IXA Nationale Schuld
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
Wetsartikelen 1 en 2
De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2012 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA).
De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
De minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL
Wetsartikel 1
De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2012 wijzigingen aan te brengen in de begrotingsstaat van de Nationale Schuld.
De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
De minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem
Wetsartikel 1 (begrotingsstaat van Nationale Schuld)
De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van Nationale Schuld voor het jaar 2012 vast te stellen.
Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de rijksbegroting voor het jaar 2012. Een toelichting bij de rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2012.
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2012 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).
De Minister van Financiën,
J. C. de Jager
B. BEGROTINGSTOELICHTING
Over het algemeen wordt de slotwetmutatie voor elk begrotingsartikelonderdeel toegelicht voor zover dit verschil groter is dan 5% en daarnaast groter is dan € 2,5 mln. van het beschikbare bedrag na tweede suppletoire begroting.
Beleidsartikelen
Beleidsartikel 1 Financiering Staatsschuld
Toelichting
Uitgaven
Rentelasten vaste schuld (– € 64,9 mln.)
De lagere rentelasten worden grotendeels verklaard door de effectief gerealiseerde rente die lager was dan de rekenrente.
Aflossing vaste schuld (+ 3.158,2 mln.)
Er is meer vervroegd afgelost dan geraamd. Hierdoor is de aflossing vaste schuld hoger geworden.
Mutaties vlottende schuld (– € 2.957 mln.)
Vanwege een hoger kastekort is de vlottende schuld minder gedaald dan geraamd.
Ontvangsten
Uitgifte vaste schuld (+ € 359,3 mln.)
De gerealiseerde volumes bij de veilingen zijn nooit exact gelijk aan de geplande uitgiftevolumes van het financieringsplan. Daarom is de uitgifte vaste schuld uiteindelijk iets hoger uitgekomen dan de raming.
Beleidsartikel 2 Kasbeheer
Uitgaven
Rentelasten (– € 3,2 mln.)
De rentelasten vanwege de rekening-courant saldi zijn lager uitgevallen dan geraamd. Dit is het gevolg van de gedaalde rentestanden in combinatie met lagere saldi op rekening-courant.
Verstrekte leningen (+ 523,1 mln.)
Zowel de verstrekte leningen als de afgeloste leningen zijn hoger uitgevallen dan bij de tweede suppletoire begroting werd geraamd.
Mutaties in rekening-courant (+ € 80,9 mln.)
Deelnemers aan het schatkistbankieren houden via een rekening-courant tegoed en/of deposito hun middelen aan in de schatkist. Een daling van het rekening-courant saldo of van de aangehouden middelen in deposito vormt een uitgave voor het Rijk, omdat minder middelen in de schatkist worden aangehouden. Ten opzichte van de raming ten tijde van de tweede suppletoire begroting zijn de uitgaven iets hoger uitgevallen. Dit komt doordat deelnemers aan schatkistbankieren minder tegoeden zijn gaan aanhouden in de vorm van rekening-courant tegoed en/of deposito’s.
Ontvangsten
Rentebaten (– € 10,5 mln.)
De rentebaten liggen voor het grootste deel vast, omdat het leeuwendeel van de rentebaten betrekking heeft op in eerdere jaren afgesloten leningen. De gerealiseerde rentebaten wijken licht af van de raming ten tijde van de tweede suppletoire begroting.
Ontvangen aflossingen (+ € 541,5 mln.)
Zowel de verstrekte leningen als de afgeloste leningen zijn hoger uitgevallen dan bij de tweede suppletoire begroting werd geraamd.
B. BEGROTINGSTOELICHTING
B. BEGROTINGSTOELICHTING
1. LEESWIJZER
Algemeen
De begroting Nationale Schuld (IXA) behandelt de schuld van de Nederlandse rijksoverheid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de schuld die extern wordt gefinancierd, door bijvoorbeeld banken, beleggers en pensioenfondsen en de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen – via het geïntegreerd middelenbeheer – hebben bij het ministerie van Financiën. De begroting IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen:
-
1. Financiering staatsschuld
-
2. Kasbeheer
Het artikel over kasbeheer behandelt naast het geïntegreerd middelenbeheer ook het betalingsverkeer.
Opbouw ontwerpbegroting
De begroting bevat naast dit hoofdstuk (de leeswijzer) nog drie hoofdstukken.
Hoofdstuk twee behandelt het beleid en de twee beleidsartikelen.
De opbouw van de beleidsartikelen is als volgt:
-
• Algemene beleidsdoelstelling met toelichting;
-
• Tabel budgettaire gevolgen van beleid inclusief een toelichting op hoofdlijnen. Omdat de verplichtingen op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijkgesteld zijn aan de uitgaven, zijn de verplichtingen hierin niet opgenomen. Gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op de begroting IXA is gekozen voor afronding in miljoenen euro’s;
-
• Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid.
Hoofdstuk 2 bevat ook de formele paragraaf waarin de loon- en prijsbijstelling relevant voor hoofdstuk IXA wordt gegeven.
Tot slot geeft hoofdstuk 3 (als bijlage) een lijst met uitleg over de gehanteerde afkortingen en begrippen.
1. Leeswijzer
Deze tweede suppletoire begroting bevat de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de eerste suppletoire begroting 2012. In deze begroting wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de schuld die extern wordt gefinancierd en anderzijds de schulden of tegoeden die verschillende aan de schatkist gelieerde instellingen hebben bij de minister van Financiën. De begroting IXA is daarom opgebouwd uit twee beleidsartikelen. Het artikel Financiering staatsschuld (artikel 1) heeft betrekking op de extern gefinancierde schuld terwijl het artikel Kasbeheer (artikel 2) betrekking heeft op de schuldverhouding tussen de minister van Financiën en de instellingen die deelnemen aan schatkistbankieren. De begroting IXA bestaat naast de twee hierboven beschreven beleidsartikelen tevens uit een niet-beleidsartikel in verband met loon- en prijsbijstelling.
