Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

nr. 2MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgaveblz.
  
A. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingsvoorstel2
Leeswijzer3
  
B. De Begrotingstoelichting6
Artikel 1 Gezin en inkomen16
Artikel 2 Gezond opgroeien21
Artikel 3 Zorg en bescherming28
Niet-beleidsartikel 98: Algemeen38
Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien39
Bedrijfsvoeringsparagraaf40
Verdiepingshoofdstuk41
ZBO’s en RWT’s49
Moties50
Toezeggingen52
Afkortingenlijst54
Trefwoordenregister55

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet (CW) elk afzonderlijk bij wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de begroting voor Jeugd en Gezin voor het jaar 2009 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2009. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2009.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2009 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

LEESWIJZER

Voor u ligt de begroting van Jeugd en Gezin 2009. Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

• de beleidsagenda;

• de beleidsartikelen;

• niet-beleidsartikelen;

• de bedrijfsvoeringsparagraaf;

• het verdiepingshoofdstuk.

De beleidsagenda geeft kort de beleidsprioriteiten voor 2009 weer. Deze prioriteiten zijn verder uitgewerkt in de zogenoemde beleidsartikelen. De beleidsartikelen bestaan uit:

• een algemene beleidsdoelstelling;

• een omschrijving van de belangrijkste beleidsonderwerpen in 2009;

• een beschrijving van de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin;

• een beschrijving van de externe factoren;

• prestatie-indicatoren bij doelstelling;

• een tabel met daarin de budgettaire gevolgen van beleid;

• de operationele doelstelling(en);

• een overzicht met het geplande onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid.

Behalve drie beleidsartikelen bevat deze begroting ook twee niet-beleidsartikelen (artikel 98 en artikel 99). De opbouw van deze niet-beleidsartikelen wijkt af van de hierboven genoemde beleidsartikelen: op artikel 98 is de verzameluitkering van Jeugd en Gezin verantwoord. Op artikel 98 zijn geen apparaatsuitgaven verantwoord omdat deze op de begrotingen van VWS, Justitie, SZW en OCW worden verantwoord. Zo worden de apparaatsuitgaven van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verantwoord op de begroting van SZW, en staan de uitgaven voor de kinderbijslag (de AKW) op de begroting van Jeugd en Gezin. Artikel 99 ten slotte is een technisch-administratief artikel.

Budgetflexibiliteit

In de artikelsgewijze toelichting wordt in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» inzicht gegeven in de budgetflexibiliteit. Daarbij worden de verplichtingen gekarakteriseerd aan de hand van de categorieën «Juridisch verplicht», «Bestuurlijk gebonden» en «Niet juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden».

De categorie «Juridisch verplicht» bestaat uit verplichtingen waar een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijke beschikking of een wettelijke regeling aan ten grondslag ligt.

De categorie «Bestuurlijk gebonden» bestaat uit verplichtingen waaraan afspraken ten grondslag liggen tussen verschillende ministeries, tussen de minister voor Jeugd en Gezin en andere bestuurslagen of in het kader van de jaarplancyclus met (uitvoerings)organisaties die bij het jeugd- en gezinsbeleid een rol spelen.

De categorie «Niet juridisch verplicht of niet bestuurlijk gebonden» bestaat uit geraamde uitgaven waarvoor de minister voor Jeugd en Gezin in het kader van zijn beleidsprogramma uitgaven heeft geoormerkt. Echter, een privaatrechtelijke overeenkomst, een publiekrechtelijk beschikking, interdepartementale afspraken, afspraken met andere bestuurslagen of met betrokken organisaties zijn nog niet gemaakt.

Na de beschrijving van de beleidsinstrumenten per operationele doelstelling is een tabel opgenomen met een overzicht van de belangrijkste begrotingsuitgaven. Na deze tabel volgt een tabel met meetbare gegevens bij de operationele doelstelling.

Begrotingsuitgaven en premiegefinancierde zorguitgaven

In de begroting zijn alle begrotingsgefinancierde uitgaven verantwoord. De betrokkenheid van de minister voor Jeugd en Gezin gaat echter verder. Beleidsmatig vallen namelijk ook de zorg voor jeugd-licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-lvg) en de jeugd-geestelijke gezondheidszorg (jeugd-ggz) onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin.

Budgettair gezien vallen deze uitgaven onder het zogenoemde Budgettair Kader Zorg (BKZ). In de premietabellen in artikel 42 Gezondheidszorg en artikel 43 Langdurige zorg van de begroting van VWS, maken deze jeugdgerelateerde uitgaven aan lichtverstandelijk gehandicapten en de geestelijke gezondheidszorg integraal onderdeel uit van de aldaar gepresenteerde uitgaven.

Prestatie-indicatoren

De begroting voor Jeugd en Gezin kent drie beleidsartikelen met drie algemene doelstellingen. De algemene doelstellingen zijn bij alle drie de beleidsartikelen geformuleerd in termen van het maatschappelijk resultaat, dat we uiteindelijk willen bereiken. Het is de vertaling in doelstellingen en indicatoren van de missie van programma «Alle kansen voor alle kinderen» dat elk kind gezond en veilig kan opgroeien, zijn talenten kan ontwikkelen en een bijdrage levert aan de maatschappij, en goed voorbereid is op de toekomst.

De operationele doelstellingen presenteren vervolgens de ambitie van de minister voor Jeugd en Gezin. Daarin staat wat hij gaat doen, en welke beleidsresultaten hij wil bereiken. Aan deze beleidsresultaten, gemeten met de prestatie-indicatoren heeft de minister zich verbonden in het beleidsprogramma «Alle kansen voor alle kinderen». Het uitgangspunt is, dat het beleid zoals geformuleerd onder de operationele doelstellingen, bijdraagt aan het maatschappelijk resultaat. Het maatschappelijk resultaat wordt daarnaast beïnvloed door vele andere factoren, zoals het beleid van andere ministers, provincies en gemeenten, het gedrag van ouders, kinderen, de economische ontwikkeling.

Bij het opstellen van deze begroting zijn prestatie-indicatoren die in de begroting 2008 in ontwikkeling waren, nu ingevuld en andere toegevoegd.

Comply or explain per artikel

Artikel 1: Gezin en inkomen

Voor het jaar 2009 is geen prestatie-indicator geformuleerd. Voor de Wet op het kindgebonden budget zijn geen prestatie-indicatoren geformuleerd omdat de situatie rondom het kindgebonden budget nog in ontwikkeling is. Wordt het budget in 2008 nog toegekend per huishouden, in 2009 zal dat per kind zijn. Daarnaast is voorgenomen om per 2010 de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en het kindgebonden budget te integreren.

Artikel 2: Gezond opgroeien

De prestatie-indicatoren in artikel 2 zijn afkomstig uit het programma «Alle kansen voor alle kinderen».

Artikel 3: Zorg en bescherming

De prestatie-indicatoren in artikel 3 zijn afkomstig uit het programma «Alle kansen voor alle kinderen».

Verantwoordelijkheden

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het zorg dragen voor een kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en maatschappelijk betrokken burgers. De minister heeft in tegenstelling tot vorige bewindslieden voor jeugdbeleid, een directe verantwoordelijkheid over relevante deelterreinen, die van oudsher bij verschillende departementen gepositioneerd zijn. Van jeugdzorg tot jeugdbescherming, van jeugdgezondheidszorg tot zorg om de school, van het arbeidsmarktbeleid voor jeugdigen tot het gezinsbeleid.

De minister voor Jeugd en Gezin staat voor alle jeugd en alle gezinnen in Nederland. Daardoor is sprake van een integrale benadering vanuit het belang en het perspectief van ouders en kinderen. De minister kan iedereen hierop aanspreken, medebewindspersonen, mede-overheden, organisaties, professionals, ouders en de jeugd zelf.

De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn. Een en ander is vervolgens nader toegelicht (Kamerstuk 2006–2007, 31 001, nr. 3).

De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij het beleid ten aanzien van de Wet Maatschappelijke Opvang (WMO), Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), kinderopvang, voorschoolse opvang, leerlinggebonden financiering, de regeling Tegemoetkoming Onderhoudskosten Thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG-regeling) en preventie in het SZW-domein, interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering, aanpak jeugdcriminaliteit, strafzaken Raad voor de Kinderbescherming, Halt, Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) en jeugdreclassering en huiselijk geweld.

Medebetrokkenheid in deze impliceert dat de minister voor Jeugd en Gezin door de primair verantwoordelijke bewindspersonen op deze terreinen actief geïnformeerd wordt over en vanuit het kabinet als eerste betrokken wordt bij beleidsonderwerpen en dossiers die raken aan de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin voor een integraal jeugd- en gezinsbeleid. Ook houdt dit in dat de minister voor Jeugd en Gezin pro-actief alle zaken aankaart bij zijn collega-bewindspersonen, en bij bovengenoemde onderwerpen in het bijzonder, die hij in het belang van de jeugd en het gezin acht.

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

Beleidsagenda

Ambitie

In het Beleidsprogramma heeft het kabinet gesteld dat het vergroten van de kracht en de kwaliteit van de samenleving (sociale samenhang) in ons land een centrale opgave is. Daarom wil het kabinet investeren in onderlinge betrokkenheid van mensen in hun leefomgeving, in wijken, buurten en dorpen. Samenleven, elkaar respecteren en het leren van gemeenschappelijke waarden begint al in het gezin: hier zijn mensen elkaar tot steun en worden kinderen opgevoed. Ook goed onderwijs draagt hieraan bij, net als goed samenwerkende organisaties voor jeugdzorg en jeugdbescherming.

Jeugd en Gezin

Het Programmaministerie voor Jeugd en Gezin levert derhalve een cruciale bijdrage aan het vergroten van de sociale samenhang. Daarom staat in het jeugd- en gezinsbeleid het vergroten van het vermogen om kinderen en jeugdigen te verzorgen en op te voeden centraal, zodat zij gezond en veilig kunnen opgroeien, hun talenten kunnen ontwikkelen en plezier hebben, hun steentje leren bijdragen aan de maatschappij en goed voorbereid zijn op de toekomst. Dat is de missie van het programma «Alle Kansen voor Alle Kinderen», dat in juni 2007 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Deze missie geldt voor allen die – professioneel of persoonlijk – met jeugd te maken hebben.

Gezond opvoedingsklimaat

De primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding ligt bij ouders van kinderen, al spelen anderen in de omgeving ook een rol. Met een gezinsvriendelijk beleid wil de minister voor Jeugd en Gezin voorwaarden scheppen die ertoe bijdragen dat kinderen van jongs af aan zelfvertrouwen, weerbaarheid en verantwoordelijkheidsgevoel meekrijgen. Een goed en gezond opvoedklimaat is in ieders belang: het verkleint de kans dat het kind ontspoort, en voorkomt dus hoge maatschappelijke kosten. Preventie krijgt daarom veel nadruk in het jeugd- en gezinsbeleid.

Hoewel het met een groot deel van de jeugd in Nederland goed gaat, mogen we niet tevreden achterover leunen. Helaas komen geregeld gezins- en opgroeisituaties voor, die krachtig ingrijpen door overheid en hulpverlening noodzakelijk maken. De zogeheten multi-probleemgezinnen vereisen een doortastende en samenhangende aanpak, waarbij het lokaal bestuur leidend is. Het motto hierbij is «één gezin, één plan».

Integraal

Problemen en mogelijkheden waarmee kinderen en hun ouders in hun leven te maken hebben, zijn nauw met elkaar verweven. Het beroep op alle typen zorg neemt van jaar tot jaar toe. Daarom moeten de beleidskokers worden verlaten: beleid op het gebied van arbeidsparticipatie, onderwijs, gezin, mantelzorg, levensloop en jeugd dient onderling afgestemd te zijn ten behoeve van de mensen om wie het gaat. De minister voor Jeugd en Gezin is om die reden medebetrokken bij beleidsinitiatieven van collega’s om integraliteit van beleid te bevorderen.

In «Alle Kansen voor Alle Kinderen» staan de ambities van de minister voor Jeugd en Gezin geschetst langs de volgende lijnen:

• Gezinnen steunen in hun belangrijke taak in opvoeding en samenleving

• Sterk inzetten op het voorkómen van problemen

• Ongewenste situaties niet laten voortduren.

In 2007 en 2008 is er veel in gang gezet. In 2009 gaan de ingezette maatregelen steeds meer winst opleveren en effect sorteren. Deze beleidsagenda beschrijft waar we staan, en wat de minister voor Jeugd en Gezin in 2009 doet om de eigen kracht van gezinnen en jongeren te versterken, om bijtijds risico’s te signaleren en om snel hulp te bieden. Hierbij wordt steeds bewaakt dat de regeldruk voor instellingen, professionals en gezinnen vermindert.

Het gezin

Het gezin, in al zijn diversiteit, is de belangrijkste plek waar kinderen opgroeien. In de meeste gezinnen ervaart men liefde, respect en saamhorigheid. Ze zijn onmisbaar voor een stabiele en vitale samenleving. Gezinnen verdienen onze steun, zoals is uitgewerkt in de nota gezinsbeleid, die eind 2008 verschijnt. In 2009 wordt het systeem van kindgebonden budget verder verbeterd voor financiële ondersteuning van gezinnen. Er worden debatten georganiseerd over opvoeding en via de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) en digitaal komt opvoedingsinformatie en -advisering beschikbaar. Het ouderschapsverlof wordt flexibeler. In samenwerking met de sociale partners wordt nagegaan hoe gezinsvriendelijkheid en bedrijfsresultaat hand in hand kunnen gaan.

Extra geld voor gezinnen

Kindgebonden budget

Ouders krijgen via de kinderbijslag een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van hun kinderen. De hoogte daarvan is niet afhankelijk van het inkomen. Om gezinnen met lagere inkomens financieel extra te ondersteunen in hun opvoedingstaken is in 2008 de kindertoeslag geïntroduceerd. Gezinnen met lagere inkomens krijgen een tegemoetkoming waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen (dus niet van het aantal kinderen). Deze kindertoeslag wordt in 2009 vervangen door het kindgebonden budget: een bedrag per kind. Het bedrag voor het eerste kind is hoger dan voor het tweede kind; het bedrag voor het tweede kind is hoger dan voor het derde kind enz. Dit betekent een aanzienlijke verbetering van de financiële positie van gezinnen met kinderen.

Informatie over opvoeding

Opvoedingsinformatie en -advies

Opvoeden is van alledag. Het is de taak van de ouders. De belangstelling voor opvoeding neemt toe. Ouders zoeken antwoorden op hun opvoedingsvragen. Dat kan gaan over het omgaan met internet, over de puberteit, over de verzorging van baby’s, over of je je mag bemoeien met de opvoeding van de kinderen van de buren. Ouders kunnen met hun vragen over opvoeding in toenemende mate in de buurt terecht bij een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), zowel individueel als via groepsbijeenkomsten. Via de Brede Doeluitkering komt € 46 miljoen extra beschikbaar en gemeenten leggen via het gemeentefonds ook € 50 miljoen bij (zie ook bij Omslag naar preventie). Met dit geld wordt in 2009 aan duizenden extra ouders met vragen opvoedinformatie, -advies en pedagogische hulp geboden. Ook worden de mogelijkheden voor opvoedinformatie langs digitale weg uitgebreid, waar ouders zelf antwoorden kunnen vinden.

Debatten over opvoeding

Ter stimulering van het publieke debat over opvoeding zal in 2009 een startconferentie worden georganiseerd, waarna het op lokaal niveau een vervolg kan krijgen. Professionals, ouders en jongeren kunnen zo samen zoeken naar antwoorden op actuele opgroei- en opvoedingsvragen.

Opvoeden en werken

Ouderschapsverlof

Om moeders én vaders beter in de gelegenheid te stellen om tijd voor hun gezin te hebben, wordt het ouderschapsverlof geflexibiliseerd en de ouderschapsverlofkorting wordt losgekoppeld van de levensloopregeling. De uitwerking hiervan zal in de nota gezinsbeleid een plaats krijgen.

Gezinsvriendelijke bedrijven

De combinatie van opvoeden en werken levert nogal eens hoofdbrekens op. Op basis van voorbeelden uit binnen- en buitenland gaat het kabinet, met werkgevers- en werknemersorganisaties, na welke nieuwe mogelijkheden er zijn om via «gezinsvriendelijke bedrijven» zowel (jonge) ouders meer kansen te bieden de gezinstaken goed te kunnen uitvoeren als de deelname aan de arbeidsmarkt te bevorderen.

