Base description which applies to whole site

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL2
   
B.BEGROTINGSTOELICHTING3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Beleidsagenda7
   
3.De beleidsartikelen53
 1. Primair onderwijs53
 3. Voortgezet onderwijs73
 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie90
 5. Technocentra106
 6. en 7. Hoger onderwijs108
 8. Internationaal beleid125
 9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleid133
 11. Studiefinanciering143
 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten155
 13. Lesgeld163
 14. Cultuur165
 15. Media179
 16. Onderzoek en wetenschap187
 24. Kinderopvang199
 25. Emancipatie209
   
4.De niet-beleidsartikelen215
 17. Nominaal en onvoorzien215
 18. Ministerie algemeen217
 19. Inspecties218
 20. Adviesraden220
   
5.De bedrijfsvoeringsparagraaf223
   
6.De diensten die een baten-lasten stelsel voeren230
 1. Centrale Financiën Instellingen230
 2. Nationaal Archief233
   
7.Verdiepingshoofdstuk237
   
8.Bijlagen281
 1. Moties en toezeggingen281
 2. RWT’s en ZBO’s304
 3. Afkortingenlijst305
 4. Begrippenlijst308
 5. Trefwoordenlijst319

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2009 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten samen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2009. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2009.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2009 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat agentschappen)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen (CFI) en het Nationaal Archief voor het jaar 2009 vastgesteld. De in de begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2009 bevat de volgende onderdelen:

a. de beleidsagenda;

b. de beleidsartikelen;

c. de niet-beleidsartikelen;

d. de bedrijfsvoeringsparagraaf;

e. de diensten die een baten-lasten stelsel voeren;

f. het verdiepingshoofdstuk;

g. de bijlagen.

a. De beleidsagenda

De beleidsagenda verbindt de belangrijkste beleidsdoelen van het ministerie van OCW. Nieuw is dat deze is opgezet aan de hand van de doelstellingen en projecten van OCW uit het beleidsprogramma van het kabinet.

Evenals in de begroting 2008 staat aan het einde van de beleidsagenda een overzicht van de belangrijkste beleidsprioriteiten voor de komende periode, alsmede de instrumenten die daarvoor worden ingezet en de prestatiegegevens waarmee de voortgang op deze prioriteiten wordt gemeten. De belangrijkste aspecten van de kwaliteit en de prestaties van het onderwijsstelsel, waaronder de Lissabon-doelstellingen, zijn door middel van grafieken in beeld gebracht. Deze overzichtstabel en grafieken vormen de schakel tussen de beleidsagenda en de verschillende beleidsartikelen.

b. De beleidsartikelen

Elk beleidsartikel is in principe opgebouwd volgens de standaardindeling:

• algemene beleidsdoelstelling;

• tabel budgettaire gevolgen van beleid;

• operationele beleidsdoelstellingen;

• overzicht beleidsonderzoeken.

Er is in deze begroting veel aandacht besteed aan de formulering van een samenhangend geheel van doelstellingen en bijbehorende prestatiegegevens, die een stabiele uitgangspositie vormt voor de beleidsverantwoording tijdens deze kabinetsperiode. De begroting 2009 bouwt voort op de verbeteringen die in de begroting 2008 ten aanzien van de prestatiegegevens zijn gerealiseerd. Vergeleken met de begroting 2008 is de samenhang tussen de doelstellingen in de verschillende begrotingsartikelen verbeterd. In de doelstellingen staat de leerling, de docent, de wetenschapper of de cultuurparticipant centraal. In alle onderwijsartikelen zijn de belangrijkste functies van het onderwijs (kwalificatie, differentiatie, integratie), en de belangrijkste randvoorwaarden (toerusting, kwaliteit instellingen en docenten, toegankelijkheid) in de doelstellingen verwerkt. De doelstellingen in de cultuurartikelen maken een duidelijker onderscheid tussen de deelname aan cultuur en het aanbod daarvan.

De doelstellingen zijn zoveel mogelijk onderbouwd met relevante en zinvolle prestatiegegevens (indicatoren of evaluatieonderzoek) waaraan streefwaarde of streefrichting is verbonden. Waar we een onderbouwing van doelstellingen met prestatiegegevens zinvol achten, maar nog niet over gegevens beschikken, is een ontwikkelperspectief geformuleerd.

In de gehele begroting is invulling gegeven aan motie Douma(Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 949, nr. 11): beleidsdoelen zijn geformuleerd in termen van te realiseren maatschappelijke effecten en daarvan afgeleide prestatiegegevens. Waar hiervan is afgeweken, wordt in het artikel een motivering gegeven volgens het principe «pas toe of leg uit» (comply or explain). Voor de volgende beleidsartikelen kunnen (nog) geen zinvolle en relevante prestatiegegevens met streefwaarden worden weergegeven:

• Art. 5 Technocentra. Het platform Bèta-Techniek evalueert nu de werkzaamheden van de technocentra. Over resultaten van de activiteiten die in 2007 hebben plaatsgevonden verschijnt in het najaar van 2008 een evaluatieverslag.

• Art. 8.3.2 Internationaal onderwijsbeleid. Prestatie-indicatoren zijn hier weinig zinvol, het is niet goed mogelijk om een kwantitatieve relatie te leggen tussen de Nederlandse inzet in internationaal overleg met vele actoren en het bereiken van internationale doelen. Uiteraard is er wel kwalitatieve informatie beschikbaar, ondermeer rond belangrijke vergaderingen van de EU en de UNESCO.

• Art. 11, 12 en 13 Studiefinanciering, WTOS, Lesgelden. De doelstellingen op deze beleidsterreinen worden onderbouwd met kengetallen van onder andere de onderwijsdeelname en het verwachte rendement, en van het aantal ontvangers of gebruikers. Hierbij zijn geen streefwaarden vastgesteld. Het streven van de overheid is gericht op het waarborgen van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs en niet dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van deze instrumenten. De onderwijsdeelname en het rendement zijn het resultaat van een breed scala van factoren, waarbij de beschikbaarheid van studiefinanciering of WTOS een relatief beperkte rol speelt.

Ook in de begroting 2009 is de invloed van het beleid op de gewenste maatschappelijke situatie niet altijd rechtstreeks of volledig vast te stellen, het betreft immers complexe beleidsproblemen en ingewikkelde causale relaties. Een van de belangrijkste functies van de opgenomen indicatoren is dat zij een positieve of negatieve trend, soms in internationaal perspectief, kunnen signaleren. In deze begroting zijn de prestaties van het beleid zo goed mogelijk in beeld gebracht, maar enige terughoudendheid bij de beoordeling van de indicatoren is altijd geboden: het zijn indicaties van de uitkomsten van het beleid. Niettemin zijn in deze begroting de maatschappelijke doelstellingen en prioriteiten op creatieve wijze en met ambitie geformuleerd en zo adequaat mogelijk onderbouwd met meetbare prestatie- en effectgegevens.

In het constituerend beraad van 22 februari 2007 is vastgesteld dat de minister voor Jeugd en Gezin medebetrokken is bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn. Een en ander is vervolgens nader toegelicht(Kamerstukken 2006–2007, 31 001, nr. 3).

De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij het beleid ten aanzien van de WMO, AWBZ, kinderopvang, voorschoolse opvang, leerlinggebonden financiering, de TOG-regeling en preventie in het SZW-domein, interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering, aanpak jeugdcriminaliteit, strafzaken Raad voor de Kinderbescherming, Halt, JJI’s en jeugdreclassering en huiselijk geweld.

Medebetrokkenheid in deze impliceert dat de minister voor Jeugd en Gezin door de primair verantwoordelijke bewindspersonen op deze terreinen actief geïnformeerd wordt over en vanuit het kabinet als eerste betrokken wordt bij beleidsonderwerpen en dossiers die raken aan de verantwoordelijkheid van de minister van Jeugd en Gezin voor een integraal jeugd- en gezinsbeleid. Ook houdt dit in dat de minister voor Jeugd en Gezin pro-actief alle zaken aankaart bij zijn collega-bewindspersonen, en bij bovengenoemde onderwerpen in het bijzonder, die hij in het belang van de jeugd en het gezin acht.

Naar aanleiding van de motie Bakker c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 391, nr. 3) is per beleidsartikel een tabel opgenomen waarbij per operationele doelstelling vanaf 2009 wordt aangegeven hoeveel middelen juridisch verplicht zijn, hoeveel middelen bestuurlijk gebonden en hoeveel middelen niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn vier zogenaamde niet-beleidsartikelen:

• nominaal en onvoorzien

• ministerie algemeen

• inspecties

• adviesraden

In artikel 18 (ministerie algemeen) is een onderdeel toegevoegd: verzameluitkering OCW. Deze toevoeging volgt uit de wijziging van de Financiële verhoudingswet(Tweede Kamer 2007–2008. 31 327, nr. 2)

d. Bedrijfsvoeringsparagraaf

In deze paragraaf wordt ingegaan op de interne bedrijfsvoering. Hierin wordt een toelichting gegeven op de belangrijkste ontwikkelingen op dit gebied. Daarnaast worden knelpunten beschreven die mogelijk een risico vormen voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen en wordt aangegeven welke beheersmaatregelen hierbij worden genomen. Voor wat betreft de externe sturing komen dit jaar specifiek punten als ontwikkelingen in de uitvoering, de administratieve lastendruk, evidence based onderwijsbeleid en het rijksbrede subsidiekader aan de orde.

e. Diensten die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de agentschappen Centrale Financiën Instellingen en het Nationaal Archief.

f. Verdiepingshoofdstuk

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2008 en de ontwerpbegroting 2009. De ondergrens voor het toelichten van mutaties is € 2,2 miljoen. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

g. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn bij de begroting opgenomen:

• Overzicht moties en toezeggingen

• Overzicht RWT’s en ZBO’s

• Afkortingen

• Trefwoorden

• Begrippen

2. BELEIDSAGENDA

Inleiding

Er is alle reden om te investeren in onderwijs, kinderopvang, wetenschap, cultuur en emancipatie. Deze terreinen zijn immers van cruciaal belang voor de persoonlijke ontwikkeling en het gemeenschappelijke welbevinden van alle Nederlanders, onze economie, de sociale samenhang en culturele uitwisseling. Dit kabinet trekt er dan ook jaarlijks extra geld voor uit. Oplopend tot ruim € 2 miljard aan het eind van deze kabinetsperiode. In 2009 investeren we reeds ruim € 1 miljard extra.

Onderwijs

Elke dag wordt hard gewerkt om goed onderwijs te geven. Door docenten, ouders, leidinggevenden en ondersteunend personeel. Veel leerlingen presteren uitstekend omdat er een goede docent voor hun klas staat, omdat hun ouders achter hen staan en omdat de school zijn zaken op orde heeft. In het Onderwijsverslag 2006–2007 stelt de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs op de meeste instellingen voldoende is.

Maar er is ook zeker ruimte voor verbetering. Ons onderwijs kan beter en moet dus beter. Zo bestaan er zorgen over een groeiend aantal leerlingen dat de basisvaardigheden (taal en rekenen) niet eigen is. Ook het aantal zwakke scholen is verontrustend. Daarnaast bestaat grote zorg over het aantal voortijdig schoolverlaters.

In deze begroting worden verschillende investeringen aangekondigd. Bij de keuze voor onze investeringen in 2009 hebben we ons laten leiden door de hoofdgedachte dat de inspanningen van de overheid dienstbaar moeten zijn aan het primaire proces in de klas en aan de professional. Want als de discussie over het rapport van de Commissie Dijsselbloem één ding heeft aangetoond, dan is het wel dat het mis gaat in het onderwijs wanneer verantwoordelijkheden van overheid, scholen en leraren teveel door elkaar heen lopen. De overheid bemoeit zich niet met de didactiek, maar richt zich op haar primaire verantwoordelijkheid: het scheppen van goede randvoorwaarden. Hiervoor gaan wij onderwijsdoelstellingen definiëren, prestaties inzichtelijk maken en optreden bij misstanden. Dat betekent dat de overheid bepaalt wat leerlingen op enig moment minimaal moeten hebben geleerd, maar docenten beschikken over de professionele ruimte: zeggenschap over het ontwerp en de uitvoering van onderwijskundig en kwaliteitsbeleid van de school.

Met de in deze begroting voorgestelde maatregelen stelt OCW zich ten doel de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Dat is onze belangrijkste taak voor 2009 en latere jaren. Voor het verbeteren van de kwaliteit is het nodig het vertrouwen te herstellen. Vertrouwen in de professionaliteit van de leraar, vertrouwen in de professionaliteit van schoolbesturen, maar ook vertrouwen in de overheid. Dat betekent dat we kiezen voor terughoudendheid bij het belasten van het onderwijs met maatschappelijke opgaven. Als gezegd: goed onderwijs draagt bij aan de economische ontwikkeling van en de saamhorigheid en integratie in de samenleving. Maar dit grote maatschappelijke profijt is niet het primaire doel; goed onderwijs is op de eerste plaats van belang voor (jonge) mensen zelf, voor hun persoonlijke vorming en ontwikkeling, voor hun bestaanszekerheid, hun weerbaarheid en wendbaarheid in het leven.

Rekenen en taal

Onderwijs gaat niet alleen maar over kennisoverdracht; van belang is allereerst het verwerven van primaire basisvaardigheden. Omdat het belang hiervan jarenlang werd onderschat, is een herwaardering van deze basisvaardigheden noodzakelijk. Hier is een correctie nodig, maar zonder de didactische autonomie van scholen aan te tasten. Daarom komen er wettelijke referentieniveaus die voorschrijven welke taal- en rekenvaardigheden leerlingen op verschillende momenten van hun schoolloopbaan moeten beheersen. Deze slag zal in alle sectoren van het onderwijs gemaakt moeten worden. Om deze extra opgave te financieren, is € 115 miljoen beschikbaar gesteld voor herstelwerkzaamheden. Die kunnen alleen slagen met de steun van scholen en docenten.

Leraren

De leraar vormt de spil bij het verbeteren van de kwaliteit. Maar de komende jaren gaat driekwart van de leraren in het voortgezet onderwijs met pensioen of naar een andere baan. Ook in andere onderwijssectoren is de uitstroom groot. De aanwas van nieuwe leraren blijft daar vér bij achter. De gevolgen van het snel groeiende lerarentekort zijn nu al merkbaar: steeds meer lesuitval, verhoogde werkdruk en onbevoegde docenten voor de klas.

Hoog tijd om het tij te keren. Daarom maakt dit kabinet het lerarenberoep aantrekkelijker door een betere beloning, lagere werkdruk, meer scholingsmogelijkheden en meer zeggenschap voor leraren. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen kiezen voor een baan in het onderwijs, met genoeg perspectieven om ook in het onderwijs te willen blijven.

Elke school is zo goed als zijn docenten. Daarom verdienen goede, bevlogen leraren meer waardering en respect. Op basis van het Actieplan Leraren worden maatregelen genomen die de leraar in zijn professionaliteit steunen. Zo wordt in 2009 de «professionele ruimte» van de leraar vastgelegd en zijn of haar positie versterkt. Tevens wordt de beloning verbeterd. Daarnaast wordt sterker ingezet op innovatie binnen het onderwijs. Het kabinet trekt voor deze plannen honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot uiteindelijk ruim € 1 miljard in 2020.

Menselijke maat

Voor het vertrouwen van zowel de leerling als de leraar is de menselijke maat van groot belang. Kennen en gekend worden geeft een gevoel van veiligheid en geeft invloed op het beleid. In het najaar ontvangt de Kamer een onderzoek naar de menselijke maat in het onderwijs. Het is zaak om hier de komende jaren samen aan verder te werken, om gezamenlijk een stap te zetten in de verdere verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.

Stapelen

Om het opleidingsniveau te verhogen, kan het stapelen van opleidingen heel effectief zijn. Juist door stapelen laat de leerling zijn ontwikkeling zien. Wij vinden dan ook dat het stapelen van opleidingen gestimuleerd moet worden. Als een leerling een bepaalde opleiding heeft afgerond, moet hij uitgedaagd worden om ook een volgende stap te zetten, om door te stromen naar een hogere opleiding om zo het uiterste uit zichzelf te halen. Dit is niet alleen van belang voor de leerling zelf, maar ook voor de samenleving die een groeiende behoefte heeft aan hoger opgeleiden. Het kabinet start een onderzoek naar de belemmeringen die er zijn voor het stapelen en doorstromen in het onderwijs. De kwantitatieve en kwalitatieve gevolgen van de beleidsopties worden in kaart gebracht.

Zorgleerlingen

Dit kabinet wil dat leerlingen die extra zorg nodig hebben, die zorg ook kunnen krijgen van de leraar. Daartoe krijgen scholen in het primair en voorgezet onderwijs de verantwoordelijkheid om een passend onderwijsaanbod te doen aan elke leerling. Om dit te realiseren gaan scholen samenwerken in regionale netwerken. OCW investeert oplopend tot 2011 € 60 miljoen in het passend onderwijs.

Schooluitval

Schooluitval is een groot maatschappelijk probleem. Samen met scholen, gemeenten, CWI, zorginstellingen, justitie, politie en het regionale bedrijfsleven werkt OCW aan het halveren van de schooluitval in 2012 (ten opzichte van 2002). In 2009 legt OCW hiervoor de nadruk op een soepele overgang van vmbo naar mbo en maatwerktrajecten. In 2009 is € 39 miljoen extra beschikbaar voor het bestrijden van schooluitval.

Maatschappelijke stage

Met de maatschappelijke stage verrichten scholieren vrijwilligerswerk waarmee ze op een praktische manier maatschappelijke ervaring opdoen. Het schooljaar 2008–2009 is hierin een belangrijk jaar omdat scholen, maatschappelijke organisaties en gemeenten via pilots gezamenlijk vorm en inhoud gaan geven aan de maatschappelijke stage. Als onderdeel van het groeimodel voor het zorgvuldig invoeren van maatschappelijke stages hebben scholen grote vrijheid bij de invulling.

Inmiddels zijn ook heel veel maatschappelijke organisatie actief betrokken bij de maatschappelijke stages. Op basis van de resultaten van de pilots en de ervaringen van scholen en maatschappelijke organisaties vindt na afloop van het schooljaar 2008/2009 een evaluatie plaats. De uitkomsten van deze evaluatie en de inmiddels breed opgedane ervaring zullen betrokken worden bij de verdere invoering van de maatschappelijke stage.

Kinderopvang

Dit kabinet vindt kinderopvang heel belangrijk. Gestreefd wordt naar kwalitatief goede opvang in peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen voor alle kinderen in Nederland, met als uitgangspunt dat kinderen met plezier naar de opvang gaan. Daar moeten ze een warme, veilige plek vinden waar ze kunnen spelen en ongemerkt werken aan hun taal en sociale ontwikkeling. Alle kinderen die het nodig hebben krijgen in 2011 voorschoolse educatie aangeboden om hun achterstand in te kunnen lopen. Steeds meer ouders maken gebruik van kinderopvang. Tegelijkertijd daalt het aantal vrouwen dat stopt met werken of minder gaat werken na de geboorte van het eerste kind. De arbeidsparticipatie van vrouwen met jonge kinderen neemt dan ook toe. Het kabinet is voornemens om de regeling kinderopvang naar structuur en grondslag zo spoedig mogelijk te herzien, ten einde de arbeidsparticipatie effectiever en efficiënter te bevorderen.

De kwaliteit van de leidsters is bepalend voor de kwaliteit van de kinderopvang. Daarom reserveren wij tot en met 2012 een bedrag van € 40 miljoen voor de verbetering van de kwaliteit van de opleidingen. Om de sterk gestegen kosten op te vangen trekt dit kabinet extra geld uit voor de kinderopvang. Tevens wordt via diverse maatregelen getracht de stijging van de kosten terug te dringen. Hierbij worden de lagere inkomens zoveel mogelijk ontzien.

Wetenschap

Excellent wetenschappelijk onderzoek levert oplossingen voor problemen in de maatschappij. Daarom gaan we de beste wetenschappers de vrijheid geven onderzoek te doen, waarbij ze hun eigen aanpak kunnen bepalen. Ook investeren wij in een onderzoeksinfrastructuur van hoog niveau.

Cultuur en media

Kunst maakt het leven mooier. We willen er dan ook zoveel mogelijk mensen van laten genieten. Jong geleerd is oud gedaan: daarom willen we jongeren tot 18 jaar veelvuldig in contact brengen met kunst en cultuur via onderwijs en cultuurkaart.

Alle mensen moeten toegang hebben tot een breed media-aanbod. Hiervoor rusten wij de publieke omroep toe om multimediaal te opereren. Om verstandig om te gaan met alle media richten wij een expertisecentrum voor mediawijsheid op.

Emancipatie

Dit kabinet staat voor gelijke kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden voor iedereen in onze samenleving. Voor vrouwen en mannen, hetero en homo. Emancipatie is dan ook nog niet af. Daarvoor moeten vrouwen eerst zonder problemen carrière kunnen maken, óók als ze in deeltijd werken, óók als ze moeder zijn. Homo-emancipatie vraagt om sociale acceptatie van homoseksualiteit. Wie homoseksueel is, moet daarvoor uit kunnen komen. Je moet gewoon homo of lesbisch kunnen zijn!

Topinkomens

Het kabinet zal, in het verlengde van de kabinetslijn op het advies van de Commissie Dijkstal (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 479, nr. 36), in 2009 wetsvoorstellen naar de Tweede Kamer sturen om de salarissen van bestuurders in de semipublieke sector te normeren. Hierbij kan per sector gedifferentieerd worden in de zwaarte van het beloningsregime. Voor de deelsectoren van OCW geldt het zwaarste regime van maximaal 130% van het huidige ministersalaris. Voor de publieke omroepen geldt bovendien dat er ook een normering, in de vorm van een beloningscode, zal gaan gelden voor niet-bestuurders.

Slot

Om inzichtelijk te maken op welke manier OCW in 2009 bijdraagt aan het realiseren van de ambities van het kabinet, is de beleidsagenda ingedeeld op basis van de doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma «Samen werken, Samen Leven» van het kabinet. De beleidsagenda sluit af met een schakeltabel, waarin de relatie wordt gelegd tussen deze doelstellingen, de daarbij horende indicatoren en de beleidsartikelen, en de financiële paragraaf.

Kwaliteit Onderwijs

Doelstelling 37: Verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door primair, voortgezet, en beroepsonderwijs (po, vo en bve) naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs (ho) aan te laten sluiten

Onderwijs draait om talenten van jongeren én om de onderwijsinhoud die jongeren nodig hebben voor persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren. Het doel van dit kabinet is om de opbrengst van het onderwijs en in het bijzonder dat van het taal- en rekenonderwijs te verhogen.

Rekenen en taal

Begin 2008 heeft de expertgroep «Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 332, nr. 1) haar eindrapport uitgebracht. Op basis van dit rapport wil OCW dat in 2011 de gemiddelde leerprestaties van alle groepen leerlingen voor taal en rekenen aantoonbaar zijn gestegen ten opzichte van 2005. Ook moeten de resultaten voor taal en rekenen en wiskunde tijdens de schoolperiode ten minste op het niveau liggen dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Duidelijk vastleggen wat leerlingen aan het eind van elke onderwijssector, op het terrein van taal en rekenen moeten kennen en kunnen. Dit gebeurt samen met het onderwijsveld door het wettelijk vastleggen van de referentieniveaus.

• In het po objectief en gevalideerd vaststellen of de leerlingen voldoen aan de basiskennis en basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen. De examenprogramma’s in het voortgezet onderwijs worden geijkt op de (definitief vastgestelde) referentieniveaus. In het mbo wordt voor rekenen en taal een centrale examinering ingevoerd, zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van het mbo bij de verschillende kwalificatieniveaus. Het taal- en rekenonderwijs op de pabo’s en de tweedegraads lerarenopleidingen wordt geoptimaliseerd. De referentieniveaus worden verwerkt in de leerlingvolgsystemen.

In totaal wordt in drie leerjaren (2008/2009, 2009/2010, 2010/2011) over de sectoren heen ruim € 115 miljoen geïnvesteerd.

Gewichtenregeling primair onderwijs

Dit kabinet stelt met ingang van schooljaar 2009/2010 meer geld beschikbaar voor scholen in de zogenoemde impulsgebieden: gebieden met veel armoede. Hiervoor wordt de gewichtenregeling zodanig gewijzigd dat er meer rekening gehouden wordt met de sociaal-economische omgeving waarin kinderen opgroeien.

Vanaf het schooljaar 2008–2009 wordt de algemene drempel in de gewichtenregeling verlaagd naar 6%. Scholen met 6% achterstandskinderen kunnen dan aanspraak maken op de gewichtenregeling. Samen met de maatregelen op het gebied van vve (zie doelstelling 39) en de voortzetting van de schakelklassen, moet dit leiden tot een vermindering van 40% van de taalachterstanden in 2011 ten opzichte van 2002. Hiervoor is in 2009 € 10 miljoen extra beschikbaar.

Passend onderwijs

Dit kabinet wil de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs die extra ondersteuning nodig hebben, verbeteren. Aanleiding voor deze herziening is dat uit evaluatie blijkt dat er naast positieve punten ook een aantal knelpunten is.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• De verantwoordelijkheid voor een passend onderwijsaanbod bij de schoolbesturen leggen. Schoolbesturen krijgen de verantwoordelijkheid om voor alle leerlingen die worden aangemeld/staan ingeschreven een passend onderwijszorgaanbod te verzorgen. Om dit te realiseren gaan scholen samenwerken in regionale netwerken. Deze netwerken ontstaan door de huidige samenwerkingsverbanden in het po, vo en (v)so (voortgezet speciaal onderwijs) te verbinden (proces van «onderop»). Hierdoor zullen meer leerlingen een passend onderwijsaanbod krijgen (resulterend in een kwalificatie) en minder leerlingen uitvallen. In 2011 moet er een landelijk dekkende infrastructuur zijn van regionale netwerken. Doel voor 2009 is een dekking van 20%.

• Kerndoelen en leerlijnen invoeren. Om de kwaliteit en doelgerichtheid te verbeteren worden kerndoelen en leerlijnen ingevoerd in het (v)so en wordt het kwalificatiesysteem aangepast. In 2011 dient het aantal scholen onder intensief toezicht (betreft de risicovolle, zwakke en zeer zwakke scholen) in het speciaal basisonderwijs en het (v)so afgenomen te zijn tot 12%. Voor 2009 is het doel resp. 30 en 40%.

OCW investeert oplopend tot 2011 € 60 miljoen in het Passend onderwijs. In de beleidsuitvoering wordt nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van het ministerie van Jeugd en Gezin (J&G). Het ministerie van J&G is verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en preventieve domein wordt geleverd.

Onderwijstijd

De Inspectie heeft in 2007 bij 120 bve-opleidingen en 76 vo-scholen een onderzoek uitgevoerd naar de naleving van de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd voor het schooljaar 2006–2007. 72 vo-scholen voldeden niet aan de wettelijke norm voor onderwijstijd, 15 vo-scholen zodanig dat dit wordt aangemerkt als buitensporig niet-normconform. Bij de bve-opleidingen constateerde de Inspectie een beperkte verbetering in de naleving van onderwijstijd. Ook werd geconstateerd dat negen instellingen onvoldoende uren hadden (geprogrammeerd en/of) gerealiseerd. Al deze scholen vallen in het schooljaar 2007–2008 onder verscherpt inspectietoezicht.

Over onderwijstijd in het vo en bve is al een aantal keer gesproken met de Tweede Kamer. In deze debatten is toegezegd dat voor vo een kwalitatief onderzoek naar de onderwijstijd wordt uitgevoerd (door de commissie «Onderwijstijd» o.l.v. Clemens Cornielje). Ten behoeve van het onderzoek is een aantal richtinggevende uitgangspunten meegegeven: een wettelijke norm als zodanig blijft nodig, de inhoud en kwaliteit van het onderwijsprogramma staan niet ter discussie en de financiële kaders worden gevormd door het thans geldende budget. OCW verwacht de conclusies en aanbevelingen van de Commissie in december 2008. Voor de bve-sector is toegezegd, dat een evaluatie naar de 850-urennorm wordt uitgevoerd. Dit onderzoek staat los van het toezicht door de inspectie en wordt in 2009 uitgevoerd. De uitkomsten zullen in 2010 met de Tweede Kamer worden besproken. Voor bve-instellingen is het streven 10% verbetering, dit betekent dat zo’n 86% van de opleidingen die gecontroleerd worden voldoen aan de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd.

Overgang vmbo-mbo-hbo

De verschillende overgangen in de beroepskolom zijn voor veel leerlingen en studenten nog steeds een kwetsbaar moment. Voortijdige schooluitval (zie ook project Aanval op de uitval) is dan ook vooral geconcentreerd rond de verschillende overgangen. OCW wil de overgangen tussen vmbo-mbo-hbo beter en efficiënter maken. Daarom gaat OCW onder andere door middel van experimenten (vmbo-mbo2 voor schooljaar 2008–2009 en Associate degree, twee jarige hbo-opleiding, op locatie van een mbo-onderwijsinstelling in 2009) onderzoeken hoe de doorstroom in de beroepskolom is te verbeteren.

Zorgvuldige invoering competentiegerichte kwalificatiestructuur in het mbo

Het mbo moet studenten de garantie bieden dat ze goed voorbereid zijn op zowel de samenleving als op de arbeidsmarkt. Daarom is het belangrijk dat het onderwijs dat ze hebben genoten goed aansluit op de wensen en behoeften van de arbeidsmarkt. Om deze doelen te bereiken wordt op dit moment het mbo gemoderniseerd. Dat houdt in dat de oude (op eindtermen gebaseerde) opleidingen, worden omgevormd tot nieuwe opleidingen die gebaseerd zijn op nieuwe kwalificatiedossiers. Het streven is om in 2010 de kwalificatiestructuur voor alle dan startende studenten gereed te hebben. In 2009 zal daartoe een evaluatie plaatsvinden. OCW verwacht dat met de omvorming van opleidingen de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt soepeler zal verlopen en dat het onderwijs door studenten als aantrekkelijker wordt ervaren. Voor de verdere verbetering van de aansluiting op de arbeidsmarkt gaat OCW de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bvp) verhogen en zorgen dat alle studenten een passende bvp-plaats vinden. Regionale partijen worden gestimuleerd met elkaar afspraken te maken over de afstemming tussen de vraag en aanbod van opleidingen, die moeten uitmonden in een Regionale Agenda Arbeidsmarkt – Beroepsonderwijs. Gestart wordt in drie à vier regio’s.

Evidence based onderwijs

Bij het verbeteren van de onderwijskwaliteit staat centraal: het systematisch evalueren van onderwijsopbrengsten door leraren en schoolleiders, het versterken van de handelingsbekwaamheid van leraren en het gebruik van evidence based, succesvolle methodieken. Deze aanpak sluit aan bij de kwaliteitsagenda’s van de verschillende sectoren.

Het stimuleren van evidence based onderwijs wordt wat betreft het onderwijsbeleid vorm gegeven door vaker gebruik te maken van experimenten, zoals op het gebied van referentieniveaus rekenen en taal, overgang vmbo-mbo, stages, hoogbegaafdheid, lerarentekort en voortijdig schoolverlaten. Ook zorgt OCW ervoor dat scholen beter kunnen profiteren van resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

Om evidence based onderwijs te stimuleren heeft OCW in 2008 het Top Institute for Evidence Based Education Research (TIER) opgericht. TIER betreft een onderzoeksprogramma waarin drie universiteiten samenwerken (Universiteit van Amsterdam, Universiteit Maastricht en Universiteit Groningen). OCW heeft een subsidie verstrekt aan TIER van jaarlijks € 1 miljoen voor de periode van 5 jaar. Het instituut verricht onderzoek naar evidence based onderwijs en evidence based onderwijsbeleid. De focus daarbij is onderwijskundig en economisch. In 2009 doet TIER onder andere onderzoek naar schoolkeuze, leerprestaties en de kwaliteit van leraren, voortijdig schoolverlaten en de niet-monetaire opbrengsten van onderwijs.

Daarnaast voert Senter Novem momenteel het Actieprogramma «Onderwijs Bewijs» uit. Doel van dit programma is om via wetenschappelijke experimenten kennis te krijgen over wat werkt en niet werkt in het primair en voortgezet onderwijs. Scholen én onderzoeksinstellingen kunnen gezamenlijk projectvoorstellen indienen. Voor het programma is voor de periode 2007–2010 een budget beschikbaar van ongeveer € 25 miljoen.

Bestuur en toezicht

Verminderen regeldruk en administratieve lasten

OCW wil de administratieve lasten voor onderwijsinstellingen verlichten.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Bij de totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving voor instellingen toetsen of de lastenconsequenties van wijzigingen in wet- en regelgeving zijn aangegeven.

• Bestaande werkwijzen en wetgeving aanpassen. De komende jaren zet OCW in op lastenverlichting voor scholen via het verminderen van toezichtlasten door het samenvoegen van toezichthouders, het invoeren van risicogericht toezicht, de invoering van het onderwijsnummer in het po en het vereenvoudigen van de melding en registratie van verzuim.

• Onderzoek uitvoeren. In 2008 is een onderzoek naar de reductie van subsidieregelingen in gang gezet. Met dit onderzoek wordt nagegaan of het aantal subsidieregels en regels over aanvullende bekostiging (verder) kan worden verminderd en hoe de overgebleven regels kunnen worden vereenvoudigd, geharmoniseerd, of praktischer en met minder uitvoeringslasten kunnen worden ingericht.

• De regeldruk voor professionals verminderen. Gebleken is dat leraren nog weinig merken van de inspanningen op het gebied van deregulering, daarom wordt in opdracht van OCW onderzocht welke regels «neerslaan» op professionals en welke regels zij onnodig als belastend ervaren.

Deze maatregelen zijn de vorige kabinetsperiode in gang gezet lopen door in deze kabinetsperiode.

Inspectie

In overleg met de Tweede Kamer zijn de uitgangspunten bepaald voor vernieuwing van het toezicht. Centraal daarin staat het uitvoeren van risicogericht toezicht. Jaarlijks stelt de inspectie op basis van een analyse van opbrengsten, jaarstukken en signalen voor elke school een toezichtarrangement vast. Bij scholen waar geen tekortkomingen of risico’s zijn, onderneemt de Inspectie geen verdere actie. Er is hier sprake van «verdiend vertrouwen». De scholen die een verhoogd risico hebben op het leveren van onvoldoende kwaliteit krijgen bijzondere aandacht van de inspectie.

Alle scholen, ook de scholen zonder tekortkomingen of risico’s, worden minimaal éénmaal in de vier jaar bezocht. Dit kan in het kader zijn van een regulier onderzoek, een themaonderzoek of een onderzoek voor het Onderwijsverslag. In de loop van 2009 zal een voorstel voor wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Principes van Goed Bestuur

Voor de onderwijssectoren po/vo wordt eind 2008 Goed Bestuur-wetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze wetgeving worden op de sector toegesneden voorstellen gedaan voor de realisering van een aantal basisprincipes van goed bestuur zoals de scheiding van de functies bestuur en intern toezicht, ruimte voor interne zeggenschap van docenten en de verantwoording aan belanghebbenden in en rond de school (zgn. horizontale verantwoording) en nadere interventiemogelijkheden.

Voor de bve-sector heeft de Tweede Kamer in april 2008 ingestemd met een wetsvoorstel waarin de scheiding tussen bestuurder en interne toezichthouder bij onderwijsinstellingen wordt geregeld. De verwachting is dat het wetstraject in 2008 kan worden afgerond. De bve-instellingen hebben een eigen governance-code ontwikkeld en geïmplementeerd. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen zij jaarlijks verantwoording afleggen over de omgang met de code in het geïntegreerd jaardocument dat vanaf verslagjaar 2009 gebruikt zal worden.

Doelstelling 11: Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Het kabinet wil het studiesucces van studenten en de kwaliteit van het hoger onderwijs verhogen. In de strategische agenda voor het hoger onderwijs en het onderzoeks- en wetenschapsbeleid «Het Hoogste Goed»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 1) staan de ambities OCW op dit gebied beschreven. Concreet gaat het om:

• Verhogen studiesucces en onderwijskwaliteit en verminderen van uitval van studenten uit de bachelorfase.

• Verhogen van het rendement van niet-westerse migranten. Het rendement van niet-westerse migranten is in 2014 zoveel mogelijk ingelopen op het rendement van autochtonen (verschil is nu nog ca. 20%).

• Verhogen van excellentie in bachelor -en masteropleidingen en het aantrekken van meer excellente studenten.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

Meer geld uitgeven aan de uitvoering van de strategische agenda «Het Hoogste Goed». Over de besteding zijn meerjarenafspraken gemaakt, die op twee manieren vorm krijgen: tussen overheid en de hoger onderwijssector en tussen de overheid en één of meer instellingen. Daarnaast komt er meer geld voor excellentie (via het Sirius-programma en Huygens Scholarship Programme-beurzen voor talentvolle studenten). Om te kunnen beoordelen of de extra investeringen leiden tot de gewenste resultaten, volgt OCW de onderwerpen in deze strategische agenda jaarlijks aan de hand van gegevens over studiesucces, kwaliteit en differentiatie. Daarover doet OCW jaarlijks verslag in het document Kennis in Kaart, te beginnen in 2009. Dit document beschrijft de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het stelsel, maar ook de voortgang van de belangrijkste beleidsdoelen. Mocht blijken dat de resultaten achterblijven, dan treft het kabinet maatregelen. Zo kan het aan de lumpsum toegevoegde budget stopgezet worden als instellingen onvoldoende aan de ambities bijdragen. Dan kan gekozen worden het budget doelmatiger te besteden via besteding op grond van afspraken met afzonderlijke instellingen of aan andere prioriteiten.

Het gaat hier om een aanpak vanuit vertrouwen, die past bij de ambities voor het hoger onderwijs in Nederland: sterke, autonome instellingen en een overheid met een scherp zicht op de prestaties van deze instellingen. In de voortgangsrapportage van de strategische agenda (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 31) wordt verder ingegaan op de ambities en de gemaakte meerjarenafspraken.

Doelstelling 38: Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst.

Leraren hebben de hoofdrol als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Zij moeten meer ruimte krijgen voor hun belangrijkste taak: het geven van goed en gedegen onderwijs. Vanaf 2010 dreigt door de vergrijzing een fors tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs (3 300 leraren in 2011). In het basisonderwijs wordt een tekort aan schoolleiders verwacht. Zonder maatregelen zal het tekort aan schoolleiders in deze sector oplopen tot 500 in 2011. De vervangingsvraag in het mbo stijgt in 2010 naar 1 860 leraren.

Eind november 2007 kwam OCW met een actieplan: «LeerKracht van Nederland»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45). Met dit uitgebreide pakket aan maatregelen reageert het kabinet op het advies van de Commissie Leraren en het advies van de Onderwijsraad «Leraarschap is eigenaarschap» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Op 16 april 2008 heeft minister Plasterk met de sociale partners in het onderwijs een akkoord over het actieplan gesloten. De afspraken zorgen voor een flinke verbetering van de kwaliteit van het lerarenkorps en dragen daarmee bij aan de kwaliteit van het onderwijs.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• De waardering voor het leraarschap verhogen. De «professionele ruimte» van de leraar wordt verankerd in de sectorwetten. Uitgangspunt is dat de leraar in de dagelijkse onderwijspraktijk over voldoende «professionele ruimte» moet beschikken om zijn werk goed te kunnen doen.

• Leraren beter belonen (met een sterk accent op opleiding en prestaties) en zorgen voor een beter loopbaanperspectief. In het convenant Leerkracht van Nederland zijn per sector afspraken gemaakt over de invoering van meer hogere leraarsfuncties («functiemix»). Per 1 augustus 2010 wordt hiermee een start gemaakt. Vanaf 1 januari 2009 zullen de salarislijnen in de sectoren po, vo en bve worden ingekort. In de sectoren vo en bve komt extra geld beschikbaar voor een nieuw «functiegebouw» in de Randstadregio’s en Almere. Door verbetering van de beloning wordt het beroep van leraar aantrekkelijker en zullen meer mensen kiezen voor een baan in het onderwijs.

• Concrete afspraken maken met de inspectie over de inbedding van het toezicht op het leraarschap in het nieuwe (risicogerichte) toezicht. OCW verwacht dat scholen hierdoor meer gaan investeren in hun human capital.

• De positie van leraren in de school versterken. Vanaf 1 augustus 2008 is er een scholingsfonds voor leraren. Elke leraar kan éénmaal in zijn loopbaan een beroep doen op het scholingsfonds om een opleiding te volgen voor een hoger kwalificatieniveau. OCW verwacht dat dit een positief effect heeft op de professionaliteit van leraren, op de kwaliteit van het onderwijs en op de aantrekkelijkheid van het beroep.

• Professionaliteit schoolleiders bevorderen. Goede schoolleiders zijn onmisbaar voor professionele scholen. Zij hebben een centrale rol in het personeelsbeleid. Vanaf najaar 2008 gaat OCW met scholen, instellingen en beroepsgroep in gesprek over versterking van de professionaliteit van schoolleiders.

• Meer oudere leraren in het onderwijsproces houden. In het convenant Leerkracht van Nederland is afgesproken dat sociale partners in hun CAO-overleg vóór 1 januari 2010 afspraken maken over het realiseren van een regeling om ouderen langer in het onderwijsproces te laten functioneren.

• In samenspraak met lerarenopleidingen, scholen en instellingen werken aan de ontwikkeling van een kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren. Deze agenda wordt na de zomer van 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden. In deze agenda staan voorstellen om de kwaliteit van de initiële opleiding te verhogen. Onder andere door de ontwikkeling van gezamenlijke eindtermen en toetsen en het verder professionaliseren van leraren die al actief zijn in het onderwijs.

• Extra ruimte maken voor innovatie in het onderwijs om het lerarentekort op te lossen. Voorstellen hiervoor worden ingediend voor de FES-ronde waarover het kabinet begin 2009 beslist (max. € 90 miljoen).

Het kabinet trekt voor deze plannen honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot ruim € 1 miljard in 2020.

Project Aanval op de schooluitval

Dit kabinet wil schooluitval voorkomen. Schooluitval is een groot maatschappelijk, sociaal én een individueel probleem. De door het vorige kabinet ingezette ’aanval op de uitval’ heeft geholpen, maar niet genoeg. Om te komen tot halvering van het aantal schooluitvallers wordt het offensief voortgezet en versterkt. Het is nodig de lat hoog te leggen, omdat schoolverlaters zonder een startkwalificatie twee keer zo vaak geen baan hebben als jongeren die wel een startkwalificatie hebben en vijf keer zo vaak het criminele pad op gaan als jongeren die wel een startkwalificatie hebben. Er wordt hierdoor veel talent en arbeidskracht verspild. Scholen, gemeenten, CWI, zorginstellingen, justitie, politie en het regionale bedrijfsleven dragen allemaal bij aan de strijd tegen schooluitval. Zij weten als geen ander waar «de gaten» vallen en wat op regionaal niveau nodig is om de uitval nog verder terug te dringen. Scholen en gemeenten hebben hierbij een sleutelrol en werken daarbij nauw samen met bovenstaande ketenpartners.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de aanpak van het verzuim en moeten zorgen dat uitvallers weer terug in de schoolbanken komen. Hierbij werken zij samen met het regionale bedrijfsleven. Ook moeten ze zorgen voor een lokale zorgstructuur en samenhang tussen de schakels in de jeugdketen («ketenregisseur»). Contactgemeenten van RMC-regio’s hebben de regie, zij maken afspraken met scholen en andere «regiopartners», creëren een regionaal netwerk, coördineren verzuimmeldingen, en doen de registratie en doorverwijzing.

Dit kabinet heeft zich ten doel gesteld het aantal schoolverlaters terug te brengen van 53 100 in het schooljaar 2006–2007 tot 35 000 in het schooljaar 2010–2011 (dit wordt bekend in 2012). Voor het schooljaar 2008–2009 betekent dit een reductie van circa 4 500 (dit wordt bekend in 2010). Het geld voor de landelijke programma’s is een aanvulling op het geld dat al via de vierjarige convenanten beschikbaar was om deze reductie mogelijk te maken.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Extra aandacht besteden aan een soepele overgang van vmbo naar mbo. Het vmbo en het mbo kunnen samen een aantal preventieve maatregelen nemen om de kans op een succesvolle overgang te vergroten.

• Zorgen dat de loopbaanoriëntatie, studiekeuze en begeleiding van leerlingen verbeterd wordt. Loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) staat voor een breed scala aan maatregelen voor het op weg helpen van leerlingen/deelnemers naar een passende (vervolg-)opleiding/beroep. Uitgaande van deze benadering omvat LOB naast studie- en beroepskeuzeoriëntatie ook mentoring, coaching en persoonlijke begeleiding.

• Meer en betere zorg op school ondersteunen. Meer en betere zorg betekent dat elke jongere die zorg nodig heeft, die moet kunnen krijgen. Scholen spelen hierin een centrale rol: jongeren zijn via scholen te bereiken en school is ook vaak de plek waar jongeren begeleid kunnen worden. De ervaring leert dat een Zorg- en Advies Team (ZAT) een goede manier is om de interne zorg voor een jongere af te stemmen op de externe zorg. Hierbij spelen de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG’s) een belangrijke rol.

• Het onderwijs aantrekkelijker maken door sport en cultuur. Traditionele onderwijsvormen blijken niet altijd voldoende om jongeren te motiveren om op school te blijven. Vernieuwende onderwijsvormen op het gebied van sport en cultuur, die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren, kunnen het onderwijs voor jongeren aantrekkelijker maken.

• Meer ruimte bieden aan vmbo-scholieren die het best leren met hun handen. Vmbo-scholen en roc’s gaan samen programma’s ontwikkelen voor leerlingen die graag met hun handen werken. Er zijn tien vmbo-scholen die dit schooljaar zijn begonnen met vakcolleges. Aandachtspunten hierbij zijn het regionale bedrijfsleven (vanaf het derde leerjaar gaan de leerlingen werken bij bedrijven in de regio), meer techniekonderwijs en integratie vmbo-mbo. De vakcolleges bieden een zesjarige opleiding aan die leidt tot een startkwalificatie (mbo-2).

• Experimenten vmbo-mbo2 uitvoeren. Voor een groep van vmbo-scholen is het per 1 augustus 2008 mogelijk om een geïntegreerd traject van vmbo-mbo2 aan leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo aan te bieden. In dit traject is het vmbo-examen geen verplicht onderdeel, het einddoel is een – mbo opleiding – op niveau 2. Leerlingen in het experiment stappen niet over van de vmbo-school naar het ROC, maar ze blijven in hun vertrouwde omgeving, met leraren die ze al kennen. Het experiment moet het voortijdig schoolverlaten (vsv) van deze groep jongeren, voor wie de overstap van vmbo naar mbo vaak problematisch verloopt, terugdringen.

• Zorgen voor meer maatwerktrajecten om uitval te voorkomen. Maatwerktrajecten zijn bedoeld voor jongeren tot 23 jaar uit de zwakkere groepen van de beroepsbevolking die wel een startkwalificatie kunnen halen. In deze trajecten werken scholen en onderwijsinstellingen intensief samen met bedrijven, kenniscentra, gemeenten en CWI. Met de FES-middelen 2007 worden naar schatting ruim 11 000 maatwerktrajecten gerealiseerd. Ook de laatste tranche extra FES-middelen 2008 zijn voor dit doel beschikbaar.

• 20 000 EVC-trajecten (Erkennen Verworven Competenties) ondersteunen voor schooluitvallers van 18 tot 23 jaar. Naast het voorkómen van schooluitval, moeten er ook maatregelen komen voor jongeren die al uitgevallen zijn. Met EVC- of maatwerktrajecten kunnen deze jongeren alsnog een startkwalificatie halen en een plek op de arbeidsmarkt verwerven.

Via het beleidsprogramma vsv worden deze maatregelen op macroniveau tweejaarlijks gemonitord.

Om deze maatregelen uit te kunnen voeren zijn vierjarige convenanten met scholen (BVE-instellingen en scholen in het voortgezet onderwijs) en gemeenten in alle 39 RMC-regio’s afgesloten. Zij moeten de uitval de komende vier jaar met 40% verminderen. Scholen ontvangen € 2000 per nieuwe vsv’er minder. De convenantafspraken zijn op basis van «no cure, no pay». Naast het geld uit de convenanten, is er extra geld beschikbaar voor het uitvoeren van vsv-programma’s. Per RMC-regio is een bedrag beschikbaar, afhankelijk van het aantal nieuwe vsv-ers in een regio. Dit geld is alleen bestemd voor de scholen. Behalve bij de G4, daar gaat al het geld naar de gemeenten. De complexiteit van de vsv-problematiek bij de G4 vraagt om meer regie van deze gemeenten.

Gemeenten zetten samen met WWI in de geselecteerde 40 krachtwijken in op het tegengaan van voortijdige schoolverlaten en de herbestemming en herontwikkeling van karakteristiek cultureel erfgoed. OCW geeft in deze wijken prioriteit aan het voorkomen van onderwijsachterstanden.

Om bovenstaande acties te kunnen uitvoeren, is vanaf 2008 extra geld beschikbaar. In 2009 gaat het om € 39 miljoen; dit loopt op tot € 71 miljoen (indicatief) in 2011. Hiervan is circa € 22 miljoen beschikbaar voor de convenanten. Het geld voor de vsv-programma’s is in 2009 circa € 15 miljoen, waarvan € 4,8 miljoen beschikbaar is voor de G4.

Doelstelling 40: Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen

Het kabinet wil het aantal brede scholen fors uitbreiden. Het realiseren van een dekkend aanbod van brede scholen in de 40 krachtwijken is hierbij een specifiek doel. Brede scholen bieden door structurele samenwerking met partners uit verschillende sectoren lokaal maatwerk, waardoor de ontwikkelingskansen van kinderen worden vergroot. Gemeenten streven naar 1200 brede scholen in 2010. Het Rijk ondersteunt dit streven. In 2009 wordt de eerstvolgende meting van het aantal brede scholen gehouden. Dan moeten er ongeveer 1100 brede scholen zijn.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Zorgen dat er meer combinatiefuncties komen. Met de «impuls brede scholen, sport en cultuur» is het de bedoeling dat er in 2012, 2500 combinatiefuncties zijn. Naast geld van de ministeries van OCW en VWS, worden deze combinatiefuncties ook gefinancierd door de deelnemende gemeenten. Met deze structurele formatieplaatsen kunnen brede scholen onder andere het binnen- en buitenschoolse sport- en cultuuraanbod in het primair en voortgezet onderwijs vergroten. Scholen worden zo ondersteund om structureel samen te werken met partners uit andere sectoren. Deze maatregel voorziet in de behoefte van brede scholen aan extra menskracht. In 2009 is vanuit OCW voor de combinatiefuncties € 8,7 miljoen beschikbaar. Daarnaast is in 2009 € 11,4 miljoen onderdeel van het accres van het Gemeentefonds.

• Gemeenten ondersteunen bij het realiseren van multifunctionele accommodaties. In 2008 komt er een stimuleringsarrangement voor de realisatie van multifunctionele accommodaties in het primair onderwijs. Multifunctionele huisvesting vergroot de mogelijkheden voor samenwerking van brede scholen, maar het lukt gemeenten niet altijd om op tijd in geschikte multifunctionele gebouwen te voorzien. Het arrangement stimuleert gemeenten ook om bij de realisatie van de multifunctionele schoolgebouwen zo mogelijk samen te werken met (semi) private partijen zoals woningcorporaties en kinderopvanginstellingen. Gemeenten krijgen vanaf 2009 geld uit het stimuleringsarrangement.

• Ondersteunend personeel op de po-scholen inzetten om de werkdruk van schoolleiding en leerkrachten te verlichten. Juist in de grote steden en de krachtwijken is dit hard nodig. Daarom hebben de po-scholen in de 40 wijken die een aanvraag hebben ingediend, voorrang gekregen bij de toekenning van een loonkostensubsidie voor het aanstellen van een conciërge.

• Scholen ondersteunen. In 2008 wordt het «steunpunt Brede scholen» opgericht, vanwege de behoefte aan een loket waar men terecht kan met vragen. Het steunpunt is een duidelijk aanspreekpunt voor scholen en gemeenten en een eerste vraagbaak voor hen die zich (willen gaan) bezig houden met de brede school.

• Onderzoek uitvoeren. In opdracht van OCW wordt in 2008 gestart met een longitudinaal onderzoek naar de effecten van de brede school. Hierdoor kan beter worden onderbouwd wat de meerwaarde vormt van brede scholen. Dit onderzoek loopt door in 2009.

• Continue voorlichting geven aan scholen en gemeenten, bijvoorbeeld viawww.bredeschool.nl.

• Als proef werken aan een bundeling van geldstromen (van instanties waar scholen mee samenwerken; Rijk, gemeenten en derden), vooral via het vereenvoudigen van verantwoording.

Doelstelling 41: Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Goed onderwijs bereidt leerlingen voor op hun rol in de samenleving. Met de invoering van een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, wil het kabinet leerlingen laten ervaren hoe mooi het is om iets voor een ander te doen. En wat ook belangrijk is: de maatschappelijke stagiair van vandaag kan de vrijwilliger van morgen worden! De maatschappelijke stage kan zodoende ook op langere termijn een positieve bijdrage leveren aan de sociale samenhang. In het schooljaar 2011–2012 wordt de maatschappelijke stage een onderdeel van het kerncurriculum. OCW streeft ernaar dat 20% van de leerlingen in schooljaar 2008–2009 een maatschappelijke stage lopen. Dit percentage loopt op van 35% in 2009–2010, 65% in 2010–2011 naar 100% in 2011–2012.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Pilots uitvoeren. Vanaf schooljaar 2008/2009 wordt door middel van pilots stevig ingezet op het uitbreiden van het aantal leerlingen dat deelneemt aan de maatschappelijke stage. Er wordt informatie verzameld over factoren die in positieve zin bijdragen en knelpunten waar leerlingen, scholen en andere betrokken partijen tegenaan lopen. Zo is er aandacht voor de eventuele verdringing van beroepsstages in het vmbo, extra begeleiding voor praktijk en speciaal onderwijs en eventuele extra inspanningen van school en stageaanbieders om Nederlandse leerlingen met een niet-westerse achtergrond aan een maatschappelijke stage te helpen. De pilots zijn geslaagd wanneer zij voldoende informatie opleveren voor de verdere vormgeving van de maatschappelijke stage.

• Ondersteuning bieden. De sitewww.samenlevenkunjeleren.nlen de helpdesk «maatschappelijke stage» worden verder ingevuld om scholen, leerlingen, stageaanbieders en stagemakelaars goed te informeren en te ondersteunen. Daarnaast geven CPS en Movisie ondersteuning door middel van het aanbieden van starterspakketten, workshops en lesmateriaal.

• Monitoren en evalueren. De invoering van de maatschappelijke stage wordt continue gevolgd. De pilots leveren belangrijke informatie op voor de tussenevaluatie die najaar 2009 plaatsvindt. Ook wordt input verkregen via scholen die niet deelnemen aan de pilots. De tussenevaluatie en de opgedane ervaringen van scholen zullen worden betrokken bij de verdere invoering van de maatschappelijke stage.

Doelstelling 42: Het geleidelijk invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs met ingang van schooljaar 2008–2009, en volledig per schooljaar 2009–2010

De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs zijn hoog. Zo zijn de prijzen van boekenpakketten de laatste vijf jaar aanzienlijk gestegen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door een beperkte marktwerking op de educatieve boekenmarkt. Het kabinet heeft besloten de schoolboeken gratis te maken voor de ouders. Zo wil het kabinet de kosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs verlagen en voorkomen dat kinderen zonder boeken op school komen, omdat ouders de rekening voor het boekenpakket niet betalen. Daarnaast wil het kabinet de marktwerking op de educatieve boekenmarkt verbeteren door scholen zelf te laten bestellen: de bepaler betaalt.

Doordat scholen niet op tijd boeken konden inkopen, rekening houdend met de aanbestedingsregels, zullen de boeken in het schooljaar 2008–2009 nog niet gratis verstrekt worden. In het schooljaar 2008–2009 krijgen alle ouders via de Sociale Verzekering bank of de Informatie Beheer Groep € 316 (prijspeil 2008) per kind in het (bekostigde) voortgezet onderwijs. Vanaf het schooljaar 2009–2010 krijgen de scholen voor voortgezet onderwijs deze € 316 per kind bij de lumpsum. Scholen hebben daarmee ook de verplichting om hun leerlingen gratis van lesmateriaal/schoolboeken te voorzien. Een taskforce van OCW ondersteunt scholen bij de aanbestedingsprocedure en eventuele juridische procedures.

Vanaf 2008 is voor gratis lesmateriaal/schoolboeken jaarlijks circa € 300 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er een overgangsbudget van € 46,5 miljoen verspreid over 2008 t/m 2010 beschikbaar voor eventuele extra kosten waar scholen tegenaan lopen. Deze tegemoetkoming wordt in het voorjaar van 2009 uitbetaald. Tegenover die kosten staat een verlaging van de uitkering van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). De WTOS is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor ouders om de schoolkosten, en schoolboeken van hun schoolgaande kinderen te kunnen betalen. Nu scholieren in het voortgezet onderwijs gratis boeken krijgen, kan de tegemoetkoming voor die groep omlaag.

Doelstelling 59: Het tegengaan van radicalisering

In augustus 2007 is het rijksbrede actieplan tegen polarisatie en radicalisering naar de Tweede Kamer gestuurd(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 754, nr. 103). Het doel van dit actieplan is het voorkomen en terugdringen van polarisatie en radicalisering in Nederland. Radicalisering kan de veiligheid op scholen beïnvloeden. OCW is verantwoordelijk voor het veiligheids- en radicaliseringsbeleid binnen OCW-instellingen inclusief het beleid voor de sociale veiligheid op scholen, en de rol van onderwijs bij de aanpak van radicalisering.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Instrumenten inzetten (concrete tools, kenniskring, informatie, kennis- en adviescentrum) die aansluiten op de vraag uit het onderwijsveld. Hiermee wil OCW dat instellingen en docenten – naar behoefte en op aanvraag – voldoende informatie en expertise krijgen op het gebied van polarisatie en radicalisering.

• Beleid ontwikkelen om de sociale veiligheid op OCW-instellingen te verbeteren. Zo komen er onder andere veiligheidsmaatregelen voor onderwijsinstellingen die bijdragen aan het terugdringen van radicalisering op de scholen. In de brief aan de Tweede Kamer van november 2007 is het veiligheidsbeleid uitgewerkt(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 240, nr. 15).

Het kabinet stelt deze kabinetsperiode in totaal € 28 miljoen beschikbaar voor het tegengaan van polarisatie en radicalisering. Dit bedrag staat op de begroting van BZK. Scholen en instellingen kunnen hun voorstellen indienen bij BZK.

Uitstekende kinderopvang

Doelstelling 39: Het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang voor 0–4 jarigen (inclusief arbeidsparticipatie vrouwen)

Harmonisatie kinderopvang en vve

Dit kabinet wil in lijn met de brief van het kabinet van 23 mei 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 322, nr. 24), de kwaliteit van de peuterspeelzalen harmoniseren met die van de kinderopvang. Met als doel dat alle voorzieningen voor jonge kinderen dezelfde uitgangspunten voor veiligheid en gezondheid hanteren. Voor peuterspeelzalen betekent dat ondermeer: de professionalisering van het personeel, het afschaffen van het zogenaamde ambitieniveau 0 (alleen inzet van vrijwilligers), een leidster/kind ratio van 1:8 en een landelijk geregeld toezicht. Het specifieke karakter van peuterspeelzalen als laagdrempelige buurtvoorziening blijft intact. Ook de financiering wordt meer geharmoniseerd.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Een landelijke kwaliteitskader uitwerken. In 2009 wordt verder gewerkt aan de voorbereiding van een wettelijk landelijk kwaliteitskader voor peuterspeelzaalwerk, gericht op inwerkingtreding in 2010. In 2009 is er € 15 miljoen beschikbaar voor de kwaliteitsimpuls, ter voorbereiding van de harmonisatieregelgeving 2010.

• € 20 miljoen beschikbaar stellen aan gemeenten. Dit geld is bedoeld als tegemoetkoming voor ouders van leerlingen die vve volgen in peuterspeelzalen. Op basis van onderzoek bleken de kosten van de peuterspeelzalen de belangrijkste barrière. Door de tegemoetkoming komt de eigen bijdrage van ouders op hetzelfde niveau als in de Wet kinderopvang. Met de VNG is afgesproken dat gemeenten alle kinderen die vve nodig hebben een plaats aanbieden (dus ook kinderen van ouders die geen arbeid en zorg combineren). Deze kinderen volgen dan kwalitatief hoogwaardige onderwijsprogramma’s. Samen met de aangepaste gewichtenregeling (zie doelstelling 37) en de voortzetting van de schakelklassen, moeten deze maatregelen ertoe leiden dat in 2011 alle doelgroepleerlingen onder 2,5- tot 6-jarigen deelnemen aan een VVE-programma, en tot een vermindering van taalachterstanden van 40% in 2011 ten opzichte van 2002.

Verhogen kwaliteit en opleidingsniveau personeel kinderopvang

In het coalitieakkoord is het plan opgenomen om te investeren in de kwaliteit van de kinderopvang. De kwaliteit van de kinderopvang staat of valt (volgens wetenschappelijk onderzoek) met de kwaliteit van de pedagogisch medewerkers («leidsters»). Daarom is er binnen de OCW-begroting tot en met 2012 een bedrag van € 40 miljoen gereserveerd voor de verbetering van de kwaliteit van de opleidingen.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• De kwaliteit van de medewerkers verbeteren;

• De aansluiting tussen opleidingen en de kinderopvangpraktijk verbeteren.

Door de werkgevers, werknemers en ouders in de kinderopvang is samen met de opleidingen, wetenschap en praktijk een beleidsnotitie uitgewerkt, waarin beide hoofdroutes zijn uitgewerkt. Deze notitie dient als raamwerk voor een programma van activiteiten, zoals samenwerking tussen de opleidingen en de sector en het uitrollen van bestaande didactische cursussen en programma’s. Het programma gaat naar verwachting najaar 2008 van start.

Financiering kinderopvang

Om het stelsel voor de langere termijn financieel houdbaar en beheersbaar te maken en daarmee een verdere groei van het gebruik mogelijk te maken, zijn aanpassingen aan het huidige kinderopvangstelsel noodzakelijk. Hierbij moeten de positieve kanten behouden blijven en ongewenste neveneffecten (zoals misbruik en oneigenlijk gebruik) worden beëindigd. Kinderopvang faciliteert de combinatie van arbeid en zorg en ondersteunt een duurzame ontwikkeling van de arbeidsparticipatie. Dit doel is leidend bij aanpassingen aan het stelsel.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Een wetswijziging voorbereiden voor de herziening van het systeem van gastouderopvang. De wijziging behelst de introductie van thuiscrèches, het koppelen van de registratie van gastouderopvang aan de organisaties voor kinderopvang en het introduceren van gedifferentieerde uurprijzen voor verschillende vormen van opvang. Met dit systeem blijft de keuzevrijheid voor ouders gewaarborgd. Het wetsvoorstel dient op 1 januari 2010 in werking te treden.