In paragraaf 2.1 worden de belangrijkste mutaties gepresenteerd die zich voordoen op beide beleidsartikelen. In paragraaf 2.2 is in de tabel budgettaire gevolgen van beleid een overzicht opgenomen van alle mutaties die zich voordoen op de afzonderlijke beleidsartikelen en van de nieuwe standen. Hierbij is, gezien de totale omvang van de uitgaven en ontvangsten op de begroting IXA, gekozen voor afronding in hele miljoenen.
In de 2de suppletoire IXB zijn de mutaties met betrekking tot de kredietcrisis verwerkt op artikel 2,3 en 4. Een totaaloverzicht van de kredietcrisismaatregelen is opgenomen in de Najaarsnota.
Budgetflexibiliteit
De mate van budgetflexibiliteit kan worden afgeleid uit het nog niet-juridisch verplichte deel van de geraamde programma-uitgaven. Voor de begroting IXA Nationale Schuld is deze budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.
2. HET BELEID
2. Het beleid
2.1 Samenvatting en beleidsagenda
2.1.1 Samenvatting
De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het financieringsbeleid en het risicomanagement van de staatsschuld. Ook is de minister van Financiën verantwoordelijk voor het kasbeheer van het Rijk. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de rentekosten en de omvang van de staatsschuld in 2012 en op de belangrijkste mutaties sinds ontwerpbegroting 2011. Daarna wordt stilgestaan bij de beleidsartikelen voor 2012.
Tabel 1 geeft een overzicht van de gerealiseerde respectievelijk verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar, alsmede de daarbij behorende rentekosten. Daarnaast is tevens de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen opgenomen.
De omvang van de staatsschuld ultimo 2012, zoals verantwoord in IXA, bedraagt naar verwachting circa € 340 mld., ofwel 55% van het BBP. De raming voor de rentekosten staatsschuld in 2012 bedraagt € 10,9 mld. Dit komt overeen met 1,7% BBP.
| 2010 | 2011 | 2012 | |
|---|---|---|---|
| EMU-schuld | 370 | 391 | 407 |
| Staatsschuld conform EMU-definitie | 319 | 336 | 348 |
| Staatsschuld IXA1 | 309 | 328 | 340 |
| Schuldverhouding met ABN AMRO (voorheen Fortisbank NL) | – 4,6 | – 3,8 | – 3,8 |
| Interne schuldverhouding | – 9,3 | – 15,9 | – 18,9 |
| Rentekosten staatsschuld IXA (artikel 1) | 9,8 | 10,4 | 11,0 |
| Rentekosten schuldverhouding met ABN AMRO | – 0,2 | – 0,1 | – 0,1 |
| Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 2) | – 0,4 | – 0,4 | – 0,4 |
| Rentekosten totaal | 9,2 | 9,9 | 10,5 |
In tabel 2 worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2011 weergegeven.
| 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | artnr. | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2011 1 | 11 042 | 11 783 | 12 615 | 13 160 | 13 015 | ||
| Mutaties: | 1 | ||||||
| Renteswaps | 197 | 427 | 373 | 257 | 130 | 1 | |
| Bijstelling kassaldo | – 234 | – 330 | – 370 | – 105 | 277 | 1 | |
| Bijstelling rekenrente | – 434 | – 855 | – 526 | – 572 | – 567 | 1 | |
| Effect van schulduitgifte | – 607 | – 529 | – 352 | – 221 | 60 | 1 | |
| Bijstelling rente interne schuldverhoudingen | – 31 | 0 | 44 | – 54 | – 146 |
| 2 |
| Stand ontwerpbegroting 2012 | 9 934 | 10 496 | 11 783 | 12 465 | 12 769 | 13 508 |
|
De rentekosten over de staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling en daarmee de schuldopbouw in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het financieringsbeleid en het risicomanagement.
Mutaties in de raming worden veroorzaakt door een aantal factoren. In de eerste plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe swaps afgesloten in de periode na verschijnen van de vorige begroting. In de tweede plaats wijzigen de rentekosten als gevolg van nieuwe ramingen voor het kassaldo. Als de nieuwe saldoraming tegenvalt ten opzichte van de vorige raming dan stijgen de rentekosten, als de saldoraming meevalt, dalen de rentekosten. In de derde plaats leiden bijstellingen in de rekenrente tot mutaties in de rentekosten. Ten vierde ontstaan er mutaties als gevolg van nieuwe uitgiftes. Als de rente op de uitgiftes afwijkt van de rekenrente (bron CPB) wordt de raming aangepast. Tot slot zijn de rentekosten behorend bij de interne schuldverhouding met de aan de schatkist gelieerde instellingen van belang. Wijziging van de schuldverhouding of rentestanden leidt tot mutaties in de rentekosten.
| Planning beleidsdoorlichtingen | (realisatie) | (planning) | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Artikel/Operationele doelstelling | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 |
| 1 Financiering Staatsschuld | ✓ | ✓ | |||||
| 2. Kasbeheer | ✓ | ||||||
2.1.2 Beleidsagenda
Financiering staatsschuld
De doelstelling schuldfinanciering tegen zo laag mogelijk rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting was voor de periode vanaf 2008 vormgegeven met een 7–jaars gecentreerde portefeuille als benchmark. De benchmark vormde het risicokader voor de jaren 2008–2011.
De benchmark schrijft precies voor hoe en tegen welk rendement moet worden gefinancierd. De feitelijke financiering wijkt af van de benchmark, omdat leningen van verschillende looptijden (tot 30 jaar) worden uitgegeven. Met behulp van renteswaps wordt het renterisico naar 7 jaar gebracht. Jaarlijks wordt achteraf nagegaan in hoeverre met de combinatie van uitgiftes en swaps de benchmark is benaderd.
In principe wordt het kader van het risicomanagement elke vier jaar geëvalueerd. In 2010 is aan de evaluatie begonnen, in 2011 wordt de evaluatie afgerond. Binnenkort zal een evaluatierapport en aanbiedingsbrief van de minister van Financiën worden aangeboden. Hierin zal onder andere het risicokader 2012–2015 worden toegelicht.
