Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL2
   
B.BEGROTINGSTOELICHTING3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Beleidsagenda6
   
3.De beleidsartikelen38
 1. Primair onderwijs38
 3. Voortgezet onderwijs55
 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie70
 5. Technocentra85
 6. en 7. Hoger onderwijs87
 8. Internationaal onderwijsbeleid105
 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid111
 10. Informatie- en communicatietechnologie120
 11. Studiefinanciering122
 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten134
 13. Lesgeld143
 14. Cultuur145
 15. Media158
 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid166
 24. Kinderopvang178
 25. Emancipatie187
   
4.De niet-beleidsartikelen193
 17. Nominaal en onvoorzien193
 18. Ministerie algemeen195
 19. Inspecties196
 20. Adviesraden198
   
5.De bedrijfsvoeringsparagraaf201
   
6.De diensten die een baten-lasten stelsel voeren207
 1. Centrale Financiën Instellingen207
 2. Nationaal Archief210
   
7.Verdiepingshoofdstuk213
   
8.Bijlagen261
 1. Moties en toezeggingen261
 2. RWT’s en ZBO’s287
 3. Afkortingenlijst288
 4. Begrippenlijst291
 5. Trefwoordenregister302

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2008 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten samen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2008. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2008.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2008 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat agentschappen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en het Nationaal Archief voor het jaar 2008 vastgesteld. De in de begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2008 bevat de volgende onderdelen:

a. de beleidsagenda;

b. de beleidsartikelen;

c. de overzichtsconstructies;

d. de niet-beleidsartikelen;

e. de bedrijfsvoeringsparagraaf;

f. de diensten die een baten-lasten stelsel voeren;

g. het verdiepingshoofdstuk;

h. de bijlagen.

a. De beleidsagenda

De beleidsagenda verbindt de belangrijkste beleidsdoelen van het ministerie van OCW. Nieuw is dat deze is onderverdeeld naar de drie beleidsterreinen onderwijs, cultuur en wetenschap. Bovendien staat aan het einde van de beleidsagenda een overzicht van de belangrijkste beleidsprioriteiten voor de komende periode, alsmede de instrumenten die daarvoor worden ingezet en de prestatiegegevens waarmee de voortgang op deze prioriteiten wordt gemeten. De belangrijkste aspecten van de kwaliteit en de prestaties van het onderwijsstelsel, waaronder de Lissabon-doelstellingen, zijn door middel van grafieken in beeld gebracht. Deze overzichtstabel en grafieken vormen de schakel tussen de beleidsagenda en de verschillende beleidsartikelen.

b. De beleidsartikelen

Elk beleidsartikel is in principe opgebouwd volgens de standaardindeling:

• algemene beleidsdoelstelling;

• tabel budgettaire gevolgen van beleid;

• operationele beleidsdoelstellingen;

• overzicht beleidsonderzoeken.

Met ingang van de begroting 2008 is het artikel 10 (informatie- en communicatietechnologie afgekort Ict) opgeheven. De gelden voor de leerlinggebonden financiering voor Ict zijn thans opgenomen in de bekostiging van de onderwijssectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. De centrale gelden voor Ict voor ondersteunings- en stimuleringsactiviteiten en innovatie zijn opgenomen in een apart artikelonderdeel van artikel 3 (voortgezet onderwijs). Daarmee blijft de informatieverstrekking aan de Staten-Generaal gewaarborgd.

In het Coalitieakkoord is afgesproken dat de dossiers kinderopvang en emancipatie worden overgeheveld van SZW naar OCW. In de begroting 2008 heeft OCW de onderdelen artikel 24 (kinderopvang) en artikel 25 (emancipatie) opgenomen na artikel 16.

Er is in deze begroting veel aandacht besteed aan de formulering van een samenhangend geheel van doelstellingen en bijbehorende prestatiegegevens, die een stabiele uitgangspositie vormt voor de beleidsverantwoording tijdens deze kabinetsperiode. De begroting 2008 bouwt voort op de verbeteringen die in de begroting 2007 ten aanzien van de prestatiegegevens zijn gerealiseerd. Vergeleken met de begroting 2007 is de samenhang tussen de doelstellingen in de verschillende begrotingsartikelen verbeterd. In de doelstellingen staat de leerling, de docent, de wetenschapper of de cultuurparticipant centraal. In alle onderwijsartikelen zijn de belangrijkste functies van het onderwijs (kwalificatie, differentiatie, integratie), en de belangrijkste randvoorwaarden (toerusting, kwaliteit instellingen en docenten, toegankelijkheid) in de doelstellingen verwerkt. De doelstellingen in de cultuurartikelen maken een duidelijker onderscheid tussen de deelname aan cultuur en het aanbod daarvan.

De doelstellingen zijn zoveel mogelijk onderbouwd met relevante en zinvolle prestatiegegevens (indicatoren of evaluatieonderzoek) waaraan streefwaarde of streefrichting is verbonden. Waar een onderbouwing van doelstellingen met prestatiegegevens zinvol wordt geacht, maar nog niet over gegevens wordt beschikt, is een ontwikkelperspectief geformuleerd.

In de gehele begroting is invulling gegeven aan motie Douma (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 949, nr. 11): beleidsdoelen zijn geformuleerd in termen van te realiseren maatschappelijke effecten en daarvan afgeleide prestatiegegevens. Waar hiervan is afgeweken, wordt in het artikel een motivering gegeven volgens het principe «pas toe of leg uit» (comply or explain). Voor de volgende beleidsartikelen kunnen (nog) geen zinvolle en relevante prestatiegegevens met streefwaarden worden weergegeven:

• Art. 5 Technocentra. Het platform Bèta-Techniek evalueert nu de werkzaamheden van de technocentra. De eerste resultaten, die inzicht kunnen geven in de gerealiseerde activiteiten van de technocentra en de effecten op de kennisinfrastructuur in de regio, komen in de tweede helft van 2007 beschikbaar.

• Art. 8 Internationaal onderwijsbeleid. Het gaat hier om de ondersteuning van de Nederlandse belangenbehartiging bij internationaal opererende organisaties. De relatie tussen de Nederlandse inzet en het bereiken van internationale doelen is moeilijk objectief meetbaar. Wel brengt OCW jaarlijks verslag uit aan de Tweede Kamer over de internationale mobiliteit van lerenden middels het Rapport Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 22 452, nr. 30). Daarnaast zal in overleg met Nuffic, Cinop en het Europees platform in 2008 een maatstaf voor internationalisering worden ontwikkeld, die onder andere de participatie aan internationaliseringsprogramma’s en internationale mobiliteit van scholen en studenten in beeld brengt.

• Art. 11, 12 en 13 Studiefinanciering, WTOS, Lesgelden. De doelstellingen op deze beleidsterreinen worden onderbouwd met kengetallen van onder andere de onderwijsdeelname en het verwachte rendement, en van het aantal ontvangers of gebruikers. Hierbij zijn geen streefwaarden vastgesteld. Het streven van de overheid is gericht op het waarborgen van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs en niet dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van deze instrumenten. De onderwijsdeelname en het rendement zijn het resultaat van een breed scala van factoren, waarbij de beschikbaarheid van studiefinanciering of WTOS een relatief beperkte rol speelt.

De begroting 2008 verenigt ambitie met realiteitszin. De invloed van het beleid op de gewenste maatschappelijke situatie is niet altijd rechtstreeks of volledig vast te stellen, het betreft immers complexe beleidsproblemen en ingewikkelde causale relaties. Een van de belangrijkste functies van de opgenomen indicatoren is dat zij een positieve of negatieve trend, soms in internationaal perspectief, kunnen signaleren. In deze begroting zijn de prestaties van het beleid zo goed mogelijk in beeld gebracht, maar enige terughoudendheid bij de beoordeling van de indicatoren is altijd geboden: het zijn indicaties van de uitkomsten van het beleid.

Daarnaast speelt de inzet van de enveloppemiddelen een rol. Een belangrijk gegeven hierbij is dat de oploop van de enveloppe voor 2009 en verder conform de afspraak uit het Coalitieakkoord per departement gereserveerd is op de aanvullende post van het Rijk. De bedragen voor 2009 en verder worden jaarlijks bij Voorjaarsnota per tranche beschikbaar gesteld.

Niettemin zijn in deze begroting de maatschappelijke doelstellingen en prioriteiten op creatieve wijze en met ambitie geformuleerd en zo adequaat mogelijk onderbouwd met meetbare prestatie- en effectgegevens.

Naar aanleiding van de motie Bakker c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 391, nr. 3) is per beleidsartikel een tabel opgenomen waarbij per operationele doelstelling vanaf 2007 wordt aangegeven hoeveel middelen juridisch verplicht zijn, hoeveel middelen bestuurlijk gebonden en hoeveel middelen niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden zijn.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn vier zogenaamde niet-beleidsartikelen:

• nominaal en onvoorzien

• ministerie algemeen

• inspecties

• adviesraden

d. Bedrijfsvoeringsparagraaf

In deze paragraaf wordt ingegaan op de interne bedrijfsvoering. Hierin wordt een toelichting gegeven op de belangrijke ontwikkelingen op dit gebied. Daarnaast worden knelpunten toegelicht die mogelijk een risico vormen voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen en wordt aangegeven welke acties hierbij worden genomen.

e. Diensten die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen en het Nationaal Archief.

f. Verdiepingshoofdstuk

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2007 en de ontwerpbegroting 2008. De ondergrens voor het toelichten van mutaties is € 2,2 miljoen. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

g. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn bij de begroting opgenomen:

• Overzicht moties en toezeggingen

• Overzicht RWT’s en ZBO’s

• Afkortingen

• Trefwoorden

• Begrippen

2. BELEIDSAGENDA 2008

Inleiding

Goed onderwijs, excellente wetenschap en een rijk cultureel leven zijn van vitaal belang voor onze maatschappij. Dat geldt voor terreinen als onze economie, de sociale samenhang, culturele uitwisseling, emancipatie en het persoonlijke welbevinden van individuen. Er is dus alle reden om te investeren in onderwijs (inclusief kinderopvang), cultuur en wetenschap. Het huidige kabinet trekt hier dan ook ruim 2 miljard euro extra voor uit.

1. Onderwijs (inclusief kinderopvang)

Wij geloven in de kracht van goed onderwijs. Voor de economie van morgen, voor de samenleving van morgen maar vooral voor (jonge) mensen zelf, voor hun persoonlijke vorming en ontwikkeling, voor hun bestaanszekerheid, hun weerbaarheid en wendbaarheid op de (steeds internationaler wordende) arbeidsmarkt. Kennis, kwaliteit en ambitie zijn de kernwoorden hierbij. Goed onderwijs wordt in een prettige leeromgeving gegeven, waar leraren en leerlingen (en hun ouders) elkaar kennen en zich gekend weten. Goed onderwijs brengt waarden onder woorden en durft normen te stellen. Goed onderwijs bereidt leerlingen en studenten voor op hun rol in en bijdrage aan de samenleving. Goed onderwijs draagt, kortom, bij aan een betere samenleving.

Veel mensen zijn ongerust over de staat van het onderwijs. Ook in de eerste honderd dagen van het kabinet werden we regelmatig geconfronteerd met zorgen. Kinderen zouden van school komen zonder voldoende kennis en kunde. Kranten berichten dat een kwart van de leerlingen de basisschool verlaat zonder behoorlijk te kunnen lezen. Wie leert er nog jaartallen, hoofdsteden en tafels? Tegenwoordig lijken kinderen vooral te leren dat je alles wat er te weten valt kunt «googelen». Ouders beklagen zich dat lessen te vaak uitvallen en dat er ongekwalificeerd personeel voor de klas staat. Scholen zouden hun leerlingen te weinig gevoel voor gezagsverhoudingen bijbrengen. Te weinig studenten kiezen voor het leraarschap, omdat het een gering aanzien geniet en slecht betaald wordt. Een kwart van de pabostudenten scoort onvoldoende voor taal en rekenen. Deze gevoelens leven breed in de samenleving. Volgens velen zou de zorgelijke toestand van het onderwijs te wijten zijn aan vernieuwingen als het nieuwe leren, het studiehuis en competentiegericht leren.

Wij trekken ons deze kritiek aan, al gaan wij niet klakkeloos mee in alle grieven. Het onderwijs in Nederland behoort nog altijd tot de wereldtop, vooral waar het de prestaties van de zwakste leerlingen betreft (Minne et al., Excellence for Productivity?, CPB 2007). Van alle basisscholen verdient 93 procent tenminste het predicaat voldoende (Onderwijsverslag 2005/2006). Bemoedigend, maar het is niet genoeg. Wij rusten niet voordat die zeven procent zwakke scholen naar behoren functioneert. En ook voor de overgrote groep die voldoende scoort moet de norm omhoog. Ons onderwijs moet dus beter! Ook bestaat er veel discussie over het nieuwe leren. Dat is op zich een goed teken, want onderwijzen en leren gaat niet op routine. Wij achten het van groot belang dat de docent zelf in de positie is de keuzes voor de meest effectieve pedagogisch didactische aanpak te maken, in goede samenspraak met belanghebbenden, en ondersteund door hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek. Wij streven daarbij uitdrukkelijk naar een herwaardering van kennisoverdracht binnen het onderwijs. Nederlandse taal en rekenvaardigheid hebben daarbij de hoogste prioriteit.

De kwaliteit van het onderwijs moet boven iedere twijfel verheven zijn. Er is ons dan ook alles aan gelegen om het publiek vertrouwen in het onderwijs te herstellen. En dat kan ook, als de overheid duidelijk aangeeft wat zij van scholen verwacht en als zij optreedt waar dat nodig is. Maar bovenal hebben we scholen nodig die trots en zelfbewust deze verwachtingen waarmaken, naar eigen inzicht werk maken van hun maatschappelijke opdracht en hierover duidelijk verantwoording afleggen aan ouders, leerlingen en overheid. Zónder nieuwe bureaucratie. Wij willen dat onderwijsgeld ten goede komt aan het onderwijs. Een toenemende verantwoordingslast past daar niet bij.

In scholen komen veel maatschappelijke ontwikkelingen samen. We maken daarom de praktische en principiële keuze om de school te benutten en toe te rusten voor meer dan leren alleen. Dit vraagt om samenspel tussen rijks-, gemeentelijke en andere overheden. Zo verwelkomen we jeugdzorg, schuldhulpverlening, justitie en andere instellingen binnen de schoolmuren. Zo kan de leraar zich concentreren op lesgeven. Daarnaast verwachten we veel van de uitbreiding van het aantal brede scholen. De maatschappelijke stage is een veelbelovend middel om leerlingen kennis te laten maken met facetten van de samenleving die vaak nog onbekend zijn voor hen. En naast het gezin blijft de school de aangewezen plaats om jongeren tot kritische (wereld-)burgers te vormen en respect voor gezag bij te brengen. Scholen hebben ook een voorbeeldfunctie. Daarom is het niet acceptabel dat er binnen het onderwijs sprake is van excessieve beloningen van bestuurders.

Bij al deze ambities past de overheid enige bescheidenheid. Goed onderwijs komt namelijk tot stand in de klas, tussen leerling en docent. En elke school is zo goed als zijn docenten. Goed onderwijsbeleid versterkt daarom de positie van de docenten. Zij zijn het die dag in dag uit het verschil maken, zij stimuleren en motiveren leerlingen het beste uit zichzelf te halen. Leraren zijn voor veel leerlingen ook een belangrijk rolmodel. Zij geven iedere dag vorm aan de pedagogische opdracht van de school.

Daarom willen we het vak weer glans geven. De leraren máken de school. Goede, bevlogen leraren verdienen meer waardering en respect. Leraren moeten trots zijn op hun vak, trots kunnen zijn op een stevige en gedegen lerarenopleiding. Ze moeten ten volle professional willen zijn, de ambitie hebben de beste te zijn in hun vak. Ze moeten zich daartoe blijvend scholen en het gevoel krijgen zelf «aan ’t stuur» te zitten. Dit vraagt iets van «Den Haag», van het schoolmanagement, maar zeker ook van leraren zelf. Alleen samen lukt het om de positie van de leraar te verstevigen. En dat is hard nodig, niet in de laatste plaats om het lerarentekort af te wenden dat als een zwaard van Damocles boven ons onderwijs hangt.

In het vervolg van deze paragraaf staan we eerst stil bij goed bestuur: hoe willen we sturen op goed onderwijs? Daarna gaan we in op de belangrijkste maatregelen die we per onderwijssector nemen om de geschetste ambities te bereiken.

• Goed bestuur: sturen op goed onderwijs

Wat goed gaat, moeten we behouden en wat beter kan, willen we verbeteren. Goed onderwijs van basisschool tot en met universiteit, is onderwijs dat maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» en in deze begroting hebben we veel maatregelen opgenomen die de kwaliteit van het onderwijs moeten verbeteren. Docenten van universiteit tot basisschool, begeleiders in stagebedrijven, gemeenteambtenaren, studenten en ouders: zíj «maken» het onderwijs. «Goed bestuur» verschaft hen de positie om maximaal bij te dragen aan de kwaliteit van het onderwijs:

• De professionals in het onderwijs krijgen meer ruimte en verantwoordelijkheden.

• De overheid formuleert heldere normen voor de onderwijsresultaten en enkele andere aspecten die de onderwijskwaliteit bepalen.

• Instellingen stellen de kwaliteit van hun onderwijs ter discussie in een dialoog met belanghebbenden (horizontale verantwoording).

• Instellingen verstrekken heldere informatie over de onderwijsresultaten aan belanghebbenden.

• Instellingen zorgen voor transparant bestuur.

• De overheid zorgt voor effectief toezicht op de onderwijskwaliteit, dat is gebaseerd op verdiend vertrouwen.

• Gemeenten kunnen hun verantwoordelijkheid nemen door met scholen te overleggen en afspraken te maken over onder andere het bredere jeugdbeleid via de Locale Educatieve Agenda.

Meer autonomie vraagt om heldere normen

De afgelopen jaren hebben de onderwijsinstellingen meer ruimte gekregen om het onderwijs in te richten naar eigen professionele inzichten. Het onderwijs gaat over het «hoe», de overheid gaat over het «wat», is het uitgangspunt. Dat roept bij docenten, schoolleiders en bestuurders, maar ook in de samenleving de vraag op wat dan de eisen zijn waaraan onderwijsinstellingen moeten voldoen. In het Coalitieakkoord en het Beleidsprogramma is daarom afgesproken dat de overheid duidelijker moet omschrijven wat deelnemers/leerlingen moeten kennen en kunnen aan het eind van de verschillende schoolsoorten.

Afgezien van regelgeving over contacturen en over de bekwaamheid van docenten is het «hoe» nadrukkelijk voorbehouden aan de school. Wel willen we de kwaliteit van het «hoe» bevorderen, bijvoorbeeld door meer wetenschappelijke fundering van de onderwijspraktijk te stimuleren, de leraar zijn vak terug te geven en de horizontale verantwoording en dialoog tussen de school en belanghebbenden te versterken.

Horizontale verantwoording

Goed onderwijs is alleen mogelijk als iedereen in en rond de school bijdraagt aan de onderwijskwaliteit van de «eigen» school of instelling. In de eerste plaats geldt dit voor de docenten, maar het geldt ook voor het «toeleverende onderwijs» en het vervolgonderwijs, voor bedrijven (stages), voor bestuurders, leerlingen/studenten en – in primair en voortgezet onderwijs en mbo – voor de ouders. Onderwijsinstellingen worden verplicht zich «horizontaal» te verantwoorden. Dit houdt in dat instellingen in gesprek gaan met genoemde belanghebbenden over het verbeteren van de onderwijskwaliteit en de te maken onderwijskundige keuzes. Daarbij kunnen ook afspraken worden gemaakt over de bijdrage daaraan door deze belanghebbenden. Onderwijsinstellingen hebben daarbij ruimte voor maatwerk. Wij zullen met maatregelen komen om horizontale verantwoording steviger te verankeren en nemen het onder meer op in het wetsvoorstel «Goed onderwijs, goed bestuur in het PO en VO».

Horizontale verantwoording is complementair aan het verticale toezicht. Als scholen niet aan de inspectienormen voldoen, bekijkt de inspectie de kwaliteit van het bestuurlijk opereren van de instelling, inclusief de kwaliteit van de horizontale verantwoording. Scholen die voldoen aan de inspectienormen, krijgen minder bezoek van de inspectie.

Horizontale verantwoording mag niet leiden tot meer bureaucratische lasten. Een goed instrument om dat tegen te gaan is het jaardocument. Scholen en instellingen hoeven vanaf 2008 nog slechts beperkte informatie aan te leveren, die bruikbaar is voor zowel de horizontale verantwoording als het verticale toezicht. Een andere mogelijkheid om de horizontale verantwoording te verbeteren, is de versterking van de medezeggenschapspositie van ouders, leerlingen en studenten. Ook benchmarks en tevredenheidsonderzoeken dragen bij aan de horizontale verantwoording.

Transparante onderwijsresultaten

Als scholen en instellingen hun eigen resultaten kunnen afzetten tegen die van vergelijkbare scholen en instellingen, dan kan daarvan een sterke prikkel uitgaan om het onderwijs te verbeteren. We blijven daarom bevorderen dat de instellingen hun onderwijsresultaten openbaar maken en dat deze vergeleken kunnen worden met die van andere instellingen. Zo worden in alle sectoren benchmarksites ontwikkeld en publiceert de Inspectie van het Onderwijs haar kwaliteitskaarten. En ook Cfi publiceert op haar site «Onderwijs in cijfers» veel benchmarkgegevens over prestaties, leerlingenaantallen en de organisatie van onderwijsinstellingen. Voor het primair en voortgezet onderwijs is bovendien een ouderportal in ontwikkeling. Wij willen de toegankelijkheid van deze sites verbeteren en het gebruik ervan door ouders, docenten en bestuurders stimuleren.

Transparant bestuur

Bestuurders van scholen en instellingen zijn als bevoegd gezag verantwoordelijk voor goed onderwijs op hun instelling. Zij zijn ervoor verantwoordelijk dat docenten goed kunnen presteren, dat de school zorgt voor onderwijskwaliteit en dat de organisatie op orde is. Wij willen de bestuurders daar meer dan tot nu toe op aanspreken. Wij willen ook dat bestuurders meer ruimte geven aan de professional. We ondersteunen daarom de monitoring en normering van de interne bureaucratie die in gang is gezet in de onderwijssectoren. Daarnaast bevorderen we «goed werkgeverschap»: besturen en schoolleiders moeten docenten in staat stellen om hun vakbekwaamheid te verbeteren en op een professionele manier te reflecteren op hun werkwijze en prestaties.

Goed bestuur vereist een transparante bestuurscultuur. Dat betekent dat de onderwijsinstelling:

• Een intern systeem van onafhankelijk toezicht kent.

• Een medezeggenschapsraad en een klachtenprocedure heeft.

• Werkt met een jaarplan en een jaarverslag.

• Belanghebbenden op en rond de instelling voorziet van informatie over de onderwijsresultaten en het (kwaliteits)beleid van de onderwijsinstelling.

• Regelmatig overlegt met deze belanghebbenden over de onderwijsresultaten en de aspecten van het onderwijs op de instelling die voor hen relevant zijn.

We verwachten in het bijzonder van de interne toezichthouders dat zij het management aansporen de kwaliteit te waarborgen en daarbij effectieve en uitvoerbare keuzes maken. Op dit moment ontwikkelen de onderwijssectoren zelf branchecodes. Wij zullen hen vragen om daarin normen op te nemen voor de inkomens van bezoldigde bestuurders. Mocht blijken dat bestuurders zich niet aan die normen houden, dan gaan we met de Kamer in gesprek over eventuele maatregelen.

Toezicht en verdiend vertrouwen

Instellingen die goed onderwijs verzorgen, en veel instellingen doen dat, hebben recht op vertrouwen van de politiek en de samenleving. Scholen die volgens de inspectie geen risico’s lopen, krijgen dan ook minder bezoek van de inspectie.

De inspectie zal in de toekomst veel capaciteit inzetten op de zwakke tot zeer zwakke scholen. Het andere deel van haar capaciteit zal de inspectie inzetten voor het toezicht op instellingen die gemiddeld of (zeer) goed presteren.

Instellingen die niet aan de eisen voldoen, zullen dus intensiever door de inspectie worden gevolgd dan voorheen. De inspectie ziet daarbij toe op de kwaliteit van het onderwijs en kijkt in het bijzonder naar de inspanningen van de bestuurders. Zij moeten verbeterplannen ontwikkelen die voldoende vertrouwen genieten bij de inspectie én bij betrokkenen ter plaatse.

Als instellingen te lang onder de maat presteren en als er geen uitzicht is op verbetering grijpen wij in. Met het oog hierop is de zogenaamde «interventiepiramide» ontwikkeld (Visie op toezicht, Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,Kamerstuk 30 183, nr. 11, d.d. 11 september 2006), die wij consequent zullen toepassen. Bovendien zal ook de inspectie zelf met de komende wijziging van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT) meer bevoegdheden krijgen om te handhaven. Ten slotte zullen we het lopende proces van integratie van het toezicht afronden. Wij zullen de Kamer in september 2007 nader informeren over de actuele ontwikkelingen in het toezicht, naar aanleiding van de evaluatie van de WOT.

• Kinderopvang en Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE)

Harmonisering voorzieningen 0–4 jarigen en bestrijden taalachterstanden

Het kabinet gaat de regels voor kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie harmoniseren. Met het geharmoniseerde stelsel willen we alle kinderen met een taalachterstand bereiken. Het is uiterst belangrijk dat deze kinderen VVE volgen. Daarom mogen hun ouders geen belemmeringen kennen om hun kinderen aan een VVE-programma te laten deelnemen. Hierbij is het uitgangspunt dat ouders die arbeid en zorg combineren hun huidige recht op kinderopvangtoeslag behouden. In het geharmoniseerde stelsel willen we verder het laagdrempelige karakter bewaren van het huidige peuterspeelzaalwerk – ook voor kinderen die niet tot de hiervoor geschetste doelgroep behoren.

De harmonisering combineert de sterke onderdelen van de Wet kinderopvang (vraagfinanciering, keuzevrijheid, landelijke regelgeving, creativiteit van ondernemers) met een duidelijke rol voor gemeenten in het lokale achterstandenbeleid. Het rijk en de gemeenten zullen hierin gezamenlijk optrekken, zoals beschreven in het bestuursakkoord van het rijk met de VNG. Verder zetten we samen met de vier grote steden en een aantal plattelandsgemeenten (zoals in Oost-Groningen) acties op om de kinderen met een taalachterstand op het gewenste taalniveau te krijgen.

De harmonisatie krijgt zijn beslag in een wetsvoorstel dat in de loop van 2008 bij de Tweede Kamer wordt ingediend en per 1 januari 2010 van kracht zal worden.

Investeringen in kwaliteit

De kinderopvang groeit snel. Dat mag niet ten koste gaan van de kwaliteit. Uit onderzoek naar het kwaliteitsniveau (Bureau Bartels, 2006) blijkt dat de kwaliteit omhoog kan. Verhogen van het opleidingsniveau, verbeteren van de bestaande opleidingen en investeren in de deskundigheid van het zittende personeel worden door de sector zelf gezien als de beste mogelijkheden om de kwaliteit van de kinderopvang te verbeteren. Het kabinet wil onder andere dat in 2011 het aandeel van het pedagogisch personeel met een opleiding op hbo-niveau aanzienlijk is toegenomen. Verder zullen regionale convenanten van roc’s en kinderopvanginstellingen de aansluiting verbeteren tussen opleidingen en praktijk. Gezien de dreigende krapte op de arbeidsmarkt is dat een belangrijke maatregel. Het kabinet zal samen met het veld hier voorstellen voor ontwikkelen.

Ontwikkeling buitenschoolse opvang

Het gaat goed met de opvang. Steeds meer ouders maken er gebruik van. In verschillende regio’s overtreft de groeiende vraag naar opvang het aanbod, dit geldt vooral bij de buitenschoolse opvang (bso). Om de wachtlijsten terug te dringen zijn vooral investeringen in accomodtie nodig. Onder voorzitterschap van mr. drs. B. J. Bruins heeft een task-force advies uitgebracht aan het kabinet op 1 september. Een plan van aanpak voor de terugdringing van de wachtlijsten is gelijktijdig met de begroting naar de Tweede Kamer gestuurd.

• Kwaliteit onderwijs PO

Scholen in het basisonderwijs presteren goed, zo rapporteert de Inspectie van het Onderwijs in het Onderwijsverslag 2005–2006. Toch verlaten nog te veel kinderen de basisschool met een taalen rekenachterstand. Ook bij de overgang van leerlingen van de basisschool naar het vervolgonderwijs ziet de Inspectie van het Onderwijs knelpunten. Daarnaast is het speciaal (basis)onderwijs te weinig opbrengstgericht. Kortom, als we alle kinderen goed willen toerusten voor de toekomst, dan moet het beter.

Samen met de onderwijssector ontwikkelen we daarom een Kwaliteitsagenda PO. De prioriteit in deze agenda is betere resultaten voor taal en rekenen. Taalachterstanden bij driejarige kinderen worden weggewerkt met VVE. Samen met de sector bepalen we voor taal en rekenen duidelijker wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs moeten kennen en kunnen. Ten slotte passen we de gewichtenregeling aan, zodat scholen met een opeenstapeling van problemen of met specifieke plattelandsproblematiek onderwijsachterstanden beter kunnen bestrijden.

Wat we willen, is de beste kansen voor élk kind. Het gaat niet om wat een kind níet kan, maar wat een kind wél kan. Scholen krijgen daarom meer mogelijkheden om hun leerlingen een rijke leeromgeving te bieden, die hun nieuwsgierigheid en leergierigheid prikkelt. Ook door de ontwikkeling van brede scholen nemen de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen toe. Partners uit de sport, cultuur, de welzijnsector en/of de kinderopvang werken hierbij samen. Het aantal combinatiefuncties in onderwijs, buitenschoolse opvang en sport vergroten we tot 2 500 fte.

Voor iedere zorgleerling komt een passend onderwijstraject, gericht op een zo hoog mogelijk leerrendement. Hiertoe worden de verschillende zorgstructuren in het onderwijs beter op elkaar afgestemd en worden leerdoelen voor alle leerlingen geformuleerd. Daarnaast wordt kwaliteitszorg op scholen gestimuleerd. Scholen bezitten een schat aan informatie doordat zij hun leerlingen volgen en toetsen. Deze informatie moet beter worden gebruikt om het onderwijs aan te passen aan de individuele ontwikkeling van de leerlingen. Zeer zwakke scholen moeten zich snel herstellen. Daarom bereiden we een wetsvoorstel voor dat aanvullende interventiebevoegdheden regelt als scholen er niet in slagen zichzelf te verbeteren. Daarnaast scherpt de Inspectie van het Onderwijs haar werkwijze en haar interventiebeleid aan voor zwakke scholen.

Te veel scholen zijn overwegend «zwart» of juist te «wit». Dat kan niet. Zo bevordert de school tweedeling in plaats van integratie. En wat op school begint, zet zich later door in de maatschappij. Daarom streven we naar zoveel mogelijk gemengde scholen in gemengde wijken. In de vier grootste gemeenten en een aantal andere gemeenten gaat een pilot van start om na te gaan welke maatregelen het meest effectief zijn. Op 23 mei 2007 is het Kenniscentrum Gemengde Scholen van start gegaan. Dit centrum zal scholen en gemeenten helpen, bijvoorbeeld door goede voorbeelden uit te wisselen en debatten te organiseren. Ouders die hun school meer gemengd willen maken, kunnen voor ondersteuning terecht bij de Stichting Kleurrijke School.

• Kwaliteit onderwijs VO

Het voortgezet onderwijs is een cruciaal onderdeel in de onderwijsloopbaan van jongeren. Het is de schakel tussen het relatief homogene primair onderwijs en het zeer gedifferentieerde beroeps- en wetenschappelijk onderwijs. Jongeren moeten de kans krijgen een opleiding te volgen die ze gelukkig maakt en die ze een duurzame plek in de arbeidsmarkt garandeert. Ze hebben recht op een optimaal doorlopende leerlijn en een soepel schakelend voortgezet onderwijs dat maximaal bijdraagt aan succes in het vervolgonderwijs. Dat stelt hoge eisen aan de (verbetering van) de kwaliteit van het voortgezet onderwijs, zowel in termen van onderwijsopbrengsten («wat»), als in termen van vormgeving van het onderwijs («hoe»).

In het Onderwijsverslag 2005/2006 stelt de Inspectie van het Onderwijs vast dat de kwaliteit van het voortgezet onderwijs over het geheel genomen in orde is. Maar er zijn ook zorgen, onder meer over de hoogte van de uitval, over de balans tussen kennis en vaardigheden van leerlingen en over de kwaliteit van de zorg en begeleiding van leerlingen. De snel toenemende druk op de arbeidsmarkt voor leraren is een groot risico.

De sector, de scholen en de leraren worden dus aangesproken op hun vermogen om op alle niveaus systematisch de kwaliteit te verbeteren en daarvoor de voorwaarden te scheppen. Op dit terrein zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet, maar er moet ook nog heel veel gebeuren. In aansluiting op de kwaliteitsagenda PO vragen we daarbij bijzondere aandacht voor basiskennis en -vaardigheden op het gebied van rekenen, taal en de Canon van Nederland. Scholen en professionals moeten dus een cultuur van leren en verbeteren ontwikkelen, waarbinnen zij scherp naar hun eigen kwaliteit en leeropbrengsten kijken.

Wij willen komen tot een partnership met alle betrokkenen waarin deze kwaliteitsagenda voor het voortgezet onderwijs centraal staat. We willen daar vanuit onze rol maximaal aan bijdragen, met prestatieafspraken en met de gerichte inzet van bestaande middelen en investeringen op basis van het Coalitieakkoord en het Beleidsprogramma van het kabinet.

We zullen scholen prikkelen en stimuleren om op deze terreinen alle zeilen bij te zetten en uit te blinken. Professionalisering van docenten en verankering van basiskennis en -vaardigheden in het leerplan moeten de inhoudelijke kwaliteit van het voortgezet onderwijs versterken.

De maatschappelijke stage biedt jongeren de gelegenheid om tijdens hun middelbare schooltijd kennis te maken met en bij te dragen aan de samenleving. Doel van de stage is om hun maatschappelijke betrokkenheid, sociale integratie en het besef van waarden en normen te vergroten. Zo worden ze gestimuleerd om zich als actieve burgers op te stellen en verantwoordelijkheid te nemen voor de samenleving. Uit de ervaringen van de scholen die de afgelopen schooljaren een maatschappelijke stage hebben aangeboden, blijkt daarnaast dat deze stages voor veel jongeren een motiverende leeromgeving bieden, waardoor ze minder geneigd zijn tot uitval en voortijdig schoolverlaten. De uitwerking van de maatschappelijke stage moet zoveel mogelijk passen bij de situatie van de school, de talenten en wensen van de leerlingen en de regionale behoefte aan stagiaires. De Tweede Kamer ontvangt in oktober/november 2007 een plan van aanpak maatschappelijke stage.

Het vmbo moet bijdragen aan de verdere versterking van de kwaliteit van het onderwijs in de beroepskolom vmbo-mbo-hbo. De ruimte voor praktijkgericht onderwijs, voor leerlingen die «met hun handen leren», wordt met kracht verder uitgebouwd. Samen met scholen, bedrijfsleven en gemeenten zetten we in op maatwerk en voldoende opleidingskansen voor jongeren die al werken.

De ervaringen die hiermee worden opgedaan, worden geanalyseerd door de Adviesgroep VMBO. Deze Adviesgroep komt eind dit jaar met concrete aanbevelingen.

In deze kabinetsperiode zullen de schoolboeken gratis worden. Daarmee worden de schoolkosten voor de ouders verder verlaagd. Bovendien komt er zo een eind aan het verschijnsel dat kinderen zonder schoolboeken op school komen, doordat hun ouders geen schoolboeken aanschaffen. Daarnaast geeft deze verandering scholen de gelegenheid om nieuwe leermiddelen te ontwikkelen. De docent als professional kan hiermee sterker in positie worden gebracht.

De leerling kennen, volgen en hem onderwijs op maat bieden is ook één van de grote uitdagingen waar het voortgezet onderwijs de komende periode voor staat. Een menselijke maat in de organisatie van het onderwijs is daarvoor een voorwaarde. We zullen bij nieuwe maatregelen bekijken wat het effect is op die «menselijke maat». We stimuleren verder de ontwikkeling en verspreiding van goede voorbeelden van de «menselijke maat» binnen grootschalige verbanden. We onderzoeken de mogelijkheden die een fusietoets biedt en we betrekken daarbij ook de mogelijkheden van andere wettelijke maatregelen en financiële impulsen om de «menselijke maat» te bevorderen. Deze en andere maatregelen werken we uit in een actieplan Menselijke Maat.

Het streven naar passend onderwijs geldt voor álle leerlingen: zowel voor leerlingen op het vmbo als leerlingen in havo/vwo. De samenwerkingsverbanden VO – die nu nog uitsluitend op vmbo en praktijkonderwijs zijn gericht -gaan ook zorg bieden aan leerlingen uit het havo/vwo. Deze scholen sluiten dus aan binnen deze samenwerkingsverbanden.

De manier waarop de financiële middelen worden verstrekt en verdeeld, beïnvloedt de organisatie en kwaliteit van het onderwijs. Met het oog daarop onderzoeken we dit jaar in overleg met het veld hoe we de bekostiging van het voortgezet onderwijs kunnen herijken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,30 800 VIII, nr. 119, d.d. 24 april 2007). Om de transparantie in de besteding van de middelen voor het voortgezet onderwijs te vergroten, gaan scholen zich verantwoorden over (onder meer) hun reservepositie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,30 183, nr. 16 d.d. 28 februari 2007).

• Kwaliteit onderwijs BVE

Een groot deel van de Nederlandse jongeren (492 000 in 2006) en volwassenen ontvangt in het middelbaar beroepsonderwijs zijn vorming en voorbereiding, gericht op een zelfstandig functioneren in de samenleving en op een duurzame positie op de arbeidsmarkt. We willen dat de kwaliteit van de mbo-opleidingen verbetert en het competentiegericht beroepsonderwijs zorgvuldig wordt ingevoerd. Dat lukt als de instellingen de urennorm naleven, de kwaliteit van de examens bewaken, aantrekkelijk onderwijs aanbieden dat goed aansluit op de veranderende vraag op de arbeidsmarkt en de betrokkenheid van het bedrijfsleven vergroten. Door een intensieve samenwerking met het bedrijfsleven kunnen roc’s hun innovatieve vermogen versterken, zodat ze het competentiegericht beroepsonderwijs beter vorm kunnen geven.

Een competentiegerichte kwalificatiestructuur die meebeweegt met de wisselende eisen van de arbeidsmarkt en de behoeften van jongeren en volwassenen, biedt de basis voor maatwerk. Dit houdt in dat rekening wordt gehouden met het startniveau van de individuele deelnemer. De onderwijsinstellingen krijgen voldoende ruimte om gedifferentieerd en flexibel onderwijs aan te bieden. Het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie moet een drempelloze instroom kennen voor alle potentiële deelnemers op de niveaus 1 of 2 (als niveau 1 niet voorhanden is) van het mbo.

Instellingen moeten ook nauw samenwerken met relaties buiten de instellingen om voortijdige schoolverlaters op te vangen. Het mbo kan zijn bereik of zorgbreedte vergroten door samen te werken met gemeenten, bedrijfsleven en andere relevante (regionale) partijen. Dit vraagt om aantrekkelijk onderwijs, dat een duidelijke relatie legt met de beroepspraktijk. Daarnaast is intensieve begeleiding nodig door mentoren, docenten en praktijkbegeleiders.

In het najaar van 2007 komen we met een strategische agenda waarin we concrete doelstellingen uitwerken, op basis van het beleidsprogramma en de beleidsagenda. Die doelstellingen zijn:

• Meer kwaliteit en maatwerk (onder andere door invoering competentiegericht beroepsonderwijs, op orde hebben van onderwijstijd en examinering, doorlopende leerlijnen, bevordering leven lang leren).

• Halvering aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (onder andere door de loopbaanoriëntatie en -begeleiding te verbeteren, evenals de aansluiting tussen onderwijssectoren in de beroepskolom).

• Beroepsonderwijs dat meebeweegt met de arbeidsmarkt (onder andere door een intensievere begeleiding van deelnemers, samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijven, en meer en betere beroepspraktijkvormingsplaatsen).

• Verhoging maatschappelijke participatie (onder andere door de deelname van volwassenen aan de educatie en door vermindering van laaggeletterdheid).

• Voortdurende aandacht voor innovatie (onder andere voor de invoering van competentiegericht leren, kennisuitwisseling tussen onderwijsinstellingen en bedrijven, en het bevorderen van ondernemerschap).

Deze strategische agenda is de opmaat voor een bestuursakkoord dat we in het najaar van 2007 willen afsluiten tussen overheid en veldpartijen (MBO Raad/AOC-Raad, Colo en Paepon). In dit bestuursakkoord maken we afspraken over inhoud, processtappen, fasering en verantwoordelijkheidsverdeling op de hiervoor genoemde thema’s. Daarnaast willen we in een bestuurlijk arrangement met betrokken partijen specifiek vastleggen hoe het mbo de komende jaren het competentiegerichte beroepsonderwijs invoert. Een belangrijk element daarin zijn de afspraken met individuele instellingen over tempo en realisatie van competentiegericht onderwijs. In 2010 is het competentiegericht beroepsonderwijs overal ingevoerd.

• Stop de schooluitval

Ieder kind heeft ambitie, ieder kind heeft talent. Maar niet ieder kind krijgt de beste kansen om op school het beste uit zichzelf te halen. Eén op de vier leerlingen verlaat het voortgezet onderwijs met een opleiding onder mbo-2 niveau. Die jongeren zijn te kwetsbaar om een goede plek in onze maatschappij te veroveren.

Wij willen de schooluitval halveren: van 71 000 in 2002 tot 35 000 in 2012. Daarom versterken we in 2008 de «Aanval op de uitval», samen met ouders, scholen, bedrijfsleven (voor stages en leer/werkplekken), maatschappelijk werk, jeugdzorg, gemeenten en politie. Allereerst sluit het rijk opnieuw prestatieconvenanten met gemeenten en scholen. Bestaande maatwerktrajecten met bewezen meerwaarde verspreiden we als good practices. Daarnaast besteden we in 2008 en latere jaren aandacht aan verbeterde loopbaanoriëntatie en -begeleiding, in goede samenwerking met het bedrijfsleven.

Op de overgang tussen vmbo en mbo vallen veel leerlingen uit. Naast het bestaande preventieproject zoeken we vanaf het schooljaar 2007–2008 naar structurele oplossingen voor deze uitval. Daartoe zetten we experimenten op met verlengde vmbo-trajecten vanaf het derde leerjaar vmbo, waardoor leerlingen hun startkwalificatie kunnen halen zonder de vaak problematische overgang naar een groot roc en vice versa (geïntegreerd traject op roc om een startkwalificatie te behalen). Bij een verlengd vmbo-traject houden we aandacht voor het praktijkgericht leren op het vmbo. Het is onze ambitie om deze regeerperiode op alle scholen en opleidingen in voortgezet en beroepsonderwijs de zorgcomponent van de leerlingen (leerling-gebonden zorg) te versterken en de kwaliteit hiervan waar nodig te verhogen.

Daarnaast werken we de komende jaren intensief samen met andere departementen, zoals Jeugd en Gezin. Doel is uitval te voorkomen door de zorg op de scholen zelf te verbeteren. Verder werken we samen met de ministers van Defensie, Justitie, BZK (politie) en WWI. Samen met SZW pakt OCW groenpluk aan. Tijdens de participatietop heeft het rijk met de werkgevers afgesproken dat zij hun werknemers zonder startkwalificatie stimuleren om deze alsnog te behalen. Hierbij hoort ook dat werkgevers voldoende stage- en werkplekken scheppen. Een interessante maatregel die we de komende periode willen onderzoeken, is het gebruik van sport en cultuur om jongeren op school te houden. Voorwaarde is dat we een sluitende informatie-, registratie- en toezichtsketen hebben die scholen en gemeenten ondersteunt. Tot slot zullen we de komende jaren het onderzoek over VSV verder versterken.

We zullen in samenwerking met WWI prioriteit geven aan het voorkomen van onderwijsachterstanden in de 40 geselecteerde aandachtswijken. Het streven is om alle jonge doelgroepkinderen (2–6 jaar) te bereiken met de programma voor- en vroegschoolse educatie (VVE), te beginnen in de krachtwijken in de vier grote gemeenten. We willen samen met VWS (sport) een dekkend aanbod realiseren van brede scholen in de 40 wijken door het beschikbaar stellen van co-financieringsmiddelen voor combinatiefuncties. De schooluitval is in de aandachtswijken twee keer zo hoog als gemiddeld. We zullen met scholen en gemeenten (opnieuw) prestatieconvenanten sluiten, waarbij middelen beschikbaar komen voor de preventieve aanpak.

• De leraar op een voetstuk

Vanaf 2010 dreigt er door de vergrijzing een tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs (3 300 leraren in 2011). In het primair onderwijs zal (zonder maatregelen) het tekort aan schoolleiders oplopen tot 500 in 2011 (op dit moment zijn er al 150 vacatures). De vervangingsvraag in het mbo stijgt in 2010 naar 1 860 leraren. De onderwijssector moet op grote schaal nieuw, goed gekwalificeerd personeel vinden op een moment dat de arbeidsmarkt aantrekt. Ook de kwaliteit van het onderwijspersoneel staat onder druk. Steeds vaker staat er een onbevoegde docent voor de klas. De reken- en taalvaardigheid van veel studenten die instromen op de pabo voldoen niet aan de gestelde eisen. En hoewel de arbeidstevredenheid onder leraren traditiegetrouw hoog is, willen leraren, in alle sectoren, wel meer betrokken worden bij het beleid van de eigen instelling.

We willen de kwaliteit van het onderwijs verhogen. Om dat te bereiken zijn voldoende gekwalificeerde leraren nodig. Mede op basis van het advies van de Commissie Leraren, onder leiding van de heer Rinnooy Kan, komen we met maatregelen om het tekort aan leraren en schoolleiders aan te pakken, de positie van de leraar te versterken en de kwaliteit van de leraar te verbeteren. In oktober komt OCW met een actieplan. Dit actieplan zal de komende jaren de OCW-agenda in hoge mate gaan bepalen. Het zal gericht zijn op vergroting van de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar door middel van het aantrekkelijker maken van de inhoud van het vak en daarnaast selectieve financiële maatregelen.

• Hoger onderwijs naar de top

Nederland wil tot de top van de Europese kenniseconomie behoren. Dit doet een sterk beroep op innovatieve vermogens van de Nederlandse samenleving. Het vraagt een hoogopgeleide beroepsbevolking, een stijgend belang van opleiding ten opzichte van werkervaring en de noodzaak om als land aantrekkelijk te zijn voor buitenlands toptalent. Nederland kampt echter met een tekort aan goed opgeleid personeel. Een tekort dat samengaat met hardnekkige vormen van werkloosheid onder mensen die laag zijn opgeleid. De sleutel voor een beter functionerende arbeidsmarkt ligt vooral in een verbetering van het opleidingsniveau op alle fronten. Mensen moeten volop mee kunnen draaien in de kennissamenleving. Speerpunten voor het hoger onderwijs zijn een goede doorstroom, minder uitval en een «leven lang leren».

Maar ook het hoger onderwijs moet beter, vooral vanwege de ambitie om van Nederland een innovatieve, concurrerende economie te maken. De eerste twee jaren van de studie blijken nog veel studenten af te haken. We zien ook dat bijna de helft van de studenten zich niet uitgedaagd voelt. Het huidige hoger onderwijs kent verder weinig excellentie. De top is nog niet in zicht. Dat mag onder andere worden afgeleid uit de verbeterpunten van accreditaties van opleidingen.

De meeste mensen die werken en leren in het hoger onderwijs delen onze visie op verminderen van uitval, verhogen van kwaliteit en meer differentiatie. We willen afstand nemen van de zesjescultuur. Het moet weer vanzelfsprekend worden dat elke student uit zichzelf wil halen wat erin zit, de eigen mogelijkheden maximaal benut. Het kabinet brengt daarom in goed overleg met de kennisinstellingen in het najaar van 2007 een strategische agenda uit voor het hogeronderwijsbeleid, en voor het onderzoeks- en wetenschapsbeleid, met onder meer de volgende maatregelen:

• In de bachelorfase willen we het studiesucces verhogen en de uitval verminderen, door extra te investeren in kleinschalig onderwijs (met bijzondere aandacht voor allochtone studenten).

• We willen de kwaliteit van docenten verhogen (vooral via verhoging van de scholingsgraad).

• We verhogen excellentie in het onderwijs, door te investeren in het onderwijsaanbod en extra middelen voor beurzen aan talentvolle studenten.

• We bekostigen tijdelijke stimulering/subsidiering van nieuwe hbo-masteropleidingen.

• We versterken de positie van kwetsbare opleidingen (kleine letteren en collecties).

Deze maatregelen krijgen onder meer vorm in resultaatafspraken met de hogeronderwijssector. Daarnaast trekt het kabinet extra geld uit voor de eerste en tweede geldstroom voor wetenschappelijk onderzoek (zie verder onder Wetenschap). Overeenkomstig het Coalitieakkoord hebben we ten slotte een hoofdlijnenakkoord met het onderwijsveld bereikt, dat de basis vormt voor een geïntegreerd wetsvoorstel voor bekostiging en besturing van hoger onderwijs en onderzoek.

2. Wetenschap

Dit kabinet wil ruim baan geven aan ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek. Excellente wetenschap is de basis van een innovatieve, creatieve en concurrerende economie en van een vooruitstrevende, vitale samenleving. Onderzoeksgroepen met toponderzoekers zijn «magneten» voor jong talent. Het zijn «hotspots» voor het ontstaan van nieuwe bedrijven en voor de groei van bestaande bedrijven, bijvoorbeeld in de creatieve industrie. Maar toponderzoek leidt ook tot innovatieve oplossingen voor maatschappelijke problemen. Het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek moet zich daarom kunnen meten met het beste in de wereld. Een hoog gemiddeld niveau is niet voldoende. De grote uitdaging voor het Nederlandse wetenschapsbeleid is daarom om op meer terreinen onderzoeksgroepen te kweken die de absolute wereldtop vormen en om meer onderzoek te realiseren op Nobelprijsniveau. Het moet dan wel gaan om excellente centra op de gebieden met de snelste wetenschappelijke ontwikkelingen en de breedste impact op wetenschap en toepassingen; gebieden die voor ons land en voor ons bedrijfsleven het belangrijkst zijn en/of gebieden waar Nederland een wetenschappelijke traditie en wereldnaam heeft.

Ruimte voor excellente onderzoekers

Het kabinet is ervan overtuigd dat dit niet kan worden bereikt via van bovenaf opgelegde thema’s of via instellingen, maar door ervoor te zorgen dat het geld rechtstreeks bij de beste mensen terechtkomt. Daarvoor is een radicalere selectie nodig van onderzoekers, naar analogie van de Amerikaanse situatie, waarin niet primair instellingen worden gefinancierd maar onderzoekers en onderzoek. Geselecteerde onderzoekers moeten meer ruimte krijgen om elkaar op te zoeken en zelf topgroepen te vormen, en ze moeten toegang hebben tot goede faciliteiten. Langs deze weg ontstaan vanzelf samenwerkingsverbanden van toponderzoekers en excellente onderzoekskernen.

We nemen daarvoor de volgende maatregelen:

• De Vernieuwingsimpuls wordt uitgebreid. Die is gericht op vernieuwing van onderzoek, door (jonge) veelbelovende onderzoekers kansen te bieden. De verplichting dat universiteiten eigen middelen uit de eerste geldstroom moeten bijdragen (de matchingsverplichting) komt te vervallen. Zo krijgen geselecteerde onderzoekers meer ruimte om zelf hun onderzoekslijnen te bepalen, en wordt hun mobiliteit gevorderd.

• We richten het promotiestelsel meer op excellentie, naar het model van de graduate schools in de Verenigde Staten.

• De programma’s voor vrouwen en allochtoon onderzoekstalent zetten we voort. Daarnaast stimuleren we dat meer vrouwen hogere functies verwerven, zoals hoogleraar.

• Voor grote infrastructurele voorzieningen voegen we een bedrag toe aan het NWO-budget. Voor dit doel stellen we een nationale roadmap-commissie in om voor eind 2007 prioriteiten in kaart te brengen voor grootschalige onderzoeksvoorzieningen. Dit in navolging van de Europese roadmap. De taak van deze roadmap commissie moet verbreed worden tot andere onderzoeksinfrastructuur zoals NWO-Middel en -Groot, om een betere benutting en doelmatigheid van de faciliteiten te realiseren voor zover de bevoegdheiden van NWO niet worden aangetast. Ook zullen TNO/GTI en het bedrijfsleven beter worden betrokken bij het kiezen van deze faciliteiten. NWO selecteert de voorstellen.

• Wetenschappers en bedrijfsleven moeten elkaar meer opzoeken bij het doen van onderzoek. Focus op bepaalde onderzoeksterreinen die voor de Nederlandse kenniseconomie van belang zijn is hierbij belangrijk. Dit kabinet zet daarom in op een betere aansluiting van onderzoek op de lange termijn kennisbehoeften, zowel vanuit maatschappelijke vraagstukken als vanuit de markt.

Voor jong talent moet het aantrekkelijk zijn om in de wetenschap te werken. Zeker als het gaat om wetenschappers, moeten instellingen dus een personeelsbeleid voeren met ruimte voor talent en diversiteit.

Valorisatie

Wetenschappelijk onderzoek moet ingebed zijn in de samenleving. Door met een breed publiek te communiceren over wetenschap, moeten de instellingen ervoor zorgen dat de bevolking kennis van en belangstelling heeft voor wetenschap, al was het maar om draagvlak voor investeringen te verwerven. Ook verwachten we van het wetenschappelijk onderzoek een belangrijke bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke problemen, innovatie in maatschappelijke sectoren en innovatie in het bedrijfsleven.

Daarom wil het kabinet dat onderzoek door bedrijven en in maatschappelijke sectoren beter wordt benut. De beste manier om dat te doen is investeren in de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek. Het vertalen van wetenschappelijke ontdekkingen en onderzoeksresultaten naar toepassingen binnen het bedrijfsleven wordt gezien als één van de structurele knelpunten van het Europese kennissysteem en daarmee ook van het Nederlandse. Ons land heeft een goed onderzoeksbestel, maar is onvoldoende in staat om de kennis in dat bestel om te zetten in producten en diensten. Eén van de belemmeringen is dat onderzoekers zelf onvoldoende meeprofiteren van de commerciële opbrengsten van hun intellectuele eigendom.

We treffen daarom de volgende maatregelen:

• In 2010 zal vraagprogrammering bij TNO en GTI’s (Groot Technologisch Instituten) volledig zijn ingevoerd. Hiermee komt de kennisvraag centraal te staan en geven overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties meer dan voorheen aan voor welke problemen er nieuwe kennis nodig is.

• Om de kwaliteit van het toepassingsgerichte onderzoek te verbeteren, schenken we bij de financiering meer aandacht aan de kwaliteit en aan de mogelijkheden om onderzoek te benutten.

• Onderzoekers krijgen meer mogelijkheden om mee te profiteren van de opbrengsten van het door henzelf gegenereerde intellectueel eigendom.

• Wetenschappers en bedrijfsleven moeten elkaar meer opzoeken bij het doen van onderzoek. Focus op bepaalde onderzoeksterreinen die voor de Nederlandse kenniseconomie van belang zijn is hierbij belangrijk. Dit kabinet zet daarom in op een betere aansluiting van onderzoek op de lange termijn kennisbehoeften, zowel vanuit maatschappelijke vraagstukken als vanuit de markt.

Innovatieplatform en project Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI)

Het innovatieplatform «nieuwe stijl» vervult een rol als onafhankelijke ijsbreker door, in dialoog met de samenleving, ideeën aan te reiken, innovaties aan te jagen, en een kritische bijdrage te leveren aan de strategie van het kabinet. Het innovatieplatform schenkt daarbij ook aandacht aan de kennisverspreiding. De leden van het innovatieplatform zijn hierbij geen vertegenwoordigers van een belangengroepering of achterban, maar uitgekozen om hun specifieke deskundigheid en ervaring.

Met het project NOI wordt een betere benutting van kennis en vernieuwend ondernemerschap ten behoeve van maatschappelijke vraagstukken beoogd. De interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie zal hiertoe een lange termijn strategie opstellen. De in het Coalitieakkoord aangekondigde Taskforce Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt wordt tevens ingebed in deze interdepartementale programmadirectie.

De komende periode werkt het Innovatieplatform samen met de programmadirectie aan een maatschappelijke innovatieagenda. Tevens zal in gezamenlijkheid de start worden voorbereid van drie maatschappelijke innovatieprogramma’s: energie, zorg en water.

Binnen het NOI-programma «versterken innovatief vermogen» krijgen de speerpunten «Nederland als hotspot voor talent» (arbeidsmarkttekorten, kennismigranten, ondernemerschap in onderwijs) en «kennis moet rollen» (kenniscirculatie MKB-onderiwjs-onderzoek/School als kenniscentrum en sociale innovatie) een plaats.

3. Cultuur en media

Cultuur en media: «glans aan het bestaan»

Een vrij, divers, toegankelijk en internationaal hoogstaand aanbod van kunst, cultureel erfgoed en media is waardevol. Het vertegenwoordigt onze immateriële rijkdom. Dit aanbod is onmisbaar voor de vitaliteit in de samenleving. Kunst begeeft zich net als wetenschap over de grenzen van het bekende. Het is van belang dat een internationaal concurrerend klimaat ontstaat dat uitdaagt tot optimale prestaties. Ruimtelijk ontwerp zit in onze cultuur. Dit blijkt uit de hedendaagse architectuur en uit de monumenten die er uit het verleden zijn overgebleven. Cultureel erfgoed herinnert ons eraan waar we vandaan komen en helpt ons begrijpen wie we zijn. Media zijn prominent aanwezig in ons dagelijks leven. Zij hebben een op zichzelf staande waarde als cultuurdrager en -maker. Samen met kunst en erfgoed laten media nieuwe inspirerende perspectieven zien. Ze ontroeren en houden ons een spiegel voor. Media zijn cruciaal voor informatievoorziening en meningsvorming in een democratie. Ze dragen bij aan de individuele ontplooiing van mensen en aan economische groei. De publieke omroep gaat verder meer zendtijd besteden aan cultuur. Want kunst is er voor iedereen, en de publieke omroep is van ons allemaal.

Vanwege de intrinsieke waarde en het collectieve karakter van cultuur en vanwege de positieve maatschappelijke effecten zet het kabinet zich in voor een divers, hoogwaardig en toegankelijk aanbod waar zoveel mogelijk mensen gebruik van maken. Zij doet dat met behulp van vijf publieke belangen, die wettelijk zijn verankerd:

1. Ze stimuleert de diversiteit in het culturele leven.

2. Ze stimuleert een bepaalde kwaliteit, vanuit de gedachte dat dit aanbod de samenleving als geheel verrijkt.

3. Ze bewaakt de toegankelijkheid van cultuur en media voor alle burgers.

4. Ze borgt de onafhankelijkheid van de productie: onafhankelijkheid van onevenredige druk van de markt en van inhoudelijke bemoeienis van de overheid zelf.

5. Ze bewaart, beschermt en benut ons cultureel erfgoed.

Cultuur

Kunst maakt het leven mooier. We willen er dan ook zoveel mogelijk mensen van laten genieten. De doelstelling van het cultuurbeleid is te komen tot een bloeiend cultureel leven. Daar gaat het extra geld naartoe dat dit kabinet beschikbaar stelt. In de hoofdlijnennotitie Cultuur (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44) die in juni door dit kabinet naar de Tweede Kamer is gestuurd, is het beleid uitgewerkt langs vijf lijnen: cultuurparticipatie, excellentie, innovatie, een mooier Nederland en een sterke cultuursector.

Mensen beoefenen en ervaren kunst en cultuur. Dat is de basis van het culturele leven in ons land. Onze ambitie voor cultuurparticipatie onderstreept dat. Doelstelling is dat jongeren tot 18 jaar actief of passief vertrouwd raken met één of meerdere kunstvormen. Daarbij gaat het om amateurkunst en cultuureducatie. Een nieuw in te richten Programmafonds Cultuurparticipatie zal dit ondersteunen. Daarnaast onderzoeken we mogelijkheden en de wenselijkheid van een cultuurkaart. Verder komt er een programma leesbevordering. Rijksmusea worden gratis voor jongeren tot en met 12 jaar. We streven ernaar dat ook alle andere musea gratis worden voor deze leeftijdscategorie. In Arnhem komt een Nationaal historisch museum.

Het beleid zal de komende tijd meer ruimte bieden aan excellentie, aan talent. We willen dat Nederland op de verschillende kunstgebieden zijn (kop)positie in internationaal opzicht verkrijgt, behoudt of versterkt. Toptalent en topinstellingen krijgen meer geld. Er komt meer aandacht voor innovatie, onder andere om de creatieve industrie, het gebruik van nieuwe media en de toegankelijkheid van het digitale culturele aanbod en erfgoed te versterken.

Cultuurhistorie en architectuur dragen bij aan een aantrekkelijke en herkenbare leefomgeving. Om tot een mooier Nederland te komen, werken we samen met andere departementen. Het is onze bedoeling dat de culturele factor in de ruimtelijke inrichting wordt versterkt, het architectuurbeleid wordt met kracht opgepakt. Het gaat om een integrale benadering. Modernisering van de monumentenzorg is daarbij onontbeerlijk. We beschermen ons erfgoed en trekken geld uit om objecten te conserveren, te restaureren en toegankelijk te maken.