• De Wet kinderopvang verbeteren via een aantal maatregelen, waaronder versterking van de positie van ouders.

Het kabinet is voornemens om de regeling kinderopvang naar structuur en grondslag zo spoedig mogelijk te herzien, ten einde de arbeidsparticipatie effectiever en efficiënter te bevorderen.

Ter dekking van de groei van de uitgaven in 2009 heeft het kabinet in juni 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 322, nr. 24) gekozen voor de volgende inzet van middelen en maatregelen. Dit is inclusief een extra groei over 2008 en verdere jaren met circa € 0,3 miljard die is gebleken uit de uitvoeringsgegevens over het eerste half jaar van 2008:

• Incidentele dekking vanuit de algemene middelen;

• Het beschikbaar stellen van middelen uit de enveloppe kinderopvang;

• Het aanpassen van de tabel voor de kinderopvangtoeslag. De tabel voor de kinderopvangtoeslag is aangepast in het licht van de kabinetsdoelstellingen rond participatie en koopkracht. De kosten voor het eerste kind worden voor alle ouders met eenzelfde percentage verhoogd. De lage inkomens gaan er in absolute bedragen (en in procenten van het besteedbare inkomen) minder op achteruit dan de hogere inkomens. De kosten voor het tweede en volgende kind worden voor de hoogste inkomens iets verhoogd. Kinderopvang blijft daarmee voor iedereen financieel toegankelijk. De Algemene maatregel van bestuur waarin dit geregeld wordt is juni 2008 ingediend, gericht op inwerkingtreding in 2009.

Hoogstaande wetenschap

Doelstelling 12: Het versterken van de internationale reputatie van Nederlandse wetenschappelijke instellingen en onderzoeksinstellingen

Het Nederlandse onderwijs en onderzoek kan alleen op hoog niveau blijven presteren als de onderzoeksinfrastructuur van hoge kwaliteit is en de beste mensen volop ruimte krijgen. Daarom wil het kabinet het primaat van ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek herstellen en onderzoeksgeld reserveren voor de beste onderzoekers. Door meer ruimte te bieden aan excellente onderzoekers en grensverleggend onderzoek kan de aansluiting bij de wereldtop behouden blijven. Dit staat ook beschreven in de strategische agenda «Het Hoogste Goed». De top kan alleen worden bereikt als er voldoende wordt geïnvesteerd in talent en in excellent wetenschappelijk onderzoek.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• Onderzoekers meer ruimte geven om hun eigen onderzoek te bepalen en onderzoeksgroepen te vormen en te kiezen waar zij hun onderzoek willen doen. Excellent wetenschappelijk onderzoek wordt ondersteund door instellingen die talent aan zich weten te binden en goede faciliteiten bieden. De «vernieuwingsimpuls» wordt in 2009 uitgebreid, waardoor meer onderzoeksgeld verdeeld kan worden op basis van competitie. NWO wordt belast met de uitvoering van de uitgebreide «vernieuwingsimpuls» waarvoor vanaf 2009 structureel € 150 miljoen beschikbaar is.

• Meer ruimte bieden aan promovendi om een eigen onderzoeksloopbaan te kiezen (vrije keuze van onderwerp en promotor) en meer ruimte bieden aan universiteiten om onderzoekersopleidingen daarvoor in te richten. Onderzoekersopleidingen worden zo meer naar Amerikaans model ingericht (soms aangeduid als «graduate schools»). Zo kunnen een aantal promovendi op basis van een open competitie in aanmerking komen voor zogenoemde «training grants». In vervolg op de motie Joldersma(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 5) is NWO gevraagd om in overleg met relevante partijen de vormgeving van het graduate schools-model voor de Nederlandse situatie uit te werken. Voor graduate schools is in 2009 € 3 miljoen, in 2010 € 11 miljoen en vanaf 2011 € 15 miljoen beschikbaar.

• De toename van het aantal vrouwelijke hoogleraren ondersteunen (streefwaarde is 15% in 2010, waarde in 2007 was 11.2%). Onder andere door de inzet van de «vernieuwingsimpuls» en het Aspasiaprogramma. Ook wordt met het Mozaïekprogramma gestreefd naar een toename van Nederlandse onderzoekers met een niet-westerse achtergrond. Door dit programma kunnen jaarlijks ruim 20 afgestudeerde migranten een promovendusplaats krijgen.

• Grootschalige onderzoeksinfrastructuren ondersteunen. Om te kunnen blijven aansluiten bij internationale ontwikkelingen is het belangrijk dat er in Nederland voldoende ruimte is voor structurele investeringen in grootschalige onderzoeksfaciliteiten. Hiervoor zijn op basis van de European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI) en de nationale roadmap-commissie (commissie van Velzen), prioriteiten gesteld en geld aan projecten toegewezen. Uit de enveloppemiddelen voor kennis en innovatie wordt in 2009 € 16 miljoen via NWO ingezet. Daarnaast beslist het kabinet in het voorjaar van 2009 over de verdeling van de FES-middelen, ondermeer over enkele voorstellen voor grootschalige researchinfrastructuren.

• Een nieuw accreditatiestelsel introduceren. In het hoger onderwijs wordt een nieuw stelsel geïntroduceerd dat meer prikkels voor kwaliteit omvat en minder administratieve lasten met zich meebrengt. De Tweede Kamer heeft ingestemd met de hoofdlijnen voor dit nieuwe stelsel(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 21 en 27) en groen licht gegeven voor verdere uitwerking en pilots. In het nieuwe stelsel kunnen hogescholen en universiteiten een instellings-audit laten doen. De NVAO stelt dan vast of een instelling de kwaliteit van het onderwijs goed waarborgt via onder andere een goed werkend kwaliteitszorgsysteem, voldoende betrokkenheid van studenten en een adequaat personeelsbeleid. Indien dit het geval is, zal de accreditatie van de opleidingen op een lichtere manier gebeuren. Per 1 januari 2010 moet het nieuwe accreditatiestelsel in werking treden.

Doelstelling 14: Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie

Het kabinet wil kennis op een betere manier koppelen aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken en de totstandkoming van nieuwe producten en diensten. In de strategische agenda «Het Hoogste Goed» zijn plannen ontwikkeld om wetenschap een stevigere inbedding te geven in de samenleving. Bijvoorbeeld door actieve communicatie over wetenschap en door te zorgen voor een betere benutting van onderzoeksresultaten (met behoud van onafhankelijkheid van onderzoek). Een belangrijke voorwaarde voor het benutten van onderzoeksresultaten is het investeren in de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek en het verder ontwikkelen van incentives voor valorisatie. Meer aandacht voor praktijkgericht onderzoek op hogescholen moet het onderwijs op hogescholen verrijken door het versterken van vaardigheden op het gebied van kennisverwerving, onderzoek en kennistoepassing en de samenwerking met universiteiten, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

• De vraagsturing bij TNO en GTI’s in 2010 integraal invoeren. Met vraagsturing wordt geprobeerd de ontwikkeling van kennis binnen deze instellingen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke en economische vraag. Daarom worden de programma’s voor de twaalf onderzoeksthema’s van TNO en GTI’s volledig vraaggestuurd en vraaggeprogrammeerd, waarbij er voldoende ruimte is voor kennisopbouw over de thema’s heen. OCW werkt hierbij samen met EZ en andere betrokken departementen.

• De «uitvinderregeling», beter publiek toegankelijk maken via de websites van alle universiteiten. Het is de bedoeling dat onderzoekers door de uitvinderregelingen meer kunnen profiteren van de opbrengst van intellectueel eigendom.

• De valorisatie verhogen. De projectgroep Valorisatie (met daarin kennisinstellingen, bedrijven en departementen) inventariseert welke factoren van belang zijn om valorisatie te bevorderen en welke rol de verschillende partijen daarbij kunnen spelen, met als doel hier op termijn afspraken over te maken.

Project Nederland ondernemend innovatieland

Met het project Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI) wil het kabinet de concurrentiepositie van Nederland versterken en maatschappelijke vraagstukken aanpakken. Dit project loopt door gedurende de gehele kabinetsperiode. Daarom is de interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie opgericht(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 406, nr. 112). De ministeries van OCW en EZ zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding. Door het programma van NOI wil het kabinet kennis, ondernemerschap en innovatie inzetten om een aantal maatschappelijke problemen aan te pakken. Het programma van het project NOI bestaat uit drie centrale deelprogramma’s.

• Lange termijnstrategie Nederland Ondernemend Innovatieland. De lange termijnstrategie geeft een beeld van de Nederlandse samenleving in 2030, vertaald in concrete ambities en doelstellingen. De kern van de strategie ligt in het stellen van doelen op 3 essentiële factoren die samen het «dynamisch vernieuwingsvermogen» vormen. Deze drie factoren zijn: het versterken en benutten van talenten, het versterken en benutten van kennis in publiek en privaat onderzoek en het bevorderen van innovatief ondernemerschap.

• De maatschappelijke innovatieagenda en de uitwerking daarvan in concrete innovatieprogramma’s. Hierin staat het inzetten van kennis, ondernemerschap en innovatie om maatschappelijke vraagstukken op te lossen centraal. De maatschappelijke innovatieagenda’s voor zorg, veiligheid, water en energie zijn in 2008 opgesteld en worden in de loop van 2008 vertaald naar concrete acties en programma’s. Een agenda voor onderwijs en een agenda voor duurzame agro-innovatie volgen begin 2009.

• Versterken innovatief vermogen. Doel van dit deelprogramma is het versterken van het innovatief vermogen van bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De focus ligt op drie aandachtsgebieden: Nederland als brandpunt voor talent, kennis moet rollen en de innovatieve overheid. Binnen deze thema’s zijn concrete projecten gestart, zoals een TaskForce Technologie, Onderwijs, Arbeidsmarkt om het tekort aan technici en technologen te verminderen.

OCW is nauw betrokken bij het tweede innovatieplatform. De minister-president is voorzitter van dit platform en de ministers van OCW en EZ zijn respectievelijk eerste en tweede vice-voorzitter. Het tweede platform is gericht op maatschappelijke innovatie en ondernemerschap (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 27 406, nr. 107). Ook in het OCW-beleid komt deze ambitie terug. OCW zal de doelstellingen van het onderwijsinnovatiebeleid presenteren in de nog uit te brengen maatschappelijke innovatieagenda onderwijs. Verder zal voor maximaal € 90 mln. aan voorstellen bij het FES worden ingediend met als doel door innovatie het lerarentekort te verminderen. Het Innovatieplatform heeft voorgesteld te experimenteren met De Netwerkschool, dit experiment maakt deel uit van de FES-voorstellen. Daarnaast zal voor minimaal €78 miljoen aan voorstellen bij het FES worden ingediend voor de incidentele financiering van enkele grootschalige researchfaciliteiten. MP

Rijk cultureel leven

Doelstelling 73: Alle jongeren tot 18 jaar raken actief of passief vertrouwd met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis

Het kabinet streeft naar een hoogwaardig cultuuraanbod dat voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is. In het cultuurbeleid van het kabinet staan de ontwikkeling van talent en de vergroting van deelname aan cultuur centraal. Het kabinet wil dat alle jongeren tot 18 jaar actief of passief vertrouwd raken met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis. Deze doelstelling heeft het kabinet in «Kunst van leven», de hoofdlijnennotitie over het cultuurbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44) uitgewerkt in een tienpuntenplan. Alle maatregelen uit het plan zijn gericht op het zelf beoefenen en ervaren van cultuur.

Cultuurkaart

Het kabinet gaat ervoor zorgen dat scholen beter kunnen voldoen aan de kerndoelen en eindtermen op het gebied van kunst en cultuur. Bijvoorbeeld door een cultuurkaart voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Deze cultuurkaart is de opvolger van de huidige CKV-bonnen. De invoering van de cultuurkaart stelt alle leerlingen in het voortgezet onderwijs in staat culturele activiteiten te ondernemen. Dit draagt bij aan de cultuurparticipatie van jongeren. Ruim 900 000 leerlingen uit het voortgezet onderwijs krijgen vanaf het schooljaar 2008–2009 de cultuurkaart. Voor het project is jaarlijks een bedrag van € 15,5 miljoen beschikbaar.

Gratis musea

Met ingang van het schooljaar 2009–2010 krijgen kinderen tot en met 12 jaar vrije toegang krijgen tot musea. Deze maatregel bevordert het museumbezoek door leerlingen van de basisschool. Door vrije toegang wordt de cultuurparticipatie van kinderen en gezinnen naar verwachting verhoogd. Het is de bedoeling dat hierdoor in 2011 het aantal bezoeken van kinderen in de leeftijd tot en met twaalf jaar met 30% is toegenomen ten opzichte van 2008. In 2008 is een nulmeting gehouden. Voor de invoering van vrije toegang tot musea voor kinderen tot en met twaalf jaar is vanaf 2009 € 5,4 miljoen per jaar beschikbaar.

Internationale excellentie en subsidieplan 2009–2012

Voor internationale excellentie trekt de regering € 4 miljoen extra uit. Dit geld gaat naar enkele wereldspelers op verschillende terreinen van cultuur.

Tegelijk met deze begroting wordt het subsidieplan 2009–2012 naar de Kamer gezonden. De cultuursubsidies worden voor het eerst volgens een nieuwe systematiek verdeeld. Voor de instellingen in de basisinfrastructuur komt de komende 4 jaar in totaal ruim € 10 miljoen extra per jaar beschikbaar.

Internationaal cultuurbeleid

Het kabinet zet gericht in op sectoren waarin Nederland internationaal al sterk staat, maar nog sterker kan worden. Voor de komende periode hebben de brancheorganisaties en sectorinstituten voor mode, design en architectuur en de ministeries van BZ, EZ en OCW de handen ineengeslagen. Samen wordt extra ingezet op internationale uitwisseling, presentatie, marktverruiming en verhoging van de innovatie- en concurrentiekracht voor deze internationaal sterk opkomende sectoren. Het internationaal cultuurbeleid 2009–2012 is uitgewerkt in de brief die OCW samen met BZ, tegelijkertijd met deze begroting uitbrengt.

Canon van Nederland en leesbevordering

Het kabinet ondersteunt scholen bij de invoering van de canon van Nederland. Voor de verbetering van de historische kennis in het onderwijs is de canon een waardevol instrument. De vijftig vensters van de canon laten belangrijke personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis zien. Het kabinet is van plan om de canon met ingang van het schooljaar 2009–2010 op te nemen in de kerndoelen voor de bovenbouw van het primair en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Het voorstel hiervoor wordt najaar 2008 naar de Tweede Kamer gestuurd. De Stichting Leerplanontwikkeling ontwikkelt een handreiking voor docenten. De stichting entoen.nu zet een informatiecampagne op.

Daarnaast is in 2008 het programma voor leesbevordering «Kunst van Lezen» van start gegaan. Met dit programma komt er extra geld beschikbaar voor het reguliere leesbevorderingsbeleid. Doel van het programma is om kinderen en jongeren te verleiden tot het lezen van literatuur. Het programma besteedt aandacht aan de canon door Nederlandstalige (jeugd)literatuur en klassieke werken aan de vijftig vensters te verbinden. Ofschoon in de eerste plaats een cultuurprogramma, draagt het ook bij aan een betere taalvaardigheid. In dat kader worden er activiteiten ontwikkeld die complementair zijn aan de (voor)leesprogramma’s voor kinderen van 0–3 en van 5–12 jaar. Het programma leesbevordering loopt tot en met 2011. In 2009 is hiervoor een budget beschikbaar van in totaal € 2 miljoen. De voortgang en resultaten van het programma worden gemonitord. Halverwege de looptijd van het programma wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Fonds cultuurparticipatie

Voor de uitvoering van veel van de bovenstaande plannen is een belangrijke rol weggelegd voor het «programmafonds cultuurparticipatie». Het fonds versterkt de banden tussen amateurkunst en cultuureducatie. Het vormt de start van een nieuw stimuleringsbeleid. De missie van het programmafonds is om de cultuurparticipatie van alle burgers te stimuleren. De komende jaren legt het fonds het accent op actieve participatie. Het fonds bestaat uit drie deelprogramma’s: cultuureducatie, amateurkunst en volkscultuur. Het programmafonds is een goed middel om de doelen van Rijk, gemeenten en provincies te realiseren. Aan het «programmafonds cultuurparticipatie» stelt de regering een bedrag beschikbaar dat oploopt tot ruim € 22 miljoen in 2011. Het programmafonds krijgt geld om culturele instellingen in staat te stellen de canon aantrekkelijk te presenteren. Het fonds cultuurparticipatie gaat per 1 januari 2009 van start.

Nationaal Historisch Museum

In Arnhem komt een Nationaal Historisch Museum (NHM). Het museum heeft als doel laagdrempelig en aantrekkelijk de geschiedenis van Nederland te presenteren. Het NHM bevordert het historisch besef en de kennis van de geschiedenis van Nederland. Hiervoor wordt een stichting opgericht met een raad van toezicht en een directie. De stichting krijgt als opdracht een gebouw in Arnhem te realiseren en, vooruitlopend op de opening hiervan, activiteiten en manifestaties te organiseren. Dit gebeurt in samenwerking met landelijke, lokale en regionale organisaties. Voor het NHM is € 3 miljoen beschikbaar in 2009, oplopend naar € 12 miljoen in 2011.

Doelstelling 74: Het aanbod van de publieke omroep is kwalitatief hoogwaardig en crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek

Het kabinet wil dat burgers toegang hebben tot een breed en pluriform media-aanbod. Daarbij past een sterke publieke omroep en een onafhankelijke en pluriforme pers. Het mediagebruik verandert onder invloed van digitalisering. Om effect te sorteren strekt het mediabeleid zich uit over de volle breedte van het medialandschap. Het richt zich op alle hedendaagse vormen van contentproductie- en distributie: publieke en commerciële omroep, kranten en opiniebladen en journalistieke en culturele uitingen op internet. De acties op het terrein van mediabeleid voor 2009 zijn:

Mediawijsheid

Het Mediawijsheid Expertisecentrum gaat kinderen, (groot)ouders, opvoeders en leerkrachten helpen actief en verstandig gebruik te maken van media. In 2008 is het centrum gestart met onder meer online dienstverlening via de sitewww.mediawijsheidkaart.nl. In 2009 moet de organisatie «echt staan» en wordt de service uitgebreid met fysieke loketten bij «Beeld en Geluid» en de bibliotheken. Er komt een publiekscampagne over mediawijsheid en de samenwerking tussen partijen die actief zijn met mediawijsheid wordt bevorderd. Het budget voor het Mediawijsheid Expertisecentrum loopt op tot minimaal € 1 miljoen in 2010.

Wijzigingen mediawet

De taak en organisatie van de landelijke publieke omroep wordt in 2009 aan de eisen van deze tijd aangepast. Dit gebeurt door twee wijzigingen van de mediawet. De «Multimediawet» zorgt ervoor dat de publieke omroep volop multimediaal kan opereren. De wet verruimt ook de regels voor reclame en sponsoring bij de commerciële omroep. De «Erkenningswet» schept de kaders voor de nieuwe concessieperiode 2010–2015 van de publieke omroep en maakt duidelijk welke eisen gesteld worden aan de erkenning van omroepverenigingen. In 2009 wordt ook de Richtlijn Audiovisuele mediadiensten in de Mediawet opgenomen (Implementatiewet). Hiermee wordt de regelgeving op het terrein van omroep en lineaire audiovisuele diensten gemoderniseerd en geliberaliseerd. Vergelijkbare diensten worden op dezelfde wijze gereguleerd, ongeacht de technische distributiewijze. Dit moet leiden tot een gelijk speelveld op de markt van audiovisuele mediadiensten.

Voorbereiding nieuwe concessietermijn publieke omroep

In 2009 wordt de visitatie van de landelijke publieke omroep en de wereldomroep afgerond. De visitatiecommissie beoordeelt hoe de publieke omroep zijn taak heeft vervuld tussen 2005 en 2010 en schenkt daarbij aandacht aan de programmering, het bereikte publiek, de organisatie en de financiering. Ook wordt het doel en de functie van het «stimuleringsfonds culturele omroepproducties» geëvalueerd. Kerntaak van het fonds is het bevorderen van de kwaliteit van de culturele programmering van de publieke omroep. De visitaties en evaluaties vormen de opmaat voor de nieuwe concessieperiode van de landelijke publieke omroep (2010–2015) en de verlening van erkenningen aan omroepverenigingen in 2010.

Financiering

In het mediabeleid staat de overheid op gepaste afstand. Daarom is wetgeving belangrijk om de optimale voorwaarden te scheppen voor publieke en commerciële partijen in het veld om hun taak goed uit kunnen voeren. Voor de publieke omroep hoort daar nog een passende financiering bij. Bij de landelijke omroep door de rijksoverheid en bij de regionale en lokale omroepen door respectievelijk de provincies en gemeenten. Het Commissariaat voor de Media ziet toe op de naleving van de prestatieovereenkomst 2008–2010 van de landelijke publieke omroep die in november 2007 is afgesloten.

Geëmancipeerd Nederland

Doelstelling 36: Het kabinet geeft een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en aan het homo-emancipatiebeleid

Het vernieuwde emancipatiebeleid wordt inmiddels volop uitgevoerd op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. De bedoeling is meer vrouwen aan de top, het vergroten van de arbeidsparticipatie van vrouwen en het wegwerken van beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen. Voor lesbiennes en homo’s wil het kabinet de veiligheid en de sociale acceptatie vergroten. Voor de vernieuwing van het emancipatiebeleid en het lesbisch- en homo-emancipatiebeleid is in deze kabinetsperiode een extra bedrag oplopend tot € 10 miljoen in 2011 beschikbaar. Er is in 2007 en 2008 begonnen met het uitvoeren van de activiteiten en programma’s die zijn aangekondigd in de nota «Meer kansen voor vrouwen»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 420, nr. 50) en de nota «Gewoon homo zijn» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 017, nr. 33).

Om dit doel te bereiken gaat OCW (in 2009):

Meer kansen voor vrouwen

• Koploperovereenkomsten financieel ondersteunen. Eind 2008 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met minimaal 20 «koplopergemeenten» over maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden en over tijdbeleid om de combinatie van arbeid en zorg «tussen 7 en 7» te vereenvoudigen. Voor uitvoering van deze koploperovereenkomsten is ongeveer € 5 miljoen beschikbaar voor maatschappelijke participatie en € 2.5 miljoen voor tijdbeleid «7 tot 7».

• Een bijdrage leveren aan de «Taskforce DeeltijdPlus». De eerste resultaten van deze – in 2008 ingestelde – taskforce worden in 2009 naar verwachting zichtbaar. De taskforce besteedt aandacht aan het verhogen van het aantal uren dat vrouwen werken. Doelstelling van het kabinet is een verhoging van de arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van tenminste twaalf uur per week van 58% in 2007 naar minimaal 65% in 2011. SZW stelt gedurende deze kabinetsperiode € 5 miljoen beschikbaar voor de taskforce.

• De charter «Talent naar de top» financieel ondersteunen. Het streven is dat in 2011 het aandeel vrouwen in topposities van het bedrijfsleven 20% bedraagt. Hiervoor is een taskforce ingesteld, die een charter «Talent naar de top» heeft gepresenteerd. Toonaangevende bedrijven en overheidsinstellingen, die de ambitie hebben het aantal vrouwen aan de top te vergroten, hebben zich hierop ingeschreven. Voor de ontwikkelfase is vanuit EZ en OCW gezamenlijk € 1 miljoen beschikbaar. EZ en OCW financieren ook de vervolgfase.

• De beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen verminderen. Hiervoor is afgesproken dat bij de overheid het beloningsverschil van 4% (in 2004) in de komende kabinetsperiode minimaal gehalveerd wordt en zo mogelijk geheel wordt weggewerkt. In 2009 wordt dit beleidsvoornemen door BZK verder uitgewerkt.

• De deelname van meisjes aan technische opleidingen stimuleren. In 2009 wordt een plan van aanpak voor de bevordering van de deelname van meisjes in technische opleidingen gemaakt. Hiervoor is € 3 miljoen beschikbaar.

• Meer aandacht besteden aan de emancipatie van mannen. De voornemens zijn opgenomen in de kabinetsreactie op het «Plan van de man» en worden verder uitgewerkt in de «gezinsnota» van de minister voor Jeugd en Gezin.

Gewoon homo zijn

• Koploperovereenkomsten financieel ondersteunen. De vier grote steden en twaalf middelgrote gemeenten hebben in 2008 een koploperovereenkomst homo-emancipatie getekend. Hiervoor is ongeveer € 1 miljoen beschikbaar. Het streven is dat er in 2011 minimaal 50 gemeenten zijn met een actief homo-emancipatiebeleid.

• Gay & straight – alliances financieel ondersteunen. Er worden in 2008 «gay & straight-alliances» gesloten tussen homo-organisaties en sectororganisaties in de sectoren arbeid, onderwijs, sport en ouderenzorg. Deze worden vanaf 2009 uitgevoerd. Hiervoor is in deze kabinetsperiode ongeveer € 1,5 miljoen beschikbaar.

• Een bijdrage leveren aan de dialoog over homoseksualiteit. In 2009 wordt deze dialoog verder verbreed. De dialoog wordt gevoerd door jongeren, in migrante en levensbeschouwelijke kringen.

• Een bijdrage leveren aan de landelijke «Uit-de-kast-kom-dag». Deze dag wordt voor het eerst in 2009 georganiseerd.

Bijlage: Schakeltabel beleidsagenda 2009

Toelichting

In onderstaande schakeltabel zijn ter instrumentatie van de doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma indicatoren en streefwaarden opgenomen die in relatie staan tot de voorgenomen beleidsinspanningen en prioriteiten van de OCW begroting 2009. Zij zijn voorzien van de meest recente gerealiseerde waarden en waar mogelijk tussenstreefwaarden voor 2009 en streefwaarden voor 2011 of verder. Soms ontbreken streefwaarden bij de indicatoren of zijn de streefwaarden niet specifiek gekwantificeerd. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de achterliggende beleidsartikelen.

Daarnaast zijn niet voor alle genoemde indicatoren recente gerealiseerde waarden beschikbaar. Dit heeft zowel te maken met de doorlooptijd als de periodiciteit van metingen en peilingen. Voor het uitvoeren en verwerken van metingen is immers tijd nodig, waarbij het ene onderzoek meer tijd vergt dan het andere. Ook maken sommige streefwaarden gebruik van onderzoek dat bijvoorbeeld maar één keer per twee jaar, of nog minder vaak, uitgevoerd wordt. Het is niet altijd zinvol of wenselijk vanuit het oogpunt van de administratieve lasten en het kostenaspect, om jaarlijks te monitoren. Grote internationale onderzoeken zijn bijvoorbeeld erg kostbaar. In de achterliggende beleidsartikelen is zoveel mogelijk toegelicht wanneer nieuwe gegevens worden verwacht. Zie ook de leeswijzer in de begrotingstoelichting.

Overzicht van kabinetsdoelen, instrumenten en prestatiegegevens en relatie met begrotingsartikelen.
Nr.Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma)IndicatorGerealiseerde waarde en tussenstreefwaarde 2009 (waar mogelijk)StreefwaardeVerwijzing Artikel én OD
Kwaliteitonderwijs    
37.Verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door basis-, voortgezet-, en beroepsonderwijs naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs aan te laten sluiten o.a. door middel van• verbeteren prestaties taal en rekenen en verbeteren kwaliteitszorg• verlagen drempel Gewichtenregeling• realiseren passend onderwijs• verminderen aantal zeer zwakke scholen• naleving onderwijstijdTaal en rekenenGemiddelde vaardig- heidscores in groep 8 voora. taalb. begrijpend lezenc. rekenen(Bron: NWO Cohortonderzoek)Taal en rekenen   a. 1114 (2005);b. 54 (2005);c. 117 (2005);Taal en rekenen   a. Hogerb. Hogerc. HogerTaal en rekenen   a. Art 1, OD 1.3.2.b. Art 1, OD 1.3.2.c. Art 1, OD 1.3.2.
    
Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden. (bron: PISA 2006).15,1% (2006)8% (2010)(EU Lissabondoel- stelling)Art 3, OD 3.3.2
    
Leerlingprestaties in het vo op het gebied taal. In het schooljaar 2007/2008 start een nieuw cohortonder- zoek onder de naam COOL5–18. Op dit moment is er nog geen indicator en streefwaarde taal- vaardigheid op basis van een Nederlands onderzoek aanwezig. Tenminste stabilisatie van de leerlingpresta- ties in het vo op het gebied taal in inter- nationale en longitu- dinale onderzoeken zoals PISA, PIRLS en VOCL ten opzichte van het beeld in het meetjaar 2003.Art 3, AD 3.1
      
  GewichtenregelingReductie taalachterstand van doelgroepleerlingen aan het einde van de basis- school ten opzichte van 2001 (bron: NWO-cohort- onderzoek)Gewichtenregeling– 21% (2005)Tussenstreefwaarde 2008: – 30%Gewichtenregeling- 40% (2011)GewichtenregelingArt 1, OD 1.3.3
      
  Passend onderwijsDekking infrastructuur van regionale samen- werkingsverbanden voor zorgleerlingen in het po, vo en (v)so(bron: CFI)Passend onderwijs0% (2006).Tussenstreefwaarde 2009: 20%.Passend onderwijs100% (2011)Passend onderwijsArt 1, OD 1.3.3Art 3, OD 3.3.3
      
  Dekkingsgraad zorg- en adviesteams(bron: Nederlands Jeugdinstituut)75% (2007)100% (2011)Art 4, OD 4.3.3
      
  Zwakke scholenPercentage zeer zwakke scholena. in het basisonderwijsb. in het speciaal basisonderwijsc. in het (voortgezet) speciaal basisonderwijs(bron: Inspectie van het Onderwijs)Zwakke scholena. 1,3% (2006/2007) b. 6,4% (2006/2007) c. 5% (2006/2007)Zwakke scholena. 0,65% (2010/2011) b. 3,2% (2010/2011) c. 2,5% (2010/2011)Zwakke scholena. Art 1, OD 1.3.2 b. Art 1. OD 1.3.3. c. Art. 1 OD 1.3.3
      
  OnderwijstijdMate waarin VO scholen en mbo opleidingen aan de normen voor onder- wijstijd voldoen(bron: Inspectie van het Onderwijs)OnderwijstijdDecember 2008 zal de Commissie Onder- wijstijd aanbevelingen doen voor het beleid inzake onderwijstijd. Deze aanbevelingen kunnen consequenties hebben voor beleid en streefwaarden.OnderwijstijdOnderwijstijdArt 3, OD 3.3.2
      
11.Hoger onderwijs met meer kwaliteiten minder uitval• meer kwaliteit en minder uitval in de bachelorfase • excellentie in onderwijs: beurzen voor talentvolle, ambitieuze studenten% studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en -3(bron: VSNU, CBS/1-cijfer HO)14% (2007)7% (2011)Art 6/7, OD 6.3.3
% wo-studenten dat in vier jaar de bachelor afrondt (bron: CBS/1-cijfer HO)45% (2007)>70% (2014)Art 6/7. OD 6.3.3.
      
  Rendement van stu- denten in de post-pro- paedeutische fase van het hbo.(bron: 1-cijfer HO))Van de hbo-studenten die in 2001 met de postpropaedeutische fase begonnen, behaalde 77% in 2007 het diplomaVan het cohort dat met de postpropae- deutische fase start in 2008/2009, heeft 90% in 2012/2013 het diploma behaald.Art 6/7. OD 6.3.3.
      
      
  Kwaliteit docenten: % hbo-docenten met een mastergraad(bron: Meerjarenafspraken OCW en HBO-raad)50% (2007)70% in 2014, waarvan in 2017 10% gepromoveerd of deelneemt in een promotietraject. Art 6/7, OD 6.3.2
      
38.Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst• Waardering voor het leraarschap verhogen• Leraren beter belonen en zorgen voor een beter loop- baanperspectief• Een sterkere positie van de leraar• Verdere professionalisering van het leraarsberoep en versterking van de kwaliteit van het opleiden van lerarenAantal openstaande vacatures voor leraren en managers in po, vo en bve, in fte’s(bron: Arbeidsmarktbarometer po, vo, bve).1 100 (2007) (=0,6%)Tussenstreefwaarde 2008: < 2 200 (< 1%)Kleiner dan 2 200 (2009) (< 1%)Art. 9 en AD 9.1
      
Proj. Aanval op de schooluitvalHet aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indi- cator). (bron:Tweede Kamer, 2007–2008, 26 695, nr. 44)53 100 (2007)Tussenstreefwaarde: jaarlijkse reductie van 4 500. 35 000 (2012)Art 4, OD 4.3.4
      
40.Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen• vergroten aantal combinatiefuncties  • vergroten aantal brede scholen, met prioriteit in de 40 probleemwijken• Het aantal combi- natiefuncties in en om de brede school. (bron: in ontwikkeling)• Aantal brede scholen (bron: Jaarbericht brede scholen in Nederland)• Tussenstreefwaarde 2010: 1000• 1000 (2007), Tussenstreefwaarde 2009: 11002 500 (2012)1200 (2010)Art 1, OD 1.3.4Art 1, OD 1.3.4
      
41.Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijsPercentage leerlingen van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stage loopt.(bron: OCW, plan van aanpak Maatschappelijke stage)20% (2008–2009)35% (2009–2010)65% (2010–2011)100% (2011–2012)Art 3, OD 3.3.5
      
42.Het invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs met ingang van schooljaar 2009–2010De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs(bron: Inspectie van het Onderwijs)Nulmeting (2009)Verlaging met gemiddeld € 316Art 3, OD 3.3.1
      
59.Het tegengaan van radicali- sering• inzetten van instrumenten die aansluiten op de vraag uit het onderwijsveld• Ontwikkelen van beleid ter verbetering sociale veiligheid op OCWinstel- lingen.OCW veiligheids- en radica- liseringsbeleid draagt bij aan het rijksbrede beleid. De projecten in dit kader worden gefinancierd door BZK.OCW heeft geen eigen indicatoren hiervoor, meer sluit aan bij de doelstelling van BZK op dit terrein.OCW heeft geen aparte streefwaarde voor de onderwijssector, maar sluit aan bij de doelstellingen van BZK op dit terrein. Het voorkomen en terugdringen van radicalisering in Nederland. Begroting BZK
Kinderopvang    
39.Het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang voor 0–4 jarigen (inclusief arbeidsparticipatie vrouwen)• stimuleren deelname doelgroepleerlingen aan vve• betere afstemming tussen bestaande voorzieningen van kinderopvang, peuter- speelzalen en voorschoolse educatiePercentage doelgroepleerlingen onder 2 en 3 jarigen dat deelneemt aan een VVE-programma (bron: Sardes, 2006) Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve program- ma (bron: Sardes, 2006) Gelijktrekken Leidster/kind ratio in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven57% (2006)Tussenstreefwaarde 2009: 70% 68% (2005)Tussenstreefwaarde 2009: 70% Tussenstreefwaarde 2009:1:9100% (2011) 100% (2011) 1:8 (2010)Art 24, OD 24.3.3 Art 1, OD 1.3.3 Art 24, OD 24.3.3
      
Hoogstaande wetenschap    
12.Het versterken van de internationale reputatie van Nederlandse wetenschappelijke instellingen en onder- zoeksinstellingen• versterking promotiestelsel• toename van het aantal vrouwelijk hoogleraren• doorstroming wetenschappelijk talent (Vernieuwingsimpuls)Promotiegraad (aantal promoties per 1000 personen in de leef- tijdsgroep 25–34 jarigen) (bron, VSNU en CBS) Het aandeel vrouwelijke hoogleraren(bron: VNSU/WOPI) Positie van onderzoekers binnen het pro- gramma «Vernieu- wingsimpuls».(bron: NWO jaarboek 2005)1,48 (2006) 11,2% (2007) Gezien de nog korte historie van de Ver- nieuwingsimpuls is er geen basiswaardeVerhoging relatief aantal promoties 15% (2010) Afname bij de functie van postdoc, een procentuele toename bij de functies van UD, UHD en hoog- leraarArt 16, OD 16.3.3 Art 16, OD 16.3.3 Art 16, OD 16.3.3
      
14.Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie• aandacht en prioriteit voor toepassingsgericht onderzoek• investeringen in de kwaliteit met behoud van onafhankelijkheid van onderzoekPercentage Raak-projecten met (lectoraat) deelname(bron: SIA, augustus 2008) Internationale weten- schappelijke kwaliteit op basis van de rela- tieve Nederlandse citatiescore (mondiale gemiddelde = 1) (bron: NOWT/CWTS)93% (2007) 1.34 (2003–2006)(= mondiale top-3)95% (2011) Mondiale top 3Art 6, OD 6.3.4 Art 16, AD 16.1
      
ProjNederland ondernemend innovatielandGeen indicator, afhan- kelijk van maatschappelijk innovatieagen- da voor onderwijs.  Art 3, OD 3.3.2.
Rijk cultureel leven    
73.Alle jongeren tot 18 jaar raken actief of passief vertrouwd met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis, o.a.• gratis musea• cultuurkaartAantal bezoeken aan (voormalig Rijks)musea van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar(bron: SEO Economisch Onderzoek) Verzilveringspercen- tage van de cultuurkaart (bron: CJP)Nulmeting (2008) 70% (2009)+ 30% t.o.v. Nulmeting (2011) indien kinderen t/m 12 jaar vrije toegang krijgen tot (rijks)musea 80% (2011)Art 14, OD 14.3.2 Art 14, OD 14.3.1
      
74.Het aanbod van de publieke omroep is kwalitatief hoog- waardig en crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek• mediawijsheid• wijzigingen mediawet• voorbereiden nieuwe concessietermijn publieke omroepMediawijsheid – expertisecentrumHet centrum is in 2008 gestart met onder meer online dienstverlening via de site www.mediawijsheid kaart.nl.In 2009 moet de orga- nisatie echt staan en wordt de service uitgebreid met fysieke loketten bij «Beeld en Geluid» en de biblio- theken.In 2011 is er een breed netwerk op het terrein van media-educatie(media- wijsheid-expertise- centrum)!Art 15, AD 15.1
      
Een geëmancipeerd Nederland
36.Nieuwe impuls emancipatiebeleid en lesbisch- en homo-emancipatiebeleid in uitvoering• meer kansen voor vrouwen• gewoon homo zijnArbeidsparticipatievrouwen (≥ 12 uur)(bron: CBS)58% (2007)≥ 65% (2011)Art 25, AD 25.1
    
Aandeel vrouwen in topposities (rijksoverheid)(bron: Ministerie van BZK)17% (2006)25% (2011)Art 25, AD 25.1
      
  Beloningsverschil tussen mannen en vrouwen bij de over- heid(bron: Emancipatiemonitor 2006)4% (2004)2% (2011)Art 25, AD 25.1
      
  Sociale acceptatie van homoseksuelen(bron: SCP)85% (2006)> 85% (2011)Art 25, AD 25.1

Toelichting stelselindicatoren

Onderstaande figuren illustreren de kwaliteit en het functioneren van het onderwijsstelsel als geheel. Het betreft een selectie van de stelselindicatoren die ook zijn opgenomen in de publicatie Bestel in Beeld. De gegevens zijn geactualiseerd voor het jaar 2007.

Stelselindicatoren dienen enerzijds ter verantwoording (op hoofdlijnen) aan de Tweede kamer over de kwaliteit en de resultaten van het onderwijsstelsel en anderzijds voor het signaleren van risico’s en kansen in het stelsel: is het bestaande beleid toereikend om afspraken over stelseldoelen na te komen.

Vijf van de twaalf hier opgenomen stelselindicatoren sluiten aan bij de afgesproken EU benchmarks in het Lissabonproces. Hiermee plaatsen we ons stelsel in een internationale context. Doel hiervan is te leren van wederzijdse ervaringen en waar mogelijk verbeteren van de eigen prestaties.

Dit geldt ook voor de zesde indicator: onderwijsuitgaven per deelnemer.

De overige indicatoren zeggen iets over de kwaliteit van scholen en hun toegevoegde waarde, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van voldoende onderwijspersoneel. Het betreffen belangrijke prioritaire thema’s uit de beleidsagenda.

Indicatoren en kengetallen van (kwaliteit en prestaties van) het onderwijsstelsel

1) Lissabon-doelstelling: Opleidingsniveau

Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs (bron: Eurostat)

2) Lissabon-doelstelling: Voortijdig schoolverlaten

Percentage 18–24 jarigen dat geen onderwijs volgt en geen startkwalificatie heeft behaald (bron: Eurostat)

kst-31700-VIII-2-1.gif

Doelstelling: 85% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 8% in 2010; Zie artikel 3 en 4

3) Lissabondoelstelling: Leesvaardigheid)

Percentage 15-jarige leerlingen met lage leesvaardigheden (bron: PISA

4) Lissabondoelstelling: Bèta-Techniek

Verandering (% 2007 t.o.v. 2000) instroom en uitstroom Natuur en Techniek (bron: CFI)

kst-31700-VIII-2-2.gif

Doelstelling: 9% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 15% meer uitstroom in 2010 t.o,v. 2000; Zie artikel 6 en 7

5) Lissabondoelstelling: Leven lang leren)

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteiten (bron: Eurostat

6) Onderwijsuitgaven per deelnemer

Als aandeel van het Bruto Binnenlands Product per hoofd, 2005. (bron: OESO)

kst-31700-VIII-2-3.gif

Doelstelling:20% in 2010; Zie artikel 4

Kengetal, geen streefwaarde;

Zie voor uitgaven/deelnemer artikelen 1–7

Indicatoren en kengetallen van de (kwaliteit en prestaties) van het onderwijsstelsel

7) Toegevoegde waarde scholen

Percentage scholen met voldoende opbrengsten t.o.v. het niveau dat o.g.v. samenstelling leerlingpopulatie mag worden verwacht (bron: Inspectie van het Onderwijs)

8) Kwaliteitskenmerken scholen

Percentage scholen dat voldoende scoort op diverse kwaliteitskenmerken (bron: Inspectie van het Onderwijs)

kst-31700-VIII-2-4.gif

Kengetal, geen streefwaarde; Zie ook artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze kwaliteitskenmerken artikel 1 en 3

9) Oordeel ouders over kwaliteit school van hun kind

Rapportcijfer ouders (bron: OCW Onderwijsmeter)

10) Doorlopende leerlijn

Percentage gediplomeerden naar bestemming (bron: onderwijsmatrix)

kst-31700-VIII-2-5.gif

Doelstelling: tenminste rapportcijfer 7,5 in 2010; Zie artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze indicator artikel 3

11) Aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt

Percentage afgestudeerden dat aangeeft dat de opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt (bron: ROA)

12) Openstaande vacatures

Aantal vacatures voor leraren en managers in 3e kwartaal in fte (bron: Arbeidsmarktmonitor)

kst-31700-VIII-2-6.gif

Zie voor streefwaarden bij deze indicator artikel 1, 3, 4, 6 en 7

Doelstelling: totaal aantal vacatures < 2200 fte in 2009; Zie artikel 9

Aansluiting ontwerpbegroting 2008 naar 2009

Deze beleidsagenda wordt afgesloten met de financiële paragraafAansluiting ontwerpbegroting 2008 naar 2009. In deze paragraaf worden conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting gepresenteerd en toegelicht. Deze budgettaire veranderingen zijn het gevolg van met name het coalitieakkoord, de kaderbriefbesluitvorming (enveloppenverdeling) en de augustusbesluitvorming (definitief kabinetsbesluit over de begrotingen).

Tabel 1 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde uitgavenbegroting 2008 (x € 1 miljoen)
 200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200934 945,335 127,234 987,635 150,135 325,535 503,0
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 200832 779,032 610,832 454,832 444,732 622,932 765,9
Totaal verschil2 166,32 516,42 532,82 705,42 702,72 737,1
       
Enveloppe3,4402,4649,4888,5924,5923,5
Additionele middelen kinderopvang716,0733,0313,0274,0262,0257,0
Maatregelen buitengewone uitgaven0,0– 2,0– 2,1– 2,2– 2,2– 2,2
Teldatum MBO0,0114,3114,3114,3114,3114,3
Prijscompensatie versnelling schoolboeken3,5– 1,1– 0,9– 0,20,00,0
Invoering BTW-plicht administratiekantoren0,016,516,516,516,516,5
Incidentele loonontwikkeling34,585,4136,5186,6186,6186,6
Leerlingenontwikkeling41,239,549,844,644,644,6
Werkleerrecht0,04,825,337,837,837,8
FES-middelen148,011,913,20,00,00,0
Versleuteling basisregistraties VROM0,0– 0,4– 1,1– 1,2– 1,1– 1,1
Intertemporele compensatie– 106,2– 12,083,636,911,6– 14,0
Eindejaarsmarge 2007/2008212,00,00,00,00,00,0
Wegwerken achterstanden restauraties monumenten50,00,00,00,00,00,0
Meevallers/ramingsbijstellingen27,37,1– 9,6– 1,93,711,0
Totaal bijstellingen1 129,61 399,41 387,91 593,61 598,31 574,0
       
Technische verschillen:      
Loon- en prijsbijstellingen969,4978,1982,2987,7993,8994,9
Overige technische verschillen67,4138,9162,8124,1110,7168,3
Totaal technisch1 036,71 117,01 144,91 111,81 104,41 163,2
Totaal2 166,32 516,42 532,82 705,42 702,72 737,1

Toelichting:

Enveloppe

Het betreft de bedragen die zijn toegevoegd aan de OCW begroting. Deze middelen zijn inclusief het LNV aandeel, welke zijn overgeboekt naar de begroting van LNV (zie overige technische verschillen). De onderverdeling van de enveloppen wordt in tabel 2 en 3 toegelicht.

Additionele middelen kinderopvang

Het betreft de bedragen die zijn toegevoegd aan de begroting van OCW. Kinderopvang wordt verder toegelicht onder tabel 4 van deze paragraaf.

Maatregelen buitengewone uitgaven

Hervormingen binnen de regeling buitengewone uitgaven (BU) hebben gevolgen voor inkomensafhankelijke toeslagen, waaronder de kinderopvangtoeslag. Als gevolg daarvan is de raming voor de kinderopvangtoeslag licht neerwaarts bijgesteld.

Teldatum MBO

De tweede teldatum MBO is erop gericht de instellingen aanvullend te prikkelen tot het voorkomen van voortijdige schooluitval. Uit de telling van 1 februari 2008 blijkt dat het aantal deelnemers op de 2e teldatum minder is afgenomen (ten opzicht van 1 oktober 2007) dan ten tijde van het opstellen van het coalitieakkoord was verondersteld. Als gevolg hiervan is vanaf 2009 de ingeboekte korting van € 155 miljoen verlaagd met € 114 miljoen (inclusief aandeel LNV).

Prijscompensatie versnelling schoolboeken

De versnelling van de invoering van schoolboeken naar 2008 zorgt voor extra uitgaven in dit jaar en minder uitgaven in de daarop volgende jaren.

Invoering BTW-plicht administratiekantoren

Met ingang van 1 januari 2009 wordt de BTW-vrijstelling voor administratiekantoren in het onderwijs afgeschaft. Alle onderwijssectoren worden hiervoor gecompenseerd. In totaal bedraagt het compensatiebedrag € 16,5 miljoen structureel.

Incidentele loonontwikkeling

De bedragen van de incidentele loonontwikkeling zijn inclusief oploop toegevoegd aan de begroting van OCW. Deze worden ingezet ter dekking van de kabinetsreactie op het actieplan «LeerKracht van Nederland».

Leerlingenontwikkeling

Mede als gevolg van de bevolkingsontwikkeling zijn de ramingen met betrekking tot de deelname aan het onderwijs bijgesteld. De ramingen laten ten opzichte van de begroting 2008 een hogere deelname in het po, vo en wo zien. Het totaal aantal deelnemers in het mbo was aanmerkelijk lager dan geraamd, vooral vanwege het feit dat het ingeschatte effect van de kwalificatieplicht (circa 20 000 extra mbo-deelnemers) nog niet zichtbaar was in de telling van 1 oktober 2007. In het hbo zijn meer deeltijdstudenten geteld dan was geraamd en minder voltijdstudenten.

De budgettaire vertaling van deze leerlingenontwikkeling wordt toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Werkleerrecht

In verband met de beoogde invoering van de Werkleerrecht in de loop van 2009 wordt verwacht dat 20% van de doelgroep vrijwillig kiest om een middelbare beroepsopleiding te gaan volgen. Voor deze verwachte extra groei van deelnemers aan het mbo, wordt het mbo gecompenseerd.

«Fonds Economische Structuur»-middelen (FES-middelen)

De FES-middelen worden toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Versleuteling basisregistraties VROM

Dit betreft het aandeel van OCW in de kosten voor de basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), Topografie en Grootschalige Basis Kaart Nederland (GBKN). Dit wordt toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Intertemporele compensatie

Dit betreft voor een deel een kasschuif in het kader van het actieplan ’LeerKracht van Nederland’. Daarnaast is er sprake van een kasschuif van 2009 naar 2008 in verband met een wijziging in de wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) vanwege de invoering van de gratis schoolboeken. Om de OCW-begroting over de jaren heen sluitend te maken is er tevens een kasschuif van 2008 naar latere jaren.

Eindejaarsmarge 2007/2008

Dit betreffen middelen die in 2007 op de OCW begroting nog niet tot uitgaven hebben geleid en zijn doorgeschoven naar 2008.

Wegwerken achterstanden restauraties monumenten

Dit amendement, dat is aangenomen tijdens het debat over de voorjaarsnota, behelst een eenmalige impuls van € 50 miljoen voor het wegwerken van de achterstanden in restauratie van monumenten.

Meevallers/ramingsbijstellingen

Dit is een saldering van de mee- en tegenvallers aan de uitgavenkant van de begroting.

Loon- en prijsbijstellingen

Deze worden toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Overige technische verschillen

De overige technische bijstellingen betreffen grotendeels desalderingen met de ontvangsten en overboekingen met andere departementen, waaronder het LNV-aandeel uit de enveloppen.

Zie voor de meerjarenraming van de uitgaven per artikel het verdiepingshoofdstuk (samenvatting).

Enveloppen

Tabel 2 Enveloppen (x € 1 miljoen)
 200820092010201120122013
EnveloppeInnovatie, Kennis en Onderzoek0,032,032,032,032,032,0
EnveloppeKinderopvang0,0111,0281,2449,0485,0485,0
EnveloppeOnderwijs0,0115,9114,9114,9114,9114,9
EnveloppeOnderwijs: Actieplan «LeerKracht van Nederland»0,093,1167,1224,1224,1224,1
EnveloppeOnderwijs / MBO0,017,017,017,017,017,0
EnveloppeCultuur en monumenten0,024,027,842,042,042,0
EnveloppeParticipatie, onderkant en armoede2,47,47,47,57,57,5
EnveloppeVeiligheid1,02,02,02,02,01,0
Totaal uitdeling3,4402,4649,4888,5924,5923,5
Tabel 3 Verdeling enveloppen per artikel (x € 1 miljoen)
 200820092010201120122013
Primair onderwijs0,028,028,028,028,028,0
Voortgezet onderwijs2,430,830,830,830,930,9
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie0,044,344,344,344,344,3
Hoger beroepsonderwijs0,025,325,326,326,326,3
Wetenschappelijk onderwijs– 1,05,717,724,724,724,7
Onderwijspersoneel0,093,1167,1224,1224,1224,1
Cultuur0,023,227,041,241,241,2
Onderzoek en wetenschappen2,039,026,018,018,017,0
Kinderopvang0,0111,0281,2449,0485,0485,0
Emancipatie0,02,02,02,02,02,0
Totaal uitdeling3,4402,4649,4888,5924,5923,5

Toelichting:

De tranche 2009 uit de verschillende enveloppen is aan de OCW-begroting toegevoegd. Daarnaast zijn oplopen uit enveloppen Kinderopvang, Onderwijs (actieplan «LeerKracht van Nederland») en Cultuur en monumenten aan de begroting toegevoegd. De oploop van de overige enveloppen voor 2010 en verder en het resterende deel uit de enveloppe Cultuur en monumenten is conform de afspraak uit het coalitieakkoord gereserveerd op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën. Besluitvorming over deze tranches vindt in het voorjaar 2009 en 2010 plaats.

Kinderopvang

Tabel 4 Kinderopvang (x € 1 miljoen)
 200820092010201120122013
Ontwerpbegroting OCW20081 9331 8591 9121 9611 9972 046
Uitgavenraming bij ongewijzigd beleid2 7843 2073 3513 5033 5403 591
bruto problematiek8511 3481 4391 5421 5431 545
technische mutaties op begroting 2008*– 26– 26– 55– 56– 57– 59
netto problematiek8251 3221 3841 4861 4861 486
       
Maatregelen op het terrein van gastouderbureaus en gastouderopvang00383353353353
Tabel kinderopvangtoeslag0360331347347347
Overige maatregelen, waaronder niet-gebruikte uren, maximumprijs en facturering1410183878787
Totaal maatregelen14461797787787787
Saldo na maatregelenpakket811861587699699699
       
Inzet enveloppemiddelen**1096242393405410
Extra ontvangsten na afrekenen toeslag323232323232
Additionele middelen716733313274262257
Meevaller Studiefinanciering5300000
Totale dekking811861587699699699

* Loon en prijsbijstelling en overboeking naar gemeentefonds

** Zie tabel 24.4, beleidsartikel 24

Toelichting:

Het gebruik van de kinderopvang groeit harder dan verwacht. Om de financiële houdbaarheid van het stelsel op lange termijn te waarborgen, zijn aanpassingen van het stelsel noodzakelijk. In bovenstaande tabel wordt de problematiek, het totaal aan maatregelen en de bijbehorende dekking weergegeven. In artikel 24 wordt hier dieper op ingegaan.

Ontvangsten

Tabel 5 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde ontvangstenbegroting 2008 (x € 1 miljoen)
 200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20092 078,51 971,01 969,51 920,31 981,42 066,6
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 20081 207,81 225,41 211,11 118,91 137,01 178,0
Totaal verschil870,7745,6758,4801,4844,3888,5
Ramingsbijstelling Wet kinderopvang32,032,032,032,032,032,0
Leerlingenontwikkeling0,9– 2,9– 2,9– 2,9– 2,9– 2,9
FES-middelen148,011,913,20,00,00,0
Eindejaarsmarge 2007/20080,20,00,00,00,00,0
Meevallers/ramingsbijstellingen34,317,511,113,619,226,5
Totaal bijstellingen215,458,553,442,748,355,6
Technische bijstellingen655,3687,1705,0758,7796,0832,9
Totaal technisch655,3687,1705,0758,7796,0832,9
Totaal870,7745,6758,4801,4844,3888,5

Toelichting:

Ramingsbijstelling Wet kinderopvang

Dit betreft een verhoging van de ontvangstenraming door terugvordering van teveel uitbetaalde kinderopvangtoeslag. Kinderopvang wordt verder toegelicht onder tabel 4 van deze paragraaf en in artikel 24.

Technische bijstellingen

Het betreft hier een bijstelling van de autonome ramingen en desalderingen met de uitgaven.

Zie voor de meerjarenraming van de ontvangsten per artikel het verdiepingshoofdstuk (samenvatting).

3. BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

1.1 Algemene doelstelling: het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

Omschrijving

Alle kinderen hebben recht op passend en kwalitatief goed primair onderwijs in voldoende toegeruste scholen (Grondwet, art 23:Stb. 2002, 200). De overheid houdt daarvoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, heeft de overheid als taak om ondersteuning te bieden en onderwijsachterstanden te voorkomen (Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra). De overheid verplicht ouders door middel van de Leerplichtwet om hun kinderen onderwijs te laten volgen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige besteding van onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die hij tot zijn beschikking heeft, zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur.

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor zorg in de school vanuit het gemeentelijke en preventieve domein. In de beleidsvorming over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg werken de ministers van OCW en JenG nauw samen, omdat de school de vind- en werkplaats is van kinderen en jongeren met problemen.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg), andere overheden en bedrijven. De minister is daarom ook afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen (zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand) en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 1.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde wiskundeprestaties» in groep 6 van het basisonderwijs5/66Top 5Top 5
Bron: TIMSSPeildatum: 1995Peildatum: 2003Peildatum: 2007Peildatum: 2011
2. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde leesvaardigheid» in groep 6 van het basisonderwijs2112Top 5
Bron: PIRLSPeildatum: 1995Peildatum: 2007 Peildatum: 2011
3. Percentage scholen waar de resultaten van de leerlingen aan het einde van de schoolperiode ten minste liggen op het niveau dat op grond van de samenstelling van de leerlingpopulatie mag worden verwacht. 89%95%NvtNvt
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2004Peildatum: 2007NvtNvt
4. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo advies38%40%
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2005Peildatum: 2008
5. Rapportcijfer ouders over de kwaliteit van de school van hun kind7,57,5Tenminste 7,5Tenminste 7,5
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2001Peildatum: 2008Peildatum 2009Peildatum: 2011

Toelichting:

1–2: Deze indicator brengt het nationale prestatieniveau in vergelijking met andere landen in beeld. Het is de ambitie dat het Nederlandse basisonderwijs tot de top vijf van de wereld behoort als het gaat om wat leerlingen presteren op gebieden als taal en rekenen. Minder goede internationale prestaties zijn aanleiding tot een grondige evaluatie. Eind 2008 volgt een nieuwe peiling van TIMSS over het jaar 2007. In 2011 volgt een nieuwe peiling van PIRLS.

3: Deze indicator wordt bepaald door de gemiddelde prestaties van de school te bekijken over een periode van drie jaren, hierbij rekening houdend met de sociaal economische status en etniciteit van de leerlingpopulatie. Hierdoor ontstaat een goed zicht op scholen die langere tijd zeer zwakke of juist zeer goede opbrengsten hebben. Wel is de meting relatief: de prestaties worden afgezet tegen een verwacht niveau waardoor er altijd scholen zijn waarvan de prestaties onder, dan wel boven het verwachte niveau liggen. In oktober 2007 heeft Prof. dr. J.L. Peschar in opdracht van OCW het onderzoek afgerond: «Over leerwinst als stelselindicator. Een verkennend onderzoek naar de ontwikkeling van een stelselindicator voor leerwinst of toegevoegde waarde van het onderwijs in Nederland». De resultaten van een vervolgopdracht voor de constructie van deze absolute indicator komen eind 2008 beschikbaar.

4: Nederland streeft ernaar dat op termijn (na 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Om deze doelstelling te bereiken, is het gewenst dat meer leerlingen in het primair onderwijs een hoger prestatieniveau bereiken en dat zij dat niveau ook vasthouden in het voortgezet onderwijs. Begin 2009 zijn nieuwe cijfers beschikbaar.

5: Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid met de school van hun kind. In 2008 is het rapportcijfer 7,5. Het is de ambitie om dit cijfer in de toekomst ten minste op een 7,5 te houden. Of deze ambitie gerealiseerd wordt, zal niet alleen beïnvloed worden door het departementale beleid, zoals het beleid voor ouderbetrokkenheid, maar ook door factoren waar het departement minder direct invloed op kan en wil uitoefenen. In 2009 zal een nieuwe waardering voor 2009 beschikbaar zijn.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen8 789 2369 057 0949 111 9728 995 6308 909 5688 856 1238 771 973
Waarvan garantieverplichtingen0000000
Totale uitgaven8 599 8499 058 2759 113 1888 996 8468 910 7848 857 3398 773 189
        
Programma-uitgaven:8 593 2499 051 4159 107 2248 991 1278 905 7228 852 2778 768 127
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs8 114 1228 564 0898 793 3318 760 4278 688 2998  633 3438 550 078
• Personele bekostiging7 012 0847 428 8107 649 6297 627 1637 562 2837 514 5357 442 831
• Materiële bekostiging1 068 8751 097 9281 106 3631 100 9191 093 7621 082 9691 073 703
• Verbeteren binnenmilieu07002 7002 7002 7002 7002000
• Onderwijspersoneelsbeleid8 1766 2195 4934 4934 4935 5935 593
• Invoering onderwijsnummer4 4094 1245 2242 0002 0002 0002 000
• Versterken positie ouders2 7633 6023 4942 8342 7442 7292 729
• Overig17 81522 70620 42820 31820 31722 81721 222
        
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit57 34851 48638 98832 69427 39524 15424 034
• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten2 63817 19425 94021 77515 10013 30013 300
• Leer- en hulpmiddelen00006 0006 0006 000
• Excellentie en talentontwikkeling01 0003 0003 0003 00000
• Vergroten kwaliteitszorg411720600600600600600
• Verbreding techniek in het basisonderwijs1 2458 2617 8814 7875005000
• Cultuur en school15 70016 85000000
• Schoolbegeleiding35 7876 1961 2981 132967801641
• Overig1 5671 2652691 4001 2282 9533 493
        
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften304 841359 587344 900300 422289 872289 176289 187
• Passend onderwijs, WSNS en LGF60 51247 75554 40556 86958 42959 23359 234
• Onderwijsachterstandenbeleid(o.a gewichtenregeling en VVE)216 493279 589258 282211 310199 230198 940198 950
• Segregatie01 0001 0001 0001 00000
• Faciliteiten zieke leerlingen6 2246 5716 5716 5716 5716 5716 571
• Veiligheidop school21 26222 87422 84422 87422 84422 63422 634
• Overig3501 7981 7981 7981 7981 7981 798
        
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school68 09132 14428 11013 79013 68912 77412 774
• Brede scholen31 67625 43915 7419 5169 4158 5008 500
• Dagarrangementen en combinatiefuncties4651 9808 0000000
• Tussenschoolse opvang3 5694 2744 2744 2744 2744 2744 274
• Buitenschoolse opvang32 121256850000
• Overig260195100000
        
Voorcalculatorische uitdelingen00– 134 558– 148 697– 144 933– 138 569– 139 345
        
Programmakosten overig48 84744 10936 45332 49131 40031 39931 399
• Uitvoeringsorganisatie IBG18 61621 88616 62914 52814 45514 45614 456
• Uitvoeringsorganisatie CFI30 23122 22319 82417 96316 94516 94316 943
        
Apparaatsuitgaven6 6006 8605 9645 7195 0625 0625 062
Ontvangsten101 84572 92221 9365 9361 6611 6611 661

1 Met ingang van 1 augustus 2006 is er een vraaggestuurde financiering van schoolbegeleidingsdiensten en worden de middelen stapsgewijs opgenomen in de vergoeding aan scholen. In deze tabel verschuiven deze middelen dan naar het onderdeel «personele bekostiging».