Betalingsverkeer 2012
Het ministerie van Financiën treedt in aanbestedingsprocedures voor het betalingsverkeer van de gehele rijksoverheid op als opdrachtgever. Binnen het ministerie van Financiën is deze centrale inkoopfunctie van betaaldiensten neergelegd bij het Agentschap van de Generale Thesaurie.
Het betalingsverkeer van de rijksoverheid is onderverdeeld in vier percelen. Eén van deze percelen betreft het zogenaamde perceel C, het buitenlands betalingsverkeer van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het contract met de huidige leverancier van het ministerie van Buitenlandse Zaken loopt af op 1 mei 2012.
Derhalve is het Agentschap van de Generale Thesaurie in de loop van 2011 gestart met een Europese aanbesteding voor perceel C, die naar verwachting eind februari 2012 zal zijn afgerond, teneinde één of meerdere banken te selecteren voor de contractsperiode ingaande 1 mei 2012.
Schatkistbankieren
Schatkistbankieren draagt bij aan een efficiënt en risico-arm beheer van publieke middelen. In 2012 zal de nadruk liggen op het efficiënter inrichten van het proces rondom het schatkistbankieren. De ambitie is om de doorlooptijd van administratieve taken te verminderen, het proces waar mogelijk te automatiseren en het productenpallet verder te standaardiseren.
2.1. Belangrijkste mutaties
In de onderstaande tabel worden de mutaties in de netto rentekosten gepresenteerd. Er is een verdeling gemaakt naar achterliggende oorzaak.
| 2012 | |
|---|---|
| Stand ontwerpbegroting 2012 | 10 496 |
| Stand 1e Suppletoire begroting 2012 | 9 607 |
| 1. Renteswaps | – 111 |
| 2. Bijstelling kassaldo | 0 |
| 3. Bijstelling rekenrente | – 135 |
| 4. Effect van schulduitgifte | – 26 |
| 5. Bijstelling rentekosten interne schuldverhoudingen | – 77 |
| 6. Overige | 452 |
| Stand 2e Suppletoire begroting 2012 | 9 710 |
Hieronder worden de verschillende mutaties kort toegelicht. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de afzonderlijke artikelen en de toelichtingen onder de tabellen budgettaire gevolgen van beleid.
-
1. Renteswaps worden afgesloten om het renterisico van de staatsschuld te sturen. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd van de swap een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Als gevolg van verschillen tussen de rente die wordt betaald en de rente die wordt ontvangen, ontstaan netto rentebaten of -lasten. De nieuw afgesloten swaps leiden per saldo tot een meevaller in de rentekosten.
-
2. Mutaties in de raming van het kassaldo van het lopend jaar worden opgevangen op de geldmarkt (via kortlopende leningen, zoals bijvoorbeeld schatkistpapier). Omdat de korte rekenrente gelijk aan nul is hebben wijzigingen in de raming van het kassaldo geen invloed op de rentekosten voor 2012.
-
3. Een verandering in de rekenrente leidt tot wijziging van de geraamde rentekosten. De lange en korte rekenrente zijn na de eerste suppletoire wet neerwaarts bijgesteld. Dit geeft lagere rentelasten voor het deel van de schuld dat in 2012 nog gefinancierd moet worden.
-
4. Deze rubriek bevat de effecten van de uitgifte van schuld. De raming van de rentelasten in een lopend jaar bestaat uit rentelasten van al uitgegeven leningen (realisaties) en uit een raming van de rentelasten van leningen die nog uitgegeven gaan worden. In de loop van het jaar wordt een steeds groter deel bepaald door de realisaties. Omdat de gerealiseerde rentetarieven gemiddeld lager zijn geweest dan de geraamde tarieven (gelijk aan de CPB-rekenrentes) is de raming voor de rentelasten neerwaarts bijgesteld.
-
5. De rentekosten vanwege interne schuldverhoudingen betreffen de netto-rentekosten en zijn gelijk aan het verschil tussen de rente-uitgaven en de rente-ontvangsten van het Rijk vanwege de interne schuldverhouding met de deelnemers aan het schatkistbankieren. De mutatie van -€ 77 miljoen brengt met name tot uitdrukking dat de rentekosten bij 1e suppletoire begroting goed waren geraamd, maar in de onderhavige tabel abusievelijk een verkeerd getal was opgenomen. Afgezien van deze correctie zijn de rentekosten nagenoeg gelijk gebleven.
-
6. De post overige betreft een administratieve correctie omdat in het verleden in de boekhouding te weinig rentelasten zijn toegerekend.
2.2 De beleidsartikelen
2.2.1 Artikel 1 Financiering staatsschuld
In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 1 Financiering staatsschuld, dat betrekking heeft op de extern gefinancierde schuld, weergegeven. Conform Europese voorschriften (ESR 95) worden inkomsten en uitgaven voor de staatsschuld op transactiebasis begroot en verantwoord.
| Algemene beleidsdoelstelling: Het voorzien in de financieringsbehoeften van de staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld. | Stand Ontwerp begroting 2012 | Stand 1e suppletoire begroting | Mutaties 2e suppletoire begroting | Stand 2e suppletoire begroting |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | (4)=(2)+(3) | |
| Totaal Uitgaven | 41 071 | 49 457 | 3 875 | 53 332 |
| Totaal Programma-uitgaven | 41 055 | 49 440 | 3 862 | 53 302 |
| Rentelasten vaste schuld | 9 884 | 9 830 | 342 | 10 172 |
| Rentelasten vlottende schuld | 1 078 | 317 | – 110 | 207 |
| Aflossing vaste schuld | 30 092 | 30 167 | 0 | 30 167 |
| Mutaties vlottende schuld | 0 | 9 126 | 3 630 | 12 756 |
| Totaal Apparaatuitgaven | ||||
| Overige kosten schulduitgifte | 17 | 17 | 13 | 30 |
| Totaal Ontvangsten | 42 468 | 60 172 | 5 358 | 65 530 |
| Totaal Programma -ontvangsten | 42 468 | 60 172 | 5 358 | 65 530 |
| Rentebaten vaste schuld | 0 | 0 | 2 | 2 |
| Rentebaten vlottende schuld | 118 | 172 | 51 | 223 |
| Uitgifte vaste schuld | 42 350 | 60 000 | 5 305 | 65 305 |
Aflossing en uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld
Het kapitaalmarktberoep zal dit jaar uitkomen op circa € 65 miljard. Dit zal bestaan uit circa € 60 mld staatsobligaties en € 5 miljard dollarleningen. Sinds het najaar van 2011 zijn de systemen van het Agentschap zodanig ingericht dat een dollardeal mogelijk is. Een dollardeal kan vanwege de voorwaarde dat een financieringsvoordeel moet worden behaald niet lang van tevoren worden gepland.