Omslag naar preventie

De omslag naar preventie wordt in 2009 met kracht doorgezet. Het kabinet wil ernstige opvoedingsproblemen voorkomen door ouders beter te informeren, adviseren en steunen bij opvoedingvragen. Dit wordt vooral zichtbaar door de resultaten die gemeenten neerzetten: het ontwikkelen van de Centra voor Jeugd en Gezin, uitbreiding van informatie, advies en steun bij de opvoeding, meer zorgadviesteams (ZAT), vroege signalering van problemen, en het goed implementeren van hulpmiddelen zoals het Elektronisch Kinddossier (EKD) en de Verwijsindex Risicojongeren (VIR). Er start een gerichte aanpak om ook migrantenkinderen en -ouders te bereiken via het gemeentelijk jeugdbeleid. De gemeentelijke aanpak van kindermishandeling is gericht op voorkomen en vroeg signaleren. En we spreken de jeugd zelf aan om bij te dragen aan het gezond opgroeien. Ook dat is preventie!

Kabinetsproject Kansen voor Kinderen

In 2011 functioneert tenminste één Centrum voor Jeugd en Gezin in alle gemeenten, die in 2007 een consultatiebureau hebben, en zijn de relevante geldstromen gebundeld.

Kabinetsdoelstelling 30: In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund
Gerealiseerd in 2007Beoogde resultaten in 2008Beoogde resultaten in 2009Te vinden onder Operationele Doelstelling
Voorlopers50 gemeenten met CJG125 gemeenten met CJG2.1
 Relevante geldstromen zijn gebundeld in Brede Doeluitkering  

Centra voor Jeugd en Gezin

Centra voor Jeugd en Gezin

Het kabinet en de gemeenten willen dat in 2011 elke gemeente die nu een consultatiebureau heeft een CJG heeft. Kleine gemeenten en dorpskernen kunnen hiervoor onderlinge samenwerking zoeken. In grotere gemeenten zijn meerdere inlooppunten nodig. Hiermee moeten alle ouders en kinderen laagdrempelig en dicht in de buurt terecht kunnen met hun opvoedingsvragen. Begin 2008 was in 70 procent van de gemeenten al een CJG in ontwikkeling, eind 2008 zijn circa 50 CJG’s operationeel. In 2009 groeit dit aantal naar verwachting tot 125. Een CJG is er niet alleen om meer ouders en kinderen te bereiken met advies en opvoedingsondersteuning, maar ook om de samenwerking tussen de partijen die betrokken zijn bij jongeren en gezinnen te verbeteren. In 2009 wordt daarvoor de rol van gemeenten voor de coördinatie van zorg wettelijk vastgelegd.

Zorg- en Advies Team (ZAT)

ZAT’s

Problemen van kinderen en jongeren komen tot uiting op school, thuis of op straat. Om snelle en goede hulp te bieden zijn zorg- en adviesteams (ZAT’s) rondom het onderwijs ontstaan. Hiermee bieden zorg- en ondersteuningsprofessionals hulp aan jeugdigen en hun ouders. In 2009 moet 72% (was 60% in 2007) van het Primaire Onderwijs, 94% (was 92% in 2007) van het Voortgezet Onderwijs en 82% (was 75% in 2007) van het Middelbaar Beroepsonderwijs een ZAT hebben. Om gemeenten, scholen, provincies en hulpverlening te ondersteunen stelt het kabinet tot en met 2011 jaarlijks € 1,75 miljoen beschikbaar (via de begroting van OCW).

Elektronische hulpmiddelen

Elektronisch Kinddossier

In 2009 start een landelijk werkend Elektronisch kinddossier (EKD) in de jeugdgezondheidszorg. Het EKD ondersteunt het werk van zorgverleners; door het digitaliseren van de huidige papieren dossiers is betere overdracht van informatie mogelijk. Hiermee worden risico’s sneller gesignaleerd en kan sneller actie worden ondernomen. Het EKD voorkomt dat kinderen buiten het zicht van de zorgverleners terechtkomen, bijvoorbeeld in geval van verhuizing naar een andere gemeente.

Begin 2009 wordt de digitaliseringsplicht van kracht. Via de Wet Publieke Gezondheid krijgen gemeenten de plicht te zorgen dat de Jeugdgezondheidszorg-instellingen digitale dossiers gebruiken. In de loop van het jaar zijn landelijke standaarden voor digitale pakketten beschikbaar; eind 2009 is het mogelijk gegevens uit te wisselen, bijvoorbeeld in geval van verhuizing naar een andere gemeente.

Verwijsindex risicojongeren

De «Verwijsindex risicojongeren» is een landelijk elektronisch systeem waarin professionals jongeren (tot 23 jaar) over wie men zich ongerust maakt aanmelden. Zo worden professionals die zorgen hebben over één jongere met elkaar in contact gebracht, en kunnen ze afspraken maken over de juiste aanpak. De Verwijsindex wordt in 2009 wettelijk vastgelegd en gestart. Jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg, (gezondheids)zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, justitie & politie, en werk & inkomen kunnen gebruikmaken van de Verwijsindex.

Voor de implementatie van de Verwijsindex en het EKD is in 2009 € 10 miljoen beschikbaar, oplopend tot € 20 miljoen in 2011.

Diversiteit

Migrantenouders en -kinderen eerder bereiken

Migrantenouders en -kinderen zijn oververtegenwoordigd in de zware jeugdzorg en de jeugdcriminaliteit, en tegelijk maken ze minder gebruik van opvoedingsondersteuning en algemene jeugdvoorzieningen. Diversiteit in het jeugdbeleid richt zich op het eerder en beter bereiken van migrantenkinderen en hun ouders, zodat de kinderen goede ontwikkelkansen krijgen. Dat gebeurt door de huidige kennis te bundelen en over te dragen naar de professionals en de opleidingen. Ook worden regionale «academische werkplaatsen» opgezet. Hier werken professionals, jeugdorganisaties, gemeenten, universiteiten en een multi-etnisch coachingsteam samen om te komen tot praktische en bewezen effectieve aanpakken. De beleidsbrief «Diversiteit in het Jeugdbeleid», die in juli 2008 door de ministers voor Jeugd en Gezin en voor Wonen, Wijken en Integratie (WWI) naar de Tweede Kamer is gezonden, schetst de aanpak hiervoor. ZonMw start de uitvoering van het plan begin 2009. Er is in totaal € 10 miljoen voor beschikbaar, waarvan € 3 miljoen in 2009.

De jeugd zelf

Gezonde jeugdcultuur

Ouders en jongeren zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor een lichamelijk en geestelijk gezonde leefstijl. Het merendeel van de jongeren is heel goed in staat om zelf, al dan niet met een klein beetje hulp, uitdagingen in het leven aan te gaan en het hoofd te bieden. De overheid is ondersteunend door de keuze voor gezond leven makkelijker te maken. Jongeren die hun experimenteergedrag niet in de hand kunnen houden, hebben snel hulp nodig. De aanpak van schadelijk alcoholgebruik door jongeren blijft prioriteit houden. In 2009 zal de opvoedingsondersteuning voor ouders worden gecontinueerd. Ook zal het kabinet een wijzigingvoorstel Drank- en Horecawet aan de Kamer aanbieden. Het toezicht op de naleving van de leeftijdsgrenzen voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken zal verder worden geïntensiveerd.

Eind 2008 verschijnt de nota over gezonde jeugdcultuur, waarin aandacht voor preventie van schade, bevordering van gezond gedrag en van participatie door jongeren wordt gevraagd.

Jongeren denken en doen mee

Goed opgroeien vergt een stimulerende, kindvriendelijke en veilige leefomgeving. Het is van belang om de potentie van de jeugd hierbij te benutten en het actief meedoen van jongeren te stimuleren. Goede voorbeelden worden verder verspreid. Een bijzonder initiatief is Your World, Rotterdam Europese Jongerenhoofdstad 2009, met als speerpunten:

• versterking van de participatie van jongeren,

• het verkleinen van de afstand tussen jong en oud, autochtoon en allochtoon,

• het bevorderen van een evenwichtiger beeldvorming over jeugd.

De wijkaanpak

Leren en Opgroeien is één van de vijf thema’s die centraal staan in het Actieplan Krachtwijken. De problemen op dit terrein zijn in een groot deel van de 40 krachtwijken (sterk) bovengemiddeld. Jeugd en Gezin neemt actief deel aan de uitvoering van het Actieplan Krachtwijken voor het aspect opgroeien. Dan gaat het om: Centra voor Jeugd en Gezin, ontkokering van de aanpak rond multiprobleemgezinnen en kindvriendelijke wijken.

Kabinetsdoelstelling 32: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.
Gerealiseerd in 2007Beoogde resultaten in 2008Beoogde resultaten in 2009Te vinden onder Operationele Doelstelling
RAAK-aanpak in 4 regio’sRAAK-aanpak in 4 regio’sRAAK-aanpak in 15 regio’s3.1

RAAK-aanpak, meldcode, richtlijn en publiekscampagne

Kinderen moeten worden beschermd tegen alle vormen van kindermishandeling. Daarom wil het kabinet in 2009 en in de daaropvolgende jaren, een stevige bijdrage leveren aan de bestrijding van kindermishandeling. In het Actieplan Aanpak Kindermishandeling, dat in juli 2007 naar de Tweede Kamer is gestuurd, staan de vier kerndoelen:

– voorkomen dat kindermishandeling plaatsvindt;

– zorgen dat kindermishandeling eerder en beter wordt gesignaleerd,

– zorgen dat individuele gevallen van kindermishandeling zo snel mogelijk stoppen,

– schadelijke gevolgen voor mishandelde kinderen zoveel mogelijk beperken.

De stuurgroep Aanpak kindermishandeling ziet er op toe dat de landelijke aanpak van kindermishandeling adequaat gebeurt. Een goed functionerend CJG vormt een belangrijk onderdeel van de aanpak. Eind 2008 start een publiekscampagne, die in 2009 op volle toeren draait. De richtlijn voor de opsporing en vervolging van kindermishandeling wordt in 2009 volledig ingevoerd. Verder wordt in 2009 de doorlooptijd voor een onderzoek bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) teruggebracht naar maximaal 10 weken voor 50% van de gevallen. In 2011 beschikt elke professional over een meldcode kindermishandeling, waarvan we het gebruik bevorderen.

Vrijblijvendheid voorbij

Ongewenste situaties in het jeugdbeleid mogen niet voortduren. Het is ongewenst dat ouders en kinderen te lang moeten wachten op de juiste hulp, en dat professionals zich door bureaucratie belemmerd voelen in hun beroepsuitoefening. Om deze knelpunten aan te pakken, is in 2007 en 2008 veel in gang gezet. In 2009 zullen de effecten daarvan zichtbaar worden. En we gaan door. Met een nieuwe wijze van financiering en het terugdringen van de wachttijden, met vernieuwing van de kinderbescherming, met een betere samenwerking tussen provincies en gemeenten en de hulpverlenende instanties onderling, met het verminderen van de regeldruk. Voor probleemjongeren zonder opleiding of baan, die dreigen af te glijden of overlast veroorzaken, worden campussen ontwikkeld.

Kabinetsdoelstelling 31: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal 9 weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.
Gerealiseerd in 2007Beoogde resultaten in 2008Beoogde resultaten in 2009Te vinden onder OD
6300 wachtenden > 9 weken (inclusief overbruggingszorg)Reductie met 25%Reductie met 25% (cumulatief 50%) 3.1
Normen Beter Beschermd vastgesteld60% volgens normen Beter Beschermd75% volgens normen Beter Beschermd3.2

De definitie van wachtlijsten: het aantal cliënten dat langer dan 9 weken wacht op een vorm van geïndiceerde provinciale jeugdzorg en geen overbruggingszorg ontvangt. «Met overbruggingszorg» is toegevoegd aan de kabinetsdoelstelling omdat deze cliënten weliswaar overbruggingszorg ontvangen, maar nog steeds op de wachtlijst staan. Pas als deze cliënten ook van de wachtlijst af zijn is de doelstelling dat elke jeugdige met een indicatie binnen 9 weken zorg kan ontvangen gehaald.

Integrale aanpak

Het aantal jongeren met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen en/of met psycho-sociale problemen lijkt te blijven groeien. Het beroep op alle voorzieningen neemt van jaar tot jaar toe. Het gaat hierbij vaak om kwetsbare jongeren die opgroeien in een minder gunstige omgeving. Schooluitval, werkloosheid, maar ook overlast en criminaliteit kunnen het gevolg zijn. De beheersbaarheid van het stelsel van jeugdvoorzieningen vraagt om een integrale aanpak. Het is zaak hierbij zoveel mogelijk uit te gaan van de kracht van het gezin en zijn sociale omgeving. Dit kan onder andere met behulp van methoden als de Eigen Kracht Conferentie.

Aanpak wacht- en doorlooptijden en nieuwe financiering

De provincies gaan aan de slag om in 2009 en 2010 het aantal jongeren met te lange wachttijden per jaar met minimaal 25% te reduceren, om zo in 2011 structureel binnen de normtijd van 9 weken te werken.

In 2009 wordt de nieuwe financiering in de jeugdzorg ingevoerd. Provincies en grootstedelijke regio’s krijgen meer mogelijkheden om met zorgaanbieders prestatieafspraken te maken. Ten slotte vermindert de beheerslast voor provincies (en het Rijk) en ontstaat er ruimte voor meer flexibiliteit doordat de twee bestaande doeluitkeringen voor Bureau Jeugdzorg en het zorgaanbod worden samengevoegd tot één1.

Eén gezin, één plan

Eén gezin, één plan.

«Eén gezin, één plan» is dé aanpak als er meerdere instanties bij een gezin betrokken zijn, of het nu gaat om opvoeding, (jeugd)gezondheidszorg, jeugdzorg, onderwijs, wonen, werken, schulden of veiligheid. Dit gebeurt langs de volgende lijnen:

• Het Bureau Jeugdzorg coördineert de zorg als er een indicatie is afgegeven voor jeugdzorg.

• Als er een (gezins)voogd in het gezin is heeft deze tot taak om de regie te voeren over hulpverleners in het gezin en één plan te maken voor de hulpverlening.

• Via het Wetsvoorstel Centra voor Jeugd en Gezin wordt wettelijk verankerd dat gemeenten in de andere gevallen verantwoordelijk zijn voor het in praktijk brengen van «één gezin, één plan» (zogenoemde zorgcoördinatie).

• De Verwijs Index Risicojongeren (VIR) brengt de hulpverleners met elkaar in contact.

Aanpak overlast door kinderen jonger dan 12 jaar

De ministers voor Jeugd en Gezin en Justitie zullen via een stevige gezinsbenadering én verbeterde afstemming tussen veiligheid en zorg het overlastgevend gedrag van kinderen onder de 12 jaar aanpakken. Het gaat om het tijdig signaleren en alert reageren op ongewenst gedrag. Ouders zullen worden aangesproken op het gedrag van hun kind. Waar ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen, is mogelijk de inzet van jeugdbeschermingsmaatregelen aan de orde, zonodig gepaard met verplichte opvoedingsondersteuning.

Kinderbescherming

Als hulpverlening niet mogelijk is omdat de ouders en/of het kind dit niet accepteren en de ontwikkeling van het kind in gevaar komt, moet de overheid ingrijpen. Dan kan een kinderbeschermingsmaatregel worden opgelegd. Dat moet snel en goed gebeuren. Het kabinet heeft dit als doelstelling in zijn beleidsprogramma opgenomen, en het is uitgewerkt in «Alle Kansen voor Alle Kinderen». In 2009 wordt een nieuwe werkwijze ingevoerd. Daarbij voeren de betrokken organisaties (de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg en de rechtbank) hun werkzaamheden parallel uit. Dit leidt tot een zeer verkorte doorlooptijd, waarbij in 2010 in 75% van de gevallen binnen 2 maanden na melding een uitspraak over een kinderbeschermingsmaatregel wordt gedaan.

De juiste hulp

Opbouw gesloten jeugdzorg

Kinderen met zeer ernstige gedragsproblemen behoren in de gesloten jeugdzorg te worden behandeld. Ze zullen steeds minder aangewezen zijn op een justitiële jeugdinrichting, doordat de capaciteit van gesloten jeugdzorg verder wordt opgebouwd. Met ingang van 1 januari 2009 worden twee justitiële jeugdinrichtingen (jji’s) overgeheveld van het Ministerie van Justitie naar het programmaministerie voor Jeugd en Gezin. Dit is een aanvulling op de vijf eerder overgehevelde instellingen, waarvan de capaciteit vanaf 2008 wordt benut voor de gesloten jeugdzorg. Ook wordt Glenn Mills omgevormd tot instelling voor gesloten jeugdzorg. Naast de opbouw van de capaciteit staat in 2009 ook de verdere kwaliteitsontwikkeling op de agenda. Vanaf 2010 worden geen kinderen meer in een justitiële jeugdinrichting geplaatst als zij geen strafbaar feit hebben gepleegd.