Om de intrinsieke waarde van cultuur te borgen en om maatschappelijke effecten te optimaliseren, moeten we zorgen voor een sterke cultuursector. Een sector waarin de rollen duidelijk zijn verdeeld, en die professioneel en ondernemend is. De veranderingen in de cultuurnotasystematiek sluiten daarbij aan. Het rijk financiert een beperkt aantal instellingen die behoren tot de basisinfrastructuur rechtstreeks. De overige instellingen worden betaald door cultuurfondsen en andere overheden. Daarnaast stimuleren we cultureel ondernemerschap en worden samen met de sector de mogelijkheden onderzocht om tot zakelijke verbeteringen te komen. De commissie Cultuurprofijt zal zich onder meer richten op differentiatie van toegangsprijzen en andere vormen van profijtbeginsel zoals sponsoring en marketing. Hierdoor kunnen instellingen meer eigen inkomsten genereren en wordt de zelfstandigheid van culturele instellingen vergroot.

Een modern medialandschap

Doelstelling van het mediabeleid is te zorgen dat burgers toegang hebben tot een breed en pluriform media-aanbod. Er zijn vaste waarden die het mediabeleid schragen en die de overheid veilig wil stellen: onafhankelijke en toegankelijke media van hoge kwaliteit, met een grote mate van verscheidenheid en die bijdragen aan de sociale samenhang.

Onder invloed van digitalisering veranderen mediadistributie en mediagebruik ingrijpend. Vooral jongere generaties zitten meer achter de computer dan voor de televisie of met een boek op de bank. Digitalisering, commercialisering en internationalisering stellen nieuwe eisen aan het mediabeleid. Deze ontwikkelingen vragen om een mediabeleid dat zich niet beperkt tot omroep en pers, of tot publieke spelers, maar zich uitstrekt over de volle breedte van het medialandschap. Het mediabeleid richt zich daarom op alle hedendaagse vormen van contentproductie- en distributie; publieke en commerciële omroep, kranten en opiniebladen en journalistieke en culturele uitingen op internet.

Het kabinet hecht aan een sterke publieke omroep en een onafhankelijke en pluriforme pers. In een wetsvoorstel dat in 2008 in werking moet treden, wordt de multimediale taak van de publieke omroep beter geregeld. Een deel van de extra middelen van het kabinet komt juist hiervoor beschikbaar. Verder komt er extra geld vrij voor de kwaliteit en vernieuwing van het aanbod.

De eerste financiële impuls van het kabinet in 2008 staat geheel in het teken van het herstel van de programmering van de landelijke publieke omroep en dekking van de tekorten op hun begroting. Er komt apart budget voor meer Nederlands drama. In de mediabegroting 2008 wordt het financiële en beleidsmatige kader vastgelegd. Ook maken we met de publieke omroep prestatieafspraken voor de periode 2008–2010, onder andere over het cultureel aanbod.

De organisatie van de publieke omroep is complex. Het kabinet heeft zijn voorstellen voor de verbetering van de organisatie van de publieke omroep gepresenteerd. Grootscheepse hervorming van het bestel is niet nodig. Wel worden de taak en organisatie van de publieke omroep aan de eisen van deze tijd aangepast. 2008 staat in het teken van de uitwerking van die voorstellen in wetgeving. Voor 2009 moet de behandeling van de organisatiewet zijn afgerond.

We willen de gebruikers van media waar nodig beschermen. Vooral jongeren willen we beschermen tegen de negatieve invloeden van media. Tegelijkertijd moeten ze wel de mogelijkheden van media kunnen benutten. In overleg met organisaties die zich bezighouden met mediawijsheid, richten we een Media Educatie-Expertisecentrum in. Doel hiervan is om kinderen en jongeren, hun ouders en scholen te ondersteunen in het leren omgaan met de veelheid van media-uitingen en de samenhang en samenwerking te versterken tussen initiatieven op het terrein van mediawijsheid. We doen een beroep op media-aanbieders om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen via (zelf)regulering.

4 Emancipatie

Meer kansen voor vrouwen

Emancipatie betekent: gelijke rechten en kansen voor iedereen in onze samenleving. Voor vrouwen en mannen, hetero en homo. In de praktijk is dat nog niet vanzelfsprekend. Er is een grote kloof tussen gelijke rechten en ongelijke maatschappelijke uitkomsten.

Tweederde van de Nederlandse vrouwen verdient minder dan het wettelijk minimumloon en is niet economisch zelfstandig. Tweederde van de vrouwen van Turkse en Marokkaanse komaf heeft geen startkwalificatie. Het aantal vrouwen in topposities is internationaal gezien laag. Vrouwen verdienen minder dan mannen voor hetzelfde werk. Een trendbreuk is noodzakelijk. Er blijft veel vrouwelijk talent onbenut. Dat is vanuit oogpunt van emancipatie en vergrijzing ongewenst. Het talent van vrouwen moet meer ruimte en waardering krijgen. Het kabinet zal het voorbeeld geven door meer vrouwen te laten doorstromen en in topposities te benoemen. Het streven is het loonverschil bij het rijk in deze kabinetsperiode te halveren. Een Taskforce Deeltijdplus zal worden ingesteld om de arbeidsdeelname en arbeidsduur van vrouwen te vergroten en een breder draagvlak te geven. Werkende moeders moeten op maatschappelijke ondersteuning en waardering kunnen rekenen.

Emancipatie is nauw verbonden met zelfbeschikking van vrouwen, de ruimte om in vrijheid en veiligheid keuzes te maken. De veiligheid van vrouwen laat nog zeer te wensen over. Huiselijk geweld en seksueel geweld komt ook in Nederland op grote schaal voor. Ook zijn de omvang van onvrijwillige prostitutie en vrouwenhandel zorgelijk. Vrouwen zonder zelfstandig inkomen of verblijfsstatus zijn in het bijzonder kwetsbaar. Het kabinet zet de aanpak gericht op vermindering van geweld actief voort en zal hiertoe de huidige aanpak intensiveren en verbreden.

Ook jongeren zijn relatief kwetsbaar. Het kabinet acht het zo vroeg mogelijk herkennen en voorkomen van (seksueel) geweld van groot belang. In het beleid zal daarom meer aandacht komen voor deskundigheidsbevordering en voor seksuele vorming en weerbaarheid.

Het kabinet zal een nieuwe impuls geven in het emancipatiebeleid rijksbreed, maar ook op lokaal niveau. Provincies, gemeenten, maatschappelijke instellingen, emancipatiebureaus en vrouwenorganisaties kunnen daar allen een belangrijke rol in spelen. Het streven van het kabinet is om actieve samenwerking te realiseren op het emancipatiebeleid met minimaal 25 gemeenten.

De minister van OCW zal een actieve aanjagende en ondersteunende rol gaan vervullen. Die nieuwe emancipatie-impuls geldt ook het homo-emancipatiebeleid.

Je moet gewoon homo kunnen zijn

Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland is niet voor iedereen vanzelfsprekend. In het homo-emancipatiebeleid zal de sociale acceptatie van homoseksuelen actief bevorderd worden. Respect voor verschil is een basiswaarde in onze samenleving. Discriminatie, intimidatie en geweld tegen homoseksuelen zal krachtig worden bestreden. Er zal actief worden gewerkt aan sociale acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren (o.a. van leraren en leerlingen op scholen) en in religieuze en etnische gemeenschappen waarin homoseksualiteit nog nauwelijks bespreekbaar is. Het kabinet zal stimuleren dat maatschappelijke allianties, landelijk en lokaal, tot stand komen om sociale acceptatie van homoseksuelen te vergroten. Het streven van het kabinet is het aantal gemeenten met een actief homo-emancipatiebeleid met een kwart te vergroten.

Ook internationaal zal Nederland een actieve opstelling kiezen op emancipatiethema’s.

Om de noodzakelijke trendbreuk in het emancipatieproces te realiseren zal het kabinet extra middelen ter beschikking stellen voor actieve samenwerking met gemeenten, sociale partners en maatschappelijke organisaties op emancipatie en homo-emancipatie. In de emancipatienota en de homo-emancipatienota, die kort na Prinsjesdag zullen verschijnen, wordt de door het kabinet beoogde brede maatschappelijke impuls nader uitgewerkt.

5 Overzicht van prioriteiten, instrumenten en prestatiegegevens

Wat gaan we doen & wat willen we bereiken?Prestatie-indicatorenvan het beleidArtikel
Doelstellingen en instrumentenIndicatoren en streefwaarden 
Doelstellingen gemarkeerd met een * zijn afkomstig uit het Beleidsprogramma Kabinet Balkenende IV 2007–2011 «Samen werken samen leven«Dit overzicht toont de prestatiegegevens voor de belangrijkste beleidsprioriteiten. Achter dit overzicht worden in grafieken tevens enkele indicatoren van de kwaliteit en het functioneren van het onderwijsstelsel als geheel gepresenteerd. Deze indicatoren zijn ook opgenomen als prestatiegegevens in de diverse beleidsartikelen 
   
PIJLER 2  
Meer en meer excellente hoger opgeleiden*:hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval (met bijzondere aandacht voor allochtonen)*  
 –Meer hoger opgeleiden, meer kwaliteit (minder uitval in de bachelorfase, verbeteren doorstroom en leven lang leren) met bijzondere aandacht voor verhogen rendement allochtonen in de grote steden1) In 2011 is het aantal studenten dat uitvalt in de bacheloropleiding met tenminste 30 procent gedaald ten opzichte van 2006 (bron: CBS/1-cijfer HO)6
– Verhogen van excellentie door investeringen in het onderwijsaanbod en extra middelen voor beurzen aan talentvolle (buitenlandse) studenten  
– Het voorwaardelijk bekostigen van maatschappelijk gewenste hbo-master opleidingen  
Kennis en innovatie voor maatschappelijke vraagstukken*:  
– Versterken van het praktijkgericht onderzoek (ontwerp- en ontwikkelactiviteiten) aan hogescholen 6
Wetenschappelijk onderzoek naar de top:w.o. het versterken van de internationale reputatie van Nederlandse wetenschappelijke instellingen en onderzoeksinstellingen*  
– Versterken universitair onderwijs en onderzoek in de alfa/gamma sectoren en de drie Technische Universiteiten– Het richten van het promotiemodel op excellentie naar het model van graduate schools in de VS– Uitbreiden en versterken van de Vernieuwingsimpuls (o.m. voor het aantrekken van buitenlandse toponderzoekers (Braingain), voor meer participatie van vrouwelijk en allochtoon talent, en voor meer vrouwen in hogere functies– Versterken van grootschalige onderzoeksfaciliteiten met internationale betekenis2) In 2011 behoort Nederland tot de mondiale top 3 op basis van de relatieve Nederlandse citatiescore (bron: NOWT/CWTS)3) In 2010 is tenminste 15% van de hoogleraren vrouw (bron: VSNU/WOPI)6, 16
   
PIJLER 4  
Met een gerust hart naar de kinderopvang:  
– Harmoniseren van de kinderopvang in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen in financiering en kwaliteit– Verbeteren taalprestaties door VVE: alle doelgroepkinderen krijgen VVE en de kwaliteit van VVE wordt verhoogd.– Verhogen van de kwaliteit en het opleidingsniveau van het personeel in de kinderopvang4) In 2011 nemen alle doelgroepleerlingen onder 2 tot 6 jarigen deel aan een VVE-programma (bron: Sardes)5) In 2011 is het aantal pedagogisch medewerkers in de kinderopvang met een HBO-niveau aanzienlijk toegenomen ten opzichte van 2007 (streefwaarde wordt in 2008 in overleg met het veld vastgesteld; bron: Landelijk Pedagogen Platform)24
Beter onderwijs op onze scholen:het verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door basis-, voortgezet- en beroepsonderwijs naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs aan te laten sluiten*  
– Verbeteren van de resultaten op taal en rekenen; beschrijven van wat de leerlingen op verschillende momenten in hun onderwijsloopbaan (onder meer aan het einde van het basisonderwijs en van de verschillende soorten voortgezet onderwijs) moeten kennen en kunnen met betrekking tot taal en rekenen; hierover afspraken maken met de sectoren – Faciliteren van eigentijdse leer- en hulpmiddelen voor scholen zodat zij een rijkere leeromgeving kunnen bieden – Verhogen van de gewichtenmiddelen voor scholen met de hoogste opeenstapeling van problemen om onderwijsachterstanden te bestrijden– Uitbreiden van het aantal brede scholen, te beginnen in de 40 probleemwijken door medefinanciering woningcorporaties– Een passend onderwijstraject voor iedere zorgleerling, gericht op een zo hoog mogelijke kwalificatie– Alle leerlingen die vanaf schooljaar 2007–2008 instromen in het voortgezet onderwijs volgen op een bepaald moment in hun schoolcarrière een maatschappelijke stage– Het geleidelijk invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs met ingang van schooljaar 2008/2009– Strenger en beter toezicht en handhaving van de kwaliteit van examens in het mbo– Invoering van het competentiegerichte onderwijs in het mbo– Naleving van de urennormen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs6) In 2011 zijn de gemiddelde vaardigheidsscores in taal en rekenen in groep 8 duidelijk hoger dan in 2007 (bron: NWO cohortonderzoek)7) In 2011 is de taalachterstand van doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool verder gereduceerd tot 40% ten opzichte van 2001 (bron: NWO-cohortonderzoek)8) In 2011 is het aantal combinatiefuncties in en om de brede school in onderwijs, buitenschoolse opvang en sport vergroot tot het niveau van 2 500 fte (bron: in ontwikkeling)9) In 2011 is er een 100% dekkende infrastructuur van regionale verbanden voor zorgleerlingen (bron: CFI)10) In 2011 bieden alle scholen in het voortgezet onderwijs hun leerlingen een maatschappelijke stage aan (bron: NTB)11) In 2011 voldoen alle vo scholen en mbo opleidingen aan de normen voor onderwijstijd (bron: Inspectie van het Onderwijs)1, 3, 4
Stop de schooluitval:iedereen een voldoende opleidingsniveau om te participeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving*  
– Voorkomen van uitval door verbeteren zorg op scholen zelf (vve, leerplus-arrangement, zorgadviesteams)– Werkgevers creëren stage en werkplekken– Experimenten met naadloze overgang vmbo – mbo– Kwalificatieplicht tot 18 jaar– Extra middelen aan gemeenten voor hun coördinerende rol bij verminderen vsv– Eén landelijk digitaal loket voor registratie verzuim en voortijdig schoolverlaten12) In 2012 zijn er ten hoogste 35 000 nieuwe vsv-ers (bron: Onderwijsnummer)13) In 2010 beschikt minstens 85% van de instellingen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs over een Zorg en Adviesteam (bron: Landelijk Centrum Onderwijs en Jeugdzorg)4
De leraar op een voetstuk:w.o. voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel, nu en in de toekomst*  
– Concurrerende arbeidsvoorwaarden voor het onderwijspersoneel– Verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleidingen(implementatie van de afspraken uit de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008)– Verbetering van de taal- en rekenvaardigheid van aankomend Pabo-studenten door middel van diagnostische toetsing en remediëring– Beleidsagenda o.b.v. voorstellen Commissie Leraren (o.l.v. de heer A. Rinnooy Kan) over aanpak lerarentekort en positie en kwaliteit van de leraar14) In 2008 is het aantal openstaande vacatures kleiner dan 2 200 (d.w.z. minder dan 1%) (bron: Arbeidsmarktbaro- meter)9
De emancipatie is niet af:  
– Samenwerking met departementen, provincies, gemeenten en maatschappelijke instellingen over versterking van het emancipatieproces in de samenleving15) In 2011 werkt 65% van de vrouwen (bron: CBS)25
PIJLER 6  
Kunst en cultuur geven glans aan het bestaan:w.o. alle jongeren tot 18 jaar raken actief of passief vertrouwd met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis*  
– Excellentie: stimuleren toptalent, ook op het internationale podium, onder meer door instellen staatsprijzen voor kunstenaars– Brede basis: gratis toegang rijksgesubsidieerde musea voor kinderen tot en met 12 jaar; cultuurkaart voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs (per augustus 2008)– Mooier Nederland: modernisering monumentenzorg16) In 2011 is het aantal bezoeken aan musea van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar met 30% toegenomen ten opzichte van 2008 (bron: in ontwikkeling)17) In 2009 wordt 70% van de rechten die de cultuurkaart geeft daadwerkelijk verzilverd (bron: uitvoerder cultuurkaart; in ontwikkeling)14
Een modern medialandschap:het aanbod van de publieke omroep is kwalitatief hoogwaardig en crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek*  
– Sterke publieke omroep: herstel programmering publieke omroep met financiële impuls en multimediale taak– Faciliteren van brede netwerken en activiteiten op het terrein van media-educatie18) In 2011 is er een breed netwerk op het terrein van media-educatie(bron: in ontwikkeling)15

Tabel 5: Indicatoren en kengetallen van (kwaliteit en prestaties van) het onderwijsstelsel

1) Lissabon-doelstelling: Opleidingsniveau

Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs (bron: Eurostat)

2) Lissabon-doelstelling: Voortijdig schoolverlaten

Percentage 18–24 jarigen dat geen onderwijs volgt en geen startkwalificatie heeft behaald (bron: Eurostat)

kst-31200-VIII-2-1.gif

Doelstelling: 85% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 8% in 2010; Zie artikel 3 en 4

3) Lissabondoelstelling: Leesvaardigheid

Percentage 15-jarige leerlingen met lage leesvaardigheden (bron: PISA)

4) Lissabondoelstelling: Bèta-Techniek

Verandering (% 2006 t.o.v. 2000) instroom en uitstroom Natuur en Techniek (bron: CFI)

kst-31200-VIII-2-2.gif

Doelstelling: 9% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 15% meer uitstroom in 2010 t.o,v. 2000; Zie artikel 6 en 7

5) Lissabondoelstelling: Leven lang leren

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteiten (bron: Eurostat)

6) Onderwijsuitgaven per deelnemer

Als aandeel van het Bruto Binnenlands Product per hoofd, 2004 (bron: OESO)

kst-31200-VIII-2-3.gif

Doelstelling: 20% in 2010; Zie artikel 4

Kengetal, geen streefwaarde; Zie voor uitgaven/deelnemer artikelen 1–7

7) Toegevoegde waarde scholen

Percentage scholen met voldoende opbrengsten t.o.v. het niveau dat o.g.v. samenstelling leerlingpopulatie mag worden verwacht (bron: Inspectie van het Onderwijs)

8) Kwaliteitskenmerken scholen

Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerken kwaliteitszorg en didactisch handelen (bron: Inspectie van het Onderwijs)

kst-31200-VIII-2-4.gif

Kengetal, geen streefwaarde; Zie ook artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze kwaliteitskenmerken artikel 1 en 3

9) Oordeel ouders over kwaliteit school van hun kind

Rapportcijfer ouders (bron: OCW Onderwijsmeter)

10) Doorlopende leerlijn

Procentuele verdeling gediplomeerden naar bestemming (bron: onderwijsmatrix)

kst-31200-VIII-2-5.gif

Doelstelling: tenminste rapportcijfer 7,5 in 2010; Zie artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze indicator artikel 3

11) Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt

Percentage afgestudeerden dat aangeeft dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt (bron: ROA)

12) Openstaande vacatures

Aantal vacatures voor leraren en managers in 3e kwartaal in fte (bron: Arbeidsmarktmonitor)

kst-31200-VIII-2-6.gif

Doelstelling 50% in mbo en 60% in wo in 2011; Zie artikel 4, 6 en 7

Doelstelling: totaal aantal vacatures < 2200 fte in 2008; Zie artikel 9

6 Aansluiting ontwerp-begroting 2007 naar 2008

De beleidsagenda wordt afgesloten met de financiële paragraaf Aansluiting ontwerp-begroting 2007 naar 2008. In deze paragraaf worden conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting gepresenteerd en toegelicht. Deze budgettaire veranderingen zijn het gevolg van met name de kaderbriefbesluitvorming, het Coalitieakkoord (enveloppeverdeling) en augustusbesluitvorming (definitief kabinetsbesluit over de begrotingen).

Als gevolg van de uitwerking van het advies van de commissie Rinnooy Kan wordt bezien of nadere herprioritering binnen de begroting noodzakelijk is. Een reactie van het kabinet op dit advies ontvangt u begin oktober.

Tabel 1 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde uitgavenbegroting 2007 (x € 1 miljoen)
 200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 200832 009,232 576,932 585,232 415,232 370,032 538,9
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 200728 913,129 228,529 394,629 487,329 597,429 731,8
Totaal verschil3 096,13 348,43 190,62 927,82 772,72 807,1
Enveloppe0513,0771,0732,0689,0653,0
Ombuigingen0– 69,5– 309,2– 376,7– 432,9– 432,9
Overheveling kinderopvang en emancipatie van SZW naar OCW1 581,51 615,71 653,61 693,01 732,61 761,1
RamingsbijstellingWet kinderopvang295,0116,0118,0121,0125,0127,0
RamingsbijstellingWet kinderopvang0189,0199,0212,0221,0228,0
Invulling enveloppe kinderopvang0– 61,0– 125,0– 125,0– 125,0– 94,0
Beleidsmaatregelen kinderopvang00– 125,0– 128,0– 132,0– 134,0
Leerlingenontwikkeling51,449,7– 4,8– 45,8– 87,0– 118,1
Overheveling kindgebondenbudget van OCW naar Jeugd en Gezin0030,0– 88,0– 88,0– 88,0
Zorgmiddelen84,5135,5146,2141,8113,0143,8
FES-middelen46,130,234,146,251,141,0
Studiefinanciering– 52,3– 38,8– 11,832,863,767,1
Eindejaarsmarge 2006/200774,300000
PIA-taakstelling Balkenende II– 0,6– 0,6– 0,6– 0,6– 0,6– 0,6
Transitietraject inburgering40,020,00000
Intertemporele compensatie33,331,619,9– 20,6– 64,50,3
Meevallers/ramingsbijstellingen9,87,75,90,00,0– 69,0
Totaal bijstellingen2 163,02 538,42 401,22 194,12 065,42 084,7
Technische verschillen:      
Loon- en prijsbijstellingen703,5677,1680,2681,1681,8682,6
Overige technische verschillen229,6132,8109,152,525,539,9
Totaal technisch933,1809,9789,4733,6707,4722,5
Totaal3 096,13 348,43 190,62 927,82 772,72 807,1

Toelichting:

Enveloppe

Dit betreft het totaal aan middelen van alle enveloppen die zijn toegevoegd aan de OCW begroting. De oploop van de enveloppe voor 2009 en verder blijft conform de afspraak uit het Coalitieakkoord per departement gereserveerd op de aanvullende post van het rijk. De bedragen voor 2009 en verder worden jaarlijks bij Kaderbrief/Voorjaarsnota per tranche beschikbaar gesteld.

Deze zijn inclusief het LNV aandeel. Bij Voorjaarsnota 2008 (VJN 2008) zal dit aandeel aan de begroting van LNV worden toegevoegd. De onderverdelingen van de enveloppen worden verderop in deze paragraaf toegelicht.

Ombuigingen

Het totaal aan taakstellingen uit het Coalitieakkoord. Deze worden in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk verder toegelicht.

Overheveling kinderopvang/emancipatie SZW naar OCW

De middelen voor kinderopvang en emancipatie die met de overkomst vanuit SZW aan de OCW-begroting zijn toegevoegd.

Ramingsbijstelling/invulling enveloppe kinderopvang

De raming voor de Wet kinderopvang is opwaarts bijgesteld als gevolg van meer gebruik dan oorspronkelijk was verondersteld. De totale overschrijding van het jaar 2007 zal ten laste komen van het totale beeld van het rijk. Vanaf 2008 zal een deel van de overschrijding van het budget via een extra opslag van de werkgeversbijdrage gefinancierd worden. Daarnaast zal het restant van de overschrijding gedeeltelijk worden gefinancierd via de enveloppe kinderopvang en deels door middel van beleidsmaatregelen.

Beleidsmaatregelen kinderopvang

Vanaf 2009 zal door middel van beleidsmaatregelen de kosten voor de Wet kinderopvang met € 125 miljoen oplopend naar € 134 miljoen structureel naar beneden bijgesteld worden.

Leerlingenontwikkeling

Als gevolg van demografische ontwikkelingen zijn de ramingen met betrekking tot de deelname aan het regulier onderwijs bijgesteld. De ramingen laten ten opzichte van de begroting 2007 een hogere deelname in het vo, mbo en hbo zien en een lagere deelname in het po en wo. Vanaf 2010 is de daling in het po en wo en inmiddels ook in het vo zo sterk, dat het de stijging in de andere onderwijssectoren teniet doet. Vanwege de verruiming van de generaal pardonregeling is de leerlingenraming budgettair opwaarts bijgesteld.

Zorgmiddelen

Het aantal leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en met ambulante begeleiding in het reguliere onderwijs (rugzakken) laat een forse groei zien ten opzichte van de begroting 2007. Het kabinet stelt extra middelen beschikbaar om de komende jaren de ontwikkeling van het aantal zorgleerlingen op te vangen en om de beheersing van het zorgstelsel op een verantwoorde wijze vorm te geven.

«Fonds Economische Structuur»-middelen (FES-middelen)

Zie hiervoor de toelichting onder tabel 2 van deze paragraaf.

Studiefinanciering

Met name vanwege tegenvallers in de prestatiebeurs bij de bol (autonome ontwikkeling) zijn in 2012 extra middelen aan de OCW begroting toegevoegd.

Eindejaarsmarge 2006/2007

Dit betreffen middelen die in 2006 op de OCW begroting nog niet tot uitgaven hebben geleid en worden doorgeschoven naar 2007.

PIA-taakstelling II

Dit betreft het laatste deel van de taakstelling «Professioneel Inkopen en Aanbesteden» van het kabinet Balkenende II.

Transitietraject inburgering

Op de aanvullende post bij Financiën is in 2006 budget gereserveerd voor het transitiebudget voor roc’s in verband met de afschaffing van de gedwongen winkelnering bij het inkopen van inburgeringcursussen. Het budget wordt overgeheveld naar OCW.

Intertemporele compensatie

Dit betreft een aantal kleinere kasschuiven en één grotere: De kasschuif systeemvernieuwing Informatie Beheer Groep (IB-groep) van 2011 naar 2012. Deze kasschuif is nodig om de kasstromen van de systeemvernieuwing bij de IB-Groep per jaar mogelijk te maken.

Meevallers/ramingsbijstellingen

Dit is een saldering van de mee- en tegenvallers aan de uitgavenkant van de begroting.

Loon- en prijsbijstellingen

Deze worden toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Overige technische verschillen

Deze post betreft ten eerste een verschuiving bij de studiefinanciering van relevante naar niet-relevante uitgaven. De overige technische bijstellingen betreffen grotendeels overboekingen met andere departementen en desalderingen met de ontvangsten.

Fonds Economische Structuurversterking

Tabel 2 Overzicht toegevoegde FES-middelen (x € 1 miljoen)
ArtikelOnderwerp200720082009201020112012
1Funderend onderwijs25,0     
3Funderend onderwijs– 6,4     
3Maatschappelijke sectoren & ICT3,82,11,1   
1VVE 8,1    
19VVE0,4     
4Beroepsonderwijsin bedrijf2,03,0    
5Technocentra0,1  9,2  
7Transitie samenwerking TU’s    10,1 
7Rendement & excellentie– 5,05,0    
14Hermitage2,5     
14Archeologisch bodemonderzoek1,0     
14Beelden voor de toekomst– 0,2     
16Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur(BSIK)7,9     
16International Tokamak Experimental Reactor (ITER)15,0     
16Genomics 12,033,037,041,041,0
        
Totaal bijstellingen46,130,234,146,251,141,0

Toelichting

Funderend onderwijs

De ontwikkeling van brede scholen wordt extra gestimuleerd.

Funderend onderwijs

De aanvragen voor de regeling «praktijkgerichte leeromgeving vmbo/pro» zijn achtergebleven bij de raming. Deze middelen worden nu ingezet voor de ontwikkeling van brede scholen (zie de vorige toelichting).

Maatschappelijke sectoren & ICT (MS & ICT)

Dit zijn de bijdragen van de minister van Economische Zaken voor het project «opschaling Contentstimulering» en het project «prijsvraag Gamingprojecten».

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE)

Dit betreft middelen die uit het FES beschikbaar komen voor intensivering en uitbreiding van de voor- en vroegschoolse educatie.

Beroepsonderwijs in bedrijf

Deze middelen maken onderdeel uit van de 1e tranche FES middelen die beschikbaar zijn gekomen voor beroepsonderwijs in bedrijf. Ze worden ingezet ten behoeve van de tijdelijke stimuleringsregeling Leren en Werken. Met deze regeling wordt regionale samenwerking bevorderd en het gebruik van EVC-trajecten en duale trajecten gestimuleerd.

Technocentra

Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de Kaderregeling Technocentra (2006–2010). Het doel van deze regeling is het versterken en vernieuwen van de kennisinfrastructuur en het verbetering van de aansluiting van het beroepsonderwijs op het bedrijfsleven in de technische sector.

Transitie samenwerking TU’s

De reeks van 5 x € 10,1 miljoen over de jaren 2006 – 2010 is een jaar doorgeschoven en bestrijkt thans de periode 2007 – 2011. Dit verklaart de boeking van het bedrag van € 10,1 miljoen in 2011.

Rendement & excellentie

In 2007 zullen prestatieafspraken voor het FES-project Rendement en Excellentie worden opgesteld. De voor 2007 begrote uitgaven zullen pas in 2008 worden gedaan.

Hermitage

De stichting Hermitage heeft bezwaar aangetekend tegen de subsidiebeschikking. Dat bezwaar richt zich op de voorwaarde dat geen gebruik mag worden gemaakt van restauratiesubsidie voor monumenten. Aangezien de bezwaarprocedure nog loopt, gebeurt de betaling niet in 2006 maar in 2007.

Archeologisch bodemonderzoek

Door een vertraging kunnen de laatste kosten in plaats van in 2006 pas in 2007 betaald worden.

Beelden voor de toekomst

In 2006 zijn al aanloopkosten gemaakt voor de voorbereidingsperiode van Beelden voor de Toekomst. In 2006 was hiervoor geen budget beschikbaar, daarom wordt dit budget geschoven van 2007 naar 2006.

Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (BSIK) en International Tokamak Experimental Reactor (ITER)

Dit zijn desalderingen in verband met de realisatie van de FES projecten 2006.

Genomics

Dit betreft middelen voor het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative in een tweede fase.

Tabel 3 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde ontvangstenbegroting 2007 (x € 1 miljoen)
 200720082009201020112012
Stand ontwerpbegroting 20081 520,41 207,81 225,41 211,11 118,91 137,0
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 20071 344,71 138,61 159,01 155,51 037,11 066,7
Totaal verschil175,769,266,555,681,770,4
Bestaande uit:      
Leerlingenontwikkeling– 3,7– 5,7– 7,5– 8,8– 10,0– 10,8
Studiefinanciering– 2,5– 1,5– 0,2– 0,9– 1,3– 1,9
FES-middelen46,130,234,146,251,141,0
Intertemporele compensatie: zero base1,000000
Overheveling kinderopvang van SZW naar OCW41,823,317,717,717,717,7
Commissie Schutte5,22,52,01,01,01,0
Meevallers/ramingsbijstellingen13,000000
Totaal autonome en beleidsmatige bijstellingen100,848,846,155,258,547,0
Technische bijstellingen74,820,420,40,423,323,4
Totaal175,769,266,555,681,770,4

Toelichting

Commissie Schutte

Deze post betreft de meerjarige raming van de terugvorderingsontvangsten naar aanleiding van de Commissie Schutte die vanaf 2007 nog worden verwacht. De reeks loopt na 2012 nog een aantal jaren door. In totaal wordt vanaf 2007 naar de huidige raming een ontvangst van circa € 25 miljoen verwacht.

Technische bijstellingen

Het betreft hier een bijstelling van de autonome ramingen en desalderingen met de uitgaven.

Tot slot volgt hieronder de meerjarenraming per beleidsartikel.

Tabel 4 De uitgavenkant van de ontwerpbegroting 2008 per beleidsartikel (x € 1 miljoen)
 200720082009201020112012
Primair onderwijs8 631,18 699,98 659,58 563,18 455,38 425,7
Voortgezet onderwijs6 056,56 022,26 091,76 021,65 945,75 963,3
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie3 210,83 189,53 016,83 006,13 006,43 005,1
Technocentra9,39,29,29,200
Hoger beroepsonderwijs2 032,82 086,02 128,42 146,02 192,22 213,7
Wetenschappelijk onderwijs3 517,33 482,63 514,53 556,73 616,73 635,5
Internationaal beleid18,319,019,018,618,618,6
Onderwijspersoneel142,9177,7190,0190,1190,1190,1
Informatie- en communicatietechnologie38,300000
Studiefinanciering3 283,33 651,63 757,53 836,43 915,64 077,7
Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten293,2306,4336,3216,6213,6212,8
Lesgelden6,06,06,26,05,34,9
Cultuur897,5872,7871,3861,5851,3850,2
Media791,1843,2848,1852,8854,1858,4
Onderzoek en wetenschappen983,81 044,11 061,2990,8955,3954,3
Kinderopvang1 895,31 984,01 909,61 993,22 037,52 068,6
Emancipatie13,214,814,614,414,414,4
Subtotaal beleidsartikelen31 820,632 408,932 433,832 282,832 272,132 493,3
Nominaal en onvoorzien0– 4,3– 16,8– 33,6– 67,2– 118,8
Ministerie algemeen131,4117,2113,2111,0111,0110,1
Inspecties49,547,447,347,347,347,3
Adviesraden7,87,67,77,76,96,9
Subtotaal niet-beleidsartikelen188,6168,0151,4132,398,045,5
Totaal ontwerpbegroting 200832009,232 576,932 585,232 415,232 370,032 538,9

Enveloppen

De totale bijdrage uit de verschillende enveloppen aan de OCW begroting is volgens de onderstaande tabel verdeeld over de enveloppen. Per begrotingsartikel worden hieronder een aantal voorstellen toegelicht.

De oploop van de enveloppe voor 2009 en verder blijft conform de afspraak uit het Coalitieakkoord per departement gereserveerd op de aanvullende post van het Rijk. De bedragen voor 2009 en verder worden jaarlijks bij Kaderbrief/Voorjaarsnota per tranche beschikbaar gesteld.

De concrete invulling van de oploop van de enveloppe voor 2009 en verder is vooralsnog indicatief. De verdeling over de verschillende maatregelen is onder andere afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek van de Commissie Leraren onder leiding van Rinnooy Kan. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd.

Tabel 5 Enveloppe (x € 1 miljoen)
 20082009201020112012
Enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek: onderzoek (Pijler 2)30,062,0100,0137,0137,0
Enveloppe Kinderopvang (Pijler 4)158,5321,5480,7643,5643,5
Enveloppe Kinderopvang: accres GF (Pijler 4)16,528,544,356,556,5
Enveloppe Onderwijs/MBO (Pijler 4)249,5503,5744,3981,5981,5
Enveloppe Onderwijs/MBO: accres GF (Pijler 4)8,521,530,743,543,5
Enveloppe Publieke omroep (Pijler 6)50,050,050,0100,0100,0
Enveloppe Cultuur en monumenten (Pijler 6)25,050,075,0100,0100,0
Enveloppe Lastenverlichting kinderen, jeugd en gezin0,059,053,044,044,0
Enveloppe Lastenverlichting koopkracht0,0118,0106,088,088,0
Totaal uitdeling538,01 214,01 684,02 194,02 194,0
w.v. op OCW-begroting513,0771,0732,0689,0653,0
w.v. op Aanvullende Post0,0393,0877,01 405,01 441,0
w.v. naar Gemeentefonds25,050,075,0100,0100,0

Het totaal aan middelen wordt conform onderstaande tabel als volgt over de verschillende artikelen verdeeld, waarbij zoals gezegd de oploop vanaf 2009 vooralsnog indicatief is.

Tabel 6 Enveloppe-verdeling per artikel (x € 1 miljoen)
 20082009201020112012
Primair onderwijs (Pijler 4)84,8100,8122,1185,1185,1
Voortgezet onderwijs (Pijler 4)96,1329,5344,3371,4371,4
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie (Pijler 4)34,578,8119,6151,8151,8
Hoger beroepsonderwijs (Pijler 2 en 4)19,748,093,7128,7128,7
Wetenschappelijk onderwijs (Pijler 2 en 4)25,357,090,3142,3142,3
Arbeidsmarkten personeelsbeleid (Pijler 4)57,9144,0203,0240,0240,0
Cultuur (Pijler 6)24,748,973,397,297,2
Media (Pijler 6)50,050,050,0100,0100,0
Onderzoek en wetenschapsbeleid (Pijler 2)13,023,024,024,024,0
Kinderopvang(Pijler 4)105,0280,0480,7643,5643,5
Emancipatie (Pijler 4)2,04,08,010,010,0
Totaal uitdeling513,01 164,01 609,02 094,02 094,0
w.v. op OCW-begroting513,0771,0732,0689,0653,0
w.v. op Aanvullende Post0393,0877,01 405,01 441,0

Per artikel worden vervolgens de maatregelen toegelicht waaraan voor de komende jaren wordt gedacht.

Artikel 1 Primair onderwijs

• De ontwikkeling van het taal- en rekenonderwijs en het opstellen van een beschrijving wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs voor taal en rekenen moeten kennen en kunnen.

• Maatregelen die volgen uit de Kwaliteitsagenda PO die in samenwerking met de sector wordt opgesteld. Daarbij wordt gefocust op versterking van het taal- en rekenonderwijs en de kwaliteitszorg.

• Voortgaande financiering van innovatieprojecten via het PO-platform Kwaliteit en Innovatie.

• Begeleiding van het proces naar passend onderwijs.

• Versterking van het onderwijsachterstandenbeleid, waarbij er enerzijds voldoende geld in de grote steden beschikbaar blijft, en anderzijds meer geld beschikbaar komt voor een aantal plattelandsgemeenten met specifieke plattelandsproblematiek.

• Versterking van het aanbod van voorschoolse educatie en vroegschoolse educatie.

• Stimulering van de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken.

• Lerarenbeleid in het primair onderwijs. Zie de maatregelen bij artikel 9, Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

• Uitbreiding eerstelijns zorgvoorziening naar havo/vwo.

• Kwaliteit onderwijs VO (waaronder taal en rekenen).

• Lerarenbeleid VO. Betreffende middelen maken een onderdeel uit van de enveloppe maatregelen bij artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

• Gratis schoolboeken.

• Maatschappelijke stage.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

• Bedrag per deelnemer mbo.

• Competentiegericht onderwijs.

• Leerling gebonden financiering.

• Voortijdig schoolverlaten.

• Loopbaan oriëntatie en begeleiding.

• Leven lang leren.

Artikel 6 Hoger beroepsonderwijs

• Tijdelijke stimulering/subsidiering van nieuwe hbo-masteropleidingen.

• Kwaliteitsverbetering docenten.

• Excellentie in onderwijs-binnen- en buitenlands talent.

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls.

• Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten.

• Praktijkgericht onderzoek hbo Raak.

• Praktijkgericht onderzoek hbo Lectoren.

Artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs

• Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten.

• Graduate schools.

• 3TU’s.

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls.

• Excellentie in onderwijs-binnen- en buitenlands talent.

• Kwetsbare opleidingen.

Artikel 14 Cultuur

• Mooier Nederland.

• Participatie.

• Sterke sector.

• Innovatie.

Artikel 15 Media

• Herstel programmering van de landelijke publieke omroep en dekking tekorten op hun begroting.

• Apart budget Nederlands drama.

• Crossmediale programmaontwikkeling.

• Verbetering bereik onder jeugd en jongeren.

Artikel 16 Onderzoek en Wetenschapsbeleid

• Voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen wordt subsidie verstrekt aan NWO.

• Extra middelen ten behoeve van een persoonsgerichte subsidie voor vrouwelijke hoogleraren.

• Het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative in een tweede fase.

Artikel 24 Kinderopvang

• Verhogen opleidingsniveau personeel kinderopvang/verbeteren kwaliteit opleidingen/verbeteren kwaliteit personeel.

• Stimulering buitenschoolse opvang en sport.

• Huisvesting buitenschoolse opvang.

• Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en VVE.

Artikel 25 Emancipatie

• Taskforce Deeltijdplus.

• Kennisinfrastructuur (homo) emancipatie.

• Project tijdenbeleid 7 tot 7.

• Project 1001Kracht.

• Stimulering homo-emancipatie.

3. DE BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

1.1 Algemene doelstelling: het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

Omschrijving

Alle kinderen hebben recht op passend en kwalitatief goed primair onderwijs in voldoende toegeruste scholen (Grondwet, art 23: Stb. 2002, 200). De overheid houdt daarvoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, heeft de overheid als taak om ondersteuning te bieden en onderwijsachterstanden te voorkomen (Wet op het Primair Onderwijs en Wet op de Expertisecentra). De overheid verplicht ouders door middel van de Leerplichtwet om hun kinderen onderwijs te laten volgen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is er verantwoordelijk voor dat het onderwijsstelsel zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige besteding van onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die hem ter beschikking staan, zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur.

Externe factoren

Het onderwijs ter plaatse wordt mede bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg), andere overheden en bedrijven. De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen (zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand) en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 1.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde wiskundeprestaties» in groep 6 van het basisonderwijs5/66Top 5Top 5
Bron: TIMSSPeildatum: 1995Peildatum: 2003Peildatum: 2007Peildatum: 2011
2. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde leesvaardigheid» in groep 6 van het basisonderwijs212Top 5Top 5
Bron: PIRLSPeildatum: 1995Peildatum: 2001Peildatum: 2007Peildatum: 2011
3. Percentage scholen waar de resultaten van de leerlingen aan het einde van de schoolperiode ten minste liggen op het niveau dat op grond van de samenstelling van de leerlingpopulatie mag worden verwacht.89%93%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2003/2004Peildatum: 2005/2006
4. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo advies38%40%
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2005Peildatum 2010
5. Tevredenheid ouders over de school van hun kind7,57,6Tenminste een 7,5Tenminste een 7,5
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2001Peildatum: 2006Peildatum 2007Peildatum: 2011

Toelichting:

1 en 2: Deze indicator brengt het nationale prestatieniveau in vergelijking met andere landen in beeld. Het is de ambitie dat het Nederlandse basisonderwijs tot de top vijf van de wereld behoort als het gaat om wat leerlingen presteren op gebieden als taal en rekenen. Minder goede internationale prestaties zijn aanleiding tot een grondige evaluatie.

3: Deze maatstaf van toegevoegde waarde wordt door de Inspectie van het Onderwijs bepaald door te kijken of de gemiddelde prestaties van de school over een reeks van drie jaar op, onder of boven het niveau liggen dat op grond van sociaaleconomische status en etniciteit van de leerlingen verwacht kan worden. Bij deze relatieve normering zullen er altijd scholen zijn waarvan de resultaten onder, dan wel boven het verwachte niveau liggen. Een streefwaarde koppelen aan een relatieve norm is weinig zinvol. Omdat met deze indicator wel een goed zicht ontstaat op de scholen die langdurig zeer zwakke of juist zeer goede opbrengsten hebben, is deze indicator opgenomen als kengetal. Onderzocht zal worden of het mogelijk en zinvol is om in de toekomst een absolute maatstaf van de toegevoegde waarde van het onderwijsstelsel te ontwikkelen.

4: Nederland streeft ernaar dat op termijn (na 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hogeropgeleid is. Om deze doelstelling te bereiken, is het gewenst dat meer leerlingen in het primair onderwijs een hoger prestatieniveau bereiken en dat zij dat niveau ook vasthouden in het voortgezet onderwijs.

5: Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid met de school van hun kind. In 2006 is het rapportcijfer 7,6. Het is de ambitie om dit cijfer in de toekomst ten minste op een 7,5 te houden. Of deze ambitie gerealiseerd wordt, zal niet alleen beïnvloed worden door het departementale beleid, zoals het beleid voor ouderbetrokkenheid, maar ook door factoren waar het departement minder direct invloed op kan en wil uitoefenen.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen12 891 1398 629 8568 698 7388 658 2918 561 8678 454 1098 424 510
Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven8 314 9908 631 0728 699 9198 659 5078 563 0838 455 3258 425 726
        
Programma-uitgaven:8 309 2358 624 0778 693 8798 653 4858 556 9818 449 2228 419 623
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs7 891 8917 986 3478 103 9808 109 6788 074 7807 982 0837 951 122
• Personele bekostiging6 797 6586 870 6396 986 3026 997 4856 972 5316 886 6416 865 304
• Materiële bekostiging1 041 2961 072 3821 076 4751 075 5561 069 3971 062 5721 052 948
• Onderwijspersoneelsbeleid126 6009 4007 2405 0155 0155 0155 015
• Invoering onderwijsnummer5 83810 9549 2245 9241 0241 0241 024
• Versterken positie ouders2 6253 0553 3463 2941 6041 6041 604
• Overig17 87419 91721 39322 40425 20925 22725 227
        
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit80 41766 64433 96217 62013 00113 13913 018
• Ontwikkeling taal- en rekenonderwijs4411 1042 4401 8751 8751 5001 500
• Leer- en hulpmiddelen001 0001 0001 0001 0001 000
• Innovatiein het primair onderwijs3 9402 0215 8505 5005 5005 5005 500
• Vergroten kwaliteitszorg505600600600600600600
• Verbreding techniek in het basisonderwijs2307 4208 6004 550000
• Cultuur en school7 60515 1508 4000000
• Schoolbegeleiding266 73639 2465 9692 9952 8352 6752 515
• Overig9601 1031 1031 1001 1911 8641 903
        
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften229 715262 418353 953336 352281 901270 523270 686
• Passend onderwijs, WSNS en LGF34 24429 07348 41349 25549 32149 54949 772
• Onderwijsachterstandenbeleid(o.a gewichtenregeling en VVE)170 480203 056275 201256 658202 141190 535190 476
• Eerste opvang aan leerplichtige asielzoekers1 0731 1661 1511 1511 1511 1511 151
• Faciliteiten zieke leerlingen6 1266 2276 2276 2276 2276 2276 227
• Veiligheidop school15 90621 45021 45021 45021 45021 45021 450
• Overig1 8861 4461 5111 6111 6111 6111 611
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school68 238100 17017 1786 8906 8906 7456 715
• Brede scholen28 52049 6683 6503 6503 6503 5053 475
• Dagarrangementen en combinatiefuncties18 46614 9609 9800000
• Tussenschoolse opvang3 2983 0123 2153 2153 2153 2153 215
• Buitenschoolse opvang17 95432 3301450000
• Overig020018825252525
        
Voorcalculatorische uitdelingen0170 165152 541151 569148 963145 356146 735
        
Programmakosten overig38 97438 33332 26531 37731 44731 37631 346
• Uitvoeringsorganisatie IBG10 93614 09513 34013 03613 10813 03813 010
• Uitvoeringsorganisatie CFI28 03824 23818 92518 34118 33918 33818 336
        
Apparaatsuitgaven:35 7546 9966 0406 0216 1026 1036 103
Ontvangsten115 932117 54841 10619 6062 0062 0062 006

1 De vergoeding aan scholen voor kinderopvang t.b.v. personeel wordt vanaf 2007 niet apart uitgekeerd, maar via een opslag op de gemiddelde personele lasten. In deze tabel verschuiven deze middelen dan naar het onderdeel «personele bekostiging»

2 Met ingang van 1 augustus 2006 is er een vraaggestuurde financiering van schoolbegeleidingsdiensten en worden de middelen stapsgewijs opgenomen in de vergoeding aan scholen. In deze tabel verschuiven deze middelen dan naar het onderdeel «personele bekostiging»

3 De apparaatskosten kinderopvang zijn niet op artikel 24 geraamd, maar op artikel 01.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 1 (Primair Onderwijs) enveloppegelden gereserveerd. Uit de enveloppe onderwijs gaat het om een bedrag van € 31,3 miljoen in 2008 oplopend tot indicatief € 185,1 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Daarnaast komt met de begroting 2008 voor artikel 1 een bedrag uit de enveloppe kinderopvang beschikbaar ter grootte van € 53,5 miljoen in 2008, € 41,5 miljoen in 2009. Met deze enveloppemiddelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• De ontwikkeling van het taal- en rekenonderwijs en het opstellen van een beschrijving wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs voor taal en rekenen moeten kennen en kunnen.

• Maatregelen die volgen uit de kwaliteitsagenda PO die in samenwerking met de sector wordt opgesteld. Daarbij wordt gefocust op versterking van het taal- en rekenonderwijs en de kwaliteitszorg.

• Voortgaande financiering van innovatieprojecten via het PO-platform Kwaliteit en Innovatie.

• Begeleiding van het proces naar passend onderwijs.

• Versterking van het onderwijsachterstandenbeleid, waarbij er enerzijds voldoende geld in de grote steden beschikbaar blijft, en anderzijds meer geld beschikbaar komt voor een aantal plattelandsgemeenten met specifieke plattelandsproblematiek.

• Versterking van het aanbod van voorschoolse educatie en vroegschoolse educatie.

• Stimulering van de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken.

• Lerarenbeleid in het primair onderwijs. Zie de maatregelen bij artikel 9, Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

Tabel 1.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)18 509 0738 470 5398 376 5718 272 4908 241 542
Totaal juridisch verplicht8 365 3618 338 1138 293 7618 201 0828 169 964
Totaal bestuurlijk gebonden2143 712132 40182 36070 33370 134
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0254501 0751 444
      
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs8 103 9808 109 6788 074 7807 982 0837 951 122
• Juridisch verplicht8 088 8448 097 8428 067 4697 974 6617 943 320
• Bestuurlijk gebonden15 13611 8366 9866 9366 986
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00325486816
      
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit33 96217 62013 00113 13913 018
• Juridisch verplicht9 8531 100000
• Bestuurlijk gebonden24 10916 52013 00112 77512 615
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000364403
      
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften353 953336 352281 901270 523270 686
• Juridisch verplicht256 351239 272226 293226 421226 643
• Bestuurlijk gebonden97 60297 18055 50843 90243 843
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00100200200
      
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school17 1786 8906 8906 7456 715
• Juridisch verplicht10 3130000
• Bestuurlijk gebonden6 8656 8656 8656 7206 690
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden025252525

1 Exclusief de voorcalculatorische uitdelingen en de programmakosten overig.

2 De enveloppemiddelen zijn opgenomen als bestuurlijk gebonden.

1.3 Operationele doelstellingen

1.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs

Motivering

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om scholen goed toe te rusten. Daarmee moeten scholen in staat zijn om te voldoen aan eisen voor toegankelijkheid en kwaliteit.

Scholen en schoolbesturen moeten kunnen inspelen op de specifieke omstandigheden en onderwijs op maat bieden. In de lumpsumbekostiging zijn hiervoor budgetten voor personele en materiële kosten opgenomen. Het geld kan vrij worden besteed aan onderwijs en zorg. Op dit moment wordt onderzocht of de bestaande budgetten voor personele en materiële bekostiging kunnen worden samengevoegd. Schoolbesturen ontvangen dan één budget per school.

Instrumenten

• Personele bekostiging

De basis voor de personele bekostiging van scholen is het aantal leerlingen, de gemiddelde leeftijd van de leraren en het opleidingsniveau van de ouders. Voor de bekostiging van vervangers van bijvoorbeeld zieke leraren (vervangingsfonds) en voor de verzekering van de wachtgelden (participatiefonds) geldt een verzekeringsplicht. De premiebetaling is verplicht en voor de bekostiging van de vervangers moeten scholen declaraties indienen. Dat brengt veel regels en administratie met zich mee. Daarom zal in deze kabinetsperiode een eerste experimentele stap worden gezet naar decentralisatie van vervanging. De uitkomst van het experiment is bepalend voor de vervolgstappen. Naar een herziening van het participatiefonds vindt nader onderzoek plaats.

• Materiële bekostiging

Het rijk verstrekt schoolbesturen een lumpsumbekostiging voor de materiële instandhouding van scholen, die gebaseerd is op programma’s van eisen. Eens per vijf jaar vindt een evaluatie van de programma’s van eisen plaats die toetst of de bekostiging adequaat is. De eerstvolgende evaluatie is in 2011.

• Onderwijspersoneelsbeleid

De instrumenten en activiteiten die voor specifiek onderwijspersoneelsbeleid worden ingezet, worden toegelicht in artikel 9, Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid. Mede op basis van het advies van de Commissie Leraren, worden maatregelen genomen om het tekort aan leraren en schoolleiders aan te pakken, de positie van de leraar te versterken en de kwaliteit van de leraar te verbeteren.

• Invoering onderwijsnummer

Het streven is om vanaf 2010 alle scholen te bekostigen op basis van het onderwijsnummer. In 2008 zullen scholen de gelegenheid krijgen om de kwaliteit van de gegevens in hun leerlingenadministratie te verbeteren en daarna om kennis te maken met de nieuwe manier van uitwisseling van persoonsgegevens met de IB-Groep. Tegelijkertijd zullen de softwareleveranciers, CFI en de IB-Groep hun systemen zo testen en verbeteren, dat het zo gemakkelijk mogelijk wordt gemaakt voor de scholen. Scholen worden geïnformeerd – onder andere viawww.pgno.nl/po/ – en krijgen ondersteuning via een helpdesk. OCW en de besturenorganisaties werken daarin samen.

• Versterken positie ouders

Door de betrokkenheid van ouders te versterken, worden de onderwijskansen en het welzijn van de kinderen binnen het funderend onderwijs vergroot. De landelijke ouderorganisaties versterken de medezeggenschapsfunctie van ouders door het geven van cursussen en ondersteuning. Daarnaast voeren zij projecten uit die de deskundigheid van ouders bevorderen en de samenwerking tussen ouders, school en andere opvoeders verbetert. Er is bijzondere aandacht voor de positieverbetering van kwetsbare groepen ouders en de verdere uitbouw van de informatie- en servicefunctie voor alle ouders. Tot slot brengt het ministerie jaarlijks de Onderwijsgids uit voor ouders en verzorgers.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1
Het percentage scholen waar de leraren efficiënt gebruik maken van de geplande onderwijstijd96,2%96,6%96%
Bron: Inspectie van het onderwijsPeildatum: 2003/2004Peildatum: 2005/2006Peildatum: 2007/2008

Toelichting:

Deze indicator wordt door de Inspectie van het Onderwijs jaarlijks in beeld gebracht en geeft een indicatie van de mate waarin scholen gebruik maken van de onderwijstijd.

In 2007 is een start gemaakt met de ontwikkeling van een bureaucratiemonitor (www.ecorys.nl). De uitkomsten van de nulmeting volgen in het najaar 2007: in het jaarverslag over 2007 zullen ze beschreven worden. Het is de bedoeling in de begroting 2009 streefwaarden op te nemen.

Meetbare gegevens over de personele bekostiging zijn opgenomen in artikel 9 (Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid).

Naast kwantitatieve gegevens, zijn voor de mate waarin deze operationele doelstelling wordt behaald ook kwalitatieve gegevens relevant. In het «overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid» (tabel 1.11) zijn de geplande kwalitatieve onderzoeken opgenomen. Zo wordt eens per vijf jaar de materiële bekostiging geëvalueerd en getoetst of de bekostiging adequaat is geweest.

Tabel 1.5 Leerlingen primair onderwijs (x 1 000)
 2006200720082009201020112012
Leerlingen basisonderwijs       
– geen gewicht1 228,41 259,11 279,91 293,21 283,21 267,41 249,2
– 0.25117,075,939,40,00,00,00,0
– 0.339,177,6113,9151,9149,7146,9143,9
– 0.41,00,60,40,00,00,00,0
– 0.72,21,30,70,00,00,00,0
– 0.9137,588,145,90,00,00,00,0
– 1.223,646,868,791,690,689,287,6
Subtotaal1 548,61 549,61 549,01 536,61 523,51 503,51 480,7
Leerlingen trekkende bevolking0,50,50,50,50,50,50,5
Totaal1 549,01 550,11 549,51 537,11 524,01 504,01 481,2
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs46,344,643,342,341,640,739,7
– waarvan anderstalige leerlingen8,88,58,38,28,18,07,8
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs63,464,966,066,867,567,968,3
– waarvan anderstalige leerlingen11,511,711,811,811,811,711,7
Ambulant begeleide leerlingen29,238,040,240,240,240,240,2
Aantal leerlingen in eerste opvang leerplichtige asielzoekers0,90,90,90,90,90,90,9

Bron: Referentieraming 2007, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0.3 en 1.2) ingevoerd en zal geleidelijk tot en met 1 oktober 2009 de oude gewichtenregeling worden afgebouwd. De leerlingen in het (v) so zijn inclusief visueel gehandicapten leerlingen (ca 700 leerlingen). Voor de overige (v)so-leerlingen wordt m.i.v. teldatum 01-10-2008 de zorgbekostiging gebaseerd op het aantal van 64200 leerlingen.

Tabel 1.6 (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. IBG, CFI en apparaatskosten(x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs4,44,54,64,64,64,64,6
WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs17,418,819,819,819,719,419,6
Primair onderwijs4,95,15,25,25,25,25,3

Bron: Referentieraming 2007, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren

NB: De berekeningswijze is als volgt: gesaldeerde uitgaven in de respectievelijke jaren in constante prijzen gedeeld door het aantal leerlingen per 1 oktober van de respectievelijke jaren.

Tabel 1.7 Aantal scholen in het primair onderwijs
 2006200720082009201020112012
Scholen voor basisonderwijs6 9296 9296 9296 9296 9296 9296 929
Scholen voor speciaal basisonderwijs320320320320320320320
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs319319319319319319319
Totaal Primair onderwijs7 2807 2807 2807 2807 2807 2807 280

Bron: CFI-tellingen, op teldatum 1 augustus van de respectievelijke jaren

1.3.2 Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

Het primair onderwijs moet het voor de leerling mogelijk maken naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij de capaciteiten van de leerling. Dit vraagt om kwalitatief goed primair onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en rapporteert hierover in het Onderwijsverslag. De meeste scholen in het primair onderwijs doen het goed. Zo is het eindniveau van 93% van de basisscholen voldoende. Maar de Inspectie wijst ook op een paar hardnekkige problemen. Scholen verschillen in de ontwikkelingsmogelijkheden die zij hun leerlingen bieden en in de resultaten die zij met hun leerlingen bereiken. Sommige scholen bereiken gemiddeld voldoende eindopbrengsten, maar slagen er niet in om alle leerlingen optimaal te stimuleren. Het advies van de Onderwijsraad «Presteren naar vermogen» (www.onderwijsraad.nl) geeft aan dat 10% van de leerlingen niet presteert op het niveau dat op grond van hun cognitieve capaciteiten verwacht mag worden.

Om de kwaliteit van het primair onderwijs duurzaam te verbeteren, wordt in samenwerking met de sector de Kwaliteitsagenda PO opgesteld. Deze wordt in het najaar van 2007 landelijk gepresenteerd. Twee dingen staan daarin centraal: «zichtbare verbeteringen in taal en rekenen» en «scholen en leraren leren van elkaar». Dit is de kern van de kwaliteitsagenda.

De kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs moet omhoog. Dat blijkt uit het Onderwijsverslag 2005–2006 (inspectie.nl/#www.onderwijsinspectie.nl). 4% van de basisscholen behaalt onvoldoende leerresultaten voor rekenen en taal. Ook technisch lezen blijft een aandachtspunt. Een kwart van de leerlingen in het basisonderwijs verlaat de basisschool met een vaardigheid in technisch lezen op het niveau van groep 6. Uit het PRIMA-cohort (www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl) blijkt dat allochtone achterstandsleerlingen de basisschool verlaten met een achterstand van maximaal een half jaar bij rekenen en één à twee jaar bij taal.

De Inspectie van het Onderwijs constateert in het Onderwijsverslag dat 1,5% van de basisscholen (ongeveer 100 scholen) als zeer zwak zijn beoordeeld en dat de groep risicoscholen aanzienlijk is (12%, ongeveer 850 scholen). Al deze scholen staan onder verscherpt toezicht. De helft van alle scholen in het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs staat onder verscherpt toezicht. Zie ook paragraaf 1.3.3.

De omgeving van scholen is continu in ontwikkeling en dit vraagt om innovaties van inhoud en organisatie van het onderwijs. Van scholen in het primair onderwijs wordt daarom verwacht dat zij de kwaliteit van het onderwijs evalueren en zonodig verbeteren en vernieuwen. Bij onderwijsvernieuwing gaat het niet alleen om de kernvakken taal en rekenen, maar ook om de brede ontwikkeling van leerlingen (cultuur, techniek en burgerschap).

Instrumenten

• Ontwikkeling taal- en rekenonderwijs

Uit de enveloppe is structureel € 1,5 miljoen beschikbaar voor de ontwikkeling van het taal- en rekenonderwijs en voor het opstellen van een beschrijving wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs moeten kennen en kunnen voor taal en rekenen. Deze middelen worden ingezet voor het uitvoeren van een aantal programma’s en het ontwikkelen van nieuwe didactische modellen om het leesniveau en het rekenniveau te verhogen. In samenwerking met het onderwijsveld worden landelijke beschrijvingen ontwikkeld wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs op het terrein van taal en rekenen moeten beheersen. Dit biedt scholen meer duidelijkheid en focus bij het taal- en rekenonderwijs. Om leraren te ondersteunen worden leerlijnen taal en rekenen/wiskunde ontwikkeld die rekening houden met het verschil in uitstroom van leerlingen naar het vervolgonderwijs.

• Leer- en hulpmiddelen

Vanuit de tranche 2008 van de enveloppe wordt alvast geïnvesteerd in de aanpassing van leermiddelen aan de nieuwe spelling. Eind 2007 zal de commissie taal en rekenen aanbevelingen doen voor het versterken van het taal- en rekenonderwijs.