Gedurende het jaar worden wisselkoersen en rentestanden gevolgd om te kunnen vaststellen of een dollarlening een financieringsvoordeel ten opzichte van financiering in euro’s kan opleveren. Op het moment dat het voordelig bleek een dollarlening uit te geven, is de uitgifte aangekondigd en de dag erna geveild. Dit jaar zijn er twee dollarleningen voor in totaal € 5,3 miljard gedaan. De dollarleningen zijn (als onderdeel van het streven om het beroep op de geldmarkt terug te brengen) ingezet om de vlottende schuld te laten dalen. Hierdoor zal het kapitaalmarktberoep in 2012 circa € 5 miljard hoger uitkomen.
De vlottende schuld daalt meer dan eerder geraamd (mutaties vlottende schuld onder uitgaven). Hier spelen naast de dollarleningen nog twee effecten. Er is uit hoofde van swapcontracten onderpand in de vorm van cash bij de Nederlandse Staat geplaatst. De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swaps. De mutatie bedroeg + € 3 miljard. Omdat onderpand één van de financieringsbronnen van de Nederlandse Staat is, vermindert de uitgifte van kort schuldpapier. Het derde effect is de bijstelling van de raming voor het kastekort. Het hogere kastekort (+ € 4,7 miljard) wordt opgevangen op de geldmarkt. Dit leidt tot een toename van de vlottende schuld. Het saldo van de drie effecten komt uit op een daling van de vlottende schuld die € 3,6 miljard groter is dan eerder geraamd.
Rentelasten en rentebaten
De mutatie van de rente-uitgaven vaste schuld bestaat uit meevallers vanwege lagere rentetarieven en een tegenvaller vanwege een administratieve correctie van € 452 miljoen. In het verleden zijn in de boekhouding te weinig rentelasten toegerekend.
Als de prijs bij uitgifte van een lening lager is dan 100 is er sprake van een disagio. Het disagio is in dat geval het verschil tussen de uitgifte prijs en 100. Het disagio wordt ten behoeve van de verantwoording toegerekend aan de rentelasten. Hierdoor stijgen de effectieve rentelasten. Sinds 2009 is voor de staatsobligatie die in 2009 is uitgegeven (en aflost op 15 januari 2015) in de boekhouding sprake geweest van een foutieve toerekening van het disagio. Hierdoor is in de jaren 2009, 2010 en 2011 een te laag bedrag aan rentelasten op transactiebasis verantwoord. De rentelasten op kasbasis zijn altijd correct geboekt en verantwoord. De daadwerkelijke rentebetalingen aan beleggers zijn tevens correct uitgevoerd.
Aangezien een correctie op de slotwetten 2009/2010/2011 volgens de Comptabiliteitswet niet mogelijk is, wordt de gehele correctieboeking meegenomen in de 2de suppletoire begroting 2012. De mutatie die nu wordt doorgevoerd heeft een verwaarloosbaar effect op het EMU-saldo, omdat het betrekking heeft op de EMU-saldi van de jaren 2009, 2010 en 2011, voor respectievelijk voor € 85, € 181 en € 186 miljoen. De rentelasten voor de staatsobligatie uit 2009 zijn wel correct toegerekend voor het jaar 2012. Daarmee is de correctieboeking in begroting IX-A niet kader- en niet saldorelevant voor 2012. De gemuteerde rentelasten worden immers niet aan 2012 toegerekend. De kasrealisaties (en daarmee de schuld) blijven eveneens ongewijzigd. Door de mutatie nu in een keer in de begroting op te nemen wordt de toerekeningfout op een transparante manier rechtgezet en worden toekomstige jaarverantwoordingen niet meer beïnvloed.
Tegelijkertijd heeft het Agentschap in reactie op de fout de interne processen aangepast om foutieve boekingen in een vroeg stadium te kunnen herkennen. Door dat in de jaren 2009, 2010 en 2011 sprake is geweest van forse rentemeevallers (lagere realisaties t.o.v. de ramingen) kon de foutieve toerekening van de rentelasten relatief lang onopgemerkt blijven.
Bij wijze van extra controle zullen de rentelasten op transactiebasis niet alleen worden bepaald door het geautomatiseerde schuldsysteem, maar wordt er ook nog een extra berekening gemaakt in een apart systeem.
De rentelasten vlottende schuld vallen mee vanwege de lagere rentetarieven.
Voor de hogere rentebaten vlottende schuld zijn twee oorzaken. Ten eerste zijn de baten hoger vanwege de afgesloten eoniaswaps. Hierbij wordt de korte schuld gefinancierd door uitgifte van Commercial Paper en Dutch Treasury Certificates (schatkistpapier). De looptijden van dit schuldpapier varieert. De Staat streeft ernaar de korte schuld effectief te financieren tegen het overnight tarief (eonia2). Daarom worden er eoniaswaps afgesloten. Hierbij wordt bijvoorbeeld een 3-maands tarief geruild (ontvangen) tegen het overnight tarief (betaald). Omdat het lange rentetarief wordt ontvangen en het korte tarief betaald, resulteren eoniswaps in de regel in rentebaten.