2 De middelen voor innovatie in het Primair onderwijs zijn met ingang van deze begroting opgenomen onder het instrument «verbeteren van taal- en rekenopbrengsten». Deze middelen worden hier volledig voor ingezet. De middelen voor leer- en hulpmiddelen zijn voor 2009 en 2010 ook opgenomen onder het instrument «verbeteren van taal- en rekenopbrengsten».

3 De middelen voor de eerste opvang aan leerplichtige asielzoekers zijn met ingang van 1 augustus 2007 opgenomen in de lumpsum. In deze tabel zijn deze middelen daarom opgenomen onder het instrument «personele bekostiging».

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 1 (primair onderwijs) enveloppegelden gereserveerd. Uit de enveloppe «onderwijs» gaat het om een bedrag van € 31,3 miljoen in 2008 oplopend tot indicatief € 185,1 miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop van de enveloppemiddelen op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. In totaal komt uit de tranche 2009 € 28 miljoen per jaar uit de enveloppen beschikbaar. Daarnaast is met de begroting 2008 voor artikel 1 een bedrag uit de enveloppe «kinderopvang» beschikbaar gekomen van € 53,5 miljoen in 2008 en € 41,5 miljoen in 2009 voor voor- en vroegschoolse educatie.

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) enveloppegelden gereserveerd voor lerarenbeleid. Bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58) zijn extra middelen vrijgemaakt voor de uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Vanaf 2009 is structureel € 126,5 miljoen overgeboekt naar artikel 1 (primair onderwijs).

De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd. Met de enveloppemiddelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• De ontwikkeling van het taal- en rekenonderwijs en het opstellen van een beschrijving van wat leerlingen aan het eind van het basisonderwijs voor taal en rekenen moeten kennen en kunnen. (zie 1.3.2)

• Maatregelen die volgen uit de Kwaliteitsagenda PO(Tweede Kamer, 2007–2008, 31 293, nr. 1) die in samenwerking met de sector is opgesteld. Daarbij wordt gefocust op versterking van het taal- en rekenonderwijs en de kwaliteitszorg. (zie 1.3.2)

• Voortgaande financiering van innovatieprojecten via het IPO Platform Kwaliteit en Innovatie. (zie 1.3.2)

• Begeleiding van het proces naar passend onderwijs. (zie 1.3.3)

• Versterking van het onderwijsachterstandenbeleid, waarbij er enerzijds voldoende geld in de grote steden beschikbaar blijft, en anderzijds meer geld beschikbaar komt voor gemeenten in landelijke gebieden met specifieke plattelandsproblematiek. (zie 1.3.3)

• Versterking van het aanbod van voorschoolse educatie en vroegschoolse educatie. (zie 1.3.3)

• Stimulering van de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken. (zie 1.3.4)

• Lerarenbeleid in het primair onderwijs, conform het actieplan «LeerKracht van Nederland». Zie de maatregelen bij artikel 9, (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid)

Tabel 1.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)19 205 3299 107 3329 019 2558 959 4478 876 073
Totaal juridisch verplicht9 139 8659 037 3898 950 5208 890 7198 808 104
Totaal bestuurlijk gebonden265 46469 91868 51067 75066 551
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0252259781 418
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs8 793 3318 760 4278 688 2998 633 3438 550 078
• Juridisch verplicht8 782 2398 750 2358 678 1578 621 5528 539 036
• Bestuurlijk gebonden11 09210 19210 14211 29110 542
Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000500500
      
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit38 98832 69427 39524 15424 034
• Juridisch verplicht10 4317 2873 00000
• Bestuurlijk gebonden25 55725 40724 39523 90123 441
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000253593
      
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften344 900300 422289 872289 176289 187
• Juridisch verplicht320 205275 594265 089264 893264 794
• Bestuurlijk gebonden24 69524 82824 58324 08324 093
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00200200300
      
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school28 11013 79013 68912 77412 774
• Juridisch verplicht26 9894 2744 2744 2744 274
• Bestuurlijk gebonden1 1219 4919 3908 4758 475
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden025252525

1 Exclusief de voorcalculatorische uitdelingen en de programmakosten overig.

2 De enveloppemiddelen die nog niet juridisch zijn verplicht, zijn opgenomen als bestuurlijk gebonden.

1.3 Operationele beleidsdoelstelling

1.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs

Motivering

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om scholen goed toe te rusten zodat scholen in staat zijn om te voldoen aan eisen voor toegankelijkheid en kwaliteit. Scholen en schoolbesturen moeten kunnen inspelen op de specifieke omstandigheden en onderwijs op maat bieden. De lumpsumbekostiging stelt hen daarbij in staat om zelf af te wegen hoe het beschikbare budget het beste kan worden ingezet. Hierover verantwoordt het bestuur zich.

In januari 2008 hebben de besturen- en schoolleidersorganisaties uit het primair onderwijs de PO-raad opgericht. De PO-raad behartigt de gemeenschappelijke belangen van het primair onderwijs; in ieder geval op het gebied van de bekostiging, goed werkgeverschap en de hoofdlijnen van het onderwijsbeleid. De oprichting van de PO-raad is een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van een krachtige en zelfbewuste sector.

Bij de Tweede Kamer wordt dit najaar een wetsvoorstel ingediend die betere mogelijkheden biedt om gericht te kunnen optreden als er sprake is van evident slecht onderwijs of slecht bestuur. Het gaat daarbij om uitzonderlijke gevallen waarin bijvoorbeeld het niveau van het onderwijs op een school ernstig of langdurig te kort schiet en er geen zicht is op verbetering. In zo’n geval kan in het belang van de leerlingen worden besloten tot sluiting van de school. Een ander voorbeeld is dat een bestuur door een aanwijzing kan worden gecorrigeerd als er sprake is van ernstig wanbeleid.

Instrumenten

• Personele bekostiging

De basis voor de personele bekostiging van scholen is het aantal leerlingen, de gemiddelde leeftijd van de leraren en het opleidingsniveau van de ouders. Voor de bekostiging van vervangers van bijvoorbeeld zieke leraren (vervangingsfonds) en voor de verzekering van de wachtgelden (participatiefonds) geldt een verzekeringsplicht. De premiebetaling is verplicht en voor de bekostiging van de vervangers moeten scholen declaraties indienen. Dat brengt veel regels en administratie met zich mee. Daarom zal in deze kabinetsperiode een eerste experimentele stap worden gezet naar decentralisatie van vervanging. De beoogde startdatum is 1 januari 2009. De uitkomst van het experiment is bepalend voor de vervolgstappen. Op termijn zal ook nader onderzoek gedaan worden naar een herziening van het participatiefonds.

• Materiële bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen een lumpsumbekostiging voor de materiële instandhouding van scholen. Deze bekostiging is gebaseerd op een programma van eisen. Eens per vijf jaar vindt een evaluatie van de programma’s van eisen plaats. Deze evaluatie toetst of de bekostiging adequaat is. De eerstvolgende evaluatie is in 2011.

• Verbeteren binnenmilieu basisscholen

Er is voor vijf jaar geld vrijgemaakt om het binnenmilieu in basisscholen te verbeteren. Dit geld wordt ingezet voor een bewustwordingscampagne. De GGD bezoekt in de komende 5 jaar scholen voor basisonderwijs. Bij deze bezoeken ontvangt de school een informatiepakket, een CO2-meter en een bouwtechnisch advies op maat. Verder krijgen alle scholen in het primair onderwijs een (eenmalige) financiële bijdrage voor verbeteringen van het binnenmilieu.

• Onderwijspersoneelsbeleid

De instrumenten en activiteiten die voor specifiek onderwijspersoneelsbeleid worden ingezet, worden toegelicht in artikel 9, (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid). Hierin zijn ook de maatregelen beschreven uit het «Convenant LeerKracht van Nederland»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Deze maatregelen zijn gericht op de aanpak van het tekort aan leraren en schoolleiders, versterken van de positie van de leraar en verbeteren van de kwaliteit van het leraarberoep en daarmee de kwaliteit van het onderwijs. Het geld dat hiervoor is gereserveerd, staat deels op artikel 1 onder het instrument «personele bekostiging» en deels op artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

• Invoering onderwijsnummer

Het streven is om vanaf 2010 alle scholen te bekostigen op basis van het onderwijsnummer. In 2008 worden scholen in de gelegenheid gesteld om de kwaliteit van de gegevens in hun leerlingenadministratie te verbeteren. Tegelijkertijd testen de softwareleveranciers, CFI en de IB-Groep hun systemen en passen deze zodanig aan dat de gegevensuitwisseling voor de scholen zo gemakkelijk mogelijk wordt. In 2009 zullen de scholen kennismaken met de nieuwe manier van uitwisseling van leerlinggegevens met de IB-groep. Scholen worden geïnformeerd – onder andere viawww.pgno.nl/po/ – en krijgen ondersteuning via een helpdesk. OCW en de besturenorganisaties werken daarin samen.

• Versterken positie ouders

Betrokkenheid van ouders is belangrijk voor de kinderen. De landelijke ouderorganisaties versterken de medezeggenschapsfunctie van ouders door het geven van cursussen en ondersteuning. Daarnaast voeren zij projecten uit die de deskundigheid van ouders bevorderen en de samenwerking tussen ouders, school en andere opvoeders verbetert. Het is de bedoeling om eind 2008 afspraken te maken met de onderwijs- en ouderorganisaties en de lerarenopleiders over het gericht informatie uitwisselen tussen leraren en ouders, met als doel om de leeropbrengsten te verhogen en schooluitval te voorkomen. Verder ondersteunt OCW het «Platform Allochtone Ouders en Onderwijs» om ook de zichtbaarheid en de betrokkenheid van migrantenouders te vergroten. In 2008 zal een onderzoek worden gestart naar de mate van ouderbetrokkenheid in het funderend onderwijs. Dit onderzoek zal in 2011 worden herhaald. Op basis van de onderzoeksopzet zullen eind 2008 indicatoren worden opgesteld. Tot slot brengt het ministerie jaarlijks de Onderwijsgids uit voor ouders en verzorgers.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1
Het percentage scholen waar de leraren efficiënt gebruik maken van de geplande onderwijstijd91,4%95,3%96%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2004Peildatum: 2007Peildatum: 2011

Toelichting:

Deze indicator geeft een indicatie van de mate waarin scholen gebruik maken van de onderwijstijd. Het niveau blijft hoog. De inhoud van deze indicator is ten opzichte van eerdere begrotingen aangepast. Dit komt door veranderingen in het toezichtskader van de Inspectie van het Onderwijs. Het kwaliteitskenmerk «onderwijstijd» bestaat nu uit één aspect dat binnen het toezichtskader is gehandhaafd: «de leraren maken efficiënt gebruik van de geplande onderwijstijd».

In 2007 is onderzoek gedaan naar overhead in het basisonderwijs (Basisonderwijs en bureaucratie. Een empirisch onderzoek naar de allocatie van middelen in basisscholen. Ecorys). In 2008 worden de uitkomsten hiervan uitgewerkt tot een instrument voor de scholen. De bedoeling is dat scholen daarmee zelf kunnen nagaan of er bij hen sprake is van overbodige overhead. Omdat het een instrument voor scholen is, worden er geen streefwaarden geformuleerd.

Meetbare gegevens over de personele bekostiging zijn opgenomen in artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

Naast kwantitatieve gegevens, zijn voor de mate waarin deze operationele doelstelling wordt behaald ook kwalitatieve gegevens relevant. In het «overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid» (tabel 1.11) zijn de geplande kwalitatieve onderzoeken opgenomen. Zo wordt eens per vijf jaar de materiële bekostiging geëvalueerd en wordt getoetst of de bekostiging adequaat is geweest.

Tabel 1.5 Leerlingen primair onderwijs (x 1 000)
 2007200820092010201120122013
Leerlingen basisonderwijs       
– geen gewicht1 272,41 305,81 325,01 317,41 302,51 285,91 268,3
– 0.2574,837,80,00,00,00,00,0
– 0.368,599,5131,9129,0125,4121,6117,2
– 0.40,70,40,00,00,00,00,0
– 0.71,40,70,00,00,00,00,0
– 0.989,844,70,00,00,00,00,0
– 1.244,565,887,987,286,184,983,7
Subtotaal1 552,11 554,61 544,81 533,61 514,01 492,41 469,2
Leerlingen trekkende bevolking0,50,50,50,50,50,50,5
Totaal1 552,61 555,11 545,31 534,11 514,51 492,91 469,7
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs44,943,843,142,642,041,140,1
– waarvan anderstalige leerlingen8,58,48,38,28,18,07,8
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs66,067,669,070,371,372,372,9
– waarvan anderstalige leerlingen11,711,711,711,811,711,711,6
Ambulant begeleide leerlingen35,640,240,240,240,240,240,2
Aantal leerlingen in eerste opvang leerplichtige asielzoekers0,90,90,90,90,90,90,9

Bron: Referentieraming 2008, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0.3 en 1.2) ingevoerd en zal geleidelijk tot en met 1 oktober 2009 de oude gewichtenregeling worden afgebouwd. De leerlingen in het (v)so zijn inclusief visueel gehandicapten leerlingen (ca 700 leerlingen). Voor de overige (v)so-leerlingen wordt m.i.v. teldatum 01-10-2008 de zorgbekostiging gebaseerd op het aantal van 64 200 leerlingen.

Tabel 1.6 (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. IBG, CFI en apparaatskosten (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs4,54,74,84,84,84,84,8
WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs18,420,220,320,019,619,719,6
Primair onderwijs5,15,45,55,45,45,55,5

Bron: Referentieraming 2008, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren

NB: De berekeningswijze is als volgt: gesaldeerde uitgaven in de respectievelijke jaren in constante prijzen gedeeld door het aantal leerlingen per 1 oktober van de respectievelijke jaren.

Tabel 1.7 Aantal scholen in het primair onderwijs
 2007200820092010201120122013
Scholen voor basisonderwijs6 8986 8986 8986 8986 8986 8986 898
Scholen voor speciaal basisonderwijs316316316316316316316
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs323323323323323323323
Totaal Primair onderwijs7 5377 5377 5377 5377 5377 5377 537

Bron: CFI-tellingen, op peildatum 1 oktober van de respectievelijke jaren

1.3.2 Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

Het primair onderwijs moet het voor de leerling mogelijk maken naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn capaciteiten. Dit vraagt om kwalitatief goed primair onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en rapporteert hierover in het Onderwijsverslag.

Uit het Onderwijsverslag blijkt dat de meeste scholen in het primair onderwijs het goed doen. Zo is het eindniveau van 95% van de basisscholen voldoende. Maar de Inspectie van het Onderwijs wijst ook op een paar hardnekkige problemen. Scholen verschillen in de ontwikkelingsmogelijkheden die zij hun leerlingen bieden en in de resultaten die zij met hun leerlingen bereiken. De kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs moet omhoog. De Inspectie van het Onderwijs concludeert in het «Onderwijsverslag 2006–2007» dat bij een groeiend aantal leerlingen deze basisvaardigheden ontoereikend zijn om goed in de samenleving te kunnen functioneren. (www.onderwijsinspectie.nl)

Om de kwaliteit van het primair onderwijs duurzaam te verbeteren, is in samenwerking met de sector de Kwaliteitsagenda PO opgesteld. Deze is in november 2007 landelijk gepresenteerd (Tweede Kamer, 2007–2008, 31 293, nr. 1). Hierin is de ambitie vastgelegd dat de taal- en rekenprestaties in 2011 aantoonbaar verhoogd zijn. Om dit te bereiken: (1) wordt vastgelegd wat leerlingen aan het einde van het basisonderwijs moeten kennen en kunnen voor taal en rekenen. (2) wordt opbrengstgericht werken gestimuleerd, onder andere door leerkrachten te leren hoe zij de toetsgegevens beter kunnen benutten. (3) wordt het handelingsrepertoire van leerkrachten versterkt door scholing en van elkaar te leren. Hiervoor is samen met de sectororganisaties een subsidieregeling gemaakt, waarvan een groep scholen al in 2008 gebruik van kan maken. (4) worden taalachterstanden verminderd door de inzet van vve en taalachterstandenbeleid (taalpilots, schakelklassen, e.d.) te intensiveren. (5) wordt geïnvesteerd in een«rijke leeromgeving», zodat de talenten van leerlingen optimaal kunnen worden ontwikkeld. Dit wordt bevorderd door bestaande en nieuwe projecten ondersteunend te laten zijn aan de doelen van de Kwaliteitsagenda.

In de Kwaliteitsagenda is ook de ambitie geformuleerd dat het aantal zeer zwakke scholen in 2011 met de helft afgenomen moet zijn en dat de tijd dat een school zeer zwak is korter moet worden. Volgens de Inspectie van het Onderwijs was op 1 januari 2008 in het basisonderwijs 1,4% van de scholen (96 scholen), in het speciaal basisonderwijs 6,4% van de scholen en in het (voortgezet) speciaal onderwijs 5% van de scholen zeer zwak. Al deze scholen staan onder verscherpt toezicht. Ook is het de ambitie om in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs het aantal risicovolle scholen terug te dringen. Zie ook paragraaf 1.3.3.

Instrumenten

• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten

Om het taal- en rekenonderwijs duurzaam te verbeteren zijn er structureel middelen beschikbaar. In 2009 gaat het om bijna € 26 miljoen. De middelen worden ingezet voor de uitwerking en normering van referentieniveaus, zoals geadviseerd door de projectgroep Doorlopende Leerlijnen, en voor het ontwikkelen van didactische leer- en hulpmiddelen om de referentieniveaus te realiseren. In samenwerking met de PO-raad worden de referentieniveaus in 2008 ter bespreking voorgelegd aan het onderwijsveld, voordat de referentieniveaus uiterlijk in 2010 worden vastgelegd in wet- en regelgeving. De referentieniveaus bieden scholen meer duidelijkheid en focus bij het taal- en rekenonderwijs. Om leraren te ondersteunen worden ze in 2009 vertaald naar tussendoelen en leerlijnen taal en rekenen/wiskunde en naar leerlingvolgsystemen en toetsen. Scholen kunnen in pilots leren werken met referentieniveaus. Voor leerlingen die zwak zijn in taal en rekenen, worden de consequenties van de referentieniveaus zorgvuldig in kaart gebracht. Hierna kunnen bestaande en eventueel nieuwe trajecten worden ingezet om ook deze leerlingen zoveel mogelijk de referentieniveaus te laten halen. Het Projectbureau Kwaliteit (PK!) van het PO Platform Kwaliteit en Innovatie (en in de toekomt van de PO-raad) stimuleert en ondersteunt scholen om de taal- en rekenprestaties te verbeteren. Samenwerkende scholen kunnen via PK! subsidieaanvragen doen voor verbetertrajecten waarmee bewezen effectieve aanpakken worden verspreid en toegepast.

• Leer- en hulpmiddelen

De middelen uit tranche 2008 (€ 1 miljoen) zijn deels ingezet voor taal- en rekenprojecten en deels voor het verbeteren van het binnenmilieu. De middelen uit tranche 2009 (€ 6 miljoen) worden in 2009 en 2010 ingezet voor de ontwikkeling van leer- en hulpmiddelen om de referentieniveaus te realiseren en zijn daarom in tabel 1.2 verschoven naar het instrument «verbeteren van taal- en rekenopbrengsten».

• Toezicht zeer zwakke scholen

De Inspectie van het Onderwijs houdt intensief toezicht op zeer zwakke scholen. Ook besteedt de Inspectie van het Onderwijs veel aandacht aan preventie omdat voorkomen beter is dan genezen. Daarnaast maakt de Inspectie van het Onderwijs analyses van de zeer zwakke scholen. Deze analyses zijn de basis voor afspraken met sectororganisaties en medeoverheden als er sprake is van een concentratie van zeer zwakke scholen. De sectororganisaties ondersteunen ook individuele zeer zwakke scholen en zijn verenigd in het «Steunpunt Zeer Zwakke Scholen». Het steunpunt ontwikkelt hulpmiddelen voor zeer zwakke scholen en ontvangt hiervoor subsidie. Tegen scholen die er niet in slagen hun prestaties te verbeteren wordt strenger opgetreden. In verband hiermee wordt het wetsvoorstel «goed onderwijs en goed bestuur» ontwikkeld.

• Excellentie en talentontwikkeling

Talentvolle leerlingen worden nu niet altijd herkend en uitgedaagd. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat juist bij cognitieve toptalenten relatief vaak sprake is van onderpresteren op het gebied van taal en rekenen. Het is belangrijk talentvolle en excellente leerlingen uit te dagen het maximale uit zichzelf te halen, voor de kinderen zelf, maar ook voor onze kennissamenleving. Om excellentie te stimuleren op de basisschool wordt een regeling opgesteld waarmee op lokaal niveau innovatieve projectvoorstellen kunnen worden ontwikkeld die gericht zijn op een duurzame versteviging van de aandacht voor dit onderwerp op de basisscholen. Deskundigen zullen zorgen voor onafhankelijk advies. Deze regeling is voor drie jaar.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.8 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Gemiddelde vaardigheidscores taal in groep 81 1151 1141 116«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2003Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
2. Gemiddelde vaardigheidscores begrijpend lezen in groep 8535455«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 1999Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
3. Gemiddelde vaardigheidscores rekenen in groep 8116117118«hoger»
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 1999Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
4. Percentage scholen dat systematisch de kwaliteit evalueert van haar opbrengsten en het leren en onderwijzen43,638,740hoger dan 50
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2004Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2011
5. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk instructie96,796,69798
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2004Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2011
6. Rapportcijfer ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind7,77,77,77,7
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum: 2011
7. Percentage zeer zwakke scholen in het basisonderwijs1,4%1,4%0,65%
Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 2007Peildatum: 2008 Peildatum: 2011

Toelichting:

1 t/m 3: De gemiddelde vaardigheidscores voor taal, begrijpend lezen en rekenen zijn de laatste jaren stabiel gebleven. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) meet dit aan de hand van informatie van het CITO en het leerlingvolgsysteem. Het streven is om die scores omhoog te krijgen. De ambities voor de middellange termijn worden in overleg met het onderwijsveld vastgesteld, mede op basis van de nulmeting onderwijsprestaties basisonderwijs (CITO, 2008). Nieuwe gegevens voor 2008 zijn beschikbaar in 2009.

4: Het percentage scholen dat systematisch de kwaliteit van de opbrengsten, het leren en het onderwijzen evalueert, is in het schooljaar 2006/2007 met 7% gedaald. Uit het Onderwijsverslag 2007 blijkt dat de percentages van jaar tot jaar schommelen. Dat hangt samen met specifieke aandacht voor kwaliteitszorg in het voorafgaande jaar (de introductie van schoolplan en schoolgids, speciale aandacht voor kwaliteitszorg in vakbladen voor schoolleiders). Vanuit de Kwaliteitsagenda besteedt OCW de komende jaren veel aandacht aan kwaliteitszorg en een beter gebruik van toetsgegevens uit het leerlingvolgsysteem. De verwachting is daarom dat het percentage scholen met een goede kwaliteitszorg zal stijgen. De ambities zijn in overleg met het onderwijsveld vastgesteld.

De inhoud van deze indicator is ten opzichte van eerdere begrotingen aangepast. Dit komt door veranderingen in het toezichtskader van de Inspectie van het Onderwijs. Het kwaliteitskenmerk «kwaliteitszorg» is samengesteld uit twee aspecten die binnen het toezichtskader zijn gehandhaafd: «de school evalueert de kwaliteit van haar opbrengsten» en «de school evalueert het leren en onderwijzen».

5: Ook de inhoud van deze indicator is aangepast door veranderingen in het toezichtskader van de Inspectie van het Onderwijs. Het kwaliteitskenmerk «instructie» is samengesteld uit drie aspecten die bij de observaties in klassen gehandhaafd zijn: «de leraren realiseren een taakgerichte werksfeer», «de leraren leggen duidelijk uit» en «de leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten». Uit observaties van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat veruit de meeste leraren voldoen aan deze drie aspecten. Het is de ambitie om dit te handhaven.

6: De tevredenheid van ouders is hoog. Het streven is om dat zo te houden.

7: In de Kwaliteitsagenda is de ambitie geformuleerd om het aantal zeer zwakke scholen terug te dringen. Zie ook tabel 1.9.

1.3.3 Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften.

Motivering

Sommige leerlingen zijn zonder extra ondersteuning niet of niet goed in staat om onderwijs te volgen. Het gaat hier bijvoorbeeld om leerlingen met leermoeilijkheden of grote leerachterstanden of om leerlingen met een handicap of stoornis die een belemmering kan zijn bij het volgen van regulier onderwijs. De overheid houdt voor deze kinderen een stelsel van speciale basisscholen en (voortgezet) speciaal onderwijs in stand. Daarnaast kunnen ouders van een kind met een indicatie voor het (voortgezet) speciaal onderwijs er ook voor kiezen hun kind met een «rugzak» (leerlinggebonden financiering) naar het reguliere onderwijs te laten gaan.

Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, wordt in de beleidsuitvoering nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van de minister voor Jeugd en Gezin. Hij is namelijk verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en preventieve domein wordt geleverd.

De systemen voor extra ondersteuning van leerlingen zijn complex en sterk aanbodgericht. Veel leerlingen krijgen niet het onderwijs dat bij hen past. Het aantal leerlingen met ernstige gedragsproblemen (cluster 4) is sterk gegroeid. Vorig jaar stelde de Inspectie van het Onderwijs vast dat bijna de helft van de scholen voor speciaal basisonderwijs onvoldoende scoorde en onder intensief toezicht staat. Bij instellingen voor (voortgezet) speciaal onderwijs ging het bij cluster 4 om meer dan 50%. Al met al is dit aanleiding voor het realiseren van «passend onderwijs».

Scholen in sommige gebieden in de grote steden of op het platteland hebben te kampen met een cumulatie van problemen die kunnen leiden tot onderwijsachterstand. Dit blijkt uit diverse onderzoeken. Deze scholen hebben een extra impuls nodig. Hiervoor wordt de gewichtenregeling aangepast.

Op dit moment wordt iets meer dan de helft van de kinderen uit de doelgroep bereikt met voorschoolse educatie (vve). Recent is met de VNG afgesproken dat gemeenten alle kinderen die voorschoolse educatie nodig hebben, een plaats aanbieden. Gemeenten spannen zich in om deze plaatsen op 1 augustus 2011 via de kinderopvang en de peuterspeelzaal aan te kunnen bieden.

Instrumenten

• Passend onderwijs

Met «passend onderwijs» zal de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan zorgleerlingen verbeterd worden. De wijze waarop dit gebeurt, is beschreven in de brieven aan de Tweede Kamer van 25 juni 2007 (Tweede Kamer 2006/07, 27 728, nr. 98) en 5 december 2007(Tweede Kamer 2007/2008, 27 728, nr. 101). Kenmerkend is dat het een lerend proces is dat van ’onderop’ wordt vormgegeven. Dit betekent dat het wettelijk kader tot stand komt op basis van ervaringen die in de praktijk via experimenten en zogenoemde veldinitiatieven worden opgedaan.

In de voorjaarsnota 2007 is een forse verhoging van het meerjarige zorgbudget opgenomen. Het totale budget dat hiermee ontstaat in 2008–2009 vormt het budgettair kader waarbinnen de voorstellen voor «passend onderwijs» zich af moeten spelen. Voor «passend onderwijs» bedraagt de tranche 2009 uit de enveloppemiddelen € 5 miljoen. Tranche 2008 was € 20 miljoen.

In het schooljaar 2008–2009 starten de eerste experimenten en veldinitiatieven. Het gaat om regionale netwerken die «passend onderwijs» vormgeven. De vorming van regionale netwerken wordt verder gestimuleerd via een subsidieregeling. Er is in de zomer van 2008 een evaluatie- en adviescommissie «passend onderwijs» ingericht. Deze commissie adviseert ook op basis van bovengenoemde ervaringen.

In het schooljaar 2008–2009 worden de kerndoelen in het speciaal onderwijs ingevoerd. Scholen worden gestimuleerd om te werken met leerlijnen om deze kerndoelen te halen en om hun leermiddelen aan te passen. Verder worden activiteiten ontwikkeld om personeel (na) te scholen. Hierbij zijn de pabo’s, de lerarenopleidingen en de leerkrachten in het reguliere en het speciale onderwijs betrokken.

Tenslotte worden pilots uitgevoerd om de positie van de ouders te versterken.

• Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap

Het kabinet beoogt de verantwoordelijkheid voor onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap met ingang van 2009 over te hevelen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een wetsvoorstel hiervoor is in juni 2008 naar de Eerste Kamer gestuurd. Op dit moment worden deze voorzieningen toegekend op basis van de Wet invoering en financiering Wet WIA (IWIA) . Het gaat bijvoorbeeld om vervoer in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs, gebruik van een doventolk en verschillende hulpmiddelen, die de leerling of student met een handicap in staat moet stellen deel te nemen aan het onderwijs. Vanaf 1 januari 2009 zal het geld hiervoor alvast worden overgeboekt naar de begroting van OCW. Het budget zal zonodig nog worden aangepast op basis van de gerealiseerde uitgaven in 2008 en wordt vastgesteld bij Voorjaarsnota 2009.

• Onderwijsachterstandenbeleid

Gewichtenregeling

Onderwijsachterstanden bij kinderen kunnen zijn ontstaan door sociale, culturele en economische omstandigheden. Om deze achterstanden te voorkomen en te bestrijden, ontvangen basisscholen extra geld op basis van de gewichtenregeling. Deze middelen zijn opgenomen in de lumpsum. In het voorjaar van 2008 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met het voorstel om met ingang van het schooljaar 2008–2009 de drempel in de gewichtenregeling te verlagen naar 6% en met ingang van het schooljaar 2009–2010 de impulsgebieden te introduceren. Impulsgebieden zijn postcodegebieden met veel lage inkomens en/of uitkeringen. Scholen in deze gebieden krijgen een extra bedrag per gewichtenleerling. Hiermee wordt het onderwijsachterstandenbeleid versterkt. Er blijft voldoende geld in de grote steden beschikbaar en er komt meer geld beschikbaar voor gemeenten in landelijke gebieden met specifieke plattelandsproblemen. Uit tranche 2009 van de enveloppemiddelen is € 10 miljoen beschikbaar voor de aanpassing van de gewichtenregeling.

Voorschoolse en vroegschoolse educatie

In het voorjaar van 2008 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet de vve-doelstellingen wil realiseren. Met de VNG is afgesproken dat gemeenten alle kinderen die voorschool nodig hebben een plaats aanbieden. Gemeenten spannen zich in om dat op 1 augustus 2011 gerealiseerd te hebben via kinderopvang en peuterspeelzaal, met kwalitatief hoogwaardige vve-programma’s en onder de juiste uitvoeringscondities. Gemeenten bepalen zelf welke kinderen van 2,5 jaar tot 4 jaar vve nodig hebben.

Met de G4 is afgesproken dat zij in 2011 13 400 plaatsen aanbieden. Er zijn verder pilots gestart in gemeenten in Oost-Groningen, Drenthe en Zuid-Limburg. Deze pilots ontvangen in 2008 en 2009 geld uit de enveloppe «kinderopvang». De resultaten zijn eind 2010 bekend. Ook in de wijkactieplannen en/of charters van de meeste krachtwijken, is de doelstelling opgenomen om in 2011 meer kinderen uit de doelgroep te bereiken.

Met de 31 grootste gemeenten zijn in het kader van het grote stedenbeleid (GSB III) prestatie-afspraken gemaakt over voorschoolse educatie en over schakelklassen. De eerste resultaten van de schakelklassen zijn positief. De Tweede Kamer is daarover in het voorjaar van 2008 geïnformeerd. De GSB III – periode loopt eind 2009 af. In 2009 zal er onder regie van de minister van WWI een nieuw systeem ontwikkeld worden.

Met de besturen- en schoolleidersorganisaties wordt gewerkt aan een agenda «focus op vroegschoolse educatie» om het aanbod van de vroegschoolse educatie uit te breiden en de kwaliteit ervan te verhogen.

In 2008 en 2009 wordt het professionaliseringstraject voor voor- en vroegschoolse educuatie voortgezet. Hierdoor zullen in 2011 in totaal 10 000 personen in peuterspeelzalen, kinderopvang en het onderwijs een (na)scholingscursus hebben gevolgd. Naast het opleiden van vve-personeel bestaat het «Vversterk-programma» uit diverse andere modules, zoals het versterken van de kwaliteit van roc’s en pabo’s op het gebied van vve, managementtrainingen en maatwerkprojecten.

Vanuit de enveloppen is in 2008 en in 2009 € 70 miljoen beschikbaar voor voor- en vroegschoolse educatie. Van deze incidentele investeringen is € 16,5 miljoen respectievelijk € 28,5 miljoen onderdeel van het accres van het gemeentefonds. De resterende bedragen (€ 53,5 miljoen en € 41,5 miljoen) staan op beleidsartikel 1.

Bovendien is voor de harmonisatie van de financiering van het peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en vve uit de enveloppe «kinderopvang» € 20 miljoen structureel beschikbaar vanaf 2009. Hiermee komt de eigen bijdrage van ouders, waarvan het kind gebruik maakt van vve, voor peuterspeelzalen op hetzelfde niveau als de ouderbijdrage bij de kinderopvang. In 2009 zullen de voorstellen voor wet- en regelgeving die uit dit beleid voortvloeien, aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. In beleidsartikel 24, wordt dit verder toegelicht.

• Segregatie

Het is belangrijk dat kinderen van verschillende afkomst zoveel mogelijk met elkaar kunnen opgroeien en samen naar school gaan. Middelen zijn beschikbaar voor het uitvoeren van pilots in 7 gemeenten om na te gaan welke instrumenten het meest effectief zijn bij het bevorderen van gemengde scholen. Gemeenten, scholen en ouders worden gestimuleerd een bijdrage te leveren aan het verminderen van de segregatie in het basisonderwijs door contacten tussen diverse bevolkingsgroepen met verschillende culturen te vergroten. Het Kenniscentrum Gemengde Scholen en de Stichting Kleurrijke Scholen evenals twee voor dit doel benoemde «ambassadeurs» bieden daarbij ondersteuning.

• Veiligheid op school

OCW subsidieert het Centrum School en Veiligheid. Dit centrum informeert en adviseert onderwijsinstellingen, besturen, ouders en leerlingen over school en veiligheid. Daarnaast houdt OCW door het regelmatig laten uitvoeren van de «quick scan veiligheid» zicht op de ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid op scholen. Ook zijn er structurele middelen beschikbaar voor inzet van schoolmaatschappelijk werk in het kader van veiligheid en opvang van risicoleerlingen en voor plaatsen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.9 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Dekkende infrastructuur van regionale verbanden voor zorgleerlingen0%0%20%100%
Bron: CFIPeildatum: 2006Peildatum: 2006Peildatum: 2009Peildatum: 2011
2. Percentage scholen onder geïntensiveerd toezicht: risicovolle, zwakke en zeer zwakke scholen    
a. voor speciaal basisonderwijs50%50%30%12%
b. voor (voortgezet) speciaal onderwijs60%60%40%12%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2006Peildatum: 2006Peildatum: 2009Peildatum: 2011
3. Percentage zeer zwakke scholen    
a. in het speciaal basisonderwijs6,4%3,2%
b. in het (voortgezet) speciaal onderwijs5%2,5%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2006  Peildatum: 2010/2011
4. Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve programma68%63%70%100%
Bron: Landelijke monitor VVE, SardesPeildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum: 2011
5. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool0%– 21%– 30%– 40%
Bron: NWO cohortonderzoekPeildatum: 2002Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011

Toelichting:

1: Het is de bedoeling dat er in 2011 een dekkende infrastructuur is van regionale verbanden voor zorgleerlingen. Het uitgangspunt vormen de bestaande samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs en de regionale expertisecentra. Naar verwachting zullen ongeveer 80 netwerken worden gevormd. Per netwerk zullen ongeveer 3 samenwerkingsverbanden voor het primair onderwijs participeren. Het streven is dat eind 2009 ongeveer 16 netwerken (20%) zijn gevormd.

2: Uit het Onderwijsverslag blijkt dat het percentage risicoscholen in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs veel hoger is dan in het basisonderwijs. Het streven is dat het percentage risicoscholen op een vergelijkbaar niveau komt als in het basisonderwijs. De ambities worden in overleg met het onderwijsveld vastgesteld. De ambitie is dat in 2009 het aantal scholen onder geïntensiveerd toezicht in het speciaal basisonderwijs is teruggebracht tot 30%, in het (voortgezet) speciaal onderwijs tot 40%. In 2011 moeten de percentages zijn teruggelopen tot 12%. De cijfers voor het (voort)gezet speciaal onderwijs betreffen cluster 4. Gegevens over andere clusters zijn in het betreffende jaar niet beschikbaar.

3: In de Kwaliteitsagenda is de ambitie geformuleerd om het aantal zeer zwakke scholen terug te dringen. Zie ook tabel 1.8.

4: Hier is de indicator opgenomen voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar. De doelgroep bestaat uit achterstandsleerlingen op basis van de gewichtenregeling. In het beleidsartikel 24, Kinderopvang, staat de indicator voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar: het gaat om kinderen die een risico hebben op een taalachterstand in het Nederlands door een gebrek aan taalaanbod in de omgeving waarin zij opgroeien. Het is de bedoeling dat het percentage doelgroepleerlingen onder 2 t/m 5-jarigen dat voor- of vroegschoolse educatie krijgt aangeboden, in deze kabinetsperiode groeit naar 100%. Voor de vier grote steden geldt dat deze doelstelling in de krachtwijken al in 2009 gehaald moet worden. Het percentage van deelname aan vroegschoolse programma’s is gedaald. Dit is geen goed teken. Met de besturen- en onderwijsvakorganisaties komen we tot een «agenda focus op vroegschoolse educatie» om het belang van vve onder de aandacht te brengen. De verwachting is dat het percentage weer gaat stijgen.

5: De doelgroep bestaat uit achterstandsleerlingen op basis van de oude en de nieuwe gewichtenregeling. Het doel is om de taalachterstand in de komende jaren verder te reduceren.

1.3.4 Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school

Motivering

De school is de centrale schakel in een keten van voorzieningen voor alle kinderen van 0 tot 12 jaar. Het is van belang dat op lokaal en op landelijk niveau samenhangend jeugdbeleid wordt gerealiseerd. Door meer samenhang te bewerkstelligen in de voorzieningen voor 0- tot 12-jarigen worden de ontwikkelingskansen van kinderen vergroot. Een sluitend, afwisselend dagprogramma vergemakkelijkt ook de combinatie van arbeid en zorg voor de ouders van jonge kinderen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de aansluiting met de buitenschoolse opvang. Verschillende voorzieningen sluiten echter nog onvoldoende op elkaar aan: scholen, opvang- en zorginstellingen, sport- en cultuuraanbieders en medeoverheden (gemeenten en provincies) stuiten op knelpunten bij het realiseren van meer samenhang in het aanbod. Sluitende dagarrangementen en combinatiefuncties kunnen hier een oplossing bieden. Het kabinet ondersteunt lokale initiatieven en stimuleert dat er meer brede scholen ontstaan.

Instrumenten

• Brede scholen

Brede scholen ontstaan vanuit lokale initiatieven. OCW steunt deze initiatieven door middel van onderzoek en verschillende activiteiten op het terrein van voorlichting en communicatie, bijvoorbeeld viawww.bredeschool.nl.

De komende tijd worden er initiatieven genomen om de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken, waar nodig te stimuleren. Vanuit de enveloppen is hiervoor geld beschikbaar, vooral voor de realisatie van combinatiefuncties. In 2009 is er € 10 miljoen, waarvan € 5,7 miljoen onderdeel is van het accres van het gemeentefonds. Er is ook geld beschikbaar vanuit het voortgezet onderwijs (€ 3,5 miljoen), cultuur (€ 0,9 miljoen) en op de begroting van VWS. Aan gemeenten wordt ook een structurele bijdrage gevraagd. Met deze gebundelde inzet van middelen moet het aantal combinatiefuncties in onderwijs, cultuur en sport verhoogd kunnen worden tot 2500 fte. Hierover zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk (OCW en VWS), gemeenten (VNG) en vertegenwoordigers van de sectoren onderwijs, sport en cultuur. De middelen zijn in eerste instantie ten goede gekomen aan de G30. Vervolgens komen gemeenten op basis van het aantal inwoners onder de 18 jaar in aanmerking voor deelname. Verder wordt geïnvesteerd in multifunctionele accommodaties, komt er een meerjarig onderzoek naar de effectiviteit van de brede school en wordt er een «steunpunt brede scholen» opgericht. Hiervoor is ongeveer € 29 miljoen beschikbaar. Een aanzienlijk deel van dit geld wordt ingezet voor het «stimuleringsarrangement multifunctionele accommodaties».

• Dagarrangementen en combinatiefuncties

Voor de regeling «dagarrangementen en combinatiefuncties» is voor de periode 2006–2008 € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Eind 2008 is de regeling afgelopen. In 2009 volgt de slotafrekening.

• Tussenschoolse opvang

Scholen zijn verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van een overblijfvoorziening. Dit wordt via de lumpsum bekostigd. Daarnaast is er geld beschikbaar voor de scholing van overblijfmedewerkers en voor voorlichting, onderzoek en communicatie.

Meetbare gegevens bij deoperationele doelstelling

Tabel 1.10 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumLaatste waardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
1. Aantal brede scholen6001 0001 1001 200
Bron: Jaarbericht brede scholen in NederlandPeildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2009Peildatum: 2011
2. Het aantal combinatiefuncties in fte in en om de brede school1 0002 500
Bron: in ontwikkeling  Peildatum: 2010Peildatum: 2012
3. Aantal geschoolde overblijfmedewerkers tussenschoolse opvang per schooljaar7 1676 6376 8006 800
Bron: CFIPeildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2009

Toelichting:

1: Het kabinet ondersteunt de gemeentelijke ambitie om in 2011 in totaal 1200 brede scholen te hebben.

2: Deze indicator betreft het aantal combinatiefuncties. Dit zijn functies voor professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in of ten behoeve van meerdere sectoren. Het betreft met name het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en de cultuur- en sportorganisaties. De nulmeting voor de G30 heeft al plaatsgevonden. In oktober/november zal er een éénmeting plaatsvinden voor de G30. In de gemeentelijke verklaring hebben deelnemende gemeenten toegezegd mee te werken aan de outputmonitor. Deze indicator wordt verder ontwikkeld met VWS en de sector. Er worden nog afspraken gemaakt over hoe het aantal wordt gemeten en gemonitord.

3: Onderzoek van Research voor Beleid geeft aan dat gebruik van de «regeling scholing overblijfmedewerkers» (Staatscourant 9 mei 2007, nr. 89) bijdraagt aan de deskundigheidsbevordering van overblijfmedewerkers en daarmee aan de verbetering van de kwaliteit van tussenschoolse opvang (Research voor Beleid, 2004: Evaluatie van de subsidieregelingen scholing overblijfkrachten 2002, 2003) (bijlage bij brief van 19 oktober 2004,Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 17). Het aantal medewerkers dat is geschoold, geeft aan in hoeverre er gebruik is gemaakt van de regeling. De streefwaarde is gebaseerd op de beschikbare middelen die voor dit doel bestemd zijn.

1.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 1.11 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekOnderwerpNr. operationele doelstellingA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingPassend onderwijs3A. 2010B. 2011 
 Kwaliteitsagenda PO2A. 2010B. 2011 
 Sociaal-institutionele context basisschool3A. 2008B. 2009 
 Innovatie/kwaliteitszorg/schoolverbetering2A. 2008B. 2009 
Effectenonderzoek ex postSchakelklassen3A. 2005B. 2009 
 Peiling prestaties basisscholen2A. 2008B. 2012 
 Taalpilots3A. 2006B. 2010 
 Pilots referentieniveaus2A. 2007 
 Lumpsum1A. 2009B. 2010 
 Brede school4A. 2008B. 2011 
 Segregatie3A. 2008B. 2009 
 vve3A. 2008B. 2011 
 vve-pilots Groningen, Drenthe, Limburg3A. 2008B. 2010 
Overig evaluatieonderzoekImplementatieonderzoek Kwaliteitsagenda2A. 2008 
 Pilots referentieniveaus basisscholen Den Haag en Arnhem2A. 2008 
 Gebruik leerlingvolgsysteem basisscholen2A. 2008 
 Administratieve lasten en taken buitenschoolse opvang4A. 2008B. 2009 
 Passend onderwijs3A. 2008B. 2012 
 Bureaucratiemonitor1A. 2008B. 2010 
 Monitoronderwijsnummer1A. 2007B. 2009 
 Ouderbetrokkenheid1A. 2008B. 2012 
 Schoolbegeleiding2A. 2008B. 2009 
 Monitor combinatiefuncties4A. 2008B. 2011 
 PIRLS 2011AD, 2A. 2008B. 2012 
 TIMMS 2011AD, 2A. 2008B. 2012 
 Monitorjaarrekeningen PO1A. 2009B. 2011 
 Excellentie2A. 2009 

ARTIKEL 3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene doelstelling: het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het best past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Omschrijving

Alle leerlingen doorlopen in de periode – waarin ze van 12-jarig kind opgroeien tot jong-volwassene van ongeveer 18 jaar – het voortgezet onderwijs. Daarin worden circa 900 000 leerlingen begeleid naar en gekwalificeerd voor een voor hen passende vervolg- en/of beroepsopleiding. Het voortgezet onderwijs biedt de leerlingen daarvoor verschillende leerroutes aan (van praktijkonderwijs tot vwo). Verder heeft het voortgezet onderwijs de taak hen naar de arbeidsmarkt (pro) of een diploma te leiden (overige schoolsoorten), die passen bij hun talenten en wensen. Dat vraagt niet alleen bijzondere aandacht voor leerlingen met gedrags- en opvoedingsproblemen, maar zeker ook voor leerlingen met speciale talenten of leerlingen die in algemene zin uitblinken. Daarnaast heeft het voortgezet onderwijs de taak om voor kwalitatief goed onderwijs te zorgen. Onderwijskwaliteit staat de komende periode meer dan ooit centraal in het beleid. De Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs «Onderwijs met ambitie» kan leiden tot een zichtbaar beter onderwijs door extra inzet op een beperkt aantal samenhangende prioriteiten (en basisvoorwaarden), zowel in de periode van 2008 tot 2011 als daarna. De geformuleerde prioriteiten zijn:

1. Rekenen en Taal. Basiskwaliteit op orde: aantoonbare verbetering van de taal- en rekenprestaties: Nederlandse leerlingen blijken minder goed te presteren op deze basisvaardigheden dan eerder het geval was. En juist een goede beheersing van deze vaardigheden is essentieel voor een succesvolle onderwijsloopbaan. De ambitie is om de leerlingenprestaties op het gebied van rekenen en taal in internationale en longitudinale onderzoeken, zoals PISA, PIRLS en VOCL, op een hoger niveau te brengen. Daarnaast is het streven om het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs, dat op of onder PISA-leesniveau 1 zit, terug te dringen tot 8%. Verder is het streven om het percentage leerlingen dat presteert op PISA-niveau 5, te verhogen. Referentieniveaus voor taal en rekenen zullen vanaf 2010/2011 in de regelgeving zijn vastgelegd. Er zal geïnvesteerd worden in een verbetering van de basisvaardigheden door middel van gerichte maatregelen, zoals beschreven in de beleidsreactie Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 332, nr. 3) (OD 3.3.2).

2. Uitblinken. Uitblinken op alle niveaus en een passende kwalificatie voor alle leerlingen: Voorkomen moet worden dat leerlingen onder hun kunnen presteren en dat leerlingen die extra begeleiding of zorg nodig hebben, voortijdig van school gaan. Het aantal ongediplomeerde schoolverlaters (zonder startkwalificatie) en vmbo-ers die niet doorstromen naar het mbo moet worden teruggedrongen. Hiervoor is een mix van maatregelen nodig. Er wordt onder meer ingezet op verbetering van de loopbaanoriëntatie en -begeleiding en onderzoek, experimenten voor een naadloze overgang van vmbo naar mbo (OD 3.3.4) en experimenten en maatregelen voor talentontwikkeling (OD 3.3.3).

3. Burgerschap. Burgerschapsvorming voor alle leerlingen onder andere door maatschappelijke stages: Via een zorgvuldig traject, met in schooljaar 2008–2009 veel pilots en hiervan een uitvoerige evaluatie, wordt ernaar toe gewerkt dat alle leerlingen de mogelijkheid krijgen een maatschappelijke stage te lopen (OD 3.3.5).

4. Professionele ruimte. Ruimte voor de leraar: In het Convenant LeerKracht van Nederland zijn verschillende maatregelen afgesproken voor versterking van het beroep van leraar en betere beloning van onderwijspersoneel (3.3.1 en artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

5. Examens. Goede en betrouwbare examens: De ambitie is om de kwaliteit van het schoolexamen, zowel inhoudelijk als procesmatig, te versterken. Het uitgangspunt daarbij is dat de discrepantie tussen de cijfers van het schoolexamen en van het centraal examen gemiddeld niet verder oploopt dan 0,5 punt.

6. Verbetercultuur. (Zeer) zwakke scholen weer goed, goede scholen nog beter: Er wordt gestreefd naar het terugbrengen van het percentage zeer zwakke vestigingen van 1,8% in 2008 naar 1% in 2012. Daarnaast wordt er gestreefd naar de reductie van het aantal risicovolle vestigingen en toename van het aantal scholen dat voldoende scoort op het kwaliteitskenmerk kwaliteitszorg. Om dit te bereiken, worden diverse instrumenten ingezet. De Inspectie van het Onderwijs heeft hier een rol. De VO-raad draagt bijvoorbeeld in samenwerking met de AOC-raad zorg voor een steunpunt zeer zwakke scholen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit.

De middelen die hij tot zijn beschikking heeft, zijn: wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister ondersteund op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels voor «goed bestuur».

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor zorg in de school vanuit het gemeentelijke en preventieve domein. In de beleidsvorming over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg werken de ministers van OCW en JenG nauw samen, omdat de school de vind- en werkplaats is van kinderen en jongeren met problemen.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg), andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting op de arbeidsmarkt). De minister is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 3.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs71,9%76,2%85%
Bron: Eurostatpeildatum: 2000peildatum: 2007peildatum: 2010
2. Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden11,5%15,1%8%
Bron: PISA 2006peildatum: 2003peildatum: 2006peildatum: 2010
3. Het percentage vsv’ers van de totale bevolking 18–24 jaar15,5%12%8,5%
Bron: Eurostatpeildatum: 2000peildatum: 2007peildatum: 2012
4. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteitvan de school van hun kind7,37,47,5
Bron: OCW, Bestel in Beeld 2007peildatum: 2005peildatum: 2007peildatum: 2009
5. Percentage scholen van het voortgezet onderwijs met voldoende opbrengsten ten opzichte van het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingpopulatie mag worden verwacht84,7%82%Zie toelichting
Bron: OCW, Bestel in Beeld 2007peildatum: schooljaar 2003/2004peildatum: schooljaar 2006/2007 

Toelichting:

1: De streefwaarde van 85% van de 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs is een Europese afspraak waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd (Lissabon-doelstelling). Gegeven de trend van de afgelopen jaren zal het lastig zijn de streefwaarde al in 2010 te halen. Het behalen van een startkwalificatie (hoger secundair onderwijs) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het voortgezet onderwijs en het Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4).

2: Nederland heeft in 2000 als doel gesteld het toenmalige percentage leerlingen met een lage leesvaardigheid (9,6%) te handhaven. In de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs is deze doelstelling aangescherpt tot 8%.

3: Het onderwijsbeleid is erop gericht de aantallen voortijdig schoolverlaters te reduceren. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen in het beleidsterrein Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4). In 2007 heeft 11% van de schoolverlaters uit het vmbo wel een diploma, maar stroomt niet door in het vervolgonderwijs. Deze vmbo-gediplomeerden hebben nog geen startkwalificatie en zijn derhalve voortijdig schoolverlaters.

4: Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid met de school van hun kind. Het is de ambitie om het rapportcijfer 7,5 in 2009 te behalen en in de toekomst op z’n minst te behouden.

5: Deze indicator wordt bepaald door de gemiddelde prestaties van de school te bekijken over een periode van drie jaren, hierbij rekening houdend met de achtergrondkenmerken van de leerlingpopulatie. Hierdoor ontstaat een goed zicht op scholen die langere tijd zeer zwakke of juist zeer goede opbrengsten hebben. Wel is de meting relatief; de prestaties worden afgezet tegen een verwacht niveau waardoor er altijd scholen zijn waarvan de prestaties onder, dan wel boven het verwachte niveau liggen. Er wordt bekeken of een absolute meting mogelijk is. Begin 2008 heeft Prof. dr. J.L. Peschar in opdracht van OCW een onderzoek («Over leerwinst als stelselindicator: een verkennend onderzoek naar de ontwikkeling van een stelselindicator voor leerwinst of toegevoegde waarde van het onderwijs in Nederland», oktober 2007) afgerond naar de toegevoegde waarde van het onderwijsstelsel, een absolute maatstaf. De resultaten van een vervolgopdracht voor de constructie van deze indicator komen in de tweede helft van 2008 beschikbaar.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen6 102 8886 477 8596 493 7106 421 5596 383 2026 407 3296 456 603
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven5 998 9746 509 1086 525 2026 452 9946 414 0846 438 4466 487 720
        
Programma-uitgaven5 993 3076 503 6686 520 8966 448 8376 410 4296 434 9756 484 249
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs5 952 8016 394 1366 397 7846 328 8756 293 9496 321 9526 371 252
• Personele en materiële bekostiging5 886 9665 981 9405 971 9435 937 7935 905 6605 924 2775 973 776
• Efficiency in het onderwijs (FES) 9 0532 500    
• Onderwijsverzorging50 97950 46751 30151 30151 30351 30351 303
• Projecten14 85620 40919 50018 75118 85018 85018 850
• Gratis schoolboeken 297 069320 940291 024288 079297 515297 316
• Belangenbeht.dienstverl. ICT (po, vo, be)0*35 19831 60030 00630 05730 00730 007
        
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit5 84811 79215 88815 57812 9339 4829 479
• Kwaliteitsprojecten via VO-Raad5 8487 1393 8673 5503 6003 5503 550
• Kwaliteitsbeleid vo (w.o. Rekenen en Taal) 4 65312 02112 0289 3335 9325 929
        
Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften011 0254 5712 0712 0712 0712 071
• Uitbreiding zorgstructuur naar havo/vwo 1 0252 0712 0712 0712 0712 071
• Doeltreffendheid hoog-begaafde leerlingen (FES) 10 0002 500    
        
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn042 00042 00042 00042 00042 00042 000
• Innovatiebox VO/LOB 42 00042 00042 00042 00042 00042 000
        
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden11 26421 70539 04939 07639 09639 09339 084
• Maatschappelijke stage11 26421 70539 04939 07639 09639 09339 084
        
Programmakosten-overig23 39423 01021 60421 23720 38020 37720 363
• Uitvoeringsorganisatie IBG13 81414 13012 63912 27311 41611 41411 400
• Uitvoeringsorganisatie CFI9 5808 8808 9658 9648 9648 9638 963
        
Apparaatsuitgaven5 6675 4404 3064 1573 6553 4713 471
Ontvangsten122 99185 87856 38349 9371 3611 3611 361

* In 2007 was deze post onderdeel van beleidsterrein ICT (artikel 10). Met ingang van 2008 is deze post in de begroting van dit artikel verwerkt.

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 3 (voortgezet onderwijs) enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 130 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 476 miljoen in 2011. Met uitzondering van de middelen bestemd voor de schoolboeken is vanaf 2010 de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd.

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) enveloppegelden gereserveerd voor lerarenbeleid. Bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58) zijn extra middelen vrijgemaakt voor de uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Vanaf 2009 is structureel € 76,2 miljoen overgeboekt naar artikel 3 (Voortgezet onderwijs).

Met de enveloppemiddelen worden de volgende maatregelen voorzien:

• lerarenbeleid vo (zie 3.3.1);

• schoolboeken (zie 3.3.1);

• kwaliteit onderwijs vo (zie 3.3.2);

• uitbreiding eerstelijns zorgvoorziening naar havo/vwo (zie 3.3.3);

• maatschappelijke stage (zie 3.3.5).

Deze maatregelen worden verder toegelicht bij de operationele doelstellingen.

Tabel 3.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)6 499 2926 427 6006 390 0496 414 5986 463 886
Totaal juridisch verplicht6 348 0826 282 3316 246 1766 272 5566 320 328
Totaal bestuurlijk gebonden151 015144 894143 497141 666143 182
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden195375376376376
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs6 397 7846 328 8756 293 9496 321 9526 371 252
• Juridisch verplicht6 309 0336 243 2556 207 0806 233 4636 281 244
• Bestuurlijk gebonden88 55685 24586 49388 11389 632
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden195375376376376
      
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit15 88815 57812 9339 4829 479
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden15 88815 57812 9339 4829 479
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften4 5712 0712 0712 0712 071
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden4 5712 0712 0712 0712 071
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn42 00042 00042 00042 00042 000
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden42 00042 00042 00042 00042 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden39 04939 07639 09639 09339 084
• juridisch verplicht39 04939 07639 09639 09339 084
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

3.3 Operationele beleidsdoelstelling

3.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs

Motivering

De school krijgt de ruimte om zelf invulling te geven aan de manier waarop leerlingen het meest effectief leren (het hoe). De centrale overheid legt op hoofdlijnen vast wát geleerd moet worden. Het voortgezet onderwijs kent de lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Deze bekostigingswijze garandeert de scholen een grote mate van vrijheid in de bestedingen.

Instrumenten

• Personele en materiële bekostiging, inclusief Actieplan Leerkracht van Nederland en modernisering bekostiging

Voor de leerlingen ontvangen de schoolbesturen van de Rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen zoals: (na)scholing, beloningsdifferentiatie, integraal personeelsbeleid en professionalisering en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding, zoals onderhoud van het gebouw, inventaris en leermiddelen, energiekosten, ict-voorzieningen en schoonmaak. Binnen het kader van de personele bekostiging is het thema (onderwijs)personeel een belangrijke beleidsprioriteit. Als uitvloeisel van het actieplan «LeerKracht van Nederland»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45) heeft de minister met de sociale partners in het onderwijs over dit thema het onderhandelingsakkoord «Convenant LeerKracht van Nederland» gesloten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Afspraken hieruit (zie verder artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid, onderdeel «een betere beloning») moeten verder ingevuld en vastgelegd worden in de decentrale onderwijs-cao voor het voortgezet onderwijs. De hiervoor gereserveerde budgetten (vanaf 2009) staan deels onder dit artikel en deels onder artikel 9. Voor de modernisering van het bekostigingsmodel voor de personele en materiële kosten is de veldraadpleging van eind 2006 van belang. Hier is naar voren gekomen dat het huidige bekostigingsmodel in een aantal opzichten belemmerend werkt en aan een herziening toe is. In 2007 is hiermee een start gemaakt en de Tweede Kamer wordt in het najaar van 2008 geïnformeerd over de contouren van het nieuwe bekostigingsmodel.

• Leren door te experimenteren in het onderwijs: Efficiency in het onderwijs

Om meer evidence-based kennis (wat werkt wel, wat werkt niet) te verwerven over effectief en efficiënt onderwijs en om meer verbindingen te leggen tussen het onderwijsveld en wetenschappelijke onderzoek, is het actieprogramma «onderwijs bewijs» opgezet.

Het doel van het actieprogramma is: «onderzoek en experimenten mogelijk maken binnen het onderwijs, gericht op de thema’s efficiency in het onderwijs en doeltreffendheid begeleiding hoogbegaafde leerlingen.»

In het kader van dit actieprogramma «onderwijs bewijs» zal een prijsvraag (met één of twee ronden) worden uitgezet. Hiervoor is binnen het FES een experimenteerbudget vrijgemaakt.

Er zijn twee thema’s aangewezen waarbinnen voorstellen voor experimenten kunnen worden ingediend. Deze thema’s zijn:

• Signalering en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen (valt onder 3.3.3).

• Efficiency in het onderwijs, onder andere met betrekking tot het lerarentekort (zie hiervoor artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid), de jeugdzorg en het taal- en rekenonderwijs.

Voor meer informatie over de thema’s, ziewww.minocw.nl/onderwijsbewijs.

Een onafhankelijke jury zal zich over de ingediende voorstellen buigen en de bewindslieden van OCW, EZ en Financiën adviseren. In april 2009 zullen de voorstellen worden geselecteerd.

• Onderwijsverzorgingsinstellingen en projecten. Het budget van de onderwijsverzorgingsinstellingen is inclusief het budget van SLO en CITO (circa € 28 miljoen in 2013) dat is bestemd voor de instandhouding van de kwaliteitsborging van het examensysteem en het onderhoud van het stelsel.

De sectororganisaties van het po, vo en bve krijgen, op grond van de «Vaststellingsovereenkomst afronding evaluatie subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten» (SLOA)(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 64), een eigen budget om de vraagsturing te versterken. Dit betekent dat het onderwijsveld van het po, vo en bve meer zeggenschap krijgt over de middelen voor onderwijsondersteunende activiteiten en dat deze middelen kunnen worden besteed aan doelen die scholen belangrijk vinden. Het budget is afkomstig van het Research & Development (R&D)-budget van de onderwijsondersteunende instellingen en is uitsluitend bestemd voor uitgaven aan R&D door de sectororganisaties zelf.

Tabel 3.4
prijspeil 2008 (x 1 000)200820092010201120122013
OnderwijsondersteuningSLOA:50 46751 30151 30151 30351 30351 303
       
Onderwijsverzorgingsinstellingen50 46748 02745 60443 18240 90538 895
Sectorwerking PO(-raad)05191 0381 5582 0772 596
Sectorwerking VO(-raad)01 4912 9824 4735 9657 456
Sectorwerking BVE0*1 2641 6772 0902 3562 356

* Voor 2008 is € 825 000,– reeds naar artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie overgeheveld.

Daarnaast financiert OCW ook incidenteel projecten. OCW wil projecten subsidiëren, die de beleidsdoelstellingen van het voortgezet onderwijs ondersteunen, maar die niet onder de wettelijke artikelen/regelingen vallen.

• Gratis schoolboeken

De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs zijn hoog. Het kabinet heeft besloten de schoolboeken gratis te maken voor de ouders. Hiermee wordt gezorgd dat:

• de schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs worden verlaagd;

• kinderen niet zonder boeken op school komen, omdat ouders de rekening voor het boekenpakket niet betalen;

• de marktwerking op de educatieve boekenmarkt wordt verbeterd door een prijsprikkel bij de scholen te leggen: de bepaler betaalt.

