Base description which applies to whole site

C Provinciefonds

nr. 4 MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie toegelicht.

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Fvw)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet wordt in dit wetsartikel het bedrag vermeld dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

J. C. de Jager

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Onderdeel uitgaven, verplichtingen en ontvangsten

Uitgaven

In onderstaande tabel wordt een nadere uitsplitsing gegeven van de totstandkoming van het uitgavenbedrag van het provinciefonds. Ten opzichte van de tweede suppletore begroting 2009 is het uitgavenbedrag van het provinciefonds met € 304 000 gewijzigd. De in de tabel weergeven mutaties worden onder de tabel nader verklaard.

Tabel 1: Totstandkoming uitgavenbedrag provinciefonds (x € 1 000)

Stand uitgavenbedrag vastgestelde begroting 2009   1 299 180
Stand uitgavenbedrag 1e suppletore begroting 2009   1 295 420
Stand uitgavenbedrag 2e suppletore begroting 2009   1 328 904
       
Voorgestelde mutaties bij slotwet 2009:    
1) Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering) 37  
2) Regionale luchthavens (decentralisatie-uitkering) 172  
3) Realisatie Kosten Financiële-verhoudingswet – 100  
4) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2009 – 1  
5) Wijziging betalingsverloop decentralisatie-uitkeringen 2009 30  
6) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009 166  
Totaal mutaties bij slotwet   304
Stand uitgavenbedrag slotwet begroting 2009   1 329 208
Waarvan uitgavenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet   0
Waarvan uitgavenbedrag Algemene uitkeringen   1 252 646
Waarvan uitgavenbedrag Integratie-uitkeringen   42 202
Waarvan uitgavenbedrag Decentralisatie-uitkeringen   34 360

De wijziging van het uitgavenbedrag is het saldo van een aantal mutaties:

1) Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering)

De minister van OCW investeert in de landelijke uitrol van effectieve emancipatieprojecten ter versterking van het lokale emancipatiebeleid van gemeenten en het emancipatieproces van kwetsbare vrouwen. Hiertoe zijn 18 best practices geselecteerd uit de projecten die op basis van de subsidieregeling emancipatieprojecten 2004–2007 gesubsidieerd zijn. In totaal stelt de minister van OCW voor de periode 2009–2011 een bedrag van € 0,35 miljoen beschikbaar aan provincies. Voor 2009 is dit € 37 000.

2) Regionale luchthavens

De Regelgeving Burger- en Militaire Luchthavens is per 1 november 2009 in werking getreden door opname hiervan in de Wet luchtvaart. Hierdoor zijn de provincies bevoegd gezag geworden voor de gedecentraliseerde luchthavens. In 2006 zijn afspraken gemaakt over de Rijksbijdrage ter dekking van de kosten van de provincies tussen het Rijk en het IPO. Voor 2009 bedraagt de toevoeging aan het provinciefonds € 0,172 miljoen.

3) Realisatie kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt door de slotwetmutatie € 100 000 lager uit dan na de stand 1ste suppletore 2009 werd geraamd. Dit komt doordat niet alle onderzoeken die voor 2009 gepland waren, daadwerkelijk in 2009 zijn uitgevoerd. De realisatie voor de post kosten Financiële-verhoudingswet komt hiermee op € 0

4) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen 2009

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2009 gerealiseerde uitbetalingen voor de decentralisatie-uitkeringen (DU) en integratie-uitkeringen (IU) aan de provincies zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2009 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er in totaal hogere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2009 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € – 1 000 (negatief) bij de integratie-uitkeringen en € 30 000 (positief) bij de decentralisatie-uitkeringen. In onderstaande tabel wordt een specificatie gegeven van deze bedragen. Deze onderdelen zullen bij Voorjaarsnota 2010 opwaarts voor de IU en neerwaarts voor de DU worden bijgesteld. Deze mutaties in de uitgaven bij Voorjaarsnota 2010 hebben dus nog betrekking op het begrotingsjaar 2009.

Tabel 2: Specificatie Integratie- en decentralisatie-uitkeringen 2009 (x € 1 000)

  Budget na NJN Slotwet Budget totaal Uitgegeven Verschil
Integratie-uitkeringen          
Rivierdijkversterking/hoofdwaterkering 42 202   42 202 42 202 0
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008 1   1   – 1
TOTAAl IU 42 203 0 42 203 42 202 – 1
Decentralisatie-uitkeringen          
Regeling cultuurparticipatie 8 123   8 123 8 123 0
Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK) 1 755   1 755 1 786 31
Herstructurering bedrijventerreinen project Moerdijk 24 243   24 243 24 243 0
Alle troeven in handen   37 37 37 0
Regionale luchthavens   172 172 171 – 1
TOTAAL DU 34 121 209 34 330 34 360 30
TOTAAL 76 324 209 76 533 76 562 29

5) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2009

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2009 gerealiseerde uitbetalingen aan de provincies zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2009 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er hogere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2009 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van €  166 000 (positief).

De reden van het verschil ligt in het feit dat zolang de uitkeringsfactor1 niet definitief is de omvang van betalingen aan de gemeenten kan afwijken ten opzichte van wat in de begroting vermeld staat. De oorzaak ligt bij het verschil tussen raming van de verdeelmaatstaven voor de bepaling van voorlopige uitkeringsfactor en de verdeelmaatstaven die bij de betalingen worden gebruikt. Indien bij de betalingen de definitieve verdeelmaatstaven niet beschikbaar zijn, worden de gegevens van het vorige jaar gebruikt. Op het moment dat de definitieve gegevens beschikbaar komen, kan het gat tussen begroting en uitbetaling gedicht worden door de uitkeringsfactor aan te passen. Het onderdeel wijziging betalingsverloop algemene uitkering zal bij Voorjaarsnota 2010 dan ook met dit bedrag neerwaarts worden bijgesteld. Deze mutatie in de uitgaven bij voorjaarsnota 2010 heeft dus nog betrekking op het begrotingsjaar 2009.

Verplichtingen

In de volgende tabel wordt ter toelichting een nadere uitsplitsing gegeven van de totstandkoming van het verplichtingenbedrag van het provinciefonds.

Ten opzichte van de tweede suppletore begroting 2009 is het verplichtingenbedrag met € 109 000 gewijzigd.

Tabel 3: Totstandkoming verplichtingenbedrag provinciefonds (x € 1 000)

Stand verplichtingenbedrag vastgestelde begroting 2009   1 317 332
Stand verplichtingenbedrag 1e suppletore begroting 2009   1 287 981
Stand verplichtingenbedrag 2e suppletore begroting 2009   1 321 465
       
Voorgestelde mutaties bij slotwet 2009:    
1) Alle troeven in handen (decentralisatie-uitkering) 37  
2) Regionale luchthavens (decentralisatie-uitkering) 172  
3) Realisatie Kosten Financiële-verhoudingswet – 100  
4a) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008 – 1  
4b) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2008 1  
Totaal mutaties bij slotwet   109
Stand verplichtingenbedrag slotwet begroting 2009   1 321 574
Waarvan verplichtingenbedrag Kosten Financiële-verhoudingswet   0
Waarvan verplichtingenbedrag Algemene uitkeringen   1 245 042
Waarvan verplichtingenbedrag Integratie-uitkeringen   42 202
Waarvan verplichtingenbedrag Decentralisatie-uitkeringen   34 330

De wijziging van het uitgavenbedrag is het saldo van een aantal mutaties. Voor de verklaringen van de in de tabel weergegeven mutaties 1 t/m 3 wordt verwezen naar de verklaringen bij de overeenkomende mutaties van de ’uitgaven’

4 a en b) Wijziging betalingsverloop 2008

Bij Voorjaarsnota 2009 zijn de wijzigingen betalingsverloop van de algemene uitkering en de integratie-uitkeringen over 2008 als verplichtingen en als uitgaven geboekt. Dat is niet correct. De wijzigingen betalingsverloop van 2008 betreffen alleen mutaties in de uitgaven voor 2009.

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de tweede suppletore begroting voor 2009 worden de ontvangsten met € 304 000 verhoogd.

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel2
   
B.Begrotingstoelichting3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Het beleid4
2.1.De beleidsagenda4
2.1.1.Beleidsprioriteiten4
2.1.2.Vertaling naar beleidsprioriteiten provinciefonds5
2.1.2.1Ontwikkeling van het fonds5
2.1.2.2.Beleidsmutaties5
2.2.Het beleidsartikel6
2.2.1.Algemene beleidsdoelstelling6
2.2.2.Verantwoordelijkheid minister7
2.2.3.Succesfactoren7
2.2.4.Budgettaire gevolgen van beleid7
2.2.5.Operationele doelstellingen9
   
3.Het verdiepingshoofdstuk11
3.1.Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting11
3.2.Integratie-uitkeringen13
3.3.Decentralisatie-uitkeringen13
3.4.Overzicht opbrengst lokale heffingen 200713
3.4.1.Inleiding13
3.4.2.Provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting14
   
4.Bijlagen bij de begroting 
Bijlage 1Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2006–200715
Bijlage 2Lijst met afkortingen16
Bijlage 3Lijst met belangrijke termen en hun betekenis17

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2009. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2009.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2009 vastgesteld. Het in de begroting opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag bedoeld in artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet wordt in dit wetsartikel het bedrag vermeld dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen. Het in dit wetsartikel opgenomen bedrag is niet rechtstreeks uit de begrotingsstaat af te leiden. Het bedrag wordt nader onderbouwd in paragraaf 2.2.4 van deze memorie.

De staatsecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

W. J. Bos

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

De provinciefondsbegroting maakt onderdeel uit van de Rijksbegroting maar heeft daarbinnen, evenals de gemeentefondsbegroting, een eigen karakter. Zo kent de provinciefondsbegroting in tegenstelling tot een departementale begroting slechts één beleidsartikel: het provinciefonds. Het beleid dat wordt gevoerd ter realisatie van de algemene beleidsdoelstelling is direct verbonden met dit ene beleidsartikel. Voorts zijn de fondsbeheerders systeemverantwoordelijk voor het provinciefonds, en niet voor de resultaten die provincies met hun bijdrage uit dit fonds realiseren. Provincies zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het provinciefonds. Om die reden bevat de provinciefondsbegroting geen outputgegevens en outcome.

De voorliggende toelichting bij de begroting 2009 van het provinciefonds kent de volgende indeling. Na deze leeswijzer start hoofdstuk 2 met de beleidsagenda van het provinciefonds, waarin onder meer de beleidsprioriteiten voor 2009, en de belangrijkste beleidsmutaties worden beschreven. Vervolgens wordt ingegaan op hét beleidsartikel: het provinciefonds. Hierin komen de met het beleid samenhangende algemene beleidsdoelstelling en nader geoperationaliseerde doelstellingen aan bod. Ook worden hierbij de prestatie-indicatoren behandeld.

Hoofdstuk 3 is het verdiepingshoofdstuk van het provinciefonds. Het verdiepingshoofdstuk geeft de opbouw aan van verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2008 naar de stand ontwerpbegroting 2009. In hoofdstuk 3 wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen. Verder wordt in hoofdstuk 3 aandacht besteed aan de bijdrage van de provincies aan het EMU-tekort en wordt inzicht gegeven in de opbrengst van lokale heffingen.

Tot slot van deze leeswijzer verdienen de apparaatuitgaven enige aandacht. De apparaatuitgaven in de zin van materiële en personele uitgaven van de medewerkers bij de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en van Financiën die betrokken zijn bij het fondsbeheer, zijn niet in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Deze kosten worden in de respectievelijke departementale begrotingen verantwoord. Dit geldt eveneens voor het algemene beleid inzake decentrale overheden als gemeenten en provincies, waarbij deze uitgaven zijn terug te vinden in de begroting van het ministerie van BZK.

2. HET BELEID

2.1. De beleidsagenda

De beleidsagenda bevat een beknopte weergave van de speerpunten van het beleid voor het provinciefonds. De onderstaande tekst bij 2.1.1. is gebaseerd op het in 2008 tussen Rijk en het IPO gesloten bestuursakkoord voor de periode 2009–2011. Hierin is ook afgesproken de wijze waarop het inlopen van de vermogensoverschotten bij de provincies gaat plaatsvinden.

2.1.1. Beleidsprioriteiten

Rijk en provincies hebben samen met de gemeenten de ambitie zich als één overheid op te stellen, een overheid die de burger centraal stelt in al haar beleid en optreden. Een overheid ook die past bij de huidige samenleving, dus die minder betuttelt en meer ruimte biedt aan mensen, bedrijven en organisaties. De samenleving is gebaat bij een overheidsstelsel waarbinnen verantwoordelijkheden en taken goed zijn belegd en waarbij doelen en resultaten zo helder mogelijk zijn geformuleerd.

Rijk en provincies hebben een bestuursakkoord gesloten over de kerntaken en zichtbaarheid van provincies. Conform het coalitieakkoord vindt er een decentralisatie van taken en bevoegdheden plaats en wordt de zelfstandigheid van provincies met kracht bevorderd. Mede op basis van de decentralisatievoorstellen van de Gemengde Commissie Decentralisatievoorstellen provincies, onder voorzitterschap van mevrouw Lodders-Elferich (commissie Lodders), hebben het Rijk en de provincies afspraken gemaakt over:

– bestuurlijke en financiële verhoudingen;

– decentralisatie van taken en overheveling van financiële middelen;

– deregulering en vermindering van administratieve lasten;

– investeringen van de provincies in de realisatie van rijksdoelen.

Doel van deze afspraken is een zodanige toerusting van provincies dat zij hun specifieke rol als middenbestuur optimaal kunnen vervullen en tegelijkertijd maximaal bijdragen aan de nationale beleidsdoelstellingen van het kabinet.

Decentralisatie-afspraken

In het bestuursakkoord is afgesproken dat de provincies een aantal taken van het Rijk overnemen. Zo gaat bijvoorbeeld het Faunafonds uiterlijk in 2010 over naar de provincies. Hierdoor komt een samenhangend pakket aan relevante fauna-instrumenten in het kader van beheer en schadebestrijding in relatie tot faunabescherming bij de provincies te liggen. Daarnaast worden de ISV-middelen (Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing) en BLS (Besluit Locatiegebonden Subsidies) in 2010 gedecentraliseerd voor zover deze betrekking hebben op de provincies. Ten slotte wordt er met ingang van 2011 € 20 miljoen overgeheveld naar het provinciefonds voor de professionalisering en versterking van de externe veiligheidstaken en het oppakken van nieuwe taken.

Financiële verhoudingen

In het kader van de invoering van de kilometerprijs voor personenauto’s – een bestemmingsheffing – is het kabinet voornemens de motorrijtuigenbelasting (MRB) in de periode 2012 tot 2016 geleidelijk af te schaffen. Kabinet en IPO voeren gezamenlijk nader onderzoek uit naar de mogelijkheden voor een provinciale belasting, die nauw aansluit bij het provinciale takenpakket. Dit onderzoek zal uiterlijk in 2010 zijn afgerond. Op basis van dit onderzoek zal in gezamenlijk overleg tussen Rijk en provincies een besluit worden genomen. Uitgangspunt is dat de provincies een eigen belastinggebied behouden. Het vorenstaande maakt onderdeel uit van een onderzoek naar de financiële verhouding Rijk – Provincies in den brede. De fondsbeheerders zijn – zo is ook besproken in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) d.d. 9 april 2008 – voornemens dit nog in 2008 uit te voeren.

2.1.2. Vertaling naar beleidsprioriteiten provinciefonds

Een goede bestuurlijke verhouding tussen Rijk en provincies is alleen dan mogelijk als ook in de financiële verhouding door een ieder gedragen afspraken worden gemaakt.

2.1.2.1. Ontwikkeling van het fonds

In het coalitieakkoord is een bedrag van € 800 miljoen opgenomen (verdeeld over de jaren 2008–2011), voor het inlopen van de vermogensoverschotten van de provincies. Het kabinet en het IPO zijn overeengekomen dat de provincies, in plaats van het voorgestelde inlopen van de vermogensoverschotten, voor in totaal € 800 miljoen bijdragen aan de realisatie van een aantal belangrijke maatschappelijke prioriteiten.

Voor het jaar 2008 zijn in 2007 aparte afspraken gemaakt met het IPO, die zijn verwerkt in de begroting 2008 van het fonds.

Voor de invulling van de overige € 600 miljoen over de jaren 2009–2011 hebben het Rijk en de provincies een bestuursakkoord gesloten. Mede op basis van de voorstellen van de Gemengde Commissie Decentralisatievoorstellen provincies, is met het IPO een decentralisatie agenda afgesproken die past bij de rol van provincies als ruimtelijk economisch regisseur. Gelijktijdig zullen de provincies jaarlijks een bijdrage leveren aan de prioriteiten van het Rijk. De vier Randstadprovincies koppelen hun bijdrage aan Randstad Urgentieprojecten op het terrein van V&W en LNV en de overige provincies leveren hun bijdrage rechtstreeks aan het ministerie van BZK. De hiermee samenhangende korting van technische aard van € 200 mln. per jaar, in de meerjarenraming van de begroting 2008 van het fonds, wordt in deze begroting ongedaan gemaakt.

Het BOFv met het IPO en de VNG zal twee keer per jaar plaats vinden, rond het verschijnen van de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Iedere partij is gerechtigd om agendapunten in te brengen (open agenda). De deelnemers aan het overleg zijn de fondsbeheerders, het IPO en de VNG. Indien noodzakelijk en gewenst kunnen ook andere bewindslieden aanwezig zijn.

