtingen, die aan het verkrijgen van een uitkering zijn verbonden, te meten. Om aan te geven dat frauderen niet ongestraft blijft, worden ook het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening als kengetal in beeld gebracht. Dat geldt ook voor de mate waarin kennis van regelgeving aanwezig is omdat dit van invloed is op de mate waarin de uitkeringsgerechtigden zich aan de wet houden. Het nalevingsniveau wordt voor de Anw op twee manieren geoperationaliseerd, namelijk het nalevingsniveau van het melden door de nabestaande van het voeren van een gezamenlijke huishouding (omdat dit van invloed is op het recht op nabestaandenuitkering) en het nalevingsniveau van de opgave van inkomen en wijziging daarvan (omdat de nabestaandenuitkering inkomensafhankelijk is)

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Nalevingsniveau van het melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding (effectindicator)197%–100%   
Nalevingsniveau van opgave van inkomen en wijzigingen daarvan (effectindicator)194%–100%   

Bron: concept-rapportage POROSZ-Volksverzekeringen 2004

1 Het gepresenteede realisatiecijfer voor 2004 betreft een nog voorlopig resultaat uit een eerste studie naar regelovertreding in de volksverzekeringen 2004. De gegevens worden nog nader bezien om na te gaan of deze zowel conceptueel als cijfermatig gebruikt kunnen worden om de te verwachten toekomstige ontwikkelingen te beschrijven.

Kengetallen

 200420052006
Volume   
Volume: Ingang recht voor 1 juli 1996564843
w.v. nabestaande + halfwezenuitkering542
w.v. nabestaande uitkering524539
Volume: Ingang recht na 1 juli 1996636770
w.v. nabestaande + halfwezenuitkering91011
w.v. alleen nabestaandenuitkering444546
w.v. alleen wezenuitkering111213
Wezenuitkering (*1000 personen)222
Totaal volume uitkeringsjaren121117114
Totaal aantal uitkeringsgerechtigden   
(* 1000 personen)148143139
Handhaving   
Bekendheid met verplichtingen en sancties (1)63%  
Aantal controles o.g.v. fraudesignalen (#)1 111  
Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln) (#)4,8  
% Afdoening fraude (alle wetten) (#)98 %  
Incassoratio (#)92 %  

Bron: Jaarverslag SVB, bewerking door SZW

Bron: (1) concept-rapportage POROSZ-Volksverzekeringen 2004

(#) Handhavingscijfers (RHH 2004 SVB):

Cijfers betreffen uitsluitend fraudegevallen van meer dan € 6 000

Verwijzingen beleidsstukken

• Verslag schriftelijk overleg over het IWI rapport «Op tijd, tijdigheid in de uitvoering van de Anw» (TK 2004–2005 27 468, nr. 17)

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat een minimuminkomen wordt verstrekt aan personen van 65 jaar en ouder.

Motivering

Om personen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen vanwege ouderdom

Instrumenten

• Ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan personen van 65 jaar en ouder

• AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar aan personen van 65 jaar en ouder

• Aanvullende uitkering ogv WWB, indien een gekorte AOW-uitkering wordt verstrekt ivm niet-verzekerde jaren en afwezigheid van toereikende eigen middelen

• Bijdrage uitvoeringskosten aan SVB

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Opstellen beleid en regelgeving AOW

• Opstellen beleid en regelgeving uitvoering AOW

• Aanpassen tweemaal per jaar van niveau uitkeringen aan minimumloonontwikkeling

• Aansturen van en toezicht houden op SVB

• Opstellen beleid en regelgeving WWB

Activiteiten SVB

• Beoordelen nieuwe aanvragen

• Verstrekken van uitkeringen

• Verwerken mutatiemeldingen

Activiteiten gemeenten

• Beoordelen recht op aanvullende bijstand

• Verstrekken aanvullende bijstand

Doelgroepen

• Personen van 65 jaar en ouder

Indicatoren

• Het beoogd maatschappelijk effect van handhaving is de naleving van de wet- en regelgeving. Naleving kan inzichtelijk worden gemaakt door nakoming van de belangrijkste verplichtingen, die aan het verkrijgen van een uitkering zijn verbonden, te meten. Om aan te geven dat frauderen niet ongestraft blijft worden ook het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening als kengetal in beeld gebracht. Dat geldt ook voor de mate waarin kennis van regelgeving aanwezig is omdat dit van invloed is op de mate waarin de uitkeringsgerechtigden zich aan de wet houden. Het nalevingsniveau wordt voor de AOW geoperationaliseerd, in de vorm van het nalevingsniveau van het melden door de gepensioneerde van het voeren van een gezamenlijke huishouding (omdat dit van invloed is op niveau van het ouderdomspensioen).

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Nalevingsniveau van het melden van gewijzigde samenlevingsvorm (effectindicator)95%–100%   

Bron: concept-rapportage POROSZ-Volksverzekeringen 2004

Het gepresenteerde realisatiecijfer voor 2004 betreft een nog voorlopig resultaat uit een eerste studie naar regelovertreding in de volksverzekeringen 2004. De gegevens worden nog nader bezien om na te gaan of deze zowel conceptueel als cijfermatig gebruik kunnen worden om de te verwachten toekomstige ontwikkelingen te beschrijven.

Kengetallen

 200420052006
Volume (x 1 000 personen)   
Volume2 4732 5252 574
90% uitkering (alleenstaande met kind)0,20,20,2
70% uitkering (totaal)968974980
w.v. partner < 65 jaar766
50 % uitkering (totaal)1 3321 3641 393
w.v. partner < 65 jaar203209213
Totaal volume uitkeringsjaren (90%+70%+50%)2 3002 3382 373
Korting op de AOW-uitkering i.v.m. niet-verzekerde jaren   
Aantal personen met korting (% van totaal)14%15%16%
Gemiddeld kortingspercentage50%50%50%
Volume WWB, thuiswonende periodiek > 651 (* 1000 personen)232527
Handhaving   
Bekendheid met verplichtingen en sancties153%  
Aantal controles o.g.v. fraudesignalen 21 133  
Totaal schadebedrag fraude (€ mln) 2€ 3,4  
% afdoening fraude (alle wetten) 298%  
Incassoratio 295%  

Bron: Jaarverslag SVB, bewerking door SZW

Bron:

1 concept-rapportage POROSZ-Volksverzekeringen 2004

2 Handhavingscijfers (RHH 2004 SVB):

cijfers betreffen uitsluitend fraudegevallen van meer dan € 6 000

1 Zie ook artikel 30.

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet inkomensaanvulling 2005 (Stb 2005, 192)

Operationele doelstelling 3: Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers.

Motivering

Om personen die een uitkering op grond van de WW, ZW, WAO, WAZ, Wajong, WAMIL of loondoorbetaling in het tweede ziektejaar ontvangen, te voorzien van een minimuminkomen.

Instrumenten

• Toeslag op grond van deToeslagenwet (TW)

• Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Opstellen beleid en regelgeving TW

• Opstellen beleid en regelgeving uitvoering TW

• Aanpassen tweemaal per jaar van niveau uitkeringen aan minimumloonontwikkeling

• Aansturen van en toezicht houden op UWV

Activiteiten UWV

• Beoordelen van recht, hoogte en duur door het UWV

• Verstrekken van uitkeringen door het UWV

• Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV

Doelgroepen

• Personen die een loondervingsuitkering of loondoorbetaling ontvangen, volgens de definitie van de TW en per dag een inkomen hebben dat lager is dan het relevante sociaal minimum.

Indicatoren

• Geen afzonderlijke indicator geformuleerd. Recht op toeslag is slechts aan de orde bovenop een ander uitkeringsrecht (voornamelijk WW en WAO).

Kengetallen

 200420052006
Gemiddeld jaarvolume TW (*1.000 uitkeringsjaren)9610095
Gemiddelde toeslag (x € 1)3 4433 3793 343
Handhaving   
Totaal schadebedrag (x € ,mln)1,4  
Afdoeningspercentage93%  

Bron:UWV-jaarverslag 2004, SZW-administratie

Verwijzingen beleidsstukken

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie inkomensgarantie nabestaandenZie toelichtingZie toelichting

Toelichting: Op basis van de Anw wordt nabestaanden, die daar niet zelf voor kunnen zorgen, inkomensbescherming op minimumniveau geboden. Het minimumniveau wordt gegarandeerd door koppeling aan het minimumloon. Er is afgezien van een aanvullende algehele evaluatie van de Anw voor 2006 omdat de meerwaarde daarvan ten opzichte van de reeds beschikbare informatie gering is. De beschikbare informatie bestaat al uit gegevens van de SVB. Ook heeft Inspectie Werk en Inkomen in 2005 een rapportage uitgebracht over de tijdigheid in de uitvoering van de Anw (TK 2004–2005, 27 468 nr. 17).

33 Tegemoetkoming specifieke kosten

Zorgdragen voor tegemoetkoming in specifieke kosten alsmede maatschappelijke erkenning van het leed van de asbestslachtoffers die niet via de voormalige werkgever een schadevergoeding kunnen verkrijgen.

Omschrijving

Om bepaalde personen een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor specifieke kosten of als maatschappelijke erkenning

Bijdrage

SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van de tegemoetkoming en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van tegemoetkomingen door SVB en gemeenten

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), Regeling Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) en de regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS)

• de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving

• een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering door de SVB en het toezicht daarop

• toezicht op een rechtmatige uitvoering door gemeenten (WWB)

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de effectieve uitvoering van wet- en regelgeving door gemeenten en SVB

• de hoogte van het nalevingsniveau van wet- en regelgeving door de gerechtigden

• de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• voorzien wordt in uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende, noodzakelijke kosten van bestaan (bijzondere bijstand op grond van de WWB)

• de inkomensverschillen tussen gezinnen met en gezinnen zonder kinderen worden verminderd, hetgeen een bijdrage levert aan de ontplooiingsmogelijkheden van kinderen (AKW)

• ouders worden tegemoetgekomen in de extra kosten die voortvloeien uit het thuis verzorgen van een gehandicapt kind (TOG)

• ouders zich gewaardeerd voelen voor het thuis verzorgen van een gehandicapt kind (TOG)

• het gros van de werknemers met arbeidsgerelateerde maligne mesothelioom, of huisgenoten van werknemers, bij leven maatschappelijke erkenning krijgt van het leed (TAS)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 33.1: Begrotingsuitgaven artikel 33 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen3 354 7543 326 5213 300 7193 276 5613 243 8483 206 1143 170 026
Uitgaven3 354 7563 326 5213 300 7193 276 5613 243 8483 206 1143 170 026
        
Programmauitgaven3 354 7563 326 0623 299 4353 276 5613 243 8483 206 1143 170 026
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 2       
AKW uitkeringslasten3 238 2003 207 1233 185 3243 162 4593 129 9013 092 4043 056 592
AKW uitvoeringskosten84 02081 98677 14877 14276 99176 73676 460
TOG uitkeringslasten27 39231 09431 09431 09131 09231 10031 100
TOG uitvoeringskosten1 8912 6202 6302 6302 6252 6352 635
Operationele doelstelling 3       
Uitkeringslasten Reg. Asbest2 3852 2352 2352 2352 2352 2352 235
Uitvoeringskosten Reg. Asbest8681 0041 0041 0041 0041 0041 004
        
Apparaatsuitgaven 4591 2840000
Apparaatsuitgaven 4591 284    
        
Ontvangsten10 7344 700272272272272272

AKW

In 2006 stijgt het aantal telkinderen licht ten opzichte van 2005. Daarentegen dalen de uitkeringslasten. Sinds 1 januari 1995 is het kinderbijslagbedrag per kind niet meer afhankelijk van de grootte van het gezin waartoe het kind behoort. Voor vóór die datum geboren kinderen geldt overgangsrecht op basis waarvan nog wel gezinsgroottebedragen gelden. Het gemiddelde kinderbijslagbedrag per kind is in de nieuwe situatie lager dan in het geval het overgangsrecht van toepassing is. De daling van de uitkeringslasten AKW wordt veroorzaakt door het feit, dat voor steeds meer kinderen op basis van het structurele recht kinderbijslag wordt toegekend en voor steeds minder kinderen op basis van het overgangsrecht.

Operationele doelstelling 1: Zorgdragen dat gemeenten een tegemoetkoming kunnen verstrekken voor noodzakelijke kosten voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden die niet uit eigen middelen kunnen worden voldaan.

Motivering

Om het gemeenten mogelijk te maken financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten

Instrumenten

• Wet Werk en Bijstand (WWB)

• Algemene uitkering uit het Gemeentefonds

Activiteiten

Activiteit SZW:

• Onderhouden van wet- en regelgeving

Activiteit gemeenten:

• Beoordelen of een persoon in aanmerking komt voor bijzondere bijstand

Doelgroepen

• Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Indicator

• Voor deze operationele doelstelling is geen indicator geformuleerd omdat de bevoegdheden op het terrein van de bijzondere bijstand volledig bij gemeenten zijn belegd.

Kengetallen

 2004
Gemeentelijke uitgaven aan bijzondere bijstand op grond van art. 35 WWB182 mln

Bron: Dit is een raming op basis van de voorlopige verslagen over de uitvoering WWB 2004. Het betreft het saldo van de gemeentelijke uitgaven en ontvangsten.

Verwijzingen beleidsstukken

• Brief minister BZK over herijking van de clusters Bijstand en Zorg bij de vaststelling begroting Gemeentefonds 2005 (TK 2004–2005, 29 800 B nr. 17)

• Brief minister BZK bij aanbieding rapporten over clusters Bijstand en Zorg in het Gemeentefonds (TK 2004–2005, 29 800 B nr. 15)

• Verzamelbrief aan gemeenten van december 2004, waarin wordt ingegaan op terugdringen niet gebruik

Operationele doelstelling 2: Zorgdragen dat een financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen wordt verstrekt aan ouders of verzorgers.

Motivering

Om ouders meer financiële ruimte te bieden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van kinderen

Instrumenten

• Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

• Regeling Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG)

• Bijdrage uitvoeringskosten aan SVB

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Onderhouden van wet- en regelgeving

Activiteiten SVB

• Beoordelen recht op kinderbijslag en TOG-tegemoetkoming

• Verstrekken kinderbijslag en TOG-tegemoetkomingen

Doelgroepen

• AKW: ouders van kinderen tot 18 jaar

• TOG: ouders van gehandicapte kinderen van 3 tot 18 jaar

Indicatoren

• Het beoogd maatschappelijk effect van handhaving is de naleving van de wet- en regelgeving. Naleving kan inzichtelijk worden gemaakt door nakoming van de belangrijkste verplichtingen, die aan het verkrijgen van een uitkering zijn verbonden, te meten. Tevens worden het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening in beeld gebracht om duidelijk te laten zien dat overtreding niet lonend is (kengetallen). Naleving kan spontaan gebeuren als de uitkeringsgerechtigden weten waar ze aan toe zijn; daarom wordt de kennis van regelgeving weergegeven als kengetal. Het nalevingsniveau wordt voor de AKW geoperationaliseerd in de vorm van het nalevingsniveau van opgave van inkomsten van kinderen van 16 en 17 jaar.

 Realisatie 2004Streven 2005Streven 2006Streven 2010
Nalevingsniveau van opgave van inkomsten kinderen 16 jaar en ouder (effectindicator)196%–100%   

Bron: concept-rapportage POROSZ-Volksverzekeringen 2004

1 Het gepresenteerde realisatiecijfer voor 2004 betreft een nog voorlopig resultaat uit een eerste studie naar regelovertreding in de volksverzekeringen 2004. De gegevens worden nog nader bezien om na te gaan of deze zowel conceptueel als cijfermatig gebruikt kunnen worden om de te verwachten toekomstige ontwikkelingen te beschrijven.

Kengetallen

 200420052006
Volume   
Gezinnen AKW (*1000)1 9201 9311 938
Aantal telkinderen AKW (*1000)3 5203 5343 535
Aantal telkinderen TOG (*1000)303235
Handhaving   
Bekendheid met verplichtingen en sancties167%  
Aantal controles o.g.v. fraudesignalen2549  
Totaal schadebedrag fraude (x € mln)20,3  
% Afdoening fraude (alle wetten) 298%  
Incassoratio 291%  

Bron: SVB Jaarverslag

1 Concept-rapportage POROSZ-volksverzekeringen 2004

2 Handhavingscijfers (RHH 2004 SVB): cijfers betreffen uitsluitend fraudegevallen van meer dan € 6 000

Verwijzingen beleidsstukken

• Verslag schriftelijk overleg over de in de AKW-nota 2005 aan de orde te stellen thema's (TK 2003–2004, 29 258, nr. 15)

• Brief minister en staatssecretaris over CBS-onderzoek «Equivalentiefactoren 1995–2000» (TK 2003–2004, 29 258, nr. 16)

• Interdepartementaal Beleidsonderzoek: Uitvoering Inkomensafhankelijke Regelingen; Kabinetsstandpunt inzake integratie en stroomlijning van kinderregelingen, een inkomens(on)afhankelijke kinderbijslag en (fasering van) de afbouw van de correctie op het verzamelinkomen bij inkomensafhankelijke regelingen (TK 2003–2004, 29 287, nr. 2)

• Verslag algemeen overleg gehouden op 1 december 2004 (TK 2003–2004, 29 287, nr. 3)

Operationele doelstelling 3: Het zoveel mogelijk bij leven verstrekken van een eenmalige financiële tegemoetkoming in de immateriële schade aan werknemers, of huisgenoten van werknemers, met maligne mesothelioom door asbestblootstelling.

Motivering

Om uiting te geven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van asbestslachtoffers

Instrumenten

• Eenmalige tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling

• Bijdrage uitvoeringskosten aan SVB

Activiteiten

Activiteiten SZW

• Bepalen nieuw beleid naar aanleiding van evaluatie van de regeling

Activiteiten SVB

• Verstrekken van (voorschotten op) tegemoetkomingen door SVB op advies van IAS

Doelgroepen

• Werknemers met maligne mesothelioom door asbestblootstelling in het werk die volgens de procedures van het convenant asbestslachtoffers geen schadevergoeding van de werkgever kunnen krijgen

• Huisgenoten van bovengenoemde werknemers

Indicatoren

Voor deze operationele doelstelling is geen indicator geformuleerd vanwege het relatief geringe budgettaire beslag van deze doelstelling.

Kengetallen

 200420052006
Toekenningen voorschot (bij leven)232240240
Toekenningen eenmalige uitkering162525
Terugontvangen TAS voorschotten93115115
Toekenningen bij leven in procenten totaal toekenningen93,5%90%90%

Bron: SVB Jaarverslag

Verwijzingen beleidsstukken

• Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (Staatscourant 2000, nummer 16, p.19 zoals laatstelijk gewijzigd in Staatscourant 2003, nummer 132, pag. 8)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie tegemoetkoming asbestslachtoffers20052005

34 Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW

Borgen van voldoende dekking in sociale fondsen en spaarfonds AOW.

Omschrijving

Om onnodige tekorten in de fondsen te dekken.

Om te grote premie- en lastenmutaties te voorkomen.

Om er mede voor te zorgen dat de AOW vanaf 2020 ondanks de vergrijzing betaalbaar blijft.

Bijdrage

SZW voorziet de desbetreffende sociale fondsen en het Spaarfonds AOW van een rijksbijdrage.

Verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

• de hoogte van de rijksbijdragen aan de betreffende sociale fondsen en het Spaarfonds AOW

• het betalen van de rijksbijdragen aan UWV, SVB en het Spaarfonds AOW.

Succesfactoren

• n.v.t., omdat in dit artikel de algemene doelstelling behaald wordt door middel van in de wet vastgelegde instrumenten.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• de onnodige tekorten in de fondsen worden gedekt

• onnodige premieschommelingen en lastenveranderingen worden voorkomen.

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet Financiering Sociale Verzekeringen (Staatsblad 2005, nr. 36)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 34.1: Begrotingsuitgaven artikel 34 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen7 624 4848 194 6928 648 9418 978 4609 157 2059 278 3519 399 496
Uitgaven7 624 4848 194 6928 648 9418 978 4609 157 2059 278 3519 399 496
        
Programmauitgaven7 624 4848 194 3708 648 0158 978 4609 157 2059 278 3519 399 496
Waarvan juridisch verplicht  100%0%0%0%0%
Operationele doelstelling 1       
Rijksbijdrage AOW-gatgrensarbeiders11 000      
Bijdragen BIKK AOW2 606 9002 341 4002 610 1002 802 8002 857 7002 857 7002 857 700
Bijdragen BIKK Anw189 900157 900180 500199 400203 300203 300203 300
Rijksbijdrage Ouderdomsfonds2 183 1242 694 0002 700 0002 700 0002 700 0002 700 0002 700 000
Premiebijdragen gemoedsbezw1 6352 0001 7001 7001 7001 7001 700
Rijksbijdrage Aof 2 0002 0002 0002 0002 0002 000
Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden 251 700294 900300 300306 800314 500322 200
Operationele doelstelling 2       
Rijksbijdrage Spaarfonds AOW2 631 9252 745 3702 858 8152 972 2603 085 7053 199 1513 312 596
        
Apparaatsuitgaven 3229260000
Apparaatsuitgaven 322926    
        
Ontvangsten29 2953300000

Bijdragen BIKK AOW en Anw

Sinds 2001 worden de fondsen voor de volksverzekeringen gecompenseerd voor een daling van de premieopbrengst als gevolg van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit betekende dat het systeem van belastingvrije sommen werd vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een arbeidskorting, met als gevolg een lagere premieopbrengst. Deze compensatie is de zogeheten BIKK (Bijdrage in de Kosten van Kortingen). De hoogte hiervan wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde kosten van de heffingskortingen en wijzigingen van de belasting- en premietarieven in de eerste schijf.

Rijksbijdrage Ouderdomsfonds

Bij het Ouderdomsfonds is sprake van een exploitatietekort. Dit leidt jaarlijks tot een vermogenstekort van gelijke omvang. Dit vermogenstekort wordt aangevuld uit de rijksmiddelen waardoor een neutrale kaspositie voor het Ouderdomsfonds ontstaat. Deze rijksbijdrage belast het EMU-saldo niet omdat daarin de saldi van de fondsen en het rijk integraal worden meegenomen. Op deze manier kan de AOW-premie ongewijzigd blijven, waardoor de lastenen koopkrachtontwikkeling niet wordt beïnvloed.

Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden

Deze rijksbijdrage betreft de financiering van zowel de tegemoetkoming voor AOW-gerechtigden (€ 60, bruto), waartoe het kabinet in het licht van het inkomensbeleid 2005 heeft besloten als de tegemoetkoming voor AOW-gerechtigeden (€ 40 bruto) in het kader van de verzilveringsproblematiek. Vanaf 2006 worden beide tegemoetkomingen samengevoegd en verhoogd met € 15. De tegemoetkoming bedraagt dan in totaal € 115 (bruto) per AOW-gerechtigde.

Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

Door de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking neemt de druk op de AOW toe. Het Spaarfonds AOW is in 1998 ingesteld om de financierbaarheid van de AOW-uitgaven op langere termijn zeker te stellen. Tegelijk met de instelling van het Spaarfonds is de te innen AOW-premie beperkt tot maximaal 18,25 % waardoor de AOW-lasten meer worden gespreid. Vanaf 2020 kan het Ouderdomfonds een beroep doen op middelen uit het Spaarfonds om de toegenomen uitgaven aan AOW-uitkeringen zonder extra premieverhogingen te kunnen financieren.

Het Spaarfonds AOW wordt beheerd door SZW. SZW draagt zorg voor voeding van het spaarfonds AOW door middel van rijksbijdragen. Jaarlijks dient de rijksbijdrage met ten minste € 113,4 miljoen te stijgen. Naast de rijksbijdragen wordt het fonds ook gevoed door de jaarlijkse rentebijschrijvingen.

Operationele doelstelling 1: Het medebekostigen van de sociale verzekeringen uit de schatkist ter dekking of voorkoming van tekorten in de fondsen.

Motivering

Om tekorten in de fondsen van de sociale verzekeringen te dekken of te voorkomen indien premieheffing niet wenselijk of mogelijk is.

Om onnodig grote premieschommelingen en lastenmutaties te voorkomen.

Instrumenten

• Rijksbijdrage Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) voor de AOW en de Anw

• Rijksbijdrage Ouderdomsfonds

• Premiebijdrage gemoedsbezwaarden

• Rijksbijdrage Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof)

• Rijksbijdrage Tegemoetkoming AOW-gerechtigden

Activiteiten

• Ter beschikking stellen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen

Doelgroepen

• De sociale fondsen

Indicatoren

• Er zijn geen indicatoren geformuleerd, omdat de doelstelling behaald wordt door middel van het, in de wet vastgelegde, instrument

Kengetallen

 200420052006
Premiebijdragen gemoedsbezwaarden   
Vergoedingen werknemers-verzekeringen i.v.m. vrijstelling wegens gemoedsbezwaarden (x € 1mln)1,61,71,7
Aantal premievrijstellingen846868
Gemiddelde vrijstelling (x € 1)19 45325 00025 000

Bron: SZW-administratie

Verwijzingen beleidsstukken

• Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers (Staatscourant 2004, nr. 247, pag. 66)

• Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming AOW-ers 2005 (Staatscourant 2005, nr. 71, pag. 17)

• Vaststelling bijdrage in de kosten heffingskortingen 2005 (Staatscourant 2005, nr. 72, pag. 34)

• Wetsvoorstel tot wijziging van de AOW, de Wfsv en de wet op de huurtoeslag in verband met het toekennen van een tegemoetkoming aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de AOW (Wetsvoorstel is niet voor Prinsjesdag gereed)

Operationele doelstelling 2: Het waarborgen dat de AOW vanaf 2020 ondanks de vergrijzing betaalbaar blijft.

Motivering

Om er mede voor te zorgen dat ondanks de vergrijzing de AOW betaalbaar blijft.

Instrumenten

• Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

Activiteiten

• Zorgdragen voor de voeding van het Spaarfonds AOW

• Jaarlijks verhogen van de rijksbijdrage met ten minste € 113,4 miljoen

Doelgroepen

• Spaarfonds AOW

• Toekomstige AOW-ers

Indicatoren

• Er zijn geen indicatoren geformuleerd, omdat de doelstelling behaald wordt door middel van het, in de wet vastgelegde, instrument.

Kengetallen

 200420052006
Rijksbijdrage (x € 1 mln)2 631,92 745,42 858,8
Rentebaten (x € 1mln)811,0950,81 080,2
Vermogenspositie (x € 1mln)19 313,723 009,926 948,9
Rentestand4,06%3,50%4,00%

Bron: administratie Spaarfonds AOW: SZW en Financiën

Verwijzingen beleidsstukken

• Wet Financiering Sociale Verzekeringen (Staatsblad 2005, nr. 36) artikel 7.1.2.5 t/m 7.1.2.7

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
Beleidsdoorlichtingengeen  
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)geen  

35 Emancipatie

Het bevorderen van gelijke rechten, kansen, vrijheden en (sociale) verantwoordelijkheden in de Nederlandse samenleving voor vrouwen en mannen.

Omschrijving

• Om gelijke rechten, kansen en vrijheden in de praktijk voor ieder ongeacht sekse te realiseren

• Om de juiste economische, culturele en sociale voorwaarden te scheppen waarin ieder de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven

• Om de positie van vrouwen in het publieke en privé-domein te verbeteren

Bijdrage

SZW maakt andere departementen, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties bewust van hun invloed en hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het emancipatiebeleid en zet hen aan tot actie en samenwerking.

Verantwoordelijkheid

Ieder departement heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het bereiken van de rijksbrede emancipatiedoelstellingen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor verbreding en verdieping van het emancipatieproces door het agenderen van emancipatievraagstukken, het ondersteunen bij het uitvoeren van projecten en experimenten en het monitoren van de voortgang van het emancipatiebeleid.

Succesfactoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de mate van integratie van het man/vrouw-perspectief in het reguliere beleid op alle departementen

• de inzet van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

• politieke aandacht voor het emancipatiebeleid

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effecten dat:

• alle vormen van geweld tegen vrouwen afneemt, zoals mishandeling door de (ex)partner, vrouwenhandel, gedwongen huwelijken en zwangerschappen, eerwraak en genitale verminking. Jaarlijks zijn circa 200 000 vrouwen hiervan het slachtoffer

• de arbeidsparticipatie van vrouwen toeneemt

• het aantal vrouwen dat economische zelfstandig is stijgt

• mannen in toenemende mate zorgtaken op zich nemen

• een evenredig aantal vrouwen in politieke functies deelneemt

• het aantal vrouwen in topfuncties van het bedrijfsleven en non-profit organisaties toeneemt

• het aandeel vrouwen op topposities in het openbaar bestuur stijgt

Indicatoren

 Realisatie2000–2004Streven 2005–2007Streven 2010
1. Rechten en veiligheid   
Aantal advies- en steunpunten huiselijk geweld (prestatieindicator) 35 in 2006 
Uitbreiding capaciteit vrouwenopvang (prestatieindicator) 200 in 2007 
Aantal gemeenten met beleidsplan huiselijk geweld (prestatieindicator) 250 in 2006 
    
2. Arbeidsparticipatie en   
economische zelfstandigheid   
arbeidsparticipatie van vrouwen (effectindicator)54,4% in 200459,8% in 200665%
zorgparticipatie van mannen (effectindicator)35% in 200038,3% in 200640%
economische zelfstandigheid vrouwen (effectindicator)41% in 200252,5% in 200660%
    
3. Besluitvorming en bestuur   
aandeel vrouwen in politieke functies (effectindicator)24–44% in 2003/435–40% in 2005/645–50%
in topfuncties bedrijfsleven (top250) (effectindicator)5% in 2003/411% in 2005/620%
in topfuncties non-profit (effectindicator)16–29% in 2003/419–36% in 2005/635–45%
in topfuncties overheid (effectindicator)12% in 2003/417% in 2005/625%

Bron: Meerjarenbeleidsplan Emancipatie, Emancipatiemonitor 2004 (TK 27 061, nr. 32), Netto arbeidsparticipatie: CBS, Enquête beroepsbevolking.

Verwijzingen beleidsstukken

• Meerjarenbeleidsplan Emancipatie (TK 2000–2001, 27 061 nr. 3)

• VN Vrouwenverdrag (Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, Tractatenblad 1980, nr. 146 en Tractatenblad 1981, nr. 61)

• Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Staatsblad 1998, nr. 190)

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 35.1: Begrotingsuitgaven artikel 35 (x € 1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen13 88713 00613 04410 29510 32310 32310 323
Uitgaven11 27313 05513 04410 29510 32310 32310 323
        
Programmauitgaven11 27310 67110 44610 29510 32310 32310 323
Waarvan juridisch verplicht  35%30%28%26%24%
Operationele doelstelling 1 en 2       
Dagindeling26511100000
Primair proces2 8372 1512 1822 2212 2492 2492 249
Subsidies7 6547 7667 7667 7667 7667 7667 766
Voorlichting94113207207207207207
Onderzoek423530291101101101101
        
Apparaatsuitgaven 2 3842 5980000
Apparaatsuitgaven 2 3842 598    
        
Ontvangsten3298300000

Primair proces

Deze middelen worden aangewend in het kader van de activiteiten zoals vermeld bij de operationele doelstelling 1 en 2.

Subsidies

Het aangegeven bedrag heeft betrekking op institutionele subsidies aan het IIAV en E-Quality en projectmatige subsidies in het kader van de subsidieregeling emancipatieprojecten.Daarnaast zijn bedragen opgenomen voor voorlichtingsactiviteiten (€ 0,204 miljoen) alsmede onderzoeken (€ 0,1 miljoen).Het budget voor programma uitgaven is in 2006 al voor een belangrijk deel juridisch verplicht (35%), dat geldt onder andere voor de subsidies.