Kabinetsdoelstelling 50: Een reductie van de criminaliteit met 25% in 2010 ten opzichte van 2002: onderdeel Campussen
Gerealiseerd in 2007Beoogde resultaten in 2008Beoogde resultaten in 2009Te vinden onder OD
Voorlopers campussen9 pilotcampussen TussenonderzoekVoortzetting pilots3.3

Campussen

Campussen

Voor jongeren die niet deelnemen aan een opleiding en ook geen baan hebben, die dreigen af te glijden naar de criminaliteit, en die met de gebruikelijke instrumenten niet kunnen worden bereikt, ontwikkelt het kabinet campussen. Het doel ervan is de jongeren via een strakke aanpak weer op het juiste spoor te zetten, en op die manier ook bij te dragen aan de vermindering van jeugdcriminaliteit. Bij gebleken succes leidt dit in 2011 tot een basismodel campussen.

Regeldruk

Aanpak ervaren regeldruk

Ook in de jeugdsector bestaat de behoefte om de uitvoeringspraktijk voor cliënten, professionals en instellingen te vereenvoudigen. Ook hier kunnen werkprocessen beter op elkaar worden afgestemd. Door de verbeteringen nog in deze kabinetsperiode te realiseren, moet snellere en betere hulp voor de cliënt worden geboden. Dit leidt ook tot meer voldoening in het werk voor de professional. Het project «Aanpak ervaren regeldruk» is in 2007 gestart. De regeldruk die professionals en cliënten in 2011 ervaren, moet 25% lager zijn dan nu. Samen met de betrokkenen partijen (provincies, gemeenten, zorgverleners, indicatiestellers, verzekeraars) werkt het kabinet aan een uitvoeringspraktijk die niet meer dan nodig wordt geconfronteerd met regels en procedures. In 2009 wordt gewerkt aan betere begrijpelijkheid van formulieren, vereenvoudiging van indicatiestelling, integrale indicatiestelling, betere informatievoorziening door de overheid aan het veld over beleid, betere inrichting van de beleidsinformatie, betere afstemming en samenwerking tussen sectoren.

En verder

In 2009 komt er veel informatie beschikbaar over hoe het gaat met het jeugdzorgstelsel. De Wet op de jeugdzorg wordt geëvalueerd, het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over de AWBZ heeft consequenties voor de jeugdzorg, de pilots om het gemeentelijk en provinciaal jeugdbeleid beter te organiseren worden geëvalueerd. Kortom: 2009 wordt een belangrijk jaar voor de inrichting en de stroomlijning van de jeugdzorg in de toekomst.

Evaluatie Wet op de Jeugdzorg

Op 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg (Wjz) in werking getreden. In artikel 110 staat dat de Staten-Generaal binnen vijf jaar een evaluatie moet ontvangen over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Onderdelen zijn:

• een evaluatie van de waarde van de provincie als verantwoordelijke bestuurslaag,

• de aansluiting van de landelijke, provinciale en lokale jeugdzorg,

• de continuïteit van de zorg in het gezin,

• de positie van de Landelijk werkende (gezins)voogdij-instellingen,

• de werking van de bekostigingssystematiek.

De evaluatie start begin 2009, zodat de resultaten in het najaar beschikbaar zijn.

Aanscherpen afspraken AWBZ

Het kabinet heeft, mede naar aanleiding van het SER-advies «Langdurige zorg verzekerd: Over de toekomst van de AWBZ», besloten tot beperking vanaf 1 januari 2009 van de aanspraak op ondersteunende en activerende begeleiding op grond van die AWBZ. De functie begeleiding die overblijft staat open voor mensen met ernstig regieverlies of met een ernstige, invaliderende aandoening of beperking. Deze pakketmaatregel kan gevolgen hebben voor onder andere kinderen met een verstandelijke beperking of psychiatrische aandoening, die op dit moment aanspraak hebben op AWBZ-zorg. Als zij deze aanspraak verliezen zullen die op basis van bestaande mogelijkheden daartoe wellicht in bepaalde mate een beroep doen op de jeugdzorg of de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Indien er door het schrappen van overlappende aanspraken een extra beroep op WJZ en WMO ontstaat en dit om zorginhoudelijke redenen noodzakelijk is én er sprake is van een publieke verantwoordelijkheid, zullen deze domeinen hiervoor vanaf 2009 worden gecompenseerd.

Evaluatie pilots en bestuursakkoord

In het bestuursakkoord «Samen aan de slag» dat het kabinet en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) in juni 2007 hebben gesloten, is afgesproken om medio 2009 de balans op te maken over de stroomlijning van de jeugdzorgketen. Ten behoeve van die stroomlijning is een aantal pilots gestart, waarin nieuwe vormen van samenwerking tussen provincies en gemeenten worden ontwikkeld. Deze pilots worden in 2009 geëvalueerd.

Tot slot

Vele partners werken vanuit een gedeelde missie om kinderen goed, veilig en gezond op te laten groeien. Dat gaat steeds beter met onderling samenhangende acties. Toch zijn er nog steeds vraagstukken van samenhang en integraliteit, van effectieve inzet, van efficiënte organisatie. Een zware programmastructuur met een minister voor Jeugd en Gezin blijft hard nodig, maar zet ook zoden aan de dijk. Er is veel in gang gezet en opgebouwd tot nu toe. In 2009 worden resultaten zichtbaar.

Financiële tabel beleidsagenda 2009 – kabinetsdoelstellingen –

Geraamde uitgaven kabinetsdoelstellingenJ&G
Nr.Omschrijving kabinetsdoelstellingNr. Beleidsartikel/ODGeraamde uitgaven 2009Geraamde uitgaven 2010Geraamde uitgaven 2011StatusRelevante beleidsnota’s
30In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund2.1291 750318 700339 000In uitvoeringo.a. kamer- stuknr, 31 001,14 en communicatie aan gemeenten
 Centra Jeugd en Gezin(CJG)*2.1289 000314 000339 000  
 EKD2.11 0004 700   
 Zorgen Adviesteams**2.11 750    
31De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.3.1/3.21 375 0001 399 5001 414 900In uitvoeringo.a. kamer- stuknr, 29 815, 130; 29 815/31 015, 124; 29 815/31 015, 106
 doeluitkering jeugdzorgvoor toegangstaken en zorgaanbod***3.11 028 0001 029 0001 031 000  
 doeluitkering beschermingsmaatregelen3.2270 000293 500306 900   
        
 Raad voor de Kinderbescherming3.277 00077 00077 000  
32Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.2.1/3.11 321 6001 347 8001 371 100In uitvoeringo.a. kamer- stuknr, 29 815, 113
 Plan van aanpak Kindermishandeling3.14 6004 8001 100  
 doeluitkering jeugdzorg voor toegangstaken en zorgaanbod***3.11 028 0001 029 0001 031 000  
 Centra Jeugd en Gezin(CJG)2.1289 000314 000339 000  
50Een reductie van de criminaliteit van 25% in 2010 ten opzichte van 2002.3.34 7504 3004 000In uitvoeringo.a. kamer- stuknr, 31 001, 22 en 31 008, 35
 Pilot campussen3.34 7504 3004 000  

* Met gemeenten is in het bestuursakkoord «Samen aan de slag» afgesproken dat zij naast deze middelen in 2009 zelf € 50 miljoen bijdragen aan het realiseren van extra opvoedondersteuning door de CJG’s uit het accres van het Gemeentefonds.

** Verantwoord op de begroting van OCW.

*** Bedragen zijn inclusief de extra middelen in begroting 2009 en OVA 2008. Uitsplitsen van de doeluitkering over doelstellingen 31 en 32 is niet mogelijk daarom is deze bij beide opgenomen.

Artikel 1 Gezin en Inkomen

Algemene beleidsdoelstelling

Gezinnen zijn financieel in staat om kinderen gezond en veilig te laten opgroeien en zich te ontplooien.

Een belangrijke taak van gezinnen is om kinderen op te voeden. Het gezin vormt de basis om de vijf ontwikkelingsvoorwaarden, zoals geformuleerd in het programma voor Jeugd en Gezin «Alle Kansen voor Alle Kinderen», voor een kind te creëren. Gezinnen moeten naast tijd en vaardigheden, ook beschikken over middelen om hun kinderen te laten opgroeien.

Operationele doelstelling

Gezinnen ontvangen een financiële tegemoetkoming in de kosten van het opvoeden en het onderhouden van kinderen.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2009

• Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het kindgebonden budget in verband met de vaststelling van de hoogte van het kindgebonden budget met ingang van 2009 en de wijziging van het afbouwpercentage (TK 2007–2008, 31 399) is door het parlement aanvaard.

• Het wetsvoorstel integratie Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) in het kindgebonden budget met ingang van 2010 zal nog vóór 2009 naar het parlement worden gestuurd.

• Het wetsvoorstel wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet in verband met aansluiting op de kwalificatieplicht in de Leerplichtwet zal naar verwachting in het najaar 2008 naar het parlement worden gestuurd.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het verstrekken van een financiële tegemoetkoming aan gezinnen voor de kosten van het opvoeden en onderhouden van kinderen. Hieronder vallen:

• de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving ten aanzien van de financiële tegemoetkomingen voor gezinnen;

• het vaststellen van het niveau van de inkomensonafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW);

• het vaststellen van het niveau van de inkomensafhankelijke tegemoetkomingen op grond van de Wet op het Kindgebonden budget (WKB).

Externe factoren

Binnen het kabinet is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

De minister van SZW is verantwoordelijk voor de vormgeving van de regelgeving en de uitvoering van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG 2000). De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij de TOG 2000.

De overheid voorziet naast de regelingen die onder onderhavig beleidsartikel vallen nog in andere instrumenten die bijdragen aan middelen voor gezinnen met kinderen. Zo ontvangen gemeenten op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) gelden om mensen die niet zelf (volledig) in het levensonderhoud kunnen voorzien een inkomensaanvulling tot minimumniveau te verstrekken. De norm voor alleenstaande ouders is hiervoor hoger dan voor alleenstaanden zonder kinderen. De verantwoordelijkheid voor de WWB ligt bij de minister van SZW.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Wet op het Kindgebonden budget en voor fiscale maatregelen die invloed kunnen hebben op het inkomen van gezinnen. Zo wordt de combinatie van arbeid en zorg fiscaal ondersteund door middel van de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting (vanaf 2009 de inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting). Alleenstaande ouders worden ondersteund door middel van de alleenstaande ouderkorting en de aanvullende alleenstaande ouderkorting.

Ouders kunnen ook nog in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Deze toeslag valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW).

Budgettaire gevolgen van beleid (begrotingsbedragen x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen 3 442 619 4 205 969 4 267 3914 259 816 4 353 744 4 323 813 4 300 900
Uitgaven3 442 6194 205 9694 267 3914 259 8164 353 7444 323 8134 300 900
Programma-uitgaven3 442 6194 205 9694 267 3914 259 8164 353 7444 323 8134 300 900
Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen       
– Algemene kinderbijslagwet 3 374 400 3 378 1473 374 072 3 331 308 3 289 758 3 252 6473 224 206
– Kindgebonden budget 68 219827 822 893 319 928 508 1 063 986 1 071 1661 076 694
        
Ontvangsten3 584272272272272272272

De daling van de uitkeringslasten AKW wordt veroorzaakt door de daling van het aantal telkinderen.

De uitkeringslasten van het kindgebonden budget stijgen omdat in 2009 een bedrag per kind wordt toegekend, terwijl dat in 2008 een bedrag per huishouden is. Verder wordt de toename van de uitkeringslasten veroorzaakt door de integratie van de WTOS in het kindgebonden budget en de hogere bedragen per kind.

Begrotingsbedragen x € 1 000
 20092010201120122013
Financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen4 267 3914 259 8164 353 7444 323 8134 300 900
– Juridisch verplicht4 267 391 4 259 816 4 353 744 4 323 8134 300 900
– Bestuurlijk gebonden 0 0 00 0
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden 00 0 0 

Instrumenten

Er zijn 2 instrumenten: de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Wet op het kindgebonden budget (WKB).

De Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De AKW voorziet in een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderen. In het najaar van 2008 ontvangt de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot wijziging van de AKW, waarin onder anderen een aantal wijzigingen worden voorgesteld waarover tijdens een algemeen overleg d.d. 22 februari 2006 met de vaste commissie voor SZW van de Kamer is gesproken (TK II, 2005/2006, 29 287, nr. 10). Er wordt gestreefd naar invoering per 1 oktober 2009.

De AKW is een in verhouding beleidsarme wet. Voor circa 90% van de kinderen wordt kinderbijslag toegekend, zonder dat aan andere voorwaarden hoeft te worden voldaan dan dat het kind thuis woont. Alleen voor 16- en 17-jarige kinderen en voor uitwonende kinderen worden voorwaarden in de sfeer van de tijdsbesteding (een voorstel voor wijziging van deze voorwaarden door aansluiting bij de kwalificatieplicht in de Leerplichtwet wordt zoals bovenvermeld naar verwachting in het najaar van 2008 naar de Kamer gezonden) en in de sfeer van onderhoud gesteld. Verder ontstaan ontwikkelingen voornamelijk door demografische factoren. Hierover zijn in onderstaande tabel kengetallen opgenomen.

Kengetallen (volume x 1 000)200820092010201120122013
Aantal gezinnen AKW1 9261 9101 8981 8861 8751 865
Aantal telkinderenAKW3 5033 4773 4573 4353 4143 394

Wet op het Kindgebonden budget (WKB)

Doel is het verstrekken van een inkomensafhankelijke tegemoetkoming op grond van de Wet op het Kindgebonden Budget. Met ingang van 2008 is een inkomensafhankelijk kindgebonden budget ingevoerd, waarin de fiscale kinderkorting is opgegaan. Doel hiervan was om de in de fiscaliteit voorkomende verzilveringsproblematiek op te lossen. Per 1 januari 2009 wordt hier gefaseerd budget aan toegevoegd. Vanaf 2009 wordt de tegemoetkoming omgezet van een tegemoetkoming per huishouden in een tegemoetkoming per kind. Het kindgebonden budget biedt inkomensondersteuning specifiek gericht op huishoudens in de lagere inkomenssegmenten. Het wetsvoorstel tot wijziging van de WKB is door het parlement aanvaard (TK 2007/2008, 31 399).

Verder ben ik voornemens om per 2010 de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en het kindgebonden budget te integreren.

Het kabinet trekt voor de jaren vanaf 2009 extra middelen uit voor het kindgebonden budget. Deze middelen komen bovenop de middelen voor de kindertoeslag.

Het volume van de WKB is afhankelijk van demografische factoren en het aantal huishoudens met kinderen tot een bepaald inkomensniveau. Hierover zijn in onderstaande tabel kengetallen opgenomen.

Kengetallen

In onderstaande tabel zijn kengetallen opgenomen over de Algemene Kinderbijslag Wet (AKW) en de Wet kindgebonden budget (WKB).

Kengetallen (volume x 1 000)200820092010201120122013
Aantal huishoudens WKB1 0001 1001 1001 2001 2001 200
Aantal kinderenWKB2 00020002 2002 2002 200

Daarnaast zijn voor de AKW in samenspraak met de SVB kengetallen opgenomen gericht op handhaving. Deze richten zich onder anderen op de bekendheid van kinderbijslaggerechtigden met regels over de melding van eventueel inkomen uit arbeid (van belang voor de toets op onderhoudsvoorwaarden) van een 16- of 17-jarig kind alsmede van de beëindiging van het volgen van studie door een kind van die leeftijd. Zoals gesteld worden voor kinderen van 16 en 17 jaar voorwaarden in de sfeer van tijdsbesteding en (voor uitwonende kinderen) onderhoud gesteld.

De handhavingsindicatoren in onderstaande tabel richten zich verder op het risico van misbruik in de AKW en de beboetbare regelovertredingen. Het misbruikrisico wordt uitgedrukt in een percentage van de uitkeringslast op jaarbasis. De beboetbare regelovertredingen worden uitgedrukt per 100 klantjaren. Dit kengetal laat in één keer de mate zien waarin een beboetbare regelovertreding plaatsvindt en in hoeverre de SVB erin slaagt om sancties op te leggen als een overtreding aan het licht komt.

Daarnaast zijn nog andere handhavingsindicatoren opgenomen. Onder fraudesignalen wordt verstaan het aantal signalen van vermeend misbruik van kinderbijslag, dat noopte tot nader vooronderzoek om te kunnen beoordelen of opsporingsonderzoek nodig is.