Het kabinet zal artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet onverkort toepassen en naleven. De vakministers zijn primair verantwoordelijk voor het aangeven van de kosten en bekostigingswijze van taakwijzigingen van provincies en/of gemeenten. Daartoe treden zij tijdig in overleg met de fondsbeheerders en – conform de Code interbestuurlijke verhoudingen – met het IPO. Er zal daarbij meer aandacht zijn voor de gevolgen van nieuw Europees beleid om met de provincies en gemeenten te bezien of er sprake is van financiële consequenties en op welke wijze die (kunnen) worden gedekt.

2.1.2.2. Beleidsmutaties

Door wijzigingen in beleid van de verschillende departementen kan over worden gegaan tot het beleggen of juist ontrekken van taken bij provincies. Soms gaat dit gepaard met een toevoeging of onttrekking van een bedrag aan/uit het provinciefonds. Dit gebeurt in overleg met de provincies. In onderstaande overzichtstabel wordt vanaf de stand ontwerpbegroting 2008 een aansluiting gegeven naar de stand ontwerpbegroting 2009 aan de hand van de belangrijkste beleidsmatige mutaties voor de periode 2008 tot en met 2013. De weergegeven mutaties worden in het verdiepingshoofdstuk (paragraaf 3) afzonderlijk toegelicht voor zover dit nog niet gebeurd is in een eerder begrotingsstuk.

Tabel 2.1.2. Beleidsmutaties (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Beleidsmatige mutaties (inclusief autonome mutaties)      
       
Stimuleringsbudget CPO (Integratie-uitkering)8 000     
Anti-discriminatie voorzieningen (Integratie-uitkering)2 109     
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkering 20071     
Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2007– 379     
Uitkering behoedzaamheidsreserve 2007/ nacalculatie accres 2007– 1 855     
Accres 2008 meerjarig (VJN mutatie)11 21111 21111 21111 21111 21111 211
European Polutant Release Transfer Register (E-PRTR)422365365   
Bestuurslastenvergoeding Besluit rijkssubsidie restauratie monumenten– 635– 635– 635– 635– 635– 635
Uitstel vermindering Behoedzaamheidsreserve (mutatie in de uitgaven)– 8 152– 8 152– 8 152– 8 152– 8 152– 8 152
Structurele doorwerking nacalculatie accres 2007– 15 404– 15 404– 15 404– 15 404– 15 404– 15 404
Accres tranche 2009 meerjarig 101 329101 329101 329101 329101 329
Bijstelling Accres 2008– 610– 610– 610– 610– 610– 610
Correctie: Inlopen vermogensoverschotten provincies via Algemene uitkering 339 183339 183339 183  
Correctie: Integratie uitkering ivm inlopen vermogensoverschotten – 139 183– 139 183– 139 183  
Bijdrage aan de apparaatsuitgave PF (Kosten Financiële-verhoudingswet)100100100100100100
Bijdrage uit de Algemene uitkering aan de Kosten Financiële-verhoudingswet– 100– 100– 100– 100– 100– 100
Totaal mutaties (inclusief meerjarige doorwerking 1e suppletore 2008)– 5 292288 104288 104287 73987 73987 739

2.2. Het beleidsartikel

2.2.1. Algemene beleidsdoelstelling

De provinciefondsbegroting maakt onderdeel uit van de Rijksbegroting, maar heeft daarbinnen, evenals de gemeentefondsbegroting, een eigen karakter. Zo kent de provinciefondsbegroting in tegenstelling tot een departementale begroting slechts één beleidsartikel: het provinciefonds. Dit beleidsartikel kent als algemene doelstelling: te bewerkstelligen dat de provincies via het provinciefonds de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee onderdelen:

1. De omvang van de middelen moet adequaat zijn.

2. De verdeling van de middelen moet adequaat zijn.

2.2.2. Verantwoordelijkheid minister

De fondsbeheerders, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – i.c. de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – en de minister van Financiën, zijn systeemverantwoordelijk voor het provinciefonds. De fondsbeheerders zijn niet verantwoordelijk voor de resultaten die provincies met hun bijdrage uit dit fonds realiseren: provincies zijn, met inachtneming van de wet- en regelgeving, autonoom in het voeren van hun beleid bekostigd uit het provinciefonds. Ook de eigen provinciale belastingsopbrengsten kennen deze karakteristiek. Dit in tegenstelling tot de overige inkomstenbronnen van provincies; specifieke uitkeringen en heffingen en retributies. Niet alleen de bestedingsrichting, ook de effectiviteit van de inzet van de middelen is een provinciale verantwoordelijkheid, waarin het college van gedeputeerde staten wordt gecontroleerd door provinciale staten.

2.2.3. Succesfactoren van beleid

Het feit dat de fondsbeheerders systeemverantwoordelijk zijn, neemt dit niet weg dat van tijd tot tijd vragen opkomen of de provincies als collectiviteit geen andere prioriteiten zouden moeten stellen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van gezamenlijk onderschreven prioriteiten van het Rijk. In een dergelijk geval kunnen het Rijk en de provincies bestuurlijke afspraken maken over de accenten in de bestedingsrichting van de provincies. Dergelijke bestuurlijke afspraken worden vastgelegd in een bestuursakkoord. De desbetreffende vakministers spelen hier naast de fondsbeheerders een belangrijke rol. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor resultaten blijft bij de provincies.

2.2.4. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden voor de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het provinciefonds weergegeven.

Tabel 2.2.4.1. Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Verplichtingen1 223 2501 316 3321 316 3971 315 9951 315 9951 315 995
       
Uitgaven:1 205 0981 298 1801 298 2451 297 8431 297 8431 297 843
       
Apparaatsuitgaven      
1. Kosten Financiële-verhoudingswet100100100100100100
       
Programma-uitgaven      
1. Algemene uitkering1 152 6861 255 8781 255 9431 255 5411 255 5411 255 541
2. Integratie-uitkeringen52 31242 20242 20242 20242 20242 202
       
Ontvangsten:1 205 0981 298 1801 298 2451 297 8431 297 8431 297 843

Het verschil in enig jaar tussen de verplichtingen en de uitgaven wordt veroorzaakt door de behoedzaamheidreserve (€ 18 152 000), die wel in de verplichtingenstand wordt meegenomen, maar pas in het jaar na afloop van het begrotingsjaar – doorgaans voor een deel – tot uitkering komt. De behoedzaamheidreserve wordt dan verrekend met de nacalculatie van de accressen. Het verplichtingenbedrag voor 2009 van de algemene uitkering bedraagt € 1 255 878 000 vermeerderd met € 18 152 000, wat resulteert in € 1 274 030 000. Zie ook wetsartikel 3.

In de bestuurlijke overleggen in 2007 met gemeenten en provincies, is het voorstel van de werkgroep ’evaluatie normeringsystematiek gemeente- en provinciefonds’ aangenomen om met ingang van 2008 de behoedzaamheidsreserve te verminderen, van € 208 739 000 naar € 110 000 000 voor de gemeenten en van € 18 152 000 naar € 10 000 000 voor de provincies. Voorwaarde hierbij was dat de vermindering budgettair neutraal geschiede voor alle partijen. Thans is gebleken dat budgettaire verwerking van voornoemde halvering in 2008 complexer is dan bij de evaluatie van de normeringsystematiek is voorzien. Dit heeft te maken met de wijze waarop in de kasbegroting van het Rijk, de behoedzaamheidsreserve budgettair is verwerkt, en de aansluiting met de batenlasten praktijk bij gemeenten en provincies. De beide fondsbeheerders hebben daarom in overleg met de VNG en het IPO besloten de vermindering van de behoedzaamheidsreserve tot nader order uit te stellen.

Met ingang van 2009 wordt ook in de provinciefondsbegroting een zogenoemd apparaatartikel opgenomen. Dit naar analogie zoals het in het gemeentefonds is vormgegeven. De reden hiervan is het voorgenomen onderzoek naar de werking van de normeringsystematiek van het provinciefonds. Mogelijke kosten voortvloeiend uit het onderzoek dienen hieruit bekostigd te worden. De financiering hiervan vindt plaats door het daarvoor geraamde bedrag ten laste te brengen van de algemene uitkering van het provinciefonds.

In tegenstelling tot een departementale begroting zijn bij een fonds als het provinciefonds de verplichtingen leidend. Dit houdt in dat zij, eenmaal geaccordeerd, altijd geheel tot uitbetaling komen. Geld dat in enig jaar nog niet aan provincies wordt uitgekeerd, wordt automatisch aan het volgende begrotingsjaar toegevoegd. Zo bezien kunnen de uitgaven niet worden beïnvloed.

Ontvangsten

Wetsartikel 4, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet regelt dat bij (begrotings)wet voor ieder uitkeringsjaar een bedrag aan middelen voor het Rijk wordt afgezonderd ten behoeve van het provinciefonds. Op grond van het tweede lid zijn de uitgaven en de afgezonderde inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Gelet hierop is ten behoeve van de dekking van de uitgaven ten laste van het provinciefonds een post Ontvangsten ex artikel 4 van de Financiële-verhoudingswet geraamd (zie in tabel 2.2.4.1. onder ontvangsten).

