Base description which applies to whole site

Art.nr. 11. Studiefinanciering

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering 2017 per maand in euro's

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 290,68

€ 104,40

n.v.t.

Basisbeurs

€ 268,59

€ 82,30

Aanvullende beurs

€ 276,52

€ 254,75

€ 387,92

Aanvullende beurs

€ 359,41

€ 337,68

Maximaal leenbedrag

€ 300,48

€ 300,48

€ 479,76

Maximaal leenbedrag

€ 179,29

€ 179,29

Collegegeldkrediet

€ 167,17

€ 167,17

€ 167,17

Collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1.034,85

€ 826,80

€ 1.034,85

Totaal

€ 807,29

€ 599,27

Peildatum 1 september 2017

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

5.828.062

4.585.862

5.373.215

5.445.488

5.502.475

5.560.887

5.633.749

Totale uitgaven

5.828.062

4.585.862

5.373.215

5.445.488

5.502.475

5.560.887

5.633.749

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdracht

3.202.597

1.488.133

2.252.834

2.164.208

2.131.280

2.116.707

2.125.958

Basisbeurs

1.014.122

765.639

533.880

389.964

359.170

346.062

360.242

 

Gift (R)

1.075.460

1.094.037

1.075.269

1.057.068

860.984

620.194

427.261

 

Prestatiebeurs (NR)

– 61.338

– 328.398

– 541.389

– 667.104

– 501.814

– 274.132

– 67.019

Aanvullende beurs

757.761

782.127

804.037

826.408

830.305

832.902

829.145

 

Gift (R)

585.282

601.960

618.438

640.368

659.565

678.718

689.738

 

Prestatiebeurs (NR)

172.479

180.167

185.599

186.040

170.740

154.184

139.407

Reisvoorziening

1.420.507

– 17.641

742.473

792.718

816.922

839.598

848.703

 

Bijdrage aan vervoersbedrijven (R)

1.605.171

123.562

867.313

929.176

950.430

969.663

987.792

 

Gift (R)

639.958

668.139

667.203

673.405

695.238

714.967

720.132

 

Prestatiebeurs (R)

– 824.622

– 809.342

– 792.043

– 809.863

– 828.746

– 845.032

– 859.221

Overige uitgaven

10.207

– 41.992

172.444

155.118

124.883

98.145

87.868

 

Overige uitgaven relevant (R)

117.723

267.192

79.087

79.087

81.115

88.142

100.170

 

Caribisch Nederland (R)

3.320

3.658

4.031

4.442

4.894

5.393

5.943

 

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

– 110.836

– 312.842

89.326

71.589

38.874

4.610

– 18.245

                   

Leningen

2.500.210

2.979.871

3.014.916

3.179.928

3.269.273

3.341.517

3.404.348

 

Rentedragende lening (NR)

2.238.174

2.663.476

2.670.455

2.821.293

2.903.445

2.968.395

3.024.255

 

Collegegeldkrediet (NR)

262.036

316.395

344.461

358.635

365.828

373.122

380.093

               

Bijdrage aan agentschappen

125.255

117.858

105.465

101.352

101.922

102.663

103.443

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

125.255

117.858

105.465

101.352

101.922

102.663

103.443

Ontvangsten

795.034

850.908

896.901

944.304

1.007.932

1.080.588

1.159.149

 

Ontvangen rente en relevant hoofdsom (R)

128.017

111.260

107.886

104.111

108.475

119.338

130.465

 

Kortlopende vorderingen (R)

83.054

82.059

81.559

81.059

80.059

79.059

77.059

 

Terugontvangen hoofdsom (NR)

583.963

657.589

707.456

759.134

819.398

882.191

951.625

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 11.3 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

relevante uitgaven:

3.327.547

2.067.064

2.624.763

2.675.035

2.525.402

2.334.708

2.175.258

niet relevante uitgaven:

2.500.515

2.518.798

2.748.452

2.770.453

2.977.073

3.226.179

3.458.491

relevante ontvangsten:

211.071

193.319

189.445

185.170

188.534

198.397

207.524

niet relevante ontvangsten:

583.963

657.589

707.456

759.134

819.398

882.191

951.625

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2018 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenkader. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenkader, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot. De basisbeurs in het hoger onderwijs is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen mogelijk nog een basisbeurs. Voor mbo’ers van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg is de studiefinanciering onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 zijn destijds niet onder het prestatiebeursregime gebracht omdat deelnemers op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2.

Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 11.4 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (vanaf 2017 afgeronde raming)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Studerenden met basisbeurs

506.094

403.400

306.100

244.300

231.700

227.800

224.900

bol

236.048

232.400

226.000

226.200

226.500

225.200

223.500

hbo

197.812

136.500

74.100

15.500

4.400

2.100

1.100

wo

72.234

34.500

6.000

2.600

800

500

300

Studerenden zonder basisbeurs

277.203

383.200

477.600

542.200

557.900

562.800

565.600

bol

7.702

7.300

7.100

7.100

7.200

7.100

7.100

hbo

142.916

206.700

269.200

326.400

336.000

336.500

334.900

wo

126.585

169.200

201.300

208.700

214.700

219.200

223.600

Totaal

783.297

786.600

783.700

786.500

789.600

790.600

790.500

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere studerende die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studerenden met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vindt een verschuiving plaats van het aantal studerenden met een basisbeurs naar het aantal studerenden zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studerenden die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bol direct gift

84.950

81.623

78.097

77.891

77.488

75.986

73.743

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

217.016

223.699

228.376

232.536

231.477

230.032

228.961

ho direct gift

2.713

1.456

532

158

0

0

0

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

770.781

787.259

768.264

746.483

552.019

314.176

124.557

Totaal

1.075.460

1.094.037

1.075.269

1.057.068

860.984

620.194

427.261

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Tabel 11.6 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bol toekenningen

259.485

260.264

254.199

254.677

255.440

254.924

254.348

bol omzettingen

– 217.042

– 223.699

– 228.376

– 232.536

– 231.477

– 230.032

– 228.961

ho toekenningen

662.791

418.087

191.843

48.029

17.033

10.943

7.942

ho omzettingen

– 766.572

– 783.050

– 759.055

– 737.274

– 542.810

– 309.967

– 100.348

Totaal

– 61.338

– 328.398

– 541.389

– 667.104

– 501.814

– 274.132

– 67.019

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.5 en 11.6 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalt het aantal toekenningen in het ho vanaf 2015.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studerenden in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 11.7 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs (vanaf 2017 afgeronde raming)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bol

115.226

113.000

109.700

109.800

109.800

109.100

108.000

hbo

86.974

87.600

87.600

87.300

86.900

86.400

85.800

wo

28.540

29.200

29.800

30.300

30.900

31.500

32.100

Totaal

230.740

229.800

227.100

227.400

227.600

227.000

225.900

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze tabel laat het aantal studerenden met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat de overheid er niet op aanstuurt dat meer of minder studerenden een aanvullende beurs ontvangen.

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bol direct gift

228.570

228.077

222.997

222.893

221.757

222.772

219.242

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

139.748

144.533

151.344

157.325

159.572

159.889

159.304

ho direct gift

47.129

48.371

49.258

49.461

49.336

49.927

49.841

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

169.834

180.979

194.839

210.689

228.900

246.130

261.351

Totaal

585.282

601.960

618.438

640.368

659.565

678.718

689.738

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Tabel 11.9 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

bol toekenningen

173.992

175.210

171.126

171.448

171.962

171.614

171.227

bol omzettingen

– 139.785

– 144.533

– 151.344

– 157.325

– 159.572

– 159.889

– 159.304

ho toekenningen

307.153

329.515

359.702

381.652

386.296

387.635

387.881

ho omzettingen

– 168.880

– 180.025

– 193.885

– 209.735

– 227.946

– 245.176

– 260.397

Totaal

172.479

180.167

185.599

186.040

170.740

154.184

139.407

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.8 en 11.9 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 254,75 of € 276,52 (zie tabel 11.1).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 387,92. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.10 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2017 een afgeronde raming)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Aantal gebruikers van het reisrecht

663.486

770.600

766.100

769.200

771.300

770.100

767.400

bol

214.627

315.500

307.700

308.300

308.100

304.600

300.300

ho

448.859

455.100

458.400

460.900

463.200

465.500

467.100

Aantal RBS

20.568

20.800

20.900

21.000

21.200

21.300

21.400

bol

3.017

3.000

2.900

2.900

2.900

2.900

2.900

ho

17.551

17.800

18.000

18.100

18.300

18.400

18.500

Totaal

684.054

791.400

787.000

790.200

792.500

791.400

788.800

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Deelnemers in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Per 1 januari 2017 hebben ook minderjarige deelnemers in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor deelnemers in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 11.11 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Betaling aan vervoersbedrijven

