Base description which applies to whole site

2.1 BELEIDSAGENDA

Gezien de demissionaire status van het kabinet dat deze begroting opstelt, is gekozen voor een sobere invulling van de beleidsagenda 2013 die ingaat op relevante ontwikkelingen voor de begroting. In de artikelen wordt, zoals in andere jaren, de relevante financiële en beleidsinformatie vermeld die samenhangt met de voorgenomen uitgaven.

2.1.1 EEN GOED WERKENDE ARBEIDSMARKT EN HOUDBARE SOCIALE VOORZIENINGEN

De betaalbaarheid van onze sociale voorzieningen is in 2012 verder onder druk komen te staan. Als gevolg van een verslechtering van de economische situatie begin 2012 dreigden de overheidsfinanciën voor 2013 verder te verslechteren. De ernst van de situatie vroeg om snelle en ingrijpende beslissingen. Na het vallen van het kabinet hebben de Tweede Kamer fracties hun verantwoordelijkheid genomen met het Begrotingsakkoord 2013. Het kabinet heeft deze maatregelen overgenomen. Dit akkoord bevat naast maatregelen om de overheidsfinanciën te verbeteren ook hervormingen op het terrein van SZW die de economische structuur op termijn versterken.

Doordat het Begrotingsakkoord € 12 miljard aan besparingen bevat, nemen de bestedingen van huishoudens en de overheid op de korte termijn af. Het is onvermijdelijk dat het Begrotingsakkoord gevolgen heeft voor de koopkracht. De inzet is echter om koopkrachteffecten zo evenwichtig mogelijk te verdelen, met bijzondere aandacht voor mensen met lage inkomens. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de Nederlandse economie in 2013 licht zal groeien met ¾%, waarna een voorzichtig herstel van 1½% per jaar zal volgen. De werkloosheid zal, volgens het CPB, eerst nog verder oplopen (naar 7% in 2013 en 7½% in 2014) voordat een daling inzet. De economische verwachtingen zijn met grote onzekerheid omgeven. Nederland is als open economie sterk afhankelijk van mondiale economische ontwikkelingen en van het verdere verloop van de Europese schuldencrisis. Het is daarom belangrijk dat alle Europese landen hun overheidsfinanciën op orde brengen. Dit zal naar verwachting de financiële markten stabiliseren en het risico op langdurig lage economische groei inperken.

De verwachte stijging van de werkloosheid betekent niet dat de arbeidsmarkt stilvalt. Ook nu is er volop dynamiek op de arbeidsmarkt. In 2011 waren er volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) 951 000 mensen die een baan hebben gevonden. Dat levert kansen op, ook voor mensen die moeite hebben om aan de slag te komen. Het is noodzakelijk dat deze mensen aan de slag gaan. Hoewel de komende jaren de werkloosheid naar verwachting zal oplopen, zal de beroepsbevolking in de nabije toekomst gaan krimpen als gevolg van de vergrijzing. Hierdoor kunnen er tekorten ontstaan op de arbeidsmarkt. Iedereen is dus hard nodig. En als iedereen die kan werken ook echt werkt, blijft er draagvlak voor onze sociale zekerheid en blijft de betaalbaarheid ervan op lange termijn verzekerd. Alleen als mensen er niet in slagen om aan het werk te gaan, zorgt de overheid voor een sociaal vangnet. Een vangnet dat hen prikkelt en stimuleert om snel weer op eigen benen te staan. Dat is in het belang van mensen zelf en ook in het belang van de samenleving als geheel.

In de eerste algemene paragraaf worden achtereenvolgens de beleidswijzigingen 2013, de verdere agenda en de inkomensontwikkelingen 2013 behandeld. De tweede paragraaf gaat in op de budgettaire ontwikkelingen. De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzicht van de aansluitingstabellen en de meerjarenprogrammering beleidsdoorlichtingen.

2.1.1.1 Beleidswijzigingen 2013

Langer doorwerken essentieel voor de houdbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel

Er gaan meer mensen met pensioen dan er jongeren bij komen op de arbeidsmarkt. Daardoor neemt de beroepsbevolking af. Tegenover steeds meer gepensioneerden staan steeds minder werkenden die de kosten van onze voorzieningen moeten betalen. De houdbaarheid van onze sociale voorzieningen komt hierdoor in toenemende mate onder druk te staan. De gemiddelde leeftijd waarop werknemers in Nederland stoppen met werken is nu 63 jaar. Dat is te vroeg om het bestaande niveau van oudedagsvoorzieningen en andere sociale voorzieningen in de toekomst veilig te stellen. Langer blijven werken is daarom onvermijdelijk.

Daar komt bij dat de beroepsbevolking veroudert. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse werknemer is in 20 jaar gestegen van ruim 36 jaar naar ruim 41 jaar. Dit heeft gevolgen voor het functioneren van de arbeidsmarkt. Het aanpassingsvermogen van de Nederlandse arbeidsmarkt moet worden vergroot zodat bedrijven ook in de toekomst snel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Werknemers zullen daarvoor tijdens hun loopbaan moeten blijven investeren in hun duurzame inzetbaarheid. Zo kunnen zij tot aan hun pensioenleeftijd blijven werken.

In 2011 heeft het kabinet met sociale partners het pensioenakkoord gesloten over verhoging van de AOW-leeftijd in 20202. Ook is toen het vitaliteitspakket geïntroduceerd met maatregelen om langer doorwerken te bevorderen. Als gevolg van een verslechtering van de economische situatie begin 2012 bleken de overheidsfinanciën er veel slechter voor te staan dan eerder was voorzien. De problemen waren omvangrijk en acuut. Dit betekende onder meer dat niet kon worden gewacht tot 2020 met het verhogen van de AOW-leeftijd.

Daarom is in het Begrotingsakkoord afgesproken dat de AOW-leeftijd sneller wordt verhoogd; vanaf 2013 met een maand per jaar, vanaf 2016 met twee maanden per jaar en vanaf 2019 met drie maanden per jaar (zie figuur 1). Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. De snelle invoering van de verhoging kan problemen opleveren voor werknemers die kort voor hun pensioen staan. Wellicht moeten zij onverwacht een periode overbruggen tussen het vertrek bij hun werkgever en het moment waarop zij AOW krijgen. De verhoging van de AOW-leeftijd wordt daarom geleidelijk ingevoerd. Bovendien komt er een voorschotregeling en blijft de AOW-partnertoeslag beschikbaar voor mensen die er op hebben gerekend. In het uiterste geval kunnen mensen een beroep doen op de (bijzondere) bijstand om de periode tot de AOW ingaat te overbruggen.

Figuur 1. Verhoging van de AOW-leeftijd

Figuur 1. Verhoging van de AOW-leeftijd

Bron: SZW

Ook het vitaliteitspakket, met maatregelen om langer doorwerken te stimuleren, is tegen het licht gehouden om een bijdrage te leveren aan de oplossing van de financiële problemen. Dit heeft ertoe geleid dat mobiliteitsbonussen gerichter worden ingezet, namelijk alleen om oudere uitkeringsontvangers en arbeidsgehandicapten weer aan de slag te helpen.

Het vitaliteitspakket bevat ook maatregelen om de duurzame inzetbaarheid van werknemers te bevorderen. Investeren in duurzame inzetbaarheid is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Het vitaliteitspakket van het kabinet ondersteunt de sociale partners hierbij met loopbaanfaciliteiten zoals het vitaliteitssparen. Daarnaast is in april 2012 het project «Duurzame Inzetbaarheid» van start gegaan. Met dit project wil de overheid werkgevers stimuleren om duurzame inzetbaarheid te verankeren in hun personeelsbeleid. Dit gebeurt onder meer door werkgevers die nu al aantoonbaar werk maken van duurzame inzetbaarheid een voorbeeld te laten zijn voor anderen. Goede voorbeelden van maatregelen om werknemers duurzaam inzetbaar te houden worden – onder meer via werkgeversbijeenkomsten – verspreid onder bedrijven en organisaties. Met het actieplan «Gezond Bedrijf» worden MKB-werkgevers aangezet tot het bevorderen van een gezonde leefstijl van hun werknemers en het verlichten van geestelijk en lichamelijk zware beroepen. Hierbij gaat het vooral om het fit houden van laagopgeleide en chronisch zieke werknemers. In de visie van het kabinet op gezond en veilig werken moeten werkgevers en werknemers zelf meer werk maken van goede arbeidsomstandigheden. Daarvoor moet de rol van preventiemedewerkers op de werkvloer worden versterkt. Ook moeten de bedrijfsgezondheidszorg en reguliere gezondheidszorg beter samenwerken. Deze visie is in het voorjaar 2012 met een beleidsagenda aan de Tweede Kamer aangeboden3. Met deze initiatieven onderstreept het kabinet het belang van het investeren in duurzame inzetbaarheid, voor alle werknemers, jong en oud.