De tabel hieronder geeft de accressen voor het provinciefonds op basis van de stand Miljoenennota weer.

Tabel 2.2.4.2 Accressen provinciefonds, stand Miljoenennota 2009
Uitkeringsjaar200420052006200720082009
Accrespercentage– 0,26%1,64%3,77%5,63%7,44%8,28%
Stand Voorjaarsnota   6,09%4,50%6,94%
In duizenden euro– 2 90216 35637 60861 38473 00684 896

2.2.5. Operationele doelstellingen

De bijdrage van de fondsbeheerders om te komen tot het bewerkstelligen dat de provincies via het provinciefonds de juiste middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren wordt geoperationaliseerd door twee doelstellingen:

• De provincies via het provinciefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken;

• Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over provincies die elk van de provincies in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

Operationele doelstelling 1: De provincies via het provinciefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor het uitvoeren van hun taken.

Motivering

De omvang van het provinciefonds ontwikkelt zich volgens de normeringsystematiek en door de toevoegingen en/of onttrekkingen aan het fonds in verband met specifieke taakmutaties. De normeringsystematiek houdt in dat het fonds meebeweegt met de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, volgens het principe: «samen de trap op, samen de trap af». Op die wijze wordt het jaarlijkse groeipercentage (het zgn. accres) bepaald. Deze systematiek werkt sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen Rijk, VNG en IPO. Daarnaast zijn er jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het provinciefonds kunnen leiden. Het Rijk zorgt voor de uitwerking van de afspraak door de precieze accresberekeningen te maken en de provincies daarover te informeren door middel van de circulaires. Daarnaast heeft het Rijk een verantwoordelijkheid bij het bepalen van de hoogte van specifieke uitnames en/of toevoegingen als gevolg van taakmutaties.

Activiteiten 2009

Bestuurlijk Overleg Financiële Verhoudingen (BOFv), twee maal per jaar.

In de beleidsagenda is aangegeven dat er een onderzoek zal worden ingesteld naar de financiële verhouding Rijk – Provincies in den brede. Daarin wordt onder andere ook gekeken naar de adequaatheid van de huidige omvang en verdeling van het fonds. De fondsbeheerders zijn – zo is ook besproken in het BOFv d.d. 9 april 2008 – voornemens dit nog in 2008 uit te voeren. De resultaten van dit onderzoek zullen in 2009 onderwerp zijn van overleg met de provincies.

Prestatie-indicator

De vraag of de omvang van het provinciefonds als adequaat kan worden beschouwd, wordt beantwoord in het BOFv. Volgens een in 1995 gemaakte afspraak vindt dit overleg tweemaal per jaar plaats. Wanneer één van beide partijen (Rijk of VNG/IPO) de uitkomsten van de normeringsystematiek op enig moment onredelijk vindt, kan dit in het Bestuurlijk Overleg aan de orde worden gesteld.

Operationele doelstelling 2: Een verdeling van de beschikbare financiële middelen over provincies die elk van de provincies in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

Motivering

Het Rijk is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van een systeem van verdeelmaatstaven dat een verdeling tot stand brengt die erin voorziet dat elke provincie in staat is een gelijkwaardig voorzieningenpakket voor haar burgers tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren. De provincies kunnen zelf bepalen aan welke voorzieningen zij hun geld bij voorkeur besteden (eigen prioriteitenstelling). Zij leggen resultaatverantwoordelijkheid af aan Provinciale Staten.

De uitvoering voor wat betreft de uitkeringen uit het provinciefonds geschiedt door wekelijkse betalingen aan alle provincies. Het budget van het provinciefonds wordt over de provincies verdeeld via een verdeelsysteem van 10 verdeelmaatstaven. Dit verdeelsysteem stelt provincies in staat hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de provincies. Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de provincies bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een provincie uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld kan worden nadat de statistische gegevens definitief zijn vastgesteld. Het gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar beschikbaar komen van bepaalde definitieve volumegegevens leidt tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het provinciefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

Activiteiten 2009

Zie hiervoor bij «Activiteiten 2009» bij «Operationele doelstelling 1» hierboven.

3. VERDIEPINGSHOOFDSTUK

In paragraaf 3.1. wordt de opbouw van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de stand ontwerpbegroting provinciefonds 2008 naar de stand van de voorliggende ontwerpbegroting 2009 beschreven. De mutaties die hierin worden genoemd die betrekking hebben op de 1e suppletore begroting 2008 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007–2008, 31 474 B, nr. 1) kunt u in genoemde begrotingsstukken terugvinden. De nieuwe mutaties worden toegelicht.

In paragraaf 3.2. wordt een overzicht van de integratie-uitkeringen gegeven en in 3.3. van de decentralisatie-uitkeringen. Tevens wordt in dit verdiepingshoofdstuk aandacht gegeven aan de opbrengst lokale heffingen 2008 in paragraaf 3.4.

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de vorige ontwerpbegroting

Verplichtingen

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de verplichtingen van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2008 naar de stand ontwerpbegroting 2009.

Tabel 3.1.1. Opbouw verplichtingen provinciefonds (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20081 220 3901 020 0761 020 1411 020 1041 220 1041 220 104
Mutatie 1e suppl. begr. 20083 470– 4 463– 4 463– 4 828– 4 828– 4 828
Stand 1e suppletore begroting 2008:1 223 8601 015 6131 015 6781 015 2761 215 2761 215 276
Mutaties nog niet eerder opgenomen in een begrotingsstuk:      
1a) Accres tranche 2009 101 329101 329101 329101 329101 329
1b) Bijstelling Accres 2008– 610– 610– 610– 610– 610– 610
2) Correctie: Inlopen vermogensoverschotten provincies via Algemene uitkering 339 183339 183339 183  
3) Correctie: Integratie uitkering ivm inlopen vermogensoverschotten – 139 183– 139 183– 139 183  
4a) Bijdrage aan de apparaatsuitgave PF (Kosten Financiële-verhoudingswet)100100100100100100
4b) Bijdrage uit de Algemene uitkering aan de Kosten Financiële-verhoudingswet– 100– 100– 100– 100– 100– 100
Totaal nieuwe mutaties (verplichtingen) 300 719300 719300 719100 719100 719
Stand ontwerpbegroting 20091 223 2501 316 3321 316 3971 315 9951 315 9951 315 995

Uitgaven

Onderstaande tabel geeft de opbouw aan van de uitgaven van het provinciefonds vanaf de stand ontwerpbegroting 2008 naar de stand ontwerpbegroting 2009.

Tabel 3.1.2. Opbouw uitgaven provinciefonds (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008:1 210 3901 010 0761 010 1411 010 1041 210 1041 210 104
Mutaties 1e suppletore begroting 2008:– 4 682– 12 615– 12 615– 12 980– 12 980– 12 980
Stand 1e suppletore begroting 2008:1 205 708997 461997 526997 1241 197 1241 197 124
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:      
Totaal nieuwe mutaties (uitgaven = verplichtingen, zie tabel 3.1.1.)– 610300 719300 719300 719100 719100 719
       
Totaal nieuwe mutaties (uitgaven niet zijnde verplichtingen)000000
       
Totaal nieuwe mutaties (uitgaven én verplichtingen)– 610300 719300 719300 719100 719100 719
Stand ontwerpbegroting 20091 205 0981 298 1801 298 2451 297 8431 297 8431 297 843
Apparaatsuitgaven100100100100100100
Programma-uitgaven1 204 9981 298 0801 298 1451 297 7431 297 7431 297 743

Toelichting op de nieuwe mutaties

1a) en 1b) Accres 2009 en accres 2008 meerjarig

Het betreft hier in de eerste plaats de reguliere bijstelling van het accres 2009 op basis van de ontwikkeling in de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven stand Miljoenen nota 2009. Ten tweede de reguliere bijstelling van het accres 2008.

2 en 3) Correctie inlopen vermogensoverschotten

Voor de invulling van de € 600 miljoen over de jaren 2009–2011 hebben het Rijk en de provincies een bestuursakkoord gesloten. Mede op basis van de voorstellen van de Gemengde commissie decentralisatievoorstellen provincies is met het IPO een decentralisatie agenda afgesproken die past bij de rol van provincies als ruimtelijk economisch regisseur. Gelijktijdig zullen de provincies jaarlijks een bijdrage leveren aan de prioriteiten van het Rijk. De vier Randstadprovincies koppelen hun bijdrage aan Randstad Urgentieprojecten op het terrein van V&W en LNV en de overige provincies leveren hun bijdrage rechtstreeks aan het ministerie van BZK. Daarom wordt de hiermee samenhangende, in de begroting 2008 opgenomen korting van technische aard van € 200 miljoen per jaar, nu ongedaan gemaakt.