• Zeer zwakke scholen

De Inspectie van het Onderwijs monitort de kwaliteitsverbetering van zeer zwakke scholen intensief. Als de scholen zich niet verbeteren, worden ze gemeld voor een bestuurlijk natraject. Er is een wetsvoorstel en bijpassend interventiebeleid in voorbereiding waarmee scholen gedwongen kunnen worden om zich sneller te verbeteren en waarmee ingegrepen kan worden als de situatie zeer ernstig is of als scholen er niet in slagen zichzelf te verbeteren.

• Innovatie in het primair onderwijs

Het PO Platform Kwaliteit en Innovatie stimuleert en ondersteunt scholen om de kwaliteit van het onderwijs systematisch te bewaken en te verbeteren. Scholen kunnen via het PO Platform Kwaliteit en Innovatie aanvragen doen om hun eigen innovatieprojecten te financieren. Uit de enveloppe wordt vanaf 2008 structureel € 5,5 miljoen aan het platform toegekend. Deze middelen worden zo ingezet en verdeeld dat ze de opbrengsten die afgesproken worden in de kwaliteitsagenda voor het primair onderwijs, maximaal ondersteunen. Ze zijn bedoeld voor scholen om van elkaar te leren (breedteprojecten) en om met experts te leren (diepteprojecten).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.8 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Gemiddelde vaardigheidscores taal in groep 81 1151 1141 116«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2003Peildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2011
2. Gemiddelde vaardigheidscores begrijpend lezen in groep 8535455«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 1999Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
3. Gemiddelde vaardigheidscores rekenen in groep 8116117118«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 1999Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
4. De school evalueert systematisch de kwaliteit van haar opbrengsten en het leren en onderwijzen45,439,245«hoger»
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2004/2005Peildatum: 2005/2006Peildatum: 2006/2007Peildatum: 2010/2011
5. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk didactisch handelen96,496,197,0«hoger»
Bron: Bestel in Beeld 2006Peildatum: 2004/2005Peildatum: 2005/2006Peildatum: 2006/2007Peildatum: 2010/2011
6. Rapportcijfers ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind7,77,77,77,7
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2008Peildatum: 2011

Toelichting:

1 t/m 3: De gemiddelde vaardigheidscores voor taal, begrijpend lezen en rekenen zijn de laatste jaren stabiel gebleven. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) meet dit aan de hand van informatie van het CITO en het leerlingvolgsysteem. Het streven is om die scores omhoog te krijgen. De ambities voor de middellange termijn worden in overleg met het onderwijsveld vastgesteld.

4: Met een stapsgewijze aanpak is de ambitie om uiteindelijk het overgrote deel van de scholen een voldoende te laten scoren op kwaliteitszorg volgens de normen van de Inspectie van het Onderwijs. Kwaliteitszorg is een belangrijke voorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs. De ambities voor de middellange termijn worden in overleg met het onderwijsveld vastgesteld.

5: De meeste leraren beschikken over voldoende didactische kwaliteiten die vanouds belangrijk zijn bij de ontwikkeling van leerlingen. De ambities worden in overleg met het onderwijsveld bepaald.

6: De tevredenheid van ouders is hoog. Het streven is om dat zo te houden.

1.3.3 Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Sommige leerlingen zijn zonder extra zorg niet of niet goed in staat om onderwijs te volgen. Het gaat hier bijvoorbeeld om leerlingen met leermoeilijkheden of grote leerachterstanden of om leerlingen met een handicap of stoornis die een belemmering kan zijn bij het volgen van regulier onderwijs. De overheid houdt voor deze kinderen een stelsel van speciale basisscholen en speciaal (voortgezet) onderwijs in stand. Daarnaast zijn er leerlingen die met een rugzakje (leerlinggebonden financiering, LGF) toch in staat zijn om op een reguliere basisschool onderwijs te volgen.

In het primair onderwijs bestaan verschillende systemen voor extra ondersteuning van leerlingen, met elk een eigen toegang, bekostiging en verantwoordelijkheden. Het systeem is complex en sterk aanbodgericht. Resultaat van dit alles is dat (te) veel leerlingen niet het onderwijs krijgen dat bij hen past. Daarnaast is het aantal leerlingen met ernstige gedragsproblemen («cluster 4») sterk gegroeid. Het vinden van voldoende huisvesting en personeel kost veel tijd en aandacht van cluster-4-scholen, wat ten koste gaat van de aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs.

De Inspectie van het Onderwijs stelt in het Onderwijsverslag dat het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) en het speciaal basisonderwijs (sbao) te weinig doel- en opbrengstgericht zijn. De Inspectie van het Onderwijs kan de opbrengsten van veel scholen niet beoordelen, doordat de ontwikkelingsperspectieven en handelingsplannen niet concreet genoeg zijn. Slechts vier op de tien sbao-scholen kunnen zich verantwoorden over de effectiviteit van de inzet. De helft van alle scholen in het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs staat onder verscherpt toezicht.

Instrumenten

• Passend onderwijs

In de voorjaarsnota 2007 is een forse verhoging van het meerjarige zorgbudget opgenomen. Deze reeks gaat evenwel uit van beheersmaatregelen die ertoe leiden dat de zorgbekostiging meerjarig niet uitkomt boven het geraamde zorgniveau (voortgezet) speciaal onderwijs 2008/2009, en dat de kosten van de rugzakleerlingen niet uitkomen boven circa € 350 miljoen. Dit is het budgettair kader waarbinnen de voorstellen voor passend onderwijs zich dienen af te spelen. Met de ministers van VWS en SZW zal in de komende periode worden bezien hoe kan worden voorkomen dat de problemen worden verplaatst naar aanpalende gebieden.

Schoolbesturen krijgen vanaf 2011 de verantwoordelijkheid om voor elke leerling een passend onderwijszorgaanbod te ontwikkelen op de eigen school of elders. Er wordt ingezet op preventie en zo vroeg mogelijke adequate ondersteuning wanneer er problemen zijn. Er komt een dekkende zorgstructuur in elke regio waarin alle reguliere en speciale scholen voor primair en voortgezet onderwijs participeren. Regio’s zorgen daarbij voor één loket voor de indicatiestelling. Verder moet de kwaliteit van het onderwijs aan zorgleerlingen omhoog door duidelijker te maken wat zij precies gaan leren. Hiervoor wordt het kwalificatiesysteem aangepast en worden leerlijnen ontwikkeld. Elke regio biedt daarbij elke leerling een meerjarig traject aan dat leidt tot een passende eindkwalificatie. De positie van ouders wordt versterkt, als collectief en individueel. Het netwerk met onderwijsconsulenten wordt uitgebreid. Tot slot wordt vanaf 2011 regionaal gewerkt met vaste budgetten. Daarbij worden de middelen voor het onderwijs aan zorgleerlingen gebudgetteerd. Hierdoor ontstaat maximale ruimte in de regio om maatwerk te bieden. Het rijk zorgt in elke regio voor voldoende begeleiding bij dit proces naar passend onderwijs. Voor passend onderwijs bedraagt de tranche 2008 uit de enveloppemiddelen € 20 miljoen.

• Onderwijsachterstandenbeleid

Onderwijsachterstanden bij kinderen kunnen zijn ontstaan door sociale, culturele en economische omstandigheden. Om deze achterstanden te voorkomen en te bestrijden, kunnen basisscholen hun eigen onderwijsachterstandenbeleid vormgeven met het geld dat zij op basis van de gewichtenregeling ontvangen. Deze middelen zijn opgenomen in de lumpsum. In het najaar van 2007 zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de mogelijkheden om het onderwijsachterstandenbeleid zo te versterken dat er enerzijds voldoende geld in de grote steden beschikbaar blijft en anderzijds meer geld beschikbaar komt voor een aantal plattelandsgemeenten met specifieke plattelandsproblematiek zoals een grote spreiding van doelgroepkinderen en veel lage inkomens en/of uitkeringen.

De gemeenten hebben een regierol in het onderwijsachterstandenbeleid. Met de 31 grootste gemeenten zijn in het kader van de «Brede Doeluitkering Sociaal Integratie Veiligheid» in 2006 prestatieafspraken gemaakt over voorschoolse educatie en in 2007 over schakelklassen. De overige gemeenten ontvangen hiervoor een specifieke uitkering. De eerste effecten van schakelklassen zijn voorzichtig positief beoordeeld.

In maart 2007 is begonnen met het professionaliseringstraject voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE) waarvoor in 2006 € 18 miljoen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) ter beschikking is gekomen. Eind 2008 zullen 6 500 personeelsleden uit de kinderopvang, de peuterspeelzalen en het basisonderwijs (groep 1 en 2) zijn geschoold in het geven van speciale VVE-programma’s.

Het is de bedoeling dat alle kinderen bij wie op driejarige leeftijd een taalachterstand wordt vastgesteld, deel kunnen nemen aan kwalitatief hoogwaardige VVE-programma’s, te beginnen in de probleemwijken in de vier grote steden en een aantal plattelandsgemeenten met een opeenstapeling van problemen. Bekeken wordt hoe op termijn de financiering van het peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en VVE kan worden geharmoniseerd. In beleidsartikel 24, Kinderopvang, is dit verder toegelicht. Vanuit de enveloppe is in 2008 en in 2009 € 70 miljoen beschikbaar voor voorschoolse educatie en voor vroegschoolse educatie. Van deze incidentele investeringen wordt € 16,5 miljoen respectievelijk € 28,5 miljoen als onderdeel van het accres van het Gemeentefonds ingezet. De resterende bedragen (€ 53,5 miljoen en € 41,5 miljoen) zijn toegevoegd aan beleidsartikel 1.

Met de gemeenten en de sector zullen afspraken worden gemaakt over de verdeling van deze middelen, het bereiken van de doelgroepkinderen, de kwaliteit van voorzieningen en voldoende spreiding van voorzieningen over de gemeente. Naast het bereiken van de doelgroep kunnen de middelen bijvoorbeeld ingezet worden voor een betere toeleiding naar voor- en vroegschoolse educatie, voor het uitbreiden van het aantal dagdelen dat VVE aangeboden wordt, voor meer en beter geschoold personeel en meer gebruik van kwalitatief betere VVE-pakketten.

• Veiligheid op school

OCW subsidieert het Centrum School en Veiligheid. Dit centrum informeert en adviseert onderwijsinstellingen, besturen, ouders en leerlingen over school en veiligheid. Daarnaast houdt OCW door het regelmatig laten uitvoeren van de «quick scan veiligheid» zicht op de ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid op scholen. Ook zijn er structurele middelen beschikbaar voor inzet van schoolmaatschappelijk werk in het kader van veiligheid en opvang van risicoleerlingen en plaatsen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Een actualisatie van het Plan van Aanpak Veiligheid wordt beoogd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.9 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Dekkende infrastructuur van regionale verbanden voor zorgleerlingen0%0%20%100%
Bron: CFIPeildatum: 2006Peildatum: 2006Peildatum: 2009Peildatum: 2011
2. Percentage scholen onder intensief toezicht voor speciaal basisonderwijs50%50%12%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2006Peildatum: 2006 Peildatum: 2011
3. Percentage scholen onder intensief toezicht voor (voortgezet) speciaal onderwijs60%60%12%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2006Peildatum: 2006 Peildatum: 2011
4. Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve programma68%68%70%100%
Bron: Landelijke monitor VVE, SardesPeildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2009Peildatum: 2011
5. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool0%– 21%– 30%– 40%
Bron: NWO cohortonderzoekPeildatum: 2002Peildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2011

Toelichting:

1: Het is de bedoeling dat er uiteindelijk een dekkende infrastructuur is van regionale verbanden voor zorgleerlingen.

2 en 3: Uit het Onderwijsverslag blijkt dat het percentage risicoscholen in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs veel hoger is dan in het basisonderwijs. Het streven is dat het percentage risicoscholen op een vergelijkbaar niveau komt als in het basisonderwijs. De ambities worden in overleg met het onderwijsveld vastgesteld.

4: Hier is deze indicator opgenomen voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar. In het beleidsartikel 24, Kinderopvang, staat de indicator voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar. Het is de bedoeling dat het percentage doelgroepleerlingen onder 2 t/m 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan de voor- of vroegschool, in deze kabinetsperiode groeit naar 100%. Voor de vier grote steden geldt dat deze doelstelling al in 2009 gehaald moet worden. De realiteit is dat een bereik van 100% nooit helemaal realiseerbaar is. Langdurig zieke kinderen, kinderen met een geestelijke en/of (zware) lichamelijke handicap of kinderen die door de ouders om principiële redenen thuis worden gehouden, kunnen namelijk niet deelnemen aan een programma van voor- en vroegschoolse educatie. De doelgroep bestaat uit achterstandsleerlingen op basis van de nieuwe gewichtenregeling.

5: De doelgroep bestaat uit allochtone leerlingen en autochtone achterstandsleerlingen op basis van de oude gewichtenregeling. Het doel is om de taalachterstand in de komende jaren nog verder te reduceren met 10%.

1.3.4 Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school

Motivering

De school is de centrale schakel in een keten van voorzieningen voor alle kinderen van 0 tot 12 jaar. Het is van belang dat op lokaal en op landelijk niveau samenhangend jeugdbeleid wordt gerealiseerd. Door meer samenhang te bewerkstelligen in de voorzieningen voor 0- tot 12-jarigen worden de ontwikkelingskansen van kinderen vergroot. Een sluitend, afwisselend dagprogramma bieden aan kinderen, al dan niet binnen een brede school, vergemakkelijkt de combinatie van arbeid en zorg voor de ouders van jonge kinderen. Vanaf 1 augustus 2007 zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor de aansluiting met de buitenschoolse opvang.

Samenhang draagt ook bij aan het voorkomen van achterstanden, uitval, leer- en gedragsmoeilijkheden. Verschillende voorzieningen sluiten nog onvoldoende op elkaar aan: scholen, opvang- en zorginstellingen, sport- en cultuuraanbieders en medeoverheden (gemeenten en provincies) stuiten op problemen bij het realiseren van meer samenhang in het aanbod. Sluitende dagarrangementen en combinatiefuncties kunnen hier een oplossing bieden. Het kabinet ondersteunt lokale initiatieven en stimuleert dat er meer brede scholen ontstaan.

Instrumenten

• Brede scholen

Brede scholen ontstaan vanuit lokale initiatieven. OCW steunt deze initiatieven door middel van onderzoek en verschillende activiteiten op het terrein van voorlichting en communicatie, bijvoorbeeld viawww.bredeschool.nl.

In 2007 wordt er vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) € 29 miljoen geïnvesteerd in multifunctionele accommodaties.

De komende tijd zullen initiatieven genomen worden om de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken, waar nodig te stimuleren. Vanuit de enveloppe worden hiervoor middelen beschikbaar gesteld. Tranche 2008 daarvan bedraagt € 5 miljoen, waarvan € 1,7 miljoen als onderdeel van het accres van het Gemeentefonds wordt ingezet. Er zijn ook middelen beschikbaar vanuit het voortgezet onderwijs (artikel 3), cultuur (artikel 14) en op de begroting van VWS. Aan gemeenten wordt een structurele bijdrage gevraagd voor deze impuls. Met deze gebundelde inzet van middelen is het streven het aantal combinatiefuncties in onderwijs, buitenschoolse opvang, cultuur en sport te vergroten tot het niveau van 2500 fte. De middelen zullen in eerste instantie ten goede komen aan de G31, te beginnen met de krachtwijken. Met de gemeenten zullen nadere afspraken worden gemaakt over de te bereiken resulaten.

• Dagarrangementen en combinatiefuncties

Voor de regeling Dagarrangementen en Combinatiefuncties is voor de periode 2006–2008 € 100 miljoen beschikbaar gesteld. In 2006 zijn echter veel minder aanvragen ingediend dan verwacht. Voor de periode 2007–2008 is nog € 25 miljoen beschikbaar. Met deze regeling wordt een doorlopend aanbod van opvang, onderwijs en activiteiten gestimuleerd in gemeenten en provincies. In 2008 zullen de activiteiten van dit project worden afgerond.

• Tussenschoolse opvang

Scholen zijn verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van een overblijfvoorziening. Dit wordt via de lumpsum bekostigd. Daarnaast zijn aparte financiële middelen beschikbaar voor de scholing van overblijfmedewerkers en voor voorlichting, onderzoek en communicatie.

• Buitenschoolse opvang

Alle basisscholen zijn sinds 1 augustus 2007 verplicht om aansluiting met buitenschoolse opvang georganiseerd te hebben wanneer ouders dit wensen. Voor de voorbereidingen is in 2006 en 2007 eenmalig € 50 miljoen ter beschikking gesteld aan de basisscholen. Onderzocht wordt wat de structurele kosten zijn. In het najaar van 2007 zijn de resultaten beschikbaar van de eerste meting. In september 2008 volgt de eindrapportage.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.10 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Aantal brede scholen6006509001 200
Bron: Jaarbericht brede scholen in NederlandPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2008Peildatum: 2011
2. Het aantal combinatiefuncties in fte in en om de brede school2 500
Bron: in ontwikkeling   Peildatum: 2011
3. Aantal geschoolde overblijfmedewerkers tussenschoolse opvang per schooljaar7 1677 1675 0005 000
Bron: CFIPeildatum: 2006Peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008
4. Percentage scholen dat buitenschoolse opvang laat organiseren voor ouders die dit wensen.29%100%100%
Bron: Rapport kinderopvang van acht tot half zeven? Een onderzoek onder basisschooldirecteuren, november 2005 / monitorimplementatie wetswijziging bsoPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008

Toelichting

1: Het kabinet ondersteunt de gemeentelijke ambitie om in 2010 1200 brede scholen te hebben.

2: Deze indicator betreft het aantal combinatiefuncties. Dit zijn functies voor professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in of ten behoeve van meerdere sectoren. Het betreft met name het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, de buitenschoolse opvang en de cultuur- en sportorganisaties. Deze indicator wordt verder ontwikkeld met VWS en de sector. Er worden nog afspraken gemaakt over hoe het aantal wordt gemeten en gemonitord.

3: Onderzoek van Research voor Beleid (bijlage bij brief van 19 oktober 2004, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 17) geeft aan dat gebruik van de «regeling scholing overblijfmedewerkers» (Staatscourant 9 mei 2007, nr. 89) bijdraagt aan de deskundigheidsbevordering van overblijfmedewerkers en daarmee aan de verbetering van de kwaliteit van tussenschoolse opvang (Research voor Beleid, 2004: Evaluatie van de subsidieregelingen scholing overblijfkrachten 2002, 2003). Het aantal medewerkers dat is geschoold, geeft aan in hoeverre er gebruik is gemaakt van de regeling. De streefwaarde is gebaseerd op de beschikbare middelen die voor dit doel bestemd zijn.

4: Het genoemde startpercentage is afkomstig van onderzoek onder 251 directeuren eind 2005 (Tweede Kamer, 2005–2006, 30 300 VIII en 30 000, nr. 137). Voor 2006 zijn geen exacte cijfers bekend. Na de wetswijziging waarmee basisscholen verantwoordelijk zijn voor het organiseren van een voorziening voor buitenschoolse opvang moet 100% van de scholen hieraan voldoen. De verplichting is ingegaan per 1 augustus 2007.

1.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 1.11
 OnderzoekOnderwerpNr. operationele doelstellingA. StartB AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingInnovatieen kwaliteitszorg2B. 2008–2009 
 Institutionele context van scholen3B. 2008–2009 
Effectenonderzoek ex postSchakelklassen3A. 2005 
   B. 2009 
 Brede scholen4B. 2008 
 Zeer zwakke scholen2B. 2007 
 Aanname- en plaatsingsbeleid rugzakleerlingen3B. 2007www .iva.nl
 Invloed ouders op onderwijs rugzakleerlingen3B. 2007www. sco-kohnstamminstuut.uva.nl
 Tussenschoolse opvang4B. 2007 
Overig evaluatieonderzoekHerziening PF/VF1A. 2007 
 Leerlingstromen PO1B. 2008 
 Lump sum1A. 2007B. 2010 
 Materiële bekostiging1B. 2008 
 Onderwijshuisvesting1B. 2008 
 Beleidsvoerend vermogenbasisscholen1B. 2008 
 Kwaliteit en vertrouwen: Onderzoek naar outputsturing in basisscholen. 1B. 2007www. its-nijmegen.nl
 Convenantsponsoring1B. 2008 
 Begrijpend lezen (PIRLS)2B. 2007–08 
 Interne en externe kwaliteitszorg2B. 2007 
 Professionalisering2B. 2007www. its-nijmegen.nl
 Netwerken van scholen en leraren voor innovatie2B. 2008 
 Monitorsamenhangende voorzieningen3, 4B. 2008–09 
 Analytische evaluatie herziening zorg PO en VO3B. 2007www. sco-kohnstamminstuut.uva.nl
 Voor- en vroegschoolse programma’s3B. 2008 
 Competenties leraren voor zorg- en achterstandsleerlingen3B. 2007www. its-nijmegen.nl
 Rol ouders WSNS3B. 2007 
 Onderwijspositie Molukse leerlingen3B. 2007 
 Veiligheid PO en VO3B. 2008 
 Succesvolle aanpakken hoogbegaafde leerlingen PO/VO3B. 2007www. its-nijmegen.nl
 Review verhouding regulier en speciaal (basis) onderwijs3B. 2008 
 Monitor buitenschoolse opvang4B. 2008 
 Administratieve lasten en taken buitenschoolse opvang4B. 2008 

ARTIKEL 3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene doelstelling: het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het best past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Omschrijving

Alle leerlingen doorlopen in de periode waarin ze van 12-jarig kind opgroeien tot jong-volwassene van 16 à 19 jaar, het voortgezet onderwijs. Daarin worden 900 000 leerlingen toegeleid naar en gekwalificeerd voor een voor hen passende vervolg- en/of beroepsopleiding. Het voortgezet onderwijs biedt de leerlingen daarvoor verschillende leerroutes aan (van vwo tot praktijkonderwijs) en heeft de taak hen naar een diploma te leiden dat past bij hun talenten en wensen. Dat vraagt niet alleen bijzondere aandacht voor leerlingen met gedrags- en opvoedingsproblemen, maar zeker ook voor leerlingen met speciale talenten of leerlingen die in meer algemene zin uitblinken. Daarnaast heeft het voortgezet onderwijs de taak om kwalitatief goed onderwijs te waarborgen. Scholen worden in de komende periode gestimuleerd om leerlingen te laten excelleren op het gebied van algemene ontwikkeling en cognitief talent. De school biedt een unieke mogelijkheid om leerlingen op verschillende manieren te laten kennismaken met maatschappelijke ontwikkelingen. De beoogde maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs staat nadrukkelijk in dat perspectief.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is er verantwoordelijk voor dat het onderwijsstelsel zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De middelen die hem ter beschikking staan zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen ten aanzien van goed bestuur.

Externe factoren

Het onderwijs ter plaatse wordt mede bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijv. jeugdzorg), andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting op de arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 3.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs71,9%75,6%85%
Bron: Eurostat, LissabondoelstellingPeildatum: 2000Peildatum: 2005Peildatum: 2010
2. Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden9,6%11,5%9%
Bron: PISA, LissabondoelstellingPeildatum: 2000Peildatum: 2003Peildatum: 2010
3. Het percentage vsv’ers van de totale bevolking 18–24 jaar15,5%12,9%8%
Bron: Eurostat, LissabondoelstellingPeildatum: 2000Peildatum: 2006Peildatum: 2010
4. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de school van hun kind7,37,57,5
Bron: OCW, OnderwijsmeterPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2008
5. Percentage leerlingen in het derde leerjaar vo dat een hoger advies had van de basisschool (afstroom)11,5%11,4%Lager
Bron: Inspectie van het onderwijs, Aansluiting vo op het poPeildatum: 2004Peildatum: 2005 
6. Percentage vo-scholen met voldoende opbrengsten ten opzichte van het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingpopulatie mag worden verwacht84,7%81,8%Zie toelichting
Bron: Inspectie van het onderwijs, OnderwijsverslagPeildatum: 2004Peildatum: 2006 

Toelichting:

1: De streefwaarde van 85% van de 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs is een Europese afspraak waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd. Gegeven de trend van de afgelopen jaren zal het lastig zijn de streefwaarde al in 2010 te halen. Het behalen van een startkwalificatie (hoger secundair onderwijs) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4). In 2006 heeft 89% van de leerlingen in het hoogste leerjaar van het havo/vwo, het diploma havo/vwo gehaald.

2: De stijging van 2003 ten opzichte van 2000 heeft een statistische reden: door de invoering van het vmbo zijn leerlingen, die voorheen in het speciaal onderwijs zaten, in 2000 niet meegerekend in het onderzoek en vanaf 2003 wel. Het percentage dat er voor 2000 staat, is daarom te laag.

3: Het onderwijsbeleid is erop gericht de aantallen voortijdig schoolverlaters te reduceren. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen in het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4). In 2006 heeft 13% van de voortijdig schoolverlaters uit het vmbo wel een diploma, maar stroomt niet door in het vervolgonderwijs. Een vmbo-gediplomeerde heeft nog geen startkwalificatie.

4: Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid met de school van hun kind. In 2006 is het rapportcijfer 7,5. Het is de ambitie om dit cijfer in de toekomst op z’n minst te behouden. Daarbij zal het toekomstige realisatiecijfer overigens niet alleen beïnvloed worden door het departementale beleid, maar ook door factoren waar het departement minder direct invloed op kan en wil uitoefenen.

5: Nederland heeft als doelstelling dat op termijn (in 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Om dit te bereiken, is het gewenst dat meer leerlingen in het primair onderwijs een hoger prestatieniveau bereiken en dat zij dat niveau ook vasthouden in het voortgezet onderwijs.

6: Deze maatstaf van toegevoegde waarde wordt door de inspectie bepaald door te kijken of de gemiddelde prestaties van de school over een reeks van drie jaren op, onder of boven het niveau liggen dat op grond van sociaal economische status en etniciteit van de leerlingen verwacht kan worden. Bij deze relatieve normering zullen altijd scholen zijn waarvan de resultaten onder, dan wel boven het verwachte niveau liggen. Een streefwaarde koppelen aan een relatieve norm is weinig zinvol. Omdat met deze indicator wel een goed zicht ontstaat op de scholen die langdurig zeer zwakke of juist zeer goede opbrengsten hebben, nemen we deze op als kengetal. Wij zullen onderzoeken of het mogelijk en zinvol is om in de toekomst een absolute maatstaf van de toegevoegde waarde van het onderwijsstelsel te ontwikkelen.

Mate van succes in het eerste jaar van het vervolgonderwijs: in 2007 is een start gemaakt met het onderzoek naar de mate van succes in het eerste jaar van het vervolgonderwijs. Dit gegeven geeft de kwaliteit van het voorbereidend onderwijs weer. De resultaten van het onderzoek worden in de begroting 2010 verwerkt.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen5 964 6516 023 6175 989 3296 060 2265 990 1185 915 0515 932 429
Totale uitgaven5 735 2566 056 5096 022 2066 091 7186 021 5545 945 7335 963 346
        
Programma-uitgaven:5 729 5416 051 1826 017 3756 086 8866 016 6225 940 8005 958 413
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs5 666 7885 965 7395 942 8826 027 5835 960 9685 885 9285 903 886
• Personele en materiële bekostiging5 594 5705 890 5295 746 4535 630 6555 598 8755 568 4975 586 504
• Efficiency in het onderwijs (FES)– 3 7506 2502 500
• Onderwijsverzorging en projecten72 21871 46068 93868 74467 77868 06668 066
• Gratis schoolboeken90 000295 000265 000220 000220 000
• Belangenbeht.dienstverl. ICT(po,vo,be)0*0*31 24130 68429 31529 36529 316
        
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit14 11921 45623 29823 12622 80922 85922 809
• Kwaliteitsprojecten via VO-Raad5 2146 8426 9396 7676 4506 5006 450
• Kwaliteitsbeleid vo8 90514 61416 35916 35916 35916 35916 359
        
Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften013 75017 2403 490990990990
• Uitbreiding zorgstructuur naar havo/vwo990990990990990
• Deltaplan bèta en techniek (FES)10 00010 000
• Doeltreffendheid hoogbegaafde leerlingen (FES)3 7506 2502 500
        
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn23 07623 3672 2032 2561 7801 7801 780
• Onderbouw2 7332 1381 3661 8011 5001 5001 500
• Bovenbouw: tweede fase havo/vwo + doorontw vmbo2601 229837455280280280
• Doorontwikkeling vmbo t.b.v. betere voorber. vervolgonderwijs20 08320 000
        
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden008 4858 4858 4858 4858 485
• Maatschappelijke stage4 9854 9854 9854 9854 985
• Brede school3 5003 5003 5003 5003 500
        
Programmakosten overig25 55826 87023 26721 94621 59020 75820 463
• Uitvoeringsorganisatie IBG15 14718 20814 64213 23912 88412 05211 758
• Uitvoeringsorganisatie CFI10 4118 6628 6258 7078 7068 7068 705
Apparaatsuitgaven:5 7155 3274 8314 8324 9324 9334 933
Ontvangsten99 675132 34673 74055 19049 1371 3611 361

* In 2006 en 2007 zijn deze posten onderdeel van beleidsterrein ICT (artikel 10). Met ingang van 2008 zijn deze posten in de begroting van dit artikel verwerkt.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor het voorgezet onderwijs enveloppemiddelen gereserveerd die oplopen van € 130 miljoen in 2008 tot indicatief € 476 miljoen in 2011. Met uitzondering van de middelen bestemd voor de schoolboeken is vanaf 2009 de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Met de oploop van de enveloppemiddelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Uitbreiding eerstelijns zorgvoorziening naar havo/vwo;

• Kwaliteit onderwijs VO;

• Lerarenbeleid VO. Betreffende middelen maken een onderdeel uit van de enveloppe maatregelen bij artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid;

• Schoolboeken;

• Maatschappelijke stage, oplopend van € 5 miljoen in 2008 tot indicatief € 100 miljoen in 2011 en 2012 en voor de tussenliggende jaren indicatief € 25 miljoen in 2009 en € 50 miljoen in 2010.

Tabel 3.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)5 994 1086 064 9405 995 0325 920 0425 937 950
Totaal juridisch verplicht5 759 1975 639 0985 605 2195 573 6055 590 131
Totaal bestuurlijk gebonden234 724425 473389 459346 082347 464
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden187369354355355
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs5 942 8826 027 5835 960 9685 885 9285 903 886
• Juridisch verplicht5 759 1975 639 0985 605 2195 573 6055 590 131
• Bestuurlijk gebonden183 498388 116355 395311 968313 400
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden187369354355355
      
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit23 29823 12622 80922 85922 809
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden23 29823 12622 80922 85922 809
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften17 2403 490990990990
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden17 2403 490990990990
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn2 2032 2561 7801 7801 780
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden2 2032 2561 7801 7801 780
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden8 4858 4858 4858 4858 485
• juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden8 4858 4858 4858 4858 485
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

3.3 Operationele doelstellingen

3.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs

Motivering

De school krijgt de ruimte om zelf invulling te geven aan de manier waarop voor haar doelgroep leerlingen het meest effectief geleerd wordt (het hoe). De centrale overheid legt op hoofdlijnen vast wát geleerd moet worden. Het voortgezet onderwijs kent al 10 jaar de lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Deze bekostigingswijze garandeert de scholen een grote mate van vrijheid in de bestedingen.

Instrumenten

• Personele en materiële bekostiging

Voor de leerlingen ontvangen de scholen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de scholen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en te voorzien in kosten van de materiële instandhouding, zoals onderhoud van het gebouw, inventaris en leermiddelen, energiekosten, ICT-voorzieningen en schoonmaak.

• Leren door te experimenteren in het onderwijs: Efficiency in het onderwijs (FES)

Met het FES-project Leren door te experimenteren worden experimenten gestart om meer «evidence-based» kennis (wat werkt wel, wat werkt niet) te verwerven over effectief en efficiënt onderwijs. De experimenten bestrijken de thema’s 1) efficiency en 2) hoogbegaafdheid (zie operationele doelstelling 3.3.2) en zijn in beginsel gericht op het funderend onderwijs. Ten aanzien van efficiency in het onderwijs zal worden aangesloten bij de prioriteiten uit de beleidsagenda van het kabinet. Medio 2007 is gestart met een experiment naar het gebruik van ICT in het onderwijs in relatie tot de werkdruk van leraren. Eind 2007, begin 2008 zal er een oproep worden gedaan aan het veld en de wetenschap om experiment-voorstellen in te dienen. Deze zullen door het Centraal Planbureau worden beoordeeld.

• Gratis schoolboeken

Met ingang van het schooljaar 2008–2009 zal gestart worden met de geleidelijke invoering van de gratis schoolboeken. In 2007–2008 zal, ter voorbereiding van de invoering, een ronde tafel conferentie worden gehouden met alle betrokken partijen. Nagegaan wordt in hoeverre, gebruikmakend van de ICT-mogelijkheden, de kwaliteit van het lesmateriaal nog beter kan worden.

• Onderwijsverzorging en projecten

De SLOA-middelen (middelen die ter beschikking worden gesteld op grond van de wet Subsidiering Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten) worden deels overgedragen van OCW naar de VO-Raad. De SLOA-instellingen (instellingen die scholen ondersteunen bij de vormgeving van hun onderwijs) zullen daarom meer uit moeten gaan van de (expliciete) vraag van scholen/sector. Het proces van gedeeltelijke reallocatie van middelen in de richting van de sectororganisatie zal in 2009 starten en in 2013 afgerond zijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006,30 300 VIII, nr. 8). Medio 2007 dienen de SLOA-instellingen de subsidieverzoeken 2008 voor hun projecten in, op basis van de Hoofdlijnenbrief 2008–2009. De subsidieverzoeken krijgen meer een «Research & Development»-karakter.

• Belangenbehartiging en dienstverlening op het gebied van ICT voor de sectoren po, vo en bve (ICT)

OCW ondersteunt scholen bij het integreren van ICT in het onderwijs. Bovenschoolse en bovensectorale ondersteuning, waar alle scholen iets aan hebben, ontlast scholen bij het verwezenlijken van hun ICT-ambitie. De uitvoering vindt plaats door de stichting Kennisnet ICT op school. Op basis van het jaarlijkse activiteitenplan subsidieert OCW de ICT-ondersteuningsfunctie van de stichting Kennisnet ICT op school. Aanvullend gefinancierd worden: a) het actieplan 2006–2008 «Verbonden met ICT», b) het Innovatieprogramma van Surf en Kennisnet waarin wordt geïnvesteerd in kennis om innovatieve voorzieningen voor leerlingen en docenten in de gehele onderwijskolom te realiseren en c) het interdepartementale programma Maatschappelijke Sectoren en ICT.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1.  Verwachte slaagkans, in procenten van de instroom in de onderwijssector78%82%handhaving hoge percentage
Bron: CFIPeildatum: 2001Peildatum: 2005 
Tabel 3.5: diverse kerncijfers voortgezet onderwijs
 2006200720082009201020112012
1. Totaal aantal ingeschreven leerlingen (*)906 100903 400892 600886 000880 800882 400888 200
  Nader te verdelen in:       
  1a. vmbo, incl. lwoo418 600411 900402 800397 800393 200392 400394 600
  1b. havo223 500225 400224 500223 700223 000223 200224 000
  1c. vwo236 700239 600239 700239 600239 700241 300243 300
  1d. pro27 30026 50025 60024 90024 90025 40026 300
2. Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x € 1)6 2866 6566 6586 7896 7516 7076 684
3. Totaal aantal scholen652647645645645645645
4. Gemiddeld aantal leerlingen per school1 3901 3961 3841 3741 3661 3681 377

* Op de teldatum. T.b.v. de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld.

Toelichting:

1 (tabel 3.4): Van de leerlingen die jaarlijks in het voortgezet onderwijs instromen, behaalt naar verwachting uiteindelijk rond de 80% een diploma. Het streven is het hoge percentage gediplomeerden op z’n minst te handhaven.

3 en 4 (tabel 3.5): Een school bestaat uit meerdere vestigingen. Het aantal vestigingen is ruim het dubbele van het aantal scholen naar BRIN-nummers. Het gemiddeld aantal leerlingen per vestiging is derhalve veel lager dan het aantal leerlingen per school.

Onderwijstijd: op 1 augustus 2006 zijn de wettelijke normen voor onderwijstijd gewijzigd. Sinds schooljaar 2006–2007 vindt daarom een verscherpt toezicht- en handhavingsbeleid plaats op de naleving van de normen. Dit is niet eerder stelselmatig gedaan, zodat er geen goede gegevens beschikbaar zijn over de naleving van de urennormen vóór 1 augustus 2006. Medio 2007 heeft de Inspectie een representatieve groep van 76 scholen van het voortgezet onderwijs bezocht om de naleving van de urennormen te controleren. Op basis van dit onderzoek zal duidelijk worden hoeveel scholen aan de wettelijke normen voor onderwijstijd voldoen. (Bij het ter perse gaan van de begroting zijn de uitkomsten van het Inspectieonderzoek nog niet beschikbaar.)

3.3.2 Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

De kwaliteit van het voortgezet onderwijs staat hoog in het vaandel. Bijzondere aandacht is nodig voor de basiskennis en -vaardigheden op het gebied van rekenen en taal (grammatica en begrijpend lezen). Verder is, voor kwaliteitsverbetering van het onderwijs, een voortdurende dialoog tussen (het bevoegde gezag van) scholen en hun omgeving, directe belanghebbenden als ouders, leerlingen, vervolgonderwijs en bedrijfsleven een essentiële randvoorwaarde.

Instrumenten

• Kwaliteitsprojecten via de VO-Raad

Kwaliteitsverbetering is een verantwoordelijkheid van de school. Daar waar landelijke impulsen nodig zijn, kunnen die gegeven worden door de vereniging van de scholen in het voortgezet onderwijs, de VO-Raad. Deze organisatie voert op landelijk niveau een strategie die de hierboven beschreven beweging op schoolniveau ondersteunt en versterkt. OCW verleent – op basis van een jaarlijks activiteitenplan van de VO-Raad – financiële ondersteuning aan die strategie. Daarbij geldt als belangrijke voorwaarde dat dit plan maatschappelijk (door belanghebbenden bij goed voortgezet onderwijs) en wetenschappelijk gelegitimeerd is.

• Kwaliteit vo

Daarnaast is het van belang dat leerlingen een gedegen algemene ontwikkeling verwerven en dat zij de kernvaardigheden rekenen en taal en andere intellectuele basisvaardigheden uitstekend beheersen. In de komende periode wordt daarom geïnvesteerd voor een «Impuls inhoudelijke kwaliteit voortgezet onderwijs» (in 2008 € 2,7 miljoen). Hiermee worden diverse maatregelen getroffen die erop zijn gericht de inhoudelijke kwaliteit van het voortgezet onderwijs («wat leren leerlingen») te verbeteren en de plek van basiskennis en basisvaardigheden in het curriculum te versterken. Daarbij is bijzondere aandacht voor basiskennis en basisvaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Op 9 mei 2007 is de Expertgroep Doorlopende leerlijnen Rekenen en Taal geïnstalleerd. Deze expertgroep zal adviseren over een betere aansluiting van de niveaus reken- en taalvaardigheid in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs naar een vervolgopleiding. Eind december 2007 komt de expertgroep, in de vorm van referentieniveaus voor rekenen en taal, met aanbevelingen hoe de aansluiting in de praktijk te realiseren. Deze worden in 2007 ontwikkeld door de Expertgroep Rekenen en Taal. Vanaf 2008 vindt de implementatie van deze aanbevelingen plaats.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.6 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk kwaliteitszorg30,7%31,4%hoger
Bron: Inspectie van het onderwijs, OnderwijsverslagPeildatum: 2005Peildatum: 2006 
2. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk didactisch handelen90,5%92,4%handhaving hoge percentage
Bron: OCW, Bestel in BeeldPeildatum: 2005Peildatum: 2006 
3. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind77,17,1
Bron: OCW, OnderwijsmeterPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2008

Toelichting:

1: Met stapsgewijze aanpak is de ambitie er op gericht om uiteindelijk het overgrote deel van de scholen een voldoende te laten scoren op kwaliteitszorg volgens de normen van de inspectie.

2: De meeste leraren beschikken over voldoende didactische kwaliteiten. Het streven is om de kwaliteit van didactisch handelen hoog te houden.

3: Ouders worden jaarlijks gevraagd een rapportcijfer te geven voor de kwaliteit van de leraren. Het streven is om in de toekomst de huidige waardering op z’n minst te handhaven.

3.3.3 Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Eén van de grote uitdagingen waarvoor het voortgezet onderwijs de komende periode staat is de leerling kennen, volgen en hem passend onderwijs bieden. Het voortgezet onderwijs heeft als taak om ondersteuning te bieden voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, voor leerlingen met speciale talenten én voor leerlingen die in meer algemene zin uitblinken. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, wordt in de beleidsuitvoering nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van het programmaministerie van Jeugd en Gezin.

Instrumenten

• Uitbreiding regionale zorgverbanden havo/vwo

Voor zorgleerlingen die op het havo/vwo zitten, bestaat op dit moment geen eerstelijns voorziening, die nu nog uitsluitend op het vmbo en praktijkonderwijs zijn gericht. Lange tijd is gedacht dat extra zorg voor de havo/vwo leerlingen niet nodig is. Dat blijkt niet zo te zijn. Hierdoor bestaat er een kans dat deze leerlingen uitstromen, dan wel afstromen (d.w.z. doorstromen naar een lager niveau). Met een eerstelijns voorziening zou dit kunnen worden voorkomen. Een eerstelijnsvoorziening in havo/vwo betekent dat de taken van de samenwerkingsverbanden vo worden uitgebreid met de zorgstructuur voor havo/vwo-leerlingen. Hiervoor wordt het regionale zorgbudget opgehoogd.

• Deltaplan bèta en techniek (FES)

Meer leerlingen worden gemotiveerd en in staat gesteld om een vervolgstudie in bèta en techniek te kiezen en af te ronden door het onderwijs meer uitdagend en stimulerend te maken. In het Deltaplan Bèta en Techniek (Tweede Kamer 2003–2004,29 200 VIII, nr.140) is de intentie neergelegd om het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs met een bèta/technische opleiding te verhogen met 15% per 2010, en aldus uitvoering te geven aan de in Lissabon gemaakte afspraken in EU-verband. Het in gang gezette beleid heeft betrekking op de gehele onderwijsketen van het primair onderwijs t/m het hoger onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs zijn, in dit kader, de programma’s Universum (havo/vwo) en Ambitie (vmbo) opgezet. Een aanvullende actie in 2007 en 2008 is het beschikbaar stellen van aanvullende bekostiging uit de FES-middelen voor de inrichting en kleine bouwkundige aanpassingen van lokalen voor de bètavakken op havo en vwo. De behoefte aan het verbeteren van deze voorzieningen en de omvang van de hiermee gemoeide middelen is in kaart gebracht (EB Management: Bouwen aan beter bèta, Driebergen, 2006). Scholen kunnen deze middelen aanvragen op basis van de Regeling aanvullende bekostiging lokalen bètavakken havo/vwo (Staatscourant 30 maart 2007, nr. 64).

• Leren door te experimenteren in het onderwijs: doeltreffendheid hoogbegaafde kinderen (FES)

Subsidie wordt beschikbaar gesteld voor het (laten) uitvoeren van experimenten in de voorschoolse sector, het basis- en voortgezet onderwijs naar de effectiviteit van maatregelen voor de signalering en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Dit is nodig om te voorkomen dat leerlingen met specifieke begaafdheden en talenten afstromen naar een lagere vorm van onderwijs of dat hun specifieke talenten niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen. De experimenten kunnen worden gedaan door scholen of samenwerkingsverbanden tussen scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen, alsook door experts op het gebied van hoogbegaafdheid.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.7 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1.  Percentage uitval havo/vwo4%5%4%
Bron: OCW, Kerncijfers 2002–2006Peildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2008

Toelichting:

1: Het streven is om te voorkomen dat uitval bij havo/vwo-leerlingen verder zal stijgen.

Bèta en techniek: In EU-verband is de intentie neergelegd om het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs met een bèta/technische opleiding te verhogen met 15% per 2010. Om uitvoering te geven aan dit streven, heeft het voortgezet onderwijs de programma’s Universum en Ambitie opgezet. Het onderzoek naar de uitkomsten van deze programma’s is in 2010 beschikbaar.

3.3.4 Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn

Motivering

Een goede aansluiting tussen en binnen de onderwijsfases en schoolsoorten is om verschillende redenen van belang. Zo leren leerlingen daadwerkelijk wat zij nodig hebben voor persoonlijk, beroepsmatig en maatschappelijk functioneren en voor vervolgonderwijs. Talenten worden beter benut en uitval wordt voorkomen. De beschikbare onderwijstijd wordt efficiënter en effectiever benut doordat hiaten en ongewenste dubbelingen in de leerlijn worden voorkomen. Op stelselniveau worden waarborgen geboden om aansluiting en doorlopende leerlijnen te bevorderen, aangezien scholen een grote mate van autonomie hebben.

Instrumenten

• Onderbouw

Met de regeling onderbouw vo (Tweede Kamer, 2005–2006,30 323, nrs. 2 en 3) wordt aan scholen sinds 1 augustus 2006 meer ruimte geboden voor variëteit en voor professionaliteit van het onderwijspersoneel. De kerndoelen beschrijven de voor alle leerlingen verplichte leerstof. Scholen en leraren kunnen deze kerndoelen op grond van hun eigen professionele afwegingen in concrete onderwijsprogramma’s uitwerken op de manier(en) die passen bij de leerstof, de leerlingen en de school. De eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs moeten daarbij dusdanig worden ingevuld, dat leerlingen in beginsel alle sectoren respectievelijk profielen nog kunnen kiezen als zij instromen in het derde leerjaar vmbo of het vierde leerjaar havo/vwo. Hiernaast spreekt de regeling zich uit over een aantal andere kwaliteitscriteria, zoals met betrekking tot onderwijstijd, de inzet van onderwijspersoneel en de rol van de medezeggenschap bij de invulling van de beleidsruimte. De doelstelling is dat scholen optimaal gebruik maken van de vergrote beleidsruimte om zodoende maatwerk te bieden voor leerlingen.

• Bovenbouw: tweede fase havo/vwo en doorontwikkeling vmbo

Eindtermen voor vmbo, havo en vwo beschrijven wat leerlingen per leerroute moeten leren. Per 1 augustus 2007 is de nieuwe regelgeving met betrekking tot de tweede fase van kracht. Hiermee wordt scholen meer ruimte geboden om onderwijsprogramma’s op maat te realiseren. Ook het vmbo wordt in de gelegenheid gesteld zich verder te ontwikkelen, zowel programmatisch als in termen van aansluiting op en samenwerking met het mbo.

• Doorontwikkeling vmbo ten behoeve van betere voorbereiding op vervolgonderwijs

Via de regeling «doorontwikkeling vmbo» zijn in 2005, 2006 en 2007 middelen beschikbaar gesteld waarmee de scholen de moderniseringsslag, de regionale samenwerking en de afstemming met de kwalificatiestructuur kunnen operationaliseren. In het kader van het verbeteren van de overgang van vmbo en mbo is het van belang loopbaan en beroepsoriëntatie (LOB) op scholen te versterken. In 2008 worden er door OCW (in overleg met de VO-Raad) activiteiten ondernomen dan wel intensiveringen gedaan om scholen te stimuleren hier meer aandacht aan te besteden. Zo worden specifieke activiteiten op het terrein van leerbaanbegeleiding en beroepsoriëntatie bekostigd. Ruimte voor regionale programmering onder voorwaarde van samenwerking vmbo-mbo en het bedrijfsleven zal (afhankelijk van het advies van de adviesgroep vmbo) verleend worden per 1 augustus 2008. De laatste analyses worden in 2007 afgerond. Vanuit de platforms leraren beroepsgerichte vakken wordt ondersteuning verleend bij de aansluiting vmbo-mbo.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.8 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Gediplomeerden naar bestemming: overgang vmbo naar mbo83,3%77,4%80 – 85%
Bron: OCW, Kerncijfers 2002–2006Peildatum: 2004Peildatum: 2005Peildatum: 2011
2. Gediplomeerden naar bestemming: overgang vmbo naar havo6,6%7,4%5–10%
Bron: OCW, Kerncijfers 2002–2006Peildatum: 2004Peildatum: 2005Peildatum: 2011
Vmbo doorstroomtotaal89,9%84,8%90%
3. Gediplomeerden naar bestemming overgang havo/vwo naar ho84,3%86,2%85–90%
Bron: OCW, Kerncijfers 2002–2006Peildatum: 2004Peildatum: 2005Peildatum: 2011
4. Gediplomeerden naar bestemming: overgang havo/vwo naar mbo2,8%1,8%0–5%
Bron: OCW, Kerncijfers 2002–2006Peildatum: 2004Peildatum: 2005Peildatum: 2011
Havo/vwo doorstroomtotaal87,1%88%90%

Toelichting:

1 t/m 4: Daarnaast is het streven om zo min mogelijk leerlingen te laten afstromen of voortijdig te laten uitstromen. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen in artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).

3.3.5 Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden

Motivering

Leerlingen halen niet alleen een diploma: daarnaast ontwikkelen ze zich ook tot volwassen en zelfstandige mensen. De leefomgeving en de ervaringen die kinderen daarin op doen zijn mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden.

Instrumenten

• Maatschappelijke stage

De maatschappelijke stage biedt jongeren de gelegenheid om tijdens hun middelbare schooltijd kennis te laten maken met en bij te dragen aan de samenleving. Doel van de stage is maatschappelijke betrokkenheid, sociale integratie en het besef van waarden en normen te vergroten, actief burgerschap en het nemen van verantwoordelijkheid voor de samenleving te stimuleren. Uit de ervaringen van de 481 scholen die de afgelopen schooljaren een maatschappelijke stage hebben aangeboden, blijkt daarnaast dat maatschappelijke stages voor jongeren een motiverende leeromgeving zijn. De komende vier jaar (vanaf 2008) wordt toegewerkt naar een situatie waarbij alle vo-leerlingen gedurende hun schoolloopbaan een maatschappelijke stage volgen. De Kamer ontvangt in oktober/november 2007 een plan van aanpak maatschappelijke stage.

• Brede scholen

Brede scholen ontstaan vanuit lokale initiatieven. Binnen een Brede vo-school leggen de scholen verbindingen met ondermeer sport- en cultuurinstellingen om de ontwikkelkansen van kinderen te vergroten. De komende tijd zullen initiatieven genomen worden om de ontwikkeling van brede scholen te stimuleren. Er is speciale aandacht voor de 40 WWI-wijken. Op dit artikel is € 3,5 miljoen beschikbaar, die samen ingezet zullen worden met het primair onderwijs (artikel 1), beleidsterrein Cultuur (artikel 14) en Sport (VWS). Deze middelen worden ingezet via de gemeenten om te komen tot 2500 combinatiefuncties in 2011. Dit betreft functies voor professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in of ten behoeve van meerdere sectoren. Hierdoor kan de samenwerking tot stand komen met de instanties rondom de school. In de loop van de tijd kunnen steeds (structurele) middelen worden toegekend voor functies om inhoudelijke verbindingen te leggen en activiteiten te ontplooien.

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 3.9 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Percentages van alle vo-scholen dat maatschappelijke stage aan hun leerlingen aanbiedt060%> 75%
Bron: n.t.b.Peildatum: 2004Peildatum: 2006Peildatum: 2008
2. Aantal brede vo-scholen260390460
Bron: Jaarbericht brede scholen in NederlandPeildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2009

Toelichting:

Het streven is dat alle leerlingen die vanaf schooljaar 2007–2008 instromen in het voortgezet onderwijs op een bepaald moment in hun schoolloopbaan een maatschappelijke stage volgen. In 2008 wordt gestart met een gefaseerde invoer. In het overzicht onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid (tabel 3.10) is het onderzoek naar de effecten van de maatschappelijke stage opgenomen.

3.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 3.10 
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting1. VakantiespreidingOD 3.3.5A 2006B 2006Regioplan
 2. Evaluatie onderbouw en tweede faseOD 3.3.4A. 2007B. 2011GION
Effectenonderzoek ex post3. Evaluatie effecten praktijklokalenOD 3.3.1A. 2007B. 2009EB management en CFI
 4. Evaluatie experiment naar het gebruik van ICT in het onderwijs in relatie tot de werkdruk van lerarenOD 3.3.1A 2007B 2008Kennisnet ICT op school
 5. Onderzoek effecten innovatiesOD 3.3.2A. mrt 2007B. dec 2007RISBO
 6. Evaluatie effecten leerplusarrangementOD 3.3.3A. 2007B. 2008, daarna vervolgRegioplan
 7. Effecten nieuwe indicatieprocedure zorgleerlingenOD 3.3.3A 2007B 2008EIM
 8. Evaluatie experiment hoogbegaafdheidOD 3.3.3A. 2007B. 2010CPS
 9. Onderzoek naar effecten maatschappelijke stageOD 3.3.5A 2006B 2007Bureau Onderweg
Overig evaluatieonderzoek10. PISA onderzoek naar rekenen, taal, scienceAD 3.1A. 2000B. 2015OECD
 11. COOL cohortonderzoekAD 3.1A. 2007B. 2015NWO GION/CITO
 12. Indicators teaching and learningAD 3.1A 2005B 2007U Twente
 13. Aansluiting vo – ho enquête 1e jaars studentenAD 3.12 jaarlijksIOWO
 14. Succes in 1e jaar vervolgonderwijsAD 3.1A 2007B 2009ROA
 15. Toereikendheid materiële bekostigingOD 3.3.1A 2006B 2007Twijnstra en Gudde
 16. Onderzoek nieuwe lerenOD 3.3.1A. 2006B. 2007SCO
 17. ICT in het onderwijs: Monitor «4 in balans»OD 3.3.1A. 2007B. 2008Kennisnet
 18. IEA onderzoek TIMSS advanced (int vgl beste bèta leerlingen)OD 3.3.2A 2007B 2009UT Twente
 19. Universum Programma: monitoring & auditingOD 3.3.3A. 2008B. 2010Platform bèta/techniek,
 20. Internationale leerwegenOD 3.3.3A/B 2007SLO
 21. Doorontwikkeling vmbo en mboOD 3.3.4A. aug 2007B. aug 2009Max Goothe
 22. Betere doorstroom naar geëigend niveauOD 3.3.4A. sep 2007 en sep 2008B. jun 2008 en jun 2009Evaluatie via CINOP
 23. ScholierenonderzoekOD 3.3.4 en 3.3.52 jaarlijksRegioplan
 24. IEA Onderzoek naar burgerschapOD 3.3.5A. 2007B. 2010IEA GION/EP

Toelichting:

2: In 2007 is een groot evaluatieonderzoek gestart naar de uitwerking van de nieuwe wet- en regelgeving voor de onderbouw (regeling onderbouw vo per 1/8/2006) en de tweede fase (nieuwe profielen per 1/8/2007). Dit zal in 2011 afgerond worden.

17: Jaarlijks wordt de «4 in balans» monitor gepubliceerd waar een beschrijving van de staat van ICT in het onderwijs wordt gepresenteerd.

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene doelstelling: het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Omschrijving

De instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) verzorgen onderwijs van hoge kwaliteit voor een zeer diverse groep mensen en zijn een belangrijke toeleverancier voor de arbeidsmarkt. Een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt betekent aansluiting in kwalitatieve en kwantitatieve zin. Kwalitatieve aansluiting vraagt onder andere om goede informatie over de behoeften van de arbeidsmarkt, samenwerking tussen onderwijsinstellingen en werkgevers en goede begeleiding van leerlingen bij de selectie van de beroepskeuze. In kwantitatieve zin zouden meer leerlingen het onderwijs moeten verlaten met opleidingen die aansluiten bij de vraag op de arbeidsmarkt.

Voortijdig schoolverlaten is een belangrijk aandachtspunt evenals aandacht voor generieke vaardigheden.

Ongeveer 40% van de beroepsbevolking heeft een middelbare beroepsopleiding gevolgd. Aan de ene kant leidt het mbo vaklieden op die onmisbaar zijn voor de Nederlandse economie en voor die deelnemers die dat willen en kunnen, zorgt het mbo voor doorstroom naar het hoger beroepsonderwijs. Aan de andere kant vervult het mbo een belangrijke maatschappelijke functie voor jongeren en volwassenen die extra steun nodig hebben om alsnog een startkwalificatie te behalen. Daarnaast kunnen volwassenen in de volwasseneneducatie opleidingen en cursussen volgen. Van groot belang binnen de instellingen voor bve is het kenmerkende onderscheid tussen de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl): beide opleidend tot hetzelfde civiel effect, maar via een eigen leerweg, hetzij «schoolzwaar», hetzij «werkzwaar». In alle gevallen is de leerling tenminste één dag in de week aan het werk, een kenmerk van het bve-stelsel dat in internationaal verband doorgaans erg aanspreekt. Het onderscheid blijkt in de praktijk goed in staat om wisselingen in de economische conjunctuur op te vangen, ook op het punt van de beschikbaarheid van praktijkruimten. Bij een teruggang neemt deelname aan de bol toe en aan de bbl af, bij vooruitgang gebeurt het omgekeerde.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is er verantwoordelijk voor dat het onderwijsstelsel zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele deelnemers én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De middelen die hem ter beschikking staan zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, integraal toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur. Gemeenten ontvangen een rijksbijdrage educatie voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s. Gekozen is de verantwoordelijkheid voor de educatie te decentraliseren naar gemeenten omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte.

Externe factoren

Het onderwijs ter plaatse wordt mede bepaald door de inzet van schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, deelnemers, ouders, docenten, bedrijven, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg) en andere overheden. De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingendeelnemer- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij dealgemene doelstelling

Tabel 4.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Het percentage 20 – 24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs.75,6%74,7%85%
Bron: Eurostat200520062010
2. Het percentage voortijdig schoolverlaters van de totale bevolking van 18–24 jaar.15,5%12,9%8 %
Bron: Eurostat200020062010
3. Het percentage afgestudeerde mbo 4-deelnemers dat succesvol een opleiding op HBO niveau afrondt.62% 62%
Bron: Cfi2006 2011
4. Werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers, (exclusief bbl) anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding.15%9% 
Bron: ROA200020062011
5. Het percentage gediplomeerden dat aangeeft dat hun opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt. 43% 50%
Bron: ROA2006 2011

Toelichting:

2. De EU-indicator betreft het aandeel jongeren van 18–24 jaar zonder startkwalificatie dat niet op school zit ten opzichte van het totale aantal jongeren in deze leeftijd in Nederland. Dit percentage wordt gemeten op basis van de enquête beroepsbevolking (EBB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

3. De streefwaarde bij de indicator «percentage afgestudeerde mbo 4-deelnemers dat succesvol een opleiding op hbo-niveau afrondt» is gelijk aan de basiswaarde in 2006. Het beleid is er niet op gericht om alle mbo’ers op niveau 4 door te geleiden naar het hbo. De arbeidsmarkt heeft ook behoefte aan goede vaklieden.

4. Voor de indicator «werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding» is geen streefwaarde geformuleerd omdat deze sterk afhankelijk is van de conjuncturele ontwikkeling.

4.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 2006***200720082009201020112012
Verplichtingen 3 249 1053 173 9293 005 4363 007 0963 052 4203 052 724
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven 3 210 7713 189 5363 016 7593 006 0793 006 4233 005 074
        
Programma-uitgaven: 3 207 2023 186 0313 013 2533 002 5713 002 9133 001 566
        
Deelnemers volgen onderwijs in voldoende toegeruste instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 2 658 6172 594 9372 411 8182 400 6282 404 7282 403 454
• Bekostigingroc’s 2 528 3222 459 8172 423 9522 414 8802 418 1472 419 880
• Bedrag per mbo-deelnemer/huisvesting (coalitieakkoord) ** 08 0008 0008 0008 0008 000
• Korting 2e teldatum (coalitieakkoord) 00– 148 000– 148 000– 148 000– 148 000
• BekostigingKBB’s 111 990111 990111 990111 990111 990111 988
• Overige 18 30515 13015 87613 75814 59111 586
        
Deelnemers volgen onderwijs van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 179 477110 959107 313107 313107 311107 313
• Innovatiearrangement 17 00020 00020 00020 00020 00020 000
• Innovatiebox regulier 33 94737 79336 89736 89736 89536 897
• Innovatiebox FES 71 750     
• Regeling stagebox 35 00035 00035 00035 00035 00035 000
• Competentiegericht beroepsonderwijs* 5 0004 9662 9662 9662 9662 966
• Kwaliteitexamens mbo 11 73311 49911 49911 49911 49911 499
• Overige 5 0471 701951951951951
        
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften 268 951290 783308 696308 744304 635304 636
• Aanvalsplan Laaggeletterdheid 4 0004 0004 0004 000  
• Leerlinggebonden financiering (LGF)* 9 6626 1626 1626 1626 1626 162
• Educatie 189 608189 609189 610189 6101 89 610189 611
• Leven Lang Leren en EVC* 28 8514 5001 5001 5001 5001 500
• Versterken zorgstructuur mbo (IBO bve) 26 50076 49497 40997 40997 40997 409
• Overige 10 33010 01810 01510 0639 9549 954
        
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs 85 483176 185175 203175 750176 307176 307
• RMC’s 17 35417 44018 12018 66719 2241 9 224
• GSB 21 78021 78021 78021 78021 78021 780
• Kwalificatieplicht tot 18 jaar 40 000112 000112 000112 000112 000112 000
• Convenantenmet RMC-regio’s* 4 98513 59711 93511 93511 93511 935
• vsv middelen uit onderwijsenvelop**  10 10010 10010 10010 10010 100
• Overige 1 3641 2681 2681 2681 2681 268
        
Programmakosten overig       
Uitvoeringsorganisatie IBG 7 5016 0203 0222 9372 7352 698
Uitvoeringsorganisatie CFI 7 1737 1477 2017 2017 2007 199
        
Apparaatuitgaven: 3 5963 5053 5063 5063 5073 507
Ontvangsten 84 2503 000    

* Deze reeks bestaat voor een deel uit enveloppemiddelen (Coalitieakkoord).

