Base description which applies to whole site

3 Toekomstfonds

Algemene Doelstelling

Versterken van de innovatieve kracht van Nederland door het beschikbaar stellen van financiering voor innovatief en snelgroeiend MKB en voor fundamenteel en toegepast onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat.

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, samenhangend met de stimulerende, regisserende en faciliterende rollen zoals vermeld in artikel 2 van deze begroting:

Financieren/faciliteren

  • Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie.

  • Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven.

  • Het mede-financieren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Beleidswijzigingen

Toekomstfonds

Het Toekomstfonds heeft een startkapitaal van € 200 mln en wordt gevoed door mogelijke meevallers in de gasbaten ten opzichte van de ijklijn Miljoenennota 2015. Deze middelen worden met behoud van vermogen ingezet voor de financiering van innovatieve en snelgroeiende mkb-bedrijven en voor fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek. Ook de begrotingsmiddelen voor het Innovatiefonds MKB+ en de participatie van het Rijk in de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn in het Toekomstfonds ondergebracht.

Voor behoud van vermogen wordt vanaf 2018 een buffer opgebouwd van in totaal € 50 mln voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. De opbouw van deze buffer start in 2018 met € 5 mln per jaar (zie TK, 34 000 XIII, nr. 150).

Het Toekomstfonds heeft een revolverend karakter, waarbij de middelen die verstrekt worden in beginsel terug moeten vloeien naar het fonds. In 2017 zal worden onderzocht of de voedingssystematiek en governancestructuur van het Toekomstfonds goed functioneren. In 2020 volgt een evaluatie van de werking van het gehele fonds.

Om kleine private investeerders te stimuleren in startups en het MKB te investeren komt er per ingang van 2017 een co-investeringsregeling. Deze maatregel voor investeerders zal complementair zijn aan de bestaande instrumenten van de overheid. Hiervoor is met ingang van 2017 € 23 mln per jaar aan het Toekomstfonds toegevoegd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

194.439

306.104

94.489

102.718

96.705

104.206

112.406

UITGAVEN

78.451

250.826

145.118

178.867

157.667

164.896

173.355

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

69%

       
               

Leningen

72.401

244.048

138.530

172.279

151.406

158.635

167.094

I Startups/MKB-FINANCIERING

             

Volledig revolverend

             

Dutch Venture Initiative/Fund of Funds

3.000

36.700

32.600

25.392

23.851

32.933

42.992

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

 

45.166

         
               

Gedeeltelijk revolverend

             

Innovatiekrediet

45.178

59.653

51.358

46.052

38.297

48.643

47.543

Risicokapitaal (seed capital)

14.856

35.744

20.263

28.124

26.343

27.144

28.044

Vroege fasefinanciering

9.367

13.161

11.309

22.211

16.415

16.415

16.015

Start ups/MKB

   

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

               

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

             

Fundamenteel en toegepast onderzoek

 

53.624

 

27.500

23.500

10.500

9.500

               

III Staatsobligaties Toekomstfonds

             
               

Subsidies

             

IV Reëel rendement voor onderzoek

             
               

Bijdragen aan agentschappen

6.050

6.778

6.588

6.588

6.261

6.261

6.261

Bijdrage Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

6.050

6.778

6.588

6.588

6.261

6.261

6.261

               

ONTVANGSTEN

49.428

129.254

36.388

40.588

42.588

47.600

56.600

MKB-FINANCIERING BESTAAND INSTRUMENTARIUM

             

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

10.000

97.166

3.000

       

Fund of Funds (DVI I/Business Angels)

   

100

800

2.800

7.800

17.000

Innovatiekredieten

24.920

25.388

25.288

30.688

31.188

30.400

29.300

Seed

14.508

6.700

8.000

9.100

8.600

9.400

10.300

               

MKB-FINANCIERING INCIDENTELE MIDDELEN

             

Ontvangsten DVI II

             
               

Ontvangsten fundamenteel en toegepast onderzoek

             
               

Renteontvangsten Toekomstfonds

             

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2017 is voor 68% juridisch verplicht. Dit betreft een groot deel van het budget voor Innovatiekredieten, de Seedregeling, Vroege fase financiering en de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. Het budget voor DVI/Fund of funds is volledig juridisch verplicht. Het budget voor Startups/MKB van € 23 mln is nog niet juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2017 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Leningen

Binnen de structuur van het in 2014 gevormde Toekomstfonds (TK, 34 000 XIII, nr. 5), bestaat het Innovatiefonds MKB+ uit volledig revolverende instrumenten (het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen) en gedeeltelijk revolverende instrumenten (Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling (risicokapitaal), en de regeling Vroegefasefinanciering).