1.605.171

123.562

867.313

929.176

950.430

969.663

987.792

bol prestatiebeurs

– 246.284

– 295.497

– 285.639

– 291.857

– 298.793

– 302.682

– 304.692

bol omzettingen

193.272

197.662

204.442

211.925

238.658

259.401

264.486

ho prestatiebeurs

– 578.338

– 513.846

– 506.403

– 518.006

– 529.953

– 542.349

– 554.529

ho omzettingen

419.524

445.788

437.518

435.592

430.033

428.370

427.815

RBS en overig

27.162

24.689

25.243

25.888

26.547

27.196

27.831

Totaal reisvoorziening

1.420.507

– 17.641

742.473

792.718

816.922

839.598

848.703

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bij de betaling aan vervoerbedrijven is in 2016 een veel hoger bedrag te zien dan in de overige jaren en in 2017 juist een relatief laag bedrag. Dit heeft te maken met een aantal kasschuiven. Voor de betaling van het reisproduct aan vervoerbedrijven heeft een kasschuif van 2017 naar 2016 van ongeveer € 747 miljoen plaatsgevonden en van 2018 naar 2016 van € 44 miljoen. Contractueel is vastgelegd dat OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar of het jaar daarvoor in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen. Verder nemen de kosten vanaf 2017 toe doordat ook minderjarige deelnemers in de bol per 1 januari 2017 recht op de reisvoorziening hebben.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven. Op dit artikelonderdeel staan ook de uitgaven geraamd voor studerenden uit de Europese Unie, voorschotten en handbetalingen.

Leningen

De leenmogelijkheden in de studiefinanciering stellen studerenden in staat om hun eigen bijdrage tegen relatief gunstige voorwaarden via de rijksoverheid te financieren. Leenfaciliteiten kunnen worden gebruikt als alternatief voor of in combinatie met bijverdiensten. Hiermee kunnen studerenden voorkomen dat bijverdienen ten koste van de studie gaat. Met het studievoorschot zijn de leenmogelijkheden verruimd.

Naast een rentedragende lening voor levensonderhoud kunnen studenten in het ho gebruik maken van het collegegeldkrediet. Studenten kunnen het verschuldigde collegegeld jaarlijks lenen, met een jaarlijks maximum bedrag van 5 keer het wettelijke collegegeldbedrag.

Tabel 11.12 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Rentedragende lening

2.238.174

2.663.476

2.670.455

2.821.293

2.903.445

2.968.395

3.024.255

Collegegeldkrediet

262.036

316.395

344.461

358.635

365.828

373.122

380.093

Totaal

2.500.210

2.979.871

3.014.916

3.179.928

3.269.273

3.341.517

3.404.348

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld zoals de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet. Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere de invoering van het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.13 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Hoofdsom (NR)

583.963

657.589

707.456

759.134

819.398

882.191

951.625

Relevante rentedragende lening

1.124

954

809

686

582

494

419

Rente ontvangsten

126.288

109.731

106.531

102.906

107.400

118.376

129.601

Renteloos voorschot

605

575

546

519

493

468

445

Totaal ontvangsten

711.980

768.849

815.342

863.245

927.873

1.001.529

1.082.090

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

De ontvangsten ontstaan door terugbetaling van studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend. De terugontvangen hoofdsom is een niet-relevante ontvangst en de ontvangen rente is relevant. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

Tabel 11.14 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Achterstallig Lager Recht (ALR)

41.838

41.838

41.838

41.838

41.838

41.838

40.838

Reisvergoeding

35.233

35.233

35.233

35.233

35.233

35.233

35.233

Overig

5.983

4.988

4.488

3.988

2.988

1.988

988

Totaal kortlopende vorderingen

83.054

82.059

81.559

81.059

80.059

79.059

77.059

Bron 2016: realisatiegegevens DUO; Bron 2017 – 2022: ramingsmodel SF

Toelichting:

De kortlopende vorderingen ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd.

Licence