** Deze reeks bestaat geheel uit enveloppemiddelen (Coalitieakkoord).

*** Vanwege herformulering van de operationele doelstellingen is deze kolom niet te construeren.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 4 enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 38,4 miljoen in 2008 naar indicatief € 171 miljoen in 2011 (inclusief aandeel voortijdig schoolverlaten gemeentefonds). Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• bedrag per deelnemer mbo/huisvesting

• competentiegericht onderwijs

• leerling gebonden financiering

• voortijdig schoolverlaten

• loopbaan oriëntatie en begeleiding

• leven lang leren, Erkennen van Verworven competenties (EVC)

Tabel 4.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen exclusief IBG en CFI)3 172 8643 003 0302 992 4332 992 9782 991 709
Totaal juridisch verplicht3 015 6912 974 4822 907 9982 871 1462 872 430
Totaal bestuurlijk gebonden157 06128 44283 758121 296120 278
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden112106677536– 999
Deelnemers volgen onderwijs in voldoende toegeruste instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie2 594 9372 411 8182 400 6282 404 7282 403 454
• Juridisch verplicht2 581 0962 545 4872 535 3272 536 8872 538 171
• Bestuurlijk gebonden*13 728– 133 775– 135 377– 132 698– 133 718
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden112106677536– 999
      
Deelnemers volgen onderwijs van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie110 959107 313107 313107 311107 313
• Juridisch verplicht105 208103 61246 71511 71511 715
• Bestuurlijk gebonden5 7513 70160 59895 59695 598
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften290 783308 696308 744304 635305 636
• Juridisch verplicht206 505203 482203 510199 539199 540
• Bestuurlijk gebonden84 279105 213105 234105 095105 095
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs176 185175 203175 750176 307176 307
• Juridisch verplicht122 882121 901122 446123 005123 004
• Bestuurlijk gebonden53 30353 30353 30353 30353 303
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

* Deze reeks heeft betrekking op de maatregel, korting tweede teldatum van: – € 148 miljoen (exclusief aandeel LNV) en € 25 miljoen mbo deelnemers/huisvesting (Coalitieakkoord). Tevens gaat het bij deze operationele doelstelling om een deel overig bestuurlijk gebonden.

4.3 Operationele doelstellingen

4.3.1 Deelnemers volgen onderwijs in voldoende toegeruste instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Motivering

Het stelsel van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie wordt zodanig toegerust dat regionale opleidingencentra (roc’s) en kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven (kbb’s) kunnen voldoen aan de door de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen bij het verzorgen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Instrumenten

• Bekostiging

De bekostiging van onderwijsinstellingen, kbb’s en gemeenten is gebaseerd op de WEB en de rekenregels zijn uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WEB. Er zijn aparte bekostigingsmodellen voor de onderwijsinstellingen en de kbb’s. Gemeenten ontvangen jaarlijks de rijksbijdrage educatie (zie ook paragraaf 4.3.3). De middelen voor het beroepsonderwijs (het vastgestelde macrobudget) worden verdeeld over de onderwijsinstellingen aan de hand van het aantal ingeschreven deelnemers en het aantal diploma’s. Bij de verdeling wordt rekening gehouden met de opleidingen, de leerweg en het niveau van het diploma. OCW bekostigt de kbb’s op basis van het aantal kwalificaties dat ze hebben ontwikkeld, het aantal leerbedrijven dat ze hebben erkend en het aantal beroepspraktijkvorming plaatsen (bpv-plaatsen) bij leerbedrijven dat door deelnemers is bezet. Vanaf het bekostigingsjaar 2007 wordt voorzien in een overgangsbekostiging als gevolg van de ontwikkeling van een nieuwe kwalificatiestructuur (zie paragraaf 4.3.2). Aanpassing van het macrobudget voor de onderwijsinstellingen en de kenniscentra kan plaatsvinden op grond van beleidsmatige overwegingen en in verband met autonome ontwikkelingen (deelnemersontwikkelingen). Het historisch bepaalde budget vormt de basis (Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven, beoordeling allocatiesysteem mbo, eindrapport 2005). Naar aanleiding van het Coalitieakkoord is in de rijksbegroting een korting op de mbo-bekostiging ingeboekt van € 155 miljoen structureel vanaf 2009. De maatregel betreft de introductie van een tweede teldatum voor de bekostiging van instellingen (ROC’s, vakinstellingen en het mbo deel van de AOC’s). Er wordt een nieuwe tweede teldatum per 1 februari geïntroduceerd. Instellingen worden in het huidige stelsel niet gestimuleerd deelnemers binnen het onderwijs te houden na de huidige teldatum van 1 oktober omdat de bekostiging voor deze deelnemers dan al ontvangen is. Verwacht wordt dat een nieuw telmoment in hetzelfde studiejaar dit ongewenste effect kan ondervangen. Wanneer instellingen in staat zijn deelnemers op beide teldata binnen de instelling te houden worden zij gecompenseerd voor de ingeboekte korting. De realisatie op 1 februari (het tweede telmoment) bepaalt de eventuele bijstelling van het macrobudget mbo. Deze werkwijze, waarbij instellingen die erin slagen deelnemers binnen het stelsel te houden en hiervoor worden gecompenseerd, is toegelicht in het debat over de regeringsverklaring op 1 maart 2007. Er is een wetswijziging in voorbereiding om te komen tot een doorvertaling van deze maatregel. In 2006 zijn de voorbereidingen gestart voor het groot onderhoud van het bekostigingsmodel voor het mbo (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 451, nr. 44). Het groot onderhoud moet leiden tot wetgeving die erop gericht is om uiterlijk 2011 een integraal vernieuwd allocatiemodel beschikbaar te hebben. Dit jaartal is het richtpunt, omdat de nieuwe kwalificatiestructuur dan volledig is ingevoerd en het herontwerp mbo is gerealiseerd.

• Positie leraren

Vanaf 2010 dreigt er door de vergrijzing een tekort aan leraren te ontstaan. Vanuit OCW worden middelen ingezet zodat de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers. Uit de onderwijsenveloppe worden vanaf 2008 voor het lerarenbeleid in de bve-sector extra middelen beschikbaar gesteld. De maatregelen en de bedragen zijn op hoofdlijnen vermeld in artikel 9 (arbeidsmarkt en personeelsbeleid).

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 4.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Deelnemersucces per niveauniveau 1: 37%niveau 1: 42%niveau 1: 50%
 niveau 2: 47%niveau 2: 48%niveau 2: 60%
 niveau 3: 68%niveau 3: 67%niveau 3: 75%
 niveau 4: 70%niveau 4: 74%niveau 4: 75%
Bron: Benchmark Mbo Raad/Cfi200520062011

Toelichting:

1. Het percentage ingestroomde deelnemers dat de opleiding afrondt is een indicator of er sprake is van een voldoende toerusting van instellingen. Vanwege de invoering van de kwalificatieplicht is een stijging te verwachten met name bij de opleidingen op niveau 1 en 2.

Tabel 4.5 Kengetallen
 20072008200920102011
1. Aantal deelnemers mbo (x € 1000)*476,9493,7496,2497,3497,6
bol-vt329,0339,3342,2344,7346,9
bbl133,9140,3139,8138,4136,5
bol-dt14,014,114,214,214,2
Bron: Referentieraming2007***     
2. Gemiddelde prijs per mbo-deelnemer**€ 6 046€ 6 169€ 6 218€ 6 220€ 6 231
Bron: Lumpsum budget en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo.     

* Het gaat om aantallen per kalenderjaar (omgerekend uit aantallen per schooljaar op 1 oktober).

** Bij de berekening van de gemiddelde prijs per mbo-deelnemer in bovenstaand overzicht is geen rekening gehouden met de veronderstelde daling van het aantal deelnemers als gevolg van de introductie van een tweede teldatum in het mbo. Ook de bezuiniging zelf is in deze berekening buiten beschouwing gelaten. Pas na de telling van het aantal deelnemers op beide peilmomenten (1 oktober en 1 februari) is duidelijk hoeveel de bezuiniging werkelijk zou moeten zijn.

*** Exclusief de extra deelname als gevolg van de pardonregeling asielzoekers.

4.3.2 Deelnemers volgen onderwijs van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Motivering

Om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, dienen instellingen aan de minimumnormen van onderwijstijd en aan uniforme eisen van examinering te voldoen. De invoering van het competentiegericht onderwijs zorgt ervoor dat het middelbaar beroepsonderwijs beter kan inspelen op de behoeften en talenten van de deelnemers en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De middelen vanuit de innovatiebox en het innovatiearrangement geven instellingen de ruimte om binnen samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen en bedrijven in te spelen op de nodige innovaties binnen de regio.

Instrumenten

• Meer innovatie door samenwerking tussen instellingen en hun omgeving

Door de bundeling van afzonderlijke budgetten voor innovatie in het middelbaar beroepsonderwijs in de innovatiebox kunnen instellingen in overleg met hun samenwerkingspartners in de regio innovatie vorm geven. Het gaat om innovatieprojecten die breed worden opgepakt met als doel het innovatieresultaat te laten verankeren in de eigen organisatie. Daarnaast is er nog een afzonderlijke innovatiestimulering, het innovatiearrangement, bedoeld om nog niet eerder ontwikkelde, experimentele innovatieprojecten op regionaal dan wel sectoraal niveau financieel te ondersteunen, die zonder aanvullende middelen onvoldoende kans zouden hebben. Alleen samenwerkingsverbanden tussen onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen een beroep doen op dit arrangement. Voor zowel de innovatiebox als het innovatiearrangement zijn de landelijke thema’s zoals vastgelegd in de landelijke innovatieagenda leidend.

• Toezicht en handhaving kwaliteit examens

Deelnemers moeten hun opleiding afronden met een waardevol en landelijk erkend mbo-diploma, dat een goede aansluiting biedt op de arbeidsmarkt. Goede examinering draagt hieraan bij. De school of de exameninstelling is hiervoor verantwoordelijk. Het KwaliteitsCentrum Examinering (KCE) beoordeelt jaarlijks de kwaliteit van examinering van mbo-opleidingen. (Tweede Kamer vergaderjaar, 2006–2007,27 451, nr. 68 en 70). Het KCE ontvangt hiertoe subsidie voor de bureaukosten. Scholen en exameninstellingen betalen zelf voor het kwaliteitsonderzoek van KCE. Als uit dit kwaliteitsonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de examinering niet voldoende is, krijgt de desbetreffende opleiding een waarschuwing en een verbetertijd. Als de kwaliteit daarna nog niet goed is, kan uiteindelijk de examenlicentie in worden getrokken. Een school moet in dat geval de volledige examinering van die opleiding uitbesteden aan een andere school waar de kwaliteit van examinering wel voldoende is.

• Nieuwe stijl: kwaliteit van het onderwijs & geïntegreerd toezicht

Instellingen die onderwijs verzorgen van voldoende niveau, hebben recht op vertrouwen van de politiek en de samenleving. Als de basiskwaliteit goed is (o.a. voldoende toegankelijk, voldoende opbrengsten, voldoende contacturen), er sprake is van goed bestuur en de rechtmatigheid van besteding van de gelden is gewaarborgd, is er alle reden om de onderwijsinstelling vertrouwen te schenken en meer ruimte te geven. Het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs zal dan afnemen. De ingezette ontwikkeling naar proportioneel toezicht, op basis van risicoanalyses per instellingen, wordt doorgezet. Instellingen die niet aan de eisen voldoen, worden juist intensiever door de Inspectie van het Onderwijs gevolgd. De Inspectie van het Onderwijs ziet daarbij toe op de kwaliteit van het onderwijs, en kijkt in het bijzonder naar de inspanningen van de bestuurders op dit punt. Aan hen wordt gevraagd om verbeterplannen te ontwikkelen die voldoende vertrouwen genieten bij de Inspectie van het Onderwijs en bij betrokkenen ter plaatse. Als instellingen te lang onder de maat presteren én geen uitzicht bieden op verbetering grijpt het ministerie van OCW in. Met het oog hierop is de zogenaamde «interventiepiramide» ontwikkeld (Kamerstuk30 183, nr. 11). De Inspectie van het Onderwijs zal bovendien met de komende wijziging van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT; Stb. 2002, 378) meer interventiemogelijkheden krijgen. Het vorige kabinet heeft maatregelen genomen om te komen tot integratie van toezichtprocessen en van toezichtorganisaties in het onderwijs. Het ministerie van OCW zal dit proces van integratie van het toezicht voortzetten en de Tweede Kamer rond oktober 2007 informeren. Deze informatie heeft betrekking op de ontwikkelingen en maatregelen inzake toezicht en goed bestuur in de toekomst, mede op basis van de evaluatie van de Wet op het Onderwijstoezicht (WOT, artikel 34).

• Invoering van competentiegericht onderwijs (CGO)

Vanaf 1 augustus 2010 moeten alle instellingen hun opleidingen op basis van de nieuwe kwalificatiedossiers hebben vormgegeven. De invoering van competentiegericht beroepsonderwijs (CGO) heeft een vierledig doel:

1. een betere toerusting als beroepsbeoefenaar op een bewegelijke arbeidsmarkt;

2. aantrekkelijker onderwijs aanbieden aan mbo’ers en daardoor beter gemotiveerde deelnemers en minder voortijdige uitval;

3. meer doorstroom naar vervolgonderwijs stimuleren;

4. grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven nastreven.

De invoering van CGO voltrekt zich langs twee lijnen. Ten eerste worden de nieuwe kwalificaties goed en op een transparante wijze beschreven. In de kwalificaties staat beschreven wat deelnemers moeten leren om een diploma te behalen. De kwalificatiedossiers moeten voldoen aan de criteria van het «Toetsingskader Kwalificaties mbo» (bijlage 1b van «Kwalificaties voor competentiegericht beroepsonderwijs», Stuurgroep Competentiegericht beroepsonderwijs, april 2006) (http://www.kwalificatiesmbo.nl/home.php) en worden getoetst door het Coördinatiepunt Kwalificaties mbo (http://www.kwalificatiesmbo.nl/home.php). Ten tweede bieden onderwijsinstellingen nieuwe opleidingen aan, gericht op deze nieuwe kwalificatiedossiers. Tijdens de experimenteerperiode (tot 1 augustus 2010) doen ze dit op vrijwillige basis. Zij bepalen zelf het tempo van vernieuwing en ook hoe geleerd en onderwezen wordt. De experimenteerperiode is verlengd met 2 jaar. Om een succesvolle implementatie van CGO tot 2010 te realiseren is het de intentie om meer in te zetten op de planmatige invoering en de gerichte ondersteuning van individuele instellingen bij de vernieuwing. Deze ondersteuning zal zich richten op:

• inhoud/curriculum (inclusief bpv en examinering);

• scholing van (onderwijs)personeel;

• administratieve processen/bedrijfsvoering.

Deze taak wordt belegd bij het (opnieuw ingerichte) procesmanagement. Uit de onderwijsenveloppe is vanaf 2008 € 3 miljoen extra beschikbaar.

• Regeling stagebox

Het doel van de regeling is te zorgen dat elke deelnemer, in het bijzonder de moeilijk plaatsbare deelnemer, over een geschikte stageplaats dan wel simulatieplek beschikt en voldoende begeleid wordt naar en op de stage- of simulatieplaats. Instellingen en kbb’s ontvangen op basis van deze regeling een aanvullende vergoeding om dit doel samen met leerbedrijven te bereiken.

• Onderwijs en ondernemerschap

In 2007 zijn FES-gelden beschikbaar gesteld voor de oprichting van centers of entrepreneurship in het hoger onderwijs en voor het stimuleren van ondernemerschapsprojecten in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs in 2007 en 2008. De ambitie is om het ondernemend leren structureel te verankeren via een doorlopende leerlijn van het basisonderwijs tot en met het hoger onderwijs. De maatregelen zijn vermeld in de begroting van het ministerie van Economische Zaken, beleidsartikel 3, operationele doelstelling 2, «meer en beter ondernemerschap».

• Invoering van onderwijstijd, de 850 urennorm

In 2006 bleek dat onderwijsinstellingen de minimale urennormen niet altijd naleven. In reactie op deze constatering van de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst van OCW zijn maatregelen aangekondigd om de naleving van de urennormen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs op orde te brengen. Extra onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst van OCW maakt deel uit van die maatregelen. In het voorjaar van 2007 voeren zij onderzoek uit bij scholen voor voortgezet onderwijs en mbo-opleidingen naar de naleving van de urennormen in het studiejaar 2006–2007 en eventuele oorzaken van tekortkomingen op dit punt. Op basis van de uitkomsten wordt besloten welke acties vanuit OCW in 2008 nodig zijn om de naleving van de minimale urennormen nog verder op orde te brengen en/of te behouden. OCW beoogt uiteindelijk te bereiken dat de samenleving, in het bijzonder deelnemers en hun ouders, bij publiek gefinancierde onderwijsinstellingen daadwerkelijk kunnen rekenen op een minimaal aantal uren begeleide onderwijstijd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.6 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteit52%60%70%
Bron: Examenverslag mbo200520072010
2. Percentage deelnemers dat positief is over de beroepspraktijkvormingsplek (BPV)48%48%50%
Bron: ODIN-4200520072011
3. Het oordeel van de deelnemer over de opleiding6,76,67,0
Bron: ODIN-4200520072011
4. Het percentage opleidingen dat onderwijs geeft volgens de richtlijnen van de 850 urennorm (BOL)75% 100%
Bron: Inspectie van het Onderwijs2006 2008
5. Het percentage nieuwe opleidingen, ingericht op basis van de nieuwe kwalificatiedossiers8%38%100%
Bron: Cfi200620072011
6. Het percentage deelnemers in nieuwe opleidingen9%43%100%
Bron: Cfi200620072011

Toelichting:

1. De basiswaarde 2005 betreft de kwaliteitsbeoordeling van al langer bestaande eindtermgerichte opleidingen. In 2007 zal voor de eerste keer een verklaring worden uitgereikt aan (experimentele) competentiegerichte opleidingen. Deze opleidingen zijn nieuw, scholen zijn nog volop bezig met het bepalen en ontwikkelen van passende examinering. Er zijn verschillende acties gestart om de kwaliteit van de examens te stimuleren. Dat past ook bij de verlenging van de experimenteerperiode van het competentie gericht onderwijs. Verwacht wordt dat het percentage mbo-opleidingen met voldoende examenkwaliteit in de periode 2008–2010 licht zal stijgen.

3. Het betreft hier een oordeel van de deelnemer uitgedrukt in een rapportcijfer op de schaal 1–10.

4.3.3 Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Deelnemers aan het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie moeten de mogelijkheid krijgen om hun talenten te ontplooien in een leeromgeving en op een manier die het beste past bij hun specifieke behoeften. Het gaat daarbij ook om jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben bij het volgen van een mbo-opleiding. En om volwassenen die door het volgen van een cursus of opleiding beter in staat zijn te participeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving.

Instrumenten

• Bevorderen Leven Lang Leren

Met behulp van de stimuleringsregeling «leren en werken» worden in regio’s en sectoren samenwerkingsverbanden gevormd. Er worden afspraken gemaakt om duale trajecten, EVC-trajecten (Erkennen van Verworven Competenties) en regionale leerwerkloketten te realiseren. EVC is een methode om eerder verworven competenties zichtbaar te maken en te erkennen. De informatie over EVC-aanbieders wordt inzichtelijk gemaakt door de ontwikkeling van een EVC-register waarmee informatie over alle EVC-aanbieders in Nederland toegankelijk wordt. Om een «Leven Lang Leren» te stimuleren is het belangrijk dat werkenden en werkzoekenden goed geïnformeerd zijn over de mogelijkheden. Daarom wordt veel aandacht besteed aan communicatieactiviteiten, onder andere door middel van een publiekscampagne. Burgers en werkgevers kunnen veel informatie op het gebied van leren en werken vinden op het internetportalwww.opleidingenberoep.nlen ze kunnen met alle vragen terecht bij de telefonische helpdesk met het nummer: 0800 – 1618 (gratis). Vanaf 2008 zijn extra enveloppemiddelen beschikbaar. Het gaat om een bedrag van € 1,5 miljoen structureel.

• De rijksbijdrage voor educatie

De Nederlandse gemeenten ontvangen jaarlijks rijksmiddelen educatie. Op grond van de WEB zijn zij verplicht overeenkomsten te sluiten met roc’s voor de inkoop van educatieve activiteiten. Ambities op het terrein van de educatie zijn bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal laaggeletterden (aanvalsplan laaggeletterdheid), VAVO (tweede kans onderwijs), de doorstroom naar het middelbaar beroepsonderwijs en het vergroten van de sociale redzaamheid. Op het terugdringen van het aantal laaggeletterden gaat het volgende instrument nader in.

• Het verminderen van laaggeletterdheid

In Nederland hebben ongeveer 1,5 miljoen mensen moeite met lezen, schrijven of rekenen. De uitvoering van het «Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006–2010 Van A tot Z betrokken» (Tweede Kamer 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 142) wordt in 2008 daarom met kracht voortgezet. Tot en met 2010 is hiervoor per jaar € 4,0 miljoen beschikbaar. Eind april 2007 heeft de Tweede Kamer de eerste voortgangsrapportage over het kalenderjaar 2006 ontvangen, inclusief de monitor van het aantal deelnemers aan een lees-, schrijf- of rekencursus in het cursusjaar 2005–2006 (Tweede Kamer 2006–2007,28 760, nr. 9). De voortgangsrapportage is uitgevoerd door Cinop en uitgebracht tegelijk met een landelijk onderzoek naar het bewustzijn bij volwassenen van laaggeletterdheid in onze samenleving. Deze publicaties laten zien dat het aantal volwassenen dat een basiscursus lezen, schrijven of rekenen volgt de afgelopen jaren min of meer stabiel is gebleven (ongeveer 5 500 cursisten per schooljaar). De problematiek van laaggeletterdheid is in 2006 breed onder de aandacht gebracht van provinciale, regionale en lokale overheden en tal van organisaties. In 2006 heeft dit geleid tot zes gemeentelijke aanvalsplannen van de G31 en tot zes regionale aanvalsplannen, waarbij ruim 80 gemeenten betrokken zijn.

• De subsidieregeling leerlinggebonden financiering

Met de subsidieregeling «leerlinggebonden financiering middelbaar beroepsonderwijs» is per 1 januari 2006 leerlinggebonden financiering (LGF) ingevoerd in het mbo. Met LGF wordt de toegankelijkheid voor deelnemers met een beperking bevorderd en wordt de positie van deze deelnemers in het beroepsonderwijs gelijk gesteld aan de positie van deze leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Daardoor wordt de doorlopende leerlijn voor gehandicapte leerlingen die vanuit het voortgezet onderwijs doorstromen naar het middelbaar beroepsonderwijs, gewaarborgd. Voor het schooljaar 2006–2007 is aan 2 100 deelnemers een subsidie verstrekt.

• De invoering van een samenhangende zorgstructuur in het mbo

Een deel van de deelnemers, met name niveau 1 en 2, van het mbo heeft vanwege leerachterstanden of psychosociale problematiek extra begeleiding nodig om de opleiding met succes te kunnen doorlopen. Daarom wordt gewerkt aan de invoering van een samenhangende zorgstructuur in het mbo die moet leiden tot een versterking van de zorg voor risicodeelnemers op roc’s en vakinstellingen (Tweede Kamer, 2005–2006, 27 451, nr. 53). Daarnaast wordt het Landelijk Centrum Onderwijs Jeugdzorg gesubsidieerd voor het vergroten van de kennis van psychosociale zorg in de scholen (zie tevens paragraaf 4.3.4 over voortijdig schoolverlaten).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.7 Indicatoren
Prestatie – indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Aantal nieuwe duale – trajecten7 79615 00025 000
Bron: monitoring door Cinop200620072008
2. Aantal nieuwe EVC – trajecten3 77920 00040 000
Bron: monitoring door Cinop200620072008
3. Deelname aan leeractiviteiten door 25–64 jarigen15,5%15,6%20%
Bron: Eurostat200020062010
4. Het percentage deelnemers dat tevreden is over de begeleiding bij de studie38% 50%
Bron: ODIN-42005 2011
5. Dekkingsgraad zorg- en adviesteams42%72%100%
Bron: Landelijk Centrum Onderwijs&Jeugdzorg200320062011

Toelichting:

1. Naar aanleiding van de tijdelijke stimuleringsregeling «leren en werken» moeten samenwerkingsverbanden leiden tot in totaal 10 000 extra duale trajecten in 2008.

2. Daarnaast is het streven dat er 20 000 extra EVC trajecten gerealiseerd worden in 2008.

4.3.4 Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs

Motivering

Uit oogpunt van maatschappelijke cohesie en economische ontwikkeling is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie halen. De nationale doelstelling is halvering van het jaarlijks aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2012 ten opzichte van 2002. Een voortijdig schoolverlater is een jongere van 12 tot 23 jaar die langer dan vier weken geen onderwijs volgt en nog geen startkwalificatie heeft. Een startkwalificatie is een vwo-, havo-, of mbo-diploma op niveau 2. In «Aanval op de uitval» (Tweede Kamer, 2005–2006,26 695, nr. 32) staat op welke wijze voortijdig schoolverlaten (vsv) wordt aangepakt. De uitval van jongeren kent verschillende oorzaken waardoor een brede benadering noodzakelijk is. Daarom plaatst het kabinet de aanpak van voortijdig schoolverlaten in een breder kader: de pijler Sociale Samenhang. Binnen deze geïntegreerde aanpak is OCW verantwoordelijk voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door met name kwalitatief goed onderwijs te bieden en inzet voor jongeren die een extra steun in de rug nodig hebben. Vanaf 2008 zijn extra enveloppemiddelen van € 22 miljoen beschikbaar.

Instrumenten

Preventieve maatregelen

De maatregelen voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten zijn in de volgende drie thema’s in te delen:

• Aanpakken bij de bron

Taal- en leerachterstanden moeten zo vroeg mogelijk in de leerloopbaan aangepakt worden. Zorgleerlingen worden door een gezamenlijke aanpak van scholen en (zorg)instellingen (o.a. door adequate aansluiting met jeugdzorg) geholpen met hun problemen. Deze preventieve maatregelen zoals voor- en vroegschoolse educatie en de gewichtenregeling in het primair onderwijs en het leerplusarrangement en het leerwegondersteunend onderwijs in het voortgezet onderwijs zijn vermeld in artikel 1 (primair onderwijs) en artikel 3 (voortgezet onderwijs) van deze begroting. Tot slot worden de in 2006 met 14 gemeenten afgesloten convenanten voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten geëvalueerd met als doel te bezien welke effectief gebleken maatregelen landelijk verspreid kunnen worden. In de vervolgaanpak worden nieuwe convenanten (prestatieafspraken) afgesloten. Daarnaast worden er maatregelen genomen voor de verdere versterking van de zorgstructuur in het onderwijs. Het versterken van deze zorgcomponent sluit aan op de sluitende jeugd- en zorgketen in samenwerking met Jeugd en Gezin, ook op het gebied van gegevensuitwisseling (o.a. elektronisch kinddossier (EKD), verwijsindex, onderwijsnummer).

• Soepele overgangen

Voor een betere overgang van het vmbo naar het mbo wordt ingezet op de versterking van loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) (zie paragraaf 4.3.2). In de nota «Aanval op de Uitval» wordt door de Kafka-brigade aangegeven dat de overgangen in de loopbaan van leerlingen de meest riskante momenten zijn. De meeste jongeren blijken moeilijk in staat om duidelijk te krijgen welke studierichting ze moeten kiezen maar vooral ook hoe ze dat moeten doen. Er worden daarom projecten gestimuleerd waarbij vmbo scholen en roc’s nauw met elkaar samenwerken. Hierbij moet gedacht worden aan het verankeren van succesvolle initiatieven met loopbaanoriëntatie en begeleiding, via voorhoedescholen en samenwerkingsverbanden. Tevens wordt ingezet op een kwaliteitsverhoging van LOB en de communicatie hierover. Tenslotte gaan experimenten plaatsvinden met een nieuw 4-jarig opleidingstraject tot startkwalificatie dat de bovenbouw van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo en de niveaus 1 en 2 van het mbo omvat.

• Bij de les blijven

In 2008 ligt het accent op de implementatie van de kwalificatieplicht tot 18 jaar. Er worden maatregelen genomen om de leerlingen op de mbo-niveaus 1 en 2 geschikt onderwijs aan te bieden zodat deze jongeren een zo groot mogelijke kans krijgen om een startkwalificatie te halen. Tevens worden sport en cultuuractiviteiten op scholen en instellingen georganiseerd om zo jongeren te motiveren om op school te blijven. Samen met de ministeries van VWS en Jeugd en Gezin wordt onderzocht welke mogelijke relatie er is tussen drankmisbruik door jongeren en voortijdig schoolverlaten. Op basis hiervan wordt nader bekeken welke gezamenlijke actie noodzakelijk is. Verder wordt gewerkt aan de ontwikkeling en implementatie van één landelijk digitaal loket voor registratie van verzuim en voortijdig schoolverlaten (Tweede Kamer, 2006–2007, 26 695, nr. 37). Ten slotte adviseren eind 2007 de samenwerkende inspecties in het kader van Integraal Toezicht Jeugd over een effectieve uitvoering van de leerplicht en de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC-functie) op lokaal niveau.

Curatieve maatregelen

Nadat een jongere is uitgevallen, worden inspanningen geleverd deze jongeren alsnog op te leiden tot een startkwalificatie. Hiervoor is nauwe samenwerking tussen onderwijs, zorg en werk noodzakelijk. De maatregelen voor jongeren die het onderwijs hebben verlaten zonder startkwalificatie zijn in twee thema’s in te delen.

• Opstappers

Van de groep jongeren zonder startkwalificatie met een vaste arbeidsrelatie moet het opleidingsniveau omhoog. Dat willen we niet bereiken door ze tegen wil en dank terug naar school te sturen. Leerkansen op de werkvloer staan voorop. Bovendien zijn in de participatietop afspraken gemaakt met werkgevers over het opleiden van werknemers tot het niveau van een startkwalificatie.

• Uitvallers

De groep voortijdig schoolverlaters zonder een vaste arbeidsrelatie vormt een zeer diverse groep met diverse achtergronden en problematiek. Hier komt de integrale aanpak uit de pijler Sociale Samenhang met behulp van scholing, zorg en werk tot uitdrukking. Bijvoorbeeld door samen met onder andere gemeenten, succesvolle reïntegratietrajecten te organiseren voor werkloze jongeren zonder startkwalificatie (het zogenaamde 2e kans beroepsonderwijs).

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 4.8 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Het aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indicator)71 00056 50035 000
Bron: Tweede Kamer, 2006–2007, 26 695, nr. 372002 20062012
2. Aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters (inclusief oude voortijdig schoolverlaters)20 00030 500 
Bron: RMC-effect rapportages 2005–2006; Sardes20022006 

Toelichting:

1. Op 13 februari 2007 is de Tweede Kamer uitgebreid geïnformeerd (Tweede Kamer, 2006–2007,26 695, nr. 37) over de nieuwe basis voor monitoring van de landelijke doelstelling voor halvering van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters. Vanaf 2007 vindt dit niet langer plaats op basis van de gemeentelijke RMC-effectrapportages, maar op basis van het Basisregister Onderwijs (BRON).

2. Het aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters is het aantal vsv’ers dat door RMC’s gedurende een geheel schooljaar terug is geleid naar school, werk of andere voorzieningen (bijvoorbeeld zorg). Voor deze indicator is geen landelijke streefwaarde afgesproken. Wel wordt aan de RMC’s gevraagd om het aantal herplaatsers binnen het onderwijs specifieker in kaart te brengen.

4.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 4.9
 OnderzoekOnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingStimuleren van leerwerktrajecten en EVC-trajecten m.b.v. (regionale) infrastructuur OD 3Voorjaar 2008 en najaar 2009FES/OCW
Effectenonderzoekex postAnalyse effectrapportage RMCOD 4Afgerond voorjaar 2007n.n.b.
 Vooronderzoek evaluatiedesign vsvOD 4Afgerond 30 juni 2007TU Delft/Berenschot
 Onderzoek ROA vsv Arbeidsmonitor ex postOD 4Afgerond eind 2007ROA
Overig evaluatieonderzoekProject Onderwijs-Arbeidsmarkt 2006ADJaarlijks in juliROA
 Registratie en bestemming uitstroomschoolverlaters bve (SIS)ADJaarlijks in septemberROA
 MonitoralfabetiseringOD 3Jaarlijks in het voorjaarCinop
 Monitor leerlinggebonden financieringOD 3Jaarlijks in het najaarRISBO
 Monitor competentiegericht beroepsonderwijsOD 2Jaarlijks in het najaarCinop
 Deelnemersmonitor bveADNajaar 2007KBA
 ODIN-5OD 2Najaar 2008ResearchNed
 Analyse innovatiebox en stageboxOD 2Juni 2007KBA
 Evaluatie van de WVA (Wet Vermindering Afdrachtloon- belasting)OD 2Februari 2007SEOR
 De kracht van het herontwerpOD 2April 2007Berenschot
 Op weg naar een passende organisatie van competentiegericht beroepsonderwijs in roc’sOD 2November 2006IVA
 Typologieën onderzoekOD 4Offerte verstuurdn.n.b
 Onderzoek naar vsv op de werkvloerOD 4Afgerond september 2007Organise to Learn

ARTIKEL 5. TECHNOCENTRA

5.1 Algemene doelstelling: het ondersteunen van technocentra ter versterking van de kennisinfrastructuur in de regio ter verbetering van de aansluiting tussen het technisch beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.

Omschrijving

De technocentra zijn intermediaire organisaties, opgericht om knelpunten op de regionale arbeidsmarkt binnen de technische sector aan te pakken. De focus van de technocentra richt zich op het makelen en schakelen tussen onderwijsinstellingen en bedrijven. De activiteiten zijn gericht op het faciliteren en stimuleren van uitdagingen en het oplossen van regionale knelpunten. Tevens geven technocentra aandacht aan de landelijke prioriteit van bèta en techniek. Het uitgangspunt van het Deltaplan bèta/techniek is een integrale aanpak van de tekorten aan bèta’s en technici, bijdragend aan de in Europees verband onderschreven doelstelling van 15% meer uitstroom van gediplomeerden uit hogere bèta- en technische opleidingen in 2010.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige verstrekking en besteding van middelen.

Externe factoren

Conjuncturele ontwikkelingen in de technische sector.

5.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2006*200720082009201020112012
Verplichtingen 9 3989 2179 2179 17600
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat) 9 3179 2179 2179 17600
        
Programma-uitgaven: 9 3179 1369 1369 13600
Basissubsidie 7 0007 0007 0007 00000
Speerpuntsubsidie 1 7001 7001 7001 70000
Overig 61751751747600
Ontvangsten 9 2369 1369 1369 17600

* Vanwege herformulering van de operationele doelstellingen is deze kolom niet te construeren.

Tabel 5.2 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)9 2179 2179 17600
Totaal juridisch verplicht9 2179 2179 17600
Totaal bestuurlijk gebonden00000
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

5.3 Doelstellingen nieuwe Kaderregeling

Motivering

Voor de jaren 2006 tot en met 2010 is een nieuwe Kaderregeling Technocentra (Stb. 2006. nummer 50) vastgesteld met als (hoofd)doel het versterken en vernieuwen van de kennisinfrastructuur en verbetering van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven in de technische sector. De drie daarvan afgeleide doelstellingen zijn:

a. het bevorderen van de circulatie en de toepassing van kennis tussen instellingen, tussen instellingen en ondernemingen of tussen instellingen, ondernemingen en derden;

b. een gezamenlijke benutting door verschillende instellingen van hoogwaardige en moderne apparatuur ten behoeve van technisch beroepsonderwijs;

c. het bevorderen van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt.

Binnen deze doelstellingen dienen de technocentra zich te laten leiden door de regionale knelpunten en uitdagingen. Ook moet daarbij een duidelijke focus zijn op de landelijke prioriteit van bèta en techniek.

Instrumenten

In 2008 zal op basis van de Kaderregeling Technocentra 2006–2010 aan 14 technocentra een basissubsidie worden verleend ter ondersteuning van de basisactiviteiten van de technocentra. De aanvragen dienen te voldoen aan één van de drie subsidiedoelstellingen zoals hierboven genoemd en vastgelegd in de Kaderregeling. Daarnaast kan een technocentrum een aanvraag indienen voor een speerpuntsubsidie. Een project waarvoor het technocentrum speerpuntsubsidie aanvraagt dient een realisatie te zijn van eveneens één van de drie subsidiedoelstellingen zoals hierboven genoemd en daarnaast dient deze te voldoen aan een additionele doelstelling. Voor de jaren 2007 tot en met 2010 adviseert het bestuur van het Platform bèta/techniek de minister over de te kiezen inhoudelijke thema’s voor de speerpuntsubsidie voor deze jaren. Het Platform bèta/techniek heeft advies uitgebracht om de inhoudelijke thema’s voor de speerpuntsubsidie voor het jaar 2008 niet te wijzigen. De minister stelt de thema’s voor de betreffende jaren vast.

Meetbare gegevens

Het Platform bèta/techniek evalueert de werkzaamheden van de technocentra. De evaluatie heeft betrekking op de resultaten van de Technocentra met betrekking tot hun ontvangen basissubsidie in het jaar 2006 en indien van toepassing de ontvangen speerpuntensubsidie in het jaar 2006. Tevens geeft de evaluaties inzicht in de bijdrage aan de versterking en vernieuwing van de kennisinfrastructuur in de regio en de verbetering van de aansluiting tussen het technische beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. Het rapport verschijnt na de zomer 2007.

ARTIKELEN 6 EN 7 HOGER ONDERWIJS

6.1 Algemene doelstelling: het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt en het vervullen van hun rol in de intellectuele voorhoede van onze samenleving.

Omschrijving

De Nederlandse welvaart is in belangrijke mate afhankelijk van kennis, technologie en innovatie. Om internationaal te kunnen concurreren, zijn hoogwaardige diensten en producten, ondernemende geesten en een goed opgeleide bevolking doorslaggevend. Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek speelt daarin een rol. De studenten van vandaag zijn de intellectuele voorhoede van morgen, zijn cruciaal in het maatschappelijk debat, en dragen bij aan de vernieuwing van wetenschappen en de overdracht van culturele waarden en tradities. Het hoger onderwijs moet studenten dan ook motiveren om tijdens hun studie het beste uit zichzelf te halen, zodat zij zich optimaal ontplooien en zich breed kunnen oriënteren. Ter versterking van het innovatief vermogen van Nederland zullen bedrijfsleven en maatschappelijke sectoren optimaal moeten profiteren van de publieke kennisinfrastructuur.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is er verantwoordelijk voor dat het onderwijsstelsel zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten én bij wat de maatschappij nodig heeft.

In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen voor het hoger onderwijs en onderzoek en het borgen van de kwaliteit.

De middelen die hem ter beschikking staan, zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen ten aanzien van goed bestuur.

Externe factoren

Het onderwijs ter plaatse wordt mede bepaald door de inzet van studenten, docenten, onderzoekers, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties, andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren.

Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De indicatoren 2, 3, en 4 geven een beeld of de student optimaal is voorbereid op deelname aan de samenleving en een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt.

Bij indicator 2 en 3 worden geen streefwaarden geformuleerd omdat deze sterk samenhangen met de conjunctuurontwikkeling. De verwachting is dat het aantal afgestudeerden dat in het buitenland werkt, zal stijgen door het stimuleren van internationale mobiliteit onder studenten.

Een meer gedetailleerd beeld van het hoger onderwijs kan worden verkregen in Bestel in Beeld 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 031 VIII, nr 5) en Kennis in Kaart 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 410, nr 43).

Tabel 6.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. Percentage hoger opgeleiden in de leeftijdsgroep 25–44 jarigen van de beroepsbevolking32,5%34,3%46,0%
Bron: CBS StatlinePeildatum: 2003Peildatum: 2005Peildatum: 2020
2. Percentage afgestudeerden met een eerste baan op tenminste hbo- respectievelijk wo-niveau   
  Hbo77%82%
  Wo62%65%
Bron: Hbo en Wo-monitorPeildatum: 2005Peildatum: 2006 
3. Percentage afgestudeerden dat anderhalf jaar na afstuderen in het buitenland werkt   
  Hbo3%3%
  Wo4%5%
Bron: Hbo en Wo-monitorPeildatum: 2005Peildatum: 2006 
4. Percentage werkenden dat aangeeft dat opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt   
  Hbo48%53%Stijging
  Wo52%57%Stijging
Bron: Hbo en Wo-monitorPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2011

Toelichting:

1. Streefwaarde: Nederland streeft ernaar dat op afzienbare termijn (in 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. De beleidsinzet is gericht op het bereiken van meer hoger opgeleiden door verbetering van rendement en door stijgende deelname in het hoger onderwijs in Nederland. In deze begroting zijn budgetten ter beschikking gesteld, waarmee wordt beoogd de uitval in het toeleidend onderwijs en in het hoger onderwijs verder te verminderen zodat meer hoger opgeleide werknemers voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn. Dat het aandeel hoger opgeleiden economisch van groot belang is, blijkt ook uit het CPB-rapport «excellence for productivity» (juni 2007).

6.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 Hoger beroepsonderwijs(x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen2 039 5032 184 1992 115 6252 154 5392 189 9512 214 1432 213 727
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven1 881 7952 032 7602 085 9812 128 3842 145 9782 192 1892 213 727
        
Programma-uitgaven:1 876 7982 027 6932 081 1862 123 5872 141 1822 187 3932 208 931
        
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs1 776 7301 870 2401 917 7231 952 2381 981 3652 025 3382 047 292
• Reguliere bekostiging(lumpsum)11 776 7301 870 2401 912 7231 947 2381 976 3652 020 3382 042 292
• Nieuwe hbo-masteropleidingen  5 0005 0005 0005 0005 000
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit4 5707 4169 6388 1388 1388 1388 138
• Kwaliteitsverbetering docenten21 5004 0839 6388 1388 1388 1388 138
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent»)7593 333     
• Voortzetting Deltabeurzen2 000      
• Internationalisering in het hoger onderwijs311      
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden7 4283 98020 66719 40319 16719 16719 167
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls  6 6676 6676 6676 6676 667
• Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten31 4481 5006 5005 2365 0005 0005 000
• Studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs2 5802 4002 4002 4002 4002 4002 400
• Erkenning van verworven competenties  5 0005 0005 0005 0005 000
• Emancipatie10080100100100100100
• E-learning3 300      
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa72 796131 193119 385129 885118 885121 885121 885
• Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen)36 96150 58550 58550 58550 58550 58550 585
• Praktijkgericht onderzoek (Raak)8 80013 30011 30011 30011 30011 30011 300
• Deltaplan bèta/techniek427 03561 30851 50060 00057 00060 00060 000
• FES: Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs 6 0006 0008 000   
Programmakosten overig515 27414 86413 77313 92313 62712 86512 449
• Uitvoeringsorganisatie IBG7 8659 5669 0619 1618 8658 1037 687
• Uitvoeringsorganisatie CFI7 4095 2984 7124 7624 7624 7624 762
        
Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs4 9975 0674 7954 7974 7964 7964 796
Ontvangsten46 8486 0176 0178 017171717

1 In de middelen voor reguliere bekostiging zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

2 Vanaf 2008 is hierin begrepen € 3 miljoen per jaar uit de enveloppe van het Coalitieakkoord.

3 Deze middelen zijn bestemd voor het gehele hoger onderwijs. Vanaf 2008 is hierin begrepen € 5 miljoen per jaar voor allochtonenbeleid voor ho-instellingen in de Randstad uit de enveloppe van het Coalitieakkoord.

4 De middelen voor het Deltaplan bèta/techniek hebben niet alleen betrekking op het hbo maar zijn onderwijsbreed.

5 De middelen hebben betrekking op de sector hoger onderwijs.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 6 hoger beroepsonderwijs enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 19,7 miljoen in 2008 tot indicatief € 128,7 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Tijdelijke stimulering/subsidiëring nieuwe hbo-masteropleidingen.

• Kwaliteitsverbetering docenten.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent.

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls.

• Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten.

• Praktijkgericht onderzoek hbo (Raak).

• Praktijkgericht onderzoek hbo (Lectoren en kenniskringen).

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen3 480 3063 523 4943 522 0013 548 2893 627 2973 608 2593 635 392
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 396 5973 517 2933 482 6113 514 4833 556 6563 616 6983 635 517
        
Programma-uitgaven:3 396 5973 517 2933 482 6113 514 4833 556 6563 616 6983 635 517
        
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 373 7333 476 7893 424 0493 463 4663 500 9743 560 9913 604 876
• Reguliere bekostiging(lumpsum)3 367 7333 470 7893 409 0493 448 4663 485 9743 545 9913 589 876
• Alfa/Gamma-onderzoek6 0006 00015 00015 00015 00015 00015 000
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit14 46927 54842 30837 28342 28342 30827 308
• Kwaliteitsverbetering docenten1 0003 0005 0005 0005 0005 0005 000
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent»)1 5671 667     
• Excellentie in onderwijs: FES  10 00010 00015 00015 000 
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent1, 24 65013 10014 02510 00010 00010 00010 000
• Graduate schools  2 0002 0002 0002 0002 000
• Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s), Beeldmerk13 0576 4117 9136 9136 9136 9386 938
• Noodfonds voor internationale hulpacties11 0001 0001 0001 0001 0001 0001 000
• Internationale samenwerking en beurzenprogramma’s12 1952 3702 3702 3702 3702 3702 370
• Voortzetting Deltabeurzen11 000      
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden8 3952 8906 1883 6683 3333 3333 333
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls  3 3333 3333 3333 3333 333
• SURF Educatiefonds in het hoger onderwijs4 000      
• E-learning1 700      
• Verhoging deelname studenten met een handicap12 6952 8902 855335   
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa 10 06610 06610 06610 06610 066 
• 3TU’s samenwerking 10 06610 06610 06610 06610 066 
Ontvangsten1 47811 46621 46621 46626 46626 4661 400

1 De middelen hebben betrekking op het gehele hoger onderwijs.

2 Vanaf 2008 is hierin begrepen € 5 miljoen per jaar uit de enveloppe van het Coalitieakkoord voor HSP.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 7 wetenschappelijk onderwijs en onderzoek enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 25,3 miljoen in 2008 tot indicatief € 142,3 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten.

• Graduate schools.

• 3TU’s.

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent.

• Kwetsbare opleidingen.

Tabel 6.4: Middelen toerusting wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Universiteiten:3 300 7363 438 9173 355 1663 424 6663 461 0663 512 9663 560 366
Onderwijsdeel11 263 8721 320 9321 343 0001 373 7001 388 8001 411 2001 431 300
Onderzoekdeel11 522 9101 591 4021 488 2001 522 2001 538 9001 563 8001 586 100
Academische ziekenhuizen513 954526 583523 966528 766533 366537 966542 966
Overige organisaties hoger onderwijs18 87618 20917 85317 85317 50017 50017 500
United Nations University (UNU)787802801801800800800
Europees Universitair Instituut Florence (EUI)1 1591 4071 4481 4471 4471 4471 447
Stichting Nederlandse Organisatie voor Internationale Samenwerking in het Hoger Onderwijs (Nuffic)9 8898 3537 9667 9667 9647 9647 964
European University Association (EUA)16161616161616
Stichting Handicap en Studie741786785785435435435
Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF2 6402 6642 6632 6632 6632 6632 663
Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)232234234234234234234
Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)232234234234234234234
Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)3 1803 7133 7063 7073 7073 7073 707
Overige48 12113 66336 0305 9477 40815 52512 010
Totaal instellingen3 367 7333 470 7893 409 0493 448 4663 485 9743 545 9913 589 876

1 Hierin zijn tevens begrepen:

a. het deel leraartraject, het investeringsdeel, het deel internationaal onderwijs en RU/UvT: katholiek theologisch onderwijs,

b. internationale en levensbeschouwelijke instellingen waarmee afzonderlijk afspraken zijn gemaakt.

Deze categorieën werden in de begroting 2007 nog afzonderlijk gepresenteerd.

Tabel 6.5 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling artikel 6: Hoger beroepsonderwijs(x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)2 067 4132 109 6642 127 5552 174 5282 196 482
Totaal juridisch verplicht1 991 5242 025 0732 051 2282 095 3012 117 255
Totaal bestuurlijk gebonden75 88984 59176 02779 02779 027
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00300200200
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk)     
personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs1 917 7231 952 2381 981 3652 025 3382 047 292
• Juridisch verplicht1 917 4961 952 0111 980 8382 024 9112 046 865
• Bestuurlijk gebonden227227227227227
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00300200200
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge én excellente kwaliteit9 6388 1388 1388 1388 138
• Juridisch verplicht8 1388 1388 1388 1388 138
• Bestuurlijk gebonden1 5000000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden20 66719 40319 16719 16719 167
• Juridisch verplicht15 30514 33911 66711 66711 667
• Bestuurlijk gebonden5 3625 0647 5007 5007 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en vice versa119 385129 885118 885121 885121 885
• Juridisch verplicht50 58550 58550 58550 58550 585
• Bestuurlijk gebonden68 80079 30068 30071 30071 300
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Tabel 6.6 Budgetflexibiliteit per operationele doelstelling artikel 7: Wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 482 6113 514 4833 556 6563 616 6983 635 517
Totaal juridisch verplicht3 440 8453 478 0683 515 3113 575 2283 609 047
Totaal bestuurlijk gebonden41 76636 01540 94540 97025 970
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0400400500500
      
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 424 0493 463 4663 500 9743 560 9913 604 876
• Juridisch verplicht3 409 0493 448 0663 485 5743 545 4913 589 376
• Bestuurlijk gebonden15 00015 00015 00015 00015 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0400400500500
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge én excellente kwaliteit42 30837 28342 28342 30827 308
• Juridisch verplicht19 69619 67119 67119 67119 671
• Bestuurlijk gebonden22 61217 61222 61222 6377 637
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden6 1883 6683 3333 3333 333
• Juridisch verplicht2 034265000
• Bestuurlijk gebonden4 1543 4033 3333 3333 333
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties ) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en vice versa10 06610 06610 06610 0660
• Juridisch verplicht10 06610 06610 06610 0660
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

6.3 Operationele doelstellingen

Het uitgangspunt voor het beleid beschreven onder de operationele doelstellingen wordt nader uitgewerkt in de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek die in het najaar aan de Tweede Kamer wordt gepresenteerd.

De belangrijkste prioriteiten zijn:

1. Hoger onderwijs in een internationale context.

2. De onderwijskwaliteit en het rendement wordt verbeterd.

3. Kennis wordt beter benut.

4. Sturing van het stelsel.

6.3.1 Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs

Motivering

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zodanig toerusten dat voldaan wordt aan de door deWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gestelde toegankelijkheid-, doelmatigheid- en kwaliteiteisen bij het verzorgen van hoger onderwijs en het verrichten van onderzoek.

Instrumenten

• Reguliere bekostiging (lumpsum): de rijksbijdrage, die de instellingen van hoger onderwijs en onderzoek ontvangen, is gebaseerd op de WHW. In het Bekostigingsbesluit WHW zijn bepalingen opgenomen op basis waarvan deze rijksbijdrage wordt bepaald. Zie voor een nadere toelichting:http://www.minocw.nl/, de sector hoger onderwijs, dossier bekostiging hoger onderwijs. De tabellen 6.2, 6.3, en 6.4 geven een verdeling van de middelen over hogescholen, universiteiten en academische ziekenhuizen.

• Via subsidies aan de overige organisaties van hoger onderwijs: door deze organisaties wordt bijgedragen aan coördinatie van kennis en het stimuleren van ontwikkelingen op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling. Zie voor nadere specificatie van de betreffende subsidies tabel 6.4.

• Nieuwe hbo-masteropleidingen: studenten moeten meer mogelijkheden krijgen om na de bachelorfase een hernieuwde beslissing te nemen of en waar zij een masteropleiding volgen. Nieuwe masteropleidingen in het hbo worden tijdelijk bekostigd, mits zij voldoen aan de criteria, die in de Strategische agenda worden opgenomen. Hiervoor is vanaf 2008 structureel € 5 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten: vanaf 2008 is € 15 miljoen structureel beschikbaar. Een speciale commissie gaat in 2008 plannen maken waarbij middelen zodanig worden ingezet dat de kwaliteit van onderzoek, die essentieel is voor het wetenschappelijke alfa- en gammaonderwijs (omvat tweederde van alle wo-studenten), wordt geborgd.

Kerngegevens bij de operationele doelstelling

De aantallen eerstejaars, ingeschreven studenten en gediplomeerden zijn stelselindicatoren. Ze geven een beeld van de ontwikkeling van de in- en uitstroom. In 2007 is een start gemaakt met de ontwikkeling van een overheadmonitor hbo en wo. Het is het voornemen om hiervoor in de begroting 2009 een indicator op te nemen.

Specifieke indicatoren over uitval en rendement zijn opgenomen in tabel 6.9.

Tabel 6.7 Kerngegevens (x 1000)
 2006/20072007/20082008/20092009/20102010/2011
1. Eerstejaars aantal studenten (excl. landbouw)     
  Hbo-voltijd77,878,780,582,182,8
  Hbo-deeltijd13,613,513,413,413,3
  Wo41,242,545,247,448,7
2. Ingeschrevenen aantal studenten (excl. landbouw)     
  Hbo-voltijd293,9303,7312,7321,3328,5
  Hbo-deeltijd59,858,156,856,055,4
  Wo201,8205,3211,2218,6226,3
3. Gediplomeerden (excl. landbouw)     
  Hbo-voltijd48,750,451,853,154,2
  Hbo-deeltijd13,913,413,112,912,8
  Wo27,327,227,427,828,2
Bron: OCW Referentieraming 2007, telling oktober 2006 (hbo is conform de OCW-begrotingsraming)*     
 20072008200920102011
4. Onderwijsuitgaven per student     
 Hbo5,65,65,65,65,6
  Wo5,75,85,85,85,8

* Exclusief de extra deelname als gevolg van de pardonregeling asielzoekers.

Toelichting

4. Onderwijsuitgaven per student: berekend in nominale prijzen, aantal studenten conform de Referentieraming 2007 en excl. collegegeldontvangsten.

Hbo: Exclusief de middelen voor het Deltaplan bèta/techniek, omdat deze op meerdere onderwijssectoren betrekking hebben en exclusief de FES-middelen voor Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs.

6.3.2 Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit

Motivering

De kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs moet beter en het excellente talent onder studenten moet meer gestimuleerd worden. Aan de basis is deze in orde, maar in relatie tot de ambities van Nederland als innovatieve, concurrerende economie moet de kwaliteit verbeteren. Het hoger onderwijs moet intensiever en persoonlijker worden. Het Nederlandse hoger onderwijs is ook internationaal hoger onderwijs. Door verschillende landen, waaronder Nederland, wordt hard gewerkt aan een Europese onderwijsruimte, waarin studenten mobieler zijn en instellingen intensief over grenzen heen samenwerken. De concurrentie om de beste studenten neemt toe. Ook wordt de arbeidsmarkt meer internationaal. Studenten moeten daarom worden voorbereid op werken in een internationale context.

De overheid wil daarbij stimuleren:

– door opleidingen die bewezen hebben een bijzondere meerwaarde te hebben, te belonen en door de beste (internationale) studenten beurzen te geven;

– door toe te staan dat meer onderscheid gemaakt wordt tussen studenten binnen de instelling.

Instrumenten

• Kwaliteitsverbetering docenten: de docent is de bepalende factor in de onderwijskwaliteit. De kwaliteit van de docent en van de lerarenopleiding moet dus uitstekend zijn. Instellingen krijgen in 2008 € 14,6 miljoen en vanaf 2009 structureel € 13,1 miljoen om het scholingsniveau van docenten, waaronder het werken aan promoties, te verhogen.

• Excellentie in onderwijs: tijdelijke impuls (FES: Fonds Economische Structuurversterking): de beste studenten moeten tot een voor hen hoogst mogelijk niveau worden gebracht, zodat zij zich kunnen meten met de beste studenten van andere landen. Instellingen worden uitgenodigd met voorstellen te komen voor investeringen in excellentie. Hiervoor is totaal € 50 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden toegekend aan de beste voorstellen.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent: het aantrekken van internationaal toptalent en het stimuleren van excellent talent onder studenten is een voorwaarde om de Nederlandse instellingen in de groeiende Europese concurrentiestrijd een goede uitgangspositie te bieden. In 2008 is € 14 miljoen beschikbaar voor de beloning van opleidingen die bewezen hebben een kwalitatieve meerwaarde te hebben en voor beurzenprogramma’s (zoals het Huygens Scholarship Programme) voor excellente buitenlandse studenten en Nederlandse studenten naar het buitenland. Vanaf 2009 zijn de beschikbare middelen structureel € 10 miljoen.

• Subsidie voor graduate schools: na de master moeten de beste jonge onderzoekers terecht komen bij de voor hen meest geschikte promotie-opleiding. Om dit te bevorderen wordt gestart met het inrichten van graduate schools naar het model van Amerikaanse topuniversiteiten. Hiervoor is vanaf 2008 structureel € 2 miljoen uitgetrokken.

• Subsidie voor Nederlandse instituten in het buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s) en Beeldmerk: voor een goede internationale positionering van het Nederlands hoger onderwijs worden 3 maatregelen ingezet:

1. Nuffic (Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs) heeft met de koepels en OCW een «Beeldmerk Nederland» ontwikkeld en gaat dit in 2008 invoeren.

2. Representatiekantoren verspreid over de wereld (de NESO’s) ondersteunen de generieke promotie van het Nederlands hoger onderwijs.

3. De instituten in Marokko, Turkije en Syrië (NIB’s) spelen een rol in de versterking van de internationaliseringactiviteiten en de profilering van het Nederlands hoger onderwijs.

Voor deze instrumenten is in 2008 € 7,9 miljoen en vanaf 2009 structureel € 6,9 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor een noodfonds (Libertas) voor internationale hulpacties op het gebied van hoger onderwijs (voor studenten uit Wit-Rusland en Zimbabwe). Vanaf 2008 is structureel € 1 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor projecten internationale samenwerking en beurzenprogramma’s: ten behoeve van de internationalisering voert Nuffic taken uit. Daarnaast beheert Nuffic Europese en Nederlandse onderwijsprogramma’s (zoals Leven Lang Leren, Tempus en Erasmus Mundus). Zie ook artikel 8 Internationaal Beleid.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Zolang internationale benchmarks van de kwaliteit van het hoger onderwijs niet robuust zijn, is het lastig om doelstellingen voor kwaliteit op output-niveau te hanteren. Daarom zal gemonitord worden op «throughput»-indicatoren, zoals de kwaliteit van docenten en de onderwijstijd en -intensiteit die nauw samenhangen met kwaliteit. De indicator kwaliteit docenten wordt nog ontwikkeld. Het is gewenst dat er voortgang wordt geboekt rond deze indicatoren die van belang zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn geen concrete targets geformuleerd. De indicatoren zijn relevant, maar er is geen sprake van een één op één relatie met de kwaliteit van het onderwijs. Deze indicatoren moeten in samenhang bezien worden en ingebed in een kwalitatief oordeel.

Tabel 6.8 Indicatoren
Indicator Kwaliteit en excellentieBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. Percentage studenten dat als «gemotiveerd» kan worden beschouwd18%18,6%Stijging
Bron: studentenmonitor 2006Peildatum: 2004Peildatum: 2006Peildatum: 2010
2. Studietijd, contacturen en schaal   
  a. Onderwijsintensiteit: gem. tijdsbesteding aan studiegerelateerde activiteiten in uren per week (perceptie student)   
  Hbo3336Stijging
  Wo3132Stijging
  b. Onderwijstijd: gem. aantal uren per week (contacturen; perceptie student)   
  Hbo1314Stijging
  Wo1112Stijging
Bron 2a en b: studentenmonitor 2006Peildatum: 2005Peildatum: 2006 
  c. Student/stafratio   
  • Hbo: student/onderwijzend personeel2525,7Daling
  • Wo: student/wetenschappelijk personeel onderwijs16,617,2Daling
Bron: kerncijfers 2002–2006 Peildatum Hbo: 2004Wo: 2001Peildatum Hbo: 2005 Wo: 2003 
3. Aantal Nederlandse instellingen in top 100 van beste instellingen ter wereld2 in top 1002 in top 100,waarvan 1 in top 403 in top 100 en hoogste omhoog
Bron: Sjanghai-rankingPeildatum: 2005Peildatum: 2006Peildatum: 2011
Indicator internationalisering   
4. Percentage buitenlandse studenten in NL3,7%4,9%Groei
Bron: mobiliteitsmonitor 2006Peildatum: 2002/2003Peildatum: 2003/2004 
5. Percentage NL studenten in het buitenland2,3%2,4%Groei
Bron: mobiliteitsmonitor 2006Peildatum: 2002/2003Peildatum: 2003/2004 

Toelichting

1. De indicator «gemotiveerde student» is een samengestelde indicator, opgebouwd uit variabelen uit de studentenmonitor. Het gaat om het aandeel van voltijd studenten, jonger dan 26 jaar, die meer dan 35 uur per week aan hun studie besteden, die zelf aangeven«zeer» gemotiveerd te zijn, en die hoog scoren op de indicator studie-inzet. In de studentenmonitor 2006 wordt hier een uitgebreidere toelichting op gegeven. Motivatie kan gezien worden als indicator voor de kwaliteit van het onderwijs (hoe inspirerend is het onderwijs) maar zegt tegelijkertijd ook iets over de studiecultuur van studenten en de manier waarop zij zich inzetten. Gemotiveerde studenten zijn het meest te vinden in de hbo-kunstopleidingen, in wo- en hbo-gezondheidsopleidingen en hbo-agogische en pedagogische-opleidingen.