MKB-financiering: volledig revolverend

  • Het Dutch Venture Initiative stelt risico-kapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB. Het DVI-1 wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds PPM Oost uitgevoerd. Naast de € 130 mln bijdrage vanuit het Rijk dragen het EIF € 67,5 mln en de BOM € 5 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 202,5 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend MKB. Samen met private investeerders in deze fondsen komt in totaal € 1,2 mld aan risicokapitaal beschikbaar voor het innovatieve MKB. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI-2 dat eenzelfde doelstelling en structuur heeft als DVI-1. De inzet van het kabinet is geslaagd, om evenals bij de eerste investering in DVI, het Europees Investeringsfonds/EIF weer mee te laten investeren. De bijdrage vanuit het EIF is zelfs hoger en bedraagt nu € 100 mln.

  • Naast het DVI worden de eventuele participaties in de ROM’s onder de revolverende investeringen verantwoord.

MKB-financiering: gedeeltelijk revolverend

  • Het innovatiekrediet biedt toegang tot financiering voor met name innovatieve het MKB en start-ups en helpt bij het aantrekken van risicokapitaal. In een fase waarin bancaire financiering niet of nauwelijks beschikbaar is, maakt het Innovatiekrediet onder voorwaarde van 50–75% eigen middelen innovatieprojecten mogelijk met een maximale ondersteuning van € 10 mln.

  • De Seed capital-regeling (risicokapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risicokapitaal.

  • De regeling Vroege Fase Financiering is onderdeel van het Innovatiefonds MKB+. Het biedt financiering – in de vorm van een geldlening – voor academische starters, voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO.nl en de Stichting Technische Wetenschappen (STW) uitgevoerd.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Raming 2017

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

33

2015

>30

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

119

2015

>120

RVO.nl

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds

44

2015

45

RVO.nl/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

551

2015

390

RVO.nl/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

39

2015

>35

RVO.nl/STW

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2017 (> € 120 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2017 (circa € 60 mln) en het feit dat EZ maximaal 50% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2017 ongeveer 30 à 40 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het DVI is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft via private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2017 is minimaal € 390 mln.

De streefwaarde voor het aantal ondernemers dat Vroegefasefinanciering gebruikt, is gebaseerd op het beschikbaar budget en een maximale leningsomvang van de ondernemer. Naar verwachting kan aan circa 36 ondernemers Vroegefasefinanciering verstrekt worden.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud)

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in nieuwe onderzoeksfaciliteiten en upgrading van bestaande faciliteiten. Uit het werk van de permanente commissie grootschalige wetenschappelijke infrastructuur blijkt de grote behoefte aan infrastructuur zowel bij universiteiten, bij TO2-instellingen als bij rijkskennisinstellingen. Bij de eerste call van het Toekomstfondskrediet OnderzoeksFaciliteiten (TOF) hebben de TO2-instellingen de meeste voorstellen ingediend. Dat heeft vermoedelijk te maken met de eis van revolverendheid, waardoor de infrastructuur voor onderzoek relatief dicht bij de markt wordt gebruikt, en met de beschikbaarheid van financieringsarrangementen van NWO voor de wetenschappelijke faciliteiten (NWO groot, nationale Roadmap). De investeringen uit het Toekomstfonds versterken het innovatievermogen van Nederland en ondersteunen de ambities om met het onderzoek bij de internationale top te blijven horen. Daarnaast wordt vanuit het onderzoeksdeel geïnvesteerd in specifieke thema’s.

Van de € 100 mln startkapitaal is in 2015 € 80 mln in gelijke delen beschikbaar gesteld op onderzoeksfaciliteiten respectievelijk op de thema’s Smart Industry, Proof of Concept en Thematische Technology Transfer. De resterende € 20 mln voor onderzoek wordt ingezet voor een 2e tender van de regeling Toekomstfondskrediet voor Onderzoeksfaciliteiten (TOF).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Verstrekte leningen onderzoeksinfrastructuur

60 mln

2017

RVO.nl

Uitgelokte investeringen in onderzoeksinfrastructuur

> 60 mln

2017

RVO.nl

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur waarbij de mate waarin leningen passend binnen de criteria verstrekt kunnen worden een indicatie is van de bijdrage van de regeling aan het op peil houden van de publieke kennisinfrastructuur. Het streven is dat dit minimaal een gelijk volume aan uitgelokte investeringen met zich meebrengt.