4a) en 4b) Kosten Financiële-verhoudingswet (Fvw)

De financiële verhouding met de provincies staat in de belangstelling van de fondsbeheerders, het IPO en de Raad voor de Financiële verhoudingen (Rfv). De fondsbeheerders achten het wenselijk om een adviesaanvraag in te dienen bij de Rfv. De toekomstbestendigheid van de financiële verhouding Provincies-Rijk in relatie tot het takenpakket van de provincies is daarbij onderwerp van onderzoek. De toekomstbestendigheid heeft zowel betrekking op verdeling als omvang van de bestaande geldstromen. Dit voornemen is gewisseld in het Bofv d.d. april 2008 en is vervolgens vastgelegd in het bestuursakkoord Rijk – provincies (juni 2008). Voor dit onderzoek en de overige kosten van onderhoud, zal vanaf 2008 structureel een bedrag van € 100 000 uit de Algemene uitkering van het provinciefonds aan de Apparaatsuitgaven worden toegevoegd.

3.2. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het provinciefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering.

Onderstaande tabel 3.2.1 geeft een overzicht van de integratie-uitkeringen in het provinciefonds.

Tabel 3.2.1. Overzicht integratie-uitkeringen provinciefonds (x € 1 000)
Omschrijving200820092010201120122013
Rivierdijkversterking/hoofdwaterkering42 20242 20242 20242 20242 20242 202
Stimuleringsbudget CPO8 000     
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkering1     
Anti-discriminatie voorzieningen2 109     
Totaal52 31242 20242 20242 20242 20242 202

3.3. Decentralisatie-uitkeringen

Met ingang van de begroting 2009 bestaat binnen het provinciefonds naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. Deze nieuwe uitkering is noodzakelijk om de kabinetsdoelstelling om het aantal specifieke uitkeringen te verminderen te realiseren. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van te voren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In de praktijk voorziet de decentralisatie-uitkering in een behoefte. Alleen al door zijn aankondiging heeft hij nieuwe specifieke uitkeringen voorkomen en zijn bestaande specifieke uitkeringen overgeheveld naar het provinciefonds. Voor de begroting 2009 zijn er nog geen concrete decentralisatie-uitkering in het provinciefonds.

3.4. Overzicht opbrengst lokale heffingen 2008

3.4.1 Inleiding

Sinds 1996 heeft het kabinet elk jaar in de Monitor Inkomsten uit Lokale Heffingen (MILH) zijn visie op de ontwikkeling van begrote opbrengsten uit lokale heffingen op het niveau van de gemeente, de provincie en het waterschap gegeven. In het najaar van 2006 is echter in overleg met de VNG en het IPO het besluit genomen om de MILH niet meer te continueren. Met ingang van de begroting 2008 is het overzicht van de begrote opbrengsten op het gebied van lokale heffingen in de begroting van het gemeentefonds opgenomen. De voor dit overzicht benodigde gegevens zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO). Vanwege de relevantie voor het provinciefonds van de zogenaamde Provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting wordt hieronder specifiek dit onderwerp uitgelicht.

3.4.2. Provinciale opcenten motorrijtuigenbelasting

Provinciale opcenten op de motorrijtuigenbelasting (MRB) mogen door provincies worden geheven op basis van artikel 222 Provinciewet. De opcenten worden geheven bovenop het rijkstarief van de motorrijtuigenbelasting. De hoogte van de provinciale opcenten is wettelijk gemaximeerd. De vaststelling van de opcenten geschiedt door Provinciale Staten. Omdat het een algemene belasting betreft komt de opbrengst toe aan de algemene middelen van de provincie.

Voor de periode vanaf 1 april 2008 tot en met 31 maart 2009 mag het aantal opcenten ten hoogste 107,9 procent bedragen. Geen enkele provincie heft het maximum aantal opcenten daar de opcenten variëren van 63,9 tot 91,8. In vergelijking met 2007 is de opbrengst in 2008 met € 104 miljoen gestegen tot € 1,242 miljard. Dit is een stijging van 9,1 procent. Ook dit jaar komt dit voornamelijk door een stijging van het aantal auto’s en een stijging van het gemiddelde gewicht per voertuig.

De ontwikkeling van de opbrengst van de opcenten op de motorrijtuigenbelasting is als volgt.

Tabel 3.4.2.1. Opbrengsten provinciale opcenten MRB (in mln. euro’s)
 20052006200720082007–2008
Provinciale opcenten MRB1 0271 1191 1381 2429,1%

Bron: rijksbelastingdienst

BIJLAGE 1

MOTIES EN TOEZEGGINGEN VERGADERJAAR 2007–2008

A. Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Onderdeel A.1 Afgedaan

Niet van toepassing

Onderdeel A.2 In behandeling

Geen

B. Door de bewindspersonen gedane toezeggingen

Onderdeel B.1 Afgedaan

Niet van toepassing

Onderdeel B.2 In behandeling

Geen

BIJLAGE 2

LIJST MET AFKORTINGEN

AMvBalgemene maatregel van bestuur
BBVBesluit Begroting en Verantwoording gemeenten en provincies
BCFBTW-compensatiefonds
BDURBesluit doeluitkering rampen en zware ongevallen
BLSBesluit Locatiegebonden Subsidies
BofvBestuurlijk Overleg financiële verhouding
CBSCentraal Bureau voor de statistiek
CPOCollectief Particulier Opdrachtgeverschap
EMUEconomische en Monetaire Unie
FOGFinancieel Overzicht Gemeenten
FOPFinancieel Overzicht Provincies
FvwFinanciële-verhoudingswet
GFGemeentefonds
IPOInterprovinciaal Overleg
ISVInvesteringsbudget Stedelijke Vernieuwing
MILHMonitor Inkomsten Lokale Heffingen
OEMOverige Eigen Middelen
OSUOverzicht Specifieke Uitkeringen
OZBOnroerende-zaakbelastingen
PFProvinciefonds
PORPeriodiek Onderhoudsrapport
UvWUnie van Waterschappen
VNGVereniging Nederlandse Gemeenten

BIJLAGE 3

LIJST VAN DE BELANGRIJKE TERMEN EN HUN BETEKENIS

AccresBedrag waarmee het beschikbare bedrag van het provinciefonds jaarlijks wordt aangepast, gebaseerd op een bestuurlijk overeengekomen normeringsystematiek (zie ook normeringsystematiek).
  
Algemene uitkering uit het provinciefondsUitkering aan alle provincies die ten goede komt aan de algemene middelen.
  
BehoedzaamheidreserveGedeelte van de algemene uitkering dat niet aan de provincies (€ 10 000 000) wordt uitgekeerd, maar als reservering apart wordt gehouden. Eventuele fluctuaties in de hoogte van de algemene uitkering uit hoofde van de normeringsystematiek worden na afloop van het begrotingsjaar verrekend met de behoedzaamheidreserve. Indien er achteraf voldoende ruimte is om de behoedzaamheidreserve uit te keren, dan gebeurd dit ook. Het kan echter ook voorkomen dat de behoedzaamheidreserve slechts ten dele of helemaal niet wordt uitgekeerd.
  
ClusterSamenhangend geheel van beleidsterreinen uit oogpunt van kostenoriëntatie en verdeling.
  
Decentralisatie-uitkering uit het provinciefondsUitkering met een zelfde uitgangspunt als de integratie-uitkering. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van te voren vast staat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dit maakt deze uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn en voor de overheveling van specifieke uitkeringen.
  
  
Financiële-verhoudingswetWet waarin is vastgelegd dat er een provinciefonds is. De wet regelt daarnaast globaal de wijze van verdeling van het provinciefonds. In de wet zijn tevens regels opgenomen met betrekking tot de aanvullende uitkering. Sinds 1 januari 1998 maakt de regeling voor het provinciefonds onderdeel uit van de Financiële-verhoudingswet.
  
Integratie-uitkering uit het gemeentefonds en provinciefondsUitkering die wordt toegepast als overheveling van een specifieke uitkering of eigen middelen naar de algemene uitkering bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang naar de algemene uitkering.
  
NormeringsystematiekBepaling van het accres van het provinciefonds op basis van een norm. De norm is de jaarlijkse procentuele ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. De netto gecorrigeerde rijksuitgaven zijn de bruto-rijksuitgaven minus de niet-belasting- ontvangsten van het Rijk gecorrigeerd voor onder meer de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, de Europese Unie, het gemeentefonds en het provinciefonds. Als de netto gecorrigeerde rijksuitgaven stijgen (dalen), nemen het gemeente- en het provinciefonds met hetzelfde percentage toe (af). Deze systematiek staat ook wel bekend onder het principe van «samen de trap op en samen de trap af». De methode is sinds 1995 van toepassing.
  
Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv)Adviesorgaan op het terrein van de gemeentelijke en provinciale financiën.
  