Het is nu al mogelijk om door te werken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Uit onderzoek blijkt echter dat dit nog niet op grote schaal gebeurt. Werkgevers geven aan dat het huidige arbeidsrecht het aannemen en in dienst houden van AOW’ers bemoeilijkt. Het kabinet past het arbeidsrecht daarom in 2013 op een aantal punten aan als het gaat om werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd al hebben bereikt. Zo wordt de re-integratieverplichting van de werkgever beperkt voor een zieke AOW’er. Ook mag hij een werknemer die de pensioenleeftijd al heeft bereikt opeenvolgende contracten aanbieden zonder dat dit tot een vaste arbeidsovereenkomst leidt. Verder wordt de opzegtermijn voor een AOW’er verkort.

Pensioenfondsen kunnen pensioenen gaan aanbieden die beter bestand zijn tegen de economische schokken zoals we de afgelopen jaren meemaken. Ook zullen pensioencontracten transparanter worden, zodat pensioendeelnemers weten waar zij aan toe zijn en welke risico’s zij lopen. Hiervoor wordt een nieuw financieel toetsingskader ontwikkeld, waarvan de inwerkingtreding is voorzien voor 1 januari 2014. Hiernaast kunnen sociale partners (verantwoordelijk voor de inhoud van het pensioencontract) op decentraal niveau blijven kiezen voor een verbeterd nominaal pensioencontract. Het nieuwe toetsingskader moet er, in samenhang met goede communicatie, toe leiden dat deelnemers realistische verwachtingen hebben over de te bereiken hoogte van het pensioen.

Naar een activerend stelsel van sociale zekerheid

Ook in tijden van economische neergang is er nog volop dynamiek op de arbeidsmarkt. Er verdwijnen niet alleen banen, er worden ook nieuwe banen gecreëerd. Er ontstaan voortdurend vacatures, doordat werknemers met pensioen gaan, promoveren en van baan wisselen. Dit betekent dat er ook kansen zijn om vanuit een uitkering aan het werk te komen. Maar dan moet de sociale zekerheid mensen hiertoe wel aanzetten.

De afgelopen jaren zijn er maatregelen genomen om de activerende werking van de sociale zekerheid te bevorderen. Dit heeft ertoe geleid dat meer uitkeringsgerechtigden aan het werk gegaan zijn. Ook is de instroom in onder meer de arbeidsongeschiktheidsregelingen vanuit vaste contracten verminderd. Maar de maatregelen hebben nog onvoldoende invloed gehad op het ziekteverzuim van werknemers met een tijdelijk dienstverband, uitzendkrachten en zieke werklozen. Bij ziekte betaalt de werkgever of uitkeringsinstantie deze flexwerkers niet door, maar komen zij in de Ziektewet (ZW). Het gevolg is dat zij veel vaker (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn – en dus de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) instromen – dan vaste werknemers. De instroom van deze groep in de WGA bedraagt 55%, terwijl zij slechts 20% van het verzekerdenbestand vormen (zie figuur 2).

Figuur 2. Instroom in de WGA

Figuur 2. Instroom in de WGA

Bron: SZW bewerking op basis van informatie van UWV en CBS

In de begroting 2012 is aangekondigd dat de ZW zo wordt aangepast dat flexwerkers worden gestimuleerd om weer aan de slag te gaan in plaats van een beroep te doen op de arbeidsongeschiktheidsregelingen als de ZW-uitkering na twee jaar stopt. Het wetsvoorstel hiervoor is inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer. Als ook de Eerste Kamer akkoord gaat kan het wetsvoorstel op 1 januari 2013 ingaan. Net als bij mensen met een vast contract moeten de werkgever en werknemer er dan alles aan doen om werkhervatting mogelijk te maken. Niet de ziekte, maar wat iemand nog kan komt centraal te staan. Werkgevers worden extra geprikkeld om flexwerkers weer aan de slag te helpen. Vanaf 2014 krijgen zij namelijk te maken met individuele ZW- en WGA-premies voor flexwerkers. Hoe hoger het beroep op die regelingen, hoe hoger de premie voor de werkgever. Daar staat tegenover dat werkgevers vanaf 2016 ook voor flexwerkers zelf het WGA-risico kunnen gaan dragen. Nu kan dit alleen voor vaste krachten. Het UWV kan vanaf 1 januari 2013 afspraken met werkgevers en sectoren maken over het weer aan de slag helpen van mensen met een ZW-uitkering. In dit kader is door het UWV met de uitzendbranche een convenant afgesloten om de werkhervatting van zieke uitzendkrachten te bevorderen. Om dit beter mogelijk te maken wordt de maximale periode van proefplaatsing verruimd van drie naar zes maanden.

Het kabinet heeft direct na zijn aantreden, samen met gemeenten, een groot aantal maatregelen in gang gezet om arbeidsmigratie vanuit de EU in goede banen te leiden. Het kabinet onderkent het recht van het vrij verkeer van werknemers uit EU-landen en de positieve bijdrage die arbeidsmigranten kunnen leveren aan onze economie. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook oog voor de nadelen die hieraan zijn verbonden. De te verwachten toename van het aantal arbeidsmigranten uit EU-landen dat naar Nederland komt, maakt continuering van de aanpak ook in 2013 noodzakelijk. Wat betreft de arbeidsmigratie van buiten de EU staat het kabinet een restrictief toelatingsbeleid voor. Er ontvangen nog te veel mensen die kunnen werken een uitkering. Het kabinet vindt het daarom onacceptabel om aanbod van buiten de EU aan te boren, als niet eerst de mogelijkheden maximaal zijn benut om het aanbod in Nederland en in de Europese Unie (nu nog met uitzondering van Bulgarije en Roemenië) in te zetten.

De regels voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen worden daarom aangescherpt. Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel waarin staat dat het UWV voortaan alleen in algemene zin hoeft te onderzoeken of er in Nederland voldoende werkzoekenden zijn voor vacatures waarvoor tewerkstellingsvergunningen worden aangevraagd. Als die er zijn dan wijst het UWV de aanvraag voor de tewerkstellingsvergunning af. Het is dan aan de werkgever om onder het hier beschikbare aanbod te werven. Ook wordt het mogelijk om in sectoren een maximum in te stellen voor het aantal te verlenen tewerkstellingsvergunningen.

Hardere aanpak fraude waarborgt solidariteit en betaalbaarheid van onze sociale voorzieningen

Misbruik en oneigenlijk gebruik van sociale zekerheid moeten worden bestreden als we het draagvlak voor het stelsel willen behouden. Fraude is diefstal van gemeenschapsgeld en ondermijnt daarmee de solidariteit tussen burgers en de betaalbaarheid van de sociale zekerheid. Zeker in deze tijden van bezuinigingen is een scherpe aanpak van fraude van belang. Strengere sancties werken preventief en maken dat werkenden erop kunnen vertrouwen dat alleen mensen die het echt nodig hebben, overheidssteun krijgen.

Fraude wordt vanaf 2013 harder aangepakt. Zo worden in het wetsvoorstel «Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW» de straffen verhoogd voor mensen die frauderen met uitkeringen en de kinderopvangtoeslag (zie figuur 3). Het wetsvoorstel is behandeld in de Tweede Kamer en de inzet is dat de wet 1 januari 2013 in werking treedt. Fraudeurs moeten dan het teveel ontvangen geld altijd terugbetalen. Daarnaast krijgen zij een boete die net zo hoog is als het fraudebedrag. Bij de volgende fraude gaat de boete verder omhoog. Die boete wordt dan ook verrekend met de uitkering, waardoor de fraudeur gedurende maximaal vijf jaar niets meer ontvangt. In de bijstand geldt een periode van ten hoogste drie maanden. De bijstand heeft immers het karakter van een vangnet voor mensen die op geen enkele andere manier in hun onderhoud kunnen voorzien.

Figuur 3. Terugbetaling en boete bij fraude sociale verzekeringen

Figuur 3. Terugbetaling en boete bij fraude sociale verzekeringen witregel

Bron: SZW

Ook bedrijven die zich niet aan wet- en regelgeving houden krijgen hoge boetes. Als een bedrijf in herhaling valt worden de boetes verdubbeld en bij een derde overtreding gaat de boete nog een keer omhoog. Bovendien kan een bedrijf of een onderdeel ervan dan maximaal drie maanden worden stilgelegd.

Verder streeft het kabinet ernaar dat het voorgenomen wetsvoorstel «Fraudeaanpak door gegevensuitwisseling en efficiënter gebruik van gegevens» eveneens in 2013 in werking treedt. Met dit wetsvoorstel krijgen uitvoerders van de sociale zekerheid nieuwe mogelijkheden om fraude aan te pakken. Ook kunnen zij efficiënter gebruik gaan maken van gegevens die bij de overheid beschikbaar zijn. Een betere gegevensuitwisseling is ook een van de doelen van de EU-handhavingsrichtlijn waarover in Brussel wordt onderhandeld. De richtlijn moet het beter mogelijk maken om gegevens uit te wisselen tussen inspectiediensten van EU-lidstaten. Zo kan worden voorkomen dat bedrijven de regels omzeilen en grensoverschrijdende gedetacheerde werknemers minder goede arbeidsvoorwaarden bieden dan waarop zij recht hebben.