Aangiften zijn de gevallen van fraude met kinderbijslag die de SVB bij het Openbaar Ministerie heeft aangegeven. De SVB doet aangifte als een bedrag van meer dan € 6 000 teveel als gevolg van fraude is uitgekeerd. Het aangiftebedrag is het nadeelbedrag in 2007 dat met de geconstateerde onrechtmatigheden gemoeid was.

Kengetallen handhavingWaarde 2004Waarde 2005Waarde 2006Waarde 2007
Bekendheid met regels inkomen kind67%92%85%97%
Bekendheid met regels einde studie kind67%77%82%77%
Aantal onderzochte fraudesignalen5494971 001607
Aangiften in personen19
Aangiftebedrag (1=€ 1000)141
Misbruikrisico AKW0,17%
Beboetbare regelovertreding AKW per 100 klantjaren0,3

Bronnen: jaarverslag SZW 2006; SVB-Handhavingsrapportage 2007, jaarverslag SVB 2007.

Onderzoek en evaluatieOnderzoekonderwerpADA. Start B. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekEffect invoering fictieve onderhouds- bijdrage in de AKWInstrument 1A: 1 januari 2007. B: 1 januari 2009.Besluit 1 december 2006 Stb. 649.

Artikel 2 Gezond opgroeien

Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen groeien lichamelijk en geestelijk gezond op.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2009

Een gezond levende jeugd is belangrijk voor de toekomst van ons land. Het doel is ervoor zorg te dragen dat jongeren lichamelijk en geestelijk gezond opgroeien en dat zij positief gedrag vertonen en zich actief betrokken voelen bij hun omgeving.

Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het welbevinden en een gezonde leefstijl van hun minderjarige kinderen. Het gaat erom de beste en gezonde keuze voor een goede ontwikkeling van kinderen gemakkelijker te maken. Allerlei maatschappelijke organisaties (scholen, verenigingen, bedrijven etc.) hebben baat bij gezond levende jongeren. Zo is samen het nodige maatschappelijk rendement te behalen.

Het is zaak jongeren aan te spreken op gedragingen die schadelijke gevolgen hebben voor henzelf, hun naaste omgeving en derden. Naargelang de ernst en omvang van die negatieve externe effecten zijn passende, proportionele beleidsoplossingen nodig.

Als ouders en kinderen vragen hebben over opvoeden en opgroeien kunnen zij hiervoor terecht bij laagdrempelige opgroei- en opvoedondersteuning in de buurt in de vorm van Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). Deze centra zijn aangekondigd in het Coalitieakkoord, en zijn een middel om kabinetsdoelstelling 30, dat in 2011 jeugdigen en hun ouders snel en goed worden ondersteund, te behalen. De centra zijn verder uitgewerkt in het programma «Alle kansen voor alle kinderen» en in de brief aan de Tweede Kamer van 19 november 2007 (TK 2007–2008, 31 001, nr. 36). De CJG’s hebben een landelijke dekking en zijn bestemd voor alle ouders, kinderen én jongeren (– 9 maanden tot 23 jaar) als laagdrempelig centraal punt voor opgroei- en opvoedvragen, adequate en passende hulp en voor de coördinatie van hulp. De centra zijn nadrukkelijk niet alleen bestemd voor probleemgezinnen, maar voor alle ouders en kinderen die vragen hebben bij het opgroeien en het opvoeden. De CJG’s vormen voor professionals een centraal punt om vroegtijdig problemen of risico’s te kunnen signaleren. Daarbij is een onderdeel van het basismodel voor een CJG dat elk centrum een schakel maakt met de Zorg- en Adviesteams bij scholen en de Bureaus Jeugdzorg.

Binnen de CJG’s is goede informatievoorziening van groot belang. Digitalisering van de papieren dossiers in de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) moet er toe leiden dat overdracht van gegevens beter kan plaatsvinden, risico’s eerder te signaleren zijn en kinderen beter gevolgd kunnen worden. Daarbij is gekozen voor een gefaseerde aanpak. Daartoe schaffen JGZ-instellingen onder regie van de gemeenten zelf een bestaand automatiseringspakket aan. Er is een ondersteuningstraject ingesteld bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) om gemeenten en instellingen te ondersteunen bij het bestuurlijk traject om de Elektronisch Kind Dossier (EKD)-pakketten aan te schaffen. Voor de uitwisseling van informatie binnen de JGZ wordt een landelijke «kop» ontwikkeld. Daarvoor is het nodig dat de digitale pakketten voldoen aan landelijk op te stellen gemeenschappelijke standaarden. Ook is een uitwisselingsmedium nodig voor het overdragen van de gegevens. Hiermee ontstaat een landelijk werkend EKD JGZ.

Eind 2008 wordt de kern van het gezinsbeleid gepresenteerd in de nota Gezinsbeleid. In deze nota biedt het kabinet een overzicht van de trends en ontwikkelingen op het terrein van het gezin en wordt hierop een integrale visie geschetst. De meest relevante onderwerpen die het gezin raken, zoals gezinsvorming, opvoeding, kinderopvang, echtscheiding, verlofregelingen zullen hierin aan de orde komen.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het zorg dragen voor het kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en maatschappelijk betrokken burgers.

Externe factoren

Jongeren zijn zelf verantwoordelijk om een actieve, maatschappelijke rol te pakken. Het bewerkstelligen van jongerenparticipatie is een verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten. Jongeren moeten gemeenten weten te vinden maar andersom geldt hetzelfde: gemeenten moeten lokale jongeren(organisaties) weten te vinden.

Gemeenten kunnen hun verantwoordelijkheden uitvoeren via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV). Zij ontvangen middelen en dragen ook zelf bij aan de doelstellingen via onder andere het accres van het Gemeentefonds. De rol van de gemeenten wordt in de komende jaren versterkt en vergroot. Het kabinet en de gemeenten hebben met het oog op de rol van de gemeenten in 2007 een bestuursakkoord gesloten waarin onder andere is vastgelegd dat de vorming van de Centra Jeugd en Gezin onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten valt.

Prestatie-indicatorWaardePeildatumStreefwaarde 2011
Jongeren met een gezonde leefstijl   
– geen drugsgebruik, 12–18 jaar 80,8% 2003 82%
– 12-jarigen die nog nooit alcohol hebben gedronken (streefwaarde 2009: 47%)44,3% 2007 50%
– 12 t/m 15-jarigen die nog nooit alcohol hebben gedronken (streefwaarde 2009: 32%)25,6% 2007 38%
– niet roken, 10–19 jaar 79,0% 2006 82%
– gezond gewicht86,4% 2006 88%

Bron: Jeugdmonitor (geen drugsgebruik, niet roken en gezond gewicht) Data Trimbos-instituut uit Peilstationsonderzoek Scholieren 2007 (12 jarigen en 12 t/m 15 jarigen die nog nooit alcohol hebben gedronken)

Budgettaire gevolgen van beleid (begrotingsbedragen x € 1 000)
2007200820092010201120122013
Verplichtingen229 8871 242 71752 60851 35540 817383 301383 301
Uitgaven263 321290 368342 179366 735385 551383 301383 301
Programma-uitgaven263 321290 368342 179366 735385 551383 301383 301
1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen253 773276 177329 918356 502378 017376 017376 017
2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving9 54814 19112 26110 2337 5347 2847 284
Ontvangsten1 5451 5451 5451 5451 5451 5451 545
Budgetflexibiliteit (begrotingsbedragen x € 1 000)
 20092010201120122013
1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen329 918356 502378 017376 017376 017
  – Juridisch verplicht317 344342 969371 859371 669371 669
  – Bestuurlijk gebonden3 9007 875750750750
  – Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden8 6745 6585 4083 5983 598
2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving12 26110 2337 5347 2847 284
  – Juridisch verplicht7 0176 1505 7005 6255 625
  – Bestuurlijk gebonden4 1033 0561 5001 2501 250
  – Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden1 1411 027334409409

Operationele doelstellingen

Er zijn twee operationele doelstellingen voor Gezond opgroeien:

1. Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen;

2. Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving.

Operationele doelstelling 2.1

Kinderen en hun ouders/verzorgers krijgen laagdrempelige ondersteuning bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen

Motivering

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als een gezin ondersteuning nodig heeft bij de opvoeding, kunnen ouders in eerste instantie een beroep doen op de sociale omgeving. De overheid draagt zorg voor algemene voorzieningen ter stimulering van de ontwikkeling van kinderen, en komt in beeld op het moment dat een gezin en de sociale omgeving onvoldoende in staat blijken de opvoedingsvragen te kunnen beantwoorden, de problemen het hoofd te bieden en/of wanneer de gezondheid of veiligheid van het kind in het geding is.

Prestatie-indicatorWaardePeildatumStreefwaarde 2009Streefwaarde 2011
1. % gemeenten dat een CJG heeft5%200730%100%
2. % gemeenten dat gebruik maakt van digitale dossiers voor de jeugd-gezondheidszorg(JGZ)  100%100%
3. Zorg- en Adviesteams voor kinderen en jongeren:    
  – primair onderwijs60%200772%100%
  – voortgezet onderwijs92%200794%100%
  – middelbaar beroepsonderwijs75%200782%100%

Bronnen:

1. Programmaministerie voor Jeugd en Gezin (2007), Uit te voeren voortgangsrapportage invoering CJG’s (2009 en verder).

2. VNG.

3. NJi/LCOJ-monitor 2007 Leerlingenzorg en Zorg- en Adviesteams in het onderwijs.

Belangrijkste instrumenten

Het wettelijke kader voor het jeugd- en gezinsbeleid in dit beleidsartikel wordt onder andere gevormd door de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV). De gemeenten hebben op grond van deze wetten de verantwoordelijkheid voor het preventief jeugdbeleid (Wmo) en het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (WCPV). De WCPV wordt vervangen door de Wet publieke gezondheid. Het wetsvoorstel is in mei 2008 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het kabinet zet onder andere, ter specifieke invulling van dit kader, de onderstaande instrumenten in:

• Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) zijn laagdrempelige en herkenbare centra waar ouders, kinderen en jongeren terecht kunnen met vragen over gezondheid, opgroeien en opvoeden. De CJG’s bieden, na signalering van (zwaardere) problematiek, tevens lichte hulp en krijgen de coördinatie om te komen tot een integraal plan van aanpak («Eén gezin, één plan»). Diverse instanties worden daarvoor in het CJG samengebracht. De jeugdgezondheidszorg vormt de kern van de CJG’s. In het kader van de Brede Doel Uitkering (BDU)CJG is in 2009 voor de gemeenten € 289 miljoen beschikbaar. Met gemeenten is in het bestuursakkoord «Samen aan de slag» afgesproken dat zij naast deze middelen in 2009 zelf € 50 miljoen bijdragen aan het realiseren van extra opvoedingsondersteuning door de CJG’s uit het accres van het gemeentefonds.

• Voor invoering van het EKD JGZ en de Verwijsindex Risicojongeren is, via het Gemeentefonds, een bedrag beschikbaar gesteld van € 10 miljoen in 2009, oplopend tot structureel € 20 miljoen in 2011.

• Binnen de JGZ en CJG’s moet zoveel mogelijk uniform en op basis van bewezen effectieve interventies worden gewerkt. Het programma Jeugd en het programma Standaard Jeugdgezondheidszorg die via ZonMw plaatsvinden, dragen ertoe bij dat richtlijnen, instrumenten en interventies ontwikkeld worden voor gebruik binnen de JGZ en CJG’s. Hiervoor is in 2009 € 6,5 miljoen beschikbaar.

• De school is de belangrijkste vindplaats voor kinderen en jongeren in de schoolgaande leeftijd die problemen hebben. Snelle en passende hulp van partijen in het CJG of geïndiceerde jeugdzorg kan op school via Zorg- en Adviesteams (ZAT’s) worden georganiseerd. In ZAT’s werken professionals van school, maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg, Bureau Jeugdzorg, leerplicht en politie samen om snel problemen te signaleren, en de juiste hulp of ondersteuning voor de jeugdige, de ouders en de docenten in te schakelen. Voor elke deelnemende organisatie is samenwerken in ZAT’s onderdeel van de wettelijke taak. Voor de ondersteuning van de samenwerking in ZAT’s is€ 1,75 miljoen beschikbaar (via de begroting van OCW).

• De Helpdesk Privacy Jeugd en Gezin ondersteunt in 2009 uitvoeringsinstanties bij de beantwoording van privacyvragen die zich voordoen in het kader van gegevensuitwisseling.

• Uitwerken en uitvoeren van het programma Diversiteit in het Jeugdbeleid. Het is belangrijk dat migrantenkinderen gelijke kansen hebben om gezond, veilig en met plezier te kunnen opgroeien en hun talenten te ontwikkelen, en zelf op gelijke wijze bijdragen aan het goed opgroeien, en aan de maatschappij. Veel migrantenkinderen worden niet goed bereikt door (preventieve) jeugdzorgvoorzieningen. Met «Diversiteit in het Jeugdbeleid» streven we naar een jeugdbeleid, waarmee migrantenkinderen en hun ouders even goed worden bereikt door algemene jeugdvoorzieningen en opvoedondersteuning. Problemen in de opvoeding en in de ontwikkeling van migrantenkinderen dienen vroegtijdig te worden gesignaleerd. Daartoe is meer kennis over de effectiviteit van (preventieve) aanpakken en interventies voor deze kinderen en ouders noodzakelijk. Aan ZonMw wordt gevraagd om samen met de kennisinstellingen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), een voorstel te doen voor het uitwerken en uitvoeren van het programma Diversiteit in het Jeugdbeleid. In dit traject worden gemeenten, migrantenorganisaties, migrantenouders en -kinderen nadrukkelijk betrokken. Vanaf 2008 tot en met 2011 wordt het programma uitgevoerd. Eind 2010 wordt een (beperkte) tussentijdse evaluatie uitgevoerd om te kunnen bijsturen en om te bezien hoe het vervolgtraject na 2012 eruit moet komen te zien. Communicatie vereist continu aandacht en wordt als belangrijk traject opgenomen. Voor dit programma is vanuit Jeugd en Gezin en WWI in totaal € 10 miljoen beschikbaar in de periode 2008–2011.

Naast bovenstaande instrumenten is de subsidie aan Censis (Centrale Stichting van Internaten voor Schippers- en Kermisjeugd) van belang. De toekomstvisie, die Censis samen met de clusters schippersinternaten heeft opgesteld, spreekt de intentie uit tot verbreding van de activiteiten, zoals wellicht kinderopvang en jeugdzorg, en enige flexibiliteit voor de daarbij benodigde organisatievorm. De sector kan met bewezen kwaliteit zich op nieuwe (zorg-)terreinen begeven. De primaire taak van de sector, de opvoeding van schipperskinderen, staat voorop.

Onderzocht is of er ruimte was voor ophoging van de subsidie voor de schippersinternaten, in het licht van de door de sector aangegeven grootste knelpunten en kansen. Voor het pakket aan maatregelen gaat in totaal in de periode 2009 tot en met 2013 gemiddeld circa € 3,7 miljoen per jaar extra naar deze sector. De specifieke maatregelen bestaan uit het ophogen van het kindbedrag, het aanpassen van de telsystematiek van t-2 naar t-1 en het overdragen van de verantwoordelijkheid van de wachtgelden naar de sector. Censis heeft aangegeven dat met deze maatregelen de sector de gelegenheid heeft de kwaliteit te verhogen, mede door een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. In totaal bedraagt de subsidie in 2009 ruim € 24 miljoen.

Operationele doelstelling 2.2

Kinderen hebben een gezonde leefstijl en zijn actief en positief betrokken bij hun leefomgeving

Motivering

Veel jongeren hebben een gezonde leefstijl. Te veel jongeren drinken echter te veel en op te jonge leeftijd. Het percentage jeugdigen met (ernstig) overgewicht is het afgelopen decennium sterk gestegen. Van de 15-jarigen is inmiddels een vijfde te zwaar, zo vermeldt het RIVM in het recente rapport «Spelen met gezondheid». Ook het drugsgebruik onder jongeren brengt grote risico’s met zich mee. In het Coalitieakkoord is daarom een krachtig preventiebeleid aangekondigd. De basis van dit beleid is het informeren van jongeren en hun ouders over de risico’s van ongezond leven. De bestaande preventie is aan vernieuwing toe. Het is zaak alcohol, drugs, tabak, voeding, overgewicht en bewegen meer in samenhang aan de orde te stellen.

Jongeren moeten in staat zijn om mee te denken en vooral mee te doen. In de nota over gezonde jeugdcultuur staat dan ook de eigen kracht van jongeren en participatie in de samenleving voorop. Daarnaast wordt ingegaan op de aanpak van risicogedragingen van jongeren als het gaat om een gezonde leefstijl.