Ontvangsten

Het bedrag in 2004 heeft betrekking op ontvangsten die zijn ontstaan na afrekening van subsidies uit voorgaande jaren.

Operationele doelstelling 1: Het duurzaam integreren van het man/vrouw-perspectief in beleid en uitvoering ter bevordering van de kwaliteit en effectiviteit van het rijksoverheidsbeleid.

Motivering

Het onderkennen van de verschillen in de positie en deelname van vrouwen en mannen in de Nederlandse samenleving leidt tot een verhoging van de kwaliteit en de effectiviteit van het rijksoverheidsbeleid en voorkomt ongewenste effecten voor vrouwen

Instrumenten

• Onafhankelijke Visitatiecommissie Emancipatie die alle departementen visiteert op de vorderingen in het integreren van het man/vrouw-perspectief in rijksoverheidsbeleid

• Subsidie aan het expertisecentrum voor gender en etniciteit E-Quality

Activiteiten

• Beoordelen van tussentijdse- en eindrapportage van de Visitatiecommissie Emancipatie

• Opstellen voortgangsrapportage op het Meerjarenbeleidsplan Emancipatie

Doelgroepen

• Alle departementen

• Beleidsmakers (overheid en maatschappelijke organisaties)

Indicatoren

Zie indicatoren bij de algemene doelstelling

Verwijzingen beleidsstukken

• Meerjarenbeleidsplan Emancipatie (TK 2000–2001, 27 061 nr. 3)

• Kabinetsstandpunt gendermainstreaming (TK 2000–2001, 27 061 nr. 15)

• Implementatie strategie gender mainstreaming (TK 2003–2004, 27 061 nr. 18)

• Werkplan Visitatiecommissie Emancipatie

Operationele doelstelling 2: Het verbreden en verdiepen van het emancipatieproces op lokaal, nationaal, Europees en internationaal niveau.

Motivering

• Om het geweld tegen zowel autochtone als allochtone meisjes en vrouwen terug te dringen

• Om de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten

• Om evenredige participatie van vrouwen in de top van bedrijfsleven en openbaar bestuur te realiseren

• Om het emancipatieproces in de samenleving aan te jagen en te ondersteunen

• Om de Emancipatiekennisinfrastructuur in de Nederlandse samenleving te waarborgen

• Om te voldoen aan internationale rapportageverplichtingen door Nederland aan VN en EU

Instrumenten

• Subsidies in het kader van de regeling emancipatieprojecten, de regeling Dagindeling ESF-3 en bijdragen aan gemeenten op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling emancipatie vrouwen uit etnische minderheidsgroepen

• Emancipatiemonitor 2006, emancipatie-effect rapportages, gender budget analyses, tijdsmonitor, benchmarking en departementale emancipatietaakstellingen

• Taskforces (met name bij brede maatschappelijke thema's) waarbij in samenwerking met meerdere departementen en expert organisaties, het genderaspect in beleid vorm wordt gegeven. Ambassadeursnetwerken waarbij boegbeelden uit bedrijfsleven, overheid en non-profitsector (werkgevers en bestuurders) worden ingezet voor culturele veranderingen

• Voorlichting en beleidsagenderende (effect)-onderzoeken

Activiteiten

• Waarborgen van de Emancipatiekennisinfrastructuur (subsidie aan het IIAV en E-Quality) alsmede verlenen van meerjarige projectsubsidies aan maatschappelijke organisaties

• Verbeteren van het emancipatie- en integratiebeleid op gemeentelijk niveau voor vrouwen en meisjes uit etnische minderheden (Plan van aanpak emancipatie en integratie) en bevorderen van de aandacht voor seksespecifiek geweld in de gemeentelijke veiligheidsmonitoring (Lokale Veiligheids Index)

• Vergroten van de rol van vrouwen in conflictpreventie, -oplossing en naoorlogse wederopbouw (Taskforce Vrouwen, Veiligheid en Conflict)

• Ontwikkelen en implementeren van oplossingen op lokaal niveau die de combinatie arbeid en zorg vergemakkelijken middels het subsidiëren van experimenten en implementatietrajecten (ESF-3)

• Kennis uitwisselen over thema Dagindeling, ruimtelijke ordening, tijd en levensloop (Kenniscentrum Dagindeling, ruimte en tijd, Platform tijden van de samenleving)

• (In het kader van Operatie Jong) vormgeven van concreet beleid gericht op samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang, vrijetijdsvoorzieningen en combinatiefuncties middels het ESF programma Dagarrangementen en Combinatiefuncties

• Onderzoeken van de kosten en baten van beleidsmaatregelen voor het vergroten van het aantal gewerkte uren van vrouwen en mannen over de gehele levensloop

• Het uitvoeren van activiteiten gericht op: – het toegankelijk maken van mannenberoepen voor vrouwen en vice versa, – het stimuleren van arbeidsorganisaties hun m/v balans te verbeteren (glazen plafond index), – de doorstroming van vrouwen naar hogere functies in arbeidsorganisaties en naar topfuncties in het bedrijfsleven, overheid en non-profitsector (vierde ambassadeursnetwerk glazen plafond), – een grotere deelname van vrouwen aan maatschappelijke en politieke besluitvorming (ambassadeursnetwerk besturen)

Doelgroepen

• Moeilijk bereikbare vrouwen (laagopgeleide vrouwen en vrouwen uit etnische minderheden) die reeds langere tijd in Nederland wonen of hier geboren zijn

• Beleidsmakers (overheid, provincies, gemeenten, maatschappelijke organisaties, onderwijs en wetenschap)

• Arbeidsorganisaties en bedrijven, werkgevers- en werknemersorganisaties

• VN en Non Gouvernementale Organisaties (NGO's)

Indicatoren

De activiteiten van het Plan van aanpak emancipatie en integratie en het ESF programma Dagarrangementen en combinatiefuncties vinden plaats in de jaren 2005–2007. De indicatoren hebben betrekking op het jaar 2007.

 Streven 2007
Plan van aanpak emancipatie en integratie 
Aantal gemeenten waarmee afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop zij het emancipatie- en integratie-beleid op gemeentelijk niveau zullen stimuleren en faciliteren (prestatieindicator)30
Aantal allochtone vrouwen, die, i.s.m. de G30, worden bereikt met de verschillende instrumenten uit het plan van aanpak «Emancipatie en Integratie» (prestatieindicator)200 000
Aantal allochtone vrouwen, die zijn gestart met activiteiten die leiden tot maatschappelijke participatie (van vrijwilligerswerk tot intrede op de arbeidsmarkt) (prestatieindicator)20 000
ESF programma Dagarrangementen en combinatiefuncties 
Aantal samenwerkingsprojecten met gemeenten en organisaties rondom de lokale sociale infrastructuur (prestatieindicator)100
Aantal gecreëerde combinatiefuncties in onderwijs, opvang, welzijn en sport (prestatieindicator)1 000

Kengetallen

 2004200520062007
Aantal projectsubsidies aan organisaties i.h.k.v. de Subsidieregeling Emancipatieprojecten 45minimaal 35minimaal 35minimaal 35
Aantal experimenten en implementatietrajecten i.h.k.v. de Subsidieregeling DagindelingESF-3   250 in de periode 2003–2007

Bron: SZW-administratie

Verwijzingen beleidsstukken

• Emancipatiemonitor 2004 (TK 2004–2005, 27 061, nr. 32)

• Vierde CEDAW rapportage

• CSW evaluatie «The Netherlands Ten Years after Beijing»

• Plan van aanpak emancipatie en integratie (TK 2003–2004, 29 203 nr. 3)

• Kabinetsstandpunt Dagindeling (TK 2003–2004, 29 769 nr. 1)

• Subsidieregeling Dagindeling ESF-3 (Staatscourant 2002, nr. 211 pag. 13)

• Subsidieregeling Emancipatieprojecten (Staatscourant 2003, nr. 250 pag. 37)

• Tijdelijke stimuleringsregeling emancipatie vrouwen uit etnische minderheidsgroepen (Staatscourant 2004, nr. 189 pag. 16)

Overzicht beleidsdoorlichtingen en effectonderzoeken
Soort onderzoekOnderwerpStartAfgerond
BeleidsdoorlichtingenVerbreden en verdiepen van het emancipatieproces (OD 2)20062006
Evaluatieonderzoek naar de effecten van beleidgeen  
Overige beleidsevaluaties (waaronder ex ante)Evaluatie duurzaam integreren man/vrouw perspectief20062006

4. DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

97 Aflopende regelingen

Voor de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal afgesloten regelingen is in de begroting een aparte voorziening getroffen. Het gaat hier uitsluitend om na-declaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 97.1: Begrotingsuitgaven artikel 97 (x €1 000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen13 9487 487190000
Uitgaven13 9087 669201182182182182
        
Programmauitgaven13 7197 516182182182182182
Waarvan juridisch verplicht  100%100%100%100%100%
Afgesloten Regelingen3      
Regeling Ex-Mijnwerkers182182182182182182182
IHS-Banenpools817      
Ondersteuning vorming BVG'en11 8277 109     
Overig afwikkeling SUWI890225     
        
Apparaatsuitgaven189153190000
Personeel 5918    
Materieel 31    
Agentschap SZW18991     
        
Ontvangsten27 647200000000

Financiële afwikkeling afgesloten regelingen

De wet Werkloosheidsvoorziening is financieel afgewikkeld. Het gaat hier uitsluitend om na-declaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

Regeling ex-mijnwerkers

De Regeling vervroegde uittreding ex-mijnwerkers en de Silicoseregeling mijnwerkers zijn financieel afgewikkeld. Per 1 januari 2000 zijn alle rechthebbenden uitgestroomd, zodat uitsluitend nog nabetalingen worden verantwoord. Op deze voorziening wordt tevens de Rijksbijdrage aan het algemeen mijnwerkersfonds verantwoord.

IHS-banenpools

In verband met koopkrachtverlies voor ex-banenpoolers is in 1999 een afbouwregeling gecreëerd met een looptijd van 3 jaar met als doel koopkrachtreparatie van optredende negatieve koopkrachteffecten. Op deze voorziening worden uitsluitend eventuele nabetalingen verantwoord.

Ondersteuning vorming Bedrijfsverzamelgebouwen (BVG-en)

De tijdelijke stimuleringsregeling bedrijfsverzamelgebouwen bestaat uit twee subsidies, een startsubsidie en een vervolgsubsidie. De vaststelling van de startsubsidies en de verlening van de vervolgsubsidie zijn in 2004 afgerond. De vaststelling van de vervolgsubsidie, na opening van het bedrijfsverzamelgebouw, wordt tot en met het jaar 2009 voorzien. De regeling wordt uitgevoerd door het Agentschap SZW.

Afwikkeling overige uitgaven in verband met de implementatie van de SUWI-structuur

De uitgaven in 2004 hadden betrekking op «Coördinatie reïntegratiemarkt».

98 Algemeen

Op dit artikel worden apparaatsuitgaven toegelicht die niet zijn toegerekend aan één van de andere beleidsartikelen. Op dit artikel worden verder de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen posten Handhaving, Primair proces, Subsidies, Voorlichting, Onderzoek en Waarborg en garanties toegelicht

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 98.1: Begrotingsuitgaven artikel 98 (x €1.000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
        
Verplichtingen303 177234 931216 773305 411306 309307 458307 429
Uitgaven298 686235 506219 099306 682306 280307 429307 429
        
Programmauitgaven19 14651 67454 13352 21251 74151 74151 741
Waarvan juridisch verplicht  15%5%0%0%0%
Handhaving3 80932 64831 76831 08031 08031 08031 080
Primair proces1 9621 241642542542542542
Subsidies4141 1126 0525 6355 5905 5905 590
Voorlichting5 4837 8384 9314 4243 9183 9183 918
Onderzoek7 4788 83510 74010 53110 61110 61110 611
Waarborg en garanties0000000
        
Apparaatsuitgaven279 540183 832164 966254 470254 539255 688255 688
Apparaatsuitgaven248 211157 928140 243229 758229 827230 976230 976
Bijdrage aan IWI31 32925 90424 72324 71224 71224 71224 712
        
Ontvangsten7 0385 3095 0245 0235 0205 0205 020

Programmauitgaven artikel 98

De programmauitgaven op dit artikel zijn Waarborg en Garanties, Primair proces, Subsidies, Voorlichting, Onderzoek en Beleidsinformatie en Handhaving. Delen van deze beleidsuitgaven kunnen worden toegerekend naar beleidsartikelen en zullen daar worden verantwoord. Indien van toepassing zal voor het behoud van een totaaloverzicht per uitgavencategorie inzicht worden gegeven in de totale omvang van de budgetten.

Handhaving

Het beleidsbudget voor handhaving op de begroting bedraagt € 46,6 miljoen, verdeeld over de artikelen 30 en 98. Van dit budget heeft € 23.9 miljoen betrekking op de uitvoering van het Handhavingsprogramma 2003–2006. Speerpunten zijn onder andre de bestrijding van zwarte fraude, identiteitsfraude en illegale tewerkstelling. Zie ook de beleidsagenda. Aan beleidsartikel 30 is € 14,8 miljoen toegerekend. Hiervan is € 10,6 miljoen gereserveerd voor intensiveringen uit het Handhavingsprogramma 2003–2006. Dit betreft onder meer de gemeentelijke maatregelen in het kader van de «Uitbreiding controle en opsporing».

Een bedrag van € 31,8 miljoen is niet aan beleidsartikelen toegerekend. Hiervan is een bedrag van € 13,3 miljoen geoormerkt voor intensiveringen uit het Handhavingsprogramma. Dit betreft onder meer de invoering van de bestuurlijke boete bij de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) en maatregelen in het kader van de voorkoming en bestrijding van Identiteitsfraude en Illegale tewerkstelling.

Voorlichting

Het totale budget bedraagt € 6,7 miljoen, waarvan € 4,9 miljoen centraal geraamd op artikel 98. De voorlichtingsuitgaven, die rechtstreeks aan een beleidsdoelstelling kunnen worden toegerekend, worden onder het desbetreffende beleidsartikel verantwoord.

Subsidies

Het totale subsidiebudget van SZW bedraagt in 2006 € 67,2 miljoen. Hiervan wordt € 61,1 miljoen toegerekend aan beleidsartikelen en € 6,1 miljoen centraal geraamd op artikel 98. Voor een totaaloverzicht van alle SZW subsidiemiddelen verwijs ik naar hoofdstuk 13 Bijlage subsidies.

Garanties aan instellingen

De kredietgarantie aan de Stichting Werkenrode te Groesbeek is per 1 maart 2005 vervallen.

Apparaatsuitgaven

Het totale apparaatsuitgavenbudget in 2006 van SZW bedraagt € 238,8 miljoen en bestaat uit personele uitgaven, materieel, huisvesting en automatisering. Van het totale apparaatsbudget wordt € 98,5 miljoen toegerekend aan de beleidsartikelen. Op artikel 98 wordt € 140,3 miljoen verantwoord. De toedeling naar de beleidsartikelen in 2006 is als volgt in de begrotingsstukken verwerkt:

Tabel 98.2: Toedeling personele en materiële budgetten naar artikelen (x € 1.000)
BeleidsartikelPersoneelMaterieelTotaal apparaat
21. Inkomensbeleid66738705
22. Activerend arbeidsmarktbeleid18 3812 61820 999
23. Reïntegratie2 9631433 106
24. Sociale Werkvoorziening963571 020
25. Arbeid en Zorg1 7572021 959
26. Overlegstructuren, CAO-vorming en Medezeggenschap3 2542243 478
27. Regulering Individuele Arbeidsrelaties1 9682232 191
28. Pensioenbeleid1 3511321 483
29. Arbeidsomstandigheden, Arbozorg en Verzuim40 8945 98546 879
30. Inkomensbescherming met activering6 6722756 947
31. Inkomensbescherming arbeidsongeschiktheid3 9911634 154
32. Overige Inkomensbescherming75331784
33. Tegemoetkoming specifieke kosten1 236481 284
34. Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW89036926
35. Emancipatie2 2183802 598
97. Aflopende regelingen18119
98. Algemeen – personeel en materieel67 58717 17184 758
98. Algemeen – huisvesting 35 21835 218
98. Algemeen – automatisering 20 26720 267
    
Totaal apparaatuitgaven155 56383 212238 775

De bijdrage van het moederdepartement aan het Agentschap SZW van € 8,0 miljoen (artikel 23) en de bijdrage aan IWI van € 24,7 miljoen (artikel 98) zijn buiten deze berekening gehouden.

Bijdrage aan IWI

De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) houdt onafhankelijk toezicht op de uitvoeringsinstanties die de werknemers- en volksverzekeringen uitvoeren en op de gemeentebesturen, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de sociale voorzieningen. De bijdrage in 2006 aan de baten-lastendienst IWI van € 24,7 miljoen is begroot op artikel 98. In het hoofdstuk «Diensten die een baten-lastenstelsel» voeren, is de begroting van baten en lasten en het kasstroomoverzicht van IWI opgenomen. Het jaarplan 2006 van de Inspectie is opgesteld vanuit het perspectief van de werkzoekende burger. Wat de aard van haar toezichtproducten betreft wil de Inspectie meer dan voorheen de nadruk leggen op oordelen over de doeltreffendheid van de uitvoering. Daarnaast bezint de Inspectie zich op de vraag hoe zij ten behoeve van de Minister de meerwaarde van haar producten verder kan verhogen.

99 Nominaal en onvoorzien

Op dit artikel worden de uitgaven geparkeerd voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 99.1: Begrotingsuitgaven artikel 99 (x €1.000)
Artikelonderdeel2004200520062007200820092010
Verplichtingen027469616213392
Uitgaven027469616213392
        
Programmauitgaven027469616213392
Onvoorzien       
Loonbijstelling 27469616213392
Prijsbijstelling       
        
Ontvangsten0000000

Onvoorzien

De grondslag ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen.

Loonbijstelling

Op dit onderdeel wordt de loonbijstelling verwerkt in het kader van algemene salarismaatregelen, incidentele loonontwikkeling en overige specifieke maatregelen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en premies sociale zekerheid. Het artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» totdat de loonbijstelling toegedeeld kan worden aan de relevante beleidsartikelen.

Prijsbijstelling

Op dit onderdeel worden de uit de aanvullende post prijsbijstelling ontvangen bedragen geboekt tot toerekening plaatsvindt aan prijsgevoelige begrotingsartikelen. Dit artikel heeft het karakter van een «parkeerartikel» totdat toerekening kan plaatsvinden naar relevante beleidsartikelen.

5. BEDRIJFSVOERING

De interdepartementale ontwikkelingen op het terrein van de bedrijfsvoering beïnvloeden de eigen bedrijfsvoering van SZW. In deze paragraaf wordt van enkele belangrijke bedrijfsvoeringsaspecten aangegeven hoe SZW aansluit op deze ontwikkelingen.

HRM-functie binnen SZW

In 2006 zal een tweetal ontwikkelingen van grote invloed zijn op de departementale Human Resource Management (HRM)-functie. Ten eerste worden in 2006 voorbereidingen getroffen om de transitie van de departementale personeels- en salarisadministratie naar P-direkt in goede banen te leiden. Ten tweede zal gedurende de opbouwfase van het rijksbrede samenwerkingsverband Ontwikkel- en Expertisecentrum (OC-EC) in 2006 bezien worden welke HRM-experttaken SZW gaat bundelen per 1 januari 2007. Beide ontwikkelingen leiden tot een heroriëntatie van de HRM-functie op het departement, zowel in werkwijze als in organisatie.

Interdepartementale samenwerking op het gebied van inkoop

Professionalisering van inkoop binnen SZW vindt actief plaats in samenwerking en afstemming met de projectdirectie Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) van het ministerie van Economische Zaken. SZW concentreert zich op de door PIA geformuleerde elementen van professionalisering. SZW zal participeren in 8 productgroepen van het Programma Inkoop Taakstelling (PIT), alsmede de volgende aanbestedingstrajecten, indien op deze terreinen interdepartementale samenwerking tot stand komt:

• Beveiliging (dienstverlening en hardware);

• Catering;

• Hoogvolume zwart-wit kopieermachines;

• Inkoopsystemen;

• Arbodienst.

Voorts is SZW in het kader van PIA betrokken bij de plannen een shared service centre voor de publieksvoorlichting (Postbus 51) op te richten.

Huisvesting

In het kader van de doelstellingen van het Programma Inkoop Taakstelling (PIT) en het traject Professioneel Inkopen en Aanbesteden (PIA) met betrekking tot de reductie van de huisvestingskosten, wordt met ingang van 2006 circa 4500 m2 kantoorruimte afgestoten. Op basis van nader onderzoek wordt besloten over aanvullende afspraak.

Rijksbrede werkplek

SZW neemt, met 5 andere departementen, actief deel aan de ontwikkeling van een «rijksbrede werkplek», (het ontwikkelen van dezelfde functionaliteit qua kantoorautomatisering voor de betrokken departementen); naar verwachting zal deze in de loop van 2007 worden gerealiseerd.

Ook in de ontwikkeling van «Rijksweb», functionaliteit via internet voor meerdere departementen, wordt geparticipeerd.

Communicatie

SZW heeft een nieuw concept ontwikkeld om beleidsinformatie overzichtelijk en efficiënt op internet aan burgers en andere doelgroepen aan te bieden. In zogenaamde beleidsdossiers wordt alle informatie die rond een bepaald beleidsonderwerp/-thema beschikbaar is, gerangschikt op documenttype aangeboden; van voorlichtingstekst tot wettekst, van meest gestelde vraag tot onderzoeksrapport. Eind 2005 wordt een begin gemaakt met het aanbieden van de meer dan honderd beleidsdossiers op de verschillende internetloketten. De winst voor de burger bestaat eruit dat per onderwerp alle beschikbare informatie overzichtelijk wordt aangereikt.

Digitaal verantwoordingssysteem

Het digitaal verantwoordingssysteem (DVS) zal het in 2006 mogelijk maken voor gemeenten om hun verantwoordingsinformatie op digitale wijze bij het departement aan te leveren.

6. DIENSTEN DIE EEN BATEN-LASTENSTELSEL VOEREN

In dit hoofdstuk worden de twee baten-lastendiensten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegelicht: het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen.

6.1 AGENTSCHAP SZW

Tabel 6.1.1 Begroting van baten en lasten Agentschap SZW (x € 1.000)
 realisatie 2004na 1e sup200520062007200820092010
Baten       
Opbrengsten moederdepartement117 38215 70013 42210 3577 7257 5627 568
Opbrengst overige departementen      
Opbrengst derden      
Rentebaten6121124118114107101
Buitengewone baten666      
Exploitatiebijdrage389      
Totaal baten18 49815 72113 54610 4757 8397 6697 669
        
Lasten       
Apparaatskosten       
– personele kosten9 78811 4369 8357 6625 7185 7185 718
– materiële kosten3 8033 9013 3552 6141 9511 9511 951
Rentelasten7373563910  
Afschrijvingskosten       
– Materieel641151156060  
– Immaterieel147185185100100  
Dotaties voorzieningen      
Buitengewone lasten157      
Totaal Lasten14 03115 71013 54610 4757 8397 6697 669
        
Saldo van baten en lasten4 4671100000

1 Bij het bepalen van de opbrengsten moederdepartement is op dit moment alleen uitgegaan van de uitvoering van de huidige regelingen. Gelet op de afloop van de regelingen laat dit een afnemend beeld zien.

Algemeen

Het Agentschap SZW voert subsidieregelingen uit op sociaal-economische beleid, in het bijzonder op het gebied van Werk en Inkomen. Het gaat daarbij om zowel nationale als internationale (ESF) subsidieregelingen. De programmaperiode van de Europese regelingen loopt tot en met 2006. De verwachting is dat de omvang van de organisatie na afloop van deze periode zal slinken. Dat vindt zijn neerslag in de meerjarencijfers.

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst van het moederdepartement wordt gegenereerd door uitvoering van 9 regelingen; ESF-doelstelling 3, EQUAL, ID-banen, Mut Bijstand Buitenland, Farbo, Stimuleren Leeftijdsbewust Beleid, Stimuleringsregeling Bedrijfsverzamelgebouwen (BVG), Klantmanagement en Tijdelijke Stimuleringsregeling Samenwerkingsverband Abw (TSS Abw). De uitvoering van ESF 94-99 wordt in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de directie ABG gedaan.

Rentebaten

De rentebaten worden ontvangen over de liquide middelen op de Rekening Courant bij het Ministerie van Financiën. Het gehanteerde rentepercentage bedraagt 2,5.

Buitengewone baten

Het Agentschap SZW verwacht dat geen buitengewone baten gerealiseerd zullen worden.

Exploitatiebijdrage

Een exploitatiebijdrage van het moederministerie heeft (in de regel) een tijdelijk karakter. De verwachting is dat het Agentschap SZW vanaf 2005 geen exploitatiebijdrage zal ontvangen.

Lasten

Personele kosten

De belangrijkste kostendrager voor het Agentschap SZW zijn de personele kosten. Het verloop van de regelingen en hiermee het aantal activiteiten bepaalt in hoge mate de ontwikkeling in de personele kosten. Het Agentschap SZW gaat voor de ontwikkeling in de personele kosten uit van een geleidelijke afbouw naar 2008.

Materiële kosten

De materiele kosten zijn volgend aan de personele kosten. De materiele kosten bestaan uit huisvestingskosten, automatiseringskosten en overige kosten (kantoorkosten, voorlichting & communicatie en advies & onderzoek).

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op vier investeringsleningen, twee voor (hoofdzakelijk) immateriële en twee voor (hoofdzakelijk) materiële activa. De leningen voor immateriële activa kennen een looptijd van vijf jaar en de rentepercentages zijn 3,72 en 3,22. De lening voor materiële activa heeft een looptijd van drie jaar en de geldende rentepercentages zijn 3,35 en 2,69.

Afschrijvingskosten

Bij de materiële activa wordt een afschrijvingstermijn van drie jaar gehanteerd en bij de immateriële activa is de termijn vijf jaar. In 2003 en 2004 is door het Agentschap SZW geïnvesteerd in materiële en immateriële activa en deze investeringen zijn van invloed op de afschrijvingskosten in 2005 en volgende jaren.

Dotaties aan voorzieningen

Het Agentschap SZW verwacht dat er in 2006 geen dotaties aan voorzieningen zullen worden gedaan.

Buitengewone lasten

Het Agentschap SZW verwacht dat geen buitengewone lasten zullen worden gerealiseerd.

Saldo van baten en lasten.

Het saldo van baten en lasten zal in het jaar van ontstaan opgenomen worden in het onverdeelde resultaat. In het jaar daarop wordt het resultaat verwerkt in overeenstemming met het besluit van de eigenaar.

Tabel 6.1.2: Kasstroomoverzicht Agentschap SZW (x € 1.000)
  realisatie2004200520062007200820092010
1Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito)5 0606 3005 0714 8504 6294 4774 100
         
2Totaal operationele kasstroom1 922311300160160
         
3a–/– Totaal investeringen– 252
3b+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen110
3Totaal investeringskasstroom– 142000000
         
4a–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement– 1 000– 377– 98
4b+ /+ eenmalige storting door moederdepartement
4c–/– aflossingen op leningen– 540– 540– 521– 381– 312
4d+ /+ beroep op leenfaciliteit
4Totaal financieringskasstroom– 540– 1 540– 521– 381– 312– 377– 98
         
5Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)6 3005 0714 8504 6294 4774 1004 002

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom wordt bepaald door de geschatte investeringen in materiële en immateriële activa. Het Agentschap SZW verwacht in de nabije toekomst geen grote investeringen te doen.

Financieringskasstroom

De eenmalige storting aan het moederdepartement komt ten laste van het Eigen Vermogen. De aflossing op leningen heeft betrekking op de aflossing van de lopende leningen.

6.2 INSPECTIE WERK EN INKOMEN

Tabel 6.2.1: Begroting baten en lasten
 2004200520062007200820092010
Baten       
Opbrengst moederdepartement27 47925 90424 72324 71224 71224 71224 712
Opbrengst overige departementen
Opbrengst derden
Rentebaten1361004545454545
Buitengewone baten1 048
Exploitatiebijdrage
        
Totaal baten28 66326 00424 76824 75724 75724 75724 757
        
Lasten       
Apparaatskosten       
• Personele kosten18 03317 23018 55018 43118 43118 33118 331
• Materiële kosten7 4455 5215 8455 7455 7455 7455 745
Rentelasten
Afschrijvingskosten       
• Materieel1721491301201108575
• Immaterieel
Dotaties voorzieningen1 796125135140148156165
Buitengewone lasten439
Totaal lasten27 88523 02524 66024 43624 43424 31724 316
        
Saldo van baten en lasten7782 979108321323440441

De kolom 2004 in de tabel bevat de cijfers uit de jaarrekening 2004 van de inspectie.  De kolom 2005 bevat recente ramingen van de baten en lasten.

Toelichting bij de begroting van baten en lasten over het jaar 2006

Baten

Opbrengst moederdepartement

De opbrengst moederdepartement is gebaseerd op het meest actuele budgettaire kader voor IWI. In de tarievennota, die de inspecteur-generaal eind 2005 met de secretaris-generaal zal bespreken, worden de toezichtproducten, zoals genoemd in het jaarplan 2006, nader uitgewerkt en wordt de kostprijs per product inzichtelijk gemaakt.

Eind 2004 is met het moederdepartement afgesproken dat de kosten van de IG, het Bureau IG en de afdeling Facility Management van IWI die betrekking hebben op de AI en dus niet aan de producten van IWI kunnen worden toegerekend, los van de producten, maar binnen het budgettaire kader voor IWI worden gefinancierd. Deze kosten maken deel uit van de begroting voor 2006 en volgende jaren en worden begroot op ruim € 670 000.

Rentebaten

De rentebaten hebben betrekking op de rekening courant en de depositorekeningen bij het Ministerie van Financiën. Het rentepercentage op de rekening courant is variabel en voor deposito's afhankelijk van de looptijd.

Lasten

Algemeen

De lasten bestaan uit de apparaatskosten (personele en materiële kosten), de afschrijving van materiële vaste activa en een dotatie aan de voorzieningen.

Apparaatskosten

Personele kosten

De personele kosten bestaan voor € 15.920 000 uit de salariskosten, € 800 000 voor de inhuur van externe deskundigen, € 300 000 voor uitbestede onderzoeken, € 470 000 voor rechtspositionele regelingen, € 500 000 voor opleidingen en € 560 000 voor overige personeelskosten.

Voor de uitvoering van het jaarplan 2006 van de inspectie wordt uitgegaan van een volledige bezetting van de primaire formatieplaatsen. In lijn hiermee is begroting 2006 gebaseerd op een volledige bezetting van de formatie van de inspectie. De formatie 2006 bedraagt 239 fte's. Dit is inclusief de verwerking van de efficiencytaakstelling «Bedrijfsvoering SZW inspecties». Als gevolg van deze taakstelling neemt de formatie in 2007 verder af met 2 fte's.

De raming van de salariskosten 2005 is gebaseerd op een verwachte gemiddelde bezetting van 224,0 fte's en komt daardoor aanmerkelijk lager uit dan de begroting 2006.

De begrotingspost voor inhuur van externe deskundigen is, mede als gevolg van het terughoudende beleid op dit gebied, teruggebracht met € 200 000 tot € 800 000.

Ter bevordering en facilitering van de mobiliteit van de medewerkers van de inspectie is voor de jaren 2006 tot en met 2008 een begrotingsvoorziening opgenomen van  €100 000. Dit bedrag kan aangewend worden voor opleiding, training, coaching, begeleiding en financiële faciliteiten inzake mobiliteit.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor € 1 090 000 uit automatiseringskosten, € 3 395 000 voor huisvestingskosten en € 1 360 000 voor bureaukosten.