De Inspectie SZW, gemeenten en UWV bestrijden samen de fraude op het gebied van werk en inkomen. De Inspectie SZW is in 2012 ontstaan na een fusie van de Arbeidsinspectie, SIOD en de Inspectie Werk en Inkomen. Door deze diensten samen te voegen is de slagkracht toegenomen en wordt van elkaars expertise gebruik gemaakt om fraude en misstanden steviger aan te pakken. Het opsporen van fraude is een van de speerpunten in 2013. De verhoging van de boetes zoals hiervoor beschreven zal de aanpak van de Inspectie SZW versterken.

Europa, sociale zekerheid en werkgelegenheid

Europa is belangrijk voor de Nederlandse economie en daarmee ook voor de werkgelegenheid. Het is goed dat de werking van de Europese interne markt wordt verbeterd door gezamenlijke afspraken over het vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen. Daarbij moeten de voordelen van het vrij verkeer optimaal worden benut en de nadelen zoveel mogelijk worden beperkt. In dat kader zet Nederland in op het tegengaan van een mogelijk aanzuigende werking van ons socialezekerheidsstelsel op EU-migranten, mede door de vormgeving van Europese regelgeving.

Ook als het om pensioenen gaat is Nederland alert. Het is positief dat er een interne markt voor financiële producten tot stand komt, maar lidstaten moeten zelf verantwoordelijk blijven voor hun pensioenstelsels. Europese regels die alle pensioenstelsels over een kam scheren en tot onnodig hoge lasten voor Nederlandse werknemers, werkgevers en pensioenfondsen leiden, moeten worden voorkomen. Dergelijke regels staan op gespannen voet met de bijzondere kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel. Het voornemen van de Europese Commissie om de Pensioenfondsenrichtlijn (IORP) aan te passen, mag er voor Nederland niet toe leiden dat de hoge zekerheidseisen die daarin worden voorgesteld tot grote kostenstijgingen voor pensioenfondsen leiden. Wanneer bijvoorbeeld de zekerheidseis wordt verhoogd van 97,5% naar 99,5%, conform de Europese Solvency II Richtlijn voor verzekeraars, kan dit leiden tot een toename in de buffervereisten voor pensioenfondsen met circa 11%-punt. Dit verhogen van de buffers kan in stappen gedurende tien jaar. Indien dit gedekt zou worden door premieverhoging komt dit de eerste tien jaar neer op circa € 10 miljard aan extra premie; het alternatief is dat de pensioenuitkeringen voor een soortgelijk bedrag worden gekort. Structureel vergen de hogere buffers circa € 3 miljard aan extra premie. Bij de voorbereiding van de IORP richtlijn heeft de Commissie aangegeven rekening te houden met landen die goed functionerende kapitaalgedekte pensioenstelsels hebben, zoals Nederland. Het kabinet zal er scherp op toe blijven zien dat dit ook inderdaad gebeurt.

Lidstaten zijn in Europa zelf verantwoordelijk voor hun beleid op het gebied van werkgelegenheid en sociale zekerheid. Ongewenste beleidsconcurrentie – door verschillen in nationale regelgeving – wordt door de EU tegengegaan. Nederland is van mening dat dit proces is afgerond en ziet dus weinig reden voor aanvullend Europees beleid op het terrein van sociale zekerheid en werkgelegenheid. Wel kunnen verbeteringen worden geformuleerd langs de weg van open coördinatie processen: Europees gezamenlijke doelen formuleren zoals op het terrein van arbeidsparticipatie, met voor lidstaten een behoorlijke vrijheid in de manier waarop zij die doelen nationaal realiseren. Belangrijk is dat vervolgens goed op prestaties getoetst wordt en lidstaten bij de les gehouden worden.

2.1.1.2 Verdere agenda

Verschillende uitdagingen op het gebied van werk en inkomen zullen ook na 2013 op de agenda blijven staan, zoals een beter functionerende arbeidsmarkt, meer mensen met een beperking aan de slag en een kleinere overheid, ook op het terrein van SZW.

Verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt

Een economie die voortdurend verandert door de conjunctuur, globalisering en technologische vooruitgang vraagt om een dynamische arbeidsmarkt met mobiele werknemers. In Nederland is de arbeidsmobiliteit echter laag, met name onder ouderen. Dit komt mede door de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo neemt de ontslagbescherming voor werknemers met een vast contract toe naarmate zij langer in dienst zijn. Ook zijn de ontslagvergoedingen hoog voor ouderen die via de kantonrechter worden ontslagen. Hierdoor zijn werkgevers minder snel geneigd om nieuwe vaste contracten aan te bieden. Tegelijkertijd zorgt de hoge ontslagbescherming voor ouderen met een vast contract ervoor dat zij niet snel zullen overstappen naar een andere, productievere baan. Zij raken hun bescherming dan immers kwijt. De keerzijde is dat ouderen moeilijk nieuw werk vinden als zij eenmaal aan de kant komen te staan.

De arbeidsmobiliteit in Nederland is niet alleen laag, maar bovendien ongelijk verdeeld. Conjuncturele schommelingen worden met name door de zogeheten flexibele schil opgevangen, en in veel mindere mate door mensen met een vast contract. Als het beter gaat doen werkgevers eerst een beroep op flexwerkers. Die verdwijnen ook weer als eersten als het slechter gaat. Dit zorgt ervoor dat bedrijven zich kunnen aanpassen aan de economische situatie, maar dit heeft ook nadelen. Werkenden in de flexibele schil verdienen gemiddeld minder, volgen minder vaak scholing en doen relatief vaak een beroep op sociale zekerheid.

In de hoofdlijnennotitie «Aanpassing ontslagrecht en WW4» zijn maatregelen aangekondigd om de arbeidsmarkt te moderniseren. Het huidige ingewikkelde duale stelsel wordt vervangen door een transparant en eenvoudig ontslagstelsel, waarin de preventieve toetsing van het ontslag plaatsmaakt voor toetsing achteraf door de rechter. De soms hoge en ongelijk verdeelde ontslagvergoedingen maken plaats voor een zogeheten transitiebudget voor iedereen met een vast of tijdelijk contract bij wie de arbeidsrelatie onvrijwillig wordt beëindigd. Dit transitiebudget kan worden gebruikt voor scholing of andere hulp bij het vinden van werk. Daarnaast wordt de WW-uitkering voor ten hoogste de eerste zes maanden voor rekening gebracht van de werkgever, voor werknemers met vaste én tijdelijke contracten. Als het parlement hiermee instemt gaan deze hervormingen in 2014 in. In aanloop op de invoering wordt in 2013 de WW-premie voor werkgevers tijdelijk verhoogd.

Figuur 4. Hoofdlijnen aanpassing ontslagrecht en WW

Figuur 4. Hoofdlijnen aanpassing ontslagrecht en WW witregel

Deze maatregelen zullen de mobiliteit op de arbeidsmarkt bevorderen, terwijl ze tegelijkertijd de ongelijkheid tussen werknemers met vaste en flexibele contracten verkleinen. Dit leidt tot een evenwichtigere verdeling van flexibiliteit en zekerheid en maakt het voor mensen makkelijker om van baan te wisselen, met name voor ouderen. Dit betekent echter niet dat werkgevers straks zo maar ouderen kunnen ontslaan. Er moet nog steeds een goede reden zijn voor ontslag. Ook het beginsel dat bij collectief ontslag de groep ontslagen werknemers wat betreft leeftijd een afspiegeling moet zijn van het totale personeelsbestand blijft gehandhaafd. Verder blijft leeftijdsdiscriminatie uiteraard verboden en wordt ontslag – ook van ouderen – niet gratis.

Meer mensen met een beperking aan het werk

Het is van belang dat ook mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt profiteren van de dynamiek op de arbeidsmarkt. Een goede dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers brengt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar. Dit vraagt, met name op regionaal niveau, om een effectieve en efficiënte bemiddeling, re-integratie-ondersteuning en controle op de naleving van de regels.