2c. Wo: Over deze indicator vindt nader overleg plaats met de VSNU. Onderwijzend personeel is moeilijk te scheiden van wetenschappelijk personeel, door de samenhang onderzoek- en onderwijstaken.

3. De Sjanghai-ranking wordt elk jaar opgesteld door het Institute of Higher Education van de Sjanghai Jiao Tong University en heeft betrekking op wetenschappelijk onderzoek. De positionering van de instellingen is gebaseerd op een samengestelde score van een aantal gewogen indicatoren: aantal Nobelprijzen en Fields Medals behaald door alumni en stafleden, aantal hoog geciteerde onderzoekers, aantal artikelen in tijdschriften «Nature» en «Science» (alleen bèta-disciplines), aantal artikelen gerefereerd in citatie-indexen, aantal fte’s wetenschappelijke staf.

4 en 5. Mobiliteitsmonitor: met het toegenomen belang van internationalisering wordt het huidige monitoringssysteem (mobiliteitsmonitor, voorheen Bisonmonitor) niet langer toereikend geacht. Momenteel wordt gewerkt aan vervanging hiervan. De eerste onderzoeken in dit kader worden medio 2007 uitgevoerd. De eerste resultaten zullen een jaar later bekend zijn.

Aantallen buitenlandse studenten in Nederland geven wel een indicatie van de aantrekkelijkheid van het hoger onderwijs in Nederland, maar niet van het gevoerde beleid. Dit richt zich namelijk meer op kwaliteit dan op kwantiteit (zie «Koers op Kwaliteit»; Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005,29 800 VIII, nr. 72). De indicatoren om de effecten van het beleid (met name de kwalitatieve effecten) te meten, worden ontwikkeld. Deels zullen deze uit de vervanging van de mobiliteitsmonitor (zie boven) komen, deels uit de evaluaties van Kennisbeurzen (2010) en het Huygens Scholarship Programme (2008). Om deze reden is de streefwaarde ook niet in kwantitatieve termen weer te geven.

6.3.3 Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden.

Motivering

In het streven naar meer en betere hoger opgeleiden, liggen er specifiek voor het hoger onderwijs de volgende opdrachten:

• een goede doorstroom binnen het onderwijs;

• minder uitval uit het hoger onderwijs;

• een leven lang leren.

Bovenstaande punten vormen de basis van een gezonde kenniseconomie en een goed opgeleide beroepsbevolking.

Instrumenten

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls: dit kabinet gaat extra investeren in kleinschalig onderwijs door instellingen in staat te stellen meer en betere docenten aan te stellen, zodat de onderwijsintensiteit kan worden versterkt, en uitval van studenten kan worden verlaagd. Hiervoor is vanaf 2008 structureel € 10 miljoen beschikbaar.

Naast de extra middelen van het kabinet moeten de instellingen hun lumpsum en de middelen ter versterking van de kenniseconomie (Voorjaarsnota 2006) hiervoor inzetten. Laatstgenoemde middelen en de extra middelen van het kabinet worden via de lumpsum aan de instellingen uitgekeerd. Op sectorniveau worden met de VSNU en de HBO-raad over uitvalvermindering en kwaliteitsverhoging resultaatafspraken gemaakt.

In deze kabinetsperiode ligt daarbij de focus op de bachelorfase omdat daar de uitval relatief hoog is. Voor de wijze van monitoring wordt verwezen naar de in het najaar uit te brengen Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek.

• Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten: naast investeren in kleinschaligheid en meer contacturen voor studenten zal het kabinet extra investeren in de begeleiding en het studiesucces van niet-westerse allochtone studenten. Deze investeringen richten zich uitsluitend op ho-instellingen in de Randstad, omdat deze studenten zich daar concentreren en instellingen daar voor grotere uitdagingen staan. Hiervoor is vanaf 2008 structureel € 5 miljoen uitgetrokken. Voor de wijze van monitoring wordt verwezen naar de in het najaar uit te brengen Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek.

• Subsidie voor verhogen deelname studenten met een handicap door verlaging uitval: de ho-instellingen en de Stichting Handicap en Studie ontvangen tot en met 2009 subsidie om concrete knelpunten aan te pakken en de voorwaarden voor goed beleid voor de student met een handicap te verbeteren. Hiervoor is in 2008 € 3,2 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs: zorgen dat aanstaande studenten beschikken over deugdelijke vergelijkingsinformatie via onder andere een website over opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs. De website wordt beheerd door SURF. De onderliggende database, die met ingang van 1 januari 2008 door SURF wordt beheerd, is publiek en dus ook beschikbaar voor andere marktpartijen. Hiervoor is vanaf 2008 structureel € 2,4 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor Elders Verworven Competenties (EVC): in het kader van een leven lang leren is de belangrijkste opdracht voor de komende jaren het realiseren van op EVC’s aansluitende maatwerktrajecten voor werkenden. De nieuwe regeling «EVC en maatwerktrajecten werkend leren in het hbo» geeft hier ruimte voor. Vanaf 2008 is structureel € 5 miljoen beschikbaar.

• Verhogen deelname vrouwen aan de opleidingen in de ho-sectoren bèta en techniek: De ondersteuning van de Stichting vrouwen en hoger technisch onderwijs (VHTO) ten behoeve van algemene ondersteuning van de instellingen en van beleidsadvisering wordt voortgezet.

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Het aantal studenten met een aanvullende beurs geeft een indicatie van de financiële toegankelijkheid. Zie hiervoor artikel 11 Studiefinanciering, paragraaf 11.3.2 «waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders».

Tabel 6.9 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
Uitval en rendement   
1. Uitvalpercentage voltijd-studenten in de bacheloropleidingen   
  Hbo (uitval na 4 jaar, cohort 2002)20gelijk aan basiswaarde14
  Wo (uitval na 3 jaar, cohort 2003)10Idem7
Bron: CBS/1 cijfer HOPeildatum: cohort 2002/2003 Peildatum: 2011
2. Percentage studierendement na 6 jaar van voltijd-studenten Hbo (cohort 2000) en na 7 jaar van wo (cohort1999)   
  Hbo autochtoon67Idem
  Hbo niet-westers allochtoon49Idem
  Wo autochtoon71Idem
  Wo niet-westers allochtoon55Idem
Bron: CBS/1 cijfer HOPeildatum: cohort 1999/2000 Peildatum: 2014

Toelichting:

1. Het gaat hier om uitval uit de initiële opleidingsfase (bachelor en ongedeeld). Een cohort eerstejaars in hbo of wo wordt gevolgd, zolang er een ononderbroken inschrijving is in het ho. Studenten die overstappen van hbo naar wo of omgekeerd blijven dus deel uitmaken van het oorspronkelijke cohort.

Streefwaarde: voor 2014 is dat de uitval met 50% is verlaagd. Het realiseren van deze streefwaarden wordt gemonitord aan de hand van de percentages uitval van studenten met bijzondere aandacht voor hbo-studenten met een mbo-achtergrond en de onderwijstijd (gemiddeld aantal uren per week).

Daarnaast zijn er meer specifieke indicatoren voor het verbeteren van de kwaliteit, die ook zeer relevant zijn voor dit onderwerp, zie de indicatoren bij de operationele doelstelling 6.3.2.

2. Een cohort eerstejaars in hbo of wo wordt gevolgd tot een eerste einddiploma is behaald en zolang er een ononderbroken inschrijving is in het ho. Studenten die overstappen van hbo naar wo, of omgekeerd, blijven deel uitmaken van het oorspronkelijke cohort, waardoor een deel van het wo-rendement hbo-diploma’s betreft en een deel van het hbo-rendement wo-diploma’s.

Streefwaarde: rendement niet-westerse allochtone en autochtone studenten van gelijk niveau in 2014.

6.3.4 De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa.

Motivering

Om adequaat in te kunnen spelen op de eisen die de samenleving en het bedrijfsleven stellen, is de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in aansluiting van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt en de maatschappelijke vraag. Door deze kruisbestuiving worden beter opgeleide studenten afgeleverd die kunnen en willen samenwerken en moderne technieken kunnen en willen hanteren.

Instrumenten

• Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen, en Raak): voor de ontwikkeling en instandhouding van het praktijkgericht onderzoek richten de hogescholen lectoraten in en voeren projecten in het kader van de Raak-regeling uit. De lectoraten (inclusief kenniskringen) zorgen voor de interne kennisinfrastructuur en voor de eerste verbanden met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Via de Raak-regeling worden lectoraten aan externe netwerken gekoppeld en krijgt praktijkgericht onderzoek via vraagsturing vorm. In de huidige Raak-aanpak ligt het accent op netwerkvorming en kenniscirculatie. Deze aanpak zal worden uitgebreid naar programmatisch praktijkgericht onderzoek. Vanaf 2008 is hiervoor structureel € 61,9 miljoen beschikbaar.

• Deltaplan bèta/techniek; subsidie aan het Platform bèta/techniek: dit platform voert de activiteiten uit in het kader van het Deltaplan bèta/techniek. Basis voor het beleid in 2008 is het beleidskader 2007–2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 111). Uit de evaluatie (midterm-review) van het beleid die in 2006 is gehouden, blijkt dat meer aandacht nodig is voor de instroom in het hbo, de deelname van meisjes en vrouwen en de arbeidsmarkt. Gegeven het oplopende tekort aan technici en technologen richt het kabinet begin 2008 de Taskforce Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt op, waarin het bedrijfsleven een leidende rol krijgt.

• FES; investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs: vanuit het FES wordt over drie jaar in totaal extra € 20 miljoen geïnvesteerd om randvoorwaardelijk knelpunten van het onderwijs in bèta en techniek aan te pakken. Voor het hoger onderwijs gaat het om projecten gericht op uitwisseling van docenten vo en ho en het bijscholen van pabo-studenten.

• 3TU’s: er wordt extra geïnvesteerd in de drie Technische Universiteiten, TU Delft, TU Eindhoven en Universiteit Twente. Doel is meer focus en massa in het onderzoek. De 3TU’s krijgen uit het FES voor de periode 2007–2011 € 50,3 miljoen uit het FES voor de oprichting van vijf gezamenlijke toponderzoeksinstituten (centers of excellence). In de vijf centers of excellence bundelt de 3TU-federatie het toponderzoek op een aantal belangrijke gebieden, te weten: Nanotechnology, ICT, Sustainable Energy, High Tech Systems and Materials en Fluid and Solid Mechanics.

• Ondernemerschap: met FES-gelden wordt onder meer de oprichting van centers of entrepreneurship in het hoger onderwijs en ondernemerschapsprojecten in po, vo en bve gestimuleerd. Dit alles biedt een goede basis. De volgende fase is het verankeren en professionaliseren. Zie voor nadere toelichting de begroting van het ministerie van Economische Zaken, beleidsartikel 3, operationele doelstelling 2 «meer en beter ondernemerschap».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Indicator 4 is een goede graadmeter voor de «olievlekwerking» van de activiteiten van de lectoren en kenniskringen op met name het onderwijsgebied in de hogescholen.

De nadruk bij de indicatoren ligt nu op kwantitatieve gegevens. Daarnaast moet juist ook de impact van deze functie in kwalitatieve zin zichtbaar worden: hoe dragen lectoraten en Raak bij aan onderwijs en innovatie? Dat moet ook de basis zijn voor de ontwikkeling van een kwaliteits-zorgsysteem voor praktijkgericht onderzoek aan hogescholen, dat vanaf 2009 operationeel zal zijn. De formulering van kwalitatieve indicatoren wordt onderdeel van de jaarlijkse evaluaties en de voorbereiding van het kwaliteitszorgsysteem. Op basis van de indicatoren zoals beschreven en gemeten in de nulmeting van april 2006 (Tweede Kamer 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 220) vindt in 2008 een beleidsdoorlichting van de lectoren plaats. Deze wordt gecombineerd met een beleidsdoorlichting van de Raak-regeling.

Tabel 6.10 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
Raak-regeling   
1. In projecten betrokken bedrijven en professionals1 0752 2007 900
 Peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum 2011
Samenhang Raak-lectoren   
2. Percentage lectorendie in Raak-projecten zijn betrokken85%87%90%
Bron: SIA, augustus 2006Peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2011
Lectoren   
3. Gemiddelde omvang kenniskring extern en intern   
  – in fte0,61,7Max. 2,0
  – in personen49,2Max. 10
 Peildatum: 2003Peildatum: 2006Peildatum: 2008
Deltaplan bèta/tehniek   
4. Percentage instroom t.o.v. 2000   
  Hbo0– 7,5%15,0%
  Wo021,7%15,0%
  Totaal hbo+wo (gewogen gemiddelde) 1,6%
Bron: Cfi, tellingen 1 cijfer hoPeildatum: 2000Peildatum: 2006Peildatum: 2010
5. Percentage uitstroomt.o.v. 2000   
  Hbo0– 1,25%15,0%
 Wo029,5%15,0%
  Totaal hbo+wo ( gewogen gemiddelde) 7,1%
Bron: Cfi, tellingen 1 cijfer hoPeildatum: 2000Peildatum: 2006Peildatum: 2010

Toelichting:

2 en 3. Schatting meest recente waarde op basis van eerdere meetgegevens. Cijfers zijn voorjaar 2008 definitief bekend.

3. Er is een grens aan het aantal kenniskringleden dat een lector kan aansturen. Deze is gesteld op 10 personen met een aanstellingsomvang van 0,2 fte.

6.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 6.11
 OnderzoekOnderwerpAD of ODAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingGecombineerd: Raak en lectoren/kenniskringenOD 6.3.42008/2009 
Effectenonderzoek ex postN.v.t.   
Overig evaluatieonderzoekBachelor-MasterstructuurOD 6.3.12008 
 AccreditatieOD 6.3.12008 
 Ruim baan voor talentOD 6.3.22008 
 HSP (Huygens Scholarship Programme)OD 6.3.22008 
 EVC (Erkenning elders verworven competenties)OD 6.3.32008 
 Platform bèta/techniekOD 6.3.42008 

ARTIKEL 8. INTERNATIONAAL BELEID

8.1 Algemene beleidsdoelstelling: het bevorderen van internationale samenwerking, om daarmee de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap een impuls te geven en de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Omschrijving

De samenleving mondialiseert: economie, arbeidsmarkt, bestuur, wetenschap en cultuur krijgen een steeds internationaler karakter. Het is zeker voor Nederland – als open handelsland dat zich profileert als aantrekkelijk land van kennis en cultuur – cruciaal dat de generaties van de toekomst in het onderwijs van nu een internationale oriëntatie meekrijgen en de noodzakelijke internationale competenties verwerven. Bij deze competenties gaat het om de noodzakelijke kennis en vaardigheden om in een internationale omgeving te kunnen werken en leven. Uiteindelijk is dat een taak voor onderwijsinstellingen en hun docenten en lerenden en hun ouders, maar ook de overheid heeft hier een verantwoordelijkheid.

OCW stimuleert onderwijsinstellingen, lerenden en docenten tot internationale oriëntatie en samenwerking, bevordert culturele en wetenschappelijke uitwisseling en ondersteunt organisaties en instellingen die internationaal opereren. Tevens werkt OCW aan de internationale bestuurlijke randvoorwaarden en benut internationale kennis voor het eigen nationale beleid. Daartoe participeert OCW in multilaterale organisaties als de Europese Unie, de Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling, de Raad van Europa en de UNESCO en werkt bilateraal samen met diverse andere landen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het scheppen van goede randvoorwaarden voor een verdere internationalisering van onderwijs, cultuur en wetenschap, zowel nationaal als internationaal.

Externe factoren

Behalen van de doelstelling hangt af van:

• Inzet van instellingen, organisaties, lerenden, docenten, wetenschappers en kunstenaars zelf.

• De buitenlandpolitieke situatie.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Goed meetbaar is de internationale mobiliteit van lerenden. OCW brengt hier jaarlijks verslag over uit aan de Tweede Kamer via het Rapport Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland (IMON) , dat wordt opgesteld door organisaties die mobiliteitsprogramma’s uitvoeren (Nuffic, CINOP en Europees Platform).

Het IMON-rapport over het jaar 2006 is per brief van 27 juni 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,22 452, nr. 30) aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

In 2008 zal een internationaliseringsindex worden ontwikkeld die ook in de begroting wordt opgenomen (zie verder onder operationele doelstelling 8.3.1).

8.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen artikel 8 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012HGIS-deel 2008
Verplichtingen17 81514 88017 99018 17017 75018 50218 5521 254
Waarvan garantieverplichtingen        
Totale uitgaven (programma + apparaat)16 50718 28919 00418 97018 55018 55218 5521 254
Programma-uitgaven13 59215 22716 24216 20715 78715 78915 7891 254
         
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijden- de mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschapperste vergroten8 8029 67110 57410 39710 29710 29710 297670
• Mobiliteitsprogramma’s6 3126 2507 1437 1167 1167 1167 116 
• Bilaterale samenwerking met andere landen2 4903 4213 4313 2813 2813 2813 281670
         
In internationaal verband waarborgen van de OCW- belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid4 7905 5565 6685 8105 4905 4925 492584
• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland1 4361 8371 7771 7711 4711 4491 449250
• Participeren in multilaterale organisaties3 0433 1293 2823 2323 2323 2323 232 
• Stimuleren van internationale uitwisseling van kennis en cultuur, beleidsonderzoek en benchmarking311590609807787811811334
         
Apparaatsuitgaven2 9153 0622 7622 7632 7632 7632 763 
Ontvangsten818799999999999 
Tabel 8.2 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)16 24216 20715 78715 78915 789
Totaal juridisch verplicht7 4355 7514 5773 8273 777
Totaal bestuurlijk gebonden8 53210 16010 93411 66211 712
Totaal niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden275296276300300
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten10 57410 39710 29710 29710 297
• Juridisch verplicht2 63797480050 
• Bestuurlijk gebonden7 9379 4239 49710 24710 297
• Niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden     
      
In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid5 6685 8105 4905 4925 492
• Juridisch verplicht4 7984 7773 7773 7773 777
• Bestuurlijk gebonden5957371 4371 4151 415
• Niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden275296276300300

Toelichting:

De niet juridisch of niet bestuurlijk gebonden middelen zijn wel beleidsmatig geoormerkt. Deze middelen zijn bestemd voor activiteiten en projecten in EU-verband en voor internationaal beleidsonderzoek, kennisuitwisseling en benchmarking.

8.3 Operationele doelstellingen

8.3.1 Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Motivering

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen draagt in belangrijke mate bij aan de algemene beleidsdoelstelling. Het betreft beleid dat niet alleen op dit artikel wordt gerealiseerd. Veel internationaliseringsbeleid is elders ondergebracht binnen de OCW-begroting, derhalve is hieronder in de eerste plaats een overzicht opgenomen van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel en daaraan gekoppeld welk deel daarvan deel uitmaakt van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), die wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Instrumenten

• Mobiliteitsprogramma’s (beurzen e.d.).

• Bilaterale samenwerking met andere landen (via organisaties en instellingen).

Tabel 8.3 Internationale uitgaven OCW(x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Primair onderwijs (artikel 1)15 80616 46216 64016 64016 64016 64016 640
Voortgezet onderwijs (artikel 3)2 5392 7522 7522 7522 7522 7522 752
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie (artikel 4)728871751701701641641
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)4 0063 4533 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)72 34073 64172 08972 06472 05272 05272 052
Internationaal beleid (artikel 8)13 59215 22716 24216 20715 78715 78915 789
Informatieen communicatietechnologie (artikel 10)100100     
Studiefinanciering (artikel 11)57732 30053 20055 50057 90060 90060 700
Internationaal cultuurbeleid (artikel 14) *2 430      
Kunsten (artikel 14)6 8647 3307 9767 9767 9767 9767 976
Cultureel erfgoed (artikel 14)1 0491 6341 6341 4091 4091 4091 409
Media (artikel 14 en 15)44 46844 25044 89045 54046 19946 86846 868
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)74 94075 74875 76976 34075 90075 94976 240
Totaal239 439273 768295 396298 582300 769304 429304 520

* De gelden voor internationaal cultuurbeleid zijn met ingang van het jaar 2007 verdeeld over de artikelen 08, 14, en 15.

Toelichting:

De uitgaven in de tabel zijn toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Tabel 8.4 Homogene groep internationale samenwerking ( x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)3 7623 7623 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)55 36856 29356 50456 50456 49256 49256 492
Internationaal beleid (artikel 8)1431 2541 2541 4811 4811 4811 481
Internationaal cultuurbeleid (artikel 14)*1 270      
Kunsten (artikel 14) 868686868686
Cultureel erfgoed (artikel 14)11014514535353535
Media (artikel 14) 454545454545
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)454454454454454454454
Totaal61 10762 03961 94162 05862 04662 04662 046

* De gelden voor internationaal cultuurbeleid zijn met ingang van het jaar 2007 verdeeld over de artikelen 08 en 14.

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene Groep Internationale Samenwerking maken deel uit van de uitgaven opgenomen in tabel 8.3 «Internationale uitgaven OCW».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

De eerder genoemde Internationaliseringsindex zal in overleg met Nuffic, CINOP en het Europees Platform worden ontwikkeld. Aandacht wordt besteed aan definitiekwesties (hoe bijv. om te gaan met onderscheid tussen diplomamobiliteit, studiepuntenmobiliteit en programmamobiliteit) en aan meetproblemen. Doelstelling is tot een realistische en beperkte set indicatoren te komen voor het gehele stelsel: bijvoorbeeld de volgende (getallen bij wijze van voorbeeld zijn ontleend aan IMON 2006):

• Participatiegraad po-scholen in Internationaliseringsprogramma’s (6%)

• Participatiegraad vo-scholen in Internationaliseringsprogramma’s (70%)

• Percentage mobiele bve-leerlingen (0,58%) + internationale benchmark (middenmoot)

• Percentage mobiele Nederlandse studenten in buitenland + internationale benchmark

• Percentage buitenlandse studenten in Nederland + benchmark (onder EU-gemiddelde)

Tabel 8.5 Middelen toedeling op artikel 8 aan organisaties voor het stimuleren van internationalisering (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Europees Platform:5 7045 3885 3165 2895 2895 2895 289
• Nationale programma’s2 9002 9002 9002 9002 9002 9002 900
• Overige programma’s (w.o. KANS)1 9141 5651 4931 4661 4661 4661 466
• Kerntaken, ontwikkeling en analyse890923923923923923923
        
Nuffic:2005181 4191 4191 4191 4191 419
• Programma Leven Lang Leren2005181 4191 4191 4191 4191 419
        
Duitsland Instituut Amsterdam:750800800800800800800
        
Frans Nederlands Netwerk:71777777777777
        
EVDbureau CROSS:1 6191 8001 8241 7241 6241 6241 624
• Programma’s Centraal- en Oost-Europa1 3241 5191 5191 4191 3191 3191 319
• Uitvoeringskosten EVD bureau CROSS295281305305305305305
        
Fulbright Center:408408408408408408408
        
Vlaams Nederlands Huis: 500500500500500500
Totaal8 7529 49110 34410 21710 11710 11710 117

8.3.2 In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid

Motivering

Om de Nederlandse belangen die gepaard gaan met het internationalisering-proces in het buitenland te behartigen, is een strategische inzet noodzakelijk in de EU, in multilaterale organisaties als de OESO en UNESCO, in samenwerkingsverbanden als de Nederlandse Taalunie en in bilaterale samenwerking. Tevens biedt de internationale omgeving een schat aan kennis die kan worden benut voor nationaal beleid (bijv. benchmarks, best practices in andere landen, OESO-reviews/rapporten etc). Het gaat er hierbij steeds om de internationale agenda optimaal aan te sluiten op de nationale.

Instrumenten

• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland.

• Participeren in multilaterale organisaties.

• internationale uitwisseling van kennis en cultuur, internationaal beleidsonderzoek en benchmarking (government to government).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicatoren zijn hier weinig zinvol, het is niet goed mogelijk om een kwantitatieve relatie te leggen tussen de Nederlandse inzet in internationaal overleg met vele actoren en het bereiken van internationale doelen.

8.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het beleid

Het jaarlijkse Rapport Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland (IMON) dat hiervoor reeds is genoemd.

De EU-programma’s Socrates en Leonardo zijn in 2007 geëvalueerd, het EU-programma Leven Lang Leren zal in 2009 voor het eerst worden geëvalueerd. Deze evaluatie is verplicht.

Tabel 8.6
 OnderzoekOnderwerpOperationele doelstellingA. StartB. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekOnderzoek naar internationale mobiliteitStimuleren van internationalisering, grensoverschrijden- de mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.A. 2008B. 2008Rapport Internationale Mobiliteit in het Onderwijs (IMON)nuffic.nl/#>http:/www.nuffic.nl
Overig evaluatieonderzoekOnderzoek naar EU-programma Leven Lang LerenStimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.A. 2009B. 2009 

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

9.1 Algemene doelstelling: de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers

Omschrijving

Voor goed onderwijs zijn voldoende goed opgeleide leraren een eerste voorwaarde. Vanaf 2010 dreigt er een tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs wordt een tekort aan schoolleiders verwacht. Onderwijsinstellingen staan voor de uitdaging nieuw, hoog opgeleid personeel te werven. Ze moeten daarbij concurreren met andere maatschappelijke sectoren.

Om onderwijsinstellingen te helpen voldoende goed gekwalificeerd personeel aan te trekken, zal in de komende Kabinetsperiode geïnvesteerd worden op de volgende drie thema’s:

• De aanpak van het tekort aan leraren;

• De verbetering van de positie van leraren;

• De versterking van de kwaliteit van leraren.

In mei jongstleden is als uitwerking van het coalitieakkoord een commissie onder leiding van Alexander Rinnooy Kan ingesteld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,30 800, nr. 125). Deze commissie is gevraagd een advies uit te brengen over het verder professionaliseren van het beroep van leraar, het tegengaan van werkdruk en het terugdringen van het lerarentekort. De regering heeft op het moment van schrijven het advies nog niet ontvangen, en zal na ontvangst komen met een reactie.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is er verantwoordelijk voor dat het onderwijsstelsel zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor voldoende en goed gekwalificeerd onderwijspersoneel en voor de (borging van de) kwaliteit van de opleiding van het onderwijspersoneel.

De middelen die hem hiervoor ter beschikking staan zijn wet- en regelgeving, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs.

Externe factoren

Het onderwijs ter plaatse is mede afhankelijk van de inzet van leerlingen en studenten, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties, gemeenten en bedrijven (aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn:

• De invloed van de conjunctuur op de onderwijsarbeidsmarkt en de loonontwikkeling;

• Demografische ontwikkelingen in de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Elke arbeidsmarkt kent mobiliteit: vacatures ontstaan en worden vervuld. Als in het onderwijs echter het aantal openstaande vacatures te ver uitstijgt boven de gebruikelijke «frictievacatures», dan ontstaat het risico dat lessen uitvallen en leerlingen naar huis worden gestuurd. De kwaliteit van het onderwijs is in het geding als het vacaturepercentage van leraren en schoolleiders groter dan 1% van de werkgelegenheid wordt.

Voor de sectoren po, vo en bve bedroeg het vacaturepercentage van leraren en schoolleiders in 2006 gemiddeld respectievelijk 0,3%, 0,3% en 0,5%. Deze percentages vallen ruim binnen de risicogrens van 1%. In het vo en bve vond in 2006 wel een flinke toename plaats, in beide sectoren was eind 2006 het aantal vacatures bijna dubbel zo hoog als eind 2005. Over alleen het vierde kwartaal van 2006 was het vacaturepercentage in het vo 0,5% en in het bve over alleen het (laatst bekende) derde kwartaal van 2006 zelfs 0,9%.

Vooral in het vo wordt voor de komende jaren bij overigens gelijkblijvende omstandigheden een aanzienlijk tekort van leraren voorzien: in 2011 bij hoogconjunctuur een tekortpercentage van 6,1%, bij laagconjunctuur is dit 1,5%. Met beleidsmaatregelen zullen de omstandigheden beïnvloed moeten worden om het tekortpercentage binnen de risicogrens van 1% te kunnen houden.

Tabel 9.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde 2006Streefwaarde 2008
1. Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in po, vo en bve, fte’s900 (0,3%)Kleiner dan 2 200 (< 1%)
Bron: Arbeidsmarktbarometer po, vo, bve  
2. Aandeel lessen dat verzorgd wordt door gekwalificeerd personeelZie toelichtingZie toelichting
Bron: IPTO  

Toelichting:

1. Het gaat bij de streefwaarde van het aantal openstaande vacatures om de nog te vervullen vraag. Elk jaar ontstaan vacatures door de vraag naar nieuw personeel in verband met uitbreiding of vervanging. Daar waar de instroom onvoldoende is om aan deze vraag te voldoen wordt gesproken van de nog te vervullen vraag; zie ook bijgevoegde Nota Werken in het onderwijs (Nota WIO).

2. Onder gekwalificeerde leraren wordt verstaan:

• leraren die benoembaar zijn op basis van een bevoegdheid en die hun bekwaamheid onderhouden;

• leraren die nog geen bevoegdheid hebben maar wel benoembaar zijn omdat zij een opleiding volgen naar een bevoegdheid.

Per 1 augustus 2006 is de Wet op de beroepen in het onderwijs (Wet BIO, Stbl. 2004, nr. 344) ingevoerd. Met het inwerking treden van deze wet zijn de regels ten aanzien van het benoemen van leraren verscherpt. De meest recente cijfers over bevoegdheid/benoembaarheid zijn nog gebaseerd op oude wetgeving. In het najaar 2007 komen gegevens beschikbaar over het schooljaar 2006/2007. Deze indicator wordt vanaf de begroting 2009 opgenomen.

9.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen160 342142 937177 707189 965190 123190 131190 131
waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven160 342142 937177 707189 965190 123190 131190 131
        
Programma-uitgaven:157 312139 199174 720187 008187 027187 034187 034
        
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel57 07855 33995 897104 736104 416104 416104 416
• Arbeidsmarkt33 70835 43117 05524 31924 31924 31924 319
• Arbeidsvoorwaarden12 7259 77810 54812 12311 80311 80311 803
• Sociale zekerheid10 64510 13010 40010 40010 40010 40010 400
Enveloppe lerarenbeleid  57 89457 89457 89457 89457 894
        
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit39 89249 82144 83348 27948 61648 62348 623
• Opleiding en scholing33 48642 09436 83640 00340 31340 31340 313
• Versterking beroepsgroep6 4067 7277 9978 2768 3038 3108 310
        
Programmakosten overig       
• ZVOO *58 19531 95131 91031 91331 91531 91531 915
• CFI2 1472 0882 0802 0802 0802 0802 080
        
Apparaatsuitgaven:3 0303 7382 9872 9573 0963 0973 097
Ontvangsten463      

* in 2006 zijn de laatste ZVOO-uitkeringen betaald, vanaf 2007 worden de middelen in het kader van de nieuwe zorgverzekeringswet ondergebracht bij de scholen/instellingen.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor het artikel 9 enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 58 miljoen in 2008 tot indicatief € 240 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Mede op basis van het advies van de Commissie Leraren, onder leiding van de heer Rinnooy Kan, worden maatregelen genomen om het tekort aan leraren en schoolleiders aan te pakken, de positie van de leraar te versterken en de kwaliteit van de leraar te verbeteren. In oktober publiceert OCW een actieplan. In dit actieplan worden de gereserveerde bedragen concreet ingevuld.

Tabel 9.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)140 730153 015153 032153 039153 039
Totaal juridisch verplicht48 14323 28322 95622 95622 956
Totaal bestuurlijk gebonden92 437129 582129 926129 933129 933
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden150150150150150
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel     
• Juridisch verplicht25 00019 45619 45619 45619 456
• Bestuurlijk gebonden70 74785 13084 81084 81084 810
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden150150150150150
      
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit     
• Juridisch verplicht23 1433 8273 5003 5003 500
• Bestuurlijk gebonden21 69044 45245 11645 12345 123
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

9.3 Operationele doelstelling

9.3.1 Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel

Motivering

Schoolbesturen voeren en ontwikkelen toekomstgericht personeelsbeleid. Om daarin effectief te zijn moeten ze (regionaal) samenwerken. OCW ondersteunt de schoolbesturen daarbij. Ook zijn concurrerende arbeidsvoorwaarden en een goed stelsel van sociale zekerheid van belang voor de aantrekkelijkheid van beroepen in het onderwijs. Daarbij komt dat er vanaf 2010 tekorten dreigen aan schoolleiders (po) en leraren (vo en mbo), terwijl ook de kwaliteit van het onderwijspersoneel onder druk staat.

Instrumenten

• Arbeidsmarkt

Voor een goed werkende onderwijsarbeidsmarkt is nodig dat onderwijsinstellingen professionele arbeidsorganisaties zijn die zelfstandig en vernieuwend opereren. Zij moeten een eigen invulling geven aan integraal personeelsbeleid, gebaseerd op een visie op de onderwijskundige inrichting en met oog voor de toekomst. Daarbij hoort dat ze een aandeel nemen in het opleiden van onderwijspersoneel en het personeel in staat stellen te voldoen aan bekwaamheidseisen en die ook te onderhouden. Scholen en lerarenopleidingen voeren binnen regionale platforms gezamenlijk arbeidsmarktbeleid.

Daarnaast geven ramingen inzicht in toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsmarktposities van de sector onderwijs. Hiermee onderbouwt OCW zijn beleid, bovendien worden de ramingen beschikbaar gesteld aan de scholen. Zie ook Nota Werken in het onderwijs.

Om de samenwerking tussen het voortgezet en het hoger onderwijs te intensiveren en de dreigende tekorten aan eerstegraders in het voortgezet onderwijs aan te pakken, wordt er mobiliteit mogelijk gemaakt tussen docenten van deze onderwijssectoren. Tot 2010 kunnen in totaal 800 universitaire (hoofd)docenten in bètatechniek met behulp van een mobiliteitsregeling worden ingezet in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd worden 400 bètatechnische docenten uit het voortgezet onderwijs ingezet in het wetenschappelijk onderwijs.

• Arbeidsvoorwaarden

Het lerarenbeleid richt zich primair op bestrijding van het dreigende lerarentekort, verbetering van de kwaliteit van de leraar en versterking van de positie van de leraar binnen de school. Voor de wervingspositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden en voor het algemene maatschappelijke imago van onderwijsberoepen is het van cruciaal belang dat de sector goede arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden kan bieden.

Met uitzondering van de sector primair onderwijs, is de arbeidsvoorwaardenvorming in het onderwijs volledig gedecentraliseerd. In de andere onderwijssectoren voeren branche/ sectororganisaties, namens de aangesloten instellingen, het cao-overleg met de daarvoor in aanmerking komende vakbonden. Het kabinet stelt voor deze sectoren vooraf vast wat de kabinetsbijdrage in de arbeidsvoorwaardenontwikkeling is. Werkgevers en werknemers bepalen vervolgens in onderling overleg hoe zij de beschikbaar gestelde arbeidsvoorwaardenruimte inzetten.

Voor het primair onderwijst stelt de minister van OCW de primaire arbeidsvoorwaarden, na overleg met de vakbonden (centrales) vast. De huidige centrale cao 2005–2007 is per 1 juli 2007 geëxpireerd.

De secundaire arbeidsvoorwaarden zijn, gelijktijdig met invoering van de lumpsum, al gedecentraliseerd. In overleg met de Werkgeversvereniging PO en de centrales wordt op dit moment bezien aan welke condities en randvoorwaarden moet worden voldaan om ook in het primair onderwijs tot volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming te komen. Belangrijk aandachtspunt daarbij is de mogelijke invloed van verdere decentralisatie op de bestuurlijke schaal en bureaucratisering.

• Sociale zekerheid

De ontwikkelingen en regelingen op het terrein van arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim en re-integratie (AVR) is van invloed op de kwantiteit en de kwaliteit van het onderwijspersoneel. De intensivering van het beleid op het terrein van AVR – vooral door het Arboconvenant O&W – heeft tot duidelijke en positieve resultaten geleid en tot een grotere bewustwording bij instellingen van het belang hiervan. De gemiddelde daling van het ziekteverzuim in de hele sector onderwijs in de periode 2000–2006 bedraagt ruim 28 procent. In 2006 is het verzuim (licht) blijven dalen, de verwachting voor komende jaren is dat het verzuim in het onderwijs stabiliseert.

In 2005 is het zogeheten arbo«plus»convenant afgesloten in de sector primair- en voortgezet onderwijs (po/vo) en in de sector bve. Doelstelling is de reductie van psychosociale belasting en het stimuleren van verzuim- en re-integratiebeleid. De convenanten worden in 2007 afgerond en geëvalueerd. Het doel voor de jaren daarna is het borgen van de resultaten en de verdere brede inbedding van het ontwikkelde beleid, maatregelen en instrumenten binnen de onderwijssector. Dit kan gerealiseerd worden door middel van maatwerk per sector, bijvoorbeeld door het opnemen van AVR-onderwerpen in decentrale cao’s. Voor de sectoren bve en het hoger onderwijs geldt al dat de sectororganisaties volledig verantwoordelijk zijn voor het AVR beleid.

De inzet van OCW is dat ook de sectoren po en vo verantwoordelijkheid krijgen over de invulling van het AVR beleid. Dit uit zich door de Arbocatalogi die in de komende periode door sociale partners binnen deze sectoren zelf worden opgezet en uitgevoerd. OCW ondersteunt het AVR-beleid door de Stichting Vervangingsfonds voor het primair onderwijs en het Arboservicepunt VO («Arbo VO») voor het voortgezet onderwijs te subsidiëren. Deze organisaties ontwikkelen en implementeren het AVR-beleid, (preventief) verzuimbeleid, en landelijke adviestaken voor de eigen sector. Daarnaast zullen zij in 2007, in het kader van flankerend beleid ziekteverzuim, de «workability index» invoeren.

• Enveloppe lerarenbeleid

Het aanpakken van de dreigende tekorten aan schoolleiders (po) en leraren (vo en mbo), de verbetering van de positie van leraren en de versterking van de kwaliteit van leraren vragen om een voortvarende aanpak. Het kabinet heeft de Commissie Leraren onder leiding van Alexander Rinnooy Kan gevraagd hierover advies uit te brengen. Dit advies wordt nadrukkelijk betrokken bij de nadere uitwerking van beleid en de inzet van middelen. Op hoofdlijnen zal het beleid zich in de komende Kabinetsperiode richten op:

• Beloning en ondersteuning schoolleiders;

• Beloning en scholing leraren;

• Maatregelen voor werving en behoud.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2005Streefwaarde 2008
1. Het aandeel afgestudeerden aan de lerarenopleiding met een baan (≥ 12 uur) in het onderwijs, anderhalf jaar na afstuderen:  
primair onderwijs79%gelijk of hoger
voortgezet onderwijs73%gelijk of hoger
Bron: Loopbaanmonitor EcorysBasiswaarde 2006Streefwaarde 2008
2. Ziekteverzuimpercentage  
• primair onderwijs5,9%gelijk of minder
• voortgezet onderwijs5,0%gelijk of minder
• speciaal Onderwijs6,3%gelijk of minder
• bve5,8%gelijk of minder
Bron: Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt, Arboservicepunt BVE en VO-raad.

9.3.2 Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit

Motivering

Voor goed onderwijs zijn leraren nodig die zelfbewust en kritisch zijn en voldoen aan eisen van kwaliteit, zoals onder andere vastgelegd in de bekwaamheidseisen voor leraren. Het gaat om mensen die in de school een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van het onderwijs en in staat zijn het onderwijs zo in te richten dat kinderen, jongeren en volwassenen hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Dit vraagt om een sterke beroepsgroep, lerarenopleidingen waarvan de kwaliteit niet ter discussie staat en scholen die goed personeels- en opleidingsbeleid voeren.

Instrumenten

• Opleiding en scholing

De lerarenopleidingen hbo en wo werken in de periode 2006–2008 aan de implementatie van de afspraken die zijn gemaakt over verbetering van kwaliteit en samenwerking van de lerarenopleidingen in de gezamenlijke beleidsagenda «Meer kwaliteit en differentiatie: de lerarenopleidingen aan zet». Eén van de afspraken betreft de verbetering van de reken- en taalvaardigheid van instromers in de opleiding tot leraar basisonderwijs door middel van diagnostische toetsing en remediëring, zowel in de lerarenopleiding basisonderwijs als in instellingen voor vo en bve.

In de periode 2006–2008 investeren lerarenopleidingen ook in versterking van de onderlinge samenwerking in regionale samenwerkingsverbanden en landelijke expertisecentra. In de samenwerkingsverbanden wordt gewerkt aan onderlinge afstemming van het opleidingenaanbod op de vraag van scholen, aan het behoud van een toegankelijk aanbod in onder andere de «kleine vakken» en verbetering van de doorstroom van leraren binnen de onderwijskolom. De landelijke expertisecentra werken aan bundeling en ontwikkeling van inhoudelijke en didactische expertise en overdracht van die expertise aan lerarenopleidingen en scholen.

Onderwijsinstellingen voor po, vo en bve leiden steeds vaker hun eigen personeel op de werkplek op. Een deel van de scholen voorziet met opleiden in de school in meer dan de eigen personeelsbehoefte. Andere scholen, de zogenoemde academische scholen, verbinden opleiden in de school met schoolontwikkeling, innovatie en onderzoek. In de dieptepilot voor de opleidingsschool en academische school 2005–2008 wordt onderzocht onder welke voorwaarden die scholen een succes kunnen zijn, welke investeringen, zowel in personele als materiële zin, deze scholen moeten doen en hoe financiering vanuit OCW op termijn vorm kan krijgen. Er nemen 37 samenwerkingsverbanden van scholen/instellingen voor po, vo en bve deel aan de dieptepilot, die daarvoor subsidie ontvangen van OCW. In deze projecten werken verschillende scholen samen met verschillende opleidingen, universiteiten, en onderzoeksinstituten.

In het basisonderwijs doen ruim 1 900 scholen mee in het Programma Verbetering Techniek Basisonderwijs (VTB). De komende jaren zullen de natuur- en techniek en rekencompetenties van 5 000 VTB-docenten uit het basisonderwijs worden vergroot. Hierdoor wordt de kwaliteit van het basisonderwijs verbeterd, vooral in de domeinen natuur en techniek. Ook lopen hbo- en wo-studenten stage in het basisonderwijs. Op die manier wordt bestaande bèta- en techniekkennis vanuit de buitenwereld het primair onderwijs binnengebracht.

• Versterking beroepsgroep

Om het aanzien van het beroep te verhogen en innovaties in het onderwijs succesvol door te kunnen voeren is het noodzakelijk de positie en rol van de onderwijsprofessional te versterken. Leraren en ander onderwijspersoneel moeten meer zeggenschap krijgen over het beleid van de school en tevens de kans krijgen hun professionaliteit, zowel vakinhoudelijk als onderwijskundig, te vergroten. Om de professional beter in positie te brengen, ondersteunt OCW de uitvoering van deze agenda via een subsidie aan de Stichting Beroepskwaliteit leraren en ander onderwijspersoneel (SBL).

De Commissie Rinnooy Kan brengt onder andere advies uit over de meest kansrijke aanpak om te komen tot een volwaardige professionele verantwoordelijkheid en rol van de leraar binnen de onderwijsinstelling. Over maatregelen om de beroepsgroep te versterken zal op basis van dit advies worden besloten. De uitvoering van maatregelen die uit het advies van de lerarencommissie voortvloeien gebeurt in overleg met de beroepsgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2006Streefwaarde 2008
1. LerarenopleidingenZie toelichtingZie toelichting
2. Tevredenheid ouders over kwaliteit leraren  
• primair onderwijs7,7te behouden
• voortgezet onderwijs7,1te behouden
Bron: Onderwijsmeter  

Toelichting:

1. Er wordt een indicator ontwikkeld die de prestaties van lerarenopleidingen in beeld brengt.

2. Ouders beoordelen jaarlijks de kwaliteit van de leraar van hun kind met een rapportcijfer. Het is de ambitie om de waardering 2006 in de toekomst ten minste te behouden.

9.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 9.6
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingProgramma OnderwijspersoneelAD + OD 9.3.2B. December 2007Brief TK
Effectenonderzoek ex postN.v.t.   
Overig evaluatieonderzoekArbeidsmarktbarometers po, vo, bve 2007–2008OD 9.3.1A. Juli 2007B. September 2008Zie toelichting
 Loopbaanmonitor2005–2008OD 9.3.1A. 2005B. September 2008 
 2008 Monitor Arbeid, Zorg en Levensloopfaciliteiten 2007OD 9.3.1A. Juli 2007B. September 2008Zie toelichting
 Lesuitval en onderwijstijd in het vo 2007/2008OD 9.3.1A. Oktober 2007B. September 2008Zie toelichting
 Vakmensen voor de klas 2006–2009OD 9.3.1A. Juli 2007B. September 2008Zie toelichting
 ZiekteverzuimonderzoekOD 9.3.1A. Mei 2007B. September 2008Zie toelichting
 Integrale Personeelstelling voOD 9.3.2A. September 2007B. Februari 2008Zie toelichting
 Onderzoek eindexamencijfers in het voOD 9.3.2A. Juni 2007B. September 2008Zie toelichting

Toelichting:

De resultaten van alle onderzoeken op het terrein van de onderwijsmarkt en het onderwijspersoneel worden ieder jaar gepubliceerd in de Nota Werken in het onderwijs die samen met de andere begrotingsstukken op Prinsjesdag wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.

De onderliggende eindrapportages worden gepubliceerd in de reeks Beleidsonderzoek Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid Onderwijs en op de internetsite van OCW (www.minocw.nl/publicaties/index.html) bij het onderwerp «werken in het onderwijs».

ARTIKEL 10. INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE

10.1 Algemene beleidsdoelstelling: een verbeterde kwaliteit van het onderwijs door de inzet van ict

Informatie- en communicatietechnologie (ict) kan voor de kwaliteit van het onderwijs een krachtig middel zijn om leren, toegespitst op individuele capaciteiten en behoeften, plaats- en tijdsonafhankelijk mogelijk te maken. Ict ondersteunt onderwijs dat met maatwerk leerlingen en docenten uitdaagt en een motiverende context biedt. Ict stelt onderwijsinstellingen in staat leerlingen en studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt van morgen. Nederland heeft ook internationale afspraken gemaakt die vragen om een hoogwaardige kennismaatschappij. Daartoe stimuleert en faciliteert de minister de integratie van ict in het onderwijs.

Omschrijving

Het begrotingsartikel Informatie- en communicatietechnologie als apart artikel wordt met ingang van de begroting 2008 opgeheven. De Voorzitter van de Tweede Kamer heeft bij brief van 21 november 2005 aangegeven de status van het groot project van het project ICT in het onderwijs (25 733) te beëindigen. Om de integratie van ict in het onderwijs te bevorderen is 90% van de ict middelen als ict vergoeding via de desbetreffende begrotingsartikelen (art. 1, 3, en 4) in de bekostiging van de onderwijsinstellingen in het primaire-, het voortgezette- en het beroepsonderwijs opgenomen. Het restant van het begrotingsartikel betreft de inzet van de resterende 10% (structureel ruim € 30 miljoen) aan centrale uitgaven voor dienstverlening en belangenbehartiging en projecten stimuleringssubsidie voor innovatie Ict. Gezien het geringe bedrag van de Ict-begroting is thans besloten de beschikbare middelen onder te brengen bij artikel 3 voortgezet onderwijs. Dit is logisch omdat de beleidsmatige en budgettaire verantwoordelijkheid, na de opheffing van de aspectdirectie ICT, al op 1 september 2005 bij de directie voortgezet onderwijs is ondergebracht. Hieronder worden in de tabel budgettaire consequenties het financiële effect aangegeven.

10.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 10.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen35 61938 26500000
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven35 623      
        
Programma-uitgaven:35 61938 26500000
        
Integratie van ICT in het onderwijs bevorderen door ondersteunings- en stimuleringsfaciliteiten21 32321 32321 32321 32321 32321 32321 323
        
Scholen ondersteunen bij het realiseren van onderwijsinhoudelijke doelstellingen en docenten en leerlingen laten excelleren via ICTinnovaties14 29616 94210 2189 8278 7758 7758 775
        
Overboeking ten gunste van artikel 3 Leerlingen volgen onderwijs op doelmatig toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs       
• Belangenbeh. dienstverl. ICT(po,vo,be)  – 31 541– 31 15030 098– 30 098– 30 098
        
Apparaatsuitgaven:       
Ontvangsten48 26153 58449 87948 82947 77600
Overboeking ontvangsten ten gunste van artikel 3  – 49 879– 48 829– 47 77600

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene doelstelling: studiefinanciering zorgt dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met studiefinanciering de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs;

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van de ouders wordt verwacht dat zij, wanneer mogelijk, bijdragen in de financiering van de studie van hun kinderen. Hiervoor zijn richtbedragen maar de hoogte van de bijdrage is een zaak tussen ouders en kinderen. Ten slotte is er de student zelf. Omdat de studie ook een investering in de eigen toekomst is, is het redelijk dat ook de student een bijdrage levert. Het stelsel is zo ingericht dat er een prikkel bestaat voor de studerenden om de studie af te ronden met een diploma (prestatiebeurs).

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is direct verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het onderhoud van het bestel door het scheppen van kaders voor toegankelijkheid en doelmatigheid. Met de invoering van inkomensafhankelijke studiefinanciering waarborgt de minister de financiële toegankelijkheid.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

• De conjuncturele ontwikkeling

• Het studiefinancieringsbeleid van andere landen

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 11.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
Leeftijd18192021222324252627282930
Deelnamepercentage 200682,476,067,156,744,334,326,018,913,39,57,25,84,9

Bron: OCW (CFI), Leerlingen- en studententellingen 2006

De absolute aantallen studerenden mbo en ho zijn gepresenteerd bij de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen bve (artikel 4.3.1) en ho (artikel 6.3.1).

Tabel 11.2 Verwachte rendementen
Studie begonnen in2000200120022003200420052006
wo67697173747067
hbo67686875747371
bol585854606361n.n.b.

Bron: OCW (CFI), Onderwijsmatrices 2000–2005, berekeningen OCW

Toelichting:

Het verwachte rendement is in dit verband het verwachte percentage van de ingestroomde studerenden dat uiteindelijk een diploma haalt. Van bijvoorbeeld de eerstejaars hbo in 2005 wordt verwacht dat circa 73% uiteindelijk de studie af zal ronden met een diploma. Voor bovenstaande indicatoren zijn in relatie tot studiefinanciering geen streefwaarden geformuleerd omdat het rendement afhankelijk is van een breed scala van maatregelen en niet alleen van studiefinanciering.

Het beleid is gericht op de optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. Studiefinanciering draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Voor de positie op de arbeidsmarkt is het afronden van een opleiding ook van groot belang. De voorwaarden waaronder studiefinanciering aan studerenden wordt verstrekt kunnen een belangrijke rol spelen bij de inzet van studerenden gedurende hun studieperiode. De invoering van het prestatiebeursregime in het ho (1996) en niveau 3 en 4 van de bol (2005) stimuleert studerenden tot verbetering van de studieresultaten, waardoor het studierendement zal verbeteren. Daarnaast is er specifiek beleid om de «aanval op de uitval» in het ho en mbo uit te breiden. Zie hiervoor beleidsartikelen 4.3.4 en 6.3.3.

11.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen3 572 7613 283 2793 651 5793 757 5163 836 3933 915 5744 077 699
Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven3 572 7613 283 2793 651 5793 757 5163 836 3933 915 5744 077 699
        
Programma-uitgaven:3 571 7413 282 0983 650 4843 756 4203 835 2403 914 4214 076 546
        
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 893 0301 416 3481 661 7971 684 2281 688 1051 695 3601 806 315
• Basisbeurs963 8551 018 351992 453997 4561 020 9461 035 1511 057 695
• Reisvoorziening929 175397 997669 344686 772667 159660 209748 620
        
Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders628 252653 864681 936701 526716 539730 804743 523
• Aanvullende beurs628 252653 864681 936701 526716 539730 804743 523
        
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende942 9401 034 0001 035 8001 062 8001 092 5001 129 7001 169 500
• Bijverdiengrens0000000
• Leenfaciliteit942 9401 034 0001 035 8001 062 8001 092 5001 129 7001 169 500
        
Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren050 000120 000150 000180 000200 000200 000
• Collegegeldkrediet050 000120 000150 000180 000200 000200 000
        
Stimuleren van internationale studentenmobiliteit014 00034 00036 00035 00038 00038 000
        
Overige uitgaven Studiefinanciering35 84642 59945 47048 47051 06053 80055 600
        
Programmakosten overig71 67371 28771 48173 39672 03666 75763 608
• Uitvoeringsorganisatie IBG71 67371 28771 48173 39672 03666 75763 608
Totaal programma-uitgaven3 571 7413 282 0983 650 4843 756 4203 835 2403 914 4214 076 546
– waarvan relevant1 928 0141 300 6461 655 6841 904 2202 101 0402 251 2212 426 646
– waarvan niet-relevant1 643 7271 981 4521 994 8001 852 2001 734 2001 663 2001 649 900
Apparaatsuitgaven:1 0201 1811 0951 0961 1531 1531 153
Totaal ontvangsten340 897388 900408 100442 900480 300519 300559 000
• Flexibiliteit financiering studerende298 257345 860364 970400 263437 670476 655516 355
• Overige ontvangsten42 64043 04043 13042 63742 63042 64542 645
Totaal ontvangsten340 897388 900408 100442 900480 300519 300559 000
– waarvan relevant190 042195 300203 600215 400230 600248 000266 700
– waarvan niet-relevant150 855193 600204 500227 500249 700271 300292 300

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de rentedragende leningen en de uitgaven voor de prestatiebeurs (zolang deze nog niet zijn omgezet in een gift). De niet-relevante ontvangsten betreffen de aflossingen op de rentedragende leningen. Een nadere specificatie van de raming van de uitgaven per instrument is opgenomen in paragraaf 11.3 (operationele doelstellingen).

Tabel 11.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200720082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 210 8113 579 0033 683 0243 763 2043 847 6644 012 938
Totaal juridisch verplicht3 210 8113 579 0033 683 0243 763 2043 847 6644 012 938
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 416 3481 661 7971 684 2281 688 1051 695 3601 806 315
• Juridisch verplicht1 416 3481 661 7971 684 2281 688 1051 695 3601 806 315
       
Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders653 864681 936701 526716 539730 804743 523
• Juridisch verplicht653 864681 936701 526716 539730 804743 523
       
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende1 034 0001 035 8001 062 8001 092 5001 129 7001 169 500
• Juridisch verplicht1 034 0001 035 8001 062 8001 092 5001 129 7001 169 500
       
Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren50 000120 000150 000180 000200 000200 000
• Juridisch verplicht50 000120 000150 000180 000200 000200 000
       
Stimuleren van internationale studentenmobiliteit14 00034 00036 00035 00038 00038 000
• Juridisch verplicht14 00034 00036 00035 00038 00038 000
       
Overige uitgaven Studiefinanciering42 59945 47048 47051 06053 80055 600
• Juridisch verplicht42 59945 47048 47051 06053 80055 600

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WSF 2000. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

11.3 Operationele beleidsdoelstellingen

11.3.1 Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden

Motivering

Een basisbeurs en een reisvoorziening dragen ertoe bij dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg financieel in staat zijn om onderwijs te volgen.

Instrumenten

Een basisbeurs en een reisvoorziening in de vorm van een OV-studentenkaart. Met deze instrumenten levert OCW een bijdrage aan het normbudget van studerenden. De IB-groep informeert de doelgroep over de OV-studentenkaart.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.5 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (raming)
 20052006200720082009201020112012
wo104 613107 367108 900111 600115 600120 300124 900129 600
hbo221 627232 363241 400249 300256 400262 800268 000272 200
bol195 689213 791219 600220 700224 900228 500231 300233 600
Studerenden met basisbeurs521 929553 521569 900581 600596 900611 600624 200635 400
wo38 49739 47740 00041 00042 50044 20045 90047 700
hbo31 53729 80131 0003200032 90033 70034 40034 900
Alleen ov-kaart en/of lening70 03469 27871 00073 00075 40077 90080 30082 600
Totaal591 963622 799640 900654 600672 300689 500704 500718 000

Bron 2005 en 2006: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2007–2012: referentieraming 2007/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt logischerwijs de ontwikkeling van het aantal studerenden in het ho en de bol in Nederland. Dit laatste ligt hoger, omdat niet iedere studerende die is ingeschreven en onderwijs volgt ook daadwerkelijk aanspraak heeft op studiefinanciering. De raming van de studerenden met een basisbeurs ligt ten grondslag aan het niveau van de uitgaven en vertoont een stijging in de komende jaren. Daarnaast is er een groep studenten in het ho die geen aanspraak meer kan maken op een basisbeurs (maximale duur is verbruikt), maar nog wel recht heeft op een OV-studentenkaart en een lening.

Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven is van de overheid dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van de basisbeurs en/of de reisvoorziening. Indien studerenden op een andere wijze hun studie kunnen financieren is de toegankelijkheid van het onderwijs ook gewaarborgd. Uit onderzoek blijkt dat slechts een klein percentage scholieren met voldoende vooropleiding niet (onmiddellijk) kiest voor een opleiding in het hoger onderwijs. Financiële motieven spelen bij deze keuze nauwelijks een rol.

Tabel: 11.6 Normbedragen basisbeurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend90,7771,57
Uitwonend252,73233,53

* Peildatum 1 januari 2007

De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. De normbedragen voor de basisbeurs worden jaarlijks geïndexeerd.

Raming uitgaven basisbeurs

Tabel 11.7 Uitgaven basisbeurs (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
Bolgiftregime *242,4167,5108,789,186,187,288,2
Bolprestatiebeursregime70,4153,4202,4222,0231,5236,2239,8
prestatiebeursho **651,1697,5681,4686,4703,3711,8729,7
Totaal basisbeurs963,91 018,4992,5997,51 020,91 035,21 057,7
• waarvan relevant622,6589,6593,2699,5799,5871,0914,0
• waarvan niet-relevant341,3428,8399,3298,0221,4164,2143,7

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

** inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs tot 2010

Naast de prijscomponent is het verloop van de uitgaven voor een zeer groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden. De verwachte ontwikkeling van het aantal studerenden met studiefinanciering is opgenomen bij de meetbare gegevens. De invoering van het prestatiebeursregime voor bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 zorgt voor een stijgende lijn in uitgaven voor de reeks «Bol prestatiebeursregime».

Deze prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift). In deze laatste groep zijn de uitgaven basisbeurs voor de deelnemers bol niveau 1 en 2 opgenomen, evenals de uitgaven aan de deelnemers bol niveau 3 en 4 die vóór het studiejaar 2005–2006 al studiefinanciering ontvingen.

Raming uitgaven reisvoorziening

Tabel 11.8 Uitgaven reisvoorziening (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
OV-kaart617,0633,1617,2660,3686,1710,2733,3
Kasschuiven299,1– 250,237,311,6– 33,7– 65,00,0
Reisvoorzieningoverig13,115,114,814,914,815,015,3
Totaal reisvoorziening929,2398,0669,3686,8667,2660,2748,6
• waarvan relevant638,484,5412,1477,3499,8523,2621,5
• waarvan niet-relevant290,8313,5257,2209,5167,4137,0127,1

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel SF

De toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven reisvoorziening is voor een groot deel vergelijkbaar met die op de uitgaven basisbeurs. Ten behoeve van de optimalisering van kasritmes van de Staat is een reeks «Kasschuiven» opgenomen. Deze wordt gerealiseerd door een gedeelte van de verplichtingen aan de vervoersbedrijven voor de OV-kaart in het jaar voorafgaand aan de verplichting te voldoen.

11.3.2 Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders

Motivering

Het huidige stelsel van studiefinanciering gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de ouders wordt verwacht dat zij, indien zij dat (financieel) kunnen, een bijdrage leveren aan de studie van hun kind. De minister stelt zich ten doel daar waar ouders niet of onvoldoende in staat zijn een bijdrage te leveren aan de studie van hun kind, de eventuele financiële belemmering om te gaan studeren voor een studerende weg te nemen.

Instrumenten

Het verstrekken van een aanvullende beurs indien de ouders van een studerende minder draagkrachtig zijn. Het betreft studerenden met recht op studiefinanciering, waarvan de ouders gezamenlijk een belastbaar inkomen hebben dat minder bedraagt dan circa € 30 000. Het bestaan van de regeling wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.9 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs(raming)
 20052006200720082009201020112012
wo24 78525 86727 70028 40029 40030 60031 80033 000
hbo77 05283 25889 80092 70095 40097 80099 700101 300
bol103 657118 437118 600119 200121 500123 400124 900126 100
Totaal205 494227 562236 100240 300246 300251 800256 400260 400

Bron 2005 en 2006: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2007–2012: referentieraming 2007/ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal studerenden met een aanvullende beurs geeft een indicatie van het gebruik van deze regeling. Uit de vergelijking van deze gegevens met de aantallen basisbeurs uit tabel 11.5 blijkt dat in 2007 ongeveer 40% van de studerenden met een basisbeurs een aanvullende beurs ontvangt. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat mag worden aangenomen dat het gebruik van de aanvullende beurs, vanwege de bekendheid van de regeling, al optimaal is.