Kengetallen Jongerenparticipatie WaardePeildatum
Meedoen – meedenken- meebeslissen  
1 Doen van vrijwilligerswerk of bieden van informele hulp200757,1%
2 Lid van een vrijetijdsvereniging200774,0%
3 Weten dat er debatten of overleggen tussen jongeren en college B&W zijn of dat er een organisatie binnen de gemeente is die opkomt voor de belangen van jongeren200337,3%
4 Jongeren dat deelneemt aan een participatie-activiteit, waarvan200452,6%
– Meedenken en meebeslissen over dingen in eigen omgeving200431,3%
– Debatten (buiten de les)200429,7%
– Jeugdraad/jeugdpanel/jeugddebat200421,1%
– Demonstratie/actiegroep/ludieke actie20049,3%
– Schoolraad/leerlingenraad20047,8%

Bron:

1 CBS

2 Jaarrapportage bij de Jeugdmonitor, november 2008

3 Verwey-Jonker Instituut 2008; Rebel, 2004; Steketee, Mak e.a., 2005

4 Verwey-Jonker Instituut 2008; Rebel, 2004; Steketee, Mak e.a., 2005

In de begroting 2008 stond een indicator opgenomen over het percentage gemeenten met een vorm van jongereninspraak. Er is afgezien van deze indicator. De meeste gemeenten hebben namelijk een vorm van inspraak. Bovenstaande kengetallen geven een beeld over de mate van participatie van jongeren zelf, zoals over het verrichten van vrijwilligerswerk of hand en spandiensten, over deelname van jongeren aan voorzieningen en over het participeren op inspraakniveau (meedoen, meedenken, meebeslissen).

Belangrijkste instrumenten

• Opvoedingsondersteuning over alcohol en jongeren, reservering € 1,5 miljoen. Doel is dat ouders en andere opvoeders alcoholgebruik van kinderen in ieder geval tot hun zestiende jaar uitstellen.

Tevens wordt een wijzigingsvoorstel Drank-en Horecawetwet (DHW) voorbereid. De wijzingen betreffen onder meer extra verordenende bevoegdheden voor gemeenten, wijzingen van de verdeling van toezicht, de introductie van een experimenteerartikel, vereenvoudiging van het vergunningsstelsel en strafbaarstelling van jongeren onder de 16 die alcohol bezitten in de openbare ruimte.

In het Coalitieakkoord en het bestuursakkoord met de Vereniging Nederlandse Gemeenten is tevens vastgelegd dat op langere termijn, het toezicht op naleving leeftijdsgrenzen DHW, overgaat naar gemeenten.

• www.hallowereld.nlondersteunt via internet jonge gezinnen bij de opvoeding van hun kind(eren) gericht op een gezonde leefstijl, reservering € 1,0 miljoen.

• Ondersteunen van professionals die zorg bieden aan kinderen en gezinnen, met kennis over de effectiviteit van instrumenten en interventies. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) heeft daartoe tot doel de kennis rond jeugd- en opvoedingsvraagstukken te verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden, reservering € 4,6 miljoen.

• Stimuleren dat jongeren politiek en maatschappelijk meer gaan participeren. De minister voor Jeugd en Gezin reikt jaarlijks een prijs uit aan de gemeente die het beste initiatief heeft om jeugdparticipatie te bevorderen. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor een goed werkende trainerspool die kan worden ingezet ten behoeve van ondersteuning aan jongeren, de organisatie van het jaarlijkse Nationale Jeugddebat en diverse subsidies en opdrachten om (inter)nationale jeugdprogramma’s uit te voeren. Reservering in totaal € 2,9 miljoen.

• Ondersteunen van Your World, Rotterdam Europese Jongerenhoofdstad 2009. De speerpunten van Rotterdam: versterking van de participatie van jongeren, het verkleinen van de afstand tussen jong en oud, autochtoon en allochtoon, en het bevorderen van een evenwichtiger beeldvorming over jeugd.

Onderzoek en evaluatieOnderzoekonderwerpADA. Start B. AfgerondVindplaats
Overig evaluatieonderzoekDiversiteit in het Jeugdbeleid2.2A. 2008 B. 2011TK, vergaderjaar 2007–2008, 31 001, nr. 52

Artikel 3 Zorg en bescherming

Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd krijgen zorg en worden, indien nodig, in bescherming genomen, zodat zij veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers.

Belangrijkste beleidsonderwerpen 2009

Wanneer ondanks de preventieve jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jeugdigen optreden, is jeugdzorg aan de orde. De jeugdzorg omvat provinciaal gefinancierde zorg, jeugdgerelateerde geestelijke gezondheidszorg, zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen en, tot het moment van het volledig realiseren van de capaciteit voor de gesloten jeugdzorg, civiele plaatsingen in justitiële jeugdinrichtingen.

Het Bureau Jeugdzorg is er zowel voor ouders en jeugdigen die zelf om hulp vragen, als voor de bescherming van jeugdigen die niet om hulp (kunnen) vragen. Dergelijke maatregelen van jeugdbescherming, te weten voogdij en gezinsvoogdij, zijn niet vrijblijvend maar beperken het gezag van de ouders op grond van een rechterlijke uitspraak. De Raad voor de Kinderbescherming geeft advies aan de kinderrechter over een te nemen kinderbeschermingsmaatregel. Het Bureau Jeugdzorg voert de maatregel uit. Hierbij is Nidos aangewezen als voogdij-instelling voor de alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

De kabinetsdoelstellingen voor genoemde onderwerpen zijn:

31) wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.

32) bestrijden van kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.

In dit spectrum, en bij kabinetsdoelstelling 50, past ook de aanpak van jongeren zonder zicht op opleiding of baan die met de gebruikelijke instrumenten niet worden bereikt. Momenteel wordt geëxperimenteerd met «pilots». Bij gebleken succes leidt dit in 2011 tot een basismodel campussen.

Het Rijk is verantwoordelijk voor het toezicht, dat wordt uitgevoerd door de Inspectie Jeugdzorg (IJZ). De IJZ is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg.

Kengetallen Inspectie jeugdzorg Waarde 2007 Streefwaarde 2008Streefwaarde 2009
Aantal door de Inspectie jeugdzorg uitgebrachte inspectierapporten 4345801
Aantal door de Inspectie jeugdzorgbehandelde klachten/signalen over de jeugdzorginstellingen145 140 140
Aantal door de Inspectie jeugdzorg behandelde meldingen/calamiteiten vanuit jeugdzorginstellingen 133 120 120

1 In 2008 is de inspectie een aantal grote landelijke toezichtprojecten gestart (waarbij veel jeugdzorginstellingen betrokken zijn), waarvan de uitvoering in 2008 zal plaatsvinden, de rapportage in 2009.

Ongeveer twee procent van de kinderen in Nederland maakt gebruik van de geestelijke gezondheidszorg. Het geld dat hiermee gemoeid is, valt onder de premie-uitgaven voor de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, die worden geraamd en verantwoord op de VWS-begroting 2009. Van de totale premie-uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg is circa 10% toewijsbaar aan de zorg voor kinderen en jeugdigen wat neerkomt op circa € 0,4 miljard, waarin de kosten voor onder andere kapitaallasten en uitgaven aan zorg door vrijgevestigde ggz-aanbieders niet zijn meegenomen.

De middelen voor zorg aan jeugdige licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-lvg) behoren tot de premie-uitgaven voor gehandicaptenzorg die worden verantwoord op de begroting van VWS. Circa 5 procent van de uitgaven voor de gehandicaptenzorg is toewijsbaar aan de zorg voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapten, circa € 0,2 miljard.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Onder de verantwoordelijkheid van de minister voor Jeugd en Gezin valt het zorg dragen voor een stelsel dat er aan bijdraagt dat kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen. Dit moet ertoe leiden dat deze kinderen veilig kunnen opgroeien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige burgers. Onder deze verantwoordelijkheid valt:

• het stimuleren van een integrale jeugd- en gezinsketen mét duidelijke verantwoordelijkheden, en zónder vrijblijvendheid. Hierdoor zijn provincies, gemeenten, lokale en landelijke organisaties, BJZ, zorgverzekeraars en zorgaanbieders in staat hun verantwoordelijkheden waar te maken;

• het perspectief bieden aan jongeren zonder zicht op opleiding of baan, die met de gebruikelijke instrumenten niet bereikt worden. Hiertoe is het project campussen ingevoerd, die gericht zijn op scholing en/of arbeidstoeleiding;

• het zorg dragen voor een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen, met psychiatrische problemen en lichtverstandelijk gehandicapte kinderen en hun ouders of verzorgers;

• het voorzien in een effectieve aanpak van kindermishandeling en een systeem van jeugdbeschermingsmaatregelen;

• het mogelijk maken van de voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s);

• het toezicht houden op de kwaliteit van de jeugdzorg (door de Inspectie jeugdzorg).

Externe factoren

Gemeenten kunnen hun verantwoordelijkheden uitvoeren via de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV). Ook vorming van de Centra Jeugd en Gezin valt onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten.

Op grond van de Wet op de jeugdzorg zijn provincies en grootstedelijke regio’s verantwoordelijk voor de kwaliteit, de planning en financiering van de jeugdzorg in hun regio. Zij moeten zorgen voor voldoende zorgaanbod om invulling te geven aan het recht op jeugdzorg en voor een goed functionerend Bureau Jeugdzorg.

Binnen het kabinet is de minister van Justitie primair verantwoordelijk voor het beleid inzake de aanpak van jeugdcriminaliteit, de interlandelijke adoptie, internationale kinderontvoering en huiselijk geweld.

Kengetallen

Hieronder zijn enige relevante cijfers die betrekking hebben op de Algemene doelstelling in tabelvorm weergegeven. Er is geen cijfermateriaal beschikbaar over het percentage jongeren in een risicogroep. Deze gegevens worden niet als zodanig gemeten.

KengetalWaarde
1. % 11–16 jarigen met psychosociale problematiek16.9%

Bron: Health Behaviour of School Children (HBSC), 2005.

Budgettaire gevolgen van beleid (begrotingsbedragen x € 1 000)
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen1 592 3011 547 1451 601 7441 670 9741 697 5121 717 0911 726 691
Uitgaven1 395 1861 561 2981 601 7441 670 9741 697 5121 717 0911 726 691
Programma-uitgaven1 395 1861 561 2981 601 7441 670 9741 697 5121 717 0911 726 691
1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder1 091 9141 231 5351 229 5571 284 7801 297 8531 324 4981 355 498
2. Snelle inzet van de meest adequate hulpmiddelen298 938324 745367 437381 894395 659388 593367 193
3. Campussen4 3345 0184 7504 3004 0004 0004 000
Ontvangsten17 06011 82611 69811 69811 69811 69811 698
Budgetflexibiliteit (begrotingsbedragen x € 1 000)
 20092010201120122013
1. Tijdig effectieve hulp bij een zorgaanbieder1 229 5571 284 7801 297 8531 324 4981 355 498
– Juridisch verplicht1 225 0221 280 3451 295 7031 322 3481 353 348
– Bestuurlijk gebonden3 4853 3851 1001 1001 100
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden1 0501 0501 0501 0501 050
2. Snelle inzet van de meest adequate hulpmiddelen367 437381 894395 659388 593367 193
– Juridisch verplicht367 437362 207375 259368 193346 793
– Bestuurlijk gebonden019 68720 40020 40020 400
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden00000
3. Campussen4 7504 3004 0004 0004 000
– Juridisch verplicht2 000300000
– Bestuurlijk gebonden2 5002 500000
– Niet-verplicht of bestuurlijk gebonden2501 5004 0004 0004 000

Operationele doelstellingen

Er zijn drie operationele doelstellingen voor Zorg en bescherming:

1. Kinderen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd effectieve hulp bij een zorgaanbieder;

2. Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen om hulp op gang te brengen indien dit niet op vrijwillige basis kan en kinderen in hun opvoeding en ontwikkeling ernstig worden bedreigd;

3. Jongeren tussen 12–27 jaar die (om andere redenen dan ziekte of verzorging) niet naar school gaan, geen baan hebben en ook niet op zoek zijn naar werk of scholing, dreigen af te glijden naar maatschappelijk ongewenst gedrag én niet bereikt worden met de gebruikelijke instrumenten wordt perspectief geboden via campussen.

Operationele doelstelling 3.1

Kinderen met ernstige opgroei- en opvoedproblemen en hun ouders/verzorgers krijgen op tijd effectieve hulp bij een zorgaanbieder

Motivering

Soms zijn de problemen bij het opgroeien, opvoeden en verzorgen zo ernstig dat het sociale netwerk of de lokale voorzieningen geen toereikende zorg kunnen bieden. Dan kunnen kinderen en jongeren die ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en hun ouders/verzorgers een beroep doen op de jeugdzorg. Zij moeten hierbij op tijd toegang hebben tot zorg en zij moeten kunnen rekenen op zorg die is toegesneden op de specifieke hulpvraag en die tijdig, professioneel en adequaat wordt geleverd.

Prestatie-indicatorWaardePeildatumStreefwaarde 2009Streefwaarde 2011
1. Invoering Verwijsindex30 proeftuinen2008100% van de professionals100% van de professionals
2. % vermindering administratieve lasten0%20075%25%
3. Aantal regio’s (combinatie van gemeenten; 35 in Nederland) dat met de RAAK-aanpak werkt420071535
4. Doorlooptijd bij de AMK’s (in weken)112007108
5. Wachttijd geïndiceerde jeugdzorg (in weken)92007< 9< 9
6. % van de professionals die over meldcode beschikt45%200752%100%

Bronnen:

1. Rubriek 1: In 2008 is een aantal gemeenten via een proeftuin aangesloten op de Verwijsindex risicojongeren.

2. Rubriek 2: onder andere de voortgangsrapportage Regeldruk Bedrijven, mei 2008.

3. Rubriek 3: Maatschappelijk ondernemersgroep (MO-groep).

4. Rubriek 4 en 5: Gegevens komen van de provincies.

5. Rubriek 6: onderzoek «Meldcodes kindermishandeling», Bureau Veldkamp, april 2008.

Belangrijkste instrumenten

Het wettelijke kader voor het jeugd- en gezinsbeleid in dit beleidsartikel wordt gevormd door de Wet op de Jeugdzorg. Het kabinet zet hiertoe onder andere, de onderstaande instrumenten in:

Snelle en effectieve hulp voor jeugd en gezin

• Aanpakken van wacht- en doorlooptijden. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen hiertoe een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat het Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod te subsidiëren voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Doelstelling is, dat de zorg aan kinderen binnen negen weken na indicatie start. Daarnaast is de minister voor Jeugd en Gezin met de provincies verbeterpunten overeengekomen die versneld moeten leiden tot een verbetering van de prestaties van de zorg bij opvoed- en opgroeiproblemen. Het gaat hierbij o.a. om meer prestatiegericht sturen, werken met evidence-based methoden, verbetering beleidsinformatie en betere aansluiting op preventieve en nazorg trajecten. De huidige wachtlijsten worden minimaal met 25% teruggebracht, bovendien wordt de groeiende vraag opgevangen zodat er geen aanwas is in het aantal wachtenden > 9 weken. Met een wijziging in het financieringssysteem krijgen provincies meer mogelijkheden om te sturen; door het schrappen van duur en omvang uit het indicatiebesluit en het samenvoegen van de doeluitkering voor het zorgaanbod en voor bureau Jeugdzorg. De totale doeluitkering in 2009 bedraagt € 1 028 miljoen.

• Terugbrengen van de ervaren regeldruk van professionals en cliënten in 2011 met 25%. Het verminderen van ervaren regeldruk en onnodige bureaucratie moet leiden tot meer tijd voor cliënten, betere hulpverlening, gemotiveerde professionals en minder rompslomp. De minister voor Jeugd en Gezin heeft in 2008 met alle 15 provincies en grootstedelijke regio’s een samenwerkingsovereenkomst getekend die hierop is gericht. Onderdeel van deze ambitie is het terugdringen van verantwoordingsinformatie door het rijk aan gemeenten en provincies. In de zomer van 2008 is een nulmeting afgerond naar de ervaren regeldruk door cliënten en professionals. Op grond van deze nulmeting wordt een plan van aanpak opgesteld. In het kader van de kabinetsbrede doelstelling zet Jeugd en Gezin erop in om de administratieve lasten in 2011 te verminderen met € 2,4 miljoen.

• Het kabinet heeft, mede naar aanleiding van het SER-advies «Langdurige zorg verzekerd: Over de toekomst van de AWBZ», besloten tot beperking vanaf 1 januari 2009 van de aanspraak op ondersteunende en activerende begeleiding op grond van die AWBZ. De functie begeleiding die overblijft staat open voor mensen met ernstig regieverlies of met een ernstige, invaliderende aandoening of beperking. Deze pakketmaatregel kan gevolgen hebben voor onder andere kinderen met een verstandelijke beperking of psychiatrische aandoening, die op dit moment aanspraak hebben op AWBZ-zorg. Als zij deze aanspraak verliezen zullen die op basis van bestaande mogelijkheden daartoe wellicht in bepaalde mate een beroep doen op de jeugdzorg of de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Indien er door het schrappen van overlappende aanspraken een extra beroep op WJZ en WMO ontstaat en dit om zorginhoudelijke redenen noodzakelijk is én er sprake is van een publieke verantwoordelijkheid, zullen deze domeinen hiervoor vanaf 2009 worden gecompenseerd. Het kabinet voert momenteel onderzoek uit om deze effecten van het aanscherpen van de AWBZ, in beeld te krijgen.

Kindermishandeling aanpakken

• Voorkomen, signaleren, stoppen van kindermishandeling en schade voor het mishandelde kind beperken. Hiervoor wordt onder andere een nieuwe manier van werken ingevoerd: de RAAK-aanpak, (RAAK: Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling), die in 2011 volledig geïmplementeerd zal zijn. Het is een regionale aanpak, waarbij (gezamenlijke) training en scholing, gekoppeld aan implementatie van één meldcode kindermishandeling met training en scholing in de toepassing van deze meldcode voor beroepskrachten die met kinderen werken. Er wordt een landelijke structuur opgezet om te voorzien in de ondersteuning van de regio’s bij het invoeren van de RAAK-aanpak. Er wordt aansluiting gezocht bij de ontwikkeling van de CJG’s. Bij de ontwikkeling van de CJG’s wordt de opvoedondersteuning ter hand genomen. Hiervoor is € 2,9 miljoen in 2009 beschikbaar gesteld aan gemeenten (decentrale uitkering).

• Zorg dragen dat gesignaleerde en gemelde (vermoedens van) kindermishandeling snel worden opgepakt worden de doorlooptijden van de onderzoeken bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK) verder teruggebracht en is er aandacht voor de samenwerking tussen de AMK’s en de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van het programma Beter Beschermd.

• Inwerkingtreding van richtlijn opsporing en vervolging van kindermishandeling eind 2008/begin 2009, reservering € 0,7 miljoen.

• Start van een herhaling van onderzoeken naar de aard en omvang van kindermishandeling (prevalentie-onderzoeken), reservering € 0,2 miljoen.

Kwaliteitsverbetering en innovatie in de jeugdzorg

• Verankering van de verwijsindex risicojongeren in de Wet op de Jeugdzorg. De beoogde inwerkingtreding is medio 2009.

• Realiseren van nieuw (intersectoraal) zorgaanbod door het project «Gesloten behandeling». Er wordt gewerkt aan het opbouwen van de capaciteit voor gesloten jeugdzorginstellingen. Dit zorgaanbod is bedoeld voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die voorheen op civielrechtelijke titel in een justitiële jeugdinrichting werden geplaatst. Het komt op twee manieren tot stand, te weten: door de ontwikkeling van nieuw zorgaanbod en door de overheveling van een aantal justitiële jeugdinrichtingen van het Ministerie van Justitie naar Jeugd en Gezin. In 2008 zijn vijf particuliere instellingen, 536 plaatsen, overgeheveld. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie van de heer J. S. Voordewind om versneld capaciteit beschikbaar te stellen. Met ingang van 2009 worden twee rijksinstellingen, 246 plaatsen, overgeheveld. Na 2010 moet de scheiding tussen civiel- en strafrechtelijke jongeren volledig zijn. In 2009 is hiermee ca. € 146 miljoen gemoeid. Naast de opbouw van de capaciteit worden er door de minister voor Jeugd en Gezin, de zorgaanbieders en de Inspectie jeugdzorg normen opgesteld voor verantwoorde zorg in de gesloten jeugdzorg. Het gaat hierbij om normen voor de borging van veiligheid en rechtspositie van de jeugdigen en ook over het gebruik van effectieve methodieken en het aansluiten op de keten van preventie tot nazorg. De minister ondersteunt de instellingen bij het uitwerken van hun plannen en bij het implementeren van de normen in de instellingen. Op grond van de bevindingen van de inspecties en de Algemene Rekenkamer gaan de betreffende instellingen aan de slag met kwaliteitsverbeteringen. Daarnaast is er vanaf 2010 budget beschikbaar om de eventueel noodzakelijk uitbreiding van capaciteit te bekostigen.

• Ondersteunen van beroepsverenigingen bij het uitvoeren van het gezamenlijk actieplan «Professionalisering». Het actieplan kent vier pijlers: verhelderen beroepenstructuur, verbeteren opleidingen, versterken beroepsverenigingen en tuchtrecht. In de periode 2007–2010 wordt dit ondersteund met in totaal € 1,0 miljoen;

• Integraal Toezicht Jeugdzaken (ITJ) is als één van de initiatieven voortgekomen uit de Operatie Jong-projecten en is gericht op het toezicht op de keten van voorzieningen voor jeugdigen van 0 tot 23 jaar. ITJ is een belangrijk instrument voor de minister voor Jeugd en Gezin om toezicht te houden op de uitvoering van het programma «Alle kansen voor alle kinderen» (o.a. het in de praktijk brengen van «één gezin, één plan»). ITJ is een samenwerkingsverband van de Inspectie jeugdzorg, onderwijs, gezondheidszorg, politie en werk en inkomen, reservering € 2,0 miljoen.

Operationele doelstelling 3.2

Snelle inzet van de meest adequate dwangmiddelen om hulp op gang te brengen indien dit niet op vrijwillige basis kan en kinderen in hun opvoeding en ontwikkeling ernstig worden bedreigd.

Motivering

Ouders en jongeren die hulp nodig hebben, kunnen daar zelf om vragen bij de instanties voor vrijwillige hulpverlening. Niet alle kinderen en ouders zijn echter in staat of bereid om vrijwillige hulp te zoeken of te accepteren. Als de situatie waarin kinderen zich bevinden bedreigend is (of kan worden) voor de opvoeding en ontwikkeling, moet de overheid overwegen of de noodzakelijke hulp met inzet van een dwangmiddel, in het belang van het kind, alsnog op gang moet worden gebracht. Vanzelfsprekend moet het meest geëigende dwangmiddel in iedere situatie worden gebruikt: een ondertoezichtstelling (al dan niet met een uithuisplaatsing) of een ontneming van het gezag (gevolgd door voogdij).

Om ervoor te zorgen dat, in het belang van de jongere, de juiste maatregel zo snel mogelijke beschikbaar is en vervolgens adequaat wordt uitgevoerd, zijn diverse activiteiten in gang gezet. Korte doorlooptijden, goede informatievoorziening en wetgeving zullen in 2009 leiden tot verbeteringen in de uitvoeringspraktijk1.

Prestatie-indicatorWaardePeildatumStreefwaarde 2009Streefwaarde 2011
Percentage doorlooptijd besluitvorming jeugdbeschermingsmaatregel binnen de normX200760%75%

Zo is in januari 2008 de nieuwe werkwijze voor de besluitvorming over beschermwaardige zaken vastgesteld. De norm voor de doorlooptijd houdt dit in dat in 2010 in 75% van de gevallen binnen 2 maanden na de melding een uitspraak over de kinderbeschermingsmaatregel wordt gedaan. Een hoger percentage is vooralsnog niet wenselijk omdat er zaken zijn waarbij doelbewust wordt gewacht met het nemen van het besluit in afwachting van bepaalde ontwikkelingen. Het belang van het kind is bepalend voor het tempo. De realisatie 2007/basiswaarde is niet beschikbaar, daar het hier een nieuwe norm betreft.

Kengetallen20062007200820092010
1. Aantal voogdij5 1705 1985 4026 0196 231
2. Aantal voorlopige voogdij158369208214208
3. Aantal ondertoezichtstelling (OTS)25 25628 27930 21234 91337 563
4. Gemiddelde duur OTS (in jaren)3,33,53,53,43,3
5. CaseloadX17,5151515

1 t/m 5 De aantallen voor 2006 en 2007 zijn realisatiegegevens. Het betreffen gemiddelde aantallen per jaar. De aantallen voor 2008 en verder zijn gebaseerd op de in de begroting beschikbare aantallen.

5 De caseload per FTE gezinsvoogd 2007 betreft een gemiddelde waarde zoals gemeten ultimo kalenderjaar (conform het Convenant Verlaging caseload gezinsvoogdij). Het kengetal caseload 2006 is niet beschikbaar omdat deze gegevens niet standaard werden verzameld.

Belangrijkste instrumenten

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdzorg vormen het wettelijke kader voor het jeugdbeschermingsbeleid. Het kabinet zet hiertoe in 2009 onder andere, ter specifieke invulling van dit kader, onderstaande (extra) instrumenten in:

• Een nieuwe werkwijze voor de besluitvorming over de inzet van jeugdbescherming is in 2009 landelijk ingevoerd en leidt tot een reductie van de doorlooptijd van gemiddeld 10 tot maximaal 2 maanden. In 2010 zal in 75% van de gevallen binnen 2 maanden na de melding een uitspraak over de kinderbeschermingsmaatregel worden gedaan. De kern van de werkwijze bestaat uit in te voeren casusoverleg en uit parallel uitgevoerde werkzaamheden door de betrokken organisaties, Bureau Jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming en rechtbank. € 1,5 miljoen is gereserveerd voor het casusoverleg en € 10 miljoen voor een versnelling van de instroom.

In totaal is voor de Raad van de Kinderbescherming € 77 miljoen gereserveerd.

• Verbetering informatie-uitwisseling ter ondersteuning van de samenwerking in de jeugdbeschermingsketen. In 2009 is de digitale ondersteuning voor het in te voeren casusoverleg gereed en ingevoerd en vindt digitaal informatie-uitwisseling tussen de organisaties plaats.

• Het streven is dat het wetsvoorstel voor de wijziging van de kinderbeschermingswetgeving (boek 1 Burgerlijk Wetboek) eind 2009 in het Staatsblad staat. Met de voorgestelde wijzigingen zal meer maatwerk mogelijk zijn en komt nadrukkelijk het belang van het kind voorop te staan. In de loop van 2009 zal de uitvoeringspraktijk worden voorbereid op de invoering van de beoogde wijzigingen met een daarop gericht implementatietraject.

• Start in 2009 met de scholing in de nieuwe methoden voor een effectieve uitoefening van de voogdij door de Bureaus Jeugdzorg, € 2 miljoen.

• Evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg, zoals neergelegd in artikel 210 zal deze wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd worden. Dit betekent dat deze evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg in 2009 plaats vindt. De jeugdbeschermingstaken en de jeugdreclassering zullen onderdeel uitmaken van de evaluatie. Hierbij wordt ook, zoals eerder bij brief (TK 16 november 2007, 30 889 en 29 815, nr. 4) is aangegeven, het definitieve besluit ten aanzien van het toekomstperspectief van de landelijk Werkende Instellingen (LWI’s) betrokken.

• In 2009 is duidelijk welke behoefte bestaat aan een gedwongen kader voor voortgezette hulp aan jongeren van 18 jaar en ouder, aansluitend op een eerder ingezet kinderbeschermings- of strafrechtelijk traject. Op basis hiervan zullen voorstellen worden gedaan over de aard van het gedwongen kader. Belangrijk in dit verband is dat het hierbij – naast de afronding van zorg aan jongvolwassenen – ook kan gaan om volwassenen die naar verwachting langdurig zijn aangewezen op zorg die alleen in een gedwongen kader geboden kan worden.

• In 2009 wordt ten behoeve van ondertoezichtstellingen en (gezins)voogdij circa € 270 miljoen gereserveerd aan doeluitkeringen aan provincies en aan de Grootstedelijke regio’s Amsterdam, Haaglanden en Rotterdam.

• Voor de opvang en voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen is circa € 18 miljoen gereserveerd.

• Voor de inning van ouderbijdragen is een bijdrage aan het LBIO van € 1,6 miljoen gereserveerd.

Operationele doelstelling 3.3

Jongeren tussen 12–27 jaar die (om andere redenen dan ziekte of verzorging) niet naar school gaan, geen baan hebben en ook niet op zoek zijn naar werk of scholing, én dreigen af te glijden naar maatschappelijk ongewenst gedrag, én niet bereikt worden met de gebruikelijke instrumenten wordt perspectief geboden via campussen.

Motivering

Er zijn nog steeds teveel jongeren die aan de kant blijven staan. Het gaat dan vooral om jongeren die niet in een leertraject zitten, niet werken en dreigen af te glijden. Het is van belang maatregelen te treffen om te voorkomen dat deze jongeren hun eigen toekomst vergooien door gebrek aan diploma‘s of werkervaring. De afstand tot de arbeidsmarkt mag niet te groot worden.

Het primaire doel is dat elke jongere die kan leren of werken (al dan niet in combinatie), dit ook daadwerkelijk gaat doen. Daarnaast is ook een doelstelling van de campussen om een bijdrage te leveren aan het kabinetsbeleid ten aanzien van veiligheid om de jeugdcriminaliteit met 25% te verminderen. Met de campussen kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat jongeren die lichte vergrijpen hebben gepleegd, (verder) afglijden naar de criminaliteit.

Belangrijkste instrumenten

Het kabinet kiest hierbij voor een stapsgewijze aanpak.

Een onafhankelijk onderzoeksbureau voert onder begeleiding van een commissie van deskundige wetenschappers een evaluatieonderzoek uit naar deze pilotprojecten. Een proces- en effectevaluatie maken hier onderdeel van uit. Het evaluatieonderzoek geeft inzicht in de effectiviteit van de aanpak van jongeren, de samenstelling van de doelgroep, de samenwerking tussen lokale en regionale partijen en de gehanteerde juridische kaders. Aan de hand van het evaluatieonderzoek zal het kabinet aan de verdere vormgeving van de campussen werken. Het zal die elementen overnemen die het meest succesvol en effectief blijken te zijn.

De eerste is de start van de pilotfase, waar in negen pilots geëxperimenteerd en geëvalueerd wordt wat wel en niet werkt. Dit onderzoek is gestart in de tweede helft van 2007 en zal worden afgerond medio 2010. Medio 2009 zal de tweede voortgangsrapportage verschijnen. De tweede stap is het starten van overleg met bestuurders in de jeugdketen en met partners in de jeugdketen én in de rechtshandhaving over de relatie tussen campussen en andere voorzieningen binnen de jeugdketen dat uitval van jongeren dient te voorkomen.

De tweede fase is in 2008 gestart en zal in 2009 worden gecontinueerd.

Ten slotte zal in 2010 en 2011 aan de hand van de ervaringen met de verschillende pilotprojecten en het inzicht in de effectiviteit van de verschillende aanpakken, samen met de bestuurlijke partners de campussen verder worden vormgegeven, op zo’n manier dat deze een inhoudelijke aanvulling betekenen op de bestaande stelsels. Voor de verlenging van de pilots in 2009 en het daarbij behorende evaluatieonderzoek en de verdere beleidsontwikkeling is in 2009 € 4,75 miljoen beschikbaar.

Vanuit de veiligheidsenveloppe zijn bij het ministerie van Financiën middelen gereserveerd die eventueel ingezet kunnen worden voor campussen. Het betreft een bedrag € 16 miljoen structureel vanaf 2010. Definitieve besluitvorming over deze indicatief gereserveerde middelen voor 2010 zal in 2009 plaatsvinden o.a. op basis van de eerste effectiviteitsresultaten van het evaluatieonderzoek naar de pilots.

KengetallenWaarde 2006Waarde 2007Waarde 2008Waarde 2009
Aantal pilots campussen899
Aantal ingestroomde jongeren in pilots campussen150250300
Onderzoek en evaluatieOnderzoekonderwerpADA. Start B. AfgerondVindplaats
Effectonderzoek ex postEvaluatie pilots campussen3.3A 2007 B 2010TK, 2007–2008, 31 001, nr. 22
Overig evaluatieonderzoekPrevalentie-onderzoek kindermishandeling3.1A 2009TK 2006–2007, 31 015, nr. 1
Evaluatie implementatie nieuwe werkwijze gezinsvoogdij3.2A 2009 B 2009
Wet op de Jeugdzorg3.1 + 3.2A 2009 B 2009Wet op de jeugdzorg. art. 110

Niet-beleidsartikel 98: Algemeen

98.1 Algemeen

Nieuw in de begroting 2009 is de regel Verzameluitkering Jeugd en Gezin. De verzameluitkering kent zijn wettelijke grondslag in de Financiële-verhoudingswet. Hij keert uit aan de medeoverheden. In de verzameluitkering zijn de beleidsthema’s gebundeld die jaarlijks gemiddeld maximaal € 10 miljoen voor het totaal van de ontvangende medeoverheden beslaan. Aanleiding voor de invoering van de verzameluitkering is de behoefte aan een wijze van middelenverstrekking aan de medeoverheden die ruimte biedt voor lokaal maatwerk en de administratieve lasten bij Rijk en medeoverheden voorkomt. Dit met name ook vanwege de geringe omvang van de middelen. Het budget stond in 2008 verantwoord op artikel 3.