In ons land staan nog teveel mensen die kunnen werken om uiteenlopende redenen aan de kant. Voorkomen moet worden dat mensen te snel worden afgeschreven en permanent worden uitgesloten van een baan. Want werk biedt mensen perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid. Werk is de basis voor zelfstandigheid, het benutten en ontwikkelen van talenten en vaardigheden en het is de beste manier om uit armoede te komen. Van de 317 000 bijstanduitkeringen duurt 37% langer dan vijf jaar. De bijstand als tijdelijk vangnet schiet daarmee zijn doel voorbij. Een groot deel van de mensen in de bijstand kan aan het werk. In de sociale werkvoorziening is de situatie vergelijkbaar. Hier werken ongeveer honderdduizend mensen in een beschutte omgeving, terwijl een groot deel ook in staat is bij een gewone werkgever aan de slag te gaan. Er zitten nu tweeënhalf maal zoveel mensen in de sociale werkvoorziening (WSW) als bij de invoering in 1969 was voorzien. De doorstroom van mensen met een WSW-indicatie naar een gewone baan is laag, terwijl minstens de helft van de mensen met een WSW-indicatie met enige begeleiding bij een reguliere werkgever aan de slag kan. De groep Wajongers is de laatste jaren sterk gegroeid. Als er niets gebeurt dan verdubbelt het aantal Wajongers de komende dertig jaar naar 400 000. Het is sociaal onaanvaardbaar en economisch en financieel onhoudbaar dat mensen in een uitkering of op een beschutte werkplek blijven zitten terwijl zij kunnen werken op een reguliere arbeidsplaats. De uitdaging voor alle betrokkenen – gemeenten, UWV, werkgevers en werknemers – is dan ook om meer van deze mensen aan het werk te helpen. De overheid heeft hierbij een belangrijke voorbeeldrol.

Hiervoor is het onder meer noodzakelijk dat mensen op een goede en professionele manier worden gere-integreerd. Het ministerie van SZW investeert daarom tot 2014 in het programma «Impuls Vakmanschap». Hiermee worden sociale diensten gestimuleerd om de effectiviteit van re-integratieprojecten te vergroten en zich verder te professionaliseren. Divosa en de VNG voeren dit programma uit.

Door de nadruk te leggen op digitale dienstverlening kan het UWV werkgevers en werkzoekenden in de toekomst voldoende blijven ondersteunen (Redesign UWV Werkbedrijf). WW-gerechtigden hebben in het algemeen recente werkervaring. Zij hebben daardoor vaak geen belemmeringen om weer snel aan de slag te gaan. Vanaf 2015 krijgt daarom nog maximaal tien procent van de WW’ers die tussen drie en twaalf maanden werkloos zijn persoonlijke hulp bij het zoeken naar werk. Vanaf 2013 zal door UWV en gemeenten in alle arbeidsmarktregio’s een gezamenlijk aanspreekpunt voor werkgevers zijn gerealiseerd. UWV en gemeenten zullen hierbij nauw samenwerken. Het aantal vestigingen van waaruit UWV opereert wordt de komende jaren teruggebracht van 98 naar 30.

Op deze wijze is invulling gegeven aan de taakstelling van € 500 miljoen van het vorige kabinet op het UWV. Om de ontwikkeling Redesign volgens plan per 2015 te voltooien, is aan het UWV een bedrag van € 30 miljoen beschikbaar gesteld. Hierdoor kan de persoonlijke dienstverlening geleidelijker worden afgebouwd, zodat werkzoekenden meer tijd hebben om te wennen aan digitale dienstverlening. Verdere taakstellingen vergen keuzes in wat de overheid nog kan en wil. Een nieuwe taakstelling bij het UWV zal gevolgen hebben voor de dienstverlening en de klanttevredenheid.

Een kleinere overheid, ook op het gebied van werk en inkomen

Het kabinet streeft naar een efficiënte werking van de arbeidsmarkt waarbij de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven voorop staat. Het verkrijgen en behouden van betaald werk is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van mensen zelf. Juist nu de overheidsmiddelen schaars zijn, is het van belang dat de overheid alleen mensen ondersteunt die dat écht nodig hebben. Door eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven meer voorop te stellen, kan de dienstverlening van de overheid zich tot het noodzakelijke beperken.

De taakstelling voor een kleinere overheid op het gebied van werk en inkomen is voor de periode 2012–2015 verdeeld over UWV, SVB en het kerndepartement van SZW. Deze taakstelling is ingevuld. Voor wat betreft het UWV is onder meer besloten de efficiency te vergroten, keuzes te maken in taken en dienstverlening en wet- en regelgeving te vereenvoudigen. Deze taakstelling kwam bovenop de beleidsmatige taakstellingen op bemiddeling en re-integratie van het UWV. Een ander voorbeeld is het terrein van arbeidsomstandigheden waar gekozen is voor een kleinere rol van de overheid5. De regeldruk wordt verminderd en werkgevers worden aangespoord om zelf meer verantwoordelijkheid te nemen. Met scherpe risicoanalyses en zwaardere straffen worden werkgevers die hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen aangepakt.

Hoewel de invulling van de taakstelling op het gebied van werk en inkomen reeds bekend is, blijft de uitvoering ervan de komende jaren een flinke opgave. De vinger wordt aan de pols gehouden om snel te kunnen ingrijpen als zich knelpunten voordoen. Er moeten immers tegelijkertijd nog twee andere taakstellingen worden uitgevoerd: die uit het regeerakkoord Rutte/Verhagen voor 2016–2018 (€ 51 miljoen) en een taakstelling van € 3 miljoen uit het Begrotingsakkoord 2013. Er moeten keuzes worden gemaakt bij de invulling van deze taakstellingen.

De ambitie om met minder middelen toch een goede dienstverlening te bieden wordt door de opeenstapeling van taakstellingen steeds groter. Verdere taakstellingen vergen keuzes in wat de overheid nog kan en wil. Dergelijke keuzen zullen gevolgen hebben voor de dienstverlening door de overheid.

2.1.1.3 Inkomensontwikkeling

In 2013 daalt de mediane koopkracht met ¾%. Hiermee neemt de koopkracht voor het vierde jaar op rij af. Deze daling hangt samen met de slechte economische situatie. Hierdoor stijgen de lonen in de markt nauwelijks meer dan de inflatie en worden pensioenen gekort. Bovendien bevat het Begrotingsakkoord maatregelen die de koopkracht van bijna alle Nederlanders raakt. De BTW wordt verhoogd naar 21%, hetgeen de inflatie verhoogt, de lonen bij de overheid worden bevroren, het eigen risico in de zorg wordt verhoogd en de onbelaste reiskostenvergoeding wordt afgeschaft. Bovenop de maatregelen uit het Begrotingsakkoord raken ook de bezuinigingen uit het regeerakkoord de koopkracht. Het betreft in 2013 de verlaging van de zorgtoeslag, de maatregelen in de kinderopvangtoeslag en de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.

Inzet bij het vormgeven van de maatregelen in het Begrotingsakkoord was om de koopkrachteffecten evenwichtig te verdelen, met bijzondere aandacht voor mensen met lage inkomens. Daar is invulling aan gegeven door lage inkomens via de zorgtoeslag te compenseren voor het hogere eigen risico in de zorg. Daarnaast wordt de lastenruimte van €1,5 miljard die is ontstaan door de verhoging van de BTW vooral ingezet om werkenden met lage inkomens tegemoet te komen, door de arbeidskorting gericht te verhogen. Ook worden het kindgebonden budget, de alleenstaande ouderenkorting en de ouderenkorting verhoogd. Door dit pakket aan maatregelen zijn de koopkrachteffecten, ondanks de forse bezuinigingen, voor de laagste inkomens relatief beperkt en zijn deze redelijk evenwichtig over het inkomensgebouw verdeeld.

Figuur 5. Mediane koopkrachtmutatie 2013 naar inkomenshoogte

Figuur 5. Mediane koopkrachtmutatie 2013 naar inkomenshoogte witregel
2.1.1.4 Tot slot

Het kabinet heeft met het Begrotingsakkoord 2013 verantwoordelijkheid genomen voor een goed werkende arbeidsmarkt en houdbare sociale voorzieningen. Dit betekent enerzijds dat 2013 geen gemakkelijk jaar wordt voor burgers en bedrijven. De koopkracht neemt af en de werkloosheid zal oplopen. Anderzijds worden uitdagingen voor de lange termijn, zoals het verbeteren van de overheidsfinanciën, een beter functionerende arbeidsmarkt en een langer doorwerkende beroepsbevolking, met dit akkoord aangepakt. Dit biedt voor iedereen perspectief voor de toekomst.

2.1.2 BUDGETTAIRE ONTWIKKELINGEN SZA-KADER
2.1.2.1 Inleiding

De uitgaven van de overheid zijn verdeeld over drie uitgavenkaders; Rijkbegroting-in-enge-zin (Rbg-eng), Budgettair Kader Zorg (BKZ) en het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA). De minister van SZW is in beginsel verantwoordelijk voor de beheersing van de uitgaven in het SZA-kader. Indien de geraamde uitgaven hoger zijn dan het afgesproken kader (ook wel het uitgavenplafond of de ijklijn genoemd), dient de minister maatregelen te nemen om (meerjarig) binnen het kader te blijven.

Het merendeel van de uitgaven van de SZW-begroting valt binnen het uitgavenkader SZA. Zo zijn bijvoorbeeld de apparaatsuitgaven van SZW ondergebracht in het kader Rijksbegroting-in-enge-zin. Een exacte aansluiting tussen de uitgaven in de SZW-begroting en het SZA-kader is te vinden in bijlage 4.2.