De tweede oorzaak voor de meevaller betreft een afkoop door ABN AMRO. In het najaar van 2008 zijn leningen aan het toenmalige FORTIS verstrekt. Hierbij is bij één lening afgesproken dat te betalen rente vanaf eind 2012 zou worden verhoogd. Deze verhoging is nu afgekocht door een eenmalige betaling door de bank van € 41 miljoen.
De rentebaten vaste schuld bestaan uit ontvangsten vanwege vroegtijdige aflossingen.
Apparaat
De apparaatuitgaven worden hoger omdat de veilingkosten hoger worden dan geraamd. Dit is met name het gevolg van de dollarleningen die nog niet in de eerdere ramingen waren verwerkt.
2.2.2 Artikel 2 Kasbeheer
In de onderstaande tabel worden de mutaties op artikel 2 Kasbeheer, dat betrekking heeft op de schuldverhouding tussen de minister van Financiën en de instellingen die deelnemen aan schatkistbankieren, weergegeven.
| Stand Ontwerp begroting 2012 | Stand 1e suppletoire begroting | Mutaties 2e suppletoire begroting | Stand 2e suppletoire begroting | |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | (4)=(2)+(3) | |
| Totaal Uitgaven | 4 658 | 7 628 | – 877 | 6 752 |
| Programma-uitgaven | 4 658 | 7 628 | – 877 | 6 752 |
| Rentelasten | 139 | 92 | – 22 | 70 |
| Verstrekte leningen | 1 535 | 1 535 | 0 | 1 535 |
| Afname saldi in rekening-courant en deposito’s | 2 983 | 6 001 | – 855 | 5 146 |
| Ontvangsten | 2 067 | 2 142 | – 21 | 2 120 |
| Programmaontvangsten | 2 067 | 2 142 | – 21 | 2 120 |
| Rentebaten | 504 | 553 | – 21 | 532 |
| Ontvangen aflossingen | 1 563 | 1 588 | 0 | 1 588 |
| Toename saldi in rekening-courant en deposito’s | 0 | 0 | 0 | 0 |
Algemeen:
De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit drie onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) mutaties in leningen en aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s.
Rentebaten en Rentelasten
Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan de deelnemers van het schatkistbankieren over de aangehouden middelen (in rekening-courant en deposito). De afname van de rentelasten wordt veroorzaakt door de lagere rente en de lagere rentebaten worden hoofdzakelijk veroorzaakt doordat de roodstand van sociale fondsen lager uitvalt dan oorspronkelijk geraamd.
Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen
Mutaties in leningen, aflossingen, rekening-courant en deposito’s bepalen de mutaties in de schuldverhouding van het Rijk met deelnemers aan het schatkistbankieren. Er worden vooralsnog geen mutaties voorzien.
Mutaties in rekening-courant en deposito’s
De afname op de saldi rekening-courant en deposito’s aan de uitgavenkant wordt naar verwachting in 2012 lager. Dit wordt voor het leeuwendeel veroorzaakt door de ontwikkelingen door de hierboven bij rentebaten en rentelasten toegelichte bij de sociale fondsen.
Artikel 3 Nominaal en onvoorzien
Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXA plaats. Er zijn geen mutaties.
2.2 De beleidsartikelen
2.2.1 Financiering staatsschuld
A. Algemene doelstelling
Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.
B. Rol en verantwoordelijkheid minister
De minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke kosten onder acceptabel risico voor de begroting.
Mede op basis van onderzoek4 is in de jaren 2008–2011 gewerkt met een renterisico voor de staatsschuld gelijk aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Om dit te bereiken worden renteswaps gebruikt. Door het gebruik van renteswaps kunnen risicomanagement en uitgiftebeleid onafhankelijk van elkaar worden gevoerd. Het is mogelijk om schuldpapier met gangbare looptijden en voldoende omvang op de markt te zetten5 en tegelijkertijd door middel van swaps het renterisico te optimaliseren.
Voor de prestatiemeting wordt gewerkt met een benchmark. De benchmark is een theoretische financiering waarbij elke dag een deel van de financieringsbehoefte tegen 7-jaars tarief wordt gefinancierd. In de praktijk zal de financiering afwijken van de benchmark, omdat de invulling van de werkelijke financiering een combinatie is van uitgiftebeleid en het gebruik van renteswaps.
De prestatie is gelijk aan de mate waarin het Agentschap erin slaagt de benchmark te benaderen. Het gaat dan om zowel de kosten als het risico van de feitelijke portefeuille ten opzichte van de benchmark. Hierover wordt jaarlijks in het jaarverslag gerapporteerd.
C. Beleidswijzigingen
De evaluatie van het risicomanagement wordt op korte termijn afgerond. Op basis van de evaluatie wordt het risicokader voor de periode 2012–2015 gedefinieerd.
Voor een toelichting op het risicokader voor de periode 2012–2015 wordt verwezen naar het binnenkort te verschijnen evaluatierapport en de bijbehorende aanbiedingsbrief van de minister van Financiën.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal Uitgaven | 37 230 | 40 496 | 41 071 | 43 725 | 38 478 | 42 041 | 29 132 |
| Totaal Programma-uitgaven | 37 205 | 40 473 | 41 055 | 43 708 | 38 461 | 42 024 | 29 115 |
| Totaal Rentelasten | 9 833 | 10 422 | 10 962 | 12 399 | 13 767 | 14 791 | 15 695 |
| Rentelasten vaste schuld | 9 377 | 9 624 | 9 884 | 10 299 | 11 260 | 12 085 | 13 012 |
| Rentelasten vlottende schuld | 456 | 798 | 1 078 | 2 100 | 2 508 | 2 705 | 2 682 |
| Uitgaven voortijdige beëindiging | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Aflossing vaste schuld | 23 349 | 27 856 | 30 092 | 31 309 | 24 693 | 27 233 | 13 420 |
| Mutatie vlottende schuld | 4 023 | 2 194 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal Apparaatuitgaven | 24 | 24 | 17 | 17 | 17 | 17 | 17 |
| Apparaatuitgaven | 6 | 7 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Overige kosten schulduitgifte | 19 | 17 | 17 | 17 | 17 | 17 | 17 |
| Totaal Ontvangsten | 53 392 | 50 149 | 42 468 | 46 838 | 39 033 | 39 351 | 25 456 |
| Totaal Programma-ontvangsten | 53 392 | 50 149 | 42 468 | 46 838 | 39 033 | 39 351 | 25 456 |
| Totaal Rentebaten schuld | 249 | 149 | 118 | 239 | 712 | 1 051 | 933 |
| Rentebaten vaste schuld | 0 | 0 | 0 | 87 | 553 | 889 | 805 |
| Rentebaten vlottende schuld | 249 | 149 | 118 | 152 | 159 | 162 | 128 |
| Ontvangsten voortijdige beëindiging | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Uitgifte vaste schuld | 53 143 | 50 000 | 42 350 | 46 600 | 38 321 | 38 300 | 24 523 |
| Mutatie vlottende schuld | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Toelichting op budgettaire gevolgen van beleid
De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld in de tabel opgenomen. Als derde onderdeel is de mutatie vlottende schuld opgenomen. De vierde post betreft de overige kosten.