Tabel: 11.10 Normbedragen maximale aanvullende beurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend204,66291,46
Uitwonend223,58310,38

* Peildatum 1 januari 2007

Toelichting:

De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. De aanvullende beurs wordt verstrekt bovenop de basisbeurs. Deze is naast het inkomen van de ouders en het aantal schoolgaande kinderen in het gezin ook afhankelijk van de woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend). De normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

Raming uitgaven aanvullende beurs

Tabel 11.11 Uitgaven aanvullende beurs (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
Bolgiftregime *303,1217,0183,8175,7176,7179,5182,2
Bolprestatiebeursregime77,9177,1231,8252,6258,2262,7267,2
Ho **247,2259,8266,3273,2281,6288,6294,1
Totaal aanvullende beurs628,2653,9681,9701,5716,5730,8743,5
• waarvan relevant559,5509,7529,4595,6660,6710,5737,9
• waarvan niet-relevant68,7144,2152,5105,955,920,35,6

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

** Inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs tot 2010

Toelichting:

In tabel 11.11 worden de geraamde uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Naast de prijscomponent is het verloop van deze uitgaven voor een groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders. Naast de deelname aan het onderwijs spelen hierbij exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Door de invoering van de prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 stijgen de uitgaven voor de aanvullende beurs bol prestatiebeursregime. De toename van de uitgaven prestatiebeurs bol gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift).

11.3.3 Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende

Motivering

In het stelsel van studiefinanciering is verondersteld dat studerenden ook zelf een bijdrage leveren aan de financiering van het normbudget. De minister stelt zich ten doel studerenden in staat te stellen op een flexibele wijze invulling te kunnen geven aan deze veronderstelde bijdrage.

Instrumenten

•  Leenfaciliteit

Studerenden krijgen hiermee de mogelijkheid om hun eigen bijdrage te lenen bij de overheid.

• Bijverdiengrens in regelgeving

Studerenden met een toekenning studiefinanciering krijgen hiermee de mogelijkheid hun eigen bijdrage met werken te verdienen. De WSF 2000 staat toe dat studerenden tot circa € 10 600 per jaar bijverdienen (peildatum 2007) zonder dat dit consequenties heeft voor hun aanspraak op studiefinanciering. De hoogte van de bijverdiengrens wordt jaarlijks geïndexeerd.

Het bestaan van deze regelingen wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep. De voorlichting van de IB-Groep en het ministerie van OCW, over de regelingen en de keuzemogelijkheden die studerenden hebben bij de invulling van hun studietijd, is geïntensiveerd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.12 Aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit
 200420052006
Wo58 78465 24069 353
Hbo59 58168 76477 527
bol18 41422 91328 421
Totaal136 779156 917175 301

Bron: IB-Groep

Tabel 11.13 Bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar (x € 1 miljoen)
 200420052006
Renteloze voorschotten verstrekt t/m 198679,862,551,0
Rentedragende leningen verstrekt vóór 1992203,2170,2137,5
Rentedragende leningen verstrekt na 19923 988,54 767,65 611,6
Totaal4 271,55 000,35 800,1

Bron: IB-Groep

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de desbetreffende regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studerenden een zo hoog mogelijk bedrag lenen of zoveel mogelijk werken naast de studie. De overheid wil wel deze mogelijkheden bieden en studerenden een reëel alternatief geven voor betaalde arbeid.

Raming uitgaven en ontvangsten leenfaciliteit

In de eerste jaren van de studie (gedurende de nominale studieduur) is het maximum bedrag dat een studerende kan lenen gelijk aan het verschil tussen het normbudget en de optelsom van de basisbeurs en de aanvullende beurs. De maximale lening in de 36 maanden na de nominale duur van de studie bedraagt € 809 per maand (peildatum 1 januari 2007).

De uitgaven voor de leningen zijn niet-relevante uitgaven. Het rentepercentage op de leningen is gelijk aan de rente op staatsleningen. De maximale terugbetalingstermijn is 15 jaar. Gedurende deze periode geldt er een draagkrachtregeling. Resterende schulden na afloop van de aflosfase worden kwijtgescholden.

Raming Niet-relevante uitgaven rentedragende lening

Tabel 11.14 Niet-relevante uitgaven rentedragende lening(x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
Rentedragende lening942,91 034,01 035,81 062,81 092,51 129,711 169,5

IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel SF

Met deze leningen gaan tevens ontvangsten gepaard, zoals rente en aflossingen. Deze nemen de komende jaren toe. Daarnaast zijn er ook nog ontvangsten die betrekking hebben op leenfaciliteiten uit eerdere jaren die thans niet meer verstrekt worden. Deze ontvangsten zijn aflopend.

Raming ontvangsten leenfaciliteit

Tabel 11.15 Ontvangsten leenfaciliteit (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
Renteloze voorschotten (t/m 1986)6,85,13,82,92,21,71,3
Rentedragende lening291,5340,8361,2397,4435,5475,0515,1
Totaal298,3345,9365,0400,3437,7476,7516,4
• waarvan relevant147,4152,3160,5172,8188,0205,4224,1
• waarvan niet-relevant150,9193,6204,5227,5249,7271,3292,3

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel SF

11.3.4 Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren

Motivering

Het stelsel van studiefinanciering wordt met ingang van studiejaar 2007–2008 aangepast om studenten in het hoger onderwijs in staat te stellen:

• sneller en kwalitatief beter af te studeren doordat zij minder hoeven bij te verdienen en dus meer tijd aan hun studie kunnen besteden;

• zelf meer te investeren in de eigen studie.

Instrumenten

Collegegeldkrediet, waarmee de student het verschuldigde collegegeld kan lenen, met een plafond van 5 keer het wettelijke collegegeld.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.16 Indicatoren aanpassing studiefinancieringsstelsel
  20042006200720082009201020112012
1. De snelheid waarmee studenten afstuderen (in jaren)wohbo6,014,46    < 6,01< 4,46  
Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrix 2004, berekeningen OCW         
2. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan de studiewohbo29373038313833393539374038403840
Bron: Studentenmonitor; deelnemersmonitor         
3. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan werkwohbo13131312121211111111101010101010
Bron: 2004–2006: Studentenmonitor en Deelnemersmonitor2007–2012: raming         

Toelichting:

De snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gemeten als de gemiddelde totale verblijfsduur van gediplomeerden in hele jaren.

De cijfers van 2004 zijn de basiswaarden. Met betrekking tot de snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gestreefd naar een verblijfsduur die de wettelijke studieduur benadert. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan de studie wordt gestreefd naar 40 uur per week in 2010 voor hbo-studenten en 38 uur in 2012 voor wo-studenten. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan werk wordt gestreefd naar een maximum van 10 uur per week in 2010 voor hbo- en wo-studenten. Voor beide streefwaarden is in tabel 11.16 een ingroeitraject opgenomen. Op basis van de studentenmonitor zal worden gemonitord hoeveel tijd per week studenten besteden aan hun studie en aan werk.

Twee indicatoren die daarnaast een beeld geven van het gebruik van de regeling zijn:

• Het leenvolume collegegeldkrediet (aantal studenten en bedragen). Bron: IB-Groep. Hiervoor zijn nog geen meetbare gegevens te leveren omdat het collegegeld-krediet vanaf september 2007 wordt ingevoerd.

• Het totale leenvolume studiefinanciering (aantal studenten en bedragen). Bron: IB-Groep. Zie hiervoor ook de meetbare gegevens bij onderdeel 11.3.3.

Voor het leenvolume worden geen basiswaarden en geen streefwaarden vastgesteld. Het is niet het streven van de overheid dat zoveel mogelijk studenten een zo hoog mogelijk bedrag lenen. De overheid wil door het leenstelsel studenten een reëel alternatief bieden voor betaalde arbeid.

11.3.5 Stimuleren van internationale studentenmobiliteit

Motivering

Het beleid is erop gericht om internationale studentenmobiliteit te stimuleren door studenten in staat te stellen een volledige opleiding in het buitenland te volgen (zie ook beleidsdoelstelling 6.3.5).

Instrumenten

Studiefinanciering kan overal ter wereld gebruikt worden voor het volgen van hoger onderwijs dat qua niveau en kwaliteit gelijkwaardig is aan het Nederlandse hoger onderwijs. Als aanvullende voorwaarde wordt aan studenten die aanspraak hebben op Nederlandse studiefinanciering de eis gesteld dat zij op het moment dat zij studiefinanciering in het buitenland willen gebruiken ten minste drie van de zes jaar daaraan voorafgaand in Nederland hebben gewoond.

Overeenkomstig de aanbevelingen van de Bologna-werkgroep «Portability of grants and loans» (voor de aanbevelingen zieOCWNetRoot/index.asp#http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/bologna/«London comunique»en«Portability of Grants and Loans Working Group Final Report») hebben de Ministers van Onderwijs van de Bologna-landen afgesproken om een netwerk van studiefinancieringexperts in het leven te roepen om informatie uit te wisselen over elkaars systemen van hoger onderwijs en studiefinanciering en te helpen obstakels voor de meeneembaarheid van beurzen en leningen te identificeren en op te ruimen.

In het netwerk moeten door Nederland concrete afspraken worden gemaakt om samen te werken met de bestemmingslanden van de studenten met meeneembare studiefinanciering.

Vanaf studiejaar 2007–2008 is de meeneembare studiefinanciering in het mbo uitgebreid naar alle sectoren in Vlaanderen en Duitsland, en unieke opleidingen in de hele EER. In 2009 wordt de meeneembare studiefinanciering in het mbo geëvalueerd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

• Aantal en percentage (Nederlandse) studenten in het ho dat (met meeneembare studiefinanciering) in het buitenland studeert. Aangezien de wereldwijde meeneembare studiefinanciering vanaf het studiejaar 2007–2008 wordt ingevoerd zijn hierover nog geen gegevens beschikbaar. Op dit moment studeren er in het buitenland ongeveer 3000 studenten in het ho met Nederlandse studiefinanciering.

• Aantal en percentage buitenlandse studenten dat in Nederland (met studiefinanciering uit het thuisland) studeert in het ho. Hierover zijn nu nog geen gegevens bekend.

• Aantal en percentage deelnemers in het mbo dat (met meeneembare studiefinanciering) in het buitenland studeert. In het studiejaar 2006–2007 volgden er 130 mbo-deelnemers met Nederlandse studiefinanciering een opleiding in het buitenland.

11.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 11.9
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting   
Effectenonderzoek ex postMeeneembare studiefinanciering in het mboOD 11.3.5A: november 2006B: mei 2007Tweede Kamer, 2006–2007,24 724, nr. 68
Overig evaluatieonderzoekFinanciële positie deelnemers (Deelnemersmonitor)OD 11.3.1A: februari 2007B: najaar 2007Nog niet beschikbaar
 Financiële positie studenten (Studentenmonitor)OD 11.3.1A: 2008B: 2008www.studenten monitor.nl

ARTIKEL 12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

12.1 Algemene doelstelling: de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt dat (ouders van) leerlingen in het voortgezet onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om toegang te krijgen tot het onderwijs.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen van deelname weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• Ouders van scholieren in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg tot 18 jaar (TS17-). Per 1 januari 2010 zal hoofdstuk drie van de WTOS worden geïntegreerd in de Wet op het kindgebonden budget. Zie hiervoor paragraaf 12.3.1,

• Scholieren in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder (vo18+),

• Studenten (ook deeltijd) in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (TS 18+, vavo),

• Studenten aan de lerarenopleiding die geen recht (meer) hebben op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 (TS 18+, tlo).

Verantwoordelijkheid van de minister

De toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland is de directe verantwoordelijkheid van de overheid. Ouders zijn er verantwoordelijk voor dat hun kind onderwijs volgt. Daar waar ouders gezien hun inkomen niet draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van hun schoolgaande (minderjarige) kinderen alleen te dragen, voorziet de overheid in een (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Vanaf 18 jaar ligt de verantwoordelijkheid voor het volgen van onderwijs primair bij de leerling of student zelf. Hij/zij komt dan zelf in aanmerking voor een tegemoetkoming.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De conjuncturele ontwikkeling (gebruik van de regeling)

• De beheersing van het prijsniveau van de schoolkosten

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 12.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
 15 jaar16 jaar17 jaar
Deelnamepercentage 200599,997,291,7

Bron OCW (CFI), Leerlingen- en studententelling 2005

Toelichting:

Het beleid is gericht op optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. De WTOS draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. De onderwijsdeelname geeft hierbij een indicatie van de toegankelijkheid. Voor bovenstaande indicator is voor de WTOS geen streefwaarde geformuleerd, omdat de resultaten het gevolg zijn van verschillende factoren en niet alleen de WTOS.

12.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen*286 358293 216306 359336 275216 583213 552212 811
Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven*286 358293 216306 359336 275216 583213 552212 811
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol256 628264 100276 400306 100187 100185 800186 000
• TS 17-197 136202 700210 300237 200117 900117 300117 600
• Vo 18+58 14160 10064 80067 60067 90067 20067 100
waarvan niet-relevante uitgaven594600700700700700700
• TS 18+ vavo1 3511 3001 3001 3001 3001 3001 300
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding12 60012 70012 70012 70012 70012 70012 700
• TS 18+ tlo12 60012 70012 70012 70012 70012 70012 700
        
Beheersen schoolkosten in het vo en de bolOnderdeel van stelselonderhoud 
        
Programma-uitgaven overig17 13016 41617 25917 47516 78315 05214 111
• Uitvoeringsorganisatie IBG17 13016 41617 25917 47516 78315 05214 111
Totale ontvangsten11 5599 5009 5009 5009 5009 5009 500
• TS 17-4 3983 1003 1003 1003 1003 1003 100
• VO 18+6 6086 0006 0006 0006 0006 0006 000
• TS 18+553400400400400400400

* Inclusief de integratie van hoofdstuk 3 van de WTOS in het Kindgebonden budget per 1 januari 2010.

Tabel 12.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200720082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)276 800289 100318 800199 800198 500198 700
Totaal juridisch verplicht276 800289 100318 800199 800198 500198 700
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol264 100276 400306 100187 100185 800186 000
• Juridisch verplicht264 100276 400306 100187 100185 800186 000
       
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding12 70012 70012 70012 70012 70012 700
• Juridisch verplicht12 70012 70012 70012 70012 70012 700

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WTOS. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

12.3 Operationele doelstellingen

12.3.1 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol

Motivering

Scholieren in het voortgezet onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) financieel in staat stellen om onderwijs te volgen.

Instrumenten

• Scholieren tot 18 jaar (TS 17-)

Een genormeerde inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de schoolkosten en de onderwijsbijdrage om minder draagkrachtige ouders bij te staan. Het betreft leerlingen waarvan het ouderlijk gezinsinkomen in 2005 maximaal circa € 30 000 bedroeg. Boven dit inkomen wordt een glijdende schaal gehanteerd en kunnen ouders in aanmerking komen voor een gedeeltelijke tegemoetkoming. Een beperkte groep leerlingen komt in aanmerking voor de tegemoetkoming onderwijsbijdrage.

• Scholieren van 18 jaar en ouder (tot en met 30 jaar) in het voortgezet onderwijs (VO 18+)

Een inkomensafhankelijke basistoelage voor de kosten van levensonderhoud en een ouderinkomensafhankelijke toelage voor de schoolkosten (bij een gezinsinkomen in 2005 van maximaal circa € 30 000, daarboven wordt een glijdende schaal gehanteerd).

• (Deeltijd)studenten in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (TS 18+ vavo)

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor minder draagkrachtige (deeltijd)studenten in het vavo. Dit is een specifieke regeling waarvoor een beperkte groep studenten in aanmerking komt.

De IB-Groep informeert de doelgroepen over bovengenoemde regelingen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.4 Aantal gebruikers per regeling (raming)
 20052006200720082009201020112012
1. Aantal gebruikers TS 17-363 679338 267337 100348 900346 400344 100343 000343 500
• waarvan vo290 496271 342268 200271 800269 400267 800267 500268 900
• waarvan bol73 18366 92568 90077 10077 00076 30075 50074 600
2. Percentage gebruikers TS 17-        
• vo29,9%27,8%27,4%28,0%28,0%28,0%28,0%28,0%
• bol41,5%37,9%37,9%40,0%40,0%40,0%40,0%40,0%
3. Aantal gebruikers vo 18+29 59730 52932 10034 70036 20036 40036 00036 000
4. Percentage gebruikers vo 18+ naar onderwijssoort en soort toelage        
• vso thuiswonend74,775,175,1
• vso uitwonend25,324,924,9
• waarvan lesgeld/ov. schoolkst.14,40,00,0
• vo thuiswonend92,993,193,1
• vo uitwonend7,16,96,9
• waarvan lesgeld/ov. schoolkst.33,332,932,9
5. Aantal gebruikers TS 18+ vavo2 7422 7522 8002 8002 8002 8002 8002 800

Bron 2005 en 2006: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2007–2012: referentieraming 2007 / ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Voor de inkomensafhankelijke regelingen komen alleen ouders van leerlingen met een inkomen beneden de vastgestelde inkomensgrens in aanmerking. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is. Om meer zicht te krijgen op het niet-gebruik van de WTOS is aangesloten bij een onderzoek naar niet-gebruik van inkomensregelingen door het SCP. Op 5 juni 2007 werd de SCP-publicatie «Geld op de plank. Niet-gebruik van inkomensvoorzieningen» door het SCP aangeboden aan de staatssecretaris van SZW (zie ook de brief van de staatssecretaris van SZW aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2006–2007,24 515, nr. 114)). Het onderzoek is vanwege de omvang van de groep beperkt tot TS17- (bijna 90% van de WTOS-ontvangers valt onder TS17-). Op grond van de onderzoeksresultaten zal worden bezien of de formulering van een basiswaarde en een streefwaarde op het onderdeel «niet-gebruik» zinvol en relevant is.

De hoogte van de tegemoetkoming is genormeerd. De normbedragen voor de tegemoetkoming worden jaarlijks geïndexeerd.

Tabel 12.5 Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS 17-) in euro’s (in schooljaar 2007/2008)*
 Vo-onderbouwVo-bovenbouwBolVso
Schoolkosten587,65666,94984,54

* Het betreft de normbedragen bij een maximale tegemoetkoming.

• Integratie WTOS (TS17-) in het kindgebonden budget

In 2008 wordt het kindgebonden budget stapsgewijs ingevoerd. Een volgende stap in dit proces is de integratie van een deel van de WTOS (voor leerlingen tot en met 17 jaar) met het kindgebonden budget per 1 januari 2010. Voor een groot deel wordt de WTOS dan overbodig.

Voor ouders met kinderen tussen de 12 en 18 jaar betekent deze integratie een administratieve lastenverlichting. De burger kan bij één loket terecht voor het kindgebonden budget waar de tegemoetkoming voor schoolkosten een integraal onderdeel van is. Daardoor wordt het gebruik van de regeling verruimd en zal het niet-gebruik dalen. Bovendien leidt deze integratie tot efficiencyvoordelen in de uitvoering.

De regering heeft bij de integratie van de WTOS in het kindgebonden budget rekening gehouden met de aankondiging in het coalitieakkoord dat de schoolboeken in het voortgezet onderwijs «gratis» worden voor ouders. Na invoering van de «gratis» schoolboeken en integratie van het resterende deel van de tegemoetkoming in het kindgebonden budget, vervalt de WTOS voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders met kinderen in het mbo blijft de WTOS uitkering voor een deel in stand.

Bij de verhoging van het kindgebonden budget wordt onderscheid gemaakt naar leeftijd van het kind. Daarmee vervalt de voorwaarde voor het volgen van voltijd onderwijs. Het kindgebonden budget wordt uitgevoerd door de Belastingdienst; het bijbehorende begrotingsbedrag staat op de begroting van de minister van Jeugd en Gezin. Op de begroting van OCW zal een budget blijven bestaan voor de WTOS TS 17- voor het mbo.

Tabel 12.6 Uitgaven TS17- naar onderwijssoort (x € 1 miljoen)*
 2006200720082009201020112012
vo151,7156,9159,7156,9156,1155,9156,9
bol45,445,850,650,349,849,448,7
Integratie kindgebonden budget0,00,00,030,0– 88,0– 88,0– 88,0
Totaal197,1202,7210,3237,2117,9117,3117,6

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007 – 2012: referentieraming 2007/ramingsmodel WTOS.

* Inclusief de integratie van hoofdstuk 3 van de WTOS in het kindgebonden budget. Er heeft nog geen toerekening naar de onderwijssoorten plaatsgevonden.

De toelage voor vo 18+ bestaat uit een inkomensonafhankelijke basistoelage (tabel 12.7) waar alle leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder voor in aanmerking komen. Deze wordt eventueel aangevuld met de ouderinkomensafhankelijke tegemoetkoming. De meeste leerlingen wonen nog bij hun ouders en krijgen dus een basistoelage voor thuiswonenden.

Tabel 12.7 Basistoelage WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro’s (in schooljaar 2007/2008)
Basistoelage per maandvo/vso
thuiswonenden98,51
uitwonenden229,67

Raming uitgaven vo 18+

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.8. Naast de uitgaven die voortvloeien uit de verstrekte tegemoetkoming worden er nog beperkt leningen verstrekt. Het niveau van de uitgaven wordt bepaald door het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder.

Tabel 12.8 Uitgaven vo 18+ (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
vo / vso (gift)57,659,564,166,967,266,566,4
leningen0,60,60,70,70,70,70,7
Totaal58,260,164,867,667,967,267,1

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: referentieraming 2007 / ramingsmodel WTOS

De tegemoetkoming 18+ vavo (tabel 12.9) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage. Deze tegemoetkoming is afhankelijk van het eigen inkomen en van het aantal lesminuten per week.

Tabel 12.9 normbedragen WTOS hoofdstuk V, TS18+ vavo in euro’s (in schooljaar 2007/2008)
 Lesminuten per weekvavo
Schoolkosten270–540 min184,44
 > 540 min273,75
Onderwijsbijdrage270–540 min201,60
 > 540 min302,40

Raming uitgaven TS18+ vavo

De totale uitgaven voor TS18+ vavo zijn begroot in tabel 12.10. Het niveau van de uitgaven is over de jaren constant.

Tabel 12.10 Uitgaven TS18+ vavo (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
vavo1,41,31,31,31,31,31,3

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel WTOS

12.3.2 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding

Motivering

Studenten aan de lerarenopleiding financieel in staat stellen de overstap naar het onderwijs te maken om zodoende bij te dragen aan de oplossing van het lerarentekort. (Voor meer beleid ten aanzien van het lerarentekort zie artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid, paragraaf 3.1).

Instrument

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de studiekosten en/of de onderwijsbijdrage voor studenten aan de lerarenopleiding die niet in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De IB-Groep en de lerarenopleidingen brengen bovengenoemde regeling onder de aandacht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.11 Aantal gebruikers van de regeling TS 18+ tlo (raming)
 20052006200720082009201020112012
Aantal gebruikers9 68810 81710 80010 80010 80010 80010 80010 800

Bron 2005 en 2006: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2007–2012: referentieraming 2007 / ramingsmodel WTOS

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het gebruik van de regeling. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is.

De tegemoetkoming voor TS18+ tlo (tabel 12.12) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage.

Tabel 12.12 Normbedragen WTOS hoofdstuk V, ts18+ tlo in euro’s (schooljaar 2007/2008)
 Ho
Schoolkosten639,84
Onderwijsbijdrage567,23

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.13.

Raming uitgaven TS18+ tlo

Tabel 12.13 Uitgaven TS18+ tlo (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
tlo12,612,712,712,712,712,712,7

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: ramingsmodel WTOS

12.3.3 Beheersen schoolkosten in het vo en de bol

Motivering

De kosten voor ouders en overheid beheersbaar houden (in relatie tot de WTOS).

Instrumenten

• Periodiekmonitoren van de kwantitatieve ontwikkeling van de schoolkosten in het vo en de bol (ongeveer om de twee jaar).

• Gedragscode schoolkosten: deze gedragscode is het resultaat van landelijke afspraken die organisaties van schoolbesturen, schoolleiders en ouders gemaakt hebben. De gedragscode is bedoeld om de schoolkosten voor ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs beter beheersbaar en meer transparant te maken. Op dit moment hebben 349 scholen de gedragscode ondertekend. De «witte lijst» waar deze scholen op vermeld staan is gepubliceerd op de site van de VO-raad en op de website van het ministerie (ziehttp://www.minocw. nl/documenten/witte-lijst-gedragscode-eind-juni-2007.pdf).

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In het tweede kwartaal van 2007 is de Schoolkostenmonitor 2006 naar de Tweede Kamer verstuurd (bijlage 2 bij Kamerstuk: Tweede Kamer 2006–2007,30 800 VIII, nr. 142). Deze monitor laat een stijging zien van de meeste schoolkosten in het vo en mbo-bol (behalve de kosten voor vrijwillige ouderbijdrage).

De meetbare gegevens bij deze doelstelling zijn de procentuele ontwikkelingen van de schoolkosten. De procentuele ontwikkeling van de schoolkosten is lastig te bepalen aangezien er in de Schoolkostenmonitor 2006 op een andere manier onderzoek is gedaan dan in voorgaand onderzoek. Van de schoolkosten is de grootste kostenpost voor ouders de schoolboeken, zowel in het vo als in het mbo-bol. Vanaf het schooljaar 2008/2009 worden schoolboeken in het vo voor een deel gratis en vanaf het schooljaar 2009/2010 worden de gratis schoolboeken integraal ingevoerd. Vanaf dat moment zullen de kosten voor ouders van vo-leerlingen met 42% dalen.

In de Schoolkostenmonitorbrief (Tweede Kamer, 2006–2007,30 800 VIII, nr. 142) is aangegeven dat de WTOS-tegemoetkoming voor 25 tot 50% van de ouders met kinderen in het vo en voor iets meer dan 50% van de ouders met kinderen in het mbo-bol kostendekkend is indien zij een maximale tegemoetkoming WTOS ontvangen. Uit voorgaand onderzoek kwamen ongeveer dezelfde percentages naar voren.

De beleidsdoorlichting WTOS is een evaluatie van het beleid op het niveau van de algemene en operationele doelstellingen van de WTOS over de afgelopen vijf jaar. Deze doorlichting zal eind 2007 naar de Tweede Kamer worden gezonden.

12.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 12.9
 OnderzoekonderwerpAlgemene Doelstelling of Operationele DoelstellingA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingWTOSAD 12A. December 2006B. Eind 2007Nog niet beschikbaar
Effectenonderzoekex post   
Overig evaluatieonderzoek   

ARTIKEL 13. LESGELD

13.1 Algemene doelstelling: het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie. Maar burgers hebben ook persoonlijk profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid een bijdrage in de kosten van het onderwijs. OCW vraagt lesgeld aan de deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Deze groepen worden geacht zelf in de kosten van de bijdrage te voorzien, al dan niet met behulp van een tegemoetkoming in de bijdrage of door compensatie via de studiefinanciering.

Verantwoordelijkheid van de minister

Omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers draagt de overheid een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs. Het individu heeft echter ook profijt van scholing.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Deze zijn opgenomen in paragraaf 13.3.1.

13.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen5 5275 9996 0166 1735 9605 3104 952
– Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven5 5275 9996 0166 1735 9605 3104 952
• Uitvoeringsorganisatie IBG5 5275 9996 0166 1735 9605 3104 952
Ontvangsten lesgeld181 013184 800185 300187 900194 200199 900205 300

Toelichting:

Een andere specificatie van de raming van de ontvangsten is opgenomen in paragraaf 13.3 (operationele doelstellingen).

13.3 Operationele doelstellingen

13.3.1 Vragen van een bijdrage in de kosten van het onderwijs aan deelnemers van 18 jaar en ouder

Motivering

De individuele burgers hebben persoonlijk profijt van scholing. Daarom kan aan hen een bijdrage in de kosten van onderwijs worden gevraagd.

Instrumenten

De overheid vraagt lesgeld aan deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Met ingang van schooljaar 2007/2008 wordt voor deelnemers die slechts een gedeelte van het schooljaar zijn ingeschreven de te betalen lesgeldtermijnen beter afgestemd op de periode waarvoor men is ingeschreven. Dit betekent dat deelnemers die later instromen (of met een geldige reden eerder uitstromen) nog meer dan nu verhoudingsgewijs een lesgeld verschuldigd zijn naar rato van de duur van de inschrijving.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 13.2: Aantal gebruikers lesgeldplichtigen (raming)
 20052006200720082009201020112012
Aantal lesgeldplichtigen187 249193 081195 900199 400203 500207 000209 700211 900

Bron 2005 en 2006: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2007–2012: referentieraming 2007 / ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de studerenden / leerlingen.

In de les- en cursusgeld wet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van dit lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van het lesgeld aangegeven.

Tabel 13.3: lesgeldbedrag (x € 1)
2006/072007/082008/0920 009/102010/112011/122012/13
9639759901 0041 0201 0351 050

Vanaf 2008/09: raming

Raming ontvangsten lesgeld

Tabel 13.4: Ontvangsten lesgeld (x € 1 miljoen)
 2006200720082009201020112012
Lesgeld181,0184,8185,3187,9194,2199,9205,3

Bron 2006: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2007–2012: referentieraming 2007 / ramingsmodel lesgeld

13.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Voor 2008 en verder staan geen onderzoeken gepland.

ARTIKEL 14 CULTUUR

14.1 Algemene doelstelling: een bloeiend cultureel leven

Omschrijving

De overheid ondersteunt cultuur vanwege de intrinsieke waarde en de positieve maatschappelijke effecten: cultuur is cruciaal voor informatieverwerving en meningsvorming in de democratie, draagt bij aan de individuele ontplooiing van mensen en aan de economische groei.

Het overheidsbeleid is erop gericht positieve effecten van cultuur te bevorderen. Zij doet dat door zeven publieke belangen te waarborgen, deels verankerd in de wet op het specifiek cultuurbeleid (artikel 2). Ze borgt de diversiteit, de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het culturele leven. Ze bevordert ook het sociale en geografische bereik van cultuur, dat wil zeggen de toegankelijkheid voor alle burgers en hun vermogen actief en passief te participeren. Verder bewaart en beschermt de overheid ons cultureel erfgoed in Nederland en in den vreemde. Welk beleidsinstrument het meest effectief is, verschilt per sector.

Om de algemene doelstelling van het cultuurbeleid te kunnen realiseren draagt het rijk (mede) verantwoordelijkheid voor de instandhouding van zeven stelsels van onderling samenhangende wetten en regels, geldstromen en publieke voorzieningen. Dit zijn archieven, archeologie, monumenten, musea, kunsten, bibliotheken (alle artikel 14) en media (zie artikel 15). Daarnaast krijgen beleidsprioriteiten vorm in specifieke beleidsprogramma’s (zie beleidsagenda). Bij uitvoering van het beleid is samenwerking met de decentrale overheden van groot belang, terwijl bij de uitvoering van de verschillende beleidsprogramma’s samenwerking met andere departementen en andere maatschappelijke partijen aan de orde is. De Raad voor Cultuur heeft een belangrijke rol als het wettelijk onafhankelijk adviesorgaan van regering en beide Kamers. De raad adviseert over kwaliteit, diversiteit en samenhang van het cultuurbeleid. Bij de kwaliteitsbewaking speelt ook de erfgoedinspectie een rol.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor:

• Scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen;

• Bevorderen van de publieke belangstelling voor cultuuruitingen.

Het grootste gedeelte van het cultuuraanbod komt ongesubsidieerd tot stand in de markt en door particulier initiatief. De overheid staat waar mogelijk op afstand, en is pas betrokken wanneer de genoemde publieke belangen onder druk staan.

Externe factoren

Ontwikkelingen in de cultuurparticipatie zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen die de (rijks)overheid in beperkte mate kan beïnvloeden. Het rijk levert een bijdrage via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende beleidsinspanningen in de vorm van specifieke programma’s. Naast het rijk spelen met name gemeenten een belangrijke rol (accommodaties, ondersteuning amateurkunst en buitenschoolse kunsteducatie). De volgende externe factoren zijn van invloed op de resultaten van het cultuurbeleid:

• Economische ontwikkeling (besteedbaar inkomen, beschikbare vrije tijd);

• Ontwikkeling van het gemiddelde opleidingsniveau;

• Condities voor creatieve bedrijvigheid (juridische en fiscale condities, omvang van de administratieve lasten);

• Ontwikkelingen in de internationale verhoudingen (internationale uitwisseling);

• Ontwikkelingen in de integratie- en inburgering van nieuwkomers;

• Inzet van decentrale overheden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Geïndexeerde ontwikkeling trends in de cultuurparticipatie (beoefening, kunstprogramma’s radio/tv, bezoek). Gebaseerd op percentage mensen dat minimaal één maal per jaar participeerde.

Tabel 14.1 Indicatoren
 1983198719952003
Amateurkunst:    
Zelf theater spelen100986658
Zelf musiceren en/of zingen1001029695
Zelf beeldende kunstmaken100977285
Radio/tv    
Kunstprogramma’s radio / tv10011410099
Bezoek:    
Cinema10093101118
Populaire muziek100113138172
Klassieke muziek100113133106
Cabaret10097101127
Ballet10012499115
Beroepstoneel100102109115
Toneel (inclusief uitvoeringen amateurtoneel)100102110111
Monumenten100103100104
Musea10011198107

Bron: Cultuurminnaars en Cultuurmijders SCP 2005

Toelichting:

De cijfers wijzen op een teruggang van de actieve participatie (amateurkunst). Het bezoek aan cultuuruitingen blijft over de hele linie gelijk of groeit licht, met een sterke groei van de genres cabaret en populaire muziek. Recentere onderzoeksgegevens dan 2003 zijn niet beschikbaar. In 2007 zal het SCP met nieuwe gegevens komen. De algemene beleidsinzet is dat de participatie aan cultuur minimaal gelijk blijft.

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen1 348 621697 251671 7881 035 0421 025 2331 015 0181 013 877
        
Totale uitgaven932 844897 485872 729871 325861 516851 301850 160
Programma-uitgaven963 342844 754817 783825 169816 859806 639805 500
        
Bevorderen van de deelname van de burgers aan kunsten510 927519 252528 134527 337527 458527 458527 506
• Cultuurnota2005–2008439 388435 989435 137428 781427 861427 861427 910
– Cultuurproducerende instellingen290 033299 008298 017285 975285 055285 055295 104
– Cultuur ondersteunende instellingen53 35454 14554 27950 55250 55250 55250 552
– Fondsen82 50182 83682 84082 25482 25482 25482 254
• Film13 50018 10020 00020 00020 00020 00020 000
• Verbreden inzet Cultuur56 57964 88772 72178 28079 32079 32079 320
• Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)1 460276276276276276276
        
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed300 256220 884201 864206 016204 576203 688202 798
• Subsidies Monumentenzorg207 42370 54769 44769 44769 44769 44769 447
• Archieven22 99422 66322 56524 56524 56524 56524 565
• Beelden voor de toekomst024 54023 81022 92222 03221 14420 254
• Huisvesting54 65668 24870 78974 96974 96974 96974 969
• Musea(niet cultuurnota)6 90614 1062 6142 6142 3642 3642 364
• Behoud en Beheer (overig)6 0244 2882 3891 249949949949
• Verdrag van Malta en subsidies Archeologie2 25316 49210 25010 25010 25010 25010 250
        
Bibliotheken29 27240 98835 34034 53134 53134 53134 531
• Subsidies14 537671668668668668668
• Monitoringen evaluatie1 368000000
• Provinciale vernieuwingsplannen026 87321 22721 22821 22821 22821 228
• RVP blinden en slechtzienden13 36713 44413 44512 63512 63512 63512 635
        
Programmakosten Overig (w.o. Enveloppe, taakstelling en loon- en prijsbijstelling)36 03037 15034 69039 98132 99823 66323 368
        
Nationaal Archief15 31826 48017 75517 30417 29617 29917 297
        
Apparaatsuitgaven54 44152 73154 94646 15644 65744 66244 660
• bestuursdepartement10 95514 21510 6569 2319 0849 0099 010
• uitvoeringsdiensten43 48638 51644 29036 92535 57335 65335 650
Ontvangsten12 10139 66624 30423 41622 52621 63820 748

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 14 cultuur enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 25 miljoen in 2008 tot indicatief € 100 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen (met uitzondering van de middelen voor het Nationaal Historisch Museum) op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen zal in de volgende prioriteiten worden geïnvesteerd:

• Mooier Nederland

• Participatie

• Sterke sector

• Innovatie

Daarnaast is in het Coalitieakkoord de taakstelling profijtbeginsel cultuur opgenomen. Deze loopt op van € 15 miljoen in 2008 tot € 50 miljoen in 2011.

De taakstelling wordt ingevuld door een combinatie van maatregelen op terreinen waar privaat profijt is van kunst: cultuurproducerende instellingen (€ 10 miljoen), aankoop beeldende kunst (€ 0,8 miljoen) en enkele overige subsidies (€ 21,2 miljoen). Ook wordt voor een deel van de taakstelling de enveloppe ingezet (€ 18 miljoen); de taakstelling 2008 wordt hieruit volledig gedekt.

Tabel 14.3 budgetflexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200720082009201020112012
Programma-uitgaven844 754817 783825 169816 859806 639805 500
• Totaal juridisch verplicht789 287707 667299 915211 829211 825211 828
• Totaal bestuurlijk gebonden55 467110 116525 254605 030594 814593 672
       
Cultuurnota2005–2008454 089455 137448 781447 861447 861447 910
• Waarvan juridisch verplicht454 089455 1370000
• Waarvan bestuurlijk gebonden00448 781447 861447 861447 910
       
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed196 344178 054183 094182 544182 544182 544
• Waarvan juridisch verplicht155 287150 486154 666154 666154 666154 666
• Waarvan bestuurlijk gebonden41 05727 56828 42827 87827 87827 878
       
Bibliotheken40 98835 34034 53134 53134 53134 531
• Waarvan juridisch verplicht40 98812 6350000
• Waarvan bestuurlijk gebonden022 70534 53134 53134 53134 531
       
Verbreden inzet cultuur89 70396 807101 478101 628100 74099 850
• Waarvan juridisch verplicht74 86636 53734 33734 27734 27734 277
• Waarvan bestuurlijk gebonden14 83760 27067 14167 35166 46365 573
       
Programmakosten overig (wo loon- en prijsbijstelling)37 15034 69039 98132 99823 66323 368
• Waarvan juridisch verplicht37 15034 6905 1635 1635 1565 161
• Waarvan bestuurlijk gebonden0034 81827 83518 50718 207
       
Nationaal Archief26 48017 75517 30417 29617 29917 297
• Waarvan juridisch verplicht26 48017 75517 30417 29617 29917 297
• Waarvan bestuurlijk gebonden      

14.4 Operationele beleidsdoelstellingen

14.4.1 Bevorderen dat burgers deelnemen aan een kwalitatief hoogwaardig, divers en onafhankelijk aanbod van kunsten door de aanwezigheid van dit aanbod te waarborgen

Motivering

Het goed functioneren van een kunstenstelsel (podiumkunsten, film, beeldende kunst, bouwkunst, vormgeving en nieuwe media) dat in onafhankelijkheid tot stand komt en kwalitatief hoogwaardig en divers is, is een voorwaarde voor een bloeiend cultureel leven. Maar geen kunsten zonder participerende burgers: als toeschouwer of als actief (amateur) beoefenaar.

Instrumenten

Cultuurnota

Het uitvoeren van de Cultuurnota 2005–2008, door het verstrekken van subsidies aan:

• Producerende instellingen (zoals gezelschappen, ensembles, orkesten, festivals, podia, presentatie-instellingen), zodat deze in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te verzorgen, en het maken van (prestatie)afspraken hierover. Ook de musea vallen binnen de Cultuurnota (zie ook artikel 14.3.2.).

• Ondersteunende instellingen, die voor deelsectoren een aantal functies vervullen (educatie, informatie en reflectie; documentatie en archivering; (inter)nationale vertegenwoordiging en collectieve promotie, ontsluiten van erfgoed en coördinatie; culturele diversiteit).

• Cultuurfondsen (Fonds voor de Letteren, Fonds voor de Scheppende Toonkunst, Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds, Mondriaan Stichting, Stimuleringsfonds voor Architectuur, Nederlands Fonds voor de Film, Fonds voor Podiumprogrammering en Marketing, Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten), ten behoeve van producties of projecten van instellingen of individuele kunstenaars.

• Daarnaast is in juni 2007 – als opvolger van de fiscale Filmstimuleringsaftrek – het nieuwe filmstimuleringsbeleid in werking getreden.

In de afgelopen periode is besloten de cultuurnotasystematiek te herijken. Dit is nodig omdat de huidige werkwijze zowel door de culturele sector als door de Tweede Kamer als te ingewikkeld en te bureaucratisch werd beoordeeld. Bij politiek (maar ook departement) zouden niet zozeer de subsidierelaties maar de (hoofdlijnen van) het cultuurbeleid centraal moeten staan. De aanpassingen moeten meer flexibiliteit mogelijk maken (Verschil Maken Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 989, nr. 22en Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006,28 989, nr. 35). In juni 2007 keurde de Eerste Kamer de bijbehorende wetswijziging goed (Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 847). In het nieuwe subsidiestelsel neemt de minister directe verantwoordelijkheid voor een «landelijke basisinfrastructuur». Daarvan wordt een deel aangewezen in een langjarig subsidieperspectief gecombineerd met visitatie (m.n. rijksgesubsidieerde musea, orkesten en opera, grote dansgezelschappen en sectorinstituten), en een ander deel komt in aanmerking voor een vierjarige subsidierelatie. De overige culturele instellingen (meer dan het huidige aantal) kunnen voor project- en meerjarige subsidies terecht bij de cultuurfondsen. In 2008 wordt verder gewerkt aan de implementatie van Verschil Maken. Dat betekent onder meer de vorming van twee nieuwe fondsen (één voor podiumkunsten en één voor cultuurparticipatie), uit drie oude fondsen, en het uitvoeren van de aanvraagprocedure voor de nieuwe periode 2009–2012.

Door middel van internationale culturele uitwisseling en samenwerking kunnen de Nederlandse kunsten zich spiegelen aan en laten inspireren door voorbeelden uit het buitenland. In het kader van de recente Kamerbrieven over het cultuurbeleid en het internationaal cultuurbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, resp. nr. 44 en nr. 45) zullen de beschikbare middelen in toenemende mate worden ingezet ten behoeve van strategische programma’s en projecten gericht op internationalisering. Aangezien fondsen (verdeling van middelen) en sector-instituten (internationale promotie) daarbij een belangrijke rol spelen, zal internationalisering expliciet onderdeel uitmaken van de dialoog met deze organisaties. Daar waar opportuun zal ook bij de beoordeling van andere, direct door OCW te financieren instellingen, internationalisering worden meegewogen.

Overige instrumenten

• Geldstroom Beeldende kunst en Vormgeving

De huidige Geldstroom Beeldende kunst en Vormgeving loopt eind 2008 af. De Hoofdlijnenbrief cultuurbeleid Kunst van leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,28 989, nr. 44, 27 juni 2007) bevat voorstellen voor een andere inzet van deze middelen met ingang van 2009.

• Participatie

De programma’s Cultuur en School en Actieprogramma Cultuurbereik worden voortgezet in 2008 en krijgen daarna hun vervolg in de beleidsprioriteit «Een brede basis voor cultuur: cultuurparticipatie», onder meer met de instelling van een programmafonds cultuurparticipatie, het onderzoeken van de mogelijkheid en de wenselijkheid van een cultuurkaart voor scholieren in het voortgezet onderwijs, en de bevordering van de culturele dialoog. Verder worden middelen uitgetrokken voor leesbevordering. Dit programma beoogt de literaire participatie te vergroten. Leesbevordering draagt ook bij aan de strijd tegen laaggeletterdheid. In het programma, dat in het najaar van 2007 verder wordt ontwikkeld, zal een belangrijke rol zijn weggelegd voor de openbare bibliotheken.

• Een sterke sector

Om het financiële en maatschappelijke draagvlak van culturele instellingen te vergroten worden in 2008 voorstellen ontwikkeld in samenspraak met de sector.

• Excellentie

Er wordt geïnvesteerd in de begeleiding en ontwikkeling van (top)talent en voor een versterking van de internationale positie van het Nederlandse culturele leven. Nederland gaat zijn meest excellente kunstenaars eren met een jaarlijkse Vermeerprijs.

• Innovatie

Met het Programma voor de Creatieve Industrie bevorderen OCW en EZ in samenwerking met andere departementen de economische benutting van cultuur en creativiteit. Waar nodig wordt eerst onderzoek verricht. Speerpunten van het programma zijn: innovatie en ondernemerschap binnen creatieve bedrijfstakken; de toegang tot kapitaal; marktontwikkeling, met name internationaal; de ontwikkeling van creatieve clusters en een zorgvuldige benutting van intellectueel eigendom.

Een landelijke digitale infrastructuur voor de cultuursector wordt duurzaam ontwikkeld met behulp van subsidies, programma’s en stimuleringsmaatregelen, in lijn met Europese ontwikkelingen op dit vlak. Belangrijke speerpunten zijn de digitalisering van audiovisuele collecties en archiefstukken, inclusief de ontsluiting ervan en een onderzoeksprogramma naar het gebruik van het digitale culturele aanbod.

Tenslotte wordt geïnvesteerd in nieuwe media als kunstvorm en e-Cultuur gericht op talentontwikkeling, experiment, onderzoek en vernieuwing (de zogenaamde ontwikkelfunctie) en er komt een matchingregeling voor nieuwe media-instellingen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2005Waarde 2006Streefwaarde 2009
1. Uitvoeringen gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)16 31816 213 16 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
2. Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)3 605 0003 645 0003 600 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
3. Verhouding publieksinkomsten/ subsidie (norm podiumkunsten = 15%)27%28% 15%
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
4. Aantal Nederlandse Filmproducties392920–25
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB)   
5. Marktaandeel publiek Nederlandse Film13,2%11,1%12%
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB)  2008
6. Cultuur en school: percentage bestede vouchers76%79%n.v.t.
Bron: CJP   
7. Percentage verzilverde waarde cultuurkaartn.v.t.n.v.t.70%
Bron: uitvoerder cultuurkaart   
8. Culturele diversiteit: percentage bestuurders met cultureel diverse achtergrond12,5% 15%
Bron: Risbo2004 2008
9. ICB: aantal Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland2 0421 883 1 850
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
10. ICB: aantal bezoeken aan Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland680 000 754 000700 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   

Toelichting:

• Podiumkunsten

Het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen in binnen en buitenland (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen). Prestatieafspraken worden gemaakt voor de cultuurnotaperiode 2005–2008. De «15%-norm» geeft de relatie tussen de publieksinkomsten en de totale subsidie (van alle overheden samen). Deze verhouding is minimaal 15: 85. Overige inkomsten blijven buiten beschouwing. Per instelling worden onder meer prestatieafspraken gemaakt over de publieksinkomsten over de periode 2005–2008. Voor festivals, jeugdtheater, podia, werkplaatsen, productiehuizen en enkele orkesten gelden aangepaste normen. Deze zijn in de indicator niet meegenomen.

In overleg met de branche en het CBS wordt een monitor podiumkunsten ontwikkeld, om feiten en cijfers ten behoeve van (sector)analyses van de podiumkunsten beter te kunnen onderbouwen en te komen tot een verbeterde indicator (cf. marktaandeel gesubsidieerde podiumkunst). De monitor moet in 2009 operationeel zijn (aanvang vierjarige periode 2009–2012).

• Cultuur en School

Percentage bestede vouchers: het maximaal haalbare percentage is rond de 80%. Onderzoek naar bestedingscijfers ckv-vouchers door CJP is beschikbaar medio 2007. De indicator «besteding cultuurkaart» is het percentage van de rechten die de cultuurkaart geeft, dat daadwerkelijk verzilverd wordt. Schooljaar 2009 gaat om schooljaar 2008/2009, dus het eerste schooljaar dat de cultuurkaart is ingevoerd. Streefwaarden in 2010 en 2011 zijn respectievelijk 75% en 80%.

• Internationaal cultuurbeleid

Het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen van gezelschappen, ensembles en orkesten (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen). Om de kwaliteit van de Nederlandse culturele prestaties beter te kunnen beoordelen in internationaal verband zal in 2008 een nieuwe indicator worden ontwikkeld voor één of meer sectoren.

14.4.2 Bevorderen dat burgers kennis nemen van het culturele erfgoed door het te behouden, te beheren en te ontsluiten

Motivering

De komende jaren wordt een aantal acties in gang gezet om het bereik van cultureel erfgoed in Nederland te vergroten. De rijksgesubsidieerde musea worden gratis toegankelijk gemaakt voor kinderen tot en met 12 jaar. Bovendien is het de bedoeling dat ook alle andere, ca. 440 geregistreerde musea, gratis toegankelijk worden voor deze leeftijdscategorie. Zo zal in het gehele land museumbezoek voor het basisonderwijs aantrekkelijker worden. Er zal dan ook geïnvesteerd worden in vernieuwingen en dan vooral in de educatieve programma’s.

Ten tweede wordt in Arnhem een Nationaal Historisch Museum opgericht, dat als doel heeft om het historisch besef bij een breed publiek te vergroten. Het Nationaal Historisch Museum zal een overzicht geven van de Nederlandse geschiedenis op basis van de canon. Voor het Nationaal Historisch Museum is in 2008 een rijksbijdrage van 2 miljoen euro beschikbaar, oplopend tot 12 miljoen in 2011 en verder.

Cultureel erfgoed, in de vorm van monumenten, cultuurlandschap en archeologie, draagt wezenlijk bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Nederland. De ambitie voor de komende jaren is een Mooier Nederland. We willen dit bereiken door bevordering en borging van de ruimtelijke kwaliteit vanuit een cultureel perspectief. Dit krijgt in 2008 zijn beslag in een integrale visie op architectuur-, Belvedère-, en ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Dit is het vervolg op hetActieplan Ruimte en Cultuur(2005–2008) waarvan de resultaten, o.a. stimuleringsprogramma’s en investeringen in ISV en ILG, eind 2008 worden gepresenteerd. In 2008 nemen de departementen, betrokken bij het Belvedèrebeleid (LNV, OCW, VROM en V&W) een besluit over de beleidsmatige en financiële invulling van deze beleidsverantwoordelijkheid na 2009.

Behoud van monumentaal erfgoed blijft de aandacht vragen. Eind vorig jaar rapporteerde het vorige kabinet de Tweede Kamer over de toestand van de rijksmonumenten. Daaruit bleek dat de categorie kerkgebouwen verreweg de grootste subsidiebehoefte hebben en dat het huidige BRIM-budget daar niet op berekend is. In lijn met het regeerakkoord zal het structurele subsidiebudget BRIM daarom verhoogd worden in verband met behoud van religieus erfgoed.

Door de Tweede Kamer is in het verleden aandacht gevraagd voor de zogenaamde groene monumenten. Deze rijksmonumenten (parken, buitenplaatsen enz.) zijn wel beschermd maar kunnen geen aanspraak maken op subsidie. Daardoor is bij deze categorie rijksmonumenten sprake van ernstig verval. De groene monumenten krijgen daarom toegang tot de BRIM. Het BRIM-budget zal met het oog daarop versterkt worden. Hetzelfde geldt voor de archeologische monumenten, wel beschermd maar niet beheerd, met als gevolg degradatie van belangrijk erfgoed. Hiervoor zal een aparte regeling getroffen worden.

Monumenten van de toekomst zijn monumenten uit de wederopbouwperiode. De minister van OCW heeft bij de Tweede Kamer aangekondigd binnenkort over te gaan tot de eerste aanwijzingen. Ook met het oog hierop zal het BRIM-budget versterkt worden. Voorts zullen middelen ingezet worden voor herbestemming en exploitatie van beeldbepalende potentiële monumenten in de 40 wijken van de minister van Integratie. Hoe de uitvoering vorm moet krijgen zal in overleg met VROM en VNG nader worden uitgewerkt.

Ten slotte zullen middelen uitgetrokken worden om de monumentenzorg op de Nederlandse Antillen te ondersteunen.

Het borgen van de kwaliteit van de Nederlandse archieven is de doelstelling van het archiefbeleid van OCW. Voor archieven is in 2008 € 22 miljoen begroot, dit is exclusief de bekostiging van het Nationaal Archief, een agentschap van OCW (zie onder 6.2). Sinds 2002 zijn door archiefinstellingen stappen gezet op het gebied van publiekstoegankelijkheid, onder andere door digitalisering en de vorming van de regionale historische centra.

In 11 provincies is door een fusie van het rijksarchief van de betreffende provincie met andere cultuurhistorische instellingen een regionaal historisch centrum ontstaan. De hoogte van de bijdragen aan de RHC’s is vastgelegd in de instellingsbesluiten voor de Gemeenschappelijke Regelingen die ten grondslag liggen aan de RHC’s. Vernieuwing en verbetering van de toegankelijkheid is nodig om het bereik te vergroten. Ook de Taskforce Archieven, een tijdelijke organisatie met als partners het Nationaal Archief, Erfgoed Nederland en IPO en VNG, speelt een belangrijke rol bij het beter digitaal toegankelijk maken van archieven.

Het monumentenbeleid wordt uitgevoerd op basis van de Monumentenwet 1988 en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding Monumenten (BRIM). Kern van de nieuwe subsidieregeling is het wegnemen van het onderscheid tussen onderhoud en herstel en erop sturen dat voor monumenten een zesjarig instandhoudingsplan wordt gemaakt. Het kabinetsbeleid is sinds 1994 gericht op het inhalen van achterstanden. De plannen voor de modernisering van de monumentenzorg, inclusief aanpassing van de wetgeving en financiering, worden begin 2009 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

De wet op de archeologische monumentenzorg, waarmee het Verdrag van Valletta (Malta) in Nederland is ingevoerd, is per 1 september 2007 in werking getreden. De wet is gericht op behoud van het bodemarchief. Waar behoud niet mogelijk is kan de besluitvormende overheid (rijk, provincie of gemeente) besluiten tot het laten uitvoeren van archeologische maatregelen. Bij de financiering hiervan geldt het uitgangspunt dat «de verstoorder betaalt». Daar waar uiteindelijk overheden (provincies en gemeenten) worden geconfronteerd met excessieve opgravingkosten, kan de minister van OCW besluiten tot een financiële bijdrage. Het gaat dan om een specifieke uitkering gebaseerd op de Wet specifiek cultuurbeleid. Deze uitkering zal binnenkort gedecentraliseerd worden naar het Gemeentefonds.

Aan 26 musea worden subsidies verstrekt zodat zij doorlopend in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te garanderen. En zoals hiervoor vermeld zal geïntensiveerd worden op vernieuwingen en met name op educatieve activiteiten voor scholen.

Het nieuwe museale beleid biedt een helder kader voor de musea, opdat zij hun rol in de veranderende samenleving kunnen vervullen. De kern van de museale strategie vormt continuïteit in en beweging van de museale sector. (Nota «Bewaren om teweeg te brengen», Tweede Kamer, vergaderjaar28 989, nr. 27 en Brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer, vergaderjaar28 989, nr.33 ). In het kader van de Herijking Cultuurnotasystematiek (Verschil Maken) is de bekostiging van de museumsector herzien.

Het project Beelden voor de Toekomst heeft tot doel om belangrijke delen uit de audiovisuele collecties van Beeld en Geluid, het Filmmuseum en het Nationaal Archief te conserveren en te digitaliseren en vervolgens beschikbaar te maken voor het algemeen publiek, de creatieve industrie en voor educatieve doeleinden. Het gaat in totaal om 137 200 uur video, 123 900 uur audio, 22 510 uur film en 2,9 miljoen foto’s. Het project is gestart in 2007 en loopt tot 2014. Vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) heeft het kabinet een bijdrage van € 154 miljoen beschikbaar gesteld. Van het project zijn in de periode 2014–2025 baten te verwachten tot een bedrag van € 64 miljoen die terugvloeien naar het FES.

Instrumenten

Archieven

• Bekostiging Regionale Historische Centra;

• Selectie van over te dragen archiefmateriaal;

• Conserveren van archiefmateriaal;

• Toegankelijk maken van archieven voor de gebruiker.

Mooier Nederland

• Actieprogramma Ruimte en Cultuur (2005–2008);

• Stimuleringsprogramma’s en voorbeeldprojecten;

• Projectbureau Belvedere.

Monumenten en archeologie

• Het beperkt aanwijzen van (archeologische) monumenten door Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM);

• Het adviseren van lokale overheden door RACM;

• Subsidie woonhuisrestauraties via het Revolving Fund van het Nationaal Restauratiefonds (NRF);

• Overige monumentensubsidie door RACM;

• Beschikbaar stellen van hoogwaardige kennis door RACM;

• Financiële ondersteuning van lokale overheden bij opgravingen;

• Ondersteuning sectorinstituut Erfgoed Nederland en enkele andere (vrijwilligers)organisaties en steunpunten.

Musea

• Subsidie meerjarig, en visitatie (subsidieplan) van 26 musea;

• Incidentele subsidies en vernieuwingsmiddelen;

• Beschikbaar stellen van kennis;

• Het Nationaal Historisch Museum.

Beelden voor de Toekomst

• Subsidies ten behoeve van conservering en digitalisering.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Aantal monumentenmet een restauratie-achterstand33%17,1%10%
Bron: RACM200520072010
2. Percentage van de bevolking dat eens in de 12 maanden een bezoek brengt aan een archief2,9%3%4%
Bron: SCP199520072008
3. Percentage beschikbaar materiaal Nationaal Archief van het totaal Totaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%
Bron: Nationaal Archief200720082009
4. Aantal bezoekers rijksgesubsidieerde musea5,2 miljoen 6,0 miljoen
Bron: SCP2007 2009
5. Aantal 0–12 jarigen dat jaarlijks een museum bezoekt Nog te bepalenNog te bepalen
  20082011
6. Aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten12 94912 69012 700
Bron: RACM200520062009
7. Beelden voor de Toekomst   
• uren video078 400137 200
• uren audio070 800123 900
• uren film012 86322 510
aantal foto’s01 657 1432 900 000
Bron: jaarverslag consortium Beelden voor de    
Toekomst200720102013

Toelichting:

Monumenten

Niet alle kosten voor restauratie komen voor subsidie in aanmerking. De rijksbijdrage aan de restauraties van rijksmonumenten bedraagt de afgelopen jaren circa 50 procent van de subsidiabele kosten.

Archieven

Het aanbod van het Nationaal Archief en de regionale historische centra groeit jaarlijks door het overdragen van archiefmateriaal. Het percentage beschikbaar materiaal zegt iets over de toegankelijkheid van de archieven. Het streven is dit percentage tenminste constant te houden.

Musea

• Het aantal bezoeken aan rijksgesubsidieerde musea is een onderdeel van de prestatieafspraken die met de betreffende musea worden gemaakt. Gezien de andere functies die een museum heeft, naast de publieksfunctie, geeft dit slechts een beperkt beeld van de prestaties van musea.

• In 2011 is het aantal bezoeken van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar met 30% toegenomen ten opzichte van 2008. Om de bezoeken van 0–12-jarigen te volgen zal in 2008 een nulmeting worden opgezet. Op basis van deze nulmeting zal het streefpercentage in de begroting 2009 definitief worden vastgesteld.

Archeologie

In het licht van de doelstelling om het bodemarchief te behouden zal het aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten de komende jaren qua streefwaarde in ieder geval hetzelfde aantal moeten bedragen als in 2006. In welke mate dit aantal feitelijk toe- of afneemt is moeilijk te zeggen. Dit hangt enerzijds sterk af van het aantal nieuwe archeologische monumenten dat wordt gevonden en anderzijds van de noodzaak c.q. onvermijdelijkheid tot opgraving van deze monumenten.

Beelden voor de Toekomst

Jaarlijks zal het Consortium Beelden voor de Toekomst in het jaarverslag een opgave doen van het aantal uren materiaal dat is geconserveerd en gedigitaliseerd.

14.3.3. Mensen toegang bieden tot een kwalitatief hoogwaardig, multimediaal toegankelijk stelsel van openbare bibliotheken

Motivering

De vernieuwing van de openbare bibliotheken tot een centrale, actuele publieke voorziening in de kennissamenleving draagt bij tot een bloeiend cultureel leven. De vernieuwing vindt plaats langs drie sporen:

• Inhoudelijke vernieuwing van bibliotheekdiensten (onder andere via ICT), c.q. van de culturele, educatieve, sociaal-maatschappelijke en publieksinformatieve kernfunctie;

• Stelselversterking: bestuurlijke schaalvergroting & netwerkvorming, uitbouw van kwaliteitszorg (INK) en het HRM-beleid, herpositionering ondersteunende instellingen op provinciaal niveau.

• De integratie van de blindenbibliotheken in het stelsel van de openbare bibliotheken.

Instrumenten

• Subsidies:

– Instellingssubsidie aan de VOB; hierin begrepen de subsidie voor het uitvoeren van de stelseltaken door de VOB;

– Subsidies ten behoeve van de herstructurering van het openbaar bibliotheekwerk, zowel regulier als uit enveloppengelden Balkenende II;

– Subsidies in het kader van de provinciale vernieuwingsplannen («marsrouteplannen»);

– Subsidies aan een geïntegreerd blindenbibliotheekstelsel.

• Monitoring en evaluatie van processen en instellingen.

• Bestuurlijk overleg en daaruit voortvloeiende afspraken met IPO en VNG.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Onderdeel van de bibliotheekvernieuwing is het vormen van basisbibliotheken. Vanaf 2008 is de specifieke uitkering, die hiervoor via provincies aan gemeenten werd verstrekt overgedragen aan het gemeentefonds. In de begroting van OCW zullen daarom vanaf 2008 de indicatoren voor «aantal basisbibliotheken» en «percentage gecertificeerde basisbibliotheken» niet meer worden opgenomen.