De automatiseringskosten betreffen in hoofdzaak de service level agreement (SLA) die de inspectie heeft afgesloten met de directie ICT Diensten van het moederdepartement. In hoofdzaak als gevolg van gedaalde tarieven komt deze begrotingspost aanmerkelijk lager uit. Tevens wordt getracht om het aantal laptop pc's verder terug te brengen. Hiertegenover staat een stijging van de kosten van automatisering ten behoeve van de vervanging van het centraal managementondersteunende systeem van IWI. De inspectie zal zoveel mogelijk aanhaken bij de departementale ontwikkelingen, maar zal waar dit onvermijdelijk is haar eigen afwijkende keuzen maken. In 2006 is hiervoor € 300 000 opgenomen met een doorwerking van € 200 000 voor de jaren erna.

Voornamelijk als gevolg van de overheveling van budgetruimte voor de huur van het AI-deel van het CentreCourt aan de directie Algemene Zaken van het moederdepartement nemen de begrote huisvestingskosten af met ruim € 900 000.

De bureaukosten betreffen de kosten van kantoormachines, benodigdheden, interne informatievoorziening, voorlichting, dienstreizen en catering. Deze kosten worden voor 2006, mede op basis van de ramingen voor 2005, ruim 10% lager begroot dan begroot voor 2005.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingstermijnen voor materiële vaste activa zijn afhankelijk van de economische levensduur van de activaposten 3, 5 of 8 jaar. De afschrijvingskosten zijn gebaseerd op de medio 2005 in gebruik zijnde activa.

Dotaties voorzieningen

In 2006 zal circa € 135 000 gedoteerd worden aan de voorziening voor huisvestingskosten voor het in de oorspronkelijke staat terugbrengen van het CentreCourt aan het eind van de huurovereenkomst.

Saldo van baten en lasten

Op grond van een recente raming van de baten en lasten in 2005 wordt een positief saldo van baten en lasten geraamd van bijna € 3,0 miljoen, dit is in vergelijking met de begroting 2005 een toename met € 2,2 miljoen. Deze toename ontstaat door de lagere salariskosten als gevolg van openstaande vacatures, lagere uitgaven voor de inhuur van externe deskundigen en lagere uitgaven voor materiële kosten. Bij de bepaling van het saldo van baten en lasten is uitgegaan van een opbrengst moederdepartement overeenkomstig het budgettaire kader 2005 voor IWI. De te realiseren opbrengst van het moederdepartement is afhankelijk van de in 2005 op te leveren toezichtproducten.

Tabel 6.2.2: Kasstroomoverzicht IWI
  realisatie2004200520062007200820092010
1Rekening courant RIC 1 jan.21 14717 93115 14410 4518 7867 4786 562
         
2Totaal operationele kasstroom–/– 3 116–/– 2 450–/– 1 757–/– 1 365–/– 932–/– 591–/– 225
         
         
 –/– Totaal investeringen–/– 100
 +/+ Totaal boekwaarde desinvesteringen
3Totaal investeringskasstroom–/– 100
         
 –/– Eenmalige uitkering aan moederdepartement–/– 337–/– 2 936–/– 300–/– 376–/– 325–/– 440
 +/+ Eenmalige storting door moederdepartement
 –/– Aflossing op leningen
 +/+ Beroep op leenfaciliteit
4Totaal financieringskosten–/– 337–/– 2 936–/– 300–/– 376–/– 325–/– 440
         
5Rekening courant ric 31 dec.17 93115 14410 4518 7867 4786 5625 897

De eenmalige uitkering aan het moederdepartement in 2006 betreft het deel van het verwachte positieve resultaat over 2005 dat op grond van de resultaatsverdeling 2005 zal terugvloeien naar het moederdepartement.

7. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Artikel 21: Inkomensbeleid

Opbouw uitgaven (€ 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005076200000
        
Nieuwe mutaties:007050000
1.Apparaatskostentoerekening P006670000
2.Apparaatskostentoerekening M00380000
        
Stand ontwerpbegroting 200607627050000

Nieuwe Mutaties:

1 en 2. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Artikel 22: Activerend arbeidsmarktbeleid

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005375 659384 105345 530338 801317 292316 292315 292
        
Mutatie Nota van Wijziging00– 1 495– 2 990– 2 990– 2 990– 2 990
        
Mutatie 1e suppletore begroting022 965– 336– 336– 5 336– 5 336– 5 336
        
Nieuwe mutaties:015519 1221 5771 3101 3051 305
        
Operationele doelstelling 2       
1.Naar OCW Project leren/werken0– 5 000– 5 0000000
        
Operationele doelstelling 3       
2.Herschikking tbv uitgaven PAVEM0– 43200000
3.Prijsbijstelling 20050239267261111
4.Voorlichting boetenregeling WAV020000000
        
Operationele doelstelling 4       
5.Indicatiestelling WSW (naar artikel 24)00– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000– 4 000
6.Indicatie no risk en premiekorting003 4452 7002 7002 7002 700
7.Prijsbijstelling01 4941 3941 3611 3561 3521 352
8.Loonbijstelling03 542505493491490490
9.Wettelijke taken van AI naar CWI0112112112112112112
10.Beheer en ontwikkeltaak BKWI001 400650650650650
        
Apparaatsuitgaven       
11.Apparaatskostentoerekening P0018 3810000
12.Apparaatskostentoerekening M002 6180000
        
Stand ontwerpbegroting 2006375 659407 225362 821337 052310 276309 271308 271

Nieuwe Mutaties:

1. Een overboeking naar OCW ten behoeve van duale trajecten, dit is onderdeel van de projectdirectie Leren & Werken.

2. Herschikking van middelen binnen de SZW begroting ten behoeve van het project «Participatie Vrouwen Etnische Minderheden». De uitgaven worden op artikel 98 verantwoord.

3 en 7. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

4. Herschikking binnen de SZW begroting ten behoeve van voorlichting over de WAV.

5. Alle middelen voor de indicatiestelling WSW zijn overgeheveld en apart zichtbaar gemaakt op artikel 24 WSW.

6. In het kader van de WIA dient CWI extra indicatiestellingen uit te voeren voor mensen uit het gemeentelijke domein.

8. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

9. De wettelijke taak om bedrijfsbezoeken af te leggen ter verifiëring van gegrondheid van aanvragen Werktijdverkorting is overgegaan van de Arbeidsinspectie naar het CWI. De hiermee gemoeide personeels- en materieeluitgaven worden overgeboekt.

10. Dit betreft extra budget voor BKWI in het kader van het ontwikkelen van SUWI-net.

11 en 12. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200528711 50014 60014 60014 60014 60014 600
        
Stand ontwerpbegroting 200628711 50014 60014 60014 60014 60014 600

Artikel 23: Reïntegratie

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20051 986 9071 872 1581 744 1321 708 4771 702 0171 699 0171 699 017
        
Mutatie Nota van Wijziging0– 25 00000000
        
Mutatie Amendement0– 20 00000000
        
Mutatie 1e suppletore begroting201118 949– 7 798– 9 698– 9 698– 9 698– 9 698
        
Nieuwe mutaties:0– 30 42038 31918 0102 4784 946– 1 051
        
Operationele doelstelling 1       
1.Budgettair neutrale herschikkingen0159248148148148148
2.Prijsbijstelling 200501 698985515455417417
3.Loonbijstelling 200507724939383838
4.Kasschuif onderbenutting Stimuleringsreg.0– 27 000018 0003 0006 0000
5.Uitfinanciering Stimuleringsregeling ID-banen0034 8000000
6.Scholingsprotocol02071 3701 34147900
7.Subsidie Cliëntenraden amendement Bakker0160160160000
8.Naar OCW Project Leren en Werken0– 2 62000000
9.Naar VWS Gezondheidsraad0– 7800000
10.Naar VWS operatie Jong0– 13900000
11.Uitvoeringskosten REA0– 3 606– 2 426– 2 227– 1 673– 1 688– 1 685
        
Apparaatsuitgaven       
12.Apparaatskostentoerekening P002 9630000
13.Apparaatskostentoerekening M001430000
14.Prijsbijstelling 20050272734313131
        
Stand ontwerpbegroting 20061 987 1081 915 6871 774 6531 716 7891 694 7971 694 2651 688 268

Nieuwe Mutaties:

1. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

2 en 13. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

3. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

4 en 5. De kasschuif en uitfinanciering zijn het gevolg van onderrealisatie en vertraging in de uitvoering van de stimuleringsregeling ID-banen.

De onderrealisatie wordt ingezet voor leerwerktrajecten met hetzelfde doel voor dezelfde doelgroep.

6. Dit betreft een toevoeging aan de reïntegratiemiddelen Wajong voor een pilot met scholingsprotocol door UWV, waarbij scholing separaat van trajectkosten wordt vergoed (TK 2004–2005, 28 719 nr. 22).

7. Dit betreft het Amendement Bakker, waarbij voor een periode van 3 jaren 160 000 per jaar voor projectsubsidie aan cliëntenraden beschikbaar komt (TK 2004–2005, 30 105 XV nr. 6).

8. Een overboeking naar OCW ten behoeve van het project Leren en Werken, waarvan het merendeel betrekking heeft op de Individuele LeerRekening (ILR).

9 en 10. Overboekingen naar VWS als SZW bijdragen in de kosten van de Gezondheidsraad en de Operatie Jong.

11. De uitvoeringskosten Reïntegratie voor de jaren 2005–2010 van het UWV zijn aangepast aan de hand van de realisaties van het UWV over 2004.

12 en 13. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005313 04039 701140 9904 8564 8564 8564 856
        
Mutatie 1e suppletore begroting043 00000000
        
Nieuwe mutaties:005 64415 64415 644– 4 356– 4 356
1.Ontvangsten Agenda voor de Toekomst0010 00020 00020 00000
2.Afboeken ontvangsten00– 4 356– 4 356– 4 356– 4 356– 4 356
        
Stand ontwerpbegroting 2006313 04082 701146 63420 50020 500500500

Nieuwe mutaties

1. Als gevolg van achterblijvende realisaties wordt verwacht dat een deel van de betaalde voorschotten bij de vaststellingen terug komt.

2. Het betreft hier een technische bijstelling die samenhangt met een andere administratieve verwerking van ontvangen technische bijstand vande Europese Commissie.

Artikel 24: Sociale werkvoorziening

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20052 184 9302 167 7152 181 3462 181 4172 181 4172 181 4172 181 417
        
Mutatie Amendement020 00000000
        
Mutatie 1e suppletore begroting098500000
        
Nieuwe mutaties:033 89030 22929 17829 15729 15729 157
1.Loonbijstelling 2005033 8905 2095 1785 1575 1575 157
2.Modernisering WSW0020 00020 00020 00020 00020 000
3.Indicatiestelling WSW (van artikel 22)004 0004 0004 0004 0004 000
        
Apparaatsuitgaven       
4.Apparaatskostentoerekening P009630000
5.Apparaatskostentoerekening M00570000
        
Stand ontwerpbegroting 20062 184 9302 222 5902 211 5752 210 5952 210 5742 210 5742 210 574

Nieuwe Mutaties:

1. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

2. Dit betreft de uitvoering van de motie Bussemaker. Ter compensatie van de verminderde inkomsten uit Spak en Vlw wordt structureel 20 miljoen toegevoegd aan het artikel. Deze middelen worden ingezet in het kader van de modernisering WSW.

3. De middelen voor de indicatiestelling WSW zijn apart zichtbaar gemaakt op dit artikel 24. Het CWI-budget van artikel 22 is naar dit artikel overgeheveld.

4 en 5. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005515 388444 629417 658417 698417 737417 843417 843
        
Stand ontwerpbegroting 2006515 388444 629417 658417 698417 737417 843417 843

Artikel 25: Arbeid en zorg

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005299 799775 918775 032760 674749 712749 712753 463
        
Mutatie 1e suppletore begroting015 420– 361– 361– 361– 361– 361
        
Nieuwe mutaties:0– 98 768148 314179 409216 787219 115222 615
        
Operationele doelstelling 1       
1.De pensioenkijker0– 25000000
        
Operationele doelstelling 2       
2.KO en inburgering0020 20020 20020 20020 20020 200
3.Loonbijstelling 200508 4301 3001 3001 3001 3001 300
4.Prijsbijstelling 200502 5532 5552 5312 5132 5132 513
5.Onderuitputting0– 116 584– 38 075– 19 039– 10 325– 9 599– 7 671
6.Intensivering Kinderopvang07 333188 134201 727203 349204 951206 523
7.Naar GF reguliere doelgroep SMI00– 17 440– 16 991000
8.Naar GF extra middelen doelgroep SMI00– 10 069– 10 069000
9.Budgettair neutrale herschikkingen0– 250– 250– 250– 250– 250– 250
        
Apparaatsuitgaven       
10.Apparaatskostentoerekening P001 7570000
11.Apparaatskostentoerekening M002020000
        
Stand ontwerpbegroting 2006299 799692 570922 985939 722966 138968 466975 717

Nieuwe Mutaties:

1. Budgettair neutrale herschikking van het voorlichtingsbudget naar het subsidiebudget op artikel 98 ten behoeve van de «Pensioenkijker».

Deze instelling verzorgt voorlichting over pensioenen.

2. Naar aanleiding van een brief van de Minister van V&I van december 2004 over de herziening van het inburgeringsstelsel is de raming voor de uitgaven voor kinderopvang van inburgeraars opwaarts bijgesteld.

3. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

4. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

5. Op basis van realisatiegegevens van de Belastingdienst is de raming neerwaarts bijgesteld.

6. Budgettaire doorwerking van de intensivering kinderopvang met € 200 mln vanaf 2006.

7 en 8. Overboekingen naar het Gemeentefonds ten behoeve van de reguliere doelgroep kinderopvang met een sociaal-medische indicatie en de uitbreiding van deze doelgroep.

9. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

10 en 11. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200510 08910 00000000
        
Mutatie 1e suppletore begroting04 00000000
        
Nieuwe mutaties:011 8005 0000000
1.Restituties011 80000000
2.Extra ontvangsten005 0000000
        
Stand ontwerpbegroting 200610 08925 8005 0000000

Nieuwe Mutaties:

1. De gerealiseerde terugontvangsten op de afrekening van de KOA-regeling en de RKB-regeling over eerdere jaren blijken hoger dan geraamd.

Artikel 26: Overlegstructuren, collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en medezeggenschap

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200504 385525500500500500
        
Mutatie 1e suppletore begroting292302710000
        
Nieuwe mutaties:0– 3143 3813333
1.Budgettair neutrale herschikkingen0– 320– 1000000
2.Prijsbijstelling 20050633333
        
Apparaatsuitgaven       
3.Apparaatskostentoerekening P003 2540000
4.Apparaatskostentoerekening M002240000
        
Stand ontwerpbegroting 20062924 1014 177503503503503

Nieuwe Mutaties:

1. Budgettair neutrale herschikking binnen de SZW begroting.

2. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

3 en 4. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Artikel 27: Regulering individuele arbeidsrelaties

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200502 28800000
        
Mutatie 1e suppletore begroting0538438338438438438
        
Nieuwe mutaties:002 1910000
1.Apparaatskostentoerekening P001 9680000
2.Apparaatskostentoerekening M002230000
        
Stand ontwerpbegroting 200602 8262 629338438438438

Nieuwe Mutaties:

1 en 2 Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Nieuwe mutaties:01 8001 8001 8001 8001 8001 800
1.Overheveling boetes ATW01 8001 8001 8001 8001 8001 800
        
Stand ontwerpbegroting 200601 8001 8001 8001 8001 8001 800

1. De boete ontvangsten Arbeidstijdenwet (ATW) werden geraamd op artikel 29. Vanaf de begroting 2006 worden deze opbrengsten verantwoord op dit artikel.

Artikel 28: Pensioenbeleid

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200501 06300000
        
Nieuwe mutaties:001 4830000
1.Apparaatskostentoerekening P001 3510000
2.Apparaatskostentoerekening M001320000
        
Stand ontwerpbegroting 200601 0631 4830000

Nieuwe Mutaties:

1 en 2 Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Artikel 29: Arbeidsomstandigheden, arbozorg en verzuim

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200543 49297 15144 32334 06723 69920 82520 825
        
Mutatie 1e suppletore begroting5314 095– 199– 204– 15988
        
Nieuwe mutaties:0– 54648 304589374344344
        
Operationele doelstelling 1       
1.Prijsbijstelling 20050121110111119111111
2.Loonbijstelling 200501151313141313
3.Budgettair neutrale herschikkingen0442984964964964964
4.Gezondheidsraad00200200200200200
5.MAC waarden004000000
6.Lagere uitgaven Arboconvenanten0– 1 90000000
        
Operationele doelstelling 2       
7.Prijsbijstelling 20050374331217745353
8.Loonbijstelling 20050996555
9.Budgettair neutrale herschikkingen0– 27– 1 022– 1 002– 1 002– 1 002– 1 002
10.Van VWS subsidie STECR032040080000
        
Apparaatsuitgaven       
11.Apparaatskostentoerekening P0040 8940000
12.Apparaatskostentoerekening M005 9850000
        
Stand ontwerpbegroting 200644 023100 70092 42834 45223 91421 17721 177

Nieuwe Mutaties:

1 en 7. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

2 en 8. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

3 en 9. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

4. Structureel hoger aanbod van nieuwe te onderzoeken stoffen (Europese verplichting).

5. Eenmalige kosten vanwege overgang van publieke naar private vaststelling van MAC waarden.

6. Verwerking van recente informatie vanuit branches met arboconvenanten.

10. Overboeking naar VWS in verband met een SZW bijdrage in de kosten van de Stichting Expertisecentrum voor Reïntegratie.

11 en 12. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20056 7986 8846 8846 8846 8846 8846 884
        
Nieuwe mutaties:0– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800
1.Overheveling boetes ATW0– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800– 1 800
        
Stand ontwerpbegroting 20066 7985 0845 0845 0845 0845 0845 084

Nieuwe Mutaties:

1. De boete ontvangsten ATW worden verantwoord op artikel 27. De raming is daar naar toe overgeboekt.

Artikel 30: Inkomensbescherming met activering

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20055 175 9425 302 4705 422 0255 522 2725 477 3935 476 8115 517 573
        
Mutatie Nota van Wijziging0– 68 000– 2 3004 50010 80013 00013 000
        
Mutatie 1e suppletore begroting0– 281 122– 241 932– 362 097– 367 847– 366 806– 382 743
        
Nieuwe mutaties:059 252– 412 389– 478 196– 415 534– 388 760– 337 483
        
Operationele doelstelling 1       
WWB       
1.Uitboeken aanscherping referte eis0– 12 629– 33 912– 52 453– 64 332– 69 953– 70 754
2.Uitboeken afschaffen verlaagde wekeneis0– 446– 1 802– 3 153– 4 977– 6 802– 6 756
3.Doorwerking WW-plannen collectieve sector0– 994– 8 382– 9 678– 10 511– 10 963– 11 009
4.WIA002 0003 5007 00011 00015 500
5.Nieuwe reeks SER pakket WWweglek0012 00064 800100 800118 728138 336
6.Prijsmutaties en prijsbijstelling 200507 4536 8835 8525 3634 9294 729
7.Realisatie 2004 prijs0– 36 513– 48 125– 64 596– 20 258– 21 022– 56 186
9.Bijstelling volume WWB 65+087– 1 802– 3 231– 4 604– 6 41027 535
10.Aanpassing conjunctuur0– 21 743– 97 204– 93 959– 85 093– 84 510– 84 344
11.Aanpassing weglekreeks herkeuringen000– 10 000– 25 000– 10 0000
12.Uitstel invoering kinderalimentatie050 00000000
13.Actualisering raming Kinderalimentatie0050 00030 00030 00030 00030 000
14.Doorwerking uitvoering 200500– 232 990– 232 990– 232 990– 232 990– 232 990
15.Uitboeken afschaffen kortdurende uitkering00– 98 961– 100 407– 100 407– 100 407– 100 407
16.Doorwerking afschaffen WAZ00– 600– 2 500– 5 300– 8 700– 12 900
17.Loonbijstelling 2005028 32029 90029 83029 81030 13030 630
18.Ingroei sociale wetgeving/inburgering00– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000– 5 000
IOAW       
21.Volumeaanpassing obv realisatie 20040– 5 400– 7 200– 7 200– 7 200– 7 200– 7 200
22.WIA – ramingsbijstelling00– 13 000– 61 500– 58 000– 57 000– 55 500
23.Effecten SER plannen WW06001006 4007 40012 50037 500
24.Weglek afschaffing VVU02 2004 4006 1007 8008 6009 300
25.Loonbijstelling 200508491 0001 0701 1181 2501 310
IOAZ       
26.Doorwerking afschaffen WAZ00– 600– 2 500– 5 300– 8 700– 12 900
27.Loonbijstelling 200500180220260290320
28.Prijsbijstelling 20050888888
Bijstandzelfstandigen       
29.Nabetalingen 2004010 50000000
30.Prijsbijstelling 20050919493939393
31.Bijstelling nav analyse gemeenten023 60027 00027 00027 00027 00027 000
Overig       
32.Bezwaarschrift Amsterdam012 80300000
33.Kasschuif DVS0– 3343340000
34.Jaarlijkse uitgaven voor toetsingscommissie0250250250250250250
Handhaving       
35.Naar belastingdienst uitvoeringskosten EDM00– 2 750– 3 800– 3 500– 3 500– 3 500
36.Budgettair neutrale herschikkingen0– 186– 43– 43– 43– 43– 43
37.Prijsbijstelling 20050896071717171
38.Loonbijstelling 200503393440404040
39.Beheer en ontwikkeltaak BKWI00– 1 400– 650– 650– 650– 650
Subsidies       
40.Prijsbijstelling 20050100000
41.Subsidie cliëntenraden0– 160– 160– 160000
Voorlichting       
42.Budgettair neutrale herschikkingen011000000
        
Operationele doelstelling 3       
43.Loonbijstelling 20050180140140140140150
44.Prijsbijstelling 20050181818181818
        
Operationele doelstelling 4       
45.Loonbijstelling 20050222222
46.Prijsbijstelling 20050655544
47.Uitvoeringskosten TBIA0– 258– 225– 185– 206– 166– 140
        
Operationele doelstelling 5       
48.Loonbijstelling 200501061021005000
49.Uitkering bij scholing03003003006002000
50.Prijsbijstelling 200501341000
51.Uitvoeringskosten TRI0– 1069930
        
Apparaatsuitgaven       
52.Apparaatskostentoerekening P006 6720000
53.Apparaatskostentoerekening M002750000
        
Stand ontwerpbegroting 20065 175 9425 012 6004 765 4044 686 4794 704 8124 734 2454 810 347

Nieuwe Mutaties:

1, 2, 3, 5, Ramingsbijstellingen als gevolg van wijzigingen in de WW.

15, 23 en 24

4 en 22. Ramingsbijstellingen als gevolg van WIA.

6. Ramingsbijstelling als gevolg van ontwikkelingen in de gemiddelde uitkering en prijsbijstelling 2005.

7. Uitvoeringsbijstelling agv wijziging gemiddelde prijs 2004

28, 30, 37,40, 44, 46 en 49. De ramingen zijn bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

9. Ramingsbijstelling volume WWB 65+

10. Ramingsbijstelling agv cijfers CPB over werkloze beroepsbevolking die volgens de ramingsregel leiden tot bijstelling WWB-volume.

11. Als gevolg van herkeuringsoperatie arbeidsongeschikten ontstaat weglek naar bijstand

12 en 13. Ramingsbijstelling kinderalimentatie wegens uitgestelde inwerkingtreding nieuwe wet en volumedaling alleenstaande ouders sinds SA/HA.

14. Doorwerking uitvoering 2005. Uitvoeringsgegevens worden niet verwerkt in de budgetraming van 2005 conform de in de wet beoogde prikkelwerking voor gemeenten.

16 en 26. Ramingsbijstelling wegens afschaffinng WAZ.

17, 25, 27, 38, 43, 45 en 47. De ramingen zijn aangepast voor de loonbijstelling 2005.

18. Ramingsbijstelling wegens migratie en ingroei sociale zekerheid.

21. Doorwerking realisatie 2004.

29. Nabetalingen 2004 BBZ.

31. Ramingsbijstelling op basis van realisaties volume- en prijsontwikkeling.

32. Nabetalingen beroep en bezwaar.

33. Budgettair neutrale kasschuif in verband met wijzigingen in het tijdpad inwerkingtreding digitaal verantwoordingssysteem gemeenten.

34. Inboeken jaarlijkse uitgaven van de toetsingscommissie WWB.

35. Overboeking van de uitvoeringskosten Eerstedagmeldingen sociale verzekeringen naar de belastingdienst.

36 en 42. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

39. Overboeking naar artikel 22 ten behoeve van de beheer en ontwikkeltaak BKWI.

41. Compensatie ten behoeve van de financiering cliëntenraden (amendement Bakker). Op artikel 23 Reïntegratie is € 160 000 bestemd voor de financiering van de cliëntenraden.

47 en 51. De uitvoeringskosten voor de jaren 2005–2010 van het UWV zijn aangepast aan de hand van de realisaties van het UWV over 2004.

49. Ramingsbijstelling uitkering bij scholing (amendement van Leeuwen).

52 en 53. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200544 231000000
        
Nieuwe mutaties:027 69700000
1.Ontvangsten realisatie027 69700000
        
Stand ontwerpbegroting 200644 23127 69700000

Nieuwe Mutaties:

1. De gerealiseerde ontvangsten 2005 betreffen verrekeningen / restituties inzake betaalde rijksvergoeding in voorgaande dienstjaren uit hoofde van BBZ, WWIK, IOAW, FWI en diversen.

Artikel 31: Inkomensbescherming met activering bij arbeidsongeschiktheid

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20051 729 2431 671 4371 682 7641 718 0701 755 2521 795 9411 821 402
        
Mutatie 1e suppletore begroting03 4195 4542 4071 8351 180446
        
Nieuwe mutaties:021 81129 62126 20925 81025 57725 430
        
Operationele doelstelling 2       
Wajonguitkeringslasten       
1.Hogere instroom 18 jarigen029 00029 00029 00029 00029 00029 000
2.Doorwerking Jaarverslag 200407 7147 8147 9878 1608 3498 466
3.Gemiddelde uitkering0– 9 213– 9 330– 9 533– 9 736– 9 958– 10 094
4.Toeslag Wajong 18–23 jarigen004 2004 2004 2004 2004 200
        
Wajonguitvoeringskosten       
5.Loonbijstelling 200505928275767777
6.Prijsbijstelling 20050212188173174177177
7.Doorwerking jaarverslag 20040– 6 494– 5 037– 4 113– 4 224– 4 268– 4 206
8.Invulling taakstelling electronische overheid00– 1 450– 1 580– 1 840– 2 000– 2 190
        
Apparaatsuitgaven       
9.Apparaatskostentoerekening P003 9910000
10.Apparaatskostentoerekening M001630000
        
Stand ontwerpbegroting 20061 729 2431 696 6671 717 8391 746 6861 782 8971 822 6981 847 278

Nieuwe Mutaties:

1. Ramingsbijstelling als gevolg van een hogere dan geraamde instroom van 18 jarigen.

2 en 3. Op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV zijn de ramingen voor het volume en de ontwikkeling van de gemiddelde uitkering aangepast.

5. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

6. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

7. De omvang van de uitvoeringskosten is aangepast op basis van uitvoeringsgegevens van het UWV over het jaar 2004.

8. De taakstelling electronische overheid is voor een deel ingevuld door deze ten laste te brengen van het UWV.

9 en 10. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Nieuwe mutaties:045100000
1.Ontvangsten realisatie045100000
        
Stand ontwerpbegroting 2006045100000

Nieuwe Mutaties:

1. De ontvangsten betreffen afrekeningen Wajong met het UWV over voorgaande dienstjaren.

Artikel 32: Overige inkomensbescherming

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005341 093331 312297 084282 050275 595271 915269 334
        
Mutatie 1e suppletore begroting0– 1 900– 4 600– 5 400– 5 500– 5 500– 5 500
        
Nieuwe mutaties:019 75736 09328 34113 0984 538– 4 347
        
Operationele doelstelling 3       
Toeslagenwetuitkeringslasten       
1.Wetsvoorstel export uitkeringen TW00700700– 1 000– 2 000– 2 000
2.Loonbijstelling 2005001101001009080
3.Gemiddelde uitkering0– 12 951– 17 195– 16 076– 15 853– 15 936– 16 013
4.Volume034 39949 42841 90229 10122 07813 362
        
Toeslagenwetuitvoeringskosten       
5.Volume003 7793 0261 9501 3901 234
6.Prijsbijstelling 20050452626272626
7.Loonbijstelling 200501201111121111
8.Doorwerking jaarverslag 20040– 1 856– 1 550– 1 348– 1 239– 1 121– 1 047
        
Apparaatsuitgaven       
9.Apparaatskostentoerekening P007530000
10.Apparaatskostentoerekening M00310000
        
Stand ontwerpbegroting 2006341 093349 169328 577304 991283 193270 953259 487

Nieuwe Mutaties:

1. De raming is aangepast vanwege uitstel en aanpassing van het wetsvoorstel tot 2008.

2 en 7. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

3 en 4. De raming van zowel volume als gemiddelde uitkering zijn aangepast op basis van uitvoeringsgegevens van het UWV.

5. De volume effecten van de uitkeringslasten werken door in de uitvoeringskosten. De raming is hiervoor aangepast.

6. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

8. De omvang van de uitvoeringskosten is aangepast op basis van uitvoeringsgegevens van het UWV over het jaar 2004.

9 en 10. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20055 659000000
        
Nieuwe mutaties:01 29800000
1.Realisatie ontvangsten01 29800000
        
Stand ontwerpbegroting 20065 6591 29800000

Nieuwe Mutaties:

1. De ontvangsten hebben betrekking op afrekeningen Toeslagenwet met het UWV over voorgaande dienstjaren.

Artikel 33: Tegemoetkoming specifieke kosten

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20053 354 7563 347 3823 341 8053 324 7643 293 7683 257 5693 222 847
        
Mutatie 1e suppletore begroting0244444
        
Nieuwe mutaties:0– 20 863– 41 090– 48 207– 49 924– 51 459– 52 825
        
Operationele doelstelling 2       
AKW uitkeringslasten       
1.Volume ontwikkeling0– 2 895– 6 109– 6 896– 8 866– 10 940– 13 034
2.Aanpassing gemiddelde prijs0– 19 230– 32 605– 37 634– 37 340– 36 756– 35 983
        
AKW uitvoeringskosten       
3.Aanpassing budget SVB00– 4 122– 4 139– 4 180– 4 224– 4 269
4.Prijsbijstelling 20050308308308308307307
5.Loonbijstelling 20050934134134134134134
        
TOG uitvoeringskosten       
6.Prijsbijstelling 20050101010101010
7.Loonbijstelling 20050444444
        
Operationele doelstelling 4       
Regeling Asbestslachtoffersuitvoeringskosten       
8.Prijsbijstelling 20050444444
9.Loonbijstelling 20050222222
        
Apparaatsuitgaven       
10.Apparaatskostentoerekening P001 2360000
11.Apparaatskostentoerekening M00480000
        
Stand ontwerpbegroting 20063 354 7563 326 5213 300 7193 276 5613 243 8483 206 1143 170 026

Nieuwe Mutaties:

1 en 2. Op basis van uitvoeringsinformatie van de SVB zijn de ramingen van het volume en de gemiddelde prijs meerjarig aangepast.

3. Doorwerking van de volume ontwikkeling in de raming van de uitvoeringskosten.

4, 6 en 8. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

5, 7 en 9. De raming is aangepast voor de loonbijstelling 2005.