De verzameluitkering Jeugd en Gezin bevat de uitkering van bestuurskosten aan de drie grootstedelijke regio’s, stadsregio Amsterdam, stadsgewest Haaglanden en stadsregio Rotterdam.

98.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsbedragen x € 1 000
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen00300300300300300
        
Uitgaven00300300300300300
        
Programma-uitgaven00300300300300300
Verzameluitkering Jeugd en Gezin00300300300300300

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

99.1 Algemeen

Dit artikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit het begrotingsdeel van dit niet-beleidsartikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstelling naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Een deel van de loonbijstelling moet nog worden toegedeeld. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

99.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsbedragen x € 1 000
 2007200820092010201120122013
Verplichtingen0– 1 5859169076751 2161 517
        
Uitgaven0– 1 5859169076751 2161 517
        
1 – Loonbijstelling0– 2852 2162 3402 2422 7833 084
2 – Prijsbijstelling0000000
3 – Onvoorzien0000000
4 – Taakstelling0– 1 300– 1 300– 1 433– 1 567– 1 567– 1 567

BEDRIJFSVOERINGSPARAGRAAF

In de bedrijfsvoeringsparagraaf wordt ingegaan op de onderwerpen in de bedrijfsvoering die specifiek in 2009 aan de orde zullen zijn. De paragraaf heeft uitdrukkelijk het karakter van een uitzonderingsrapportage.

Programma begroting

Deze begroting bestaat alleen uit programmamiddelen. De verantwoordelijkheid voor uitvoeringsorganisaties (bijvoorbeeld de SVB in het kader van de AKW, de Belastingdienst in het kader van het kindgebonden budget) en de personele en materiële uitgaven van de beleidsdepartementen die werkzaamheden verrichten voor de minister voor Jeugd en Gezin onder de verantwoordelijkheid, blijven vallen van de respectievelijke ministers van VWS, Justitie, Financiën, SZW en OCW.

Afbakening verantwoordelijkheden begrotingsuitvoering

Met ingang van 1 januari 2008 is het Besluit Begrotingsuitvoering Jeugd en Gezin van kracht geworden. Dit besluit is een nadere uitwerking van de in het Besluit Taak Financieel-Economische Zaken (FEZ) opgenomen betrokkenheid van de directeur FEZ van VWS bij de uitvoering van de begroting. De uitwerking van de betrokkenheid van de directeuren FEZ van de andere bij Jeugd en Gezin betrokken departementen is op een andere wijze vormgegeven. Hierover zijn in lijn met de algemene afspraken over de samenwerking werkafspraken gemaakt. Voor de uitvoerend budgethouders bij de betrokken departementen geldt dat zij gebonden zijn aan de algemene regels en voorschriften zoals die gelden voor het ministerie waarvan zij deel uitmaken.

De Comptabiliteitswet bepaalt in artikel 19a dat de minister voor Jeugd en Gezin verantwoordelijk is voor het beheer van de begroting van Jeugd en Gezin. Deze verantwoordelijkheid strekt zich niet uit tot de financiële beheershandelingen ten behoeve van uitvoering van onderdelen van de begroting van Jeugd en Gezin die onder verantwoordelijkheid van andere ministers zijn verricht. Deze ministers verantwoorden zich hierover in hun bedrijfsvoeringsparagraaf en informeren de minister voor Jeugd en Gezin over de belangrijkste controlebevindingen op artikelniveau en hebben de mogelijkheid de maatregelen toe te lichten die zijn getroffen om problemen in het beheer op te lossen. Op deze wijze kan de minister voor Jeugd en Gezin in de bedrijfsvoeringsparagraaf, als onderdeel van het jaarverslag van Jeugd en Gezin, verantwoording afleggen over de belangrijkste geconstateerde onrechtmatigheden (fouten en onzekerheden) en/of onvolkomenheden in het beheer en eventueel de maatregelen die hiervoor zijn getroffen om onrechtmatigheden en/of onvolkomenheden in de toekomst te voorkomen.

VERDIEPINGSHOOFDSTUK

Leeswijzer

Het verdiepingshoofdstuk bestaat uit een cijfermatig overzicht per artikel. Bij ieder artikel wordt eerst de opbouw van de stand vanaf de ontwerpbegroting 2008 tot aan de stand ontwerpbegroting 2009 opgenomen. Daarna worden de belangrijkste nieuwe mutaties toegelicht.

De mutaties begrotingsuitgaven zijn toegelicht voor zover de kasbedragen in 2009 meer dan € 3 miljoen bedragen of in verband met beleidsmatige relevantie vermeld worden.

Beleidsartikel 1: Gezin en inkomen

Begroting

Opbouw uitgaven x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008 4 114 147 4 233 173 4 244 5984 360 145 4 330 526 4 330 526
Mutatie NvW 20080 0 100 000 100 000 100 000 100 000
Mutatie amendement 2008 0 0 0 0 0 0
Mutatie 1e suppletore begroting 2008 76 600 0 0 00 0
Nieuwe mutaties 15 222 34 218 – 84 782– 106 401 – 106 713 – 129 626
Stand ontwerpbegroting 2009 4 205 969 4 267 391 4 259 8164 353 744 4 323 813 4 300 900
Opbouw ontvangsten x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008272272272272272272
Mutatie 1e suppletore begroting 2008000000
Nieuwe mutaties000000
       
Stand ontwerpbegroting 2009272272272272272272
Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1 000)
200820092010201120122013
De indexatie van de kinderbijslagbedragen valt op grond van het prijsindexcijfer hoger uit dan geraamd.8113 2083 2383 2393 2393 260
Het wetstraject waarin aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de kinderbijslag voor 16- en 17-jarigen is vertraagd. De beoogde invoeringsdatum is 1 oktober 2009 geworden in plaats van 1 oktober 2008. De kinderbijslag van 1 oktober 2009 wordt in januari 2010 uitbetaald; daarom wordt het budgettair effect in 2009 bijgesteld.0– 3 4000000
AKW indexatie 200814 71158 27557 44756 84456 28355 841
De Sociale Verzekeringsbank heeft in de Juninota gemeld dat het aantal kinderen waarvoor kinderbijslag wordt verstrekt vanaf 2009 zal dalen. Met deze mutatie wordt de raming neerwaarts bijgesteld.0– 13 865– 16 456– 24 762– 31 501– 36 629
Taakstelling binnen de Jeugd en Gezin-begroting 0 0 – 116 011– 126 722 – 119 734 – 114 206
Per 2009 wordt de Buitengewone Uitgavenaftrek (BU) in de inkomstenbelasting afgeschaft. In plaats daarvan komt de Wet TegemoetkomingChronisch Zieken en Gehandicapten, die een veel beperktere aftrekmogelijkheid kent. Hierdoor zullen de verzamelinkomens van mensen die voorheen gebruik maakten van de BU dalen. Dit leidt tot lagere uitgaven voor het kindgebonden budget.  – 10 000– 13 000 – 15 000 – 15 000 – 15 000

Beleidsartikel 2: Gezond opgroeien en meedoen

Begroting

Opbouw uitgaven x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008279 422315 083336 880359 611359 611359 611
Mutatie NvW 2008000000
Mutatie amendement 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 20081 7713 0553 6552 5802 3302 330
Nieuwe mutaties9 17524 04126 20023 36021 36021 360
       
Stand ontwerpbegroting 2009290 368342 179366 735385 551383 301383 301
Opbouw ontvangsten x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20081 5451 5451 5451 5451 5451 545
Mutatie 1e suppletore begroting 2008000000
Nieuwe mutaties000000
       
Stand ontwerpbegroting 20091 5451 5451 5451 5451 5451 545
Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1 000)
200820092010201120122013
Overheveling van de financiering van de prenatale zorg (premie-middelen zorg) naar de Brede Doeluitkering Jeugd en Gezin05 8005 8005 8005 8005 800
Loonbijstelling10 07011 26812 03312 81712 81712 817

Beleidsartikel 3: Zorg en bescherming

Begroting

Opbouw uitgaven x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20081 443 2781 368 1431 362 8641 363 0171 362 7581 362 758
Mutatie NvW 200840 00000000
Mutatie amendement 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 2008– 9 83614 63012 23010 73010 73010 730
Nieuwe mutaties87 856218 971295 880323 765343 603353 203
       
Stand ontwerpbegroting 20091 561 2981 601 7441 670 9741 697 5121 717 0911 726 691
Opbouw ontvangsten x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 200819 69819 69819 69819 69819 69819 698
Mutatie 1e suppletore begroting 2008– 8 000– 8 000– 8 000– 8 000– 8 000– 8 000
Nieuwe mutaties12800000
       
Stand ontwerpbegroting 200911 82611 69811 69811 69811 69811 698
Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1 000)
200820092010201120122013
Loonbijstelling42 81740 59940 49740 49340 48540 485
Voor een verdere groei in de verschillende sectoren van de jeugdzorg is indicatief een bedrag gereserveerd.49 00047 30068 20087 800114 800145 800
Om de toenemende vraagontwikkeling in de jeugdbescherming op te kunnen vangen, worden extra middelen beschikbaar gesteld.050 50051 30051 8005200052000
Als gevolg van de toenemende vraagontwikkeling in de jeugdbescherming wordt ook het aantal beschermingsonderzoeken dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) uit moet voeren groter. Hiervoor worden extra middelen beschikbaar gesteld.010 40010 50010 30010 40010 400
Door een verbeterde afstemming van de werkwijze in keten tussen de Raad voor de Kinderbescherming en de Bureaus Jeugdzorg kan de doorlooptijd van aanmelding tot uitspraak van de rechter aanzienlijk verkort worden. Dit leidt op korte termijn tot groei van het aantal kinderbeschermingsmaatregelen.010 10033 60047 00039 80018 400
Er worden extra middelen ingezet voor het uitvoeren van maatregelen waarmee beoogd wordt de tijd per kind per gezinsvoogd te vergroten (Deltaplan Gezinsvoogdij).011 20010 6009 7009 6009 600
Overheveling van Justitie van de budgetten ten behoeve van de twee Rijks-JJI’s die per 1 januari 2009 naar Jeugd en Gezin overgaan.031 86931 72431 59631 41231 412
Om de kwaliteit te verbeteren voor het civiel deel van de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) als gevolg van het Visiedocument en het Inspectierapport worden extra middelen beschikbaar gesteld.019 00025 90018 40018 40018 400
Volgens de meest recente raming van het Prognosemodel Justitiële Ketens is er vanaf 2010 te weinig capaciteit in de civielrechtelijke gesloten jeugdzorg. Met deze middelen kan de capaciteit worden uitgebreid.0026 90026 90026 90026 900
Inzet enveloppe-middelen Veiligheid voor pilots campussen. 1 0001 0001 0001 0001 000

Niet-beleidsartikel 98: Algemeen

Begroting

Opbouw uitgaven x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008000000
Mutatie NvW 2008000000
Mutatie amendement 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 2008000000
Nieuwe mutaties0300300300300300
       
Stand ontwerpbegroting 20090300300300300300
Opbouw ontvangsten x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 2008000000
Nieuwe mutaties000000
       
Stand ontwerpbegroting 2009000000

Niet-beleidsartikel 99: Nominaal en onvoorzien

Begroting

Opbouw uitgaven x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 20080– 1 694– 3 387– 6 775– 6 775– 6 775
Mutatie NvW 2008000000
Mutatie amendement 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 200850 28549 02649 56753 14453 13553 135
Nieuwe mutaties– 51 870– 46 416– 45 273– 45 694– 45 144– 44 843
       
Stand ontwerpbegroting 2009– 1 5859169076751 2161 517
Opbouw ontvangsten x € 1 000
200820092010201120122013
Stand ontwerpbegroting 2008000000
Mutatie 1e suppletore begroting 2008000000
Nieuwe mutaties000000
       
Stand ontwerpbegroting 2009000000
Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1 000)
200820092010201120122013
Enveloppe-middelen Jeugd en Gezintranche 2009.085 00085 00085 00085 00085 000
Inzet enveloppe Jeugd en Gezin. Het budget wordt ingezet voor intensiveringen uit het Besluitvormingsmemorandum (BVM).0– 85 000– 85 000– 85 000– 85 000– 85 000
Een deel van de enveloppe-middelen Veiligheid (campussen) tranche 2009. Restant blijft gereserveerd op de aanvullende post bij Financiën.08 0001 0001 0001 0001 000
Inzet van de enveloppe-middelen Veiligheid tranche 2009. Het budget wordt ingezet voor intensiveringen uit het BVM.0– 8 000– 1 000– 1 000– 1 000– 1 000
Enveloppe-middelen Jeugd en Gezin tranche 2011. Budget wordt ingezet voor intensiveringen uit het BVM. Restant blijft gereserveerd op de aanvullende post bij Financiën.0001 00019 00029 000
Inzet van de enveloppe-middelen Jeugd en Gezin tranche 2011. Het budget wordt ingezet voor intensiveringen uit het BVM.000– 1 000– 19 000– 29 000
Enveloppe-middelen Jeugd en Gezin tranche 2010007 0007 0007 0007 000
Inzet van de enveloppe-middelen Jeugd en Gezin tranche 2010. Het budget wordt ingezet voor intensiveringen uit het BVM.00– 7 000– 7 000– 7 000– 7 000
De loonbijstelling tranche 2008 is op de Jeugd en Gezin begroting bijgeboekt. Omdat de P&M-middelen van Jeugd en Gezin op de begroting van VWS staan, wordt de loonbijstelling overgeboekt naar VWS.– 52 887– 51 867– 52 530– 53 310– 53 302– 53 302

ZBO’S EN RWT’S

Bedragen x € 1 miljoen
 NaamZBO/RWT2009
1NIDOSZBO; RWT18 472
2LBIOZBO; RWT1 643

MOTIES

A. Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

AANGENOMEN MOTIESKAMERSTUKSTAND VAN ZAKEN
Motie-Van der Vlies c.s. over de claim voor kwaliteitshandhaving van schippersinternaten30 800 XVI, nr. 112AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 15 oktober 2007 (29 214, nr. 26)
   
Motie-Çörüz over de borging van de rechtspositie van de jeugdige bij het toezicht op de uitvoering van de Wet op de gesloten jeugdzorg30 644, nr. 20AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 17 januari 2008 (29 815, nr. 123)
   
Motie-Verdonk over concrete voorstellen voor de financiële en organisatorische regierol van gemeenten bij CJG31 001, nr. 10AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 november 2007 (31 001, nr. 36)
   
Motie-Bouchibti/Sterk over het organiseren van de zorgcoördinatie binnen de totale jeugdketen31 001, nr. 8AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 november 2007 (31 001, nr. 36)
   
Motie-Depla/Sterk over onderzoek naar verplichte opvoedondersteuning vanuit de CJG30 136/28 684, nr. 17AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 november 2007 (31 001, nr. 36)
   
Motie-Bouchibti/Sterk over signalen in de verwijsindex31 001, nr. 7AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 november 2007 (31 001, nr. 36)
   
Motie-Bouchibti c.s. over Rotterdam als Europese Jongerenhoofdstad31 200 XVII, nr. 16AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 11 juni 2008 (31 200 XVII, nr. 39)
   
Motie-Uitslag over Jeugdgezondheidszorg31 200 XVI, nr. 136AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 4 juli 2008 (29 815, nr. 160)
   
Motie-Voordewind c.s. over het actieplan preventiezelfdoding31 200 XVII, nr. 22AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 juni 2008 «Beleidsadvies Verminderen van suïcidaliteit» (22 894, 172)
   
De motie-Çörüz over de borging van de rechtspositie van de jeugdige bij het toezicht op de uitvoering van de Wet op de gesloten jeugdzorg.30 644, nr. 23AFGEHANDELD Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 17 januari 2008 «Aanbieding Jaarwerkprogramma 2008 van Inspectie Jeugdzorg» (29 815, 123)
   
Motie-Çörüz c.s. over harmonisatie van de rechtspositie van een drietal groepen jongeren30 644, nr. 19De Kamer wordt hierover eind 2008 geïnformeerd.
   
Motie-Dibi c.s. over de uitwerking van kwaliteitscriteria in de gesloten opvang30 644, nr. 17Hieromtrent zal in het najaar een brief naar de Kamer gaan, samen met Toetsingskader gesloten Jeugdzorg.
   
