Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.2 Beleidsagenda 2015

In de beleidsagenda wordt ingegaan op relevante ontwikkelingen die de begroting in financiële zin raken. In de beleidsartikelen wordt de relevante financiële en beleidsinformatie die samenhangt met de voorgenomen uitgaven vermeld.

1. Houdbare overheidsfinanciën

Het op orde brengen van de schatkist is één van de drie pijlers van het beleid van het huidige kabinet. De afgelopen jaren heeft het kabinet zich sterk gemaakt voor het terugdringen van het begrotingstekort. Sinds het begin van de kredietcrisis zag de Nederlandse overheid zich geconfronteerd met jaarlijkse begrotingstekorten. Na deze langdurige crisisperiode lijkt vorig jaar het kantelpunt te zijn bereikt en zet het economische herstel in.

Desondanks wordt voor 2015 nog altijd een tekort op de begroting verwacht van 2,2% van het bbp. Dit betekent dat € 15 mld. meer wordt uitgegeven dan het totaal dat aan inkomsten binnenkomt; iedere dag geeft de overheid dus € 41 mln. meer uit dan binnenkomt. Hierdoor loopt de EMU-schuld op naar € 467 mld. (70% van het bbp).

Het kabinet heeft de ambitie om de overheidsfinanciën structureel op orde te brengen en streeft daarom naar de middellange-termijndoelstelling, in lijn met de Europese begrotingsafspraken. Hiermee wordt voldaan aan de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie ten aanzien van de begroting.

2. Herijking risicomanagement Staatsschuld

De doelstelling voor het financieren van de staatsschuld is om dit te doen tegen zo laag mogelijke rentekosten, maar onder acceptabel risico voor de begroting. Om deze doelstelling te realiseren, wordt sinds 2008 als benchmark een (fictieve) gecentreerde 7-jaars portefeuille gehanteerd. De feitelijke financiering wijkt af van de benchmark, omdat in praktijk leningen van verschillende looptijden worden uitgegeven. Met behulp van renteswaps wordt het renterisico naar 7 jaar gebracht. In het Financieel Jaarverslag wordt vastgesteld hoe de werkelijke rentekosten en het renterisico zich verhouden tot de benchmark.

Het risicokader wordt elke vier jaar geëvalueerd. De laatste evaluatie is uit 2011. In 2015 wordt daarom een nieuwe evaluatie van het risicokader uitgevoerd. Op basis van deze evaluatie zal vastgesteld worden of een benchmarkportefeuille de wenselijke stuurvariabele is voor het renterisico. Als blijvend gebruik wordt gemaakt van een benchmarkportefeuille, dient te worden vastgesteld of de 7-jaars gecentreerde portefeuille de gewenste benchmark is en of de huidige benadering van de benchmark met renteswaps nog steeds de meest efficiënte is. Op basis hiervan zal een risicokader voor 2016–2019 worden voorgesteld.

3. Effectieve Europese economische beleidscoördinatie

Als handelsland profiteert Nederland van stabiliteit en groei in de Europese Unie. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken over economische beleidscoördinatie. In 2015 zal de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een belangrijke rol krijgen op de politieke agenda. Het is van groot belang voor de financiële stabiliteit in de Eurozone dat lidstaten zich blijven inspannen voor solide overheidsfinanciën.

Op Europees niveau en bij lidstaten zelf kunnen belangrijke stappen worden gezet voor het creëren van groei en banen. Structurele hervormingen zijn nodig om de economische groei te bevorderen. Er valt winst te behalen door deze hervormingen gezamenlijk door te voeren. Beleidscoördinatie moet echter niet afgedwongen worden vanuit Brussel, maar lidstaten moeten elkaar hier op aanspreken en elkaar stimuleren tot het overnemen van best practices. Slechts in die situaties waarbij lidstaten onvoldoende actie ondernemen om hun uit de hand lopende overheidsfinanciën en/of ernstige macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren kan dit uiteindelijk leiden tot sancties. In de komende jaren is het van groot belang om de gemaakte afspraken te blijven implementeren. Nederland zal deze boodschap blijven uitdragen op Europees niveau. Het kabinet maakt versterking van de interne markt en prikkels bij lidstaten om structurele hervormingen door te voeren tot prioriteit richting de nieuwe Europese Commissie en in het eigen voorzitterschap in 2016.