10 en 11 Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200510 734272272272272272272
        
Nieuwe mutaties:04 42800000
1.Hogere ontvangsten AKW TOG04 42800000
        
Stand ontwerpbegroting 200610 7344 700272272272272272

Nieuwe Mutaties:

1. Daadwerkelijk gerealiseerde ontvangsten 2005.

Artikel 34: Rijksbijdragen aan de sociale fondsen en spaarfonds AOW

Opbouw verplichtingen (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20057 624 4847 657 8928 082 3158 453 4608 627 1058 743 4518 862 296
        
Mutatie 1e suppletore begroting084 300356 700321 400329 200333 000334 300
        
Nieuwe mutaties:0452 500209 926203 600200 900201 900202 900
        
Operationele doelstelling 1       
1.Aanpassing rijksbijdrage Ouderdomsfonds0470 000338 000338 000338 000338 000338 000
2.Declaratie gemoedsbezwaarden030000000
3.Extra tegemoetkoming AOW0038 50039 20040 00041 00042000
4.Rijksbijdrage BIKK Anw0– 1 200– 16 800– 17 500– 17 900– 17 900– 17 900
5.Rijksbijdrage BIKK AOW0– 16 600– 150 700– 156 100– 159 200– 159 200– 159 200
        
Apparaatsuitgaven       
6.Apparaatskostentoerekening P008900000
7.Apparaatskostentoerekening M00360000
        
Stand ontwerpbegroting 20067 624 4848 194 6928 648 9418 978 4609 157 2059 278 3519 399 496

Nieuwe Mutaties:

1. Om de vermogensposities van het Ouderdomsfonds (Of) ultimo 2005 op nul te doen komen, is de rijksbijdrage in 2005 met € 470 miljoen opwaarts bijgesteld. Dit belast het EMU-saldo niet en zo kan de AOW-premie ongewijzigd blijven en wordt het lasten- en koopkrachtbeeld niet beïnvloed.

2. De raming is verhoogd in verband met het feit dat de in 2005 van UWV ontvangen declaraties gemoedsbezwaarden hoger uitvallen dan geraamd.

3. In 2005 financiert de rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden een tweetal tegemoetkomingen aan AOW-gerechtigden: een maandelijkse tegemoetkoming van in totaal € 60 (bruto) per jaar en tegemoetkoming van € 40 (bruto) eenmalig bij het vakantiegeld. Vanaf 2006 worden deze tegemoetkomingen samengevoegd en verhoogd. De geïndexeerde tegemoetkoming bedraagt in 2006 in totaal € 116,04 (bruto) per AOW-gerechtigde per jaar.

4 en 5. Bijstelling BIKK-raming voor de Anw en AOW naar aanleiding van de MEV. De heffingskortingen en de premies zijn bijgesteld.

6 en 7. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200529 295000000
        
Nieuwe mutaties:03300000
1.Hogere ontvangsten03300000
        
Stand ontwerpbegroting 200629 2953300000

Artikel 35: Emancipatie

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200511 27312 66110 27710 27710 27710 27710 277
        
Mutatie 1e suppletore begroting0244– 93– 54– 26– 26– 26
        
Nieuwe mutaties:01502 86072727272
        
Operationele doelstelling 2       
1.Prijsbijstelling 20050727272727272
2.Budgettair neutrale herschikkingen01701900000
3.Naar VWS operatie jong0– 9200000
        
Apparaatsuitgaven       
4.Apparaatskostentoerekening P002 2180000
5.Apparaatskostentoerekening M003800000
        
Stand ontwerpbegroting 200611 27313 05513 04410 29510 32310 32310 323

Nieuwe Mutaties:

1. De raming is bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

2. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

3. Overboeking naar VWS als SZW bijdrage in de kosten van de Operatie Jong.

4 en 5. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005329000000
        
Nieuwe mutaties:08300000
1.Restituties08300000
        
Stand ontwerpbegroting 20063298300000

Nieuwe Mutaties:

1. Definitieve subsidie vaststellingen hebben geleid tot restituties.

Artikel 97: Aflopende regelingen

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200513 908244182182182182182
        
Mutatie 1e suppletore begroting07 42500000
        
Nieuwe mutaties:00190000
        
Programmauitgaven       
1.Uitvoering BVG door Agentschap SZW0– 9100000
        
Apparaatsuitgaven       
2.Apparaatskostentoerekening P00180000
3.Apparaatskostentoerekening M0010000
4.Uitvoering BVG door Agentschap SZW09100000
        
Stand ontwerpbegroting 200613 9087 669201182182182182

Nieuwe Mutaties:

1 en 4. Overboeking van de uitvoeringskosten Bedrijfsverzamelgebouwen naar het Agentschap SZW.

2 en 3. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200527 647000000
        
Mutatie 1e suppletore begroting02 00000000
        
Nieuwe mutaties:06 00000000
1.Bijstelling ontvangsten Arbvo06 00000000
        
Stand ontwerpbegroting 200627 6478 00000000

Nieuwe Mutaties:

1. Deze mutatie heeft betrekking op de geraamde meevaller bij de liquidatie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (TK 2004–2005, 21 477 nr. 92).

De totaal geraamde meevaller bedraagt € 8 miljoen.

Artikel 98: Algemeen

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 2005298 686235 582315 660305 594305 094306 228306 228
        
Mutatie Nota van Wijziging0– 1 777– 2 049– 2 322– 2 322– 2 322– 2 322
        
Mutatie 1e suppletore begroting0– 4 028– 95– 2 142– 2 038– 2 038– 2 038
        
Nieuwe mutaties:05 729– 94 4175 5525 5465 5615 561
        
Handhaving       
1.Loonbijstelling 200504666059595959
2.Prijsbijstelling 20050158114112112112112
3.Naar BZK bijdrage BSN0– 2 200– 8000000
4.Budgettair neutrale herschikkingen0– 1 981– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500– 1 500
5.Invulling taakstellingen   – 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
        
Primair proces       
6.Prijsbijstelling 20050777777
7.Budgettair neutrale herschikkingen02761000000
        
Subsidies       
8.Prijsbijstelling 20050929196969696
9.Budgettair neutrale herschikkingen0– 46– 6238383838
10.Invulling taakstellingen  – 500– 1 800– 1 900– 1 900– 1 900
        
Voorlichting       
11.Prijsbijstelling 20050756356505050
12.Budgettair neutrale herschikkingen01151515151515
        
Onderzoek       
13.Prijsbijstelling 20050133133133133133133
14.Budgettair neutrale herschikkingen0– 239– 1900000
15.Naar OCW Project Leren & Werken0– 2800000
        
Personeel       
16.Loonbijstelling 200503 764247238237237237
17.Budgettair neutrale herschikkingen0– 879393483483483483
18.Van Financiën kosten AWIR007171717171
19.Apparaatskostentoerekening P00– 87 9760000
        
Materieel       
20.Prijsbijstelling 20050321319318318318318
21.Budgettair neutrale herschikkingen 2 2831 6102 9122 9132 9142 914
22.Desalderingen ontvangsten en uitgaven 1 7321 5201 5201 5201 5201 520
23.Apparaatskostentoerekening M00– 10 5560000
24.Invulling taakstellingen001 2803 5803 6803 6803 680
25.Invulling taakstelling Electronische overheid00– 1700000
        
Huisvesting       
26.Prijsbijstelling 20050395448450450464464
27.Budgettair neutrale herschikkingen0102196196196196196
        
Automatisering       
28.Prijsbijstelling 20050222236186186186186
29.Budgettair neutrale herschikkingen05811 455– 45– 45– 45– 45
30.Naar BZK bijdrage aan het Rijksweb00– 3400000
        
Bijdrage moederdepartement aan IWI       
31.Loonbijstelling 200504072929292929
32.Prijsbijstelling 20050858585858585
33.Budgettair neutrale herschikkingen0– 112– 1593939393
34.Invulling taakstellingen00– 780– 780– 780– 780– 780
        
Stand ontwerpbegroting 2006298 686235 506219 099306 682306 280307 429307 429

Nieuwe Mutaties:

1, 16 en 31. De ramingen zijn aangepast voor de loonbijstelling 2005.

2, 6, 8, 11, 13, 20, 26, 28 en 32. De ramingen zijn bijgesteld voor de prijsbijstelling 2005.

3. Overboeking naar BZK als SZW bijdrage in de kosten van de invoering van het Burger Service Nummer (BSN).

4, 7, 9, 12, 14, 17, 21, 27, 29 en 33. Budgettair neutrale herschikkingen binnen de SZW-begroting.

5, 10, 24 en 34. De efficiency-taakstellingen zijn in eerste instantie geparkeerd op het materieelbudget. Door middel van de voorgestelde mutaties wordt een deel van deze taakstellingen ingevuld.

15. Een overboeking naar OCW ten behoeve van het project Leren/Werken.

18. Een overboeking van de belastingdienst als vergoeding voor de kosten van controle activiteiten door de Audit Dienst van SZW.

19 en 23. Deze mutaties hebben betrekking op de toerekening van de apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen.

22. Diverse desalderingen met ontvangstenmutaties (zie ontvangsten).

25. De taakstelling electronische overheid is voor een deel ingevuld door deze ten laste te brengen van het budget materieel.

Het grootste deel van de taakstelling wordt ingevuld door het UWV en de inzet van de prijsbijstelling.

30. Een overboeking naar BZK als SZW-bijdrage aan het Rijksweb.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20057 03819 12619 12619 12619 12619 12619 126
        
Mutatie 1e suppletore begroting01517877747474
        
Nieuwe mutaties:0– 13 968– 14 180– 14 180– 14 180– 14 180– 14 180
1.Correctie HA taakstelling0– 15 700– 15 700– 15 700– 15 700– 15 700– 15 700
2.Diverse desalderingen01 7321 5201 5201 5201 5201 520
        
Stand ontwerpbegroting 20067 0385 3095 0245 0235 0205 0205 020

Nieuwe Mutaties:

1. De besparingstaakstelling als gevolg van fraudemaatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord was in eerste instantie geparkeerd op het departementale ontvangstenartikel. De besparingen treden echter op in de vorm van lagere premieuitgaven en hogere premieinkomsten. De ingeboekte taakstelling wordt hier dan ook gecorrigeerd.

2. De opgenomen desalderingen hebben betrekking op ontvangsten en bijdragen voor door SZW gemaakte kosten (zie nummer 22 bij de uitgaven).

Een groot deel van de desaldering heeft betrekking op huurpenningen. Een van de door SZW gehuurde panden wordt onderverhuurd. De geraamde opbrengsten van deze huurpenningen (€ 1,520 miljoen) zijn aan het uitgavenbudget toegevoegd.

Artikel 99: Nominaal en onvoorzien

Opbouw uitgaven (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 200505 02020 34419 50219 21819 21819 218
        
Mutatie Nota van Wijziging00– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000– 25 000
        
Mutatie 1e suppletore begroting073 65025 62324 95024 41724 35624 356
        
Nieuwe mutaties:0– 78 643– 20 671– 19 066– 18 143– 18 081– 18 092
        
Onvoorzien       
1.Invulling taakstelling0025 00025 00025 00025 00025 000
        
Loonbijstelling       
2.Uitdelen van de loonbijstelling 20050– 55 085– 8 257– 8 196– 8 174– 8 172– 8 172
3.Compensaties uit loonbijstelling0– 243– 11– 11– 10– 10– 10
4.Afroming WWmaatregelen02546906537– 4
        
Prijsbijstelling       
5.Uitdelen van de prijsbijstelling 20050– 9 555– 8 663– 8 046– 7 560– 7 503– 7 503
6.Compensaties uit prijsbijstelling – 13 785– 28 786– 27 903– 27 464– 27 433– 27 403
7.Invulling taakstelling Electronische overheid00– 250– 290– 330– 360– 390
        
Stand ontwerpbegroting 2006027469616213392

Nieuwe Mutaties:

1. De reintegratie taakstelling ad € 25 miljoen die voortvloeit uit de Motie Verhagen was geparkeerd op dit artikel. Deze taakstelling is ingeboekt ten lastevan de IOAW, de WAO, AOW en UFO en kan hier worden afgeboekt.

2 en 5. Verdeling van de loon- en prijsbijstelling 2005 naar de begrotingsartikelen.

3 en 6. De loonbijstelling en de prijsbijstelling 2004 en 2005 zijn deels gebruikt ter dekking van maatregelen.

4. De effecten afroming WW-maatregelen geven een positief saldo ten opzichte van de eerder ingeboekte taakstelling.

7. De taakstelling electronische overheid is voor een deel ingevuld door deze ten laste te brengen van de prijsbijstelling.

Het grootste deel van de taakstelling wordt ingevuld door het UWV.

Opbouw ontvangsten (x € 1 000)
 2004200520062007200820092010
Stand ontwerpbegroting 20050000000
        
Stand ontwerpbegroting 20060000000

8. DE BIJLAGE MOTIES EN TOEZEGGINGEN

Overzicht van de door de Tweede Kamer aanvaarde moties

Stand per 7 september 2005

Overzicht van door de Tweede Kamer aanvaarde moties, vergaderjaar 1999–2000
Nr.Omschrijving/onderwerpVindplaatsStand van zaken
1.Motie-Schimmel/Blok over het ongedaan maken van instemmingsrechten26 674, nr. 15Wordt meegenomen in het wetsvoorstel Pensioenwet dat in de tweede helft van 2005 ingediend wordt bij de Tweede KamerPlanning: december 2005
2.Motie-Schimmel/Van Zijl over ongehuwd samenwonende partners26 711, nr. 25Wordt meegenomen in het wetsvoorstel Pensioenwet dat in de tweede helft van 2005 ingediend wordt bij de Tweede KamerPlanning: december 2005
Overzicht van door de Tweede Kamer aanvaarde moties, vergaderjaar 2003–2004
Nr.Omschrijving/onderwerpVindplaatsStand van zaken
1.Motie-Gerkens/Tonkens over een verplichting om met een bemiddelingsbureau te werken28 447, nr. 84In voorbereiding.Planning: september 2005
2.Motie-Weekers/Rambocus over verhoging van de boetes en rapportage Wet arbeid vreemdelingen29 523, nr. 14Is uitgevoerd. Boete hoogtes zijn aangepast per 1-1-2005. Evaluatie 1 jaar na invoering.Planning: 1ste helft van 2006
3.Motie-Noorman-den Uyl c.s. over detachering en begeleid werken WSW-gerechtigden29 225, nr. 11Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 29-9/2004, (29 817, nr. 6)
4.Motie-Van de Vlies over het onverwijld met verdere maatregelen komen indien in 2004 zou blijken dat de negatieve effecten voor bepaalde groepen chronisch zieken, gehandicapten en ouderen nog dusdanig groot zijn dat niet van een rechtvaardige inkomensverdeling kan worden gesproken29 200 XV, nr. 61Afgehandeld bij brieven aan de Tweede Kamer d.d. 16-9/2004, (27 046, nr. 9), d.d. 7-12-2004 (29 800 XV, nr. 34) en 21-2/2005 (29 800 XV, nr. 69). Is tevens besproken in de AO's d.d. 16-12-2004 (29 800 XV, nr. 70) en AO d.d. 2-3-2005 (29 800 XV, nr. 74 herdruk)
5.Motie-Dittrich c.s. inzake verwerken van uitgangspunt van de individuele toetsing bij vraag of werknemer in aanmerking komt voor WAO-uitkering28 333, nr. 10Uitgevoerd bij indiening van het wetsvoorstel Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) d.d. 14-3/2005,(30 016)
6.Motie-Dittrich over de loonsuppletieregeling28 333, nr. 32Uitgevoerd bij indiening van het wetsvoorstel WIA d.d. 14-3/2005, (30 016)
7.Motie-Verburg c.s. over een gesprek met een arbeidskundige voorafgaand aan de herbeoordeling28 333, nr. 38Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 21-9/2004, (28 333, nr. 46)
8.Motie-Meulenbelt c.s. over een regeling voor asbestslachtoffers (EK)26 824 BUitgevoerd bij brief aan de Eerste Kamer d.d. 7-5-2004, (26 824 B en C)
9.Motie-Smilde/Noorman-den Uyl over vrijstelling in geval van vrijwilligers- of mantelzorgtaken28 862, nr. 32Uitgevoerd bij brieven aan de Tweede Kamer d.d. 27-1/2005 (28 862, nr. 40) en d.d. 27-6/2005, (28 862, nrs. 31 en 32)
10.Motie-Noorman-den Uyl over aanpassing van het besluit IRO26 448, nr. 134Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 17-1/2005, (26 448, nr. 183)
11.Motie-Verburg c.s. over versterking van het toezicht op ZBO's26 448, nr. 113Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 26-5/2005, (25 268, nr. 20)
12.Motie-Noorman-den Uyl c.s. over een analyse naar de bestuurscultuur in publieke en semi-publieke organisaties26 448, nr. 115Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 26-5/2005, (25 268, nr. 20)
13.Motie-Omtzigt/Weekers over een jaarlijks verzekeringsbericht en inzage in gegevens28 219/28 371, nr. 22Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 9-12-2004, (26 448, nr. 172)
14.Motie-Mosterd/Bibi de Vries over aanscherpen van voorwaarden waaronder leningen aan jongeren worden verstrekt (schuldenproblematiek)29 200 XV, nr. 49Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-9/2004 (24 515, nr. 59)
15.Motie-Bruls c.s. over het tegengaan van niet-gebruik van bijzondere bijstand chronisch zieken, gehandicapten en ouderen. 29 420, nr. 15Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 26-11-2004, (29 420, nr. 19)
16.Motie-Weekers c.s. over de inkomenspositie van bepaalde groepen chronisch zieken, gehandicapten en ouderen29 200 XV, nr. 53Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 26-11-2004, (29 420, nr. 19)
17.Motie-Weekers c.s. over halfjaarlijkse rapportage over de voortgang van de invoering van de wetsvoorstellen. Rapportage vindt plaats voor 1 december en voor 1 juni. 29 529, nr., 17Afgehandeld bij brieven aan de Tweede Kamer d.d. 9-12-2004, (26 448, nr. 172) en 29-6/2005 (26 448, nr. 212)
Overzicht van door de Tweede Kamer aanvaarde moties, vergaderjaar 2004–2005
Nr.Omschrijving/onderwerpVindplaatsStand van zaken
1.Motie-Herben c.s., over onderzoek voor 1 november 2004 welke beroepen als slijtend kunnen worden aangemerkt en welke mogelijkheden er voor mensen met een slijtend beroep zijn om na een veertigjarig dienstverband in een slijtend beroep met pensioen te gaan29 800, nr. 11Uitgevoerd bij Kamerstuk 2004–2005, 29 760, nr. 10, Bijlage 3, v/a pag. 123
2.Motie-Bussemaker over verbetering van de mogelijkheden voor ouderen om als zelfstandige te beginnen27 046, nr. 7Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 1-7-2005(28 719, nr. 21)
3.Motie-Noorman-den Uyl over het begrip gezamenlijke huishouding in de AOW17 050, nr. 272Uitgevoerd bij brieven aan Tweede Kamer d.d. 6-12-2004 (17 050 nr. 279) en d.d. 12-7/2005 (17 050, nr. 303)
4.Motie-Weekers c.s. over een stimuleringsmaatregel voor bevordering van combinatiefuncties27 061, nr. 31Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 8-3-2005(29 769, nr. 8)
5.Motie-Bussemaker over mogelijke voor- en nadelen onderzoeken van flexibilisering van pensioen29 760,nr. 45Afgehandeld bij brieven aan Tweede Kamer d.d. 17-1/2005 (28 170, nr. 37) en d.d. 4-7-2005 (29 760 nr. 58)
6.Motie-Bussemaker over het treffen van verlofspaarregelingen voor zelfstandigen29 760, nr. 46Afgehandeld bij brieven aan Tweede Kamer d.d. 17-1/2005 (28 170, nr. 37) en d.d. 4-7-2005 (29 760 nr. 58)
7.Motie-Verburg over een voorstel voor een voorziening voor beschikbaarheid LLR in periode waarin vrijwillig zonder dienstbetrekking of dienstbetrekking verkleind of demotie29 760, nr. 48Afhandeling van deze motie wordt betrokken bij een meer omvattend nota aan de Tweede Kamer voor de zomer van 2006.Planning: juni 2006
8.Motie-de Vries over bewerkstelligen dat opgebouwde prepensioenrechten slechts gebruikt kunnen worden voor pensioen of LLR29 760, nr. 49De motie zal worden uitgevoerd d.m.v. wijziging van de AfkoopregelingPlanning: december 2005
9.Motie-Verburg over stimulering van het terechte beroep op bijzondere bijstand, tegemoetkoming buitengewone uitgaven en de verzilvering, alsmede realisering van de verzilvering van de ouderenkortingen29 800 XV, nr. 52Afgehandeld. Eventuele extra maatregelen om het niet-gebruik verder terug te dringen, komen aan de orde bij (de reactie op het) NIVEL-onderzoek dat naar verwachting september 2005 beschikbaar komt. De verzilvering van de ouderenkorting is geregeld met de AOW-tegemoetkoming. Het wetsvoorstel dat deze tegemoetkoming structureel maakt is 8-7-2005 bij de RvSt aanhangig gemaakt.
10.Gewijzigde Motie-Verburg/Bibi De Vries over halvering van de arboregel- en administratiedruk29 800 XV, nr. 55, was nr. 41In uitvoering. Tweede Kamer is bij brief d.d. 8-7-2005 geïnformeerd (25 883, nr. 50). Wetsvoorstel gaat in februari 2006 naar de Tweede Kamer.Planning: februari 2006
11.Motie-Weekers c.s. over onderzoek naar de kostenstructuur van en het huidige en toekomstige beroep op de WSW29 817, nr. 2Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-6/2005 (29 817, nr. 7)
12.Motie-Bussemaker c.s. over structurele compensatie voor afschaffing van de SPAK29 817, nr. 3Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 15-6/2005 (29 817, nr. 7)
13.Motie-Huizinga-Heringa c.s. over een integrale aanpak van de schuldhulpverlening24 515,nr. 63Wordt meegenomen in integrale plan van aanpak schuldhulpverlening i.s.m. EZ, Financiën en JustitiePlanning: september 2005
14.Motie-Huizinga-Heringa c.s. over certificering van minnelijke schuldhulpverlening24 515, nr. 64Wordt meegenomen in integrale plan van aanpak schuldhulpverlening.Planning: september 2005
15.Motie-Bruls en Van Egerschot over een integrale visie en maatregelen om de inschakeling van WW- en WWB-gerechtigden te verbeteren29 544, nr. 16Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 8-6-2005 (25 883, nr. 19)
16.Motie-Omtzigt c.s.over Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Motie met verzoek om een overzicht van de marginale druk en werkloosheidsvallen bij verschillende huishoudens en inkomensniveaus, vergezeld van een meerjarige aanpak van dit probleem29 764–29 765, nr. 26Planning: 20 september 2005
17.Motie-Douma/Van Dijk over een SER-uitspraak over de toekomst van product- en bedrijfschappen25 695, nr. 26Afgehandeld bij brieven aan de Tweede Kamer d.d. 6-4-2005 (25 695, nr. 32) en d.d. 26-8-2005 (25 695, nr. 34).
18.Motie-Van Dijk c.s. over een concreet voorstel over de toekomst van product- en bedrijfschappen25 695, nr. 27Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 6-4-2005 (25 695, nr. 32)
19.Motie-Dijk/Douma c.s. over het opheffen van het moratorium op de instelling van de nieuwe schappen25 695, nr. 150Afgehandeld bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 6-4-2005 (25 695, nr. 32)
20.Motie-Bruls c.s. over een systeem van zelfregulering voor uitzendorganisaties17 050, nr. 287In uitvoering. De Tweede Kamer bij brieven van 23-4/2005 (17 050, nr. 261) en 8-6-2005 (17 050, nr. 300) geïnformeerd.Planning: september 2005
21.Motie-Bussemaker c.s. over de bestrijding van fraude en illegale arbeid via uitzendbureaus17 050, nr. 288Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 8-6-2005 (17 050, nr. 300)
22.Motie-Koser Kaya c.s. over een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang voor zieke mensen met een WAO uitkering29 800 XV, nr. 45 herdrukWordt meegenomen in de SZW-begroting 2006
23.Motie-Koser Kaya c.s. over het instellen van een taskforce vrouwen tbv arbeidsparticipatie en educatie van allochtone vrouwen29 203, nr. 21Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 24-6/2005 over Kabinetsreactie op het eindrapport van de commissie PaVEM(29 203, nr. 26)
24.Motie-Noorman-den Uyl c.s. over het bevorderen van een geïntegreerde informatie- en voorlichtingsfaciliteit voor cliënten in bedrijfsverzamelgebouwen28 719, nr. 6Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-5/2005 (28 719, nr. 19)
25.Motie-Bruls over het afschaffen van de uitbestedingsverplichting voor gemeenten29 719, nr. 12Motie wordt besproken in Algemeen Overleg van 15-9-1005 over de 9e Voortgangsrapportage SUWI.Tweede Kamer bij brief d.d. 3-6-2005 geïnformeerd (28 719, nr. 20)Planning: september 2005
26.Motie-Rouvoet c.s. over het niet-passend verklaren van banen in de prostitutiesector voor ex-prostituees28 719, nr. 16Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 31-5/2005 (28 719, nr. 19)
27.Motie-Vendrik over het officieel bevestigen van CVS/ME als erkende aandoening en het individueel beoordelen van cliënten met CVS/ME28 333, nr. 56Uitgevoerd bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 22-6/2005 ( 28 333, nr. 61)
28.Motie-Verburg/Bussemaker over opnemen van de factor investering scholing van de werknemer in het ontslagrecht29 804, nr. 5Over de relatie employability en ontslag is op 29-4/2005 advies gevraagd aan de SER. De SER zal dit betrekken bij MLT advies. Tweede Kamer bij brief d.d. 1-7-2005 (29 804, nr.17) geïnformeerd.Planning: december 2005
29.Motie-Bussemaker over een integrale reactie op de adviezen en notitie van verschillende organisaties over NAWI29 804, nr. 6In voorbereiding; Tweede Kamer bij brief d.d. 1-7-2005 (29 804, nr.17) geïnformeerd.Planning: juni 2006
30.Motie-Weekers over het ontvangen van een bouwstenennotitie over sociale zekerheid29 804, nr. 8In voorbereiding; Tweede Kamer bij brief d.d. 1-7-2005 (29 804, nr. 17) geïnformeerd.Planning: juni 2006
31.Motie-Noorman den Uyl/Bruls over waarborgen voor werkloze werknemers van eigenrisicodragende overheidswerkgevers30 016, nr. 9Er zal over de motie ambtelijk overleg met BZK plaatsvinden.Planning: december 2005
32.Motie Bussemaker over het voortbestaan van de RSP29 544, nr. 25In uitvoering. Tweede Kamer bij brief d.d. 5-7-2005 geïnformeerd (29 544, nr. 31)
33.Motie-Bussemaker/Weekers over een actief vervolgingsbeleid van discriminatie op de arbeidsmarkt27 233, nr.68Op dit moment worden de mogelijkheden onderzocht om uitvoering te geven aan de motie. Hierover vindt met Justitie overleg plaats.Planning: september 2005
34.Motie-Verburg c.s. over het opnemen in de WGA van een vrijstellingsregeling voor sollicitatiepicht30 034/30 118, nr. 45In voorbereiding.Planning: januari 2006
35.Motie-Huizinga-Heringa c.s. over een oplossing van het probleem van de zogenoemde «brandende huizen»30 034/30 118, nr. 47In voorbereiding.Planning: januari 2006
36.Motie-Bibi de Vries c.s. over zorgvuldige monitoring van de totstandkoming van het hybride stelsel binnen de WGA-regeling30 034/30 118, nr. 48In voorbereiding.Planning: juli 2006
37.Motie-Dittrich c.s. over voorkoming van dubbele premieheffing voor eigen-risicodragers WGA30 034/30 118, nr. 50In voorbereiding.Planning: januari 2006
38.Motie-Dittrich c.s.over naleving van de loondoorbetalingsafspraak30 034/30 118, nr. 51In voorbereiding.Planning: september 2007
39.Gewijzigde motie-Vendrik c.s. over regels mbt de keuring van mensen met CVS/ME30 034/30 118, nr. 52In voorbereiding.Planning: oktober 2005
40.Motie-Smilde/Noorman-den Uyl over het aanpassen van de regeling betreffende de vrijstelling sollicitatieplicht oudere werklozen28 862, nr. 46Afgehandeld bij brief aan Tweede Kamer d.d. 31-8-2005.
41.Motie-Bruls/Weekers over opheffing van de vrijstelling van de individuele arbeidsmarkttoets voor internationale chauffeurs29 407, nr. 22 Uitgevoerd. Vrijstelling is per 1-8-2005 opgeheven door CWI.
42.Motie-Weekers c.s. over een onderzoek naar BTW -vrijstelling voor vormen van persoonlijke dienstverlening29 544, nr. 27In voorbereiding.Planning: 15 september 2005

Toezeggingen

Stand per 7 september 2005

Overzicht van door de bewindspersonen nog af te handelen toezeggingen

Vergaderjaar 2000–2001
Nr.OmschrijvingVindplaatsStand van zaken/knelpunten
1.Knipbepaling pensioenen20-9/2000 Algemene politieke beschouwingen Tweede Kamer 27 400/27 046)Planning: wetsvoorstel Pensioenwet zal tweede helft 2005 worden ingediend bij Tweede Kamer.Planning: december 2005
2.Inzicht in opvatting over financiering prepensioenregeling vanuit Bpf27-9/2000 Plenaire behandeling wetsvoorstel verplichte deelneming bedrijfstakpensioenfonds (27 073)(Kamerstukken II, 2000–2001)Planning: wetsvoorstel Pensioenwet wordt in de tweede helft van 2005 ingediend bij de Tweede Kamer.Planning: december 2005
3.Evaluatie poortwachter21-6/2001 Evaluatie poortwachter 27 678, vergaderjaar 2000–2001In voorbereidingPlanning: voorjaar 2006
Vergaderjaar 2001–2002
Nr.OmschrijvingVindplaatsStand van zaken/knelpunten
1.Monitoronderzoek jeugdige werknemersbrief d.d. 5-3-2002 over het rap. Arbeid door jongeren (Soza-03–159)Brief met bevindingen en beleidsconclusies wordt aan de Tweede Kamer toegezonden.Planning: september 2005
2.Evaluatie wetsvoorstel instroomcijfers WAO. Opgenomen wordt: a, kwestie van informatieverstrekking rond het aantal arbiedsgehandicapten; b, of afname van spreiding van WAO-instroompercentage rond het branche gemiddelde als indicator gebruikt kan worden.10-4/2002 Behandeling wetsvoorstel instroomcijfers WAO in Tweede Kamer (28 159).In voorbereidingPlanning: februari 2006
Vergaderjaar 2002–2003
Nr.OmschrijvingVindplaatsStand van zaken/knelpunten
1.(Voor het 3e en laatste jaar) informeren Tweede Kamer mbt vorderingen en uitvoeren Actieplan vereenvoudiging regelgeving bij SZW bij het indienen van de jaarlijkse begrotingswet van SZW (Begrotingswet 2006)brief d.d. 28-11-2002 Actieplan vereenvoudiging SZW-regelgeving(Kamerstukken II, 2002–2003, 28 600 XV, nr. 24)Bij brief van 23-9/2004 is de afdoening van de toezegging behorende bij de Begrotingswet 2005 afgedaan. (29 800 XV, nr. 3). Toegezegd is 3 maal bij de Begrotingswet de Tweede Kamer te informeren. Dit wordt de derde maal. Vanaf nu kan gewerkt worden aan de afdoening van de toezegging voor de begrotingswet 2006.Planning: september 2005
2.De staatssecretaris zal laten onderzoeken of het mogelijk is een overzicht op te stellen van de concrete gevolgen van het pensioenconvenant voor de samenstelling van pensioenfondsbesturen.11 en 12-12-2002 plenaire behandeling van begroting SZW hoofdstuk XV, voor het jaar 2003Dit loopt mee in de evaluatie van het medezeggenschapsconvenant.Planning: oktober 2005
3.De minister heeft toegezegd in de Integrale Rapportage Handhaving over 2001 in te gaan op het fraudebegrip. Op een later moment, in het aan de Tweede Kamer aangeboden Handhavingsprogramma 2003–2006, heeft hij meegedeeld dat begrippen op het gebied van handhaving zullen worden geuniformeerd.26-3/2003, AO over de integrale rapportage Handhaving 2001 en Handhavingsprogramma 2003–2006 (Kamerstukken II, 2002–2003, 17 050, nr. 246) en 27-2/2002, AO d.d. 27-02-2002 over Integrale Rapportage Handhaving 2000 (Kamerstukken II, 2001–2002, 28 000 XV/26 955, nr. 41)Beleidskeuzes in voorbereiding.Planning: september 2005
4.Bij de evaluatie van de Wet Instroomcijfers komen de mogelijkheden om onderscheid te maken bij de WAO-instroom tussen voltijd/deeltijd, man/vrouw en de mogelijkheid tot halfjaarlijkse rapportage aan de orde.10-4/2003 AO over de regeling instroomcijfers WAO (28 159, nr. 8) en uitvoering motie-Verburg/De Vries (22 187, nr. 130) die strekt tot een plan van aanpak om onvoldoende inzet van werkzoekenden bij reïntegratie te voorkomen (22 187, nr. 135) en brief d.d. 13–3-03 inzake onderzoeksproject Epidemiologie vd arbeidsongeschiktheid (Soza-03–153). (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 159, nr. 9)Evaluatie moet binnen drie jaar na inwerkingtreding starten. Zal in 2005 starten.Planning: februari 2006
5.Uitzondering krijgsmacht. De minister heeft in reactie op het amendement Bussemaker (28 170, nr. 8) toegezegd dat bij de evaluatie van de wet uitdrukkelijk naar de uitzondering voor de krijgsmacht zal worden gekeken.3-9-2003 Plenaire behandeling wetsvoorstel gelijke behandeling leeftijd bij arbeid (28 170)Evaluatie zal eind 2008/begin 2009 van start gaan. Dit punt wordt daarin meegenomen.Planning: juli 2009
Vergaderjaar 2003–2004
Nr.OmschrijvingVindplaatsStand van zaken/knelpunten
1.Rapportage aan de Tweede Kamer over de voortgang van het OPS-beleidbrief d.d. 30-9/2003 Stand van zaken OPS-beleid (Soza-03–653) 2003–2004)Rapportage is in voorbereiding.Planning: september 2005
2.Het op basis van vrijwilligheid bij gemeenten opvragen van lokale verordeningen om nader te kunnen bezien of er grote verschillen bestaan tussen lokale verordeningen. De Kamer over deze bevindingen berichten.7-10-2003 Plenaire behandeling EK wet Werk en Bijstand (28 870) + Invoeringswet (28 690)Analyse van opgevraagde gemeentelijke verordeningen vindt thans plaats.Planning: september 2005
3.Voornemen om de uitbreiding van de victimisatiebescherming (alsmede de uitbreiding van art. 125g Ambtenarenwet) tegelijk met de implementatie van de 2e Herziene Richtlijn (Richtlijn 2002/73EG) bij Tweede Kamer in te dienen.Kamerstukken II 2003–04, 29 518, nr. 1, pag. 1Loopt mee in wetsvoorstel met aantal wijzigingen in het BW. Tijdpad nog niet bekend.Planning: december 2005
4.De minister zegt toe 2 jaar na de invoering van de VLZ de ontwikkeling van de reïntegratiemarkt en de inzet van REA-middelen te meten.18-11-2003 Plenaire behandeling van de wetsvoorstellen wijz. van de werkloosheidswet ivm de afschaffing vd vervolguitkering (29 268) en de verlenging vd loondoorbetalingsverplichting door de werkgever bij ziekte (29 231)Wordt meegenomen in de Trendrapportage reïntegratiemarkt 2006.Planning: juli 2006
5.De Wet verlenging loondoorbetaling wordt na 3 jaar geëvalueerd.18-11-2003 Plenaire afronding Tweede Kamer van de wetsvoorstellen wijz. van de werkloosheidswet ivm de afschaffing vd vervolguitkering (29 268) en de verlenging vd loondoorbetalingsverplichting door de werkgever bij ziekte (29 231)Wordt uitgewerkt conform toezegging. Planning: januari 2007
6.In 2005 wordt bezien of een bijzondere verhoging voor 2006 mogelijk is. Dit wordt in de AKW nota 2005 opgenomen.19-11-2003 Plenaire behandeling Tweede Kamer wetsvoorstel wijz. Vd wijze van aanpassing AKW (29 258)In voorbereidingPlanning: oktober 2005
7.De Minister zegt toe dat tussentijdse evaluatie over de IRO jaarlijks zal plaatsvinden via het jaarverslag van het UWV. De verantwoordingsinformatie van het UWV wordt aangevuld met kwalitatieve evaluatie waarbij ook andere betrokken partijen als cliënten en reïntegratiebedrijven worden betrokken. Een eindevaluatie vindt plaats na 4 jaar.17-12-2003 AO over het Ontwerpbesluit tot wijz. vh Besluit SUWI houdende regels omtrent de individuele reintegratieovereenkomst en over de Wijziging vd Regeling SUWI houdende regels omtrent de individuele reintegratieovereenkomst (Kamerstukken II 2003–2004, 26 448,nr. 106)Onderzoek t.b.v. evaluatie wordt thans uitgevoerd.Planning: augustus 2008
8.Onderzoek zwembadastma. De resultaten van uit te voeren onderzoek naar zwembadastma zullen in 2005 worden gerapporteerd; de rapportage zal aan de Tweede Kamer worden toegezonden.18-12-2003 AO over Ongeval Amercentrale (29 239, nr. 1); (Kamerstukken II, 2003–2004 (29 239, nr. 3)Het onderzoek is gaande; de oplevering van het eindrapport wordt verwacht in september 2005.Planning: oktober 2005
9.De minister zal aan het einde van deze kabinetsperiode een visie neerleggen op de noodzaak van continuering van een coördinerende portefeuille voor emancipatie.29-1/2004 AO over Meerjarennota Emancipatiebeleid.(Kamerstukken II, 2003–2004, 27 061, nr. 21)In voorbereidingPlanning: juli 2007
10.De Tweede Kamer zal jaarlijks worden geinformeerd over het toezicht uitgeoefend door de PVK. 11-3/2004 AO over de Update van Hoofdlijnen voor de Pensioenwet (28 294, nr. 2), de uitvoering 2b PSW (Kamerstukken II, 2003–2004, 28 294, nr. 5)Planning: wetsvoorstel Pensioenwet zal tweede helft 2005 worden ingediend bij Tweede Kamer.Planning: december 2005
11.In het wetsvoorstel Pensioenwet wordt uitdrukkelijk gekeken naar «zorgplicht» als variant op «inleggarantie».11-3/2004 AO over de Update van Hoofdlijnen voor de Pensioenwet (28 294, nr. 2), de uitvoering 2b PSW (Vergaderjaar 2003–2004, 28 294, nr. 5)Planning: wetsvoorstel Pensioenwet zal tweede helft 2005 worden ingediend bij Tweede Kamer.Planning: december 2005
12.Over de vervolgstappen van UWV ten aanzien van de betaalde makelaarscourtage zal de Kamer vóór 1 mei geïnformeerd worden7-4-2004 AO over de huisvesting UWV(Kamerstukken II, 2003–2004, 26 448, nr. 135)De Tweede Kamer is bij brief d.d. 29-4/2005 geïnformeerd. Afgehandeld bij brief aan Tweede Kamer d.d. 26-8-2005 (26 448, nr. 219) Planning: augustus 2005
13.Flexibilisering arbeidstijden 16- en 17-jarigen. De eerder toegezegde wetswijziging aangaande de positie van 16- en 17-jarigen zal meegenomen worden in het komende wetsvoorstel (Vereenvoudiging ATW).15-4/2004 AO over het Kabinetsstandpunt vereenvoudiging Arbeidstijdenwet (29 376, nr. 1) (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 376, nr. 3)Wordt meegenomen in wetsvoorstel Vereenvoudiging ATW. Planning: december 2005.
14.Ongeval Amercentrale; De AI zal aansluitend op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek een eigen rapport publiceren. De kwestie van de onderaannemers wordt bij het AI-onderzoek betrokken.15-4/2004 Verzamel AO over Arbeidsomstandigheden. (Kamerstukken II, 2003–2004, 25 883, nr. 27)Eigen bestuurlijke AI rapportage is in concept gereed. De OvJ heeft herbevestigd dat dit rapport pas in de openbaarheid mag komen na het vonnis in eerste aanleg van de strafrechter. De zaak zal naar verwachting in mrt/apr. '06 behandeld worden.Planning: mei 2006
15.Stimuleren van de doelstelling te komen tot 90% werkgeversbijdragen door dit onderwerp nadrukkelijk op de agenda te zetten van het reguliere overleg met de STAR.21-4/2004 Plenaire behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang (28 447)Komt jaarlijks op agenda Regiegroep. Eindresultaat bezien bij de evaluatie in 2006.Planning tussenrapportage: september 2005
16.Schriftelijk uitleg geven over het recht op kinderopvang in relatie tot het systeem van vraagfinanciering in vergelijking met het recht op zorg en het voor de zorg geldende systeem van vraagfinanciering.21-4/2004 Plenaire behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang (28 447)In voorbereidingPlanning: oktober 2005
17.De Tweede Kamer jaarlijks rapporteren over de stand van zaken zelfregulering; eerste rapportage voorjaar 2006.21-4/2004 Plenaire Tweede Kamer behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang(28 447)Startbrief aan Tweede Kamer gezonden d.d. 21-12-2004 (28 447, nr. 105)Planning: juli 2006
18.De strekking van motie nr. 77 betrekken bij de evaluatie van de Wet kinderopvang in 2006 en daarbij ingaan op de consequenties in financiele en randvoorwaardelijke zin van omzetten van informele kinderopvang in formele kinderopvang.21-4/2004 plenaire behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang (28 447)Einddatum afhankelijk van de besluitvorming over evaluatie financieringsmodel.Planning: december 2006
19.In 2006 op basis van een evaluatie een open debat over de werkgeversbijdrage voor kinderopvang, waarbij alle door de Kamer genoemde opties aan de orde kunnen zijn; deze opties betreffen: structurele compen-satieregeling, verplichte werk-geversbijdrage, zgn. driekwart dwingend recht, d.w.z. een verplichting voor de werkgever om zich in een cao jegens de werknemers te verbinden tot een bijdrage. Ook toezegging EK21-4/2004 Plenaire behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 6-7-2004 Antwoord regering re- en dupliek EK Wet Kinderopvang (28 447), aansluitend hoofdelijke stemmingIn voorbereiding.Planning: december 2006
20.Het functioneren van de financieringssystematiek van de specifieke (gemeentelijke) doelgroepen, waarbij uitdrukkelijk ook wordt gekeken naar de systematiek van een tweepartijenfinancieringsstelsel voor doelgroepen (strekking motie nr. 71), betrekken bij de evaluatie van de Wet kinderopvang.21-4/2004 Plenaire behandeling Wetsvoorstel Kinderopvang (28 447) en 28-4/2004 Heropening van het wetsvoorstel Kinderopvang (28 447)In voorbereidingPlanning: december 2006.
21.De minister zegt toe bij de begroting voor 2006 terug te komen op het liquiditeitsnadeel in fondsen.28-4/2004 Plenaire behandeling TK over het wetsvoorstel Walvis (29 219 + 28 371) Is meegenomen in bijlage 10 van deze begroting.Planning: september 2005
22.Kamers worden geïnformeerd over de uitkomst van de schriftelijke raadpleging van de Cie Gelijke Behandeling en ILO over aspecten van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in particuliere arbeidsongeschiktheids-verzekeringen5-7-2004 Plenaire behandeling EK wetsvoorstel einde toegang verzekering WAZ(29 497)Bij brief d.d. 5-7-2005 is aan Eerste Kamer toegezegd de vraagstelling aan de ILO te zullen uitbreiden. Reactie ILO naar de Eerste Kamer: planning december 2005
23.Bij de evaluatie van de Wet einde toegang verzekering WAZ zal ook worden betrokken de verantwoor- delijkheidsverdeling tussen het publieke en private domein5-7-2004 Plenaire behandeling EK wetsvoorstel einde toegang verzekering WAZ (29 497)Evaluatie voorzien 5 jaar na inwerkingtreding. Zie voorts overleg met vaste cie Eerste Kamer d.d. 5 juli 2005.Planning: juni 2009
24.Jaarverslag IWI over tweedelijnstoezicht kinderopvang wordt ook naar de Eerste Kamer gezonden6-7-2004 Plenaire behandeling EK Wet kinderopvang (28 447)Eerste jaarverslag verschijnt in juni 2006Planning: juli 2006
25.De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de politieke besluitvorming omtrent de sociaal-medische doelgroep in de eerste helft van 2005.brief d.d. 18-8/2004 Wet kinderopvang en sociaal-medische indicatie (Kamerstukken II 2003–2004, 28 447, nr. 97) en 14-10-2004 AO over het ontwerp-Tijdelijk besluit tegemoetkoming kosten kinderopvangen ontwerp-besluit innovatie kinderopvang(Kamerstukken II, 2004–2005, 28 447, r. 103)Wordt meegenomen in de SZW-begroting 2006
26.Er zal een afschrift van de adviesaanvraag aan de SER over de maatschappelijke participatie van Wajonggerechtigden aan de Tweede Kamer worden gezonden.15-9/2004 AO over de volgende adviezen van de commissie Het Werkend Perspectief: – een werkend perspectief voor jongeren met een arbeidshandicap (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 461, nr. 9)SER-advies aanvraag is afhankelijk van uitkomsten verschillende nieuwe activiteiten voor Wajong-ers. Planning: december 2006
Vergaderjaar 2004–2005
Nr.OmschrijvingVindplaatsStand van zaken / knelpunten
1.Bij de rapportage over de sluitende aanpak zullen voortaan de Europese definities gehanteerd worden30-9/2004 AO over de evaluatie Sluitende aanpak (Kamerstukken II, 2004–2005, 23 972, nr. 73)In het september-nummer van het Kwartaalbericht Arbeidsmarkt zal een eerste stap worden gezet in het meenemen van de cijfers volgens Europese definitie voor wat betreft het onderdeel gesubsidieerde arbeid. In het decembernummer zal het onderdeel bemiddeling ook onderdeel zijn van de rapportage.Planning: december 2005
2.De minister heeft toegezegd dat de maximering ZW-lasten uitzendsector in de loop van 2007 wordt geëvalueerd.brief d.d. 11-10-2004 Nota naar aanleiding van verslag/nota v. wijziging wijz. wetsvoorstel maximering ZW-lasten uitzendsector. (29 718, nr. 6)Wordt uitgewerkt conform toezegging.Planning: oktober 2007
3.Opnemen uitruilrecht ouderdomspensioen in Pensioenwet. De minister heeft toegezegd dat in de Pensioenwet de gedachte van het recht om (een gedeelte van) het ouderdomspensioen om te ruilen in nabestaandenpensioen zal worden uitgewerkt.14-10-2004 AO over uitvoering Motie-Omtzigt/Depla over de wettelijke mogelijkheden om nabestaandenpensioen op te bouwen (29 257, nr. 7) (29 257, nr. 8 herdruk)Wetsvoorstel Pensioenwet wordt tweede helft 2005 ingediend bij de Tweede Kamer.Planning: december 2005
4.Minister heeft toegezegd dat recht op langdurend zorgverlof in relatie tot de financiële levensloopregeling (als financieringswijze) 3 jaar na de inwerkingtreding van de financiële levensloopregeling zal worden geëvalueerd. Dat wil zeggen een evaluatie van het gebruik van het recht op langdurend zorgverlof en de mate waarin levensloopregeling daarvoor wordt gebruikt.14-10-2004 plenaire behandeling Tweede Kamer wetsvoorstel Wijziging Wet arbeid en zorg; langdurend zorgverlof (28 467)Start onderzoek t.b.v. evaluatie is voorzien 3 jaar na inwerkingtreding levensloopregeling.Planning: maart 2009
5.Evaluatie-onderzoek naar zelfregulering sociale partners van bescherming klokkenluiders. De praktijk van zelfregulering door soc.partners op ondernemings- en bedrijfstakniveau m.b.t. bescherming klokkenluiders cf. Verklaring STAR over omgaan met vermoedens van misstanden in ondernemingen zal 3 jaar na de Verklaring (d.d. 20-6-03)worden geëvalueerd.Brief d.d. 24-10-2004 over Klokkenluiders private sector (Kamerstukken II, 2003/04, 29 200 XV, nr. 9)Het evaluatieonderzoek zal in de eerste helft van 2006 worden voorbereid en aanbesteed en medio 2006 worden uitgevoerd.Planning: juli 2006
6.SZW zal nagaan of publicatie van snelstatistiekgegevens per gemeente mogelijk is en instemming heeft van VNG en CBS.28-10-2004 AO over het plan van aanpak evaluatie Wet werk en bijstand (Kamerstukken II, 2004–2005,29 674, nr. 3)De publicatie van snelstatistiekgegevens door het CBS is vertraagd. Met het CBS is afgesproken, dat eind juni 2005 de resultaten over eind 2004 en het eerste kwartaal 2005 beschikbaar komen, en dat vervolgens wordt overgegaan tot het aanmaken van de gemeentelijke resultaten. Indien dit is gerealiseerd zal de Tweede Kamer over de afhandeling van deze toezegging worden geinformeerd. Planning: november 2005
7.Prijsstijgingen buitenschoolse opvang. De Tweede Kamer wordt geinformeerd over mogelijke prijsstijgingen bij de buitenschoolse opvang.2-11-2004 Verslag AO over het ontwerp tijdelijk besluit kosten kinderopvang d.d. 14-10-2004Kamerstukken II, 2004–2005 (PM)Einddatum afhankelijk van de besluitvorming over evaluatie financieringsmodel. Planning: december 2006
8.Het voorbereiden van een oordeel over de «extra» uitvoeringslasten van de schandpaalmethode in relatie tot de potentiële effectiviteit. brief d.d. 5-11-2004 over vergunning uitzendbranche. (Kamerstukken II, 2004–2005, 17 050, nr. 274)In voorbereidingPlanning: september 2005
9.Prestatie-indicatoren FARBO. De staatssecretaris zal de Tweede Kamer informeren over de gekozen prestatie-indicatoren voor de nulmeting en latere evaluatie van de subsidieregeling FARBO.11-11-2004 AO over Arbo-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, 25 883, nr. 34)De opdracht voor het bepalen van prestatie-indicatoren gaat in september uit.Planning: december 2005
10.Nagaan of het uitkeren van de inkomenstoeslagen AOW-ers kan worden uitgevoerd door de SVB in plaats van door gemeenten (met inachtneming van de voor de bijstand geldende normen). In voorbereidingPlanning: september 2005
11In het najaar van 2005 komt het kabinet met een reactie op de ingebrachte adviezen en op de resultaten van het project van het Expertisecentrum leeftijd en maatschappij. Tevens wordt een antwoord gegeven op de vraag welke aanpassingen wenselijk en noodzakelijk zijn om de belemmeringen voor langer doorwerken weg te nemen. Op basis hiervan kan de discussie met Uw Kamer plaatsvinden.brief d.d. 7-12-2004 Routeplanner discusie doorwerken na 65 jaar (Kamerstukken II 2004–05, 28 170, nr. 29)SER/ STAR zullen in oktober adviserenPlanning: november 2005
12.Minister heeft EK toegezegd dat zal worden gemonitord hoe vaak werkgevers een beroep zullen doen op artikel 44 ZW om aan verhaal te ontkomen.21-12-2004 plenaire behandeling EK wijz. vd werkloosheidswet ivm maximering vd ziekengeldlasten in het wachtfonds voor de uitzendsector enz. (29 718)In voorbereidingPlanning: januari 2006
13.De Staatssecretaris streeft ernaar de Integrale Rapportage Handhaving over 2004 reeds aan het einde van het derde kwartaal van 2005 aan de Tweede Kamer aan te bieden.brief d.d. 23-12-2004 Integrale rapportage 2003 (Kamerstukken II, 2004–2005, 17 050, nr. 280)In voorbereiding Planning: september 2005
14.Een IRO-evaluatie wordt in de zomer van 2005 aan de Tweede Kamer gezonden.26-1/2005 AO over operationalisatie begrip «zeer moeilijk plaatsbare cliënten», de financiering van scholing in de trajectprijs en instrumenten tbv Wajonggerechtigden (Kamerstukken II, 2004–2005, 26 448, nr. 197)Onderzoek wordt thans uitgevoerd.Planning: september 2005
15.Aan de STAR is een adviesaanvraag gelijke beloning gestuurd. De Minister zal in een gesprek met de STAR spreken over het in breder verband trekken van hoe werkgevers gestimuleerd kunnen worden om vervolgacties te nemen m.b.t. gelijke beloning en doorstroming van vrouwen naar de top.27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen (Kamerstukken II, 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)In voorbereiding Planning: oktober 2005
16.Op dit moment ontbreken cijfers over de beloningsverschillen tussen allochtonen en autochtonen bij de overheid. De minister zegt toe na te zullen gaan of het SCP hierin inzicht kan geven.27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen. (vergaderjaar 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)Gegevens zullen (indien beschikbaar) worden verstrekt bij het aanbieden van de volgende rapportage betr. arbeidsmarktpositie van werknemers aan Tweede KamerPlanning: oktober 2006.
17.Evaluatie Meerjarenbeleidsplan emancipatie27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen(vergaderjaar 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)In voorbereidingPlanning: december 2005
18.Evaluatie Ambassadeursnetwerken27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen(vergaderjaar 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)In voorbereidingPlanning: december 2005
19.Leidinggeven in deeltijd27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen(vergaderjaar 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)In voorbereidingPlanning: december 2005
20.Onderzoek 1990-maatregel27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen(Kamerstukken II, 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)In voorbereidingPlanning: december 2005
21.Uitnodigen Ambassadeursnetwerken27-1/2005 AO over Emancipatie-onderwerpen(Kamerstukken II, 2004–2005, 27 099/29 769, nr. 12)Kamerleden zijn uitgenodigd voor de slotbijeenkomst van het 3e ambassadeursnetwerk glazen plafond. Zij zijn ook uitgenodigd voor de tussenbijeenkomst van het ambassadeursnetwerk besturen. (beide april 2005) Voor de slotbijeenkomst ambassadeursnetwerk besturen zullen enkele kamerleden ook worden uitgenodigd.Planning: november 2005
22.Meetbare kwantitatieve elementen in voortgangsrapportage emancipatieen integratie1-2-2005 AO inzake de stand van zaken plan van aanpak op hoofdlijnen van emancipatie en integratie van vrouwen en meisjes uit ethnische minderheden (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 803, nr. 18)In voorbereiding.Planning: oktober 2005
23.Top 10 gemeenten (qua aantallen allochtone vrouwen) krijgen voorrang bij uitrol van beleidsinstrumenten1-2-2005 AO over de stand van zaken plan van aanpak op hoofdlijnen van emancipatie en integratie van vrouwen en meisjes uit ethnische minderheden (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 203, nr. 18)In voorbereiding.Planning: november 2005
24.De uitwerking van de regeling voor het financiele toezicht op pensioenfondsen zal overwegend plaatsvinden in een amvb o.g.v. de Pensioenwet. Voor die amvb zal de voorhangprocedure worden gevolgd.3-2-2005 AO over de brief d.d. 29-10-2004 over uitwerkingsnota hoofdlijnen financiële opzet en positie van pensioenfondsen (28 294, nr.11). (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 294, nr. 15)Planning hangt samen met wetsvoorstel Pensioenwet dat tweede helft 2005 zal worden ingediend bij Tweede Kamer.Planning: december 2005
25.De minister zal in september 2005 het parlement informeren over de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van gewijzigde pensioenregelingen a.g.v. de wet VPL, alsmede over de consequenties die het kabinet aan deze evaluatie verbindt. Indien mocht blijken dat verantwoorde invoering van het nieuwe fiscale regime per 1 januari 2006 niet mogelijk is, zal een wetswijziging tot uitstel van die invoering worden voorbereid.15-2/2005 Plenaire behandeling EK wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet arbeid en zorg en van enige andere wetten (Wet aanpassing fiscale behandeling vut/prepensioen en introductie levensloopregeling)(29 760)De brief aan zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer zal bij voorkeur rond Prinsjesdag, maar uiterlijk 30 september 2005 moeten zijn verzonden. De voorbereiding voor het onderzoek waarop deze brief zal moeten worden gebaseerd is in volle gang.Planning: september 2005
26.Het overbrengen van het signaal van de Tweede Kamer over flexibeler openings- en sluitingstijden van kinderdagverblijven in het reguliere overleg met de organisaties die niet betrokken zijn bij de vormgeving van de kinderopvang.Kamerstukken II 2004–2005, 29 769 en 27 853, nr. 4Inbrengen in Adviesplatform implementatie Wet kinderopvang. Het volgende adviesplatform vindt plaats sept/okt 2005.Planning: november 2005
27.Staatssecretaris zal op korte termijn met opdrachtgevers en reïntegratiebedrijven bezien wat er nog meer gedaan kan worden om de aanbestedingsprocedure te vereenvoudigen.brief d.d. 1-3-2005 Effectiviteit van reïntegratie Kamerstukken II, 2004–2005, (28 719, nr. 5)De conclusies uit het CPB-rapport (Goed aanbesteed is het halve werk) en de ervaringen uit Australië (SZW-Werkdocument, nr. 317) worden hierbij betrokken.Planning: december 2005
28.In overleg met betrokken partijen en in de samenwerking van RWI en marktpartijen voor markttransparantie zal Staatssecretaris bezien op welke wijze nog in de loop van 2005 kan worden gekomen tot een prestatiebenchmark.brief d.d. 1-3-2005 over Effectiviteit van reïntegratie (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 719, nr. 5)In voorbereidingPlanning: november 2005
29.Bij de begroting 2006 wordt teruggekomen op het éénmalig liquiditeitstekort ten gevolge van nieuwe systematiek premieafdracht (herhaalde toezegging)22-3/2005 AO over eerste halfjaarlijkse rapportage Samenwerking UWV en de Belastingdienst, inclusief enkele andere punten (26 448, nr. 172);– de tweede toezichtsrapportage over Walvis/SUB-operatie vd Inspectie Werk en Inkomen (28 219, nr. 26); – het convenant betreffende de overgang van medewerkers vh UWV naar de Belastingdienst (29 529, nr. 23)Bij de begroting 2006 wordt teruggekomen op het éénmalig liquiditeitstekort ten gevolge van nieuwe systematiek premieafdracht.Planning: september 2005
30.De inhoud van het amendement van het CDA betr. uitruil OP in NP zal via de Pensioenwet voor alle pensioenregelingen worden verankerd.5-4-2005 Plenaire behandeling van het wetsvoorstel (Wet verplichte beroepspensioenregeling) (29 481)Planning: wetsvoorstel Pensioenwet zal in de tweede helft van 2005 worden ingediend bij Tweede Kamer.Planning: december 2005
31.De uitkomsten van de vervolgstudie personenkring werknemersverzekeringen worden voor 1 december 2005 aan de Kamer aangeboden.brief d.d. 5-4-2005 personenkring werknemersverzekeringen (Kamerstukken II, 2004–2005, 29 800 XV, nr. 80)In voorbereidingPlanning: november 2005
32.De minister informeert de Tweede Kamer over de uitkomst van zijn gesprek met de voorzitter van de SER n.a.v. de motie Douma/van Dijk (Kamerstukken II 2004/05, 25 695, nr. 26). Deze zal worden gevraagd zich uit te spreken over de toekomst van de product- en bedrijfschappen en daarbij nadrukkelijk in te gaan op het optimaliseren van het draagvlak en de eigen toezichthoudende rol.brief d.d. 6-4-2005 reactie op aangenomen moties PBO (Kamerstukken II, 2004–2005, 25 695, nr. 32) Uitgevoerd bij brief aan Tweede Kamer d.d. 26-8-2005 (25 695, nr. 34)
33.Toezegging staatsscretaris aan pvda te reageren op best practices in andere lidstaten inzake life long learning. Bekeken wordt op welke wijze. (uitkomsten informele raad of 2e helft dit jaar op basis peer review in Emco).6-4-2005 Europa-overleg (21 501-31, nr. 74)Uitkomsten informele raad boden geen aankopingspunten. In 2e helft 2005 zal de Tweede Kamer op basis van peer review in EMCO-verband (EU werkgelegenheidcomité) nader geïnformeerd wordenPlanning: december 2005
34.De Tweede Kamer wordt via de kwartaalrapportages van UWV op de hoogte gehouden over de voortgang van maatregelen die UWV treft met betrekking tot de onderwerpen herbeoordelingen arbeidsongeschiktheid, reïntegratie en etniciteit; deze onderwerpen zullen duidelijk kenbaar gemaakt worden bijvoorbeeld door een leeswijzer, of door de betreffende passages apart te verzenden.7-4-2005 AO over het onderzoeksrapport «Arbeidsongeschiktheid, rëintegratie en etniciteit» (26 448, nr. 194) en de eerste resultaten herbeoordelingsoperatie arbeidsongeschikten (28 333, nr. 54)De Kamer wordt geïnformeerd bij gelegenheid van de tweede kwartaal-rapportage.Planning: september 2005
35.Het laten aansluiten van het onderzoek van het NIVEL bij het Belastingdienst onderzoek om het inzicht te vergroten, hierbij moet echter wel worden aangetekend dat dit geen vertraging mag betekenen voor het Belastingdienst onderzoek7-4-2005 Spoeddebat over koopkracht chronisch ziekenDe Programmacommissie van het NIVEL heeft positief geoordeeld over het SZW-verzoek.Planning: september 2005
36.De stichting Transparantie komt binnenkort met een plan van aanpak. Aan de hand daarvan zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de voortgang.13-4/2005 AO over Beleidsnota Reïntegratiemarkt 2004. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 719/26 448, nr. 18)31 augustus is er BO met de convenantspartijen, daarna wordt de brief voorbereidt.Planning: september 2005
37.Een kabinetsreactie op het SEOR-rapport «Effectiviteit van reïntegratie» zal in september naar de Tweede Kamer worden gestuurd.13-4/2005 AO over Beleidsnota Reïntegratiemarkt 2004(Kamerstukken II, 2004–2005, 28 719/26 448, nr. 18)In voorbereidingPlanning: september 2005
38.Motie van Dijk/Douma zal nadrukkelijk worden betrokken bij zowel de beoordeling van de toekomstverkenningen van de schappen als bij het opstellen van het kabinetsstandpunt over de toekomst van de PBO. In zijn standpunt zal het kabinet expliciet aandacht besteden aan de oprichting van nieuwe schappen.brief d.d. 25-4/2005 over een Reactie op motie 25 695, nr. 28 (Kamerstukken II , 2004/05 25 695, nr. 33)Planning: mei 2006
39.Een brief aan de Tweede Kamer waarin ingegaan wordt op de adviezen en notities van verschillende organisaties ten behoeve van het seminar NAWI op 18 april jl.25-4/2005 Nota-overleg over de notitie Nieuwe accenten op het terrein van werk en inkomen (Kamerstukken II, 2004–2005, II, 29 804, nr. 15)Tweede Kamer bij brief d.d. 1-7-2005 (29 804, nr. 17) geïnformeerdPlanning: juni 2006
40.Standpunt over ruime toepassingspraktijk afwijking bij CAO van de zgn. ketenbepaling (art. 7:668a BW). Alvorens aanvullende wetgeving in overweging te nemen (om onbedoeld gebruik van de afwijkingsmogelijkheid tegen te gaan) is aan de STAR verzocht aan te geven welke inbreng sociale partners zullen leveren om de doelstelling van de ketenbepaling daadwerkelijk te realiseren. De Kamer dient te worden geinformeerd over het advies van de STAR en evt. nadere maatregelen van het kabinet.Kamerstukken II 2004/04, 30 801, nr. 1, pag. 4–5Advies STAR wordt in augustus verwacht.Planning: november 2005
41.Standpunt over inrichting ontslagstelsel, ontslagvergoedingen en employability en ontslag. Na ommekomst van het advies van de SER over het sociaal-economisch beleid op middellange termijn zal het kabinet een standpunt bepalenKamerstukken II 2004/05, 30 109, nr. 1, pag. 42–43SER heeft aangegeven vermoedelijk pas tegen de zomer van 2006 te zullen adviseren.Planning: oktober 2006
42.De Wet Flexibiliteit en Zekerheid zal in 2006 opnieuw worden geëvalueerd. Om effecten in de praktijk van de verschillende bepalingen van de Flexwet en hun uitwerking in CAO's te kunnen blijven volgen is het kabinet voornemens in 2006 opnieuw onderzoek hiernaar te laten uitvoeren. Over de resultaten hiervan zal de Kamer begin 2007 worden geinfomeerd.Kamerstukken II 2004/05, 30 801, nr. 1, pag. 6In voorbereidingPlanning: mei 2007
43.De Tweede Kamer ontvangt het door DIV op te stellen protocolbrief d.d. 27-4/2005 Antwoorden op vragen van de leden Veenendaal en Hirsi Ali (VVD) over diversiteit, Aanhangsel Kamerstukken II, 2004–2005, 1511In voorbereidingPlanning: december 2005
44.De Wet tot wijziging van de WAO ivm invoering branchegewijze premiedifferentiatie wordt geëvalueerd. Daarbij zal worden bezien of zolang het nodig is om een systeem van premiedifferentiatie te hanteren, de premiedifferentiatie kan worden gebracht op het niveau van de branches. Ook wordt de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden bij de evaluatie meegenomen.26-5/2004 Plenaire behandeling wijz. WAO ivm invoering branchegewijze premiedifferentiatie (29 292)Evaluatie zal tzt worden gestart.Planning: december 2007
45.Nagaan of arboregels problemen opleveren m.b.t. stageplaatsen VMBO ARBO/KON/05/44378)AO 8-6-2005 over Arbozaken. (Kamerstukken II, 2004–2005)Brief met bevindingen en beleidsconclusies wordt aan de Tweede Kamer toegezonden.Planning: september 2005
46.Het toezenden van de resultaten van het AD-onderzoek naar de RSP-bedrijven aan de Tweede Kamer.9-6-2005 AO over het voortbestaan van de huidige RSP-regeling (29 544, nr. 23)(Kamerstukken II, 2004–2005, 29 544, nr. 30)Het onderzoek door AD zal naar verwachting medio september zijn afgerond. Daarna zullen de resultaten aan de Tweede Kamer worden toegezonden.Planning: oktober 2005
47.De Staatssecretaris zegt toe dat een gesprek met de G4 (gemeenten) over oplossingen ter voorkoming van het wegvallen van huisvesting a.g.v. kortdurende detentie op zeer korte termijn gevoerd zal worden.15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 28 870, nr. 139)BZK zal dit overleg z.s.m. plannen.Planning: september 2005
48.De staatssecretaris gaat na of door de afschaffing van de SUWI-uitbestedingsverplichting sommige elementen in de voorziene evaluatie van de reïntegratiemarkt aanpassing behoeven15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005 28 870, nr. 139)In voorbereiding.Planning: oktober 2005
49.Eind 2005 krijgt de Kamer een iventarisatie van alternatieven voor het huidige moment van bekendmaking van de budgetten aan gemeenten («tussendocument» met pro's en contra's, inclusief visie VNG en Divosa).15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 139)Ambtelijk overleg met VNG en Divosa; Nov./dec. 2005 – bevindingen worden aan Tweede Kamer gezonden .Planning: december 2005
50.SZW zal met het CPB overleggen over de tot nu toe gevolgde ramingsmethodiek en neemt daarin de bevindingen van de Kamer mee. Daarbij zullen ook ontwikkelingen als de invloed van de toename van tweeverdieners op het bijstandsvolume worden betrokken.15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 139)Bespreking met CPB vindt plaats.Planning: december 2005
51.De Staatssecretaris zegt toe de uitkomsten van het overleg met de Minister van BZK over herijking gemeentefonds(uitvoeringskosten) van mei 2005 te bestuderen en zonodig nog contact op te zullen nemen met Minister Remkes en daarbij ook de opmerking van dhr. Bruls te zullen betrekken over de cumulatie van herverdeeleffecten.15-6/2005 AO over de verdeelmodellen Werk en Bijstand (28 870,nrs. 134 en 135) * de brief d.d. 10 juni 2005 over de voorstellen verdeelsystematiek WWB 2006. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 139)Na overleg met BZK in juli 2005 wordt Tweede Kamer over de gevolgen voor de WWB geïnformeerd. Planning: oktober 2005
52.De Staatssecretaris zegt toe dat over de uitkomsten van het onderhoudstraject verdeelmodellen WWB overleg gevoerd wordt met de Tweede Kamer.15-6/2005 AO over de verdeelmodellen Werk en Bijstand (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 139) Start onderhoudstraject in september 2005. Afronding eventueel onderzoek voorjaar 2006. Uitkomsten van onderzoek en evt. voorstellen voor aanpassing van de verdeelmodellen kunnen dan naar verwachting in april/mei 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden worden.Planning: mei 2006
53.De werking van de financieringsystematiek WWB wordt bezien met het oog op mogelijke effecten van afnemende meeropbrengsten (besparingen op de bijstandslasten) als gevolg van de budgetteringssystematiek. De resultaten worden betrokken bij de eindevaluatie WWB.15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, nr. 28 870, nr. 139)In voorbereidingPlanning: december 2007
54.Staatssecretaris gaat na of er aanleiding is om SUWInet-protocollen op te schonen. Zo ja dan zal hij bezien hoe dat aangepakt kan worden.15-6/2005 AO over WWB-zaken. (Kamerstukken II, 2004–2005, 28 870, nr. 139)Advies is in voorbereidingPlanning: september 2005
55.De minister zal in een brief aan de Tweede Kamer zijn standpunt meedelen over het opnemen van (informatie uit) de bijlage Inkomensbeleid in het Jaarverslag 2005.16-6/2005 AO over het Jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2004 (Kamerstukken II, 2004–2005, 30 100 XV, nr. 9)Planning: september 2005
56.Brief aan STAR over zelfregulering sociale partners van bescherming klokkenluiders.In een gezamenlijke brief van de ministers van EZ, van SZW en van Justitie zal de Stichting van de Arbeid onder de aandacht worden gebracht dat– de Tweede Kamer zeer bezorgd is over het tot stand komen tot nu toe van klokkenluidersbescherming in ondernemingen door middel van zelfregulering;– het kabinet van mening is dat de door de Stichting aanbevolen zelfregulering van de bescherming van klokkenluiders niet vrijblijvend is en ook, dat de verantwoordelijkheid voor de naleving ervan volledig bij sociale partners ligt; en– de evaluatie van de zelfregulering door het kabinet tijdig ter hand genomen zal worden en dat over de opzet en inhoud van bedoeld onderzoek (het onderzoeksvoorstel) in het najaar met de Stichting zal worden overlegd. 23-6/2005 AO over de positie van «Klokkenluiders»(Kamerstukken II, 2004–2005, 29 200 XV, nr. 9)1. Brief aan STAR over zelfregulering in aug. 20052. Bespreken onderzoeksvoorstel t.b.v. evaluatie-onderzoek met STAR najaar 2005.Planning: november 2005
57.Eind 2006 zal de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een tussenrapportage van de regiegroep «Grijs werkt» in combinatie met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer aanbieden.Kamerstukken II, 2004–2005, 28 170, nr 29In voorbereiding.Planning: december 2006
58.CWI zal worden verzocht een makelaarsfunctie op te zetten ten aanzien van vraag en aanbod van persoonlijke diensten alsook te bezien of zij een rol kan vervullen in het ZZP-schap.29-6/2005 AO over het kabinetsstandpunt over de markt voor persoonlijke dienstverlening(Kamerstukken II, 2004–2005, nr. 34)Reactie CWI verwacht in september.Planning: september 2005
59.In een (positieve en creatieve tav de MPD) SZW-Fin brief uiteenzetten: 1) alles wat er gebeurt voor de onderkant van de arbeidsmarkt 2) aan Fin. worden fiscale beleidsopties (defiscalisering, dienstencheques en BTW-nultarief) voorgelegd, die zij vervolgens moeten uitwerken (Fin. dient aan te geven wat niet kan en waarom).29-6/2005 AO over het kabinetsstandpunt over de markt persoonlijke dienstverlening(Kamerstukken II, 2004–2005, nr. 34)Overleg met Financiën is gaande. Een gezamenlijke brief SZW-Fin. zal naar de Tweede Kamer worden gezonden.Planning: september 2005
60.De staatsecretaris van SZW zal het CPB vragen om de werkgelegenheidseffecten van dienstencheques alsnog te berekenen.29-6/2005 AO over het kabinetsstandpunt over de markt voor persoonlijke dienstverlening(Kamerstukken II, 2004–2005, nr. 34)Brief naar het CPB is op 6-7-2005 verzonden. De Tweede Kamer wordt daarna geïnformeerd.Planning: september 2005
61.Het voorstel van D66 om de MPD te stimuleren zal goed worden bekeken en uitgebreid worden becommentarieerd.29-6/2005 AO over het kabinetsstandpunt over de markt voor persoonlijke dienstverlening(Kamerstukken II, 2004–2005, nr. 34)In voorbereiding.Planning: Afgehandeld bij brief aan Tweede Kamer d.d. 9-8-2005 (29 544, nr. 35)

9 BIJLAGE INZAKE ZBO'S EN RWT'S

Deze bijlage bevat een overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vallen. Indien een ZBO of een RWT uit de departementale begroting en/of via de premie-uitgaven een bijdrage ontvangt, is het beleidsartikel vermeld waarin het ZBO of de RWT is opgenomen, alsmede de daarbijbehorende raming van de totale bijdrage voor 2006.

Tabel 9.1: Overzicht van ZBO's en RWT's van SZW
 RWTZBOBeleidsartikelBijdrage OB 2006(x € 1 miljoen)
Raad voor Werk en Inkomen(RWI)Ja Artikel 2316
Kunstenaars&COJa Artikel 302
Centrale organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) inclusief BKWI JaArtikel 22 en 24344
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)JaJaArtikel 23, 25, 30, 31 en 321 635*
Sociale Verzekeringsbank (SVB) JaArtikel 32 en 33218*
Inlichtingenbureau (IB)Ja Artikel 304,8
Diverse certificerende instellingen op het terrein van arbeidsomstandigheden en veiligheid JaArtikel 29
Vereveningsinstantie JaArtikel 28 en 31
Onderlinge Waarborgmaatschappij MAAV JaArtikel 28 en 31

* Deels via premiegefinancierde uitgaven

Raad voor Werk en Inkomen

De Raad voor Werk en Inkomen (www.rwi.nl) is het officiële en onafhankelijke overlegorgaan van vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten. De Raad doet voorstellen aan de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het beleid rond werk en inkomen in de meest brede zin. De bijdrage in 2006 aan RWI van € 16,2 mln is inclusief de bijdrage voor de RWI-subsidieregeling Stimuleringsregeling Vacaturevervulling door Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers (SVWW).

Kunstenaars&CO

Kunstenaars die gebruik maken van de WWIK moeten kunnen aantonen dat zij beroepsmatig werken. Kunstenaars&CO (www.kunstenaarsenco.nl) voert deze onderzoeken uit in opdracht van sociale diensten van gemeenten.

SUWI

In de Wet SUWI is de rechtspersoonlijkheid van de ZBO's op het terrein van de uitvoering van werk en inkomen geregeld. De Wet SUWI zal in 2006 geëvalueerd worden.

Tabel 9.2: Uitvoeringskosten per SUWI-organisatie bij constante prijzen en bij constant volume (niveau 2005):
( € 1 miljoen)2004200520062007200820092010
UWVtotaal1 821,71 851,11 635,31 369,21 280,91 266,21 209,8
Reguliere kosten1 552,11 485,71 294,51 232,91 199,61 195,11 195,1
Transformatie- en frictiekosten156,2155,8150,0100,050,050,00,0
Kwaliteitsbudget55111,9159,9
Overige projecten58,497,730,936,331,321,114,7
        
SVB210227218218218218218
Reguliere kosten210227218218218218218
        
CWI totaal412,3360,9335,9320,2319,2318,2317,2
Reguliere kosten372,8346,3335,9320,2319,2318,2317,2
Transformatiekosten39,514,61,0
        
BKWI totaal10,08,58,37,57,57,57,5
Reguliere kosten7,36,87,57,57,57,57,5
Projectkosten2,71,80,8
        
IB totaal5,67,64,84,84,84,84,8
Reguliere kosten4,54,84,84,84,84,84,8
Projectkosten1,12,8

* Vooralsnog is in de reguliere middelen 2006–2010 uitgegaan van een budget WSW-indicatiestelling van € 18,3 mln, conform de vergoeding 2005.

UWV

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (www.uwv.nl) is een zelfstandig bestuursorgaan dat tijdelijke uitkeringen verstrekt als blijkt dat werken op dat moment onmogelijk is. Naast het verstrekken van uitkeringen, stimuleert en ondersteunt UWV bij reïntegratie. Hiertoe schakelt UWV reïntegratiebedrijven in die uitkeringsgerechtigden trajecten op maat bieden. Op die manier ontstaat uitzicht op werk en kan de duur van een uitkering beperkt blijven.Bij de start van SUWI in 2002 is afgesproken dat in de periode 2002–2005 UWV jaarlijks een efficiencyslag maakt oplopend tot 25% van het kostenniveau van 2001 in 2005.Gedurende de jaren 2002–2006 wordt 40% van deze besparingen geherinvesteerd ten behoeve van kwaliteitsprojecten. De overige 60% wordt in de periode 2002–2005 – met een uitloop naar 2006 – benut voor transformatieprojecten. In 2006 daalt het begrote bedrag met de afname van de transformatiemiddelen. Vanaf 2007 is bovendien voorzien dat het afzonderlijke kwaliteitsbudget kan vervallen. Voorts laat het beschikbare kader UWV vanaf 2006 een sterke daling zien vanwege de beoogde invoering van de WIA, van de WW/SER-maatregelen en van WALVIS/SUB.

SVB

De Sociale Verzekeringsbank (www.svb.nl) is een zelfstandig bestuursorgaan dat regelingen uitvoert voor verschillende overheidsorganisaties. Voor het ministerie van SZW voert de SVB de AOW, Anw, AKW, TOG en de TAS uit.Bij de SVB is een dalende lijn in de reguliere kosten zichtbaar. Door het Verandertraject, welke tot 2010 loopt, kunnen incidenteel kosten ontstaan.

CWI

Centrum voor Werk en Inkomen (www.cwinet.nl) is een zelfstandig bestuursorgaan en werkt in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. CWI is het eerste trefpunt voor werkzoekenden en werkgevers. Werkgevers kunnen bij CWI terecht voor personeelsbemiddeling en informatie over de arbeidsmarkt. Werkzoekenden kunnen bij CWI terecht voor het vinden van werk of het aanvragen van een WW- of bijstandsuitkering. Daarnaast verleent CWI ontslagvergunningen en tewerkstellingsvergunningen, èn geeft arbeidsrechtelijke informatie. Het reguliere basisbudget is door efficiencymaatregelen vanaf 2002 geleidelijk verminderd met € 65 mln in 2005. Daarnaast zijn in de afgelopen jaren middelen ter beschikking gesteld om het transformatieproces te stimuleren. Het transformatieprogramma zal in 2005 zijn afgerond; vanaf 2006 zullen dan ook geen transformatiemiddelen meer worden verstrekt. Vanaf 2006 zal een structureel lager niveau regulier basisbudget zijn bereikt.

BKWI

Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (www.bkwi.nl) werkt in opdracht van het ministerie van SZW en verleent diensten aan de Suwi-organisaties, die verenigd zijn in het Ketenoverleg (CWI, UWV, gemeentelijke sociale diensten en SVB). Het BKWI is opgericht om het geheel aan centrale voorzieningen en afspraken te beheren en door te ontwikkelen. Het levert aan de Suwi-organisaties diensten en producten op het gebied van gegevensuitwisseling. Dit stelt deze organisaties in staat om hun wettelijke taken beter uit te voeren.

Voor de uitvoering van deze taken wordt een budget beschikbaar gesteld bestaande uit een regulier niveau van circa € 7 miljoen (constant over de jaren). Daarnaast kan ook een projectbudget beschikbaar worden gesteld. In de afgelopen jaren was dit ongeveer € 2 miljoen.

IB

Het Inlichtingenbureau (www.inlichtingenbureau.nl) ondersteunt gemeenten bij hun wettelijke taken in het kader van de sociale zekerheid. Deze ondersteuning bestaat uit coördinatie en dienstverlening op het gebied van gegevensuitwisseling tussen gemeenten en derden in de keten Werk en Inkomen. Het doel is bestrijding van fraude en bevorderen van samenwerking tussen de verschillende uitvoeringsorganisaties op het terrein van de sociale zekerheid.

Voor de uitvoering van deze taken wordt een budget beschikbaar gesteld bestaande uit een regulier niveau van circa € 5 miljoen (constant over de jaren). Daarnaast kan ook een projectbudget beschikbaar worden gesteld. In de afgelopen jaren was dit ongeveer € 2 miljoen.

Prestatie-indicatoren

SZW en de SUWI-ZBO's hebben de prestatie-indicatoren, welke gebruikt zijn in de jaarplannen 2004 en 2005, tegen het licht gehouden. Het project heeft geleid tot een aangepaste set prestatie-indicatoren voor 2006. Dit resulteerde in een aantal nieuwe indicatoren en een aantal indicatoren waarvan de definitie is aangescherpt. In onderstaande tabel zijn de indicatoren opgenomen zoals deze in 2006 voor de ZBO's van toepassing zijn.

Tabel 9.3: Prestatie-indicatoren UWV
Resultaatgebied 1: voorkomen van uitkeringsinstroom 
1. Juistheid beoordeling reïntegratieverslag 
2. Percentage niet-herstelde vangnetgevallen 
  
Resultaatgebied 2: juiste en tijdige uitkeringsverstrekking 
Tijdigheid beschikking WW, WAO, ZW 
3. Realisatie wettelijke termijnen over beschikkingen op aanvraag inclusief verlengingen. 
4. Rechtmatigheid 
Handhaving 
5. Bekendheid met verplichtingen 
6. Afdoening 
Kengetallen handhaving 
– aantal fraudesignalen 
– fraudebedrag 
– incassoratio 
  
Resultaatgebied 3: bevorderen van reïntegratie/uitstroom 
7. Hiaatpercentage 
8. Plaatsingspercentages 
  
Resultaatgebied 4: klantgerichtheid 
9. Resultaten klanttevredenheidsonderzoek, werknemers – elke 2 jaar 
  
Resultaatgebied 5: efficiency 
10. Mate van efficiency 

Bron: Meibrief 2006

Begin november zullen de definitieve jaarplannen 2006 van de SUWI-organisaties aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Hierin zijn de definitieve normen 2006 en bijbehorende toelichting opgenomen.

Tabel 9.4: Prestatie-indicatoren CWI
Resultaatgebied 1: voorkomen van uitkeringsinstroom 
1. PreventiequoteWW / WWB 
2. UitstroomquoteWW / WWB 
3. Vervullingsquote vacatures 
4. Marktbereik vacatures 
5. Matchingsquote** 
6. Hiaatpercentage 
  
Resultaatgebied 2: juiste en tijdige uitkeringsverstrekking 
7. Volledigheid overdracht gegevens CWI mbt uitkeringsintake (CWI maakt onderscheid naar WW en WWB) 
8. Tijdigheid overdracht gegevens CWI mbt uitkeringsintake (CWI maakt onderscheid naar WW en WWB) 
9. Tijdige indicatie WSW (gem. doorlooptijd indicatieproces; max. 16 weken) 
10. Tijdige herindicatie WSW (gem. doorlooptijd indicatieproces; max. 16 weken) 
  
Resultaatgebied 3: bevorderen van reïntegratie 
11. Kwaliteitscijfer reïntegratieadviezen 
  
Resultaatgebied 4: klantgerichtheid 
12. Klanttevredenheid bij CWI van bezoekers CWI / werkzoekenden elke 2 jaar 
13. Klanttevredenheid bij CWI van werkgevers – elke 2 jaar 
14. Klanttevredenheid bij CWI van intermediairs – elke 2 jaar 
  
Resultaatgebied 5: efficiency 
15. Mate van efficiency 

Bron: Meibrief 2006

* Begin november zullen de definitieve jaarplannen 2005 van de SUWI-organisaties aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Hierin zijn de definitieve normen 2005 en bijbehorende toelichting opgenomen.

** Deze indicator dient nog nader door het CWI uitgewerkt te worden. Uiterlijk 1 oktober 2005 zal worden bezien of deze voor 2006 als prestatie-indicator wordt opgenomen.

Tabel 9.5: Prestatie-indicatoren SVB
Resultaatgebied 1: voorkomen van uitkeringsinstroom 
Niet van toepassing op SVB 
  
Resultaatgebied 2: juiste en tijdige uitkeringsverstrekking 
Tijdigheid AOW, Anw, AKW, TOG, TAS 
1. Realisatie wettelijke termijnen over beschikkingen op aanvraag en mutaties met rechtsgevolg, inclusief verlengingen – nationaal. 
2. Realisatie wettelijke termijnen over beschikkingen op aanvraag en mutaties met rechtsgevolg, inclusief verlengingen internationaal 
3. Rechtmatigheid (Anw, AKW, AOW) 
Handhaving 
4. Bekendheid met verplichtingen 
5. Afdoening (alleen strafrechtelijk) 
Kengetallen handhaving 
– aantal fraudesignalen (alleen strafrechtelijk) 
– fraudebedrag 
– incassoratio 
  
Resultaatgebied 3: bevorderen van reïntegratie 
Niet van toepassing op SVB 
  
Resultaatgebied 4: klantgerichtheid 
6. Resultaten klanttevredenheidsonderzoek uitkeringsgerechtigden – elke 2 jaar 
  
Resultaatgebied 5: efficiency 
7. Mate van efficiency 

Bron: Meibrief 2006

* Begin november zullen de definitieve jaarplannen 2005 van de SUWI-organisaties aan de Tweede Kamer worden gestuurd. Hierin zijn de definitieve normen 2005 en bijbehorende toelichting opgenomen.

10 FINANCIEEL BELEID BUDGETDISCIPLINESECTOR SOCIALE ZEKERHEID EN ARBEIDSMARKT

1. Inleiding

In aanvulling op de begroting SZW voor 2006 wordt in deze bijlage de uitgavenontwikkeling sociale zekerheid (SZA-sector) toegelicht. De geraamde uitgaven-ontwikkelingen worden getoetst aan de zogenaamde ijklijn. Dit laat zien of de uitgaven zich binnen het kader van het Hoofdlijnenakkoord blijven ontwikkelen. Tevens wordt een actueel beeld gegeven van de effecten van het (voorgenomen) beleid in de SZA-sector.

In deze bijlage wordt ook een toelichting gegeven op de voorgestelde premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen voor 2006. De uitgaven sociale zekerheid en arbeidsmarkt worden namelijk voor ongeveer 65% gefinancierd uit premiemiddelen. De minister van SZW stelt de premies voor de desbetreffende sociale fondsen vast. Een confrontatie van de premie-inkomsten en de uitgaven laat een beeld zien van exploitatie- en vermogenssaldi van de fondsen. De exploitatiesaldi tellen mee voor het EMU-saldo.

2. Uitgangspunten en ontwikkelingen

De economische groei wordt geraamd op ½ % voor 2005, 2½ % voor 2006 en latere jaren. De werkloze beroepsbevolking (de werkloosheid) loopt de laatste jaren fors op, namelijk van 251 000 in 2001 tot naar verwachting 505 000 in 2005. Onderstaande grafiek laat deze ontwikkelingen in de werkloosheid zien. In deze grafiek is ook getoond in welke mate de huidige raming mede gebaseerd op de realisaties 2003 en 2004 afwijkt van de raming ten tijde van het opstellen van het Hoofdlijnenakkoord (HA) in juni 2003. Hieruit blijkt dat de werkloosheid naar huidige inzichten in beperktere mate oploopt dan verwacht werd twee jaar geleden. Voor 2006 wordt gerekend met een licht dalende werkloosheid.

Grafiek 10.1: Werkloze beroepsbevolking van 2001–2007.kst-30300-XV-2-3.gif

De algemene prijsontwikkeling in de sector SZA wordt bijna volledig bepaald door de vertaling van de contractloon-ontwikkeling naar het minimumloon en de sociale uitkeringen conform de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA). Voor 2005 heeft het kabinet besloten het bruto minimumloon en de sociale uitkeringen niet aan te passen gezien de gewenste loonmatiging. Voor 2006 is een herstel van de koppeling verondersteld en zijn in de ramingen het bruto minimumloon en de uitkeringen aangepast met bijna 0,9%. Deze prijsontwikkelingen leiden tot een gematigde uitgavenontwikkeling in de sector SZA.

In onderstaande tabel zijn een aantal kengetallen voor de sector sociale zekerheid en arbeidsmarkt gegeven. De cijfers tot en met 2006 zijn gebaseerd op de MEV 2006. Voor 2007 betreft het een technische extrapolatie.

Tabel 1: Kengetallen ontwikkeling in de sector sociale zekerheid en arbeidsmarkt
 200520062007
Totale uitgaven SZA (in miljarden euro's)58,057,357,5
waarvan saldo van ombuigingen en intensivering– 3,2– 4,8– 6,1
    
Uitkomst toetsing aan ijklijn SZA (in miljarden euro's)– 0,3– 0,3– 0,8
    
Uitgaven SZA in procenten BBP (%)11,711,210,8
    
Aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 mln)4,24,24,2
waarvan ouder dan 65 jaar2,32,42,4
Aantal uitkeringsgerechtigden in procenten werkenden (%)69,268,567,2
    
Exploitatiesaldi fondsen (in miljarden euro's)– 0,6– 0,70,5
Effect op EMU-saldo (in % BBP)– 0,1– 0,10,1

Uit bovenstaande tabel blijkt dat:

• De uitgaven SZA dalen van 58 miljard in 2005 naar 57,3 miljard in 2006. In de geraamde uitgavenontwikkeling is rekening gehouden met de voorgestelde ombuigingen en intensiveringen oplopend tot per saldo – 4,8 miljard in 2006. Ten opzichte van de uitgavenstand in het Hoofdlijnenakkoord is sprake van een onderschrijding van het uitgavenkader met 0,3 miljard in 2006.

• Het aandeel van de uitgaven SZA in het BBP (de SZQ) loopt terug van 11,7% in 2005 tot 11,2% in 2006.

• Het aantal uitkeringsgerechtigden in procenten van het aantal werkenden daalt van ongeveer 69,2% in 2005 tot ongeveer 68,5% in 2006.

• De financiële positie van de fondsen laat een exploitatietekort zien van 0,7 miljard in 2006 hetgeen het EMU-saldo verslechtert met – 0,1% BBP.

3. De bijstellingen in de uitgaven SZA en de toetsing aan het uitgavenkader

In onderstaande tabel zijn de bijstellingen in de uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt getoond sinds de vorige begroting van SZW. Onderscheid is gemaakt tussen Macrobijstellingen, Mee- en tegenvallers en bijstellingen op basis van beleid.

Tabel 2: Bijstellingen in de uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en toetsing aan uitgavenkader SZA (in miljarden euro's)
 200520062007
Uitgavenniveau Begroting 200558,257,558,1
    
Macrobijstellingen– 0,5– 0,7– 0,7
wv. Nominale bijstellingen0,0– 0,1– 0,1
wv. Volume SZA– 0,5– 0,6– 0,7
    
Mee- en tegenvallers– 0,3– 0,8– 1,1
wv. Uitvoering WAO0,0– 0,3– 0,6
wv. Uitvoering gemeenten (WWB)– 0,1– 0,4– 0,4
wv. Overig*– 0,2– 0,1– 0,1
    
Beleid0,51,31,1
wv. Motie Verhagen etc. 0,10,10,1
wv. Sociaal Akkoord0,20,00,1
wv. Verhoging AOW-tegemoetkoming0,10,10,1
wv. SER-pakket WW + uitstel invoering wekeneis0,10,40,4
wv. Frictiekosten UWV0,00,10,1
wv. Kinderopvang0,00,20,2
wv. Uitstel invoering kinderalimentatie0,10,10,0
wv. Overig0,00,10,1
    
Uitgavenniveau Begroting 200658,057,357,5
    
Uitgavenkader SZA in lopende prijzen58,357,758,2
Over/onderschrijding– 0,3– 0,3– 0,8

* Inclusief uitgaven die gepaard gaan met een aanpassing van het uitgavenkader.

De uitgaven SZA zijn bijgesteld op grond van:

• Nieuwe informatie omtrent de macro-economische ontwikkelingen conform de MEV 2006 is verwerkt in de uitgavenraming voor de SZA-sector. Voor 2006 is de contractloon-ontwikkeling neerwaarts aangepast van 1,1% tot bijna 0,9% in 2006, dit verklaart grotendeels de neerwaartse bijstelling van -0,1 miljard bij de nominale ontwikkelingen vanaf 2006. De werkloosheid is neerwaarts bijgesteld tot 505 000 in 2005 en 475 000 in 2006; dit is 45 000 respectievelijk 55 000 lager dan in de vorige begroting werd geraamd. Dit heeft geleid tot een meevallende ontwikkeling in de werkloosheidsuitkeringen in de WW en bijstand (WWB) van 0,6 miljard in 2006

• De mee- en tegenvallers in de SZA-sector zijn allereerst veroorzaakt door minder arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dan oorspronkelijk geraamd. Ook de bijstandsuitgaven zijn meegevallen ten opzichte van de raming bij de vorige begroting hetgeen is gebleken uit de realisatiegegevens 2004 en 2005.

• De ramingen zijn voor op grond van de volgende beleidsmatige overwegingen aangepast:

• Met de nota van wijziging (TK 2004–2005, 29 800, XV, nr. 26) zijn de voorstellen uit de zogenaamde motie Verhagen c.s. (TK 2004–2005, 29 800, nr. 4) met betrekking tot onder andere de voorgenomen maatregelen inzake de ontslagvergoedingen WW en de leeftijdsgrens IOAW verwerkt in de begroting.

• De afspraken uit het Sociaal Akkoord van eind 2004 zijn eveneens met de hiervoor genoemde nota van wijziging verwerkt in de begroting. Het betrof aanpassingen in de WAO- en WW-voorstellen van het kabinet zoals verlaging herkeuringsleeftijd WAO tot 50 jaar en aanhouden aanscherping referte-eis WW mede in verband met een toentertijd nog op te stellen advies van de SER over modernisering van de WW.