Deze paragraaf geeft een overzicht van de budgettaire ontwikkelingen in het SZA-kader. Er wordt inzicht gegeven in de mutaties die zijn opgetreden sinds de ontwerpbegroting 2012. Vervolgens wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de uitgaven en de volumes. Ten slotte wordt ingegaan op de mutaties van de ijklijn en worden de SZA-uitgaven getoetst aan het uitgavenplafond.

2.1.2.2 Uitgaven SZA-kader 2012–2017

SZA-uitgaven

In tabel 2.1.2.1 zijn de uitgaven die behoren tot het SZA-kader voor 2012 tot en met 2017 weergegeven. Te zien is dat de totale SZA-uitgaven (uitgedrukt in het prijsniveau van het jaar 2012, zogenoemde constante prijzen) vanaf 2012 met € 2,0 miljard toenemen. Dit verloop van de SZA-uitgaven wordt met name door twee onderliggende ontwikkelingen beïnvloed. De AOW-uitgaven nemen tussen 2012 en 2017 met € 2,5 miljard toe als gevolg van de vergrijzing, de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 beperkt de stijging enigszins. De werkloosheidsuitgaven nemen eerst toe van 2012 naar 2013 om vervolgens weer af te nemen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de conjunctuur en door de maatregel waarmee werkgevers vanaf 2014 verantwoordelijk worden voor de eerste zes maanden WW.

Het restant van de SZA-uitgaven vertoont per saldo een relatief stabiel verloop. De overige uitgaven bestaan met name uit arbeidsongeschiktheidsuitgaven (€ 12 miljard), uitgaven aan kindregelingen en kinderopvang (€ 7 miljard) en de WSW (€ 2 miljard). Een verdere uitsplitsing van de SZA-uitgaven is te vinden in tabel 2.1.2.3.

De uitgavenkaders van de overheid worden uitgedrukt in lopende prijzen, wat betekent dat rekening wordt gehouden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen. In lopende prijzen nemen de SZA-uitgaven toe van € 70,5 miljard in 2012 naar € 80,5 miljard in 2017. Uitgedrukt in een percentage van het BBP dalen de SZA-uitgaven in latere jaren.

Tabel 2.1.2.1 SZA-uitgaven in constante en lopende prijzen (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Totale SZA-uitgaven constante prijzen

70,5

71,9

72,6

72,8

72,7

72,5

w.v. AOW-uitgaven

31,5

32,4

33,2

33,8

33,8

34,0

w.v. Werkloosheidsuitgaven (WW en bijstand)

10,2

11,0

10,9

10,6

10,3

9,7

w.v. Overige SZA-uitgaven

28,8

28,5

28,5

28,4

28,6

28,7

Loon- en prijsontwikkeling SZA-uitgaven

0,0

1,2

2,4

3,9

5,9

8,1

Totale SZA-uitgaven lopende prijzen

70,5

73,1

75,1

76,7

78,6

80,5

             

SZA-uitgaven in % van het BBP

11,6%

11,7%

11,7%

11,6%

11,4%

11,3%

Bron: SZW, financiële administratie

Budgettaire mutaties

Tabel 2.1.2.2 geeft een overzicht van de budgettaire mutaties die sinds de vorige ontwerpbegroting zijn opgetreden, een zogenoemde verticale toelichting.

Tabel 2.1.2.2 Budgettaire mutaties sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

SZA-uitgaven Ontwerpbegroting 2012

69,7

71,8

74,1

76,4

79,0

81,2

             

A. Macro-economische mutaties

1,3

1,7

1,4

0,7

0,3

0,1

w.v. WW/WWB

1,4

2,4

2,7

2,3

1,7

1,0

w.v. loon- en prijsontwikkeling

– 0,1

– 0,6

– 1,2

– 1,6

– 1,4

– 0,9

             

B. Mee- en tegenvallers

– 0,6

– 0,2

– 0,1

0,1

0,1

0,3

w.v. Kinderopvangtoeslag

– 0,2

– 0,1

– 0,1

0,0

– 0,1

0,0

w.v. Wajong

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

w.v. Arbeidsongeschiktheid

– 0,1

0,0

0,0

0,1

0,1

0,2

w.v. AOW

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Overig

– 0,2

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

             

C. Ombuigingen

– 0,1

– 0,6

– 1,4

– 1,7

– 2,0

– 2,2

w.v. AOW Leeftijdverhoging

0,0

– 0,1

– 0,2

– 0,2

– 0,5

– 0,7

w.v. WW Loondoorbetaling

0,0

0,0

– 0,8

– 1,0

– 1,0

– 1,0

w.v. Verlaging MKOB

0,0

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

w.v. Nullijn

– 0,1

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

– 0,2

w.v. Overig

0,0

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

– 0,1

             

D. Besparingsverliezen en Intensiveringen

0,1

0,3

0,6

0,9

0,9

1,0

w.v. WWNV

0,0

0,0

0,4

0,6

0,7

0,7

w.v. Belasten Reiskostenvergoeding

0,0

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Huishoudinkomenstoets

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

w.v. Overig

0,1

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

             

E. Technische mutaties

0,1

0,0

0,3

0,3

0,2

0,2

             

SZA-uitgaven Ontwerpbegroting 2013

70,5

73,1

75,1

76,7

78,6

80,5

Bron: SZW, financiële administratie

A. Macro-economische mutaties

Aanpassingen van de uitgaven als gevolg van wijzigingen in verwachte economische ontwikkelingen worden macro-economische mutaties genoemd. De macro-economische mutaties laten per saldo een tegenvaller zien. In de eerste jaren betreft het een forse tegenvaller tot € 1,7 miljard, in latere jaren is de bijstelling relatief beperkt; € 0,1 miljard in 2017.

Het CPB heeft sinds de begroting 2012 de raming van de werkloze beroepsbevolking als gevolg van verslechterde economische omstandigheden naar boven bijgesteld. Dit leidt tot hogere uitgaven aan de WW en bijstand, met name in de jaren 2013 tot en met 2015. Tegenover de hogere werkloosheidsuitgaven staat een meevallende loon- en prijsontwikkeling. De uitgaven onder het kader SZA zijn met name afhankelijk van de contractloonontwikkeling. Dit komt doordat de uitkeringen van SZW worden aangepast aan de ontwikkeling van de lonen in de markt. De procentuele ontwikkeling van de lonen is kleiner dan waar eerder van werd uitgegaan, waardoor de uitgaven van SZW lager uitkomen.

B. Mee- en tegenvallers

De informatie van de uitvoeringsorganisaties over de ontwikkelingen van de verschillende uitgavenregelingen laat met name mee- en tegenvallers zien bij de kinderopvangtoeslag, de Wajong, de arbeidsongeschiktheid en de AOW:

  • Bij de kinderopvangtoeslag zijn in 2011 en 2012, en worden in 2013, verschillende versoberingen doorgevoerd. De gedragseffecten van deze maatregelen, die zich volgens de ramingen over drie jaar uitstrekken, zijn waarschijnlijk sneller opgetreden dan geraamd, waardoor de uitgaven naar beneden worden bijgesteld. Daarnaast zijn de verwachte terugontvangsten voor 2012 hoger dan waar eerder rekening mee gehouden werd.

  • De meevaller in de Wajong wordt voornamelijk veroorzaakt door een lagere gemiddelde uitkering dan eerder verwacht.

  • De tegenvaller op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is het saldo van tegenvallers bij de WAO en de gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA (WGA) en een meevaller bij de volledig arbeidsongeschikten in de WIA (IVA). De hogere uitgaven aan de WAO worden voornamelijk verklaard door een daling van de doorstroomkans van volledige naar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In de WIA is minder doorstroom van WGA naar IVA. Dit zorgt voor hogere uitgaven aan de WGA en minder uitgaven aan de IVA. Daarnaast is de instroom in de WGA hoger dan eerder verwacht, wat tot een tegenvaller leidt.

  • Naar boven bijgestelde prognoses van de levensverwachting hebben geleid tot een ophoging van de AOW-uitgaven.

Kleinere meevallers deden zich voor bij de WKB en de AIO (voorheen bijstand 65+). Hogere terugontvangsten voor het kindgebonden budget zorgen met name in 2012 voor een meevaller op die regeling. De realisaties van de bijstandsuitgaven voor ouderen vielen in 2011 lager uit dan verwacht. De raming voor latere jaren is hierom ook neerwaarts bijgesteld.

C. Ombuigingen

In het Begrotingsakkoord is een aantal ombuigingsmaatregelen op SZW terrein opgenomen. Daarnaast is een aantal maatregelen genomen ter dekking van SZA-problematiek.