UitkeringsbasisDe uitkeringsbasis wordt berekend door de vermenigvuldiging van het aantal eenheden van een set van verdeelmaatstaven met de bijbehorende gewichten (bedragen per eenheid).
  
UitkeringsfactorVia de normeringmethode wordt jaarlijks de omvang van het provinciefonds bepaald (voeding). De uitkeringsfactor is de verhouding tussen de voeding en de totale landelijke uitkeringsbasis. De uitkeringsfactor wordt afgerond op 3 decimalen achter de komma. Het derde decimaal achter de komma wordt ook wel een «punt» uitkeringsfactor genoemd. Als de uitkeringsfactor bijvoorbeeld stijgt van 1,253 naar 1,265 is dit een stijging van 12 punten.
  
UitkeringsjaarHet kalenderjaar waarover het recht op uitkering ontstaat.
  
VerdeelmaatstafMaatstaf ter verdeling van de algemene uitkering die verband houdt met de provinciale behoefte aan algemene middelen.

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave blz.

A.Artikelsgewijze toelichting bij het wetsvoorstel2
   
B.Begrotingstoelichting3
   
1.Leeswijzer3
   
2.De beleidsmutaties3
2.1.Overzicht beleidsmutaties3
2.2. Het beleidsartikel3
   
3.Het verdiepingshoofdstuk4
3.1.Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de 1e suppletoire begroting4
3.2. Toelichting op de nog niet eerder opgenomen mutaties5
3.3. Integratie-uitkeringen6
3.4. Decentralisatie-uitkeringen6

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag bedoeld in artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, hebben de provincies gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkeringen is opgenomen. Een toelichting op het bedrag van € 1 245 041 000, dat is vermeld in wetsartikel 3 wordt gegeven in paragraaf 3.1. De verplichtingenbedragen bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Financiële-verhoudingswet ter zake integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen zijn respectievelijk € 42 203 000 en € 34 121 000.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

W. J. Bos

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Bij een suppletore begroting ligt de nadruk niet op de beleidsprioriteiten, zoals in de ontwerpbegroting 2009, maar op de mutaties ten opzichte van deze ontwerpbegroting. De terugkoppeling over het gevoerde beleid in relatie tot de beleidsprioriteiten, zal centraal staan in de financiële verantwoording over 2009.

De indeling van deze suppletore begroting is als volgt. Paragraaf 2.1. start met het beschrijven van de beleidsmutaties. Kort zal worden toegelicht wat de omvang en de reden van de uitgavenmutaties is. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2. («het beleidsartikel»), ingegaan op de «budgettaire gevolgen van beleid». Deze paragraaf geeft inzicht in de integrale uitgaven die samenhangen met de hoofdbeleidsdoelstelling. Hierin worden de veranderingen op artikelonderdeel-niveau belicht. In paragraaf 3.1. worden de mutaties in de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten weergegeven vanaf de 1e suppletore begroting. De mutaties die nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingshoofdstuk worden vervolgens toegelicht in paragraaf 3.2. Tot slot wordt in de paragrafen 3.3. en 3.4. ingegaan op respectievelijk de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen

2. DE BELEIDSMUTATIES

2.1. Overzicht beleidsmutaties

Tabel B: Beleidsmutaties (x € 1 000)

 2009
Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2010 als Voorlopige Uitkomsten 2009: 
Financiering basisregistratie adressen, gebouwen en topografie – 810
Regeling cultuurparticipatie (decentralisatie-uitkering) 8 123
Uitstel Wet Electronische Bekendmaking 125
Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK) (decentralisatie-uitkering) 1 755
Herstructurering bedrijventerreinen project Moerdijk (decentralisatie-uitkering)24 243
Totaal33 436
  
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk: 
Vervangingsregeling raads- en statenleden48
  
Totaal nieuwe mutaties48
Totaal mutaties (uitgaven = verplichtingen)33 484

2.2. Het beleidsartikel

In onderstaande tabel worden voor de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het provinciefonds weergegeven. Hiermee worden de integrale uitgaven die samenhangen met de samengestelde beleidsdoelstelling (het nastreven van een adequate omvang van het provinciefonds en het nastreven van een adequate verdeling van de middelen over de provincies) inzichtelijk gemaakt.

Tabel B1: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

 Stand ontwerpbegroting 2009* Mutaties 1ste suppletore begroting 2009Stand 1ste suppletore begroting 2009 Mutaties 2de suppletore begroting 2009 Stand 2de suppletore begroting 2009
 (1) (2) (3)=(1+2) (4) (5)=(3+4)
Verplichtingen1 317 332– 29 3511 287 98133 4841 321 465
Uitgaven:1 299 180– 3 7601 295 42033 4841 328 904
      
Apparaatsuitgaven     
1. Kosten Financiële-verhoudingswet100 0 100 0 100
      
Programma-uitgaven     
1. Algemene uitkeringen 1 256 878– 3 761 1 253 117 – 637 1 252 480
2. Integratie-uitkeringen 42 202 1 42 203 042 203
3. Decentralisatie-uitkeringen 0 00 34 121 34 121
      
Ontvangsten1 299 180– 3 7601 295 42033 4841 328 904

* Inclusief Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 C, nr. 6)

3. HET VERDIEPINGSHOOFDSTUK

3.1. Opbouw verplichtingen, uitgaven en ontvangsten vanaf de 1e suppletore begroting

Verplichtingen

Het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag voor de integratie-uitkeringen zijn voor het uitkeringsjaar 2009 aan elkaar gelijk. Het verplichtingenbedrag voor de algemene uitkeringen c.a., zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, bedraagt € 1 245 041 000. Normaliter is dit bedrag opgebouwd uit het bedrag dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen c.a. en de behoedzaamheidreserve (€18 152 000). Echter, door het tijdelijk buitenwerking stellen van de normeringssystematiek en de daarbij behorende tijdelijke afschaffing van de behoedzaamheidsreserve is het verplichtingenbedrag voor het totaal van de algemene uitkeringen c.a., zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, gelijk aan het bedrag dat als verplichting geldt voor het totaal van de algemene uitkeringen c.a..

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen van het provinciefonds voor het jaar 2009 met € 33 484 000 te verhogen en te brengen op € 1 321 465 000. De toelichting bij de mutaties, welke nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingsstuk, die onderdeel vormen van het bedrag van €  33 484 000 dat in tabel B2 is vermeld, wordt gegeven in paragraaf 3.2.

Tabel B2: Opbouw verplichtingenbedrag 2009 (x € 1 000)

Stand ontwerpbegroting (inclusief nota van wijziging) 2009 1 317 332
Mutaties 1ste suppletore begroting 2009 – 29 351
Stand 1ste suppletore begroting 2009 1 287 981
Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2010 als Voorlopige Uitkomsten 2009 33 436
   
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:  
Vervangingsregeling raads- en statenleden48  
Subtotaal  48
Totaal mutaties 2de suppletore begroting 2009 33 484
Stand 2de suppletore begroting 2008 1 321 465
Waarvan verplichtingenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet 1 245 041
Waarvan verplichtingenbedrag Algemene uitkering 42 203
Waarvan verplichtingenbedrag Integratie-uitkeringen 34 121
Waarvan verplichtingenbedrag Decentralisatie-uitkeringen 100

Uitgaven

In de onderstaande tabel B3 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste mutaties die zich in de periode vanaf de ontwerpbegroting 2009 tot en met de tweede suppletore begroting 2009 hebben voorgedaan in de uitgaven. De weergegeven mutaties, welke nog niet eerder zijn opgenomen in een begrotingsstuk, worden in paragraaf 3.2 afzonderlijk toegelicht.

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de uitgaven van het provinciefonds voor het jaar 2009 met €  33 484 000 te verhogen en te brengen op € 1 328 904 000.

Tabel B3: Opbouw uitgavenbedrag 2009 (x € 1 000)

Stand ontwerpbegroting (inclusief nota van wijziging) 2009 1 299 180
Mutaties 1ste suppletore begroting 2009 – 3 760
Stand 1ste suppletore begroting 2009 1 295 420
Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2010 als Voorlopige Uitkomsten 2009 33 436
   
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:  
1) Vervangingsregeling raads- en statenleden 48 
Subtotaal  48
Totaal mutaties 2de suppletore begroting 2009 33 484
Stand 2de suppletore begroting 2008 1 328 904
Waarvan uitgavenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet 100
Waarvan uitgavenbedrag Algemene uitkering 1 252 480
Waarvan uitgavenbedrag Integratie-uitkeringen 42 203
Waarvan uitgavenbedrag Decentralisatie-uitkeringen 34 121

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het provinciefonds voor 2009 worden de ontvangsten, analoog aan de uitgaven, met €  33 484 000 verhoogd en gebracht op€ 1 328 904 000.