In het schooljaar 2008–2009 krijgen alle ouders per kind in het (op grond van de WVO bekostigde) voortgezet onderwijs een tegemoetkoming van € 316,–. Vanaf het schooljaar 2009–2010 krijgen de scholen van het voortgezet onderwijs € 316,– (prijspeil 2008) toegevoegd aan de lumpsumbekostiging. De scholen krijgen daarmee ook de verplichting om hun leerlingen gratis van lesmateriaal/schoolboeken te voorzien.

• Belangenbehartiging en dienstverlening op het gebied van ict voor de sectoren po, vo en bve

OCW ondersteunt scholen bij het integreren van ict in het onderwijs. Bovenschoolse en bovensectorale ondersteuning, waar alle scholen iets aan hebben, ontlasten de scholen bij het verwezenlijken van hun ambities op het gebied van ict. Op basis van een jaarlijks activiteitenplan subsidieert OCW hiervoor de stichting Kennisnet. Aanvullend gefinancierd worden:

a) het innovatieprogramma van Surfnet en Kennisnet, waarin wordt geïnvesteerd in kennis om innovatieve voorzieningen voor leerlingen en docenten in de gehele onderwijskolom te realiseren;

b) het interdepartementale programma «maatschappelijke sectoren en ict»;

c) uitvoering van een programma gericht op het stimuleren van het gebruik van bestaand digitaal lesmateriaal in de school. Met deze activiteiten levert OCW ook een bijdrage aan het bevorderen van e-vaardigheden.

• Leerplusarrangement

De ene school heeft het zwaarder dan de andere, door andere factoren dan feitelijke leerachterstanden. Met de aanvullende bekostiging van het Leerplusarrangement worden scholen die te maken hebben met een opeenstapeling van problemen (bij een bepaald percentage leerlingen uit achterstandswijken) in staat gesteld om maatwerk te leveren (maximaliseren van de schoolprestaties door onder meer het voeren van expliciet taalbeleid), voortijdig schoolverlaten tegen te gaan en uiteindelijk even goed te presteren als de overige scholen. In september 2006 is het nieuwe Leerplusarrangement VO van start gegaan. Dit houdt in dat scholen met veel kinderen met problemen extra geld krijgen zonder dat daar extra administratieve lasten tegenover staan. De regeling (TK nummer volgt) is als volgt aangepast voor de periode 2009–2010:

• Er komt een differentiatie van de drempel naar onderwijssoort:

– De berekening van de hoogte van de bekostiging zal plaatsvinden op het niveau van de vestiging in plaats van op het BRIN-nummer.

– De actualisatie van postcodegebieden wordt eerder gepubliceerd, namelijk in augustus in plaats van december.

• Er komt een overgangsmaatregel voor scholen die er bovenmatig op achteruitgaan.

De huidige drempel om voor aanvullende personele bekostiging van leerlingen in aanmerking te komen, zal worden verfijnd. De drempel van 30% wordt vervangen door verschillende drempels per onderwijssoort: vmbo en pro (30%), havo (50%), vwo (60%) en in geval van combinatieklassen geldt de laagste drempel.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.5 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Verwachte slaagkans, in procenten van de instroom in de onderwijssector78%85%Handhaving hoge percentage
Bron: OCW, Bestel in Beeld 2007peildatum: 2001peildatum: 2007 
2. De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijsNulmetingn.v.t. Verlaging met gemiddeld € 316
Bron: Schoolkostenmonitor en vervolgonderzoekpeildatum: 2009  
Tabel 3.6 Kengetallen
 2007200820092010201120122013
1. Totaal aantal ingeschreven leerlingen*906 500899 800896 100892 700895 600902 700910 300
Nader te verdelen in:       
1a. vmbo, incl. lwoo405 800398 200394 200390 900390 500393 500395 100
1b. havo227 300227 500226 900226 100227 100227 900230 000
1c. vwo246 400248 000249 700250 600252 700255 200258 100
1d. pro27 00026 10025 30025 10025 30026 10027 100
2. Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x € 1)6 5707 2017 2517 1997 1337 1057 099
3. Totaal aantal scholen646644643643643643643
4. Gemiddeld aantal leerlingen per school1 4031 3971 3941 3881 3931 4041 416

* Op de teldatum. T.b.v. de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld. Het totaal aantal leerlingen is exclusief ca. 4 500 leerlingen vavo-onderwijs aan scholen voor voortgezet onderwijs.

Toelichting:

1 (tabel 3.5): Het streven is het hoge percentage gediplomeerden op z’n minst te handhaven.

2 (tabel 3.5): Scholen vragen ouders jaarlijks om een bijdrage in de kosten van extra activiteiten. De hoogte en bestemming worden vastgesteld met instemming van de Medezeggenschapsraad. De ontwikkeling van deze ouderbijdrage wordt gevolgd. De eerstvolgende monitor is gekoppeld aan de evaluatie van de wet «gratis» lesmateriaal die in 2011 zal plaatsvinden.

3 en 4 (tabel 3.6): Een school bestaat uit meerdere vestigingen. Het aantal vestigingen is ruim het dubbele van het aantal scholen naar BRIN-nummers. Het gemiddeld aantal leerlingen per vestiging is derhalve veel lager dan het aantal leerlingen per school.

Leerplusarrangementen: De beste indicator voor de stapeling van problemen op scholen zou gebaseerd moeten zijn op individuele leerlingkenmerken. Zodra het technisch mogelijk is de scholen een aanvullende bekostiging te geven op basis van de individuele leerling-kenmerken, wordt dit uitgewerkt in een nieuwe indicator. De hiervoor benodigde inkomensbestanden (project Walvis/SUB) komen in 2008 beschikbaar. Eind 2008 zal duidelijk worden welke bestanden beschikbaar zijn en of deze betrouwbaar genoeg zijn voor nader onderzoek.

3.3.2 Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

De kwaliteit van het voortgezet onderwijs staat hoog in het vaandel. Bijzondere aandacht is echter nodig voor de basiskennis en -vaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Verder is, voor kwaliteitsverbetering van het onderwijs, een voortdurende dialoog tussen (het bevoegde gezag van) scholen en hun omgeving, directe belanghebbenden als ouders, leerlingen, vervolgonderwijs en bedrijfsleven, een essentiële randvoorwaarde.

Instrumenten

• Kwaliteit en innovatie via de VO-raad

Innovatie en versterking van kwaliteit van het onderwijs zijn essentieel om uit leerlingen te halen wat er in zit als het gaat om hun talent en mogelijkheden. Scholen zijn daarvoor verantwoordelijk, uiteraard individueel maar ook als collectief. De VO-raad voert onder de noemer «durven delen doen» (ziehttp://www.vo-raad.nl/innovatie) een landelijke strategie die de innovatie en de kwaliteitsversterking van het onderwijs stimuleert en ondersteunt. Bijvoorbeeld aan de hand van een dieptestrategie waarin «evidence based» nieuwe onderwijspraktijken worden beproefd (de Expeditie). En door een breedtestrategie die een scala aan activiteiten omvat, die gericht zijn op verspreiding van good practices, kennis delen, deskundigheidsbevordering en meer in het algemeen het ontwikkelen van een aanstekelijk innovatieklimaat. Daarnaast wordt de kennisbasis op het terrein van vernieuwende onderwijspraktijken versterkt (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 289, nr. 8, december). «Durven delen doen» is van belang voor het welslagen van de «Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs» en voor het succes van het «maatschappelijk innovatieprogramma onderwijs».

• Kwaliteit voortgezet onderwijs (waaronder Rekenen en Taal)

Zoals aangegeven in de Algemene Doelstelling staat de kwaliteit van het onderwijs centraal in het beleid. Speciale aandacht gaat uit naar de basisvaardigheden rekenen en taal. Het is van belang dat leerlingen een gedegen algemene ontwikkeling verwerven en dat zij de basisvaardigheden rekenen en taal beheersen. In de komende periode wordt daarom geïnvesteerd door middel van het impulstraject taal en rekenen(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007/2008, 31 332, nr. 3). Ook de Inspectie van het Onderwijs wijst in het Onderwijsverslag (2005/2006) op het belang van het beheersen van de basisvaardigheden taal en rekenen. De Inspectie wijst er ook op dat het aantal leerlingen met ontoereikende basisvaardigheden toeneemt. Dit is een belangrijk signaal. Basisvaardigheden zoals rekenen en taal dragen ook bij aan een goede doorstroom van leerlingen in het onderwijs. Deze doelstelling (goede aansluiting tussen onderwijsfases in de doorlopende leerlijn) wordt verder onder de operationele doelstelling 3.3.4 beschreven.

• Onderwijstijd

Leerlingen moeten voldoende (onderwijs)tijd krijgen om zich de leerstof eigen te kunnen maken. Daarom zijn er wettelijke voorschriften voor onderwijstijd. Wel is er discussie over de hoogte en invulling van deze wettelijke normen. Daarom is er een onderzoekscommissie onder leiding van dhr. Clemens Cornielje om een onderzoek uit te voeren naar onderwijstijd en onderwijskwaliteit. In dit onderzoek, waarover de Tweede Kamer op 25 april 2008 is geïnformeerd, komen alle invalshoeken en belangen evenwichtig aan de orde. In december 2008 verwacht OCW het advies van de onderzoekscommissie. Het advies zal vervolgens, eventueel na advies van de Onderwijsraad, met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.7 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk aanbod94,6%98,6%handhaving hoge percentage
Bron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2006/2007peildatum: schooljaar 2005/2006peildatum: schooljaar 2006/2007 
2. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk tijd91,4%83,3%handhaving hoge percentage
Bron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2006/2007peildatum: schooljaar 2005/2006peildatum: schooljaar 2006/2007 
3. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk instructie89,3%87,4%handhaving hoge percentage
Bron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2006/2007peildatum: schooljaar 2005/2006peildatum: schooljaar 2006/2007 
4. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk zorg en begeleiding83,7%86%handhaving hoge percentage
Bron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2006/2007peildatum: schooljaar 2005/2006peildatum: schooljaar 2006/2007 
5. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk kwaliteitszorg37,6%33,6%hoger
Bron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2006/2007peildatum: schooljaar 2005/2006peildatum: schooljaar 2006/2007 
6. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind77,17,1
Bron: OCW, Bestel in Beeld 2007peildatum: 2005peildatum: 2007peildatum: 2009

Toelichting:

1 t/m 4: Het streven is om in de toekomst de percentages van de scholen die voldoende scoren op de kwaliteitskenmerken aanbod, tijd, instructie, zorg en begeleiding hoog te houden.

5: Met stapsgewijze aanpak is de ambitie er op gericht om uiteindelijk het overgrote deel van de scholen een voldoende te laten scoren op kwaliteitszorg volgens de normen van de Inspectie van het Onderwijs.

Kwaliteit voortgezet onderwijs: In het schooljaar 2007/2008 is een nieuw Cohortonderzoek onder de naam COOL5–18 gestart. In dit onderzoek worden scholieren van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan gevolgd door het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In het onderzoek staat de ontwikkeling van leerlingen centraal: waaronder de cognitieve ontwikkeling, waarvoor onderzoekers de kennis en vaardigheden in het Nederlands, Engels en rekenen en wiskunde in beeld brengen.

3.3.3 Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Eén van de grote uitdagingen waarvoor het voortgezet onderwijs de komende periode staat is de leerling kennen, volgen en hem passend onderwijs bieden. Het voortgezet onderwijs heeft als taak om ondersteuning te bieden aan leerlingen die extra zorg nodig hebben, aan leerlingen met speciale talenten én aan leerlingen die in meer algemene zin uitblinken. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, wordt in de beleidsuitvoering nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van de minister voor Jeugd en Gezin. Hij is namelijk verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en preventieve domein wordt geleverd.

Instrumenten

• Uitbreiding regionale zorgverbanden havo/vwo

De Regeling regionaal zorgbudget, subsidie regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs en reboundvoorzieningen is aangepast en treedt in werking op 16 maart 2008 (Staatscourant van 14 maart 2008, nummer 53). Vooruitlopend op wetswijziging rondom passend onderwijs, is het regionale zorgbudget opgehoogd om meer leerlingen in havo/vwo met een extra zorgvraag het regionale zorgbudget te kunnen ondersteunen. Kern van passend onderwijs is de wettelijke verankering van de samenwerking in regionale netwerken en de resultaatsverplichting voor schoolbesturen om alle aangemelde of ingeschreven zorgleerlingen passend onderwijszorgaanbod te bieden.

• Leren door te experimenteren in het onderwijs: doeltreffendheid voor hoogbegaafde kinderen (FES)

Doeltreffendheid voor hoogbegaafde kinderen is onderdeel van het actieprogramma «onderwijs bewijs». Dit actieprogramma is beschreven onder doelstelling 3.3.1. Er is subsidie beschikbaar voor het (laten) uitvoeren van experimenten in de voorschoolse sector en het basis- en voortgezet onderwijs naar de effectiviteit van maatregelen voor de signalering en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Dit is nodig om te voorkomen dat leerlingen met specifieke begaafdheden en talenten naar een lagere vorm van onderwijs gaan of dat hun specifieke talenten niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.8 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Percentage uitval havo/vwo0,9%1%0,9%
Bron: OCW, Kerncijfers 2003–2007Peildatum: 2005Peildatum: 2007peildatum: 2009

Toelichting:

1: het streven is om te voorkomen dat uitval bij havo/vwo-leerlingen verder zal stijgen.

3.3.4 Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn

Motivering

Een goede aansluiting tussen en binnen de onderwijsfases en schoolsoorten is om verschillende redenen van belang. Zo leren leerlingen daadwerkelijk wat zij nodig hebben voor persoonlijk, beroepsmatig en maatschappelijk functioneren en voor vervolgonderwijs. Talenten worden beter benut en uitval wordt voorkomen. De beschikbare onderwijstijd wordt efficiënter en effectiever benut doordat hiaten en ongewenste dubbelingen in de leerlijn worden voorkomen. Op stelselniveau wordt gezorgd dat de doorlopende leerlijnen beter aansluiten.

Instrumenten

• Rekenen en taal

Onder doelstelling 3.3.2 is aangegeven dat de basisvaardigheden rekenen en taal van groot belang zijn voor een goede doorstroom van leerlingen. Het referentiekader van de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Rekenen en Taal (januari 2008 – Commissie Meijerink) voor taal en rekenen is een goed vertrekpunt om de doorlopende leerlijnen daadwerkelijk te gaan realiseren. De budgetten hiervoor staan bij 3.3.2.

• «Innovatiebox VO/LOB».

Leerlingen van alle schoolsoorten moeten hun talenten maximaal kunnen ontwikkelen en dat vergt kwalitatief goed onderwijs, doorlopende leerlijnen en een optimale leerloopbaan. Het is van belang dat leerlingen kennis hebben van de (vervolg)mogelijkheden die passen bij hun talenten. Door het bewust leren kiezen van een vervolgtraject, wordt een bijdrage geleverd aan het minimaliseren van het onnodig, tussentijds wisselen van leertraject en/of het voortijdig schoolverlaten. Voor deze kwaliteitsverbetering is de komende jaren ondersteuning van didactische en organisatorische vernieuwingstrajecten gewenst, waaronder de ontwikkeling van goede loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB). Hiermee wordt aangesloten op de «Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs» en op de speerpunten waar de sector zich de komende vier jaar op gaat richten (zie sectoragenda VO-raad). De komende jaren krijgen scholen geld om deze innovatie, samen met regionale partners vorm te geven. De resultaten van de innovatie inspanningen worden door scholen verantwoord in bijvoorbeeld het jaarverslag.

• Experimenten vmbo-mbo

De overstap van de vmbo-basisberoepsgerichte leerweg (bb) naar het mbo is voor leerlingen een obstakel vanwege het feit dat de inhoud van het vmbo- en mbo-onderwijs onvoldoende op elkaar aansluiten, de pedagogisch-didactische aanpak in beide sectoren heel verschillend is, er een verschil in schoolcultuur is en dat met name de zwakkere leerlingen in het vmbo-bb een kwetsbare groep vormen. Gezien deze problemen en gezien het feit dat dit aansluit bij de praktijk in het onderwijsveld met betrekking tot de vakscholen, wordt een experiment uitgevoerd met een geïntegreerde leerweg voor de bovenbouw van het vmbo-bb en mbo-2. Dit sluit aan bij de vraag vanuit het onderwijs. In deze leergang hoeven leerlingen de fysieke stap van hun vmbo-school naar het roc niet te maken. Zij volgen één programmatisch geïntegreerd traject van vmbo-bb en mbo-2 op één school. De middelen hiervoor staan bij artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.9 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. gediplomeerden naar bestemming: overgang vmbo naar mbo84,5%84,2%85%
Bron: OCW, Kerncijfers 2003–2007peildatum: 2006peildatum: 2007peildatum: 2011
2. gediplomeerden naar bestemming overgang havo/vwo naar ho81,1%80,6%85%
Bron: OCW, Kerncijfers 2003–2007peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2011

Toelichting:

1, 2: Daarnaast is het streven om zo min mogelijk leerlingen te laten afstromen of voortijdig te laten uitstromen. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen bij artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).

3.3.5 Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden

Motivering

Goed onderwijs bereidt leerlingen voor op hun rol in en bijdrage aan de samenleving. Met de invoering van een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, wil het kabinet leerlingen laten ervaren hoe mooi het is om iets voor een ander te doen. Die ervaring kan op veel manieren worden opgedaan: in het vrijwilligerswerk om het belang van iets te doen voor een ander te ontdekken. De maatschappelijke stage stimuleert kennismaken met «de ander» al op jonge leeftijd. En wat ook belangrijk is: de maatschappelijke stagiair van vandaag kan de vrijwilliger van morgen worden! De maatschappelijke stage kan zodoende ook op langere termijn een positieve bijdrage leveren aan de sociale samenhang. Verder sluit de maatschappelijke stage aan bij een van de kerntaken van het onderwijs: de burgerschapsvorming.

Instrumenten

• Maatschappelijke stage

Vanaf het voorjaar 2008 wordt het aantal leerlingen dat deelneemt aan de maatschappelijke stage gestimuleerd. Dit gebeurt aan de hand van pilots, waarbij het accent ligt op de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de maatschappelijke stage. Op basis van de resultaten van de pilots en de ervaringen van scholen en maatschappelijke organisaties vindt na afloop van het schooljaar 2008–2009 een evaluatie plaats. In 2009 wordt verder gewerkt aan de wettelijke verankering van de maatschappelijke stage.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.10 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Percentage leerlingen van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stage loopt. 0%n.v.t. 20%*35%*
Bron: OCW, plan van aanpak maatschappelijke stagePeildatum: 2004 peildatum: 2009peildatum: 2010

* betreft een maatschappelijke stage van 30 uur.

3.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 3.11 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex post1. Vernieuwing onderwijsleer-materialen rekenen en taalOD 3.3.2A. 2006B. 2009 
 2. Evaluatie effecten praktijklokalenOD 3.3.1A. 2007B. 2009http://www.eb- management.nl/ enhttp://www.cfi.nl
 3. Onderzoek effecten innovatiesOD 3.3.2A. mrt. 2007B. dec. 2007http://www.risbo.nl/
 4. Onderzoek effectiviteit instrumenten innovatieOD 3.3.2A. nov. 2008B. nov. 2009 
 5. Evaluatie effecten leerplusarrangementOD 3.3.3A. 2007B. vanaf 2008jaarlijkshttp://www.regioplan.nl
 6. Effecten nieuwe indicatieprocedure zorgleerlingenOD 3.3.3A. 2007B. 2008http://www.eim.nl/
 7. Evaluatie experiment hoogbegaafdheidOD 3.3.3A. 2007B. 2010http://www.cps.nl/
 8. Onderzoek naar effecten pilots maatschappelijke stage8.a monitor stagesOD 3.3.5OD 3.3.5A. 2009B. 2010Jaarlijksvanaf 2008 
Overig evaluatieonderzoek9. PISA onderzoek naar rekenen, taal, science, om de drie jaarAD 3.1A. 2000B. 2015http://www.oecd.or g/home
 10. COOL cohortonderzoekAD 3.1A. 2007B. 2015http://www.nwo.nl/http://www.gion.nl/http://www.cito.nl/
 11. Indicators teaching and learningAD 3.1A. 2005B. 2008http://www.utwente.nl/
 12. Onderzoek naar oorzaken zeer zwak worden VO-scholenOD 3.3.2A. 2008B. 2009http://www.onder- wijsinspectie.nl/
 13. Succes in 1e jaar vervolgonderwijsAD 3.1A. 2007B. jaarlijkshttp://www. roa.unimaas.nl/
 14. DoordecentralisatiehuisvestingOD 3.3.1A. 2008B. 2009http://www.regioplan.nl
 15. Onderzoek indicatie en passend onderwijs hoogbegaafde leerlingenOD 3.3.3A. 2009B. 2010 
 16. ICT in het onderwijs: Monitor «4 in balans»OD 3.3.1A. 2007B. jaarlijkshttp://www.kennisnet.nl/
 17. IEA onderzoek TIMSS advanced (int vgl beste bèta leerlingen)OD 3.3.2A. 2007B. 2009http://www.utwente.nl/
 18. Universum Programma: monitoring & auditingOD 3.3.3A. 2008B. 2010http:// www.platform- betatechniek.nl/
 19. Internationale leerwegenOD 3.3.3A. 2007B. 2008http://www.slo.nl/
 20. Evaluatie onderbouw en tweede faseOD 3.3.4A. 2007B. 2011http://www.gion.nl/
 21. Doorontwikkeling vmbo en mboOD 3.3.4A. aug. 2007B. aug. 2009http://www.maxgoote.nl/
 22 Onderwijstijd22a evaluatie vakantiespreiding A. mei 2008B. dec. 2008http://www.eim.nl/en commissie Cornielje
 23. ScholierenonderzoekOD 3.3.4 en 3.3.52 jaarlijkshttp://www.regioplan.nl
 24. IEA Onderzoek naar burgerschapOD 3.3.5A. 2007B. 2010http://www.iea.nl/http://www.gion.nl/http://www.europees- platform.nl/

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene doelstelling: het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Omschrijving

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) vervult drie belangrijke functies. Ten eerste verlangt de samenleving veel van het mbo. Deelnemers aan het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie moeten zodanig begeleid, en opgeleid worden dat zij als volwaardig lid van de samenleving kunnen functioneren en zichzelf maximaal kunnen ontplooien. Hierbij is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie halen en dus niet voortijdig uitvallen. Ten tweede heeft het mbo de taak om deelnemers die dit kunnen zo veel mogelijk door te laten stromen naar vervolgonderwijs. Per slot van rekening haalt het grootste deel van alle mbo’ers zonder veel problemen een diploma en is het de verwachting dat de vraag naar hoger opgeleiden steeds meer toe neemt. Ten derde speelt het mbo een belangrijke rol in de Nederlandse economie. Het bedrijfsleven stelt eisen aan de beroepshouding en de kennis van studenten die het mbo verlaten. Zij denkt samen met vertegenwoordigers van onderwijsinstellingen mee over een goede vormgeving van de nieuwe kwalificatiestructuur en de wijze waarop de hierop gebaseerde examens het best afgenomen kunnen worden.

Om aan bovenstaande verwachtingen te kunnen voldoen moet het beroepsonderwijs blijven innoveren, moeten mbo’ers tijdens hun stage beter worden begeleid en moet voortvarend worden doorgewerkt aan de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur. Essentieel is dat het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie beschikken over voldoende en goed opgeleide docenten die met plezier en ambitie hun vak uitoefenen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele deelnemers én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De middelen die hij tot zijn beschikking heeft, zijn: wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, integraal toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister op een manier ondersteund die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels voor goed bestuur. Gemeenten ontvangen een «rijksbijdrage educatie» voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s. Gekozen is om de verantwoordelijkheid voor de educatie te beleggen bij gemeenten omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte (zie ook paragraaf 4.3.3).

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, deelnemers, ouders, docenten, bedrijven, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg) en andere overheden. De minister is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen-, deelnemer- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 4.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Het percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs.71,9%76,2%85%
Bron: Eurostat200020072010
2. Het percentage voortijdig schoolverlaters van de totale bevolking van 18–24 jaar.15,5%12%8%
Bron: Eurostat200020072010
3. Het percentage afgestudeerde mbo 4-deelnemers dat succesvol een opleiding op HBO niveau afrondt.62%63,5%62%
Bron: Cfi200620072011
4. Werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding.   
– BOL14,6%5,3% 
– BBL (cohort 2002/2003) 20042%(cohort 2005/2006) 2007 
Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA
5. Het percentage gediplomeerden dat aangeeft dat hun opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt.   
– BOL43%46%60%
– BBL (cohort 2004/2005) 200656%(cohort 2005/2006) 200760% 2011
Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA   

 Toelichting:

2. Deze EU-indicator betreft het aandeel jongeren van 18–24 jaar zonder startkwalificatie ten opzichte van het totaal aantal jongeren in deze leeftijd in Nederland. Het percentage wordt gemeten op basis van de enquête beroepsbevolking (EBB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

4. en 5. De percentages bij deze indicatoren hebben betrekking op het jaar van meting. Dit jaar zijn, in tegenstelling tot eerdere jaren, tevens gegevens beschikbaar die betrekking hebben op het aantal deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor de indicator «werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding» is geen streefwaarde geformuleerd omdat deze sterk afhankelijk is van de conjuncturele ontwikkeling. Het percentage gediplomeerden dat aangeeft dat hun opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt is ten opzichte van 2006 (43%) behoorlijk gestegen. De streefwaarde bij deze indicator is daarom verhoogd van 50% naar 60%. Aandachtspunt is dat ook de waarden bij deze indicator worden beïnvloed door de conjuncturele ontwikkeling.

4.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen3 354 2243 569 6253 277 2683 278 2833 271 4013 266 0543 279 184
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 195 2983 352 4243 276 2613 276 3443 271 3903 268 2643 268 433
        
Programma-uitgaven3 191 6663 348 6093 272 3743 272 6303 268 0223 264 8963 265 065
        
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen2 699 1632 816 4932 782 7262 783 4302 797 8562 798 9902 798 826
• Bekostigingroc’s/overige regelingen2 569 1812 690 3152 696 3652 709 7982 729 3862 733 1262 733 131
• Korting 2e teldatum (coalitieakkoord)00– 38 892– 38 892– 38 892– 38 892– 38 892
• Bekostigingkbb’s114 302108 796108 79698 49691 49691 49691 496
• Overig15 68017 38216 45714 02815 86813 26013 091
        
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatievan hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken183 323182 240120 550119 400113 029112 371112 374
• Competentiegerichte kwalificatiestructuur5 0005 0009 7429 7429 7439 7459 748
• Taal en rekenen 2 46010 4909 4904 1603 5003 500
• Innovatiearrangement17 00020 00020 00020 00020 00020 00020 000
• Innovatiebox regulier36 74244 49543 13843 13843 13643 13643 136
• Innovatiebox FES71 75071 750     
• Regeling stagebox35 00035 00035 00035 00035 00035 00035 000
• Toezicht kwaliteit examens mbo*11 300000000
• Overig6 5313 5352 1802 030990990990
        
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften243 815245 796257 815250 976237 553231 692232 023
• Leerling-gebonden financiering (LGF)16 48818 58322 06426 61420 07220 07220 072
• Educatie189 843195 742195 743195 743195 743195 744195 744
• Aanvalsplan Laaggeletterdheid4 0004 0004 0004 000   
• Leven Lang Leren en EVC25 89918 30224 46513 2979 7973 0973 097
• Overig7 5859 16911 54311 32211 94112 77913 110
        
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs52 25789 018100 754108 383109 351111 615111 616
• RMC’s/GSB37 82839 39339 85540 40340 95940 95940 959
• Convenantenmet RMC-regio’s6 72011 36022 72022 72022 72022 72022 720
• Versterking handhaving leerplicht5 80013 00013 00013 00013 00013 00013 000
• Programmagelden regio’s 11 56915 18016 04016 04010 40010 400
• Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo 1 4003 2007 2007 6008 4005 000
• Verbetering melding verzuim 3 4002 0002 0002 0002 0002 000
• Overig1 9098 8964 7997 0207 03214 13617 537
        
Programmakosten-overig13 10815 06110 52910 44110 23110 22810 226
• Uitvoeringsorganisatie IBG7 8787 7023 1143 0262 8172 8152 813
• Uitvoeringsorganisatie CFI5 2307 3597 4157 4157 4147 4137 413
        
Apparaatsuitgaven3 6323 8153 8873 7143 3683 3683 368
Ontvangsten90 27676 94910 0003 600   

* Het budget voor «toezicht kwaliteit examens» (voorheen bestemd voor instellingen en KCE) is vanaf 2008 overgeheveld naar het budget voor de Inspectie van het Onderwijs (artikel 19 Inspecties).

Coalitieakkoord:

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 4 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 34,1 miljoen in 2008 oplopend tot indicatief € 150,3 miljoen in 2011 (de tranches 2008 en 2009 zijn exclusief het aandeel groen onderwijs). Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd. Voor 2009 komt € 43,2 miljoen uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

– bedrag per deelnemer mbo (LGF)/huisvesting

– competentiegerichte kwalificatiestructuur

– voortijdig schoolverlaten (VSV)

– loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB)

– duale trajecten en Erkenning van Verworven Competenties (EVC)

Deze maatregelen worden verder toegelicht bij de operationele doelstellingen.

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) enveloppegelden gereserveerd voor lerarenbeleid. Bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58) zijn extra middelen vrijgemaakt voor de uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland»(Tweede Kamer 2007–2008, 27 923, nr. 53). Vanaf 2009 is structureel € 29,5 miljoen overgeboekt naar artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie).

Tabel 4.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 261 8453 262 1893 257 7913 254 6683 254 839
Totaal juridisch verplicht3 185 8843 133 8413 099 7673 101 6323 098 389
Totaal bestuurlijk gebonden75 934128 349157 996153 011156 422
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden270282527
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen2 782 7262 783 4302 797 8582 798 9902 798 826
• Juridisch verplicht2 776 8142 777 8482 788 7432 792 0192 792 024
• Bestuurlijk gebonden5 8855 5839 0876 9466 776
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden270282527
      
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatievan hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken120 550119 400113 029112 371112 374
• Juridisch verplicht98 72735 540000
• Bestuurlijk gebonden21 82383 860113 029112 371112 374
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften257 815250 976237 553231 692232 023
• Juridisch verplicht229 388234 090223 705223 869224 021
• Bestuurlijk gebonden28 42716 88613 8487 8238 001
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs100 754108 383109 351111 615111 616
• Juridisch verplicht80 95586 36387 31985 74482 344
• Bestuurlijk gebonden19 79922 02022 03225 87129 271
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

4.3 Operationele beleidsdoelstellingen

4.3.1 Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen

Motivering

Het stelsel van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie moet zodanig zijn toegerust dat regionale opleidingencentra (roc’s) en kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven (kbb’s) bij het verzorgen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie kunnen voldoen aan de door de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen.

Instrumenten

• Bekostiging

In het najaar zal het kabinet de Tweede Kamer nader informeren over de richting van de modernisering van de bekostiging. Hierbij zal het advies worden betrokken dat de SER (Sociaal-Economische Raad) in juni heeft gegeven en worden uitgewerkt wat de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie Arbeidsparticipatie (Commissie Bakker) over de bekostiging van het mbo stelt(Tweede Kamer 2007–2008, 29 544, nr. 154). De Commissie bepleit terecht een aantal maatregelen om de aansluiting tussen (mbo-)onderwijs en (regionale) arbeidsmarkt verder te verbeteren. Voor wat betreft de bekostiging valt dan te denken aan een gewichtenregeling rond kwetsbare jongeren en een verhoging van de diplomacomponent op de niveaus drie en vier. Er liggen enkele interessante opties om het bekostigingsmodel hierop aan te passen. Naast een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt wil het kabinet overigens de modernisering van de bekostiging ook aangrijpen om enkele perverse prikkels weg te nemen, de administratieve lasten te beperken en optimaal gebruik te maken van het zogenaamde onderwijsnummer.

In de meerjarenraming van OCW is vanaf 2010 een structurele bezuiniging op de bekostiging van de kenniscentra ingepland, gebaseerd op de huidige wettelijke taken, om daarmee een deel van de kosten voor het Actieplan LeerKracht van Nederland (Tweede Kamer 2007–2008, 27 923, nr. 45) te financieren. Deze bezuiniging bedraagt € 10,3 miljoen in 2010 oplopend tot € 17,3 miljoen structureel vanaf 2011. Op dit moment wordt er door de kenniscentra, evenals bij de instellingen het geval is, gewerkt aan een voorstel voor herziening van het bekostigingsmodel. De verdeling van de middelen over de kenniscentra blijft voorlopig hetzelfde totdat er een nieuwe kwalificatiestructuur is. In de aanloop naar de herziening is het goed om de prikkelwerking in het bestaande model te evalueren.

• Werking tweede teldatum

De «tweede teldatum» is bedoeld om instellingen te prikkelen tot het voorkomen van voortijdige schooluitval. Uit de telling van 1 februari 2008 blijkt dat het aantal deelnemers op de 2e teldatum minder is afgenomen (ten opzicht van 1 oktober 2007) dan ten tijde van het opstellen van het coalitieakkoord was verondersteld. Het kabinet heeft op basis hiervan besloten om de ingeboekte korting van € 155 miljoen terug te brengen tot € 41 miljoen structureel vanaf 2009 (inclusief aandeel groen onderwijs). Elk kalenderjaar wordt opnieuw bepaald of een bijstelling van het budget nodig is naar aanleiding van de nieuwe telgegevens op 1 februari.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Deelnemersucces per niveau Bron: Benchmark Mbo Raadniveau 1: 37%niveau 2: 47%niveau 3: 68%niveau 4: 70%2006niveau 1: 42%niveau 2: 49%niveau 3: 69%niveau 4: 77%2007niveau 1: 50%niveau 2: 60%niveau 3: 75%niveau 4: 80%2011

Toelichting:

Het deelnemersucces op basis van de mbo Benchmark 2007 (schooljaar 2005/2006) is in totaal met 4,6% gestegen ten opzichte van de vorige Benchmark (2006). Deze stijging wordt deels (3%) verklaard doordat sinds de start van het Basisregister Onderwijs (BRON) nu een jaar langer gegevens zijn geregistreerd en het bestand dus completer is geworden. De overige stijging is te verklaren door een verbetering van prestaties. Als gevolg van de relatief grote stijging op niveau 4 is de streefwaarde voor dit niveau verhoogd van 75% naar 80%.

Tabel 4.5 Kengetallen
 20082009201020112012
1. Aantal deelnemers mbo (x € 1000)*492,0510,5512,0510,9507,1
bol-vt324,3329,6328,0326,4324,0
bbl156,1169,4172,6173,3172,0
bol-dt11,711,511,411,311,2
Bron: Referentieraming2008
2. Gemiddelde prijs per mbo-deelnemer **Bron: Lumpsum budget/specifieke regelingen en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo€ 6 642€ 6 541***€ 6 531€ 6 568€ 6 610

* Het gaat om ongewogen aantallen per kalenderjaar (omgerekend uit aantallen per schooljaar op 1 oktober).

** Bij de berekening van de gemiddelde prijs per mbo-deelnemer is rekening gehouden met de voorjaarsnotabesluitvorming om de deelnemersraming op het niveau van 2009 af te toppen. Met het beschikbaar komen van de 2e tranche FES middelen «Beroepsonderwijs in bedrijf», het transitiebudget inburgering en de middelen als gevolg van de vroegtijdige sluiting van het ESF-loket is geen rekening gehouden.

*** De daling van de prijs per deelnemer 2009 ten opzichte van 2008 wordt met name veroorzaakt door het effect van de tweede teldatum. Ten opzichte van de leerling-telling op 1 oktober 2007 is het aantal mbo’ers op 1 februari 2008 (tweede teldatum) met 1,6% gedaald. Deze daling heeft zich met name voorgedaan bij de bol-voltijds opleidingen. Dit betekent dat de eerder veronderstelde daling van 10% zich niet heeft voorgedaan. Het effect van de tweede teldatum doet zich voor vanaf 2009.

4.3.2 Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken

Motivering

Om de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren moeten mbo-opleidingen voldoende onderwijstijd bieden en moeten zij de examens op orde hebben. Ouders, studenten en werkgevers moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de opleidingen en de uitgereikte diploma’s. De invoering van de nieuwe competentiegerichte kwalificatiestructuur is erop gericht studenten beter voor te bereiden op beroepsuitoefening, doorstroom naar vervolgonderwijs en deelname aan de samenleving. Ook een grotere betrokkenheid en een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen, kenniscentra en (leer)bedrijven in de regio kunnen bevorderen dat de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het onderwijs, inclusief de stage, van een hoog niveau is. Daarnaast is het van belang dat innovatieve projecten in en vanuit het beroepsonderwijs een blijvend positief effect hebben op de kwaliteit van het beroepsonderwijs. Verder wordt de positie van het middelbaar beroepsonderwijs versterkt door de doorlopende leerlijnen in de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo) te bevorderen.

Instrumenten

• Competentiegerichte kwalificatiestructuur

De omvorming van opleidingen naar nieuwe competentiegerichte beroepsopleidingen, inclusief de nieuwe examens, verloopt fasegewijs. Het procesmanagement MBO 2010 ondersteunt en adviseert de instellingen vraaggestuurd bij dit vernieuwingsproces. Hierbij is in het bijzonder aandacht voor de thema’s: onderwijsinhoud, professionalisering van het onderwijspersoneel, draagvlak en bedrijfsvoering.

• Taal en rekenonderwijs

In de brief «examinering mbo korte en lange termijn» van 28 april 2008 en in de beleidsreactie OCW op het advies Meijerink is aangegeven welke maatregelen worden getroffen op het gebied van de basisvaardigheden Nederlands en rekenen/wiskunde in het mbo. Doelstelling is om in het mbo het beheersingsniveau van de basisvaardigheden taal en rekenen omhoog te brengen. Dit wordt bereikt door drie maatregelen:

– een wettelijke verankering van de referentieniveaus voor taal en rekenen/wiskunde en een vertaling naar de eisen in de kwalificatiestructuur;

– een overgang naar centrale examinering van de Nederlandse taal en het rekenen/wiskunde in het mbo. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur uit bijvoorbeeld het voorgezet onderwijs, zonder voorbij te gaan aan de specifieke kenmerken van het mbo op de verschillende kwalificatieniveaus;

– een intensivering van het taal- en rekenonderwijs in het mbo, gericht op de verhoging van het beheersingsniveau op de lange termijn met een inhaalslag op de korte termijn.

• Afspraken met kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven

Met de instellingen en de kenniscentra zijn heldere afspraken gemaakt over het werven van voldoende en kwalitatief hoogwaardige stageplaatsen én over het begeleiden van studenten vooraf en tijdens de stage.

• Regelingen innovatiebox, innovatiearrangement en stagebox

De middelen uit de innovatiebox, het innovatiearrangement en de stagebox geven instellingen en kenniscentra de ruimte om samen met het bedrijfsleven in te spelen op de nodige innovaties in de regio. Verder is de tweede tranche FES middelen «beroepsonderwijs in bedrijf» beschikbaar gekomen. Dit geld zal net als de eerste tranche FES middelen worden opgenomen in de regeling innovatiebox.

• Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidmarkt

Om regionale afspraken te kunnen maken over het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt stimuleert OCW, samen met SZW, EZ en LNV, de ontwikkeling van regionale agenda’s. Het belangrijkste thema op deze agenda’s is de aansluiting van vraag naar personeel en het aanbod van de mbo-opleidingen. Ook worden afspraken gemaakt om de bestuurlijke drukte in diezelfde regio’s in te dammen. Op het terrein van praktijkleren wordt gestreefd naar een intensievere en verdergaande samenwerking tussen het onderwijs en bedrijfsleven, waarbij mbo-instellingen de eindverantwoordelijkheid hebben voor het leerproces van de deelnemer. Dit jaar nog worden bestaande initiatieven rond bedrijfsscholen geïnventariseerd.

• Bevorderen doorstroom naar hoger onderwijs

Ten einde de doorstroom vanuit het mbo naar het hbo te bevorderen wordt in 2009 gestart met twee à drie experimenten om mbo Associate degree-programma’s (Ad-programma’s) op locatie aan te bieden. Dit is een tweejarig programma dat onderdeel uitmaakt van de hbo-bacheloropleiding. De arbeidsmarktrelevantie van de Ad-programma’s is uiteindelijk bepalend voor de verdere implementatie van de Ad in het mbo.

• Handhaven onderwijstijd

Hoewel de gemiddeld gerealiseerde onderwijstijd boven de norm van 850 uren uitkomt, blijkt dat nog altijd een deel van de opleidingen uit eigener beweging onvoldoende onderwijstijd realiseert. Naast de terugvordering van geld zijn er ook andere maatregelen genomen, zoals het regelmatig communiceren met instellingen, het openbaar maken van resultaten, het voortzetten van verscherpt toezicht van de Inspectie en de accountantscontrole. De verwachting is, dat deze scherpe toezichts- en handhavingsacties, die nu voor het eerst in het schooljaar 2006–2007 zijn genomen, de komende jaren vruchten afwerpen. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er in 2010 een evaluatie van de 850 urennorm komt waarbij ondermeer het aantal uren, de relatie met de kwaliteit van het onderwijs en de bekostiging onder de loep worden genomen.

• Toezicht en handhaving kwaliteit examens mbo

Deelnemers moeten hun opleiding afronden met een waardevol en landelijk erkend mbo-diploma. Een diploma dat goed aansluit op de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Goede examinering draagt hieraan bij. De school is hiervoor primair verantwoordelijk en moet er zorg voor dragen dat het examen van elke aangeboden opleiding voldoet aan de standaarden voor examenkwaliteit. Zo moeten bijvoorbeeld de examenopgaven wat betreft inhoud en niveau dekkend zijn gelet op de kwalificatie-eisen. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt jaarlijks de kwaliteit van examens van mbo-opleidingen. Als uit het kwaliteitsonderzoek door de Inspectie blijkt dat de examenkwaliteit niet voldoende is, dan krijgt de instelling voor de betreffende opleiding een waarschuwing en tijd om de kwaliteit te verbeteren. Als de kwaliteit bij het volgende onderzoek nog niet voldoende is, dan kan de examenlicentie voor de betreffende opleiding ingetrokken worden. In dat geval moet de school de examinering van die opleiding volledig uitbesteden aan een andere school of aan een exameninstelling die over de betreffende examenlicentie beschikt. In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 28 april 2008(Tweede Kamer, 27 451, nr. 88)heeft OCW de beleidsvoornemens voor het examenbeleid op de langere termijn uiteengezet.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.6 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde Laatste waardeStreefwaarde
1. Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteitBron: Examenverslag mbo52%2005 n.n.b.85%2011
2. Percentage deelnemers dat positief is over de beroepspraktijkvormingsplek (BPV)Bron: ODIN-448% 2005 48% 200775% 2011
3. Het oordeel van de deelnemer over de opleidingBron: ODIN-46,72005 6,620077,02011
4. Het percentage opleidingen dat onderwijs geeft volgens de richtlijnen van de 850 uren norm (BOL)Bron: Inspectie van het Onderwijs75% 2006 76% 2007100% 2008
5. Het percentage opleidingen, ingericht op basis van de nieuwe kwalificatiedossiersBron: Cfi12% 2005–200626% 2006–200739% 2007–2008100% 2010–2011
6. Het percentage deelnemers in nieuwe opleidingenBron: Cfi11%2005–200626%2006–200741%2007–2008100%2010–2011

Toelichting:

1. Er valt op dit moment geen uitspraak te doen over de examenkwaliteit in het studiejaar 2006–2007 vanwege niet afgerond onderzoek door KCE (KwaliteitsCentrum Examinering) en vraagtekens bij de kwaliteit van de oordelen van KCE. De Inspectie voert een herbeoordeling uit naar de examenkwaliteit 2006–2007 bij de categorie van 285 opleidingen (dit betreft onder meer opleidingen die een eerdere waarschuwing hebben gekregen in verband met onvoldoende examenkwaliteit 2005–2006). In het najaar van 2008 komen de resultaten van deze herbeoordeling beschikbaar. Dan komen tevens de resultaten van de nieuwe onderzoeksronde naar de examenkwaliteit 2007–2008 bij een brede steekproef van opleidingen beschikbaar. Het Examenverslag van de Inspectie, met het totaalbeeld van de bevindingen, zal met een aanbiedingsbrief naar de Tweede Kamer worden gezonden. Omdat instellingen diverse acties uitvoeren om de kwaliteit van examens te verbeteren is het aannemelijk dat het percentage mbo-opleidingen met voldoende examenkwaliteit in de periode 2008–2011 zal toenemen. De streefwaarde is daarom verhoogd van 70% naar 85%.

2. en 3. De laatste waarden bij deze indicatoren zijn dezelfde als die vermeld in de begroting 2008 (op basis van ODIN-4). Dit komt omdat ODIN een studententevredenheids-onderzoek betreft dat om de twee jaar verschijnt. De eerst volgende rapportage (ODIN-5) met de nieuwste waarden verschijnt medio 2009. Mede naar aanleiding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer wordt de komende periode meer aandacht besteed aan de begeleiding van deelnemers door instellingen tijdens de stage. Als gevolg hiervan zijn de streefwaarden van twee indicatoren verhoogd. «Het percentage deelnemers dat positief is over de BPV» is verhoogd van 50% naar 75%. In tabel 4.7 is de streefwaarde bij de indicator «percentage deelnemers dat tevreden is over de begeleiding bij de studie» verhoogd van 50% naar 65%.

5. In de begroting 2008 is voor het schooljaar 2005–2006 uitgegaan van een prognose van 8% en voor het schooljaar 2006–2007 van een prognose van 38%. Deze percentages zijn tot stand gekomen op basis van de opgaven van instellingen van het verwachte aantal nieuwe opleidingen ten opzichte van het totale aantal opleidingen. De werkelijke realisaties voor beide schooljaren bedragen respectievelijk 12% en 26%. De realisatie voor het schooljaar 2007–2008 is 39%.

6. In de begroting 2008 is voor het schooljaar 2005–2006 uitgegaan van een prognose van 9% en voor het schooljaar 2006–2007 van een prognose van 43%. Deze percentages zijn tot stand gekomen op basis van de opgaven van instellingen van de verwachte aantallen deelnemers. De werkelijke realisatie voor beide schooljaren bedraagt respectievelijk 11% en 26%. De realisatie voor het schooljaar 2007–2008 is 41%.

4.3.3 Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Deelnemers aan het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie moeten de mogelijkheid krijgen om hun talenten te ontplooien in een leeromgeving en op een manier die het beste past bij hun specifieke behoeften. Het gaat daarbij ook om jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben bij het volgen van een mbo-opleiding. En om volwassenen die door het volgen van een cursus of opleiding beter in staat zijn te participeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving.

Instrumenten

• Leerling-gebonden financiering

Instellingen kunnen voor geïndiceerde deelnemers met een handicap of stoornis leerling-gebonden financiering (het zogenoemde rugzakje) aanvragen. Hiermee kan de deelnemer zowel interne begeleiding door de instelling als ambulante begeleiding door een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs worden aangeboden, zodat ook deze deelnemers hun opleiding met succes kunnen afronden. Met een wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs(Stb. 2008, 202) is leerling-gebonden financiering per 1 augustus 2008 structureel verankerd. Het aantal geïndiceerden wordt geraamd op 3 900 in 2008 oplopend tot 5 700 in 2010.

• Van Rijksbijdrage volwasseneneducatie naar participatiebudget

De Nederlandse gemeenten ontvangen jaarlijks geld van het Rijk voor educatie. Op grond van de WEB zijn zij verplicht overeenkomsten te sluiten met regionale opleidingencentra over de inkoop van educatieve activiteiten. Ambities op het terrein van de educatie zijn bijvoorbeeld het vergroten van de sociale redzaamheid en het terugdringen van het aantal laaggeletterden (zie ook onder het volgende instrument), het verzorgen van tweede kans – onderwijs (vavo) en het bevorderen van de doorstroom naar het middelbaar beroepsonderwijs. Met de (werktitel): «Wet participatiebudget» die in het najaar van 2008 wordt ingediend, streeft de regering ernaar met ingang van 2009 de middelen die gemeenten ontvangen voor de volwasseneneducatie, de inburgering en de integratie van werkzoekenden, samen te voegen tot één«participatiebudget». Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid en minder administratieve lasten voor gemeenten. Het eindperspectief is één volledig «ontschot» budget dat gemeenten via aanbesteding in de markt zetten. Bij wijze van overgang worden zorgvuldige waarborgen ingebouwd voor de omvang van de bestedingen bij de roc’s en de bestemming van de middelen.

• Verminderen laaggeletterdheid

In Nederland hebben ongeveer 1,5 miljoen mensen moeite met lezen, schrijven of rekenen. De uitvoering van het «Aanvalsplan laaggeletterdheid 2006–2010 van A tot Z betrokken»(Tweede Kamer 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 142) wordt daarom ook in 2009 met kracht voortgezet. Eind mei 2008 heeft de Tweede Kamer de tweede voortgangsrapportage over 2007 ontvangen, inclusief de monitor van het aantal deelnemers aan een lees-, schrijf- of rekencursus in dat kalenderjaar(Tweede Kamer 2007–2008, 28 760, nr. 18). Hieruit blijkt dat de aanpak van laaggeletterdheid een steviger fundament heeft gekregen. De publieke bekendheid met het verschijnsel is sterk toegenomen en er zijn veel meer activiteiten op provinciaal en gemeentelijk niveau dan enkele jaren geleden. De vooruitzichten zijn dan ook, dat de meeste doelstellingen uit het «aanvalsplan» worden gehaald. In september 2007 is het «Convenant Laaggeletterdheid 2007–2015» getekend door de bewindslieden van OCW, SZW, Jeugd en Gezin en werkgevers- en werknemersorganisaties vertegenwoordigd in de Stichting van de Arbeid. Dit convenant vormt een belangrijke aanvulling op het «aanvalsplan» van OCW. Aan de Tweede Kamer is op 4 februari 2008 een bij het convenant horend uitvoeringsplan toegezonden, dat in goed overleg tussen vertegenwoordigers van de ondertekenaars tot stand is gekomen(Tweede Kamer 2007–2008, 28 760, nr. 17). De verbreding van het draagvlak voor het verminderen van laaggeletterdheid tot partijen buiten OCW vergroot de kans dat de gekozen (preventieve èn curatieve) aanpak werkt.

• Bevorderen leren en werken

Met behulp van de «stimuleringsregeling leren en werken» worden door samenwerkingsverbanden duale trajecten, EVC-trajecten (Erkenning van Verworven Competenties) en regionale «leerwerkloketten» gerealiseerd. Er komt een publiekscampagne om de bekendheid van EVC, oftewel het ervaringscertificaat, te vergroten. De informatie over EVC-aanbieders wordt inzichtelijk gemaakt door het EVC-register waarmee informatie over alle EVC-aanbieders in Nederland toegankelijk wordt. Voor burgers en werkgevers is dit register en veel andere informatie over leren en werken te vinden opwww.lerenenwerken.nl.

Voor de markt van het post-initieel onderwijs geldt dat publieke en private aanbieders elkaar uitstekend kunnen aanvullen en versterken. Er worden stappen gezet om, samen met sociale partners en aanbieders, de markt voor post-initieel onderwijs meer open en transparant te maken.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.7 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Aantal nieuwe leerwerktrajecten (duaal + EVC)Bron: monitoring door CINOP11 575200644 162200790 0002011
2. Deelnameaan leeractiviteiten door 25–64 jarigenBron: Eurostat15,5%200016,6%200720%2010
3. Het percentage deelnemers dat tevreden is over de begeleiding bij de studieBron: ODIN-438% 200539% 200765% 2011
4. Dekkingsgraad zorg- en adviesteamsBron: Nederlands Jeugdinstituut42%200375%2007100%2011

Toelichting:

1. In de periode 2005–2007 zijn 44 162 extra leerwerktrajecten (EVC-trajecten en duale trajecten) gerealiseerd. Dit zijn er meer dan het verwachte aantal van 35 000 in de begroting 2008. De samenwerkingsverbanden die zijn voortgekomen uit de tijdelijke stimuleringsregeling spelen hierbij een belangrijke rol. Met de verlenging van de projectdirectie Leren en Werken tot 2011 is voor de periode 2008–2011 een nieuwe streefwaarde bepaald. In 2011 moeten 90 000 extra leerwerktrajecten gerealiseerd worden. Het startmoment voor deze nieuwe ambitie is 2008.

4.3.4 Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs

Motivering

Uit oogpunt van maatschappelijke cohesie en economische ontwikkeling is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie halen. De nationale doelstelling is halvering van het jaarlijks aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2012 ten opzichte van 2002. Een voortijdig schoolverlater is een jongere van 12 tot 23 jaar die geen onderwijs volgt en nog geen startkwalificatie heeft. Een startkwalificatie is een vwo-, havo-, of mbo-diploma op niveau 2. In de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten»(Tweede Kamer, 2007–2008, 26 695, nr. 42) staat op welke wijze voortijdig schoolverlaten (vsv) wordt aangepakt. De uitval van jongeren kent verschillende oorzaken waardoor een brede benadering noodzakelijk is. Daarom plaatst het kabinet de aanpak van voortijdig schoolverlaten in een breder kader: de pijler «sociale samenhang». Binnen deze geïntegreerde aanpak is OCW verantwoordelijk voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door met name kwalitatief goed onderwijs te bieden en door zich in te zetten voor jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben.

Instrumenten

Voor het verminderen van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) worden diverse instrumenten ingezet. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in instrumenten met een preventief karakter (die er voor moeten zorgen dat zoveel mogelijk jongeren de school niet voortijdig verlaten) en curatieve instrumenten (die er voor zorgen dat uitgevallen jongeren via een combinatie van werk en leren alsnog hun startkwalificatie halen). Door een juiste mix van instrumenten moet het beoogde doel bereikt worden. Hieronder staan de belangrijkste instrumenten en maatregelen:

• Meerjarige convenanten

In 2008 zijn nieuwe vierjarige convenanten afgesloten met scholen (bve-instellingen en scholen in het voortgezet onderwijs) en gemeenten in alle 39 RMC-regio’s (Regionale meld- en coördinatiefunctie vsv). In het schooljaar 2006–2007 is met deze maatregel ervaring opgedaan in 14 RMC-regio’s. In de convenanten worden resultaatafspraken gemaakt; hoe resultaten bereikt worden is een zaak van gemeenten en scholen. De gemeente kan als regisseur met scholen afspraken maken over prioritering van de vsv aanpak in de 40 Krachtwijken. De resultaatafspraken worden gemaakt over het te verminderen aantal nieuwe vsv-ers per school per jaar over de periode 2008–2011. Het doel is een vermindering van 10% per jaar, wat moet leiden tot een totale landelijke reductie van 40% in het schooljaar 2010–2011 ten opzichte van 2005–2006. Door de invoering van het onderwijsnummer is het mogelijk resultaatafspraken per school te maken. Het onderwijsnummer biedt een betrouwbare basis om het aantal vsv’ers per school en RMC-regio te berekenen. Scholen ontvangen € 2 000 per nieuwe vsv’er minder. Dit is een forfaitair bedrag ongeacht de werkelijke kosten voor maatregelen die een school moet maken. Een combinatie met andere instrumenten, zoals specifieke programma’s, kan nodig zijn om de beoogde reductie van 40% te behalen. De convenantafspraken zijn op basis van «no cure, no pay». Het bedrag wordt voorgeschoten op basis van de doelstelling en achteraf verrekend op basis van de resultaten.

• Specifieke programma’s voor de regio’s

Aan de meerjarige convenanten is ook extra geld toegevoegd voor onderwijsinstellingen (bve-instellingen en vo-scholen) voor specifieke programma’s voor de regio’s. Bij de G4 is hierop een uitzondering gemaakt. Vanwege de complexiteit van de vsv-problematiek in de G4-regio’s heeft de minister, op basis van het bestuurlijk overleg over het jeugdmanifest, ingestemd met een zwaardere regie van de gemeenten. Op grond hiervan gaan in de G4-regio’s deze extra vsv-middelen naar de gemeenten. Per RMC-regio is per kalenderjaar een maximumbedrag beschikbaar. De omvang is afhankelijk van het aantal nieuwe vsv’ers in het schooljaar 2005–2006 in de RMC-regio. De onderwijsinstellingen stellen gezamenlijk en in overeenstemming met de RMC-contactgemeente een programma van maatregelen op voor de vermindering van het aantal nieuwe vsv’ers. Deze maatregelen moeten vallen binnen de in de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten» genoemde aandachtsgebieden: soepele overgang vmbo-mbo, loopbaanoriëntatie en begeleiding, zorg op school, aantrekkelijker onderwijs, meer maatwerktrajecten en meer ruimte voor leren met de handen. Ook heeft het onderwijsveld de mogelijkheid om eigen initiatieven/onderwerpen aan te dragen als aannemelijk is dat ze het gewenste effect sorteren. De programma’s zullen de komende jaren worden gemonitord, zodat de voortgang wordt bewaakt en tijdige bijsturing mogelijk is als de resultaten hiertoe aanleiding geven.

• Experimenten vmbo-mbo

In de overgang van vmbo naar mbo vindt veel uitval van leerlingen plaats. Voor leerlingen van de niveaus één en twee van het mbo geldt dat de overstap van de vmbo-basisberoepsgerichte leerweg (bb) naar het mbo een obstakel is vanwege het feit dat de inhoud van het vmbo en het mbo-onderwijs onvoldoende op elkaar aansluit, de pedagogisch-didactische aanpak in beide sectoren heel verschillend is, er een verschil in schoolcultuur is en dat met name de zwakkere leerlingen in het vmbo-bb een kwetsbare groep vormen. Gezien deze problemen wordt er een experiment uitgevoerd met een geïntegreerde leerweg voor de bovenbouw van het vmbo-bb en mbo-2. In deze leergang hoeven leerlingen de fysieke stap van hun vmbo-school naar het roc niet te maken. Zij volgen één programmatisch geïntegreerd traject van vmbo-bb en mbo-2 op één school. Dit betekent dat de omgeving, de docenten en de pedagogisch-didactische aanpak vertrouwd blijven. Doel van dit experiment is te onderzoeken of deze leergang leidt tot minder uitvallers in de overgang van vmbo-bb naar het mbo, en dat meer leerlingen een mbo2-diploma (startkwalificatie) halen. Jaarlijks monitoren we de resultaten van de experimenten, waarbij het effect op het verminderen van voortijdig schoolverlaten expliciet in beeld wordt gebracht. Afhankelijk van de resultaten wordt bekeken of deze nieuwe leergang een meer structurele oplossing kan bieden voor de problematische overgang vmbo-mbo.

• Verbetering melding relatief verzuim door scholen

Indien er sprake is van relatief verzuim (een leerling is gedurende langere tijd afwezig, maar staat wel ingeschreven) moet een school dit melden aan de gemeente. Uit onderzoek is echter gebleken dat scholen en onderwijsinstellingen in veel gevallen niet goed omgaan met de wettelijke verplichting om tijdig verzuim te melden en dat het meldingsproces kan worden verbeterd. Gemeenten moeten kunnen beschikken over tijdige, juiste en volledige informatie over verzuimende leerlingen zodat zij adequaat kunnen reageren. In 2007 is een pilot gestart van de «digitale één-loket route», waarbij de scholen de verzuimgegevens verplicht aan de IB-groep melden en de IB-groep deze gegevens verrijkt met gegevens uit BRON en aan de juiste gemeenten verstrekt. De pilot is in mei 2008 afgerond met een positieve evaluatie. Op basis daarvan wordt de landelijke «uitrol» in het schooljaar 2008–2009 voorbereid. Ook worden de termijnen waarop leerlingen moeten worden gemeld geharmoniseerd. Er komt één meldtermijn voor spijbelen en één meldtermijn voor schooluitval. Het doel is om het melden van verzuim eenvoudiger, sneller en eenduidiger te maken. De landelijke «uitrol» van deze «digitale één-loket route» is op één augustus 2008 begonnen en wordt op één augustus 2009 afgerond.

• Curatieve maatregelen

Als ondanks bovengenoemde maatregelen er toch jongeren uitvallen, worden inspanningen geleverd om ze alsnog op te leiden tot een startkwalificatie. Hiervoor is nauwe samenwerking tussen het onderwijsveld, gemeenten, werkgevers en (jeugd)zorg noodzakelijk. Door de gunstige economische situatie kiezen veel jongeren om direct te gaan werken in plaats van door te leren. Vooral in de handel, zakelijke dienstverlening en horeca zijn op dit moment veel vacatures. Daardoor hebben in het schooljaar 2006–2007 naar schatting 3 000 extra leerlingen zonder startkwalificatie (t.o.v. de voorgaande jaren) de overstap naar de arbeidsmarkt gemaakt. Het kabinet wil deze groenpluk tegengaan. Volgens het CBS hebben schoolverlaters zonder een startkwalificatie bijna twee keer zo vaak geen baan (35%) als jongeren die wel een startkwalificatie hebben (19%). Als de werkgelegenheid weer afneemt, of als de jongeren ouder en dus duurder worden, lopen de jongeren die nu zonder startkwalificatie aan het werk zijn gegaan het grootste risico om werkloos te worden. En dat terwijl de arbeidsmarkt goed opgeleide mensen hard nodig heeft. Het kabinet wil dat minder jongeren zonder (uitzicht op een) startkwalificatie de arbeidsmarkt op gaan. Daarom komt er extra aandacht voor scholing van werkende jongeren. Daarvoor is ook de inzet van de sociale partners nodig. De ambitie is om in deze kabinetsperiode 20 000 werkende jongeren alsnog aan een startkwalificatie te helpen door middel van EVC- en/of duale trajecten. Deze ambitie is onderdeel van de ambitie om in 2011 in totaal 90 000 EVC- en/of duale trajecten te realiseren (zie tabel 4.7 onder punt 1). De eerste trajecten voor werkende jongeren zijn in 2008 gestart. De ruimte voor praktijkgericht onderwijs en leer/werktrajecten wordt uitgebreid en er worden afspraken gemaakt met grote werkgevers zoals Defensie, die goed geschoold personeel hard nodig hebben en daarom (nieuwe) medewerkers scholing aanbieden.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.8 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Het aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indicator)Bron:Tweede Kamer, 2007–2008, 26 695, nr. 4471 000200253 100200735 0002012
2. Aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters (inclusief oude voortijdig schoolverlaters)Bron: RMC-analyse 2007; Research voor Beleid20 000 200239 545 2007 

Toelichting:

1. De nationale indicator betreft het aantal nieuwe vsv-ers die gedurende een geheel schooljaar door de RMC-regio’s via meldingen aan de IB-Groep zijn geregistreerd in BRON. Voortijdig schoolverlaten wordt deels veroorzaakt door onderwijsgebonden factoren en deels door andere (sociaal-maatschappelijke) factoren. Het OCW-beleid richt zich op onderwijsgebonden factoren. De laatste waarde (2007) is het voorlopige cijfer over het schooljaar 2006/2007.