  • De AOW-leeftijd wordt vanaf 2013 stapsgewijs verhoogd. Dit levert in 2013 € 0,1 miljard op, oplopend naar € 0,7 miljard in 2017. Deze besparing is het saldo van lagere AOW-uitgaven en hogere uitgaven aan andere regelingen. Als gevolg van de hogere AOW-leeftijd blijven mensen namelijk langer een arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsuitkering ontvangen.

  • Werkgevers worden verantwoordelijk voor de eerste zes maanden WW. Deze maatregel levert € 750 miljoen op in 2014, voor latere jaren loopt dit op tot € 1,0 miljard. Vooruitlopend hierop is voor 2013 de Awf-premie met € 500 miljoen verhoogd, zie hiervoor ook bijlage 4.3.

  • Conform het wetsvoorstel Uniformering Loonbegrip (ULB) wordt de MKOB per 1 januari 2013 met € 75 per jaar verlaagd. Dit levert € 0,2 miljard per jaar op vanaf 2013. In het wetsvoorstel ULB wordt de ouderenkorting verhoogd, ter compensatie wordt de tegemoetkoming voor ouderen verlaagd.

  • In de Voorjaarsnota is voor 2012 en 2013 een nullijn afgesproken, de loonbijstelling wordt niet aan de departementen uitgekeerd. Dit leidt binnen het SZA-kader tot een besparing van € 0,1 miljard in 2012 en € 0,2 miljard in latere jaren. De besparing slaat vooral neer bij de Wsw, bij het re-integratiebudget, de kinderopvang en bij UWV en SVB.

Naast deze grote maatregelen is een aantal (budgettair) kleinere maatregelen getroffen. Zo wordt de inkomensgrens in de kinderopvang niet geïndexeerd (€ 16 miljoen). Daarnaast wordt de invoering van een eigen bijdrage verruild voor een proportionele verhoging van de ouderbijdrage voor het eerste kind (budgettair neutraal). Met uitzondering van de laagste inkomensklasse, daarvoor blijft de ouderbijdrage gelijk. Ook de modernisering van de ZW kent een gewijzigde invulling en levert structureel iets meer op (€ 10 miljoen).

D. Besparingsverliezen en Intensiveringen

Uit het Begrotingsakkoord volgt een aantal wijzigingen op beleid dat daarvoor reeds was ingezet. Daarnaast is nieuw beleid ingevoerd op andere terreinen dan SZW met gevolgen voor SZW regelingen. De grootste budgettaire gevolgen hebben het controversieel verklaren van de Wet Werken naar Vermogen, het belasten van de reiskostenvergoeding en het vervallen van de huishoudinkomenstoets in de bijstand.

  • De Wet Werken naar Vermogen is controversieel verklaard. Daardoor blijven de Wajong en Wsw onveranderd. De besparingsverliezen worden beperkt door de vrijval van de gereserveerde middelen, de herstructureringsfaciliteit en een deel van de mobiliteitsbonussen. Per saldo resteert een besparingsverlies van € 34 miljoen in 2013, oplopend tot € 0,7 miljard in 2017.

  • Door het belasten van de reiskostenvergoeding telt deze ook mee in het premieplichtig inkomen. Een hoger premieplichtig inkomen betekent hogere uitkeringen voor werknemersverzekeringen. De uitgaven aan WW/ZW en WAO/WIA nemen hierdoor toe. Voor de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget leidt het belasten van de reiskostenvergoeding juist tot lagere uitgaven aangezien hier een hoger inkomen een lagere toeslag betekent. Per saldo leidt deze maatregel tot € 20 miljoen hogere uitgaven in 2013, oplopend tot € 124 miljoen in 2017.

  • De huishoudinkomenstoets in de bijstand vervalt. Dit leidt tot € 27 miljoen hogere uitgaven in 2012 en € 54 miljoen in latere jaren.

Daarnaast heeft zich een aantal kleinere besparingsverliezen voorgedaan met name door het later dan gepland ingaan van maatregelen. De maatregel waarmee fraude met uitkeringen wordt aangepakt is vertraagd ingegaan. Voor het afschaffen van de WWIK is een overgangsregeling ingesteld. De maatregel AOW-verjaardag is verlaat in werking getreden. Daarnaast levert de beperking van export van uitkeringen minder op dan in het regeerakkoord Rutte/Verhagen was opgenomen. De WKB-bedragen zijn in het Begrotingsakkoord per 2013 met € 75 verhoogd, dit leidt tot ongeveer € 40 miljoen hogere uitgaven per jaar.

E. Technische mutaties

Dit betreft met name het uitboeken van de taakstelling die in de begroting 2012 was opgenomen voor circa € 230 miljoen per jaar vanaf 2013 om de kaders te laten sluiten op basis van de MEV-stand. Deze taakstelling is in het begrotingsakkoord ingevuld en wordt uitgeboekt. Daarnaast bevat deze post de loon- en prijsontwikkeling die hoort bij de mutaties onder A t/m D en technische overboekingen van het SZA-kader naar het kader Rbg-eng.

2.1.2.3 Uitgaven- en volumeontwikkelingen SZA-kader 2012–2017

Dit onderdeel geeft een toelichting op het verloop van de uitgaven in het SZA-kader over de jaren heen, een zogenoemde horizontale toelichting. Ook worden de volumeontwikkelingen van de uitkeringsregelingen toegelicht. De ontwikkeling van de uitgaven wordt namelijk in sterke mate bepaald door de ontwikkeling van de onderliggende volumecijfers. Tabel 2.1.2.3 toont een onderverdeling van de uitgaven in het SZA-kader naar de verschillende regelingen. Het betreft hier netto uitgaven, na aftrek van relevante ontvangsten. Tabel 2.1.2.4 geeft een overzicht van de volumecijfers. De volumeontwikkelingen in tabel 2.1.2.4 wijken op onderdelen af van de cijfers genoemd in de beleidsartikelen. Dat komt doordat in de tabel volumecijfers zijn opgenomen die relevant zijn voor de uitgavenontwikkeling. Ter illustratie: beleidsartikel 8 bevat het volume AOW in personen, dit is hoger dan het volume dat in tabel 2.1.2.4 is opgenomen. Voor de budgettaire ontwikkelingen is het van belang hoeveel volledige AOW-uitkeringen er in enig jaar zijn en niet het aantal mensen dat een AOW-uitkering heeft. Zo worden in tabel 2.1.2.4 bijvoorbeeld twee mensen met beide een halve AOW-opbouw opgeteld tot één volledige uitkering.

Tabel 2.1.2.3 Uitgaven SZA-kader 2012–2017 (x € 1 mln)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

WW-uitgaven (werkloosheid)

5 262

5 768

5 418

5 024

4 900

4 494

WWB-uitgaven (bijstand)

4 894

5 282

5 484

5 526

5 390

5 246

             

WAO/WIA/WAZ/Wajong-uitgaven (arbeidsongeschiktheid)

11 363

11 389

11 666

11 795

11 951

12 144

ZW/WAZO-uitgaven (vangnet ziekte+zwangerschap)

2 800

2 767

2 677

2 638

2 639

2 640

             

Anw-uitgaven (nabestaanden en (half)wezen)

853

725

619

537

501

480

AOW-uitgaven (ouderdom)

31 493

32 407

33 214

33 790

33 833

34 042

MKOB (tegemoetkoming oudere belastingplichtigen)

1 125

942

968

991

1 004

1 018

             

Re-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid

280

258

262

269

275

280

Wsw-budget

2 375

2 376

2 374

2 373

2 373

2 373

Participatiebudget gemeenten

697

734

683

683

683

683

             

Kinderopvangtoeslag

2 390

2 339

2 429

2 534

2 584

2 631

Kindregelingen (AKW/WKB/TOG)

4 164

4 139

4 088

4 060

4 026

3 988

             

Uitvoeringskosten (UWV/SVB etc)

2 037

1 993

1 952

1 778

1 750

1 698

Overige uitgaven (met name loon- en prijsbijstelling)

726

1 952

3 229

4 693

6 666

8 820

             

Totaal SZA-uitgaven

70 458

73 068

75 061

76 691

78 575

80 538

Bron: SZW, financiële administratie

Tabel 2.1.2.4 Volumeontwikkelingen Sociale Zekerheid 2012–2017 (herleide uitkeringsjaren)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Werkloosheidsuitkeringen (WW)

268

290

311

322

316

299

Bijstandsuitkeringen (WWB/IOAW/IOAZ)

344

370

386

389

380

369

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA/WAZ/Wajong)

726

732

741

750

761

773

Ziektewetuitkeringen (ZW/WAZO)

146

146

140

136

136

136

Nabestaandenuitkeringen (Anw)

66

59

52

47

45

43

Ouderdomsuitkeringen (AOW)

2 968

3 066

3 141

3 188

3 199

3 205

Kinderopvangtoeslag kinderen

720

696

727

763

779

795

Kinderbijslag telkinderen (AKW)

3 453

3 440

3 427

3 413

3 395

3 376

Kindgebonden budget gezinnen (WKB)

918

924

877

823

802

781

Aantal kinderen TOG

28

27

26

26

26

26

Bron: SZW, financiële administratie

De uitgaven aan de WW stijgen van 2012 naar 2013 om vervolgens in de jaren daarna te dalen. Dit verloop van de raming van de WW-uitgaven is deels het gevolg van fluctuaties in de door het CPB geraamde werkloosheid. Een hogere werkloosheid betekent een groter aantal mensen met recht op een WW-uitkering. Daarnaast zorgt de maatregel waarbij werkgevers verantwoordelijk worden voor de eerste zes maanden WW voor een daling van de uitgaven vanaf 2014. Deze maatregel is momenteel nog technisch in de uitgavenraming verwerkt omdat nog nadere invulling aan de maatregel dient te worden gegeven. In de volumeontwikkeling is de maatregel nog niet meegenomen. De geraamde uitgaven aan de bijstand stijgen de komende jaren om in 2016 weer af te nemen, dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de door het CPB verwachte ontwikkeling van de werkloosheid.