3.2. Toelichting op de nog niet eerder opgenomen mutaties:

1) Vervangingsregeling raads- en statenleden

Het Rijk heeft middelen toegezegd aan de gemeenten en provincies voor een tijdelijke vervangingsregeling voor zwangere en langdurig zieke raads- en statenleden vanaf 2007. Deze middelen zijn echter nooit toegevoegd aan het gemeentefonds en provinciefonds. Deze middelen worden nu met terugwerkende kracht voor de jaren 2007 tot en met 2009 toegevoegd. Voor gemeenten gaat het om € 300 000 per jaar. Voor provincies om € 16 000 per jaar.

3.3.Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het provinciefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering. In tabel B4 wordt een overzicht gegeven van de integratie-uitkeringen in 2009.

Tabel B4: Overzicht integratie-uitkeringen provinciefonds (x € 1000)

 2009
Ontwerpbegroting 2009: 
Rivierdijkversterking/hoofdwaterkering 42 202
Stand ontwerpbegroting 200942 202
1ste suppletore begroting 2009: 
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008 1
Stand 1ste suppletore begroting 200942 203
Mutaties opgenomen in Ontwerpbegroting 2010 als Voorlopige Uitkomsten 2009: 
  
2de suppletore begroting 2009: 
Stand 2de suppletore begroting 200942 203

3.4. Decentralisatie-uitkeringen

Vanaf 2008 (wijziging Financiële-verhoudingswet) bestaat binnen het provinciefonds naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. Deze uitkering is noodzakelijk om de kabinetsdoelstelling om het aantal specifieke uitkeringen te verminderen te realiseren. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het gemeentefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van te voren min of meer vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In de praktijk voorziet de decentralisatie-uitkering in een behoefte. Alleen al door zijn aankondiging heeft hij nieuwe specifieke uitkeringen voorkomen en zijn bestaande specifieke uitkeringen overgeheveld naar het provinciefonds. In tabel B5 is een overzicht opgenomen van de decentralisatie-uitkeringen in 2009.

Tabel B4: Overzicht integratie-uitkeringen provinciefonds (x € 1000)

 2009
Ontwerpbegroting 2009: 
Stand ontwerpbegroting 20090
1ste suppletore begroting 2009: 
Stand 1ste suppletore begroting 2009:0
Mutatie opgenomen in Ontwerpbegroting 2010 als Voorlopige Uitkomsten 2009: 
Regeling cultuurparticipatie8 123
Stimulering lokaal klimaatbeleid (SLOK)1 755
Herstructurering bedrijventerreinen project Moerdijk24 243
  
2de suppletore begroting 2009: 
Stand 2de suppletore begroting 200934 121

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2009 te wijzigen.

Het in die begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

Wetsartikel 3 (verplichtingenbedrag bedoeld in artikel 5 van de Financiële-verhoudingswet)

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 6, vierde lid van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet, hebben de provincies gezamenlijk recht op het bedrag dat in de begroting als verplichting voor het totaal van de algemene uitkering c.a. en de aanvullende uitkeringen is opgenomen. Een toelichting op het bedrag van € 1 245 678 000, dat is vermeld in wetsartikel 3 wordt gegeven in § 2. in de tekst die volgt na tabel B3.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

De minister van Financiën,

W. J. Bos

Inhoudsopgave blz.

 Leeswijzer3
   
1.Het beleid3
 Overzicht uitgavenmutaties3
 Toelichting op de beleidsmutaties3
   
2.Het beleidsartikel5
 Toelichting5
   
3.Integratie-uitkeringen7
   
4.Decentralisatie-uitkeringen8

B. BEGROTINGSTOELICHTING

Leeswijzer

Bij de eerste suppletore begroting ligt de nadruk niet op de beleidsprioriteiten, zoals in de ontwerpbegroting 2008, maar op de mutaties ten opzichte van deze ontwerpbegroting. De terugkoppeling over het gevoerde beleid in relatie tot de beleidsprioriteiten, zal centraal staan in de financiële verantwoording over 2009.

De indeling van deze suppletore begroting is als volgt. Paragraaf 1 start met het beschrijven van de beleidsmutaties. Kort zal worden toegelicht wat de omvang en de reden van de uitgavenmutaties is. Vervolgens wordt in paragraaf 2 («het beleidsartikel»), ingegaan op de «budgettaire gevolgen van beleid». Deze paragraaf geeft inzicht in de integrale uitgaven die samenhangen met de hoofdbeleidsdoelstelling. Hierin worden de veranderingen op artikelonderdeel-niveau belicht. Tot slot, in paragraaf 3 en 4, een overzicht van de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen.

1. Het beleid

Overzicht uitgavenmutaties:

In de onderstaande overzichtstabel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste mutaties die zich in de periode vanaf de ontwerpbegroting 2009 tot en met de eerste suppletore begroting 2009 hebben voorgedaan in de uitgaven. De weergegeven mutaties (€  3 760 000 in totaliteit) worden onder de tabel afzonderlijk toegelicht.

Tabel B1: Overzichtstabel suppletore uitgavenmutaties (x € 1 000)

 Uitgaven
Stand uitgavenbedrag vóór Nota van Wijziging1 298 180
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 C, nr. 6)1 000
Stand uitgavenbedrag na Nota van Wijziging1 299 180
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk: 
1) Structurele doorwerking nacalculatie accres 2008– 10 713
2) Uitkering behoedzaamheidsreserve 2008/ nacalculatie accres 2008 7 439
3a) Bijstelling accres 2009– 29 455
3b) Afschaffen Behoedzaamheidsreserve 18 152
3c) Incidentele bijdrage 2009 10 000
4) Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2008 – 1
5) Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008 1
6) Regionale steunfunctie monumentenzorg en archeologie 817
Totaal nieuwe mutaties– 3 760
Stand 1ste suppletore begroting 20091 295 420

Toelichting op de beleidsmutaties:

1. en 2. Structurele doorwerking nacalculatie accres 2008 en uitkering behoedzaamheidsreserve 2008

De fondsbeheerders streven een adequate omvang van het provinciefonds na. Het belangrijkste instrument daarvoor is de normeringssystematiek. Onderdeel van deze systematiek is de nacalculatie gebaseerd op de realisatie van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Voor 2008 komt het nagecalculeerde accrespercentage van 6,49% (positief) overeen met een accres van € 72 893 000. Ten tijde van de Najaarsnota 2008 werd op grond van de toen beschikbare gegevens een accres verwacht van€ 83 607 000 (positief). Het negatieve verschil van€ 10 713 000 is de omvang van de nacalculatie over het uitkeringsjaar 2008 en de structurele doorwerking nacalculatie accres 2008 . Het resultaat van de nacalculatie wordt verrekend met de behoedzaamheidreserve die in 2008 is gereserveerd. Op grond hiervan is het «uit te keren» bedrag van de behoedzaamheidreserve 2008€ 7 439 000 (positief) (€ 18 152 000 minus€ 10 713 000). De feitelijke uitkering vindt plaats in het uitkeringsjaar 2009.

3. Bijstelling Accres 2009, afschaffing behoedzaamheidsreserve en incidentele bijdrage 2009.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW) aanvullende afspraken gemaakt op de bestaande Bestuursakkoorden. Daarin zijn de partijen het eens geworden over de gevolgen van de economische situatie en van het aanvullende beleidsakkoord van het kabinet voor de onderlinge financiële verhoudingen. Om te bevorderen dat alle partijen weten waar ze aan toe zijn in deze onzekere tijden, zijn partijen een reeks van nominale uitkeringen voor het Provinciefonds overeengekomen voor de periode 2009–2011. Deze afspraken vervangen de gangbare vaststelling van de bedragen (gelijk de trap op en gelijk de trap af). Die vaststelling is onder de huidige omstandigheden onhoudbaar en daarom tijdelijk buiten werking gesteld. De financiële gevolgen zijn:

• Provincies ontvangen in 2009 het nominale accrespercentage van 5,88%. Dit betekent een accres van € 72 miljoen.

• Voor de jaren 2010 en 2011 wordt het reële accres op 0% gesteld, de bijbehorende nominale accressen bedragen € 6 miljoen voor beide jaren. Het nominale accres voor de jaren 2009–2011 ligt daarmee vast.

• Er wordt voor de periode 2009–2011 niet meer gewerkt met een behoedzaamheidsreserve en er zal over 2009–2011 geen nacalculatie plaatsvinden.

• Provincies ontvangen een incidentele bijdrage van € 10 miljoen in zowel 2009 als 2010.

4. Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2008

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2008 gerealiseerde uitbetalingen aan de provincies zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2008 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er hogere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2008 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van € 1000 (positief). Het provinciefonds zal bij Voorjaarsnota 2009 met het bedrag van € 1 000 neerwaarts worden bijgesteld. Deze mutatie bij Voorjaarsnota 2009 heeft dus nog betrekking op het begrotingsjaar 2008.

5. Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008

Bij Voorlopige Rekening is vastgesteld hoe de in 2008 gerealiseerde uitbetalingen voor de integratie-uitkeringen (IU) aan de provincies zich verhouden tot het bedrag dat bij de 2e suppletore begroting 2008 voor de uitbetalingen is geraamd. Daarbij is gebleken dat er in totaal lagere uitbetalingen zijn gedaan dan bij Najaarsnota 2008 werden verwacht. Het gaat hierbij om een verschil van – € 1 000 (negatief). Bij Voorjaarsnota 2009 zullen de integratie-uitkeringen met € 1 000 opwaarts worden bijgesteld. Deze mutatie in de uitgaven bij Voorjaarsnota 2009 heeft dus nog betrekking het begrotingsjaar 2008.

6. Regionale steunfunctie monumentenzorg en archeologie

In het Bestuursakkoord Rijk-provincies zijn partijen overeengekomen, dat de verantwoordelijkheid voor de steunfunctie monumentenzorg en archeologie met ingang van 1 januari 2009 zal worden gedecentraliseerd naar provincies. Het doel is dat de provincies een centrale rol krijgen in de financiële en beleidsmatige aansturing van de steunpunten. De decentralisatie sluit aan bij de positie en taken van de provincies, maakt nog meer maatwerk in de ondersteuning van gemeenten mogelijk en leidt tot een heldere taakverdeling tussen betrokken overheden. Als gevolg hiervan wordt de medefinanciering aan de steunpunten vanuit de OCW-cultuurbegroting beëindigd. De hiermee gemoeide gelden van€ 816 804 per jaar worden volledig overgedragen aan het Provinciefonds.

2. Het beleidsartikel

In onderstaande tabel worden voor de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten de budgettaire gevolgen van beleid van het provinciefonds weergegeven. Hiermee worden de integrale uitgaven die samenhangen met de samengestelde beleidsdoelstelling (het nastreven van een adequate omvang van het provinciefonds en het nastreven van een adequate verdeling van de middelen over de provincies) inzichtelijk gemaakt.

Tabel B2: Bugettaire gevolgen van beleid (x € 1 000)

  Stand ontwerp-begroting 2009 (1) Mutatatie via NvW (2) Mutaties 1ste suppletore begroting 2009 (3) Stand 1ste suppletore begroting 2009 (4)=(1+2+3) Mutatie 2010 Mutatie 2011 Mutatie 2012Mutatie 2013
Verplichtingen1 316 3321 000 – 29 351 1 287 981– 21 199– 21 199 – 21 199  
Uitgaven:1 298 180 1 000 – 3 760 1 295 420– 21 199 – 21 199 – 21 199 
Apparaatsuitgaven        
1.Kosten Financiëleverhoudingswet 100 0 0 10000 0 0
          
Programma-uitgaven        
1.Algemene uitkering 1 255 878 1 000 – 3 7611 253 117– 21 199 – 21 199– 21 199 – 21 199
2. Integratie-uitkeringen42 202 0 1 42 2030 0 0 0
3.Decentralisatie-uitkeringen 0 0 0 00 0 0 0
          
Ontvangsten:1 298 180 1 000 – 3 760 1 295 420– 21 199 – 21 199 – 21 199– 21 199

Toelichting

Mutaties 1ste suppletore begroting

Verplichtingen

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen van het provinciefonds voor het jaar 2009 met € 29 351 000 te verlagen en te brengen op € 1 287 981 000. De toelichting bij de mutaties is reeds gegeven in § 1.

Tabel B3: Verplichtingenbedrag gemeentefonds 2009 (x € 1 000)

Stand verplichtingenbedrag vóór Nota van Wijziging 1 316 332
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 C, nr. 6) 1 000 
Stand verplichtingenbedrag na Nota van Wijziging 1 317 332
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:  
Structurele doorwerking nacalculatie accres 2008 – 10 713 
Bijstelling accres 2009 – 29 455  
Incidentele bijdrage 2009 10 000  
Wijziging betalingsverloop algemene uitkering 2008 – 1  
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 2008 1  
Regionale steunfunctie monumentenzorg en archeologie 817  
Totaal nieuwe mutaties: – 29 351
Stand verplichtingenbedrag bij 1de suppletore begroting 2008 1 287 981
Waarvan verplichtingenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet 100
Waarvan verplichtingenbedrag algemene uitkering 1 245 678
Waarvan verplichtingenbedrag integratie-uitkeringen 42 203
Waarvan verplichtingenbedrag decentralisatie-uitkeringen 0

Het verplichtingenbedrag voor de algemene uitkeringen, zoals opgenomen in artikel 3 van dit wetsvoorstel, is € 1 245 678 000. Dit bedrag is het verschil tussen het verplichtingenbedrag provinciefonds van € 1 287 981 000 en de som van het verplichtingenbedrag voor de integratie-uitkeringen van € 42 203 000, de decentralisatie-uitkeringen van € 0 en de apparaatskosten van € 100 000.

Uitgaven

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de uitgaven van het provinciefonds met € 3 760 000 te verlagen en te brengen op € 1 295 420 000. Deze verlaging wordt hieronder in tabel B4 toegelicht. De mutaties die plaatsvinden met betrekking tot de verplichtingen zijn ook van toepassing op de uitgaven. Er zijn echter nog twee mutaties, die wel effect hebben op het uitgavenbedrag 2009, maar niet op het verplichtingenbedrag 2009. Het gaat om de uitkering behoedzaamheidsreserve 2008/ nacalculatie accres 2008 (€ 7 439 000) en het afschaffen van de behoedzaamheidsreserve (€ 18 152 000).

Tabel B4: Uitgavenbedrag gemeentefonds 2009 (x € 1 000)

Stand uitgavenbedrag vóór Nota van Wijziging 1 298 180
Nota van wijziging (Kamerstukken II 2008–2009, 31 700 C, nr. 6) 1 000 
Stand uitgavenbedrag na Nota van Wijziging 1 299 180
Mutaties nog niet opgenomen in een begrotingsstuk:  
Saldo mutaties in de verplichtingen (verplichtingen=uitgaven) (zie tabel B3) – 29 351 
Uitkering behoedzaamheidsreserve 2008/ nacalculatie accres 20087 439  
Afschaffen Behoedzaamheidsreserve 18 152 
Totaal nieuwe mutaties: – 3 760
Stand uitgavenbedrag bij 1ste suppletore begroting 2008 1 295 420
Waarvan uitgavenbedrag kosten Financiële-verhoudingswet 100
Waarvan uitgavenbedrag algemene uitkering 1 253 117
Waarvan uitgavenbedrag integratie-uitkeringen 42 203
Waarvan uitgavenbedrag decentralisatie-uitkeringen 0

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten op grond van artikel 4 van die wet over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het provinciefonds voor 2009 worden de ontvangsten, analoog aan de uitgaven, met € 3 760 000 verlaagd tot € 1 295 420 000.

3. Integratie-uitkeringen

Als een toevoeging aan de algemene uitkering van het provinciefonds in één keer bezwaarlijk is vanwege de omvang van de herverdeeleffecten wordt normaliter gesproken een integratie-uitkering toegepast. De integratie-uitkering voorziet dan in een geleidelijke overgang van specifieke uitkering of eigen inkomsten naar de algemene uitkering. In tabel B5 is een overzicht opgenomen van de integratie-uitkeringen.

Tabel B5: Overzicht integratie-uitkeringen gemeentefonds 2009 (x € 1 000)

Omschrijving2009
Integratie-uitkering begroting 2009: 
Rivierdijkversterking/hoofdwaterkering42 202
  
Subtotaal42 202
  
Nog niet eerder opgenomen in een begroting: 
Wijziging betalingsverloop integratie-uitkeringen 20081
  
Subtotaal1
Totaal:42 203

4. Decentralisatie-uitkeringen

Met het in 2008 van kracht worden van de wijziging Financiële-verhoudingswet (Fvw), bestaat binnen het provinciefonds naast de algemene uitkering en de integratie-uitkering ook de decentralisatie-uitkering. Deze nieuwe uitkering is noodzakelijk om de kabinetsdoelstelling om het aantal specifieke uitkeringen te verminderen te realiseren. De verdeling van de decentralisatie-uitkering volgt evenmin als de integratie-uitkering de regels van de verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds. Anders dan bij de integratie-uitkering, waar de termijn van overheveling naar de algemene uitkering van te voren vaststaat, ontbreekt bij de decentralisatie-uitkering een dergelijke termijn. Dat maakt de uitkering geschikt voor de overheveling van specifieke uitkeringen, ook als die termijn nog niet bekend is. Ook maakt het de uitkering geschikt voor middelen die slechts tijdelijk beschikbaar zijn. In tabel B6 is een overzicht opgenomen van de decentralisatie-uitkeringen.

Tabel B6: Overzicht decentralisatie-uitkeringen gemeentefonds 2009 (x € 1 000)

Omschrijving 2009
Nog niet eerder opgenomen in een begroting: 
Totaal:0
Licence