4. Financieel beheer interventies financiële sector

Het beleid is gericht op een op termijn afgewogen, bedrijfseconomisch verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO en SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De Tweede Kamer is per brief geïnformeerd over de exit van ASR en REAAL 2. Ultimo 2014 zal het kabinet, op basis van advies van NLFI, voor ABN AMRO bezien of de sector voldoende stabiel is, of ABN AMRO klaar is voor een verkoop en of er voldoende interesse is in de markt. Voor de SNS Bank zal NLFI een advies uitbrengen over de verschillende verkoopopties. De Minister van Financiën zal op basis van deze adviezen de Tweede Kamer informeren over de beste wijze waarop de financiële instellingen terug naar de markt kunnen worden gebracht.

Na goedkeuring door de Tweede Kamer is de verwachting dat NLFI, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Financiën, de exit strategie van de verschillende financiële instellingen zal uitvoeren.

ING lost in 2015 het laatste nog openstaande deel van de kapitaalinjectie van core tier 1 securities uit 2008 af, inclusief rente en aflospremie.

5. Verdere vormgeving bankenunie met beter afwikkelbare banken

Het kabinet streeft naar effectief en onafhankelijk Europees bankentoezicht op basis van geharmoniseerde en strenge toezicht- en kapitaaleisen. Hiermee worden (grensoverschrijdende) systeemrisico's en verwevenheden tussen banken en overheden verkleind en wordt het gelijke speelveld tussen Europese banken bevorderd. Het kabinet heeft zich ingespannen voor de totstandkoming van de Bankenunie in Europa. De Bankenunie omvat drie pijlers waarover in 2013 en 2014 vergaande afspraken zijn gemaakt.

De eerste pijler is geharmoniseerde toezichtregelgeving voor banken (single rulebook). Het single rulebook bestaat uit Europese regelgeving voor toezicht- en kapitaaleisen aan banken, interventie- en resolutie-instrumenten voor toezichthouders en resolutieautoriteiten, en het depositogarantiestelsel. Met dit single rulebook gelden dezelfde regels voor alle banken in Europa en beschikken toezichthouders en resolutieautoriteiten over een gelijkwaardig instrumentarium. De consequenties van het single rulebook worden in 2014 en 2015 in nationale regelgeving verwerkt.

De tweede pijler betreft Europees toezicht. De Europese Centrale Bank zal hoogstwaarschijnlijk eind 2014 het prudentieel toezicht op de 128 grootste Europese (waaronder Nederlandse) banken overnemen van de nationale toezichthouders. Met het oog op de overgang van het toezicht naar de ECB wordt wetgeving aangepast. Voorafgaand aan deze overgang wordt een zogeheten comprehensive assessment gehouden waarbij de bankbalansen worden doorgelicht en aan een stresstest onderworpen. Waar nodig moeten banken op basis daarvan hun financiële positie in 2015 versterken.

De derde pijler betreft een Europees resolutiemechanisme (single resolution mechanism: SRM). Dit voorziet in een Europese resolutieautoriteit en een Europees resolutiefonds om falende banken daadkrachtig op Europees niveau af te wikkelen. Door middel van zogeheten resolutieplannen wordt vastgelegd hoe een bank in geval van onoverkomelijke problemen kan worden afgewikkeld. De financiële consequenties van resolutie worden eerst en vooral gedragen door de falende bank en diens vermogensverschaffers. Belangrijk hierbij is dat de activiteiten die essentieel zijn voor het algemeen belang behouden blijven.

In 2015 zal het SRM operationeel van start gaan en worden de voorbereidingen getroffen voor de volledige inwerkingtreding van het SRM in 2016. Daartoe zal in 2015 ook op nationaal terrein gewerkt worden aan de institutionele vormgeving van het resolutiemechanisme, in het bijzonder de verhouding en samenwerking tussen de nationale resolutieautoriteit en de Europese resolutieautoriteit.