• De tijdelijke tegemoetkoming AOW-gerechtigden is vanaf 1 januari 2005 met € 40 verhoogd in het kader van de motie Verburg (TK 2004–2005, 29 800 XV. nr. 52) over het verzilveren van de ouderenkortingen. Per 1 januari 2006 zal de tegemoetkoming met €15 verder worden verhoogd om de koopkrachteffecten van de zorgtoeslag te compenseren. De totale tegemoetkoming bedraagt dan € 115 per jaar. De afzonderlijke tegemoet-komingen worden vanaf 1 januari 2006 als één structurele tegemoetkoming vormgegeven.

• De invoering van de aanscherping van de wekeneis vindt plaats op 1 april 2006, voor de overige onderdelen van het SER-advies WW geldt een geplande invoeringsdatum van 1 oktober 2006. Hierdoor zullen besparingen later optreden. Verder zijn het wetsvoorstel anticumulatie ontslagvergoeding in de WW en het verhogen van de leeftijdsgrens in de IOAW na het verschijnen van het SER advies van de baan. Het totaal van wijzigingen in de WW naar aanleiding van het SER-advies heeft een budgettair effect van 0,1 miljard in 2006 en 0,4 miljard in 2006 en 2007.

• De frictiekosten UWV betreffen voornamelijk de kosten voor het sociaal plan door de snellere dan voorziene daling van de personeelsaantallen in 2005–2009.

• Er wordt 200 miljoen uitgetrokken voor intensivering van de kinderopvang. Dit wordt ingezet voor verlaging van de eigen bijdragen van de middeninkomens en voor andere knelpunten in de kinderopvang.

• Het nieuwe kinderalimentatiestelsel wordt verondersteld later in te gaan namelijk op 1 juli 2006 waardoor de besparingen in de bijstand later optreden dan verwacht.

De aldus resulterende uitgaven SZA kunnen worden getoetst aan het uitgavenkader conform Hoofdlijnenakkoord van juni 2003. Dit laat zien dat er sprake is van een onderschrijding van het uitgavenkader met 0,3 miljard in 2006 en 0,8 miljard in 2007.

In de begroting van SZW zijn uitkeringsregelingen ter inkomensbescherming bij inactiviteit opgenomen. Onderstaand zijn de volume-ontwikkelingen van deze uitkeringsregelingen weergegeven. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn inclusief het vangnet ziekteverzuim; de werkloosheidsuitkeringen zijn inclusief die inzake de wet werk en bijstand en de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen werknemers en zelfstandigen (IOAW/Z).

Tabel 3: Volume-ontwikkelingen inactieven conform de definitie van de I/A-verhouding (aantallen in duizend)
 200520062007
Werkloosheidsuitkeringena651620585
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen880841818
Aow/Anw2 4552 4872 519
Totaal3 9863 9483 922
    
Ziekteverzuim particuliere sector225244247
    
Totaal aantal inactieven (teller in I/A-verhouding)4 2114 1924 169

a Hierin is voor de WWB het gerealiseerde volume 2005 opgenomen.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering daalt met ruim 30 000 in 2006 ten opzichte van 2005. Het volume arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zal naar verwachting met ongeveer 40 000 dalen in 2006 mede als gevolg van de voorgenomen maatregelen in de WAO. Het aantal 65-plussers van ruim 2 miljoen neemt verder toe wegens de vergrijzing en het aantal weduwen en weduwnaars zal dalen wegens de geleidelijke werking van de inkomenstoets bij nieuwe gevallen. Het totale aantal niet-actieven inclusief ziekteverzuim daalt met ongeveer 30 000 namelijk van 4 211 duizend in 2005 naar 4 192 duizend in 2006.

4. Financiële effecten van beleid

In het kader van het Strategische- en Hoofdlijnakkoord zijn ombuigingsvoorstellen gedaan in de sector sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid. In de begroting van vorig jaar1 zijn alle maatregelen toegelicht. In aansluiting op deze toelichting is thans volstaan met een nieuwe actuele tabel. De bedragen kunnen afwijken van die uit de genoemde akkoorden omdat voor de uitwerking een iets andere vormgeving danwel invoeringsdatum is gekozen. De opgenomen bedragen sluiten aan op de memories van toelichting bij de wetsvoorstellen.

Tabel 4: Financiële effecten van ombuigingen en intensiveringen in de begroting van SZW (naar huidige inzichten; in miljoenen euro's in constante prijzen)
 2005200620072007 sector SZA
Ombuigingen SA    
a.WAO300500690690
b.Feitelijk arbeidsverleden versus fictief9192828
c.Verscherping sancties/handhaving en controle80120120120
d.Sollicitatieplicht 57,5+/eigen bijdrage werkgevers5203939
e.Decentralisatie financiering bijstand200250250250
f.Anticumulatie gouden handdruk    
g.Vrij besteedbare reïntegratiebudgetten850850850850
h.Herziening alimentatiebeleid 40160160
i.Woonlandbeginsel    
j.Afschaffing categoriale bijstand(gemeentefonds)707070 
k.Beperking duur vervolguitkering124203268268
l.Premie-inning door de belastingdienst– 44245959
m.Afschaffing subsidie verlof (finlo en langdurig zorg verlof)30404040
n.Afschaffen AKW 16–17-jarigen die geen erkend onderwijs volgen    
o.Invoeren risicogroepen WW    
subtotaal1 6242 1362 5742 504
     
Intensiveringen SA    
p.Basisregeling levensloop*200200200200
q.Arbopakket36363636
subtotaal236236236236
     
Ombuigingen oorspronkelijk opgevoerd in begroting 2004 (HA)    
r.Afschaffen vervolguitkering, aanscherpen wekeneis en SER-pakket WW) 488181
s.Vergelijkbare maatregelen voor WW collectieve sector204050 
t.Herkeuringen WAO80140140140
u.Afschaffing arbeidsongeschiktheidsverz. Zelfstandigen2573110110
v.Gemeentelijk minimabeleid (gemeentefonds)150150150 
w.Vervallen subsidietaak Raad voor Werk en Inkomen(RWI)70717272
x.Geen intensivering levensloop aan uitgavenkant200200200200
y.Stroomlijnen Rea-instrumenten130225225225
z.Aftrekbaarheid prepensioen-premie afschaffen (inkomstenkant)180260350 
aa.Aftrekbaarheid vut-premie afschaffen (inkomstenkant)50100150 
bb.Aanpassing uitkeringen (nullijn 2004/2005 en herstel koppeling vanaf 2006)1 5902 5503 2403 240
subtotaal2 4953 8574 7684 068
     
Intensiveringen HA    
cc.Kinderopvang100100100100
     
Ombuigingen aanvullend pakket begroting 2004    
dd.Achterwege laten bijzondere verhoging AKW-bedragen30506060
ee.Indexeringen AKW 2004 en 2005 op basis van WKA75858585
ff.Aanpassing schattingsbesluit2453129129
gg.Inkomensniveau van 70% in tweede ziektejaar5010012575
hh.Extra opbrengsten aftrekbaarheid prepensioen en vut (inkomstenkant)– 2307601 020 
subtotaal– 511 0481 419349
     
Intensivering begroting 2004 en 2005 en 2006    
ii.bijzondere bijstand252525 
jj.tegemoetkoming AOW gerechtigden ivm koopkracht151154157157
kk.tegemoetkoming AOW gerechtigden ivm motie Verburg101103104104
ll.tegemoetkoming AOW gerechtigden ivm zorgtoeslag 383939
mm.intensivering kinderopvang7188202202
subtotaal284508527502
     
Aanvullend pakket begroting 2005    
nn.Anticumulatie WW    
oo.WW-deel IOAW; leeftijd verhogen van 50 naar 55 jaar.    
subtotaal0000
     
Totaal ombuigingen4 0687 0418 7616 921
Totaal intensiveringen620844863838
Per saldo3 4486 1977 8986 083

* Deze bedragen hebben betrekking op de uitgavenkant.

In vergelijking met de begroting van vorig jaar zijn de ombuigingen in de SZA-sector neerwaarts aangepast van 7,6 miljard tot 6,9 miljard in 2007. Dit komt voort uit aanpassingen in de voorgestelde WW-maatregelen op basis van het SER-advies en het niet doorzetten van de voorgenomen maatregelen ter anticumulatie van de ontslagvergoedingen op de WW-uitkeringen en de verhoging van de toetredingsleeftijd IOAW. In het kader van het Najaars Akkoord zijn de WAO-maatregelen op het terrein van de keuringen aangepast en verder is de invoering van de kinderalimentatie vertraagd.

De intensiveringen zijn verhoogd door een extra tegemoetingkoming AOW enerzijds in verband met de motie Verburg over de verzilvering van de ouderenkorting en anderzijds in verband met de zorgtoeslag en de kinderopvang is verder geïntensiveerd met 200 miljoen vanaf 2006.

5. Financieringsaspecten sociale verzekeringen

Het kabinet stelt eind 2005 de premies AOW, Anw, WAO-basis en Awf-verzekering voor 2006 vast ter financiering van de uitgaven sociale verzekeringen. Ook stelt zij de ZVW en de AWBZ-premie vast maar deze zorgpremie blijven hier bij een beschouwing aangaande SZW-relevante fondsen buiten beschouwing. In onderstaande tabel zijn de kabinetsvoorstellen met betrekking tot de premieniveau's voor 2006 vermeld. Deze premies zijn ook opgenomen in de MEV 2006.

Bij deze paragraaf over financieringsaspecten zij vooraf opgemerkt dat met de invoering van WALVIS per 1 januari 2006 de werkgevers de premies werknemersverzekeringen ongeveer één maand later zullen gaan afdragen. Hierdoor ondervinden de werkgevers een (éénmalig) liquiditeitsvoordeel ten nadele van de fondsen1. Dit liquiditeitsvoordeel is niet afgeroomd door de premies voor de werkgevers hiervoor incidenteel te verhogen ten voordele van de fondsen.

Het aldus optredende liquiditeitsnadeel voor de fondsen is overigens niet zichtbaar in de cijfers van premie-ontvangsten (tabel 6) en exploitatiesaldi van de fondsen (tabel 7) omdat een en ander op transactiebasis wordt gemeten. Het EMU-saldo is daardoor dus ook niet verslechterd.

Tabel 5: Premiepercentages voor de sociale verzekeringen in procenten van het premieplichtige inkomen
 20052006b2007
premieniveau's   
aow17,9017,9017,90
anw1,251,251,25
wao-basis5,605,004,90
wao gedifferentieerda1,651,401,40
awf8,307,857,85
wachtgeldfondsena1,751,801,80

a Deze premie neemt het kabinet over uit (het nog te verschijnen) UWV-advies

b Per 1 januari 2006 wordt de WAO vervangen door de WIA. Voor 2006 is de premie voor de regeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) opgenomen in de basispremie WAO.

De wijzigingen in de premieniveau's voor 2006 ten opzichte van 2005 kunnen als volgt worden toegelicht:

• Het kabinet stelt voor de AOW- en de Anw-premie 2006 op hetzelfde niveau als in 2005 vast te stellen. Het opvangen van overschotten en tekorten bij het AOW-fonds vindt plaats via een aanpassing van de rijksbijdrage aan dit fonds.

• Het kabinet is voornemens de WAO-basis-premie voor 2006 vast te stellen op 5,0% van het premieplichtige inkomen. Hierin is de premie voor de regeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten opgenomen. Deze premie is 0,60%-punt lager dan die in 2005 onder andere wegens de schuif met de AWBZ uit het Strategische Akkoord (– 0,15%), het aflopen van de zogenaamde SPAK-compensatie (– 0,20%), de werkgeversneutraliteit in het kader van het nieuwe zorgstelsel (– 0,15%) en wegens beperkte grondslageffecten uit hoofde van de WIA en Walvis (– 0,10%).

• Over de gedifferentieerde premies WAOstelt het UWV een advies op. Het kabinet houdt rekening met een verschuiving van lasten wegens de aanvaarde wet loondoorbetaling bij ziekte. Door verlenging van de loondoorbetalingsperiode van 1 naar 2 jaar verschuiven namelijk in 2006 de lasten van het gedifferentieerde WAO-premie (– 0,25%) naar enerzijds de directe werkgeverslasten en anderzijds de vangnetlasten ziekteverzuim gefinancierd uit de wachtgeldfondsen (+0,05%). Zoals is opgemerkt komt het UWV nog met een advies. Eventuele hieruit voortkomende andere lastenontwikkeling dan thans in de kabinetsvoorstellen besloten ligt zullen lastenneutraal worden gecompenseerd in de andere premies.

• Het kabinet is voornemens de uniforme WW-premie vast te stellen op 7,85% voor 2006. Met deze premiestelling is rekening gehouden met een effect dat voortkomt uit Walvis en de voorgesteld lastenverlichting. Met een opwaartse bijstelling van 0,70% wordt de daling van de grondslag vanwege de loontijdvakkensystematiek (WALVIS) neutraal verwerkt. Met een loontijdvakkensystematiek komt de franchise per tijdvak voor deeltijders, die minder dagen per week werken, hoger uit dan bij de huidige dagensystematiek. Een hogere franchise doet de grondslag dalen hetgeen macro lastenneutraal is gecompenseerd met een premieverhoging. Dit zou leiden tot een premieniveau van 9% in 2006. Om de lasten van de middeninkomens te verlichting is besloten de AWf-premie voor werknemers met 1,15% te verlagen tot 7,85%.

• De gedifferentieerde wachtgeldpremies voor 2006 worden door het UWV vastgesteld eind 2005. Het kabinet houdt er rekening mee dat de premie zal stijgen met 0,05% ten opzichte van 2005 omdat meer uitkeringen in het kader van vangnet ZW ten laste van dit fonds zullen komen wegens de verlengde doorbetaling ziekteverzuim.

De premieniveau's voor 2007 zijn constant gehouden ten opzichte van 2006 (technische aanname). Alleen de WAO-basispremie is verlaagd met 0,1%-punt tot 4,90%. Deze premiedaling is aangebracht in het kader van het nieuwe stelsel van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Deze premiedaling compenseert de rentehobbel van werkgevers die zich particulier gaan verzekeren voor de WIA.

De uitgaven van de sociale verzekeringen worden voornamelijk uit premiemiddelen gefinancierd. Op grond van specifieke overwegingen worden de sociale verzekeringsfondsen ook voor een deel gevoed uit rijksmiddelen. Ook ontvangen de fondsen een interest vergoeding voor het aanhouden van overschotten bij het rijk (geïntegreerd middelenbeheer). In tabel 6 is een overzicht gegeven van de inkomsten van de fondsen.

Tabel 6: Ontvangsten sociale verzekeringen (in miljarden euro's)
 200520062007
premies38,737,138,2
bijdragen van het rijk5,05,65,7
saldo onderlinge betalingen fondsen a)– 0,9– 1,0– 0,9
interest0,30,40,2
totale ontvangsten43,042,243,3
premiegefinancierde uitgaven begroting SZW b)43,642,842,8

a De af te dragen werkgeverspremies over de SZW-relevante uitkeringen leveren een bijdrage aan de financiering van uitgaven van de zorg-fondsen. Voor alle fondsen gezamenlijk zijn de afdrachten over de uitkeringen gelijk aan de inkomsten (onderlinge betaling).

b Dit zijn de uitkeringslasten plus uitvoeringskosten toegelicht op de begrotingsartikelen 23, 25, 30, 31 en 32.

De ontwikkeling in de premieontvangsten hangen samen met de vast te stellen premieniveau's en de algemene ontwikkelingen ten aanzien van de premiegrondslagen. Door de voorgestelde premie-verlagingen in de WW en WAO per 1 januari aanstaande lopen de premieopbrengsten terug van 38,7 miljard in 2005 naar 37,1 miljard in 2006.

De rijksbijdragen omvatten allereerst de bijdrage in de kosten van de kortingen (Bikk). Deze hangen samen met de herziening van het fiscale stelsel per 1 januari 2001. De invoering van heffingskortingen ipv belastingvrije sommen leidt tot premiederving bij de fondsen voor de volksverzekeringen, de rijksbijdrage Bikk compenseert daarvoor1. Daarnaast wordt aan het AOW-fonds een rijksbijdrage verleend ter oplossing van de tekorten bij dit fonds. Ook de tegemoetkoming AOW gerechtigden wordt via een rijksbijdrage gefinancierd. De overige rijksbijdragen zijn beperkt van omvang en hangen samen met de vrijstelling van premiebetaling voor gemoedsbezwaarden en de compensatie van de korting op de AOW uitkering van vrouwen van grensarbeiders.

De ontwikkelingen in de ontvangsten en uitgaven sociale verzekeringen, zoals deze in de voorgaande tabel zijn gepresenteerd, beïnvloeden de exploitatiesaldi van de sociale fondsen. Deze saldi zijn relevant voor de berekening van het EMU-saldo. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende saldi voor de SZW-relevante fondsen weergegeven. Voor de gezamenlijk SZW-relevante fondsen is sprake van een exploitatie-tekort van 0,6 miljard in 2005 en 0,7 miljard in 2006.

Tabel 7: De exploitatiesaldi van de SZW-relevante fondsen; in miljarden euro's
 200520062007
SVB(AOW/Anw)0,20,20,3
UWV (WAO, Awf en Ufo)– 0,7– 1,1– 0,3
Wachtgeld– 0,10,20,4
Totaal– 0,6– 0,70,5

De exploitatiesaldi van de fondsen beïnvloeden het feitelijke vermogen van de fondsen. Een positief exploitatiesaldo doet het vermogen toenemen. Het totale feitelijke vermogen wordt daarentegen niet beïnvloed door de latere afdracht van werkgevers van de premies werknemersverzekeringen met de invoering van Walvis per 1 januari 2006. Alleen de samenstelling van het vermogen van deze fondsen zal veranderen doordat de feitelijke liquiditeitspositie van het fonds afneemt waartegenover de vorderingen toenemen.

De vermogensnormen nemen wel toe door de latere afdracht van de premies door de werkgevers1 Hierdoor nemen de vermogensoverschotten bij de werknemersverzekeringen WAO en WW (UWV) – het saldo tussen het feitelijke vermogens en de vermogensnorm – niet allen af door het exploitatie-tekort maar ook door de gestegen vermogensnormen. In onderstaande tabel wordt de vermogensoverschotten weergegeven.

Tabel 8: De vermogenssaldi van de SZW-relevante fondsen; in miljarden euro's
 200520062007
SVB(Aow/Anw)0,40,60,9
UWV (Wao, Awf en Ufo)7,75,34,9
Wachtgeld0,00,00,4
totaal8,15,86,3

Ten behoeve van de financiering van de toekomstige AOW-uitgaven is een spaarfonds AOW ingesteld. Dit fonds is bestemd voor de financiering van de groei van de uitgaven na 2020 ten gevolgde van de vergrijzing. In onderstaande tabel zijn de stortingen en de cumulatieve vermogensopbouw weergegeven.

Tabel 9: De rijksbijdrage aan en het vermogen van het AOW-spaarfonds; in miljarden euro's.
 200520062007
Rijksbijdrage AOW-spaarfonds2,72,93,1
Rente1,01,01,1
Totaal3,73,94,2
    
Vermogen23,026,931,1

11 BIJLAGE INKOMENSBELEID

11.1 Beleidsmaatregelen met niet-standaard inkomenseffecten

1. Inleiding

In het generieke koopkrachtbeeld wordt rekening gehouden met de prijsontwikkeling (CPI), loonontwikkeling, de wijzigingen in belasting- en premietarieven en met de mutaties in de ziektekostenpremies en kinderbijslag. Dit geeft een beeld van de inkomensontwikkeling uit hoofde van voor vrijwel iedereen geldende factoren. Daarnaast zijn er beleidsmaatregelen die niet tot uitdrukking komen in het in artikel 21 gepresenteerde generieke koopkrachtbeeld, maar die voor bepaalde groepen wel van invloed zijn op het feitelijke inkomen. Het is belangrijk om ook de inkomenseffecten van dergelijke maatregelen en om de mate van cumulatie van inkomenseffecten van verschillende maatregelen voor diverse groepen huishoudens in kaart te brengen. Daarom geeft deze bijlage een inventarisatie van dergelijke maatregelen.

In deze paragraaf zijn maatregelen opgenomen die in 2006 tot inkomenseffecten leiden voor ten minste 10 000 huishoudens. In deze paragraaf kunnen, naast maatregelen die niet in het in artikel 21 gepresenteerde generieke koopkrachtbeeld tot uitdrukking komen, ook maatregelen zijn opgenomen die ten dele wel al in het generieke koopkrachtbeeld tot uitdrukking zijn gekomen. Voorbeelden zijn beleidsmaatregelen met specifieke inkomenseffecten die ook van invloed zijn op de generieke prijsontwikkeling, maar daarbij een grote spreiding kennen.

Hieronder volgt allereerst een beschrijving van de beleidsmaatregelen per departement. Vervolgens geeft de conclusie een samenvattend overzicht waarbij ook de eventuele cumulatie van inkomenseffecten in ogenschouw is genomen.

11.2 Maatregelen met specifieke inkomenseffecten

Hieronder volgt een beschrijving van de diverse maatregelen per departement.

Financiën

• Toeslag Kinderkorting derde kind

In de berekeningen voor het generieke beeld wordt uitgegaan van gezinnen met twee kinderen. Gezinnen met meer dan twee kinderen ondervinden als gevolg van het vervallen van het kopje op de kinderkortingen een negatief effect (van € 63).

• Invoering AWIR

Het vervallen van de correctie op het verzamelinkomen heeft inkomenseffecten. Gemiddeld genomen is er sprake van positieve effecten, met name bij minima. Werkenden kunnen negatieve inkomenseffecten ondervinden. De specifieke gevolgen van invoering van de AWIR voor de huursubsidie en de WTOS komen bij de maatregelen genoemd onder VROM en OCW aan de orde.

• Bijtelling privé-gebruik auto van de zaak

Wijzigingen in het fiscale loon werken als gevolg van Walvis rechtstreeks door in het sociale verzekeringsloon. De bijtelling voor het privé-gebruik van de auto van de zaak wordt vanaf 1 januari 2006 overgeheveld van de inkomstenbelasting naar de loonbelasting. Dit betekent dat het fiscale loon wordt verruimd met de bijtelling voor het privé-gebruik van de auto van de zaak. Hierdoor zijn er vanaf 1 januari 2006 premies werknemersverzekeringen verschuldigd over deze bijtelling (tenzij het premiemaximum al is bereikt). In totaal zijn 165 000 werknemers hierdoor gemiddeld € 260 extra kwijt aan WW-premies. Aangezien het werknemersdeel van de WW-premie aftrekbaar is voor de loonbelasting, is het gemiddelde negatieve inkomenseffect binnen deze groep lager, namelijk ongeveer € 150 op jaarbasis.

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu

• Taakstelling huursubsidie

Voor het subsidietijdvak 2005/2006 is de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord ingevuld door een verdere verhoging van de normhuur. Deze taakstelling loopt op van € 55 miljoen in 2004 tot € 210 miljoen vanaf 2007. Om deze reden wordt per 1 juli 2006 de normhuur met ca. € 2,75 verder verhoogd. Dit betekent voor 2006 ten opzichte van 2005 een inkomensverlies voor mensen met huursubsidie van ca. € 301, wat overeenkomt met een koopkrachteffect van – 0,3% voor de laagste inkomens.

• Aanpassing normhuurtabellen

Elk jaar worden de normhuren aangepast met de verwachte huurverhoging of met de bijstandsontwikkeling. Per juli 2005 is er voor gekozen, net als in 2004, de normhuren niet te laten stijgen met de gemiddelde huurstijging, maar met de verwachte bijstandsontwikkeling. Hierdoor muteren de normhuren niet met 1,8% (de gemiddelde huurstijging), maar met – 0,6% (de verwachte bijstandontwikkeling voor 2005). Het positieve effect bedraagt voor het subsidiejaar 2005/2006 gemiddeld € 60. Het effect doet zich voor de helft in 2005 en voor de helft in 2006 voor. Dit bedrag is echter afhankelijk van de hoogte van de normhuur (waarbij voor een hogere normhuur een positiever effect geldt). Voor de laagste inkomens gaat het om een positief inkomenseffect van ongeveer 0,6%, waarvan 0,3% relevant is voor 2006.

Per saldo is het effect op de normhuren van de twee bovengenoemde maatregelen in 2006 nagenoeg neutraal.

• Afschaffen van correctie op het verzamelinkomen

In het kader van de AWIR zal voor de bepaling van het rekeninkomen voor de huurtoeslag geen correctie op het verzamelinkomen meer worden toegepast. Bij het vaststellen van de normhuurtabellen voor de huurtoeslag zal hiermee rekening worden gehouden.

10 000 tot 20 000 65+-huishoudens, met name meerpersoonshuishoudens, zullen negatieve inkomenseffecten ondervinden van gemiddeld € 77 per jaar. Dit zijn onder andere meerpersoonsouderenhuishoudens, waarvan één van de partners werkt of huishoudens met meer dan twee inkomstenbronnen.

Om de effecten voor de huishoudens tot 65 jaar met een inkomen uit tegenwoordige arbeid te mitigeren zal structureel € 20 miljoen worden ingezet. Hierdoor wordt de groep huishoudens tot 65 jaar die een negatief inkomenseffect van groter dan € 60 per jaar zal ondervinden, beperkt tot ca. 5%. Gemiddeld heeft het afschaffen van de correctie op het verzamelinkomen een positief inkomenseffect.

• Overgang op actueel inkomen

Met ingang van de AWIR per 1 januari 2006 wordt bij inkomensafhankelijke regelingen getoetst op actueel inkomen en niet op een inkomen uit eerdere jaren. Dit betekent dat het toetsinkomen in 2006 het inkomen van dat jaar is en hoger zal zijn dan het toetsinkomen in 2005, dat uitging van historisch inkomen. Inkomenseffecten treden op voor huishoudens met een van het gemiddelde afwijkende inkomensontwikkeling. Gemiddeld is geen sprake van inkomenseffecten.

• Modernisering huurbeleid

Tot 1 juli 2005 werd de huurstijging gebaseerd op de gemiddelde inflatie over de afgelopen vijf jaar. Vanaf 1 juli 2005 wordt de huurstijging gebaseerd op de inflatie in het voorgaande jaar. Verhuurders mogen tot aan een maximum een hogere huurstijging toepassen (1,5% voor 2005). Dit geldt niet onbeperkt; corporaties zijn op instellingsniveau gebonden aan een maximaal gemiddelde extra stijging. In 2005 ligt dit op 0,4%; voor 2006 zal dit op 0,8% liggen. De hoogte van de feitelijke huurstijging is afhankelijk van de mate waarin verhuurders de huur zullen verhogen om aansluiting te vinden bij de redelijke huur in de gereguleerde huursector en de markthuur in de geliberaliseerde sector. Voor 2006 loopt dit uiteen tussen 1,5% voor huursubsidiegebruikers en 2% voor niet-huursubsidiegebruikers in het overgangsgebied. Omdat in 2004 en 2005 de inflatie lager lag dan de gemiddelde inflatie in de afgelopen vijf jaar, is de maximaal toegestane huurverhoging per 1 juli 2005 de laagste geweest sinds jaren. Ten opzichte van het huurbeleid van vóór 1 juli 2005 is er ook per juli 2006 grosso modo sprake van een gemiddeld lagere huurstijging.

In het generieke koopkrachtbeeld wordt de ontwikkeling van het besteedbare inkomen gedefleerd met het inflatiecijfer. In dat inflatiecijfer wordt ook rekening gehouden met de stijging van de huurprijzen. Inkomensverschillen voor individuele huishoudens ten opzichte van het gemiddelde beeld voor 2006 treden op bij een huurstijging die afwijkt van het gemiddelde. Vanwege de geldende maxima voor de huurprijsstijging zal de afwijking van het generieke beeld gering zijn. Alleen voor woningen waarvoor geen huursubsidie wordt verstrekt en die in het overgangsgebied komen te vallen kan de maximale huurstijging in 2006 verder boven de gemiddelde huurstijging liggen, omdat voor deze groep de huurstijging 2% (in plaats van 1,5%) boven de inflatie mag komen te liggen. Bij een maandelijkse huur van €600 gaat het dan om een half procent extra per maand, dus € 36 op jaarbasis. Voor een huishouden met een modaal inkomen is dit een koopkrachteffect van 0,1%.

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

• Afschaffing lesgeld

Met ingang van het schooljaar 2005/2006 wordt het lesgeld afgeschaft voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen van 16 en 17 jaar oud in de beroepsopleidende leerweg van het mbo. Omdat de meeste ouders bij instandhouding van het lesgeld gebruik hadden gemaakt van de mogelijkheid om het lesgeld gespreid te betalen, doet het positieve koopkrachteffect voor deze ouders zich voor de helft voor in 2005 en voor de helft in 2006. Het afschaffen van het lesgeld heeft positieve gevolgen voor circa 200 000 huishoudens. Het gaat hier om huishoudens met een inkomen vanaf ongeveer modaal. Circa 150 000 van deze huishoudens hebben het maximale voordeel van € 949. Circa 50 000 huishoudens hebben een gedeeltelijk voordeel, omdat zij door een gedeeltelijke tegemoetkoming in het lesgeld uit de WTOS slechts een deel van het lesgeld zelf moesten betalen. De overige huishoudens zouden het lesgeld volledig vergoed hebben gekregen uit de WTOS waardoor afschaffing van het lesgeld voor hen materieel geen effect heeft.

• Afbouw correctie verzamelinkomen

In het kader van de Awir zal voor de bepaling van het inkomen, de correctie op het verzamelinkomen in drie jaar worden afgebouwd. De afbouw van de correctie op het verzamelinkomen in de WSF2000 en WTOS brengen voor 2006 een aantal effecten met zich mee. Voor de meeste studenten heeft de afbouw geen effect. Voor 85 procent (circa 499 000 studenten) verloopt de afbouw budgettair neutraal. Voor zes procent van de studenten (circa 37 000) ontstaat een negatief inkomenseffect van gemiddeld € 51 per jaar. Voor circa negen procent van de studenten (53 000) ontstaat een positief inkomenseffect van gemiddeld € 26 per jaar. Voor de WTOS gaat het om ouders met een inkomen vlak onder de inkomensgrens van de WTOS (rond modaal), dan wel ouders die een hoger inkomen hebben en daardoor een gedeeltelijke tegemoetkoming ontvangen of daardoor net geen recht meer op hebben op een gedeeltelijke tegemoetkoming. Voor 80 procent (circa 215 000 ouders) verloopt de afbouw budgettair neutraal. Voor acht procent van de ouders (circa 23 000) ontstaat een negatief inkomenseffect van gemiddeld € 51 per jaar. Voor circa twaalf procent van de ouders (circa 33 000) ontstaat een positief inkomenseffect van gemiddeld € 29 per jaar.

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

• Invoering Zorgverzekeringswet

In artikel 21 Inkomensbeleid is in de koopkrachtcijfers het gemiddelde effect van de stelselwijziging in de zorg meegenomen. Ten opzichte van dit gemiddelde zal veel spreiding in inkomenseffecten optreden.