2. De forse toename van het aantal herplaatste vsv’ers wordt met name veroorzaakt door de convenanten die in het schooljaar 2006/2007 zijn afgesloten met 14 RMC-regio’s. Voor deze indicator is geen landelijke streefwaarde afgesproken.

4.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 4.9 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingEffectmeting duale en evc-trajecten op deelnamearbeidsparticipatieOD 3A: 2008CPB(FES/OCW/PLW)
Effectenonderzoek ex postEffectiviteit VSV maatregelen/Convenanten(kwalitatief)OD 4A: juli 2008TU Delft/Berenschot
 Analyse effectrapportage RMCOD 4A: januari 2008B: april 2008Research voor Beleid
Overig evaluatieonderzoek1Project Onderwijs-Arbeidsmarkt 2006 (POA)ADJaarlijks in juliROA
 Registratie en bestemming uitstroomschoolverlaters (SIS)ADJaarlijks in septemberROA
 Monitor Sociale VeiligheidADJaarlijksCinop
 Arbeidsmarktbarometer leraren bveADJaarlijksRegioplan
 MonitoralfabetiseringOD 3Jaarlijks in het voorjaarCinop
 Monitor leerling-gebonden financieringOD 3A: 1 november 2006B: 15 november 2009RISBO
 Monitor competentiegericht beroepsonderwijsOD 2B: najaar 2008Cinop
 ODIN-5OD 2Najaar 2008Research Ned
 Financiële belasting roc’s als gevolg van WGBhczOD 3A: 1 juni 2008B: oktober 2009RISBO/SEOR
 VSV en de rol van de leerkrachtOD 4A: mei 2008B: augustus 2008Organise to Learn
 Loopbaan- en Oriëntatie Begeleiding op scholenOD 4A: mei 2008B: september 2008Ecorys

1 Wat onder overig evaluatieonderzoek staat is niet in alle gevallen evaluatieonderzoek

ARTIKEL 5. TECHNOCENTRA

5.1 Algemene doelstelling: Het ondersteunen van technocentra om de kennisinfrastructuur in de regio te versterken. De aansluiting tussen het technisch beroepsonderwijs en het bedrijfsleven wordt hierdoor verbeterd.

Omschrijving

Technocentra zijn intermediaire organisaties, opgericht om knelpunten op de regionale arbeidsmarkt voor technische beroepen aan te pakken. De focus van de technocentra richt zich op het bemiddelen tussen onderwijsinstellingen en bedrijven. De activiteiten zijn gericht op het faciliteren en stimuleren van uitdagingen en het oplossen van regionale knelpunten. Het uitgangspunt van het «deltaplan bèta/techniek» is een integrale aanpak van de tekorten aan bèta’s en technici. De technocentra leveren hier ook een bijdrage aan. Op deze manier wordt bijgedragen aan de in Europees verband onderschreven doelstelling van 15% meer uitstroom van gediplomeerden uit hogere bèta-en technische opleidingen in 2010.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige verstrekking en besteding van middelen.

Externe factoren

Conjuncturele ontwikkelingen in de technische sector.

5.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen9 0259 8639 4339 392   
Totale uitgaven (programma + apparaat)9 0259 6469 4349 392   
        
Programma-uitgaven9 0259 6469 4349 392   
• Basissubsidie7 0007 0007 0007 000   
• Speerpuntsubsidie1 7001 7002 1342 092   
• Overig325946300300   
Ontvangsten9 0849 3489 1369 176   
Tabel 5.2 Budget flexibiliteit (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven9 4349 392000
Totaal juridisch verplicht9 4349 392000
Totaal bestuurlijk gebonden00000
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

5.3 Doelstellingen nieuwe Kaderregeling

Motivering

Voor de jaren 2006 tot en met 2010 is de Kaderregeling Technocentra (Stb. 2006, nr. 50) vastgesteld met als doel het verstrekken en vernieuwen van de kennisinfrastructuur en verbetering van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven in de technische sector. De drie daarvan afgeleide doelstellingen zijn:

a. het bevorderen van de circulatie en toepassing van kennis tussen instellingen, tussen instellingen en ondernemingen of tussen instellingen, ondernemingen en derden;

b. een gezamenlijke benutting door verschillende instellingen van hoogwaardige en moderne apparatuur voor technisch beroepsonderwijs;

c. het bevorderen van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt.

Binnen deze doelstellingen moeten de technocentra zich laten leiden door regionale knelpunten en uitdagingen. Ook moet daarbij een duidelijke focus liggen op het aanpakken van de tekorten aan bèta’s en technici.

Instrumenten

Op basis van de «Kaderregeling Technocentra» wordt aan 14 technocentra een basissubsidie verleend voor de ondersteuning van de basisactiviteiten van de technocentra. De aanvragen moeten voldoen aan één van de drie subdoelstellingen zoals hierboven genoemd en vastgelegd in de kaderregeling. Daarnaast kan een technocentrum een aanvraag indienen voor een speerpuntsubsidie. De speerpuntsubsidie kan worden verleend op voorwaarde dat aan een technocentrum een basissubsidie is verleend voor hetzelfde boekjaar als waarvoor de speerpuntsubsidie wordt aangevraagd. Een project waarvoor het technocentrum een speerpuntsubsidie aanvraagt moet een bijdrage leveren aan eveneens één van de drie subsidiedoelstellingen zoals hierboven genoemd. Daarnaast moet deze doelstelling voldoen aan het oplossen van de in de regio gesignaleerde knelpunten. Voor de jaren 2007 tot en met 2010 adviseert het bestuur van het Platform bèta techniek de minister over de te kiezen inhoudelijke thema’s voor de speerpuntsubsidie voor deze jaren. De minister stelt de thema’s voor de betreffende jaren vast.

Meetbare gegevens

Het Platform bèta techniek evalueert de activiteiten van de technocentra.

De evaluatie van de «jaarverslagen 2006 technocentra» (13 september, 2007) heeft betrekking op de resultaten van de technocentra voor de basissubsidie in het jaar 2006 en indien van toepassing op de ontvangen speerpuntsubsidie in het jaar 2006. Daarnaast geeft deze evaluatie inzicht in de werking en effectiviteit van de kaderregeling. Uit de evaluatie komt het beeld naar voren van technocentra die ieder op hun eigen manier een bijdrage leveren aan de oplossing van de in de regio gesignaleerde knelpunten. In het najaar van 2008 verschijnt de evaluatie van de activiteiten voor 2007. De technocentra creëren draagvlak voor hun activiteiten door het vormen van samenwerkingsverbanden waarin onderwijs en bedrijfsleven betrokken zijn. Om meer en beter inzicht te krijgen in de effecten van de activiteiten van de technocentra, worden de technocentra gestimuleerd prioriteit te geven aan de ontwikkeling van een meetinstrumentarium.

ARTIKELEN 6 EN 7 HOGER ONDERWIJS

6.1 Algemene doelstelling: het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt en het vervullen van hun rol in de intellectuele voorhoede van onze samenleving.

Omschrijving

De welvaart en het welzijn van de Nederlandse samenleving zijn in belangrijke mate afhankelijk van kennis, technologie en innovatie. Om internationaal te concurreren en maatschappelijke problemen aan te pakken, zijn een goed opgeleide bevolking, ondernemende geesten en hoogwaardige diensten en producten doorslaggevend. Nederland moet daarom zijn kennis- en innovatiepotentieel optimaal organiseren en benutten. Onderwijs en wetenschap zijn meer dan aanjagers van de kenniseconomie. Het gaat niet alleen om geld, het gaat ook om zaken als inzicht in de eigen identiteit, historische achtergronden, natuur en milieu, sociale verhoudingen, cultuur en kunst, kortom de bepalende factoren voor kwaliteit van leven. Daarbij speelt het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek een belangrijke rol. Het hoger onderwijs moet daarom studenten motiveren om tijdens hun studie het beste uit zichzelf te halen, zodat zij zich optimaal ontplooien en zich breed kunnen oriënteren.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen voor het hoger onderwijs en onderzoek en het borgen van de kwaliteit. De middelen die hij tot zijn beschikking heeft, zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister ondersteund op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur.

Externe factoren

Het onderwijs en onderzoek wordt ook bepaald door de inzet van studenten, docenten, onderzoekers, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke en internationale organisaties, andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

De indicatoren 2, 3 en 4 maken duidelijk of de student optimaal is voorbereid op deelname aan de samenleving en een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt. Bij deze indicatoren worden geen streefwaarden geformuleerd omdat deze te sterk samenhangen met de conjunctuurontwikkeling. De verwachting is dat het aantal afgestudeerden dat in het buitenland werkt, stijgt door het stimuleren van internationale mobiliteit onder studenten.

Een meer gedetailleerd beeld van het hoger onderwijs staat in Bestel in Beeld 2007(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, bijlage bij 31 444 VIII, nr. 5) en Kennis in Kaart 2007(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, bijlage bij 31 288, nr. 17).

Tabel 6.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. Percentage hoger opgeleiden in de leeftijdsgroep 25–44 jarigen van de beroepsbevolking32,5%34,5%46,0%
Bron: CBS (EBB)Peildatum: 2003Peildatum: 2006Peildatum: 2020
Kengetallen200520062007
2. Percentage afgestudeerden met een eerste baan op tenminste hbo- respectievelijk wo-niveau   
  Hbo78%82%85%
  Wo61%65%64%
Bron: Hbo en Wo-monitor   
3. Percentage afgestudeerden dat anderhalf jaar na afstuderen in het buitenland werkt   
  Hbo3%3%3%
  Wo4%5%
Bron: Hbo en Wo-monitor   
4. Percentage werkenden dat aangeeft dat opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt   
  Hbo48%53%59%
  Wo52%57%60%
Bron: Hbo en Wo-monitor   

Toelichting:

1. Streefwaarde: Nederland streeft ernaar dat op afzienbare termijn (in 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. De beleidsinzet is erop gericht om dit voornamelijk door verbetering van rendement te bereiken.

6.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen2 287 7312 300 3242 241 2422 283 3352 299 5132 316 8602 316 974
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven2 030 8542 154 3182 229 4522 249 4372 285 0602 299 5092 316 840
        
Programma-uitgaven:2 025 7792 149 3062 223 4922 243 7242  279 9362 294 3852 311 716
        
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs1 927 7002 038 6312 083 7172 104 1452 140 5242 154 9112 172 249
• Reguliere bekostiging(lumpsum)11 927 7002 038 6312 083 7172 104 1452 140 5242 154 9112 172 249
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit4 5616 8405 2855 2825 2835 2885 288
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)4 0836 8405 2855 2825 2835 2885 288
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent»)478      
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden3 86914 98031 25835 89337 97238 01438 023
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls(lumpsum) 6 72620 16220 17020 19020 22320 232
• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond (lumpsum)21 4865 6228 4648 22310 28210 29110 291
• Studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs2 3032 4002 4002 4002 4002 4002 400
• Erkenning van verworven competenties 1321325 0005 0005 0005 000
• Emancipatie80100100100100100100
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa76 93373 54488 89184 36982 90682 92582 929
• Praktijkgericht onderzoek (Raak)13 30011 30013 10013 10013 10013 10013 100
• Praktijkgericht onderzoek (Lectoren en kenniskringen)3 (lumpsum)  1 2101 2101 2111 2131 214
• Nieuwe hbo-masteropleidingen 5 04410 08110 08410 09510 11210 115
• Deltaplan bèta/techniek461 30850 00058 50055 50058 50058 50058 500
• FES: Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs2 3257 2006 0004 475   
        
Programmakosten overig512 71615 31114 34114 03513 25113 24713 227
• Uitvoeringsorganisatie IBG7 8579 8899 4389 1328 3488 3448 324
• Uitvoeringsorganisatie CFI4 8595 4224 9034 9034 9034 9034 903
        
Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs en Studiefinanciering65 0755 0125 9605 7135  1245 1245 124
Ontvangsten6 9557 2176 0174 492171717

1 In de middelen voor «Reguliere bekostiging» zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

2 Deze middelen zijn deels bestemd voor het gehele hoger onderwijs. Vanaf 2008 zijn hierin begrepen de middelen uit het coalitieakkoord voor Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond voor de hogescholen in de Randstad (in 2008 € 4,1 miljoen en vanaf 2009 € 8,2 miljoen per jaar).

3 In de «Reguliere bekostiging» (lumpsum) is voor lectoren en kenniskringen een bedrag van € 52 miljoen opgenomen.

4 De middelen voor het Deltaplan bèta/techniek hebben niet alleen betrekking op het hbo maar zijn onderwijsbreed.

5 De middelen hebben betrekking op de sector hoger onderwijs.

6 In verband met de samenvoeging van de directies Hoger Onderwijs en Studiefinanciering zijn de apparaatsuitgaven van de directie Studiefinanciering vanaf 2009 toegevoegd aan de apparaatsuitgaven van de directie Hoger Onderwijs.

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 6 (Hoger beroepsonderwijs) enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 19,7 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 128,7miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd.

Voor 2009 komt € 25,5 miljoen (geïndexeerd naar het loon- en prijspeil 2008) uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

• Tijdelijke stimulering/subsidiëring nieuwe hbo-masteropleidingen (€ 5 miljoen);

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls (€ 13,4 miljoen);

• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond (€ 4,1 miljoen);

• Praktijkgericht onderzoek (Raak) (€ 1,8 miljoen) en

• Praktijkgericht onderzoek (Lectoren en kenniskringen) (€ 1,2 miljoen).

Deze maatregelen worden nader toegelicht bij de operationele doelstellingen.

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) enveloppegelden gereserveerd voor lerarenbeleid. Bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58) zijn extra middelen vrijgemaakt voor de uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Vanaf 2009 is tot dusver structureel € 15,2 miljoen overgeboekt naar artikel 6 (Hoger beroepsonderwijs).

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen3 656 7183 868 7703 692 1023  757 1883 735 4803 808 2743 808 502
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 511 5323 675 6873 664 3663 698 9053 746 5193 763 5333 808 547
        
Programma-uitgaven:3 511 5323 675 6873 664 3663 698 9053 746 5193 763 5333 808 547
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 473 0753 624 2663 613 2433 638 2513 680 7933 722 7193 767 723
• Reguliere bekostiging(lumpsum)3 467 0753 615 7993 601 9223 619 6913 649 8593 691 7813 736 775
• Geesteswetenschappen  2 0585 1565 1565 1565 158
• Alfa/Gamma-onderzoek (lumpsum)6 0008 4679 26313 40425 77825 78225 790
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit26 18337 09336 41840 39940 37425 52425 526
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)3 0005 0005 0005 0005 0005 0005 000
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent»)382      
• Excellentie in onderwijs: FES 10 00010 00015 00015 000  
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (HSP)1, 213 10012 48111 17510 15610 15610 15610 158
• Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s), Beeldmerk16 3316 2426 9666 9666 9667 1167 116
• Noodfonds voor internationale hulpacties11 0001 0001 0001 0001 0001 0001 000
• Internationale samenwerking en beurzenprogramma’s12 3702 3702 2772 2772 2522 2522 252
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden2 2084 2622 5818 12710 13010 13410 140
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls(lumpsum) 1 4072 2468 12710 13010 13410 140
• Verhoging deelname studenten met een handicap12 2082 855335    
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa10 06610 06612 12412 12815 2225 1565 158
• 3TU’s samenwerking310 06610 06612 12412 12815 2225 1565 158
Ontvangsten11 50820 34620 08225 08225 0821616

1 De middelen hebben betrekking op het gehele hoger onderwijs.

2 Hierin begrepen de «oude» HSP-reeks van € 5 miljoen per jaar vanaf 2007.

3 Hierin begrepen de «oude» FES-middelen van € 10,1 miljoen per jaar over de periode 2007–2011.

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 7 (Wetenschappelijk onderwijs) enveloppegelden gereserveerd die oplopen van € 25,3 miljoen in 2008 tot indicatief € 142,3 miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop van deze middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd. Voor 2009 komt structureel € 6,7 miljoen (geïndexeerd naar het loon- en prijspeil 2008) uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

• Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten (€ 1 miljoen);

• 3TU’s (€ 2 miljoen);

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls (€ 0,7 miljoen);

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (€ 1 miljoen);

• Geesteswetenschappen (€ 2 miljoen).

Deze maatregelen worden nader toegelicht bij de operationele doelstellingen.

Tabel 6.4 Middelen toerusting hoger onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 20092010201120122013
Hogescholen:2 115 7412 136 2042 174 5862 189 0222 206 370
Onderwijsdeel2 062 5012 082 9972 121 3642 135 7512 153 098
Deel ontwerp- en ontwikkeling (Raak en Lectoren en kenniskringen)53 24053 20753 22253 27153 272
      
Universiteiten:3 580 1363 604 6073 644 3873 691 0923 731 575
Onderwijsdeel1 433 7341 443 5611 460 0921 479 3651 497 663
Onderzoekdeel1 592 4241 603 3381 621 6991 643 1071 663 430
Academische ziekenhuizen553 978557 708562 596568 620570 482
      
Overige organisaties hoger onderwijs:35 03034 66634 66134 66134 661
United Nations University (UNU)826825825825825
Europees Universitair Instituut Florence1 4991 4991 4991 4991 499
Stichting Nederlandse Organisatie voor25 06525 05225 04725 04725 047
Internationale samenwerking in het Hoger     
Onderwijs (NUFFIC)     
Stichting Handicap en Studie811461461461461
Stichting UAF Steunpunt (SUS)/UAF2 5192 5192 5192 5192 519
Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)240240240240240
Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)240240240240240
Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)3 8303 8303 8303 8303 830
Tabel 6.5 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)2 209 1512 229 6892 266 6852 281 1382 298 489
Totaal juridisch verplicht2 124 6932 140 9952 175 0022 191 1882 208 536
Totaal bestuurlijk gebonden84 45888 22691 23789 25489 257
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0468446696696
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs2 083 7172 104 1452 140 5242 154 9112 172 249
• Juridisch verplicht2 081 1722 101 6352 138 0362 154 1732 171 511
• Bestuurlijk gebonden2 5452 0422 0424242
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0468446696696
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit5 2855 2825 2835 2885 288
• Juridisch verplicht5 2855 2825 2835 2885 288
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden31 25835 89337 97238 01438 023
• Juridisch verplicht31 02628 39330 47230 51430 523
• Bestuurlijk gebonden2327 5007 5007 5007 500
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa88 89184 36982 90682 92582 929
• Juridisch verplicht7 2105 6851 2111 2131 214
• Bestuurlijk gebonden81 68178 68481 69581 71281 715
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Tabel 6.6 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 664 3663 698 9053 746 5193 763 5333 808 547
Totaal juridisch verplicht3 647 7603 674 9473 719 4673 750 9813 795 991
Totaal bestuurlijk gebonden16 60623 45826 55211 55211 556
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden05005001 0001 000
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 613 0933 638 2513 680 7933 722 7193 767 723
• Juridisch verplicht3 609 7943 631 3653 673 8973 715 3233 760 325
• Bestuurlijk gebonden3 2996 3966 3966 3966 396
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden05005001 0001 000
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit36 41840 39940 37425 52425 526
• Juridisch verplicht25 38925 39925 37425 52425 526
• Bestuurlijk gebonden11 02915 00015 00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden2 7318 12710 13010 13410 140
• Juridisch verplicht2 5118 12710 13010 13410 140
• Bestuurlijk gebonden2200000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa12 12412 12815 2225 1565 158
• Juridisch verplicht10 06610 06610 06600
• Bestuurlijk gebonden2 0582 0625 1565 1565 158
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

6.3 Operationele doelstellingen

De strategische agenda «Het Hoogste Goed»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 1) vormt de basis voor de beleidsvoornemens om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. In het voorjaar van 2008 zijn meerjarenafspraken met de koepels van de besturen in het hbo en wo gemaakt om dit verder in te vullen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 31 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33). De minister van OCW voert jaarlijks met de besturen in het hbo en wo overleg over de voortgang van de meerjarenafspraken. In 2011 wordt dit arrangement heroverwogen: besloten wordt dan of de toevoeging van het extra geld aan de lumpsum van de instellingen onder de noemer van de meerjarenafspraken wordt voortgezet.

Over de voortgang van de meerjarenafspraken wordt vanaf 2008 jaarlijks verslag gedaan in «Kennis in Kaart». Om een zo objectief mogelijk inzicht te krijgen in de inspanningen van de universiteiten en hogescholen om aan de ambities bij te dragen, is de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in 2010 een (steekproefsgewijs) evaluatieonderzoek te doen.

De belangrijkste prioriteiten van de strategische agenda zijn:

1. onderwijskwaliteit en rendement worden verbeterd;

2. kennis wordt beter benut;

3. hoger onderwijs in een internationale context;

4. sturing van het stelsel.

6.3.1 Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs

Motivering

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zodanig toerusten dat voldaan wordt aan de door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen bij het verzorgen van hoger onderwijs en het verrichten van onderzoek.

Instrumenten

• Reguliere bekostiging (lumpsum): de rijksbijdrage, die de instellingen van hoger onderwijs en onderzoek ontvangen, is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan deze rijksbijdrage wordt bepaald. Zie voor een nadere toelichting:http://www.minocw.nl/ho/index.html, de sector hoger onderwijs, dossier bekostiging hoger onderwijs. De tabellen 6.2, 6.3, en 6.4 geven een verdeling van de middelen over hogescholen, universiteiten en academische ziekenhuizen.

• Subsidies overige organisaties hoger onderwijs: door deze organisaties wordt bijgedragen aan coördinatie van kennis en het stimuleren van ontwikkelingen op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling. Zie voor nadere specificatie van de betreffende subsidies tabel 6.4.

• Geesteswetenschappen: het kabinet heeft de commissie Cohen ingesteld die een plan opstelt voor de sector geesteswetenschappen. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van dit plan is het bereiken van een duurzaam stabiele situatie in het geesteswetenschappelijk onderzoek en het veilig stellen van sterke punten. Hiervoor is in 2009 € 2,1 miljoen beschikbaar.

• Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten: er wordt extra geïnvesteerd in het op disciplineniveau oplossen van een aantal problemen en lacunes die zich in de voor de Nederlandse kenniseconomie belangrijke alfa- en gammawetenschappen voordoen. In totaal is in 2009 € 9,3 miljoen beschikbaar.

• Optimalisering taal- en rekenonderwijs (onderdeel lumpsum): voor het kunnen realiseren van een structurele verhoging van het studiesucces is onder meer het beleid met betrekking tot de doorlopende leerlijnen rekenen & taal (zie ook de beleidsreactie Rekenen en Taal: Tweede Kamer, Tweede Kamer, 2007–2008, 31 332, nr. 3) van grote betekenis als onderdeel van het beleid tot verhoging van de kwaliteit van de instroom. Dat vergt verhoging van het niveau van het taal- en rekenonderwijs in alle sectoren. Heldere referentieniveaus voor rekenen/wiskunde en taal worden in augustus 2010 verankerd in de wetgeving (zie ook de meerjarenafspraken met de HBO-raad,Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33). Voor de periode 2008 tot en met 2011 is in totaal € 12 miljoen beschikbaar voor de optimalisering van het taal- en rekenonderwijs aan de lerarenopleidingen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.7 (x 1000) Indicatoren
 2007/20082008/20092009/20102010/20112011/2012
1. Eerstejaars aantal studenten (excl. «groen onderwijs»)     
Hbo voltijd80,281,884,484,784,7
Hbo deeltijd12,512,412,412,312,2
Wo43,445,647,949,851,2
2. Ingeschreven aantal studenten (excl. «groen onderwijs»)     
Hbo voltijd303,0310,9319,4326,5332,1
Hbo deeltijd59,358,758,358,057,8
Wo206,8212,7220,3228,7237,3
3. Gediplomeerden (excl. «groen onderwijs»)     
Hbo voltijd50,652,252,953,854,8
Hbo deeltijd13,313,012,812,812,7
Wo29,230,130,330,831,3
Bron: OCW Referentieraming 2008, telling oktober 2007 (hbo is conform de OCW-begrotingsraming)     
 20082009201020112012
4. Onderwijsuitgaven per student     
Hbo5,85,95,85,85,8
Wo5,95,95,85,85,8

Toelichting:

4. Onderwijsuitgaven per student: berekend in nominale prijzen, aantal studenten conform de Referentieraming 2008 en excl. collegegeldontvangsten. Hbo: exclusief de middelen voor het Deltaplan bèta/techniek, omdat deze op meerdere onderwijssectoren betrekking hebben en exclusief de FES-middelen voor Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs. Voor wo: exclusief de FES-middelen voor de 3TU’s samenwerking.

6.3.2 Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit

Motivering

De kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs moet beter en het excellente talent onder studenten moet meer gestimuleerd worden. Aan de basis is deze in orde, maar in relatie tot de ambities van Nederland als innovatieve, concurrerende economie moet de kwaliteit verbeteren. Het hoger onderwijs moet intensiever en persoonlijker worden. Het Nederlandse hoger onderwijs bevindt zich in een internationaal speelveld. Studenten moeten de mogelijkheid hebben zich voor te bereiden op een loopbaan in een internationale context: de arbeidsmarkt wordt immers ook meer internationaal. De concurrentie om de beste studenten neemt toe. Instellingen moeten alle ruimte hebben zich voor de buitenwereld te profileren en partnerships aan te gaan met buitenlandse instellingen.

Instrumenten

• Kwaliteitsverbetering docenten: de docent is de bepalende factor in de onderwijskwaliteit. De kwaliteit van de docent en van de lerarenopleiding moet dus uitstekend zijn. Op artikel 6 Hoger beroepsonderwijs en op artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid zijn hiervoor middelen geraamd. In lijn met het advies van de«commissie Leraren» onder leiding van de heer Rinnooy Kan zijn hierover in het actieplan «LeerKracht»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45) maatregelen voorgesteld die met de sociale partners in de hbo-sector nader uitgewerkt worden (zie ook artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

  In de meerjarenafspraken die in juni 2008 in het kader van de strategische agenda zijn gemaakt met de HBO-raad (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33) is in dit kader bevestigd dat per 2014 70% van de hbo-docenten over een wo-mastergraad moet beschikken, waarvan in 2017 10% over een PhD beschikt of in een promotietraject participeert. De toename van het kwalificatieniveau van docenten wordt gemonitord.

• Excellentie in onderwijs, tijdelijke impuls (bijdrage uit het FES: Fonds Economische Structuurversterking): om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop excellentie in het hoger onderwijs gerealiseerd kan worden (Sirius-programma). In 2008 wordt de eerste tranche van € 40 miljoen toegekend voor excellentie in bacheloropleidingen. In 2009 is € 10 miljoen beschikbaar voor de tweede tranche gericht op masteropleidingen. Dit bedrag kan, afhankelijk van de resultaten van de eerste tranche, hoger uitvallen. De instellingen kunnen experimenteel in de tweede tranche gebruik maken van selectie aan de poort en collegegelddifferentiatie.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent: het aantrekken van internationaal toptalent en het stimuleren van excellent talent onder studenten is een voorwaarde om de Nederlandse instellingen in de groeiende Europese concurrentiestrijd een goede uitgangspositie te bieden. In 2009 is € 11,2 miljoen beschikbaar voor beurzenprogramma’s (zoals het Huygens Scholarship Programme) voor excellente buitenlandse studenten en Nederlandse studenten die naar het buitenland gaan.

• Nederlandse (wetenschappelijke) instituten in het buitenland (NIB’s en NWIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s): voor een goede internationale positionering van het Nederlands hoger onderwijs worden in 2009 vier maatregelen ingezet. Voor deze maatregelen is vanaf 2009 structureel € 7 miljoen beschikbaar. Representatiekantoren verspreid over de wereld (de NESO’s) ondersteunen de generieke promotie van het Nederlands hoger onderwijs.

– De instituten in Marokko, Turkije en Syrië (NIB’s) spelen een rol in de versterking van de internationaliseringactiviteiten en de profilering van het Nederlands hoger onderwijs.

– De Nederlandse wetenschappelijke instituten in het buitenland (NWIB’s) in Florence, Rome, Athene, Cairo, Japan en Sint-Petersburg dragen bij aan de onderwijs- en onderzoekssamenwerking tussen het Nederlands hoger onderwijs en het lokale hoger onderwijs.

– Joint degrees worden wettelijk mogelijk gemaakt.

• Subsidie voor een noodfonds (Libertas) voor internationale hulpacties op het gebied van hoger onderwijs (voor studenten uit Wit-Rusland en Zimbabwe). Hiervoor is structureel € 1 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor projecten internationale samenwerking en beurzenprogramma’s: voor de internationalisering voert NUFFIC taken uit. Daarnaast beheert NUFFIC Europese en Nederlandse onderwijsprogramma’s (zoals Leven Lang Leren, Tempus en Erasmus Mundus). Zie artikel 8 Internationaal beleid.

• In 2009 vervult Nederland samen met België en Luxemburg desecretariaatsrol in het Bolognaproces. Met deze rol benadrukt Nederland het belang van transparantie en samenwerking op het gebied van hoger onderwijs in Europa.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.8 Indicatoren
Indicator Kwaliteiten excellentieBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. Percentage hbo-docenten dat beschikt over een mastergraad150%idem70%
Bron: HBO-raadPeildatum: 2007 Peildatum: 2014
2. Percentage studenten dat als «gemotiveerd» kan worden beschouwd18%18,6%Stijging
Bron: Studentenmonitor 2006Peildatum: 2004Peildatum: 2006Peildatum: 2010
3. Studietijd, contacturen en schaal   
a. Onderwijsintensiteit: gem. tijdsbesteding aan studiegerelateerde activiteiten in uren per week (perceptie student)2   
  Hbo3335Stijging
  Wo3133Stijging
b. Onderwijstijd: gem. aantal uren per week (contacturen; perceptie student)2   
  Hbo1313Stijging
  Wo1112Stijging
Bron 3a en b: Studentenmonitor 2007Peildatum: 2005Peildatum: 2007 
c. Student/stafratio   
  Hbo: student/onderwijzend personeel25,025,8Daling
  Wo: student/wetenschappelijk personeel29,29,9Daling
Bron: Kerncijfers 2003–2007 Peildatum hbo: 2004wo: 2004Peildatum hbo: 2006 wo: 2003 
4. Aantal Nederlandse instellingen in top 100 van beste instellingen ter wereld2 in top 1002 in top 100 waarvan 1 in top 503 in top 100 en hoogste omhoog
Bron: Sjanghai-rankingPeildatum: 2005Peildatum: 2007Peildatum: 2011
Indicator Internationalisering diplomamobiliteit3   
5. Ho-studenten uit het buitenland in NL (instroom) percentage van de totale Nederlandse Ho-studentenpopulatie:4,5%6,9%7,4%
Percentage EU-gemiddelde:6,9%Nog geen data beschikbaar
Bron: IMON-monitor 2007 (NUFFIC, Europees Platform, Cinop)Peildatum: 2003/2004Peildatum: 2007/2008Peildatum:2010
6. Ho-studenten uit NL in het buitenland (uitstroom) percentage van de totale Nederlandse Ho-studentenpopulatie:2,4%2,3%6,0%
Percentage EU-gemiddelde:2,6%2,7%
Bron: IMON-monitor 2007 (NUFFIC, Europees Platform, Cinop)Peildatum: 2003/2004Peildatum: 2004/2005Peildatum:2010

1 De meerjarenafspraken tussen OCW en de HBO-raad vormen het uitgangspunt voor deze indicator (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33).

2 Zie voor meer informatie de brief over onderwijsintensiteit aan de Tweede Kamer(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 129).

3 Bij diplomamobiliteit richt de student zich op het behalen van een diploma of graad in het buitenland. Voor uitsplitsing naar hbo en wo zie tabel 8.5 van artikel 8 Internationaal beleid.

Toelichting:

3c. De indicator student/wetenschappelijk personeel onderwijs wordt sinds 2008 niet meer in kerncijfers opgenomen, omdat de uitsplitsing onderwijs/onderzoekstaken te arbitrair is. Daarom is nu de indicator ratio student/wetenschappelijk personeel opgenomen.

5 en 6. Internationaliseringsmonitor: in het najaar van 2008 verschijnt de internationaliseringsagenda. Het huidige monitoringssysteem (de internationiseringsmonitor, voorheen mobiliteits-monitor en Bisonmonitor) wordt niet langer toereikend geacht voor het meten van de daarin benoemde beleidsdoelen en instrumenten, aangezien het uitsluitend kwantitatieve informatie levert. Momenteel wordt dan ook aan een nieuw meetinstrument gewerkt. De eerste resultaten waren gepland voor medio 2008, maar gezien de complexe materie zal dit pas eind 2008 worden. Zie voor meer internationaliseringsindicatoren de tabellen 8.5 en 8.6 van artikel 8 Internationaal beleid.

6.3.3 Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden.

Motivering

In het streven naar meer en betere hoger opgeleiden liggen er specifiek voor het hoger onderwijs de volgende opdrachten:

• een goede doorstroom binnen het onderwijs;

• minder uitval uit het hoger onderwijs;

• een leven lang leren.

Deze vormen de basis van een gezonde kenniseconomie en een goed opgeleide beroepsbevolking.

Instrumenten

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls hoger onderwijs: het kabinet investeert extra in kleinschalig onderwijs door instellingen in staat te stellen meer en betere docenten aan te stellen, zodat de onderwijsintensiteit kan worden versterkt, en uitval van studenten kan worden verlaagd. Hiervoor is in 2009 € 22,4 miljoen beschikbaar.

Naast de extra middelen van het kabinet moeten de instellingen hun lumpsum en onder andere ook het geld voor de versterking van de kenniseconomie (Voorjaarsnota 2006) hiervoor inzetten. Laatstgenoemde middelen en het extra geld van het kabinet worden via de lumpsum aan de instellingen uitgekeerd op basis van de meerjarenafspraken met de VSNU en de HBO-raad over uitvalvermindering en kwaliteitsverhoging. In deze kabinetsperiode ligt daarbij de focus op de bachelorfase omdat daar de uitval relatief hoog is.

• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond: het kabinet investeert extra in het verbeteren van het studiesucces van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond. Vooral het rendement van deze studenten is veel lager dan het rendement van autochtone hbo-studenten (zie tabel 6.9). Deze investeringen richten zich vooralsnog uitsluitend op de vijf multisectorale hogescholen in de Randstad, omdat deze studenten zich daar concentreren en de instellingen daar voor grotere uitdagingen staan. Vanaf 2011 zullen de universiteiten in de Randstad mee gaan doen. De afspraken met de hogescholen over het verhogen van het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond zijn vastgelegd in een convenant(Tweede Kamer 2007–2008. 31 288, nr. 28). Hiervoor is in 2009 € 8,2 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor verhogen deelname studenten met een handicap: in 2009 wordt het Plan van Aanpak terugdringing belemmeringen in het hoger onderwijs voor studenten met een functiebeperking voor wat betreft de bijdrage aan afzonderlijke instellingen afgerond en geëvalueerd (zie ook de voortgangsrapportage van het Plan van Aanpak aan de Kamer: Tweede kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 32). In het voorjaar van 2010 zal de Kamer over de conclusies hiervan worden geinformeerd. De activiteiten van de Stichting Handicap en Studie, de landelijke voorlichtingscampagne en het onderzoek dat plaatsvindt in het kader van het plan van aanpak worden in 2009 voortgezet. Ook start in 2009 een commissie die een voorstel maakt voor een maatstaf voor de voorzieningen op een ho-instelling en voor het te voeren overheidsbeleid in dat verband.

• Subsidie voor studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs: zorgen dat aanstaande studenten beschikken over deugdelijke vergelijkingsinformatie via onder andere een website over opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs. Hiervoor is structureel € 2,4 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor elders verworven competenties (EVC): de resultaten van de monitoring van de projecten in 2008 worden onder andere benut bij de ontwikkeling van de nieuwe Tijdelijke stimuleringsregeling in 2009, zodat de inhoudelijke speerpunten van de regeling aansluiten op de actuele behoeften in de praktijk. Voor 2009 is via de tijdelijke stimuleringsregeling € 5 miljoen beschikbaar voor projecten in het hbo. Zie voor nadere toelichting artikel 4 Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie, operationele doelstelling 4.3.3.

• Voortzetting ondersteuning van de VHTO (Landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen in bèta/techniek): het verhogen van de deelname meisjes/vrouwen aan opleidingen in de ho-sectoren bèta en techniek voor de algemene ondersteuning van de instellingen en van beleidsadvisering wordt voortgezet.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.9 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
Voor het wo1:   
1. Percentage studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en 314%Is gelijk aan de basiswaarde7%
 Peildatum: 2007 Peildatum: 2011
2. Percentage studenten dat in vier jaar de bachelorfase afrondt45%Is gelijk aan de basiswaarde>70%
 Peildatum: 2007 Peildatum: 2014
Voor het hbo1:   
3. Rendement van studenten in de post-propedeutische faseVan de studenten die in 2001 met de post-propadeutische fase begonnen, behaalde 77% in 2007 het diplomaZie basiswaardeVan het cohort dat met de post-propadeutische fase start in 2008/2009, heeft 90% de studie in 2012/2013 afgerond
4. Studierendement na 6 jaar van voltijdstudenten hbo en wo2   
Hbo autochtoon66,1%67,2%
Hbo student met een niet-westerse achtergrond48,0%50,2%
Wo autochtoon47,4%47,8%
Wo student met een niet- westerse achtergrond35,0%35,1%
Bron: CFI: 1 cijfer HOPeildatum: 2006 (cohort hbo/wo: 2000)Peildatum: 2007 (cohort hbo/wo: 2001)Peildatum: 2014 (Zie toelichting)

1 De meerjarenafspraken vormen het uitgangspunt voor de indicatoren 1 t/m 3 inzake verhogen van het studiesucces en kwaliteit in de bachelorfase (zie voor wo de voortgangsrapportage strategische agenda,Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 31 en voor het hboTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33). De basiswaarde voor de meerjarenafspraken is het jaar 2007. In dit geval is de meest recente waarde gelijk aan de basiswaarde.

2 Uitgangspunt voor de berekening van het studierendement na 6 jaar is de strategische agenda. Een cohort eerstejaars in hbo of wo wordt gevolgd tot een hbo-bachelordiploma (voor het hbo-cohort) of een wo-master/doctoraaldiploma (voor het wo-cohort) is gehaald en zolang er een ononderbroken inschrijving is in het ho. Studenten die overstappen van hbo naar wo, of omgekeerd, en daar een diploma halen, zitten niet in de telling.

Toelichting:

1 t/m 3: Naast deze genoemde indicatoren voor verhogen studiesucces en kwaliteit in de bachelorfase zijn er meer specifieke indicatoren voor het verbeteren van de kwaliteit, die ook zeer relevant zijn voor dit onderwerp, zie de indicatoren bij de operationele doelstelling 6.3.2.

4. Streefwaarde: het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond is in 2014 zoveel mogelijk ingelopen. Deze streefwaarde geldt niet landelijk: met de 5 multisectorale hogescholen in de Randstad zijn in een convenant aparte afspraken gemaakt. In «Kennis in Kaart» zullen de gegevens per instelling worden weergegeven. Bovenstaande indicatoren dienen om een indruk te geven van de achterstandspositie van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond ten opzichte van autochtone studenten.

6.3.4 De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa.

Motivering

De ontwikkelingen in de samenleving en de noodzaak van een krachtige economie vereisen dat het hoger onderwijs opgeleiden levert die een innovatieve bijdrage aan de samenleving kunnen leveren en op de arbeidsmarkt kunnen floreren. Ook moet het onderzoek toekomstgericht en excellent zijn. Daarom stimuleert het kabinet krachtige interactie tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt en focus en massa in wetenschappelijke opleidingen en onderzoek. In het hbo worden daartoe lectoraten gestimuleerd, worden RAAK-subsidies voor praktijkgericht onderzoek ingezet, tijdelijk nieuwe hbo-masters mogelijk gemaakt en ondernemerschap gestimuleerd. In het wo wordt ingezet op de bundeling van krachten van de 3TU’s .

Instrumenten

• Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen en RAAK): met het oog op het versterken van het innovatief vermogen van het bedrijfsleven en de publieke sector, vormt het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen een noodzakelijke aanvulling op de huidige Nederlandse kennisinfrastructuur. Inbedding van praktijkgericht onderzoek in het curriculum van hogescholen draagt bij aan ontwikkeling van de hbo-professional. De nieuwe professionaliteit kenmerkt zich door een eigen verantwoordelijkheid (in plaats van een assistentenrol) en sterke onderzoekende vernieuwingsgerichtheid. Deze nieuwe professionaliteit is noodzakelijk voor het omgaan met steeds complexere maatschappelijke vraagstukken. De lector vervult binnen de hogeschool een spilfunctie tussen onderzoek en onderwijs. De RAAK-regeling stelt hogescholen in staat via vraagsturing het praktijkgericht onderzoek verder te ontwikkelen. De kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs in relatie tot lectoren wordt gewaarborgd door een extern kwaliteitszorgstelsel dat uiterlijk per 1 januari 2009 operationeel is. Dit kwaliteitszorgstelsel is zowel gericht op het onderwijs, als de beroepspraktijk, onderzoek en kennis en de samenleving in bredere zin. In 2009 is hiervoor extra € 3 miljoen beschikbaar.

• Nieuwe hbo-masteropleidingen: gezien de voordelen van de professionele masteropleiding voor de beroepsuitoefening krijgen enkele nieuwe arbeidsmarktrelevante hbo-masters in prioritaire gebieden een tijdelijke opstartsubsidie, mits zij voldoen aan de criteria die in de strategische agenda worden genoemd. Hiervoor is in 2009 € 10,1 miljoen beschikbaar.

• Deltaplan bèta/techniek: subsidie aan het Platform bèta/techniek (PBT). Dit platform voert de activiteiten uit in het kader van het Deltaplan bèta/techniek. De periode 2009–2010 staat in het teken van verduurzaming en verankering. Het PBT zal samen met instellingen de geboekte resultaten en de bèta/techniek-aanpak verankeren in het instellingsbeleid, zodat deze niet verloren gaan als eind 2010 de subsidierelatie wordt beëindigd. Om ervoor te zorgen dat geboekte resultaten niet van tijdelijke aard zijn, is het van belang dat de bèta/techniek-aanpak instellingsbreed wordt gedragen en onderdeel uitmaakt van het instellingsbeleid.

• FES investeringsagenda bèta/techniek hoger onderwijs: vanuit het FES wordt over vier jaar (2007–2010) in totaal extra € 20 miljoen geïnvesteerd om belangrijke knelpunten van het onderwijs in bèta en techniek aan te pakken. Voor het hoger onderwijs gaat het om projecten gericht op uitwisseling van docenten vo en ho en het bijscholen van pabo-studenten.

• Subsidie aan de 3TU’s: er wordt extra geïnvesteerd in de drie technische universiteiten (TU Delft, TU Eindhoven en Universiteit Twente). Een deel van het geld komt uit FES: de 3TU’s krijgen uit het FES voor de periode 2007–2011 € 50,3 miljoen voor gezamenlijke toponderzoeksinstituten (centers of excellence). In deze centers of excellence bundelt de 3TU-federatie het toponderzoek op een aantal belangrijke gebieden. Verder werkt de 3TU-federatie aan een strategisch plan waarin uiteengezet wordt hoe de 3TU’s vanaf 2009 gemeenschappelijk optrekken op de terreinen onderwijs, onderzoek en valorisatie. In dit plan wordt ook een voorstel gedaan voor het ontwikkelen van een indicator. In 2009 is € 2 miljoen beschikbaar.

• Ondernemerschap: In 2009 wordt geïnvesteerd in netwerken in de regio om kennisuitwisseling tussen onderwijsinstellingen en ondernemers te bevorderen. Er wordt een tweede ronde voor het oprichten van centers of entrepreneurship uitgezet voor het hbo en wo. Op basis van de evaluatie van de eerste ronde voor de centers zal worden bepaald of de regeling voor de centers aangepast wordt. De ministers van EZ en OCW hebben ieder € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode van 2008–2011. Zie voor nadere toelichting de begroting van het ministerie van EZ, beleidsartikel 3, operationele doelstelling 2 «meer en beter ondernemerschap».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.10 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
Raak-regeling   
Raak-mkb   
1. In projecten betrokken ondernemers2 4302 43016 450
 Peildatum: 2007Peildatum: 2007Peildatum:2011
Raak-publiek   
2. In projecten betrokken professionals van publieke instellingen1 0731 07323 350
 Peildatum: 2007Peildatum: 2007Peildatum:2011
Samenhang Raak-lectoren   
3. Percentage Raak-projecten met lectoraatsdeelname85%93%95%
Bron: SIA, augustus 2008Peildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum:2011
Lectoren   
4. Gemiddelde omvang kenniskring extern en intern   
  – in fte0,62,6Max. 3,0
  – in personen3,810,5Max.12,0
Bron: SKO 2008Peildatum: 2003Peildatum: 2008Peildatum: 2011
Deltaplan bèta/ techniek   
5. Percentage instroom t.o.v. 2000   
  Hbo0%– 5,0%Nvt
  Wo0%30,6%Nvt
6. Percentage uitstroom t.o.v. 2000   
  Hbo0%– 4,0%15,0%
  Wo0%37,6%15,0%
Totaal hbo+wo (gewogen gemiddelde)0%7,2%
Bron: CFI: 1 cijfer HOPeildatum: 2000Peildatum: 2007Peildatum: 2010

1 Het in het departementaal jaarverslag genoemde getal voor 2007 (3740 ondernemers) is gebaseerd op een daadwerkelijke telling van projectdeelnemers en een inschatting van het aantal meer incidenteel betrokken projectdeelnemers. Om de vergelijkbaarheid van de gegevens over verschillende jaren te garanderen, is ervoor gekozen uitsluitend nog de daadwerkelijk getelde projectdeelnemers te rapporteren. Het peiljaar 2007 geldt daarmee als nieuwe basiswaarde.

2 Bij eerder lagere gerapporteerde aantallen professionals betreffende de periode 2005–2007 was sprake van onderrapportage. Het peiljaar 2007 geldt als nieuwe basiswaarde.

Toelichting:

4. De resultaten in 2008 laten zien dat de streefcijfers uit de begroting van 2008 reeds zijn gehaald. Dit is deels te verklaren door het feit dat de wijze waarop de resultaten zijn gemeten in 2008 afwijkt van de wijze waarop dit in 2006 en de jaren daarvoor is gebeurd. In 2008 zijn de hogescholen ook expliciet gevraagd het aantal promovendi en het aantal onderzoekers werkzaam binnen de kenniskring mee te rekenen. De kans bestaat dat men deze categorieën bij de beantwoording in 2006 en voorgaande jaren buiten beschouwing heeft gelaten. Naar verwachting zullen de kenniskringen in omvang nog iets toenemen. De groei moet dan vooral gezocht worden in het aantal onderzoekers. Met 2008 als nieuwe peildatum zijn daarom nieuwe streefcijfers geformuleerd: 3,0 voor de omvang van de kenniskring in fte en 12,0 voor de omvang van de kenniskring in personen.

5. De instroomstreefwaarde van het Deltaplan bèta/techniek is niet meer van toepassing. Deze doelstelling had namelijk betrekking op het jaar 2007. Zoals aangegeven in het jaarverslag 2007 is de tussendoelstelling, 15% meer instroom in 2007 t.o.v. 2000, niet gehaald. Zie ook de beleidsbrief hierover van de ministers van OCW en EZ die in mei 2008 naar de Tweede Kamer is gegaan(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 183).

6.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 6.11 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingRAAK/Lectoren/Kenniskringen6.3.4A 2008B 2008/2009 
Effectenonderzoek ex post    
Overig evaluatieonderzoekHSP (Huygens Scholarship Programme)6.3.2A 2008B 2008/2009 
 Associate Degree6.3.1A 2008B 2008/2009 

ARTIKEL 8. INTERNATIONAAL BELEID

8.1 Algemene beleidsdoelstelling: bevorderen van internationale samenwerking, om daarmee de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap een impuls te geven en de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Omschrijving

De samenleving mondialiseert: economie, arbeidsmarkt, bestuur, wetenschap en cultuur krijgen een steeds internationaler karakter. Het is zeker voor Nederland – als open handelsland dat zich profileert als aantrekkelijk land van kennis en cultuur – cruciaal dat de generaties van de toekomst in het onderwijs van nu een internationale oriëntatie meekrijgen en de noodzakelijke internationale competenties verwerven. Bij deze competenties gaat het om de noodzakelijke kennis en vaardigheden om in een internationale omgeving te kunnen werken en leven. Uiteindelijk is dat een taak voor onderwijsinstellingen en hun docenten en lerenden en hun ouders, maar ook de overheid heeft hier een verantwoordelijkheid.

OCW stimuleert onderwijsinstellingen, lerenden en docenten tot internationale oriëntatie en samenwerking, bevordert culturele en wetenschappelijke uitwisseling en ondersteunt organisaties en instellingen die internationaal opereren. Tevens werkt OCW aan de internationale bestuurlijke randvoorwaarden, door multilaterale afspraken te maken over zaken als beroepserkenning, culturele diversiteit, kwaliteitszorg en accreditatie, alsmede door bilateraal met vele landen op overheidsniveau kaders te scheppen (bijvoorbeeld door middel van een Memorandum of Understanding) waarbinnen instellingen goed kunnen samenwerken. Ook wordt internationale kennis benut voor het eigen nationale beleid. Daartoe participeert OCW in multilaterale organisaties als de Europese Unie, de Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling, de Raad van Europa en de UNESCO.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het scheppen van goede randvoorwaarden voor een verdere internationalisering van onderwijs, cultuur en wetenschap, zowel nationaal als internationaal.

Externe factoren

Behalen van de doelstelling hangt af van:

• Inzet van instellingen, organisaties, lerenden, docenten, wetenschappers en kunstenaars zelf.

• De buitenlandpolitieke situatie.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Goed meetbaar is de internationale mobiliteit van lerenden en docenten. Dit jaar is voor het eerst een indicatorenset opgenomen (zie onder operationele doelstelling 8.3.1) die deze mobiliteit in beeld brengt.

Bron daarvan is de Internationaliserings Monitor Onderwijs Nederland (IMON) , opgesteld door de organisaties die mobiliteitsprogramma’s uitvoeren (Nuffic, CINOP en Europees Platform). Het IMON-rapport over het jaar 2007 is per brief van 3 juli 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 22 452, nr. 32) aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

8.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1: Budgettaire gevolgen artikel 8 (x € 1000)
 2007200820092010201120122013HGIS-deel 2009
Verplichtingen17 79415 24017 97017 54417 96318 01318 0131 381
Waarvan garantieverplichtingen        
Totale uitgaven (programma + apparaat)18 08319 07619 01818 39418 01318 01318 0131 381
         
Programma-uitgaven15 05016 57416 68416 19616 08916 08916 0891 381
         
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.9 57610 93610 77310 30510 35910 35910 376590
• Mobiliteitsprogramma’s6 3187 6367 5097 5097 5097 5097 509 
• Bilaterale samenwerking met andere landen3 2583 3003 2642 7962 8502 8502 867590
         
In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid5 4745 6385 9115 8915 7305 7305 713791
• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland1 7641 6771 6711 6711 4971 4971 497150
• Participeren in multilaterale organisaties3 0883 2823 3533 3533 3423 3423 325 
• Stimuleren van internationale uitwisseling van kennis en cultuur, beleidsonderzoek en benchmarking622679887867891891891641
         
Apparaatsuitgaven3 0332 5022 3342 1981 9241 9241 924 
Ontvangsten842999999999999 
Tabel 8.2: budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)16 68416 19616 08916 08916 089
Totaal juridisch verplicht8 0497 3586 4236 3736 373
Totaal bestuurlijk gebonden8 3398 5629 3669 4169 416
Totaal niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden296276300300300
      
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.10 77310 30510 35910 35910 376
• Juridisch verplicht3 0632 4051 6551 6051 605
• Bestuurlijk gebonden7 7107 9008 7048 7548 771
• Niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden     
      
In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid5 9115 8915 7305 7305 713
• Juridisch verplicht4 9864 9534 7684 7684 768
• Bestuurlijk gebonden629662662662645
• Niet-juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden296276300300300

Toelichting:

De niet juridisch of niet bestuurlijk gebonden middelen zijn wel beleidsmatig geoormerkt. Deze middelen zijn bestemd voor activiteiten en projecten in EU-verband en voor internationaal beleidsonderzoek, kennisuitwisseling en benchmarking.

8.3 Operationele doelstellingen

8.3.1 Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Motivering

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen draagt in belangrijke mate bij aan de algemene beleidsdoelstelling. Het betreft beleid dat niet alleen op dit artikel wordt gerealiseerd. Veel internationaliseringsbeleid is elders ondergebracht binnen de OCW-begroting. Derhalve is hieronder een overzicht opgenomen van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel en daaraan gekoppeld welk deel daarvan valt onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), die wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Instrumenten

• Mobiliteitsprogramma’s (beurzen e.d.)

• Generieke maatregelen (zoals meeneembaarheid studiefinanciering, zie artikel 11 operationele doelstelling 11.3.1 «Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden»)

• Bilaterale samenwerking met andere landen (via organisaties en instellingen)

Tabel 8.3: Internationale uitgaven OCW (x € 1000)
 2007200820092010201120122013
Primair onderwijs (artikel 1)16 52217 31717 31717 31717 26317 26317 263
Voortgezet onderwijs (artikel 3)2 6272 9373 4263 8664 1434 1433 627
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie (artikel 4)989918868868708708721
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)3 4533 4533 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)78 60685 23183 38283 35983 35483 35482 589
Internationaal beleid (artikel 8)15 05016 57416 68416 19616 08916 08916 089
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10)100      
Studiefinanciering (artikel 11)14 40153 20055 50057 90060 90060 70060 700
Kunsten (artikel 14)6 3707 97612 06612 46612 46612 46612 466
Cultureel erfgoed (artikel 14)9502 2141 0681 0681 0681 0681 068
Media (artikel 14 en 15)44 35646 60547 32548 21349 11850 04150 983
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)72 48779 10679 52679 52679 52679 52679 526
Totaal255 911315 531320 615324 232328 088328 811328 485

Toelichting:

De uitgaven in de tabel zijn toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Tabel 8.4: Homogene groep internationale samenwerking (x € 1000)
 2007200820092010201120122013
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)3 4533 4533 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)56 60259 69959 69959 68759 68759 68759 687
Internationaal beleid (artikel 8)1 2541 1541 3811 3811 3811 3811 381
Kunsten (artikel 14)2 086868686868686
Cultureel erfgoed (artikel 14)1451453535353535
Media (artikel 14)12454545454545
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)454454454454454454454
Totaal64 00665 03665 15365 14165 14165 14165 141

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene Groep Internationale Samenwerking maken deel uit van de uitgaven opgenomen in tabel 8.3 «Internationale uitgaven OCW».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Onderstaande tabellen 8.5, 8.6, 8.7 en 8.8 geven per onderwijssector aan wat basiswaarden, actuele waarden en streefwaarden zijn op de belangrijkste indicatoren op stelselniveau, voor zover het althans mobiliteit betreft. In de eerdergenoemde IMON is een verdieping te vinden met informatie over verschillen tussen landen, instellingen en opleidingen.

Tabel 8.5: Indicatoren internationaliseringDiplomamobiliteit ho
 basiswaardelaatste waardeStreefwaarde
Prestatie-indicator:2003/20042007/20082010
1. ho-Studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse ho studentenpopulatie:4,5% (b)6,9% (b)7,4%
  • percentage EU gemiddelde:6,9% (a)n.b. 
2. wo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse wo studentenpopulatie:4,2% (b)8,1% (b)9,0%
3. hbo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse hbo studentenpopulatie:4,6% (b)6,3% (b)6,8%
4. ho-studenten uit Nederland in het buitenland (uitstroom) (c)   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:2,4% (a)n.b.6,0%
  • percentage EU gemiddelde2,6% (a)n.b. 

BRON: IMON 2007 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

noten:

n.b. nog geen data beschikbaar

a. Uitgegaan van de vorig jaar bekende EU data, van 19 landen: uit jaar 2003/2004 (OESO 2007)

b. CFI 2008

c. Geen internationale data over hbo en wo bekend (internationaal geen eenduidig onderscheid tussen hbo en wo)

Toelichting:

Bij diplomamobiliteit richt de student zich op het behalen van een diploma of graad in het buitenland.

De instroom van diplomamobiele buitenlandse studenten in Nederland bevindt zich in een stijgende lijn, zoals het beleid ook nastreeft. Dat is ook nodig om tenminste op het EU-gemiddelde uit te komen. Het hbo blijft hierbij relatief achter op het wo.

De nieuwe internationaliseringsagenda voor het hoger onderwijs, die in het najaar aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, kan leiden tot nieuwe streefwaarden. Dat geldt ook voor het ambitieniveau voor de uitstroom van studenten. Zie ook artikel 6 en 7 inzake het hoger onderwijs.

Tabel 8.6: Indicatoren internationalisering
Studiepuntmobiliteit hobasiswaardelaatste waardestreefwaarde
 afgestudeerdenafgestudeerdenafgestudeerden
Prestatie-indicator:2004/20052005/20062010
1. ho-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:22,0% (a)22,8% (b)25% (c)
2. wo-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:31,6% (a)31,3% (b)35%
3. hbo-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:17,2% (a)18,3% (b)20%

BRON: IMON 2007 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

noten:

a. Uitgaande mobiliteit gedurende de studie van afgestudeerden in het jaar 2004/2005 (ROA 2007)

b. Uitgaande mobiliteit gedurende de studie van afgestudeerden in het jaar 2005/2006 (ROA 2008)

c. Dit is gelijk aan het EU gemiddelde dat conform het Europese REFLEX onderzoek 2003 in het jaar 2000 werd gerealiseerd.

Toelichting:

Bij studiepuntenmobiliteit is het doel om, in het kader van de studie thuis, studiepunten te behalen door deelstudie of stage in het buitenland.

Ook bij de studiepuntmobiliteit geldt vooralsnog het streven om in 2010 tenminste op het EU-gemiddelde (in 2000 was dat 25%) uit te komen. Dat kan als de opwaartse trend zich doorzet. Het voorbehoud dat de nieuwe internationaliseringsagenda voor het hoger onderwijs kan leiden tot nieuwe streefwaarden, is ook hier van toepassing. Zie ook artikel 6 en 7 inzake het hoger onderwijs.

Tabel 8.7: indicatoren internationalisering mbo
Prestatie-indicator:basiswaarde 2005/06laatste waarde 2006/07streefwaarde 2010
1. Percentage mbo-studenten dat uit Nederland voor minimaal 2 weken naar het buitenland vertrekt voor studie of stage, van de totale Nederlandse studentenpopulatie0,44%0,48%0,65%
2. Percentage docenten in de mbo-sector dat voor minimaal 1 week naar het buitenland vertrekt, van de totale Nederlandse docentenpopulatie3,47%3,30%3,50%
3. Aantal actieve partners (bedrijven, onderwijsinstellingen) in het buitenland*520550
4. Percentage van de Nederlandse onderwijsinstellingen met buitenlandse partners*53%58%

BRON: IMON 2007 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

* tot het jaar 2005/06 niet onderzocht

Nota bene: Bovenstaande gegevens hebben uitsluitend betrekking op internationalisering in het kader van de programma’s Leonardo da Vinci (van de EU) en BAND.

Toelichting:

Het streven is een gestage groei, vooral waar het gaat om het aantal buitenlandse stages van mbo-studenten, met name dankzij het nieuwe EU-programma Leven Lang leren. Er zijn overigens geen gegevens bekend over mobiliteit buiten de programma’s.

Tabel 8.8: indicatoren internationalisering po/vo
Prestatie-indicator:basiswaarde 2005/06laatste waarde 2006/07streefwaarde 2010
1. Percentage po-scholen met een internationale activiteit, met steun van het Europees Platform5,8%7,3%8%
2. Percentage vo-scholen met een buitenlandse partnerinstelling waarmee onderwijsprojecten worden uitgevoerd57,9%58,4%60%
3. Percentage vo-leerlingen met een meerdaagse uitwisseling met het buitenland in het kader van onderwijskundige samenwerking2,4%2,4%2,5%
4. Percentage vo-docenten met een meerdaags studiebezoek, i.h.k.v. nascholing, aan het buitenland, exclusief leerlingenbegeleiding1,64%1,78%1,8%
5. Percentage vo-scholen met een tweetalige opleiding16,36%18,05%20%

BRON: IMON 2007 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

Toelichting:

De cijfers geven een stabiel beeld weer, hetgeen verklaarbaar is doordat ook het beleid als doel heeft handhaving op het huidige niveau van internationalisering van het vo. Een bescheiden ambitie is er wel voor het po en daar is de trend ook positief. Ook het beleid om het aantal vo-scholen met een tweetalige opleiding te vergroten, lijkt aan te slaan.

Tabel 8.9: Middelen toedeling op artikel 8 aan organisaties voor het stimuleren van internationalisering (x € 1000)
 2007200820092010201120122013
Europees Platform:5 2325 5485 4365 4365 4365 4365 436
• Loketfunctie en Programmabeheer4 5924 5154 4034 4034 4034 4034 403
• Expertise en Platformfunctie6401 0331 0331 0331 0331 0331 033
        
Nationaal Agentschap Leven Lang Leren:6781 6651 6651 6651 6651 6651 665
• Programma Leven Lang Leren6781 6651 6651 6651 6651 6651 665
        
Duitsland Instituut Amsterdam:806800800800800800800
        
Frans-Nederlandse academie:78878787878787
        
Stichting Ons Erfdeel:  205205205205205
        
EVDbureau CROSS:1 7341 2861 2691 0691 0691 0691 069
• Programma’s Centraal- en Oost-Europa1 4531 0171 000800800800800
• Uitvoeringskosten EVD bureau CROSS281269269269269269269
        
Fulbright Center:408408408408408408408
        
Vlaams-Nederlands Huis «deBuren»:500500500500500500500
Totaal9 43610 29410 37010 17010 17010 17010 170

8.3.2 In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid

Motivering

Om de Nederlandse belangen op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in het buitenland te behartigen, is een strategische inzet noodzakelijk in de EU, in multilaterale organisaties als de OESO en UNESCO, in samenwerkingsverbanden als de Nederlandse Taalunie en in bilaterale samenwerking. Tevens biedt de internationale omgeving een schat aan kennis die kan worden benut voor nationaal beleid (bijv. benchmarks, best practices in andere landen, OESO-reviews/rapporten etc). Het gaat er hierbij steeds om de internationale agenda optimaal aan te sluiten op de nationale.