6. Brede agenda Belastingdienst

In zijn brief van 19 mei 2014 heeft de Staatssecretaris van Financiën zijn «Brede agenda Belastingdienst» aan de Tweede Kamer gepresenteerd. 3 Deze bevat een samenhangende verbeterprogramma dat een aantal sporen bevat: verminderen van complexiteit (spoor A), robuuster maken van de werkprocessen (spoor B), helder stellen van verwachtingen en rapporteren van de (beoogde en geleverde) prestaties (spoor C) en een spoor om de veranderingen als gevolg van de andere sporen in de organisatie te borgen (spoor X). Op basis van deze agenda zijn er voor 2015 vier speerpunten: uitvoeringstoets nieuwe stijl (spoor A), ICT-ontwikkelagenda (spoor B) en normatiek (spoor C).

Op grond van de ervaringen uit 2014 met het Belastingplan 2015 wordt de uitvoeringstoets nieuwe stijl op nieuwe wetgeving verder ontwikkeld. De uitvoeringstoets nieuwe stijl kenmerkt zich door integraliteit (maakbaarheid van de benodigde systemen, inpasbaarheid in het bredere stelsel, begrijpelijkheid voor burgers en bedrijven, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid, impact op dienstverleningskanalen, gevolgen in de keten en kosten), door openbaarheid en door een beter inzicht in de uitvoeringskosten.

Vanaf 1 oktober 2014 bepaalt de ICT-ontwikkelagenda de aanpak van de ICT die de massale processen van de Belastingdienst ondersteunt. Vanuit de huidige situatie van kwetsbare massale processen wordt stapsgewijs en gecontroleerd gewerkt aan het robuust maken van deze processen. De agenda bevat concrete maatregelen voor de korte termijn. Doordat externe ontwikkelingen invloed hebben op de inhoud en het tempo van de activiteiten en het inzicht continu wordt aangescherpt zal de ICT-ontwikkelagenda een voortrollend karakter kennen. Prioriteit in 2015 ligt bij de stap-voor-stapverbetering van de meest kwetsbare processen. Daarnaast worden in 2015 forse stappen gezet op het gebied van rationalisatie (opschonen), waardoor ruimte voor vernieuwing van massale processen ontstaat. Het onderzoek, in samenwerking met externe deskundigen, naar een andere aanpak van de massale processen van de Belastingdienst wordt in 2015 afgerond.

In 2014 zijn nieuwe instrumenten ingevoerd op het gebied van de verbetering van de communicatie binnen de Belastingdienst zelf, maar ook in relatie tot burgers en bedrijven. Op basis van de resultaten hiervan wordt in 2015 de communicatiefunctie binnen de Belastingdienst definitief ingericht. Daarbij gaat het onder andere om uitbreiding van de Fiscale Monitor, om het communicatiekanaal binnen de dienst om signalen van medewerkers sneller naar boven te krijgen en om de inzet van social media.

Vanaf het najaar van 2014 wordt een nieuwe set prestatienormen voor de Belastingdienst beproefd. Deze moeten tot uitdrukking brengen wat vanuit de optiek van burgers en bedrijven belangrijk is om te weten over het presteren van de dienst. De set prestatienormen wordt in 2015 definitief vastgesteld. De Belastingdienst komt met een webpagina die voor burgers en bedrijven relevante informatie bevat over de actuele stand van een proces of over te verwachten ontwikkelingen in een proces.

7. Fiscale voornemens

De fiscale beleidsagenda wordt in algemene zin gevormd door het regeerakkoord en de verschillende akkoorden die tijdens een kabinetsperiode worden gesloten (zoals de Begrotingsafspraken 2014). De fiscale beleidsagenda voor 2015 zal grotendeels vorm krijgen door de bredere beschouwing op het belasting- en toeslagenstelsel. Na de zomer van 2014 zal een brief met deze bredere beschouwing naar het parlement gestuurd worden. In deze brief zal de gedachtevorming over wenselijke en mogelijke aanpassingen van het belasting- en toeslagenstelsel geschetst worden. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn het stimuleren van werkgelegenheid en het verminderen van de complexiteit van wet- en regelgeving.

2

TK, vergaderjaar 2013–2014, 33 532, nr. 36

3

Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 201

Licence