Motie-Verburg over structurele verhoging kinderbijslag30 800 XV, nr. 40De Kamer zal hierover uiterlijk in 2009 worden geïnformeerd
   
Motie-Cörüz c.s. over een ambtshalve bevoegdheid voor de kinderrechter voor OTS31 015, nr. 14Zal worden meegenomen in het wetsontwerp Herziening kinderbeschermingsmaatregelen dat in het najaar van 2008 aan de Kamer wordt aangeboden.
   
Motie-Dibi c.s. over de uitwerking van kwaliteitscriteria in de gesloten opvang30 644, nr. 17Hieromtrent zal in het najaar een brief naar de Kamer gaan, samen met Toetsingskader gesloten Jeugdzorg.
   
Motie-Çörüz c.s. over harmonisatie van de rechtspositie van een drietal groepen jongeren30 644, nr. 19Wetsvoorstel Harmonisatie rechtspositie jeugdigen met ernstige gedragsproblemen is in voorbereiding en zal waarschijnlijk in de herfst van 2008 aan de Kamer worden aangeboden.
   
Motie-Arib over onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen van Marokkaanse afkomst.30 300 VI, nr. 159De Tweede Kamer zal in het najaar van 2008, na afronding van het onderzoek, worden geïnformeerd
   
Motie-Sterk c.s over een nationaal opvoeddebat31 200 XVII, nr. 12Wordt meegenomen in Nota Gezinsbeleid welke in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden
   
Motie-Çörüz over maatwerk bij kinderbeschermingsmaatregelen31 015/31 001, nr. 28Zal worden meegenomen in het wetsontwerp Herziening kinderbeschermingsmaatregelen dat in het najaar van 2008 aan de Kamer wordt aangeboden.
   
Motie-Bouchibti c.s. over een pilot met een campus voor jongeren tussen de 12 en 14 jaar31 200 XVII, nr. 17Momenteel wordt overleg gevoerd met al bestaande pilots. In het najaar van 2008 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd
   
De gewijzigde motie-Uitslag/Timmer over het ontwikkelen van een eenduidige definitie van zwerfjongeren31 323, nr. 4 (gewijzigd)De Kamer wordt hierover eind 2008 geïnformeerd.
   
Motie-Cöruz c.s. over het onderzoeken van het koppelen van jeugdzorg-dossiers aan het BurgerService-Nummer29 815, nr. 159De Kamer wordt in het najaar van 2008 geïnformeerd.
   
Motie-Voordewind c.s. over het in het licht plaatsen van het beloningssysteem in de «Jeugdzorg breed» van de adviezen van de commissie-Dijkstal29 815, nr. 158De Kamer wordt in het najaar van 2008 geïnformeerd.
   
Motie-Voordewind over het opnemen door gemeenten van de Eigen Kracht Conferentie als onderdeel van het hulpaanbod29 815, nr. 157Ervaringen opgedaan bij EKC in Overijssel worden – nadat deze in kaart zijn gebracht – aangeboden aan gemeenten. Huidige planning: eind 2009.
   
Motie-Joldersma c.s. over een landelijke gedragscode voor vroeg-op-staptijden in de horeca voor jongeren27 565, nr. 38Na het AO Vroeg op stap dat gepland staat op 9 oktober 2008, zal de Kamer worden geïnformeerd hoe aan deze motie uitvoering zal worden gegeven.
   
Motie-Van der Ham/Dibi over betere uitgaansmogelijkheden voor jongeren tussen de 12 en 1827 565, nr. 50Brief n.a.v. overleg met onder ander de VNG zal eind 2008 aan de Kamer worden toegezonden.
   
Motie-Leijten/Voordewind over alcoholpromoties gericht op jongeren27 565, nr. 40Er wordt een interdepartementale werkgroep geformeerd. Eind 2008 zal het rapport aan de Kamer worden toegezonden.
   
Motie-Voordewind c.s. over bundeling van de informatievoorziening en dienstverlening in het Nederlands Jeugdinstituut31 200 XVII, nr. 23Er wordt een plan van aanpak opgesteld. Deze zal eind 2008 aan de Kamer worden toegezonden.
   
Motie-Joldersma/Voordewind over een experiment met o.a. leeftijdsgrenzen in een aantal gemeenten27 565, nr. 36Zal worden opgenomen in komende Drank- en Horecawetswijziging. Planning: voorjaar 2009.

B. Door de minister gedane toezeggingen

WAT IS TOEGEZEGD?VINDPLAATSSTAND VAN ZAKEN
Bekijken of voor jongeren van 12–15 jaar een plek op een campus een laatste alternatief zou kunnen zijn en of daarover van de lopende pilots voldoende kan worden afgeleid voor die leeftijdscategorie.Behandeling Begroting Jeugd en Gezin 2008 d.d. 22 november 2007Momenteel wordt overleg gevoerd met al bestaande pilots. In het najaar van 2008 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
   
De minister gaat na hoe binnen JGZ de stand van zaken is met betrekking tot de signalering van genitale verminking, maagdenvlieshersteloperaties en abortussen en zal tevens nagaan of dit een apart signaleringspunt moet worden.AO Evaluatie Jeugdgezondheidszorg d.d. 3 april 2008De Kamer wordt hierover in het najaar van 2008 geïnformeerd.
   
De minister zal de Kamer uiterlijk voor de begroting 2009 informeren over nut en noodzaak van een nieuw contactmoment voor 15- tot 16-jarigen en zijn voornemens daaromtrent.AO Evaluatie Jeugdgezondheidszorg d.d. 3 april 2008Brief hieromtrent zal vóór de Begrotingsbehandeling Jeugd en Gezin in november aan de Kamer worden toegezonden.
   
Op eventuele scheiding tussen ouderschap en opvoederschap zal de minister terugkomen in de nota gezinsbeleid.AO Beleidsprogramma Jeugd en Gezin d.d. 4 juli 2007Nota gezinsbeleid zal in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
   
De Kamer zal worden bericht over het gesprek inzake de uitwerking van het bestuursakkoord tussen het Rijk en de VNG waarbij het aspect van de uitgaansvoorzieningen voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar zal worden betrokken.AO Alcoholbeleid d.d. 22 mei 2008Brief n.a.v. overleg met onder ander de VNG zal eind 2008 aan de Kamer worden toegezonden.
   
Bij de nota gezinsbeleid terugkomen op bundeling van alle kennis van jeugd en gezin, toegankelijk voor de beroepsgroep en ouders.Behandeling Begroting Jeugd en Gezin 2008 d.d. 22 november 2007Nota gezinsbeleid zal in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
   
De gevolgen van armoede voor kinderen in de nota over gezin en opvoeding betrekken.Behandeling Begroting Jeugd en Gezin 2008 d.d. 22 november 2007Nota gezinsbeleid zal in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
   
Notitie opstellen m.b.t. gezinshuizen.Behandeling Begroting Jeugd en Gezin 2008 d.d. 22 november 2007Nota gezinsbeleid zal in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
   
In de nota gezinsbeleid komt preventie van echtscheiding aan de orde.Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30 145) d.d. 21 maart 2007Nota Gezinsbeleid zal in het najaar van 2008 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
   
In gesprek met de betrokken partijen uit de sector wordt zorgvuldig verkend onder welke voorwaarden de overheveling van de Jeugd-LVG uit de AWBZ naar de provinciaal gefinancierde jeugdzorg mogelijk is. Daarbij wordt ook het SER-advies betrokken over de toekomst van de AWBZ, dat aan het eind van dit jaar verwacht wordt.AO Beleidsprogramma Jeugd en Gezin d.d. 4 juli 2007Momenteel lopen er gesprekken met de SER aangaande dit onderwerp. Als de uitkomst bekend is zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk hierover worden bericht.
   
In de nota preventiebeleid gericht op de jeugd zal nader worden ingegaan op de stand van zaken betreffende het (overmatig) alcoholgebruik bij jongeren en op de doelstellingen om dit tegen te gaanAO Alcoholbeleid d.d. 18 december 2007De nota zal eind 2008 verschijnen.
   
De Kamer: – ontvangt het plan van aanpak van de GMS voor de overgang naar gesloten jeugdzorg en – ontvangt – n.a.v. verzoek van het lid Dibi – een overzicht van agressiereducerende technieken die in de gesloten en open jeugdzorg worden gebruikt.AO Jeugdzorg: over kindermishandeling, standpunt «Kinderen in Tel», Glenn Mills, ARK-rapport d.d. 18 juni 2008De Kamer ontvangt hierover in het najaar van 2008 een brief met het plan van aanpak en het overzicht.
   
In beeld brengen wat de overschotten en reserves bij bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders zijn (relatie met modelverordening IPO).AO Jeugdzorg(wachtlijsten) d.d. 26 juni 2008De Kamer zal hierover vóór de Begrotingsbehandeling Jeugd en Gezin in november 2008 worden geïnformeerd.
   
De Kamer ontvangt de onderzoeksopzet Evaluatie wet op de jeugdzorg.AO Jeugdzorg(wachtlijsten) d.d. 26 juni 2008Vóór het kerstreces 2008 ontvangt de Kamer een voorstel met op te nemen onderwerpen in de eindevaluatie.
   
De Kamer wordt geïnformeerd over gesprek met IPO/provincies over inzet interim managers bij bureaus jeugdzorg en daarbij betaalde vergoeding.Brief aan de Tweede Kamer «Vragen eerste termijn AO Jeugdzorg» d.d. 3 juli 2008Vóór de Begrotingsbehandeling JenG in november 2008 ontvangt de Kamer een brief met de resultaten van de overleggen.
   
Het elektronisch kinddossier zal uiterlijk 1-1-2008 worden gestart; per 1-1-2009 zal het verplicht worden gesteld bij jeugdconsultatiebureaus.AO Uitgangspunten van het beleid d.d. 12 april 2007De Kamer zal in het najaar van 2008 worden geïnformeerd over de ontwikkelingen op het terrein van het Elektronisch Kinddossier.
   
De minister gaat samen met de staatssecretaris van VWS praten met VNG en Federatie Opvang over de aansluiting tussen de provinciale jeugdzorg en de gemeentelijk beleid voor zwerfjongeren en knelpunten daarbij.Vervolg AO Zwerfjongeren d.d. 14 mei 2008De Kamer zal eind 2008 hierover worden geïnformeerd.
   
De Kamer jaarlijks op de hoogte stellen van de voortgang CJG’s; ook m.b.t. de financiële stand van zaken in relatie tot inhoudelijke prestatie-indicatorenAO Centra Jeugd en Gezin en regierol gemeenten d.d. 31 januari 2008Vóór het einde van 2008 ontvangt de Kamer een brief met de voortgangsrapportage.
   
De minister vraagt aan de provincies of op te helderen valt in hoeveel procent van de gevallen de vervangende zorg voldoende is voor de wachtenden en er geen eerst-geïndiceerde zorg meer nodig is (nav verzoek Langkamp).Spoeddebat Wachtlijstenjeugdzorg d.d. 12 juni 2008Hierover ontvangt de Kamer een brief voor einde van 2008 waarin tevens opgenomen de wachtlijstcijfers per 1 oktober 2008 en de voortgang van de wachtlijsten.
   
De Kamer wordt geïnformeerd over het eindresultaat van het onderzoek naar aard/urgentie/achtergrond problematiek wachtenden op wachtlijst provinciale jeugdzorg.AO Jeugdzorg(wachtlijsten) d.d. 26 juni 2008Een tussenstand van zaken ontvangt de Kamer in de brief die voor einde van 2008 wordt verzonden, en waarin tevens wordt opgenomen de wachtlijstcijfers per 1 oktober 2008 en de voortgang van de wachtlijsten.

AFKORTINGENLIJST

ADAlgemene Doelstelling
AKWAlgemene Kinderbijslagwet
AMKAdvies- Meldpunt Kindermishandeling en
AMVAlleenstaande minderjarige vluchteling
BJZBureau Jeugdzorg
BOPZWet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
BOSRegeling buurt, onderwijs en sport
CensisCentrale Stichting van Internaten voor Schippers- en Kermisjeugd
CJGCentrum voor Jeugd en Gezin
COACentraal Orgaan opvang asielzoekers
CPBCentraal Planbureau
CWComptabiliteitswet
EKDElektronisch Kinddossier
ftefulltime equivalent
ggzgeestelijke gezondheidszorg
HBO-raadVereniging van hogescholen
IBOInterdepartementaal beleidsonderzoek
ICTInformatie- en communicatietechnologie
IJZInspectie Jeugdzorg
ITJIntegraal toezicht jeugdzaken
JgzJeugdgezondheidszorg
JONGJeugdbeleid Overheid Nu Gezamenlijk, operatie -
LBIOLandelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
lvglicht verstandelijk gehandicapten
MOgroepMaatschappelijk Ondernemers Groep
MvJMinister van Justitie
NIPNederlands instituut voor psychologen
NJINederlands Jeugdinstituut
NVMWNederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers
NVONederlandse vereniging voor pedagogen en onderwijskundigen
OCWOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, ministerie van -
ODOperationele Doelstelling
OTSOndertoezichtstelling
RAAKReflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling
RWTrechtspersoon met een wettelijke taak
Stb.Staatsblad
SVBSociale Verzekeringsbank
SZWSociale Zaken en Werkgelegenheid, ministerie van -
TKTweede Kamer
TRSUTijdelijke Regeling Specifieke Uitkering
VNGVereniging van Nederlandse Gemeenten
VWSVolksgezondheid, Welzijn en Sport, ministerie van -
WcpvWet collectieve preventie volksgezondheid
WjzWet op de jeugdzorg
WmoWet maatschappelijke ondersteuning
ZATZorg- en Adviesteam
Zbozelfstandig bestuursorgaan
ZonMwZorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen

TREFWOORDENREGISTER

Alcohol 10, 22, 26, 51, 52

Bedrijfsvoering 1, 3, 40

Bescherming 1, 5, 11, 12, 15, 28, 29, 31, 33, 34, 35, 44, 45, 50, 51

Budgetflexibiliteit 3

Campus 11, 13, 15, 28, 29, 30, 31, 36, 37, 45, 48, 51, 52

Centra voor Jeugd en Gezin 7, 8, 10, 12, 21, 24

Doelstelling(en) 3

Doelstellingen 4, 15, 22, 23, 28, 31, 52

Drugs 22, 26

Gezin 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 31, 32, 33, 34, 35, 37, 38, 40, 42, 45, 48, 51, 52, 53, 54

Hulpverlening 6, 9, 12, 32, 34

Instrumenten 4, 13, 16, 17, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 35, 36

Jeugdbescherming 5, 6, 12, 28, 29, 34, 35, 45

Jeugdcriminaliteit 5, 9, 13, 29, 36

Jeugdgezondheidszorg 5, 9, 21, 24, 28, 50, 52, 54

Jeugdmonitor 22, 26

Jeugd 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 32, 33, 35, 36, 38, 40, 42, 45, 48, 50, 51, 52, 53, 54

Jeugdzorg 5, 6, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 21, 24, 25, 28, 29, 31, 32, 33, 34, 35, 37, 45, 50, 51, 52, 53, 54

Kinderbijslagwet 16, 17, 18, 54

Kinderen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 32, 33, 34, 42, 51, 52, 53

Kindermishandeling 8, 10, 11, 15, 28, 29, 31, 32, 33, 37, 53, 54

Kindvriendelijk 10

LBIO 49, 54

Motivering 23, 25, 31, 34, 36

NIDOS 49

Omgeving 6, 10, 11, 21, 23, 25, 26

Ontwikkelingsvoorwaarden 16

Opgroeien 1, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 16, 21, 22, 23, 24, 25, 28, 29, 31, 43

Opvoeding 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 31, 34, 52

Participatie 6, 10, 22, 26, 27

Preventie 5, 6, 7, 8, 10, 15, 22, 24, 25, 26, 28, 29, 32, 33, 50, 52, 54

Professionalisering 33

Provincie 4, 9, 11, 12, 13, 14, 22, 29, 31, 32, 35, 53

Risicogedrag 26

Roken 12, 14, 18, 22, 24

School 4, 5, 9, 11, 16, 18, 24, 26, 30, 31, 36

Tegemoetkoming 4, 5, 7, 16, 17, 18, 42

Van Jeugd 3

Verantwoordelijkheid 3, 4, 5, 6, 12, 14, 16, 17, 22, 24, 25, 29, 32, 40

Verstandelijk gehandicapten 4, 29, 54

Verwijsindex 8, 9, 24, 31, 33, 50

Voogdij 14, 28, 29, 34, 35, 37, 45

Wachtlijsten 32, 53

Welzijn 54

Wet op de jeugdzorg 13, 14, 29, 31, 35, 37, 53, 54

Zorg 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 43, 44, 50, 52, 53, 54

Licence