De arbeidsongeschiktheidsuitgaven (WAO, WIA, WAZ en Wajong) nemen net als het aantal arbeidsongeschikten van jaar op jaar toe. Dit wordt met name veroorzaakt door een stijging van het aantal Wajongers. Daarnaast neemt vanaf 2014 het aantal mensen in de WIA sneller toe dan de daling van het aantal mensen met een WAO-uitkering. Dit wordt veroorzaakt door de verhoging van de AOW-leeftijd. Daardoor stromen mensen minder snel uit naar de AOW en blijven langer een WAO-uitkering ontvangen. Het beeld voor 2012 en 2013 is licht vertekend door een technische maatregel in de bevoorschotting van de Wajong (zie beleidsartikel 4). De ZW-uitgaven (o.a. zieke uitzendkrachten) en het aantal mensen met een ZW-uitkering lopen langzaam af. De WAZO-uitgaven (zwangerschaps- en bevallingsverlof) lopen juist licht op, voornamelijk veroorzaakt door een groter aantal werkende vrouwen dat met zwangerschapsverlof gaat.

De uitgaven aan Anw-uitkeringen lopen al enkele jaren terug, als gevolg van de herziening van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) waardoor minder mensen recht hebben op een nabestaandenuitkering. Als gevolg van het destijds ingevoerde overgangsrecht zal vanaf 2021 sprake zijn van een stabiele situatie. De ouderdomsuitgaven (AOW) lopen als gevolg van de vergrijzing jaarlijks op. De maatregel ter verhoging van de AOW-leeftijd remt de groei enigszins. De uitgaven aan de MKOB dalen van 2012 naar 2013 door van de verlaging van het bedrag met € 75 euro (zie ook ombuigingen onder 2.1.2.2C), vervolgens nemen de uitgaven jaarlijks toe als gevolg van de vergrijzing.

De re-integratie-uitgaven voor arbeidsongeschiktheid en het Wsw-budget tonen een relatief stabiel verloop. Het participatiebudget voor gemeenten laat een daling zien als gevolg van taakstellingen.

Het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven kent vanaf 2013 weer een stijgend verloop. De maatregelen die genomen zijn om de uitgaven aan kinderopvang te beheersen, remmen de groei van het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven, maar stoppen deze niet volledig. De uitgaven aan de kinderopvangtoeslag nemen eerst af als gevolg van genomen maatregelen en groeien vervolgens in latere jaren. De daling van het aantal kinderen bij de kinderbijslag is het gevolg van demografische ontwikkelingen, de uitgaven dalen navenant mee. Het aantal gezinnen dat in aanmerking komt voor een kindgebonden budget neemt jaarlijks af. De inkomensgrens (waaronder recht is op kindgebonden budget) wordt tot en met 2015 niet geïndexeerd waardoor ieder jaar minder gezinnen recht hebben op kindgebonden budget. In 2013 neemt het aantal gezinnen licht toe als gevolg van de verhoging van de bedragen met € 75 euro. Het aantal kinderen met recht op TOG neemt af. Dit komt met doordat minder kinderen een indicatiestelling krijgen in de zorg, die nodig is om voor TOG in aanmerking te komen.

De ontwikkeling van de uitgaven voor de uitvoering van de regelingen van SZW door UWV en SVB wordt deels veroorzaakt door de volumeontwikkelingen in de verschillende regelingen. Daarnaast leidt de maatregel gerichte bemiddeling tot lagere uitvoeringskosten bij het UWV. Ook zorgt de taakstelling op de uitvoeringsorganen voor een daling van de uitvoeringskosten.

De overige uitgaven betreffen verschillende «kleinere» regelingen (zoals de Toeslagenwet). De oploop na 2012 betreft de loon- en prijsbijstelling. Deze is voor de jaren na 2012 nog niet toebedeeld aan de uitgavencategorieën. De uitgavencategorieën zijn daarmee in constante prijzen, terwijl het totaal aan SZA-uitgaven is weergegeven in «lopende prijzen».

2.1.2.4 Uitgavenplafond SZA-kader 2012–2015 en toetsing aan uitgavenplafond

Bij de start van de kabinetsperiode is de ijklijn vastgesteld op basis van de toenmalige uitgavenraming. Dit is gebeurd in de startnota6. Gedurende de kabinetsperiode wordt de ijklijn bijgesteld voor prijsontwikkelingen, overboekingen tussen kaders en statistische correcties. Tabel 2.1.2.5 toont de bijstelling van de ijklijn-SZA sinds de begroting 2012.

Voor de bijstelling voor prijsontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de prijs van de Nationale Bestedingen (pNB). Een hogere pNB dan waarmee rekening is gehouden bij de kadervaststelling in de startnota leidt tot een verhoging van de ijklijn. Blijft de prijsontwikkeling achter bij de verwachting in de startnota, dan vindt een neerwaartse aanpassing plaats. Statistische correcties zijn voornamelijk zogenoemde bruteringseffecten. Aanpassingen in de fiscaliteit hebben vaak gevolgen voor de hoogte van de uitkeringen, hiervoor wordt het SZA-kader gecompenseerd (naar boven of naar beneden).

Tabel 2.1.2.5 Mutaties ijklijn sinds vorige Ontwerpbegroting (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

IJklijn SZA-kader Ontwerpbegroting 2012

69,7

71,9

74,4

76,7

Bijstelling pNB-raming

0,1

– 0,1

– 0,2

– 0,2

Overboekingen

– 0,1

– 0,1

– 0,1

0,0

Statistische correcties

0,1

0,2

0,2

0,3

IJklijn SZA-kader Ontwerpbegroting 2013

69,8

72,0

74,4

76,7

Bron: SZW, financiële administratie

In tabel 2.1.2.6 zijn de uitgaven in het SZA-kader (zie tabel 2.1.2.1) afgezet tegen de ijklijn. Uit deze vergelijking blijkt dat voor 2012 sprake is van een overschrijding van de ijklijn met € 0,7 miljard. Deze overschrijding stijgt naar € 1,1 miljard in 2013 en neemt vervolgens af tot nul in 2015. De voornaamste oorzaak voor de overschrijding is te vinden in de hogere werkloosheidsuitgaven.

Compensatie tussen de afzonderlijke budgetdisciplinesectoren kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden indien het kabinet daartoe besluit.

Tabel 2.1.2.6 Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2012

2013

2014

2015

Totale SZA-uitgaven

70,5

73,1

75,1

76,7

IJklijn SZA-uitgaven

69,8

72,0

74,4

76,7

Over / onderschrijding ijklijn SZA

0,7

1,1

0,7

0,0

Bron: SZW, financiële administratie

2.1.3 AANSLUITINGSTABELLEN
Aansluitingstabel uitgaven begroting 2012 naar begroting 2013
 

artnr.

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ontwerpbegroting 2012

 

31 066

31 398

31 679

32 167

32 634

 
               

Mutaties Voorjaarsnota (artikelnummering 2012)

             
               

Beleidsmatige mutaties

             

Herijking verdeelmodel UWV

Div.

42

35

11

30

40

 

Uitstel wetsvoorstel fraude

Div.

16

16

       

Masterplan kantoorhuisvesting

96

– 1

 

39

– 1

– 1

 

Compenserende kasschuif WW uitvoeringskosten

99

– 28

 

28

     

Eindejaarsmarge

99

26

         

Diversen

Div.

18

3

– 2

– 1

– 3

 
               

Uitvoeringsmutaties

             

BUIG

46

443

881

1 011

846

746

 

Wajong

46

– 26

– 27

– 26

– 26

– 26

 

Basisdienstverlening UWV

47

3

7

13

16

16

 

AIO

49

– 15

– 15

– 15

– 16

– 16

 

Toeslagenwet

49

18

24

24

16

9

 

Rijksbijdrage ouderdomsfonds

51

418

         

Kinderopvang

52

– 8

– 31

– 58

– 88

– 145

 

Loonbijstelling tranche 2012

99

40

38

37

36

36

 

Diverse overige mutaties

Div.