Verder zal de Tweede Kamer, zolang de bibliotheekvernieuwing nog niet is afgerond, jaarlijks door middel van een beleidsbrief worden geïnformeerd over de voortgang.

Omdat de integratie van de blindenbibliotheken in het stelsel van openbare bibliotheken eerst vanaf 2007 plaatsvindt, zijn voor de blindenbibliotheken op dit moment nog geen indicatoren vastgesteld.

14.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 14.6
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingCultuurparticipatieOD (14.1.1)2010 
Effectenonderzoekex postEvaluatie BTW tarief cultuur en mediaAD (14.1)A. 2007B. 2008 
 Evaluatie van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (BRIM)OD (14.4.2)2009 
Overig evaluatieonderzoekInternationale positie van de Nederlandse cultuur (inz. Podiumkunsten)AD (14.1)A. 2007B. 2008 
 Statistiek BK regelingenOD (14.4.1)A. 2007B. 2008 
 De openbare bibliotheek in de toekomstOD (14.4.3)A. 2008B. 2008 
 Integratie blindenbibliotheken in de openbare basisbibliothekenOD (14.4.3)A. 2007B. 2008Stuurgroep integratie blindenbibliotheken.

ARTIKEL 15. MEDIA

15.1 Algemene doelstelling: een divers media-aanbod

Omschrijving

Het mediabeleid van de overheid richt zich op televisie, radio, kranten, opiniebladen en journalistieke en culturele uitingen via internet. Al deze media hebben een prominente rol in de samenleving. Mensen besteden gedurende hun leven meer tijd aan media dan aan werk, opleiding en andere activiteiten. Alleen slapen legt een nog groter beslag op onze tijd. Media zijn bovendien meer dan een bron van vermaak. Zij zijn een bron van kennis en informatie en podia voor democratisch debat. Ook geven ze mede vorm aan cultuur – internationaal, nationaal, lokaal en binnen groepen – en zijn zij dragers van kunst (verhalen, documentaires, drama, muziek e.d.).

Omdat media bovengenoemde democratische en culturele functies vervullen, is het belangrijk dat media redactioneel onafhankelijk zijn van overheden, bedrijven en andere belangenpartijen. Cruciaal is ook dat media de diversiteit aan opvattingen en interesses binnen de bevolking weerspiegelen en dat zij kwaliteit hoog in het vaandel dragen. Tot slot telt dat dit diverse media-aanbod onder handbereik is voor iedereen; voor jong en oud, stad en land, hoge en lage inkomens. Deze vier publieke belangen – onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid – waarborgt de overheid.

Het merendeel van het media-aanbod komt op de markt tot stand, maar publieke belangen zijn daarbij niet vanzelfsprekend verzekerd. Zelfs nu door digitalisering het aantal distributiekanalen toeneemt, blijft «publieke» audiovisuele inhoud schaars. Bovendien is op veel deelmarkten sprake van concentratie van marktmacht in handen van enkele mediabedrijven. Dit is een risico voor de verscheidenheid en de toegankelijkheid van het aanbod en daarom intervenieert de overheid. Daarnaast beschermt de overheid burgers, in het bijzonder minderjarigen, tegen mogelijke schadelijke effecten van media.

Om effect te sorteren, strekt het mediabeleid zich uit over de volle breedte van het medialandschap. Grofweg valt het beleid in zeven onderdelen uiteen:

1. Financiering en wetgeving voor publieke omroepen. De rijksoverheid financiert de landelijke publieke omroep; provincies en gemeenten de regionale en lokale omroepen. Voor alle publieke omroepen stelt de Mediawet globale eisen aan de organisatie en aan het programma-aanbod.

2. Wetgeving voor commerciële omroep. Eisen aan commerciële radio hangen samen met de uitgifte van etherfrequenties. Eisen aan commerciële televisie vloeien voornamelijk voort uit de Europese Televisierichtlijn en gaan o.a. over het aandeel Europees en onafhankelijk product, reclame en bescherming van minderjarigen.

3. Wet- en regelgeving voor de distributie van elektronische media. De Mediawet regelt onder meer de verplichte doorgifte van publieke kanalen via de kabel en inspraak van burgers bij de samenstelling van het basispakket. Ook de Telecommunicatiewet bevat bepalingen die relevant zijn voor (elektronische) mediadistributie, zoals toezicht op tarieven en de openheid van netwerken voor derden.

4. Financiële steun voor dagbladen en opinieweekbladen en voor journalistiek en meningsvorming op internet. Hiervoor bestaat het Stimuleringsfonds voor de Pers en een experimentele subsidieregeling (Digitale Pioniers).

5. Wetgeving die concentratie op mediamarkten tegengaat. Deze wetgeving is onlangs gewijzigd.

6. Aanmoedigen van zelfregulering door media. Voorbeelden zijn de Kijkwijzer van het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), de Reclame Code, de Raad voor Journalistiek. De Mediawet verplicht publieke en commerciële omroepen deel te nemen aan het NICAM en de Reclame Code. Voor het overige is deelname van media zelfregulering vrijwillig.

7. Bescherming en educatie van mediagebruikers, in het bijzonder de jeugd.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister van OCW heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de wet- en regelgeving op dat terrein. Hij is tevens verantwoordelijk voor de financiering van de landelijke publieke omroep, wereldomroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. Sinds 1 januari 2006 is de verantwoordelijkheid voor de financiering van de regionale omroep overgedragen aan de provincies. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van lokale omroep.

De minister van OCW is verder verantwoordelijk voor het Stimuleringsfonds voor de Pers, dat steun verleent aan dagbladen, opinieweekbladen en internetjournalistiek. Tevens is hij verantwoordelijk voor tijdelijke subsidies aan diverse non-profit initiatieven op het terrein van de media (uit het budget subsidies mediabeleid).

De minister van OCW is tot slot verantwoordelijk voor naleving van de Mediawet en het Mediabesluit door de diverse publieke en commerciële media. Het toezicht op de naleving is de taak van het Commissariaat voor de Media.

De minister van OCW is, afgezien van naleving van de Mediawet, niet verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van het media-aanbod. Dat zijn de omroepen, de pers en andere aanbieders zelf. Op deze manier is redactionele onafhankelijkheid van media tegenover de overheid beschermd.

Externe factoren

Het Nederlandse overheidsbeleid is slechts één van de factoren die het medialandschap beïnvloeden. Andere invloeden zijn Europese regels, technologie (met name digitalisering), economische trends (zoals reclamebestedingen, diversificatie en concentratie van mediabedrijven) en uiteraard veranderingen in het mediagebruik van mensen. Vanwege deze veelheid aan invloeden kan de overheid slechts verantwoordelijkheid dragen voor het systeem van financiering en regulering van media. De overheid is niet verantwoordelijkheid voor de uitkomst: het aanbod en het gebruik van media. Dit geldt eens te meer omdat de overheid zich niet mengt in de inhoud, in verband met de uitingsvrijheid (artikel 7 van de Grondwet).

In het vervolg van deze begroting zijn niettemin gegevens opgenomen over aanbod en gebruik van media. Hoewel onderhevig aan diverse invloeden, geven zij wel een indicatie of de doelen van mediabeleid gerealiseerd worden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 15.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2006Streefwaarde peildatum 1
1a. Aantal Nederlandstalige televisiekanalen1919 
1b. Aantal Nederlandstalige radiokanalen2122 
Bron: Commissariaat voor de media (monitormediaconcentratie)2005  
2. bereik landelijke publieke televisie85%86%P.M.
Bron: Stichting Kijkonderzoek2003  
3. Aantal redactioneel zelfstandige dagbladen242422
Bron: Persmediamonitor2006 2008
4. Dagbladconcentraties (maximum % oplagemarkt)33%33%35% (Max)
Bron: Persmediamonitor2006 2008
5. Distributie elektronische media in huishoudens   
• % met kabelaansluiting88,5%88,5% 
• % analoge en digitale ether3,7%3,7% 
• % satelliet10,1%10,1% 
• % IPTV (televisie via internet)1,7%1,7% 
Bron:TNO2006  

Toelichting:

1. Het aantal radio- en televisiekanalen voor het Nederlandse publiek is een grove indicator voor de diversiteit van de audiovisuele media. Het betreft hier de landelijke zenders met uitzondering van de themakanalen.

2. Het maatschappelijke effect van de publieke omroep hangt mede af van het aantal mensen dat kijkt en/of luistert. Gezien de vele commerciële alternatieven en de digitalisering zijn de marktaandelen van de publieke radio en televisiezenders hiervoor een minder goede indicator. In plaats daarvan is het weekbereik genomen: het percentage mensen (boven de 6 jaar) dat per week minimaal 15 minuten aaneengesloten heeft gekeken naar de publieke televisie.

Voor de genoemde indicator kan op dit moment nog geen streefwaarde worden opgenomen. Hiermee zou vooruitgelopen worden op de nog met de publieke omroep af te sluiten prestatiecontracten.

3. Het aantal redactioneel zelfstandige kranten is een grove indicator voor de diversiteit van de pers. Na de fusie van het Algemeen Dagblad met 7 regionale dagbladen is het aantal titels gedaald naar 22 in 2007. Daarnaast zijn er vanaf 2006 4 gratis kranten bijgekomen. Voor de streefwaarden worden de gratis kranten niet meegeteld.

4. Om diversiteit van de meningsvorming te beschermen, gaat wetgeving mediaconcentratie (door fusies) tegen. Het streven is dat dagbladondernemingen niet meer dan 35% van de totale oplagemarkt in handen hebben. In 2006 had de grootste uitgever een marktaandeel van 33%.

5. Concurrentie tussen en op distributienetwerken is gunstig voor toegankelijkheid: zowel eindgebruikers als aanbieders van inhoud hebben meer te kiezen en de prijzen voor distributie worden doorgaans lager. In 2006 is de kabel nog steeds het dominante netwerk voor de distributie van televisie en ether het belangrijkst voor radio. Breedband heeft de Nederlandse huishoudens veroverd; in 2006 heeft 70% van de huishoudens een breedbeeldaansluiting.

15.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen797 288801 123853 393848 122852 796854 080858 379
Waarvan garantieverplichtingen
Totale uitgaven758 453791 052843 193848 122852 796854 080858 379
        
Programma-uitgaven:758 453791 052843 193848 122852 796854 080858 379
        
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod755 606783 990838 740843 663848 337851 623855 922
• Financiering publieke omroep739 828767 976822 226827 149831 823835 109839 408
• Stimuleringsfonds15 77816 01416 51416 51416 51416 51416 514
        
Programmakosten overig2 8477 0624 4534 4594 4592 4572 457
• Overige uitgaven (geen Mediawet)2 8477 0624 4534 4594 4592 4572 457
Ontvangsten252 909232 878232 234232 234252 570197 318197 318

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 15 media enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 50 miljoen in 2008 tot indicatief € 100 miljoen in 2011. Vanaf 2008 wordt de rijksomroepbijdrage structureel verhoogd met € 50 miljoen per jaar. Dit bedrag is bestemd voor het herstel van de programmering van de landelijke publieke omroep en voor de dekking van de tekorten op hun begroting. Vanaf 2011 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Apart budget Nederlands drama

• Verdere crossmediale programmaontwikkeling

• Verdere verbetering bereik onder jeugd en jongeren

Tabel 15.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)843 193848 122852 796854 080858 379
Totaal juridisch verplicht843 193847 404852 078853 362857 661
Totaal bestuurlijk gebonden718718718718
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod838 740843 663848 337851 623855 922
• Juridisch verplicht838 740843 663848 337851 623855 922
• Bestuurlijk gebonden
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden
      
Programmakosten overig4 4534 4594 4592 4572 457
• Juridisch verplicht4 4533 7413 7411 7391 739
• Bestuurlijk gebonden (cultuurnota) 718718718718
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden

15.3 Operationele beleidsdoelstelling

15.3.1 Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod

Motivering

Uitgaand van het algemene doel van mediabeleid, legt het kabinet de komende jaren het accent op drie terreinen. Ten eerste bevordert het kabinet goede en gevarieerder radio en televisie. Hier ligt vooral een taak voor de landelijke publieke omroep. Hij krijgt meer geld, er komen nieuwe spelregels voor zijn multimediale taak, de raad van bestuur behoudt de regie en de regels voor erkenning van omroepen veranderen. Commerciële televisie zal naar verwachting profiteren van een soepeler reclameregime. Daartegenover staat het wegvallen van inkomsten voor het uitzenden van alcoholreclame op radio en televisie tussen 6.00 uur en 21.00 uur.

Ten tweede wil het kabinet bijdragen aan een levendig journalistiek klimaat. Steun voor de geschreven pers is daarbij niet het enige instrument. Het gaat ook om stimulansen voor kwaliteit van journalistiek via radio, televisie en internet.

Ten derde hecht het kabinet er aan dat de jeugd bewust omgaat met media. Het gaat dan zowel om het positieve gebruik van media voor informatie, discussie en expressie – als om weerbaarheid tegenover mogelijk schadelijke inhoud. Dit vergt ook deelname van mediaorganisaties aan de Kijkwijzer en zelfregulering via gedragscodes.

Instrumenten

Publieke omroep

• Financiering van de publieke omroep geschiedt uit de mediabegroting. Vanaf 2008 wordt de rijksomroepbijdrage structureel verhoogd met € 50 miljoen per jaar. Dit bedrag is bestemd voor het herstel van de programmering van de landelijke publieke omroep en voor de dekking van de tekorten op hun begroting. Bij de inzet van de extra middelen worden ook plannen voor een media-expertisecentrum in de vorm van een breed netwerk voor media-educatie betrokken.

• De minister van OCW maakt voor de periode vanaf 2008–2010 meerjarige afspraken over de prestaties van de landelijke publieke omroep. Daaronder vallen afspraken over de besteding van de extra middelen en cultureel aanbod.

• In 2008 komen er nieuwe spelregels voor de multimediale taak van de publieke omroep (inclusief lokale en regionale omroep).

• Het kabinet heeft in september zijn voorstellen voor de organisatie van de publieke omroep gepresenteerd. 2008 staat in het teken van de uitwerking van die voorstellen in wetgeving. Voor 2009 moet de behandeling van deze Organisatiewet zijn afgerond.

• Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties bevordert de ontwikkeling en productie van artistiek hoogwaardige culturele programma’s van de publieke landelijke en regionale omroep. Vanaf 2008 reserveert de minister jaarlijks € 500 000 extra ter ondersteuning van de regionale culturele programmering.

• Eind december 2008 lopen de conventanten tussen de vier grote steden en de overheid af die de afgelopen 8 jaar ten grondslag hebben gelegen aan het multiculturele publieke radiostation FunX en televisieproducent MTNL. In het najaar 2007 moet duidelijkheid komen over de toekomst van beide multiculturele initiatieven.

Pers en journalistieke producties

• Met behulp van jaarlijks onderzoek door het Commissariaat voor de Media volgt de minister de ontwikkeling van diversiteit en concentratie in de media.

• Het Stimuleringsfonds voor de Pers stimuleert de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Als gevolg van digitalisering en convergentie gaat persbeleid meer over de pluriformiteit van journalistieke content, dan om een strikt sectorale benadering. De functies nieuws, informatievoorziening, opinie en debat worden op meer wijzen en via meer platformen vervuld, al dan niet innovatief. Het beleid moet hierbij aansluiten.

Bewust mediagebruik

• De overheid rekent het tot haar taak kinderen en jongeren te beschermen voor te veel seks en geweld op televisie, en stimuleert het dat zij zich kritisch, actief en bewust kunnen bewegen in onze van media doordrenkte samenleving.

• In 2008 moet er een netwerk zijn opgestart van organisaties die zich bezig houden met mediawijsheid. Doel van het netwerk is meer samenhang te brengen in het beleid en de activiteiten op het gebied van mediawijsheid.

• Media, zowel publiek als commercieel, worden gestimuleerd hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. In de vorm van zelfregulering kunnen bestaande gedragscodes worden verbeterd en nieuwe geïnitieerd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 15.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2006Streefwaarde peildatum 1
1. Waardering publieke omroep: % mensen dat uitzendingen betrouwbaar vindt 71%75%
Bron: Nederlandse Publieke Omroep  2008
2. Onderscheidende programmering publieke televisie: % zendtijd informatie en jeugd 77%75%
Bron: Stichting Kijkonderzoek  2008
3. Aantal culturele documentaires regionale omroep 4060
Bron: Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties  2008
4. Bekendheid Kijkwijzer 79%80%
Bron: Nederlandse Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media  2008

Toelichting:

De publieke omroep onderzoekt of het Nederlandse publiek zijn aanbod onderscheidend vindt. De belangrijkste dimensie hierin is of de kijkers de uitzendingen van de publieke omroep betrouwbaar vinden.

1. Het onderscheidende karakter van het publieke aanbod laat zich verder aflezen uit de verdeling van televisiezendtijd over de diverse genres. De publieke omroep bracht aanzienlijk meer informatie en programma’s voor de jeugd: 77% van de publieke zendtijd, tegenover een streefwaarde van 75%.1

2. Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties ontvangt vanaf 2008 € 500 000 extra subsidie voor culturele programmering door regionale omroepen. Als streefwaarde is genomen dat hiermee per jaar 20 extra documentaires worden gemaakt boven de 40, die de regionale omroep nu al produceert.

3. De Kijkwijzer is een belangrijk hulpmiddel voor bewust mediagebruik door kinderen en hun opvoeders. Pictogrammen geven informatie over de inhoud van het mediaproduct en er is een indicatie opgenomen vanaf welke leeftijd de inhoud niet schadelijk is. De leeftijdsgrenzen zijn bovendien bepalend voor het uitzendtijdstip van programma’s op televisie. Het streven is dat 80% van de Nederlandse bevolking bekend is met de Kijkwijzer. In 2006 was dit 79%.

15.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 15.5
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingVisitatielandelijke publieke omroepOD 1A: 2007B: 2009 
BeleidsdoorlichtingVisitatiewereldomroepOD 1A: 2007B: 2009 

ARTIKEL 16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

16.1 Algemene beleidsdoelstelling: het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die voldoende aansluit op maatschappelijke behoeften.

Omschrijving

Door te zorgen dat de omvang, het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het publiek gefinancierde Nederlandse onderzoek op peil zijn, kan het onderzoeksbestel goed en doelmatig functioneren binnen de maatschappij. Daarom wordt bevorderd dat wetenschap en wetenschappers van hoog niveau zijn, dat er voldoende ruimte is voor onafhankelijk en vernieuwend wetenschappelijk onderzoek, en dat de wetenschap kan bijdragen aan ontwikkelingen in het hoger onderwijs en aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Het Nederlandse onderzoeksstelsel in zijn totaliteit (publiek en privaat) bestaat uit een variëteit aan instellingen en organisaties, die in het stelsel elk hun eigen functie hebben. Dit varieert van het uitvoeren van fundamenteel onderzoek tot ontwikkelingswerk op alle terreinen van wetenschap.

De minister zet een aantal instrumenten in om in overeenstemming met de strategische beleidsvisie op het onderzoeksbestel te streven naar het realiseren van deze algemene doelstelling. De strategische beleidsvisie voor de komende jaren zal onderdeel uitmaken van de Strategische Agenda voor het Hoger Onderwijs en het Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid die de Tweede Kamer dit najaar voor de begrotingsbehandeling ontvangt.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het doelmatig functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen, die binnen het onderzoeksbestel zowel eigenstandig als in relatie tot de universiteiten en bedrijven een belangrijke plaats innemen. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek en van de onderzoeksfaciliteiten. Hij is verantwoordelijk voor de coördinatie van het wetenschapsbeleid in nationale en internationale context. Daarnaast ziet hij toe op een efficiënte inzet van de middelen en op voldoende kennisdiffusie naar de maatschappij.

De middelen die hem ter beschikking staan zijn wet- en regelgeving, bekostiging van instellingen, subsidies, en toezicht en dialoog met de onderzoeksinstellingen en andere belanghebbenden.

Externe factoren

De mogelijkheid voor vernieuwing en excellentie in het onderzoek wordt in belangrijke mate bepaald door de met de arbeidsmarktsituatie samenhangende aantrekkingskracht van een wetenschappelijke functie en van loopbaanmogelijkheden in het onderzoeksbestel voor (jonge) talentvolle mensen, zowel nationaal als internationaal. De minister kan deze factoren slechts beperkt beïnvloeden, maar is er wel afhankelijk van.

Een andere factor waarop de minister maar beperkte invloed heeft is de mate waarin prioriteitskeuzen in het onderzoek aansluiten bij internationale ontwikkelingen in de wetenschap en bij de maatschappelijke vraag naar kennis.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Internationale wetenschappelijke kwaliteit op basis van de relatieve Nederlandsecitatiescore (mondiale gemiddelde = 1) (= mondiaal top-3)1,26Beschikbaar eind 2007Behorende tot de top-3 mondiaal
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003  
2. Wetenschappelijke productiviteit (aantal wetenschappelijke publicaties per onderzoeker in de publieke sector)0,95Beschikbaar eind 2007Top-5 positie binnen de EU
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003  
3. Promotiegraad (aantal promoties per 1000 personen in de leeftijdsgroep 25–34 jarigen)0,951,36Verhoging relatief aantal promoties
Bron: VSNU (aantallen promoties) en CBS (leeftijdsgroep)peildatum: 2000peildatum: 2005 

Toelichting:

De relatie tussen de beleidsinzet en de waarden van de indicatoren is een indirecte, de resultaten zijn in afgeleide zin het resultaat van de voorwaarden die de overheid creëert voor het functioneren van wetenschappelijke instellingen en onderzoekers die in dienst zijn van die instellingen. In die zin zeggen de indicatoren slechts in globale zin iets over de doeltreffendheid van het overheidsbeleid. Daarnaast zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek veelal onvoorspelbaar en moet er met doorlooptijden van soms vele jaren rekening worden gehouden, vooral waar het gaat om citaties naar wetenschappelijke publicaties. Het streven bij de promotiegraad is om het aantal promoties te vergroten, maar concrete cijfers zijn niet genoemd (bron: Onderzoekstalent op waarde geschat, OCW 2005,http://www.minocw.nl/documenten/emancipatie-doc-2005-onderzoekstalent.pdf).

Voor de indicatoren die betrekking hebben op de citatiescore (een positie in de mondiale top-3) en de wetenschappelijke productiviteit (een positie in de top-5 van de EU) gaat het om het handhaven van de zeer goede prestatie die in internationaal perspectief is bereikt. Uit diverse bronnen blijkt dat Nederland zich in de top-5 van de EU bevindt, waar het gaat om indicatoren voor wetenschappelijke publicaties en daarop gebaseerde citaties (European Commission, Key Figures 2005, ftp://ftp.cordis.europa. eu/pub/indicators/docs/2004_1857_en_web.pdf (pagina 59); NOWT 2005,http://www.nowt.nl/docs/NOWT-WTI-2005.pdf(hoofdstuk 4)).

Recenter materiaal dan 2003 komt aan het eind van 2007 beschikbaar.

16.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.2 Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen991 753909 188951 727952 463951 893876 404876 427
Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven (programma + apparaat)926 202983 7931 044 1081 061 169990 790955 313954 313
        
Programma-uitgaven922 965980 5671 040 6761 057 235987 357951 880950 880
        
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel742 703754 442743 595735 752715 540715 938715 938
• NWO308 115310 345302 701297 678288 591288 591288 591
• KNAW87 77990 12687 76986 50883 87083 87083 870
• Koninklijke Bibliotheek (KB)36 24042 57042 91242 91742 91742 91742 917
• Stichting Anno2 300000000
• KNAW bibliotheek2 3522 4062 3652 3362 2652 2652 265
• LF TUD bibliotheek6 9977 1467 1467 1467 1467 1467 146
• IISG270273273273273273273
• SURF2 2702 2702 2702 2702 2702 2702 270
• CPG463476476476476476476
• TNO197 257193 336191 693190 019186 621186 621186 621
• BPRC/ Stichting AAP13 28612 0089 1839 1849 1849 1849 184
• Nationaal Herbarium1 1031 1471 1471 1471 1471 1471 147
• NLR797865865865865865865
• Waterloopkundig Laboratorium1 3161 3401 3401 3401 3401 3401 340
• Grondmechanica Delft785800800800800800800
• MARIN866903903903903903903
• STT188192192192192192192
• EMBC543724724724724724724
• EMBL2 8573 1483 2483 2483 2483 2483 248
• ESA33 74531 95332 10132 10732 10732 10732 107
• CERN27 98930 42530 53531 03531 03531 03531 035
• ESO4 9555 9155 9155 9155 9155 9155 915
• EG-Liaison214230230230230230230
• NTU/INL1 4091 5402 0392 0402 0402 0402 040
• EIB1 1921 2151 2151 2151 2151 2151 215
• Montesquieu Instituut01 0001 0001 0001 0001 0001 000
• Nationale coödinatie2 9726 2558 8178 8194 6635 0925 092
• Bilaterale samenwerking4 3874 9775 5385 1214 2584 3834 383
• Nader te verdelen568571982442458989
        
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken156 377198 239118 197145 09694 93067 05566 055
• FES– BSIK67 29864 51044 74164 59417 01800
• FES– cleanrooms nanotechnologie17 000000000
• FES– TNO automotive10 800000000
• FES– ITER015 00000000
• FES– GATE1 0662 0002 0002 0002 0001 0000
• FES– grootschalige researchfaciliteiten29 47230 46222 82210 1623 9021 8301 830
• FES– Parelsnoer011 7507 7507 7507 75000
• Genomics11 34522 34517 00038 00042 00046 00046 000
• Smart-mix14 76443 5854 8654 0654 03500
• EET2 9854 962994400000
• NEMO1 6471 7251 7251 7251 7251 7251 725
• Talentenkracht00300400500500500
• Kust- en zeeonderzoek01 9002 0002 0002 0002 0002 000
• ASTRON/ LOFAR002 0002 0002 0002 0002 000
• Grootschalige research infrastructuur  12 00012 00012 00012 00012 000
        
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap23 61327 613178 613176 613176 613168 613168 613
• Vernieuwingsimpuls13 61313 613163 613163 613163 613163 613163 613
• VI-vrouwencomponent2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Mozaiek2 0002 0002 0000000
• Talent Rubicon4 0004 0004 0004 0004 00000
• Aspasia2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Creatieve promovendi04 0004 0004 0004 00000
• Vrouwelijke hoogleraren001 0001 0001 0001 0001 000
        
Programmakosten overig       
• CFI272273271274274274274
        
Apparaatsuitgaven3 2373 2263 4323 4343 4333 4333 433
        
Ontvangsten204 008201 345167 475195 678145 846122006121 006

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor de wetenschap enveloppenmiddelen gereserveerd die oplopen van € 26 miljoen in 2008 tot indicatief € 67 miljoen in 2011. Met uitzondering van Genomics is vanaf 2009 de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen wordt subsidie verstrekt aan NWO;

• Extra middelen ten behoeve van een persoonsgerichte subsidie voor vrouwelijke hoogleraren;

• het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative in een tweede fase (€ 12 miljoen in 2008 oplopend tot € 41 miljoen in 2012 en € 40,5 miljoen in de jaren 2013 en 2014 (FES-middelen)).

Voor onderzoek zijn ook nieuwe middelen op artikel 6 en 7 te vinden (hoger onderwijs).

Tabel 16.3. Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)1 040 6761 057 735987 357951 880950 880
Totaal juridisch verplicht850 967846 451771 376731 695715 041
Totaal bestuurlijk gebonden189 709211 284215 981220 185235 839
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel743 595735 752715 540715 938715 938
• Juridisch verplicht740 457732 142711 333711 527711 486
• Bestuurlijk gebonden3 1383 6104 2074 4114 452
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken118 197145 09694 93067 05566 055
• Juridisch verplicht84 89790 69636 4304 5553 555
• Bestuurlijk gebonden33 30054 40058 50062 50062 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap178 613176 613176 613168 613168 613
• Juridisch verplicht25 61323 61323 61315 6130
• Bestuurlijk gebonden153 000153 000153 000153 000168 613
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

16.3 Operationele beleidsdoelstelling

16.3.1 Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel

Motivering

Om voldoende ruimte te kunnen geven aan excellent ongebonden en zuiver wetenschappelijk en toegepast onderzoek en aan een betere aansluiting bij maatschappelijke vraagstukken, is een adequate toerusting en bekostiging van onderzoeksorganisaties vereist. Daarnaast creëert innovatieve, hoogwaardige kennis de voorwaarden voor structurele en duurzame economische groei en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, waaronder vraagstukken met een internationaal karakter (zoals veiligheid, migratie, klimaatverandering, energievoorziening etc.).

Een bijdrage aan internationale wetenschappelijke organisaties en deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s verhoogt de doelmatigheid en doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderzoek. Voor Nederland is internationale wetenschappelijke samenwerking zowel essentieel voor de wetenschapsbeoefening als ook belangrijk vanuit een politiek, maatschappelijk en economisch oogpunt. Samenwerking in grote netwerken en internationale instituten en programma’s biedt schaalvoordelen waardoor onze onderzoekers toegang krijgen tot geavanceerde onderzoeksfaciliteiten.

Op deze wijze kan Nederland bijdragen aan de Europese ambitie de meest concurrerende economie van de wereld te worden. Het streven is er in algemene zin op gericht binnen Europa tot de koplopers te behoren.

Instrumenten

• Inzet van financiële middelen voor activiteiten ter versterking van de nationale coördinatie wetenschapsbeleid, waaronder diverse activiteiten ter ondersteuning van de implementatie van de Strategisch Agenda voor het Hoger Onderwijs en het Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid (voorheen Wetenschapsbudget) en van beleidsondersteunend onderzoek.

• Bekostiging van de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW, TNO en KB.

• Contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties (ESA, ESO, CERN, EMBL, EMBC).

• Subsidie aan een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder wetenschappelijke bibliotheken, met een belangrijke instellingoverstijgende functie.

• Subsidie aan Senter/EG-Liaison voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.

• Bijdragen aan de KNAW en NWO voor de in het kader van lopende Memoranda of Understanding (MOU’s) uitgevoerde bilaterale samenwerkingsprogramma’s met China, Indonesië en Rusland.

• Financiering van het universitaire onderzoek (via beleidsartikel 7: Wetenschappelijk Onderwijs).

Activiteiten

• Ambtelijke en bestuurlijke dialoog met NWO, TNO, KNAW en KB over begroting, verantwoording, en strategische planvorming.

• Verdere implementatie van het interdepartementale proces van vraagprogrammering van het onderzoek TNO en de GTI’s. Vanuit de maatschappelijke thema’s en vraagstukken wordt in kennisarena’s meer specifiek de richting bepaald voor kennis voor beleid, grote faciliteiten en kennis als vermogen.

• Via de strategische en bestuurlijke dialoog met de onderzoeksinstellingen en universiteiten bevorderen van wisselwerking tussen bedrijven, universiteiten en technologische instituten door in te zetten op wetenschappelijke excellentie en valorisatie.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. R&D-investeringen als % BBP, gefinancierd door1,82%1,76%3%
–  de overheid0,62%0,67%0,90%
–  bedrijven Nederland0,93%0,89%1,90%
–  overig (waaronder buitenland)0,27%0,20%0,20%
Bron: CBSpeildatum: 2000peildatum 2005peildatum 2010
2. Inzet wetenschappelijk personeel voor R&D (nderzoekers per 1000 personen van de beroepsbevolking)5,25,5Verhoging van de waarde 2005
Bron: CBSpeildatum: 2000peildatum 2005 
3. Nederlandse deelname in EU-Kaderprogramma(opbrengst in % minus bijdrage in %)0%+ 1%> 0%
Bron: SenterNovem / EG Liaison peildatum: KP6 (2002–2006)peildatum: KP7 (2007–2013)

Toelichting:

Indicator 1 en 2: de indicatoren zijn niet gekoppeld aan specifieke instrumenten, maar het resultaat van het totaal aan investeringen van overheid en bedrijfsleven in R&D. Nederland heeft zich in relatie tot indicator 1 uitgesproken voor het realiseren van de EU-ambities, waaronder een R&D-investeringsniveau van 3% in 2010, waarvan 2% private investeringen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006,21 501-20, nr. 308).

Indicator 3: de basiswaarde is de relatieve Nederlandse financiële opbrengst uit de EU-Kaderprogramma’s minus de relatieve Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting (de Nederlandse bijdrage ten opzichte van het totaal van de bijdragen van de andere EU-landen). De inzet voor KP7 (2007–2013) zal zijn de Nederlandse streefwaarde te realiseren. OCW bevordert dit via EG-liaison.

16.3.2 Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken

Motivering

Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten en op een aantal terreinen de aansluiting met de internationale top te bereiken of behouden, investeert de overheid naast de bestaande geldstromen in een aantal specifieke thema’s. Deze thema’s vragen vanwege hun potenties om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema’s is sprake van cofinanciering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. De thema’s sluiten aan bij de grote nationale onderzoeksprioriteiten en bij prioriteiten die voortkomen uit de kennis en innovatieagenda van het kabinet en anticiperen op de maatschappelijke kennisbehoeften (zorg, energie, water, duurzaamheid etc.).

Instrumenten

• Bijdragen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) in het kader van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik) aan veertien ICES/KIS-3 projecten waarvoor OCW penvoerder is. Het hele traject van fundamenteel tot toegepast onderzoek zal hierdoor een impuls worden gegeven aan samenwerkingsprojecten tussen bedrijven, universiteiten en technologische instituten, waardoor hoogwaardige kennisnetwerken ontstaan, waarbinnen onderzoek wordt uitgevoerd dat aansluit op de maatschappelijke behoefte.

• Door het kabinet voor toponderzoek en innovatieprogramma’s uit de FES impulsen 2005 en 2006 beschikbaar gestelde middelen aan de volgende door OCW getrokken projecten:

• uitbreiding van geavanceerde cleanrooms voor nanotechnologie bij het TNO-instituut Industrie en Techniek in Delft;

• bijdrage aan TNO voor de verplaatsing van TNO-Wegtransportmiddelen naar Zuidoost Brabant voor het versterken van de kennisinfrastructuur rond het automotive cluster van kennisinstellingen en bedrijven in deze regio;

• bijdrage aan NWO voor de uitvoering van het project Game Research for Training and Entertainment (GATE). Naast onderzoek gericht op het gebied van gaming en simulatie richt dit programma zich op kennistransfer naar MKB-bedrijven en de uitvoering van pilots die de potentie van serious gaming zullen tonen;

• bijdrage aan TNO voor het in het consortium samen met de onderzoeksinstituten FOM en NRG realiseren van een frontlinie de Nederlandse bijdrage aan het internationale kernfusieproject ITER;

• bijdrage aan de Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra voor het opzetten van een infrastructuur voor prospectieve Nationale Biobanken (Parelsnoer project).

• Bijdrage aan NWO uit de FES impuls 2005 voor de investering in vijf grootschalige researchfaciliteiten: een digitale databank voor kranten bij de KB, een e-science GRID voor Nederland, een geadvanceerde multidisciplinaire faciliteit voor het doen van metingen en experimenten in de sociale wetenschappen, de oprichting/inrichting van een centrum voor geadvanceerde spectroscopie te Nijmegen, een Nationaal hersenonderzoekfaciliteit (New frontiers in imaging the brain).

• Subsidie aan NWO voor het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative (NGI) in een tweede fase (2008–2012) voor het verankeren, uitbouwen en benutten van de in Nederland aanwezige kennisbasis op dit terrein. Vanaf 2008 zullen hiervoor middelen uit de Pijler 2-enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek worden ingezet samen met de reeds bestaande middelen.

• Bijdrage ten behoeve van het programma Economie, Ecologie Technologie (EET) die voortvloeit uit bestaande verplichtingen.

• Subsidie voor het uitvoeren van wtc-activiteiten via NEMO ten behoeve van ondermeer Kennislink, de continuïteit van de kleine science centra, en de Wetenschap- en techniekweek.

• Subsidie aan het interdisciplinaire onderzoeksproject Talentenkracht. Het project richt zich op onderzoek naar het van nature bij kinderen van 3–5 jaar oud aanwezige exploratiegedrag en onderzoekstalent op gebieden als logisch denken, redeneren en ruimtelijk inzicht. Resultaten kunnen worden gebruikt bij de inrichting van het onderwijs aan jonge kinderen.

• Subsidie aan ASTRON ter waarborging van een adequate financiering van de exploitatie van de LOFAR activiteit, waardoor ASTRON haar vooraanstaande positie in de radiosterrenkunde kan behouden.

• Voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen wordt uit de Pijler 2-enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek vanaf 2008 € 12 miljoen per jaar verstrekt aan NWO. De selectie van concrete voorstellen zal in aansluiting op de resultaten van de nationale roadmap commissie door NWO worden gedaan op basis van gebleken kwaliteit.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Naast een structurele financiering van een groot aantal organisaties, investeert de overheid ook via het financieren van een aantal projecten en programma’s en onderzoek op thema’s die aansluiten bij de nationale prioriteiten. Algemene streefwaarden zijn niet van toepassing, maar zo nodig afgesproken per programma. De monitoring van de in het kader van het FES uitgevoerde projecten en programma’s wordt uitgevoerd door SenterNovem. Veel van de projecten liggen op het gebied van het biomedische onderzoek en de moleculaire biologie. De Nederlandse wetenschappelijke positie op deze gebieden is, blijkend uit citatiescores, internationaal sterk (NOWT 2005;http://www.nowt.nl/docs/NOWT-WTI-2005.pdf).

16.3.3 Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap

Motivering

Om een kwalitatief hoogwaardig en op vernieuwing gericht onderzoeksstelsel in stand te kunnen houden en verder te ontwikkelen is voldoende ruimte nodig voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap. Er moet voorkomen worden dat de lage instroom van jong wetenschappelijk talent (vooral in de bèta disciplines) en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel uitmondt in een tekort aan wetenschappelijk personeel. Het beleid is daarom gericht op een hogere in- en doorstroom van (jonge) veelbelovende onderzoekers en op het verbeteren van loopbaanperspectieven in het onderzoek, met speciale aandacht voor het verhogen van het aantal allochtone wetenschappers en het aantal vrouwen in hoge wetenschappelijke stafposities (zie ook artikel 25 Emancipatie). Het promotiestelsel zal meer worden gericht op excellentie naar het model van graduate schools in de Verenigde Staten (zie ook artikel 7 HO). Het kabinet wil excellente wetenschap verder bevorderen en het primaat van ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek versterken. Het kiest er daarbij voor te zorgen dat het geld zo veel mogelijk bij de beste mensen terecht komt. Daarom wordt ingezet op versterking van de persoonsgerichte financiering van onderzoek.

Instrumenten

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van een versterkt en uitgebreid programma «Vernieuwingsimpuls» dat beoogt ruimte te geven aan (jonge) veelbelovende onderzoekers door deze kansen te bieden middels persoonsgebonden subsidies. De vernieuwingsimpuls wordt vanaf 2008 uitgebreid en versterkt en de bestaande eenderde bijdrag voor universiteiten komt daarbij te vervallen. De precieze invulling zal plaatsvinden mede op basis van de uitkomst van de recent uitgevoerde evaluatie. Hiervoor worden de middelen ingezet die vrijkomen door het stopzetten van de Smart-mix en door de overheveling van de middelen voor de Strategische Overwegingen Component («kleine dynamisering») naar de tweede geldstroom. De Smart-mix wordt stopgezet omdat het een programma is gebleken met hoge uitvoeringslasten en waarin bovendien de alfa en gammaweten-schappen relatief weinig kansen krijgen. Het afschaffen van de dynamiseringsgrondslag wordt vooral ingegeven door de bureaucratische en lastige uitvoeringsmethodiek die een gevolg is van herverdeling (dynamisering) op basis van 2e en 3e geldstroomuitgaven. Door de overheveling ontstaat ruimte voor een extra stimulans voor persoonsgericht en excellent onderzoek via een versterking van de Vernieuwingsimpuls. Deze overheveling heeft een aantal positieve effecten (in aansluiting op het rapport van de commissie Dynamisering) namelijk:

1. het verminderen van de matchingdruk voor universiteiten doordat de huidige eenderde bijdrage aan de vernieuwingsimpuls wordt overgenomen door NWO;

2. overheveling van de 1ste naar de 2de geldstroom (versterking van ongebonden wetenschappelijk onderzoek;

3. onderzoeker krijgt meer ruimte (geld naar de beste onderzoeker en niet naar de instelling);

4. meer prestatiegerichte financiering omdat de beoordeling plaatsvindt op basis van wetenschappelijke excellentie en in competitie.

• Subsidie aan NWO voor het honoreren van extra aanvragen van vrouwen met een subsidiabel voorstel in de vidi en vici rondes van de Vernieuwingsimpuls die vanwege budgettaire beperking niet voor een reguliere honorering in aanmerking komen.

• Subsidie aan NWO voor het beschikbaar stellen van Aspasia premies voor het permanent bevorderen van vrouwelijke Vernieuwingsimpuls-laureaten tot universitair hoofddocent of hoogleraar.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het programma «Mozaïek», waarmee wordt beoogd meer allochtone afgestudeerden in de wetenschap te laten doorstromen. Dit instrument loopt tot en met 2008.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het Rubicon-programma waarmee jonge veelbelovende onderzoekers na hun promotie ervaring kunnen opdoen door een verblijf van 2 jaar aan een buitenlandse onderzoeksinstelling of voor één jaar aan een Nederlandse onderzoeksinstelling.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van een programma voor «toptalent». Dit is een programma waarin talentvolle afgestudeerden kunnen starten met hun promotie op een onderwerp naar keuze. Dit programma past in het streven om talentvolle onderzoekers met innovatieve ideeën de ruimte te geven en is tevens een aanvulling op de reeds bestaande programma’s. Dit programma loopt tot en met 2008.

• Om een nieuwe stevige impuls te kunnen geven aan het oplossen van het hardnekkige probleem van onderbenut vrouwelijk potentieel en in het bijzonder aan het in internationaal vergelijk in Nederland erg lage percentage vrouwelijke hoogleraren wordt vanaf 2008 € 1 miljoen per jaar ingezet uit de Pijler 2-enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek ten behoeve van een persoonsgerichte subsidie voor vrouwelijke hoogleraren via NWO.

• Zie tevens het overzicht instrumenten jonge wetenschappers en doelgroepenbeleid in de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid (artikel 9), en de instrumenten in artikel 6 en 7 (hoger onderwijs).

OCW maakt in het kader van de beleidsrijke dialoog met de universiteiten prestatieafspraken over het versterken van hun HRM-beleid. Deze zijn gericht op betere loopbaanperspectieven voor jonge onderzoekers, vrouwen en allochtonen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Het aandeel universitair WP ouder dan 50 jaar(procenten)(procenten) 
– WP-totaal25,021,4Lager dan de waarde
– Hoogleraar64,061,1van het voorgaande
– UHD55,852,8jaar
– UD33,826,8 
Bron: VNSU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2006 
2. Het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies(procenten)(procenten) 
– WP-totaal– Hoogleraar– UHD– UD– promovendi– overig WP27,76,310,722,443,032,832,710,316,429,042,037,9Hoger dan de waarde van het voorgaande jaar tot een uiteindelijk niveau van ± 50–50;Specifieke streefwaarde voor vrouwelijke hoogleraren is 15% in 2010
Bron: VSNU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2006 
3. Verschuiving in functie van gehonoreerden in de Vernieuwingsimpuls (na 2,5 à 3 jaar)Gezien de nog korte historie van de Vernieuwingsimpuls is er geen basiswaarde(verschuiving in procentpunten)man/vrouw 
– Postdoc – 29 / -25Afname
– UD + 3 / +8Toename
– UHD + 14 / +12Toename
– Hoogleraar + 12 / +4Toename
Bron: NWO jaarboek 2005 peildatum: 2005 

Toelichting:

Het personeelsbeleid van de universiteiten is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de universiteiten zelf, maar kunnen daar wel op worden aangesproken door de minister.

Ad 1) en 2) Het gaat om totaalcijfers voor alle universiteiten per functiecategorie, waardoor onderliggende ontwikkelingen per universiteit of per discipline niet zichtbaar zijn. De cijfers geven vooral een indicatie of de gewenste streefrichting, namelijk een verjongd personeelsbestand en een vergroot aandeel vrouwelijke wetenschappers, in algemene zin wordt bereikt. Het reeds door de vorige minister gehanteerde streefpercentage van 15 voor het aandeel vrouwelijke hoogleraren blijft gehanteerd (voor de EU geldt een streefpercentage van 25).

Hoewel de leeftijdgegevens in 2006 ten opzichte van 2000 een verjonging laten zien, valt op dat er tussen 2005 en 2006 weer sprake is van een toename van het aandeel 50-jarigen in alle functiecategorieën.

Ad 3) Het gewenste effect van de Vernieuwingsimpuls, namelijk vernieuwing van het onderzoek, o.a. door kansen te bieden aan talentvolle onderzoekers die carrière kunnen maken, begint nu voor de eerste keer zichtbaar te worden en moet de komende jaren verder tot ontwikkeling komen. De cijfers betreffen de gehonoreerden in de Vernieuwingsimpuls voor de jaren 2000 en 2001 (oude stijl) en 2002 (nieuwe stijl). Overigens is de verschuiving in posities verschillend per doelgroep van de Vernieuwingsimpuls. Veni’s stromen postdocs vooral door naar UD-posities en in mindere mate naar UHD-posities en nauwelijks naar hoogleraarposities. Vidi’s stromen door naar UHD- en hoogleraarposities en vici’s stromen alleen door naar hoogleraarposities. Het aantal bevorderingen van vrouwelijke onderzoekers loopt wat achter bij dat van de mannelijke collega’s.

3.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 16.6
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting talentvolle onderzoekersOD 16.3.3A. december 2006B. oktober 2007 
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie KNAWOD 16.3.1A. najaar 2007B. begin 2008 
 Evaluatie NWOOD 16.3.1A. najaar 2007B. begin 2008 
 Bilaterale samenwerking RuslandOD 16.3.1A. januari 2007B. juni 2007 
 Bilaterale samenwerking ChinaOD 16.3.1A. eind 2006B. eind 2007 
 Bilaterale samenwerking IndonesiëOD 16.3.1A. eind 2008B. voorjaar 2009 
 BSIK-projectenOD 16.3.2A. eind 2007B. medio 2008 
 Evaluatie NROG (NGI) fase 1OD 16.3.2A. oktober 2006B. maart 2007genomics.nl/#www.genomics.nl
 Mid-term review ICT RegieorgaanOD 16.3.2A. zomer 2007B. eind 2007 
 Eindevaluatie ICT RegieorgaanOD 16.3.2A. 2008B. eind 2008 
 Vernieuwingsimpuls(VI)OD 16.3.3A. najaar 2006B. juli 2007www.nwo.nl/vi
 MozaïekOD 16.3.3A. voorjaar 2008B. juni 2008 
 RubiconOD 16.3.3A. voorjaar 2007B. eind 2007 
 AspasiaOD 16.3.3A. voorjaar 2008B. eind 2008 
 Creatieve promovendiOD 16.3.3A. voorjaar 2010B. eind 2010 

ARTIKEL 24 KINDEROPVANG

24.1 Algemene doelstelling: kinderopvang zorgt ervoor dat ouders beter arbeid en zorg kunnen combineren en draagt er toe bij dat kinderen hun talenten beter kunnen ontwikkelen. Voor de kinderen van 0 tot 4 jaar biedt kinderopvang de mogelijkheid beter toegerust te beginnen aan het primair onderwijs.

Omschrijving

Kinderopvang zorgt ervoor dat ouders arbeid en zorg beter kunnen combineren, zodat ouders die willen combineren dat ook feitelijk kunnen. Ouders kunnen gebruikmaken van dagopvang, buitenschoolse opvang en/of gastouderopvang. Om de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te garanderen biedt de Wet kinderopvang (Staatsblad 2004, 455) werkende ouders een recht op een inkomensafhankelijke bijdrage: de kinderopvangtoeslag. Met de invoering van de verplichte werkgeversbijdrage is deze toegankelijkheid verder versterkt. Kinderopvang van goede kwaliteit is van groot belang, zodat ouders hun kind met een gerust hart naar de kinderopvang kunnen laten gaan. De Wet kinderopvang garandeert een goed kwaliteitsniveau. Kwalitatief goede kinderopvang zorgt er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling, zowel op het gebied van taal als sociale vaardigheden.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van kinderopvang, waaronder begrepen zowel de (financiële) toegankelijkheid als de kwaliteit van de kinderopvang. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van de rijksbijdrage voor de financiering van de kinderopvang (kinderopvangtoeslag).

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• De mate waarin werkende ouders gebruik maken van kinderopvang.

• Het adequaat functioneren van de markt voor kinderopvang.

• Cultuuraspecten, waaronder het vertrouwen dat ouders hebben in de kwaliteit van de kinderopvang.

• Conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 24.1 Indicatoren
KengetallenWaarde 2005Waarde 2006Waarde 2007Waarde 2011
1. Percentage kinderen van 0 tot 4 jaar dat gebruik maakt van formele kinderopvang  35 
2. Percentage kinderen van 4 tot 12 jaar dat gebruik maakt van formele kinderopvang  10 
Bron: CBS, Belastingdienst. Bewerking OCW, voorlopige cijfers 2007.    
3. Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 0–3 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)6164  
4. Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 4–11 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)5761  
Bron: CBS, maatwerktabel (uitbreiding tabel 4.7 Emancipatiemonitor2006)    

Toelichting:

1. en 2. Deze cijfers geven een beeld van het percentage kinderen dat gebruik maakt van formele kinderopvang, uitgesplitst naar de leeftijdscategorie 0–4 jaar en 4–12 jaar.

3. en 4. Deze cijfers geven een beeld van hoeveel huishoudens arbeid en de zorg voor jonge kinderen daadwerkelijk combineren. In de percentages zijn ook de huishoudens begrepen waarbij gebruik wordt gemaakt van informele kinderopvang of waarbij de ouders hun werktijden zo hebben weten af te stemmen dat zij geen gebruik van kinderopvang (formeel noch informeel) hoeven te maken.

In 2008 zal de indicator «oudertevredenheid kinderopvang» worden ontwikkeld. Ouders zullen gevraagd worden naar hun tevredenheid met de kinderopvang van hun kind. Bij de begroting 2009 zullen de resultaten hiervan beschikbaar komen.

24.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 24.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 24 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen 1 893 8291 983 9561 909 6091 993 2372 037 5122 068 584
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven931 1141 895 3041 983 9561 909 6091 993 2372 037 5122 068 584
        
Programma-uitgaven:931 1141 895 3041 983 9561 190 6091 993 2372 037 5122 068 584
        
Kinderopvangis van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen8 8156 83650 39950 29450 08650 08650 086
• Subsidies8 8156 83611 39911 29411 08611 08611 086
• Kwaliteiten opleidingen  10 00010 00010 00010 00010 000
• Taskforce wachtlijsten  29 00029 00029 00029 00029 000
        
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders921 0601 887 3341 932 8121 858 5701 911 9061 961 1811 997 253
• Kinderopvangtoeslag921 0601 887 3341 932 8121 858 5701 911 9061 961 1811 997 253
        
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben 00030 50025 50020 500
• Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en VVE 00030 50025 50020 500
        
Programmakosten overig1 2391 134745745745745745
        
Apparaatsuitgaven: 000000
Ontvangsten 41 76823 31317 73617 73617 73617 736

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor kinderopvang enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 175 miljoen in 2008 naar indicatief € 700 miljoen in 2011. De oploop vanaf 2009 is op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

▪ Bestrijding van taalachterstanden door middel van VVE. Het hiervoor bestemde bedrag is onder artikel 1 (primair onderwijs) ondergebracht

▪ Verhogen opleidingsniveau personeel kinderopvang/verbeteren kwaliteit opleidingen/verbeteren kwaliteit personeel.

▪ Acties uit het advies van de Taskforce wachtlijsten, onder voorzitterschap van mr. drs. B.J. Bruins

▪ Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en VVE

Het gaat goed met de kinderopvang. Het gebruik groeit sterk waardoor ook de uitgaven groeien. De nu geraamde meeruitgaven worden gefinancierd uit een eenmalige aanpassing van de opslag op de sectorpremies cf. de wet Kinderopvang, uit een aanpassing van de regeling en uit de enveloppe kinderopvang. Structureel resteert indicatief 606 miljoen euro in deze enveloppe.

Een bedrag bestemd voor VVE, exclusief een bedrag dat als accres in het Gemeentefonds wordt ingezet is onder artikel 1 (Primair onderwijs) ondergebracht.

Begrotingsjaar 2006

Om de uitgavenontwikkeling van kinderopvang helder te presenteren is er voor gekozen om de uitgaven van 2006 op te nemen in de begroting van OCW terwijl het jaar 2006 nog onder verantwoordelijkheid van SZW hoort.

Tabel 24.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)1 983 2111 908 8641 992 4922 036 7672 067 839
Totaal juridisch verplicht1 934 8931 859 6201 911 9061 961 1811 997 253
Totaal bestuurlijk gebonden4 8184 9448 0867 5867 586
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen50 39950 29450 08650 08650 086
• Juridisch verplicht2 0811 050   
• Bestuurlijk gebonden48 31849 24450 08650 08650 086
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders1 932 8121 858 5701 911 9061 961 1811 997 253
• Juridisch verplicht1 932 8121 858 5701 911 9061 961 1811 997 253
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben0030 50025 50020 500
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden0030 50025 50020 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

24.3 Operationele doelstellingen

24.3.1 Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen

Motivering

Voor ouders is de kwaliteit van kinderopvang een belangrijke factor bij de afweging om hier gebruik van te maken. Kinderopvang is een voorziening voor jonge kinderen. Het kabinet wil dat ouders met een gerust hart hun kinderen aan de kinderopvang kunnen toe vertrouwen. De overheid voelt, juist omdat het om jonge kinderen gaat, een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van kinderopvang en het toezicht daarop. De komende jaren zal ingezet worden op een verbetering van de kwaliteit van de kinderopvang, zowel voor de dagopvang als de buitenschoolse opvang. Onderdeel van de verhoging van de kwaliteit is verhoging van het opleidingsniveau van medewerkers in de kinderopvang en het stimuleren van samenwerking tussen kinderopvangorganisaties en sport- en cultuurorganisaties.

Instrumenten

• Normen kwaliteit kinderopvang

De Wet kinderopvang stelt eisen aan de aanbieders van kinderopvang opdat sprake is van verantwoorde kinderopvang. Verantwoorde kinderopvang wil zeggen kinderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. In aanvulling op de eisen van de wet zijn er landelijke normen ontwikkeld door de vertegenwoordigers van de ouders en de ondernemers in de kinderopvang. Deze normen zijn door de overheid overgenomen in beleidsregels en in toetsingskaders voor het gemeentelijk toezicht. Hiermee wordt een basiskwaliteit van de kinderopvang gegarandeerd.

• Toezicht op kinderopvang

Op grond van de Wet kinderopvang is de gemeente verantwoordelijk voor het eerstelijnstoezicht op de kinderopvang; dit toezicht wordt uitgevoerd door de GGD. De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) ziet namens de minister van OCW toe op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het eerstelijnstoezicht door de gemeente.

• Verhogen opleidingsniveau personeel kinderopvang/verbeteren kwaliteit opleidingen/verbeteren kwaliteit personeel

De kwaliteit van de pedagogisch medewerkers («leidsters»), de groepsgrootte en de leidster-kind-ratio zijn bepalende factoren voor de kwaliteit van de kinderopvang. Bijvoorbeeld voor- en vroegschoolse educatie (VVE) wordt veel beter inzetbaar als het opleidingsniveau van de pedagogisch medewerkers hoger is.

OCW is met het veld in gesprek over de wijze waarop de kwaliteit van de opleidingen kan worden verbeterd en wat de mogelijkheden zijn voor deskundigheidsbevordering van het zittend personeel en om het aantal pedagogisch medewerkers met een hbo-opleiding te verhogen.

Doel is het geven van een incidentele impuls aan werkontwikkeling en opleidingen (2008–2010) en structurele inzet op deskundigheidsbevordering en op een voldoende aantal pedagogische medewerkers met een hbo-niveau.

• Subsidies

Met de Subsidieregeling kinderopvang stimuleert het Rijk verdere kwaliteitsverbetering boven de wettelijk gegarandeerde basiskwaliteit. Via deze subsidieregeling wordt geld beschikbaar gesteld voor specifieke, breed overdraagbare en landelijk toepasbare projecten, die passen binnen één van de thema’s in de subsidieregeling. De komende jaren zullen de belangrijkste thema’s zijn: kwaliteit, samenwerking met andere jeugdvoorzieningen en leuke, spannende buitenschoolse opvang voor kinderen van 4–12 jaar. In 2008–2010 wordt een extra impuls gegeven van jaarlijks € 5 miljoen.

• Taskforce wachtlijsten

Vanwege de verplichting van scholen per 1 augustus 2007 om aansluiting met buitenschoolse opvang te organiseren en als gevolg van het aantrekken van de economie, is het gebruik van buitenschoolse opvang toegenomen. Voor een voldoende aanbod aan buitenschoolse opvang is de taskforce Wachtlijsten geïnstalleerd (Instellingsbesluit d.d. 16 juli 2007, Staatscourant d.d. 25 juli 2007, nr. 141) die volgens de motie Rutte/Tichelaar met Prinsjesdag zal rapporteren. De taskforce heeft de opdracht te inventariseren welke knelpunten leiden tot het ontstaan van wachtlijsten bij buitenschoolse opvang. De taskforce verzamelt goede voorbeelden en doet suggesties voor oplossingen. Uit de enveloppe kinderopvang is een bedrag van € 29 miljoen beschikbaar voor de taskforce Wachtlijsten.

Gelijktijdig met deze begroting is het rapport van de taskforce aan de Tweede Kamer aangeboden met daarbij de kabinetsreactie.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorWaarde 2005Streefwaarde 2011
1. Percentage onderzoeken door de GGD bij kinderopvang waarin geen handhavingsinstrument hoefde te worden toegepast8893
Bron: IWI, Jaarverantwoording toezicht en handhaving Wet kinderopvang door gemeenten 2005, bewerkingen OCW  
2. Percentage pedagogisch medewerkers met een HBO-niveau in de kinderopvang< 1Nog niet vastgesteld
Bron: Landelijk Pedagogen Platform, ledenbestand per 2006  

Toelichting:

1: Bij de GGD-inspecties bij kinderopvanglocaties maakt de inspecteur gebruik van het wettelijk toetsingskader. In het inspectierapport kan de GGD zonodig een voorstel opnemen aan de gemeente om een handhavingsinstrument/-maatregel toe te passen.

2: In de kinderopvang werken circa 57 000 mbo-opgeleide pedagogisch medewerkers. Het percentage pedagogisch medewerkers met een HBO-niveau is verwaarloosbaar. Het kabinet wenst dit aanzienlijk te verhogen. Naar aanleiding van gesprekken met het veld zal in 2008 een streefwaarde worden vastgesteld.

Tabel 24.5
KengetallenWaarde 2005
Score proceskwaliteit3,1
Bron: Kwaliteit van kinderdagverblijven: trends in kwaliteit in de jaren 1995–2005, NCKO, augustus 2005 

Toelichting:

De score proceskwaliteit geeft de gemiddelde totaalscore aan bij 6 verschillende onderwerpen op een 7-puntsschaal, gemeten door het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO). De 6 onderwerpen betreffen: ruimte/meubilering, individuele zorg, taal, activiteiten, interacties en programma. Het onderzoek van het NCKO gaat verder dan de kwaliteitseisen die in de Wet kinderopvang worden gesteld. Zodoende is geen streefwaarde opgenomen. Dit betreft ook geen jaarlijks onderzoek. De volgende meting gaat over het jaar 2007 en wordt in 2008 gepubliceerd. Naar aanleiding van het onderzoek van het NCKO heeft het kabinet het kinderopvangveld subsidie gegeven om de proceskwaliteit te verbeteren.

24.3.2 Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder (financiële) drempels voor de ouders

Motivering

Voor het verhogen van de arbeidsparticipatie in personen en uren is het van belang dat ouders geen onoverkomelijke financiële belemmeringen kennen om gebruik te maken van kinderopvang.

Instrumenten

• Kinderopvangtoeslag

Werkende ouders ontvangen van het Rijk een bijdrage in de kosten van formele kinderopvang. Door de aanpassing van de ouderbijdragentabel en de invoering van de verplichte werkgeversbijdrage per 1 januari 2007 is de kinderopvang voor ouders goedkoper geworden. Op dit moment bestaan er in principe voor werkende ouders dus geen onoverkomelijke financiële belemmeringen meer om gebruik te maken van formele kinderopvang.

In deze uitgaven is voor 2008 en 2009 begrepen € 28,2 miljoen voor kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie. Bij voorjaarsnota 2008 zullen deze bedragen worden overgeboekt naar het Gemeentefonds om de financiering 2007 te continueren in 2008 en 2009.

Door de aantrekkende economie, de bovengenoemde aanpassingen vanwege de verantwoordelijkheid die bij scholen is neergelegd om te zorgen voor een goede aansluiting van school op de voor- en naschoolse opvang en vanwege het inhalen van achterstanden bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag, stijgen de uitgaven van de kinderopvangtoeslag harder dan geraamd. De tegenvaller loopt op van 305 miljoen euro in 2008 oplopend tot 344 miljoen in 2012.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.6 Indicatoren
 Waarde 2004Waarde 2005Waarde 2006Waarde 2007Streefwaarde 2009
1. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van formele kinderopvang227 000252000259 000314 000= 227 000
2. Het aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van formele kinderopvang111 000105 000119 000144 000= 111 000
Bron: 2004: geraamde realisatie o.b.v. het aanbod van kinderopvangper eind 2004, Research voor Beleid, 2005; De klant in beeld, rapportage gebruikersonderzoek nulmeting, Vyvoj, 2005 (Kamerstukken II, 2005/2006,28 447, nr. 128).     
2005–2007: Belastingdienst Toeslagen; bewerkingen OCW, voorlopige cijfers     

Toelichting:

De invoering van de Wet kinderopvang in 2005 betrof een ingrijpende stelselwijziging. In de begroting werd als indicator opgenomen dat het gebruik voor twee inkomenscategorieën minstens gelijk zou blijven. Deze streefwaarde is gecontinueerd tot het jaar 2009. Met invoering van de harmonisering per 1 januari 2010 zal voor dat jaar een nieuwe streefwaarde ontwikkeld worden voor het gebruik van kinderopvang.