Premiedifferentiatie naar leeftijd en risicoprofiel

In 2006 mag de premie voor het basispakket niet meer worden gedifferentieerd naar leeftijd en/of risicoprofiel. In de huidige particuliere verzekeringen is sprake van een grote differentiatie in de hoogte van de premie naar leeftijd en/of risicoprofiel. In het generieke koopkrachtbeeld zoals gepresenteerd in artikel 21 is bij de berekening van de inkomenseffecten van de huidige particulier verzekerden uitgegaan van de gemiddeld betaalde premie in 2005. In werkelijkheid zal in 2005 de premie voor jongere verzekerden veelal lager zijn en voor oudere verzekerden hoger. Gemiddeld daalt voor particulier verzekerden in 2006 de nominale premie ten opzichte van 2005 met bijna € 901. Tegenover deze daling staat de (ook in het generieke beeld opgenomen) introductie van de inkomensafhankelijke bijdrage. Tabel 1 laat zien hoe groot de gemiddelde daling van de nominale premie is per leeftijdsgroep. Tot een leeftijd van 44 jaar is de verwachte daling kleiner, voor oudere particulier verzekerden is de verwachte daling groter dan waar in de generieke koopkrachtberekeningen mee is rekening gehouden. Voor de groep 18- en 19-jarigen zal de nominale premie gemiddeld stijgen.

Particulier verzekerden jonger dan 65 jaar met een hoog risicoprofiel zijn in 2005 nog aangewezen op de relatief dure standaardpakketpolis. Ook voor deze groep leidt het verbod op premiedifferentiatie tot een positief effect ten opzichte van het generieke beeld. Voor 65-plussers wordt in het generieke koopkrachtbeeld voor 2005 al uitgegaan van een standaard pakketpolis.

Tabel 1 Daling van de gemiddelde particuliere premie naar leeftijd en risico profiel
LeeftijdsklasseGemiddelde daling nominale premie 2005–2006
15–17€ 892
18–19– € 123
20–24€ 291
25–29€ 494
30–34€ 658
35–39€ 748
40–44€ 854
45–49€ 962
50–54€ 1 059
55–59€ 1 153
60–64€ 1 236
65-plus€ 992
  
Chronisch zieken 65-min€ 1 422
Gemiddeld 65-min (in koopkrachtcijfers)€ 901

Overigens wordt in de nieuwe zorgverzekering de in 2005 in de ZFW ingevoerde no-claimsystematiek overgenomen. Deze teruggaaf wordt in de koopkrachtberekeningen relevant geacht voor het lopende jaar (2006), hoewel hij daadwerkelijk pas na afloop van het jaar wordt uitgekeerd. Voor de ziekenfondsverzekerden is deze benadering ook voor 2005 al gehanteerd, particulier verzekerden krijgen hier voor het eerst in 2006 mee te maken.

Werkgeversbijdragen

In 2006 gaan werkgevers voor de huidige particulier verzekerde werknemers een inkomensafhankelijke bijdrage betalen. De bestaande werkgeversbijdragen, die veelal in CAO's zijn vastgelegd, zullen waarschijnlijk vervallen. Ongeveer 75% van de werknemers bij bedrijven krijgt in 2005 een werkgeversbijdrage. Deze bijdrage bedraagt gemiddeld 56% van de particuliere ziektekostenpremie (incl. omslagbijdragen), maar hierin zit variatie. Werknemers die in 2005 geen bijdrage ontvangen gaan er in 2006 op vooruit ten opzichte van de standaardkoopkrachtcijfers. Werknemers die in 2005 een hoger dan gemiddelde bijdrage (43% van de populatie) ontvangen gaan er juist op achteruit ten opzichte van de standaardkoopkrachtberekening, tenzij werkgevers de totale bijdrage op peil houden.

Ambtenaren

De effecten voor ambtenaren zijn mede afhankelijk van de verzekeringsvorm en de gezinssamenstelling. De ambtenaren bij de lagere overheid en politie zijn meestal voor hun ziektekosten verzekerd op basis van KPZ-regelingen. De overige ambtenaren zijn particulier verzekerd en ontvangen van hun werkgever een netto vergoeding voor hun ziektekostenpremie. Voor militairen blijft het eigen stelsel bestaan. De militair in werkelijke dienst wordt expliciet uitgesloten van deelname aan de nieuwe zorgverzekeringswet. De gezinsleden (en gewezen militairen) komen wel onder de zorgverzekeringswet te vallen.

De KPZ regeling is een ziektekostenregeling met een premiestelling die het meeste lijkt op de premiestelling in de ZFW. Het grote verschil is dat iedereen (ook de hogere inkomens) verplicht verzekerd is en dat hetpakket van deze verzekering veel breder is. Dit laatste geldt ook voor de gezinsleden (en gewezen militairen). Om het huidige bredere verzekeringspakket te kunnen behouden, zullen deze groepen een aanvullende verzekering moeten afsluiten. In de beoordeling van de inkomenseffecten is hiermee rekening gehouden.

Ambtenaren met een particuliere ziektekostenverzekering kennen nu een netto vergoeding voor hun ziektekostenpremie (de interimregeling). De interim-regeling komt te vervallen. Voor het compenseren van de negatieve inkomenseffecten van ambtenaren zijn middelen gereserveerd. De inzet van de compensatiemiddelen is onderdeel van het arbeidsvoorwaardenoverleg.

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Het grootste deel van de huishoudens ontvangt van de werkgever de verplichte volledige vergoeding voor de inkomensafhankelijke bijdrage in de ZVW en hoeft deze dus niet zelf te betalen. Voor de groep die geen werkgever heeft en daarom zelf de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, wordt een verlaagd tarief van 4,4% (bij een regulier tarief van 6,50%) van kracht om de inkomenseffecten te beperken. Voor een deel betreft dit huishoudens die in 2005 ook zelf de werkgeverspremie in de ZFW moesten betalen. In het in artikel 21 gepresenteerde beeld geldt dit voor de ziekenfondsverzekerde ouderen met een aanvullend pensioen. Daarnaast betreft dit bijvoorbeeld zelfstandigen. Particulier verzekerde huishoudens in deze groepen gaan vanaf 2006 een inkomensafhankelijke bijdrage betalen. Door het verlaagde tarief blijven de koopkrachteffecten beperkt.

Er is ook een groep huishoudens die op grond van een klein baantje ziekenfonds verzekerd is en daarnaast nog inkomen heeft waarover geen premie ZFW hoeft te worden betaald omdat dit buiten de grondslag ZWF valt. Over dit inkomen moet vanaf 2006 wel zelf de inkomensafhankelijke bijdrage betaald worden. Inkomensbestanddelen die buiten de grondslag ZFW vallen zijn: het zogenoemde resultaat uit overige werkzaamheden (ROW), lijfrente en het nabestaandenpensioen. Voorbeelden van huishoudens met ROW zijn alphahulpen, politieke ambtsdragers (raadsleden, wethouders enz.) schrijvers en fotograven.

Ook meeverzekerde partners van ziekenfondsverzekerden betalen over bovenstaande inkomensbestanddelen nu geen procentuele premie ZFW. De gemiddelde uitkering of verstrekking waarvoor de grondslagverbreding geldt, bedraagt ongeveer 10 000 euro. Voor zover dit hele bedrag onder de maximuminkomensgrens voor de inkomensafhankelijke bijdrage ligt, gaat het dan om € 440.

Voor Alimentatie gerechtigden (circa 70 000 ontvangers) is een overgangssituatie gecreëerd waardoor bestaande gevallen ook over het alimentatiegedeelte van het inkomen in 2006 geen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW betalen. Alfahulpen, verzetsstrijders en oorlog- en vervolgingsslachtoffers krijgen aanvullende compensatie via een hoger uurtarief respectievelijk een toeslag op de uitkering. Voor deze aanvullende compensatie is € 22 miljoen uitgetrokken.

Kleine baantjes en Wajong

Huishoudens met een inkomen onder WML krijgen te maken met een hogere premielast (premie minus zorgtoeslag) in 2006. Deze huishoudens betaalden in 2005 vanwege het lage inkomen procentuele premie en een relatief lage nominale premie in de ZFW. In de ZVW is de nominale premie hoger. Deze hogere premie wordt slechts gedeeltelijk gecompenseerd door de zorgtoeslag omdat de nominale premielast voor huishoudens is vastgelegd op 3½% (5% voor meerpersoonshuishoudens) van het WML. De verlaging van het tarief in de 1e schijf en de verhoging van de heffingskorting maakt echter dat de inkomenseffecten beperkt blijven.

De Wajong-uitkering is 70% van het WML. Wajongers tot 23 jaar worden gecompenseerd voor de negatieve koopkrachtontwikkeling via een tegemoetkoming. Voor Wajongers van 23 jaar en ouder is de koopkrachtmutatie ook zonder compensatie niet negatief.

Studenten

Over alle studenten gemiddeld is het koopkrachteffect van 2005 op 2006 door invoering van het zorgstelsel ongeveer nul. Tegenover een stijging van de premielast van de meeste studenten staat compensatie via de zorgtoeslag, de aanvullende beurs en fiscale maatregelen. Particulier verzekerde studenten gaan er gemiddeld € 50 op vooruit. Binnen deze groep bestaan wel verschillen. Voor studenten die geen aanvullende beurs ontvangen en daarnaast vanwege een bijbaantje ziekenfondsverzekerd zijn, is er een gemiddelde stijging van kosten ten opzichte van 2005 van € 170. Studenten met een bijbaantje en een aanvullende beurs gaan er op vooruit (€ 230). In de berekeningen zijn voor 2005 meegenomen de premie, omslagbijdragen, belasting over werkgeversbijdrage, eigen risico/no-claimkorting, en de compensatie ziektekosten voor particulier verzekerden in de aanvullende beurs van de studiefinanciering. Voor 2006 zijn meegenomen nominale premie, zorgtoeslag, belasting over procentuele premie, compensatie via de aanvullende beurs van de studiefinanciering en maatregelen in de fiscaliteit die dienen voor koopkrachtcompensatie: doorwerking in de (T)BU en verhoging van de heffingskorting.

• Eigen bijdrage AWBZ/WMO

Per 1 juli 2006 wordt de eigen bijdrage voor de extramurale AWBZ aangepast. Door de aanpassing zal het merendeel van de huishoudens onder modaal minder eigen bijdrage gaan betalen. Dit geldt ook voor meerpersoonshuishoudens. De eigen bijdrage voor hogere inkomens kan hoger uitvallen. Voor de bijdrageplichtigen die hun eigen bijdrage opvoeren als buitengewone uitgaven, worden de positieve en negatieve koopkrachteffecten over het algemeen afgezwakt door de dempende werking van de fiscale aftrek.

Op 1 juli 2006 zal ook een deel van de huishoudelijke verzorging worden overgeheveld naar de WMO. De vormgeving van het WMO beleid dient plaats te vinden op lokaal niveau. Gemeenten krijgen, binnen grenzen, de ruimte om de eigen bijdrage zelf vast te stellen. Een anticumulatiebeding zorgt er wel voor dat de eigen bijdrage AWBZ en de eigen bijdrage WMO samen niet meer bedragen dan het inkomensafhankelijk maximum zoals dat geldt voor de extramurale AWBZ.

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

• Hervorming landbouwbeleid

Met ingang van 1 januari 2006 wordt de bestaande GLB-productiesteun gewijzigd in bedrijfstoeslagen. Daarmee wordt de band tussen productie-volume en steunniveau doorgesneden. De bedrijfstoeslagen worden gebaseerd op de gemiddelde historische situatie (2000–2002) van het bedrijf. De ontkoppeling vindt plaats voor vrijwel alle gewassen en dieren. Bij de implementatie van deze hervorming is de insteek dat de inkomenseffecten voor ondernemers zo beperkt mogelijk worden gehouden. Een verlaging is denkbaar omdat de bedrijfstoeslagen in de komende jaren worden verlaagd om het plattelandsbeleid te versterken. Op dit moment is een kwantificering van de inkomenseffecten nog niet mogelijk, omdat onzeker is of gunstiger marktprijzen deze afbouw zullen compenseren.

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

• Maatregelen Nederlandse Identiteitskaart en paspoort

Per 1 januari 2006 wordt de Nederlandse Identiteitskaart verstrekt aan jongeren van 14 jaar. Het betreft jaarlijks 200 000 jongeren die bij het bereiken van 14 jaar gratis eenmalig een identiteitskaart mogen aanvragen. Gezinnen met kinderen ondervinden hierdoor een positief inkomenseffect.

In 2006 wordt de gelaatsscan ingevoerd op de reisdocumenten. Bij de invoering van de gelaatsscan stijgt de prijs van een paspoort met € 12,55. De kosten van de invoering van de gelaatsscan worden niet doorberekend in de prijs van de identiteitskaart. De prijs van de identiteitskaart blijft gehandhaafd op het prijsniveau van 2005. Het gemiddelde effect van de prijsverandering zit verdisconteerd in het CPI en werkt zo door in de standaard koopkracht.

• Afschaffing OZB-gebruikersheffing

Het generieke beeld gaat uit van 0,4% koopkrachtverbetering als gevolg van afschaffing van het OZB-gebruikersdeel op woningen per 1 januari 2006. Het gemiddelde voordeel varieert van circa 1% op minimumniveau (voorzover geen kwijtschelding) tot iets meer dan 0,3% voor 2 keer modaal (TK, 2004/05, 30 096, nr. 3, p. 11 en 12). Niet iedereen betaalt op dit moment echter OZB. Er zijn 530 000 huishoudens (stand 2002) die niet profiteren van afschaffing doordat zij de heffing thans niet betalen of doordat deze wordt kwijtgescholden. Het gaat onder meer om huishoudens met een minimuminkomen (met kwijtschelding) en om bewoners van boerderijen, verzorgingstehuizen, winkelpanden, kamerverhuurpanden, studentenhuizen en pensions. Voor deze huishoudens geldt ten opzichte van het generieke beeld een 0,4%-punt lagere koopkrachtontwikkeling. Voor de overige huishoudens verschilt het bedrag van de lastenverlichting aanzienlijk, niet alleen tussen huishoudens in woningen met verschillende waarden, maar ook tussen huishoudens in verschillende gemeenten, vanwege verschillen in tarieven.

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

• Wet Kinderopvang

Voor de kosten van kinderopvang wordt € 200 mln extra ingezet in 2006. Dit wordt merendeels ingezet voor een verhoging van de Rijksbijdrage voor kinderopvang, die met name ten goede komt aan de midden en hogere inkomens. De basistegemoetkoming van het Rijk voor het eerste kind wordt voor huishoudinkomens vanaf 130% WML tot ongeveer 3 x modaal verhoogd. Hiermee kunnen de negatieve inkomenseffecten van de Wet kinderopvang voor de middeninkomens (voor het grootste deel) worden gerepareerd en wordt het aandeel van de extra kosten kinderopvang op het extra inkomen wanneer een ouder meer gaat werken, verminderd. Hiervan kan een positief effect uitgaan op de arbeidsparticipatie van met name vrouwen. Daarnaast wordt een deel van de extra intensivering ingezet om andere knelpunten in de kinderopvang op te lossen.

• Walvis

De Wet Administratieve Lastenverlichting en Vereenvoudiging in Sociale verzekeringswetten (Walvis) introduceert één loonbegrip binnen de werknemersverzekeringen. De wijziging van het premieloon is op 1 januari 2005 in werking getreden. De wijziging van het uitkeringsloon en de dagloonvaststelling (voor de berekening van de uitkeringshoogte) treedt in werking op 1 januari 2006. Voor reeds vastgestelde uitkeringen is er geen effect. Voor nieuwe uitkeringen zijn de effecten als volgt:

• De uitkeringsgrondslag wordt breder (meer incidentele loonelementen tellen mee);

• De referteperiode voor de dagloonvaststelling wordt voor alle uitkeringen een jaar (nu is deze 13 weken voor de ZW en 26 weken voor de WW);

• De bijzondere dagloonregelingen worden afgeschaft.

Dit kan in individuele gevallen positieve of negatieve effecten hebben op de hoogte van de uitkering. Op macroniveau heffen de effecten elkaar nagenoeg op.

• Wet Financiering Sociale Verzekeringen

De Wet financiering sociale verzekeringen wijzigt de berekening van de hoogte van de franchise in de Awf en het maximum premieloon. Dit heeft gevolgen voor premiebetalers. In plaats van een berekening van deze hoogte per gewerkte dag wordt deze berekend per loontijdvak. Inkomenseffecten ontstaan voor deeltijders die minder dan 5 dagen in de week werken. Op dit moment geldt gerekend over hun maandinkomen een franchise en maximum-premiegrens naar rato van het aantal gewerkte dagen. In de nieuwe systematiek stijgt voor hen dus de franchise en maximumpremiegrens. Dit betekent dat deeltijders die minder dan 5 dagen in de week werken een positief effect ondervinden omdat zij geconfronteerd worden met een hogere AWF-franchise. In het generieke beeld is voor tweeverdieners met kinderen, waarvan de minstverdienende partner een deeltijdbaan heeft van 3 dagen, een positief effect opgenomen. Dit effect is het grootst voor werknemers met een inkomen vlak boven de franchise. Een negatief effect treedt op als gevolg van het feit dat deze groep ook met een hogere maximum-premiegrens te maken kan krijgen. Dit effect speelt echter pas bij hogere inkomens.

• Vut, Prepensioen, Levensloop (VPL)

De invoering van de wet VUT, Prepensioen en Levensloop leidt naar verwachting tot een versobering van de huidige regelingen. In de berekening van de koopkracht is verondersteld dat werknemers de vrijvallende premies inleggen in de levensloopregeling, in het reguliere pensioen of sparen in eigen beheer. In de standaardkoopkrachtcijfer is hierdoor geen effect opgenomen. Huishoudens die de vrijvallende premies niet sparen, ervaren een (korte termijn) koopkrachtvoordeel.

• Wet Inkomensvoorziening Arbeidsongeschikten (WIA)

De WIA bestaat uit twee delen: de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA). De doelgroep van de WIA is dezelfde als van de huidige WAO. Het voornemen is dat de nieuwe wet op 1 januari 2006 in gaat. De regelingen gelden uitsluitend voor nieuwe gevallen. Uitgaande van de inwerkingtreding per 1 januari 2006 zal de IVA-instroom in 2006 naar schatting ten hoogste 19 000 bedragen en de WGA-instroom ten hoogste 27 000. De activerende werking van de WGA komt tot uitdrukking in uitkeringsvoorwaarden die «werken» altijd financieel aantrekkelijker maken dan «niet-werken». Voor WGA-uitkeringsgerechtigden die òf niet werken, òf wel werken maar hun resterende verdiencapaciteit niet voor minimaal de helft benutten zullen de uitkeringen lager liggen dan in vergelijkbare situaties onder de huidige WAO-voorwaarden. De exacte inkomensgevolgen zijn echter individueel bepaald, afhankelijk van de mate van arbeidsgeschiktheid, de lengte van het arbeidsverleden, eventueel looninkomen en eventuele aanvullingen tot het minimumloon of het sociaal minimum.

In 2006 bestaat, op aanbeveling van de CAO-partijen, voor werkgevers (zowel eigenrisicodragers als publiek verzekerde werkgevers) de mogelijkheid de WGA-lasten tot een maximum van 50% te verhalen op werknemers. De uitwerking op koopkracht en loonkosten zal volledig afhangen van de invulling die de verschillende partijen hieraan geven, en kan dus zeer gedifferentieerd zijn. Mede omdat daardoor niet vast staat welk percentage gemiddeld verhaald zal worden op werknemers en/of compensatie in de arbeidsvoorwaardensfeer plaatsvindt, is voor de WGA-lastenverdeling geen generiek koopkrachteffect te geven.

3. Cumulatie van specifieke beleidsmaatregelen met inkomenseffecten

Het nieuwe zorgstelsel brengt een grote spreiding van koopkrachteffecten met zich mee. De oorzaken zijn vooral invoering van de verplichte werkgeversbijdrage en het vervallen van de premiedifferentiatie naar leeftijd. De specifieke effecten van de overige in deze paragraaf opgenomen maatregelen zijn relatief klein. Het gecumuleerde effect zal dan ook met name door de uitwerking van het zorgstelsel worden bepaald. Andere afwijkingen ten opzichte van het generieke beeld ontstaan als gevolg van afschaffing van de OZB-gebruikersheffing en een aantal maatregelen voor gezinnen met kinderen, namelijk de maatregelen in de kinderopvang, de afschaffing van het lesgeld en het vervallen van het kopje op de kinderkorting voor gezinnen met meer dan 2 kinderen. Ook de invoering van de AWIR kan tot spreiding ten opzichte van het generieke beeld leiden. Voor individuele huishoudens zullen uit dien hoofde inkomenseffecten optreden ofwel uit hoofde van de huursubsidie, ofwel uit hoofde van de WTOS. Omdat de afbouwtrajecten van beide regelingen elkaar niet overlappen heeft bijvoorbeeld afschaffing van de correctie op het verzamelinkomen voor een individueel huishouden hooguit in één van beide regelingen een doorwerking. De effecten zijn daarbij zeer individueel bepaald.

12. BIJLAGE SOCIALE ZEKERHEID

12.1 Exploitatie-overzichten sociale verzekeringen 2005–2007

Tabel 12.1.A. Overzicht sociale verzekeringen 2005 (bedragen in miljoenen euro)
 AOWAnwWAOWgfAwfUfoTotaal
Premies Totaal18 8131 53010 4072 2955 10550638 656
Inkomensoverdrachten4 836158....4 994
Onderlinge Betalingen..1 02424769421 382
Saldo Interest79885– 31395313
        
Totaal baten23 7281 69611 5162 5395 31355345 345
        
Uitkeringen/Verstrekkingen23 6211 3779 76919914 43644841 641
Onderlinge Betalingen.821 243239711332 308
Uitvoeringskosten10734922371495441 972
        
Totaal lasten23 7281 49311 9342 6005 64252445 921
        
Besparingen0203– 418– 61– 32929– 576
        
Wettelijke premie17,90%1,25%7,25%1,75%8,30%0,80% 
Aandeel werknemers17,90%1,25%..5,85%. 
Aandeel werkgevers..7,25%1,75%2,45%0,80% 
Tabel 12.1.B. Overzicht sociale verzekeringen 2006 (bedragen in miljoenen euro)
 AOWAnwWAOWgfAwfUfoTotaal
Premies Totaal18 8191 5129 2412 4414 57455737 144
Inkomensoverdrachten5 440181....5 621
Onderlinge Betalingen..84817062431 123
Saldo Interest163166941198379
        
Totaal baten24 4221 70910 1582 6154 75560844 267
        
Uitkeringen/Verstrekkingen24 3191 3608 9671 9234 11248641 166
Onderlinge Betalingen.911 155221617312 115
Uitvoeringskosten10334814264413361 664
        
Totaal lasten24 4221 48510 9372 4075 14255344 946
        
Besparingen0224– 779208– 38755– 679
        
Wettelijke premie17,90%1,25%6,40%1,80%7,85%0,80% 
Aandeel werknemers17,90%1,25%..5,20%. 
Aandeel werkgevers..6,40%1,80%2,65%0,80% 
Tabel 12.1.C. Overzicht sociale verzekeringen 2007 (bedragen in miljoenen euro)
 AOWAnwWAOWgfAwfUfoTotaal
Premies Totaal19 5501 5739 3122 5134 72756938 243
Inkomensoverdrachten5 528199   – 215 706
Onderlinge Betalingen..85417564441 137
Saldo Interest126126– 1380.221
        
Totaal baten25 0791 79810 2922 6754 87159345 308
        
Uitkeringen/Verstrekkingen24 9711 3498 8171 8323 89550941 374
Onderlinge Betalingen.901 136211584322 054
Uitvoeringskosten10734687199367321 426
        
Totaal lasten25 0791 47310 6402 2434 84657344 854
        
Besparingen0325– 3484322520454
        
Wettelijke premie17,90%1,25%6,30%1,80%7,85%0,80% 
Aandeel werknemers17,90%1,25%..5,20%. 
Aandeel werkgevers..6,30%1,80%2,65%0,80% 

12.2 Vermogens sociale fondsen, ultimo 2005–2007

(bedragen in miljoenen euro)
   2005   2006   2007
 aanwezigbenodigdvermogensoverschot aanwezigbenodigdvermogensoverschot aanwezigbenodigdvermogensoverschot
AOW1 6481 6480 1 6481 63513 1 6481 62226
Anw481113368 705111594 1 030111919
Totaal SVB2 1291 761368 2 3531 746607 2 6781 733945
            
WAO4 5016483 853 3 7221 5602 162 3 3751 6001 775
AWf5 2821 7023 580 4 8952 1352 760 4 9202 1402 780
Ufo31724293 37225347 39226366
Totaal UWV10 1002 3747 726 8 9893 7205 269 8 6863 7664 920
            
Centrale fondsen12 2294 1358 094 11 3425 4665 876 11 3645 4995 865
            
Wgf113124– 11 321356– 35 753360393
Totaal decentraal113124– 11 321356– 35 753360393
            
Totaal12 3424 2598 083 11 6635 8225 841 12 1175 8596 258

13. BIJLAGE SUBSIDIES

Bij de vormgeving van de subsidietabellen is onderscheid gemaakt naar twee subsidiedefinities. De eerst gehanteerde definitie is die volgens de Algemene Wet Bestuursrecht (artikel 4.21): «De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten».

Artikel 4.21, lid 3 specificeert de definitie nader:

«De subsidietitel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.»Uit lid 3 kan afgeleid worden dat specifieke uitkeringen aan gemeenten of provincies geen subsidies zijn.

ArtikelOmschrijving2004200520062007200820092010
23 OD 1Subsidies Reïntegratie (o.a. LCR, IPW)*12 3517 6037 3855 1696 0216 0216 021
25 OD 2Kinderopvang(subsidieregeling)5 5093 5993 4673 8923 8923 8923 892
26 OD 1Subsidies Arbeidsverhoudingen292300346300300300300
27 OD 1Subsidie Expertisecentrum leeftijd (LBL) 538438338438438438
29 OD 1Arbosubsidies beperken risico's (o.a. Farbo, SPA, Vast)5 11413 36212 40312 54914 09412 94912 949
29 OD 2Arboconvenanten23 26621 90521 57514 0912 443684684
29 OD 2Arbosubsidies preventie en verzuim8 3639 6807 5864 2474 2124 3794 379
30 OD 1Subsidies Armoedebeleid119114     
35 OD 2Subsidies Emancipatie (o.a Equality, IIAV)7 6547 7667 7667 7667 7667 7667 766
97Regelingen ex-mijnwerkers182182182182182182182
98Projectsubsidies (diverse subsidies o.a. Antheus)4141 1126 0525 6355 5905 5905 590
 Totaal Definitie AWB63 26466 16167 20054 16944 93842 20142 201

* Inclusief projectsubsidiebudget van € 160 000 in de jaren 2005–2007 welke is gereserveerd voor landelijke zelforganisaties voor «uitkeringsgerechtigden (Amendement Bakker; TK 2004–2005 30 105 XV nr. 6). Dit projectsubsidiebudget is door de kamer aan artikel 30» toegevoegd en vervolgens door SZW overgeheveld naar artikel 23 waar ook de bijdrage aan de LCR is begroot.

De tweede gehanteerde subsidiedefinitie is die volgens het Ministerie van Financiën:

«Een gebonden inkomens- of een vermogensoverdracht van het rijk om-niet aan een natuurlijk of rechtspersoon in Nederland».

Het voornaamste onderscheid tussen beide definities ligt in het feit dat specifieke uitkeringen aan gemeenten en provincies bij de tweede subsidiedefinitie wel als subsidie worden aangemerkt. Bij deze definitie worden bijvoorbeeld de WSW en het flexibel reïntegratiebudget als subsidie aangemerkt.

ArtikelOmschrijving2004200520062007200820092010
22 OD 3Stimulering arbeidsparticipatie7 94514 06819 80619 806464646
23 OD 1EQUAL (excl bijdrage aan het Agentschap SZW)4 2426 8934 8566 8943 038  
23 OD 1Praktijkscholing63 39867 6245 076    
23 OD 1SVWW10 48023 78816 2816 0006 0006 0006 000
23 OD 1Agenda voor de Toekomst144 55051 30821 387601   
23 OD 1Stimuleringsregeling ID-banen46 63568 52035 80118 0003 0006 000 
23 OD 1Flexibel Reïntegratiebudget **1 631 4671 610 8431 629 2701 629 2701 629 2701 629 2701 629 270
24 OD 1WSW2 184 9302 222 0262 192 2552 192 2952 192 2742 192 2742 192 274
25 OD 2KOA (Kinderopvang ABW)59 13110 000     
25 OD 2Kinderopvang232 540674 771916 319934 590961 006963 334970 585
29 OD 1Arbo Primair proces beperken arborisico's2 9343 6222 6572 6572 2572 2572 257
97Regeling Bedrijfsverzamelgebouwen11 8277 109     
98Onderzoek (NIBUD)160325325325325325325
 Totaal toevoegingen Financiën definitie4 400 2394 760 8974 844 0334 810 4384 797 2164 799 5064 800 757
 Totaal beide definities4 463 5034 827 0584 911 2334 864 6074 842 1544 841 7074 842 958

** Flexibel reïntegratiebudget is inclusief de oude regelingen I/D-banen, Werkervaringsplaatsen.

14. BIJLAGE GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AbwAlgemene bijstandswet
AIArbeidsinspectie
AKOAlgemeen Keten Overleg
AKWAlgemene kinderbijslagwet
ANWAlgemene nabestaandenwet
AofArbeidsongeschiktheidsfonds
AOWAlgemene Ouderdoms Wet
ArboArbeidsomstandigheden
ATBArbeidstijdenbesluit
ATWArbeidstijdenwet
AVVAlgemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten
AWBZAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AWFAlgemeen Werkloosheidsfonds
BBLBeroepsbegeleidende Leerweg
BbzBesluit Bijstandsverlening Zelfstandigen
BiaWet Beperking inkomensgevolgen Arbeidsongeschiktheidscriteria
BIKKBijdrage in de kosten van kortingen
BKWIBureau Keteninformatisering Werk en Inkomen
BUBuitengewone Uitgavenregeling
BVGBedrijfsverzamelgebouwen
BZKMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
CAOCollectieve Arbeidsovereenkomst
CBSCentraal Bureau voor de Statistiek
CEPCentraal Economisch Plan
CPBCentraal Planbureau
CSOCoördinatieorgaan samenwerkende ouderen
CSWCommissie voor de Positieverbetering van Vrouwen
CWICentra voor Werk en Inkomen
DIVDiversiteitsmanagement
DVSDigitaal Verantwoordingssysteem
ID-banenInstroom, doorstroombanen
ESFEuropees Sociaal Fonds
EUEuropese Unie
EVCErkenning van Verworven Competenties
EZMinisterie van Economische Zaken
FTEFulltime Equivalent
HAHoofdlijnen Akkoord
HRMHuman Resource Management
HVSHoofdelijk Versnelde Scholing
IHSIndividuele Huursubsidie
ILOInternationale Labour Organisation
IOAWWet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZWet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
IROIndividuele ReïntegratieOvereenkomst
IVAInkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten
IWIInspectie Werk en Inkomen
JOP-stagesJongeren Opleidings Plaatsen centra
KOARegeling Kinderopvang en buitenschoolse opvang voor alleenstaande ouders met kinderen in de Abw
MEVMacro-Economische Verkenning
MKBMidden- en Kleinbedrijf
NGONon Gouvernementale Organisaties
NIBUDNationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
NUGNiet Uitkeringsgerechtigden
OCWMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
ODOperationele Doelstelling
OESOOrganisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OZBOnroerende Zaakbelasting
PaVEMParticipatie Vrouwen Etnische Minderheden
PIAProfessioneel Inkopen en Aanbesteden
PITProgramma Inkoop Taakstelling
POROSZPeriodiek Onderzoek Regelovertreding Sociale Zekerheid
REAReïntegratieArbeidsgehandicapten
ROC'sRegionale Opleidingencentra
RSPRegeling schoonmaakdiensten particulieren
RWIRaad voor Werk en Inkomen
RWTRechtspersoon met een wettelijke taak
SBCM