24

18

13

14

12

 
               

Totaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletoire

 

32 036

32 347

32 754

32 993

33 302

 
               

Mutaties Miljoenennota (artikelnummering 2013)

 

– 37

– 2 122

– 1 302

– 823

– 1 136

 
               

Beleidsmatige mutaties

             

BUIG terugdraaien werken naar vermogen

2

 

– 36

– 153

– 220

– 289

 

BUIG doorwerking AOW leeftijdverhoging

2

 

11

20

30

49

 

BUIG terugdraaien huishoudinkomenstoets

2

27

54

54

54

54

 

BUIG niet invoeren verlenging IOW

2

 

1

3

4

5

 

BUIG deregulering UWV en SVB

2

 

1

–5

6

6

 

AIO doorwerking AOW leeftijdverhoging

2

 

– 2

– 3

– 3

– 5

 

Participatiebudg. terugdraaien werken naar vermogen

2

 

120

319

425

434

 

WSW terugdraaien werken naar vermogen

2

   

18

18

18

 

Herstructureringsfac. terugdraaien werken naar vermogen

2

 

– 60

– 120

– 60

– 50

 

TW terugdraaien werken naar vermogen

2

   

– 24

– 20

– 17

 

Wajong terugdraaien werken naar vermogen

4

 

38

281

372

460

 

Wajong doorwerking AOW leeftijdverhoging

4

 

7

15

25

40

 

Re-int. Wajong terugdraaien werken naar vermogen

4

 

15

46

61

76

 

Niet invoeren verlenging IOW

5

 

– 2

4

5

6

 

MKOB uniformering loonbegrip

8

 

– 197

– 203

– 209

– 214

 

MKOB doorwerking AOW leeftijdverhoging

8

 

– 8

– 12

– 17

– 30

 

AKW en WKB besparingsverlies export uitkeringen

10

   

7

4

4

 

WKB koopkrachtpakket lenteakkoord

10

6

47

47

44

43

 

WKB doorwerking belasten reiskostenvergoeding

10

– 2

– 13

– 13

– 12

– 12

 

Uitvoeringskosten terugdraaien werken naar vermogen

11

 

– 39

38

57

54

 

Aanpak fraude

98

2

5

3

3

3

 

Terugdraaien werken naar vermogen

99

 

– 5

– 19

– 29

– 27

 

Diverse overige beleidsmatige mutaties

Div.

3

3

3

2

1

 
               

Uitvoeringsmutaties

             

BUIG ontwikkeling werkloosheid

2

– 51

– 81

22

131

85

 

BUIG nominale ontwikkeling

2

21

23

21

20

18

 

BUIG uitvoeringsmutaties

2

– 3

– 2

29

42

22

 

Bijstand zelfstandigen uitvoeringsmutaties

2

– 13

– 31

– 33

– 33

– 33

 

IAU/MAU beëindiging rijksbijdrage regeling

2

   

– 9

– 9

– 9

 

IAU/MAU uitvoeringsmutaties

2

9

         

Werkgeverslasten 2012 WSW

2

17

16

14

13

13

 

TW nominale ontwikkeling

2

6

6

6

6

6

 

TW uitvoeringsmutaties

2

6

6

6

6

6

 

TW ontwikkeling werkloosheid

2

 

– 2

– 3

– 3

– 2

 

Kasschuif bevordering arbeidsparticipatie

2

 

– 7

 

7

   

Wajong nominale ontwikkeling

4

32

41

44

52

56

 

Wajong uitvoeringsmutaties

4

– 3

34

25

14

   

Wajong kasschuif

4

200

– 200

       

Re-integratie Wajong uitvoeringsmutaties

4

– 25

– 32

– 31

– 31

– 31

 

Van GF deel KOT tbv belastingdienst

7

 

40

40

40

40

 

KOT Uitvoeringsmutaties

7

– 140

– 95

– 40

     

Loon-prijsbijstelling MKOB

8

19

         

Nominale ontwikkeling AKW

10

24

68

67

67

67

 

WKB uitvoeringsmutaties

10

3

34

25

14

   

TOG en kopje TOG uitvoeringsmutaties

10

– 11

– 14

– 17

– 17

– 18

 

Werkgeverslasten 2012 WSW

11

2

2

2

2

2

 

Prijsbijstelling UWV

11

– 3

         

Herschikking uitvoeringskosten UWV

11

– 4

         

Rijksbijdragen uitvoeringsmutaties

12

1

– 368

– 232

– 112

– 356

 

BIKK AOW/ANW uirvoeringsmutaties

12

– 3

– 1 691

– 1 757

– 1 790

– 1 843

 

Kasschuiven apparaatsuitgaven

96

– 8

3

3

2

   

Diverse uitvoeringsmutaties overig beleid

98

– 3

         

Prijsbijstelling

99

18

17

16

16

16

 

Nominale ontwikkeling

99

21

22

21

21

21

 

Uitboeken taakstelling MEV-problematiek

99

 

234

234

234

234

 

Compensatie uitdeling werkgeverslasten 2012

99

– 27

– 25

– 23

– 22

– 21

 

Uitdelen prijsbijstelling ZBO’s

99

– 13

         

Uitdelen Eindejaarsmarge

99

– 8

         

Diverse uitvoeringsmutaties

99

– 72

         

Diverse overboekingen met andere ministeries

Div.

– 4

         

Diverse overige mutaties en afrondingen

Div.

– 5

 

– 2

– 2

– 3

 
               

Ontwerpbegroting 2013

 

31 999

30 225

31 452

32 170

32 166

32 258

Aansluitingstabel ontvangsten begroting 2012 naar begroting 2013
 

artnr.

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Ontwerpbegroting 2012

 

1 848

1 708

1 635

1 656

1 676

 
               

Mutaties Voorjaarsnota (artikelnummering 2012)

             

Ramingsbijstelling KOT

52

47

5

– 13

– 45

– 60

 

Desaldering apparaatuitgaven

96

8

         

Desaldering positief saldo IWI

98

3

         

Diverse overige mutaties

Div.

– 2

– 2

– 1

     
               

Totaal tot en met Voorjaarsnota 1e suppletoire

 

1 904

1 711

1 621

1 611

1 616

 
               

Mutaties Miljoenennota (artikelnummering 2013)

 

188

47

19

13

13

 
               

Diverse restituties

2

115

         

Participatiebudget OCW

2

1

         

Restituties op afrekeningen

7

3

         

Bijstelling Wet Kindgebonden Budget

10

67

39

19

13

13

 

Ontvangsten facilitaire dienstverlening

96

1

         

Ontvangst positief resultaat IWI

96

 

8

       

Diverse overige mutaties

Div.

1

   

1

   
               

Ontwerpbegroting 2013

 

2 092

1 758

1 640

1 625

1 629

1 629

2.1.4 MEERJARENPLANNING BELEIDSDOORLICHTINGEN

Artikel

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

1. Arbeidsmarkt1)

X

 

X

       
               

2. Bijstand, TW en WSW

           

X

               

3. Arbeidsongeschiktheid

X

       

X

 
               

4. Jonggehandicapten

           

X

               

5. Werkloosheid

     

X

     
               

6. Ziekte en zwangerschap

         

X

 
               

7. Kinderopvang

     

X

     
               

8. Oudedagsvoorziening 2)

 

X

       

X

               

9. Nabestaanden

 

X

         
               

10. Tegemoetkoming ouders

   

X

       
               

11. Uitvoeringskosten

       

X

   
               

12. Rijksbijdragen 3)

             
               

Overig 4)

X

           

1) De beleidsdoorlichting in 2011 betreft een deel van het artikel (Gezond en Veilig werken), omdat de doorlichting nog op de artikelindeling van de begroting 2012 is gebaseerd. Deze beleidsdoorlichting zal bij de doorlichting in 2013 worden betrokken.

2) De beleidsdoorlichting in 2012 betreft een deel van het artikel (Pensioenbeleid), omdat de doorlichting nog op de artikelindeling van de begroting 2012 is gebaseerd.

3) Het artikel Rijksbijdragen is een technisch artikel, hierop wordt geen beleid gevoerd. Dit artikel wordt daarom niet via een beleidsdoorlichting geëvalueerd.

4) In 2011 hebben tevens twee beleidsdoorlichtingen plaatsgevonden naar respectievelijk artikel 41 (Inkomensbeleid) en artikel 42 (Arbeidsmarktbeleid) van de oude begrotingsindeling. Bij de huidige begrotingsindeling vallen deze beleidsterreinen onder de beleidsagenda.

3

Tweede Kamer, 2011–2012, 25 883, nr. 209.

4

Tweede Kamer, 2011–2012, 29 544, nr. 400.

5

Visie op het stelsel voor gezond en veilig werken, Tweede Kamer, 2011–2012, 25 883, nr. 209.

6

Tweede Kamer, 2010–2011, 32 500, nr. 29.

Licence