Rentelasten en rentebaten
Binnen de rentelasten wordt een onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging.
De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld. Hieronder vallen ook rentekosten vanwege de euriborswaps. Dit zijn de renteswaps die afgesloten worden om het profiel van het renterisico in overeenstemming te brengen met de benchmark.
De rentelasten over de vlottende schuld bestaan uit de rentelasten van schatkistpapier (DTC’s), Commercial Paper (CP’s) en rentelasten vanwege overige kortlopende schulden. Ook eventuele rentelasten vanwege de eoniaswaps maken onderdeel uit van de rentelasten vlottende schuld. De eoniaswaps worden afgesloten om het renterisico van de korte financiering (geldmarkt) op «overnight» te brengen. Het streven is om de geldmarkt te financieren tegen daggeldtarief (overnight). De Staat geeft kort schuldpapier uit met looptijden variërend van enkele dagen tot maximaal 12 maanden. Via het afsluiten van een eoniaswap wordt het rentetarief (en renterisico) teruggebracht op 1 dag.
De rentebaten vaste schuld bestaan volledig uit baten samenhangend met renteswaps. De Staat maakt gebruik van deze swaps sinds 2001. Nieuwe swapcontracten en wijzigingen in de raming voor de rente kunnen leiden tot een wijziging van deze baten.
De rentebaten vlottende schuld bestaan vooral uit vergoedingen over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo en uit eventuele rentebaten vanwege eoniaswaps. Ook de rentebaten over de overgenomen schulden van ABN AMRO (voorheen Fortis Bank Nederland) vallen onder deze rubriek.
Aflossingen en uitgifte vaste schuld
Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt.
De raming van de uitgifte vaste schuld is een voorlopige raming, die gebaseerd is op de raming voor de aflossingen en de raming voor het tekort op kasbasis. Er wordt verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt om het kastekort te financieren. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld afwijken van de som van de aflossingen en het tekort, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Dit leidt tot een mutatie in de vlottende schuld.
Op het moment dat het financieringsplan staatsschuld 2012 wordt gepubliceerd (december 2011) wordt de raming van de uitgifte vaste schuld voor 2012 definitief vastgesteld.
Overige kosten
Het leeuwendeel van de overige kosten bestaat uit provisiekosten voor Primary Dealers (in verband met deelname aan de veilingen van nieuwe leningen). Daarnaast zijn er nog overige kosten zoals kosten betalingsverkeer en noteringskosten. In het kader van Verantwoord Begroten zijn de apparaatsuitgaven per 2012 overgeboek naar het centraal apparatsartikel op de begroting van Financiën (IXB).
Budgetflexibiliteit
Voor de begroting IXA Nationale Schuld is de budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.
De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de financiering van de staatsschuld bestaan uit renteontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geldmarkt en kapitaalmarkt.
2.2.2 Kasbeheer
A. Algemene Beleidsdoelstelling
Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.
B. Rol en Verantwoordelijkheid Minister
De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het beheer van publieke middelen en geldstromen. De doelstelling hierbij is publieke middelen doelmatig te beheren en daarbij financiële risico’s te voorkomen. Dit wordt nader toegelicht in de Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (Kamerstukken II 2001/02, 28 035, nr. A).
Het kasbeheer is onder te verdelen in het schatkistbankieren en het betalingsverkeer van de rijksoverheid. Schatkistbankieren draagt bij aan een efficiënt en risico-arm beheer van publieke middelen.
Instellingen die een wettelijke taak uitvoeren (RWT’s) en hiervoor gelden van het Rijk ontvangen, kunnen schatkistbankieren. Dit houdt in dat zij de publieke gelden aanhouden bij het ministerie van Financiën. Publiek geld verlaat de schatkist dan niet eerder dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak. Onder voorwaarden kunnen RWT’s lenen bij het ministerie van Financiën.
Schatkistbankieren geeft gunstige budgettaire effecten voor de overheid. Er is een effect voor de Staat en voor deelnemers.
Budgettair voordeel voor de Staat
Door het aanhouden van de middelen hoeft de Staat extern minder te lenen en bespaart zij rentekosten. Hier staat weliswaar een rentevergoeding voor het aanhouden van de middelen tegenover, maar per saldo is er voordeel. Immers, de middelen worden aangehouden in rekening-courant en kortlopende deposito’s terwijl de staatsschuld grotendeels uit langlopende leningen bestaat. Doordat de lange rente meestal hoger is dan de korte rente resulteren er baten voor de Staat. Tegenover het rentevoordeel staat een renterisico. Wanneer de korte rente stijgt tot boven de lange rente waartegen in het verleden leningen zijn opgenomen en versterkt, kan er een financieel nadeel optreden. De rente-uitgaven vanwege het aanhouden van middelen worden dan hoger dan de rente-inkomsten als gevolg van het verstrekken van leningen en de uitgespaarde rentelasten door de lagere externe financieringsbehoefte.