Uit de cijfers blijkt dat het gebruik van kinderopvang toeneemt. De definitieve gegevens van 2006 worden pas eind 2007 verwacht. De cijfers 2005 t/m 2007 zijn onderling niet goed vergelijkbaar. De hiervoor genoemde maatregelen van afgelopen jaren zorgden er voor dat huishoudens die gebruik maakten van formele kinderopvang, maar geen kinderopvangtoeslag ontvingen en dus niet bekend waren bij de Belastingdienst, nu wel bekend zijn. Dit geldt met name in de hoogste inkomensgroepen.

Tabel 24.7 Kosten voor ouders per kind/per uur
 20062007
Gemiddelde uurprijs€ 5,39€ 5,65
   
Eerste kind  
130% van het wettelijk minimumloon0,330,34
1,5 x modaal1,300,88
3 x modaal3,062,28
Bron: Belastingdienst Toeslagen, bewerkingen OCW  

Toelichting:

In tabel 24.7 staan de kosten voor ouders voor drie verschillende inkomensklassen. Voor de laagste inkomensklassen zijn de kosten van kinderopvang voor ouders slechts een fractie van de werkelijke kosten. Voor de hogere inkomensklassen is de ouderbijdrage minder dan de helft.

24.3.3 Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben

Motivering

Het kabinet gaat de regels voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en voorschoolse educatie harmoniseren. Met het geharmoniseerde stelsel wil het kabinet alle kinderen met een taalachterstand bereiken. Het is uiterst belangrijk dat deze kinderen voor- en vroegschoolse educatie (VVE) volgen. Daarom mogen hun ouders geen belemmering kennen om hun kinderen aan een VVE-programma te laten deelnemen. Hierbij is het uitgangspunt dat ouders die arbeid en zorg combineren hun huidige recht op kinderopvangtoeslag behouden. In het geharmoniseerde stelsel wil het kabinet verder het laagdrempelige karakter bewaren van het huidige peuterspeelzaalwerk, ook voor kinderen die niet tot de hiervoor geschetste doelgroep behoren. De maatregelen voor het harmoniseren van voorzieningen voor 0 tot 4-jarigen laten ruimte voor verschillende manieren van uitwerking, afhankelijk van de lokale situatie. De middelen om dit voornemen van harmonisering ten uitvoer te brengen zijn opgenomen op een aanvullende post bij de begroting van Financiën. In de Hoofdlijnennotitie «Samen spelen, samen leven» heeft het kabinet in juli 2007 de hoofdlijnen van zijn plannen gepresenteerd. Het kabinet zal in de loop van 2008 een wetsvoorstel hiertoe indienen.

Instrumenten

• Wet harmonisering kinderopvang

Het streven is dat het wetsvoorstel Harmonisering met ingang van 1 januari 2010 in werking treedt. Het kabinet zal peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen hierop voorbereiden via een implementatietraject.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.8 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde2005Waarde 2006Streefwaarde 2009Streefwaarde 2011
Percentage doelgroepleerlingen onder 2- en 3-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve-programma465170100
Bron: 2005: Quick scan VVE, Sardes; 2006: Landelijke monitor voor- en vroegschoolse educatie 2007, Sardes    

Toelichting:

Deze indicator betreft het VVE-bereik onder doelgroepkinderen vanaf 2,5 jaar tot 4 jaar. Op beleidsartikel 1, Primair Onderwijs, is deze indicator voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar opgenomen. Het is de bedoeling dat het percentage doelgroepkinderen in de leeftijd van 2 tot en met 5 jaar, dat feitelijk deelneemt aan de voor- of vroegschool in deze kabinetsperiode groeit naar 100%. Voor de vier grote steden geldt dat deze doelstelling al in 2009 gehaald moet worden. De realiteit is dat een bereikt van 100% nooit helemaal realiseerbaar is. Langdurig zieke kinderen, kinderen met een geestelijk en/of (zware) lichamelijke handicap of kinderen die door de ouders om principiële redenen worden thuis gehouden kunnen namelijk niet deelnemen aan een VVE-programma.

3.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Het gehele Arbeid & Zorg-beleid, waaronder kinderopvang, is in 2006 doorgelicht en in september 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,30 982, nr. 1Herdruk). Vooralsnog zullen in 2007/2008 geen andere evaluatieonderzoeken plaatsvinden. In 2011 zal een nieuwe beleidsdoorlichting plaatsvinden op het beleidsterrein Kinderopvang/VVE.

ARTIKEL 25. EMANCIPATIE

25.1 Algemene doelstelling:

A. Gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen.

B. Gelijke behandeling en sociale acceptatie van homoseksuelen.

Omschrijving

Het Verdrag van Amsterdam (art. 13) en de Algemene Wet Gelijke Behandeling vormen het juridische kader voor het emancipatiebeleid en homo-emancipatiebeleid in Nederland. Hierin is het recht op gelijke behandeling ongeacht geslacht en seksuele geaardheid vastgelegd. Daarnaast is het VN Vrouwenverdrag belangrijk. Dit verdrag verplicht lidstaten tot gelijkheid van vrouwen en mannen voor de wet en tot het realiseren van gelijkheid voor vrouwen en mannen in de praktijk op alle maatschappelijke terreinen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar:

• Uitbannen van discriminatie naar geslacht en seksuele geaardheid;

• Verbeteren van de positie van meisjes en vrouwen;

• Veranderen van stereotype beeldvorming.

In het Beijing Platform for Action (1995) zijn hier internationaal afspraken over gemaakt. Deze zijn voor Nederland uitgewerkt in het Meerjarenbeleidplan Emancipatie. Dit meerjarenplan is in 2006 geactualiseerd voor de periode tot en met 2010 (Kamerstukken II, 2005/2006, 30 420, nrs. 1 en 2).

Het kabinet heeft in het Coalitieakkoord aangekondigd met een nieuwe emancipatienota te komen. Deze zal kort na Prinsjesdag verschijnen. Er zal een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en aan het homo-emancipatiebeleid worden gegeven. Hiervoor zullen ook extra middelen worden uitgetrokken.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het aanjagen en ondersteunen van:

1. het emancipatiebeleid op de departementen;

2. het emancipatieproces in de samenleving.

De bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid worden opgenomen in de nieuwe emancipatienota.

De verantwoording aan de Tweede Kamer over de behaalde resultaten vindt plaats:

Ad 1.

• Via de jaarlijkse begrotingen van de departementen;

• Via een midterm review in 2009.

Ad 2.

• Tweejaarlijks via de Emancipatiemonitor;

• Tweejaarlijks via de Homo-emancipatiemonitor;

• Tweejaarlijks via een gemeentemonitor homo-emancipatie.

Externe factoren

Behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• Bestuurlijke inzet;

• Individuele en collectieve initiatieven;

• Maatschappelijk draagvlak;

• Economische conjunctuur.

Meetbare gegevens bij dealgemene doelstelling

Tabel 25.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeStreefwaarde 2011
Arbeidsparticipatie van vrouwen57% (2006)> 65%
Toelichting: Arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van ten minste twaalf uur per week  
Bron: CBS, EBB module -arbeid en zorg; CBS, Statline  
Vrouwen in topposities (rijksoverheid)17% (2006)25%
Toelichting: het aandeel van vrouwen in de ambtelijke top (=hoge ambtenaren schaal 15–17)  
Bron: ministerie van BZK  
Ongelijke beloning van mannen en vrouwen (overheid)4% (2004)2%
Toelichting: het gecorrigeerde beloningsverschil tussen vrouwen en mannen bij de overheid  
Bron: Emancipatiemonitor2006  
Sociale acceptatie van homoseksuelen85% (2006)> 85%
Bron: SCP  

25.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 25.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 25 (x € 1 000)
 2006*2007*20082009201020112012
Verplichtingen19 94513 29214 74614 61814 36314 36314 363
Totale uitgaven13 63513 21814 82014 61814 36314 36314 363
Programma-uitgaven:11 18111 35812 98812 78612 53112 53112 531
Emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen  2 4882 2862 0312 0312 031
Stimuleringsuitgaven:       
• Emancipatie algemeen  1 9881 7861 5311 5311 531
• Onderzoek  500500500500500
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving  8 0008 0008 0008 0008 000
Subsidies       
• Kennisinfrastructuur  3 5003 5003 5003 5003 500
• Emancipatieprojecten  4 5004 5004 5004 5004 500
        
Homo-emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen  500500500500500
Stimuleringsuitgaven:       
• Homo-emancipatie algemeen  500500500500500
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving  20002000200020002000
Subsidies:       
• Homo-emancipatie  20002000200020002000
        
Apparaatsuitgaven2 4541 8601 8321 8321 8321 8321 832
Ontvangsten53      

* Voor de jaren 2006 en 2007 wordt verwezen naar artikel 35 van de begroting SZW.

Coalitieakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor het artikel 25 enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 2 miljoen in 2008 naar indicatief € 10 miljoen in 2011. Vanaf 2009 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• Taskforce Deeltijdplus;

• Kennisinfrastructuur (homo)emancipatie;

• Project tijdenbeleid 7 tot 7;

• Project 1001Kracht;

• Stimulering (homo)emancipatie.

Tabel 25.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20082009201020112012
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)12 98812 78612 53112 53112 531
Totaal juridisch verplicht5 0004 5004 0003 5003 500
Totaal bestuurlijk gebonden7 9888 2868 5319 0319 031
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen     
• Juridisch verplicht00000
• Bestuurlijk gebonden2 9882 7862 5312 5312 531
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving     
• Juridisch verplicht5 0004 5004 0003 5003 500
• Bestuurlijk gebonden5 0005 5006 0006 5006 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

25.3 Operationele doelstellingen

25.3.1 Het ontwikkelen en verankeren van emancipatiebeleid op de departementen

Motivering

Het onderkennen van en rekening houden met verschillen tussen burgers, waaronder verschillen in seksuele geaardheid, leidt tot een verhoging van de kwaliteit en de effectiviteit van het beleid.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Een nieuwe emancipatienota en homo-emancipatienota waarin bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid zijn opgenomen;

• Een samenwerkingsprogramma met de departementen ter versterking van emancipatiedeskundigheid en (homo)emancipatie in nationaal en internationaal beleid;

• Een midterm review in 2009 op het emancipatiebeleid van de departementen;

• Internationale rapportages over de implementatie en uitvoering van verdragsbepalingen, Europese afspraken en richtsnoeren. De minister zal elke vier jaar aan de VN rapporteren over de voortgang in het kader van de implementatie van het VN Vrouwenverdrag.

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 25.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeStreven 2008/2009Streven 2011
Aantal departementen dat concrete doelen en acties op het emancipatieterrein heeft geformuleerd   
Bron: Emancipatienota 200713 (2008)13
Aantal departementen waarmee samenwerkingsafspraken zijn gemaakt   
Bron: Midterm review 200913 (2008)13

25.3.2 Het stimuleren en ondersteunen van het emancipatieproces in de samenleving

Motivering

Emancipatie levert een belangrijke bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling van burgers, aan respect voor individuele verschillen en aan de kwaliteit van de samenleving.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Taskforce Deeltijdplus gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zowel het vergroten van het aantal uren per week als het bevorderen van de arbeidsdeelname van niet-werkende vrouwen;

• Kennisinfrastructuur om overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen te ondersteunen bij de ontwikkeling en implementatie van het emancipatie- en homo-emancipatiebeleid;

• Bestuurlijke afspraken met provincies en gemeenten over de ontwikkeling en implementatie van emancipatie- en homo-emancipatiebeleid;

• Landelijke uitrol van het project 1001Kracht gericht op het vergroten van de maatschappelijke participatie van 50 000 vrouwen uit etnische minderheden;

• Project koplopers tijdenbeleid 7 tot 7 gericht op het bevorderen van betere combineerbaarheid van arbeid en zorg;

• Stimulering en ondersteuning emancipatie en homo-emancipatie.

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 25.5 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeStreven 2008Streven 2011
Aantal bestuurlijke afspraken met gemeenten over emancipatiebeleid1025
Bron: OCW administratie   
Aantal gemeenten dat participeert in project 1001Kracht6 (2007)1025
Bron: OCWadministratie   
Aantal koplopers tijdenbeleid 7 tot 76 (2007)625
Bron: OCWadministratie   
Aantal gemeenten met homo-emancipatiebeleid   
Toelichting: Het aantal gemeenten dat actief ( = twee of meer beleidsmaatregelen) homo-emancipatiebeleid voert42 gemeenten (2006)4250
Bron: SCP   

Toelichting:

Het ministerie van OCW kiest ervoor om het aantal bestuurlijke afspraken en aantal deelnemers als streefcijfer op te nemen omdat hier een vrij directe invloed op kan worden uitgeoefend, door middel van directe contacten en onderhandelingen met gemeenten, provincies en andere partijen. Het ministerie van OCW kan niet rechtstreeks invloed uitoefenen op het aantal personen dat met de afspraken en met stimulering van emancipatie wordt bereikt.

25.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Tabel 25.6
 OnderzoekOnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingArtikel 35 van de Rijksbegroting SZW 2006 «Emancipatie»AD en OD’sA. 2006B. 20071
Effectenonderzoek ex post    
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie subsidieregeling emancipatieprojecten   
 Evaluatie E-Quality   
 Evaluatie Dagindeling ESF-3   
 Emancipatiemonitor   
 Homo-emancipatiemonitor   
 Gemeentemonitorhomo-emancipatie   

1 De beleidsdoorlichting zal – tegelijkertijd met de Emancipatienota – kort na Prinsjesdag 2007 worden uitgebracht.

4. DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 17. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sectoroverschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

• Loonbijstelling;

• Prijsbijstelling;

• Nader te verdelen.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

17.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 17.1 Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen00– 4 308– 16 807– 33 616– 67 232– 118 803
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven00– 4 308– 16 807– 33 616– 67 232– 118 803
1. Loonbijstelling0000000
2. Prijsbijstelling0000000
3. Nader te verdelen00– 4 308– 16 807– 33 616– 67 232– 118 803
Ontvangsten05 1882 4881 978957957957

17.2 Loonbijstelling

De verdeling van de loonbijstelling vindt plaats volgens een verdeelsleutel die gebaseerd is op de loongevoeligheid van de uitgaven. Binnen OCW is de loonbijstelling naar de verschillende artikelonderdelen uitgedeeld. Zie voor de exacte verdeling de verdiepingsbijlage.

17.3 Prijsbijstelling

Ook hier vindt de verdeling van de prijsbijstelling plaats volgens een verdeelsleutel op basis van de prijsgevoeligheid van de uitgaven. Voor 2007 is de prijsbijstelling uitgedeeld naar de departementen. Binnen OCW is bij de prijsbijstelling naar de verschillende artikelonderdelen rekening gehouden met het afwijkende (hogere) wettelijk verplichte bijstellingspercentage op het materiële budget van het primair onderwijs. Zie voor de exacte verdeling de verdiepingsbijlage.

17.4 Nader te verdelen

Indien er een maatregel wordt getroffen die een financieel effect heeft op meer dan één artikel, wordt het totale financiële effect op dit artikel geplaatst totdat de verdeling over de beleidsartikelen kan worden gemaakt. Het kan daarbij zowel gaan om beleidsintensiveringen als om bezuinigingen. Nader te verdelen bevat nu drie onderdelen:

• De efficiencytaakstelling Rijk/ZBO’s en efficiencytaakstelling materiële budgetten zijn nog niet doorvertaald naar de verschillende beleidsartikelen. In het najaar van 2007 vindt binnen het departement de afronding van de taken-middelen-discussie plaats. Op basis daarvan moet duidelijk worden, gegeven de nieuwe taken die op OCW afkomen en de te boeken efficiencywinst, welke taken in de toekomst met een krimpend personeelsbestand niet meer vervuld zullen kunnen worden. De concrete invulling van de opgelegde efficiencytaakstelling zal in de begroting 2009 worden verwerkt.

• De aanvullende subsidietaakstelling is centraal geparkeerd en de verdeling naar de verschillende beleidsartikelen zal in de begroting 2009 worden verwerkt

• Taakstellende huiswerkopdracht: In het kabinet is afgesproken dat OCW nog een taakstellende huiswerkopdracht heeft. Dit bedrag is nog niet ingevuld met concrete maatregelen en is daarom voorlopig op dit artikel geboekt.

17.5 Ontvangsten

Ontvangsten die niet aan een beleidsartikel kunnen worden toegerekend, worden op dit artikel geraamd en verantwoord. Het bedrag in 2008 betreft de geraamde ontvangsten voortvloeiend uit de maatregelen van de Commissie Schutte.

ARTIKEL 18. MINISTERIE ALGEMEEN

18.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 18.1 Budgettaire gevolgen artikel 18 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen115 221131 387117 232113 186110 967110 965110 098
Uitgaven116 042131 387117 232113 186110 967110 965110 098
Niet toe te rekenen uitgaven bestuursdepartement 114 904111 323111 292109 739109 701108 840
        
Apparaatskostenonverdeeld 16 4835 9091 8941 2281 2641 258
Ontvangsten303567567567567567567

Toelichting:

In de tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van artikel 18 ministerie algemeen geraamd.

18.2 Bestuursdepartement

Op het artikel ministerie algemeen, onderdeel bestuursdepartement, staan apparaatskosten van de niet beleidsdirecties. Daarnaast worden hier de centrale kostenposten voor onder andere huisvesting, automatisering, voorlichting, bezwaarschriftencommissie enz. begroot.

Dit is exclusief de personele taakstelling uit het Coalitieakkoord. De taakstelling is nog niet doorvertaald naar de directies en is nu zichtbaar op artikel 17. In de begroting van 2009 zal de taakstelling wel een zichtbare daling van de apparaatskosten weergeven.

18.3 Apparaatskosten onverdeeld

Op dit artikelonderdeel worden de kosten geraamd die het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisaties maken voor de invoering van OCW brede projecten.

18.3.1 Projecten

OCW verandert!

In de loop van 2007 wordt het programma OCW Verandert! beëindigd. In 2008 worden diverse taken belegd binnen de staande organisatie en worden deze waar mogelijk gekoppeld aan nieuwe taken zoals de vernieuwing van de Rijksdienst (VRD). Meer informatie over het vervolg van OCW verandert! is opgenomen in de bedrijfsvoeringsparagraaf.

ARTIKEL 19. INSPECTIES

Op dit artikel worden de apparaatuitgaven geraamd voor de inspecties van het ministerie: de Inspectie van het Onderwijs en de Erfgoedinspectie.

In de apparaatskosten van de inspecties zijn begrepen alle kosten die gemoeid zijn met het functioneren van de inspecties, zowel kosten van personeel, materieel en huisvesting als uitbesteed onderzoek.

Door het uitvoeren van onderzoeken bij scholen en instellingen beoordeelt de Inspectie van het Onderwijs de kwaliteit van het onderwijs. De Erfgoedinspectie houdt toezicht op de naleving van specifieke wetten en levert een bijdrage aan een juist gebruik, beheer en bewaring van cultureel erfgoed.

In onderstaande tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van artikel 19 Inspecties geraamd.

19.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 19.1 Budgettaire gevolgen artikel 19 (bedragen x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen48 97649 45947 43647 33447 32547 32347 318
Uitgaven47 21949 45947 43647 33447 32547 32347 318
Erfgoedinspectie2 8313 1062 7332 7332 7332 7342 734
Inspectievan het onderwijs46 14546 35344 70344 60144 59244 58944 584
Ontvangsten12343700000

19.2 Erfgoedinspectie

De Erfgoedinspectie waakt op nationaal niveau over het behoud en beheer van roerend cultureel erfgoed, onroerende monumenten en de kwaliteit van archeologisch onderzoek en ziet toe op de vorming van rijksarchieven.

De Erfgoedinspectie houdt toezicht op onder andere:

• de naleving van de Wet behoud cultuurbezit; de rijkscollecties in beheer bij de musea, het verlenen van vergunning voor de uitlening van beschermde cultuurvoorwerpen en het verlenen van exportvergunningen voor cultuurgoederen;

• de naleving van de Archiefwet; de kwaliteit van archiefvorming en beheer van de Hoge Colleges van Staat, de ministeries en de zelfstandige bestuursorganen;

• de naleving van de Monumentenwet; enerzijds ten aanzien van archeologische monumenten, opgravingen en vondsten en anderzijds ten aanzien van de gebouwde monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.

Als gevolg van de taakstelling uit het Coalitieakkoord en de nieuwe visie op toezicht zal het toezicht meer dan nu gebaseerd worden op risicoanalyse, selectiviteit en prioriteitsstelling. De keuzes zullen openbaar zijn. De Erfgoedinspectie zal hierbij overschakelen van eerste- naar tweedelijns toezicht, daar waar dat mogelijk is als gevolg van de introductie van kwaliteitszorgsystemen of alternatieve (horizontale) toetsingsarrangementen.

In 2007 is – in samenwerking met de Inspectie van het Onderwijs – het project Digitalisering gestart, gericht op de digitalisering van poststromen en archieven enerzijds, en de verbetering van inspectieprocessen anderzijds. Dit project zal leiden tot een verhoging van de administratieve kwaliteit van beide inspecties en daarmee vergroting van de zorgvuldigheid en transparantie van het werk naar geïnspecteerde en burger.

De Erfgoedinspectie zal dan ook vanaf 2008 in een digitale omgeving haar werk kunnen uitvoeren.

Het jaarlijkse inspectieverslag over de vier sectoren van het cultureel erfgoed wordt aangeboden aan zowel Eerste als Tweede Kamer. Het jaarwerkplan voor 2008 van de Inspectie, dat tot stand komt op basis van risicoanalyse, zal vanaf november 2007 openbaar zijn.

19.3. Inspectie van het Onderwijs

Voor het kalenderjaar 2008 zijn uitgaven voor een bedrag van € 44,7 miljoen opgenomen.

In het Coalitieakkoord en in het Beleidsprogramma staan een aantal activiteiten beschreven die uitmonden in een nieuwe positionering en werkwijze van het toezicht. Onder het motto «meer effect en minder last» zijn de nieuwe uitgangspunten van het toezicht geformuleerd. De uitwerking van het Coalitieakkoord en het Beleidsprogramma heeft consequenties voor de toekomstige organisatie van de inspectie (zie ook de bedrijfsvoeringparagraaf). In 2008 zijn de drie hoofdpunten:

• de Inspectie van het Onderwijs start met het nieuwe proportionele toezicht;

• met ingang van het jaarwerkplan 2008 van de Inspectie van het Onderwijs wordt programmatisch handhaven breder toegepast binnen de onderwijssectoren;

• de integratie van het financiële toezicht van de Auditdienst van OCW met de Inspectie van het Onderwijs.

Door deze ontwikkelingen kan de Inspectie adequaat inspelen op ontwikkelingen in de samenleving en veranderingen in haar omgeving.

ARTIKEL 20. ADVIESRADEN

Op dit artikel worden de apparaatuitgaven geraamd voor de adviesraden van het ministerie: de Onderwijsraad, de Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). De apparaatskosten van de adviesraden zijn opgebouwd uit de kosten die gemoeid zijn met het functioneren van de adviesraden, waaronder de vacatiegelden voor de leden van de raden, personele en materiële kosten voor de ondersteunende secretariaten en kosten van (uit te besteden) onderzoek.

De adviesraden verstrekken als onafhankelijke organen adviezen en voeren verkenningen uit ten behoeve van regering en Staten Generaal. Zij kunnen in verschillende fasen van de beleidsontwikkeling een rol spelen, variërend van een verkenning over toekomstige ontwikkelingen tot en met een advies over een afgerond wetsontwerp.

Over de financiële consequenties van de herziening van het adviesstelsel rijksbreed en de specifieke gevolgen hiervan voor onderstaande adviesraden zal in de loop van 2008 meer duidelijkheid ontstaan.

In onderstaande tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten aan apparaatskosten (personeel en materieel) geraamd.

20.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 20.1 Budgettaire gevolgen artikel 20 (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Verplichtingen7 6157 7847 6007 6537 6536 9346 934
Uitgaven7 6157 7847 6007 6537 6536 9346 934
Onderwijsraad2 6202 7372 6272 6452 6452 6452 645
Raad voor Cultuur3 4023 3553 3253 3513 3513 3513 351
Adviesraadvoor Wetenschaps- en Technologiebeleid*1 5931 6921 6481 6571 657938938
Ontvangsten0000000

20.2 Onderwijsraad

De Onderwijsraad is het adviesorgaan voor de regering en de Staten Generaal. De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over de hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Gedurende de huidige zittingsperiode (2005–2008) werkt de Onderwijsraad op basis van de hoofdlijnen van een meerjaren adviesprogramma. Bij de voorbereiding van dit programma zijn alle relevante actoren binnen en buiten het onderwijs betrokken.

Het gaat om de volgende programmalijnen:

• Markt, staat en maatschappij: kenniseconomie;

• Markt, staat en maatschappij: maatschappelijke opdracht van het onderwijs;

• Financiering en bekostiging;

• Organisatie: ontwikkeling van scholen en leraren;

• Aanbod, speciale groepen en sectoren.

De Onderwijsraad brengt in 2008 naar verwachting 7 adviezen en verkenningen aan de minister van OCW, 2 adviezen aan de Tweede Kamer en 3 studies uit. Ook publiceert de raad het vierjaarlijkse verslag Stand van educatief Nederland. Hierin wordt ingegaan op actuele informatie over input, proceskenmerken en opbrengsten van het Nederlandse onderwijs. Daarnaast besteed de Onderwijsraad in dit rapport aandacht aan thema’s als internationalisering, de kern van kennisgebieden, leraren en de socialiserende functie van het onderwijs. Het werkprogramma voor 2008 wordt op Prinsjesdag aan de Staten Generaal aangeboden. Ook buiten het werkprogramma om kunnen gedurende het jaar zowel door de minister als door de Tweede Kamer adviesvragen aan de Onderwijsraad worden voorgelegd.

20.3 Raad voor Cultuur

De Raad voor Cultuur is het wettelijk adviesorgaan van de regering en de Staten Generaal op het terrein van kunst, cultuur en media. De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over algemeen bindende voorschriften en het te voeren beleid op het terrein van cultuur.

In 2008 brengt de Raad voor Cultuur het vierjaarlijkse Cultuurnota-advies (nu: Subsidieplan) uit voor de periode 2009–2012. Daarnaast geeft de Raad voor Cultuur invulling aan de voorgenomen overdracht van adviestaken met betrekking tot meerjarige subsidieverlening naar de betreffende fondsen.

Als gevolg van de hoofdlijnennotitie cultuurbeleid «Kunst van Leven» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007,28 989, nr. 44) brengt de Raad voor Cultuur enkele beleidsadviezen uit, alsmede de in het werkprogramma 2008 geplande adviezen, zoals «Bibliotheekvernieuwing» en «Distributiefunctie in de filmsector».

Naast de beleidsadvisering brengt de Raad voor Cultuur veel uitvoeringsadviezen uit op het gebied van archiefvorming en monumentenzorg. Ook adviseert de Raad voor Cultuur in het kader van de wet tot behoud van cultuurbezit.

20.4 AWT

De AWT is een strategische adviesraad. De raad adviseert de regering en de Staten Generaal over het wetenschaps- en technologiebeleid, zowel in nationaal als in internationaal verband. Het onderwerp wetenschappelijke en technologische informatievoorziening is daarbij inbegrepen.

De AWT brengt gevraagd en ongevraagd advies uit over de hoofdlijnen van het onderzoeks- en innovatiebeleid. Met het merendeel van deze adviezen beweegt de AWT zich op de beleidsterreinen van de minister van OCW (wetenschapsbeleid) en de minister van EZ (innovatiebeleid). De helft van het budget van de AWT is dan ook afkomstig van de minister van OCW, de andere helft van de minister van EZ. Kennis, onderzoek en innovatie zijn ook van belang op andere beleidsterreinen. Daarom adviseert de AWT met enige regelmaat andere ministers en de Tweede Kamer. Naast het uitbrengen van adviezen hanteert de AWT ook andere manieren om zijn inzichten te verspreiden, zoals het organiseren van seminars of werkbezoeken.

De AWT verwacht in 2008 4 tot 6 adviezen en enkele achtergrondstudies uit te brengen. Met behoud van ruimte voor spoedadviezen zal de AWT zich in ieder geval buigen over de Europese Onderzoeksruimte, e-science, de basis van de kennissamenleving en regionaal innovatiebeleid. Deze onderwerpen zijn zorgvuldig afgestemd met de ministers van OCW en EZ, vertegenwoordigers van andere departementen en met andere adviesraden.

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

1. Inleiding

De bedrijfsvoering van OCW is in het afgelopen jaar opnieuw verbeterd. Dit uit zich onder andere in de resultaten van het rechtmatigheidsonderzoek van de Algemene Rekenkamer over 2006 en in het feit dat alle OCW managers voor het eerst een verklaring over de rechtmatigheid hebben afgelegd. De Algemene Rekenkamer heeft geconstateerd dat het ministerie van OCW in algemene zin veel beter functioneert dan voorheen, doordat de afgelopen jaren veel energie is gestoken in het op orde brengen van het ministerie. Problemen worden vaker door directies zelf gesignaleerd. De aanpak van de eenmaal gesignaleerde problemen wordt gevolgd door een regieteam onder leiding van de SG.

Van de twee onvolkomenheden die de Algemene Rekenkamer over 2005 rapporteerde, is er inmiddels één (interne controle bij het agentschap CFI) opgelost. Voor wat betreft de andere, het beheer van kunstvoorwerpen van het Rijk, zijn in 2006 belangrijke stappen gezet om deze op te lossen. De getroffen maatregelen zullen zich vanaf 2007 in de praktijk moeten gaan bewijzen.

De Algemene Rekenkamer heeft over 2006 als nieuwe onvolkomenheid gerapporteerd dat subsidiedossiers van de directie onderzoek en wetenschapsbeleid onvolledig en slecht toegankelijk zijn. Om het beheer van deze dossiers te verbeteren werkt de directie aan een nieuw subsidiebeheersysteem. Op aanbeveling van de Algemene Rekenkamer en ook in lijn met het IBO Regeldruk en Controletoren is het ministerie van OCW daarnaast gestart met een operatie om de eigen subsidieregelingen zoveel mogelijk te reduceren en standaardiseren. In verband met de waarschijnlijk benodigde aanpassing van de wetgeving, zal deze operatie naar verwachting doorlopen tot 2009.

2. Externe sturing

Sturen op prestatie

In de aanloop naar de begroting 2008 is het geheel aan algemene en operationele doelstellingen van de OCW begroting opnieuw tegen het licht gehouden. In het verlengde hiervan is tevens naar instrumenten en indicatoren gekeken. De begroting 2008 levert hiermee een stabiele basis voor een transparante verantwoording over het gevoerde beleid door middel van reële en inspirerende doelstellingen en zinvolle prestatiegegevens. Belangrijk hierbij is «comply or explain», wat betekent dat er ook helderheid wordt gegeven over datgene wat niet gemeten kan worden.

In de beleidsagenda worden de prioriteiten voor de komende periode toegelicht, waarbij in het «overzicht van prioriteiten, instrumenten en prestatiegegevens» de verbinding tussen de prioriteiten en de begrotingsartikelen is aangebracht.

Toezicht en handhaving

In 2006 is de nota Toezicht in vertrouwen, vertrouwen in toezicht (Visie op toezicht OCW 2007–2011) uitgebracht. Ook in het in 2007 opgestelde Coalitieakkoord is ruime aandacht voor toezicht. Het toezicht dient plaats te vinden uitgaand van vertrouwen in instellingen en burgers. De op te richten toezichthouder zal opereren conform de eisen van het Coalitieakkoord, namelijk:

• Als de onderwijskwaliteit tekort schiet moet snel en effectief kunnen worden ingegrepen.

• Bij goed presteren van onderwijsinstellingen zal sprake zijn van vermindering van toezicht.

Ontwikkelingen in het geïntegreerd toezicht: van samenwerking naar samenvoeging

In 2004 is het project Geïntegreerd Toezicht (GT) gestart om de toezichtfuncties van de Inspectie van het Onderwijs, Auditdienst en Centrale Financiële Instellingen (CFI) te bundelen. Conform de eerder geformuleerde eisen van het Coalitieakkoord zal het middel van de bundeling van de toezichthouders verschuiven van samenwerking naar samenvoeging, waarmee de GT-doelstelling is geworden: Realiseer een nieuwe geïntegreerde onderwijstoezichthouder die voldoet aan de OCW-Visie op Toezicht.

De evaluatie van de Wet op het OnderwijsToezicht

Bovenstaande principes worden verder uitgewerkt bij de evaluatie van de huidige Wet op het Onderwijstoezicht (WOT), waarover vóór oktober 2007 wordt gerapporteerd aan de Tweede Kamer. In het verlengde van deze evaluatie wordt ook aangegeven welke wijzigingen in de WOT nodig zijn gelet op de gevolgen van Geïntegreerd Toezicht, Visie op Toezicht en Coalitieakkoord. Deze ontwikkelingen vergen een wijziging van de WOT onder andere gericht op:

• Nieuw risicogericht en proportioneel toezicht met een toezichtarrangement gebaseerd op onderwijsopbrengsten en proportionaliteit.

• Het borgen van het financiële toezicht inclusief verbetering van het toezicht op de jaarstukken.

• Grondslag in de WOT voor het samenwerken met andere toezichthouders in het onderwijs, waarbij op termijn op onderdelen kan worden overgaan tot integratie van werkzaamheden.

• Uitwerking van interventie (mogelijkheden) in lijn met de Visie op Toezicht .

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de gewijzigde WOT (gepland per 1-1-2009) zal bij de Inspectie van het Onderwijs een reorganisatie worden gestart, waarbij ook de gevolgen van de taakstelling op het toezicht binnen de Rijksdienst verwerkt zullen worden.

Zeer zwakke scholen

Sinds een aantal jaren is duidelijk aan het licht gekomen dat er een niet te verwaarlozen aantal zeer zwakke scholen bestaat (op dit moment ruim 100), dat intensieve aandacht van de Inspectie van het Onderwijs behoeft. Gebleken is dat het instrumentarium om deze scholen aan te pakken beperkt is. In de huidige situatie is de procedure dat de school een verbeterplan moet opstellen. Een groot gedeelte van de scholen weet zich op deze manier te verbeteren.

Als de interventies van de Inspectie van het Onderwijs niet leiden tot het gewenste resultaat wordt overgegaan tot het zogenoemde bestuurlijk natraject, waarbij de minister dwingende maatregelen kan opleggen (interventie). Een voorbeeld hiervan zijn de maatregelen die de minister van OCW heeft getroffen ten aanzien van het Islamitisch college Amsterdam (ICA).

Het bestaande interventiebeleid voor deze kwalitatief zeer zwakke scholen zal worden aangescherpt.

Gebleken is dat al in een eerder stadium kan worden ingegrepen en dat er meer mogelijkheden voor de Inspectie van het Onderwijs zijn om te interveniëren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de interventiepiramide zoals deze in de nota Toezicht in vertrouwen, vertrouwen in toezicht (Visie op toezicht OCW) is ontwikkeld.

Intensiever zal ook worden ingezet op het nemen van (preventieve) bestuurlijke maatregelen, die worden getroffen om specifieke onderdelen van de sector te verbeteren die slecht scoren, zoals de vrije scholen, het speciaal onderwijs, het islamitisch onderwijs en de kleine plattelandsscholen in het noorden van het land (geldt vooral voor het primair onderwijs).

Beleidwijzer

De Beleidwijzer is een standaardwerkwijze voor de beleidsontwikkeling binnen OCW. Het beschrijft aan welke minimumeisen de ontwikkeling van beleid door OCW-medewerkers moet voldoen en welke stappen daarvoor minimaal moeten worden ondernomen. OCW wil beleid dat voldoet aan de eisen van deze tijd: niet alleen juridisch correct, maar ook als nuttig en noodzakelijk ervaren, uitvoerbaar, naleefbaar, handhaafbaar, enzovoorts. De Beleidwijzer draagt aan dit doel bij door aan te geven op welke vragen in het kader van de beleidsontwikkeling een antwoord moet worden gegeven. Ook worden aanwijzingen gegeven over het proces van beleidsontwikkeling (wie behoort wat wanneer te doen en worden controles inbouwd in het proces van de beleidsontwikkeling).

OCW Ontregelt en administratieve lastendruk

Conform het Coalitieakkoord richt OCW zich op een hernieuwde 25% administratieve lastenverlichting. Daartoe wordt in 2008 een nieuwe meting opgeleverd die inzicht geeft in de regeldruk die OCW-instellingen vanuit OCW ervaren. Deze meting geeft ook inzicht in de wíe last heeft van de regeling (de manager of de docent op de werkvloer) en de mate van irritatie die de regeling oplevert. Bij de selectie van de reductiemaatregelen wordt rekening gehouden met díe wet- en regelgeving waar de instellingen de meeste last van hebben en irritatie van ondervinden.

Ook de beeldvorming rondom regelgeving wordt aangepakt: er wordt meer ingezet op de boodschap dat niet alle regelgeving negatief is: soms zijn de instellingen juist gebaat bij uitgebreide regelgeving.

Bovendien wordt het inzetten van het instrument wet- en regelgeving voor het realiseren van beleid zoveel mogelijk beperkt tot die situaties waarin geen alternatieven beschikbaar zijn. Opties hiervoor zijn: de Beleidwijzer een rol laten spelen, een advies- en toetscommissie instellen, reductie van subsidieregelingen bewerkstelligen en kappen Dor Hout.

Ontwikkelen en implementeren informatiebeleid

Doel van het informatiebeleid is bijdragen aan de beleidsdoelstellingen (bijv. aanval uitval, doorlopende leerlijn), verbeterde dienstverlening aan burger en bedrijf, vermindering administratieve lasten, en het verbeteren van transparantie en doelmatigheid. Vanuit een eigen rol werken zowel OCW, andere overheden als de instellingen aan betere informatie-uitwisseling. Binnen de sectoren onderwijs, cultuur en wetenschap zijn er drie centrale ICT-thema’s geformuleerd:

• Standaardisatie. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over de gegevensuitwisseling tussen verschillende actoren (bij overdracht van een leerling van de ene school naar de andere) en het overdraagbaar maken van gegevens (zodat een gemeente bijvoorbeeld gemakkelijk overzichten op haar website kan presenteren met aantallen leerlingen in het basisonderwijs in de desbetreffende gemeente).

• Digitalisering. Dit is een thema dat gevoed wordt door de enorme hoeveelheid materiaal binnen het cultureel erfgoed, de ontwikkeling van digitaal lesmateriaal en de digitalisering van gegevensuitwisseling voor verticale verantwoordingsprocessen.

• E-vaardigheden. Dit is er op gericht ict geïntegreerd te kunnen toepassen en speelt een rol bij alle doelgroepen van OCW in de verschillende rollen die zij vervullen, zoals bijvoorbeeld bij leerlingen en studenten die «digiwijs» moeten zijn in de informatiemaatschappij.

Rijksbreed Informatiebeleid

In 2008 levert OCW een bijdrage aan het nationale beleid door de ontwikkelingen rond het basisregister onderwijs en het eventuele diplomaregister i.o., en het gebruik van Digid in de sector onderwijs voor te bereiden. In 2008 wordt daarnaast de loketfunctie van OCW voor ontwikkelingen rond de e-overheid actief ingezet richting uitvoeringsorganisaties om een nog betere aansluiting en gebruik van die e-overheid te waarborgen. Hieronder valt bijvoorbeeld de ontwikkeling rond de overheidsservicebus, die de uitwisseling van gegevens binnen de rijksoverheid faciliteert. Ook vindt in 2008 verdere afstemming plaats ten behoeve van de implementatie van de wetgeving op basisregistraties (GBA, NHR, BAG, Kadaster, etc.).

Informatiebeleid Onderwijs

Belangrijke acties voor het informatiebeleid onderwijs zijn het (verder) benutten van het onderwijsnummer voor het creëren van beleidsinformatie en het inzetten van standaarden voor gegevensuitwisseling. Daarnaast is het (door)ontwikkelen en samen met de instellingen – implementeren van een onderwijsarchitectuur een thema binnen het informatiebeleid onderwijs. Deze architectuur is gericht op het verbeteren van de elektronische communicatie binnen het domein maar ook met actoren daar buiten.

Informatiebeleid Publiek

OCW zet in op het actief openbaar maken van informatie. In 2008 volgt de (verdere en laatste) ontsluiting van de OCW-informatie die in 2007 geoormerkt is als informatie die interessant is voor de samenleving. Centraal uitgangspunt hierbij is het (overdraagbaar) ontsluiten daarvan via de openbare database van OCW. Belanghebbenden zijn vervolgens in staat daarmee te voldoen aan de eigen specifieke informatiebehoefte.

3. Interne sturing

Extern Waarderings – en Behoeftenonderzoek

Het werken met het INK-managementmodel raakt steeds verder verankerd in de departementale organisatie. Zo vindt er in 2008 weer een medewerkertevredenheidsonderzoek plaats en komen er ook verbeteracties tot stand naar aanleiding van het tweede Extern Waarderings- en Behoeftenonderzoek (EWB).

Deze tweede enquête van begin 2007 onder de «medeproducenten» van het OCW-beleid liet zien dat er over de volle breedte verbetering is geboekt sinds 2005. Het gaat dan om het ambtelijk functioneren uit de oogpunten van respectievelijk transparantie, begrijpelijkheid, kwaliteit van beleidsuitingen en van medewerkers, klantgerichtheid en consequentheid. De uitslag leidt ertoe dat er in 2008 verbeteracties zullen worden ondernomen ten behoeve van vooral transparantie, en de begrijpelijkheid en kwaliteit van beleidsuitingen. Het departement draagt er zorg voor dat de omgeving de ontwikkelingen kan volgen via publicatie op het internet. Openbaarheid brengt in zichzelf immers al een stimulans voor verbetering.

Intern werken de ondersteunende eenheden met onderzoek naar de klanttevredenheid. Met opleidingsacties en bijstellingen naar aanleiding van positiebepalingen en verbetergesprekken krijgt de focus op «voortdurend verbeteren» ook in 2008 gestalte.

IBO Controletoren

In het kader van het IBO Regeldruk en Controletoren is bij OCW met ingang van het verslagjaar 2006 de rechtmatigheidsverklaring nieuwe stijl ingevoerd. Dit betekent dat op diverse niveaus de manager als onderdeel van de deelmededeling bedrijfsvoering een rechtmatigheidsverklaring over 2006 heeft opgesteld. Vervolgens heeft de Auditdienst na controle een getrouwbeeldverklaring over 2006 afgegeven. Na afloop van het verantwoordingsproces 2006 is de implementatie van de rechtmatigheidsverklaring 2006 geëvalueerd. Daarbij bleek de werkdruk en de planlast in het invoeringsjaar door overleg over definities, verantwoordelijkheden en procedures te zijn toegenomen. Bovendien waren de meeste rechtmatigheidsbevindingen nog afkomstig van de AD. Na deze evaluatie heeft OCW besloten voor het verslagjaar 2007 de gelaagde opbouw van de rechtmatigheidsverklaring te handhaven omdat na het invoeringsjaar een lagere planlast wordt verwacht.

Organisatieopzet OCW

OCW wil beter en slagvaardiger kunnen reageren op de politieke en maatschappelijke vragen. Het heeft daarom een nieuwe organisatievorm gekozen die aansluit bij de bestuurlijke verhoudingen en is toegespitst op de kansen en problemen op onze beleidsvelden. Schotten tussen de verschillende beleidsprocessen worden zoveel mogelijk opgeheven. Belangrijk ijkpunt is dat de organisatie herkenbaar en aanspreekbaar blijft voor het veld. Daartoe wordt de beleidsorganisatie ingericht in stelseldirecties die verantwoordelijk zijn voor het staande beleid en beheer, en themadirecties voor de grote actuele thema’s.

Flexibilisering

Om snel op de politieke doelen in te spelen moet OCW ook snel de juiste mensen vrij kunnen maken. Daarnaast wil OCW medewerkers met een brede manier van denken en werken. In overleg met de medezeggenschap heeft OCW instrumenten ontwikkeld om een flexibele organisatie mogelijk te maken, waarin medewerkers regelmatig van baan wisselen en zo hun kennis en ervaring uitbouwen.

Bundeling

Een slagvaardiger beleid vraagt ook om een goede ondersteuning. De politieke en ambtelijke top, zowel als de beleidsdirecties en medewerkers moeten snel en doeltreffend ondersteund kunnen worden. Daartoe worden de bedrijfsprocessen op elkaar afgestemd en een aantal ondersteunende functies gebundeld.

Taakstelling

OCW zal de taakstelling uit het Regeerakkoord Balkenende IV invullen op basis van de beleidsaccenten die voor de komende jaren zijn vastgesteld, en langs de lijnen die in het programma OCW Verandert! zijn uitgezet. Op basis van een taken-middelendiscussie wordt vastgesteld welke taken bemenst kunnen worden en welke noodgedwongen moeten vervallen. Vervolgens zal de taakstelling zodanig worden uitgerold dat medewerkers die in hun eigen functie overbodig worden, op andere, openvallende functies in het departement worden geplaatst. OCW zal daarbij gebruik maken van het natuurlijk verloop en het flexibiliseringsinstrumentarium inzetten, waarin opleiding en training belangrijke elementen zijn. Gestreefd wordt naar een werk-naar-werkgarantie.

Overdracht van nieuwe taken naar OCW

In het Regeerakkoord is vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van emancipatie en kinderopvang overgaat van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Met deze overgang zijn de aan deze twee beleidsterreinen gekoppelde medewerkers en financiële middelen naar OCW overgegaan. Ook de taken van homo-emancipatie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn overgeheveld naar OCW.

Voor het uitvoeren van de kinderopvangtaken komen circa 12 fte en voor de emancipatietaken circa 34 fte van SZW over. Van het ministerie van VWS komt 1 medewerker over voor het dossier homo-emancipatie. Deze inhuizing is in een coöperatieve samenwerking naar volle tevredenheid in een zeer korte termijn gelukt.

6. DE DIENSTEN DIE EEN BATEN-LASTEN STELSEL VOEREN

1. CENTRALE FINANCIËN INSTELLINGEN

Tabel 1: Begroting 2008 CFI (x € 1 000)
 2008
Totaal baten44 805
Totaal lasten44 805
Saldo van baten en lasten0
  
Totaal kapitaalontvangsten0
Totaal kapitaaluitgaven2 580

CFI begroot voor 2008 een exploitatiesaldo van nul. De kapitaalontvangsten zijn gelijk aan nul; de kapitaaluitgaven zijn gelijk aan de aflossing leningen. De investeringen zijn niet in de begroting opgenomen; CFI zal daarvoor begin 2008 leenfaciliteit aanvragen.

Tabel 2: Begroting baten en lasten CFI (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
Baten       
Opbrengst moederdepartement70 89243 31843 75543 42242 74841 67241 672
Opbrengst overige departementen1 3460350200200200200
Opbrengst derden1 336800650650650650650
Rentebaten130505050505050
Buitengewone baten734000000
Totale baten74 43844 16844 80544 32243 64842 57242 572
        
Lasten       
Apparaatskosten73 63639 38840 75740 32539 69838 39638 475
– Personele kosten27 83726 83824 89024 57323 56822 50022 500
– Materiele kosten45 79912 55015 86715 75216 13015 89615 975
Rentelasten157500429390359343317
Afschrijvingskosten2 7213 6003 4683 4573 4413 6823 630
– Materieel2 7213 6003 4683 4573 4413 6823 630
– Immaterieel0000000
Overige lasten1 263680150150150150150
– Dotaties voorzieningen125680150150150150150
– Buitengewone lasten1 138000000
Totale lasten77 77744 16844 80544 32243 64842 57242 572
        
Saldo van baten en lasten– 3 339000000

Toelichting op de begroting van baten en lasten:

Baten

Opbrengst moederdepartement

De diensten die CFI verricht voor de in de begroting opgenomen bedragen zullen jaarlijks worden vastgesteld in een prestatiecontract met de opdrachtgever OCW. Het betreft een beleidsarme begroting, de voorlopige taakstellingen (personeel en materieel) zijn technisch verwerkt. In de opbrengst moederdepartement is geen dekking voor de beoogde interne projectcapaciteit CFI voorzien. Dit normaalvolume van 35 fte wordt incidenteel gedekt. Over een structurele oplossing zijn OCW en CFI nog in gesprek.

Opbrengst overige departementen

Het betreft hier werkzaamheden inzake de uitvoering inburgering (minister voor Wonen, Wijken en Integratie) en bekostiging groen onderwijs (LNV).

Opbrengst derden

Het betreft hier diensten voor andere opdrachtgevers dan het ministerie van OCW, de stichting Participatiefonds voor het onderwijs (sector PO).

Rentebaten

Het betreft hier een raming op basis van de realisatie uit voorgaande jaren.

Buitengewone baten

Buitengewone baten zijn baten die geen betrekking hebben op het lopende boekjaar. De buitengewone baten zijn op nul gesteld.

Lasten

Personele kosten

De formatie CFI voor 2008 bedraagt 430 fte. De personeelskosten zijn gebaseerd op een gemiddelde bezetting going concern van 395 fte in 2008 (de projectcapaciteit van 35 fte wordt incidenteel gedekt). De gemiddelde prijs per fte in 2008 is € 63 000 (€ 61 000 salariskosten excl. prijsbijstelling 2007 en € 2000 opleiding en bewust belonen). De salarisbijstelling 2007 is nog niet verwerkt. De personele taakstelling is conform het taakstellingplan OCW doorgevoerd.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan grotendeels uit vaste lasten. Majeure posten zijn huur gebouw € 3,4 miljoen, facilitaire kosten € 2,3 miljoen en de kosten informatievoorziening en automatisering € 9,0 miljoen. De subsidietaakstelling is technisch (beleidsarm) verwerkt, de prijsbijstelling 2007 is nog niet verwerkt in de lasten.

Rentelasten

De rentelasten CFI vloeien voort uit rente en aflossingsdragend vermogen.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen alleen materiële vaste activa. De gehanteerde afschrijvingstermijnen bedragen 10 jaar voor meubilair, 3 jaar voor hardware en 5 jaar voor bedrijfsondersteunende systemen.

Dotaties voorzieningen

De dotaties voorzieningen betreffen personeel. De dotatie is per 2008 neerwaarts bijgesteld en is in lijn met de uitgangspunten van sociaal beleid OCW (werk-naar-werk en dergelijke).

Buitengewone lasten

Buitengewone lasten zijn lasten die geen betrekking hebben op het lopende boekjaar. De buitengewone lasten zijn op nul gesteld.

Tabel 3: Kasstroomoverzicht CFI (x € 1 000)
 2006200720082009201020112012
1. Rekening courant RHB 1 januari (incl. deposito)17 08414 78015 42316 76118 48820 86623 898
        
2. Totaal operationele kasstroom– 1 0683 1503 9183 9073 8914 1324 080
        
3. Totaal investeringskasstroom– 6 538000000
3a. Totaal investeringen (-)– 6 538000000
3b. Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)0000000
4. Totaal financieringskasstroom5 302– 2 507– 2 580– 2 180– 1 513– 1 100– 550
4a. Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-)– 250000000
4b. Eenmalige storting door moederdepartement (+)0000000
4c. Aflossingen op leningen (-)– 1 448– 2 507– 2 580– 2 180– 1 513– 1 100– 550
4d. Beroep op leenfaciliteit(+)7 000000000
        
Rekening courant RHB 31 december14 78015 42316 76118 48820 86623 89827 428

Toelichting op het kasstroomoverzicht van CFI:

CFI heeft voor 2008 en verder nog geen leenfaciliteit aangevraagd. Derhalve zijn in het kasstroomoverzicht de investeringen CFI voor deze jaren op nul gesteld. CFI heeft in de begroting wel de geraamde afschrijvingskosten opgevoerd voor een zo getrouw mogelijk beeld.

2. NATIONAAL ARCHIEF

Tabel 1 Begroting Nationaal Archief (x € 1 000)
 Begroting 2008
Totaal baten18 185
Totaal lasten18 185
Saldo van baten en lasten0
  
Kapitaalontvangsten0
Kapitaaluitgaven146
Tabel 2 Begroting Nationaal Archief van baten en lasten (x € 1 000)
 20062007 2008 20092010 20112012
Baten       
Opbrengst OCW15 42225 86617 26416 82016 81916 82016 820
Opbrengst overige departementen0000000
Opbrengst derden1 294700700700700700700
Rentebaten69155050505050
Buitengewone baten2 023964171151000
Exploitatiebijdrage0000000
        
Totaal baten18 80827 54518 18517 72117 56917 57017 570
        
Lasten       
Apparaatskosten17 37226 44117 01016 49916 38716 39216 392
– personele kosten7 7608 0067 9857 9607 9317 9317 931
– huisvesting3 6853 6913 6973 7033 7093 7153 715
– materiële kosten5 92714 7445 3284 8364 7474 7464 746
Rentelasten64827572101101101
Afschrijvingskosten7001 0221 1001 150750650650
– materieel7001 0221 1001 150750650650
– immaterieel0000000
Dotaties voorzieningen36000000
Buitengewone lasten352000331427427
        
Totaal lasten18 52427 54518 18517 72117 56917 57017 570
        
Saldo van baten en lasten284000000

Toelichting op de baten:

• Opbrengst OCW: deze bestaat uit een bijdrage voor de producten van het Nationaal Archief.

De verhoging van de bijdrage vanaf 2007 is het gevolg van het bij Voorjaarsnota verkregen incidentele (2007) en structurele (vanaf 2008) budget voor het digitale depot en het uitbreiden van de fysieke depotcapaciteit.

• Opbrengsten derden: deze bestaan uit detacheringen (€ 100 000), verhuur van depots en kantoorruimte (€ 200 000), inkomsten uit dienstverlening aan publiek (€ 150 000) en inkomsten uit zakelijke dienstverlening en declarabele uren (€ 250 000).

• Rentebaten: deze baten zijn begroot op basis van een vergoeding van 2%.

• Buitengewone baten: deze bestaan uit vrijval van voorzieningen (voorziening wachtgelden voormalige medewerkers) en subsidies/bijdragen.

Toelichting op de lasten:

• Personele kosten: deze post is gebaseerd op de vaste formatie van 127,9 fte. Tevens zijn de wachtgelden voor voormalige medewerkers en bijkomende personele kosten als reiskosten en opleidingen in deze post meegenomen.

De gemiddelde loonsom per personeelslid binnen de vaste formatie bedraagt hierbij € 60 400 per fte.

• Huisvesting: deze post bevat de kosten voor huur van het gebouw van het Nationaal Archief alsmede de met dit gebouw samenhangende exploitatiekosten.

• Materiële kosten: de piek in deze post in 2007 wordt veroorzaakt door de projecten voor het inrichten van een digitaal depot en het uitbreiden van de fysieke depotcapaciteit.

• Rentelasten: deze vloeien voort uit het beroep op de leenfaciliteit in voorgaande jaren. De gehanteerde rentepercentages zijn conform de rentebrief van het ministerie van Financiën.

• Afschrijvingskosten: verhoging van deze kostenpost vanaf 2007 wordt veroorzaakt door de investeringen in het digitale en fysieke depot.

Kasstroomoverzicht

Tabel 3 Kasstroomoverzicht 2008 Nationaal Archief (x € 1 000)
 20062007 200820092010 2011
1. Rekening-courant RHB 1 januari (incl. deposito)4 2223 3293 3694 3235 3275 931
       
2. Totaal operationele kasstroom– 5061 0221 1001 150750650
       
3a –/- totaal investeringen– 190– 750
3b + /+ totaal boekwaarde desinvesteringen
       
3. Totaal investeringskasstroom– 190– 750
       
4a –/- eenmalige uitkering aan OCW      
  +/+ Eenmalige storting door OCW      
  -/- aflossing op leningen– 297– 982– 146– 146– 146– 104
  +/+ beroep op leenfaciliteit100750
  +/+ investeringsbudget depots
       
4. Totaal financieringskasstroom– 197– 232– 146– 146–  146– 104
       
5. Rekening courant RHB per 31 december (incl. deposito)3 3293 3694 3235 3275 9316 477

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De liquiditeitspositie (rekening courant) van het Nationaal Archief zal de komende jaren een licht stijgende lijn vertonen. Voornaamste oorzaak hiervoor is gelegen in een verschil tussen afschrijvingen (onderdeel van de operationele kasstroom) en de aflossingen op leningen. Dit verschil is het gevolg van investeringen waarvoor geen beroep op de leenfaciliteit wordt gedaan, maar die worden gefinancierd vanuit het budget voor het digitale en fysieke depot.

Met dit budget hangen ook de hoge investeringen in 2007 samen. Verder hebben de investeringen vanaf 2006 voornamelijk betrekking op vervangingsinvesteringen op het gebied van ict en inrichting van kantoor en studiezaal.

7. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Algemeen

Algemeen

In het verdiepingshoofdstuk worden de bijstellingen van de begroting op het niveau van het artikel gepresenteerd. Het gaat hier om de veranderingen van de begroting ten opzichte van de ontwerpbegroting 2007. De bijstellingen die worden toegelicht gaan een bedrag van € 2,2 miljoen te boven en zijn beleidsmatig van aard. Dit betekent dat niet elk bedrag wordt toegelicht.

Voor de uitgaven en ontvangsten geldt dat de tabellen alleen zijn opgenomen als er mutaties hebben plaatsgevonden. Voor de verplichtingen zijn de tabellen opgenomen als de mutaties afwijken van de mutaties in de uitgaven. De FES-middelen zijn conform de richtlijnen opgenomen als technische mutaties (desalderingen). Het totaaloverzicht is toegelicht in de beleidsagenda.

De begroting bevat een aantal veranderingen die een gelijke toelichting kennen, maar op meerdere artikelen betrekking hebben. Het betreft hier de volgende onderwerpen:

1. Loonbijstelling tranche 2007;

2. Prijsbijstelling tranche 2007;

3. Ombuigingen uit het Coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV:

• Efficiencytaakstelling rijksdienst/ZBO’s;

• Efficiencytaakstelling materiële budgetten;

• Taakstelling subsidies;

• Rente rijkshuisvestingsprojecten op 6,5%;

• Fusieprikkels VO;

• Teldatum MBO;

• Profijtbeginsel Cultuur.

4. PIA taakstelling Balkenende II;

5. Kasschuif systeemvernieuwing IB-Groep;

6. Gevolgen generaal pardonregeling.

Loonbijstelling tranche 2007

De loon- en prijsbijstelling tranche 2007 is uit de zogenaamde aanvullende posten in de Miljoenennota aan de OCW-begroting toegedeeld. Vervolgens worden deze bijstellingen over de verschillende artikelen verdeeld. De kabinetsbijdrage is bij Voorjaarsnota 2007 vastgesteld. Voor de loonbijstelling betreft het een bedrag van € 613,4 miljoen voor 2007 aflopend tot € 587,2 miljoen in 2012.

De uitdeling van de loonbijstelling over de beleidsartikelen is als volgt verwerkt:

Tabel 1 Verdeling loonbijstelling (x € 1 000)
 200720082009201020112012
Primair onderwijs216 896207 491206 905205 985205 135203 928
Voortgezet onderwijs153 847142 702140 464139 682139 347139 952
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie63 32762 38662 76862 75262 90862 968
Hoger beroepsonderwijs41 40239 77440 75641 19742 02142 447
Wetenschappelijk onderwijs67 91165 15966 13867 13668 12368 634
Internationaal beleid291262263263263263
Onderwijspersoneel804135442451451451
Studiefinanciering1 2271 1111 1501 1489931 168
Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten302271277270224264
Lesgelden1049396947593
Cultuur12 74612 55612 46012 56112 54012 559
Media645608608608606606
Onderzoek en wetenschappen15 56015 03215 11213 97613 21513 195
Kinderopvang27 59028 00328 65429 39629 97030 510
Emancipatie626262626262
Nominaal en onvoorzien7 6187 6047 6407 5327 4657 465
Ministerie algemeen1 8401 6041 5861 5561 5561 542
Inspecties1 089954952951951951
Adviesraden144127127127127127
Totaal uitdeling613 405585 934586 460585 747586 032587 185

Prijsbijstelling tranche 2007

In de Voorjaarsnota 2007 is de prijsbijstelling tranche 2007 uitgedeeld over de departementale begrotingen. Voor OCW betreft dit, exclusief indexering WSF/WTOS, € 80,5 miljoen in 2007 oplopend naar € 84,2 miljoen in 2012. Bij de uitdeling van de prijsbijstelling over de verschillende artikelen is rekening gehouden met het afwijkende (hogere) wettelijk verplichte bijstellingspercentage met name op het materiële budget van het primair onderwijs. De prijsbijstelling tranche 2007 wordt als volgt over de beleidsartikelen verdeeld:

Tabel 2 Verdeling prijsbijstelling (x € 1 000)
 200720082009201020112012
Primair onderwijs16 89316 72316 70816 71716 66616 566
Voortgezet onderwijs6 8617 6457 7727 8747 8517 887
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie6 0265 9736 0056 0016 0176 034
Technocentra818181000
Hoger beroepsonderwijs6 1126 1956 3186 3776 4846 545
Wetenschappelijk onderwijs9 2079 3159 4409 5749 7139 801
Internationaal beleid747675757575
O