Instrumenten

• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

• Participeren in multilaterale organisaties

• internationale uitwisseling van kennis en cultuur, internationaal beleidsonderzoek en benchmarking (government to government)

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicatoren zijn hier weinig zinvol, het is niet goed mogelijk om een kwantitatieve relatie te leggen tussen de Nederlandse inzet in internationaal overleg met vele actoren en het bereiken van internationale doelen. Uiteraard is er wel kwalitatieve informatie beschikbaar, ondermeer rond belangrijke vergaderingen van de EU en de UNESCO.

8.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

De jaarlijkse Internationaliserings Monitor Onderwijs Nederland (IMON) die hiervoor reeds is genoemd.

Het EU-programma Leven Lang Leren zal in 2009 voor het eerst worden geëvalueerd. Deze evaluatie is verplicht.

Tabel 8.10 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekOnderzoek naar internationale mobiliteitStimuleren van internationalisering, grensover- schrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.A. 2009B. 2009Internationaliserings Monitor Onderwijs iNederland (IMON) http:/www.nuffic.nl
Overig evaluatieonderzoekOnderzoek naar EU-programma Leven Lang LerenStimuleren van internationalisering, grensover- schrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.A. 2009B. 2009 

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

9.1 Algemene doelstelling: de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

Omschrijving

Voor goed onderwijs zijn voldoende goed opgeleide leraren een eerste voorwaarde. Vanaf 2010 dreigt er een tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs wordt een tekort aan schoolleiders verwacht. Onderwijsinstellingen staan voor de uitdaging nieuw, hoog opgeleid personeel te werven. Ze moeten daarbij concurreren met andere maatschappelijke sectoren.

In reactie op het advies van de «commissie Leraren» onder leiding van de heer Rinnooy Kan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800, nr. 125) heeft de minister eind november 2007 het actieplan «LeerKracht van Nederland» naar de Tweede Kamer gestuurd(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45). Op 16 april 2008 heeft de minister met de sociale partners in het onderwijs over het actieplan het onderhandelaarsakkoord «Convenant LeerKracht van Nederland» gesloten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). De afspraken zorgen voor een verhoging van de kwaliteit van het lerarenkorps en daarmee van de kwaliteit van het onderwijs. De waardering voor het leraarschap moet omhoog. Niet alleen kunnen leraren rekenen op een betere beloning (met een sterk accent op opleiding en kwaliteit) en een beter loopbaanperspectief, maar ook wordt hun positie in de school versterkt. Het kabinet trekt daarvoor honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot uiteindelijk ruim € 1 miljard in 2020. De afspraken met de sectoren primair en voortgezet onderwijs zijn inmiddels geformaliseerd in een definitief akkoord (van 1 juli 2008), voor de sectoren beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger onderwijs moet dit nog plaatsvinden.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor voldoende en goed gekwalificeerd onderwijspersoneel en voor de (borging van de) kwaliteit van de opleiding van het onderwijspersoneel. De middelen die hij hiervoor tot zijn beschikking heeft zijn wet- en regelgeving, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. De minister ondersteunt deze belanghebbenden op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs.

Externe factoren

Het onderwijs is ook afhankelijk van de inzet van leerlingen en studenten, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties, gemeenten en bedrijven (aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister beperkt kan beïnvloeden en waarvan hij wel afhankelijk is, zijn:

• De invloed van de conjunctuur op de onderwijsarbeidsmarkt en de loonontwikkeling;

• Demografische ontwikkelingen in de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Een arbeidsmarkt is dynamisch, en daar horen vacatures bij. Vacatures zijn een natuurlijk verschijnsel op de arbeidsmarkt. Als er echter te veel vacatures zijn in verhouding tot het aantal werkenden, wordt het steeds moeilijker om met de zittende personeelsleden het onderwijsproces goed vorm te blijven geven. Uit de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt in de periode 2000–2003 is gebleken dat als het tekort van leraren en schoolleiders boven de 1% van de werkgelegenheid komt, de kwaliteit van het onderwijs in het geding komt. Het risico ontstaat dan dat lessen uitvallen en leerlingen naar huis worden gestuurd.

Voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie bedroeg het vacaturepercentage van leraren en schoolleiders in 2007 gemiddeld 0,6%. Dit percentage valt nog binnen de risicogrens van 1%. Wel was eind 2007 in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie het aantal openstaande vacatures voor leraren en directeuren bijna twee keer zo hoog als eind 2005.

Wanneer er een tekort aan leraren is, zijn scholen (soms) genoodzaakt om leraren aan te trekken die niet over een (juiste) bevoegdheid beschikken. Momenteel wordt onderzocht (zie ook tabel 9.1 punt 2 hieronder en de toelichting daarop) hoeveel procent van alle lessen in het voortgezet onderwijs wordt gegeven door leraren die daartoe «bevoegd» of «benoembaar» zijn, en die daar mee belast mogen worden op grond van de Wet beroepen in het onderwijs (Wet BIO, ingevoerd 1 augustus 2006, Stbl. 2004, nr. 344). In deze wet zijn onder meer richtlijnen opgenomen op het gebied van de professionalisering van docenten. Scholen moeten hun personeel in staat stellen om hun bekwaamheid te onderhouden. Daarnaast moeten leraren die wel benoemd zijn maar (nog) geen bevoegdheid hebben voor een bepaald vak, een scholingstraject volgen om deze bevoegdheid te halen.

Vooral in het voortgezet onderwijs wordt, bij ongewijzigd beleid en omstandigheden, voor de komende jaren een aanzienlijk tekort van leraren voorzien: in 2011 bij hoogconjunctuur een tekortpercentage van 6,1%, bij laagconjunctuur is dit 1,5%. Met de maatregelen zoals nu afgesproken in het «Convenant LeerKracht van Nederland» is het streven om het tekortpercentage binnen de risicogrens van 1% te houden.

Tabel 9.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, fte’s 900 (0,3%)1 200 (0,6%)Kleiner dan 2 200 (< 1%)Kleiner dan 2 200 (< 1%)
Bron: Arbeidsmarktbarometer primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatiePeildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2009
2. Aandeel lessen dat verzorgd wordt door gekwalificeerd personeelZie toelichting  Zie toelichting Zie toelichting
Bron: IPTOPeildatum: 2006/2007Peildatum: 2007/2008Peildatum: 2008/2009

Toelichting:

1. Het gaat bij de streefwaarde van het aantal openstaande vacatures om de nog te vervullen vraag naar personeel. Elk jaar ontstaan vacatures door de vraag naar nieuw personeel in verband met uitbreiding of vervanging. Daar waar de instroom onvoldoende is om aan deze vraag te voldoen wordt gesproken van de nog te vervullen vraag (zie ook bijgevoegde Nota Werken in het onderwijs 2009).

2. Onder gekwalificeerde leraren wordt verstaan:

• leraren die benoembaar zijn op basis van een bevoegdheid en die hun bekwaamheid onderhouden;

• leraren die nog geen bevoegdheid hebben maar wel benoembaar zijn omdat zij een opleiding volgen naar een bevoegdheid.

In de begroting 2008 was opgenomen dat deze indicator vanaf de begroting 2009 zou worden opgenomen. Vanwege de overgang in definitie en de invoering van een nieuwe wijze van dataverzameling, met als oogmerk het reduceren van administratieve lasten, zijn de gegevens nog niet beschikbaar. Binnen afzienbare tijd zullen de gegevens alsnog worden gepubliceerd.

9.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen49 974117 975185 839387 855465 442478 202487 975
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven92 799117 975185 839387 855465 442478 202487 975
        
Programma-uitgaven89 623115 677183 739385 738463 485476 620486 393
        
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel39 26729 04763 069229 744289 379281 640291 285
• Een betere beloning  29 420190 405251 040243 101252 746
• Arbeidsmarkt 2 70812 30018 30017 30017 50017 500
• Overige39 26726 33921 34921 03921 03921 03921 039
        
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit47 80984 438118 528153 852171 964192 838192 966
• Een sterker beroep37 17367 70978 995112 670131 370154 770154 770
• Een professionelere school 10 50026 00026 00026 00025 50025 500
• Overige10 6366 22913 53315 18214 5941 2 56812 696
        
Programmakosten-overig2 5472 1922 1422 1422 1422 1422 142
• Uitvoeringsorganisatie CFI2 5472 1922 1422 1422 1422 1422 142
        
Apparaatsuitgaven3 1762 2982 1002 1171 95 71 5821 582
Ontvangsten1 818      

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor lerarenbeleid op artikel 9 enveloppengelden gereserveerd. Hier bovenop zijn bij Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58)extra middelen vrijgespeeld voor uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland». Het gaat in totaal om een bedrag van € 134 miljoen in 2008, oplopend tot € 688 miljoen in 2011 en € 1 027 miljoen in 2020. Met ingang van 2012 staat een deel van de financiële dekking, de oploop van de ILO-vergoeding, nog op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Voor 2009 is de verhoging € 411 miljoen, waarvan € 247 miljoen naar de onderwijssectoren overgeboekt (naar resp. artikel 1 voor primair onderwijs, artikel 3 voor voortgezet onderwijs, artikel 4 voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en artikel 6 voor hoger onderwijs). De maatregelen hebben met name betrekking op:

• Een betere beloning;

• Een sterker beroep;

• Een professionelere school.

Bij de operationele doelstellingen wordt dit nader toegelicht.

Tabel 9.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)181 597383 596461 343474 478484 251
Totaal juridisch verplicht107 618247 678299 858276 586266 738
Totaal bestuurlijk gebonden73 979135 918161 485197 892217 513
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel63 069229 744289 379281 640291 285
• Juridisch verplicht53 988215 973275 608260 669262 488
• Bestuurlijk gebonden9 08113 77113 77120 97128 797
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit118 528153 852171 964192 838192 966
• Juridisch verplicht53 63031 70524 25015 9174 250
• Bestuurlijk gebonden64 898122 147147 714176 921188 716
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

9.3 Operationele doelstelling

9.3.1 Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel

Motivering

Schoolbesturen voeren en ontwikkelen toekomstgericht personeelsbeleid. Om daarin effectief te zijn moeten ze (regionaal) samenwerken. OCW ondersteunt de schoolbesturen daarbij. Voor de aantrekkelijkheid van beroepen in het onderwijs is een goede beloning van belang. Daarbij komt dat er op korte termijn tekorten aan leraren dreigen in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs en dat de vacatureproblematiek in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs aanzienlijk toeneemt, terwijl ook de kwaliteit van het onderwijspersoneel onder druk staat.

Instrumenten

Een betere beloning

Het lerarenbeleid richt zich primair op de bestrijding van het dreigende lerarentekort, verbetering van de kwaliteit van de leraar en versterking van de positie van de leraar in het onderwijs. Voor de wervingspositie van het onderwijs op de arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden en voor het algemene maatschappelijke imago van onderwijsberoepen is het daarbij van cruciaal belang dat de sector aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden kan bieden.

In lijn met het advies van de «commissie Leraren» onder leiding van de heer Rinnooy Kan zijn in het actieplan «LeerKracht van Nederland» maatregelen voorgesteld die er voor moeten zorgen dat:

1. er meer loopbaanmogelijkheden komen voor leraren en de opleiding en de kwaliteit van leraren beter wordt beloond (meer hogere leraarsfuncties),

2. er meer carrièreperspectief ontstaat voor leraren door een snellere salarisgroei (inkorting salarislijnen en koppeling tussen functioneren en salarisgroei).

Aangezien voor de korte termijn een fors tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs verwacht wordt, is in het genoemde actieplan een concrete salarisverhoging voorgesteld voor deze schoolleiders. Op 16 april 2008 zijn hierover met de sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties) in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en het hoger onderwijs afspraken gemaakt in het onderhandelaarsakkoord «Convenant LeerKracht van Nederland». Afspraken over de invoering van meer hogere leraarsfuncties («functiemix»), een aanscherping van de functiewaarderingscriteria waarbij ook het criterium «opleiding» meeweegt bij de bepaling van de functiezwaarte, een inkorting van de salarislijnen tot 15 jaar of 12 jaar tezamen met een koppeling tussen het toekennen van periodieken en de cyclus van functionerings- en beoordelingsgesprekken. Gegeven de verschillen tussen de onderwijssectoren zijn de concrete afspraken per sector op onderdelen verschillend.

Voor het primair onderwijs is verder afgesproken dat werkgevers in staat worden gesteld om de bekostigde directeuren een maandelijkse toelage toe te kennen. Ook komt er geld beschikbaar om de salarispositie van een beperkte groep adjunct-directeuren in het basisonderwijs te verbeteren.

Aangezien de sociale partners verantwoordelijk zijn voor vrijwel de gehele arbeidsvoorwaardenvorming in de onderwijssectoren, worden de genoemde afspraken (voor 2009 gaat het over de sectoren heen om een totaalbedrag van € 247 miljoen) verder ingevuld en vastgelegd in de verschillende decentrale onderwijscao’s. Ook moeten sociale partners in deze cao’s zodanige afspraken maken dat de beoogde bezetting van hogere leraarsfuncties ook daadwerkelijk wordt bereikt. OCW zal de inzet van de convenantmiddelen voor de functiemix jaarlijks monitoren aan de hand van de gemiddelde loonsom van de leraarformatie.

Het verwachte lerarentekort en de beloningsachterstand van de beroepsgroep verschilt per sector en regio. Zij zijn het meest dreigend in de sectoren voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie van de vier grote steden, Almere en omliggende regio’s (Randstadregio). In het onderhandelaarsakkoord «Convenant LeerKracht van Nederland» is, naast geld voor een beter loopbaanperspectief (zie hiervoor), extra geld (voor 2009 € 27 miljoen) beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van de functiemix in de sectoren voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in deze regio’s. In het begin geschiedt dit nog via een subsidieregeling, later zullen de hiermee gemoeide middelen opgaan in de lump sum voor deze sectoren.

In het onderhandelaarsakkoord «Convenant LeerKracht van Nederland» is met sociale partners in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en de beroepsonderwijs en volwasseneneducatie-sector afgesproken de participatiegraad van het personeel te verhogen. Sociale partners gaan ervoor zorgen dat scholen en leraren optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die de cao biedt om meer te werken en de individuele arbeidsduur te verhogen. Het streven daarbij is met name de participatie c.q. betrekkingsomvang te vergroten van leraren die in deeltijd werken. Verder zijn er afspraken gemaakt over het vergroten van de participatiegraad en het langer doorwerken van oudere, ervaren werknemers. Sociale partners maken – voor zover dit nog niet is gebeurd – in hun cao-overleg vóór 1 januari 2010 afspraken over een sectorale regeling voor leeftijdsfasebewust personeelsbeleid. Dit beleid is niet alleen gericht op het langer laten deelnemen van ouderen aan het onderwijsproces, maar ook op het stimuleren van ouderen om de bij hun belastbaarheid passende arbeidstijd beschikbaar te zijn.

• Arbeidsmarkt

Voor een goed werkende onderwijsarbeidsmarkt is nodig dat onderwijsinstellingen professionele arbeidsorganisaties zijn die zelfstandig en vernieuwend opereren. Zij moeten een eigen invulling geven aan integraal personeelsbeleid, gebaseerd op een visie op de onderwijskundige inrichting en met oog voor de toekomst. Daarbij hoort het opleiden van onderwijspersoneel en het personeel in staat stellen te voldoen aan bekwaamheidseisen en die ook te onderhouden. Ramingen geven inzicht in toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsmarktposities van de sector onderwijs. Hiermee onderbouwt OCW zijn beleid, bovendien worden de ramingen beschikbaar gesteld aan de scholen (zie ook de bijgevoegde nota Werken in het onderwijs 2009).

Het is van belang, met name in de regio’s waar grote tekorten aan leraren worden verwacht, dat schoolbesturen op regionaal niveau samenwerken om de tekorten op te kunnen vangen. OCW ondersteunt de regio’s die een bovengemiddeld risico lopen op arbeidsmarktproblemen bij een gezamenlijke aanpak van de regionale arbeidsmarktproblematiek. In het actieplan «LeerKracht van Nederland» zijn voor het voortgezet onderwijs 11 regio’s aangemerkt als risicoregio. Deze regio’s kunnen op basis van een in 2008 te publiceren subsidieregeling aanspraak maken op financiële ondersteuning (voor 2009 € 7 miljoen) voor een gezamenlijke aanpak van de regionale arbeidsmarktproblematiek. Voorwaarde voor subsidiëring is dat schoolbesturen in een regionaal platform samenwerken met lerarenopleidingen, bedrijfsleven en andere relevante organisaties in de regio.

Er komt extra geld voor de inzet van zij-instromers. Er wordt een nieuwe gerichte subsidieregeling (voor 2009 gaat het om een bedrag van € 3,8 miljoen) ontwikkeld die de mogelijkheden voor het aanstellen van zij-instromers vergroten.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Het aandeel afgestudeerden aan de lerarenopleiding met een baan (= 12 uur) in het onderwijs, half jaar na afstuderen:    
primair onderwijs78%74%gelijk of hogergelijk of hoger
voortgezet onderwijs75%74%gelijk of hogergelijk of hoger
Bron: LoopbaanmonitorEcorysPeildatum: Cohort 2005Peildatum: Cohort 2006Peildatum: Cohort 2007Peildatum: Cohort 2008
2. Ziekteverzuimpercentage    
• primair onderwijs5,9%6,1%gelijk of mindergelijk of minder
• speciaal onderwijs6,3%6,8%gelijk of mindergelijk of minder
• voortgezet onderwijs5,0%5,1%gelijk of mindergelijk of minder
• beroepsonderwijs en volwasseneneducatie5,8%5,7%gelijk of mindergelijk of minder
Bron: Regiopplan Onderwijs en Arbeidsmarkt, VO-raad en Arboservicepunt BVEPeildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2009

Toelichting:

1. Het percentage aandeel afgestudeerden aan de lerarenopleiding met een baan (= 12 uur) in het onderwijs, een half jaar na afstuderen, is zowel in het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs licht gedaald. In het kader van de uitwerking van het actieplan «LeerKracht van Nederland» worden maatregelen getroffen die ernaar streven de percentages weer te laten stijgen.

2. Na een jarenlange daling zijn de ziekteverzuimpercentages, met uitzondering van die voor de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, in 2007 licht gestegen. Van een trendbreuk is vooralsnog geen sprake, de voorlopige trendcijfers voor 2008 laten namelijk weer een daling zien.

9.3.2 Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit

Motivering

Voor goed onderwijs zijn leraren nodig die zelfbewust en kritisch zijn en voldoen aan eisen van kwaliteit, zoals onder andere vastgelegd in de bekwaamheidseisen voor leraren. Het gaat om mensen die in de school een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van het onderwijs en in staat zijn het onderwijs zo in te richten dat kinderen, jongeren en volwassenen hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Dit vraagt om een sterke beroepsgroep, lerarenopleidingen waarvan de kwaliteit niet ter discussie staat en scholen die goed personeels- en opleidingsbeleid voeren.

Instrumenten

Een sterker beroep

Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren is een leraar die zowel vakinhoudelijk als beroepsmatig stevig in zijn schoenen staat, onmisbaar. Daarom worden maatregelen getroffen gericht op de versterking van de kwaliteit van de leraar, en wordt het initiatief ondersteunt om een sterkere beroepsorganisatie voor leraren tot stand te brengen om hen te helpen in hun professionele ontwikkeling.

Ook zal de kwaliteit van de lerarenopleiding verder worden versterkt. In september wordt daartoe de kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren gepresenteerd. Deze agenda (met voor 2009 een financieel belang van circa € 20 miljoen) zet in op versterking van de kwaliteit van de lerarenopleiding en op de aanpak van het lerarentekort.

De kwaliteit van het onderwijs is gebaat bij méér beschikbare leraren met een hogere kwalificatie. Om die reden is een Lerarenbeurs voor scholing ingesteld met als doel dat leraren regie kunnen nemen over hun professionalisering (Staatscourant 22 juli 2008, nummer 139). Elke leraar is in de gelegenheid eens in zijn loopbaan een beroep te doen op de Lerarenbeurs om zich op te scholen naar een hoger kwalificatieniveau (een hogere graad of een andere of hogere lesbevoegdheid). Subsidie (voor 2009 circa € 22 miljoen) wordt verstrekt voor zowel de opleidingskosten als de vervangingskosten tijdens het studieverlof. Er komt in eerste instantie een startregeling van één jaar.

Onderwijsinstellingen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie leiden steeds vaker hun eigen personeel op de werkplek op. Een deel van de scholen voorziet met opleiden in de school in meer dan de eigen personeelsbehoefte. Andere scholen, de zogenoemde academische opleidingsscholen, verbinden opleiden in de school met schoolontwikkeling, innovatie en onderzoek. In de dieptepilot voor de opleidingsschool en academische opleidingsschool 2005–2008 is onderzocht onder welke voorwaarden die scholen een succes kunnen zijn, welke investeringen, zowel in personele als materiële zin, deze scholen moeten doen en hoe financiering vanuit OCW op termijn vorm kan krijgen. Voor het schooljaar 2008–2009 hebben 33 pilots subsidie ontvangen om de opgebouwde infrastructuur in stand te kunnen houden in afwachting van een meer structurele regeling van de extra bekostiging voor goede opleidingsscholen. De uitwerking hiervan maakt onderdeel uit van de kwaliteitsagenda lerarenopleiding.

• Een professionelere school

Zonder steun, vraagbaak en stimulans staat de leraar alleen in zijn streven naar meer kwaliteit. Versterking van de positie van de leraar in de school is dus nodig. Die versterking begint bij de erkenning dat de leraar in de dagelijkse onderwijspraktijk over professionele ruimte – de interne zeggenschap ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van het onderwijskundig en kwaliteitsbeleid van de school – moet beschikken om zijn werk goed te kunnen doen. Dit wordt in een wettelijk kader verankerd en wordt onderdeel van de zorg van het bevoegd gezag van de school voor goed bestuur.

Ondersteunend personeel levert een belangrijke bijdrage aan de vermindering van de werkdruk van leraren en schoolleiders. Dit draagt bij aan zowel de kwaliteit van het onderwijs als de aantrekkelijkheid van het leraarsberoep. Om te bereiken dat er meer conciërges en of administratieve medewerkers in het basisonderwijs komen, is er met ingang van het schooljaar 2008–2009 een regeling voor loonkostensubsidie voor het aanstellen van ondersteuners (Staatscourant 29 april 2008, nummer 83). Op grond van deze regeling kunnen basisscholen een subsidie ontvangen voor het voor onbepaalde tijd aanstellen van in totaal 1550 voltijd-ondersteuners (totaal gaat het voor 2009 om een bedrag van € 20 miljoen). De basisscholen in de 40 krachtwijken hebben, evenals die in de vier grote gemeenten, voorrang gekregen bij de toekenning van de loonkostensubsidie.

In het «Convenant LeerKracht van Nederland» is met sociale partners afgesproken dat zij streven naar een personeelsbestand dat een betere afspiegeling is van de Nederlandse bevolking en het onbenut arbeidspotentieel aanboren. Inzet is om het aandeel vrouwelijke managers, Nederlandse leraren met een niet-westerse achtergrond en, in het primair onderwijs, mannelijke leraren (verder) te verhogen en meer vrouwen te laten in- en doorstromen naar managementfuncties. Dit sluit aan bij de afspraken uit het convenant professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs (juni 2006) en de doelstellingen van de Wet Evenredige Vertegenwoordiging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 28 027, nr. 1). De afspraken leveren een bijdrage aan de aanpak van de werkdruk en aan het minder kwetsbaar maken van scholen in tijden van personeelstekorten.

In het actieplan «LeerKracht van Nederland» is aangekondigd dat de overheid het initiatief neemt om samen met het onderwijs, het bedrijfsleven en de wetenschap te onderzoeken welke ICT-innovaties via de manier van werken in schoolorganisaties een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het lerarentekort. Daartoe zijn in het kader van de procedure voor de FES-middelen projectvoorstellen ingediend. Voor het thema lerarentekort komt maximaal € 90 miljoen beschikbaar vanuit het FES (2009 tot en met 2011 elk jaar € 30 miljoen). In het voorjaar 2009 beslist het kabinet over de toekenning van de FES-middelen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. LerarenopleidingZie toelichtingZie toelichtingZie toelichtingZie toelichting
2. Tevredenheid ouders over kwaliteitleraren    
• primair onderwijs7,77,9te behoudente behouden
• voortgezet onderwijs7,17,1te behoudente behouden
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2006Peildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2009

Toelichting:

1. In het kader van de kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren worden indicatoren ontwikkeld die aspecten van kwaliteit van de lerarenopleidingen in beeld brengen. Deze indicatoren worden vanaf de begroting 2010 opgenomen.

2. Ouders beoordelen jaarlijks de kwaliteit van de leraar van hun kind met een rapportcijfer. Het is de ambitie om de waardering 2006 ten minste te behouden.

9.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 9.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingActieplan LeerKrachtADA. 2008B. 2011Zie toelichting
Effectenonderzoek ex postN.v.t.   
Overig evaluatieonderzoekLoopbaanmonitorOD 9.3.1A. 2008B. 2009Zie toelichting
 OnderwijsarbeidsmarktramingOD 9.3.1A. 2008B. 2009Zie toelichting
 Kengetallen OnderwijspersoneelOD 9.3.1+2A. 2008B. 2009Zie toelichting
 Arbeidsmarktbarometers primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijsOD 9.3.1A. 2008B. 2009Zie toelichting
 Integrale Personeelstelling voortgezet onderwijsOD 9.3.2.A. 2009B. 2009Zie toelichting

Toelichting:

In de Nota Werken in het Onderwijs (WIO) – die ook op Prinsjesdag wordt aangeboden aan de Tweede Kamer – wordt jaarlijks gerapporteerd over de monitoring van de doelstellingen en resultaten van het actieplan «LeerKracht van Nederland». Dit geschiedt ondermeer in de vorm van indicatoren. Hiervoor geldt dat naast de stand ook de ontwikkeling wordt weergegeven, alsmede in hoeverre de realisatie in lijn is met het afgesproken pad. In de bijgevoegde Nota Werken in het onderwijs 2009 zijn de indicatoren ten behoeve van de nulmeting opgenomen. Daarnaast zal een aantal langer doorlopende onderzoeken met als oogmerk effectmeting worden opgestart, waarbij ook moeilijker meetbare beleidsdoeleinden, zoals het versterken van de positie van de medezeggenschap en de leraar, aan de orde komen.

Ook de resultaten van al het overig evaluatieonderzoek op het terrein van de onderwijsmarkt en het onderwijspersoneel worden ieder jaar gepubliceerd in de Nota Werken in het onderwijs. De onderliggende eindrapportages worden gepubliceerd in de reeks Beleidsonderzoek Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid Onderwijs en op de internetsite van OCW:http://www.minocw.nl/onderwijspersoneelenkwaliteit/documenten/index.html

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene doelstelling: Studiefinanciering zorgt dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met studiefinanciering de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs en

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van de ouders wordt verwacht dat zij, wanneer mogelijk, bijdragen in de financiering van de studie van hun kinderen. Hiervoor zijn richtbedragen maar de hoogte van de bijdrage is een zaak tussen ouders en kinderen. Ten slotte is er de student zelf. Omdat de studie ook een investering in de eigen toekomst is, is het redelijk dat ook de student een bijdrage levert. Het stelsel is zo ingericht dat er een prikkel bestaat voor de studerenden om de studie af te ronden met een diploma (prestatiebeurs).

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is direct verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het onderhoud van het bestel door het scheppen van kaders voor toegankelijkheid en doelmatigheid. Met (gedeeltelijk inkomensafhankelijke) studiefinanciering waarborgt de minister de financiële toegankelijkheid.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

• De conjuncturele ontwikkeling

• Het studiefinancieringsbeleid van andere landen

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 11.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
Leeftijd18192021222324252627282930
Deelnamepercentage 20078778695745352619139765

Bron: OCW, Referentieraming 2007

De absolute aantallen studerenden mbo en ho zijn gepresenteerd bij de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen bve (paragraaf 4.3.1, tabel 4.5) en ho (paragraaf 6.3.1, tabel 6.6).

Tabel 11.2 Verwachte rendementen
Studie begonnen in20032004200520062007
wo7374706971
hbo7574737269
bol6064706768

Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrices 2003–2007, berekeningen OCW

Toelichting:

Het beleid is gericht op de optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. Studiefinanciering draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Voor de positie op de arbeidsmarkt is het afronden van een opleiding ook van groot belang. De voorwaarden waaronder studiefinanciering aan studerenden wordt verstrekt kunnen een belangrijke rol spelen bij de inzet van studerenden gedurende hun studieperiode.

Vanaf 1996 voor het ho en vanaf 2005 voor de bol niveau 3 en 4 wordt de studiefinanciering verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. De prestatiebeurs is een lening die wordt omgezet in een gift na het behalen van het diploma (binnen tien jaar na aanvang van de studie). De invoering van het prestatiebeursregime in het ho en niveau 3 en 4 van de bol beoogt studerenden tot verbetering van de studieresultaten te stimuleren, waardoor het studierendement zal verbeteren. Daarnaast is er specifiek beleid om de «aanval op de uitval» in het ho en mbo uit te breiden. Zie hiervoor beleidsartikelen van BVE (artikel 4.1, tabel 4.1 en paragraaf 4.3.4, tabel 4.8) en HO (paragraaf 6.3.3, tabel 6.8).

11.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen3 260 6833 808 5944 003 4924 055 6044 117 4354 278 9384 368 965
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 260 6833 808 5944 003 4924 055 6044 117 4354 278 9384 368 965
        
Programma-uitgaven:3 259 6143 807 4184 003 4924 055 6044 117 4354 278 9384 368 965
        
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 409 8441 742 0951 787 3111 778 7511 782 4511 879 1501 907 369
• Basisbeurs1 001 6721 054 6521 078 9801 083 8061 094 6011 101 7611 107 895
• Reisvoorziening408 172687 443708 331694 945687 850777 389799 474
        
Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders631 180664 377686 220693 294705 799721 939738 305
• Aanvullende beurs631 180664 377686 220693 294705 799721 939738 305
        
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende1 124 7191 282 3001 396 5001 450 7001 501 3001 549 0001 593 400
• Bijverdiengrens0000000
• Leenfaciliteit1 124 7191 282 3001 396 5001 450 7001 501 3001 549 0001 593 400
        
Overige uitgaven Studiefinanciering23 39544 67557 59158 29858 76359 26559 565
        
Programmakosten overig70 47673 97175 87074 56169 12269 58469 826
• Uitvoeringsorganisatie IBG70 47673 97175 87074 56169 12269 58469 826
Totaal programma-uitgaven3 259 6143 807 4184 003 4924 055 6044 1 17 4354 278 9384 368 965
– waarvan relevant1 307 9541 683 1181 943 8922 133 3042 290 5352 474 6382 581 865
– waarvan niet-relevant1 951 6602 124 3002 059 6001 922 3001 826 9001 804 3001 787 100
Apparaatsuitgaven:1 0691 176
Totaal ontvangsten396 066431 000466 900513 800571 300631 400692 800
Waarborgen adequate terugbetaling leningen       
• Terugbetalingssysteem van lening naar draagkracht335 146376 400412 600464 300521 800581 900643 300
Overige ontvangsten60 92054 60054 30049 50049 50049 50049 500
Totaal ontvangsten396 066431 000466 900513 800571 300631 400692 800
– waarvan relevant212 872223 400225 700235 600255 400279 200305 600
– waarvan niet-relevant183 194207 600241 200278 200315 900352 200387 200

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de rentedragende leningen en de uitgaven voor de prestatiebeurs (zolang deze nog niet zijn omgezet in een gift). De niet-relevante ontvangsten betreffen de aflossingen op de rentedragende leningen. Een nadere specificatie van de raming van de uitgaven per instrument is opgenomen in paragraaf 11.3 (operationele doelstellingen).

Tabel 11.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doel- stellingen)3 733 4473 927 6223 981 0434 048 3134 209 3544 299 139
Totaal juridisch verplicht3 733 4473 927 6223 981 0434 048 3134 209 3544 299 139
       
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 742 0951 787 3111 778 7511 782 4511 879 1501 907 369
• Juridisch verplicht1 742 0951 787 3111 778 7511 782 4511 879 1501 907 369
       
Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders664 377686 220693 294705 799721 939738 805
• Juridisch verplicht664 377686 220693 294705 799721 939738 805
       
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende1 282 3001 396 5001 450 7001 501 3001 549 0001 593 400
• Juridisch verplicht1 282 3001 396 5001 450 7001 501 3001 549 0001 593 400
       
Overige uitgaven Studiefinanciering44 67557 59158 29858 76359 26559 565
• Juridisch verplicht44 67557 59158 29858 76359 26559 565

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WSF 2000. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

11.3 Operationele beleidsdoelstellingen

In deze begroting zijn ten opzichte van de begroting 2008 de operationele beleidsdoelstellingen «Studenten in staat stellen meer tijd in de eigen studie te investeren» en «Stimuleren internationale studentenmobiliteit» niet meer als afzonderlijke beleidsdoelstellingen opgenomen. De instrumenten bij deze beleidsdoelstellingen, «collegegeldkrediet» en «meeneembare studiefinanciering», zijn geïmplementeerd met ingang van studiejaar 2007/2008. De instrumenten zijn nog wel zichtbaar in de andere operationele beleidsdoelstellingen. Het gebruik van deze instrumenten zal worden gemonitord.

In verband met nieuw beleid bij de ontvangsten is een nieuwe operationele doelstelling toegevoegd: «Waarborgen adequate terugbetaling leningen» (zie 11.3.4).

11.3.1 Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden

Motivering

Een basisbeurs en een reisvoorziening dragen ertoe bij dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg financieel in staat zijn om onderwijs te volgen.

Instrumenten

Een basisbeurs en een reisvoorziening in de vorm van een OV-studentenkaart. Met deze instrumenten levert OCW een bijdrage aan het normbudget van studerenden. De IB-groep informeert de doelgroep over de OV-studentenkaart.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.5 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (raming)
 20062007200820092010201120122013
wo107 367111 339114 400118 800123 800129 200134 700140 100
hbo232 363240 081247 100253 800260 300265 500269 600272 600
bol213 791219 077220 700220 900215 700212 100211 000209 600
Studerenden met basisbeurs553 521570 497582 200593 500599 800606 800615 300622 300
wo39 47736 62237 70039 10040 80042 50044 30046 100
hbo29 80130 60131 50032 40033 20033 90034 40034 700
Bol01 2006 7009 70010 00010 200
Alleen ov-kaart en/of lening69 27867 22369 20072 70080 70086 10088 70091 000
Totaal622 799637 720651 400666 200680 500692 900704 000713 300

Bron 2006 en 2007: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt de ontwikkeling van het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol in Nederland. Dit laatste ligt hoger, omdat niet iedere studerende die is ingeschreven en onderwijs volgt ook daadwerkelijk aanspraak heeft op studiefinanciering. De raming van de studerenden met een basisbeurs ligt ten grondslag aan het niveau van de uitgaven en vertoont een stijging in de komende jaren. Daarnaast is er een groep studerenden die geen aanspraak meer kan maken op een basisbeurs (maximale duur is verbruikt), maar nog wel recht heeft op een OV-studentenkaart en een lening.

Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven is van de overheid dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van de basisbeurs en/of de reisvoorziening. Indien studerenden op een andere wijze hun studie kunnen financieren is de toegankelijkheid van het onderwijs ook gewaarborgd. Uit onderzoek blijkt dat slechts een klein percentage scholieren met voldoende vooropleiding niet (onmiddellijk) kiest voor een opleiding in het hoger onderwijs. Financiële motieven spelen bij deze keuze nauwelijks een rol.

Tabel: 11.6 Normbedragen basisbeurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend91,8172,39
Uitwonend255,64236,22

* Peildatum 1 januari 2008

De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. De normbedragen voor de basisbeurs worden jaarlijks geïndexeerd.

Raming uitgaven basisbeurs

Tabel 11.7 Uitgaven basisbeurs (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
Bolgiftregime *200,3154,2120,899,985,784,885,6
Bolprestatiebeursregime135,7189,3234,2251,0259,2258,7258,0
prestatiebeursho**665,7711,2724,0732,9749,7758,3764,3
Totaal basisbeurs1 001,71 054,71 079,01 083,81 094,61 101,81 107,9
• waarvan relevant617,4649,9783,9896,9992,71 053,71 102,1
• waarvan niet-relevant384,3404,8295,1186,9101,948,15,8

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

** inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs tot en met 2009

Naast de prijscomponent is het verloop van de uitgaven voor een zeer groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden. De verwachte ontwikkeling van het aantal studerenden met studiefinanciering is opgenomen bij de meetbare gegevens. De invoering van het prestatiebeursregime voor bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 zorgt voor een stijgende lijn in uitgaven voor de reeks «Bol prestatiebeursregime».

Deze prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift). In deze laatste groep zijn de uitgaven basisbeurs voor de deelnemers bol niveau 1 en 2 opgenomen, en op grond van de cohortgarantie de uitgaven aan de deelnemers bol niveau 3 en 4 die vóór het studiejaar 2005–2006 al studiefinanciering ontvingen.

Raming uitgaven reisvoorziening

Tabel 11.8 Uitgaven reisvoorziening (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
OV-kaart393,4638,6677,4706,1729,9752,8774,1
Kasschuiven0,030,311,6– 33,7– 65,00,00,0
Reisvoorzieningoverig14,818,519,322,523,024,625,4
Totaal reisvoorziening408,2687,4708,3694,9687,9777,4799,5
• waarvan relevant88,2405,6466,7497,0524,0626,1664,4
• waarvan niet-relevant320,0281,8241,6197,9163,9151,3135,1

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel SF

De toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven reisvoorziening is voor een groot deel vergelijkbaar met die op de uitgaven basisbeurs. Ten behoeve van de optimalisering van kasritmes van de Staat is een reeks «Kasschuiven» opgenomen. Deze wordt gerealiseerd door een gedeelte van de verplichtingen aan de vervoersbedrijven voor de ov-kaart in het jaar voorafgaand aan de verplichting te voldoen.

Wanneer de ov-chipkaart landelijk wordt ingevoerd, dan worden de strippenkaart en de huidige papieren ov-studentenkaart afgeschaft en geldt de studenten-ov-chipkaart als geldig reisproduct in heel Nederland. Op dit moment is er een fysieke, papieren kaart die elk jaar opnieuw verstrekt wordt. De papieren kaart wordt vervangen door een elektronisch reisproduct dat op een chipkaart geplaatst wordt en waar geen specifieke geldigheidstermijn aan gekoppeld hoeft te worden. Daarop is de WSF 2000 nog niet berekend. Het reisrecht (week- of weekendkaart) verandert niet. In de WSF2000 zal deze nieuwe situatie moeten worden opgenomen.

Verder wordt in deze wetswijziging een verhoging van het incassobedrag tot stand gebracht. Het incassobedrag is de boete voor het onterecht kaartbezit, als een student na het beëindigen van zijn studie de kaart niet op tijd inlevert. Momenteel is het incassobedrag sinds halverwege de jaren ’90 € 68 per halve maand oneigenlijk kaartbezit en sindsdien niet geïndexeerd. De hoogte van het nieuwe incassobedrag na indexatie is nog niet vastgesteld.

11.3.2 Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders

Motivering

Het huidige stelsel van studiefinanciering gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de ouders wordt verwacht dat zij, indien zij dat (financieel) kunnen, een bijdrage leveren aan de studie van hun kind. De minister stelt zich ten doel daar waar ouders niet of onvoldoende in staat zijn een bijdrage te leveren aan de studie van hun kind, de eventuele financiële belemmering om te gaan studeren voor een studerende weg te nemen.

Instrumenten

Het verstrekken van een aanvullende beurs indien de ouders van een studerende minder draagkrachtig zijn. Het betreft studerenden met recht op studiefinanciering, waarvan de ouders gezamenlijk een belastbaar inkomen hebben dat minder bedraagt dan circa € 33 000. Het bestaan van de regeling wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.9 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs(raming)
 20062007200820092010201120122013
wo25 86725 67127 10028 10029 40030 60031 90033 200
hbo83 25883 52286 60088 90091 20093 10094 50095 500
bol118 437114 119114 800114 600111 800109 700108 400107 600
Totaal227 562223 312228 500231 600232 400233 400234 800236 300

Bron 2006 en 2007: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal studerenden met een aanvullende beurs geeft een indicatie van het gebruik van deze regeling. Uit de vergelijking van deze gegevens met de aantallen basisbeurs uit tabel 11.5 blijkt dat in 2008 ongeveer 39% van de studerenden met een basisbeurs een aanvullende beurs ontvangt. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat mag worden aangenomen dat het gebruik van de aanvullende beurs, vanwege de bekendheid van de regeling, al optimaal is.

Tabel: 11.10 Normbedragen maximale aanvullende beurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend208,63294,89
Uitwonend227,76314,02

* Peildatum 1 januari 2008

Toelichting:

De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. De aanvullende beurs wordt verstrekt bovenop de basisbeurs. Deze is naast het inkomen van de ouders en het aantal schoolgaande kinderen in het gezin ook afhankelijk van de woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend). De normbedragen worden jaarlijks geïndexeerd.

Raming uitgaven aanvullende beurs

Tabel 11.11 Uitgaven aanvullende beurs (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
Bolgiftregime*228,8174,4141,1123,9117,2115,5116,4
Bolprestatiebeursregime156,6217,6253,1261,3264,9268,1270,5
Ho**245,8272,4292,0308,1323,7338,3351,9
Totaal aanvullende beurs631,2664,4686,2693,3705,8721,9738,8
• waarvan relevant508,6509,0559,8606,5646,0666,0686,0
• waarvan niet-relevant122,6155,4126,486,859,855,952,8

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

** Inclusief de beperkte uitgaven tempobeurs tot 2009

Toelichting:

In tabel 11.11 worden de geraamde uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Naast de prijscomponent is het verloop van deze uitgaven voor een groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders. Naast de deelname aan het onderwijs spelen hierbij exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Door de invoering van de prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 stijgen de uitgaven voor de aanvullende beurs bol prestatiebeursregime. De toename van de uitgaven prestatiebeurs bol gaat gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift).

11.3.3 Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende

Motivering

In het stelsel van studiefinanciering is verondersteld dat studerenden ook zelf een bijdrage leveren aan de financiering van het normbudget. De minister stelt zich ten doel studerenden in staat te stellen op een flexibele wijze invulling te kunnen geven aan deze veronderstelde bijdrage.

Instrumenten

• Leenfaciliteit

Studerenden krijgen hiermee de mogelijkheid om hun eigen bijdrage te lenen bij de overheid. Zij kunnen hiervoor gebruik maken van de «rentedragende lening» en/of het «collegegeldkrediet».

• Bijverdiengrens in regelgeving

Studerenden met een toekenning studiefinanciering krijgen hiermee de mogelijkheid hun eigen bijdrage met werken te verdienen. De WSF 2000 staat toe dat studerenden tot circa € 12 900 per jaar bijverdienen (peildatum 2008) zonder dat dit consequenties heeft voor hun aanspraak op studiefinanciering. De hoogte van de bijverdiengrens wordt jaarlijks geïndexeerd.

Het bestaan van deze regelingen wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.12 Indicatoren flexibiliteit financiering door studerende
  BasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. De snelheid waarmee studenten afstuderen (in jaren)wo6,016,01Daling
 hbo4,464,46Daling
Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrix 2004, berekeningen OCW peildatum: 2004peildatum: 2004peildatum: 2010
2. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan de studie*wo2933Stijging
hbo3735Stijging
Bron: Studentenmonitor; deelnemersmonitor peildatum: 2004peildatum: 2007peildatum: 2010
3. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan werkwo131210
hbo131210
Bron: Studentenmonitor en Deelnemersmonitor peildatum: 2004peildatum: 2007peildatum: 2010

* Zie ook tabel 6.7 van artikel 6.3.2 en de brief over onderwijsintensiteit aan de Tweede Kamer(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 129).

Toelichting:

De snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gemeten als de gemiddelde totale verblijfsduur van gediplomeerden in hele jaren.

De cijfers van 2004 zijn de basiswaarden. Met betrekking tot de snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gestreefd naar een verblijfsduur die de wettelijke studieduur benadert. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan de studie zie tabel 6.7 van artikel 6.3.2. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan werk wordt gestreefd naar een maximum van 10 uur per week in 2010 voor hbo- en wo-studenten. Voor beide streefwaarden is in tabel 11.12 een ingroeitraject opgenomen. Op basis van de studentenmonitor zal worden gemonitord hoeveel tijd per week studenten besteden aan hun studie en aan werk.

Twee indicatoren die daarnaast een beeld geven van het gebruik van de regeling zijn:

• Het aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit. Bron: IB-Groep.

• Het bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar. Bron: IB-Groep.

Tabel 11.13 Aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit
 2004200520062007
wo58 78465 24069 35373 473
hbo59 58168 76477 52785 315
bol18 41422 91328 42132 466
Totaal136 779156 917175 301191 254

Bron: IB-Groep

Bovenstaande cijfers hebben betrekking op het gebruik van de «rentedragende lening». Vanaf 1 september 2007 kunnen studenten in het hoger onderwijs ook gebruik maken van het «collegegeldkrediet». In 2007 hebben gemiddeld ongeveer 17 500 studenten een collegegeldkrediet ontvangen.

Tabel 11.14 Bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar (x € 1 miljoen)
 2004200520062007
Renteloze voorschotten verstrekt t/m 198679,862,55141,3
Rentedragende leningen verstrekt vóór 1992203,2170,2137,5108,4
Rentedragende leningen verstrekt na 19923 988,54 767,65 611,66 640,0
Collegegeldkrediet10,3
Totaal4 271,55 000,35 800,16 800,0

Bron: IB-Groep

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de desbetreffende regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studerenden een zo hoog mogelijk bedrag lenen of zoveel mogelijk werken naast de studie. De overheid wil wel deze mogelijkheden bieden en studerenden een reëel alternatief geven voor betaalde arbeid.

Raming uitgaven leenfaciliteit

In de eerste jaren van de studie (gedurende de nominale studieduur) is het maximum bedrag dat een studerende kan lenen gelijk aan het verschil tussen het normbudget en de optelsom van de basisbeurs en de aanvullende beurs. De maximale lening in de 36 maanden na de nominale duur van de studie bedraagt € 819 per maand (peildatum 1 januari 2008).

De uitgaven voor de leningen zijn niet-relevante uitgaven. Het rentepercentage op de leningen is gelijk aan de rente op staatsleningen. De maximale terugbetalingstermijn is 15 jaar. Gedurende deze periode geldt er een draagkrachtregeling. Resterende schulden na afloop van de aflosfase worden kwijtgescholden.

Raming Niet-relevante uitgaven rentedragende lening

Tabel 11.15 Niet-relevante uitgaven leningen (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
Rentedragende lening1 114,41 242,31 352,51 402,71 448,31 489,01 528,4
Collegegeldkrediet10,340,044,048,053,060,065,0
Totaal1 124,71 282,31 396,51 450,71 501,31 549,01 593,4

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008 – 2013: ramingsmodel SF

11.3.4 Waarborgen adequate terugbetaling leningen

Motivering

Het waarborgen van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs omvat ook duidelijke voorwaarden waaronder studieleningen moeten worden terugbetaald. Studenten moeten op het moment dat ze een studielening aangaan weten waar ze aan beginnen. Dat is van belang in hun afweging om met een beroep op de studielening meer tijd aan hun studie te kunnen besteden.

Deze waarborg kan ten opzichte van de huidige situatie worden verbeterd. In de huidige situatie weten studenten wel dat zij hun studieschuld gedurende 15 jaar met een vast bedrag per maand moeten terugbetalen en zo nodig een draagkrachtmeting kunnen aanvragen, maar weten zij niet welk deel van hun inkomen ze na hun studie aan de terugbetaling van hun studielening zullen moeten besteden.

Instrumenten

Duidelijker terugbetalingsvoorwaarden voor studieleningen kunnen worden gerealiseerd door verbetering van het systeem van terugbetalen. Hiertoe wordt een wetsvoorstel voorbereid met een beoogde ingangsdatum van augustus 2009. In het verbeterde systeem van terugbetalen wordt standaard rekening gehouden met het inkomen doordat de ex-student, in plaats van een vast maandbedrag, maximaal 15 jaar een vast percentage gaat terugbetalen van zijn meerdere inkomen boven de aflossingsvrije voet (11% van het meerdere boven 120% respectievelijk 84% van het minimumloon voor een debiteur met een partner respectievelijk alleenstaande debiteur). Na 15 jaar wordt de resterende studieschuld automatisch kwijtgescholden.

Daarnaast wordt de debiteur meer flexibiliteit gegeven om de terugbetaling op zijn persoonlijke situatie af te stemmen, door hem of haar de mogelijkheid te geven om de terugbetaling maximaal vijf jaar op te schorten.

Het systeem is bedoeld voor in Nederland belastingplichtige (ex-)studenten, die bij de inwerkingtreding ervan nog niet zijn begonnen met de aflossing van hun studieschuld.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.16 Aantal debiteuren in de aflosfase
 200720082009
Totaal310 210325 000345 000

Bron: IB-Groep (2007 is realisatie, 2008 en 2009 betreft een raming)

Tabel 11.17 Ontvangsten leenfaciliteit (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
Renteloze voorschotten (t/m 1986)5,94,93,72,82,11,61,2
Rentedragende lening329,3371,5408,9461,5519,7580,3642,1
Totaal335,2376,4412,6464,3521,8581,9643,3
• waarvan relevant152,0168,8171,4186,1205,9229,7256,1
• waarvan niet-relevant183,2207,6241,2278,2315,9352,2387,2

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal debiteuren in de aflosfase geeft een beeld van de omvang van de ex-studerenden die in de gepresenteerde kalenderjaren verplicht termijnen betalen voor de aflossing van hun lening bij de IB-Groep (tabel 11.16). De verwachting bestaat dat de omvang van deze groep zal toenemen vanwege de stijging van het aantal studerenden met een lening in de afgelopen periode. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studerenden een zo hoog mogelijk bedrag lenen. De overheid wil wel ex-studerenden in staat stellen om de studielening met zo min mogelijk hinder terug te betalen.

Met de leningen gaan ontvangsten gepaard, zoals rente en aflossingen (tabel 11.17). Deze nemen de komende jaren toe. Daarnaast zijn er ook nog ontvangsten die betrekking hebben op leenfaciliteiten uit eerdere jaren die thans niet meer verstrekt worden. Deze ontvangsten zijn aflopend.

11.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 11.18
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting   
Effectenonderzoek ex post   
Overig evaluatieonderzoek• Meeneembare Studiefinanciering bolOD 11.3.1Start: 2008 Afgerond: begin 2009 
 • Financiële positie studenten (Studentenmonitor)OD 11.3.1Start: 2007Afgerond: 2008 

ARTIKEL 12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

12.1 Algemene doelstelling: de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt dat (ouders van) leerlingen in het voortgezet onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om toegang te krijgen tot het onderwijs.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen van deelname weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• Ouders van scholieren in het voortgezet onderwijs en de beroepsopleidende leerweg tot 18 jaar (TS17-). Per 1 januari 2010 zal het betreffende hoofdstuk drie van de WTOS worden geïntegreerd in de Wet op het kindgebonden budget. Zie hiervoor paragraaf 12.3.1.

• Scholieren in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder (vo18+),

• Studenten (ook deeltijd) in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (TS 18+, vavo),

• Studenten aan de lerarenopleiding die geen recht (meer) hebben op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 (TS 18+, tlo).

Verantwoordelijkheid van de minister

De toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland is de directe verantwoordelijkheid van de overheid. Ouders zijn er verantwoordelijk voor dat hun kind onderwijs volgt. Daar waar ouders gezien hun inkomen niet draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van hun schoolgaande (minderjarige) kinderen alleen te dragen, voorziet de overheid in een (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Vanaf 18 jaar ligt de verantwoordelijkheid voor het volgen van onderwijs primair bij de leerling of student zelf. Hij/zij komt dan zelf in aanmerking voor een tegemoetkoming.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De conjuncturele ontwikkeling (gebruik van de regeling)

• De beheersing van het prijsniveau van de schoolkosten

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 12.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
 15 jaar16 jaar17 jaar
Deelnamepercentage 200799,998,694,5

Bron OCW (CFI), Leerlingen- en studententelling 2007

Toelichting:

Het beleid is gericht op optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. De WTOS draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. De onderwijsdeelname geeft hierbij een indicatie van de toegankelijkheid. Voor bovenstaande indicator is voor de WTOS geen streefwaarde geformuleerd, omdat de resultaten het gevolg zijn van verschillende factoren en niet alleen de WTOS.

12.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen283 655286 963210 772130 369124 489122 787121 761
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven283 655286 963210 772130 369124 489122 787121 761
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol257 306258 800182 000102 30098 20096 50095 500
• TS 17-195 493193 600114 60034 60031 10029 90029 600
• Vo 18+60 86864 20066 40066 70066 10065 60064 900
– waarvan niet-relevante uitgaven1 939700700700700700700
• TS 18+ vavo9451 0001 0001 0001 0001 0001 000
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding10 27610 40010 40010 40010 40010 40010 400
• TS 18+ tlo10 27610 40010 40010 40010 40010 40010 400
        
Programma-uitgaven overig16 07317 76318 37217 66915 88915 88715 861
• Uitvoeringsorganisatie IBG16 07317 76318 37217 66915 88915 88715 861
Totale ontvangsten16 54011 60010 5008 8008 4008 4008 400
• TS 17-8 3284 4003 3001 6001 2001 2001 200
• VO 18+8 2126 6006 6006 6006 6006 6006 600
• TS 18+0600600600600600600

Toelichting:

De daling van de uitgaven TS17- vanaf 2009 houdt grotendeels verband met beleidswijzigingen. Na invoering van de gratis schoolboeken met ingang van het schooljaar 2008–2009 en de integratie TS17- in het kindgebonden budget per 1 januari 2010 vervalt de WTOS voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders met kinderen in het mbo blijft de WTOS uitkering voor een deel in stand. Hiermee gaat ook een daling van de ontvangsten TS17- gepaard. Zie verder de toelichting bij de operationele doelstelling 12.3.1.

Tabel 12.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)269 200192 400112 700108 600106 900105 900
Totaal juridisch verplicht269 200192 400112 700108 600106 900105 900
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol258 800182 000102 30098 20096 50095 500
• Juridisch verplicht258 800182 000102 30098 20096 50095 500
       
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding10 40010 40010 40010 40010 40010 400
• Juridisch verplicht10 40010 40010 40010 40010 40010 400

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WTOS. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

12.3 Operationele doelstellingen

In deze begroting is ten opzichte van de begroting 2008 de operationele beleidsdoelstelling «Beheersen schoolkosten in het vo en de bol» komen te vervallen. Voor de groep ouders met minderjarige kinderen in het voortgezet onderwijs (WTOS TS17-) verdwijnt de WTOS in de komende jaren, omdat leerlingen in het vo voortaan gratis schoolboeken ontvangen en omdat dit onderdeel van de WTOS wordt geïntegreerd in het kindgebonden budget per 1 januari 2010. In het wetsvoorstel gratis lesmateriaal(Tweede Kamer 31 325, A en 31 325, nr. 7) is een evaluatiebepaling opgenomen, waarin staat dat in 2011 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan de Tweede Kamer zal worden verstuurd over de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Hierin wordt onder meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van de kosten voor het lesmateriaal en de bijkomende schoolkosten voor ouders. Hierdoor zal de periodieke monitor van schoolkosten meelopen met de bovengenoemde evaluatie. In aanloop naar de evaluatie van de wet in 2011 zal in 2009 een voortgangsrapportage worden opgeleverd (zie ook artikel 3, operationele doelstelling «leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs»). Daarnaast zal de onderwijsinspectie in het Onderwijsverslag 2009 de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage en de naleving van artikel 27,2 WVO, waarin de vrijwillige ouderbijdrage geregeld wordt, onderzoeken.

Voor het mbo zal de WTOS voor een deel worden geïntegreerd. De schoolkostenmonitor zal nader op het mbo worden toegespitst.

12.3.1 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol

Motivering

Scholieren in het voortgezet onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) financieel in staat stellen om onderwijs te volgen.

Instrumenten

• Scholieren tot 18 jaar (TS 17-)

Een genormeerde inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de schoolkosten en de onderwijsbijdrage om minder draagkrachtige ouders bij te staan. Het betreft leerlingen waarvan het ouderlijk gezinsinkomen in 2006 maximaal circa € 31 800 bedroeg. Boven dit inkomen wordt een glijdende schaal gehanteerd en kunnen ouders in aanmerking komen voor een gedeeltelijke tegemoetkoming.

• Scholieren van 18 jaar en ouder (tot en met 30 jaar) in het voortgezet onderwijs (VO 18+)

Een inkomensafhankelijke basistoelage voor de kosten van levensonderhoud en een ouderinkomensafhankelijke toelage voor de schoolkosten (bij een gezinsinkomen in 2006 van maximaal circa € 31 800, daarboven wordt een glijdende schaal gehanteerd).

• (Deeltijd)studenten in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (TS 18+ vavo)

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor minder draagkrachtige (deeltijd)studenten in het vavo. Dit is een specifieke regeling waarvoor een beperkte groep studenten in aanmerking komt.

De IB-Groep informeert de doelgroepen over bovengenoemde regelingen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.4 Aantal gebruikers per regeling (raming)
 20062007200820092010201120122013
1. Aantal gebruikers TS 17-338 267321 760321 000329 30065 90065 10064 10063 100
• waarvan vo271 342259 789257 900262 700
• waarvan bol66 92561 97163 10066 60065 90065 10064 10063 100
2. Percentage gebruikers TS 17-        
• vo27,8%26,6%27,1%27,1%
• bol37,9%33,3%33,6%34,8%34,8%34,8%34,8%34,8%
3. Aantal gebruikers VO 18+30 52931 54934 10036 40037 20037 10037 40037 500
4. Percentage gebruikers VO 18+ overige schoolkosten30,9%30,1%29,9%30,1%30,1%29,9%29,7%29,5%
5. Aantal gebruikers TS 18+ vavo2 7521 9361 9001 9001 9001 9001 9001 900

Bron 2006 en 2007: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Voor de inkomensafhankelijke regelingen komen alleen ouders van leerlingen met een inkomen beneden de vastgestelde inkomensgrens in aanmerking. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is. Het Sociaal Cultureel Planbureau heeft in juni 2007 een onderzoeksrapport («Geld op de plank. Niet gebruik van inkomensvoorzieningen») uitgebracht naar het gebruik van diverse inkomensregelingen, waaronder ook het gebruik van de WTOS (dit onderzoek is vanwege de omvang van de groep beperkt tot de TS17-, hieronder valt bijna 90% van de WTOS ontvangers). Uit dit onderzoek blijkt dat het niet-gebruik van de WTOS op circa 37% ligt (zie SCP-rapport «Geld op de plank. Niet gebruik van inkomensvoorzieningen» d.d. 5 juni 2007, pagina 78). Ouders benutten de mogelijkheden van de WTOS niet vanwege gebrekkige kennis van de regeling en de perceptie dat men er niet voor in aanmerking komt. Met de invoering van de gratis schoolboeken wordt de bestedingsproblematiek en het niet-gebruik van de regeling aangepakt. Daarnaast wordt in het onderzoek aanbevolen om regelingen samen te voegen. De integratie van de WTOS voor ouders met kinderen van twaalf tot 18 jaar in de Wet op het Kindgebonden Budget (WKB) per 1 januari 2010 sluit hierbij aan.

De hoogte van de tegemoetkoming is genormeerd. De normbedragen voor de tegemoetkoming worden jaarlijks geïndexeerd. Met ingang van het schooljaar 2008–2009 zijn deze normbedragen voor leerlingen in het vo verlaagd in verband met de invoering van de gratis schoolboeken.

Tabel 12.5 Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS 17-) in euro’s (in schooljaar 2008/2009)*
Schoolkostenvo-onderbouwvo-bovenbouwbol
bekostigd onderwijs282,87363,07995,86
overig onderwijs594,41674,61995,86

* Het betreft de normbedragen bij een maximale tegemoetkoming, na verlaging van de tegemoetkoming in verband met gratis schoolboeken.

Tabel 12.6 Uitgaven TS17- naar onderwijssoort (x € 1 miljoen)*
 2007200820092010201120122013
vo150,8149,870,53,50,9
bol44,743,844,131,130,229,929,6
Totaal195,5193,6114,634,631,129,929,6

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel WTOS

Toelichting:

• Gratis schoolboeken

In het schooljaar 2008–2009 ontvangen alle ouders voor leerlingen in het voortgezet onderwijs een eenmalige tegemoetkoming in de schoolboeken van € 316 per leerling. Voor ouders die WTOS ontvangen wordt de maximale WTOS tegemoetkoming gekort voor deze tegemoetkoming in de schoolboeken. Het overige deel van de tegemoetkoming wordt in stand gehouden voor deze groep. In het schooljaar 2009–2010 worden de schoolboeken via de scholen om niet aan de leerlingen verstrekt. De scholen ontvangen hiervoor € 316 per leerling. De WTOS verlaging blijft dan ook van kracht.

• Integratie WTOS (TS17-) in het kindgebonden budget

In 2008 is het kindgebonden budget stapsgewijs ingevoerd. Een volgende stap in dit proces is de integratie van een deel van de WTOS (voor leerlingen tot en met 17 jaar) in het kindgebonden budget per 1 januari 2010. Voor ouders met kinderen tussen de twaalf en achttien jaar betekent deze integratie een administratieve lastenverlichting. De burger kan bij één loket terecht voor het kindgebonden budget waar de tegemoetkoming voor schoolkosten een integraal onderdeel van is. Daardoor wordt het gebruik van de regeling verruimd en zal het niet-gebruik dalen. Bovendien leidt deze integratie tot efficiencyvoordelen in de uitvoering.

De regering heeft bij de integratie van de WTOS in het kindgebonden budget rekening gehouden met het wetsvoorstel gratis lesmateriaal. Na invoering van de integrale invoering van «gratis» schoolboeken in het schooljaar 2009–2010 en de integratie van het resterende deel van deze tegemoetkoming in het kindgebonden budget, vervalt de WTOS voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders met kinderen in het mbo blijft de WTOS uitkering in stand voor het deel dat niet in het kindgebonden budget wordt geïntegreerd. Het kindgebonden budget wordt uitgevoerd door de belastingdienst; het bijbehorende begrotingsbedrag staat op de begroting van de minister van Jeugd en Gezin. Op de begroting van OCW blijft een budget bestaan voor de WTOS 17- voor het mbo.

VO 18+

De toelage voor VO18+ bestaat uit een inkomensonafhankelijke basistoelage (tabel 12.7) waar alle leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder voor in aanmerking komen. Deze wordt eventueel aangevuld met de ouderinkomensafhankelijke tegemoetkoming. De meeste leerlingen wonen nog bij hun ouders en krijgen dus een basistoelage voor thuiswonenden. Door het invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs wordt de aanvullende ouderinkomensafhankelijke toelage op jaarbasis met € 311,54 verlaagd. Deze leerlingen ontvangen in het schooljaar 2008–2009 een eenmalige tegemoetkoming van € 316 en vanaf het schooljaar 2009–2010 de schoolboeken «om niet» via de school.

Tabel 12.7 Basistoelage WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro’s (in schooljaar 2008/2009)
Basistoelage per maandvo/vso
thuiswonenden99,64
uitwonenden232,31

Raming uitgaven VO18+

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.8. Naast de uitgaven die voortvloeien uit de verstrekte tegemoetkoming worden er nog beperkt leningen verstrekt. Het niveau van de uitgaven wordt bepaald door het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder.

Tabel 12.8 Uitgaven VO18+ (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
vo/vso (gift)59,063,565,766,065,464,964,2
leningen1,90,70,70,70,70,70,7
Totaal60,964,266,466,766,165,664,9

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel WTOS

De tegemoetkoming 18+ vavo (tabel 12.9) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage. Deze tegemoetkoming is afhankelijk van het eigen inkomen en van het aantal lesminuten per week.

Tabel 12.9 normbedragen WTOS hoofdstuk V, TS18+ vavo in euro’s (in schooljaar 2008/2009)
 Lesminuten per weekvavo
Schoolkosten270 – 540 min186,56
 > 540 min276,90
Onderwijsbijdrage270 – 540 min204,80
 > 540 min307,20

Raming uitgaven TS18+ vavo

De totale uitgaven voor TS18+ vavo zijn begroot in tabel 12.10. Het niveau van de uitgaven is over de jaren constant.

Tabel 12.10 Uitgaven TS18+ vavo (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
vavo0,91,01,01,01,01,01,0

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel WTOS

12.3.2 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding

Motivering

Studenten aan de lerarenopleiding financieel in staat stellen de overstap naar het onderwijs te maken om zodoende bij te dragen aan de oplossing van het lerarentekort. Voor meer beleid ten aanzien van het lerarentekort zie artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

Instrument

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de studiekosten en/of de onderwijsbijdrage voor studenten aan de lerarenopleiding die niet in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De IB-Groep en de lerarenopleidingen brengen bovengenoemde regeling onder de aandacht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.11 Aantal gebruikers van de regeling TS 18+ tlo (raming)
 20062007200820092010201120122013
Aantal gebruikers10 8179 1479 2009 2009 2009 2009 2009 200

Bron 2006 en 2007: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel WTOS

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het gebruik van de regeling. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is.

In het najaar 2008 wordt de evaluatie van de tlo opgeleverd. Sinds 2005 wordt door middel van een beleidsregel het partnerinkomen van de tlo-aanvrager buiten beschouwing gelaten. Hierdoor komen meer potentiële leraren in aanmerking voor de tegemoetkoming. Deze beleidsregel loopt per augustus 2008 af. In afwachting van de resultaten van de evaluatie is er voor gekozen om deze situatie door middel van een Nota van wijziging te verlengen tot het studiejaar 2010–2011. Op basis van deze resultaten zal worden bezien of er een basis is om het buiten beschouwing laten van het partnerinkomen structureel in de tlo te regelen.

De tegemoetkoming voor TS18+ tlo (tabel 12.12) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage.

Tabel 12.12 Normbedragen WTOS hoofdstuk V, ts18+ tlo in euro’s (schooljaar 2008/2009)
 Ho
Schoolkosten647,16
Onderwijsbijdrage567,23

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.13.

Raming uitgaven TS18+ tlo

Tabel 12.13 Uitgaven TS18+ tlo (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
tlo10,310,410,410,410,410,410,4

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008–2013: ramingsmodel WTOS

12.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 12.14
 OnderzoekonderwerpAlgemene Doelstelling of Operationele DoelstellingA. StartB AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingWTOSAD 12A: 2007B: 2008Nog niet beschikbaar
Effectenonderzoek ex post
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie tloOD 12.3.2A: 2007B: 2008Nog niet beschikbaar

ARTIKEL 13. LESGELD

13.1 Algemene doelstelling: het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie. Maar burgers hebben ook persoonlijk profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid een bijdrage in de kosten van het onderwijs. OCW vraagt lesgeld aan de deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Deze groepen worden geacht zelf in de kosten van de bijdrage te voorzien, al dan niet met behulp van een tegemoetkoming in de bijdrage of door compensatie via de studiefinanciering.

Verantwoordelijkheid van de minister

Omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers draagt de overheid een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs. Het individu heeft echter ook profijt van scholing.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Deze zijn opgenomen in paragraaf 13.3.1.

13.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen5 8486 2726 0985 8375 1475 1745 182
– Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven5 8486 2726 0985 8375 1475 1745 182
• Uitvoeringsorganisatie IBG5 8486 2726 0985 8375 1475 1745 182
Ontvangsten lesgeld188 744190 600191 200198 100204 300210 200215 200

Toelichting:

Een specificatie van de raming van de ontvangsten is opgenomen in tabel 13.4 paragraaf 13.3 (operationele doelstellingen).

13.3 Operationele beleidsdoelstellingen

13.3.1 Vragen van een bijdrage in de kosten van het onderwijs aan deelnemers van 18 jaar en ouder

Motivering

De individuele burgers hebben persoonlijk profijt van scholing. Daarom kan aan hen een bijdrage in de kosten van onderwijs worden gevraagd.

Instrumenten

De overheid vraagt lesgeld aan deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Met ingang van schooljaar 2007–2008 is voor deelnemers die slechts een gedeelte van het schooljaar zijn ingeschreven de te betalen lesgeldtermijnen beter afgestemd op de periode waarvoor men is ingeschreven. Dit betekent dat deelnemers die later instromen (of met een geldige reden eerder uitstromen) nog meer dan voorheen verhoudingsgewijs lesgeld verschuldigd zijn naar rato van de duur van de inschrijving.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 13.2: Aantal lesgeldplichtigen (raming)
 20062007200820092010201120122013
Aantal lesgeldplichtigen193 081192 314200 900201 400201 100200 700200 100198 600

Bron 2006 en 2007: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2008–2013: referentieraming 2008/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de studerenden/leerlingen.

In de les- en cursusgeld wet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van dit lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van het lesgeld aangegeven.

Tabel 13.3: lesgeldbedrag (x € 1)
 2007/082008/092009/102010/112011/122012/132013/14
 9759931 0081 0231 0381 0541 070

Vanaf 2009/10: raming

Raming ontvangsten lesgeld

Tabel 13.4: Ontvangsten lesgeld (x € 1 miljoen)
 2007200820092010201120122013
Lesgeld188,7190,6191,2198,1204,3210,2215,2

Bron 2007: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2008 – 2013: referentieraming 2007/ramingsmodel lesgeld

13.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Voor 2009 en verder staan geen onderzoeken gepland.

ARTIKEL 14. CULTUUR

14.1 Algemene doelstelling: een bloeiend cultureel leven

Omschrijving

De overheid ondersteunt cultuur vanwege de intrinsieke waarde en de positieve maatschappelijke effecten: cultuur is cruciaal voor informatieverwerving en meningsvorming in de democratie, draagt bij aan de individuele ontplooiing van mensen en aan de economische groei.

De hoofdlijnen van het cultuurbeleid zijn vastgelegd in de nota Kunst van leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44).

Het overheidsbeleid is erop gericht positieve effecten van cultuur te bevorderen. Het beleid van OCW waarborgt zeven publieke belangen, deels verankerd in de wet op het specifiek cultuurbeleid (artikel 2). Verder zorgt OCW voor de diversiteit, de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het culturele leven en het sociale en geografische bereik van cultuur, dat wil zeggen de toegankelijkheid voor alle burgers en hun vermogen actief en passief te participeren. Verder bewaart en beschermt de overheid ons cultureel erfgoed in Nederland en in den vreemde. Welk beleidsinstrument het meest effectief is, verschilt per sector.

Om de algemene doelstelling van het cultuurbeleid te kunnen realiseren draagt het Rijk (mede) verantwoordelijkheid voor de instandhouding van zeven stelsels van onderling samenhangende wetten en regels, geldstromen en publieke voorzieningen. Dit zijn archieven, archeologie, monumenten, musea, kunsten, bibliotheken (allen artikel 14) en media (zie artikel 15). Daarnaast krijgen beleidsprioriteiten vorm in specifieke beleidsprogramma’s (zie beleidsagenda). Samenwerking met de decentrale overheden is van groot belang bij de uitvoering van het beleid. Bij de uitvoering van de verschillende beleidsprogramma’s is ook samenwerking met andere departementen en andere maatschappelijke partijen aan de orde. De Raad voor Cultuur heeft een belangrijke rol als het wettelijk onafhankelijk adviesorgaan van regering en beide Kamers. De Raad adviseert over kwaliteit, diversiteit en samenhang van het cultuurbeleid. Daarnaast worden de cultuurfondsen en instellingen die op grond van artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zijn aangewezen, gevisiteerd. Hiertoe benoemt de minister visitatiecommissies.

Bij de kwaliteitsbewaking speelt ook de erfgoedinspectie een rol.

Verantwoordelijkheid van de minister De minister is verantwoordelijk voor:

• scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen;

• bevorderen van de publieke belangstelling voor cultuuruitingen.

Het grootste gedeelte van het cultuuraanbod komt ongesubsidieerd tot stand en door particulier initiatief. De overheid staat waar mogelijk op afstand, en is pas betrokken wanneer de genoemde publieke belangen onder druk staan.

Externe factoren

Ontwikkelingen in de cultuurparticipatie zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen die de (rijks)overheid in beperkte mate kan beïnvloeden. Het Rijk levert een bijdrage via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende beleidsinspanningen in de vorm van specifieke programma’s. Naast het Rijk spelen met name gemeenten een belangrijke rol (accommodaties, ondersteuning amateurkunst en buitenschoolse kunsteducatie). De volgende externe factoren zijn van invloed op de resultaten van het cultuurbeleid:

• economische ontwikkeling (besteedbaar inkomen, beschikbare vrije tijd);

• ontwikkeling van het gemiddelde opleidingsniveau;

• condities voor creatieve bedrijvigheid (juridische en fiscale condities, omvang van de administratieve lasten);

• ontwikkelingen in de internationale verhoudingen (internationale uitwisseling);

• ontwikkelingen in de integratie- en inburgering van nieuwkomers;

• inzet van decentrale overheden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Geïndexeerde ontwikkeling trends in de cultuurparticipatie (beoefening, kunstprogramma’s radio/tv, bezoek). Gebaseerd op percentage mensen dat minimaal één maal per jaar participeerde.

Tabel 14.1 Indicatoren
 19831987199520032007*
Amateurkunst:     
Zelf theater spelen10098665851
Zelf musiceren en/of zingen100102969597
Zelf beeldende kunstmaken10097728579
Radio/tv     
Kunstprogramma’s radio/tv1001141009989
Bezoek:     
Cinema10093101118116
Populaire muziek100113138172185
Klassieke muziek100113133106107
Cabaret10097101127133
Ballet10012499115113
Beroepstoneel100102109115111
Toneel (inclusief uitvoeringen amateurtoneel)100102110111118
Monumenten100103100104104
Musea10011198107115

Bron: SCP 2008

* De cijfers voor 2007 zijn voorlopig, vooruitlopend op definitieve publicatie in 2008.

Toelichting:

Ontwikkelingen in cultuurparticipatie zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen die de (rijks)overheid in beperkte mate kan beïnvloeden. Van belang is de vaststelling dat de rijksoverheid met subsidies slechts een klein deel van de «markt» beïnvloedt. Zo is het marktaandeel van het rijks gesubsidieerd aanbod in de Nederlandse schouwburgen ongeveer 15%. Bovenstaande trendcijfers over de cultuurparticipatie zijn dan ook primair te beschouwen als kengetal.

Het rijk bevordert de cultuurparticipatie in de eerste plaats via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende specifieke beleidsprogramma’s. De cijfers wijzen op een teruggang van de actieve participatie (amateurkunst). Voor het bezoek aan cultuuruitingen geldt dat de meeste genres groei vertonen. Bij enkele genres is een lichte daling zichtbaar. De algemene beleidsinzet is dat de participatie aan cultuur minimaal gelijk blijft.

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid

14.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.2 budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen814 4542 773 421571 024560 560561 346560 4571 059 713
        
Totale uitgaven874 163965 659916 781900 586901 372900 483895 996
Programma-uitgaven816 960912 970860 749855 632857 046856 159852 897
        
Bevorderen van de deelname van de burgers aan Cultuuruitingen532 696589 876533 451529 384528 785528 784528 784
• Cultuursubsidies 2009–2012*456 199524 308482 981482 981482 981482 981482 981
– 4 jarig  88 30688 30688 30688 30688 306
  – producerend  62 35062 35062 35062 35062 350
  – niet producerend  25 95625 95625 95625 95625 956
– Langjarig  283 739283 739283 739283 739283 739
  – producerend  253 801253 801253 801253 801253 801
waarvan Musea  149 724149 724149 724149 724149 724
  – niet producerend  29 93829 93829 93829 93829 938
– Fondsen  110 936110 936110 936110 936110 936
• Verbreden inzet Cultuur76 36463 29250 19446 12745 52845 52745 527
• Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)1332 276276276276276276
        
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed190 329237 081175 102181 148184 378183 365183 372
• Subsidies Monumentenzorg71 866130 89783 16983 16983 16983 16983 169
• Archieven23 54924 20224 15724 15724 15724 15724 157
• Beelden voor de toekomst037 35523 90122 97322 04721 11920 214
• Huisvesting (Technische vervangingsinvestingen)**68 50116 90624 29025 83625 93625 65125 651
• Musea(buiten de Cultuursubsidies 2009–2012)8 3239 23013 33015 33022 33022 33022 330
• Behoud en Beheer (overig)5 6277 1754 9557 7634 8193 8194 731
• Verdrag van Malta en subsidies Archeologie12 46311 3161 3001 9201 9203 1203 120
        
Bibliotheken40 79934 64235 14235 14235 14235 14235 142
• Subsidies825      
• Provinciale vernieuwingsplannen26 96519 50019 00019 00019 00019 00019 000
• RVP blinden en slechtzienden13 00914 14214 14214 14214 14214 14214 142
• Programma leesbevordering 1 0002 0002 0002 0002 0002 000
        
Programmakosten Overig (wo Taakstelling en loon- en prijsbijstelling)25 22132 96297 66192 16391 42791 55688 287
        
Nationaal Archief27 91518 40919 39317 79517 31417 31217 312
        
Apparaatsuitgaven57 20352 68956 03244 95444 32644 32443 099
• bestuursdepartement10 76012 20910 77110 1279 2389 2389 238
• uitvoeringsdiensten46 44340 48045 26134 82735 08835 08633 861
Ontvangsten24 80446 19623 41622 52621 63820 74819 880

Toelichting

* Hier doet zich een definitiebreuk voor in de onderverdeling van de Cultuursubsidies m.i.v. 2009. Daarom zijn voor 2007 en 2008 alleen totalen vermeld.

** De huurverhoging Musea is opgenomen in cultuursubsidies 2009–2012 miv 2008.

Tabel 14.3 budgetflexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven743 695745 674748 305747 291747 298
Totaal juridisch verplicht700 402642 904643 004642 719642 719
Totaal bestuurlijk gebonden43 293102 770105 301104 572104 579
Totaal niet juridisch of bestuurlijk gebonden     
Bevorderen van de deelname van de burgers aan Cultuuruitingen533 451529 384528 785528 784528 784
Waarvan juridisch verplicht519 885519 885519 885519 885519 885
Waarvan bestuurlijk gebonden13 5669 4998 9008 8998 899
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden     
      
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed175 102181 148184 378183 365183 372
Waarvan juridisch verplicht145 375123 019123 119122 834122 834
Waarvan bestuurlijk gebonden29 72758 12961 25960 53160 538
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden     
      
Bibliotheken35 14235 14235 14235 14235 142
Waarvan juridisch verplicht35 142    
Waarvan bestuurlijk gebonden 35 14235 14235 14235 142
Waarvan niet juridisch of bestuurlijk gebonden     

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 14 cultuur enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 25 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 100 miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop van deze middelen (met uitzondering van de middelen voor het Nationaal Historisch Museum) op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd.

Voor 2009 komt € 50 miljoen uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee wordt in de volgende beleidsprioriteiten geïnvesteerd:

Tabel 14.4 Investeringen enveloppecultuur
 20092010201120122013
Mooier Nederland6,010,212,012,012,0
Participatie31,941,950,950,950,9
Sterke sector/Innovatie12,918,518,318,318,3
Totaal50,870,681,281,281,2

Toelichting:

Deze prioriteiten worden nader toegelicht bij de operationele doelstellingen.

De taakstelling (€ 50 miljoen) wordt ingevuld door een combinatie van maatregelen op terreinen waar privaat profijt is van kunst:

Tabel 14.5 Invulling taakstelling profijtbeginsel
 20092010201120122013
Cultuurproducerende instellingen5,010,010,010,010,0
Actieplan cultuurbereik13,713,713,713,713,7
Specifieke regelingen scholing en arbeidsparticipatieKunsten2,12,12,12,12,1
Digitalisering 4,85,45,45,4
Restant taakstelling uit enveloppe 4,418,818,818,8
Totaal20,835505050

Toelichting:

Een deel van de taakstelling wordt gedekt met middelen uit de cultuurenveloppe.

De invulling van de taakstelling levert in 2009 € 0,8 miljoen meer op dan nodig. Deze middelen worden gereserveerd voor de frictiekosten cultuurnota.

14.3 Operationele beleidsdoelstellingen

14.3.1 Bevorderen dat burgers deelnemen aan een kwalitatief hoogwaardig, divers en onafhankelijk aanbod van kunsten door de aanwezigheid van dit aanbod te waarborgen

Motivering

De voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven bestaan uit een vrij, kwalitatief hoogwaardig kunstleven en een brede deelname aan cultuur. Passief, als toeschouwer en actief, als beoefenaar, moeten zoveel mogelijk mensen betrokken worden bij culturele activiteiten.

Instrumenten

Basisinfrastructuur van culturele voorzieningen

De regering richt een basisinfrastructuur van culturele voorzieningen in. In de periode 2009–2012 verstrekt zij binnen deze basisinfrastructuur subsidies aan:

• Producerende instellingen (zoals theatergezelschappen, symfonieorkesten, internationale festivals, presentatie-instellingen voor beeldende kunst) zodat deze in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te verzorgen. Ook de musea vallen onder de producerende instellingen. Voor de musea wordt verder verwezen naar paragraaf 14.3.2.

• Ondersteunende instellingen zoals sectorinstituten die voor disciplines als muziek, amateurkunst en vormgeving basistaken vervullen: (inter)nationale vertegenwoordiging en promotie, educatie, informatie en reflectie, inventarisatie, waardering en ontsluiting van erfgoed, documentatie en archivering, afstemming en coördinatie.

• Cultuurfondsen (Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten, Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, Fonds voor Cultuurparticipatie, Fonds voor de Letteren, Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Mondriaan Stichting, Stimuleringsfonds voor Architectuur, Nederlands Fonds voor de Film).

Cultuursubsidies worden in de periode 2009–2012 voor het eerst volgens een nieuwe systematiek verdeeld. Deze nieuwe systematiek is ontwikkeld omdat de cultuursector en de Tweede Kamer de voorloper, de cultuurnotaprocedure, onnodig ingewikkeld en te bureaucratisch vonden. De aanpassingen (Verschil Maken, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 22 en nr. 35) maken meer flexibiliteit mogelijk. In juni 2007 keurde de Eerste Kamer de hiervoor noodzakelijke wetswijziging goed (Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 847).In de nieuwe systematiek neemt de minister directe verantwoordelijkheid voor een basisinfrastructuur. Deze basisinfrastructuur bestaat voor een deel uit instellingen die een langjarig subsidieperspectief krijgen, gecombineerd met visitatie. Het gaat dan om rijksgesubsidieerde musea, orkesten, operagezelschappen, grote dansgezelschappen en sectorinstituten. Het overige deel van de basisinfrastructuur bestaat uit instellingen die een vierjaarlijkse subsidie ontvangen. Het gaat dan onder andere om theatergezelschappen, internationale festivals en presentatie-instellingen voor beeldende kunst. De nota Kunst van leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44) beschrijft de functies binnen de basisinfrastructuur.

Instellingen die geen subsidie binnen de basisinfrastructuur ontvangen kunnen subsidie aanvragen bij de cultuurfondsen. In de nieuwe systematiek kunnen fondsen naast projectsubsidies ook vierjarige subsidies verstrekken. In 2008 is door fusie van een aantal podiumkunstfondsen het nieuwe Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten ontstaan. Voor alle disciplines in de podiumkunsten is er nu één loket. Ook zijn in 2008 in overleg met gemeenten en provincies verdere stappen voor de oprichting van het Fonds voor Cultuurparticipatie genomen. Dit fonds is in 2009 operationeel.

Overige instrumenten

• Geldstroom beeldende kunst en vormgeving

De huidige geldstroom beeldende kunst en vormgeving loopt eind 2008 af. De brief beleid beeldende kunst(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 989, nr. 61) bevat voorstellen voor een andere inzet van deze middelen met ingang van 2009. Doel van de maatregelen is een versterking van de relatie tussen productie en presentatie van het beeldend kunstaanbod en tussen aanbod en publiek. Het kabinet gaat uit van de kracht van gemeenten door van het rijksbudget voor hedendaagse beeldende kunst € 13,3 miljoen over te hevelen naar 35 steden. Een investering van € 2,5 miljoen in een landelijk gespreid netwerk van presentatie-instellingen geeft een impuls aan de ontwikkeling en presentatie van hedendaagse beeldende kunst.

• Participatie

De programma’s «Cultuur en School» en het «Actieplan Cultuurbereik» krijgen in 2009 een vervolg in het tienpuntenplan cultuurparticipatie(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44, H. 1.3), onder meer door de oprichting van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Het fonds versterkt de positie van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur. Verder komt er met ingang van het schooljaar 2008–2009 een cultuurkaart voor alle circa 900 000 scholieren in het voortgezet onderwijs. Aan de kaart is een tegoed gekoppeld van € 15 dat kan worden besteed aan culturele activiteiten. Daarnaast start het programma leesbevordering «Kunst van Lezen»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 161).

• Een sterke sector

De commissie cultuurprofijt heeft in 2008 zijn advies Meer draagvlak voor cultuur(www.cultuurprofijt.nl)uitgebracht. Het advies bevat voorstellen om het financieel en maatschappelijk draagvlak van culturele instellingen te vergroten. In zijn reactie op het advies(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 989, nr. 80) heeft de minister van OCW aangegeven het advies op hoofdlijnen te zullen volgen. In 2009 werkt hij de voorstellen van de commissie in overleg met de sector uit tot concrete maatregelen.

• Internationaal cultuurbeleid en ruimte voor de top

Internationaal cultuurbeleid vormt een integraal onderdeel van het nationaal cultuurbeleid. Net als voor wetenschappers is voor kunstenaars spiegeling aan en inspiratie door het buitenland vanzelfsprekend. Bij internationaal cultuurbeleid draait het niet alleen om export, om vergroting van het eigen afzetgebied. Het gaat ook om internationale uitwisseling, om ontmoetingen, om een internationale programmering in Nederland. De regering zet gericht in op sectoren waarin Nederland internationaal sterk staat, zoals architectuur en vormgeving. Met de Vermeerprijs kunnen kunstenaars met uitzonderlijke prestaties hun talent verder ontwikkelen, bijvoorbeeld door internationale topopleidingen te volgen of speciale projecten op te zetten. De prijs wordt in 2009 voor het eerst uitgereikt.

• Innovatie

Eén van de accenten in de nota «Kunst van Leven» is innovatie. Het gaat daarbij aan de ene kant om nieuwe kansen voor kunsten, erfgoed, bibliotheken en media, die voortkomen uit digitale technologie, en aan de andere kant om de bijdrage van creatieve bedrijfstakken aan de innovatieve kracht van Nederland. Het potentieel van creativiteit en digitalisering wordt beter benut door meer samenhang te scheppen, binnen en buiten de culturele sector. Dit is de strekking van de adviezen van de commissie cultuurprofijt in zijn advies «Meer draagvlak voor cultuur». Een landelijke digitale infrastructuur voor de cultureel erfgoedsector wordt duurzaam ontwikkeld met behulp van subsidies, programma’s en stimuleringsmaatregelen. Belangrijke speerpunten zijn de digitalisering en ontsluiting van (audiovisuele) collecties en archiefstukken en een betere dienstverlening, in lijn met de ontwikkeling van de in Nederland gehuisveste Europese digitale bibliotheek, Europeana. Ook wordt geïnvesteerd in toegepast ict-onderzoek gericht op ontsluiting en presentatie van collecties, gezamenlijk uitgevoerd door kennisinstellingen en erfgoedinstellingen. Ook het SCP doet onderzoek naar het gebruik van het digitale culturele aanbod. Er is aandacht voor vraagstukken rond digitale duurzaamheid en auteursrecht. Met het Programma voor de Creatieve Industrie bevorderen OCW en EZ de economische benutting van cultuur en creativiteit. Speerpunten zijn innovatie en ondernemerschap, de toegang tot kapitaal, marktontwikkeling, met name internationaal, de ontwikkeling van creatieve clusters en een zorgvuldige benutting van intellectueel eigendom. Tenslotte wordt geïnvesteerd in nieuwe media als kunstvorm, en in e-cultuurinstellingen die zich richten op talentontwikkeling, sectoroverstijgend experiment, onderzoek en vernieuwing: de zogenoemde «ontwikkelfunctie».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.6 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2006waarde 2007Streefwaarde 2009
1. Uitvoeringen gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)17 00217 36916 500
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
2. Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)4 058 6894 029 5184 000 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
3. Aantal Nederlandse Filmproducties292020–25
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB) 07-01-2008 
4. Marktaandeel publiek Nederlandse Film11%14%12%
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB) 07-01-2008 
5. Percentage verzilverde waarde cultuurkaart70%
Bron: uitvoerder cultuurkaart   
6. Culturele diversiteit: percentage bestuurders met cultureel diverse achtergrond 13,5% (2003) 15,1% 15%
Bron: RISBO, mei 2008   
7. ICB: aantal Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland2 2332 1582000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
8. ICB: aantal bezoeken aan Nederlandse uitvoeringen podiumkunstenin het buitenland856 331698 117650 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   

Toelichting:

• Podiumkunsten (1,2): De vermelde aantallen hebben uitsluitend betrekking op de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen in binnen- en buitenland. Vanaf 2009 worden in het overzicht ook de cijfers opgenomen van instellingen die een 4-jarig subsidie ontvangen van het NFPK+. Mede als gevolg van het selectiebeleid bij het fonds wordt een lichte daling van het aantal voorstellingen verwacht.

• Cultuurkaart (5): De indicator «besteding cultuurkaart» is het percentage van de rechten die de cultuurkaart geeft, dat daadwerkelijk verzilverd wordt. Streefwaarde 2009 gaat om schooljaar 2008/2009, dus het eerste schooljaar dat de cultuurkaart wordt ingevoerd.

• Culturele diversiteit (6). Een bestuur is cultureel divers als er ten minste één lid van bestuur of raad van toezicht van migranten origine is (westers en niet-westers tezamen, naar de definitie van het CBS).

• Internationaal cultuurbeleid (7,8): Het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen van gezelschappen, ensembles en orkesten (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen).

14.3.2 Bevorderen dat burgers kennisnemen van het culturele erfgoed door het te behouden, te beheren en te ontsluiten

Motivering

De komende jaren wordt een aantal acties in gang gezet om het bereik van cultureel erfgoed in Nederland te vergroten. De musea worden gratis toegankelijk gemaakt voor kinderen tot en met 12 jaar. Om hiervan een succes te maken zullen deze musea tevens aantrekkelijker gemaakt worden, ook voor het onderwijs. Er zal dan ook geïnvesteerd worden in vernieuwingen en dan vooral in vernieuwingen van de educatieve programma’s.

Ten tweede wordt in Arnhem een Nationaal Historisch Museum opgericht, dat als doel heeft om het historisch besef bij een breed publiek te vergroten. Het Nationaal Historisch Museum zal een overzicht geven van de Nederlandse geschiedenis op basis van de canon. Voor het Nationaal Historisch Museum is in 2009 een rijksbijdrage van € 3 miljoen beschikbaar, oplopend tot € 12 miljoen in 2011 en verder.

Cultureel erfgoed (in de vorm van monumenten, cultuurlandschap en archeologie) en eigentijdse cultureel gedreven ontwerpprestaties (architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur), dragen wezenlijk bij aan de ruimtelijke kwaliteit van Nederland: mooi, functioneel en duurzaam. We willen het eigentijds ontwerp en de zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed structureel versterken in het ruimtelijk relevant beleid en bij de uitvoering van rijksprojecten en programma’s. Dit krijgt zijn beslag in de uitvoering van de interdepartementale nota Een Cultuur van Ontwerpen; Visie Architectuur en Ruimtelijk Ontwerp (2008), de modernisering van de monumentenzorg en in de verdere verankering van het belvederebeleid (2000–2009) bij publieke en private partijen. In het kader van het architectuurbeleid worden middelen uitgetrokken voor het versterken van de stedenbouw en het regionaal ontwerp (€ 0,5 miljoen in 2009 en 2 miljoen euro in 2010–2012), herbestemming en herontwikkeling van karakteristieke architectuur met een kennisprogramma en een impuls in de krachtwijken (€ 0,4 miljoen in 2009, € 0,65 miljoen in 2010 en € 2,0 miljoen in 2011 en 2012) en een laboratorium particulier opdrachtgeverschap (€ 0,3 miljoen in 2009 en € 0,75 miljoen in 2010). De Tweede Kamer wordt voor 1 januari 2009 geïnformeerd over de toekomst van het Belvederebeleid na 2009.

Behoud van monumentaal erfgoed blijft de aandacht vragen. Met het onderzoeksrapport «rapportage onderzoek naar de achterstand bij rijksmonumenten» van het bureau PRC(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 65) is gerapporteerd over de toestand van de rijksmonumenten. Daaruit bleek dat de categorie kerkgebouwen verreweg de grootste subsidiebehoefte heeft en dat het huidige budget van het BRIM (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten) daar niet op berekend is. In lijn met het regeerakkoord is het structurele subsidiebudget BRIM met de enveloppemiddelen verhoogd met een bedrag van € 2 miljoen in het jaar 2009 oplopend tot indicatief € 4 miljoen structureel vanaf het jaar 2011.

Door de Tweede Kamer is in het verleden aandacht gevraagd voor de zogenaamde groene monumenten. Deze rijksmonumenten (parken, buitenplaatsen enz.) zijn wel beschermd maar kunnen geen aanspraak maken op subsidie. Daardoor is bij deze categorie rijksmonumenten sprake van ernstig verval. De groene monumenten krijgen daarom toegang tot het BRIM. Hetzelfde geldt voor de archeologische monumenten, wel beschermd maar niet beheerd, met als gevolg degradatie van belangrijk erfgoed. In de enveloppemiddelen is een budget gereserveerd van € 1 miljoen in 2009 oplopend tot indicatief € 4 miljoen structureel vanaf 2011.

Tenslotte wordt er in de periode 2008–2011 geld uitgetrokken voor ondersteuning van de monumentenzorg op de Nederlandse Antillen. Hiervoor is met het Nationaal Restauratiefonds een apart revolving fund opgericht. In de enveloppemiddelen is voor de genoemde periode een bedrag van jaarlijks € 2 miljoen gereserveerd.

Het borgen van de kwaliteit van de Nederlandse archieven is de doelstelling van het archiefbeleid van OCW. Voor archieven is in 2009 € 22 miljoen begroot, dit is exclusief de bekostiging van het Nationaal Archief, een agentschap van OCW (zie onder hoofdstuk 6.2 van de begroting OCW). Sinds 2002 zijn door archiefinstellingen stappen gezet op het gebied van publiekstoegankelijkheid, onder andere door digitalisering en de vorming van de regionale historische centra.

In elf provincies is door een fusie van het rijksarchief van de betreffende provincie met andere cultuurhistorische instellingen een regionaal historisch centrum (RHC) ontstaan. De hoogte van de bijdragen aan de RHC’s is vastgelegd in de instellingsbesluiten voor de «gemeenschappelijke regelingen» die ten grondslag liggen aan de RHC’s. Vernieuwing en verbetering van de toegankelijkheid is nodig om het bereik te vergroten. Ook de Taskforce Archieven, een tijdelijke organisatie met als partners het Nationaal Archief, Erfgoed Nederland en IPO en VNG, speelt een belangrijke rol bij het beter digitaal toegankelijk maken van archieven.

Het monumentenbeleid wordt uitgevoerd op basis van de Monumentenwet 1988 en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (BRIM). Kern van de subsidieregeling is het wegnemen van het onderscheid tussen onderhoud en herstel en ervoor zorgen dat voor monumenten een zesjarig instandhoudingsplan wordt gemaakt. De regeling wordt in 2008 geëvalueerd. Het resultaat van de evaluatie zal in het najaar aan de Tweede Kamer worden toegezonden. Het kabinetsbeleid is sinds 1994 gericht op het inhalen van achterstanden. De plannen voor de modernisering van de monumentenzorg en de financiering daarvan worden begin 2009 aan de Tweede Kamer voorgelegd.

De wet op de archeologische monumentenzorg, waarmee het Verdrag van Valletta (Malta) in Nederland is ingevoerd, is per 1 september 2007 in werking getreden(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 259, nr. 33). De wet is gericht op de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem en de inpassing van erfgoed in ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom is er geld vanuit het Rijk overgeheveld naar gemeenten met ingang van 1 januari 2008. Dit is vastgelegd in het bestuursakkoord met de VNG (juni 2007).

Aan 26 musea worden subsidies verstrekt zodat zij doorlopend in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te garanderen. En zoals hiervoor vermeld wordt er geïnvesteerd in vernieuwingen, met name in educatieve activiteiten voor scholen.

Het nieuwe museale beleid biedt een helder kader voor de musea, opdat zij hun rol in de veranderende samenleving kunnen vervullen. De kern van de museale strategie vormt continuïteit in en beweging van de museale sector. (nota «Bewaren om teweeg te brengen»,Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 27 en de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 33). In het kader van de «herijking cultuurnotasystematiek» (Verschil Maken) is de bekostiging van de museumsector herzien (zie 14.3.1 basisinfrastructuur).

Het project Beelden voor de Toekomst heeft tot doel om belangrijke delen uit de audiovisuele collecties van Beeld en Geluid, het Filmmuseum en het Nationaal Archief te conserveren en te digitaliseren en vervolgens beschikbaar te maken voor het algemeen publiek, de creatieve industrie en voor educatieve doeleinden. Vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) heeft het kabinet een bijdrage van € 154 miljoen beschikbaar gesteld. Van het project zijn in de periode 2014–2025 baten te verwachten tot een bedrag van € 64 miljoen die terugvloeien naar het FES. De verwachte ontvangsten zullen betrekking hebben op de verkoop en levering van audiovisueel materiaal, op betalingen voor auteursrechten en het gebruik van het audiovisueel materiaal door themakanalen en andere commerciële partijen.

Instrumenten

Archieven

• bekostiging Regionale Historische Centra;

• selectie van over te dragen archiefmateriaal;

• conserveren van archiefmateriaal;

• toegankelijk maken van archieven voor de gebruiker.

Mooier Nederland

• visie architectuur en ruimtelijk ontwerp (2009–2012);

• evaluatie Belvederebeleid (2008);

• verantwoording actieprogramma «Ruimte en Cultuur» (2008).

Monumenten en archeologie

• het beperkt aanwijzen van (archeologische) monumenten door Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM);

• het adviseren van lokale overheden door RACM;

• subsidie woonhuisrestauraties via het revolving fund van het Nationaal Restauratiefonds (NRF);

• subsidie instandhouding overige monumenten (geen woonhuizen) door RACM;

• beschikbaar stellen van hoogwaardige kennis door RACM;

• ondersteuning instituut Erfgoed Nederland.

Musea

• subsidie meerjarig, en visitatie (subsidieplan) van 26 musea;

• incidentele subsidies en vernieuwingsmiddelen;

• beschikbaar stellen van kennis;

• Nationaal Historisch Museum.

Beelden voor de Toekomst

• subsidies ten behoeve van conservering en digitalisering.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.7 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeStreefwaarde peildatum 1Streefwaarde peildatum 2
Aantal monumentenmet een restauratie-achterstand33%17,1%10%
Bron: RACM200520072010
Percentage van de bevolking dat eens in de 12 maanden een bezoek brengt aan een archief2,9%3%4%
Bron: SCP199520072008
Percentage beschikbaar materiaal Nationaal Archief van het totaalTotaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%
Bron: Nationaal Archief200720082009
Aantal bezoekers rijksgesubsidieerde musea5,2 miljoen 6,0 miljoen
Bron: SCP2007 2009
Aantal 0–12 jarigen dat jaarlijks een museum bezoekt Nog te bepalenNog te bepalen
Bron: nog te bepalen 20082011
Aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten12 94912 69012 700
Bron: RACM200520062009
Beelden voor de Toekomst   
uren video078 400137 200
uren audio070 800123 900
uren film012 86322 510
aantal foto’s01 657 1432 900 000
Bron: jaarverslag consortium Beelden voor de Toekomst200720102013

Toelichting:

Monumenten

Niet alle kosten voor restauratie komen voor subsidie in aanmerking. De rijksbijdrage aan de restauraties van rijksmonumenten bedraagt de afgelopen jaren circa 50 procent van de subsidiabele kosten.

Archieven

Het aanbod van het Nationaal Archief en de regionale historische centra groeit jaarlijks door het overdragen van archiefmateriaal. Het percentage beschikbaar materiaal zegt iets over de toegankelijkheid van de archieven. Het streven is dit percentage tenminste constant te houden.

Musea

Het aantal bezoeken aan rijksgesubsidieerde musea is een onderdeel van de prestatieafspraken die met de betreffende musea worden gemaakt. Gezien de andere functies die een museum heeft, naast de publieksfunctie, geeft dit slechts een beperkt beeld van de prestaties van musea.

In 2011 is het aantal bezoeken van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar met 30% toegenomen ten opzichte van 2008. Om de bezoeken van 0–12-jarigen te volgen wordt in 2008 een nulmeting opgezet. Op basis van deze nulmeting zal het streefpercentage in de begroting 2009 definitief worden vastgesteld.

Archeologie

In het licht van de doelstelling om het bodemarchief te behouden zal het aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten de komende jaren qua streefwaarde in ieder geval hetzelfde aantal moeten bedragen als in 2006. In welke mate dit aantal feitelijk toe- of afneemt is moeilijk te zeggen. Dit hangt enerzijds sterk af van het aantal nieuwe archeologische monumenten dat wordt gevonden en anderzijds van de noodzaak c.q. onvermijdelijkheid tot opgraving van deze monumenten.

Beelden voor de Toekomst

Jaarlijks zal het Consortium Beelden voor de Toekomst in het jaarverslag een opgave doen van het aantal uren materiaal dat is geconserveerd en gedigitaliseerd.

14.3.3 Mensen toegang bieden tot een kwalitatief hoogwaardig, multimediaal toegankelijk stelsel van openbare bibliotheken

Motivering

De vernieuwing van de openbare bibliotheken tot een centrale, actuele publieke voorziening in de kennissamenleving draagt bij tot een bloeiend cultureel leven. De bibliotheekvernieuwing is in de afgelopen jaren op twee manieren gebeurd:

• Inhoudelijke vernieuwing van bibliotheekdiensten (onder andere via ICT), c.q. van de informatieve educatieve en culturele kernfuncties;

• Stelselversterking: bestuurlijke schaalvergroting & netwerkvorming, uitbouw van kwaliteitszorg (INK) en het HRM-beleid, herpositionering ondersteunende instellingen op provinciaal niveau (PSO’s).

In 2008 loopt de eerste fase van de vernieuwingsoperatie (2002–2008) bij de openbare bibliotheken ten einde. In overleg met de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 330, nr. 26), IPO en VNG is besloten tot voortzetting van de vernieuwingsoperatie, omdat de drie overheidslagen het grote sociaal-culturele belang van de openbare bibliotheek blijvend onderschrijven. In de tweede fase (2009–2012) zal het accent sterk op de inhoudelijke vernieuwing komen te liggen. Over de opzet van de operatie in de periode 2009–2012 wordt najaar 2008 besloten, waarover de Kamer aansluitend geïnformeerd zal worden. Deze besluitvorming is onder andere gebaseerd op een aantal rapportages. Het betreft onder meer de eindrapportage van de «stuurgroep bibliotheken» (inclusief een onderzoek van het SCP naar de toekomst van de bibliotheek in 2015) en adviezen van de Raad voor Cultuur over de bibliotheekvernieuwing 2009–2012. Verdere ontwikkeling van de landelijke digitale bibliotheek vormt vrijwel zeker een prioriteit.

Instrumenten

• subsidies:

– subsidie aan de VOB voor het uitvoeren van de besteltaken;

– subsidies voor de bibliotheekinnovatie;

– subsidies voor leesvoorziening blinden en slechtzienden.

• monitoring en evaluatie van processen en instellingen.

• bestuurlijk overleg en daaruit voortvloeiende afspraken met IPO en VNG.

Keuzes omtrent de instrumentatie zijn verder afhankelijk van bovengenoemde besluitvorming; de «stuurgroep bibliotheken» en de Raad voor Cultuur adviseren een platform voor bibliotheekinnovatie.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.8 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2007
Loket aangepast lezen – aantal ingeschreven lezers31 165
Bron: VOB 
Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur brailletitels6 819
Bron: VOB 
Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur gesproken boeken1 037 858
Bron: VOB 

Toelichting:

Sinds de integratie van de blindenbibliotheken in het stelsel van openbare bibliotheken zijn omtrent het gebruik van deze voorziening (landelijk loket aangepast lezen) goede gebruiksindicatoren beschikbaar. De belangrijkste hiervan worden hier gepresenteerd. Omdat op deze indicatoren niet is te sturen zijn hiervoor geen streefwaarden opgenomen.

14.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 14.9 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Effectenonderzoek ex postEvaluatie van het Besluit rijks- subsidiëring instandhouding Monumenten (BRIM)OD (14.3.2)2009 
Overig evaluatieonderzoekInternationale positie van de Nederlandse cultuur (i.c. DMA)OD (14.3.1)20082009 
 Evaluatie aanvraag-procedure Verschil MakenOD (14.3.1)2009 
 Onderzoek arbeidsmarkt alumni kunstvakonderwijs OD (14.3.1)20082009 

ARTIKEL 15. MEDIA

15.1 Een divers media-aanbod

Omschrijving

Het mediabeleid van de overheid richt zich op radio, kranten, opiniebladen, journalistieke en culturele uitingen via internet en, uiteraard, televisie. Deze media spelen een prominente rol in de samenleving. Media zijn een bron van kennis en informatie, het zijn podia voor het democratisch debat. Media geven onze cultuur vorm, zowel in internationaal perspectief, als nationaal, lokaal en binnen groepen met een bepaald levensbeschouwelijk of maatschappelijk interessegebied. Tenslotte zijn media dragers van kunst en vermaak: verhalen, drama, muziek, documentaires, enzovoorts.

Omdat media bovengenoemde democratische en culturele functies vervullen, is het belangrijk dat media redactioneel onafhankelijk zijn van overheden, culturele instellingen, bedrijven en andere belangenpartijen. Cruciaal is ook dat media de diversiteit aan opvattingen en interesses binnen de bevolking weerspiegelen en dat zij kwaliteit hoog in het vaandel dragen. Tot slot moet dit diverse media-aanbod onder handbereik zijn voor iedereen, jong en oud, stad en land, rijk en arm. Deze vier publieke belangen – onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid – waarborgt de overheid.

Het merendeel van het media-aanbod komt op de markt tot stand, maar de bovengenoemde publieke belangen zijn daarbij niet vanzelfsprekend verzekerd. Zelfs nu door digitalisering het aantal distributiekanalen toeneemt, blijft «publieke» audiovisuele programmering («content») schaars. Bovendien is op veel deelmarkten sprake van concentratie van marktmacht in handen van enkele mediabedrijven. Dit is een risico voor de verscheidenheid en de toegankelijkheid van het aanbod en daarom intervenieert de overheid. Ook beschermt de overheid burgers, in het bijzonder minderjarigen, tegen mogelijke schadelijke effecten van media.

Om effect te sorteren, strekt het mediabeleid zich uit over de volle breedte van het medialandschap. Grofweg valt het beleid in zeven onderdelen uiteen:

1. Financiering en wetgeving voor publieke omroepen. De rijksoverheid financiert de landelijke publieke omroep; provincies de regionale omroepen en gemeenten de lokale omroepen. Voor alle publieke omroepen stelt de Mediawet globale eisen aan de organisatie en aan het programma-aanbod.

2. Wetgeving voor commerciële omroep. Eisen aan commerciële radio hangen samen met de uitgifte van etherfrequenties. Eisen aan commerciële televisie vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen op het gebied van audiovisuele media en interne markt en gaan onder andere over reclame en bescherming van minderjarigen, en over het aandeel Europees en onafhankelijk product. Dit laatste geldt overigens voor alle omroepen, net als regels over ondertiteling voor doven en slechthorenden.

3. Wet- en regelgeving voor de distributie van elektronische media. De Mediawet regelt onder meer de verplichte doorgifte van publieke kanalen via de kabel en inspraak van burgers bij de samenstelling van het basispakket. Ook de Telecommunicatiewet bevat bepalingen die relevant zijn voor (elektronische) mediadistributie, zoals toezicht op tarieven en de openheid van netwerken voor derden.

4. Financiële steun voor dagbladen, voor opinieweekbladen en voor journalistiek en meningsvorming op internet. Hiervoor bestaan de subsidieregelingen van het Stimuleringsfonds voor de Pers en van Stichting Kennisland (Digitale Pioniers).

5. Wetgeving die concentratie op mediamarkten tegengaat.

6. Aanmoedigen van zelfregulering door media. Voorbeelden zijn de Kijkwijzer van het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), de Reclame Code en de Raad voor Journalistiek. De Mediawet verplicht publieke en commerciële omroepen die mogelijk schadelijk materiaal willen uitzenden zich aan te sluiten bij het NICAM en de Nederlandse Reclame Code. Voor het overige is deelname aan zelfregulering vrijwillig.

7. Bescherming en educatie van mediagebruikers, in het bijzonder jongeren en hun ouders.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister van OCW heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de wet- en regelgeving op dat terrein. Hij is tevens verantwoordelijk voor de financiering van de landelijke publieke omroep, de wereldomroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. Sinds 1 januari 2006 is de verantwoordelijkheid voor de financiering van de regionale omroep overgedragen aan de provincies. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van lokale omroep. De minister van OCW is verder verantwoordelijk voor het Stimuleringsfonds voor de Pers, dat steun verleent aan dagbladen, opinieweekbladen en internetjournalistiek. Ook is hij verantwoordelijk voor tijdelijke subsidies aan diverse non-profit initiatieven op het terrein van de media (uit het budget subsidies mediabeleid).

De minister van OCW is tot slot verantwoordelijk voor naleving van de Mediawet en het Mediabesluit door de diverse publieke en commerciële media. Het toezicht op de naleving wordt uitgevoerd door het Commissariaat voor de Media.

De minister van OCW is, afgezien van naleving van de Mediawet, niet verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van het media-aanbod. Dat zijn de omroepen, de pers en andere aanbieders zelf. Op deze manier is redactionele onafhankelijkheid van media tegenover de overheid beschermd.

Externe factoren

Het Nederlandse overheidsbeleid is slechts één van de factoren die het medialandschap beïnvloeden. Andere belangrijke invloeden zijn technologische innovaties, met name op het gebied van digitalisering, Europese regels en aanbevelingen, economische trends als diversificatie en concentratie van mediabedrijven en veranderingen binnen de reclamemarkt. Daar komt nog bij dat de wijze waarop mensen met media omgaan ook ingrijpend verandert, om tal van redenen. Vanwege deze veelheid aan invloeden kan de overheid slechts verantwoordelijkheid dragen voor het systeem van financiering en regulering van media. De overheid is niet verantwoordelijk voor de uitkomst: het aanbod en het gebruik van media. Dit geldt eens te meer omdat de overheid zich niet mengt in de inhoud, in verband met de vrijheid van meningsuiting (neergelegd in artikel 7 van de Grondwet). In het vervolg van deze begroting zijn niettemin gegevens opgenomen over aanbod en gebruik van media. Zoals aangegeven kunnen deze niet als een direct gevolg van het mediabeleid beschouwd worden. Ze geven wel een indicatie of de doelen van dit beleid gerealiseerd worden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 15.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2007Streefwaarde peildatum 1
1a. Aantal Nederlandstalige televisiekanalen1919p.m.
1b. Aantal Nederlandstalige radiokanalen2120p.m.
Bron: Commissariaat voor de media (monitormediaconcentratie)2005  
2. Bereik landelijke publieke televisie 85% 85%
Bron: Stichting Kijkonderzoek2003  
3. Aantal redactioneel zelfstandige dagbladen2422p.m.
Bron: Persmediamonitor2006  
4. Dagbladconcentraties (maximum % oplagemarkt)33%27%35% (Max)
Bron: HOI-online.nl2006 2009
5. Distributie elektronische media in huishoudens   
– % met kabelaansluiting88,5%86%p.m.
– % digitale kabel 18%p.m.
– % digitale ether3,7%5%p.m.
– % satelliet10,1%11%p.m.
– % IPTV (televisie via internet)1,7%2%p.m.
Bron:TNO2006  

Toelichting:

1. Het aantal radio- en televisiekanalen voor het Nederlandse publiek is een grove indicator voor de diversiteit van de audiovisuele media. In dit overzicht staan de landelijke algemene zenders, met uitzondering van digitale themakanalen.

2. Het maatschappelijke effect van de publieke omroep hangt mede af van het aantal mensen dat kijkt en/of luistert. Gezien de vele commerciële alternatieven en de digitalisering zijn marktaandelen van de publieke radio en televisiezenders hiervoor een minder goede indicator. In plaats daarvan is het weekbereik genomen: het percentage mensen (boven de 6 jaar) dat per week minimaal 15 minuten aaneengesloten heeft gekeken naar de publieke televisie. Gezien de ontwikkelingen binnen de media is een hogere streefwaarde dan de huidige realisatiewaarde niet reëel. Deze streefwaarde maakt onderdeel uit van de prestatieovereenkomst 2008–2010 tussen de landelijke publieke omroep en de minister van OCW.

3. Het aantal redactioneel zelfstandige kranten is een grove indicator voor de diversiteit van de pers. Na de fusie van het Algemeen Dagblad met 7 regionale dagbladen is het aantal titels gedaald naar 22 in 2007. Voor de streef- en realisatiewaarden worden de gratis kranten niet meegeteld.

4. Om diversiteit van de meningsvorming te beschermen, gaat wetgeving mediaconcentratie (door fusies en overnames) tegen. Hiertoe mag het marktaandeel per dagbladonderneming na overname(s) nooit meer dan 35% bedragen. In 2007 had de grootste uitgever een marktaandeel van 27%.

5. Concurrentie tussen en op distributienetwerken is gunstig voor toegankelijkheid: zowel eindgebruikers als aanbieders van inhoud hebben meer te kiezen en de prijzen voor distributie worden doorgaans lager. In 2007 is de kabel nog steeds het dominante netwerk voor de distributie van televisie en ether het belangrijkst voor radio.

15.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15x (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen886 708881 561867 091885 892874 226878 633883 881
Programma-uitgaven783 452868 377867 837886 638874 972879 379883 881
        
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod776 998863 278863 491882 292872 628877 035881 537
• Financiering publieke omroep760 984846 434846 559865 360855 696860 103864 605
• Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties16 01416 84416 93216 93216 93216 93216 932
        
Programmakosten overig6 4545 0994 3464 3462 3442 3442 344
• Overige uitgaven (geen Mediawet)6 4545 0994 3464 3462 3442 3442 344
Ontvangsten251 225240 787231 634235 970197 718197 718197 718

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 15 Media enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 50 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 100 miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd. Voor 2009 komt € 50 miljoen uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee wordt de volgende maatregel voorzien:

• herstel van de programmering van de landelijke publieke omroep en dekking van de tekorten op hun begroting (zie OD 1 «Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod»)

Deze maatregel wordt nader toegelicht bij de operationele doelstellingen

Tabel 15.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal opererationele doelstellingen)863 491882 292872 628877 035881 537
Totaal juridisch verplicht863 491882 292872 628877 035881 537
Totaal bestuurlijk gebonden00000
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod863 491882 292872 628877 035881 537
• Juridisch verplicht863 491882 292872 628877 035881 537
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

15.3 Operationele beleidsdoelstelling

15.3.1 Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod.

Motivering

Uitgaand van het algemene doel van mediabeleid, legt het kabinet de komende jaren het accent op drie terreinen.

Ten eerste bevordert het kabinet goede en gevarieerde radio en televisie. Hier ligt vooral een taak voor de landelijke publieke omroep. Hij krijgt meer geld, er komen nieuwe spelregels voor zijn multimediale taak, de raad van bestuur behoudt de regie en de regels voor erkenning van omroepen veranderen. Commerciële televisie zal profiteren van een soepeler reclameregime. Daartegenover staat een verbod op het uitzenden van alcoholreclame op radio en televisie tussen 6.00 uur en 21.00 uur, met het oog op minderjarigen.

Ten tweede wil het kabinet bijdragen aan een levendig journalistiek klimaat. Steun voor de geschreven pers is daarbij niet het enige instrument. Het gaat ook om stimulansen voor kwaliteit van journalistiek via radio, televisie en internet.

Ten derde hecht het kabinet er aan dat de jeugd bewust omgaat met media. Het gaat dan zowel om het positieve gebruik van media – voor informatie, discussie en expressie – als om weerbaarheid tegenover mogelijk schadelijke inhoud. Dit vergt ook deelname van mediaorganisaties aan de Kijkwijzer en zelfregulering via gedragscodes.

Instrumenten

Publieke omroep

• De publieke omroep wordt vanuit de mediabegroting gefinancierd. Vanaf 2008 is de rijksomroepbijdrage structureel verhoogd met € 50 miljoen. Dit bedrag is bestemd voor het herstel van de programmering van de landelijke publieke omroep en voor de dekking van de tekorten op hun begroting. Vanaf 2011 is er eveneens € 50 miljoen gereserveerd om de rijksomroepbijdrage op te kunnen hogen. Deze middelen zijn bestemd voor de kwaliteit en vernieuwing van het aanbod. Er komt een bedrag van € 15 miljoen beschikbaar voor Nederlands drama. Deze toename tot indicatief € 100 miljoen is verder voor de crossmediale programmaontwikkeling en verbetering van het bereik onder jeugd en jongeren.

• De minister van OCW heeft voor de periode 2008–2010 meerjarige afspraken over de prestaties van de landelijke publieke omroep gemaakt (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 36). Daaronder vallen afspraken over de besteding van de extra middelen en cultureel aanbod.

• In 2008 zijn er nieuwe spelregels voor de multimediale activiteiten van de publieke omroep bijgekomen, die ook gelden voor lokale en regionale omroepen. De nieuwe Mediawet 20.. die dit regelt is in behandeling bij de Eerste Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 356 VIII, nr. 2)

• Het jaar 2008 stond in het teken van de uitwerking van de Erkenningswet. Deze wet verandert de regels voor erkenning en financiering van de afzonderlijke omroepen, die samen de landelijke publieke omroep vormen. Voor 2009 moet de behandeling van deze Erkenningswet zijn afgerond. Met mijn brief van 29 april 2008 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de varianten voor de financiering van de omroepen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 174).

• Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties bevordert de ontwikkeling en productie van artistiek hoogwaardige culturele programma’s van de publieke landelijke en regionale omroep. Het doel en de functie van het fonds wordt in 2009 geëvalueerd.

• In 2009 wordt de visitatie van de landelijke publieke omroep en de wereldomroep afgerond. De visitatiecommissie beoordeelt hoe de publieke omroep zijn taak heeft vervuld tussen 2005 en 2010 en schenkt daarbij aandacht aan de programmering, het bereikte publiek, de organisatie en de financiering. De visitaties en evaluaties vormen de opmaat voor de nieuwe concessieperiode van de landelijke publieke omroep (2010–2015) en de verlening van erkenningen aan omroepverenigingen in 2010. Onder andere op basis van deze visitaties en evaluaties vindt een beleidsdoorlichting artikel 15 plaats.

• Eind december 2008 lopen de convenanten tussen de vier grote steden en de overheid af die de afgelopen acht jaar ten grondslag hebben gelegen aan het multiculturele publieke radiostation FunX en televisieproducent MTNL. In juni 2008 heeft het bestuurlijk overleg met de vier grote steden over voortzetting plaatsgevonden. In het najaar van 2008 zullen de nieuwe convenanten worden afgesloten.

Commerciële omroep

• In de nieuwe Mediawet 20..zijn de reclameregels voor commerciële omroepen verruimd. Voor reclame op alcohol gelden beperkingen.

Pers en journalistieke producties

• Met behulp van jaarlijks onderzoek door het Commissariaat voor de Media volgt de minister de ontwikkeling van diversiteit en concentratie in de media.

• Het Stimuleringsfonds voor de Pers stimuleert de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Als gevolg van digitalisering en convergentie gaat persbeleid vooral over de pluriformiteit van journalistieke content. De functies nieuws, informatievoorziening, opinie en debat worden op allerlei manieren vervuld, op tal van platforms. Het beleid sluit bij deze trend aan.

Bewust mediagebruik

• De overheid rekent het tot haar taak kinderen en jongeren te beschermen tegen een overdaad aan seks en geweld op televisie. De overheid stimuleert dat zij zich kritisch, actief en bewust kunnen bewegen in onze samenleving waarin de invloed van media moeilijk overschat kan worden.

• Het mediawijsheidexpertisecentrum gaat kinderen, (groot)ouders, opvoeders en leerkrachten helpen actief en verstandig gebruik te maken van media. In 2008 is het centrum gestart met onder meer online dienstverlening via de sitewww.mediawijsheidkaart .nl. In 2009 moet de organisatie echt staan en wordt de service uitgebreid met fysieke loketten bij «Beeld en Geluid» en de bibliotheken. Er komt een publiekscampagne mediawijsheid en de samenwerking tussen partijen die actief zijn met mediawijsheid wordt bevorderd. Het budget voor het mediawijsheid expertisecentrum loopt op tot minimaal € 1 miljoen in 2010. Met de kabinetsbrief van 18 april 2008 is de Tweede kamer geïnformeerd over veilig mediagebruik en media-aanbod (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 434, nr. 1).

• Media, zowel publiek als commercieel, worden gestimuleerd maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. In de vorm van zelfregulering kunnen bestaande gedragscodes worden verbeterd en nieuwe geïnitieerd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 15.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2007Streefwaarde peildatum 1
1. Waardering publieke omroep: % mensen dat uitzendingen betrouwbaar vindt  75%
Bron: Nederlandse Publieke Omroep  2009
2. Onderscheidende programmering publieke televisie: % zendtijd informatie en jeugd 75%75%
Bron: Stichting Kijkonderzoek  2009
3. Aantal culturele documentaires regionale omroep40  
Bron: Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties2007 2009
4. Bekendheid Kijkwijzer 86%80%
Bron: Nederlandse Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media  2009
Deze 4 indicatoren zijn pas vanaf 2008 in de begroting opgenomen, zodat nog niet voor alle indicatoren een waarde van 2007 bekend is.   

Toelichting:

1. De publieke omroep onderzoekt of het Nederlandse publiek zijn aanbod onderscheidend vindt. De belangrijkste dimensie hierin is of de kijkers de uitzendingen van de publieke omroep betrouwbaar vinden.

2. Het onderscheidende karakter van het publieke aanbod laat zich verder aflezen uit de verdeling van televisiezendtijd over de diverse genres. De publieke omroep bracht aanzienlijk meer informatie en programma’s voor de jeugd: 77% van de publieke zendtijd, tegenover een streefwaarde van 75%. Deze gegevens worden alleen geproduceerd door de Stichting Kijk Onderzoek (SKO). Omdat SKO voor de branche werkt, volgt de indeling in genres ook de behoeften en gebruiken in de mediawereld. Zij kunnen daardoor niet één op één worden vergeleken met de rapportage over naleving van de wettelijke programmavoorschriften ten behoeve van het Commissariaat voor de Media.

3. Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties ontvangt vanaf 2008 € 500 000 extra subsidie voor culturele programmering door regionale omroepen. Hiervoor worden per jaar extra documentaires gemaakt boven de documentaires, die de regionale omroep nu al produceert.

4. De Kijkwijzer is een belangrijk hulpmiddel voor bewust mediagebruik door kinderen en hun opvoeders. Pictogrammen geven informatie over de inhoud van het mediaproduct en er is een indicatie opgenomen vanaf welke leeftijd de inhoud niet schadelijk is. De leeftijdsgrenzen zijn bovendien bepalend voor het uitzendtijdstip van programma’s op televisie. Het streven is dat 80% van de Nederlandse bevolking bekend is met de Kijkwijzer. In 2007 is dit streefcijfer ruimschoots gehaald met 86%.

15.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 15.5 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting art. 15OD 1A: 2009B: 2010 
EvaluatieonderzoekVisitatielandelijke publieke omroepOD 1A: 2007B: 2009 
EvaluatieonderzoekVisitatiewereldomroepOD 1A: 2007B: 2009 
Overig evaluatieonderzoekEvaluatieonderzoekStimuleringsfonds Nederlandse Culturele OmroepproductiesOD 1A: 2008B: 2009 

ARTIKEL 16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

16.1 Algemene beleidsdoelstelling: het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

Omschrijving

Door te zorgen dat de omvang, het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het publiek gefinancierde Nederlandse onderzoek op peil zijn, kan het onderzoeksbestel goed en doelmatig functioneren binnen de maatschappij. Daarom wordt bevorderd dat wetenschap en wetenschappers van hoog niveau zijn, dat er voldoende ruimte is voor onafhankelijk en vernieuwend wetenschappelijk onderzoek, en dat de wetenschap kan bijdragen aan ontwikkelingen in het hoger onderwijs en aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Het Nederlandse onderzoeksstelsel in zijn totaliteit (publiek en privaat) bestaat uit een verscheidenheid van instellingen en organisaties, die in het stelsel elk hun eigen functie hebben. Dit varieert van het uitvoeren van fundamenteel onderzoek tot ontwikkelingswerk op alle terreinen van wetenschap.

De minister zet een aantal instrumenten in om deze algemene doelstelling te halen. De instrumenten sluiten aan bij de strategische beleidsvisie. Deze beleidsvisie is te vinden in de beleidsnotitie «Het Hoogste Goed», de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek en wetenschapsbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 1 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 17)

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor:

• Het scheppen van voorwaarden voor het doelmatig functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen. Deze instellingen nemen binnen het onderzoeksbestel zowel eigenstandig als in relatie tot de universiteiten en bedrijven een belangrijke plaats in;

• Het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek en van de onderzoeksfaciliteiten;

• De coördinatie van het wetenschapsbeleid in nationale en internationale context;

• Het toezicht op een efficiënte inzet van de middelen en op voldoende kennisdiffusie naar de maatschappij.

Externe factoren

• effect van de arbeidsmarktsituatie op de aantrekkingskracht van een wetenschappelijke functie;

• de nationale en internationale loopbaanmogelijkheden in het onderzoeksbestel voor (jonge) talentvolle mensen;

• de mate waarin prioriteitskeuzen in het onderzoek aansluiten bij internationale ontwikkelingen in de wetenschap en bij de maatschappelijke vraag naar kennis.

De minister kan deze factoren slechts beperkt beïnvloeden, maar is er bij het halen van de beleidsdoelstellingen wel afhankelijk van.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 16.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Internationale wetenschappelijke kwaliteit op basis van de relatieve Nederlandse citatiescore (mondiale gemiddelde = 1)1,26 (= mondiaal top-3)1,34 (= mondiaal top-3)Behorende tot de top-3 mondiaal
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003peildatum: 2003–2006 
2. Wetenschappelijke productiviteit(aantal wetenschappelijke publicaties per onderzoeker in de publieke sector)0,951,44Top-5 positie binnen de EU
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003peildatum: 2006 
3. Promotiegraad (aantal promoties per 1000 personen in de leeftijdsgroep 25–34 jarigen)0,951,48Verhoging relatief aantal promoties moet leiden tot een betere positie binnen de EU
Bron: VSNU (aantallen promoties) en CBS (leeftijdsgroep)peildatum: 2000peildatum: 2006 

Toelichting:

De relatie tussen de beleidsinzet en de waarden van de indicatoren is een indirecte, de resultaten zijn in afgeleide zin het resultaat van de voorwaarden die de overheid creëert voor het functioneren van wetenschappelijke instellingen en onderzoekers die in dienst zijn van die instellingen. In die zin zeggen de indicatoren slechts in globale zin iets over de doeltreffendheid van het overheidsbeleid. Daarnaast zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek veelal onvoorspelbaar en moet er met doorlooptijden van soms vele jaren rekening worden gehouden, vooral waar het gaat om citaties naar wetenschappelijke publicaties. De overheidsnota «Onderzoekstalent op waarde geschat»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 11) constateert dat het relatief aantal promoties in Nederland tot de laagste van Europa behoort. Doel is daarom het promoveren aantrekkelijker te maken en als gevolg daarvan het aantal promoties te verhogen. De combinatie van aantallen promoties in relatie tot de omvang van de relevante leeftijdsgroep (25–34 jarigen) laat vanaf 2000 een toename van de promotiegraad zien.

Voor de indicatoren die betrekking hebben op de citatiescore (een positie in de mondiale top-3) en de wetenschappelijke productiviteit (een positie in de top-5 van de EU) gaat het om het handhaven van de zeer goede prestatie die in internationaal perspectief is bereikt. Uit het laatste rapport van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie (Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2008) blijkt dat Nederland bij de wereldtop behoort wat betreft citatiescores en tot de Europese top wat betreft productiviteit (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 25).

16.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 16.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen1 041 683972 312999 530994 023935  617947 939934 331
Waarvan garantieverplichtingen56 03656 03656 0360000
Totale uitgaven (programma + apparaat)971 9181 024 7781 110 5041 038 7631 002 2481 001 582997 715
        
Programma-uitgaven968 7161 021 3571 107 2221 035 549999 333998 667994 800
        
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel754 152786 586781 521758 984759 221759 555758 018
• NWO311 117315 610312 949303 564303 564303 564303 564
• KNAW90 18291 74790 44587 72087 72087 72087 720
• Koninklijke Bibliotheek (KB)42 30445 31545 31945 31945 31945 31945 319
• KNAW bibliotheek2 4092 4442 4152 3422 3422 3422 342
• LF TUD bibliotheek7 1467 3757 3757 3757 3757 3757 375
• IISG273279279279279279279
• SURF2 2707 2707 2707 2707 2707 2707 270
• CPG476493493493493493493
• Montesquieu Instituut1 0001 0321 0321 0321 0321 0321 032
• NCB05 0005 0005 0005 0005 0005 000
• TNO194 394196 180192 413186 969186 613186 613186 613
• BPRC/Stichting AAP11 8089 5459 4049 4049 4049 4049 404
• Nationaal Herbarium1 1471 1841 1841 1841 1841 1841 184
• NLR797893893893893893893
• Deltaris2 0982 2082 2082 2082 2082 2082 208
• MARIN883932932932932932932
• STT192227227227227227227
• EMBC617724724724724724724
• EMBL3 1473 7503 9503 9503 9503 9503 950
• ESA31 41332 92632 73232 73232 73232 73232 732
• CERN28 39430 39331 53531 53531 53531 53531 535
• ESO5 5096 3006 5006 5006 5006 5006 500
• NEMO1 6873 2843 2843 2843 2843 2843 284
• EG-Liaison295325340355365380390
• NTU/INL1 4072 9643 0383 0383 0383 0383 038
• EIB1 2151 2541 2541 2541 2541 2541 254
• Nationale coördinatie9 05812 51011 6417 2767 7898 3257 879
• Bilaterale samenwerking2 8373 1404 1903 5904 1903 7903 790
• Weerstandsverhoging onderzoeksinstellingen (CBRN)01 0002 0002 0002 0002 0001 000
• Nader te verdelen77282695735205388287
        
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken189 615129 879142 80694 67071 83070 83068 5 00
• FES – Bsik50 20762 15464 59417 018000
• FES– ITER18 646000000
• FES– GATE2 0002 0002 0002 0001 00000
• FES– grootschalige researchfaciliteiten30 64222 82210 1623 9021 8301 8300
• FES– Parelsnoer11 7507 7507 7507 750000
• Genomics22 34515 00036 00040 00044 00044 00043 500
• Smart-mix50 8454 86500000
• EET3 1159884000000
• Talentenkracht0300400500500500500
• Kust- en zeeonderzoek652 0002 0002 0002 0002 0002 000
• ASTRON/ LOFAR02 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Grootschalige research infrastructuur010 00016 00018 00019 00019 00019 000
• Gezondheidsonderzoek001 5001 5001 5001 5001 500
        
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap27 613104 613182 613181 613168 000168 000168 000
• Vernieuwingsimpuls13 61388 613163 613163 613150 000150 000150 000
• VI-vrouwencomponent2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Mozaiek2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Rubicon4 0004 0004 0004 000000
• Aspasia2 0003 0004 0004 0004 0004 0004 000
• Toptalent4 0004 0004 0004 0004 0004 0004 000
• Graduate schools01 0003 0002 0006 0006 0006 000
        
Programmakosten overig       
• CFI341279282282282282282
        
Apparaatsuitgaven3 2023 4213 2823 2142 9152 9152 915
Ontvangsten189 367184 802194 450142 680118 484117 484115 154

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor de wetenschap enveloppengelden gereserveerd die oplopen van € 24 miljoen in 2008 tot indicatief € 80 miljoen in 2011. Met uitzondering van de enveloppemiddelen uit de Fes voor Genomics (€ 12 miljoen in 2008 oplopend naar € 41 miljoen in 2011) is de oploop van de enveloppegelden op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd. Naast de middelen voor Genomics komt voor 2009 € 21 miljoen uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

• de verstrekking van € 16 miljoen subsidie aan NWO ten behoeve van grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen;

• inzet van € 2 miljoen extra middelen ten behoeve van een persoonsgerichte subsidie voor vrouwelijke hoogleraren;

• de verstrekking van € 3 miljoen subsidie aan NWO voor het opzetten van een instrument geïnspireerd op het Amerikaanse model van de «graduate schools».

Hiernaast zijn uit de enveloppe innovatie, kennis en onderzoek voor het thema weerstandsverhoging publieke onderzoeksinstellingen (CBRN) over de periode 2008–2013 in het totaal € 10 miljoen enveloppemiddelen aan de begroting toegevoegd. Deze middelen zullen ingezet worden voor de invoering van veiligheidsmaatregelen bij een aantal wetenschappelijke instellingen.

Tabel 16.3. Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)1 106 9401 035 267999 051998 385994 518
Totaal juridisch verplicht1 091 6861 021 047974 119970 545967 059
Totaal bestuurlijk gebonden15 25414 22023 46025 46024 460
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden001 4722 3802 999
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel781 521758 984757 749757 175755 019
• Juridisch verplicht774 505752 524752 062751 488750 333
• Bestuurlijk gebonden6 7546 2205 4605 4604 460
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken142 80694 67071 83070 83068 500
• Juridisch verplicht141 30692 67069 83068 83066 500
• Bestuurlijk gebonden1 5002 0002 0002 0002 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap182 613181 613168 000168 000168 000
• Juridisch verplicht175 613175 613152000150 000150 000
• Bestuurlijk gebonden7 0006 00016 00018 00018 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

16.3 Operationele beleidsdoelstelling

16.3.1 Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel

Motivering

Om voldoende ruimte te kunnen geven aan excellent ongebonden en zuiver wetenschappelijk en toegepast onderzoek en aan een betere aansluiting bij maatschappelijke vraagstukken, is een adequate toerusting en bekostiging van onderzoeksorganisaties vereist. Grensverleggend onderzoek ligt aan de basis van veel innovaties, van een concurrerende economie en een vitale samenleving. Innovatieve, hoogwaardige kennis creëert de voorwaarden voor structurele en duurzame economische groei en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken op gebieden zoals water, zorg, veiligheid, migratie, klimaatverandering, energievoorziening, etcetera.

Een bijdrage aan internationale wetenschappelijke organisaties en deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s verhoogt de doelmatigheid en doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderzoek. Voor Nederland is internationale wetenschappelijke samenwerking zowel essentieel voor de wetenschapsbeoefening als ook belangrijk vanuit een politiek, maatschappelijk en economisch oogpunt. Samenwerking in grote netwerken en internationale instituten en programma’s biedt schaalvoordelen waardoor onze onderzoekers toegang krijgen tot geavanceerde onderzoeksfaciliteiten. Het kabinet vindt dat het wetenschappelijk onderzoek in Nederland zich moet kunnen meten met het beste in de wereld.

Op deze wijze kan Nederland bijdragen aan de Europese ambitie de meest concurrerende economie van de wereld te worden. Het streven is er in algemene zin op gericht binnen Europa tot de koplopers te behoren.

Instrumenten

• bekostiging van de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW, TNO en KB.

• contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties (ESA, ESO, CERN, EMBL, EMBC).

• subsidie aan een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder wetenschappelijke bibliotheken, met een belangrijke instellingsoverstijgende functie.

• subsidie aan Stichting SURF voor grensverleggende ICT-innovaties. Hierdoor kan het hoger onderwijs en onderzoek optimaal gebruik maken van de mogelijkheden van ICT om zo de kwaliteit van onderwijs en onderzoek te verbeteren. De middelen zullen voornamelijk worden ingezet voor de versterking van de innovatie van optische computernetwerken (SURFnet/Gigaport).

• subsidie aan Senter/EG-Liaison voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.

• bijdragen aan de KNAW en NWO voor de in het kader van lopende Memoranda of Understanding (MOU’s) uitgevoerde bilaterale samenwerkingsprogramma’s met China en Indonesië.

• subsidie aan Naturalis voor de totstandkoming van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit (NCB). Op termijn zal het Nationaal Herbarium hierin opgaan.

• subsidie aan het science center NEMO voor het uitvoeren van activiteiten op het gebied van wetenschap en techniekcommunicatie ten behoeve van ondermeer Kennislink, de continuïteit van de kleine science centra, en de Wetenschap- en techniekweek.

• financiering van het universitaire onderzoek (via beleidsartikel 7: Wetenschappelijk Onderwijs).

Activiteiten

• Verdere implementatie van het interdepartementale proces van vraagprogrammering van het onderzoek TNO en de GTI’s. Vanuit de maatschappelijke thema’s en vraagstukken wordt in kennisarena’s meer specifiek de richting bepaald voor kennis voor beleid, grote faciliteiten en kennis als vermogen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. R&D-investeringen als % BBP, gefinancierd door1,82%1,67%3%
– de overheid0,62%0,67%0,90%
– bedrijven Nederland0,93%0,80%1,90%
– overig (waaronder buitenland)0,27%0,20%0,20%
Bron: CBS   
(*) schatting OCW op basis voorlopige CBS cijfers over 2005peildatum: 2000peildatum 2005* peildatum 2010
2. Inzet wetenschappelijk personeel voor R&D (onderzoekers per 1000 personen van de beroepsbevolking)5,26,2Verhoging van de waarde 2006
Bron: CBSpeildatum: 2000peildatum 2006 
3. Nederlandse deelname in EU-Kaderprogramma (opbrengst in % minus bijdrage in %)0%+ 1,6%> 0%
Bron: SenterNovem/EG Liaison peildatum: 2007peildatum: KP7 (2007–2013)

Toelichting:

Indicator 1 en 2: de indicatoren zijn niet gekoppeld aan specifieke instrumenten, maar het resultaat van het totaal aan investeringen van overheid en bedrijfsleven in R&D en de ontwikkeling van het BBP. Nederland heeft zich in relatie tot indicator 1 uitgesproken voor het realiseren van de EU-ambities, waaronder een R&D-investeringsniveau van 3% in 2010, waarvan 2% (BBP) bedrijfsinvesteringen in R&D(Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 21 501-20, nr. 308).

Indicator 3: de basiswaarde is de relatieve Nederlandse financiële opbrengst uit de EU-Kaderprogramma’s minus de relatieve Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting (de Nederlandse bijdrage ten opzichte van het totaal van de bijdragen van de andere EU-landen). De inzet voor zevende EU-Kaderprogramma (KP7, 2007–2013) zal zijn de Nederlandse streefwaarde te realiseren. OCW bevordert dit via EG-liaison. De cijfers over het jaar 2007 laten een duidelijk positief saldo zien.

16.3.2 Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken.

Motivering

Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten en op een aantal terreinen de aansluiting met de internationale top te bereiken of te behouden, investeert de overheid in een aantal specifieke thema’s. Deze thema’s vragen vanwege hun potentie om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema’s is sprake van co-financiering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. De thema’s sluiten aan bij de grote nationale onderzoeksprioriteiten en bij prioriteiten die voortkomen uit de kennis en innovatieagenda van het kabinet en anticiperen op de maatschappelijke kennisbehoeften (zorg, energie, water, duurzaamheid, etcetera).

Instrumenten

• Bijdragen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) in het kader van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik) aan veertien ICES/KIS-3 projecten waarvoor OCW penvoerder is. Het hele traject van fundamenteel tot toegepast onderzoek krijgt hierdoor een impuls. Door de nieuwe samenwerkingsprojecten tussen bedrijven, universiteiten en technologische instituten ontstaan hoogwaardige kennisnetwerken waarbinnen onderzoek wordt uitgevoerd dat aansluit op de maatschappelijke behoefte.

• Het kabinet stelt geld voor toponderzoek en innovatieprogramma’s uit de FES impulsen 2005 en 2006 beschikbaar. Dit geld gaat naar de volgende door OCW getrokken projecten:

– Bijdrage aan NWO voor de uitvoering van het project Game Research for Training and Entertainment (GATE). Naast onderzoek gericht op het gebied van gaming en simulatie richt dit programma zich op kennistransfer naar MKB-bedrijven en de uitvoering van pilots die de potentie van serious gaming zullen tonen;

– Bijdrage aan TNO voor het in het consortium samen met de onderzoeksinstituten Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) en de Nuclear Research & consultancy Group (NRG) realiseren van een Nederlandse bijdrage aan het internationale kernfusieproject ITER;

– Bijdrage aan de Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra voor het opzetten van een infrastructuur voor prospectieve Nationale Biobanken (Parelsnoer project).

• Bijdrage aan NWO uit de FES impuls 2005 voor de investering in vijf grootschalige researchfaciliteiten: een digitale databank voor kranten bij de KB, een e-science GRID (het creëren van een grote berekeningsfaciliteit door koppeling van computers) voor Nederland, een geavanceerde multidisciplinaire faciliteit voor het doen van metingen en experimenten in de sociale wetenschappen, de oprichting/inrichting van een centrum voor geavanceerde spectroscopie te Nijmegen, een Nationaal hersenonderzoekfaciliteit (New frontiers in imaging the brain).

• Subsidie aan NWO voor het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative (NGI) in een tweede fase (2008–2012) voor het verankeren, uitbouwen en benutten van de in Nederland aanwezige kennisbasis op dit terrein.

• Subsidie aan het interdisciplinaire onderzoeksproject Talentenkracht. Het project richt zich op onderzoek naar het van nature bij kinderen van 3–5 jaar oud aanwezige exploratiegedrag en onderzoekstalent op gebieden als logisch denken, redeneren en ruimtelijk inzicht. Resultaten kunnen worden gebruikt bij de inrichting van het onderwijs aan jonge kinderen.

• Subsidie aan het Nederlands instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) ter waarborging van een adequate financiering van de exploitatie van de LOw Frequency ARray faciliteit (LOFAR). ASTRON kan hierdoor haar vooraanstaande positie in de radiosterrenkunde behouden.

• Voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen wordt in de oploop van middelen uit de enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek vanaf 2009 € 16 miljoen subsidie verstrekt aan NWO. De selectie van concrete voorstellen zal in aansluiting op de resultaten van de nationale roadmap commissie door NWO worden gedaan op basis van gebleken kwaliteit.

• Subsidie aan het NIVEL voor stimulering van het gezondheidsonderzoek.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Naast een structurele financiering van een groot aantal organisaties investeert de overheid ook via het financieren van een aantal projecten en programma’s en onderzoek op thema’s die aansluiten bij de nationale prioriteiten. Algemene streefwaarden zijn niet van toepassing, maar zo nodig afgesproken per programma. De monitoring van de in het kader van het FES uitgevoerde projecten en programma’s wordt uitgevoerd door SenterNovem. Veel van de projecten liggen op het gebied van het biomedische onderzoek en de moleculaire biologie. De Nederlandse wetenschappelijke positie op deze gebieden is, blijkend uit citatiescores, internationaal sterk (NOWT 2008;Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 25).

16.3.3 Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap

Motivering

Om een kwalitatief hoogwaardig en op vernieuwing gericht onderzoeksstelsel in stand te kunnen houden en verder te ontwikkelen is voldoende ruimte nodig voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap. Voorkomen moet worden dat de lage instroom van jong wetenschappelijk talent (vooral in de bèta disciplines) en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel uitmondt in een tekort aan wetenschappelijk personeel. Het beleid is daarom gericht op een hogere in- en doorstroom van (jonge) veelbelovende onderzoekers en op het verbeteren van loopbaanperspectieven in het onderzoek. Speciale aandacht is er voor het verhogen van het aantal Nederlandse wetenschappers met een niet-westerse achtergrond en het aantal vrouwen in hoge wetenschappelijke stafposities (zie ook artikel 25 Emancipatie). Het kabinet wil excellente wetenschap verder bevorderen en het primaat van ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek versterken. Het kabinet kiest er daarbij voor te zorgen dat het geld zo veel mogelijk bij de beste mensen terecht komt. Daarom wordt ingezet op versterking van de persoonsgerichte financiering van onderzoek.

Van deze operationele doelstelling is een beleidsdoorlichting uitgevoerd. Op grond van de bevindingen blijkt dat handhaving van de operationele beleidsdoelstelling noodzakelijk is. De beleidsdoorlichting concludeert ook dat continuering van de inzet van persoonsgerichte instrumenten nodig blijft.

Instrumenten

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van een versterkt en uitgebreid programma «Vernieuwingsimpuls» dat beoogt ruimte te geven aan (jonge) veelbelovende onderzoekers door deze kansen te bieden door middel van persoonsgebonden subsidies.

• Subsidie aan NWO voor het honoreren van extra aanvragen van vrouwen met een subsidiabel voorstel in de vidi en vici rondes van de Vernieuwingsimpuls die vanwege budgettaire beperking niet voor een reguliere honorering in aanmerking komen.

• Subsidie aan NWO voor de continuering van het programma «Mozaïek», waarmee wordt beoogd meer Nederlandse afgestudeerden met een niet-westerse achtergrond in de wetenschap te laten doorstromen. Continuering wordt gerealiseerd door de inzet van extra enveloppemiddelen.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van het Rubicon-programma waarmee jonge veelbelovende onderzoekers na hun promotie ervaring kunnen opdoen door een verblijf van twee jaar aan een buitenlandse onderzoeksinstelling of voor één jaar aan een Nederlandse onderzoeksinstelling.

• Subsidie aan NWO voor een persoonsgerichte subsidie voor vrouwelijke hoogleraren via het Aspasiaprogramma. De subsidie is opgehoogd met extra geld uit de enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het oplossen van het hardnekkige probleem van onderbenut vrouwelijk potentieel en in het bijzonder aan het in internationaal vergelijk in Nederland erg lage percentage vrouwelijke hoogleraren.

• Subsidie aan NWO voor het uitvoeren van een programma voor «toptalent» (voorheen «creatieve promovendi»). Dit is een programma waarin talentvolle afgestudeerden kunnen starten met hun promotie op een onderwerp naar keuze. Het programma past in het streven om talentvolle onderzoekers met innovatieve ideeën de ruimte te geven en is tevens een aanvulling op de reeds bestaande programma’s.

• Subsidie aan NWO om geïnspireerd op het Amerikaanse model van de «graduate schools» een instrument op basis van open competitie voor «training grants» op te zetten. Met dit instrument wordt beoogd de ruimte die het promotiestelsel biedt aan jonge talentvolle onderzoekers te vergroten. Promovendi krijgen zo meer kans zelf hun onderzoeksloopbaan richting te geven.

• Zie ook het overzicht instrumenten jonge wetenschappers en doelgroepenbeleid in de overzichtsconstructie arbeidsmarkt en personeelsbeleid (artikel 9), en de instrumenten in artikel 6 en 7 (hoger onderwijs).

Activiteiten

OCW maakt in het kader van de beleidsrijke dialoog met de universiteiten afspraken over het versterken van hun HRM-beleid. Deze zijn gericht op betere loopbaanperspectieven voor jonge onderzoekers, vrouwen en migranten.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1) Het aandeel universitair WP ouder dan 50 jaar(procenten)(procenten) 
– WP-totaal25,021,8Lager dan de waarde van het voorgaande jaar
– Hoogleraar64,062,4
– UHD55,851,9
– UD33,827,2 
Bron: VNSU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2007 
2) Het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies(procenten)(procenten) 
– WP-totaal27,733,4Hoger dan de waarde van het voorgaande jaar tot een uitein- delijk niveau van ± 50–50;Specifieke streefwaarde voor vrou- welijke hoogleraren is 15% in 2010
– Hoogleraar6,311,2
– UHD10,717,1
– UD22,430,3
– promovendi43,042,4
– overig WP32,838,5
Bron: VSNU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2007 
3) Verschuiving in functie van gehonoreerden in de Vernieuwingsimpuls (na 2,5 à 3 jaar)Gezien de nog korte historie van de Vernieuwingsimpuls is er geen basiswaarde(verschuiving in procentpunten) man/vrouw 
– Postdoc – 29/– 25Afname
– UD + 3/+ 8Toename
– UHD + 14/+ 12Toename
– Hoogleraar + 12/+ 4Toename
Bron: NWO jaarboek 2007 peildatum: 2007 

Toelichting:

Het personeelsbeleid van de universiteiten is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de universiteiten zelf, maar kunnen daar wel op worden aangesproken door de minister.

Ad 1) en 2) Het gaat om totaalcijfers voor alle universiteiten per functiecategorie, waardoor onderliggende ontwikkelingen per universiteit of per discipline niet zichtbaar zijn. De cijfers geven vooral een indicatie of de gewenste streefrichting, namelijk een verjongd personeelsbestand en een vergroot aandeel vrouwelijke wetenschappers, in algemene zin wordt bereikt. Het reeds door de vorige minister gehanteerde streefpercentage van 15 voor het aandeel vrouwelijke hoogleraren in 2010 blijft gehandhaafd (voor de EU geldt een streefpercentage van 25). Met de huidige groei kan dit percentage in 2010 dan wel 2011 worden bereikt.

Hoewel de leeftijdgegevens voor het aandeel 50-jarigen in 2006 ten opzichte van 2000 een verjonging laten zien, laten de WOPI-cijfers van de VSNU uitgesplitst naar de tussenliggende jaren zien dat er vanaf 2005 bij de functies van hoogleraar en UD weer sprake is van een toename van het aandeel 50-jarigen. Bij de UHD’s was er een stijging tussen 2005 en 2006, gevolgd door een daling in 2007.

Ad 3) Het gewenste effect van de Vernieuwingsimpuls, namelijk vernieuwing van het onderzoek, o.a. door kansen te bieden aan talentvolle onderzoekers die carrière kunnen maken, is door NWO zichtbaar gemaakt door de positie van de laureaten aan te geven bij de aanvang van de subsidie en de positie van de laureaten na ongeveer 3 jaar. Voor de Veni’s gaat het om de eindpositie en voor de Vidi’s en Vici’s om de positie halverwege. De cijfers hebben betrekking op de laureaten in de Vernieuwingsimpuls voor de jaren 2000–2005. Verwacht mag worden dat de laureaten in positie doorstromen, met andere woorden een hogere positie hebben dan bij de aanvang van de subsidie. Die doorstroming blijkt uit de cijfers, waarbij het aandeel postdocs afneemt ten gunste van toename bij de hogere WP-functies. Overigens is de verschuiving in posities verschillend per doelgroep van de Vernieuwingsimpuls. Veni’s stromen als postdocs vooral door naar UD-posities en in mindere mate naar UHD-posities en nauwelijks naar hoogleraarposities. Vidi’s stromen door naar UHD- en hoogleraarposities en Vici’s stromen alleen door naar hoogleraarposities. Voor de Vidi’s zijn ook cijfers na 6 jaar beschikbaar: de doorstroming naar hogere functies is dan nog in sterkere mate zichtbaar dan na 3 jaar.

16.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 16.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting talentvolle onderzoekersOD 16.3.3A. december 2006B. PM juni 2008TK, 2007–2008, 31 511, nr. 1 en 2
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie KNAWOD 16.3.1A. najaar 2007B. begin 2008TK, 2007–2008, 31 288, nr. 23
 Evaluatie NWOOD 16.3.1A. najaar 2007B. begin 2008TK, 2007–2008, 29 338, nr. 73
 Bilaterale samenwerking RuslandOD 16.3.1A. januari 2007B. oktober 2007 
 Bilaterale samenwerking ChinaOD 16.3.1A. eind 2006B. mei 2008 
 Bilaterale samenwerking IndonesiëOD 16.3.1A. eind 2008B. voorjaar 2009 
 Bsik-projectenOD 16.3.2A. eind 2007B. medio 2008 
 Eindevaluatie ICT RegieorgaanOD 16.3.2A. 2008B. eind 2008 
 MozaïekOD 16.3.3A. voorjaar 2008B. juni 2008 
 RubiconOD 16.3.3A. voorjaar 2008B. medio 2008 
 AspasiaOD 16.3.3A. voorjaar 2008B. eind 2008 
 Creatieve promovendiOD 16.3.3A. voorjaar 2010B. eind 2010 

Toelichting:

De afronding van de beleidsdoorlichting heeft vertraging opgelopen mede door een te optimistische planning aan het begin van de beleidsdoorlichting en de tijd die nodig was om het grondige commentaar van de begeleidingscommissie op verschillende conceptversies van de beleidsdoorlichting te verwerken.

Het MOU met Rusland liep eind 2007 af. Volgende op de eindevaluatie wordt bekeken of de samenwerking kan worden voortgezet zonder inzet van extra overheidsmiddelen.

Op grond van de uitkomst van de evaluatie van het bilaterale samenwerkingsprogramma met China zal dit jaar nader bepaald worden in welke definitieve vorm het programma in de met China bij te stellen MOU’s zal worden opgenomen.

Dit najaar zal een kabinetsreactie naar de Tweede kamer worden gestuurd over de mid-term review van de voortgang van de Bsik-projecten.

De positieve uitkomst van de evaluatie van het Mozaïekprogramma ondersteunt het besluit het programma te continueren.

ARTIKEL 24. KINDEROPVANG

24.1 Algemene doelstelling: kinderopvang zorgt ervoor dat ouders beter arbeid en zorg kunnen combineren en draagt er toe bij dat kinderen hun talenten beter kunnen ontwikkelen. Voor de kinderen van 0 tot 4 jaar biedt kinderopvang de mogelijkheid beter toegerust te beginnen aan het primair onderwijs.

Omschrijving

Kinderopvang zorgt ervoor dat ouders arbeid en zorg beter kunnen combineren, zodat ouders die willen combineren dat ook feitelijk kunnen. Ouders kunnen gebruikmaken van dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang. Om de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te garanderen biedt de Wet kinderopvang (Staatsblad 2004, 455) werkende ouders een recht op een inkomensafhankelijke bijdrage: de kinderopvangtoeslag. Kinderopvang van goede kwaliteit is van groot belang, zodat ouders hun kind met een gerust hart naar de kinderopvang kunnen laten gaan. De Wet kinderopvang garandeert een goed kwaliteitsniveau. Kwalitatief goede kinderopvang zorgt er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en werking van het wettelijk stelsel van kinderopvang, waaronder zowel de (financiële) toegankelijkheid als de kwaliteit van de kinderopvang valt. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Vanwege de gemeenschappelijke zorg voor jonge kinderen is de minister van Jeugd en Gezin betrokken bij het beleid.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de mate waarin werkende ouders gebruik maken van kinderopvang;

• het adequaat functioneren van de markt voor kinderopvang;

• cultuuraspecten, waaronder het vertrouwen dat ouders hebben in de kwaliteit van de kinderopvang;

• conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 24.1 Kengetallen gebruik
 200520062007
1. Percentage kinderen van 0 tot 4 jaar met kinderopvangtoeslag293340
2. Percentage kinderen van 4 tot 12 jaar met kinderopvangtoeslag7812
Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking OCW   
3. Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 0–3 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)626569
4. Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 4–11 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)576164
Bron: CBS, maatwerktabel (uitbreiding tabel 4.7 Emancipatiemonitor 2006, o.b.v. nieuwe weging EBB)   

Toelichting:

1. en 2. Deze cijfers geven een beeld van het percentage kinderen met kinderopvangtoeslag, uitgesplitst naar de leeftijdscategorie 0–4 jaar en 4–12 jaar. In beide leeftijdscategorieën is het percentage toegenomen.

3. en 4. Deze cijfers geven weer hoeveel huishoudens arbeid en zorg voor jonge kinderen daadwerkelijk combineren. In de percentages zijn ook de huishoudens begrepen waarbij gebruik wordt gemaakt van informele kinderopvang (waarvoor geen kinderopvangtoeslag wordt uitgekeerd) of waarbij de ouders hun werktijden zo hebben weten af te stemmen dat zij geen gebruik van kinderopvang, formeel noch informeel, maken. Bij steeds meer huishoudens met jonge kinderen wordt door beide ouders gewerkt.

24.2 Budgettaire gevolgen van beleid

24.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 24 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen2 065 6882 802 4632 807 0172 676 9992 856 6992 913 7792 959 159
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven2 064 1912 802 4632 807 0172 676 9992 856 6992 913 7792 959 159
        
Programma-uitgaven2 064 1912 802 4632 807 0172 676 9992 856 6992 913 7792 959 159
        
Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen5 50731 37125 25423 21222 21210 2125 212
• Subsidies5 50710 37110 25410 21210 2125 2125 212
• Kwaliteiten opleidingen05 00010 00010 00010 0005 0000
• Taskforce wachtlijsten016 0005 0003 0002 00000
        
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders2 057 6212 770 1792 743 9732 558 6842 726 1782 795 2582 845 638
• Kinderopvangtoeslag2 057 6212 770 1792 743 9732 558 6842 726 1782 795 2582 845 638
        
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben0036 87594 358107 564107 564107 564
• Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en VVE0036 87594 358107 564107 564107 564
        
Programmakosten-overig1 063913915745745745745
• agentschap SZW04361700000
• onderzoek1 063477745745745745745
Apparaatsuitgaven0000000
Ontvangsten517 441696 313726 736747 736768 736790 736812 736

Toelichting:

De Wet kinderopvang is een succes. De groeicijfers van het gebruik liggen hoger dan geraamd. Het kabinet wil dat het gebruik van kinderopvang kan blijven groeien. Om het kinderopvangstelsel voor de langere termijn financieel houdbaar te maken en ongewenste neveneffecten te verminderen heeft dit kabinet besloten tot aanpassingen van het stelsel op basis van de volgende uitgangspunten.

• Kinderopvang is een voorziening die de combinatie van arbeid en zorg faciliteert en daarmee een duurzame ontwikkeling van de arbeidsparticipatie ondersteunt.

• Misbruik en oneigenlijk gebruik (dat niet de combinatie van arbeid en zorg ondersteunt) worden met kracht tegen gegaan.

• Kinderopvang biedt een veilige en stimulerende omgeving voor kinderen.

De structurele financiering van de kinderopvang wordt binnen het meerjarenkader voor kinderopvang gevonden door de onderstaande combinatie van maatregelen en inzet van middelen (zie ook de brief van 20 juni 2008 Tweede Kamer 2007–2008, 31 322 VIII, nr. 25). Dit is inclusief een extra groei over 2008 en verdere jaren met circa € 0,3 miljard die is gebleken uit de uitvoeringsgegevens over het eerste half jaar 2008.

• Beschikbaar stellen van middelen uit de enveloppe Kinderopvang (zie tabel 24.3).

• Aanpassen van de tabel voor de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2009.

• Verbeteren van de Wet kinderopvang via een aantal maatregelen, zoals het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik en maatregelen op het gebied van de gastouderopvang, en maatregelen op het gebied van de maximum uurprijs.

• Introductie thuiscrèches en differentiatie van de maximum-uurprijzen voor kinderopvangtoeslag voor dagopvang en buitenschoolse opvang, thuiscrèches en opvang door gastouders (per 1 januari 2010).

• Inzet van extra middelen inclusief een eenmalige autonome meevaller op het beleidsterrein studiefinanciering (zie tabel 24.3).

De ontvangsten kinderopvang betreffen de verplichte werkgeverbijdrage aan de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt geïnd en teveel uitbetaalde kinderopvangtoeslag die teruggevorderd wordt.

24.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 24.01 (x € 1 000 000)
 200820092010201120122013
Omvang toeslag Miljoenennota 20081 9331 8591 9121 9611 9972 046
Totale dekking Voorjaarsnota2008522584338435435435
Inzet enveloppe-middelen (geboekt bij miljoenennota 2009)095239385385385
Extra ontvangsten      
na afrekenen toeslag202020202020
Additionele middelen50246979303030
Omvang toeslag Voorjaarsnota20082 4552 4432 2502 3962 4322 481
       
Mutaties Miljoenennota 2009*2624606699101
       
Extra ontvangsten na afrekenen toeslag121212121212
Inzet enveloppe-middelen101382025
Inzet studiefinanciering53     
Additionele middelen214264234244232227
Omvang toeslag Miljoenennota 20092 7702 7442 5592 7262 7952 846

* Betreft o.a. loon- en prijsbijstelling en overboekingen gemeentefonds

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel Kinderopvang enveloppegelden gereserveerd. Hiermee worden, naast de inzet voor de groei van de kinderopvang, onder andere de volgende maatregelen voorzien (zie tabel 24.4):

• bestrijden van taalachterstanden via vve; het hiervoor bestemde bedrag is onder artikel 1 (primair onderwijs) ondergebracht;

• verhogen opleidingsniveau personeel kinderopvang c.q. verbeteren kwaliteit personeel;

• harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen en vve;

• aanpak wachtlijsten kinderopvang.

Tabel 24.4: inzet enveloppemiddelen kinderopvang (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Totaal enveloppekinderopvang175 000350 000525 000700 000700 000700 000
Inzet in begroting 2008 voor autonome groei      
kinderopvang61 000125 000125 000125 00094 00094 000
Inzet in voorjaarsnota 2008 voor autonome groei kinderopvang095 000239 000385 000385 000385 000
Inzet in begroting 2009 voor autonome groei10 0001 0003 0008 00020 00025 000
VVE (bestuursakkoord OCW en VNG)*70 00070 00075 000100 000100 000100 000
Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen 36 00061 00061 00061 00061 000
Verhoging opleidingsniveau leidsters5 00010 00010 00010 0005 000 
Subsidieregeling kwaliteitkinderopvang5 0005 0005 0005 000  
Taskforce wachtlijsten24 0008 0006 0005 0003 0003 000
Overig  1 0001 00032 00032 000
Totaal175 000350 000525 000700 000700 000700 000
Tabel 24.5 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doel- stellingen)2 802 4632 807 0172 676 9992 856 6992 913 7792 959 159
Totaal juridisch verplicht2 781 4632 750 1352 558 8342 726 3292 795 4072 845 787
Totaal bestuurlijk gebonden21 00056 327117 720129 926117 926112 926
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0555445445445445
Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen31 37125 25423 21222 21210 2125 212
• Juridisch verplicht10 3715 9820000
• Bestuurlijk gebonden21 00019 27223 21222 21210 2125 212
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000000
       
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders2 770 1792 743 9732 558 6842 726 1782 795 2582 845 638
• Juridisch verplicht2 770 1792 743 9732 558 6842 726 1782 795 2582 845 638
• Bestuurlijk gebonden000000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden000000
       
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben036 87594 358107 564107 564107 564
• Juridisch verplicht000000
• Bestuurlijk gebonden036 87594 358107 564107 564107 564
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0000 00 
       
programmakosten overig913915745745745745
• Juridisch verplicht913180150150150150
• Bestuurlijk gebonden0180150150150150
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0555445445 445445

24.3 Operationele doelstellingen

24.3.1 Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen

Motivering

Voor ouders is de kwaliteit van kinderopvang een belangrijke factor bij de afweging om hier gebruik van te maken. Kinderopvang is een voorziening voor jonge kinderen. Het kabinet wil dat ouders met een gerust hart hun kinderen aan de kinderopvang kunnen toe vertrouwen. De overheid voelt, juist omdat het om jonge kinderen gaat, een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van kinderopvang en het toezicht daarop. De komende jaren wordt de kwaliteit van de kinderopvang verbeterd. Onderdeel van de verhoging van de kwaliteit is verhoging van de deskundigheid van medewerkers in de kinderopvang en het stimuleren van samenwerking tussen kinderopvangorganisaties en sport- en cultuurorganisaties.

De indicator «oudertevredenheid kinderopvang» wordt in 2009 gemeten (nulmeting) en gepubliceerd in de begroting 2010.

Instrumenten

• normen kwaliteit kinderopvang:

De Wet kinderopvang stelt eisen aan de aanbieders van kinderopvang zodat sprake is van verantwoorde kinderopvang. Verantwoorde kinderopvang wil zeggen kinderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. In aanvulling op de eisen van de wet zijn er landelijke normen ontwikkeld door de vertegenwoordigers van de ouders en de ondernemers in de kinderopvang. Deze normen zijn door de overheid overgenomen in beleidsregels en in toetsingskaders voor het gemeentelijk toezicht. Hiermee wordt een basiskwaliteit van de kinderopvang gegarandeerd.

• toezicht op kinderopvang:

Op grond van de Wet kinderopvang is de gemeente verantwoordelijk voor het eerstelijnstoezicht op de kinderopvang; dit toezicht wordt uitgevoerd door de GGD. De Inspectie van het Onderwijs ziet namens de minister van OCW toe op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het eerstelijnstoezicht door de gemeente. Er wordt structureel meer geld voor toezicht gereserveerd en overgeboekt naar het gemeentefonds, namelijk € 3 miljoen per jaar, bestemd voor het eerstelijnstoezicht.

• kwaliteit personeel en opleidingen:

De kwaliteit van de pedagogisch medewerkers («leidsters»), de groepsgrootte en de leidster-kind-ratio zijn bepalende factoren voor de kwaliteit van de kinderopvang. In 2009 wordt het plan van aanpak voor verbetering van de kwaliteit van de opleidingen en mogelijkheden voor deskundigheidsbevordering van het zittend personeel, uitgevoerd. Voor de uitvoering van het plan van aanpak, dat is opgesteld in nauw overleg met de sector kinderopvang, is er tot en met het jaar 2012 € 40 miljoen beschikbaar.

De in de begroting 2008 voorziene indicator «percentage pedagogisch medewerkers met een hbo-niveau in de kinderopvang» is niet opgenomen, omdat kwaliteit veel meer aspecten behelst dan alleen het percentage medewerkers met een hbo-niveau.

• subsidies:

Met de Subsidieregeling kinderopvang stimuleert het Rijk verdere kwaliteitsverbetering boven de wettelijk gegarandeerde basiskwaliteit. Via deze subsidieregeling wordt jaarlijks geld beschikbaar gesteld voor specifieke, breed overdraagbare en landelijk toepasbare projecten, die passen binnen één van de thema’s in de subsidieregeling (bijvoorbeeld samenwerking peuterspeelzaalwerk en kinderopvang).

• taskforce wachtlijsten:

Voor het verbeteren van de wachtlijsten is € 8 miljoen beschikbaar, waarvan € 3 miljoen is overgeboekt naar het gemeentefonds. Ondanks de noodzakelijke extra inzet voor de kosten van de groei van kinderopvang is voor dit doel toch budget behouden. Hiermee wordt onder andere een Netwerkbureau opgericht voor een praktische en oplossingsgerichte ondersteuning van de sector ter bestrijding van de wachtlijsten.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.6 Kengetallen gemiddelde wachttijden dagopvang en buitenschoolse opvang in dagen
 1/8/20071/12/2007
Dagopvang156143
Buitenschoolse opvang196181
Bron: Voor 1/8/2007: B&A september 2007Voor 1/12/2007: B&A februari 2008  

Omdat het de verantwoordelijkheid is van de sector zelf om de wachtlijsten te minimaliseren zijn hiervoor geen streefcijfers opgenomen. Met behulp van bovenstaande kengetallen kan de ontwikkeling worden gevolgd.

Tabel 24.7 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
Percentage onderzoeken door de GGD bij kinderopvang waarin geen handhavingsinstrument hoefde te worden toegepast888893
Bron: IWI, Jaarverantwoordingtoezicht en handhaving Wet kinderopvang door gemeenten 2005, bewerkingen OCWPeildatum 2005Peildatum 2006Peildatum 2011

Toelichting:

Bij de GGD-inspecties bij kinderopvanglocaties maakt de inspecteur gebruik van het wettelijk toetsingskader. In het inspectierapport kan de GGD zonodig een voorstel opnemen aan de gemeente om een handhavingsinstrument/-maatregel toe te passen.

Tabel 24.8 Kengetal
 2005
Score proceskwaliteit3,1
Bron: Kwaliteit van kinderdagverblijven: trends in kwaliteit in de jaren 1995–2005, NCKO, augustus 2005 

Toelichting:

De score proceskwaliteit geeft de gemiddelde totaalscore aan bij 6 verschillende onderwerpen op een 7-puntsschaal, gemeten door het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO). De 6 onderwerpen betreffen: ruimte/meubilering, individuele zorg, taal, activiteiten, interacties en programma. Het onderzoek van het NCKO gaat verder dan de kwaliteitseisen die in de Wet kinderopvang worden gesteld. Zodoende is geen streefwaarde opgenomen. De volgende NCKO meting gaat over het jaar 2007 en wordt eind 2008 gepubliceerd. Naar aanleiding van het onderzoek van het NCKO heeft het kabinet het kinderopvangveld subsidie gegeven om de proceskwaliteit te verbeteren.

24.3.2 Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder (financiële) drempels voor de ouders

Motivering

Voor het verhogen van de arbeidsparticipatie in personen en uren is het van belang dat ouders geen onoverkomelijke financiële belemmeringen ervaren om gebruik te maken van kinderopvang.

Instrumenten

• kinderopvangtoeslag:

Werkende ouders ontvangen van het Rijk een bijdrage in de kosten van formele kinderopvang. De (verplichte) bijdrage van de werkgevers wordt via het Rijk aan ouders verstrekt. Ook ouders die studeren of deelnemen aan een traject gericht op toeleiding naar werk komen in aanmerking voor een vergelijkbare tegemoetkoming.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.9 Kengetallen
 2004200520062007*2008**
1. Het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang227 000256 000274 000389 000421 000
2. Het aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van kinderopvang111 000107 000122000165 000179 000

Bron: 2004: geraamde realisatie o.b.v. het aanbod van kinderopvang per eind 2004, Research voor Beleid, 2005; De klant in beeld, rapportage gebruikersonderzoek nulmeting, Vyvoj, 2005 (Tweede Kamer 2005–2006, 28 447, nr. 128).

2005–2008: Belastingdienst Toeslagen; bewerkingen OCW.

* voorlopige cijfers 2007; inclusief aanvragen die na december 2007 zijn ingediend.

** voorlopige cijfers juli 2008.

Toelichting:

Bij de invoering van de Wet kinderopvang is gekozen voor twee indicatoren om de ontwikkeling te volgen van het algemene gebruik van formele kinderopvang en het gebruik bij huishoudens tot anderhalf modaal om zo na te gaan of het gebruik door de stelselwijziging niet zou afnemen. Door het sterk toegenomen gebruik van kinderopvang, mede als gevolg van het goedkoper worden van de regeling en het vergemakkelijken voor ouders door de invoering van de verplichte werkgeversbijdrage is het formuleren van streefwaarden achterwege gelaten. OCW blijft de ontwikkeling volgen via deze kengetallen en die in tabel 24.1.

Tabel 24.10 Kengetallen200620072008*2009*
Gemiddelde uurprijs€ 5,48€ 5,70€ 5,80€ 5,80
     
Ouderbijdrage eerste kind per uur    
130% van het wettelijk minimumloon€ 0,33€ 0,35€ 0,35€ 0,46
1,5 x modaal€ 1,33€ 0,89€ 0,91€ 1,17
3 x modaal€ 3,11€ 2,30€ 2,34€ 3,02
     
Ouderbijdrage volgend kind per uur    
130% van het wettelijk minimumloon€ 0,20€ 0,21€ 0,21€ 0,21
1,5 x modaal€ 0,29€ 0,30€ 0,31€ 0,31
3 x modaal€ 0,46€ 0,48€ 0,49€ 0,49

Bron: Belastingdienst Toeslagen, bewerkingen OCW

* Voorlopige cijfers; 2009 is geschat op basis van de aanname dat de gemiddelde uurprijs niet zal stijgen.

Toelichting:

In tabel 24.10 staan de kosten van kinderopvang per uur voor ouders bij drie verschillende inkomensklassen, en de werkelijke gemiddelde uurprijs.

24.3.3 Harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen

Motivering

Het streven van het kabinet is dat er voor alle kinderen in Nederland goede opvang is in peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen en dat alle kinderen de kans krijgen hun talenten te ontwikkelen, zie ook de brief aan de Tweede Kamer van 23 mei 2008 (Tweede Kamer 2007–2008, 31 322 VIII, nr. 24). Het doel is dat in 2011 alle kinderen die het nodig hebben voor- en vroegschoolse educatie (vve) aangeboden krijgen. De vve moet van goede kwaliteit zijn en financieel toegankelijk. Het toezicht moet goed geregeld zijn, gemeenten hebben daarbij een regierol.

De harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk betreft zowel de kwaliteit als de financiering van beide voorzieningen.

Doel is een kwaliteitsverbetering van peuterspeelzalen, zodat in alle voorzieningen voor jonge kinderen dezelfde uitgangspunten voor veiligheid en gezondheid van toepassing zijn, met behoud van het specifieke karakter van peuterspeelzalen als laagdrempelige buurtvoorziening.

Instrumenten

Voor de kwaliteitsverbetering van peuterspeelzaalwerk worden de volgende maatregelen ingezet:

• landelijk geldende kwaliteitseisen vanaf 2010 over ondermeer professionalisering van het personeel;

• afschaffen van het zogenaamde ambitieniveau 0 (alleen inzet van vrijwilligers), er moet minimaal één leidster aanwezig zijn die professioneel geschoold is;

• leidster/kind ratio van 1:8 (in 2011), dat wil zeggen dat er minimaal één leidster op 8 kinderen aanwezig is;

• landelijk geregeld toezicht.

Uit de enveloppe Kinderopvang is vanaf 2009 structureel € 5 miljoen beschikbaar voor de verhoging van het ambitieniveau van 0 naar 1. Er is structureel € 30 miljoen beschikbaar voor het gelijktrekken van de leidster-kind ratio in het peuterspeelzaalwerk naar het niveau van kinderopvang (voor kinderen in dezelfde leeftijdgroep).

Voor de harmonisatie van de financiering is uit de enveloppe Kinderopvang vanaf 2009 structureel € 20 miljoen beschikbaar, zodat de ouderbijdrage voor ouders, waarvan hun kind in de peuterspeelzaal gebruik maakt van vve, op het niveau komt van de ouderbijdrage voor kinderopvang. Uitvoering hiervan gebeurt door de gemeenten.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.11 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste WaardeStreefwaarde Peildatum 1Streefwaarde Peildatum 2
Percentage doelgroepkinderen onder 2- en 3-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve-programma465770100
Bron: 2005: Quick scan vve, Sardes; 2006: Landelijke monitor voor- en vroegschoolse educatie 2007, SardesPeildatum 2005Peildatum 2007Peildatum 2009Peildatum 2011

Toelichting:

Deze indicator betreft het vve-bereik onder doelgroepkinderen vanaf 2,5 jaar tot 4 jaar. De doelgroep bestaat uit achterstandsleerlingen op basis van de gewichtenregeling. Het gaat om kinderen die een risico hebben op een taalachterstand in het Nederlands door een gebrek aan taalaanbod in de omgeving waarin zij opgroeien. Op beleidsartikel 1, Primair Onderwijs, is deze indicator voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar opgenomen. Het is de bedoeling dat het percentage doelgroepkinderen in de leeftijd van 2 tot en met 5 jaar, dat feitelijk deelneemt aan de voor- of vroegschool in deze kabinetsperiode groeit naar 100%. Voor de vier grote steden geldt dat deze doelstelling al in 2009 gehaald moet worden. Hierbij moet worden bedacht dat een bereik van 100% nooit helemaal realiseerbaar is. Langdurig zieke kinderen, kinderen met een geestelijk en/of (zware) lichamelijke handicap of kinderen die door de ouders om principiële redenen worden thuis gehouden kunnen namelijk niet deelnemen aan een vve-programma.

24.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

In 2012 vindt een nieuwe beleidsdoorlichting plaats op het beleidsterrein «kinderopvang/vve».

Tabel 24.12 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting Kinderopvang/VVEADA: 2012B: 2013 
Effectenonderzoek ex postInzet gemeenten wegwerken wachtlijstenOD 1A: 2008B: 2009 
 Evaluatie Innovatieve gastouderopvangOD 1A: 2008B: 2008 
 Kosten toezicht en handhavingOD 1A: 2008B: 2008 
 CBS-monitor KinderopvangOD 2A: 2009B: 2010 
 CPB ramingen en arbeidsparticipatieOD 2A: 2008B: 2008 
Overig evaluatieonderzoekOorzaken groeiOD 2A: 2008B: 2008 
 Trends peuterspeelzaalwerkOD 3A: 2008B: 2008 

ARTIKEL 25. EMANCIPATIE

25.1 Algemene doelstelling:

A. Gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannen.

B. Gelijke behandeling en sociale acceptatie van homoseksuelen.

Omschrijving

Het Verdrag van Amsterdam (art. 13) en de Algemene Wet Gelijke Behandeling vormen het juridische kader voor het emancipatiebeleid en homo-emancipatiebeleid in Nederland. Hierin is het recht op gelijke behandeling ongeacht geslacht en seksuele geaardheid vastgelegd. Daarnaast is het VN Vrouwenverdrag belangrijk. Dit verdrag verplicht lidstaten tot gelijkheid van vrouwen en mannen voor de wet en tot het realiseren van gelijkheid voor vrouwen en mannen in de praktijk op alle maatschappelijke terreinen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar:

• Uitbannen van discriminatie naar geslacht en seksuele geaardheid;

• Verbeteren van de positie van meisjes en vrouwen;

• Veranderen van stereotype beeldvorming.

In het Beijing Platform for Action (1995) zijn hier internationaal afspraken over gemaakt. Deze zijn voor Nederland uitgewerkt in het nationale emancipatiebeleid.

Het kabinet heeft eind 2007 twee nieuwe emancipatienota’s gepresenteerd: de nota «Meer kansen voor vrouwen», over het emancipatiebeleid in de periode 2008–2011 (TK 2007/2008, 30 420, nr. 50) en de nota «Gewoon homo zijn», over het lesbisch- en homo-emancipatiebeleid in de periode 2008–2011 (TK 2007/2008, 27 017, nr. 33).

Het kabinet geeft hiermee een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en stelt hiervoor een extra bedrag van € 2 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 10 miljoen in 2011, beschikbaar. Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het aanjagen en ondersteunen van:

1. het emancipatiebeleid op de departementen;

2. het emancipatieproces in de samenleving.

Ieder departement is verantwoordelijk voor het emancipatiebeleid op het eigen beleidsterrein. De verdeling van de verantwoordelijkheden is in een brief aan de Tweede Kamer verder uiteengezet(Tweede Kamer 2007/2008, 30 420, nr. 61). De bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid zijn opgenomen in de nieuwe emancipatienota’s en via aparte brieven door de eerstverantwoordelijke bewindspersonen aan de Tweede Kamer verzonden.

De verantwoording aan de Tweede Kamer over de behaalde resultaten vindt plaats:

Ad 1.

• via de jaarlijkse begrotingen van de departementen;

• via een midterm review in 2010.

Ad 2.

• tweejaarlijks via de emancipatiemonitor;

• tweejaarlijks via de homo-emancipatiemonitor;

• tweejaarlijks via een gemeentemonitor homo-emancipatie.

Externe factoren

Behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• bestuurlijke inzet;

• individuele en collectieve initiatieven;

• maatschappelijk draagvlak;

• economische conjunctuur.

Tabel 25.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 2011
Arbeidsparticipatie van vrouwen54% (2004)58% (2007)> 65%
Toelichting; Arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van ten minste twaalf uur per week   
Bron: CBS, EBB module -arbeid en zorg; CBS, Statline   
Vrouwen in topposities (rijksoverheid)12% (2004)17% (2006)25%
Toelichting; het aandeel van vrouwen in de ambtelijke top (=hoge ambtenaren schaal 15–17)   
Bron: Ministerie van BZK   
Ongelijke beloning van mannen en vrouwen (overheid)4% (2004)2%
Toelichting: het gecorrigeerde beloningsverschil tussen vrouwen en mannen bij de overheid   
Bron: Emancipatiemonitor2006   
Economische zelfstandigheid vrouwen42% (2004)60%
Toelichting: in het emancipatiebeleid is een persoon economisch zelfstandig wanneer hij of zij 70% van het wettelijk minimumloon (wml) verdient   
Bron: Emancipatiemonitor 2006   
Sociale acceptatie van homoseksuelen85% (2006)> 85%
Bron: SCP   

25.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 25.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 25 (x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen12 86822 52116 19613 14012 73416 65116 652
Totale uitgaven14 23214 62016 96116 62516 45916 65116 652
        
Programma-uitgaven:12 17712 47614 98814 71614 72814 92014 921
Emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen 1 7791 6802 7042 7042 7042 704
Stimuleringsuitgaven:       
Emancipatie algemeen 1 2791 1802 2042 2042 2042 204
Onderzoek 500500500500500500
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving 8 55811 2149 9189 9309 6829 683
Subsidies       
Kennisinfrastructuur 3 0003 0003 0003 0003 0003 000
Emancipatieprojecten 5 5588 2146 9186 9306 6826 683
        
Homo-emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen 500500500500500500
Stimuleringsuitgaven:       
Homo-emancipatie algemeen 500500500500500500
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving 1 6391 5941 5941 5942 0342 034
Subsidies:       
Homo-emancipatie 1 6391 5941 5941 5942 0342 034
        
Apparaatsuitgaven2 0552 1441 9731 9091 7311 7311 731
Ontvangsten84      

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 25 enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 2 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 10 miljoen in 2011. Vanaf 2010 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Met de oploop van deze middelen worden onder andere de volgende maatregelen voorzien:

• kennisinfrastructuur (homo)emancipatie;

• project tijdenbeleid 7 tot 7;

• project 1001Kracht;

• stimulering (homo)emancipatie.

Tabel 25.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 200820092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)12 47614 98814 71614 72814 92014 921
Totaal juridisch verplicht5 0004 5004 0003 5003 5003 500
Totaal bestuurlijk gebonden7 47610 48810 71611 22811 42011 421
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden      
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen      
• Juridisch verplicht000000
• Bestuurlijk gebonden2 2792 1803 2043 2043 2043 204
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden      
       
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving      
• Juridisch verplicht5 0004 5004 0003 5003 5003 500
• Bestuurlijk gebonden5 1978 3087 5128 0248 2168 217
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden      

25.3 Operationele doelstellingen

25.3.1 Het ontwikkelen en verankeren van emancipatiebeleid op de departementen

Motivering

Het onderkennen van en rekening houden met verschillen tussen burgers, waaronder verschillen in sekse en seksuele geaardheid, leidt tot een verhoging van de kwaliteit en de effectiviteit van het beleid.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Een nieuwe emancipatienota en homo-emancipatienota waarin bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid zijn opgenomen.

• Afspraken met de departementen over (homo)emancipatie in nationaal en internationaal beleid.

• Een midterm review in 2010 op het emancipatiebeleid van de departementen.

• Internationale rapportages over de implementatie en uitvoering van verdragsbepalingen, Europese afspraken en richtsnoeren. De minister zal elke vier jaar aan de VN rapporteren over de voortgang in het kader van de implementatie van het VN Vrouwenverdrag.

Tabel 25.4 Indicatoren
Prestatie-indicatorLaatste waardeStreven 2009Streven 2011
Aantal departementen dat concrete doelen en acties op het emancipatieterrein heeft geformuleerd   
Bron: Emancipatienota 200713 (2008)1313
Aantal departementen waarmee afspraken zijn gemaakt   
Bron: OCW administratie13 (2008)1313

Toelichting:

De betreffende 13 departementen hebben inmiddels concrete doelen en acties op het emancipatieterrein geformuleerd en naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar aanleiding van de midterm review in 2010 worden deze doelen en acties geactualiseerd.

In 2008 zijn er met alle departementen afspraken gemaakt over de door hen gewenste samenwerking. Op basis van de midterm review wordt de stand van zaken opgemaakt en worden zo nodig nieuwe samenwerkingsafspraken gemaakt.

25.3.2 Het stimuleren en ondersteunen van het emancipatieproces in de samenleving

Motivering

Emancipatie levert een belangrijke bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling van burgers, aan respect voor individuele verschillen en aan de kwaliteit van de samenleving.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Taskforce Deeltijdplus gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zowel het vergroten van het aantal uren per week als het bevorderen van arbeidsdeelname van niet-werkende vrouwen.

• Kennisinfrastructuur om overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen te ondersteunen bij de ontwikkeling en implementatie van het emancipatie- en homo-emancipatiebeleid.

Het subsidieplafond genoemd in artikel 2.6 van de Subsidieregeling emancipatieprojecten (Staatscourant, 14 juli 2008, nr. 133) is maximaal:

– € 1 865 000 voor het Kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit E-Quality.

– € 1 681 250 voor de Stichting Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging.

– € 50 000 voor de Stichting Her world.

– € 300 000 voor de Federatie van Nederlandse Verenigingen tot Integratie van Homoseksualiteit COC Nederland.

– € 100 000 voor de Stichting Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief.

• Bestuurlijke afspraken met provincies en gemeenten over de ontwikkeling en implementatie van emancipatie- en homo-emancipatiebeleid.

• Landelijke uitrol van het project 1001Kracht gericht op het vergroten van de maatschappelijke participatie van 50 000 vrouwen uit etnische minderheden.

• Project koplopers tijdenbeleid 7 tot 7 gericht op het bevorderen van betere combineerbaarheid van arbeid en zorg.

• Stimulering en ondersteuning emancipatie en homo-emancipatie.

Tabel 25.5 Meetbare gegevens
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste waardeStreven 2009Streven 2011
Aantal bestuurlijke afspraken met gemeenten over emancipatiebeleid0 (2007)29 (2008)25
Aantal gemeenten dat participeert in project 1001Kracht6 (2007)15 (2008)1525
Aantal koplopers tijdenbeleid 7 tot 76 (2007)14 (2008)1525
Bron: OCWadministratie    
Toelichting: De streefwaarden zijn opgenomen in de nota «Meer kansen voor vrouwen» (TK 2007/2008, 30 420, nr. 50)    
Aantal gemeenten met homo-emancipatiebeleid    
Toelichting: Het aantal gemeenten dat actief ( = twee of meer beleidsmaatregelen) homo-emancipatiebeleid voert42 (2006)42 (2006)4650
Bron: SCP    

Toelichting:

Het ministerie van OCW kiest ervoor om het aantal bestuurlijke afspraken en niet het aantal deelnemers als streefcijfer op te nemen omdat hier een vrij directe invloed op kan worden uitgeoefend, door middel van directe contacten en onderhandelingen met gemeenten, provincies en andere partijen. Het ministerie van OCW kan niet rechtstreeks invloed uitoefenen op het aantal personen dat met de afspraken en met stimulering van emancipatie wordt bereikt.

Voor het project 1001Kracht wordt in beeld gebracht hoeveel mensen worden bereikt. Deze gegevens zijn in 2011 beschikbaar.

25.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Tabel 25.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie subsidieregeling emancipatieprojecten A. 2008B. 20081
 Evaluatie E-Quality A. 2007B. 20082
 Evaluatie Dagindeling ESF-3 A. 2007B. 2008