Budgettair voordeel voor RWTs
Het financiële voordeel voor deelnemers wordt bepaald door de verschillen tussen tarieven gehanteerd door de Staat en private banken. Het voordeel voor deelnemers is niet eenduidig vast te stellen, omdat deze sterk bepaald wordt door de situatie op de financiële markten alsmede de individuele situatie van een instelling. Tevens is van belang of er sprake is van overtollige middelen dan wel een leenbehoefte bij de deelnemende instelling.
Het schatkistbankieren biedt echter nog andere wezenlijke, niet-financiële voordelen voor RWT’s en andere deelnemers. Ten eerste lopen instellingen het geringst mogelijke risico op hun uitzettingen. Ten tweede is er voor instellingen – onder daarvoor geldende voorwaarden – in beginsel altijd krediet beschikbaar zowel in de vorm van rekening-courant als via leningen. Ten derde vereenvoudigt deelname aan schatkistbankieren de treasury-functie bij deelnemers omdat bij het uitzetten van middelen niet langer kredietrisicomanagement hoeft te worden gevoerd.
Betalingsverkeer van het Rijk
Wezenlijk onderdeel van het kasbeheer vormt het betalingsverkeer. Door middel van aanbestedingen van de verschillende percelen worden banken geprikkeld om hun diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs/kwaliteitsverhouding aan te bieden. Het ministerie van Financiën treedt in aanbestedingsprocedures voor het betalingsverkeer van de rijksoverheid op als opdrachtgever. Binnen het ministerie van Financiën is deze centrale inkoopfunctie bij het Agentschap van het ministerie van Financiën belegd.
C. Beleidswijzigingen
Voor het begrotingsjaar 2012 worden geen significante beleidswijzigingen verwacht. In 2012 zal de nadruk liggen op het efficiënter inrichten van het proces rondom het schatkistbankieren. De ambitie is om de doorlooptijd van administratieve taken te verminderen, het proces waar mogelijk te automatiseren en het productenpallet verder te standaardiseren. Tegelijkertijd wordt ernaar gestreefd de voordelen van het schatkistbankieren zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen. Wanneer dit tot meer deelnemers leidt, nemen de voordelen voor de collectieve sector verder toe en wordt het doel (optimaal kasbeheer) beter bereikt. De keuze om te gaan schatkistbankieren ligt veelal bij de instelling zelf.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
|
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal Uitgaven | 6 020 | 8 203 | 4 658 | 7 620 | 11 527 | 12 491 | 9 908 |
| Totaal Programma-uitgaven | 6 019 | 8 203 | 4 658 | 7 620 | 11 527 | 12 491 | 9 908 |
| Rentelasten2 | 1 941 | 158 | 139 | 189 | 224 | 241 | 241 |
| Verstrekte leningen | 4 070 | 1 667 | 1 535 | 1 305 | 1 260 | 1 225 | 1 215 |
| Mutaties in rekening-courant en deposito’s3 | 0 | 6 378 | 2 983 | 6 126 | 10 043 | 11 025 | 8 452 |
| Uitgaven bij voortijdige beëindiging | 8 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal Apparaatuitgaven | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal Ontvangsten | 4 612 | 1 940 | 2 067 | 1 736 | 3 507 | 2 414 | 2 708 |
| Totaal Programma-ontvangsten | 4 612 | 1 940 | 2 067 | 1 736 | 3 507 | 2 414 | 2 708 |
| Rentebaten | 508 | 520 | 504 | 584 | 831 | 1 228 | 1 511 |
| Ontvangen aflossingen | 2 642 | 1 421 | 1 563 | 1 153 | 2 676 | 1 186 | 1 197 |
| Mutaties in rekening-courant en deposito’s3 | 1 375 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Ontvangsten bij voortijdige beëindiging | 87 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
De totale uitgaven en ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen: (1) rentelasten en rentebaten, (2) verstrekte leningen en ontvangen aflossingen, (3) mutaties in rekening-courant en deposito’s, (4) uitgaven en ontvangsten bij voortijdige beëindiging. Onder de rentelasten vallen de rentebetalingen aan baten-lastendiensten, rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en sociale fondsen over de bij het Rijk aangehouden middelen. De rentebaten bestaan uit renteontvangsten over verstrekte leningen en roodstanden op de rekening-courant. Leningen, aflossingen, rekening-courant saldi en deposito’s bepalen de schuldverhouding van het Rijk met de deelnemers van het geïntegreerd middelenbeheer.
Verstrekte leningen en aflossingen
Wanneer in enig jaar het bedrag dat aan nieuwe leningen wordt verstrekt groter is dan het bedrag dat op de lopende leningen worden afgelost, neemt het bedrag aan uitstaande leningen toe (en vice versa). Met uitzondering van de jaren 2012 en 2014 zal het bedrag aan uitstaande leningen naar verwachting toenemen. De posten Verstrekte leningen en Ontvangen aflossingen zijn onder te verdelen naar baten-lastendiensten en RWT’s. Het bedrag aan verstrekte leningen aan baten-lastendiensten loopt naar verwachting in de periode 2011 tot met 2016 terug. De aflossingen op de lopende leningen volgen hetzelfde patroon. Met uitzondering van 2014, neemt per saldo het geraamde bedrag aan uitstaande leningen bij de baten-lastendiensten toe. Bij de RWT’s zal naar verwachting in 2011 en 2013 het uitstaande bedrag aan leningen toenemen. De raming voor de jaren 2012, 2014 en verder laten een afname zien.
Mutaties in rekening courant en deposito’s
Deelnemers aan het schatkistbankieren kunnen via een rekening-courant tegoed of deposito hun middelen aanhouden in de schatkist. Een daling van het rekening-courant saldo of van de aangehouden deposito’s vormt een uitgave voor het Rijk, omdat minder middelen in de schatkist worden aangehouden. Andersom geldt dat een stijging van het saldo rekening-courant of van de aangehouden deposito’s als ontvangst telt; er worden immers meer middelen in de schatkist aangehouden. Het verwachte verloop van de mutaties voor de komende jaren wordt volledig verklaard door de geraamde ontwikkeling van de rekening-courant saldi van de sociale fondsen. De komende jaren zullen de rekening-courant saldi van de sociale fondsen dalen, hetgeen leidt tot uitgaven voor het Rijk. De rekening-courant saldi van de sociale fondsen worden bepaald door de ontwikkelingen bij de beleidsterreinen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Volksgezondheid en Welzijn en Sport (VWS). Mutaties in de saldi van de sociale fondsen worden niet toegelicht in hoofdstuk IXA omdat in dit hoofdstuk alleen het schuldmanagement en het kasbeheer worden verantwoord.