Na verdere uitwerking van de andere onderdelen van het onderzoeksdeel Toekomstfonds worden hiervoor aanvullende indicatoren opgenomen.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (zonder vermogensbehoud)

De reële rendementen uit het Toekomstfonds worden ingezet voor fundamenteel en toegepast onderzoek (waaronder ook Europese co-financiering) zonder de voorwaarde van vermogensbehoud. Vooralsnog worden dergelijke rendementen niet geraamd, zodat er voor deze uitgavencategorie geen raming is opgenomen.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten van het Toekomstfonds betreffen de op de EZ-begroting geraamde terugbetalingen van kredieten (hoofdsom en rente) in het kader van het Innovatiekrediet. Daarnaast worden de terugontvangsten van het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Seed capital regelingen verantwoord. Deze ontvangsten bestaan uit de opbrengsten van rente, dividend en de verkoopwaarde van ondernemingen op het moment dat een fonds haar belangen daarin verkoopt.

Ook worden de ontvangsten in het kader van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen in het Toekomstfonds verantwoord. Dit betreft eventuele dividenden of in voorkomende gevallen de opbrengst van aandelenverkopen. Voor 2016 is een ontvangst geraamd van € 97,2 mln. Dit betreft onder andere € 32 mln als gevolg van de verkoop van een deel van het aandelenpakket LIOF aan de provincie Limburg. Deze middelen blijven binnen het Toekomstfonds beschikbaar. Daarnaast wordt een deel van het aandelenpakket NOM verkocht aan de noordelijke provincies (€ 42 mln). Deze middelen komen ten gunste van het generale beeld. Ook wordt naar verwachting € 20 mln dividend van de NOM ontvangen. Deze middelen worden ingezet voor het verduurzamen van woningen in Groningen.

Revolverendheid

De instrumenten voor MKB-financiering hebben een revolverend karakter, waarbij naar verwachting gemiddeld 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald. Met betrekking tot de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek kan pas op termijn inzicht worden verkregen in de mate waarin deze investeringen inkomsten genereren voor het Toekomstfonds.

Opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het Toekomstfonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Procedure staatsobligaties

Het Toekomstfonds wordt gevoed met mogelijke meevallers in de gasbaten vanaf 2014. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals die geraamd zijn in de onderstaande tabel5. De motie Pechtold c.s. (TK, 27 406, nr. 210) vraagt om het inzetten van de gasbaten met vermogensbehoud. De meevallers in de gasbaten worden, als ze zich voordoen, belegd in Nederlandse staatsobligaties. Voor een nadere beschrijving van de procedure voor het beleggen in staatsobligaties wordt verwezen naar de Nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2015 (TK, 34 000 XIII, nr. 11).

Toelichting ijklijn gasbaten

Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (TK, 34 000 XIII, nr. 5).

In het jaar 2015 en bij Voorjaarsnota 2016 is de oorspronkelijke raming, relevant voor het Toekomstfonds, herijkt als gevolg van diverse beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie. Vervolgens is de raming vanwege het kabinetsbesluit van 24 juni 2016 om het productieniveau voor de gaswinning uit het Groningenveld in het ontwerpinstemmingsbesluit vast te stellen op 24 miljard m3 per jaar (TK, 33 529, nr. 278) verder aangepast.

Als gevolg van deze wijzigingen is er sprake van meevallers voor het Toekomstfonds wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in onderstaande tabel is opgenomen (stand actuele ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2017).

Bedragen x € 1 mln
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

IJklijn aardgasbaten Miljoenennota 2016

7.750

7.250

7.400

7.300

7.550

6.500

 

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2016

 

– 850

– 950

– 950

– 950

– 950

 

IJklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2016

 

6.400

6.450

6.350

6.600

5.550

2.150

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Miljoenennota 2017

 

100

– 100

– 350

– 350

– 300

– 350

Actuele ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2017

 

6.500

6.350

6.000

6.250

5.250

1.800

Deze actuele ijklijn wijkt af van de raming van de aardgasbaten op beleidsartikel 4 omdat voor het Toekomstfonds alleen de beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie van toepassing zijn. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 4 spelen onder andere de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

Met de brief van 16 september 2014 (TK, 34 000 XIII, nr. 5) is de Kamer reeds geïnformeerd dat vanwege fluctuaties in de productie, prijs en wisselkoers moeilijk voorspelbaar is wanneer en in welke mate meevallers in de gasbaten zich zullen voordoen. Ook is de Kamer met deze brief geïnformeerd dat de verwachting wel is dat meevallers kleiner en minder frequent zullen zijn dan in het verleden.

5

De raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden, zoals recent het plafond op gaswinning uit het Groningerveld is aangepast.

Licence