Rentelasten en rentebaten
De saldi op de rekening-courant en deposito bepalen samen met de rentetarieven de rente-uitgaven in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer. De rentebaten worden bepaald door de stand van de uitstaande leningen, eventuele roodstand op de rekening-courant tegoeden en de rentetarieven. De rentebaten zullen de komende jaren naar verwachting toenemen door oplopende roodstand van de sociale fondsen op hun rekening-courant tegoeden en de toename van de rekenrente.
Budgetflexibiliteit
De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot schatkistbankieren bestaan uit rente-ontvangsten over aan baten-lastendiensten en RWT’s verstrekte leningen respectievelijk uit rentebetalingen over door baten-lastendiensten, RWT’s en sociale fondsen aangehouden rekening-couranttegoeden en deposito’s. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot het betalingsverkeer bestaan uit door banken in rekening gebrachte kosten voor het betalingsverkeer van het centrale kasbeheer.
Zie de brief inzake Kabinetsbeleid financieringskeuze staatsschuld (32 500 IXA, nr. 7, 2010–2011), en de beantwoording van de schriftelijke vragen (32 500 IXA, nr. 8, 2010–2011).
2.3 Het niet-beleidsartikel
2.3.1 Nominaal en Onvoorzien
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitgaven | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Loonbijstelling | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Prijsbijstelling | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen IXA plaats.
3. BIJLAGEN
3.1 Lijst met afkortingen
| AOW | Algemene Ouderdomswet |
| BBP | Bruto Binnenlands Product |
| CP | Commercial Paper |
| DSL | Dutch State Loan |
| DTC | Dutch Treasury Certificate |
| Eonia | European Overnight Index Average |
| GMB | Geïntegreerd Middelen Beheer |
| RWT | Rechtspersoon met een Wettelijke Taak |
3.2 Begrippenlijst
Baten-lastendienst
Een onderdeel van de rijksoverheid waarvoor afwijkende beheersregels gelden gericht op het bevorderen van bedrijfsmatig werken. Belangrijk aspect hierbij is dat het batenlastenstelsel wordt toegepast en de dienst toegang heeft tot een leen- en depositofaciliteit bij de minister van Financiën.
Commercial Paper (CP)
Schuldbewijzen met een korte looptijd die kunnen worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. Bovendien bestaat de mogelijkheid uit te geven in vreemde valuta. CP is een aanvulling op het DTC programma voor wat betreft de kortere looptijden.
Comptabiliteitswet 2001
In de Comptabiliteitswet 2001 is het beheer van de financiën van het Rijk vastgesteld. De diverse hoofdstukken in deze wet gaan in op onder andere de begroting, het begrotingsbeheer en de bedrijfsvoering van het Rijk, het toezicht van de ministers en de verantwoording van het Rijk.
Deposito
Het deposito is geld dat door een belegger voor een bepaalde rentevaste periode tegen een rentevergoeding is ondergebracht bij een bank of – in het geval van geïntegreerd middelenbeheer – bij de schatkist van de rijksoverheid. De looptijd van een deposito kan variëren van een dag (zogeheten daggeld) tot meerdere jaren.
Dutch State Loans (DSL’s)
Engelse benaming voor Nederlandse staatsleningen.
Dutch Treasury Certificates (DTC's)
Engelse benaming voor Nederlands schatkistpapier. Schuldbewijzen met een korte looptijd uitgegeven door het Rijk om tijdelijke kastekorten van het Rijk te financieren. DTC's worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. DTC wordt uitgegeven in looptijden van 3 tot en met 12 maanden op vooraf vastgestelde data.
Kassaldo
Het verschil tussen de ontvangsten en uitgaven op kasbasis van het Rijk (inclusief deelnemers schatkistbankieren).
EMU-schuld
Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen tussen deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een brutoschuldbegrip.
Gecentreerde portefeuille
Een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven.
Geïntegreerd middelenbeheer
Het bundelen van publieke middelen gericht op een doelmatig kasbeheer. Publieke middelen zijn middelen die verkregen zijn bij of krachtens de wet ingestelde heffing(en).
Liquiditeit
In een markt met voldoende liquiditeit kunnen grote aan- en verkooporders verhandeld worden zonder dat dit een substantieel effect op de prijs (koers) heeft.
Nationale schuld/staatsschuld IXA
Vaste en vlottende schuld van de Staat zoals die samenhangt met het artikel Financiering staatsschuld en het artikel Kasbeheer in deze begroting.
Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)
Een zelfstandige organisatie die in een wet geregelde taak uitvoert met behulp van publiek geld, welk geld is verkregen bij of krachtens de wet ingestelde heffing.
Rekening-courant
Een rekening waarover in de regel giraal betalingsverkeer wordt afgewikkeld en waaruit (een deel van) de onderlinge financiële verhouding is op te maken tussen de houder van de rekening en de instelling alwaar de rekening wordt aangehouden.
Rekenrente
Boekhoudkundig veronderstelde rente in begroting en meerjarencijfers (bron CPB).
Renteswap
Een renteswap is een contract tussen twee partijen waarin wordt overeengekomen om gedurende de looptijd een vaste rente te ruilen tegen een variabele rente (meestal 6 of 3 maanden).
Schatkistsaldo
Saldo op de rekening van het Rijk bij De Nederlandsche Bank.
Vaste schuld
Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar. Wordt ook wel gevestigde schuld genoemd.
Vlottende schuld
Leningen met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar.