Base description which applies to whole site

VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 tot en met 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2019 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A. Slob

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

De Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

A ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2019 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschap DUO van dit ministerie.

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Minister van Basis- en Voorgezet Onderwijs en Media,

A.Slob

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2019 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,I.K. van EngelshovenDe Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A. Slob

B. BEGROTINGSTOELICHTING

De begrotingstoelichting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1. De departementale begroting

    • 1. Leeswijzer

    • 2. Het beleid

      • 1. Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangsten

      • 2. De beleidsartikelen

      • 3. De niet-beleidsartikelen

      • 4. Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

1. Leeswijzer

In deze Eerste Suppletoire Begroting van OCW zijn de effecten van besluiten van het Kabinet over de Voorjaarsnota verwerkt. Deze suppletoire wet moet dan ook in samenhang worden bezien met de Voorjaarsnota. Allereerst is de begrotingsstaat voor de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgenomen. Hierin wordt inzicht gegeven in de financiële wijzigingen die op (beleids)artikelniveau worden voorgesteld in de begroting voor het jaar 2019. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 (Primair onderwijs), Artikel 3 (Voortgezet onderwijs), Artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en Artikel 15 (Media). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Dit onderdeel van de memorie van toelichting bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs deel. Het algemeen deel bevat een overzicht van de belangrijkste suppletoire mutaties op de OCW-begroting (paragraaf 2.1). Vervolgens wordt per beleidsartikel een overzicht van de wijzigingen gegeven, inclusief toelichting (paragraaf 2.2). Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Omvang begrotingsartikel

Beleidsmatige mutaties

Technische mutaties

(stand ontwerpbegroting in € miljoen)

(ondergrens in € miljoen)

(ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

De toelichtingen op de uitgaven gelden ook voor de verplichtingen. Alleen indien er sprake is van een groot verschil van de verplichtingenmutaties ten opzichte van de uitgavenmutaties, wordt dit verschil apart toegelicht. Deze verschillen ontstaan bijvoorbeeld doordat er verplichtingen zijn aangegaan die niet tot een uitgavenmutatie leiden (zoals het aangaan van garantieverplichtingen in het kader van schatkistbankieren) of door regelingen waarvoor de verplichtingen dit jaar worden aangegaan terwijl de uitgaven pas volgend jaar (of in de jaren daarna) plaatsvinden.

2. Het beleid

2.1. Overzicht belangrijkste uitgaven en ontvangsten mutaties

In onderstaande tabel worden de belangrijkste suppletoire mutaties met de budgettaire effecten voor 2019 weergegeven.

Deze mutaties worden hieronder nader toegelicht.

Tabel 1 Belangrijkste suppletoire mutaties 2019 (Bedragen x € 1 miljoen)

Artikelnr.

Uitgaven

Ontvangsten

Vastgestelde Begroting 2019

42.024,2

1.329,2

Belangrijkste suppletoire mutaties

1

Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

21,7

‒ 33,5

2

Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

91

1.040,4

3

Tegenvaller DUO en overige tegenvallers

diverse

40,7

4

Invullen openstaande taakstelling en tegenvallers

diverse

‒ 145,6

5

Intensivering Bèta-techniek

diverse

41,0

6

Overheveling RA-middelen van de Aanvullende Post

diverse

43,3

7

Kasschuiven

diverse

63,9

8

Niet-kaderrelevante mutaties

11, 12, 91

‒ 73,4

21,6

9

Rente studiefinanciering

11

‒ 2,8

10

Overige mutaties

diverse

‒ 9,1

‒ 6,6

Stand 1e suppletoire begroting 2019

Totaal

43.047,1

1.307,9

Toelichting:

1. Leerlingen- en studentontwikkeling en mbo-systematiek

De Referentieraming is de jaarlijkse raming van leerlingen- en studentenaantallen. Uit de Referentieraming 2019 blijkt dat het aantal leerlingen en studenten per saldo hoger is dan de in de begroting 2019 verwerkte aantallen; samen met de studiefinancieringsraming leidt de Referentieraming tot een tegenvaller op de begroting van € 55,2 miljoen in 2019 oplopend tot € 57,9 miljoen in 2023.

De tegenvaller op de Referentieraming is het saldo van de uitkomsten per sector. In het po is er sprake van een tegenvaller die mede wordt veroorzaakt door een toenemend migratiesaldo waardoor er meer kinderen in de leerplichtige leeftijd zijn. In het vo is er juist een meevaller. In het mbo is er een tegenvaller, onder andere door een hogere doorstroom van vmbo leerlingen naar mbo, vooral naar de niveaus mbo 3 en 4, en door een hogere instroom vanuit buiten het onderwijs. In het hbo daalt het aantal studenten de eerstkomende jaren ook minder sterk dan eerder geraamd, vooral door een hogere instroom vanuit mbo en van buiten het onderwijs. Ook de wettelijke erkenning van het associate degree zorgt voor een minder grote daling. In het bijzonder valt een stijging op in de pabo. Het aantal hbo-studenten stijgt over het algemeen vooral in deeltijdopleidingen. In latere jaren daalt het aantal studenten in het hbo juist sterker dan eerder geraamd. In het wo is de doorstroom vanuit het hbo en de instroom van Nederlandse studenten buiten het onderwijs hoger. Daarnaast is de instroom van internationale studenten hoger. Het kabinetsbeleid stimuleert mensen om hun opleiding af te stemmen op de Nederlandse arbeidsmarkt, specifiek in tekortsectoren, zoals techniek, zorg en de lerarenopleidingen, en daar lijken de positieve effecten van zichtbaar. Op de studiefinancieringsraming is een meevaller. Dit wordt deels veroorzaakt door lagere uitgaven op de omzetting van lening naar gift bij de bol in het mbo. Ook is er een bijstelling naar beneden op de uitgaven aan het ov.

De per saldo tegenvaller op de leerlingen- en studentenraming en studiefinancieringsraming wordt door het Kabinet structureel generaal gecompenseerd. Hierdoor kunnen de onderwijsinstellingen structureel gecompenseerd worden voor de groei in leerlingen en studenten ten opzichte van de raming in het vorige jaar.

In Tabel 2 is de doorrekening van de mutaties op de leerlingen- en studentenraming en de studiefinancieringsraming te zien. De bedragen voor de studiefinancieringsraming zijn een saldo van uitgaven en ontvangstenmutaties. Voor 2019 telt de uitgaventegenvaller van € 21,7 miljoen en de ontvangstentegenvaller van € 33,5 miljoen op tot een tegenvaller van € 55,2 miljoen.

Tabel 2 Leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering (Bedragen x € 1 miljoen)

Artikel

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

14,6

17,1

24,7

32,7

32,7

3

Voortgezet onderwijs

‒ 8,9

‒ 21,3

‒ 35,1

‒ 37,8

‒ 33,7

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

‒ 0,6

33,8

12

32,6

59,5

6

Hoger beroepsonderwijs

31,7

31,7

15,8

‒ 4,9

‒ 24,3

7

Wetenschappelijk onderwijs

47,2

47,2

57,6

64,6

67,1

11, 12, 13

Studiefinanciering (relevant student-gebonden)

0,9

1,5

‒ 11,9

‒ 13,5

‒ 11,9

11,12,13

Studiefinanciering (autonoom)

‒ 29,7

‒ 39,2

‒ 24,3

‒ 24,2

‒ 31,5

Totaal leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering

55,2

70,8

38,8

49,5

57,9

Vorig jaar hebben de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, en de Minister van Financiën een verkenning verricht naar de systematiek rondom de OCW-ramingen. Over het eerste deel van deze verkenning, gericht op de nauwkeurigheid van de ramingen, bent u voor de begrotingsbehandeling 2019 geïnformeerd. Net zoals in voorgaande jaren is de afwijking van de leerlingen- en studentenraming minder dan 1% ten opzichte van de vorige raming. De betrouwbaarheid van de raming is hiermee hoog. In het eerste deel van de verkenning is toegezegd om voor de zomer terug te komen op het tweede deel van de verkenning, gericht op de doorrekening van de ramingen naar de OCW-begroting. Aan deze toezegging is bij deze voldaan.

Samen met Financiën zijn alle mogelijke manieren verkend om in deze doorrekening naar de begroting van OCW meer rust te brengen. Voorwaarden hierbij zijn dat de werkwijze voldoet aan alle begrotingswet en –regelgeving en de begrotingsregels van dit Kabinet en dat deze geen onevenredige verschuiving van risico naar het onderwijsveld teweeg brengt.

Onder deze voorwaarden zal een mee- of tegenvaller op de OCW-begroting als gevolg van de doorrekening van de ramingen altijd bestaan. Wel hebben wij kans gezien om de onrust in de begrotingscyclus te verminderen. Een afwijking van het geraamde aantal studenten wordt voortaan in het ho met één jaar vertraging doorgerekend naar de ho-budgetten en de budgetten in het lopende begrotingsjaar worden niet aangepast. Hierdoor hoeft er niet meer in het lopende jaar onder tijdsdruk te worden omgebogen als er sprake is van een tegenvaller. Dit sluit aan bij de wijze waarop de leerlingenaantallen budgettair worden verwerkt in het mbo (de «mbo-systematiek»). Dit heeft als gevolg dat er in het lopende jaar voor het ho geen mee- of tegenvaller op de OCW-begroting plaatsvindt.

Voor de ho-sectoren betekent dit dat de onderwijsbudgetten voor het lopende jaar vast staan en dat de sectoren het volgende jaar gekort of gecompenseerd worden voor een verandering in de raming van het aantal studenten. Het macrobudget voor het ho wordt dus met één jaar vertraging aangepast aan de studentenaantallen. Aan de ene kant dragen de ho-sectoren hierdoor een beperkt risico (for better or worse), aan de andere kant biedt dit zekerheid over het beschikbare budget in het lopende jaar. Om te voorkomen dat de ho-sectoren nadeel ondervinden door invoering van deze nieuwe werkwijze wordt eenmalig alsnog de tegenvaller in het lopende jaar (2019) gecompenseerd. In Tabel 2 is dit zichtbaar doordat de mutaties in het ho voor 2019 en 2020 hetzelfde zijn. 2019 wordt nog doorgerekend volgens de oude systematiek, en in 2020 wordt opnieuw uitgegaan van de mutatie in 2019. Vervolgens wordt in 2021 de mutatie van 2020 verwerkt, enzovoorts.

2. Doorverdeling loon- en prijsontwikkeling

Het Kabinet besluit dit jaar opnieuw loon- en prijsontwikkeling (lpo) uit te keren over de departementale begrotingen, ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. In Tabel 3 is de verdeling van de lpo over de artikelen te zien. De lpo-tranche 2019 die OCW uitkeert aan de sectoren bedraagt in 2019 € 895,1 miljoen. Een deel van de lpo wordt ingehouden ter dekking van de openstaande taakstelling en de tegenvaller bij onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen bij DUO. Dit wordt verder toegelicht onder 3 en 4. Alle wettelijk verplichte lpo wordt wel uitgekeerd. De uitgekeerde lpo in Tabel 3 en de ingehouden lpo in Tabel 4 tellen op tot het bedrag in Tabel 1 bij «Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling».

Tabel 3 Uitgekeerde loon- en prijsontwikkeling tranche 2019 (Bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

312.422

309.560

307.785

305.641

303.898

3

Voortgezet onderwijs

225.112

223.077

221.029

219.385

218.604

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

95.227

94.934

93.684

87.698

95.662

6

Hoger beroepsonderwijs

75.183

75.759

77.705

78.617

78.506

7

Wetenschappelijk onderwijs

100.513

101.882

103.931

105.535

106.548

8

Internationaal beleid

142

145

119

119

119

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

1.070

1.127

1.028

1.043

1.007

11

Studiefinanciering

29.563

19.987

20.457

30.482

30.828

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

1.979

1.943

1.926

1.915

1.875

13

Lesgelden

86

86

86

86

85

14

Cultuur

25.724

25.558

25.012

24.162

24.005

15

Media

18.587

18.728

18.850

18.995

19.098

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

3.147

3.153

3.153

2.235

3.166

25

Emancipatie

440

440

439

439

439

91

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

5.879

6.254

6.275

6.214

6.233

Totaal

895.074

882.633

881.479

882.566

890.073

3. Tegenvaller DUO en overige tegenvallers

In de Tweede Suppletoire Begrotingswet 2018 zijn problemen in onderhoud en vervanging van ICT bij DUO gemeld. Deze problematiek is toen voor 2018 van dekking voorzien. Daarnaast is vermeld dat de Tweede Kamer bij de Voorjaarsnota 2019 wordt geïnformeerd over de omvang en dekking van de structurele problematiek bij DUO. Om de taken van DUO uit te kunnen blijven voeren, zijn investeringen nodig in onderhoud en vervanging van de ICT-systemen. Het gaat om een bedrag van € 26,7 miljoen in 2019 oplopend naar € 49,1 miljoen in 2030. Deze problematiek wordt in deze begrotingswet gedekt. De benodigde bedragen worden hiertoe op het instrument «bijdrage aan agentschappen» van de artikelen gezet. Momenteel wordt door DUO de implementatie van de aanbevelingen van de beleidsdoorlichting verwerkt in een ontwikkelplan. De ordentelijke implementatie van deze aanbevelingen zijn voorwaardelijk voor het aanwenden van de gereserveerde middelen. De dekking vanaf 2025 komt terug in de begroting 2021.

2018 is afgesloten met een positieve eindejaarsmarge van € 10,3 miljoen. Hier staat tegenover dat er € 19,6 miljoen aan overlopende verplichtingen uit 2018 nog dit jaar betaald moeten worden. Twee uitgaven die in 2019 begroot waren, zijn reeds in 2018 uitgegeven, waardoor er in 2019 ruimte vrijvalt. Dit betreft een betaling van het Regionaal Programma (€ 0,7 miljoen) en van het Regionaal Investeringsfonds (€ 2,1 miljoen). Per saldo moet hierdoor € 6,4 miljoen aanvullend OCW-breed gedekt worden voor overlopende verplichtingen uit 2018.

Tot de overlopende verplichtingen (€ 19,6 miljoen) behoren:

Vermeld in Tweede Suppletoire Begrotingswet 2018:

  • Een overlopende verplichting op huisvestingsplan Caribisch Nederland (€ 4,8 miljoen).

  • Regeerakkoordmiddelen voor archeologie (€0,8 miljoen).

  • Projecten emancipatie (€ 0,6 miljoen).

  • Vertraagde verhuizing Inspectie van het Onderwijs (€ 1,2 miljoen).

Vermeld in de Slotwet en/of veegbrief:

  • Overlopende verplichting Caribisch Nederland (€ 1,2 miljoen).

  • Doorstroomregeling mbo-hbo (€ 6,2 miljoen).

  • Vrijgemaakte middelen voor inzet tegen het lerarentekort (€ 2,3 miljoen).

  • Overlopende verplichtingen apparaatskosten (€ 0,5 miljoen).

Als laatste is er een overlopende verplichting op de omroepmiddelen (€ 2,0 miljoen). Aan het einde van het jaar worden niet bestede middelen toegevoegd aan de AMr. In 2018 heeft dit per ongeluk niet plaatsgevonden. Daarnaast zijn er enkele andere tegenvallers die OCW-breed worden gedekt:

  • Rijksbrede ICT-problematiek bij eID, GDI en BRP (€ 7 miljoen structureel, vanaf 2019).

  • Negatieve lpo-tranche 2018 over de toen openstaande taakstelling (€ 0,6 miljoen structureel, vanaf 2019).

  • Extrapolatiecorrectie (€ 1,5 miljoen in 2022).

Deze problematiek telt op tot een reeks beginnend op € 14,0 miljoen in 2019, € 9,1 miljoen in 2022 en € 7,6 miljoen vanaf 2023. Voor 2019 telt de tegenvaller bij DUO (€ 26,7 miljoen) en de bovenstaande problematiek (€ 14,0 miljoen) op tot € 40,7 miljoen.

4. Invullen openstaande taakstelling en tegenvallers

In de begroting 2019 was een taakstelling op Artikel 91 (Nog onverdeeld) geparkeerd, beginnend in 2020 met € 114,4 miljoen, oplopend tot € 160,9 miljoen in 2023. Deze taakstelling was het gevolg van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering in 2018.

Voor de openstaande taakstelling en de tegenvaller bij DUO wordt een deel van de lpo structureel ingezet. Het grootste deel van de lpo wordt verplicht uitgekeerd aan de sectoren. Een kleiner deel van de lpo op onderwijs, onderzoek en de apparaatskosten wordt ingezet . Als gevolg hiervan ontvangen de onderwijs- en onderzoeksectoren vanaf 2019 nog steeds meer geld, maar worden zij niet volledig gecompenseerd voor inflatie. Onder dit niet uitgekeerde deel van de lpo valt de prijsbijstelling op de onderwijsbekostiging (behalve die van Artikel 1 (Primair onderwijs)), en de meeste loon- en prijsbijstelling op de andere begrotingsinstrumenten. Ook de prijsbijstelling over het apparaat van OCW en de agentschappen wordt ingehouden. Het grootste deel van de lpo is echter wel uitgekeerd. Dit geldt voor vrijwel alle loonontwikkeling op de onderwijsbekostiging, de loonontwikkeling op de loonsom van de apparaatskosten van de onderzoeksinstituten en de loonontwikkeling op de studiefinanciering. Daarnaast wordt de loonbijstelling op het apparaat en de agentschappen uitgekeerd. De uitgekeerde lpo is gelijk aan de lpo in Tabel 3.

In Tabel 4 is de ingehouden lpo per artikel weergegeven. In 2019 wordt € 145,3 miljoen ingehouden, oplopend tot € 149,2 miljoen in 2024. Deze lpo is voldoende om zowel de openstaande taakstelling als de tegenvaller bij DUO binnen de begrotingshorizon te dekken. Hiervoor is intertemporele compensatie vereist omdat het kasritme van de problematiek niet aansluit met dat van de dekking. Als gevolg hiervan is de dekking in 2019 uit de niet-verplichte lpo hoger dan de problematiek. In de andere jaren is dit juist omgekeerd. Cumulatief zijn de problematiek en de dekking gelijk.

Daarnaast wordt vanaf 2024 de lpo-tranche 2018 op de intensiveringsmiddelen ingezet. Deze tranche is vorig jaar ingezet ter dekking van de problematiek in 2019-2023, en kan nu structureel worden ingezet voor 2024 en verder.

Tabel 4 Niet-verplichte loon- en prijsontwikkeling tranche 2019, voor onderwijs, onderzoek en apparaat ingehouden voor taakstelling en DUO (Bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

18.415

19.535

19.559

19.813

19.812

3

Voortgezet onderwijs

22.385

21.998

21.846

21.708

21.649

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

29.471

34.353

34.259

32.709

33.548

6

Hoger beroepsonderwijs

14.680

14.913

15.385

15.942

16.083

7

Wetenschappelijk onderwijs

25.095

25.445

26.018

26.613

26.967

8

Internationaal beleid

137

118

114

114

114

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

3.953

3.793

3.794

3.777

3.777

11

Studiefinanciering

1.086

1.118

1.129

1.138

1.147

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

176

176

176

176

176

13

Lesgelden

74

74

74

74

73

14

Cultuur

0

0

0

0

0

15

Media

0

0

0

0

0

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

28.338

28.172

28.015

28.942

28.006

25

Emancipatie

0

0

0

0

0

91

Nog onverdeeld

0

‒ 2.871

‒ 3.521

‒ 3.919

‒ 4.038

95

Apparaat Kerndepartement

1.473

1.485

1.473

1.463

1.474

Totaal

145.283

148.309

148.321

148.550

148.788

De problematiek die voortkomt uit het restant van de overlopende verplichtingen, de rijksbrede ICT-tegenvallers, de extrapolatiecorrectie en de negatieve lpo-tranche 2018, wordt als volgt opgelost:

  • Het restant van de niet-verplichte lpo (€ 13,3 miljoen) voor 2019.

  • Een deel van de lpo tranche 2018 over de intensiveringsreeksen (oplopend van €1,8 miljoen in 2021, tot € 4,2 miljoen in 2022 en € 2,1 miljoen structureel).

  • De middelen die overblijven door het afschaffen van de rekentoets (€ 2,1 miljoen in 2020, € 2,3 miljoen in 2021 en 2022, en € 2,1 miljoen structureel vanaf 2023).

  • Een incidentele korting op de subsidies van mbo in 2019 (€ 96 duizend), en een korting op de bekostiging vanaf 2020 van € 2,0 miljoen en € 1,0 miljoen structureel.

  • Een incidentele korting op de subsidies van ho (€ 171 duizend in 2019, oplopend tot € 2,0 miljoen vanaf 2020.

  • De inzet van een deel van de niet-verplichte lpo-tranche 2019 op Artikel 14 (Cultuur) (€ 0,4 miljoen in 2019 en structureel, € 0,5 miljoen in 2022).

  • Het per saldo tekort in 2019, 2020 en 2021 wordt intertemporeel gecompenseerd door overdekking in de jaren 2022 en 2023.

5. Intensiveringen

Het Kabinet heeft structureel € 41 miljoen vrij gemaakt voor bèta-techniek in het hoger onderwijs. In 2019 wordt dit geld ingezet voor bekostiging bèta/techniek-opleidingen hbo (€10,0 miljoen) en bekostiging bèta/techniek-opleidingen wo (€ 27,0 miljoen) en mbo zij-instroom voor bèta/techniek-opleidingen (€ 4,0 miljoen). Voor 2020 en verder wordt het bedrag geparkeerd op artikel 91 (Nog onverdeeld). De uitkomsten van de commissie Van Rijn zullen worden meegenomen in de verdeling van deze middelen vanaf 2020.

6. Regeerakkoordmiddelen

Drie regeerakkoordreeksen worden naar OCW overgeboekt van de Aanvullende Post:

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs

Voor de aanpak van werkdruk in het primair onderwijs was er al € 99 miljoen in 2018 en per 2019 € 237 miljoen structureel beschikbaar gekomen aan Regeerakkoordmiddelen. Een restant bleef op de Aanvullende Post staan. Daarvan komen nu extra middelen voor OCW beschikbaar, te weten € 81 miljoen in 2021, € 193 miljoen in 2022, € 153 miljoen in 2023 en € 96,5 miljoen structureel. Omdat uit tussentijdse evaluaties blijkt dat de middelen positief bijdragen aan het tegengaan van werkdruk haalt OCW via een kasschuif een deel van deze nieuw vrijgekomen middelen naar voren, zodat de scholen er nu direct baat bij hebben. Dit heeft als resultaat dat er nu € 333,5 miljoen aan werkdrukmiddelen beschikbaar zijn voor scholen in schooljaar 2019/2020 (in plaats van € 237 miljoen). Het bedrag van € 333,5 miljoen is beschikbaar in de schooljaren 2019/2020 tot en met 2022/2023 en stijgt per schooljaar 2023/2024 naar een bedrag van structureel € 430 miljoen. De nieuwe reeks wordt in Tabel 5 weergegeven. Deze reeks is inclusief het laatste restant dat nog op de Aanvullende Post staat (te weten € 40,5 miljoen in 2023 en structureel € 96,5 miljoen per 2024). Dit zal bij een toekomstige begroting ook beschikbaar komen, afhankelijk van de evaluatie in 2020.

Tabel 5 De nieuwe en oude reeks van uitgaven voor de aanpak van werkdruk in het primair onderwijs, per schooljaar (Bedragen x € 1.000)

Artikelnr.

Omschrijving

2018-2019

2019-2020

2020-2021

2021-2022

2022-2023

2023-2024

1

Oude reeks

237.000

237.000

237.000

430.000

430.000

430.000

1

Nieuwe reeks

237.000

333.500

333.500

333.500

333.500

430.000

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

Deze reeks, oplopend van € 1,7 miljoen in 2019 tot € 28,8 in 2023, is vanaf dit jaar beschikbaar. De resterende middelen uit de cultuurreeks worden vanaf 2021 ingezet voor de vernieuwde culturele basisinfrastructuur, die in dat jaar van start gaat. In 2019 en 2020 worden incidenteel middelen ingezet voor historisch-democratisch bewustzijn, een scholingsinstrument voor de culturele sector, een productiefonds podiumkunsten en aanvullingen op bestaande faciliteiten voor talentleningen en voor filmproductie (de cash-rebate-regeling).

G42 Media/onderzoeksjournalisatiek

Ook deze reeks, structureel € 5,0 miljoen vanaf 2019, is overgeboekt naar OCW. De Regeerakkoordmiddelen voor onderzoeksjournalistiek zijn ter bevordering en verbetering van de randvoorwaarden van de Nederlandse onderzoeksjournalistiek. De middelen worden ingezet voor talentontwikkeling en professionalisering van onderzoeksjournalisten en voor het stimuleren van journalistieke producties, innovatie en samenwerking in de journalistieke sector. De middelen, verdeeld door het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, zijn vooral bedoeld voor lokale en regionale initiatieven.

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name nationaal restauratiefonds)

Dit betreft een incidenteel bedrag van € 38,6 miljoen in 2019. Van dit bedrag wordt € 35,6 miljoen overgeboekt naar OCW. De overige € 3,0 miljoen blijft achter op de Aanvullende Post en zal worden ingezet voor de restauratie van het Vredespaleis. OCW levert hiermee een bijdrage aan de restauratie van dit belangrijke erfgoed. Daarnaast kan de renovatie van het Vredespaleis rekenen op nog € 3,0 miljoen aan ondersteuning vanuit de reguliere regelingen van Cultuur. De resterende middelen uit de reeks Erfgoed en monumenten worden ingezet om een pilot te starten waarmee een aantal al langer bestaande financiële knelpunten bij grote monumenten rond maatschappelijke opgaven als verduurzaming en betere toegankelijkheid kan worden opgelost. Naast het oplossen van deze concrete knelpunten kunnen via deze pilot ervaringen worden opgedaan waarmee in de toekomst vorm kan worden gegeven aan een meer structurele ondersteuning van bijzondere monumenten met ambities op het terrein van toegankelijkheid en duurzaamheid.

7. Kasschuiven en intertemporele compensatie

Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. Daarnaast komt het bij verschillende problematiek voor dat de gevonden dekking zich niet in dezelfde jaren bevindt. In dit geval is er intertemporeel gecompenseerd.

8. Niet plafondrelevante mutaties

De niet plafondrelevante mutaties hebben betrekking op de studiefinanciering. De raming van de niet-relevante uitgaven en ontvangsten aan studiefinanciering is voor de komende jaren naar beneden bijgesteld met per saldo bedragen die in de jaren 2019 tot en met 2023 schommelen tussen de € 142 miljoen en € 175 miljoen euro. Voor 2019 gaat het om een bijstelling van per saldo € 165 miljoen. Ruim de helft van dit bedrag wordt veroorzaakt door lager geraamde uitgaven aan de leningen (rentedragende lening, collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet) als gevolg van de lagere realisatie in 2018 en het doorrekenen van de Referentieraming. De andere helft wordt veroorzaakt door diverse mutaties. Zo zijn de geraamde prestatiebeursuitgaven aan mbo-studenten naar beneden bijgesteld vanwege de lagere aantallen mbo-studenten in de bol. Ook zijn de geraamde niet-relevante ontvangsten van terugbetaalde leningen naar boven bijgesteld op grond van de realisatie in 2018. Tot slot worden de prestatiebeursbedragen van studenten die geen diploma hebben gehaald gemiddeld later omgezet naar een definitieve lening, door een overgang naar een nieuw ICT-systeem. Dit zorgt voor een daling van deze geraamde uitgaven.

9. Rente studiefinanciering

Door de lage rentestand is er een tegenvaller op de geraamde renteontvangsten op studieleningen. Deze komt conform de begrotingsregels ten laste van het generale beeld.

10. Overige mutaties

Dit is een saldopost van mee- en tegenvallers en dekking binnen artikelen. Deze worden hieronder per artikel toegelicht. Daarnaast vallen de technische mutaties en overboekingen onder deze post.

Het onderzoeksbureau Panteia heeft een beleidsdoorlichting van de WTOS uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat de uitvoeringskosten bij DUO niet juist gealloceerd waren op de begroting van de betrokken beleidsartikelen. Naar aanleiding van het Panteia onderzoek heeft vervolgens een analyse plaatsgevonden op de allocatie van de budgetten voor het prestatiecontract van DUO. Dit heeft geleid tot een herverdeling van de kosten, die een realistische weergave biedt van de kosten per beleidsartikel voor de uitvoering van het prestatiecontract DUO. Deze herverdeling zorgt in deze suppletoire begrotingswet voor budget-neutrale herverdeling tussen de verschillende artikelen.

2.2 De Beleidsartikelen

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN (SLOTVERSCHILLEN)

Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen te verlagen met € 169,3 miljoen. De uitgaven worden verlaagd met € 145,9 miljoen. De ontvangsten worden verhoogd met € 70,8 miljoen.

1 Leeswijzer

In deze Tweede Suppletoire Begroting van OCW zijn de effecten van besluiten van het Kabinet over de Najaarsnota verwerkt. Deze suppletoire wet moet dan ook in samenhang worden bezien met de Najaarsnota. Op het moment van indiening van deze Tweede Suppletoire Begroting is de Eerste Suppletoire Begroting wel door de Tweede Kamer maar nog niet door de Eerste Kamer vastgesteld. De Tweede Suppletoire Begroting is opgesteld als ware het dat beide Kamers de Eerste Suppletoire Begroting hebben vastgesteld.

Allereerst is de begrotingsstaat voor de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgenomen. Hierin wordt inzicht gegeven in de financiële wijzigingen die op (beleids)artikelniveau worden voorgesteld in de begroting voor het jaar 2019. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 (Primair onderwijs), Artikel 3 (Voortgezet onderwijs), Artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en Artikel 15 (Media). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Dit onderdeel van de memorie van toelichting bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs deel. Het algemeen deel bevat een overzicht van de belangrijkste suppletoire mutaties op de OCW-begroting (paragraaf 2.1). Vervolgens wordt per beleidsartikel een overzicht van de wijzigingen gegeven, inclusief toelichting (paragraaf 2.2). Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Tabel 1 Ondergrenzen conform RBV

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

De ondergrenzen op de uitgaven gelden ook voor de verplichtingen. Alleen indien er sprake is van een groot verschil van de verplichtingenmutaties ten opzichte van de uitgavenmutaties, wordt dit verschil apart toegelicht. Deze verschillen ontstaan bijvoorbeeld doordat er verplichtingen zijn aangegaan die niet tot een uitgavenmutatie leiden (zoals het aangaan van garantieverplichtingen in het kader van schatkistbankieren) of door regelingen waarvoor de verplichtingen dit jaar worden aangegaan terwijl de uitgaven pas volgend jaar (of in de jaren daarna) plaatsvinden.

Met het oog op het budgetrecht worden uitvoeringsmutaties zoveel mogelijk in de tweede suppletoire begroting verwerkt. Er doen zich in de laatste maanden van het jaar echter ook nog mutaties voor, met name in de (garantie)verplichtingen. De Tweede Kamer wordt hierover in een aparte brief geïnformeerd en de mutaties worden bij Slotwet verwerkt.

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2019 bevat de volgende onderdelen:

  • a. Beleidsagenda;

  • b. Beleidsartikelen;

  • c. Niet-beleidsartikelen;

  • d. Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;

  • e. Verdiepingshoofdstuk;

  • f. Bijlagen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2018 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Er is een nieuwe set indicatoren en kengetallen opgenomen in deze begroting. In de beleidsagenda zijn zeven thema’s geformuleerd die onze prioriteiten weergeven. Voor ieder thema zijn bijpassende indicatoren inclusief streefwaarden opgenomen. Op basis van deze indicatoren leggen wij de komende jaren verantwoording af over de door ons gestelde doelen.

  • Relevante kengetallen over de sector staan in de beleidsartikelen. De tabellen die hiervoor opgenomen zijn, lopen van 2015 tot 2022. Voor zover bekend zijn de realisatiewaarden van 2015 tot en met 2018 ingevuld. De overige, lege kolommen geven aan welke waarden nog ingevuld zullen worden zodra realisatiewaarden beschikbaar zijn.

  • Met de nieuwe indicatoren en kengetallen hebben we ook een dashboard ontwikkeld. Dit dashboard geeft de indicatoren en kengetallen op verschillende manier weer en maakt trends inzichtelijk.

  • Bij artikel 11 Studiefinanciering is in tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit» gekozen voor een verhelderende opzet. Het betreft vier wijzigingen die allen te maken hebben met de reisvoorziening. In de toelichting op deze tabel wordt deze wijzigingen nader toegelicht.

  • Op verzoek van de Tweede Kamer zijn in het onderdeel «Beleidsagenda» zes nieuwe tabellen opgenomen. Deze tabellen geven inzicht in de intensiveringen en ombuigingen in deze kabinetsperiode, zowel op totaalniveau, per saldo en per onderwijssector.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Minister en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting verwijzen we naar de openbare website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW. Op de website van OCW in cijfers monitort de Minister van OCW onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het po en vo. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO. Daarnaast geeft deze website met de infographic «Onderwijsmonitor» inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

  • Eind november brengt het Sociaal Cultureel Planbureau een «rapportage cultuur» uit die de publicatie Cultuur in Beeld vervangt. In deze publicatie wordt ingegaan op trends en ontwikkelingen in de cultuursector. Daarbij is er onder andere aandacht voor ontwikkelingen in het cultuuraanbod, deelname aan cultuur, de arbeidsmarkt, en de financiële verhoudingen tussen subsidieverstrekkers.

  • De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.

  • Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).

  • Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB’s worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit en efficiency van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.

  • De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW, en de laatste stand van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

a. Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen wij willen zetten. Ieder thema dat ingaat op een prioriteit bevat een tabel met indicatoren en streefwaarden. Daarnaast bevat de beleidsagenda een overzichtstabel waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, een tabel met de geplande beleidsdoorlichtingen, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een overzicht van de risicoregelingen en een tabel met niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming.

b. Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Algemene doelstelling met een toelichting daarop, met bijbehorende kengetallen.

  • Rol en verantwoordelijkheid van de Minister.

  • Tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten.

  • Beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleidsdoorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond.

  • Tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven.

  • Toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • Op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;

  • Op artikel 95 (Apparaat Kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en een aantal ZBO’s en RWT’s opgenomen.

d. Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen «Dienst Uitvoering Onderwijs» en het «Nationaal Archief».

e. Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2018 en de ontwerpbegroting 2019. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald door een zogenoemde staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

f. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak;

  • Verdiepingshoofdstuk;

  • Moties en toezeggingen;

  • Subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het ministerie;

  • Evaluatie- en overig onderzoek: het overzicht met onderzoeken is opgenomen in één centrale bijlage.

1 Leeswijzer

De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan de ondergrenzen in onderstaande staffel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerp-begroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

2. BELEIDSAGENDA

2 De Beleidsartikelen

2 Het beleid

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Deze beleidsagenda is de eerste van dit kabinet. Het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» gaat uit van individuele vrijheden en een hecht collectief. Dit kabinet investeert in ieders kansen en versterkt dat collectief, onder andere door extra middelen voor onderwijs. Goed onderwijs helpt kinderen en jongeren om hun gaven en talenten te ontwikkelen. Daarmee draagt het op een cruciale manier bij aan de bloei en toekomst van onze samenleving. Onze ambities liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent, voldoende en goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs. Maar ook cultuur en het publieke en private mediabestel verrijken het individu en verbinden de samenleving. Schrijvers, theatermakers, filmers, ontwerpers en beeldend kunstenaars dagen onze verbeeldingskracht uit; dankzij hun beelden en verhalen kunnen we onze eigen voorstelling van de wereld kritisch toetsen en ontwikkelen. Erfgoed, zoals monumenten en musea, laat zien waar we vandaan komen, wat ons heden is en hoe we ons ontwikkelen. Daarom investeert dit kabinet flink in cultuur en erfgoed.

Dit kabinet is nu bijna een jaar aan de slag. In de afgelopen periode hebben we al veel punten van het Regeerakkoord uitgewerkt. In deze beleidsagenda gaan we nader in op een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen voor het komende jaar. Zoals in de leeswijzer al uiteen is gezet, doen we dat aan de hand van nieuwe thema’s en (deels) nieuwe indicatoren. We beginnen met het onderwijs en gaan daarna in op wetenschap, cultuur, media en emancipatie.

1. Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Tabel: Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

% gemeenten dat doelgroeppeuters 640 uur voorschoolse educatie per jaar aanbiedt1

       

2020

 

PO

     

100%

Percentage voorschoolse educatie groepen waar hbo geschoolde beroepskrachten wordt ingezet2

       

2020

 

PO

     

100%

Sociale inclusie van laaggeletterden

       

2020

 

MBO

     

3

Kwalificatiewinst4

 

2012–2013

2015–2016

2016–2017

2020

 

MBO

82,7%

85,6%

87,0%

Hoger

Succes eerstejaars mbo5

 

2012–2013

2014–2015

2015–2016

2020

 

MBO

82,9%

84,5%

84,5%

Hoger

Succes doorstromers in eerste jaar hbo6

 

2012–2013

2014–2015

2015–2016

2020

 

MBO

78%

80%

81%

Hoger

Aantal nieuwe vsv’ers7

 

2008–2009

2015–2016

2016–2017

2019–2020

 

VO & MBO

41.800

22.953

23.793

20.000

1

In het najaar van 2018 zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de precieze uitwerking van de uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie. Op basis daarvan kan de indicator nog worden aangepast.

2

Zie voetnoot 1

3

In het voorjaar van 2019 zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid. Op basis van de vervolgaanpak zullen in het voorjaar van 2019 ook de streefwaarden worden vastgesteld.

5

Zie voetnoot 4

6

Bron: DUO. Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig.

7

Bron: DUO

Het onderwijs is in Nederland op een unieke manier georganiseerd, namelijk van onderop. Basis daarbij is de vrijheid van onderwijs, die we koesteren. De autonomie van scholen is van grote waarde. Scholen zijn in de eerste plaats van de gemeenschap: van kinderen en jongeren, hun ouders, leraren en schoolleiders die gezamenlijk iedere dag werken aan de toekomst van kinderen. We vergroten de vrijheid van onderwijs door het vergemakkelijken van het stichten van scholen op basis van de belangstelling van ouders. Ook verduidelijken we wat we van scholen verwachten. Nieuwe scholen worden vooraf getoetst op wettelijke deugdelijkheidseisen. Het burgerschapsonderwijs wordt versterkt door de wettelijke opdracht te verduidelijken zodat alle leerlingen respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat wordt bijgebracht en iedere school in al haar uitingen hiermee in lijn handelt. Daarnaast bevorderen we een pluriform scholenaanbod en thuisnabij onderwijs via de kleine scholentoeslag door het verhogen van de extra bekostiging die kleine basisscholen ontvangen.

Juist vanwege het maatschappelijk belang van onderwijs, verwacht de samenleving ook veel van het onderwijs. Dat is terecht, maar tegelijkertijd kan het onderwijs niet alle maatschappelijke problemen oplossen. Zijn primaire taak is kinderen en jongeren tot bloei te laten komen en voor te bereiden op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. Goed toegankelijk onderwijs voor iedereen is cruciaal voor de toekomst van de Nederlandse kennissamenleving. Het is belangrijk dat ieder kind tot zijn recht komt en zijn gaven en talenten kan ontwikkelen. In het primair en voortgezet onderwijs zetten we in op gelijke onderwijskansen met de volgende vijf maatregelen. Ten eerste door te investeren in vroeg- en voorschoolse educatie, waardoor het aantal uren voorschoolse educatie aan kinderen die risico lopen op onderwijsachterstanden uitgebreid kan worden van 10 naar 16 uur per week en de kwaliteit kan worden verhoogd door inzet van hbo’ers (zie indicatorentabel). Ten tweede door het budget voor onderwijsachterstanden beter over het land te verdelen. Op basis van een door het CBS ontwikkeld model kunnen de risico’s op achterstanden nauwkeuriger worden voorspeld en de middelen gerichter ingezet. De nieuwe verdeelsystematiek gaat in per 1 januari 2019 voor gemeenten en per schooljaar 2019–2020 voor scholen. Ten derde door ontwikkeling van talenten te stimuleren, onder andere door de introductie van een subsidieregeling (hoog)begaafdheid in 2019, waarmee we samenwerkingsverbanden passend onderwijs en scholen stimuleren om in de regio een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen in te richten. Wij richten een onderzoeks- en evaluatieprogramma in om zicht te krijgen op de effectiviteit en opbrengsten van de interventies. Al eerder hebben we het mogelijk gemaakt in het vo vakken op een hoger niveau te volgen. In 2019 evalueren we de pilot «recht op maatwerk» waarin 30 scholen de uitdaging zijn aangegaan om meer ervaring op te doen met maatwerktrajecten zoals het aanbieden van extra vakken, vakken op een hoger niveau en versnelde examens. De bevindingen gebruiken we om een recht op maatwerk eventueel wettelijk te verankeren. Ten vierde bevorderen we de lokale inzet op kansengelijkheid. Anderhalf jaar geleden is gestart met lokale en regionale coalities van partijen binnen en buiten het onderwijs, de zogenaamde Gelijke Kansen Alliantie (GKA). In 28 gemeenten zijn lokale allianties met cofinanciering van OCW vanuit de eigen context aan de slag met kansengelijkheid. Wij zetten in op een verdieping in de huidige netwerken en op een toename van het aantal lokale allianties omdat ze mooie resultaten opleveren. We streven naar een brede dekking in zowel steden als in landelijke gebieden. Met de lokale overheden gaan wij op zoek naar maatschappelijke partners en effectieve interventies. Het is aan hen om ambities te formuleren en actiegerichte programma’s op te zetten. Gemeenten, besturen van scholen en kinderopvangorganisaties zijn verplicht minstens één keer per jaar te overleggen over hoe ze segregatie in het onderwijs voorkomen, integratie bevorderen en onderwijsachterstanden bestrijden. Daarnaast hebben we een openbare database met meer dan 50 bewezen effectieve interventies op kansengelijkheid. Integraal onderdeel van de GKA is om nog meer inzicht te krijgen in wat wel en eventueel niet werkt. De insteek van de GKA is een lerende aanpak. Ten vijfde wordt het curriculum voor het po en vo herijkt om te komen tot een toekomstgericht, samenhangend en scherp afgebakend curriculum. Dit biedt scholen duidelijkheid over wat leerlingen moeten kennen en kunnen en biedt hen ruimte om hierbinnen eigen keuzes te maken in lijn met hun onderwijsvisie. De herijking bevindt zich nu in de ontwikkelingsfase. In 2019 wordt deze ontwikkelfase afgerond, en worden de bouwstenen opgeleverd, waarna politieke besluitvorming plaatsvindt over het vervolg. Tot slot investeren we extra in de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs, waar met name kansarme leerlingen kwetsbaar zijn en niet altijd op de juiste plek in het voortgezet onderwijs terecht komen. Het komende schooljaar geven we een tweede groep van scholen ruimte voor het starten van initiatieven van 10–14 onderwijs. Binnen zogenaamde «10–14 scholen» worden leerlingen tussen de 10 en 14 jaar door een team van po- en vo-docenten in een doorlopende leerlijn begeleid naar de overstap naar het vo.

Het is van belang dat het eigenaarschap voor passend onderwijs wordt gevoeld door leraren en scholen en dat middelen echt in de klas terecht komen. Wij zetten stappen om het beleid gericht op passend onderwijs te verbeteren. Ouders worden ondersteund in het gesprek met scholen, er komt onafhankelijk toezicht op samenwerkingsverbanden en de combinatie van onderwijs en (zware) zorg wordt gemakkelijker. Verder geven we ook in het vo de Inspectie van het Onderwijs de discretionaire bevoegdheid rekening te houden met aanwezigheid van bovenmatig veel zorgleerlingen. In het po is die bevoegdheid het afgelopen jaar al uitgebreid.

Ook in het mbo wordt gewerkt aan gelijke onderwijskansen (indicatoren Kwalificatiewinst en Succes eerstejaars mbo). Het stimuleren daarvan is dan ook een van de landelijke speerpunten waar mbo-instellingen aandacht aan moeten besteden in de nieuwe kwaliteitsagenda’s. Per 2019 schaffen we de cascade in de mbo-bekostiging af, waardoor stapelen van diploma’s beter mogelijk wordt. We introduceren een vakcertificaat, zodat studenten die uitvallen toch een bewijs meekrijgen waar op de arbeidsmarkt waarde aan wordt gehecht. Ook voor laaggeletterden willen we kansen creëren. Door middel van het programma Tel mee met taal stimuleren we de inclusie van laaggeletterden (indicator Sociale inclusie laaggeletterden). De wetswijziging van de wet educatie en beroepsonderwijs om bestrijding van voortijdig schoolverlaters (vsv) aan te pakken is door de Tweede Kamer aangenomen en aan de Eerste Kamer aangeboden (indicator Aandeel vsv’ers). Verder bereiden wij een wetswijziging voor om een gelijke kansenfonds (voor studievertraging en schoolkosten) en zwangerschapsverlof voor mbo-studenten te introduceren. Met het programma sterk beroepsonderwijs werken we samen met de MBO Raad, de VO-raad en de Stichting Platforms VMBO (SPV) aan een betere aansluiting tussen vmbo en mbo. Tot slot komt er dit najaar een derde aanvraagperiode voor de subsidieregeling doorstroom mbo-hbo (indicator Succes doorstromers in eerste jaar hbo) waarbij de focus komt te liggen op de doorstroom tussen economische mbo- en hbo-opleidingen, omdat de uitval hier het grootst is.

In het hoger onderwijs (ho) zetten we in op een toegankelijk stelsel, waarin studenten die aan de gestelde eisen voldoen en die naar het ho willen, kunnen instromen ongeacht hun afkomst en achtergrond. Dat betekent dat het hoger onderwijsstelsel zo min mogelijk vormen van selectie kent. Bij selectie is het belangrijk om onbedoelde neveneffecten te voorkomen, zoals ongewenste zelfselectie en vooroordelen. Met ingang van het studiejaar 2018–2019 wordt het wettelijk collegegeld voor studenten die nieuw zijn in het bekostigd ho voor het eerste jaar gehalveerd. Voor studenten aan een lerarenopleiding geldt een extra jaar halvering.

Een toegankelijk stelsel van hoger onderwijs garandeert nog geen gelijke kansen op studiesucces, omdat niet alle studenten (van huis uit) dezelfde startpositie hebben. Daarom zetten we in op adequate ondersteuning en begeleiding van studenten, ook voor studenten die extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben vanwege bijvoorbeeld een functiebeperking, chronische ziekte, psychische problemen of bijzondere persoonlijke omstandigheden. Universiteiten en hogescholen werken nauw samen met vo- en mbo-instellingen om (aspirant)studenten voor te bereiden op de doorstroom naar het hoger onderwijs en hen goed op te vangen en wegwijs te maken. Dit thema maakt onderdeel uit van de afspraken in het Sectorakkoord wetenschappelijk onderwijs 2018 en het Sectorakkoord hoger beroepsonderwijs 2018.

2. Sterke docenten

Tabel: Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

       

2020

 

PO

     

nvt2

Percentage van besturen dat aangeeft dat de P-MR ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdrukmiddelen3

       

2020

 

PO

     

nvt4

Strategisch personeelsbeleid (PM)5

       

2020

 

PO

     

PM

Strategisch personeelsbeleid (PM)6

       

2020

 

VO

     

PM

1

De eerste uitvraag van deze indicator vindt plaats in augustus 2019. Dit betreft de cijfers over 2018.

2

Er is afgesproken met het PO-Front dat hierbij het uitgangspunt comply or explain geldt, een kwalitatieve toelichting op het antwoord kan aangegeven worden. Daarnaast wordt de voortgang rond het thema werkdruk gemonitord in de tussenevaluatie (Q1 2021).

3

Zie voetnoot 1.

4

Zie voetnoot 2.

5

Indicator wordt in de loop van 2019 ontwikkeld in samenspraak met de sector; over de voortgang wordt gerapporteerd in het kader van de tussen- en eindevaluatie van de sectorakkoorden.

6

Indicator wordt in de loop van 2019 ontwikkeld in samenspraak met de sector in voortgangsrapportage 2019.

In de vorige paragraaf schreven we dat de primaire taak van het onderwijs is kinderen en jongeren tot bloei te laten komen en hen voor te bereiden op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. Daarvoor zijn goede en sterke docenten van groot belang. Dat is ook de reden dat dit kabinet zoveel in hen investeert. Samen met het harde werk van dienstbare bestuurders, schoolleiders, onderwijsondersteuners en conciërges maken zij goed onderwijs mogelijk. Goede en betrokken docenten zijn de sleutel tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Het lerarentekort vormt hierbij een grote uitdaging. Via de Aanpak Lerarentekort werken wij op volle kracht om het lerarentekort in het po, vo en mbo tegen te gaan. Dat doen we samen met werkgevers, vakbonden, lerarenopleidingen, gemeenten, transfercentra en vele anderen. We werken aan het verhogen van de in-, door- en uitstroom van de lerarenopleidingen, het bevorderen van zijinstroom, het behouden van leraren, het activeren van stille reserve, het verbeteren van de beloning en het carrièreperspectief, én het anders organiseren en innovatieve ideeën stimuleren. Het kabinet heeft bovendien € 270 miljoen geïnvesteerd in het primair onderwijs in verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor docenten in combinatie met het normaliseren van de bovenwettelijke regelingen. De sociale partners hebben op 2 juli 2018 een nieuwe cao po getekend. De totale loonstijging voor een leraar in het primair onderwijs bedraagt vanaf september 2018 gemiddeld 8,5 procent (oplopend tot 9,5 procent in 2019) en leraren krijgen in oktober een eenmalige uitkering van circa € 2.000 gemiddeld bij voltijdsaanstelling. Daardoor wordt het beroep van leraar aantrekkelijker.

In het po en vo hebben wij in de geactualiseerde sectorakkoorden afspraken gemaakt over scholen als lerende organisaties, waarbij schoolbesturen zorgen voor begeleiding van startende docenten en schoolleiders. Verder zijn er afspraken over (strategisch) personeelsbeleid en voor het po verlaging van de werkdruk en een verbetering van de beloning en carrièreperspectief. Ten behoeve van de versterking van het strategisch personeelsbeleid wordt in het po een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken van het strategisch personeelsbeleid in de sector. Tevens zullen we in de loop van 2019 hiervoor een indicator ontwikkelen. Goed strategisch personeelsbeleid komt de kwaliteit van docenten ten goede en is nodig om lerarentekorten te ondervangen en werkdruk tegen te gaan. Op verschillende terreinen werken we aan het vergroten van het eigenaarschap van docenten, zoals passend onderwijs, aanpak van werkdruk en groepsgrootte. Zo wordt in de wet opgenomen dat de medezeggenschapsraad adviesrecht krijgt over beleid met betrekking tot de groepsgrootte. Ook de invloed van leraren op de vormgeving van passend onderwijs wordt uitgebreid. Leraren krijgen meer inzicht en inspraak in de verdeling van middelen van het samenwerkingsverband. Ook wordt de medezeggenschap op het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband versterkt.

Om de positie van de docenten te versterken, investeren we in de verlaging van de werkdruk in het po. Voor schooljaar 2018–2019 is € 237 miljoen beschikbaar om de werkdruk tegen te gaan. Op scholen wordt het gesprek gevoerd met het team hoe dit geld ingezet wordt. In de cao voor het po wordt vastgelegd dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad hier instemmingsrecht op heeft. Wij doen onderzoek op scholen naar de wijze waarop het gesprek over de werkdrukmiddelen is verlopen en waar het geld aan wordt uitgegeven. In het voorjaar van 2021 wordt op basis van meerdere onderzoeken de tussenevaluatie van de werkdrukmaatregelen opgesteld.

Sectoroverstijgend verkennen we hoe we het beste uitvoering kunnen geven aan de afspraak uit het Regeerakkoord over lesgeven in het beroepsonderwijs en willen we bestuurlijke afspraken maken over het traject Opleiden in de school. In een dekkend regionaal netwerk zal samengewerkt worden tussen lerarenopleidingen en onderwijsinstellingen. Doel is dat leraren meer in de praktijk van de onderwijsinstellingen worden opgeleid en startende docenten beter begeleid worden.

Op 9 april 2018 hebben we met de Vereniging Hogescholen, de VSNU, het ISO en de LSVb afspraken gemaakt over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken hoger onderwijs 2019–2024. De kwaliteitsafspraken zijn gekoppeld aan de middelen van het studievoorschot. Met deze middelen willen de betrokken partijen een zichtbare kwaliteitsverbetering van het onderwijs realiseren. Uitgangspunt bij de vormgeving van de kwaliteitsafspraken is het bieden van ruimte aan en vertrouwen in de instellingen. Bestuurders, docenten, studenten en andere belanghebbenden kunnen met elkaar het gesprek aangaan om te bepalen met welke investeringen de onderwijskwaliteit van de instelling het best kan worden verbeterd.

Bij de kwaliteitsafspraken voor hbo en wo is «intensiever en kleinschalig onderwijs» één van de zes inhoudelijke thema’s waarin hogescholen en universiteiten hun extra middelen vanuit het studievoorschot kunnen investeren. Een ander thema is «verdere professionalisering van docenten». Op landelijk niveau is eind 2016 het Comeniusprogramma (door NRO) en begin 2018 het Comeniusnetwerk (door KNAW) geïntroduceerd waarbij docenten een Teaching-, Senior- of Leadershipbeurs kunnen aanvragen voor de innovatie van hun onderwijs. Dit beurzenprogramma voor docenten en onderwijsleiders dient bij te dragen aan het vergroten van het innovatievermogen van het hoger onderwijs en aan meer gevarieerde carrièrepaden voor docenten.

3. Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Tabel: Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Verhogen kwaliteit technisch vmbo1

       

2020

 

VO

     

PM

Dekkend aanbod technisch vmbo2

       

2020

 

VO

     

PM

Aandeel afgestudeerden bèta-techniek3

 

2012

2016

2017

2020

HBO

18%

19%

20%

Hoger

 

WO

21%

25%

26%

Hoger

Aandeel mbo techniek3

 

2011

2016–2017

2017–2018

2020

 

MBO

28%

27%

27%

Hoger

Arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau4

 

Cohort 2012–2013

Cohort 2013–2014

Cohort 2014–2015

2020

 

MBO

       
 

Entree

66%

69%

60%

Hoger

 

Niv. 2

77%

79%

79%

 
 

Niv. 3

85%

88%

90%

 
 

Niv. 4

83%

87%

88%

 

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was5

 

2012

2014

2016

2020

 

MBO

79%

75%

77%

Hoger

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft6

 

2016

2018

 

2020

 

MBO

77%

77%

 

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft7

 

2016

2018

 

2020

 

MBO

76%

80%

 

Vasthouden

Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit (LLL)8

 

2010

2016

2017

2020

 

MBO

17%

18,8%

19,1%

20%

Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt in het hbo9

         
 

HO

       

Aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt in het wo10

         
 

HO

       
1

Met NRO in gesprek over de monitoring van de inzet van de € 100 miljoen technisch vmbo. Cijfers zullen begin 2019 beschikbaar komen.

2

Zie voetnoot 1.

3

Bron: DUO

4

Bron: CBS maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplomering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

5

Bron: ROA, BVE-Monitor

6

Bron: Onderzoek SBB. De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar.

7

Bron: zie voetnoot 6

8

Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS)

9

In verband met onderzoek naar daling indicator aansluiting arbeidsmarkt hbo & wo schrappen we deze indicator uit de begroting. Een nieuwe indicator voor zowel hbo als wo wordt ontwikkeld. Zie ook Kamerbrief over het onderzoek naar daling indicator aansluiting arbeidsmarkt.

10

Zie voetnoot 9.

Eerder benoemden we als primaire taak van het onderwijs het tot bloei laten komen van kinderen en jongeren, en het voorbereiden van hen op de verantwoordelijkheden die ze in de toekomst zullen dragen. In paragraaf 1 gaven we aan hoe we het opleiden voor de samenleving van de toekomst versterken door de herijking van het curriculum en door verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen. In deze paragraaf willen we aandacht besteden aan de leerlingen van nu die ook de werknemers en ondernemers van de toekomst zijn. Om de waarde van opleidingen voor het individu en de maatschappij te vergroten dienen opleidingen aan te sluiten op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. We versterken het beroepsonderwijs (vmbo-mbo) door regionale afspraken om de aansluiting tussen het vmbo en mbo te verbeteren, extra te investeren in de realisatie van kwalitatief hoogstaand dekkend aanbod van vmbo techniek onderwijs, doorlopende leerroutes vmbo-mbo te ontwikkelen en we bereiden de samenvoeging van de gemengde en theoretische leerwegen voor.

Naast een betere doorstroom van vmbo naar mbo werken we aan het verbeteren van de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt (indicatoren Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was, Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft en Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft). Dit is een van de speerpunten van de nieuwe Kwaliteitsafspraken mbo. Met deze afspraken wordt het opleidingsaanbod sterker dan nu verbonden met de kenmerken en ontwikkelingen van het werkgebied. We vragen de scholen om expliciet aandacht te besteden aan verbetering van het arbeidsmarktrendement van opleidingen en hun opleidingenportfolio hierop nog beter af te stemmen. Mochten er toch opleidingen worden aangeboden met gebrekkig arbeidsmarktrendement dan hebben wij mogelijkheden om in te grijpen (indicator Arbeidsmarktrendement). Om de aansluiting van het mbo op de arbeidsmarkt te verbeteren stimuleren wij vormen van praktijkleren en hybride onderwijs, waarbij werken en leren met elkaar verweven zijn. Ook komt er een experiment met regionale ruimte in de kwalificatiestructuur waardoor scholen ruimte krijgen om een deel van hun onderwijs in de regio te ontwikkelen en zo dus regionaal in te kleuren; zo sluit het mbo goed aan op de behoeften van het regionaal bedrijfsleven. De experimenteer-AMvB die hiertoe de benodigde ruimte biedt, zal januari 2019 in werking te treden. In 2019 start daarnaast een nieuwe periode (2019–2022) voor het Regionaal Investeringsfonds. Hiervoor ontwikkelen we een nieuwe regeling en beoordelingskader.

In de sectorakkoorden hbo en wo wordt gewerkt aan een goede aansluiting van het opleidingsaanbod in het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt (macrodoelmatigheid). Deze aansluiting wordt periodiek geanalyseerd. Op basis van deze analyse kan worden beoordeeld welke indicatoren de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt het beste weergeven en welke in de begroting kunnen worden opgenomen. Bij knelpunten ten aanzien van macrodoelmatigheid komt de sector met voorstellen voor verbetering. In de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs is meer ruimte gecreëerd voor vernieuwing en responsiviteit. Daarmee kunnen instellingen beter inspelen op de snel veranderende arbeidsmarkt en kunnen ze studenten voorbereiden op beroepen die nog niet bestaan maar wel duidelijk in ontwikkeling zijn.

Om studenten internationale competenties en een wereldwijze blik mee te geven, zetten we in op evenwichtige internationalisering. Internationale ervaring kan worden opgedaan in het buitenland, maar ook door internationalisation at home. In 2018 starten we een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) internationale studenten om te onderzoeken welke kansen en risico’s er zitten aan de internationalisering van de studentenpopulatie, welke positieve en negatieve effecten er werkelijk optreden en welk beleid geschikt is om de positieve effecten te vergroten en de negatieve effecten te beperken.

Met grote uitdagingen zoals de energietransitie is het van belang dat meer studenten voor een technische opleiding kiezen (indicatoren over techniek). We hebben samen met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) de contouren geschetst van het nieuwe Techniekpact. Het komende jaar zullen we hiermee aan de slag gaan. In 2019 wordt ook verder onderzoek gedaan naar de herziening van de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs, met daarbij specifieke aandacht voor technische opleidingen. Maar het gaat niet alleen om het opleiden van jongeren, we zetten ook in op leven lang leren (indicator Percentage 25–64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit). Door verschuiving van middelen van 2020 naar 2019 zijn eerder middelen beschikbaar gekomen voor een actieprogramma met onder meer een programma flexibilisering in het mbo en een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden. In het ho wordt al geëxperimenteerd met flexibeler vormen van onderwijs, afgestemd op de wensen van volwassen studenten, onder meer in de sector Techniek & ICT. We blijven ons samen met de Minister van SZW inzetten voor het stimuleren van de Nederlandse leercultuur met een brede aanpak. Daarbij maken we onder andere afspraken met sociale partners over hun inzet in bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden en O&O fondsen en met andere belanghebbenden. Om meer maatwerk voor volwassenen te creëren zal de SBB (stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) in het najaar van 2018 starten met 15 pilots met certificaten voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties. Laaggeletterde werknemers ondersteunen we vanuit het programma Tel mee met taal. Dat programma is een jaar verlengd tot en met eind 2019. Vanuit het Regeerakkoord zijn extra middelen beschikbaar gesteld en extra aanvraagperioden mogelijk gemaakt. We zullen de Tweede Kamer in het voorjaar van 2019 informeren over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid, waarbij we kijken hoe het bereik en de effectiviteit van de aanpak kunnen worden vergroot.

4. Onderzoek van wereldformaat

Tabel: Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage open-access gepubliceerde artikelen1

 

2016

   

2020

 

OWB

42%

   

100%

1

Bron: VSNU

Het Regeerakkoord zet in op een modernere Europese begroting die onder andere meer is gericht op onderzoek en innovatie. Excellentie en impact zijn onze uitgangspunten bij de onderhandelingen over Horizon Europe, het volgende EU-financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie. Open science en open access zijn de norm in wetenschappelijk onderzoek. Zoals beschreven in het Nationaal Plan Open Science streven we naar 100% open access van publicaties in 2020 en het optimaal hergebruik van data. Daarnaast zal het komende jaar meer duidelijkheid komen over de ontwikkeling van de European Open Science Cloud (EOSC).

Nederlandse onderzoekers behoren tot de wereldtop. Op basis van de mondiale citatiescores staan we in de top 5. De internationale concurrentie is hevig en dus is het zaak onze positie te behouden. Een van de instrumenten hiervoor is de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Een belangrijk kenmerk van de NWA is dat de gehele kennisketen met elkaar wordt verbonden en versterkt. Het gaat om universiteiten, universitaire medische centra, hogescholen, Toegepast Onderzoek Organisaties (TO2-instellingen), Rijkskennisinstellingen en het bedrijfsleven. De NWA is ontstaan uit een grote hoeveelheid vragen uit de samenleving en daarom willen we de resultaten teruggeven. In 2019 zullen de eerste toekenningen aan onderzoeksvoorstellen een feit zijn en zal ook een nieuwe ronde starten.

Daarnaast willen we de basis versterken. Speciale aandacht besteden we aan bèta en technische wetenschappen en onderzoeksgroepen via sectorplannen. Met deze plannen wordt de samenwerking tussen de instellingen op onderzoek, onderwijs en maatschappelijke doelen vergroot. We versterken de basis ook door te investeren in digitale onderzoeksinfrastructuur. NWO komt samen met onder andere SURF, de Vereniging Hogescholen, de VSNU en de NFU in februari 2019 met plannen. Prioriteit ligt bij de nieuwe supercomputer.

Om het praktijkgericht onderzoek te stimuleren, geven we een impuls aan de kennisbasis in het hbo. Door extra investeringen kunnen hogescholen het praktijkgericht onderzoek verder uitbouwen en daarmee maatschappelijke impact vergroten en het onderwijs versterken. Zoals afgesproken in het Sectorakkoord hoger beroepsonderwijs 2018 starten we met de Vereniging Hogescholen een verkenning naar de uitdagingen en prioriteiten voor het praktijkgericht onderzoek in de toekomst en werken de hogescholen aan de ontwikkeling van Centres of Expertise in het hbo.

5. Cultuur

Tabel: Cultuur

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage scholen dat deelneemt aan het programma CMK1

 

2017

   

2020

 

Cultuur

42%

   

>50%

Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat2

 

2013

   

2020

 

Cultuur

87%

   

88%

1

Bron: Cultuureducatie met Kwaliteit

2

Bron: Erfgoedmonitor

Cultuur is van en voor iedereen. We investeren in de waarde van cultuur en een brede bereikbaarheid van het kunst- en cultuuraanbod. In de kabinetsbrief Cultuur in een open samenleving heeft het kabinet de vijf thema’s voor het cultuurbeleid beschreven: 1) cultuur maakt nieuwsgierig, 2) ruimte voor nieuwe makers en cultuur, 3) een leefomgeving met karakter, 4) cultuur is grenzeloos en 5) een sterke culturele sector. In 2019 worden deze thema’s uitgewerkt in concrete plannen.

Deze kabinetsperiode investeren we in de restauratie van monumenten zoals kerken. Met de extra investering kunnen circa 1%, ruim 600, meer monumenten gerestaureerd worden bovenop het budget waaruit het reguliere onderhoud en de jaarlijkse terugval van circa 2% gefinancierd wordt (indicator Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat). Voor de aanpak van de gevolgen van de aardbevingen in Groningen zijn extra middelen beschikbaar voor monumenten in deze regio. Het Nationaal Aankoopfonds, dat na de aankoop van de twee Rembrandt-portretten van Marten en Oopjen vrijwel leeg is, wordt aangevuld. In het Regeerakkoord hebben we afgesproken meer ruimte te maken in de cultuurfondsen voor vernieuwing en ontwikkeling. We gaan daarvoor een impuls geven aan een nieuwe generatie en eigentijdse cultuurvormen, zoals digitale kunst, virtual Reality en spoken word. Voor nieuwe cultuur en makers zijn extra middelen beschikbaar. Het cultuuronderwijs is een belangrijk speerpunt. We willen de positieve ontwikkeling, meer scholen met goed cultuuronderwijs, die in gang is gezet met het programma Cultuureducatie met Kwaliteit voortzetten en we reserveren middelen voor continuering van het programma (indicator Cultuureducatie). Daarnaast stellen we extra middelen beschikbaar voor scholen in het primair onderwijs om musea en historische plaatsen te bezoeken, via de prestatiebox. Scholen kunnen zelf een keuze maken. De verwachting is dat veel scholen ervoor kiezen het Rijksmuseum in Amsterdam te bezoeken. Daarom stellen we aan het Rijksmuseum extra middelen beschikbaar om meer scholieren uit het basisonderwijs te ontvangen. Verder ondersteunen we de verdere uitwerking van de arbeidsmarktagenda. Ook voor de cultuursector geldt het motto van het kabinet «eerlijk werk».

In 2019 zetten wij het stimuleringsbeleid voor de Creatieve Industrie voort. Dit beleid bestaat uit cultuursubsidies via het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, ondersteuning van Het Nieuwe Instituut en het Topsectorenbeleid dat gezamenlijk met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt uitgevoerd. In de brief van 11 juni 2018 is de modernisering van de Archiefwet 1995 aangekondigd, mede naar aanleiding van de motie Segers om de Archiefwet aan te passen aan de digitale ontwikkelingen en eisen van transparantie. In 2019 zijn voorstellen te verwachten die gereed zijn voor consultatie.

6. Media

Tabel: Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Alle afspraken uit prestatie-overeenkomst worden door NPO nagekomen1

 

2017

   

2020

 

Media

33/342

   

34/34

1

Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media

2

De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd

Media zijn van grote publieke waarde. De mediasector is volop in transitie. De komende jaren zijn bepalend voor de toekomst van de journalistiek en audiovisuele media in Nederland. Het aantal mensen dat televisie kijkt en abonnee is van een krant neemt nog steeds gestaag af, en dat heeft steeds grotere financiële gevolgen voor het traditionele advertentiegedreven verdienmodel van kranten en omroepen. Tegelijkertijd ontstaat er ook een volwassen online mediasector, met een groeiend belang van podcasts, nieuwsapps en online journalistieke media. Dat is een goede ontwikkeling, omdat er zo een groter aanbod ontstaat. Het belang van goede onderzoeksjournalistiek is immers onverminderd groot, de media vervullen een onontbeerlijke rol in de democratie. Zeker ook in de regio, waar de gemeenten door decentralisatie meer verantwoordelijkheid hebben gekregen en het belang van journalistieke controle daardoor urgenter is.

We zetten daarom in 2019 in op de versterking van (onderzoeks)journalistiek, met de nadruk op de regionale en lokale journalistiek. Het accent ligt op het stimuleren van (onderzoeks)journalistieke producties, investeringen in professionalisering en talentontwikkeling en innovatie van de journalistieke infrastructuur in Nederland. In samenwerking met het Ministerie van BZK en de VNG werken we aan verdere vorming van streekomroepen en professionalisering van lokale omroepen. Ook werken de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en de Regionale Publieke Omroep (RPO) aan een plan voor een pilot vensterprogrammering (regionale uitzendingen op landelijke zenders), waarmee samenwerking tussen regionale en landelijke omroepen vorm krijgt.

Net als andere partijen staat de landelijke publieke omroep voor de uitdaging om de teruglopende reclame-inkomsten op te vangen. De NPO zal het komende jaar verdere invulling geven aan de Prestatieovereenkomst 2017–2020 (indicator Alle afspraken uit prestatieovereenkomst worden door NPO nagekomen). De NPO heeft de opdracht om een financieel bestendig plan te maken voor 2019. We gaan in gesprek met de NPO over de keuzes die gemaakt worden, omdat die van grote invloed kunnen zijn op de maatschappelijke relevantie van de landelijke publieke omroep. De ontwikkeling van reclame-inkomsten zullen we nauwgezet volgen. De komende periode zetten we tot slot in op het vormen van een strategische toekomstagenda samen met de mediasector zelf. De ambitie is om met de sector samen te komen tot een plan om ervoor te zorgen dat we sterke Nederlandstalige producties en nieuwsvoorzieningen behouden.

7. Emancipatie

Tabel: Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Acceptatie LHBTI1

 

2010

2016

 

2020

 

Emancipatie

90%

93%

 

≥ 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies2

 

2017

   

2020

 

Emancipatie

RvB: 11,7% RvT: 16,2%

   

≥ 30%

1

Bron: LHBT monitor (SCP)

2

Bron: Bedrijvenmonitor topvrouwen 2017

Zoals in het Regeerakkoord staat beschreven: in Nederland is iedereen gelijkwaardig en heeft iedereen de vrijheid om te houden van wie zij willen en heeft iedereen de vrijheid om zichtbaar zichzelf te kunnen zijn. Emancipatie en het beschermen van onze waarden hebben continu onze aandacht nodig. In de Emancipatienota hebben we hieraan verdere uitwerking gegeven. Voor ons is het principe leidend dat alle burgers hun leven moeten kunnen inrichten zoals zij dat willen. Daarmee kwamen we tot drie samenhangende thema’s: arbeidsmarkt, sociale veiligheid en acceptatie, én genderdiversiteit en gelijke behandeling. Dit jaar komen maatregelen voortkomend uit de regenboogafspraken uit het Regeerakkoord gereed op het terrein van lerarenopleidingen in het onderwijs, suïcidepreventie onder lhbti-jongeren, modernisering transgenderwet, de internetconsultatie verhoging stafmaximum voor haatzaaien. De overige maatregelen op het terrein van meerouderschap, regionale lhbti-netwerkversterking en aanpak onnodige geslachtsregistratie volgen later, zoals gepland.

Op de arbeidsmarkt streven we naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van arbeid en inkomen. 2019 is een belangrijk jaar voor de doelstelling om het aantal vrouwen in hoge functies te laten toenemen (indicator Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies groter of gelijk aan 30%), omdat we dan de balans zullen opmaken. Een andere prioriteit is de economische en financiële zelfstandigheid van vrouwen. Samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werken wij aan het verhogen van het aantal vrouwen dat werkt en van het aantal uren dat zij werken. Voor meer sociale veiligheid en acceptatie van lhbti-personen (indicator Acceptatie LHBTI groter dan of gelijk aan 90%) gaan we de lokale aanpak versterken. We breiden het aantal regenboogsteden uit en starten een pilot voor «Veilige Steden». Daarbij zetten we in het bijzonder in op de preventie van geweld tegen vrouwen.

Om meer genderdiversiteit te bereiken, willen we het bewustzijn van professionals en organisaties vergroten. Dat doen we bijvoorbeeld door het vergroten van diversiteit in lesmaterialen en door mediabedrijven te stimuleren zich aan te sluiten bij de media-alliantie. Internationaal zetten we in op meer gendergelijkheid door naleving van het CEDAW-verdrag (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women). Met ons emancipatiebeleid dragen we bij aan de uitvoering van internationale afspraken, zoals de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en het VN-Vrouwenrechtenverdrag.

2.1 Beleidsartikel 1. Primair onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 150,7 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het grootste deel van de verhoging van de verplichtingenstand komt doordat de bekostiging in het primair onderwijs op schooljaarbasis wordt verstrekt en verplicht. Hierdoor ontstaat er een afwijking tussen de gerealiseerde verplichtingen en het verplichtingenbudget zoals opgenomen in de administratie. In 2019 zijn niet de reguliere uitgaven voor het kalenderjaar 2019 verplicht, maar de reguliere uitgaven voor het schooljaar 2019/2020. Deze verplichting betreft deels uitgaven 2019 (die voor de laatste vijf maanden van het jaar), maar ook deels uitgaven 2020 (die voor de eerste zeven maanden van 2020).

Uitgaven

Het budget wordt met € 42,3 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is € 36,4 miljoen minder uitgegeven aan bekostiging. Dit komt doordat de bekostigingsuitgaven lager waren dan geraamd. Dit is een cumulatief effect van onder andere lagere uitgaven op de oude gewichtenregeling en de CUMI regeling, hogere fusieopbrengsten en hogere ontvangsten.

Subsidies

Er is € 8,4 miljoen minder uitgegeven aan subsidies. Het grootste deel hiervan is terug te voeren op het 'Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020/2021'. Hierin worden onder andere de individuele scholingsrechten voor 2020/2021 voor het primair onderwijs (po) in lijn gebracht met die in het voortgezet onderwijs (vo). Voor 2020 komt de benodigde € 10,6 miljoen uit de begroting 2019, dit is verdeeld over artikel 1 (€ 5,3 miljoen) en artikel 3 (€ 5,3 miljoen). Deze ruimte is op het instrument Subsidies na Najaarsnota ontstaan. Bij Voorjaarsnota 2020 wordt deze ruimte ingezet voor de maatregel individuele scholingsrechten po in 2020.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 6,4 miljoen verhoogd.

2.1 Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties

Tabel 2 Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2019 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1 miljoen)
  

Artikelnr.

Uitgaven

Stand vastgesteld begroting 2019

 

42.024,2

Stand 1e suppletoire begroting 2019

 

43.047,1

Belangrijkste suppletoire mutaties:

  

1)

Investering funderend onderwijs

1 en 3

300,0

2)

Intensivering zij-instroom

9

11,2

3)

Mee- en tegenvallers

diverse

‒ 42,2

4)

Aanvullende middelen media

15

3,0

5)

Kasschuiven

diverse

‒ 9,1

6)

Overlopende verplichtingen

diverse

‒ 2,8

7)

Niet kaderrelevante mutaties

11,12

‒ 128,0

8)

Desalderingen

diverse

18,2

9)

Overige mutaties

diverse

24,0

Stand 2e suppletoire begroting 2019

 

43.221,329

Toelichting

  • 1. Investering funderend onderwijs

    In het najaar van 2019 is een convenant gesloten waarin een gezamenlijke aanpak van het personeelstekort in het funderend onderwijs is afgesproken. Eén van de maatregelen is een extra investering in het primair en voortgezet onderwijs van € 300,0 miljoen in 2019. Zowel voor het primair als het voortgezet onderwijs wordt er € 150,0 miljoen beschikbaar gesteld.

  • 2. Intensivering zij-instroom

    Dit budget wordt met € 11,2 miljoen verhoogd om alle aanvragen te kunnen honoreren. Deze intensivering wordt gedekt uit meevallers op de OCW-begroting. Daarnaast komt er voor de zij-instroom een bedrag van € 3,0 miljoen automatisch beschikbaar door lagere aanvragen op korte scholingstrajecten en instructeursbeurs mbo.

  • 3. Mee- en tegenvallers

    Dit betreft het saldo van diverse mee- en tegenvallers van € 42,2 miljoen. De belangrijkste worden hier toegelicht.

    • De grootste meevallers komen van de regelingen lerarenbeurs en schoolleidersbeurs van respectievelijk € 6,8 en € 5,3 miljoen.

    • Er is in totaal een meevaller van € 20,0 miljoen op de studiefinanciering (artikel 11). Dit betreft de optelsom van diverse mee- en tegenvallers. De grootste meevaller is het gevolg van het nieuwe PVS systeem dat ervoor zorgt dat er minder uitgaven op het lager achterstallig recht zijn. De grootste tegenvaller betreft het budget voor de reisvoorziening dat moest worden verhoogd vanwege de realisatiegegevens tot nu toe.

  • 6. Aanvullende middelen media

    Voor de regionale, lokale en streekomroepen is € 3,0 miljoen toegevoegd aan de beschikbare Rijksmediabijdrage in 2019.

  • 7. Kasschuiven

    Deze post is het saldo van diverse kasschuiven op de OCW-begroting van bij elkaar € 9,1 miljoen. Zo worden er middelen uit 2019 doorgeschoven naar latere jaren omdat de uitgaven in andere jaren zullen plaatsvinden dan eerder was geraamd. Dit betreft onder andere de kasschuif voor de middelen voor Leven Lang Ontwikkelen (€ 5,8 miljoen) om deze in overeenstemming te brengen met het verwachte betalingsritme. En de geplande vervanging van mobiele telefoons en de uitrol van nieuwe werkplek software die vertraagd zijn en worden doorgeschoven van 2019 naar 2020 (bij elkaar € 4,5 miljoen).

  • 8. Overlopende verplichtingen

    Op diverse artikelen zijn er verplichtingen die niet meer in 2019 tot uitgaven zullen leiden maar wel in 2020. Het gaat hier in totaal om € 2,8 miljoen.

  • 9. Niet kaderrelevante mutaties

    De niet-relevante uitgaven voor studiefinanciering zijn € 128,0 miljoen lager dan geraamd. Dit betreft voornamelijk de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet dat naar beneden is bijgesteld op basis van de actuele realisatiecijfers van dit jaar.

  • 10. Desalderingen

    Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten. De grootste desaldering binnen dit bedrag betreft de terugstorting aan het Participatiefonds van de terugvordering bij scholen als gevolg van onterechte declaraties van wachtgeldkosten.

  • 11. Overige mutaties

    Dit betreft verschillende overboekingen met andere departementen. Enkele voorbeelden van deze overboekingen: een overboeking vanuit het ministerie van LNV voor € 10,6 miljoen voor het programma Praktijk Gericht Onderzoek voor Voedsel en Groen aan de hogescholen en het programma ten behoeve van coaching en opleiding op het vlak van agrarische bedrijfsopvolging. Een andere noemenswaardige overboeking die heeft plaatsgevonden is die van het ministerie van VWS naar het ministerie van OCW van € 5,0 miljoen voor het stilstaan bij het feit dat Nederland 75 jaar geleden is bevrijd. Dit geld zal worden gebruikt voor de modernisering van een aantal oorlogsmusea, voor wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en voor het vergemakkelijken van de digitale toegang tot bronnen en archieven van de Tweede Wereldoorlog. Het ministerie van SZW heeft een overboeking van € 3,5 miljoen gedaan voor de aanpak van laaggeletterdheid.

    Het ministerie van OCW heeft een overboeking van € 8,4 miljoen gedaan aan het ministerie van JenV. Door een dalend aantal plaatsen in justitiële jeugdinrichtingen dalen ook de kosten voor het onderwijs. De teveel ontvangen bijdrage wordt terugbetaald aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).

Tabel 3 Belangrijkste suppletoire ontvangstenmutaties 2019(Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1 miljoen)
  

Artikelnr.

Ontvangsten

Stand vastgesteld begroting 2019

 

1.329,2

Stand 1e suppletoire begroting 2019

 

1.307,9

Belangrijkste suppletoire mutaties:

  

1)

Mee- en tegenvallers

diverse

‒ 19,2

2)

Rente studiefinanciering

11

‒ 10,0

3)

Niet kaderrelevante meevaller

11

30,0

4)

Desalderingen

diverse

18,2

Stand 2e suppletoire begroting 2019

 

1.326,9

Toelichting

  • 1. Meevallers

    Dit betreft het saldo van diverse meevallers van € 19,2 miljoen. De grootste meevaller betreft de ontvangsten op de raming van studiefinanciering. De ontvangsten op kortlopende vorderingen worden met € 20,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Er is een lager bedrag dan aanvankelijk was geraamd aan studiefinanciering betaald waar de ontvanger uiteindelijk geen recht op bleek te hebben. Hierdoor daalt ook het bedrag aan verwachte ontvangsten.

  • 2. Rente studiefinanciering

    De ontvangen rente wordt met € 10,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Uit de reeds bekende realisatie van DUO blijkt dat de renteontvangsten lager zijn dan geraamd. Deze tegenvaller komt conform de begrotingsregels ten laste van het generale beeld.

  • 3. Niet kaderrelevante meevaller

    Bij studiefinanciering zijn de niet-relevante ontvangsten op de terugontvangen hoofdsom met € 30,0 miljoen naar boven bijgesteld. Uit de realisatiegegevens blijkt dat er een iets hoger bedrag is terugbetaald aan leningen.

  • 4. Desalderingen

    Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten. De grootste desaldering binnen dit bedrag betreft de terugstorting aan het participatiefonds van de terugvordering bij scholen als gevolg van onterechte declaraties van wachtgeldkosten.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 1) als de ontvangsten (tabel 2).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen (tabellen 3 t/m 8).

Tabel 1 Belangrijkste beleidsmatige mutaties (p. 21)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

 

40.383,8

40.650,0

40.573,5

40.631,6

40.679,1

 

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

191,7

211,1

161,4

189,3

212,7

 

2) Specifieke dekking tegenvaller Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

– 125,3

– 211,1

– 44,6

– 45,7

– 45,9

 

3) Taakstelling OCW-brede problematiek

91

0,0

0,0

– 114,4

– 140,3

– 156,2

 

4) Eindejaarsmarge

91

96,2

0,0

0,0

0,0

0,0

 

5) Kasschuiven

diverse

819,9

138,3

– 417,0

– 432,7

– 224,9

 

6) Loonbijstelling

diverse

703,3

705,9

704,0

703,8

700,7

 

7) Prijsbijstelling

diverse

149,7

155,3

156,5

157,4

156,7

 

8) Regeerakkoordmaatregelen

diverse

356,5

524,7

543,1

509,1

462,1

 

9) Scholingsaftrek

4

0,0

– 218,0

0,0

0,0

0,0

 

10) Niet-kader relevante mutaties

11,12

27,6

67,1

74,7

67,5

59,9

 

11) Daling STER-inkomsten

15

– 28,4

– 36,0

– 39,6

– 54,7

– 53,8

 

13) Overige mutaties

diverse

– 14,2

– 3,1

– 3,0

– 2,9

– 2,8

 

Stand ontwerpbegroting 2019

42.560,8

41.984,2

41.594,6

41.582,4

41.787,6

42.115,0

Tabel 2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten) (Bedragen x € 1 miljoen)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

               

Stand ontwerpbegroting 2018

 

1.380,6

1.414,7

1.487,6

1.554,3

1.633,2

 

Belangrijkste mutaties:

             

1) Leerlingen- en studentenontwikkeling

12,13

0,4

– 1,0

– 0,5

0,2

0,6

 

3) Niet kaderrelevante mutaties

11

– 35,3

– 38,5

– 47,9

– 57,2

– 70,1

 

4) Rente studiefinanciering

11

– 11,1

– 12,4

– 11,8

– 8,5

– 3,5

 

5) Lagere reclame opbrengsten en STER-raming

15

– 28,4

– 36,0

– 39,6

– 54,7

– 53,8

 

6) Overige mutaties

diverse

11,1

2,4

2,4

2,6

9,5

 

Stand ontwerpbegroting 2019

 

1.317,3

1.329,2

1.390,2

1.436,7

1.515,9

1.555,2

Toelichting:

Leerling- en studentenontwikkeling

In de begroting is de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen, alsmede van de kaderrelevante uitgaven aan de studiefinanciering verwerkt. Uit de ramingen in 2018 blijkt dat zowel de leerlingen- en studentenaantallen als de uitgaven aan de studiefinanciering hoger uitvallen dan de in de OCW-begroting 2018 verwerkte aantallen. Hierachter gaan verschillende bewegingen schuil, zoals bijvoorbeeld een stijging in de omzettingen van prestatiebeurs in gift. Dit hangt samen met het zogenaamde boeggolfeffect van de invoering van het Studievoorschot; studenten die in 2013 vervroegd zijn ingestroomd om nog voor de basisbeurs in aanmerking te komen leiden nu tot extra uitstroom en omzettingen.

Specifieke dekking tegenvaller leerlingen- studentenontwikkeling en raming studiefinanciering

De tegenvaller op de leerlingen en studentontwikkeling en raming studiefinanciering wordt in 2019 gedekt door inzet van loon- en prijsbijstelling tranche 2018 (€ 149 miljoen, deels door middel van een kasschuif), meevallers en bijstellingen (€ 25 miljoen, waaronder € 15 miljoen onderuitputting lerarenbeurs in 2018), een korting op de subsidieregeling praktijkleren (€ 19 miljoen) en een lumpsumkorting hoger onderwijs (€ 19 miljoen).

Taakstelling OCW-brede problematiek

Om de begroting meerjarig sluitend te maken, is er vanaf 2020 een taakstelling op de OCW-begroting geplaatst.

Eindejaarsmarge

In 2017 zijn enkele budgetten niet volledig tot besteding gekomen. De eindejaarsmarge wordt ingezet voor overlopende verplichtingen die alsnog in 2018 tot betaling zijn gekomen en ter dekking van de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling en de raming van de studiefinanciering.

Kasschuiven

Op diverse budgetten vinden kasschuiven plaats. Conform het Bestuursakkoord mbo 2018-2-22 is het resultaatafhankelijke budget van € 200 miljoen doorgeschoven van 2022 naar 2023. Ter optimalisatie van het kasritme van de staat wordt de verplichting aan de vervoersbedrijven voor de OV-studentenkaart in 2018 vooruitbetaald via een kasschuif.

Loon- en prijsbijstelling

De loon- en prijsbijstelling tranche 2018 is uitgekeerd aan de departementen. Zie het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk voor de verdeling over de begrotingsartikelen.

Regeerakkoordmaatregelen

Er zijn diverse Regeerakkoordmiddelen aan de OCW-begroting toegevoegd. Een deel van de Regeerakkoordmiddelen was via nota’s van wijziging al aan de vorige begroting toegevoegd.

Bijdrage scholingsaftrek

Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Financiën. In 2019 blijft namelijk de fiscale scholingsaftrek nog behouden.

Niet kader-relevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat hogere niet-kaderrelevante uitgaven zien voor 2018 en verder, ten opzichte van de raming die in de OCW-begroting 2018 verwerkt is.

Daling STER-inkomsten

Er is sprake van een structureel dalende trend van de reclame-ontvangsten bij de landelijke publieke omroep.

Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten en overboekingen van en naar andere departementen.

Rente studiefinanciering

De raming voor studiefinanciering laat lagere renteontvangsten zien dan de in de OCW-begroting 2018 verwerkte raming. Conform de begrotingsregels worden mutaties in de renteontvangsten generaal verwerkt.

Tabel 3 hieronder geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte III en tabel 4 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 5 geeft een saldo van tabel 3 en 4 weer.

In tabellen 6 t/m 8 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan uitgesplitst per sector weergegeven. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat een deel van de middelen per sector op begrotingsartikel 95 (apparaatsuitgaven) belanden.

Tabel 3 Intensiveringen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

1

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. € 20 miljoen kleine scholen)

1

108.000

257.000

257.000

257.000

257.000

257.000

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

6, 16

25.000

38.000

50.000

50.000

50.000

50.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

55.000

0

0

0

0

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

48.270

52.145

52.120

51.120

51.160

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

15

5.000

0

0

0

0

0

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name Nationaal Restauratiefonds)

14

98.500

101.400

60.000

25.000

0

0

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

9.000

13.000

14.000

13.000

12.000

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen)

6, 7

70.000

165.000

165.000

170.000

170.000

175.000

Totaal

 

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Tabel 4 Ombuigingen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

G46 Doelmatiger onderwijs

diverse

– 20.000

– 92.000

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Korting regeling praktijkleren

4

 

– 19.452

       

Korting lumpsum ho

6, 7

 

– 19.452

       

Subsidieverlaging

diverse

– 34.261

0

0

0

0

0

Totaal

 

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Tabel 5 Saldo intensiveringen en ombuigingen (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Intensiveringen

diverse

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Ombuigingen

diverse

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Totaal

 

1.034.239

1.620.766

1.668.145

1.521.120

1.319.120

1.323.160

Tabel 6 Intensiveringen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

431.000

676.500

716.500

716.500

716.500

716.500

Voortgezet onderwijs

3

45.000

87.106

138.575

138.826

118.405

118.001

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

5.000

6.993

7.834

7.989

7.672

7.387

Hoger beroepsonderwijs

6

65.602

134.188

138.914

141.393

139.868

141.516

Wetenschappelijk onderwijs

7

19.398

54.213

56.177

59.292

60.555

63.596

Cultuur

14

123.500

149.670

112.145

77.120

51.120

51.160

Media

15

5.000

0

0

0

0

0

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

150.000

228.000

225.000

225.000

225.000

225.000

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.088.500

1.751.670

1.805.145

1.704.120

1.502.120

1.506.160

Tabel 7 Ombuigingen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

– 19.916

– 30.664

– 45.663

– 60.996

– 60.996

– 60.996

Voortgezet onderwijs

3

– 10.771

– 23.786

– 35.420

– 47.313

– 47.313

– 47.313

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

– 17.065

– 32.118

– 18.862

– 25.195

– 25.195

– 25.195

Hoger beroepsonderwijs

6

– 2.513

– 16.581

– 13.104

– 17.503

– 17.503

– 17.503

Wetenschappelijk onderwijs

7

– 3.354

– 24.800

– 19.551

– 26.116

– 26.116

– 26.116

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

– 642

– 2.955

– 4.400

– 5.877

– 5.877

– 5.877

Totaal

 

– 54.261

– 130.904

– 137.000

– 183.000

– 183.000

– 183.000

Tabel 8 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector (Bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs

1

411.084

645.836

670.837

655.504

655.504

655.504

Voortgezet onderwijs

3

34.229

63.320

103.155

91.513

71.092

70.688

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

– 12.065

– 25.125

– 11.028

– 17.206

– 17.523

– 17.808

Hoger beroepsonderwijs

6

63.089

117.604

125.810

123.890

122.365

124.013

Wetenschappelijk onderwijs

7

16.044

29.413

36.626

33.176

34.439

37.480

Cultuur

14

123.500

149.670

112.145

77.120

51.120

51.160

Media

15

5.000

0

0

0

0

0

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

149.358

225.045

220.600

219.123

219.123

219.123

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.034.239

1.620.766

1.668.145

1.521.120

1.319.120

1.323.160

2.2 Beleidsartikel 3. Voortgezet onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 154,5 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is € 117,2 miljoen meer gerealiseerd aan verplichtingen voor bekostiging. Dit komt enerzijds van de hoofdbekostiging omdat daar de verplichtingen lager uitvallen. De loonbijstelling tranche 2019 voor 2020 was nog niet in 2019 verplicht. Dit komt vanwege de werkzaamheden voor de extra uitbetaling als gevolg van het afgesloten convenant. Hierdoor vond de verplichting van de loonbijstelling tranche 2019 nu plaats in januari 2020. Daarnaast werden de verplichtingen voor Sterk Techniekonderwijs in 2020 geboekt, waar 2019 het correcte jaar is waarin de verplichtingen zijn aangegaan. Dit is gecorrigeerd in de Financiële administratie.

Subsidies

De verplichtingen op de subsidies worden met € 20,7 miljoen verhoogd. Dit komt vooral door de verplichting op Stichting Kennisnet die voor vijf jaar is aangegaan en is geboekt in 2019.

Garantieverplichtingen

Er is per saldo voor € 19,6 miljoen aan garantieverplichtingen verleend.

Uitgaven

Het budget wordt met € 18,0 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

Er is € 10,2 miljoen minder uitgegeven aan subsidies. Het grootste deel hiervan is terug te voeren op het 'Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020/2021'. Hierin worden onder andere de individuele scholingsrechten voor 2020/2021 voor het primair onderwijs (po) in lijn gebracht met die in het voortgezet onderwijs (vo). Voor 2020 komt de benodigde € 10,6 miljoen uit de begroting 2019, dit is verdeeld over artikel 1 (€ 5,3 miljoen) en artikel 3 (€ 5,3 miljoen). Deze ruimte is op het instrument Subsidies na Najaarsnota ontstaan. Bij Voorjaarsnota 2020 wordt deze ruimte ingezet voor de maatregel individuele scholingsrechten po in 2020. De overige € 4,9 miljoen is voornamelijk te wijten aan minder aanvragen op andere subsidies.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 1,7 miljoen verlaagd.

2.3 Beleidsartikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 26,0 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Garantieverplichtingen

Er is per saldo voor € 20,3 miljoen aan garantieverplichtingen verleend.

Uitgaven

Het budget wordt met € 7,4 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,1 miljoen verlaagd.

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (Bedragen x € 1.000)

Art.nr.

Naam artikel + totale uitgaven

Juridisch verplicht (totale uitgaven +%)

Niet-juridisch verplicht (totale uitgaven + %)

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Primair onderwijs

€ 11.270.715

€ 31.646

Nog nader in te vullen subsidies (€ 27.901)

 

€ 11.302.361

99,72%

0,28%

Opdrachten (€ 3.745)

3

Voortgezet onderwijs

€ 8.545.090

€ 66.766

Nog nader in te vullen

bekostiging (€ 400)

 

€ 8.611.856

99,23%

0,77%

       

subsidies (€ 60.461)

       

bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 195)

       

Opdrachten (€ 5.710)

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

€ 4.563.520

€ 13.456

Nog nader in te vullen subsidies (€ 11.050)

 

€ 4.576.976

99,69%

0,31%

Opdrachten (€ 1.091)

       

Bijdrage aan medeoverheden (€ 1.316)

6

Hoger onderwijs

€ 3.277.589

€ 153

Nog nader in te vullen subsidies (€ 153)

 

€ 3.277.742

99,99%

0,01%

7

Wetenschappelijk onderwijs

€ 4.897.077

€ 1.652

Nog nader in te vullen subsidies (€ 478)

 

€ 4.898.729

99,97%

0,03%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.174)

8

Internationaal beleid

€ 12.316

€ 469

Nog nader in te vullen subsidies (€ 207)

 

€ 12.785

96,3%

3,7%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 207)

       

Nog nader in te vullen internationale organisatie (€ 55)

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

€ 92.746

€ 75.809

Nog nader in te vullen subsidies (€ 73.441) en

 

€ 168.555

54,8%

44,7%

Opdrachten (€ 2.368)

14

Cultuur

€ 899.849

€ 67.854

Nog nader in te vullen subsidies (€ 56.790)

 

€ 967.703

93%

7%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 10.117)

       

Nog nader in te vullen bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 947)

15

Media

€ 959.125

€ 1.704

Nog nader in te vullen Bekostiging (€ 320)

 

€ 960.829

99,8%

0,2%

Nog nader in te vullen subsidies (€ 894)

       

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 430)

       

Internationale contributies (€ 60)

16

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

€ 1.224.686

€ 3.685

Nog nader in te vullen subsidies (€ 3.585)

 

€ 1.228.371

99,7%

0,3%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 0,1)

25

Emancipatie

€ 11.493

€ 4.387

Nog nader in te vullen Subsidies (€ 542)

 

€ 15.880

72,4%

27,6%

Opdrachten (€ 845)

       

Bijdrage aan medeoverheden (€ 3.000)

Totaal aan niet verplichte uitgaven

€ 267.581

   

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

Tabel planning beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Planning

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Geheel artikel?

1.

Primair onderwijs

         

 

3.

Voortgezet onderwijs

         

 

4.

Beroeps en volwasseneneducatie

   

       

6.

Hoger beroepsonderwijs

   

       

7.

Wetenschappelijk onderwijs

   

       

8.

Internationaal beleid1

               

9.

Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid

       

   

11.

Studiefinanciering

     

     

12.

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

           

13.

Lesgelden2

               

14.

Cultuur

       

   

15.

Media

     

     

16.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

       

   

25.

Emancipatie

 

         

Afgeronde en eerder toegezegde beleidsdoorlichtingen

               

Zie ook de bijlage «Overzicht evaluaties- en overig onderzoek».

Zie ook de Tabel realisatie beleidsdoorlichtingen.

1

Internationaal beleid is een restartikel en geen beleidsartikel. Er is dus geen beleidsdoorlichting gepland. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen.

2

Lesgelden: het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft ligt een beleidsdoorlichting niet in de rede.

2.4 Beleidsartikel 6. Hoger beroepsonderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 27,1 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Garantieverplichtingen

Er is per saldo voor € 27,1 miljoen meer aan garantieverplichtingen aangegaan in het kader van het schatkistbankieren.

Uitgaven

Het budget wordt met € 0,5 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,4 miljoen verhoogd.

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel Overzicht verstrekte garanties (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2017

Geraamd te verlenen 2018

Geraamd te vervallen 2018

Uitstaande garanties 2018

Geraamd te verlenen 2019

Geraamd te vervallen 2019

Uitstaande garanties 2019

Garantie-plafond

Totaal plafond

14

Indemniteitsregeling

284.298

119.560

156.535

247.323

0

0

247.323

300.000

14

Achterborg overeenkomst NRF

341.603

16.178

43.717

314.064

0

0

314.064

380.000

 

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

176.631

0

12.709

163.922

0

0

163.922

Toelichting:

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen ondermeer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

Het NRF verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het Nationaal Restauratiefonds is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel beduidend hoger dan de uitstaande leningen onder de Achterborg.

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

2.5 Beleidsartikel 7. Wetenschappelijk onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 23,1 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Garantieverplichtingen

Er is per saldo voor € 17,7 miljoen minder aan garantieverplichtingen aangegaan.

Uitgaven

Het budget wordt met € 0,4 miljoen verlaagd.

2.6 Beleidsartikel 8. Internationaal beleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 0,2 miljoen verlaagd.

Uitgaven

Het budget wordt met € 0,2 miljoen verlaagd.

2.7 Beleidsartikel 9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 4,8 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

De verplichtingen op de subsidies voor ‘Samen opleiden’ vallen € 6,5 miljoen hoger uit doordat de aanvragen voor schooljaar 2019/2020 van 16 nieuwe (aspirant)opleidingsscholen zijn verplicht in 2019.

Uitgaven

Het budget wordt met € 1,9 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,7 miljoen verlaagd.

2.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en de uitgaven worden met € 82,2 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

  • De relevante uitgaven voor de basisbeurs zijn in totaal € 17,7 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd. Dit is met name het gevolg van hoger dan geraamde omzettingen in gift van basisbeurzen.

  • De relevante uitgaven aan de reisvoorziening worden met € 32,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft voornamelijk hoger dan geraamde toekenningen in gift aan BOL studenten. Ook zijn de aantallen prestatiebeurzen OV hoger dan geraamd. Dit heeft een daling tot gevolg omdat het hier om tegenboekingen gaat.

  • De overige relevante uitgaven worden met € 24,9 miljoen naar boven bijgesteld waarmee wordt aangesloten op de gerealiseerde stand. Deze post kent onzekere fluctuaties.

  • De niet-relevante uitgaven aan de basisbeurs zijn € 32,1 miljoen hoger dan geraamd.

  • De niet-relevante uitgaven op de reisvoorziening prestatiebeurs worden op basis van realisatiegegevens met € 49,0 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft deels hogere uitgaven aan de toekenningen in prestatiebeurs en deels hogere uitgaven aan omzettingen. Omzettingen hebben op deze post altijd een negatief teken omdat de omzettingen verschuiven van deze post naar een gift-post of een lening-post. Lagere omzettingen zorgen op deze post dan ook voor een positieve mutatie.

  • De niet-relevante overige uitgaven worden per saldo met € 12,1 miljoen verlaagd op basis van realisatiegegevens.

Leningen

  • De uitgaven aan de leenvoorziening worden met € 146,9 miljoen omlaag bijgesteld. Uit de realisatiegegevens van DUO blijkt dat de stijgende trend in de leenbedragen van de afgelopen jaren dit jaar kleiner is. Op deze post worden ook omzettingen naar lening geboekt en mutaties in niet-relevante vorderingen. Ook deze posten waren lager dan geraamd.

  • De uitgaven aan het collegegeldkrediet worden met € 10,8 miljoen naar beneden bijgesteld op basis van realisatiegegevens.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 29,1 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De terugbetaling van de studieschuld wordt met € 22,9 miljoen omhoog bijgesteld. Dit bedrag is exclusief de rente.

2.9 Beleidsartikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en de uitgaven worden met € 4,4 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

  • De uitgaven voor vavo 18+ zijn verlaagd met €1,4 miljoen.

  • De niet-relevante uitgaven op de WTOS worden naar beneden bijgesteld met € 3,0 miljoen. Het betreft een verschuiving van deze uitgaven naar de overige uitgaven op artikel 11. Deze post vervalt in de toekomst.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,6 miljoen verlaagd.

2.10 Beleidsartikel 13. Lesgeld

Toelichting

Ontvangsten

Het budget wordt met € 13,9 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De lesgeldontvangsten worden, op basis van de realisatiegegevens, met € 13,9 miljoen omhoog bijgesteld, onder andere vanwege hogere aantallen bolstudenten in 2019/2020.

2.11 Beleidsartikel 14. Cultuur

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 132,6 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

  • Op het instrument bekostiging is per saldo voor € 143,8 miljoen minder verplicht dan geraamd. De belangrijkste mutatie hier is een verlaging van € 121,0 miljoen van de verplichtingen op de monumentenzorg voor de 'Subsidieregeling instandhouding rijksmonumenten'. De reden hiervan is dat bij Najaarsnota nog niet te overzien was welke impact een eventuele wijziging in registreren van aangegane verplichtingen in de monumentenzorg zou hebben. Daarom werd voorzichtigheidshalve preventief een bedrag aan verplichtingenruimte bijgeboekt.

  • De verplichtingen op de culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen zijn verlaagd met € 32,1 miljoen.

  • De verplichtingen op de culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen zijn verhoogd met € 19,3 miljoen.

  • De verplichtingen op de regeling «Cultuureducatie met Kwaliteit» bij het Fonds Cultuurparticipatie zijn verlaagd met € 10,2 miljoen.

Garantieverplichtingen

Er is per saldo voor € 18,8 miljoen aan garantieverplichtingen verleend.

Uitgaven

Het budget wordt met € 6,6 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,5 miljoen verhoogd.

2.12 Beleidsartikel 15. Media

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 109,8 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

  • De verplichtingen van de landelijke publieke omroep, regionale publieke omroepen, SOM en COBO worden verhoogd met € 55,5 miljoen. Deze budgetten zijn vastgesteld in de Mediabegrotingsbrief 2020.

  • De verplichtingen van een aantal andere (media) instellingen worden verhoogd met € 27,0 miljoen. Voor deze instellingen werd voorheen de verplichting vastgelegd in het jaar waarin de uitgaven werden gedaan. Dit was niet correct en daarom is besloten om dit te corrigeren in 2019. Dit betekent echter dat voor deze instellingen dit jaar twee keer een verplichting wordt aangegaan.

  • De verplichtingen op de AMr zijn verhoogd met € 25,0 miljoen. De hogere dotatie aan de AMr is voornamelijk het gevolg van hogere reclameopbrengsten van de STER dan geraamd.

Uitgaven

Het budget wordt met € 22,2 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

  • Het uitgavenbudget op de AMr is verhoogd met € 25,0 miljoen. De hogere dotatie aan de AMr is voornamelijk het gevolg van hogere reclameopbrengsten van de STER dan geraamd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 22,1 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De reclameopbrengsten van de STER zijn uiteindelijk met € 22,1 miljoen verhoogd.

2.13 Beleidsartikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 48,2 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is in totaal € 47,3 miljoen minder verplicht op de bekostiging. Dit komt door diverse correctie boekingen op de verplichtingen. In de begrotingscyclus worden de verplichtingen van jaar T in jaar T-1 ingeboekt. Het verschil in verplichtingen wordt hierdoor veroorzaakt.

Uitgaven

Het budget wordt met € 0,6 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 1,3 miljoen verhoogd.

2.14 Beleidsartikel 25. Emancipatie

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en de uitgaven worden met respectievelijk € 0,6 miljoen en € 0,2 miljoen verlaagd.

3 De beleidsartikelen

3. BELEIDSARTIKELEN

3 De Niet-Beleidsartikelen

3.1 Art.nr. 1 Primair onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 1.1 Kengetallen
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

 

0,07%

0,08%

0,09%

         

Aantallen

 

1.161

1.197

1.396

         

2

Aandeel leerlingen dat de referentie niveaus lezen, taal en rekenen haalt2

Lezen

1F

 

98%

98%

         
 

2F

 

76%

66%

         

Taalverzorging

1F

 

96%

96%

         
 

2F

 

56%

57%

         

Rekenen

1F

 

92%

93%

         
 

1S

 

44%

48%

         

3

Aandeel startende leraren dat een begeleidings-programma heeft gevolgd3

     

83%

           

4

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt4

     

97%

           
1

Bron: Leerplichttellingen; de cijfers betreffen schooljaar 2014–2015 tot en met 2016–2017.

2

Bron: College voor Toetsen en Examens; de cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015–2016 (het eerste schooljaar met verplichte rapportage) en 2016–2017. Voor schooljaar 2015–2016 zijn de cijfers opgenomen zoals aangepast in de rapportage 2016–2017.

3

De cijfers over 2017 worden in het najaar in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

4

Bron: ITS monitor naar Sociale Veiligheid; dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

Tabel 1.2 Leerlingen primair onderwijs (Aantallen x 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Leerlingen basisonderwijs1

             

geen gewicht

1.295,4

1.294,4

1.395,9

1.384,6

1370,4

1.357,8

1.347,4

gewicht 0,3

60,7

57,1

         

gewicht 1,2

58,2

53,3

         

Subtotaal

1414,3

1.404,7

1.395,9

1.384,6

1.370,4

1.357,8

1.347,4

Leerlingen trekkende bevolking2

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1414,7

1.405,1

1.396,3

1.385,0

1.370,8

1.358,2

1.347,8

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

34,0

34,3

34,6

35,0

35,1

35,0

34,9

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

67,3

66,8

66,0

65,7

65,4

65,3

65,4

Totaal PO3

1.516,0

1.506,2

1.496,9

1.485,7

1.471,3

1.485,5

1.448,1

1

In verband met de nieuwe bekostigingssystematiek onderwijsachterstanden, is de onderverdeling naar gewichtenleerlingen met ingang van teldatum 01-10-2019 vervallen.

2

Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

3

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 1.3 Uitgaven per leerling, excl. uitvoeringskosten (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Primair onderwijs1

6,9

7,4

7,5

7,6

7,6

7,5

7,6

Bekostiging2

6,6

7,1

7,1

7,1

7,1

7,0

7,2

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

5,4

5,9

5,9

5,9

5,9

5,8

5,9

1

De totale uitgaven uit tabel 1.4, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO’s/RWT’s, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

2

De bekostiging uit tabel 1.4, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

3

De bekostiging uit tabel 1.4, minus de ondersteuningsmiddelen zoals opgenomen in tabel 1.5, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 1.2.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van primair onderwijs, zoals de investeringen in werkdruk en salaris worden beschreven in de beleidsagenda. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de actualisatie bestuursakkoorden PO en de aanpassingen van de verdeling van de middelen voor onderwijsachterstanden.

Het bestuursakkoord PO is in 2017 geëvalueerd. Daarnaast is in het Regeerakkoord »Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat de afspraken uit het bestuursakkoord worden gehandhaafd, met uitzondering van de landelijke norm om zittenblijven bij kleuters terug te dringen. Op basis hiervan is het bestuursakkoord PO geactualiseerd. In het geactualiseerde bestuursakkoord – dat doorloopt tot en met 2020 – blijven we inzetten op vier hoofdlijnen: talentontwikkeling door uitdagend onderwijs, het ontwikkelen van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering, «professionele scholen» en doorgaande ontwikkellijnen. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2019 de laatste voortgangsrapportage en in 2020 de evaluatie.

In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de regering vanaf 2019 structureel € 170 miljoen per jaar investeert in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid voor een verruiming van het aanbod van voorschoolse educatie. In 2018 is alvast een deel (€ 40 miljoen) van de investering van 2019 uitgekeerd waardoor in 2019 een investering van € 130 miljoen resteert. Ook is in het Regeerakkoord vastgelegd dat de verdeling van middelen voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt geactualiseerd. Door het Centraal Bureau voor de Statistiek is een nieuwe indicator ontwikkeld die het risico op een onderwijsachterstand bij kinderen beter in beeld brengt. Deze indicator wordt vanaf 2019 gebruikt voor de verdeling van de middelen van het onderwijsachterstandenbeleid over basisscholen en gemeenten. De nieuwe verdeelsystematiek gaat in per 1 januari 2019 voor gemeenten en per schooljaar 2019–2020 voor basisscholen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 1.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

10.632.968

11.144.612

11.302.400

11.241.779

11.178.741

11.113.401

11.053.470

Waarvan garantieverplichtingen

19.065

502

         

Totale uitgaven

10.494.756

11.144.065

11.302.361

11.241.744

11.178.741

11.113.401

11.053.470

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
                   

Bekostiging

9.986.309

10.646.197

10.675.549

10.580.309

10.519.228

10.445.292

10.385.391

Hoofdbekostiging

9.742.879

10.346.763

10.375.315

10.286.075

10.224.994

10.159.058

10.099.157

 

Bekostiging Primair Onderwijs

9.725.580

10.332.433

10.360.985

10.271.745

10.211.046

10.145.110

10.085.209

 

Bekostiging Caribisch Nederland

17.299

14.330

14.330

14.330

13.948

13.948

13.948

Prestatiebox

228.085

282.234

272.234

272.234

272.234

272.234

272.234

Aanvullende bekostiging

15.345

17.200

28.000

22.000

22.000

14.000

14.000

 

Overig

15.345

17.200

28.000

22.000

22.000

14.000

14.000

                   

Subsidies

88.877

90.434

99.704

106.427

109.041

117.541

117.541

 

Regeling Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.191

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

 

Nederlands onderwijs buitenland

10.724

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

 

Basis voor Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek)

1.519

0

0

0

0

0

0

 

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

11.510

11.630

12.130

12.630

13.130

13.630

13.630

 

Overig

41.933

42.410

51.180

57.403

59.517

67.517

67.517

                   

Opdrachten

6.915

6.199

14.511

15.215

14.559

14.655

14.625

                   

Bijdrage aan agentschappen

26.207

26.942

30.852

27.985

24.108

24.108

24.108

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

26.207

26.942

30.852

27.985

24.108

24.108

24.108

                   

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

19.997

7.734

7.734

7.734

7.731

7.731

7.731

 

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds1

18.412

5.231

5.231

5.231

5.228

5.228

5.228

 

UWV

1.585

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

                   

Bijdrage aan medeoverheden

366.451

366.451

462.328

492.391

492.391

492.391

492.391

 

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

266.750

277.403

462.328

492.391

492.391

492.391

492.391

 

Aanvulling GOA convenant G37

95.000

84.348

0

0

0

0

0

 

Verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine gemeenten2

4.701

4.700

0

0

0

0

0

                   

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

107

11.387

11.387

11.387

11.387

11.387

 

Brede scholen

0

107

11.387

11.387

11.387

11.387

11.387

               

Bijdragen aan sociale fondsen

0

1

296

296

296

296

296

 

Brede scholen

0

1

296

296

296

296

296

Ontvangsten

23.358

17.661

8.661

8.661

8.661

8.708

8.708

1

In 2017 is dit bedrag inclusief het deel dat is teruggestort vanwege ten onrechte gedeclareerde kosten voor wachtgelden bij het Participatiefonds.

2

Voor 2016 waren deze middelen beschikbaar gesteld voor de G-86. Voor 2017 en 2018 zijn de middelen bestemd voor de kleine gemeenten.

Budgetflexibiliteit

Het beschikbare budget op artikel 1 voor 2019 is voor 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de regelingen personele bekostiging en materiële instandhouding. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het (school)jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2019 is voor 62,0 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht en wordt ingezet voor beleidsprioriteiten van het kabinet. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2019 is voor 74,2 procent juridisch verplicht. Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht en betreft beleidsprioriteiten van het kabinet. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget in 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de specifieke uitkering betrekking heeft.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen OCW, VWS en de VNG.

Bijdrage aan sociale fondsen

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het betreft de loonbijstelling over de bijdrage aan het gemeentefonds voor het realiseren van combinatiefuncties op basis van de bestuurlijke afspraken tussen OCW, VWS en de VNG.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen en de gemiddelde leeftijd van leraren. Daarnaast wordt via de groeibekostiging en de directie- en de kleinescholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school. Met de groeibekostiging is circa € 60 miljoen gemoeid, met de directietoeslag (basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs) circa € 240 miljoen en met de kleinescholentoeslag circa € 130 miljoen. Dat laatste bedrag is inclusief de kleinescholentoeslag die onderdeel is van het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid; deze is met ingang van 1 augustus 2018 met € 20 miljoen verhoogd om kleine scholen extra armslag te geven om goed onderwijs te verzorgen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid waar in totaal structureel circa € 285 miljoen voor wordt geraamd. Dit betreft het budget voor de nieuwe regeling ter verdeling van de aan de basisscholen te verstrekken middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, die vanaf 1 augustus 2019 zal gelden. Deze regeling vervangt de huidige gewichten- en impulsregeling.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en deels middelen die rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van «passend onderwijs» besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

Onderstaande tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

Tabel 1.5 Ondersteuningsmiddelen (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Lichte ondersteuning – Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

385

385

380

375

375

Zware ondersteuning – Clusters 1 en 2

265

265

265

265

265

Zware ondersteuning – Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

560

560

555

555

555

Zware ondersteuning – Samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs1

595

585

580

580

580

Lichte en zware ondersteuning – Totaal artikel 1

1.805

1.795

1.780

1.775

1.775

1

Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan, en is inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd voor onderwijs in instellingen voor gesloten jeugdzorg en justitiële jeugdinrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het bestuursakkoord met de PO-Raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs, vernieuwing en digitalisering, de brede aanpak onderwijsverbetering, professionalisering van scholen en de doorgaande ontwikkellijnen. Deze middelen komen daarnaast ook ten goede aan de afspraken die zijn gemaakt in het «Techniekpact 2020» en het «Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs».

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. De aanvullende bekostiging voor 2019 bestaat uit de kosten voor tweetalig onderwijs, de regeling teambeurs voor professionalisering van teams van leerkrachten, de regeling tegemoetkoming vervangingskosten voor schoolleiders die een opleiding volgen, kosten voor het leraar ontwikkelfonds, de regeling voor hoogbegaafden.

Subsidies

Om verschillende beleidsdoelstellingen te behalen, worden subsidies verstrekt (zie de subsidiebijlage voor het totaaloverzicht). De belangrijkste subsidies zijn de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten, de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland en de subsidies voor het «Techniekpact». De Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten voorziet in diverse hulpmiddelen zodat deze leerlingen met goed gevolg onderwijs (van basisonderwijs tot en met hoger onderwijs) kunnen volgen. Voor de implementatie van het bestuursakkoord worden middelen verstrekt ten behoeve van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering en voor het project «Beter en slimmer leren met ict». Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor humanistisch vormend en godsdienstonderwijs, onderwijs aan zieke leerlingen, het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen en het ontwikkelen van de (adaptieve) eindtoets.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en evaluatie- en beleidsonderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Verder betreft het uitgaven voor de uitvoeringskosten van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel en kosten van uitvoeringsorganisaties.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor begrotingsartikel 1.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

De stichtingen Vervangingsfonds en Participatiefonds ontvangen middelen voor het beheren van de vervangings- en werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. De kosten die het Vervangings- en Participatiefonds vergoeden worden gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder voorschoolse educatie, schakelklassen en zomerscholen.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Jaarlijks worden aan het Gemeentefonds middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatiefuncties».

Bijdrage aan sociale fondsen

Deze reeks betreft de loonbijstelling 2017 over de middelen «Brede impuls combinatiefuncties».

Tabel 1.6 Overzicht Specifieke Uitkering (Bedragen in miljoen euro’s)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Ontvangende partij(en)

           
 

Diverse gemeenten1

366,5

462,0

492,1

492,1

492,1

492,1

 

Korte omschrijving uitkering

           
 

Het betreft de specifieke uitkeringen op onderwijsachterstandenbeleid (voor 2018 inclusief de aanvulling convenant G37, budget voor verhoging taalniveau pedagogisch medewerkers kleine gemeenten en budget voor middelgrote en kleine gemeenten om tenminste één groep te realiseren).

           
1

Kalenderjaar 2018: gemeenten waarbij de som schoolgewichten op 1-10-2009 groter is dan 0:

Kalenderjaren 2019 en volgende: gemeenten met ten minste één achterstandskind dat binnen de 15% doelgroep onderwijsachterstandenbeleid valt:

3.1 Niet-beleidsartikel 91. Nog onverdeeld

Toelichting

Artikel 91 dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op dit artikel worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

3.1 Beleidsartikel 1. Primair onderwijs

Tabel 4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (Tweede suppletoirebegroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

 

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

11.302.400

11.714.327

21.470

168.161

11.903.958

Waarvan garantieverplichtingen

0

1.707

‒ 5.800

20.180

16.087

Waarvan overig

11.302.400

11.712.620

27.270

147.981

11.887.871

Uitgaven

11.302.361

11.656.187

‒ 2.730

147.981

11.801.438

Waarvan juridisch verplicht

99,8%

99,9%

  

99,9%

        

Bekostiging

10.675.549

11.043.006

‒ 3.500

141.344

11.180.850

 

Hoofdbekostiging

10.375.315

10.714.488

0

143.631

10.858.119

  

Bekostiging Primair Onderwijs

10.360.985

10.696.503

0

142.431

10.838.934

  

Bekostiging Caribisch Nederland

14.330

17.985

0

1.200

19.185

 

Prestatiebox

272.234

299.687

‒ 3.500

0

296.187

 

Aanvullende bekostiging

28.000

28.831

0

‒ 2.287

26.544

  

Overig

28.000

28.831

0

‒ 2.287

26.544

Subsidies

99.704

97.666

810

‒ 1.739

96.737

 

Regeling Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.000

23.000

200

0

23.200

 

Nederlands onderwijs buitenland

13.394

13.394

‒ 794

0

12.600

 

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

12.130

12.130

0

0

12.130

 

Overig

51.180

49.142

1.404

‒ 1.739

48.807

Opdrachten

14.511

3.790

‒ 40

‒ 359

3.391

Bijdrage aan agentschappen

30.852

41.663

0

0

41.663

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

30.852

41.663

0

0

41.663

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7.734

7.734

0

8.735

16.469

 

Stichting Vervangingsfonds en Participatiefonds

5.231

5.231

0

9.835

15.066

 

UWV

2.503

2.503

0

‒ 1.100

1.403

Bijdrage aan medeoverheden

462.328

462.328

0

0

462.328

 

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

462.328

462.328

0

0

462.328

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

11.387

0

0

0

0

 

Brede Scholen

11.387

0

0

0

0

Bijdrage aan sociale fondsen

296

0

0

0

0

 

Brede Scholen

296

0

0

0

0

Ontvangsten

8.661

12.261

0

10.335

22.596

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 189,6 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingenstanden wordt veroorzaakt door de garantieverplichtingen (€ 16,1 miljoen) en door een gesaldeerde verhoging van de overige verplichtingen (€ 173,5 miljoen). Deze laatste wordt met name veroorzaakt door een extra investering in het primair onderwijs van € 150,0 miljoen, zoals afgesproken in het «Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020-2021» met de sociale partners, en de verhoging van de verplichtingenstand van het GOA-budget.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 141,3 miljoen verhoogd. Dit wordt met name veroorzaakt door extra investering van € 150,0 miljoen, zoals afgesproken in het eerder genoemde convenant met de sociale partners, en de externe overboeking aan DJI (€ 8,4 miljoen). Door een dalend aantal plaatsen in justitiële jeugdinrichtingen dalen ook de kosten voor onderwijs in deze instellingen. De teveel ontvangen bijdrage wordt terugbetaald aan DJI.

Ontvangsten

Het budget wordt per saldo met € 10,3 miljoen verhoogd. De verhoging wordt met name veroorzaakt door de inhaalactie met betrekking tot de terugvorderingen bij scholen als gevolg van onterechte declaraties van wachtgeldkosten (€ 10,3 miljoen).

3.2 Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren:

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren:

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren:

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 3.1 Kengetallen
     

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

0,17%

0,19%

0,19%2

         
   

Aantallen

1.605

1.873

1.8532

         

2

Aandeel zittenblijvers3

 

5,5%

5,7%

5,7%2

         

3

Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren4

 

94,8%

95,2%

n.n.b.

         

4

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd5

 

85%

         

5

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt6 7

 

95%

         

6

Aantal vsv’ers3

 

24.353

22.953

23.7932

         

7

Meer studenten volgen vakken op hoger niveau3

 

0,96%

0,96%

1,20%2

         
1

Bron: leerplichttellingen

2

Dit is gemeten over schooljaar 2016–2017

3

Bron: DUO

4

Bron: IPTO en CenterData

5

De cijfers over 2017 worden in het najaar in de loopbaanmonitor bekend gemaakt.

6

Bron: ITS Monitor naar Sociale Veiligheid

7

Dit kengetal wordt twee jaarlijks gemeten

Tabel 3.2 Leerlingen voortgezet onderwijs
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Totaal aantal ingeschreven leerlingen2

Nader te verdelen in:

961.200

976.200

960.000

949.700

943.800

939.100

936.500

 

Vmbo (incl. lwoo)

378.100

393.400

379.900

371.500

367.600

365.500

364.500

 

Havo

261.300

262.200

261.300

260.200

259.000

257.800

257.200

 

Vwo

286.000

285.100

284.100

284.000

283.500

282.400

281.300

 

Pro

29.200

28.800

28.000

27.300

27.000

26.800

27.000

 

Vavo

6.600

6.700

6.700

6.700

6.700

6.600

6.500

2.

Totaal aantal scholen

644

652

652

652

652

652

652

3.

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.492

1.497

1.472

1.457

1.448

1.440

1.436

Bron: DUO

1

De cijfers over 2017 zijn gebaseerd op het DJV 2017 (exclusief groen onderwijs).

2

Ten behoeve van de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld.

Tabel 3.3 Uitgaven per leerling
 

20171

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Voortgezet onderwijs2

8.360

8.746

8.791

8.852

8.869

8.859

8.872

2.

Bekostiging3

 

8.609

8.644

8.711

8.726

8.715

8.727

3.

Bekostiging exclusief ondersteuningsmiddelen4

 

7.898

7.929

7.995

8.010

7.995

8.004

1

Het cijfer over 2017 is gebaseerd op het DJV 2017 (excl. groen onderwijs).

2

De totale uitgaven uit tabel 3.4, exclusief de bijdragen aan agentschappen (DUO), gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

3

De bekostiging uit tabel 3.4, gedeeld door het aantal ingeschreven leerlingen op 1 oktober van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

4

De bekostiging uit tabel 3.4, minus de ondersteuningsmiddelen zoals opgenomen in tabel 3.5, gedeeld door het aantal leerlingen van het voorgaand jaar, zoals opgenomen in tabel 3.2.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van voortgezet onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda.

Het sectorakkoord VO is in 2017 geëvalueerd. Daarnaast is in het Regeerakkoord »Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat de afspraken uit het sectorakkoord worden gehandhaafd. Op basis van de evaluatie is het sectorakkoord geactualiseerd. Het akkoord – dat doorloopt tot en met 2020 – bevat doelstellingen voor uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording. De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar van 2019 de laatste voortgangsrapportage en in 2020 de evaluatie.

Daarnaast investeren wij vanaf 2022 structureel € 100 miljoen per jaar in een kwalitatief hoogstaand en dekkend aanbod van technisch vmbo. In 2019 is € 70 miljoen beschikbaar, grotendeels voor scholen met de technische profielen PIE (produceren, installeren en energie), BWI (bouwen, wonen en interieur) en M&T (mobiliteit en transport). Daarnaast zijn deze middelen beschikbaar voor verdere professionalisering van vmbo-docenten en voor regionale planvorming voor de jaren erna. Om in 2020 en de jaren erna in aanmerking te blijven komen voor deze middelen, moeten vmbo-scholen samen met het mbo en het bedrijfsleven gezamenlijk plannen maken voor toekomstbestendig technisch vmbo-onderwijs in hun regio.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 3.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

8.326.918

8.854.923

8.681.647

8.546.602

8.388.209

8.402.179

8.360.986

Waarvan garantieverplichtingen

45.105

4.322

         

Totale uitgaven

8.143.906

8.713.061

8.611.856

8.526.854

8.450.382

8.388.492

8.359.318

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,2%

       
                   

Bekostiging

7.992.965

8.540.590

8.438.702

8.362.976

8.286.664

8.224.908

8.195.564

Hoofdbekostiging

7.545.671

8.056.636

8.123.369

8.037.212

7.959.900

7.898.144

7.868.800

 

Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

6.890.750

7.333.269

8.108.177

8.022.119

7.944.792

7.883.036

7.853.692

 

Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

639.339

705.913

0

0

0

0

0

 

Bekostiging Caribisch Nederland

15.582

17.454

15.192

15.093

15.108

15.108

15.108

Prestatiebox

259.356

290.381

298.233

308.664

309.664

309.664

309.664

 

Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

259.356

290.381

298.233

308.664

309.664

309.664

309.664

Aanvullende bekostiging

187.938

193.573

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

 

Regeling IGVO (Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs)

3.906

4.680

0

0

0

0

0

 

Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers

109.922

110.393

0

0

0

0

0

 

Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

0

0

0

0

0

0

 
 

Regeling functiemix VO Randstadregio’s

61.214

61.400

0

0

0

0

0

 

Resultaatafhankelijke bekostiging

vsv voor vo-scholen

12.896

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

17.100

                   

Subsidies

54.473

72.231

88.783

81.006

82.001

81.866

82.036

 

Stichting Kennisnet (basissubsidie) PO, VO, MBO

12.280

12.240

12.240

12.240

12.240

12.240

12.240

 

ICT-projecten (incl. transparantie)

6.172

4.800

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

 

Pilots zomerscholen

8.276

8.150

9.000

0

0

0

0

 

Overige projecten

27.745

47.041

62.543

63.766

64.761

64.626

64.796

                   

Opdrachten

4.981

7.092

7.425

7.335

7.300

7.300

7.300

 

In- en uitbesteding

4.981

7.092

7.425

7.335

7.300

7.300

7.300

                   

Bijdragen aan agentschappen

32.310

37.476

29.967

28.558

27.353

27.354

27.354

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

32.310

37.476

29.967

28.558

27.353

27.354

27.354

                   

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

58.969

55.392

46.784

46.784

46.784

46.784

46.784

 

ZBO: College voor Toetsen en Examens

12.718

11.656

4.546

4.546

4.546

4.546

4.546

 

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

46.251

43.736

42.238

42.238

42.238

42.238

42.238

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

208

280

195

195

280

280

280

 

GRAZ (ECML) en PISA

208

280

195

195

280

280

280

Ontvangsten

9.173

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 3 is voor 2019 99,2 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de wet voor voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 31,9 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden vastgesteld. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2019 is 23,1 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht, bijvoorbeeld voor het toezicht op (zeer) zwakke scholen. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Tussen bestuursdepartement en DUO zijn managementafspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het komende jaar verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2019 is nog niet juridisch verplicht. Het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat dit gedurende het jaar juridisch wordt verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Bekostiging voortgezet onderwijs lumpsum

Het voortgezet onderwijs kent een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. De schoolbesturen ontvangen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen en de schoolsoort. Daarnaast zijn vanaf 2019 het leerplusarrangement, de eerste opvang nieuwkomers, de functiemix VO Randstadregio’s en het Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO) niet meer onder de aanvullende bekostiging opgenomen, maar onder de hoofdbekostiging. Met het leerplusarrangement is circa € 48 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers circa € 46 miljoen, met de functiemix VO Randstadregio’s circa € 61 miljoen en met IGVO circa € 4 miljoen.

Ook de middelen voor de lichte ondersteuning zijn vanaf 2019 onder de hoofdbekostiging opgenomen. In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte ondersteuning. Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteuning onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

Tabel 3.5 Ondersteuningsmiddelen (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Lichte ondersteuning lwoo/pro

603

593

585

584

584

Regionale ondersteuning

95

95

95

95

95

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

698

688

680

679

679

Daarnaast is in het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat het groen onderwijs wordt overgeheveld naar OCW. Met ingang van 2018 wordt het groen (voortgezet) onderwijs via artikel 3 bekostigd.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het (geactualiseerde) sectorakkoord met de VO-raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een extra impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

Vo-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging voor de schooljaren 2018/2019 en 2019/2020 op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht bijlage: Subsidies). De belangrijkste hiervan zijn de subsidies voor Stichting Kennisnet en kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT. De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma’s po-vo en doorstroomprogramma’s vmbo-havo en vmbo-mbo. Daarnaast is er subsidie beschikbaar voor de versterking van het techniekonderwijs op het VMBO en krijgen het Europees Platform en de stichting School en Veiligheid ook een subsidie.

Opdrachten

Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het ondersteuningsprogramma voor zeer zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) ontvangt middelen voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens en rekentoetsen in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. Ze ontvangen samen € 42,2 miljoen voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Onder deze post vallen bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

3.2 Beleidsartikel 3. Voortgezet onderwijs

Tabel 5 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (Tweede suppletoire ) (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

8.681.647

9.166.604

53.241

159.079

9.378.924

Waarvan garantieverplichtingen

0

17.145

45.689

5.267

68.101

Waarvan overig

8.681.647

9.149.459

7.552

153.812

9.310.823

Uitgaven

8.611.856

8.866.628

7.552

153.812

9.027.992

Waarvan juridisch verplicht

99,2%

99,9%

  

99,9%

Bekostiging

8.438.702

8.664.687

‒ 883

158.430

8.822.234

 

Hoofdbekostiging

8.123.369

8.332.410

2.617

156.673

8.491.700

  

Bekostiging voorgezet onderwijs lumpsum

8.108.177

8.316.220

2.784

156.673

8.475.677

  

Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

0

0

0

0

0

  

Bekostiging Caribisch Nederland

15.192

16.190

‒ 167

0

16.023

 

Prestatiebox

298.233

315.177

‒ 3.500

1.757

313.434

  

Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

298.233

315.177

‒ 3.500

1.757

313.434

 

Aanvullende bekostiging

17.100

17.100

0

0

17.100

  

Regeling IGVO (Internationaal Georganiseerd Voortgezet Onderwijs)

0

0

0

0

0

  

Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers

0

0

0

0

0

  

Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

0

0

0

0

0

  

Regeling functiemix VO Randstadregio's

0

0

0

0

0

  

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor vo-scholen

17.100

17.100

0

0

17.100

Subsidies

88.783

87.571

6.223

‒ 4.055

89.739

 

Stichting Kennisnet (basissubsidie) PO, VO, MBO

12.240

12.240

7.000

0

19.240

 

ICT-projecten (incl. transparantie)

5.000

0

0

0

0

 

Pilots zomerscholen

9.000

9.000

0

0

9.000

 

Overige projecten

62.543

66.331

‒ 777

‒ 4.055

61.499

Opdrachten

7.425

5.892

‒ 239

‒ 1.691

3.962

 

In- en uitbesteding

7.425

5.892

‒ 239

‒ 1.691

3.962

Bijdrage aan agentschappen

29.967

52.772

0

76

52.848

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

29.967

52.772

 

76

52.848

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

46.784

55.511

2.451

1.052

59.014

 

ZBO: College voor Toetsen en Examens

4.546

11.705

2.451

‒ 348

13.808

 

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

42.238

43.806

0

1.400

45.206

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

195

195

0

0

195

 

GRAZ (ECML) en PISA

195

195

0

0

195

Ontvangsten

7.391

7.391

2.854

315

10.560

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 212,3 miljoen verhoogd. Dit wordt vooral veroorzaakt door een extra investering in het voortgezet onderwijs van € 150,0 miljoen, zoals afgesproken in het «Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020-2021» met de sociale partners. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt veroorzaakt door de garantieverplichtingen (€ 51,0 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 158,4 miljoen verhoogd. Dit wordt vooral veroorzaakt door een extra investering in het voortgezet onderwijs van € 150,0 miljoen, zoals afgesproken in het «Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020-2021» met de sociale partners.

3.2 Niet-beleidsartikel 95. Apparaat Kerndepartement

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en de uitgaven worden respectievelijk met € 3,1 miljoen en € 3,3 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,1 miljoen verhoogd.

3.3 Beleidsartikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 4 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

4.539.026

5.264.160

‒ 8.584

‒ 6.365

5.249.211

Waarvan garantieverplichtingen

0

‒ 7.294

‒ 10.515

‒ 9.667

‒ 27.476

Waarvan overig

4.539.026

5.271.454

1.931

3.302

5.276.687

Uitgaven

4.596.476

4.676.875

‒ 3.879

‒ 11.520

4.661.476

Waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,7%

  

100%

        

Bekostiging

4.134.041

4.224.402

‒ 1.900

‒ 11.563

4.210.939

 

Hoofdbekostiging

3.585.802

3.689.407

88

‒ 10.198

3.679.297

  

Bekostiging mbo-instellingen

3.514.492

3.617.187

‒ 12

‒ 8.530

3.608.645

  

Bekostiging Caribisch Nederland

7.408

6.820

100

‒ 1.668

5.252

  

Bekostiging vavo

63.902

65.400

0

0

65.400

 

Kwaliteitsafspraken

417.260

417.800

0

0

417.800

  

Investeringsbudget

380.760

381.300

0

0

381.300

  

Resultaatafhankelijk budget

36.500

36.500

0

0

36.500

 

Aanvullende bekostiging

130.979

117.195

‒ 1.988

‒ 1.365

113.842

  

Regeling Investeringsfonds

42.063

22.078

0

0

22.078

  

Salarismix Randstadregio's

48.528

48.529

0

‒ 132

48.397

  

Regionaal Programma

30.400

30.400

0

0

30.400

  

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

9.988

9.988

12

0

10.000

  

Gelijke kansen

0

6.200

‒ 2.000

‒ 1.233

2.967

  

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

0

0

0

0

0

Subsidies

240.493

245.401

999

‒ 160

246.240

 

Subsidieregeling praktijkleren

204.548

204.048

0

0

204.048

 

Permanent leren

7.250

7.250

‒ 4.860

‒ 1.000

1.390

 

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

12.000

14.500

5.500

‒ 520

19.480

 

Loopbaanoriëntatie

2.253

2.253

0

981

3.234

 

ROC Leiden

0

0

0

0

0

 

Overige subsidies

14.442

17.350

359

379

18.088

Opdrachten

4.363

3.378

‒ 78

6.173

9.473

 

In- en uitbesteding

4.363

3.378

‒ 78

1.068

4.368

 

Caribisch Nederland

0

0

0

5.105

5.105

Bijdrage aan agentschappen

21.690

18.919

‒ 400

137

18.656

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.190

15.919

‒ 400

37

15.556

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.500

3.000

0

100

3.100

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

64.295

59.017

‒ 2500

‒ 1519

54.998

 

College voor Toetsen en Examens

4.467

2.500

‒ 2500

0

0

 

Wet SLOA

3.784

1.706

0

‒ 1706

0

 

SBB

56.044

54.811

0

187

54.998

Bijdrage aan medeoverheden

131.594

125.758

0

‒ 4588

121.170

 

RMC's

35.309

35.309

0

0

35.309

 

Educatie

60.356

60.356

0

0

60.356

 

Caribisch Nederland

16.729

11.635

0

‒ 4588

7.047

 

Regionaal Programma

19.200

18.458

0

0

18.458

Ontvangsten

3.000

4.000

0

0

4.000

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden per saldo met € 15,0 miljoen verlaagd.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 13,5 miljoen verlaagd. De verlaging wordt veroorzaakt door:

  • Een herverdeling van het budget gelijke kansen van € 1,2 miljoen. Deze middelen gaan naar het Expertise punt LOB, de invoering van een nieuwe rekenaanpak, studeren met een beperking en de uitvoeringskosten van deze regeling.

  • Ook is er een kasschuif van € 2,0 miljoen van 2019 naar 2020 bij gelijke kansen. Doel van de kasschuif is om de beschikbare middelen in overeenstemming te brengen met het (verwachte) betalingsritme.

  • Daarnaast is € 8,4 miljoen overgeboekt naar artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) voor de wachtgelden voor het vo-deel van de aoc’s.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt per saldo met € 6,1 miljoen verhoogd. Dit wordt grotendeels verklaard door een overboeking van € 5,1 miljoen van het instrument bijdrage aan medeoverheden naar het instrument opdrachten Caribisch Nederland. Naar verwachting zal er ten behoeve van Caribisch Nederland voor dit bedrag aan opdrachten gerealiseerd worden.

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het budget voor bijdrage aan ZBO’s/RWT’s wordt per saldo met € 4,0 miljoen verlaagd. Deze verlaging wordt met name verklaard door een overboeking van € 2,5 miljoen in 2019 van artikel 4 naar artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) als bijdrage aan de middelen voor het College voor Toetsen en Examens. Daarnaast vielen de kosten voor de bijdrage aan het vo voor het onderdeel SLOA lager uit dan geraamd.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden wordt per saldo met € 4,6 miljoen verlaagd. Dit wordt met name verklaard doordat de opdrachten van € 5,1 miljoen voor Caribisch Nederland onder het instrument opdrachten gerealiseerd worden in plaats van onder het instrument bijdrage aan medeoverheden.

3.3 Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

A. Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren: De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren: De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in, via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 4.1 Kengetallen
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

35%

37%

38%

         

2

Studenttevredenheid2

               
 

Cijfer opleiding

 

7,0

 

7,1

       
 

Cijfer instelling

 

6,6

 

6,7

       
 

% tevreden over school en studie

     

62%3

       
1

Bron: ROA

2

Bron: JOB-monitor. Dit kengetal wordt twee jaarlijks gemeten

3

Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en wordt deze niet getoond.

Tabel 4.2 Studenten mbo
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Aantal studenten mbo (excl vavo)1

485.900

484.000

476.900

467.200

457.100

447.400

 

Bol

370.700

371.200

365.400

358.700

351.500

344.100

 

Bbl

115.200

112.800

111.500

108.500

105.600

103.300

 

Vavo

9.400

9.400

9.400

9.400

9.400

9.200

Bron: OCW-Referentieraming 2018

2.

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.000)2

8,4

8,4

8,5

8,5

8,1

9,1

1

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

2

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2018.

Toelichting:

In 2022 dalen de onderwijsuitgaven per student naar € 8.100 en in 2023 stijgen de onderwijsuitgaven per student naar € 9.100. Dit komt doordat het resultaatafhankelijk budget voor 2022 van € 200 miljoen doorgeschoven is naar 2023. Dit is conform de afspraken in het Bestuursakkoord mbo 2018–2022. Uitbetaling van het resultaatafhankelijk budget kan pas plaatsvinden in 2023 na de eindbeoordeling van de Kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022 door de onafhankelijke adviescommissie kwaliteitsafspraken. Zonder deze kasschuif van € 200 miljoen zijn de gemiddelde onderwijsuitgaven per student in 2022 en 2023 € 8.600.

C. Beleidswijzigingen

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018–2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het Bestuursakkoord gaat over de gezamenlijke ambities voor het mbo en over de invulling van de nieuwe tranche Kwaliteitsafspraken. Mbo-instellingen zullen, samen met hun regionale partners, plannen en ambities vastleggen in Kwaliteitsagenda’s voor de komende vier jaar die moet leiden tot innovatie in het mbo. Daarbij is er aandacht voor drie landelijke speerpunten: onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst, gelijke kansen in het onderwijs (waaronder goede doorlopende leerlijnen) en jongeren en (jong)volwassenen in een kwetsbare positie.

Kansengelijkheid is een speerpunt van het kabinet en daarom zijn er in 2019 concrete stappen voorzien. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de Beleidsagenda.

Het huidige Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF) loopt af per 2018. Er komt een vervolg van het RIF voor de jaren 2019–2022, daarvoor is in totaal € 100 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt via het experiment Ruimte voor de regio mogelijk voor mbo-instellingen om een deel van het onderwijs in de regio te ontwikkelen en zo regionaal in te kleuren. Voor nadere toelichting op het nieuwe RIF en het experiment wordt verwezen naar de Beleidsagenda.

Per 1 januari 2019 is de budget neutrale afschaffing van de cascadebekostiging voorzien. Door het beëindigen van de cascadebekostiging wordt de afnemende bekostiging voor studenten die lang(er) in het mbo verblijven ongedaan gemaakt. Daardoor ontstaat er meer financiële ruimte voor instellingen om deze studenten gelijke kansen te bieden zodat ook zij met behulp van het stapelen van diploma’s of het wisselen van opleiding, een diploma kunnen halen met uitzicht op een plek op de arbeidsmarkt. Zo krijgen alle studenten in het mbo de kans zich in een passend tempo te ontwikkelen en te ontplooien.

Voor «een leven lang ontwikkelen» werken we met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan de wijze waarop de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen worden versterkt, waaronder een digitaal overzicht dat inzichtelijk maakt welke scholingsmogelijkheden een individu heeft.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 4.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.333.854

4.763.370

4.519.526

4.689.750

4.643.384

4.379.404

4.795.031

Waarvan garantieverplichtingen

– 20.656

79.921

         

Totale uitgaven

4.209.212

4.630.740

4.576.976

4.747.556

4.698.380

4.422.094

4.744.426

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Bekostiging

3.786.795

4.166.824

4.134.041

4.117.249

4.058.127

3.794.862

4.135.759

Hoofdbekostiging

3.298.072

3.607.541

3.585.802

3.559.858

3.506.325

3.448.140

3.386.890

 

Bekostiging mbo-instellingen1

3.229.509

3.535.701

3.514.492

3.488.498

3.434.942

3.376.857

3.315.607

 

Bekostiging Caribisch Nederland

6.109

7.938

7.408

7.458

7.481

7.381

7.381

 

Bekostiging vavo

62.454

63.902

63.902

63.902

63.902

63.902

63.902

Kwaliteitsafspraken

366.000

410.741

417.260

430.000

430.000

230.000

634.787

 

Investeringbudget

183.600

207.406

380.760

430.000

230.000

230.000

234.787

 

Resultaatafhankelijk budget

182.400

203.335

36.500

0

200.000

0

400.000

Aanvullende bekostiging

122.723

148.542

130.979

127.391

121.802

116.722

114.082

 

Regionaal Investeringsfonds

20.691

20.771

42.063

38.275

32.686

27.606

24.966

 

Salarismix Randstadregio’s

42.300

47.593

48.528

48.716

48.716

48.716

48.716

 

Regionaal Programma

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

30.400

 

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

10.000

9.988

9.988

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Gelijke kansen

4.332

24.790

0

0

0

0

0

 

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

15.000

15.000

0

0

0

0

0

                   

Subsidies

235.308

248.207

220.993

410.247

419.135

414.160

398.160

 

Subsidieregeling praktijkleren

196.500

201.524

185.048

202.500

196.500

191.500

175.500

 

Permanent Leren

0

0

7.250

186.650

196.800

196.800

196.800

 

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

14.072

22.795

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

 

Loopbaanorientatie

1.462

2.753

2.253

1.275

1.275

1.300

1.300

 

ROC Leiden

7.017

525

0

0

0

0

0

 

Overige subsidies

16.257

20.610

14.442

7.822

12.560

12.560

12.560

               

Opdrachten

15.567

4.245

4.363

4.099

4.097

4.162

2.311

 

In- en uitbesteding

6.214

4.245

4.363

4.099

4.097

4.162

2.311

 

Caribisch Nederland1

9.353

0

0

0

0

0

0

                   

Bijdrage aan agentschappen

24.328

23.549

21.690

22.195

21.688

21.688

21.688

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

22.128

21.049

19.190

19.695

19.188

19.188

19.188

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.200

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

51.901

57.528

64.295

63.637

63.174

63.178

63.178

 

College voor Toetsen en Examens

0

102

4.467

4.467

4.467

4.467

4.467

 

Wet SLOA

0

1.172

3.784

3.273

3.273

3.273

3.273

 

SBB

51.901

56.254

56.044

55.897

55.434

55.438

55.438

                   

Bijdrage aan medeoverheden

95.313

130.387

131.594

130.129

132.159

124.044

123.330

 

RMC’s

34.068

35.367

35.309

35.309

35.309

35.309

35.309

 

Educatie

58.985

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

60.356

 

Caribisch Nederland2

2.260

12.814

16.729

15.264

17.294

9.179

8.465

 

Regionaal Programma

0

21.850

19.200

19.200

19.200

19.200

19.200

Ontvangsten

2.786

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groen mbo-onderwijs.

2

Dit is inclusief verbetermiddelen Caribisch Nederland. Zie overzicht rijksuitgaven Caribisch Nederland van het BES-fonds.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2019 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 95 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2019 75 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door het RVO wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door Cito en het College voor Toetsen en Examens.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2019 99 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Per 1 januari 2019 worden de agrarische opleidingscentra (aoc’s) meegenomen in de verdeling van het landelijk budget voor de mbo-instellingen. De middelen die beschikbaar waren voor de bekostiging van het mbo aan de aoc’s op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) zijn met ingang van 2018 overgeheveld naar dit begrotingsartikel. Dit betekent dat AOC’s vanaf 1 januari op vergelijkbare wijze als ROC’s en vakinstellingen worden bekostigd. Hiermee wordt invulling gegeven aan het voornemen uit het Regeerakkoord tot gelijke bekostiging.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 t/m 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 t/m 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl), de opleiding (c.q. de prijsfactor van de opleiding). Per 1 januari 2019 wordt de cascadebekostiging afgeschaft.

Bekostiging Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op alle drie de eilanden, Bonaire, St. Eustatius en Saba (Bes eilanden) middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aangeboden. Op de twee Bovenwinds gelegen eilanden (St. Eustatius en Saba) wordt alleen een beperkt aantal entree-opleidingen en opleidingen op niveau 2 aangeboden. Op het Benedenwinds gelegen eiland Bonaire worden op alle mbo-niveaus opleidingen aangeboden. De beschikbare middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen.

Bekostiging Voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Voor de verdeling van de beschikbare middelen (Stb 2014, 148) voor het vavo wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s. Op 12 april 2018 is het rapport met de evaluatie van de bekostiging vavo naar de Tweede Kamer gezonden. Deze evaluatie geeft geen aanleiding de bekostiging vavo aan te passen.

Kwaliteitsafspraken

Investeringsbudget

In 2019 starten nieuwe kwaliteitsafspraken tussen de Minister van OCW en de mbo-instellingen. De commissie Kwaliteitsafspraken MBO adviseert de Minister van OCW of de door de instellingen opgestelde kwaliteitsagenda’s voldoende ambitieus zijn en echt in samenwerking met de regio tot stand zijn gekomen. Instellingen waarvan de agenda voldoende wordt beoordeeld ontvangen in de periode 2019–2022 jaarlijks geld uit het investeringsbudget. Aan dit budget zijn vanaf 2019 structureel de middelen van schoolmaatschappelijk werk en gelijke kansen toegevoegd. Ook is een deel van het resultaatafhankelijk budget toegevoegd.

Resultaatafhankelijk budget

Dit resultaatafhankelijk budget wordt verdeeld op basis van de door de mbo-instellingen bereikte resultaten op het thema vsv. Het betreft hier een doorloop uit de kwaliteitsafspraken mbo 2015–2018.

Aanvullende bekostiging

Regionaal Investeringsfonds

Met het Regionaal investeringsfonds mbo, zijn sinds 2014 middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen samen een aanvraag indienen. Die aanvraag moet bijdragen aan een betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en, bij voorkeur, regionale overheden in de desbetreffende regio de subsidie aanvullen met een financiële bijdrage. Voor de periode 2019–2022 zal het fonds worden voortgezet zodat aangesloten wordt bij de actuele uitdagingen van het mbo.

Salarismix Randstadregio’s

In het Actieplan Leerkracht zijn afspraken vastgelegd over onze gezamenlijke ambities op het gebied van professionalisering en de versterking van de salarismix in de zogenaamde Randstadregio’s. In deze regio’s kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom van) grootstedelijke problemen.

Regionaal Programma

De urgentie om schooluitval aan te pakken blijft onverminderd hoog. Daarom heeft de aanpak van vsv in 2016 een krachtig vervolg gekregen, met een doelstelling van maximaal 20.000 nieuwe vsv’ers per jaar in 2021 (gemeten over schooljaar 2019/2020). In elk van de 39 RMC-regio’s (RMC staat voor Regionale Meld- en Coördinatiefunctie) voeren scholen en gemeenten samen hun huidig vierjarig regionaal programma uit met maatregelen voor de aanpak van vsv en voor jongeren in een kwetsbare positie. Met de wet Regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie die op 1 januari 2019 in werking treedt, wordt de aanpak structureel geborgd.

Voor de uitvoering van de maatregelen zijn de regionale programmagelden beschikbaar, in 2019 een bedrag van € 49,6 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen) en deels via de contactgemeente (€ 19,2 miljoen, zie instrument bijdrage aan medeoverheden). In elke regio moet minimaal één plusvoorziening zijn voor overbelaste jongeren.

Tegemoetkoming schoolkosten mbo

Via de tijdelijke regeling, Voorziening leermiddelen voor studenten uit minimagezinnen, worden aan mbo-instellingen sinds het schooljaar 2016/2017 middelen beschikbaar gesteld. Het doel van de regeling is te voorkomen dat minderjarige bol-studenten vanwege financiële redenen afzien van het volgen van een door hen gewenste beroepsopleiding. MBO-instellingen ontvangen deze middelen om studenten, die daarvoor in aanmerking komen de beschikking te kunnen geven over de benodigde leermiddelen. Deze regeling is verlengd tot en met het schooljaar 2019/2020. Voor deze regeling wordt jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar gesteld. In de verzamelbrief toezeggingen mbo is vermeld dat dit bedrag per studiejaar 2020–2021 beschikbaar zal worden gesteld aan mbo-instellingen voor de inrichting van een mbo-studentenfonds. Dit budget komt dan ook beschikbaar voor ondersteuning van groepen die vaak vertraging oplopen en daardoor financieel nadeel kunnen ondervinden, zoals zwangere studenten, studenten met overmachtssituaties en deelnemers van studentenraden. In het najaar van 2019 zal een wetsvoorstel worden ingediend, waarin het fonds wettelijk verankerd wordt. In de tussentijd blijft de tijdelijke regeling voorziening leermiddelen van kracht zodat schoolkosten in ieder geval geen belemmering zijn om aan een opleiding te beginnen.

Subsidies

Subsidie regeling praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren heeft tot doel werkgevers te stimuleren om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming voor de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. De subsidieregeling praktijkleren wordt in 2019 met één jaar verlengd en daarnaast vindt er in 2019 een korting van € 19,5 miljoen plaats op de subsidieregeling praktijkleren ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming (zie ook de toelichting in de Beleidsagenda). De budgetten voor de verschillende onderwijscategorieën in deze subsidieregeling worden neerwaarts bijgesteld en het maximale subsidiebedrag per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats wordt verlaagd van € 2.700 naar € 2.500 in 2019.

Permanent leren

We werken met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. Het kabinet is voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven vanaf 2020 om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling. In 2019 is € 7,25 miljoen beschikbaar om een begin te kunnen maken met het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo en het verkennen van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden en (op termijn) financiële rechten.

Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2019 middelen beschikbaar gesteld als bijdrage aan het actieplan «Tel mee met Taal» dat door de Ministeries van OCW, SZW en VWS wordt uitgevoerd en gefinancierd. Het actieplan is met één jaar verlengd en loopt nu tot en met eind 2019. Met dit actieplan worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. Ook worden taalhuizen en taalpunten opgericht en taalvrijwilligers getraind. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd. Daarnaast is om de aanpak van laaggeletterdheid te versterken, in het Regeerakkoord afgesproken om het structurele budget voor de aanpak van laaggeletterdheid met € 5 miljoen per jaar te verhogen. Komend jaar wordt het actieprogramma voor de lange termijn voorbereid met veel betrokkenen uit het veld. Daarbij wordt ook de WEB-bijdrage voor educatie aan gemeenten betrokken.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

De LOB middelen worden voornamelijk ingezet om studenten te ondersteunen en te begeleiden bij de ontwikkeling van loopbaancompetenties en het maken van bewuste studie en beroepskeuzes. Tevens wordt in het mbo het project «LOB en gelijke kansen» uitgevoerd om jongeren in een achterstandspositie beter te ondersteunen bij hun studieloopbaanontwikkeling. Hierbij ligt de focus op het doorbreken van negatieve beeldvorming en de ontwikkeling van loopbaancompetenties.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals het Techniekpact, het Netwerk Burgerschap en het Steunpunt taal & Rekenen.

Opdrachten

In-en uitbesteding

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een zbo dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet SLOA

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting Cito, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

SBB

De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert de SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende praktijkplaatsen en bevordert zij de kwaliteit van de praktijkplaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to- date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

RMC’s

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio’s. Daarvoor is in 2019 € 35,3 miljoen beschikbaar. Met de beoogde inwerkingtreding van de wet Regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie per 1 januari 2019 wordt de taak van de RMC-functie anders omschreven dan voorheen. RMC’s krijgen dan de taak om van jongeren tot 23 jaar die niet meer kwalificatieplichtig zijn en die geen startkwalificatie hebben, de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt te volgen. En vervolgens ervoor te zorgen, samen met andere betrokken partijen in de regio, dat deze jongeren worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

Educatie

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). Sinds 2018 hebben gemeenten voor de besteding van dit budget «inkoopvrijheid». De verplichte besteding bij roc’s, die tussen 2015 en 2017 geleidelijk is afgebouwd, is per 2018 namelijk geheel vervallen. Zo kunnen gemeenten beter maatwerk bieden voor de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie.

Caribisch Nederland

Deze middelen worden ingezet voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,4 miljoen, zie instrument bekostiging) en deels via de 39 RMC-contactgemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering. De verdeling en uitbetaling van de middelen voor 2019 en 2020 wordt geregeld in een nog te publiceren ministerieel besluit.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 4.4 Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

212

225

222

1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Overzicht specifieke uitkeringen

Tabel 4.5 Overzicht specifieke uitkeringen (Bedragen in miljoenen euro’s)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Ontvangende partij(en)

34,1

35,4

35,3

35,3

35,3

35,3

35,3

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 39 RMC-regio’s. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

             

2.

Ontvangende partij(en)

59,0

60,4

60,4

60,4

60,4

60,4

60,4

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente).

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Wijzigingswet Wet participatiebudget, enz. (invoeren specifieke uitkering educatie en vervallen verplichte besteding educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra)

             

3.

Ontvangende partij(en)

0

21,9

19,2

19,2

19,2

19,2

19,2

 

Gemeenten

             
 

Korte omschrijving uitkering

             
 

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

             
 

Vindplaats regelgeving

             
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

             

3.4 Beleidsartikel 6. Hoger onderwijs

Tabel 7 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 6 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

3.258.567

3.484.196

‒ 8.652

50.330

3.525.874

Waarvan garantieverplichtingen

0

4.194

‒ 7.201

‒ 13.523

‒ 16.530

Waarvan overig

3.258.567

3.480.002

‒ 1.451

63.853

3.542.404

Uitgaven

3.277.742

3.391.601

‒ 1.216

9.993

3.400.378

Waarvan juridisch verplicht

99,99%

99,99%

  

99,99%

        

Bekostiging

3.199.939

3.314.312

‒ 1.216

‒ 1.958

3.311.138

 

Hoofdbekostiging

3.082.719

3.194.346

‒ 1.216

‒ 1.958

3.191.172

  

Onderwijsdeel hbo

2.981.838

3.091.560

1.729

‒ 958

3.092.331

  

Deel ontwerp en ontwikkeling

81.751

83.670

0

0

83.670

  

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

19.130

19.116

‒ 2.945

‒ 1.000

15.171

 

Prestatiebox

117.220

119.966

0

0

119.966

  

Studievoorschotmiddelen

117.220

119.966

0

0

119.966

Subsidies

408

1.011

0

15

1.026

 

Overig

408

1.011

 

15

1.026

Bijdrage aan agentschappen

15.987

13.177

0

0

13.177

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

15.987

13.177

0

0

13.177

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

61.408

63.101

0

11.936

75.037

 

NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

48.513

48.963

0

11.850

60.813

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

9.292

9.292

0

0

9.292

 

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3.603

4.846

0

86

4.932

Ontvangsten

1.213

2.913

0

650

3.563

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 41,7 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 32,9 miljoen) wordt veroorzaakt door:

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan onderwijsinstellingen die in 2019 zijn aangegaan of vervallen en waar OCW garant voor staat (- € 20,7 miljoen).

  • Bijstelling van de verplichtingenraming zonder kaseffecten 2019 als gevolg van aanpassingen ten behoeve van de bekostiging voor het jaar 2020 (€ 53,6 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor ZBO’S/RWT’s wordt met € 11,9 miljoen verhoogd in verband met:

  • Een toevoeging (€ 4,0 miljoen) aan het NWO-budget Praktijkgericht onderzoek hbo vanuit het ministerie van LNV (Fonds jonge boeren) voor het programma Praktijkgericht Onderzoek ten behoeve van coaching en opleiding op het vlak van agrarische bedrijfsopvolging.

  • Een toevoeging (€ 6,6 miljoen) aan het NWO-budget Praktijkgericht onderzoek hbo vanuit het ministerie van LNV voor het programma Voedsel en Groen aan grote maatschappelijke opgaven op het vlak van voedsel, kringlooplandbouw en klimaatopgaven. Een en ander als thematische samenwerking tussen het ministerie van LNV, NWO en de groene hogescholen.

  • Een toevoeging (€ 1,3 miljoen) aan het NWO-budget Praktijkgericht onderzoek hbo vanuit het ministerie van EZK in het kader van stimulering van innovatie bij kleine MKB-bedrijven via verbreding van de GoChem regeling via NWO.

Ontvangsten

Het budget wordt per saldo met € 0,7 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door terugvorderingen op in voorgaande jaren verleende subsidies.

3.4 Art.nr. 6 en 7 Hoger onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren: De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren: De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren: De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

Kengetallen

Tabel 6.1 Kengetallen
   

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

1

Studenttevredenheid1

Hbo

75,4%

75,6%

75,8%

         

Wo

85,0%

85,2%

85,2%

         

2

% 25–64 jarigen dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

18,9%

18,8%

19,1%

         

3

Uitval 1e jaar3

Hbo

26,7%

26,9%

           

Wo

16,2%

15,7%

           

4

Bachelor rendement (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar3

Hbo

61,1%

62,2%

           

Wo

74,1%

73,2%

           
1

Bron: Nationale Studenten Enquete

2

Bron: Eurostat, Labour Force survey (LFS)

3

Bron: DUO

Tabel 6.2 Studenten hbo en wo

1.

Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

   

hbo

voltijd

associate degree

5,4

5,6

5,9

6,2

6,4

6,6

6,5

 

hbo voltijd bachelor

396,5

392,0

386,9

382,1

375,6

367,9

359,0

 

hbo voltijd master

4,1

4,2

4,2

4,3

4,3

4,4

4,5

   

hbo

deeltijd

associate degree

3,2

3,3

3,4

3,6

3,8

4,0

4,1

 

hbo deeltijd bachelor

35,2

38,7

38,8

38,7

38,3

37,5

36,4

 

hbo deeltijd master

7,7

7,0

6,7

6,5

6,3

6,1

5,8

   

Totaal hbo

452,1

450,8

446,0

441,4

434,7

426,4

416,2

                   
 

wo voltijd bachelor

171,1

176,2

181,7

186,7

191,4

195,4

198,5

 

wo voltijd master

102,1

102,6

103,5

105,0

107,4

110,4

113,6

 

wo deeltijd bachelor

1,7

1,5

1,4

1,4

1,3

1,3

1,2

 

wo deeltijd master

3,2

3,0

2,8

2,7

2,6

2,5

2,3

   

Totaal wo

278,1

283,3

289,5

295,9

302,8

309,5

315,6

Bron: Referentieraming 2018

2.

Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

     

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

Hbo-voltijd

Associate degree

1,0

1,0

1,1

1,1

1,1

1,2

1,2

 

hbo voltijd bachelor

62,5

61,4

59,1

57,9

57,6

57,7

57,7

 

hbo voltijd master

1,3

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

 

hbo deeltijd associate degree

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

 

hbo deeltijd bachelor

5,8

5,7

5,7

5,6

5,6

5,5

5,4

 

hbo deeltijd master

2,4

2,2

1,9

1,8

1,7

1,6

1,5

   

Totaal hbo

73,6

72,1

69,7

68,3

68,0

68,0

67,8

                   
 

wo voltijd bachelor

34,0

33,6

33,7

34,5

35,3

36,0

36,6

 

wo voltijd master

40,2

40,3

40,2

40,4

40,7

41,2

42,0

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,1

0,1

 

wo deeltijd master

1,8

1,7

1,6

1,5

1,5

1,5

1,4

   

Totaal wo

76,2

75,7

75,7

76,5

77,6

78,8

80,1

Bron: Referentieraming 2018

3.

Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)1

         

2019

2020

2021

2022

 
 

hbo

   

7,3

7,4

7,6

7,8

 
 

wo

   

7,3

7,4

7,6

7,7

 
1

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2018 (overeenkomstig tabel 6.2, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot.

4.

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

       

2018/19

         
       

2.060

         

Toelichting:

Overige indicatoren en kengetallen voor het stelsel hoger onderwijs zijn opgenomen in de Staat van het hoger onderwijs 2018 en in OCW in cijfers.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van hoger onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda. Aanvullend hierop wordt hieronder nog op een specifieke beleidswijziging ingegaan.

Accreditatie op maat

Op 12 juni 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Accreditatie op maat. Met deze wet komt onder andere het gedifferentieerd oordeel te vervallen en wordt er een betere scheiding aangebracht tussen verantwoorden en verbeteren.

In de sectorakkoorden met hogescholen en universiteiten is afgesproken om te verkennen hoe een betere balans gegeven kan worden tussen kwaliteitsborging van opleidingen enerzijds en werkdruk hiervan anderzijds. Naar verwachting zal het resultaat van deze verkenning met de Tweede Kamer worden gedeeld voor de zomer van 2019. De optie van instellingsaccreditatie (met verplichte opleidingsvisitaties) zal in de verkenning ruimschoots aandacht krijgen, alsook de mogelijkheid voor onderwijsinstellingen om te kiezen tussen accreditatie op instellings- en opleidingsniveau.

Bekostigingssystematiek

Op basis van het Regeerakkoord wordt de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs herzien. In 2019 wordt in zorgvuldig overleg met de Vereniging Hogescholen en de VSNU vervolg gegeven aan het onderzoek dat is uitgevoerd naar de werking van de bekostigingssystematiek en de varianten voor aanpassing die daarin zijn voorgesteld. Dit onderzoek zal voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (najaar 2018) naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

3.213.191

3.450.156

3.258.567

3.381.722

3.365.795

3.447.442

3.435.638

Waarvan garantieverplichtingen

53.463

20.164

Totale uitgaven

2.925.976

3.263.063

3.277.742

3.307.273

3.395.173

3.448.667

3.449.766

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,99%

       
               

Bekostiging1

2.868.197

3.185.937

3.199.939

3.225.072

3.314.543

3.367.985

3.369.084

Hoofdbekostiging

2.713.021

3.185.937

3.082.719

3.087.631

3.081.149

3.075.981

3.061.177

 

Onderwijsdeel hbo2

2.630.368

3.088.919

2.981.838

2.987.298

2.987.872

2.982.668

2.967.864

 

Deel ontwerp en ontwikkeling

72.439

80.191

81.751

83.303

83.347

83.383

83.383

 

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

10.171

16.827

19.130

17.030

9.930

9.930

9.930

 

Bekostiging postinitiële masteropleidingen hbo

43

           

Prestatiebox

155.176

0

117.220

137.441

233.394

292.004

307.907

 

Onderwijswaliteit en studiesucces, en profilering3

155.176

           
 

Studievoorschotmiddelen4

   

117.220

137.441

233.394

292.004

307.907

               

Subsidies

5.001

1.909

408

355

153

153

153

 

Regeling stimulering Bèta/techniek

3.143

           
 

Overig

1.858

1.909

408

355

153

153

153

                   

Bijdragen aan agentschappen

14.089

16.283

15.987

16.084

14.962

14.962

14.962

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.089

16.283

15.987

16.084

14.962

14.962

14.962

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

38.689

58.934

61.408

65.762

65.515

65.567

65.567

 

NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

29.329

45.963

48.513

52.015

52.013

52.065

52.065

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

5.720

9.238

9.292

10.144

10.144

10.144

10.144

 

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3.640

3.733

3.603

3.603

3.358

3.358

3.358

Ontvangsten

1.358

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groene onderwijs.

2

Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen) en de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

3

In 2017 de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

4

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.663.507

5.090.240

4.928.814

5.048.898

5.110.503

5.169.697

5.212.229

Waarvan garantieverplichtingen

– 22.983

– 17.983

         

Totale uitgaven

4.443.628

4.860.368

4.898.729

4.966.044

5.068.239

5.153.188

5.209.476

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,97%

       
                   

Bekostiging

4.416.577

4.829.597

4.868.771

4.936.234

5.038.654

5.123.808

5.180.096

Hoofdbekostiging1

4.300.299

4.829.597

4.797.809

4.852.040

4.895.686

4.945.359

4.951.737

 

Onderwijsdeel wo2

1.831.298

2.195.450

2.161.085

2.211.376

2.251.017

2.295.956

2.299.338

 

Onderzoeksdeel wo

1.800.009

1.963.904

1.964.932

1.967.165

1.969.580

1.973.825

1.973.826

 

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

668.992

670.243

671.792

673.499

675.089

675.578

678.573

Prestatiebox

116.278

0

70.962

84.194

142.968

178.449

228.359

 

Onderwijskwaliteit en studiesucces, en profilering3

116.278

           
 

Studievoorschotmiddelen4

   

70.962

84.194

142.968

178.449

188.417

 

Profilering en zwaartepuntvorming5

           

39.942

                   

Subsidies

2.553

4.077

4.641

4.566

4.493

4.288

4.288

 

Open en online onderwijs

988

1.576

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

 

Overig

1.565

2.501

2.641

2.566

2.493

2.288

2.288

                   

Opdrachten

1.851

2.140

2.024

1.979

1.827

1.827

1.827

 

Uitbesteding

1.851

2.140

2.024

1.979

1.827

1.827

1.827

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

22.647

24.554

23.293

23.265

23.265

23.265

23.265

 

Organisaties conform tabel 6.5

22.647

24.554

23.293

23.265

23.265

23.265

23.265

Ontvangsten

1.364

16

16

16

16

16

16

1

Vanaf 2018 inclusief de bekostiging van het groene onderwijs.

2

Vanaf 2018 inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen) en de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken. In 2018 ook eenmalig de 90% studievoorschotmiddelen, die aanvullend tijdelijk voor één jaar onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging zijn gebracht.

3

In 2017 de 5%-middelen onderwijskwaliteit en studiesucces die gekoppeld waren aan de prestatieafspraken.

4

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

5

De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn

overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Van het totale budget voor artikel 6 voor 2019 is 99,99 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp & ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2019 is voor 63 procent juridisch verplicht. Dit betreft een verplichting ten behoeve van de publiek private samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan NWO voor praktijkgericht onderzoek hbo, de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de NVAO. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Van het totale budget voor artikel 7 is voor 2019 99,97 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 89,7 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs, de afstudeerregeling en de ondersteunende activiteiten uit de kwaliteitsafspraken.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is voor 2019 42,0 procent juridisch verplicht op grond van in 2018 of eerder gesloten overeenkomsten. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan United Nations University (UNU), Europees Universitair Instituut Florence (EUI), Stichting EP-NUFFIC, Stichting Handicap en Studie, Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO), Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en Stichting Studiekeuze123. De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bestaat uit de hoofdbekostiging en de middelen binnen het financiële instrument prestatiebox. Het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen worden afzonderlijk bekostigd.

Hoofdbekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top),

  • b. een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen, en

  • c. een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en Onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden,

  • b. een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten,

  • c. een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht, en

  • d. een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Doel van de experimenten en pilots is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duale onderwijs. In het experiment vraagfinanciering maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 zijn er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering.

Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs. De pilots zijn eveneens in 2016 van start gegaan en in 2017 uitgebreid met meer opleidingen, er nemen nu ongeveer 500 opleidingen van 21 hogescholen (publiek en privaat) deel aan de pilots flexibilisering.

De evaluatie van zowel het experiment als de pilots vindt in 2021 plaats. Het experiment vraagfinanciering kent daarnaast een tussenevaluatie eind 2018. Op basis van de tussenevaluatie kan worden besloten of het experiment eventueel wordt uitgebreid of aangepast.

Prestatiebox

Studievoorschotmiddelen

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Begin april 2018 is overeenstemming bereikt met ISO, LSVb, de Vereniging Hogescholen en de VSNU over de invulling en vormgeving van deze kwaliteitsafspraken. Het akkoord over de kwaliteitsafspraken is onderdeel van brede sectorakkoorden met respectievelijk de Vereniging Hogescholen en de VSNU. Hierin zijn ook andere prioriteiten voor het hoger onderwijs en onderzoek uit het Regeerakkoord uitgewerkt. Deze sectorakkoorden markeren een verschuiving van minder sturing vanuit de overheid naar meer vertrouwen in hogescholen en universiteiten.

Profilering en zwaartepuntvorming

In de sectorakkoorden is onder meer afgesproken dat de 2%- middelen voor profilering en zwaartepuntvorming door hogescholen blijvend kunnen ingezet worden voor het vormgeven van (verdere) profilering en zwaartepuntvorming van de instelling, bijvoorbeeld door middel van Centres of Expertise. De universiteiten kunnen de 2%-middelen tijdelijk (in ieder geval tot en met 2022) inzetten voor de sectorplannen bèta-/technisch onderzoek en sociale-/geestwetenschappen. De middelen worden voor de hogescholen structureel ondergebracht onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging en voor de universiteiten tot en met 2022.

Subsidies

Open en online hoger onderwijs (hbo en wo)

Vanaf 2018 is er een nieuwe regeling open en online hoger onderwijs 2018–2022. Ten opzichte van de eerdere stimuleringsregeling heeft deze als extra doelstelling, naast het versterken van open en online onderwijs, ook het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity’s. De regeling is bedoeld om (zoals aangekondigd in de visiebrief) instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. De regeling bestaat uit twee pijlers: online onderwijs en open leermaterialen. Projecten dragen bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijsmateriaal, en de toegankelijkheid van Nederlandse onderwijsinstellingen. SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de instellingen tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2018 12 projecten gestart: 7 voor de pijler online onderwijs en 5 voor de pijler open leermaterialen. De instellingen matchen de aan hun toegekende subsidie met ten minste hetzelfde bedrag. De projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling en de kwaliteitsafspraken, alsmede om toekenningen die gedurende de uitvoeringsjaren op ad hoc basis worden toegekend.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek en communicatie rondom het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor deze begrotingsartikelen.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO: het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2018 wordt vanuit het Regeerakkoord 2017–2021 extra geïnvesteerd (€ 10,5 miljoen in 2018 en € 17,5 miljoen structureel vanaf 2020) in de verdere capaciteitsopbouw van praktijkgericht onderzoek. Daarnaast is er in 2018 ten behoeve van een gewenste impuls aan de verwevenheid van onderwijs en onderzoek een hbo-postdocprogramma opgestart (€ 2 miljoen structureel per jaar), waarmee onderzoekers moeten worden behouden voor hun onderwijstaken.

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Organisaties conform tabel 6.5

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Tabel 6.5 Middelen organisaties1 (Bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

United Nations University (UNU)

957

957

957

957

957

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.706

1.706

1.726

1.746

1.746

Stichting NUFFIC

14.653

14.625

14.625

14.605

14.605

Stichting Handicap en Studie

498

498

498

498

498

Stichting voor Vluchteling Studenten UAF

2.477

2.477

2.457

2.457

2.457

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

249

249

249

249

249

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

249

249

249

249

249

Stichting Studiekeuze123 (SKI123)

2.504

2.504

2.504

2.504

2.504

Totaal

23.293

23.265

23.265

23.265

23.265

1

In deze tabel zijn de organisaties vermeld en de bedragen waarop de bijdragen ten hoogste kunnen worden vastgesteld. Voor zover geen andere juridische grondslag van toepassing is, vormt deze begrotingsvermelding de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene Wet Bestuursrecht voor de subsidieverlening aan deze subsidieontvangers.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Beleidsartikel 7. Wetenschappelijk onderwijs

Tabel 8 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 7 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

4.928.814

5.300.468

5.009

140.030

5.445.507

Waarvan garantieverplichtingen

0

‒ 5.274

0

0

‒ 5.274

Waarvan overig

4.928.814

5.305.742

5.009

140.030

5.450.781

Uitgaven

4.898.729

5.127.716

3.441

1.627

5.132.784

Waarvan juridisch verplicht

99,97%

99,97%

  

99,99%

        

Bekostiging

4.868.771

5.097.027

2.318

1.752

5.101.097

 

Hoofdbekostiging

4.797.809

5.024.615

2.318

1.752

5.028.685

  

Onderwijsdeel wo

2.161.085

2.277.414

2.318

1.752

2.281.484

  

Onderzoeksdeel wo

1.964.932

2.060.718

0

0

2.060.718

  

Deel ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

671.792

686.483

0

0

686.483

 

Prestatiebox

70.962

72.412

0

0

72.412

  

Studievoorschotmiddelen

70.962

72.412

0

0

72.412

  

Profilering en zwaartepuntvorming

0

0

0

0

0

Subsidies

4.641

4.172

0

‒ 299

3.873

 

Open en online onderwijs

2.000

1.970

0

‒ 129

1.841

 

Overig

2.641

2.202

0

‒ 170

2.032

Opdrachten

2.024

1.949

723

83

2.755

 

Uitbesteding

2.024

1.949

723

83

2.755

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

23.293

24.568

400

91

25.059

 

Organisaties conform tabel 6.5 Begroting 2019

23.293

24.568

400

91

25.059

Ontvangsten

16

16

0

0

16

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 145,0 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 140,0 miljoen) wordt veroorzaakt door een bijstelling van de verplichtingenraming zonder kaseffecten 2019 als gevolg van aanpassingen ten behoeve van de bekostiging voor het jaar 2020.

3.5 Art.nr. 8 Internationaal beleid

A. Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren: Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere – vaak daarbij aangesloten – organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etc. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, Neth-ER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale – ondersteunende – maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op Onderwijs in Cijfers. De website OCW in cijfers biedt informatie over de indicatoren over onder andere het programma Erasmus+, maar ook de prestaties van de beroepsbevolking worden internationaal vergeleken in het kader van het «Programme for International Assessment of Adult Competencies» (PIAAC).

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

13.080

9.961

12.785

12.155

11.025

11.035

11.035

Totale uitgaven

11.625

12.899

12.785

12.155

11.025

11.035

11.035

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

96,3%

       
                   

Subsidies

856

911

321

321

256

266

266

 

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

0

           
 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

600

         
 

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

186

196

196

196

196

196

196

 

Overige incidentele subsidies

70

115

125

125

60

70

70

                   

Opdrachten

56

210

207

207

207

207

207

 

Beleidsonderzoek en benchmarking

30

103

100

100

100

100

100

 

Incidentele Internationale activiteiten

23

107

107

107

107

107

107

 

EU-voorzitterschap

3

           
                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

10.287

11.352

11.831

11.201

10.136

10.136

10.136

 

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

628

860

800

801

742

742

742

 

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

135

           
 

Stichting Nuffic

3.838

3.875

3.858

3.826

3.746

3.746

3.746

 

Nederlandse Taalunie

2.821

2.743

2.799

2.800

2.797

2.797

2.797

 

Europa College Brugge

30

30

30

30

30

30

30

 

Unesco

 

20

20

20

20

20

20

 

OESO CERI

74

77

77

77

77

77

77

 

Fulbright Center

368

468

368

368

368

368

368

 

DCICC

       

90

90

90

 

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

 

Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

2.208

3.074

3.074

3.074

2.061

2.061

2.061

 

EU-programma’s en activiteiten

 

20

20

20

20

20

20

 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

   

600

       
                   

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

426

426

426

426

426

426

426

 

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

426

426

426

426

426

426

426

Ontvangsten

24

99

99

99

99

99

99

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2019 96,3 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 35,5 procent juridisch verplicht.

Opdrachten

Er zijn ten tijde van het opstellen van de begroting voor het jaar 2019 nog geen verplichtingen aangegaan ten laste van het beschikbare budget voor de opdrachten.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 99,5 procent juridisch verplicht. Een deel is verplicht op basis van internationale verdragen. Dit geldt voor de Nederlandse Taalunie, het Fulbright Center, Cultural Contact Point en het Nationaal Agentschap Erasmus+. De overige verplichtingen, zoals die aan de stichting Nuffic, worden jaarlijks aangegaan in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100 procent juridisch verplicht. De subsidiëring van de periode 2018–2021 vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van de samenwerking op het gebied van cultuur.

Overige incidentele subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur of wetenschap.

Opdrachten

Beleidsonderzoek en benchmarking

Dit betreft middelen ten behoeve van beleidsonderzoek, onder meer naar de effectiviteit van internationalisering en ten behoeve van benchmarking in het kader van de relevante internationale organisaties.

Incidentele internationale activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen ter bevordering van de samenwerking, die bij het opstellen van de begroting niet zijn te voorzien.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Duitsland Instituut Amsterdam

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) genereert en verspreidt kennis in Nederland over Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)).

OCW-vertegenwoordiging

Dit betreft de kosten van een gedetacheerde medewerker bij de PV Unesco in Parijs, deze wordt uit de HGIS-middelen gefinancierd.

Stichting Nuffic

De Stichting Nuffic, is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek.

Nederlandse Taalunie

De Nederlandse Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Nederlandse Taalunie kennis en informatie over het Nederlands met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker. Verder stimuleert de Taalunie de optimale benutting van de hedendaagse (digitale) infrastructuur voor het Nederlands.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een postuniversitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door EU en EU-Lidstaten.

Unesco

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van Unesco.

OESO CERI

OESO CERI betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Center

Het Fulbright Center verzorgt voorlichtingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma’s voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Cultural Contact Point

Het Cultural Contact Point geeft advies over de subsidieregelingen van het EU-cultuurprogramma en biedt begeleiding bij het doen van een aanvraag. Het is een uitvoerend orgaan ten behoeve van het EU-Cultuurprogramma en ondergebracht bij het Dutch Centre for International Cultural Cooperation (DCICC).

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen, onder meer met behulp van het jaarboek The Low Countries en het tijdschrift Ons Erfdeel.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Agentschap is belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+.

Incidentele EU-programma’s en activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma’s, welke bij het opstellen van de begroting nog niet concreet zijn.

Neth-ER

Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie (onder andere TNO, KNAW, VSNU, MBO-Raad, NWO). Hun gezamenlijke doel is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma’s te vergroten.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Tabel Homogene Groep Internationale Samenwerking

Tabel 8.2 Homogene Groep Internationale Samenwerking (Bedragen € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.858

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

49.001

51.437

51.437

51.437

51.437

51.437

51.437

Internationaal beleid (artikel 8)

932

807

807

807

897

897

897

Cultuur (artikel 14)

4.640

4.617

4.617

4.617

4.527

4.527

4.527

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

454

Apparaatskosten (artikel 95)

 

139

139

139

139

139

139

Totaal

57.885

60.327

60.327

60.327

60.327

60.327

60.327

Toelichting:

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling van de HGIS middelen van OCW per artikel.

3.6 Beleidsartikel 8. Internationaal beleid

Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 8 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

12.785

13.375

17

‒ 809

12.583

Uitgaven

12.785

12.905

17

‒ 9

12.913

Waarvan juridisch verplicht

96,3%

96,4%

  

97,2%

        

Subsidies

321

274

17

0

291

 

Duitsland Instituut Amsterdamn (DIA)

0

0

0

0

0

 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

0

0

0

0

0

 

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

196

116

0

0

116

 

overige incidentele subsidies

125

158

17

0

175

Opdrachten

207

222

0

‒ 9

213

 

Beleidsonderzoek en benchmarking

100

100

0

‒ 9

91

 

Incidentele Internationale activiteiten

107

122

0

0

122

 

EU-voorzitterschap

0

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

11.831

11.888

0

0

11.888

 

Duitsland Instituut Amsterdamn (DIA)

800

800

3

0

803

 

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

0

0

0

0

0

 

Stichting Nuffic

3.858

3.858

0

0

3.858

 

Nederlandse Taalunie

2.799

2.799

57

‒ 90

2.766

 

Europa College Brugge

30

30

0

0

30

 

Unesco

20

20

0

110

130

 

OESO CERI

77

77

5

0

82

 

Fulbright Center

368

368

0

0

368

 

DCIC

0

0

0

0

0

 

Stichting Ons Erfdeel

185

185

0

0

185

 

Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

3.074

3.131

‒ 65

0

3.066

 

EU-programma's en activiteiten

20

20

0

‒ 20

0

 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

600

0

0

600

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

426

521

0

0

521

 

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

426

521

0

0

521

Ontvangsten

99

99

0

0

99

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 0,8 miljoen verlaagd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt veroorzaakt door een bijstelling van het verplichtingenritme.

3.6 Art.nr. 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

A. Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren: De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren: De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van het in 2007 uitgebrachte actieplan «LeerKracht van Nederland», het in mei 2011 uitgebrachte actieplan «Leraar 2020, een krachtig beroep!» en de in oktober 2013 opgestelde «Lerarenagenda 2013–2020: de leraar maakt het verschil» en de op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenanten en bestuursakkoorden.

Regisseren: De Minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken wordt een bijdrage geleverd aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Dit gebeurt door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in de beleidsagenda en in OCW in Cijfers. Het Dashboard Lerarenagenda geeft een beeld van de kwantitatieve voortgang voor alle zeven agendalijnen van de Lerarenagenda.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren worden beschreven in de beleidsagenda.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 9.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

152.191

154.591

168.559

154.937

162.179

162.064

160.868

Totale uitgaven

162.367

155.427

168.555

165.335

162.179

162.064

160.868

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

55,3%

       
               

Bekostiging

27.820

32.381

32.894

34.798

31.561

32.011

30.815

Aanvullende bekostiging

27.820

32.381

32.894

34.798

31.561

32.011

30.815

 

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

27.820

32.381

32.894

34.798

31.561

32.011

30.815

               

Subsidies

125.339

109.426

126.721

121.329

121.329

120.764

120.764

 

Lerarenbeurs1

109.945

97.078

104.300

104.300

104.300

104.300

104.300

 

Zij-instroom1

   

16.348

12.356

12.356

12.356

12.356

 

Impuls lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

2.625

1.609

         
 

Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

63

           
 

Wet Beroep Leraar en Lerarenregister

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

 

Promotiebeurs voor leraren

3.251

           
 

Projecten professionalisering

3.899

2.000

         
 

Overige projecten

2.611

5.794

3.128

1.728

1.728

1.163

1.163

               

Opdrachten

3.654

7.512

3.368

3.638

3.718

3.718

3.718

 

Onderzoek, ramingen en communicatie

2.685

3.512

3.368

3.638

3.718

3.718

3.718

 

Leraren- en schoolleidersregister

969

4.000

         
               

Bijdrage aan agentschappen

5.554

6.108

5.572

5.570

5.571

5.571

5.571

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

5.554

6.108

5.572

5.570

5.571

5.571

5.571

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

11.319

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

1

Het budget Lerarenbeurs is voor de jaren 2017 en 2018 inclusief het budget voor de Zij-instroom.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 9 is voor 2019 55,3 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht op grond van een gepubliceerde bekostigingsregeling en bestemd voor betalingen aan samenwerkingsverbanden.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2019 58,0 procent bestuurlijk verplicht, waarvan het grootste deel van het budget voor de lerarenbeurs bestemd is. Het overige deel van 42,0 procent is juridisch verplicht. Dit betreft subsidies te verstrekken op grond van gepubliceerde subsidieregelingen en individuele subsidies die voorafgaand aan het jaar worden verleend.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2019 29,7 procent juridisch verplicht op grond van in 2017 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeidsmarkt en de beheerskosten voor de leraren- en schoolleidersregisters. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht om de beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van leraren (professionalisering onderwijspersoneel en aansluiting onderwijs op behoefte arbeidsmarkt) verder te ondersteunen. Ervaringscijfers laten zien dat in de loop van het jaar dit resterende deel van het budget juridisch wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisatie DUO voor dat jaar.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Aanvullende bekostiging

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen op het gebied van opleiden en professionaliseren te verbeteren zijn 91 opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor po, vo en mbo) erkend. Zij ontvangen jaarlijks bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2019 is € 104,3 miljoen beschikbaar voor de lerarenbeurs.

Deze subsidie – voor zowel studiekosten als studieverlof – kan worden aangevraagd door leraren in po, vo, mbo en hbo voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding.

Zij-instroom

Onder dit budget vallen twee verschillende regelingen:

  • 1. De regeling zij-instroom: voorziet in een subsidie voor de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject <zij-instroom in het beroep>

  • 2. Subsidie korte scholingstrajecten vo: een (toekomstig) leraar in het vo heeft de mogelijkheid om de juiste bevoegdheid te behalen om les te mogen geven in het vo.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen ingehuurd.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW. Ze levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

3.7 Beleidsartikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 9 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

168.559

172.216

‒ 4.000

5.757

173.973

Uitgaven

168.555

172.212

‒ 4.000

5.757

173.969

Waarvan juridisch verplicht

55,3%

96,1%

  

99,9%

        

Bekostiging

32.894

32.092

600

‒ 2.267

30.425

 

Aanvullende bekostiging

32.894

32.092

600

‒ 2.267

30.425

  

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

32.894

32.092

600

‒ 2.267

30.425

Subsidies

126.721

132.879

‒ 4.600

8.192

136.471

 

Lerarenbeurs

82.060

82.060

18.240

‒ 6.800

93.500

 

Zij-instroom

25.588

29.588

‒ 5.240

13.192

37.540

 

Impuls lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

0

0

0

0

0

 

Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

0

0

0

0

0

 

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

2.945

2.945

0

‒ 900

2.045

 

Promotiebeurs voor leraren

0

0

0

0

0

 

Projecten professionalisering

0

0

0

0

0

 

Overige projecten

16.128

18.286

‒ 17.600

2.700

3.386

Opdrachten

3.368

3.656

0

‒ 268

3.388

 

Onderzoek, ramingen en communicatie

3.368

3.656

0

‒ 268

3.388

 

Leraren- en schoolleidersregister

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

5.572

3.585

0

100

3.685

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

5.572

3.585

0

100

3.685

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

0

0

Ontvangsten

9.000

9.000

0

0

9.000

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Subsidies

Het budget op subsidies wordt per saldo met € 3,6 miljoen opgehoogd. Dit komt door een ophoging van het budget voor de regeling zij-instroom met € 13,2 miljoen en een ophoging van de regeling regionale aanpak lerarentekort met € 2,1 miljoen. Daarnaast wordt het budget voor de regeling lerarenbeurs met € 6,8 miljoen en het budget van Wet beroep leraar en Lerarenregister met € 0,9 miljoen verlaagd. Ook is er € 4,0 miljoen overgeboekt naar het Gemeentefonds voor de G4 aanpak lerarentekort.

3.7 Art.nr. 11 Studiefinanciering

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering door de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering 2018 per maand in euro’s

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 291,61

€ 104,73

n.v.t.

Basisbeurs

€ 269,45

€ 82,56

Aanvullende beurs

€ 279,25

€ 257,41

€ 391,00

Aanvullende beurs

€ 361,76

€ 339,96

Maximaal leenbedrag

€ 299,60

€ 299,60

€ 479,46

Maximaal leenbedrag

€ 179,86

€ 179,86

Collegegeldkrediet

€ 171,67

€ 171,67

€ 171,67

Collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

€ 1.042,13

€ 833,41

€ 1.042,13

Totaal

€ 811,07

€ 602,38

Peildatum 1 september 2018

C. Beleidswijzigingen

Rondom het stopzetten van het studentenreisproduct, is in december 2017 een pakket maatregelen aangekondigd met als doel het aantal ov-boetes flink te laten afnemen. (Oud-)studenten lopen tegen zo’n ov-boete aan als ze hun studentenreisproduct te laat stopzetten wanneer zij daar geen recht meer op hebben. Voor een deel van de aangekondigde maatregelen is een wetswijziging nodig, die momenteel wordt voorbereid en wordt voorzien per 1 januari 2019. Een voorbeeld van zo’n maatregel is dat studenten straks alleen nog maar een boete hoeven te betalen als ze daadwerkelijk met hun studentenreisproduct hebben gereisd nadat het recht daarop is verlopen. Een ander voorbeeld is dat het boetebedrag (van € 97,– per halve maand) wordt aangepast naar € 75,– per halve kalendermaand over de eerste twee halve kalendermaanden en € 150 voor de daaropvolgende halve kalendermaanden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

4.563.829

6.366.611

5.602.726

5.205.161

5.268.330

5.771.030

5.842.009

Totale uitgaven

4.563.829

6.366.611

5.602.726

5.205.161

5.268.330

5.771.030

5.842.009

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdracht

1.496.930

3.140.876

2.220.767

1.739.603

1.723.781

2.157.234

2.163.739

Basisbeurs

741.403

524.363

380.511

344.925

330.287

342.500

362.906

 

Gift (R)

1.108.885

1.155.285

1.085.819

856.222

612.764

426.784

382.979

 

Prestatiebeurs (NR)

– 367.482

– 630.922

– 705.308

– 511.297

– 282.477

– 84.284

– 20.073

Aanvullende beurs

777.233

820.399

834.064

834.773

836.856

832.746

824.541

 

Gift (R)

608.481

638.027

661.126

681.149

700.255

710.348

713.681

 

Prestatiebeurs (NR)

168.752

182.372

172.938

153.624

136.601

122.398

110.860

Reisvoorziening

146.568

1.729.181

977.121

559.083

580.231

1.026.159

1.044.856

 

Gift (R)

695.717

746.167

741.716

770.035

802.373

813.106

834.351

 

Prestatiebeurs (NR)

187.869

142.061

150.076

139.401

123.157

128.260

121.032

 

Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)

– 859.409

– 863.612

– 866.639

– 883.638

– 899.046

– 914.184

– 927.555

 

Kosten contract OV-bedrijven (R)

122.391

1.704.565

951.968

533.285

553.747

998.977

1.017.028

Overige uitgaven

– 168.274

66.933

29.071

822

– 23.593

– 44.171

– 68.564

 

Overige uitgaven relevant (R)

285.356

105.352

90.082

92.110

99.137

111.165

118.192

 

Caribisch Nederland (R)

3.491

3.671

3.860

4.059

4.268

4.488

4.719

 

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

– 457.121

– 42.090

– 64.871

– 95.347

– 126.998

– 159.824

– 191.475

                   

Leningen

2.934.328

3.124.063

3.284.173

3.364.876

3.442.892

3.511.301

3.574.979

 

Rentedragende lening (NR)

2.612.321

2.745.533

2.900.819

2.994.622

3.063.453

3.126.395

3.185.302

 

Collegegeldkrediet (NR)

322.007

378.530

383.354

370.254

379.439

384.906

389.677

               

Bijdrage aan agentschappen

132.571

101.672

97.786

100.682

101.657

102.495

103.291

Dienst Uitvoering Onderwijs

132.571

101.672

97.786

100.682

101.657

102.495

103.291

Ontvangsten

826.628

850.274

893.224

948.557

1.015.860

1.087.009

1.155.007

 

Ontvangen rente en relevant hoofdsom (R)

106.887

96.527

91.550

96.535

110.808

126.955

137.656

 

Kortlopende vorderingen (R)

93.778

81.545

81.045

80.545

80.045

78.545

76.045

 

Terugontvangen hoofdsom (NR)

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 11.3 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

relevante uitgaven:

2.097.483

3.591.127

2.765.718

2.153.904

1.975.154

2.253.179

2.246.686

niet relevante uitgaven:

2.466.346

2.775.484

2.837.008

3.051.257

3.293.176

3.517.851

3.595.323

relevante ontvangsten:

200.665

178.072

172.595

177.080

190.853

205.500

213.701

niet relevante ontvangsten:

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2019 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

In tabel 11.2 «Budgettaire gevolgen voor beleid en budgetflexibiliteit» is vanaf dit jaar gekozen voor een verhelderende opzet voor de uitgaven aan de reisvoorziening. De reisvoorziening wordt nu op vergelijkbare manier weergegeven als de basisbeurs en de aanvullende beurs. De boekingswijze van de reisvoorziening is complex, omdat het naast de prestatiebeurssystematiek, ook gaat over betalingen aan de OV-bedrijven en werkt met tegenboekingen om te voorkomen dat middelen twee keer worden geboekt (als uitgave aan het OV en als uitgave aan de student).

Het betreft vier wijzigingen. Ten eerste zijn de uitgaven die betrekking hebben op het reisproduct nu geheel zichtbaar onder de post reisvoorziening. Voorheen zat een deel van de reisvoorziening in de overige uitgaven niet-relevant. Het betrof de niet-relevante uitgaven op de toekenningen en de niet-relevante tegenboeking van de omzettingen. Dit bedrag is nu zichtbaar onder de post prestatiebeurs (NR) zoals dit ook is opgezet bij de basisbeurs en de aanvullende beurs.

Ten tweede is de post die voorheen prestatiebeurs (R) werd genoemd, nu zichtbaar onder de post bijdrage studerenden aan OV-contract. Hiermee wordt duidelijker aangegeven welk bedrag studenten krijgen opgeboekt voor het gebruik van het reisproduct en dus welk bedrag zij indirect voor het reisproduct betalen aan de OV-bedrijven. Voor studenten die binnen de prestatiebeurstermijn een diploma behalen, wordt dit bedrag omgezet in een gift.

In de derde plaats is ook voor bolstudenten van niveau 1 en 2 het bedrag dat zij bijdragen aan het OV-contract negatief in deze post opgenomen. Aangezien deze studenten de reisvoorziening als gift krijgen zit dit bedrag tevens positief in de post reisvoorziening gift. Tot slot is de boekingsgang van de reisvoorziening buitenland studerenden (RBS) aangepast. Het bedrag aan RBS staat weliswaar niet apart in de tabel budgettaire gevolgen van beleid, maar in tabel 11.11. Voorheen bedroeg dit een relevant bedrag waarmee de suggestie kon worden gewekt dat RBS direct een gift is. RBS is echter een prestatiebeurs, behalve voor bolstudenten van niveau 1 en 2. Omdat voorheen de RBS ook werd tegengeboekt en niet-relevant werd geboekt, waren de prestatiebeursuitgaven per saldo wel correct. In het nieuwe schema zijn de prestatiebeursuitgaven RBS opgenomen onder de niet- relevante uitgaven aan de reisvoorziening.

Hieronder zijn de veranderingen schematisch weergegeven:

Was

Wordt

Overige uitgaven (NR)

Reisvoorziening prestatiebeurs (NR)

 

Overige uitgaven (NR)

Reisvoorziening prestatiebeurs (R)

Bijdrage studerenden aan OV-contract (R)

Reisvoorziening gift (R) exclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening gift (R) inclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening prestatiebeurs (R) exclusief bol 1–2 studenten

Bijdrage studerenden aan OV contract (R) inclusief bol 1–2 studenten

Reisvoorziening gift (R) inclusief boeking RBS

Reisvoorziening gift (R) exclusief boeking RBS

Reisvoorziening prestatiebeurs (R) inclusief boeking RBS

Bijdrage studerenden aan OV contract (R) exclusief boeking RBS

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot. De basisbeurs in het hoger onderwijs is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen mogelijk nog een basisbeurs. Voor mbo’ers van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg is de studiefinanciering onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 zijn destijds niet onder het prestatiebeursregime gebracht omdat deelnemers op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2.

Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 11.4 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Studerenden met basisbeurs

395.402

303.600

240.300

225.900

221.100

216.900

211.300

bol

230.764

225.400

221.900

220.800

218.500

215.500

210.500

hbo

132.213

71.700

15.400

4.300

2.100

1.100

600

wo

32.425

6.500

3.000

800

500

300

200

Studerenden zonder basisbeurs

393.096

487.600

548.600

564.900

571.600

577.200

581.100

bol

8.432

8.200

8.100

8.100

8.000

7.900

7.700

hbo

214.365

275.400

328.300

337.400

338.700

338.800

337.600

wo

170.299

204.000

212.200

219.400

224.900

230.500

235.800

Totaal

788.498

791.200

788.900

790.800

792.700

794.100

792.400

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018 – 2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere studerende die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studerenden met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vindt een verschuiving plaats van het aantal studerenden met een basisbeurs naar het aantal studerenden zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studerenden die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeurs gift (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol direct gift

79.275

77.632

77.648

76.802

74.922

72.240

73.550

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

225.966

240.811

239.702

237.401

233.666

229.987

235.760

ho direct gift

3.400

2.751

1.986

0

0

0

0

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

800.244

834.091

766.483

542.019

304.176

124.557

73.669

Totaal

1.108.885

1.155.285

1.085.819

856.222

612.764

426.784

382.979

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Tabel 11.6 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol toekenningen

249.783

248.148

244.258

243.454

241.935

239.891

235.503

bol omzettingen

– 225.976

– 240.811

– 239.702

– 237.401

– 233.666

– 229.987

– 235.760

ho toekenningen

406.754

193.631

49.418

17.468

11.229

8.168

6.652

ho omzettingen

– 798.043

– 831.890

– 759.282

– 534.818

– 301.975

– 102.356

– 26.468

Totaal

– 367.482

– 630.922

– 705.308

– 511.297

– 282.477

– 84.284

– 20.073

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.5 en 11.6 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalt het aantal toekenningen in het ho vanaf 2015.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studerenden in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 11.7 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol

112.894

110.500

108.800

108.200

107.000

105.200

102.700

hbo

88.376

88.500

87.600

87.100

86.900

86.700

86.200

wo

29.288

30.400

31.100

31.800

32.600

33.300

34.100

Totaal

230.558

229.400

227.500

227.100

226.500

225.200

223.000

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze tabel laat het aantal studerenden met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat de overheid er niet op aanstuurt dat meer of minder studerenden een aanvullende beurs ontvangen.

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beurs gift (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol direct gift

224.760

225.680

225.617

223.104

223.017

217.989

211.562

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

147.246

156.000

161.755

163.737

163.003

161.092

159.127

ho direct gift

51.251

52.455

53.251

53.124

53.886

54.057

54.110

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

185.224

203.892

220.503

241.184

260.349

277.210

288.882

Totaal

608.481

638.027

661.126

681.149

700.255

710.348

713.681

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Tabel 11.9 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol toekenningen

171.864

170.198

167.529

166.978

165.937

164.534

161.525

bol omzettingen

– 147.257

– 156.000

– 161.755

– 163.737

– 163.003

– 161.092

– 159.127

ho toekenningen

328.833

371.530

387.131

391.031

393.480

395.630

396.808

ho omzettingen

– 184.688

– 203.356

– 219.967

– 240.648

– 259.813

– 276.674

– 288.346

Totaal

168.752

182.372

172.938

153.624

136.601

122.398

110.860

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.8 en 11.9 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 257,41 of € 279,25 (zie tabel 11.1).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 391,00. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 11.10 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Aantal gebruikers van het reisrecht

771.330

781.600

779.500

780.500

779.200

777.400

774.500

bol

316.008

318.900

315.300

313.400

308.200

302.300

296.100

ho

455.322

462.700

464.200

467.100

471.000

475.100

478.400

Aantal RBS

20.480

20.800

20.800

20.900

21.100

21.200

21.400

bol

3.240

3.200

3.100

3.100

3.100

3.000

3.000

ho

17.240

17.600

17.700

17.800

18.000

18.200

18.400

Totaal

791.810

802.400

800.300

801.400

800.300

798.600

795.900

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Deelnemers in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Per 1 januari 2017 hebben ook minderjarige deelnemers in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor deelnemers in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 11.11 Uitgaven reisvoorziening (Bedragen x € 1.000)
   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Prestatiebeurs (NR)

Bol prestatiebeurs

303.575

306.312

306.083

310.326

311.351

311.571

311.201

 

Ho prestatiebeurs

504.786

505.927

508.972

520.962

534.843

549.476

563.404

 

RBS en overig prestatiebeurs

24.177

24.041

24.576

25.218

25.902

26.598

27.244

 

Bol naar gift omgezette prestatiebeurs

– 196.493

– 210.438

– 210.664

– 242.228

– 273.752

– 282.343

– 290.476

 

Ho naar gift omgezette prestatiebeurs

– 448.176

– 483.781

– 478.891

– 474.877

– 475.187

– 477.042

– 490.341

                   

Gift (R)

Bol direct gift

51.048

51.948

52.161

52.930

53.434

53.721

53.534

 

Bol naar gift omgezette prestatiebeurs

196.493

210.438

210.664

242.228

273.752

282.343

290.476

 

Ho naar gift omgezette prestatiebeurs

448.176

483.781

478.891

474.877

475.187

477.042

490.341

                   

Bijdrage studerenden aan OV-contract

 

– 859.409

– 863.612

– 866.639

– 883.638

– 899.046

– 914.184

– 927.555

Kosten contract OV-bedrijven

 

122.391

1.704.565

951.968

533.285

553.747

998.977

1.017.028

Totaal reisvoorziening

146.568

1.729.181

977.121

559.083

580.231

1.026.160

1.044.856

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018 – 2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bij de kosten contract OV-bedrijven is in 2017 een veel lager en in 2018 een veel hoger bedrag te zien dan in de overige jaren. Dit heeft te maken met een aantal kasschuiven. Voor de betaling van het reisproduct aan vervoerbedrijven heeft een kasschuif van 2017 naar 2016 van ongeveer € 747 miljoen plaatsgevonden en van 2018 naar 2016 van € 44 miljoen. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Tevens zorgt een aantal kasschuiven per saldo voor een schuif van € 425 miljoen van 2020 naar 2018 en van € 425 miljoen van 2021 naar 2018. Contractueel is vastgelegd dat OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven. Op dit artikelonderdeel staan ook de uitgaven geraamd voor studerenden uit de Europese Unie, voorschotten en handbetalingen.

Leningen

Tabel 11.12 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Rentedragende lening

2.612.321

2.745.533

2.900.819

2.994.622

3.063.453

3.126.395

3.185.302

Collegegeldkrediet

322.007

378.530

383.354

370.254

379.439

384.906

389.677

Totaal

2.934.328

3.124.063

3.284.173

3.364.876

3.442.892

3.511.301

3.574.979

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld zoals de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet. Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het collegegeldkrediet loopt in latere jaren iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Hierdoor wordt het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten per collegejaar 2019–2020 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 11.13 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Hoofdsom (NR)

625.963

672.202

720.629

771.477

825.007

881.509

941.306

Relevante rentedragende lening

971

925

882

840

801

763

727

Rente ontvangsten

105.783

95.476

90.548

95.581

109.899

126.089

136.826

Renteloos voorschot

133

126

120

114

108

103

103

Totaal ontvangsten

732.850

768.729

812.179

868.012

935.815

1.008.464

1.078.962

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De ontvangsten ontstaan door terugbetaling van studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend. De terugontvangen hoofdsom is een niet-relevante ontvangst en de ontvangen rente is relevant. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

Tabel 11.14 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Achterstallig Lager Recht (ALR)

53.632

41.838

41.838

41.838

41.838

40.838

38.838

Reisvergoeding

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

34.150

Overig

5.996

5.557

5.057

4.557

4.057

3.557

3.057

Totaal kortlopende vorderingen

93.778

81.545

81.045

80.545

80.045

78.545

76.045

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

De kortlopende vorderingen ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd.

3.8 Art.nr. 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

A. Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren: De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de WTOS wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 12.1 Normbedragen WTOS in euro’s (per maand, tenzij anders vermeld)
 

Schoolkosten

Les- of cursusgeld

Basistoelage thuiswonend

Basistoelage uitwonend

VO 18+ (vanaf 18 jaar):

       

vo onderbouw

80,14

   

265,01

niet bekostigd vo onderbouw

109,73

96,25

113,66

265,01

vo bovenbouw

87,74

 

113,66

265,01

niet bekostigd vo bovenbouw

117,37

96,25

113,66

265,01

vso

53,24

 

113,66

265,01

vavo

117,37

96,25

113,66

265,01

           

TS 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd:1

       

bij 540 of meer lesminuten per week

315,87

364,80

   

tussen 270 en 540 minuten per week

212,81

243,20

   
           

Lerarenopleidingen1

738,24

567,23

   

Peildatum schooljaar 2018/2019

1

Bedragen per schooljaar

Toelichting:

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de vo bovenbouw gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 12.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

92.792

93.701

93.071

91.523

90.764

90.279

88.579

Totale uitgaven

92.792

93.701

93.071

91.523

90.764

90.279

88.579

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdracht

76.913

77.733

77.180

75.634

74.883

74.406

72.731

TS 17-

4

0

0

0

0

0

0

 

Minderjarige deelnemers bol (R)

4

0

0

0

0

0

0

TS 18+

5.968

5.968

5.968

5.968

5.968

5.968

5.968

 

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.741

3.741

3.741

3.741

3.741

3.741

3.741

 

Deeltijd vo (R)

2.227

2.227

2.227

2.227

2.227

2.227

2.227

VO 18+

70.941

71.765

71.212

69.666

68.915

68.438

66.763

 

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

6.204

6.383

6.459

6.446

6.426

6.413

6.339

 

Meerderjarige scholieren vo (R)

58.773

60.229

59.664

58.258

57.675

57.384

55.945

 

Meerderjarige scholieren vso (R)

4.242

4.121

4.057

3.930

3.782

3.609

3.447

 

STOEB/ALR (NR)

1.722

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

                   

Bijdrage aan agentschappen

15.879

15.968

15.891

15.889

15.881

15.873

15.848

 

Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

15.879

15.968

15.891

15.889

15.881

15.873

15.848

Ontvangsten

3.813

3.685

3.657

3.580

3.543

3.520

3.437

 

TS 17- (R)

144

0

0

0

0

0

0

 

TS 18+ (R)

158

158

158

158

158

158

158

 

VO 18+ (R)

3.511

3.527

3.499

3.422

3.385

3.362

3.279

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2019 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is.

Tabel 12.3 Aantal gebruikers per regeling (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Aantal gebruikers TS 17-

0

0

0

0

0

0

0

Aantal gebruikers TS 18+

6.363

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

Aantal gebruikers VO 18+

35.808

35.900

35.600

34.800

34.400

34.100

33.300

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018 – 2023: ramingsmodel SF

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 11 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

5.583.226

5.547.695

‒ 58

‒ 148.000

5.399.637

Uitgaven

5.583.226

5.547.695

‒ 58

‒ 148.000

5.399.637

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

  

100%

        

Inkomensoverdrachten

2.201.267

2.171.481

0

2.000

2.173.481

 

Basisbeurs

380.511

291.878

0

‒ 3.000

288.878

  

Gift ( R)

1.085.819

1.084.608

0

‒ 3.000

1.081.608

  

Prestatiebeurs (NR)

‒ 705.308

‒ 792.730

0

0

‒ 792.730

 

Aanvullende beurs

834.064

810.499

0

4.000

814.499

  

Gift ( R)

661.126

664.582

0

4.000

668.582

  

Prestatiebeurs (NR)

172.938

145.917

0

0

145.917

 

Reisvoorziening

957.621

932.202

0

17.000

949.202

  

Gift ( R)

741.716

733.083

0

8.000

741.083

  

Prestatiebeurs (NR)

150.076

118.446

0

8.000

126.446

  

Bijdrage studerenden aan OV-contract ( R)

‒ 866.639

‒ 876.723

0

0

‒ 876.723

  

Kosten contract OV-bedrijven ( R)

932.468

957.396

0

1.000

958.396

 

Overige uitgaven

29.071

136.902

0

‒ 16.000

120.902

  

Overige uitgaven relevant ( R)

90.082

98.151

0

‒ 30.000

68.151

  

Caribisch Nederland ( R)

3.860

3.210

0

0

3.210

  

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

‒ 64.871

35.541

0

14.000

49.541

Leningen

3.284.173

3.254.429

0

‒ 150.000

3.104.429

 

Rentedragende lening (NR)

2.900.819

2.891.066

0

‒ 130.000

2.761.066

 

Collegegeldkrediet (NR)

383.354

363.363

0

‒ 20.000

343.363

Bijdrage aan agentschappen

97.786

121.785

‒ 58

0

121.727

 

Dienst Uitvoering Onderwijs ( R)

97.786

121.785

‒ 58

0

121.727

Ontvangsten

893.224

885.248

0

0

885.248

 

Ontvangen rente en relevant hoofdsom ( R)

91.550

88.927

0

‒ 10.000

78.927

 

Kortlopende vorderingen ( R)

81.045

54.096

0

‒ 20.000

34.096

 

Terugontvangen hoofdsom (NR)

720.629

742.225

0

30.000

772.225

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 148,0 miljoen verlaagd. Dit bestaat uit een verhoging van de inkomensoverdrachten met € 2,0 miljoen, en een verlaging van de leningen met € 150,0 miljoen. Bij artikel 11 (Studiefinanciering) zijn de verplichtingen gelijk aan de uitgaven. De onderstaande toelichting bij de uitgaven geldt dus ook voor de verplichtingen.

Uitgaven

De uitgaven worden overeenkomstig met de verplichtingen met €148,0 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten:

  • Het budget voor de basisbeurs gift wordt per saldo met € 3,0 miljoen verlaagd op basis van reeds bekende realisaties. Het gaat hier om basisbeursbedragen die als gift worden toegekend aan bolstudenten in niveau 1 en 2.

  • Het budget voor de aanvullende beurs gift wordt met € 4,0 miljoen verhoogd op basis van reeds bekende realisatiegegevens.

  • Het budget voor de reisvoorziening wordt per saldo met € 17,0 miljoen verhoogd. Hieraan liggen verschillende mutaties ten grondslag:

    • De bijdrage aan vervoersbedrijven wordt met € 1,0 miljoen verhoogd door o.a. de implementatiekosten van de boete-maatregelen.

    • De reeds gerealiseerde uitgaven aan de reisvoorziening gift zijn iets hoger waardoor er een tegenvaller van € 8,0 miljoen resteert.

    • De uitgaven aan de reisvoorziening (niet relevant) worden met € 8,0 miljoen verhoogd op basis van de reeds bekende realisatie.

  • De overige uitgaven worden per saldo met € 16,0 miljoen verlaagd. Hieraan liggen twee mutaties ten grondslag:

    • De relevante overige uitgaven worden met € 30,0 miljoen verlaagd. Dit is nog een indirect gevolg van wijzigingen in de uitvoeringspraktijk en de bijbehorende boekingsgang doordat in mei 2018 het nieuwe PVS systeem in werking trad. Hierdoor is er in 2018 een stuk minder achterstallig lager recht (ALR) geboekt. Deze daling heeft zich verder doorgezet in 2019. Doordat er minder ALR is, zijn er ook minder kortlopende vorderingen die als relevante uitgaven worden geboekt. Dit zorgt ook voor lagere ontvangsten zoals onder de ontvangsten-mutatie is beschreven.

    • De niet relevante overige uitgaven worden met € 14,0 miljoen verhoogd op basis van de reeds bekende realisatie.

Leningen:

  • De rentedragende lening wordt naar beneden bijgesteld met € 130,0 miljoen. Uit de realisatiegegevens tot en met juli 2019 blijkt dat de stijgende trend in de leenbedragen van de afgelopen jaren dit jaar kleiner is.

  • De uitgaven aan het collegegeldkrediet worden met € 20,0 miljoen naar beneden bijgesteld op basis van reeds bekende realisatiegegevens.

Ontvangsten

Het budget blijft per saldo gelijk. De relevante ontvangsten worden met 30,0 miljoen verlaagd, de niet relevante ontvangsten met 30,0 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt veroorzaakt door:

  • Ontvangen rente: de ontvangen rente wordt met € 10,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Uit de reeds bekende realisatie van DUO blijkt dat de renteontvangsten lager zijn dan geraamd.

  • Kortlopende vorderingen: de kortlopende vorderingen zijn naar beneden bijgesteld met € 20,0 miljoen. Zoals bij de mutatie van de overige relevante uitgaven is beschreven, ontstaat er door het nieuwe PVS systeem minder achterstallig lager recht en daardoor minder kortlopende vorderingen. Dat betekent ook minder relevante ontvangsten op kortlopende vorderingen.

  • Terugontvangen hoofdsom: de niet-relevante ontvangsten op de terugontvangen hoofdsom zijn met € 30,0 miljoen naar boven bijgesteld. Uit de realisatiegegevens van DUO tot en met juli 2019 blijkt dat er een iets hoger bedrag is terugbetaald.

3.9 Beleidsartikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Tabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 12 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

93.071

80.381

0

0

80.381

Uitgaven

93.071

80.381

0

0

80.381

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

  

100%

        

Inkomensoverdrachten

77.180

78.052

0

0

78.052

 

TS 17-

0

0

0

0

0

  

Minderjarige deelnemers bol ( R)

0

0

0

0

0

 

TS 18+

5.968

5.849

0

0

5.849

  

Tegemoetkoming lerarenopleding (tlo) ( R)

3.741

3.611

0

0

3.611

  

Deeltijd vo ( R)

2.227

2.238

0

0

2.238

 

VO 18+

71.212

72.203

0

0

72.203

  

Volwassenenonderwijs (vavo) ( R)

6.459

6.320

0

0

6.320

  

Meerderjarige scholieren vo ( R)

59.664

59.163

0

0

59.163

  

Meerderjarige scholieren vso ( R)

4.057

3.695

0

0

3.695

  

STOEB/ALR (NR)

1.032

3.025

0

0

3.025

Bijdrage aan agentschappen

15.891

2.329

0

0

2.329

 

Dienst Uitvoering Onderwijs ( R)

15.891

2.329

0

0

2.329

Ontvangsten

3.657

4.043

0

0

4.043

 

TS 17- ( R)

0

0

0

0

0

 

TS 18+ ( R)

158

215

0

0

215

 

VO 18+ ( R)

3.499

3.828

0

0

3.828

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven.

3.9 Art.nr. 13. Lesgelden

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Financieren: De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Indicatoren/kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel staan de lesgeldbedragen (vastgesteld tot en met 2018/19) aangegeven.

Tabel 13.1 Lesgeldbedrag (Bedragen x € 1)
 

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/2024

Lesgeld

1.137

1.155

1.155

1.155

1.155

1.155

1.155

C. Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 13.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

7.334

6.672

6.649

6.645

6.639

6.629

6.614

Totale uitgaven

7.334

6.672

6.649

6.645

6.639

6.629

6.614

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Bijdrage aan agentschappen

7.334

6.672

6.649

6.645

6.639

6.629

6.614

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

7.334

6.672

6.649

6.645

6.639

6.629

6.614

Ontvangsten

241.966

237.689

238.734

241.071

242.429

242.542

240.575

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2019 100 procent juridisch verplicht. De geraamde DUO-uitgaven zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

Tabel 13.3 Aantal lesgeldplichtigen (vanaf 2018 afgeronde raming)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

bol/vo

221.191

216.400

213.000

212.000

209.800

206.800

202.000

Bron 2017: realisatiegegevens DUO; Bron 2018–2023: ramingsmodel SF

Toelichting:

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de deelnemers/leerlingen.

3.10 Beleidsartikel 13. Lesgelden

Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 13 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

6.649

12.831

0

0

12.831

Uitgaven

6.649

12.831

0

0

12.831

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

  

100%

        

Bijdrage aan agentschappen

6.649

12.831

0

0

12.831

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

6.649

12.831

0

0

12.831

Ontvangsten

238.734

231.866

0

0

231.866

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven.

3.10 Art.nr. 14 Cultuur

A. Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt.

Financieren: De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma’s en regelingen op de terreinen erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken.

Stimuleren: De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma’s als cultuureducatie, leesbevordering, ondernemerschap en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren: De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Erfgoedinspectie. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen

Tabel 14.1 Kengetallen
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder die voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht

89%

           

2

Percentage bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht

60%

           

3

Percentage kinderen en jongeren tussen 6 en 19 jaar die voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht

99% (6–11 jaar)

99% (12–19 jaar)

           

Bron: SCP/CBS (VTO 2012–2016)1

1 De Vrijetijdsomnibus (VTO) is een tweejaarlijks onderzoek naar cultuur- en sportparticipatie van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) wordt eens in de twee jaar uitgevoerd. De gegevens over 2016 zijn de meest recente.

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven de ontwikkelingen weer van het cultuurbereik. Daarmee zijn deze in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur.

In 2016 bezochten negen op de tien mensen van 6 jaar en ouder jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling, evenement of culturele instelling. Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 60% van de mensen bezocht. Het is belangrijk dat iedereen al vroeg met cultuur in aanraking komt. Op basis van deze gegevens blijkt dat bijna alle kinderen en jongeren tot en met 19 jaar in 2016 minstens één keer een voorstelling, een museum of bibliotheek bezochten.

Meer kengetallen en indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd in OCW in cijfers.

C. Beleidswijzigingen

In de monumentenzorg wordt de fiscale aftrek vervangen door een uitgavenregeling. In de brief Erfgoed Telt is de Kamer hierover uitgebreid geïnformeerd. Bij het toekennen van middelen uit het Regeerakkoord zal de toegankelijkheid van historische plaatsen één van de criteria zijn. In aanvulling op de maatregelen die in de cultuurbrief Cultuur in een open samenleving staan, wordt in 2019 verder geïnvesteerd in Cultuur. Onderstaande tabel toont de voorgenomen bestedingen.

Tabel 14.2 Inzet Regeerakkoordmiddelen reeks G40 Cultuur (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Thema Cultuur maakt nieuwsgierig

         

Filmeducatie

0,90

2,90

2,90

2,90

2,90

Scholenbezoek parlement

1,37

3,52

4,12

4,72

4,76

Doorontwikkeling digitale openbare bibliotheek

 

1,75

2,00

2,00

2,00

Bereikbaarheid openbare bibliotheek in de regio

1,00

1,00

1,00

   

Programma cultuurparticipatie

2,85

7,33

8,45

8,45

8,45

           

Thema Ruimte voor nieuwe cultuur en makers

         

Talentontwikkeling en vernieuwing rijkscultuurfondsen

10,00

5,00

5,00

5,00

5,00

Symfonieorkest met aanbod van pop en jazz muziek

0,75

0,75

0,75

0,75

0,75

           

Thema Een sterke culturele sector

         

Ondernemerschap & arbeidsmarkt

3,80

2,30

2,30

2,30

2,30

Investering popmuziek

0,60

0,60

0,60

   
           

Voorbereiding periode 2021–2024

         

Proeftuinen o.b.v. stedelijke en regionale profielen

2,00

2,00

     

Totale inzet

23,27

27,15

27,12

26,12

26,16

Dekking uit tranche 2019

23,27

25,00

25,00

25,00

25,00

Nog beschikbaar uit tranche 2019

1,73

0,00

0,00

0,00

0,00

Dekking uit tranche 2020

 

2,15

2,12

1,12

1,16

Nog beschikbaar uit tranche 2020

 

27,85

27,88

28,88

28,84

Zoals toegezegd in het AO Cultuur van 30 mei 2018 zal de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling van Cultuur een nadere uitwerking van deze maatregelen ontvangen.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 14.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (Bedragen x € 1.000)1
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

506.851

453.881

589.734

2.265.293

512.680

484.511

479.260

Waarvan garantieverplichtingen

103.359

– 37.415

0

0

0

0

0

Totale uitgaven

738.415

861.881

967.703

958.610

935.708

907.539

902.288

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

93,0%

       
                   

Bekostiging

633.284

717.103

832.394

837.037

831.060

807.342

802.342

 

Culturele basisinfrastructuur

398.644

429.605

445.012

441.662

438.188

437.444

437.444

   

Vierjaarlijkse instellingen

232.252

246.909

248.365

248.015

245.706

245.313

245.313

   

Vierjaarlijkse fondsen

166.392

182.696

196.647

193.647

192.482

192.131

192.131

 

Erfgoedwet

121.722

124.182

124.182

124.182

124.182

124.182

124.182

   

Huisvesting

81.547

83.025

83.025

83.025

83.025

83.025

83.025

   

Beheer en onderhoud collecties

40.175

41.157

41.157

41.157

41.157

41.157

41.157

 

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

0

905

48.004

49.754

50.004

49.004

49.004

   

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

0

905

24.534

24.534

24.534

23.534

23.534

   

Digitale openbare bibliotheek

0

0

12.200

13.950

14.200

14.200

14.200

   

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

0

0

11.270

11.270

11.270

11.270

11.270

 

Monumentenzorg

45.953

120.309

173.119

169.744

153.144

131.169

126.169

 

Archieven incl. Regionale Historische Centra

24.787

25.286

25.286

25.286

25.886

25.886

25.886

 

Flankerend beleid huisvesting

31.960

6.573

6.573

6.573

6.573

6.573

6.573

 

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

10.243

10.218

19.836

33.084

33.084

33.084

                   

Subsidies

45.529

83.653

77.363

64.439

47.904

47.507

47.507

 

Verbreden inzet cultuur

8.991

13.968

16.516

16.566

14.491

17.516

17.516

 

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

6.327

9.172

9.005

9.005

8.052

8.052

8.052

 

Programma leesbevordering

3.437

3.413

3.350

3.350

3.350

3.350

3.350

 

Creatieve Industrie

1.823

7.566

7.475

1.975

1.975

1.975

1.975

 

Monumentenzorg

0

1.939

0

0

0

0

0

 

Erfgoed en ruimte

2.667

3.848

0

0

0

0

0

 

-

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

3.000

2.250

2.450

2.750

2.750

 

Specifiek cultuurbeleid

22.284

43.747

38.017

31.293

17.586

13.864

13.864

                   

Opdrachten

16.982

17.467

14.516

14.491

14.741

10.688

10.438

 

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

2.233

1.938

2.101

2.076

2.126

2.101

1.976

 

Monumentenzorg

6.941

7.256

3.717

3.717

3.692

3.692

3.692

 

Archeologie

1.976

2.986

4.893

4.893

4.893

865

865

 

Erfgoed en ruimte

1.366

1.780

0

0

0

0

0

 

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

 

Overige opdrachten

4.466

3.507

1.305

1.305

1.530

1.530

1.405

                   

Bijdragen aan agentschappen

39.771

40.874

40.646

39.859

39.219

39.218

39.217

 

Nationaal Archief

39.771

27.143

26.981

27.389

26.303

26.303

26.303

 

Nationaal Archief Programma

 

13.731

13.665

12.470

12.916

12.915

12.914

                   

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.849

2.784

2.784

2.784

2.784

2.784

2.784

   

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.849

2.784

2.784

2.784

2.784

2.784

2.784

Ontvangsten

11.031

7.288

494

494

494

494

494

1

Voor de Bijdragen aan agentschappen is van toepassing dat het budget vanaf 2018 van het Nationaal Archief wordt gesplitst in Apparaatskosten en Programmakosten.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2019 93,0 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Aan de juridische verplichting liggen de regeling en de Wet op het specifiek cultuurbeleid ten grondslag, op basis waarvan in het jaar 2016 voor 4 jaar aan de instellingen in de basisinfrastructuur is beschikt. Daarnaast betreft het verplichtingen op basis van de Erfgoedwet en de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen. Voor de Erfgoedwet is van toepassing dat de musea voor het beheer en behoud van collecties en de huisvesting langjarig zullen worden bekostigd. Tot slot zijn ook de middelen voor cultuuronderwijs meerjarig verplicht. Deze middelen worden toegekend aan samenwerkingsverbanden van culturele instellingen en scholen voor basisonderwijs.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 26,6 procent juridisch verplicht voor 2019. Dit is een deel van de verschillende programma’s die onder dit instrument vallen en ingezet zijn in het kader van het cultuurbeleid.

Het resterende deel van het budget is voor een belangrijk deel beleidsmatig verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage en de toelichting op de instrumenten.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 30,3 procent juridisch verplicht. Onder dit instrument worden naast Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis ook de contractuitgaven voor de Monumentenzorg, Archeologie en Erfgoed en fysieke leefomgeving opgenomen. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar dit budget volledig wordt verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft de contributies voor verdragen en lidmaatschappen waar Nederland aan deelneemt. Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken. Het budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur

De culturele basisinfrastructuur wordt voor een periode van vier jaar bekostigd. De besluiten over de culturele basisinfrastructuur voor de periode 2017–2020 zijn in de brief van 20 september 2016 beschreven. In totaal kent het rijk in deze periode subsidie toe aan 88 culturele instellingen en 6 fondsen. De culturele basisinfrastructuur bestaat uit vierjaarlijkse instellingen op het gebied van podiumkunsten (toneel, dans, opera en orkesten), beeldende kunsten, film, musea, letteren, architectuur, vormgeving, nieuwe media, cultuureducatie en een aantal bovensectorale instellingen. Daarnaast zijn er de zes cultuurfondsen, die sectoraal zijn georganiseerd. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel. Door middel van flexibele en kortlopende subsidieregelingen kunnen zij de dynamiek en de vernieuwing in de cultuur op de voet volgen en zijn zij in staat snel op sectorale ontwikkelingen te reageren.

Erfgoedwet

Op basis van de Erfgoedwet worden museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak wordt op grond van de regeling Beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting.

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

Per 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. De wet organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland tevens taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshandicap.

In vervolg op de midterm review over de Wsob die in 2017 is verschenen, ontvangt de Tweede Kamer in 2019 een evaluatie van de wet. Activiteiten richten zich in 2019 met name op de doorontwikkeling van het model voor e-lending van de digitale openbare bibliotheek en in vervolg op de Motie van het lid Asscher c.s. op de spreiding en bereikbaarheid van de fysieke bibliotheek.

Monumentenzorg

In juli 2016 is de Erfgoedwet, die een aantal wetten op het gebied van cultureel erfgoed vervangt waaronder de Monumentenwet, van kracht geworden. Daarmee is de Erfgoedwet het nieuwe kader geworden voor de financiering van de monumentenzorg. Wat betreft de financiering van de instandhouding van rijksmonumenten is in 2019 de beleidsbrief Erfgoed Telt van belang. Voorafgaand aan deze brief is de Tweede Kamer reeds geïnformeerd over verschillende monumenten waarvoor in 2018 extra geld beschikbaar is gekomen.

De omvorming van de fiscale monumentenaftrek in een uitgavenregeling ter tegemoetkoming aan de monumenteigenaren staat gepland voor 2019. Daarnaast krijgen in 2019 onderwerpen als toegankelijkheid, verbindende waarde en verduurzaming aandacht. Ten slotte wordt vanuit Erfgoed Telt geïnvesteerd in curricula voor bouwspecialismen, kwaliteitsnormen, het ondersteunen van vrijwilligers en de implementatie van het Verdrag van Faro.

Archieven incl. Regionale Historische Centra

OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Met ingang van 1 januari 2019 worden de Regionale Historische Centra, naar analogie van de rijksgesubsidieerde musea, zelf verantwoordelijk voor hun huisvesting. In de Kamerbrief van 11 juni 2018 zijn voorstellen tot modernisering van de Archiefwet 1995 aangekondigd, te verwachten vanaf 2019.

Flankerend beleid huisvesting

De middelen voor flankerend beleid huisvesting zijn gereserveerd voor het Garantiefonds rijksmusea, bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet.

Cultuureducatie met kwaliteit

Het programma Cultuureducatie met Kwaliteit is voor de periode 2017–2020 voortgezet met een jaarlijkse investering van ruim 10 miljoen euro. Het programma zet in op goed cultuuronderwijs voor ieder kind, op verschillende manieren. Door een gezamenlijke inzet van de scholen, de culturele instellingen en de drie overheden wordt de kwaliteit van cultuureducatie bevorderd. De samenwerking tussen de school en de culturele en sociale omgeving wordt gestimuleerd. De inhoudelijke deskundigheid van leraren, vakdocenten en educatief medewerkers op het gebied van cultuureducatie wordt versterkt.

Vanaf het schooljaar 2018–2019 zijn vanuit het Regeerakkoord aanvullende middelen toegevoegd om het bezoek aan het (rijks)museum mogelijk te maken. Het kabinet wil dat de positieve ontwikkeling die met Cultuureducatie met Kwaliteit is ingezet, zich voortzet. Het reserveert dan ook nu reeds middelen voor dat doel.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

Voor de financiering van de cultuurkaart is meerjarig een budget opgenomen van € 4,9 miljoen per jaar. In aanvulling op het programma Cultuureducatie met Kwaliteit zet OCW samen met private partijen tot en met 2020 extra in op muziekonderwijs in het primair onderwijs. OCW investeert tot en met 2020 samen met het Fonds voor Cultuurparticipatie tot een bedrag van ruim € 30 miljoen. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor uitvoering van de Nationale strategie digitaal erfgoed en vanuit het Regeerakkoord zijn middelen toegevoegd voor digitale toegankelijkheid van erfgoed, archieven en collecties (in 2019 en 2020 jaarlijks € 6 miljoen). Voorts wordt de toegankelijkheid van cultuur verbeterd mede door ondersteuning van het Jeugdfonds Sport & Cultuur, een extra bijdrage aan de Brede Regeling Combinatiefuncties en een matchingsregeling bij het Fonds voor Cultuurparticipatie (in 2019 € 2,9 miljoen, oplopend tot € 8,5 miljoen in 2023).

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Buitenlandse Zaken. In de periode 2017–2020 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelstellingen: een sterke cultuursector die in kwaliteit groeit door internationale uitwisseling en duurzame samenwerking die in het buitenland wordt gezien en gewaardeerd, een bijdrage van cultuur aan een veilige, rechtvaardige en toekomstbestendige wereld en culturele diplomatie (Kamerbrieven van 4 mei 2016 en 15 februari 2017).

Voor de versterking van de Nederlandse cultuursector wordt gekozen voor 8 focuslanden (voorheen 15) waar de meest betrokken partijen (diplomatieke posten, fondsen, DutchCulture, anderen) samen optrekken op basis van een meerjarige strategie. Daarnaast kunnen deze partijen inspelen op initiatieven vanuit het veld in 6 zogenoemde maatwerklanden, waar zich – vanwegeeen specifieke aanleiding – uitgelezen kansen voordoen voor Nederlandse cultuuruitingen. Voor de versterking van het internationale culturele profiel van Nederland zijn vanuit het Regeerakkoord structurele middelen toegevoegd (vanaf 2018 jaarlijks € 2 miljoen).

Programma leesbevordering

Het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen is onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2016–2018. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om laaggeletterdheid te voorkomen en tegen te gaan. Mede naar aanleiding van de succesvolle resultaten en in aansluiting op de uitgesproken ambitie in het Interbestuurlijke Programma (IBP) is besloten Tel mee met Taal voort te zetten en 2019 als transitiejaar te benutten om met gemeenten te bespreken hoe de aanpak van laaggeletterdheid de komende jaren een verdere impuls kan krijgen. In 2019 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de vervolgaanpak en opnieuw over de resultaten uit de monitor.

Creatieve Industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan op het gebied van de architectuur en de creatieve industrie in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor de restauratie en digitalisering van de ontwerptekeningen van Stichting Het Nieuwe Instituut zoals aangekondigd in de Kamerbrief Cultuur in een open samenleving.

Erfgoed en fysieke leefomgeving

De ervaringen uit het programma Erfgoed en ruimte worden gebruikt om vorm te geven aan het erfgoedbeleid in de fysieke leefomgeving, waarin het zal gaan om de Nationale Omgevingsvisie en de energietransitie. In de brieven Erfgoed Telt en Cultuur in een open samenleving stelt het kabinet het erfgoed van onze leefomgeving te willen beschermen én te benutten voor actuele ruimtelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en stedelijke groei. Het kabinet versterkt deze relatie in trajecten als de Omgevingswet, de Nationale Omgevingsvisie en het Deltaprogramma. Daarnaast zoekt het kabinet verdere samenwerking met de andere overheden en maatschappelijke partijen.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen. Het gaat om uitgaven aan de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog, de Stichting Cultuur-Ondernemen, de Samenwerkingsregeling musea, de btw-problematiek op de e-content (Koninklijke Bibliotheek), het toezicht op de vaste boekenprijs, cultuurprijzen (zoals de Johannes Vermeer- en de P.C. Hooft-prijs). Daarnaast betreft het een tijdelijke subsidie aan het Nationaal Holocaust Museum i.o. en een aantal kleine projectsubsidies. Tot slot zijn vanuit het Regeerakkoord middelen beschikbaar gesteld voor onder meer aanvulling van het Museaal Aankoopfonds (2018 € 25 miljoen, 2019 € 15 miljoen en 2020 € 10 miljoen).

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring en versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Monumentenzorg

De middelen zijn bestemd voor opdrachten op het gebied van de monumentenzorg voor kennis- en onderzoeksprogramma’s, ondersteuning infrastructuur erfgoed en informatie- en communicatietechniek.

Archeologie

Deze middelen zijn bestemd voor ondersteuningstaken op het gebied van onderzoek en kennis. Daarnaast zijn vanuit het Regeerakkoord middelen beschikbaar gesteld voor extra investeringen in instandhouding van archeologische rijksmonumenten, maritieme archeologie, wetenschappelijke innovatie en publieksbereik.

Erfgoed en fysieke leefomgeving

Deze middelen zijn bestemd voor opdrachten op het terrein van gebiedsgericht erfgoedbeleid voor uitvoeringsprogramma’s.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor opdrachten op het terrein van de programma’s Basis op orde, Erfgoed digitaal, Gedeeld Cultureel Erfgoed en Ondernemerschap en voor werelderfgoed.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast de prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS) zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor de UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuurverdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt in dit kader bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages) en de Nederlandse Taal Unie.

Ontvangsten

De raming betreft ontvangsten als gevolg van het definitief vaststellen van toegekende subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3

  • BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Tabel 14.4. Fiscale regelingen 2017–2019, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1
 

2017

2018

2019

Aftrek kosten monumentenpanden

53

67

0

BTW Laag tarief culturele goederen en diensten

1.173

1.173

938

1

[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Art.nr. 15. Media

A. Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister borgt de vier publieke belangen in het mediabeleid, waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving.

Financieren: De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep, en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereenkomst met de publieke omroep.

Stimuleren: Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma’s, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Mediawijzer.net).

Regisseren: De Minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen over audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

Kengetallen

Tabel 15.1 Kengetallen
   

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Integraal bereik NPO

87 %

86%

85%

         

C. Beleidswijzigingen

Er zijn geen majeure beleidswijzigingen voorzien ten aanzien van de landelijke en regionale publieke omroep. De voorziene budgetverlaging in 2019 is een onvermijdbaar gevolg van de dalende Sterinkomsten voor de mediabegroting en geen bewuste beleidswijziging van het kabinet. Voor journalistiek is een intensivering van het budget voor onderzoeksjournalistiek van € 4,9 miljoen voorzien ter uitvoering van het Regeerakkoord.1

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 15.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

996.678

976.803

960.829

970.305

953.438

967.568

945.345

Totale uitgaven

977.791

976.803

960.829

970.305

953.438

967.568

945.345

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,8%

       
                   

Bekostiging

971.732

970.446

954.836

964.312

947.445

961.575

939.328

 

Publieke Omroep (omroepinstellingen)

893.656

938.455

876.476

880.752

884.449

888.436

891.640

   

Landelijke publieke omroep

752.149

793.913

731.821

736.197

739.894

743.881

747.085

   

Regionale omroep

141.507

144.542

144.655

144.555

144.555

144.555

144.555

 

Beheertaken landelijke publieke omroep

64.782

39.254

39.298

38.947

38.947

38.947

38.947

   

Stichting Omroep Muziek

16.143

16.359

16.348

16.098

16.098

16.098

16.098

   

Uitzenden en uitzendgereedmaken

25.730

0

0

0

0

0

0

   

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

22.909

22.895

22.950

22.849

22.849

22.849

22.849

 

Dotaties, bijdragen publieke omroep

13.267

18.396

13.568

13.632

13.684

13.741

13.785

   

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.119

2.134

2.139

2.139

2.139

2.139

2.139

   

Onderzoeksjournalistiek (RA-middelen)

0

4.900

0

0

0

0

0

   

Filmfonds van de omroep en Telefilm (CoBO)

8.106

8.274

8.335

8.399

8.451

8.508

8.552

   

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.498

1.519

1.522

1.522

1.522

1.522

1.522

   

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

1.544

1.569

1.572

1.572

1.572

1.572

1.572

 

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

– 463

– 26.129

25.174

30.661

10.045

20.131

– 5.364

 

Overige bekostiging media (uit rente AMR)

490

470

320

320

320

320

320

                   

Subsidies

311

649

894

894

894

894

894

 

Subsidies

311

649

894

894

894

894

894

                   

Opdrachten

650

430

430

430

430

430

430

 

Opdrachten

650

430

430

430

430

430

430

                   

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

5.038

5.218

4.609

4.609

4.609

4.609

4.633

 

Commissariaat voor de Media

5.038

5.218

4.609

4.609

4.609

4.609

4.633

                   

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

60

60

60

60

60

60

60

 

European Audiovisual Observatory

60

60

60

60

60

60

60

Ontvangsten

199.517

179.325

163.000

166.400

144.300

152.200

125.600

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 15 is voor 2019 99,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging.

Het beschikbare budget voor 2019 is bijna volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Subsidies.

Subsidies worden in de regel juridisch verplicht in het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Opdrachten.

Opdrachten worden in de regel juridisch verplicht in het jaar waarop de opdracht betrekking heeft.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s.

Het beschikbare budget voor 2019 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdragen aan internationale organisaties.

Het beschikbare budget voor 2019 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep. Vanaf 2018 is het budget voor Uitzenden en uitzend gereedmaken toegevoegd aan het budget landelijke publieke omroep.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door de Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door de Minister aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief. Vanaf 2017 is het budget structureel verhoogd ten behoeve van het beheer en het ontsluiten van het gedigitaliseerde materiaal.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in onze samenleving.

Onderzoeksjournalistiek (RA-middelen)

Het budget voor onderzoeksjournalistiek wordt ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen.

Filmfonds van de Omroep en Telefilm (CoBO)

Het CoBO-fonds ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten waarin wordt deelgenomen door een of meer van de publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Vlaamse publieke omroep (VRT) en/of Duitse publieke omroepen en/of onafhankelijke filmproducenten en/of instellingen werkzaam op het gebied van de podiumkunsten.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Subsidies

Ten laste van dit budget worden de jaarlijkse subsidies aan het AWO-fonds voor de Omroep voor diverse projecten op het gebied van arbeidsmarktontwikkeling, werkgelegenheid en opleiding, het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten en de afbouwkosten van het Mediafonds betaald. Daarnaast is nog geld beschikbaar voor incidentele subsidies op het gebied van de media.

Opdrachten

Te laste van dit budget worden onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald. Daarnaast is nog geld beschikbaar voor incidentele opdrachten op het gebied van de media.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De kerntaak van het CvdM bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instellingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Het CvdM is tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM). Daarnaast heeft het CvdM tot taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders.

Ontvangsten

Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de STER. Op basis van het onderzoeksrapport van Ernst & Young van 9 september 2017 naar de ontwikkeling van de reclame-inkomsten in de jaren 2017 tot en met 2022 en een aanvullende opgave van de STER zijn de ramingen voor de reclame-inkomsten voor de jaren 2019 tot en met 2023 naar beneden bijgesteld.

3.11 Beleidsartikel 14. Cultuur

Tabel 14 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 14 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

589.734

464.259

‒ 61.587

293.980

696.652

Waarvan garantieverplichtingen

0

‒ 125.510

‒ 81.366

196.455

‒ 10.421

Waarvan overig

589.734

589.769

19.779

97.525

707.073

Uitgaven

967.703

967.738

2.074

‒ 2.475

967.337

Waarvan juridisch verplicht

93,0%

97,7%

  

97,9%

        

Bekostiging

832.394

830.842

‒ 1.409

1.368

830.801

 

Culturele basisinfrastructuur

445.012

467.862

‒ 14.774

‒ 3.813

449.275

  

Vierjaarlijkse instellingen

248.365

271.215

‒ 20.651

‒ 3.812

246.752

  

Vierjaarlijkse fondsen

196.647

196.647

5.877

‒ 1

202.523

 

Erfgoedwet

124.182

129.682

4.432

‒ 118

133.996

  

Huisvesting

83.025

83.025

4.183

‒ 118

87.090

  

Beheer en onderhoud collecties

41.157

46.657

249

0

46.906

 

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorziening

48.004

0

0

5

5

  

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

24.534

0

0

0

0

  

Digitale openbare bibliotheek

12.200

0

0

5

5

  

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

11.270

0

0

0

0

 

Monumentenzorg

173.119

191.221

8.010

6.743

205.974

 

Archieven incl. Regionale Historische Centra

25.286

25.286

647

0

25.933

 

Flankerend beleid huisvesting

6.573

6.573

0

‒ 1.173

5.400

 

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

10.218

276

‒ 276

10.218

Subsidies

77.363

73.647

3.371

‒ 3.431

73.587

 

Verbreden inzet cultuur

16.516

14.666

300

‒ 600

14.366

 

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

9.005

9.005

‒ 257

0

8.748

 

Programma leesbevordering

3.350

3.350

0

0

3.350

 

Creatieve Industrie

7.475

1.952

‒ 125

255

2.082

 

Monumentenzorg

0

3.516

0

0

3.516

 

Erfgoed en ruimte

0

0

0

0

0

 

Erfgoed en fysieke leefomgeving

3.000

3.230

‒ 1.500

‒ 25

1.705

 

Specifiek cultuurbeleid

38.017

37.928

4.953

‒ 3.061

39.820

Opdrachten

14.516

17.916

‒ 161

‒ 197

17.558

 

Beleidsonderzoek evaluaties en kennisbasis

2.101

1.874

‒ 45

‒ 67

1.762

 

Monumentenzorg

3.717

8.327

‒ 380

‒ 1.030

6.917

 

Archeologie

4.893

5.767

‒ 500

0

5.267

 

Erfgoed en ruimte

0

0

0

0

0

 

Erfgoed en fysieke leefomgeving

2.500

445

‒ 86

‒ 100

259

 

Overige opdrachten

1.305

1.503

850

1.000

3.353

Bijdrage aan agentschappen

40.646

42.484

273

‒ 261

42.496

 

Nationaal Archief

26.981

27.784

48

‒ 261

27.571

 

Nationaal Archief Programma

13.665

14.700

225

0

14.925

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.784

2.849

0

46

2.895

 

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.784

2.849

0

46

2.895

Ontvangsten

494

494

1.493

1.900

3.887

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 232,4 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt op hoofdlijnen veroorzaakt door:

  • Verhoging van de garanties met € 115,1 miljoen.

  • Verhoging van de raming van de meerjarige verplichtingen met circa € 20,0 miljoen, grotendeels in verband met het creëren van ruimte voor het beschikken van loon- en prijsbijstelling 2019 voor de resterende periode van de huidige Culturele basisinfrastructuur (2019-2020).

  • Verhoging van de raming voor de verplichtingen monumentenzorg met € 100,0 miljoen om voldoende ruimte te creëren voor het aangaan van meerjarige verplichtingen. Extra verplichtingen aangegaan in 2019 worden in mindering gebracht op de raming van latere jaren. Dit heeft geen gevolgen voor de kasramingen.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de vierjaarlijkse instellingen in de Culturele basisinfrastructuur wordt per saldo verlaagd met € 24,5 miljoen. De oorzaak hiervoor is dat de loon- en prijsbijstellingsmiddelen voor de gehele bekostiging op dit onderdeel van het budget zijn bijgeboekt bij Voorjaarsnota en daarna, wat nu zichtbaar wordt, zijn doorverdeeld naar de juiste deelbudgetten binnen de bekostiging.

De budgetten voor de vierjaarlijkse fondsen en voor de monumentenzorg zijn per saldo verhoogd met respectievelijk € 5,9 miljoen en € 14,8 miljoen, wat grotendeels wordt veroorzaakt door de toevoeging van de loon- en prijsbijstelling 2019.

3.12 Art. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

A. Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

Financieren: De Minister bekostigt het onderzoeks- en wetenschapsbestel.

Stimuleren: De Minister stimuleert in het wetenschappelijk onderzoek:

  • kwaliteit en excellentie;

  • zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord;

  • samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het innovatiebeleid, waarvoor de Minister van Economische Zaken en Klimaat verantwoordelijk is, is hiervoor de topsectorenaanpak nieuwe stijl ontwikkeld.

Regisseren: De Minister schept voorwaarden voor:

  • een klimaat voor universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;

  • borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;

  • het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;

  • de Nederlandse en internationale onderzoeksfaciliteiten;

  • de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Kengetallen

Tabel 16.1 Kengetallen
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Top 5-positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

5

6

6

         

2

Publieke investering in R&D als % bbp2

0,66

0,66

           

3

R&D personeel als ‰ van de beroepsbevolking2

14,36

14,77

           
1

Bron: RVO

2

Bron: OECD

C. Beleidswijzigingen

In 2019 wordt uitvoering gegeven aan de afspraken in het Regeerakkoord over de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De NWA is gericht op wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken. Belangrijk daarbij is de breedte, de multidisciplinaire aanpak en samenwerking tussen de kennisketen en maatschappelijke partners uit publieke en semipublieke sectoren en uit het bedrijfsleven.

De Nederlandse wetenschap is onderdeel van het internationale bestel. In deze context zal de overheid zich komend jaar met name richten op de verdere uitonderhandeling van een goed negende Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, dat in 2021 van start moet gaan. Daarin moet tenminste excellentie het uitgangspunt zijn, moet er in Europees verband voldoende budget zijn binnen de eerste pijler voor excellente wetenschap, met name de European Research Council, en dient open science stevig verankerd te zijn in het gehele programma.

Zoals beschreven in het Nationaal Plan Open Science streven we naar 100% open access van publicaties in 2020, optimaal hergebruik van (FAIR) data en het erkennen en waarderen van onderzoekers, onderzoeksvoorstellen en onderzoek. Hergebruik van data mogelijk maken komt ook de reproduceerbaarheid van onderzoek ten goede. Om de genoemde ambities te bereiken werken kennisorganisaties samen in het Nationaal Platform Open Science, gaan de universiteiten invulling geven aan amendement Taverne en zetten ze de onderhandelingen met wetenschappelijke uitgevers gezamenlijk voort. Ook zetten we komend jaar een volgende stap in het GO FAIR initiatief.

OCW stelt in 2018 en verder ook middelen beschikbaar voor investeren in wetenschappelijke onderzoeksinfrastructuur. Hier zullen we het komende jaar aan werken met extra middelen voor high performance computing, netwerken en data-opslag, ICT-ondersteuning bij data- en software intensief onderzoek, én ontsluiting en toegankelijk maken van data. In de plannen die NWO met SURF, de VH, de VSNU en de NFU voor digitale wetenschappelijke infrastructuur ontwikkelt ligt prioriteit bij de nieuwe supercomputer.

In 2019 stellen we € 55 miljoen euro aan extra onderzoeksmiddelen beschikbaar voor sectorplannen. Vanaf 2020 gaat het jaarlijks om € 70 miljoen. Hiervan zal € 60 miljoen naar gaan naar sectorplannen voor bèta en techniek en € 10 miljoen naar een sectorplan voor Sociale en Geesteswetenschappen (SSH). Via een sectorplan wordt een strategische samenwerking tussen faculteiten aangegaan, met als doel het leggen van een verbinding tussen onderwijs, onderzoek en maatschappelijke doelen. De commissies voor bèta en techniek en voor SSH zullen de sectorplannen die door het veld worden opgesteld beoordelen en een advies aan OCW uitbrengen over het verdelen van de middelen.

In het kader van talentontwikkeling zetten we via NWO € 5 miljoen euro in voor talent. Deze middelen worden ingezet om onderzoekers met een migratieachtergrond en vrouwen in bèta en techniek te stimuleren.

Begin 2019 wordt de evaluatie van de instituten-portfolio van NWO en de KNAW afgerond. Op basis van de evaluatie zullen volgend jaar discussies over de vormgeving van het instituten-portfolio worden gevoerd. De onafhankelijke commissie zal tevens een oordeel geven over de maatschappelijke impact van het onderzoek aan de instituten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 16.3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

1.064.240

1.228.594

1.179.678

1.263.618

1.217.029

1.216.519

1.216.657

Totale uitgaven

1.034.753

1.206.611

1.228.371

1.222.369

1.216.522

1.216.827

1.216.657

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
               

Bekostiging

913.550

1.085.614

1.106.383

1.099.773

1.093.475

1.093.780

1.093.610

Hoofdbekostiging

657.342

731.354

707.581

714.917

712.758

714.263

714.263

 

NWO-wet en WHW

             
 

NWO

475.144

548.679

571.192

578.533

576.576

577.897

577.897

 

KNAW

89.573

89.338

89.216

89.213

89.011

89.132

89.132

 

KB

92.625

93.337

47.173

47.171

47.171

47.234

47.234

Aanvullende bekostiging

256.208

354.260

398.802

384.856

380.717

379.517

379.347

 

NWO Talentenontwikkeling

161.246

160.885

170.885

165.885

165.885

165.885

165.885

 

NWO TTW

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

 

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

55.382

85.380

85.380

55.380

55.380

55.380

55.380

 

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

25.933

24.348

20.890

19.944

17.452

16.252

16.082

 

Poolonderzoek

3.147

3.147

3.147

3.147

1.500

1.500

1.500

 

Caribisch Nederland

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

 

NWO NWA

0

70.000

108.000

130.000

130.000

130.000

130.000

               

Subsidies

21.746

25.231

26.237

26.845

27.296

27.296

27.296

 

Stichting NLBIF

0

550

550

550

550

550

550

 

Naturalis Biodiversity Center

6.265

6.265

6.265

6.265

6.266

6.266

6.266

 

BPRC

9.608

9.608

9.608

9.608

9.609

9.609

9.609

 

NCWT/NEMO

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

 

STT

221

221

221

221

221

221

221

 

Stichting AAP

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

 

Nationale coördinatie

1.254

4.189

5.195

5.803

6.252

6.252

6.252

                   

Opdrachten

223

315

300

300

300

300

300

 

opdrachten

223

315

300

300

300

300

300

                   

Bijdrage aan agentschappen

950

944

944

944

944

944

944

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

286

280

280

280

280

280

280

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

664

664

664

664

664

664

664

               

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

0

0

0

0

 

Nationaal Contactpunt Kaderprogramma

0

0

0

0

0

0

0

                   

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

98.284

94.507

94.507

94.507

94.507

94.507

94.507

 

EMBC

853

853

853

853

853

853

853

 

EMBL

5.198

5.198

5.198

5.198

5.198

5.198

5.198

 

ESA

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

31.065

 

CERN

49.891

44.800

44.800

44.800

44.800

44.800

44.800

 

ESO

8.773

10.019

10.019

10.019

10.019

10.019

10.019

 

NTU/INL

2.504

2.572

2.572

2.572

2.572

2.572

2.572

Ontvangsten

3.793

101

101

101

101

101

101

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 16 is voor 2019 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB alsmede een aantal bijdragen met een structureel karakter. De wettelijke grondslag van de bekostiging is vastgelegd in de NWO-wet en de WHW.

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2019 is 86 procent juridisch verplicht. Het betreft hier subsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur zoals Naturalis Biodiversity Center, BPRC en NCWT/NEMO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2019 is 60 procent juridisch verplicht op grond van een in 2015 aangegane overeenkomst.

Bijdrage aan agentschappen, aan medeoverheden en aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB. Hiermee stelt de Minister deze organisaties in staat om binnen de wettelijke kaders en in lijn met de vierjaarlijkse strategische agenda en strategische plannen van de instellingen hun missies en doelstellingen te realiseren. Die zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin.

OCW draagt met een structureel karakter bij aan:

  • NWO voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige researchinfrastructuur. Met de inzet van deze middelen worden onze onderzoekers in de gelegenheid gesteld om te kunnen werken met onderzoeksfaciliteiten van wereldniveau;

  • NWO voor het uitvoeren van een integraal persoonsgebonden talentprogramma waarin naast de «Vernieuwingsimpuls» ook de voormalige middelen voor de specifieke doelgroepen zijn opgegaan. Doelen zijn om via competitie op basis van wetenschappelijke kwaliteit voldoende ruimte te geven aan (jonge) veelbelovende onderzoekers, excellentie in het onderzoek te bevorderen, en te zorgen voor een adequate in- en doorstroom van onderzoekers zodat er verbetering optreedt in hun loopbaanperspectieven;

  • Aanvullende bekostiging voor NWO voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijs Onderzoek;

  • Aanvullende bekostiging voor NWO voor een onderzoeksprogramma «Wetenschap op de Cariben»;

  • NWO-programma voor het uitvoeren van vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek via de Nationale Wetenschapsagenda (NWA).

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstelling van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB) worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur, het gaat hier o.a. om bijdragen aan:

  • Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;

  • het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) voor het primatenonderzoek en de huisvesting van primaten en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;

  • Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijk festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebied van wetenschaps- en technologiecommunicatie en -educatie.

Opdrachten

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie «Horizon 2020». Team Internationale Research- en Innovatiesamenwerking (IRIS) bij RVO.nl is het Nationaal Contactpunt Kaderprogramma in Nederland.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties EMBC, EMBL, ESA, CERN en ESO. Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen onze wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van ons nationale onderzoeksbestel.

3.12 Beleidsartikel 15. Media

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 15 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

1.000.829

1.013.434

3.129

0

1.016.563

Uitgaven

1.000.829

1.013.434

3.129

0

1.016.563

Waarvan juridisch verplicht

99,9%

99,9%

  

99,8%

        

Bekostiging

994.836

1.004.285

236

‒ 8.731

995.790

 

Publieke Omroep (omroepinstellingen)

876.476

888.388

0

‒ 6.400

881.988

  

Landelijke publieke omroep

731.821

731.821

0

0

731.821

  

Regionale omroep

144.655

156.567

0

‒ 6.400

150.167

 

Beheerstaken landelijke publieke omroep

39.298

40.312

0

0

40.312

  

Stichting Omroep Muziek

16.348

16.766

0

0

16.766

  

Uitzenden en uitzendgereedmaken

0

0

0

0

0

  

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

22.950

23.546

0

0

23.546

 

Dotaties, bijdragen publieke omroep

13.568

15.702

231

‒ 2.231

13.702

  

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.139

2.194

0

0

2.194

  

Onderzoeksjournalistiek (RA-middelen)

0

2.000

231

‒ 2.231

0

  

Filmfonds van de omroep en Telfilm (CoBo)

8.335

8.335

0

0

8.335

  

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.522

1.561

0

0

1.561

  

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

1.572

1.612

0

0

1.612

 

Dotaties/ontrekking Algemene Mediareserve

65.174

58.814

107

‒ 100

58.821

 

Overige bekostiging media (uit rente AMR)

320

1.069

‒ 102

0

967

Subsidies

894

3.811

3.000

8.731

15.542

 

Subsidies

894

3.811

3.000

8.731

15.542

Opdrachten

430

442

0

0

442

 

Opdrachten

430

442

0

0

442

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.609

4.835

‒ 107

0

4.728

 

Commissariaat voor de Media

4.609

4.835

‒ 107

0

4.728

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

60

61

0

0

61

 

European Audiovisual Observatory

60

61

0

0

61

Ontvangsten

163.000

149.854

0

0

149.854

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 3,1 miljoen verhoogd.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 8,5 miljoen verlaagd door:

  • Een overboeking van de Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek van bekostiging naar subsidies (- € 2,2 miljoen).

  • Een overboeking van de middelen voor samenwerkingsprojecten Regionale Omroepen van bekostiging naar subsidies (- € 6,4 miljoen).

  • Overige mutaties (per saldo € 0,1 miljoen).

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 11,7 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Een overboeking van de Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek van bekostiging naar subsidies (€ 2,2 miljoen). Hiermee zijn, na de eerdere overboeking bij Voorjaarsnota voor 2019, alle Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek overgeboekt.

  • Een overboeking van de middelen voor samenwerkinsprojecten Regionale Omroepen van bekostiging naar subsidies (€ 6,4 miljoen).

  • Een verhoging van het budget voor de uitvoering van de motie Sneller. Het gaat om middelen voor samenwerkingsactiviteiten en voor pilots rond streekomroepen die zijn toegevoegd op basis van de visiebrief media (€ 3 miljoen).

  • Overige mutaties ( € 0,1 miljoen).

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

Het budget wordt per saldo met € 0,1 miljoen verlaagd door een overboeking naar bekostiging.

3.13 Art.nr. 25. Emancipatie

A. Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en LHBTI-gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en intersekse personen) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarnaast heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren: De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en LHBTI-gelijkheid en het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren: Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 die vanaf 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidies aan acht strategische partnerschappen voor de realisering van de doelstellingen op gender- en LHBTI-gelijkheid, die lopen van 2018 tot en met 2022. Daarnaast verstrekt de Minister projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren: Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid. Samen met gemeenten is in een intentieverklaring vastgelegd wat de aandachtspunten van het LHBTI-beleid zijn. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen voor gender- en LHBTI gelijkheid.

Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Kengetallen

Tabel 25.1 Kengetallen
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Economische zelfstandigheid van vrouwen in %

 

59,1%

           

2

Financiële onafhankelijkheid van vrouwen in %

 

48,4%

           

Bron CBS

Naast de indicatoren Sociale acceptatie van LHBTI-personen en de Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies, zijn er vanaf 2019 twee beleidsrelevante kengetallen opgenomen, waarvoor geen streefcijfers zijn geformuleerd.

  • Economische zelfstandigheid van vrouwen (het percentage vrouwen dat minimaal 70% van het minimumloon verdient). Dit percentage is 59,1% in 2016 en is het laatst beschikbare cijfer.

  • Financiële onafhankelijkheid van vrouwen (het percentage vrouwen dat minimaal 100% van het minimumloon verdient). Dit percentage vrouwen is 48,4 % in 2016 en is het laatst beschikbare cijfer.

C. Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van emancipatie worden beschreven in de beleidsagenda.

De Minister zet zich in op drie samenhangende thema’s waarop zich stevige knelpunten voordoen:

  • Arbeidsmarkt. De focus hierbinnen ligt op:

    • Financiële onafhankelijkheid vrouwen;

    • Betere doorstroming van vrouwen naar hogere functies;

    • Bestrijden van loonkloof tussen mannen en vrouwen;

  • Sociale veiligheid en acceptatie. De focus hierbinnen ligt op;

    • Minder intimidatie en geweld tegen vrouwen;

    • Meer sociale acceptatie en sociale veiligheid voor LHBTI-personen;

  • Genderdiversiteit en gelijke behandeling. De focus hierbinnen ligt op:

    • Representatie van vrouwen en LHBTI-personen in de media;

    • Ruimte voor genderdiversiteit voor kinderen en jongeren;

    • Versterken van gelijke behandeling conform de regenboog-afspraken in het Regeerakkoord.

D. Budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexibiliteit

Tabel 25.2 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

45.373

4.213

6.643

7.555

7.674

9.865

15.865

Uitgaven

12.363

14.809

15.880

15.880

15.854

15.865

15.865

Waarvan juridisch verplicht (%)

   

72,4%

       
               

Bekostiging

6.199

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

Kennisinfrastructuur

6.199

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

 

Vrouwenemancipatie

2.949

           
 

LHBTI

1.250

           
 

Gender- en LHBTI- gelijkheid

2.000

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

8.270

                   

Subsidies

4.963

3.963

3.431

3.431

3.406

3.416

3.416

Subsidieregeling emancipatie

0

0

0

0

0

0

0

 

Vrouwenemancipatie

             
 

LHBTI

             

Subsidieregeling emancipatie 2011

4.266

1.623

786

78

0

0

0

 

Vrouwenemancipatie

2.557

678

786

       
 

LHBTI

1.709

945

 

78

     

Subsidieregeling Gender- en LHBTI- gelijkheid 2017–2022

697

2.340

2.645

3.353

3.406

3.416

3.416

                   

Opdrachten

1.024

1.155

1.043

1.043

1.043

1.043

1.043

 

Vrouwenemancipatie

913

           
 

LHBTI

111

           
 

Gender- en LHBTI- gelijkheid

 

1.155

1.043

1.043

1.043

1.043

1.043

                   

Bijdrage aan agentschappen

137

136

136

136

135

136

136

 

DUS-I

137

136

136

136

135

136

136

                   

Bijdrage aan medeoverheden

0

1.255

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Gemeentefonds BZK

0

1.255

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

Vrouwenemancipatie

             
 

LHBTI

             
 

Gender- en LHBTI- gelijkheid

 

1.255

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

                   

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

40

30

0

0

0

0

0

 

LHBTI

40

30

         

Ontvangsten

54

           

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 25 is voor 2019 72,4 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2019 is voor 100 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2019 is voor 84,2 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten:

Het beschikbare budget in 2019 is voor 19 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen:

Het beschikbare budget voor 2019 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUS_I zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan medeoverheden:

Het beschikbare budget in 2019 is voor 0 procent juridisch verplicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022. zijn in 2017 acht allianties voor vijf jaar verplicht. Met deze middelen worden acht strategisch partners bekostigd. Deze acht partners zijn merendeel allianties; in totaal vijftien organisaties.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als LHBTI-gelijkheid worden besteed aan onderzoeken en symposia.

Bijdrage aan agentschappen

Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUS-I voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten actief op het gebied van gender- en LHBTI gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

3.13 Beleidsartikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 16 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

1.179.678

1.189.220

2.165

11.551

1.202.936

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

‒ 980

‒ 980

Waarvan overig

1.179.678

1.189.220

2.165

12.531

1.203.916

Uitgaven

1.228.371

1.235.554

3.245

12.531

1.251.330

Waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,9%

  

99,9%

        

Bekostiging

1.106.383

1.110.995

3.390

16.913

1.131.298

 

Hoofdbekosting

707.581

704.316

2.200

13.119

719.635

 

NWO-wet en WHW

     
  

NWO

571.192

519.298

1.284

6.871

527.453

  

KNAW

89.216

89.216

311

3.742

93.269

  

KB

47.173

95.802

605

2.506

98.913

 

Aanvullende bekostiging

398.802

406.679

1.190

3.794

411.663

  

NWO Talentenontwikkeling

170.885

170.885

0

0

170.885

  

NWO TTW

8.000

8.000

0

0

8.000

  

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

85.380

85.380

0

0

85.380

  

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

20.890

28.767

1.190

3.794

33.751

  

Poolonderzoek

3.147

3.147

0

0

3.147

  

Caribisch Nederland

2.500

2.500

0

0

2.500

  

NWO NWA

108.000

108.000

0

0

108.000

Subsidies

26.237

27.463

‒ 224

‒ 5.000

22.239

 

Stichting NLBIF

550

550

0

0

550

 

Naturalis Biodiversity Center

6.265

6.265

0

0

6.265

 

BPRC

9.608

9.608

0

0

9.608

 

NCWT/NEMO

3.366

3.366

0

0

3.366

 

STT

221

221

0

0

221

 

Stichting AAP

1.032

1.032

0

0

1.032

 

Nationale coördinatie

5.195

6.421

‒ 224

‒ 5.000

1.197

Opdrachten

300

300

79

0

379

 

Opdrachten

300

300

79

0

379

Bijdrage aan agentschappen

944

921

0

0

921

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

280

0

2

0

2

 

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

664

921

‒ 2

0

919

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

94.507

95.875

0

618

96.493

 

EMBC

853

941

0

0

941

 

EMBL

5.198

5.227

0

0

5.227

 

ESA

31.065

31.065

0

1.718

32.783

 

CERN

44.800

46.168

0

110

46.278

 

ESO

10.019

9.871

0

‒ 1.210

8.661

 

NTU/INL

2.572

2.603

0

0

2.603

Ontvangsten

101

101

0

0

101

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 13,7 miljoen verhoogd.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 20,3 miljoen verhoogd. Dit komt onder andere door diverse interdepartementale overboekingen. Enkele voorbeelden daarvan: er is € 2,5 miljoen ontvangen van het ministerie van LNV voor onderzoek naar het herstel van de biodiveriteit via NWO. Vanuit het ministerie van EZK is € 1,7 miljoen beschikbaar gesteld voor instrumentontwikkeling in de ruimtevaart. Het ministerie van SZW heeft een bijdrage van € 1,0 miljoen overgeboekt voor het NWA-programma Vakkundig aan het werk/schulden en armoede.

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 5,2 miljoen verlaagd in verband met diverse interne overboekingen. Een voorbeeld daarvan is de overboeking van € 1,0 miljoen naar Universiteit Maastricht ten behoeve van de EInstein telescoop.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het budget wordt per saldo met € 0,6 miljoen verhoogd.

3.14 Beleidsartikel 25. Emancipatie

Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 25 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 
        
       

Verplichtingen

6.643

5.796

‒ 883

2

4.915

Uitgaven

15.880

16.807

‒ 883

‒ 3.233

12.691

Waarvan juridisch verplicht

72,4%

81,7%

  

97,5%

        

Bekostiging

8.270

8.447

0

‒ 1

8.446

 

Kennisinfrasctrutuur

8.270

8.447

0

‒ 1

8.446

  

Vrouwenemancipatie

0

0

0

0

0

  

LHBTI

0

0

0

0

0

  

Gender- en LHBTI-gelijkheid

8.270

8.447

0

‒ 1

8.446

Subsidies

3.431

4.066

‒ 30

‒ 742

3.294

 

Subsidieregeling emancipatie

0

0

0

0

0

  

Vrouwenemancipatie

0

0

0

0

0

  

LHBTI

0

0

0

0

0

 

Subsidieregeling emancipatie 2011

786

839

0

‒ 237

602

  

Vrouwenemancipatie

786

394

0

‒ 159

235

  

LHBTI

0

445

0

‒ 78

367

 

Subsidieregeling Gender- en LHBTI-geljkheid 2017-2022

2.645

3.227

‒ 30

‒ 505

2.692

Opdrachten

1.043

1.074

139

‒ 262

951

 

Vrouwenemancipatie

0

0

0

0

0

 

LHBTI

0

0

0

0

0

 

Gender- en LHBTI-gelijkheid

1.043

1.074

139

‒ 262

951

Bijdrage aan agentschappen

136

139

‒ 139

0

0

 

DUS-I

136

139

‒ 139

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

3.000

3.081

‒ 853

‒ 2.228

0

 

Gemeentefonds BZK

3.000

3.081

‒ 853

‒ 2.228

0

  

Vrouwenemancipatie

0

0

0

0

0

  

LHBTI

0

0

0

0

0

  

Gender- en LHBTI-gelijkheid

3.000

3.081

‒ 853

‒ 2.228

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

0

0

0

0

0

 

LHBTI

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

150

150

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 0,9 miljoen verlaagd.

Uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 4,1 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bijdrage aan medeoverheden

Voor gemeenten die actief zijn op het gebied van vrouwen- en LHBT- emancipatiebeleid wordt via een decentralisatie-uitkering budget overgeheveld naar het gemeentefonds. De verantwoordelijkheid voor deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf. Een bedrag van € 1,3 miljoen is overgemaakt voor 49 gemeenten en de 4 grote steden met als de doel de veiligheid, weerbaarheid en sociale acceptatie van Lesbische vrouwen, Homoseksuele mannen, Biseksuelen, Transgenderpersonen (LHBT) verder te bevorderen. Voor het programma met het doel om de sociale veiligheid van vrouwen in de publieke ruimte te vergroten door gemeenten te stimuleren om stappen te zetten of te continueren op dit onderwerp is € 0,4 miljoen overgemaakt voor de 4 grote steden en 7 gemeenten. De beleidsdoorlichting 2018 heeft geleid tot een veranderde voortzetting van het programma economische zelfstandigheid. Een bedrag van € 1,4 miljoen is in 2019 vanwege dit feit niet uitgeven. Met het ministerie van SZW worden vervolgstappen gezet. Binnen het ZonMw Kennisprogramma Vakkundig aan het Werk, wordt een extra ronde georganiseerd om uitkeringsafhankelijkheid en armoede- en schuldenproblematiek van vrouwen te voorkomen en te verminderen. Dit is de follow-up van het Programma Economische Zelfstandigheid (PEZ). Zo worden gemeenten en kennisinstellingen gestimuleerd subsidie aan te vragen voor experimenten om effectieve aanpakken te ontwikkelen en te verspreiden.

4. DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

4 De niet-beleidsartikelen

4.1 Art.nr. 91 Nog onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • Loonbijstelling;

  • Prijsbijstelling;

  • Onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

D. Budgettaire gevolgen

Tabel 91.1 Budgettaire gevolgen (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

0

0

0

– 114.415

– 140.323

– 156.174

– 160.921

Uitgaven

0

0

0

– 114.415

– 140.323

– 156.174

– 160.921

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

– 114.415

– 140.323

– 156.174

– 160.921

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de instrumenten

Op het onderdeel Onvoorzien staan onder andere middelen die een budgettair effect hebben op meer dan één beleidsartikel en waarvan de verdeling over deze artikelen nog niet bekend is. Het kan daarbij zowel gaan om beleidsintensiveringen als om ombuigingen.

Dit onderdeel bevat een taakstelling van € 114,4 miljoen in 2020 oplopend naar € 160,9 miljoen in 2023. Deze taakstelling is het gevolg van een autonome tegenvaller op de referentieraming en SF-raming vanaf 2018 en zal bij Voorjaarsnota 2019 worden ingevuld.

4.1 Niet beleidsartikel 91. Nog onverdeeld

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid, niet-beleidsartikel 91 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

0

0

0

0

0

Uitgaven

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

 

waarvan programma

0

0

0

0

0

 

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven.

4.2 Art.nr. 95 Apparaat Kerndepartement

Op dit artikel worden de personele en materiële uitgaven van het kerndepartement, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en adviesraden geraamd.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 95.1 Budgettaire gevolgen (Bedragen x € 1.000)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Verplichtingen

234.043

254.123

259.975

271.517

271.370

269.068

270.223

Uitgaven

234.542

254.123

259.975

271.517

271.370

269.068

270.223

               

Personele uitgaven

189.432

187.791

192.869

204.771

205.535

203.525

204.205

Waarvan

             

eigen personeel

180.150

178.444

183.336

195.025

195.772

193.746

194.426

externe inhuur

4.884

5.602

5.751

5.749

5.757

5.767

5.767

overige personele uitgaven

4.398

3.745

3.782

3.997

4.006

4.012

4.012

               

Materiële uitgaven

43.979

66.332

67.106

66.746

65.835

65.543

66.018

Waarvan

             

ICT

17.833

24.046

24.198

25.264

25.352

25.399

25.399

bijdrage aan SSO's

14.687

17.349

25.385

23.123

22.041

22.078

22.079

overige materiële uitgaven

11.459

24.937

17.523

18.359

18.442

18.066

18.540

                 

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.131

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

3.000

567

567

567

567

567

567

E. Toelichting op de instrumenten

Op het artikel Apparaatsuitgaven staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de adviesraden van het ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan SSO’s geraamd.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schatkistbankieren geraamd. OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 Apparaatsuitgaven Kerndepartement. De ontvangen premies van aan OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan OCW overgemaakt en via de slotwet en de saldibalans (toevoeging premie aan gegroeide reserve) in het jaarverslag verwerkt. De geraamde uitgaven vanuit deze reserve zijn als onderdeel van de materiële uitgaven gespecificeerd in tabel 95.1.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Erfgoedinspectie, Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en ZBO’s weergegeven.

Tabel 95.2 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/-kosten inclusief agentschappen en ZBO’s/RWT’s (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal apparaatsuitgaven ministerie

234,5

254,1

260,0

271,5

271,4

269,1

270,2

Kerndepartement

131,8

143,7

158,0

170,0

169,9

168,3

169,4

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

32,9

34,6

32,6

32,6

32,6

31,9

31,9

Inspectie van het Onderwijs

61,5

68,0

62,3

61,9

61,9

61,9

61,9

Erfgoedinspectie

2,4

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Onderwijsraad

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Raad voor Cultuur

2,5

2,0

2,0

1,9

1,9

1,9

1,9

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1,1

1,2

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

               

Totaal apparaatskosten agentschappen

351,3

307,4

308,6

301,7

292,7

292,7

292,8

Dienst Uitvoering Onderwijs

314,0

270,6

271,6

266,8

258,8

258,8

258,9

Nationaal Archief

37,3

36,8

37,0

34,9

33,9

33,9

33,9

               

Totaal apparaatskosten ZBO’s

201,1

204,0

202,5

202,9

202,5

203,1

203,7

Stichting fonds voor de Podiumkunsten

6,1

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

6,3

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

2,6

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

Stichting Mondriaanfonds

2,9

3,7

3,7

3,6

3,6

3,6

3,6

Stichting Nederlands Filmfonds

3,9

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

1,9

1,9

1,9

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Nederlands Letterenfonds

2,7

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

2,6

Bureau Architectenregister

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Commissariaat voor de Media (CvdM)

5,0

5,2

4,6

4,6

4,6

4,6

4,6

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Regionale Publieke Omroep

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3,6

3,7

3,6

3,6

3,4

3,4

3,4

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

13,6

13,6

13,6

13,6

13,6

13,6

13,6

Koninklijke Bibliotheek (KB)

58,5

58,5

58,6

59,2

59,7

60,3

60,9

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

40,2

37,6

37,0

36,9

36,7

36,7

36,7

Stichting Participatiefonds

2,1

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Stichting Vervangingsfonds

2,8

2,7

2,7

2,7

2,7

2,7

2,7

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

51,9

56,3

56,0

55,9

55,4

55,4

55,4

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

0,5

De cijfers in bovenstaande tabel zijn niet met elkaar te consolideren aangezien het zowel uitgaven als kosten betreft.

De apparaatskosten bij de baten-lastendiensten betreffen naast de apparaatskosten in verband met werkzaamheden voor OCW ook de kosten die verband houden met werkzaamheden die voor tweeden en derden worden uitgevoerd.

Het personeel van het CvTE bestaat uit Rijksambtenaren, de apparaatskosten van het CvTE zijn dan ook opgenomen in de apparaatsuitgaven van het kerndepartement.

Het bedrag (exclusief inkomsten uit inschrijving), dat is geraamd voor het Bureau Architectenregister valt weg in de afronding.

Toelichting:

In bovenstaande tabel zijn RWT’s waarbij een individuele uitvraag in het veld nodig is niet opgenomen. Dit betreft ondermeer alle onderwijsinstellingen, academische ziekenhuizen en musea. ZBO’s waarbij de gegevens met betrekking tot de apparaatsuitgaven uit hoofde van reguliere bestaande informatiestromen beschikbaar zijn, zijn wel opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement weergegeven zoals deze direct toe te rekenen zijn aan de verschillende beleidsterreinen.

Tabel 95.3 Apparaatsuitgaven per beleidsartikel in 2019 (Bedragen x € 1 miljoen)

Beleidsartikel

Bedrag

Totaal apparaat

42,3

Primair onderwijs

6,2

Voortgezet onderwijs

7,4

Middelbaar Beroepsonderwijs

6,0

Hoger onderwijs en Studiefinanciering

6,2

Internationaal beleid

2,6

Cultuur

8,6

Onderzoek en wetenschapsbeleid

3,0

Emancipatie

2,3

4.2 Apparaat Kerndepartement

Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid, niet-beleidsartikel 95 (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting (1)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

     

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

259.975

268.502

5.789

‒ 4.682

269.609

Uitgaven

259.975

268.502

5.789

‒ 4.682

269.609

        

Personele uitgaven

192.869

196.259

‒ 2.648

‒ 3.881

189.730

Waarvan

     
 

eigen personeel

183.336

186.212

‒ 2.648

‒ 3.881

179.683

 

inhuur externen

5.751

6.265

0

0

6.265

 

overige personele uitgaven

3.782

3.782

0

0

3.782

Materiële uitgaven

67.106

72.243

8.437

‒ 2.120

78.560

Waarvan

     
 

ICT

24.198

29.073

190

‒ 771

28.492

 

bijdrage aan SSO's

25.385

24.562

228

‒ 71

24.719

 

overige materiële uitgaven

17.523

18.608

8.019

‒ 1.278

25.349

Begrotingsreserve schatkistbankieren

0

0

0

1.319

1.319

Ontvangsten

567

567

0

1.319

1.886

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2019» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Personele uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 6,5 miljoen verlaagd. De verlaging wordt veroorzaakt door:

  • Diverse kasschuiven (€ 4,5 miljoen): de geplande vervanging van mobiele telefoons en de uitrol van nieuwe werkplek software zijn vertraagd en doorgeschoven van 2019 naar 2020.

  • Diverse interne en interdepartementale overboekingen (per saldo € 2,0 miljoen).

Materiële uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 6,3 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Diverse interdepartementale overboekingen ( € 7,4 miljoen). De grootste mutatie betreft een overboeking van het ministerie van SZW van € 8,0 miljoen vanwege de nieuwe financieringssystematiek van het CIBG. Het CIBG beheert en ontwikkelt het lerarenregister en de schoolleidersregisters in opdracht van het ministerie van OCW. Voorheen werkten zij met een systeem van voorfinanciering. Inmiddels werken zij volgens de baten/lasten systematiek en daarom is het door het ministerie van OCW voorgefinancierde deel van de kosten eenmalig teruggeboekt naar het ministerie van OCW.

  • Diverse overlopende verplichtingen (- € 1,6 miljoen) en interne overboekingen ( € 0,5 miljoen).

Begrotingsreserve schatkistbankieren

Het budget voor Begrotingsreserve schatkistbankieren wordt per saldo met € 1,3 miljoen verhoogd. Het ministerie van OCW staat garant voor onderwijsinstellingen die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Voor het risico dat het ministerie hierdoor loopt, ontvangt het ministerie van OCW een vergoeding (risicopremie). Deze premie wordt (via een desaldering) toegevoegd aan de Begrotingsreserve schatkistbankieren.

Ontvangsten

Het budget wordt per saldo met € 1,3 miljoen verhoogd. Zie hiervoor de toelichting bij de Begrotingsreserve schatkistbankieren.

5. BEGROTING AGENTSCHAPPEN

5 Agentschappen

5.1. Dienst Uitvoering Onderwijs

In deze paragraaf is de begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten, informatievoorziening alsmede diensten gericht op de verbetering van de verbinding tussen beleid en uitvoering. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

In de onderstaande tabel 1 is een meerjarige raming van de baten en lasten voor de DUO-begroting opgenomen.

Tabel 1 Begroting van baten en lastenagentschap voor het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)
 

Slotwet 2017

Vastgestelde begroting 2018

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

             

Omzet moederdepartement

261.228

215.350

218.863

216.271

209.204

209.224

209.276

Omzet overige departementen

52.495

51.000

57.300

55.300

54.300

54.300

54.300

Omzet derden

7.119

7.235

5.200

5.200

5.200

5.200

5.200

Rentebaten

0

 

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

89

 

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

             

Totaal baten

320.931

273.585

281.363

276.771

268.704

268.724

268.776

                   

Lasten

             

Apparaatskosten

314.063

270.585

271.563

266.846

258.779

258.799

258.851

personele kosten

227.670

195.585

184.563

179.846

171.779

171.799

171.851

 

waarvan eigen personeel

140.499

142.498

146.960

150.634

150.634

150.634

150.634

 

waarvan inhuur externen

81.814

46.087

31.603

23.212

15.145

15.165

15.217

 

waarvan overige personele kosten

5.357

7.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

materiële kosten

86.393

75.000

87.000

87.000

87.000

87.000

87.000

 

waarvan apparaat ICT

21.892

20.000

22.000

22.000

22.000

22.000

22.000

 

waarvan bijdrage aan SSO’s

21.779

21.000

22.000

22.000

22.000

22.000

22.000

 

waarvan overige materiële kosten

42.722

34.000

43.000

43.000

43.000

43.000

43.000

Rentelasten

0

0

         

Afschrijvingskosten

8.591

7.000

9.700

9.825

9.825

9.825

9.825

materieel

7.681

6.000

7.700

7.700

7.700

7.700

7.700

 

waarvan apparaat ICT

7.370

5.500

7.400

7.400

7.400

7.400

7.400

immaterieel

910

1.000

2.000

2.125

2.125

2.125

2.125

Overige kosten

2.908

0

0

0

0

0

0

dotaties voorzieningen

2.908

0

0

0

0

0

0

bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

325.562

277.585

281.263

276.671

268.604

268.624

268.676

                   

Saldo van baten en lasten

– 4.631

– 4.000

100

100

100

100

100

Agentschapsdeel Vpb lasten

124

0

100

100

100

100

100

Totaal saldo van baten en lasten

– 4.755

– 4.000

0

0

0

0

0

Toelichting op de begroting van baten en lasten:

Baten

Omzet moederdepartement

De opbrengst moederdepartement betreft de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan de opdrachtgever OCW. Van de omzet moederdepartement 2019 is € 177,9 miljoen gerelateerd aan de vijf hoofdproducten, te weten Bekostiging (€ 35,6 miljoen, zijnde 20 procent), Studiefinanciering (€ 80,4 miljoen, zijnde 46 procent), Examens (€ 22,8 miljoen, zijnde 13 procent), Registers (€ 31,5 miljoen, zijnde 18 procent), Informatiediensten (€ 5,7 miljoen, zijnde 3 procent).

Daarnaast is in de begroting € 40,9 miljoen opgenomen voor de implementatie van beleidswijzigingen. De dalende lijn in de opbrengst moederdepartement hangt samen met het succesvol afronden van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering en de voorziene afronding van het programma Doorontwikkelen Basis Registratie Onderwijs Nummer.

Randvoorwaarden exploitatie DUO

De digitale infrastructuur onderwijs bij DUO is van essentieel belang voor de uitvoering van wet en regelgeving en voor de daarbij behorende dienstverlening en communicatie aan studenten, instellingen en ouders/burgers. Het gebruik van deze voorzieningen is de afgelopen jaren toegenomen. Dit vraagt om maatregelen om het ICT-landschap up-to-date te krijgen en daarna te houden. Daarnaast zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van privacy en security aanleiding om aanpassingen in het ICT-landschap te moeten uitvoeren.

De IV-strategie van DUO gaat in op de modernisering van het ICT-landschap en geeft aan hoe dit de komende jaren gestalte moet krijgen. In stappen worden oude applicaties vervangen door pakket-software, nieuwe systemen of Cloud-oplossingen. Op middellange termijn kunnen alle oude systemen en platformen daarna worden uitgefaseerd.

Omzet overige departementen

De omzet Overige departementen betreft opbrengsten in verband met uitvoering inburgeringstaken (€ 31,6 miljoen) en uitvoering landelijk register kinderopvang (€ 7,7 miljoen) voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, werkzaamheden ten behoeve van het examen Wet financieel toezicht (€ 2,2 miljoen) en werkzaamheden ten behoeve van Belastingdienst (€ 0,1 miljoen) in opdracht van het Ministerie van Financiën, print- en couverteerwerkzaamheden ten behoeve van het CJIB van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (€ 1,2 miljoen) en compensatie van loonkosten voor gedetacheerde medewerkers (€ 0,8 miljoen). Daarnaast is € 13,7 miljoen aan omzet opgenomen in verband met werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie welke onder DUO valt. Het betreft hier werkzaamheden voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie (€ 8,8 miljoen), het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (€ 2,4 miljoen), het Ministerie van Economische Zaken (€ 1,2 miljoen), het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 1,0 miljoen), het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 0,2 miljoen) en het Ministerie van Financiën (€ 0,1 miljoen).

Omzet derden

Bij omzet derden gaat om met name te innen leges voor OCW examens (€ 2,8 miljoen), leges voortvloeiende uit diverse overige OCW taken (€ 0,8 miljoen) en opbrengsten voor het uitvoeren van (bekostigingsgerelateerde) werkzaamheden voor het Participatiefonds (€ 0,6 miljoen) alsmede werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie (€ 1,0 miljoen).

Lasten

Personele kosten

De personele kosten betreffen de kosten van eigen personeel (€ 147,0 miljoen) op basis van de gemiddelde loonkosten, de begrote kosten voor externe inhuur (€ 31,6 miljoen) en een reële inschatting van de overige personele kosten (€ 6,0 miljoen). De stijging van het eigen personeel hangt samen met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende kostenreductie te realiseren en op de lange termijn te kunnen voldoen aan de norm externe inhuur.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit vaste lasten, zoals kosten informatievoorziening en automatisering (€ 22,0 miljoen), externe diensten, communicatiemiddelen en overige kosten (€ 43,0 miljoen) en de bijdrage aan de Shared Service Organisatie (€ 22,0 miljoen) welke met name betrekking heeft op de huisvestingskosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen materiële en immateriële vaste activa. De stijging in 2019 hangt samen met de gepleegde investeringen in immateriële vaste activa (vernieuwing ICT-landschap) in 2018.

Tabel 2 Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

Slotwet 2017

Vastgestelde begroting 2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + depositorekeningen

30.572

11.440

14.040

14.194

14.348

14.502

14.656

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

341.565

273.585

281.363

278.771

271.704

271.724

271.776

 

–/– totaal uitgaven operationele kasstroom

– 325.732

– 263.985

– 271.663

– 268.946

– 261.879

– 261.899

– 261.951

2.

Totaal operationele kasstroom

15.833

9.600

9.700

9.825

9.825

9.825

9.825

 

–/– totaal investeringen

– 27.407

– 9.600

– 9.858

– 8.610

– 8.610

– 8.610

– 8.610

 

+/+totaal boekwaarde desinvesteringen

822

           

3.

Totaal investeringskasstroom

– 26.585

– 9.600

– 9.858

– 8.610

– 8.610

– 8.610

– 8.610

 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

             
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

             
 

–/– aflossingen op leningen

   

– 936

– 1061

– 1061

– 1061

– 1061

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

6.760

2.600

1.248

0

     

4.

Totaal financieringskasstroom

6.760

2.600

312

– 1.061

– 1.061

– 1.061

– 1.061

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (+1+2+3+4)

26.580

14.040

14.194

14.348

14.502

14.656

14.810

Toelichting op het kasstroomoverzicht

De operationele kasstroom is het saldo ontvangsten moederdepartement, overige departementen en Derden waar aan uitgaven tegen overstaan aan crediteuren en personeel. Het totaal van investeringen (onder andere apparatuur voor het rekencentrum: aanschaf servers en storageapparatuur en investeringen in immateriële vaste activa: Programma Dienstverlening Instellingen) is gelijk aan de zogenoemde vervangingsinvesteringen voor de materiële vaste activa en uitbreidingsinvesteringen voor het ICT-landschap. De investering in immateriële vaste activa is gedekt middels een beroep op de leenfaciliteit. Onder de «aflossingen op leningen» is de aflossing voor de lening van het Programma Dienstverlening Instellingen opgenomen.

Doelmatigheid

Tabel 3 Doelmatigheidsindicatoren
 

Slotwet 2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Generiek Deel

             

Omzet Bekostiging1

20%

100,0

98,4

96,7

95,0

93,3

91,6

Omzet Studiefinanciering1

49%

100,0

95,3

92,0

90,4

88,8

87,2

Omzet Examens1

13%

100,0

98,4

96,7

95,0

93,3

91,6

Omzet Registers1

15%

100,0

98,4

96,7

95,0

93,3

91,6

Omzet Informatiediensten1

3%

100,0

98,4

96,7

95,0

93,3

91,6

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

2.104

2.036

2.200

2.255

2.255

2.255

2.255

               

Tarieven/uur

             

ICT gerelateerd

104

104

112

112

112

112

112

Overige uren

74

74

78

78

78

78

78

               

Saldo baten en lasten (%)

– 2,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

               

Kwaliteitsindicatoren

             

Klantcontact digitaal

6

6

6

6

6

6

6

Klantcontact traditioneel

7

7

7

7

7

7

7

1

Index 2018 is gelijk aan 100.

Basisindicatoren zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. Stijging in de doelmatigheid kan meerjarig worden bereikt door een lagere kostprijs (bij gelijke kwaliteit) of een hogere kwaliteit (bij gelijke kostprijs).

In de gepresenteerde reeks voor DUO (tabel 3) geldt een sterke focus op kostenbeheersing en kwaliteitsverbetering van dienstverlening. Het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) is hier een belangrijk voorbeeld van waarvan voor de jaren 2019 en 2020 nog € 4 miljoen aan uitgestelde baten zijn ingeboekt. Deze baten worden aangewend voor de vernieuwing van het ICT-landschap.

Naar aanleiding van de doorlichting baten-lasten agentschap DUO, vanuit het Ministerie van Financiën, was aangegeven dat DUO in de Rijksbegroting 2017 zou komen met een herziening van het kostprijsmodel «Lightmodel DUO», maar als gevolg van de lopende uniformering «Bijdrage agentschappen» zal dit pas na 2018, op grond van de nieuwe definities, kunnen worden doorgevoerd en op zijn vroegst zichtbaar worden in de begroting 2020 en verder.

Toelichting Doelmatigheidsindicatoren

Omzet/kostprijs per product: DUO aggregeert haar werkzaamheden in de going concern (basiscontract) naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten. De doelmatigheidsindicatoren geven inzicht in de ontwikkeling van de prijsefficiency per product, exclusief volumina ontwikkelingen. Op basis van het interne taakstellingsplan DUO 2018–2023 zijn de effecten geraamd op het gebied van efficiency maatregelen en uitgestelde baten PVS. Dit vormt de basis voor de ontwikkeling van bovenstaande generieke doelmatigheidsindicatoren. Met de ingegeven prijsefficiency en de samenhangende doelmatigheidsontwikkeling wordt gestreefd om budgetneutraal te realiseren waarbij de gemaakte kosten vanuit de omzet gedekt worden.

FTE totaal: De bezetting van ARAR laat ten opzichte van 2019 een stijging zien als gevolg van de geplande omzetting van relatief duur extern personeel naar goedkoper intern personeel gerelateerd aan de opgelegde apparaatstaakstelling en de verambtelijking van uitzendkrachten passend op het Rijksbrede beleid voor flexwerk. Tevens heeft DUO de ambitie om minder afhankelijk te zijn van extern personeel hetgeen betekent dat de jaren 2019 en 2020 in het teken zullen staan van verdere verambtelijking van met name extern ICT personeel. Uitgangspunt is dat in 2020 het optimum in de verhouding intern extern is bereikt.

Projecttarief per uur: Het projecttarief per uur (€ 112) is een gemiddeld uurtarief in- en externe inzet ten behoeve van systeem- en procesaanpassingen.

Meerwerktarief per uur: Voor niet ICT-gerelateerde inzet geldt een lager tarief van € 78 per uur.

De tarieven laten een stijging zien ten opzichte van voorgaande jaren. Deze aanpassing is reeds in de loop van 2018 doorgevoerd.

Indicatoren: Klanttevredenheid Klantcontact digitaal norm 6 en Klanttevredenheid klantcontact traditioneel norm 7. Het betreft hier respectievelijk de tevredenheid van individuele klanten op de kanalen Mijn DUO en de website (digitaal) en tevredenheid op de kanalen telefonie, email en balie (traditioneel), op een schaal van 1 tot en met 10.

5.1 Agentschap DUO

In deze paragraaf is de 2e suppletoire begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO is de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten, informatievoorziening alsmede diensten gericht op de verbetering van de verbinding tussen beleid en uitvoering. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

Tabel 20 Exploitatieoverzicht baten-lastenagentschap DUO (Tweede suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)Mutaties2e suppletoirebegroting

(4)=(1)+(2)+(3) Totaalgeraamd

Baten

    

Omzet moederdepartement

218.863

42.322

12.091

273.276

Omzet overige departementen

57.300

0

5.700

63.000

Omzet derden

5.200

0

1.753

6.953

Rentebaten

   

0

Vrijval voorzieningen

   

0

Bijzondere baten

  

983

983

Totaal baten

281.363

42.322

20.527

344.212

     

Lasten

    

Apparaatskosten

271.563

36.522

16.973

325.058

Personele kosten

184.563

32.972

15.031

232.566

 

Waarvan eigen personeel

146.960

18.489

‒ 512

164.937

 

Waarvan externe inhuur

31.603

12.983

11.450

56.036

 

Waarvan overige personele kosten

6.000

1.500

4.093

11.593

Materiële kosten

87.000

3.550

1.942

92.492

 

Waarvan apparaat ICT

22.000

2.000

1.418

25.418

 

Waarvan bijdrage aan SSO’s

22.000

1.000

‒ 266

22.734

 

Waarvan overige materiële kosten

43.000

550

790

44.340

Rentelasten

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

9.700

5.800

‒ 335

15.165

Materieel

7.700

3.900

‒ 335

11.265

 

Waarvan apparaat ICT

7.400

3.000

‒ 335

10.065

 

Waarvan overige materiële afschrijvingskosten

300

900

0

1.200

Immaterieel

2.000

1.900

0

3.900

Overige lasten

0

0

2.250

2.250

Dotaties voorzieningen

0

0

2.250

2.250

Bijzondere lasten

0

0

 

0

Totaal lasten

281.263

42.322

18.888

342.473

      

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

0

1.639

1.739

Agentschapdeel Vpb lasten

100

  

100

Saldo van baten en lasten

0

0

1.639

1.639

Toelichting

De baten van de 2e suppletoire begroting laten een stijging zien van € 62,8 miljoen (van deze stijging is € 42,3 miljoen gemeld in de 1e suppletoire begroting 2019) en de lasten laten een stijging zien van € 61,2 miljoen ten opzichte van vastgestelde begroting 2019 (€ 281,4 miljoen).

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement is € 54,4 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting. De stijging heeft grotendeels betrekking op de werkzaamheden voor het noodzakelijk onderhoud en vervanging van de ICT-systemen. Verder is geïnvesteerd in de verbetering van de telefonische bereikbaarheid en de uitvoering van persoonsgericht innen. Daarnaast is invulling gegeven aan de uitvoering van het digitaal afnemen van toetsen en examens inclusief de eindtoets primair onderwijs. In de omzet is verder begrepen compensatie meerkosten DigiD en niet gerealiseerde deregulering. Daarnaast is in de omzet opgenomen de toegekende compensatie voor de loon- en prijsontwikkeling 2019, additionele financiering voor de implementatie van de werkplekdienstverlening en hosting-service en inkoopdienstverlening vanuit Shared Service Organisatie Noord welke nog niet in de Rijksbegroting was begrepen. De stijging ten opzichte van de 1e suppletoire begroting van € 12,1 miljoen wordt veroorzaakt door de implementatie van de werkplekdienstverlening en hosting-service en inkoopdienstverlening vanuit Shared Service Organisatie Noord. De genoemde omzet van € 54,4 miljoen wordt voor € 10,2 miljoen gedekt vanuit middelen die DUO in eerdere jaren reeds heeft ontvangen maar die niet volledig zijn aangewend in het betreffende jaar (balansposten) en € 42,3 miljoen vanuit middelen toegekend in de Voorjaarsnota en € 1,9 miljoen vanuit middelen die reeds beschikbaar waren op de OCW begroting.

Omzet overige departementen en derden

De omzet overige departementen en derden stijgt per saldo met € 7,5 miljoen ten opzichte van de vastgestelde begroting. Het betreft hier uitbreiding van werkzaamheden ten behoeve van het ministerie van SZW in het kader van de Inburgeringstaak en het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen. Daarnaast zijn de werkzaamheden voor het Participatiefonds toegenomen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

Bijzondere baten

De bijzondere bate van € 1,0 miljoen is gerelateerd aan de verbetering van de schaalgrootte 2018 op de hostingplatforms van de Shared Service Organisatie Noord. Hierdoor is een resultaat ontstaan in de jaarrekening 2018 welke toen als een verplichting aan de afnemers opgenomen. In 2019 is in overleg met de afnemers besloten om deze post toe te voegen aan het eigen vermogen.

Lasten

Apparaatskosten

De kosten van de 2e suppletoire begroting laten een stijging zien van € 61,2 miljoen ten opzichte van oorspronkelijk vastgestelde begroting 2019. De personele begroting laat een stijging zien van € 48,0 miljoen. Deze stijging heeft een verband met het eerder genoemde noodzakelijk onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen, extra kosten bereikbaarheid, uitvoering persoonsgericht innen, de uitvoering van het digitaal afnemen van toetsen en examens, meerkosten niet gerealiseerde deregulering, de implementatie van de werkplekdienstverlening, hosting-service en inkoopdienstverlening vanuit Shared Service Organisatie Noord en de gestegen kosten voor loonontwikkeling 2019. De materiële begroting laat een stijging zien van € 5,5 miljoen, onder meer door de extra kosten DigiD en de materiële kosten samenhangend met de werkplekdienstverlening.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingen laten een stijging zien van € 5,5 miljoen door extra investeringen in de vervanging van de ICT-systemen en de werkplekdienstverlening.

Overige lasten

In de 2e suppletoire begroting is de dotatie voorzieningen opgenomen als gevolg van verwachte en reeds aangegane regelingen in het kader van Sociaal Beleid Rijk, maatwerk afspraken en kosten gemoeid met herijking van lopende regelingen.

Tabel 21 Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)Mutaties2e suppletoirebegroting

(4)=(1)+(2)+(3) Totaalgeraamd

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2019

14.040

0

0

14.040

 

Totaal ontvangen operationele kasstroom (+)

281.363

42.322

9.329

333.014

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 271.663

‒ 42.322

‒ 16.973

‒ 330.958

2.

Totaal operationele kasstroom

9.700

0

‒ 7.644

2.056

3a

Totaal investeringen (-/-)

‒ 9.858

‒ 37.842

3.000

‒ 44.700

3b

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

   

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 9.858

‒ 37.842

3.000

‒ 44.700

4a

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

   

0

4b

Eenmalig storting van moederdepartement (+)

   

0

4c

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 936

‒ 2.096

0

‒ 3.032

4d

Beroep op leenfaciliteit (+)

1.248

47.700

‒ 3.000

45.948

4.

Totaal financieringskasstroom

312

45.604

‒ 3.000

42.916

5.

Rekening courant RHB 31 december 2019 (=1+2+3+4)

14.194

7.762

‒ 7.644

14.312

Toelichting

Het kasstroomoverzicht is aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke begroting op basis van de nu voorziene additionele omzet en kosten rekening houdend met via de balans gereserveerde middelen voor in 2019 doorlopende projecten. Uit het kasstroomoverzicht valt ook af te lezen dat de investeringen in met name materiële vaste activa deels doorschuiven naar 2020, dit in verband met de lange doorlooptijd van de Europese aanbesteding van de print- en couverteerstraat. Het beroep op de leenfaciliteit is hierop aangepast.

5.2. Nationaal Archief

5.2.1. Algemene toelichting

Het Nationaal Archief beheert de archieven van de rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto’s.

De missie van het Nationaal Archief is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaardering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra

Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de Minister van OCW een specifieke verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC’s). De RHC’s zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. Deze begroting handelt alleen om de baten en lasten van het Nationaal Archief. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC’s zijn onderdeel van artikel 14 van de begroting van OCW.

Tabel 1 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)
 

Slotwet 2017

Vastgestelde begroting 2018

2019

2020

2021

2022

2023

Baten

             

Omzet moederdepartement

36.218

35.467

35.566

34.380

33.320

33.319

33.318

Omzet overige departementen

400

400

400

400

400

400

400

Omzet derden

330

679

683

759

811

817

817

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Mutatie projectgelden

1.988

2.196

2.959

1.715

1.715

1.715

734

Vrijval voorzieningen

151

74

55

26

26

26

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

39.087

38.816

39.662

37.280

36.272

36.277

35.269

                   

Lasten

             

Apparaatskosten

37.288

36.722

37.006

34.864

33.895

33.936

33.917

personele kosten

17.036

17.923

17.532

17.486

17.447

17.475

17.475

 

waarvan eigen personeel

14.111

15.510

15.664

15.582

15.582

15.582

15.582

 

waarvan inhuur externen

2.055

1.004

872

904

872

904

904

 

waarvan overige personele kosten

870

1.409

996

1.000

993

989

989

materiële kosten

20.252

18.799

19.474

17.378

16.448

16.461

16.442

 

waarvan apparaat ICT

923

1.107

1.001

1.001

1.001

1.001

1.001

 

waarvan bijdrage aan SSO’s

2.704

432

5.017

5.231

5.248

5.247

5.248

 

waarvan overige materiële kosten

16.625

17.260

13.456

11.146

10.199

10.213

10.193

Rentelasten

12

20

20

15

10

6

0

Afschrijvingskosten

1.552

2.074

2.636

2.401

2.367

2.335

1.352

materieel

1.552

2.074

2.636

2.401

2.367

2.335

1.352

 

waarvan apparaat ICT

240

130

291

291

291

291

291

immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

38.852

38.816

39.662

37.280

36.272

36.277

35.269

                   

Saldo van baten en lasten

235

0

0

0

0

0

0

Toelichting baten lasten:

Baten

De omzet van het moederdepartement betreft de inkomsten van het Nationaal Archief voor de geleverde producten en diensten. Deze bestaat uit structurele middelen voor de primaire activiteiten (1e geldstroom) en incidentele middelen voor projectmatige activiteiten (2e geldstroom).

De bijdrage 2019 van het moederdepartement is ten opzichte van 2018 gestegen vanwege vooral de loon- en prijscompensatie.

Omzet overige departementen

Het Nationaal Archief fungeert als rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Zuid Holland en ontvangt daarvoor een jaarlijkse bijdrage.

Omzet derden

De omzet derden bestaat hoofdzakelijk uit inkomsten van derde partijen voor specifieke producten en diensten.

Mutatie projectgelden

Dit betreft de inzet projectgelden en investeringsbijdragen die zijn vooruit ontvangen voor de ontwikkeling van specifieke eenmalige producten en diensten voor verschillende opdrachtgevers. Het gaat met name om het programma DTR en het masterplan Concentratie Archiefdepot.

Vrijval voorzieningen

Dit betreft de onttrekking aan de voorziening voor de kosten van wachtgeld en reorganisatie.

Lasten

Apparaatskosten

– Personele kosten

De personele kosten zijn gebaseerd op een bezetting van ca. 200 fte. In 2019 tot en met 2023 blijven de personele kosten stabiel op een niveau waarop het Nationaal Archief met voldoende kwaliteit diensten en producten kan leveren.

– Materiële kosten

Dit betreft onder andere de huisvestingskosten zoals de huurkosten en servicekosten samenhangend met de huisvesting en kantoorautomatisering. Tevens zijn onder deze post de materiële uitgaven verantwoord die worden gedaan in het primaire proces, zoals voor het fysieke depot, de digitale taken rijksarchieven, tentoonstellingen, dienstverlening en in de projecten. Door de dalende inkomsten moeten de overige materiële kosten ook dalen om de begroting sluitend te maken.

De bijdrage aan SSO’s stijgt ten opzichte van de vastgestelde begroting 2018, omdat deze is aangepast aan de gehanteerde definitie van SSO’s volgens de Rijksbrede Kostensoortentabel. Met name de gepresenteerde bijdrage aan het Rijksvastgoedbedrijf is de oorzaak van de stijging. De stijging ten opzichte van de Slotwet 2017 is vanwege kosten van de nieuwe opslaglocatie in Emmen.

Rentelasten

De rentelasten stijgen vanwege de lening die in 2018 wordt afgesloten voor investeringen in met name ICT hardware en in het nieuwe depot op locatie Emmen.

Afschrijvingskosten

De stabiele lijn van de afschrijvingskosten wordt veroorzaakt door instandhoudingsinvesteringen in het fysieke depot en de ICT hardware.

Tabel 2 Kasstroomoverzicht over het jaar 2019 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

Slotwet 2017

Vastgestelde begroting 2018

2019

2020

2021

2022

2023

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + depositorekeningen

27.652

16.268

16.719

8.291

8.351

8.377

8.371

 

+/+ totaal ontvangen operationele kasstroom

35.710

36.546

36.349

35.539

34.531

34.536

34.535

 

–/– totaal uitgaven operationele kasstroom

– 38.816

– 36.742

– 37.026

– 34.879

– 33.905

– 33.942

– 33.917

2.

Totaal operationele kasstroom

– 3.106

– 196

– 677

660

626

594

618

 

–/– totaal investeringen

– 2.484

– 4.670

– 7.151

0

0

0

0

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

243

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 2.241

– 4.670

– 7.151

0

0

0

0

 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

–/– aflossingen op leningen

– 360

– 652

– 600

– 600

– 600

– 600

– 500

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 360

– 652

– 600

– 600

– 600

– 600

– 500

5.

Rekening courant RHB 31 december = stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

21.945

10.750

8.291

8.351

8.377

8.371

8.489

Toelichting kasstroomoverzicht:

De operationele kasstroom in 2019 nagenoeg in balans.

De investeringskasstroom betreft vooral de investeringen in ICT hardware en investeringen in het fysieke depot. De financieringskasstroom betreft de aflossing van de leenfaciliteit welke is aangegaan ten behoeve van de verbouwing van de publieke ruimte, het fysieke depot en investeringen in ICT.

Het verschil in de verwachte Rekening Courant RHB positie begin 2019 ten opzichte van de vastgestelde begroting 2018 wordt met name veroorzaakt door vertraging in de migratie naar nieuwe ICT dienstverleners voor de primaire en secundaire opslag van digitaal archief. Een andere oorzaak is de vertraging in de realisatie van het nieuwe depot op locatie Emmen.

Kapitaaluitgaven:

Tabel 3 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap NA 2019

Investeringen gebouw

0

Kantoormeubilair

– 300

Kantoormachines

0

Automatiseringsapparatuur

– 1.080

Depotinrichting

– 3.972

App. conservering & restauratie

– 1.799

Inrichting studiezaal

0

Totaal investeringen

– 7.151

   

Aflossing op leningen

– 600

Totaal financieringskasstroom

– 600

   

Kapitaaluitgaven

– 7.751

Doelmatigheid

Tabel 4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Slotwet 2017

Vastgestelde begroting 2018

2019

2020

2021

2022

2023

Omschrijving Generiek Deel

             
               

Gemiddeld gewogen kostprijs per productgroep:

             

– de (gem) prijs per km fysiek archief (capaciteit)

zie toelichting

zie toelichting

14.460

14.460

14.460

14.460

14.460

– de (gem) prijs per Terabyte digitaal archief (capaciteit)

zie toelichting

zie toelichting

1.290

1.290

1.290

1.290

1.290

Gemiddeld gewogen uurtarief intern personeel:

             

– primaire taken – activiteiten

55,4

51,0

54,5

54,5

54,5

54,5

54,5

Aantal fte:

             

– formatie op lumpsum en projecten

194,83

200–210

200–210

200–210

200–210

200–210

200–210

Saldo baten en lasten:

235.434

0

0

0

0

0

0

Ontwikkeling aantallen bezoekers:

             

– bezoekers

17.482

22.500

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

– onderwijs

12.655

12.500

13.000

13.500

14.000

14.500

15.000

– studiezaal – bezoekers

14.940

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

– studiezaal – raadplegingen archiefstukken

114.349

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

– Website Nationaal Archief (x 1.000)

1.351

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Cijfer bezoeker tevredenheid:

7,5

7,5

 

7,5

 

7,5

Voldoen aan webrichtlijnen Rijk:

(1-2-3- sterren)

***

***

***

***

***

***

***

Beschikbaarheid – bereikbaarheid organisatie:

             

– fysieke dienstverlening; geopend:

             

– informatiecentrum en studiezaal

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

– tentoonstelling

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

– ontvangst schoolgroepen

ma

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

– Digitale dienstverlening eDepot (basisdienstverlening):

             

– helpdesk openingstijden op werkdagen

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

Toelichting:

Geen ingevulde indicatoren voor 2017 en 2018 voor «prijs per km fysiek archief» en «prijs per Terabyte digitaal archief»: de aanbevelingen uit de agentschapsdoorlichting door het Ministerie van Financiën in 2016 hebben geleid tot het besluit om een actueel integraal kostprijsmodel uit te werken. Het kostprijsmodel wat er lag bleek onvoldoende toereikend voor het toerekenen van kosten aan de producten en diensten van het NA. De opzet van het nieuwe kostprijsmodel is in 2017 afgerond en wordt in 2018 verder geïmplementeerd. Met de opzet en implementatie van het integrale kostprijsmodel wordt het mogelijk om per product en dienst de kosten inzichtelijk te maken.

Toelichting doelmatigheidsindicatoren:

De consequenties van de uitbreiding van de depotcapaciteit door de nieuwe opslaglocatie in Emmen (in 2019) zijn niet doorgerekend vanwege het ontbreken van voldoende kerncijfers. In de kostprijs is de berekening aangehouden van het kostprijsmodel voor papieren archieven uit 2018.

Het Nationaal Archief biedt een landelijke infrastructuur aan voor producten en diensten voor digitale archivering aan Regionale Historische Centra (RHC’s), departementen en andere instellingen met een publieke taak. Aan de dienstverlening is een kostprijsmodel verbonden die inzichtelijk maakt tegen welke kosten producten en diensten kunnen worden afgenomen. In tabel benoemde prijs/Tb digitaal archief is gebaseerd op het kostprijsmodel van digitale archieven uit 2018.

6. BIJLAGEN

Bijlage 1: Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

Tabel 1 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (Bedragen x € 1 miljoen)1

Naam organisatie

RWT

ZBO

Functie2

Begrotingsartikel(en)

Begrotingsramingen

Verwijzing naar website RWT/ZBO

Hyperlink uitgevoerd evaluatie ZBO onder Kaderwet

ZBO’s

             

Stichting Fonds voor de Podiumkunsten

 

X

 

14

60,6

Stichting Fonds Podiumkunsten

2019 (visitatierapport)

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

 

X

 

14

28,6

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

2019 (visitatierapport)

Stichting Nederlands Filmfonds

 

X

 

14

51,7

Stichting Nederlands Filmfonds

2019 (visitatierapport)

Stichting Mondriaan Fonds

 

X

 

14

28

Stichting Mondriaanfonds

2019 (visitatierapport)

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

 

X

 

14

15,5

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

2019 (visitatierapport)

Bureau Architectenregister

 

X

 

14

0,1

www.architectentregister.nl

 

Stichting Nederlands Letterenfonds

 

X

 

14

11,2

Stichting Nederlands Letterenfonds

2019 (visitatierapport)

Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties (Mediafonds)

 

X

 

15

0

Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Mediaproducties

 

Commissariaat voor de Media (CvdM)

 

X

 

15

4,6

Commissariaat voor de Media

 

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

 

X

 

6

3,6

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie

 

Koninklijke Bibliotheek (KB)

 

X

 

16

47,2

Koninklijke Bibliotheek

Voorzien in 2019

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

 

X

 

6, 16

1.027,8

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

Voorzien in 2020

Stichting Participatiefonds

 

X

 

1

2,7

Stichting Participatiefonds (PF)

Geen3

Stichting Vervangingsfonds

 

X

 

1

2,0

Stichting Vervangingsfonds (VF)

Geen3

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

 

X

 

15

2,1

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

 

College voor Toetsen en Examens

 

X

 

3, 4

9

College voor Toetsen en Examens

 

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)

 

X3

 

15

124

Nederlandse Publieke Omroep

2019 (visitatierapport)

Regionale Publieke Omroep (RPO)

 

X

 

15

0.8

Stichting Regionale Omroepen

Voorzien voor 2019 (evaluatie)

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

 

X4

 

16

89,2

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

2014

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

 

X3

 

4

56,0

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven

Voorzien voor 2020 (evaluatie)

               

RWT’s

             

Landelijk Omroepbestel

X

   

15

616,2

   

Regionaal Omroepbestel

X

   

15

143,9

   

Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

X

   

14

206,7

   

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

X

   

1

10.675,5

   

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs

X

   

3

8.438,7

   

Mbo-instellingen

X

   

4

3.514,5

   

Instellingsbesturen hogescholen

X

   

6

3.199,9

   

Instellingsbesturen universiteiten

X

   

7

4.197,0

   

Academische Ziekenhuizen

X

   

7

671,8

   

Cito

X

   

3, 4

31,6

Stichting Cito

 

SLO

X

   

3

10,6

Stichting SLO

 
1

De volgorde van de opsomming in dit overzicht is aangepast aan het besturingsmodel van OCW. Zie hiervoor ook de toelichting op deze tabel.

2

Zie toelichting op tabel ZBO’s en RWT’s

3

In verband met voorgenomen aanstaande beëindiging van de zbo-status van deze fondsen.

4

Kaderwet zbo’s niet van toepassing.

Toelichting op de in de tabel opgenoemde RWT’s en ZBO’s:

Algemeen

OCW hanteert het volgende model om zicht te houden op de instellingen rond het kerndepartement en de bestuurlijke relaties die daarmee worden onderhouden.

De schillen representeren de bestuurlijke verhouding tot de bestuurskern: hoe dichter bij de bestuurskern hoe groter de politieke verantwoordelijkheid, hoe nauwer de sturingsrelaties en hoe beter verantwoording moet worden afgelegd over de financieringsstromen. De volgorde van presentatie van ZBO’s en RWT’s in de tabel is aangepast op dit model. Om het onderscheidend vermogen van de tabel, het schillenmodel en de daaraan gerelateerde sturing en verantwoording te behouden zijn de organisaties die al als zbo’s zijn aangemerkt omdat zij taken uitvoeren die gepaard gaan met de uitoefening van openbaar gezag niet tevens als RWT aangemerkt omdat zij ook nog andere wettelijke taken uitvoeren.

Hieronder volgt de toelichting op de functie van de zbo’s.

ZBO’s:

Cultuurfondsen

In 2019 worden bijdragen verstrekt aan de volgende fondsen:

Stichting Fonds Podiumkunsten

Het fonds ondersteunt alle vormen van professionele podiumkunsten in Nederland: muziek, theater, muziektheater en dans. Het stimuleren van innovatie in de keten van scheppen, productie, distributie en afname is een speciale taak van het fonds.

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

Het fonds stimuleert de actieve deelname aan het culturele leven van inwoners van Nederland, in al hun diversiteit, ongeacht leeftijd, herkomst, opleiding en woonplaats op het gebied van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur.

Stichting Nederlands Filmfonds

Het fonds stimuleert de filmproductie in Nederland, met de nadruk op kwaliteit en diversiteit en bevordert een goed klimaat voor de Nederlandse filmcultuur.

Stichting Mondriaanfonds

Het fonds bevordert bijzondere en vernieuwende projecten en activiteiten van beeldend kunstenaars, bemiddelaars en instellingen die van belang zijn voor de beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland. Het doel is hiermee de betekenisvolle ontwikkeling en zichtbaarheid van beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland te stimuleren daar waar de markt dit niet of nog niet mogelijk maakt.

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

Het fonds voert verschillende subsidieregelingen uit die zijn gericht op kennisontwikkeling en kennisuitwisseling van de ontwerpende disciplines en het vergroten van de belangstelling voor architectuur, vormgeving en e-culture.

Bureau Archtectectenregister

Bureau Architectenregister (BA) is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo) dat uitvoering geeft aan de Wet op de architectentitel, zorg draagt voor het beheer van het architectenregister en bevoegd is om op te treden tegen onrechtmatig titelgebruik. Daarnaast is BA de bevoegde autoriteit in Nederland voor de uitvoering van de Europese richtlijn voor de erkenning van professionele kwalificaties van de onder haar vallende beroepen.

Stichting Nederlands Letterenfonds

Het fonds bevordert de kwaliteit, diversiteit, productie en de vertaling van de Nederlandse- en Friestalige literatuur. Ook verzorgt het Letterenfonds de promotie en zichtbaarheid van de Nederlandse en Friese literatuur in het buitenland.

Commissariaat voor de Media(CvdM)

Het Commissariaat ziet toe op de naleving van de Mediawet en de daarop gebaseerde regels. Het garandeert daarmee een eerlijke toegang tot de media en bewaakt de kwaliteit, de diversiteit en de onafhankelijkheid van de informatievoorziening.

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie(NVAO)

De NVAO borgt de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Zij beoordeelt op onafhankelijke wijze de kwaliteit van de opleidingen, verleent accreditatie, toetst nieuwe opleidingen en de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast levert de NVAO een bijdrage aan het vergroten van het kwaliteitsbewustzijn en bevordert zij de internationale samenwerking om tot afstemming en samenhang binnen de Europese hoger onderwijsruimte te komen.

Koninklijke Bibliotheek (KB)

De KB brengt als de nationale bibliotheek van Nederland mensen en informatie samen. De KB speelt voorts een centrale rol in de Nederlandse (wetenschappelijke) informatie-structuur en bevordert de duurzame toegang tot digitale informatie in (inter)nationaal verband.

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

De NWO heeft als taak het bevorderen van de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek.

Stichting Participatiefonds (PF)

Het PF is verantwoordelijk voor het beheren en terugdringen van de werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. Het PF betaalt de uitkeringskosten van ontslagen personeel. Daarnaast ondersteunt het PF schoolbesturen bij het opzetten van hun personeels- en mobiliteitsbeleid en individuele medewerkers die werkloos zijn met trainingen en cursussen.

Stichting Vervangingsfonds (VF)

Het VF betaalt de kosten voor vervangers die schoolbesturen moeten inzetten bij ziekte of afwezigheid van personeel en heeft als taak het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van onderwijspersoneel in het primair onderwijs door de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden en het personeelsbeleid te verbeteren.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het fonds heeft ten doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.

College voor Toetsen en Examens(CvTE)

Het College is verantwoordelijk voor de centrale examens en staatsexamens in het voortgezet onderwijs, de examens rekenen en taal in het (middelbaar) beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Nederlandse Publieke Omroep(NPO)

De NPO is het samenwerkings- en coördinatieorgaan van de landelijke publieke omroep. Vanaf begrotingsjaar maken de uitgaven voor NIS (€ 0,1), Caribische mediavoorziening (€ 0,3), Stichting BVN (€ 1,5) en CoBOfonds (€ 8,3) onderdeel uit van het NPO-budget. Het budget voor Uitzenden en uitzend gereedmaken (oud NOB) dat onderdeel uitmaakt van het budget «Nederlandse Publieke Omroep (NPO-organisatie)» (€ 25,7) wordt vanaf 2018 ook meegenomen in het budget van de NPO.

Stichting Regionale Omroep

De Stichting Regionale Publieke Omroep is het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de regionale omroep.

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

De KNAW bevordert als forum, geweten en stem van de wetenschap de kwaliteit en de belangen van de wetenschap en zet zich in voor een optimale bijdrage van de Nederlandse wetenschap aan de culturele, sociale en economische ontwikkeling van de samenleving.

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB ontwikkelt kwalificaties voor het middelbaar beroepsonderwijs, werven leerbedrijven en bewaken de kwaliteit van deze leerbedrijven.

RWT’s:

Landelijk Omroepbestel

Het betreft middelen die aan de landelijke publieke omroepen beschikbaar zijn gesteld.

Regionaal Omroepbestel

Het betreft middelen die aan de regionale publieke omroepen beschikbaar zijn gesteld.

Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

Het betreft 29 instellingen, waaronder de musea, die onder de Erfgoedwet (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen) vallen.

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

Het betreft 1057 bevoegde gezagsorganen van 6985 instellingen. Voor zover het onderwijsinstellingen betreft waar de gemeente het bevoegd gezag is, zijn deze instellingen niet aan te merken als RWT.

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs

Het betreft 338 bevoegde gezagsorganen van 652 onderwijsinstellingen. Binnen deze aantallen zitten ook gemeentelijke bevoegde gezagen/onderwijsinstellingen die eigenlijk niet aan te merken zijn als RWT.

Regionale Opleidingscentra (roc’s) en vakinstellingen

Het betreft ruim 50 roc’s en vakinstellingen.

Instellingsbesturen hogescholen

Het betreft middelen die rechtstreeks aan 37 bekostigde hogescholen beschikbaar zijn gesteld.

Instellingsbesturen universiteiten

Het betreft middelen die rechtstreeks aan 18 bekostigde universiteiten beschikbaar worden gesteld.

Academische Ziekenhuizen

Het betreft middelen voor de 8 ziekenhuizen die verbonden zijn aan een universiteit ten behoeve van de opleiding van artsen en ten behoeve van onderzoek.

Stichting Cito

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiering van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO.

Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling heeft tot taak:

  • het ontwikkelen van de centrale eindtoets in het primair onderwijs;

  • het ontwikkelen van de centrale examens/en rekentoetsen in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs.

Stichting SLO

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiering van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO.

Stichting leerplanontwikkeling heeft tot taak het ontwikkelen en onderhouden van landelijke leerplankaders en het ondersteunen en adviseren van Onze Minister met betrekking tot leerplanontwikkeling.

Tabel 2 Overzicht RWT’s en ZBO’s(vallend onder andere ministeries) (Bedragen x € 1 miljoen)
 

RWT

ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

 

X

1

2,5

Toelichting op de in de tabel opgenoemde RWT’s en ZBO’s:

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

Het UWV voert de regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten uit voor OCW.

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

Algemeen

In dit hoofdstuk worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2018 en de stand ontwerpbegroting 2019. Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting in € miljoen)

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

De mutaties uit de eerste suppletoire begroting zijn reeds toegelicht in de memorie van toelichting op de eerste suppletoire begroting 2018. Deze mutaties worden daarom niet in dit verdiepingshoofdstuk toegelicht. Voor de uitgaven en ontvangsten geldt dat de tabellen met de specificatie van de nieuwe mutaties alleen zijn opgenomen als er mutaties hebben plaatsgevonden.

Mutaties die op meer dan één beleidsartikel betrekking hebben, worden hieronder toegelicht. Het betreft de budgettaire verwerking van de:

  • 1. Leerlingen- en studentenontwikkeling

  • 2. Loonbijstelling

  • 3. Prijsbijstelling

  • 4. Regeerakkoord-maatregelen

1. Leerlingen- en studentenontwikkeling

Onderstaande tabel geeft de verdeling van de mutaties als gevolg van de raming van de leerlingen- en studentenaantallen en de studiefinanciering weer. Zie de overzichtstabel in de beleidsagenda voor een nadere toelichting op deze mutaties.

Tabel 1 Leerlingen- en studentenontwikkeling (Bedragen x € 1 miljoen)

Artikelnr.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

7,7

7,8

11,5

16,1

2,3

– 17,5

3

Voortgezet onderwijs

7,2

4,0

7,5

16,7

29,9

42,5

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0,0

27,9

3,7

– 12,4

– 27,4

– 42,2

6

Hoger beroepsonderwijs

33,6

23,8

24,5

35,3

51,4

67,7

7

Wetenschappelijk onderwijs

58,0

72,0

78,7

86,5

96,8

107,0

11, 12, 13

Studiefinanciering, WTOS en lesgelden

84,9

76,7

36,2

46,8

59,2

60,4

Totaal leerlingen- en studentenontwikkeling

191,3

212,2

162,0

189,0

212,1

217,9

2. Loonbijstelling

De loonbijstelling tranche 2018 is uitgekeerd aan de departementen. OCW heeft ervoor gekozen om een deel van de loonbijstelling (over de instrumenten subsidies en opdrachten, op een deel van artikel 16 en over een deel van de intensiveringen uit het Regeerakkoord) niet uit te keren, maar in te zetten voor de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling. In de onderstaande tabel wordt de totale budgettaire bijstelling per begrotingsartikel weergegeven.

Tabel 2 Loonbijstelling tranche 2018 (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

241.561

237.928

236.323

234.801

233.508

232.627

3

Voortgezet onderwijs

184.724

181.964

179.604

177.618

176.336

175.437

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

80.988

80.354

80.106

79.274

78.396

77.333

6

Hoger beroepsonderwijs

60.975

61.496

61.740

63.262

63.971

63.741

7

Wetenschappelijk onderwijs

82.412

82.966

83.773

85.350

86.599

87.325

8

Internationaal beleid

137

134

134

133

133

133

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

868

858

903

826

837

808

11

Studiefinanciering

1.499

1.441

1.449

1.460

1.471

1.482

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

222

222

222

222

222

221

13

Lesgelden

93

93

93

93

93

93

14

Cultuur

10.547

10.754

10.729

10.685

10.685

10.685

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

2.010

2.010

2.010

2.010

2.010

2.010

25

Emancipatie

239

239

239

239

239

239

95

Apparaatsuitgaven

5.038

4.974

5.099

5.111

5.119

5.119

91

Inzet voor tegenvaller (deels via kasschuiven)

32.000

40.437

41.545

42.711

41.115

41.990

Totaal

703.313

705.870

703.969

703.795

700.734

699.243

3. Prijsbijstelling

De prijsbijstelling tranche 2018 is uitgekeerd aan de departementen. OCW heeft ervoor gekozen om een deel van de prijsbijstelling (over de instrumenten subsidies en opdrachten, op een deel van artikel 16 en over een deel van de intensiveringen uit het Regeerakkoord) niet uit te keren, maar in te zetten voor de tegenvaller op de leerlingen- en studentenontwikkeling. In de onderstaande tabel wordt de totale budgettaire bijstelling per begrotingsartikel weergegeven.

Tabel 3 Prijsbijstelling tranche 2018 (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Primair onderwijs

21.053

20.979

20.834

20.665

20.533

20.451

3

Voortgezet onderwijs

20.069

19.515

19.107

18.757

18.698

18.603

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

18.374

18.221

18.167

17.980

17.781

17.544

6

Hoger beroepsonderwijs

12.391

12.499

12.550

12.853

12.996

12.950

7

Wetenschappelijk onderwijs

23.350

23.499

23.727

24.197

24.595

24.824

8

Internationaal beleid

76

75

76

77

77

77

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

68

69

70

67

68

67

11

Studiefinanciering

21.133

21.405

21.747

22.083

22.318

22.544

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

1.311

1.308

1.285

1.271

1.256

1.222

13

Lesgelden

41

40

40

40

40

40

14

Cultuur

6.137

7.591

7.595

7.571

7.571

7.571

15

Media

10.461

8.742

9.021

7.009

6.989

7.059

25

Emancipatie

34

34

34

33

34

34

95

Apparaatsuitgaven

2.624

4.509

4.297

6.434

6.557

6.561

91

Inzet voor tegenvaller (deels via kasschuiven)

12.620

16.790

17.999

18.382

17.185

17.361

Totaal

149.742

155.276

156.549

157.419

159.698

156.908

4. Regeerakkoord-maatregelen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de budgettaire bijstelling op de OCW-begroting als gevolg van de diverse Regeerakkoord-maatregelen.

Tabel 4 RA intensiveringen per maatregel en sector (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

 

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

           

1

Primair onderwijs

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

 

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs

           

1

Primair onderwijs

108.000

257.000

257.000

257.000

257.000

257.000

 

G34 Modernisering cao primair onderwijs

           

1

Primair onderwijs

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

 

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

           

3

Voortgezet onderwijs

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

 

G36 Fundamenteel onderzoek OCW

           

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

 

G37 Toegepast onderzoek

           

6

Hoger beroepsonderwijs

15.000

20.000

25.000

25.000

25.000

25.000

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

10.000

18.000

25.000

25.000

25.000

25.000

 

G38 Onderzoeksinfrastructuur

           

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

45.000

55.000

0

0

0

0

 

G40 Cultuur en Historisch Democratisch bewustzijn

         

14

Cultuur

25.000

48.270

52.145

52.120

51.120

51.160

 

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

           

1

Primair onderwijs

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

           

15

Media

5.000

0

0

0

0

0

 

G43 RA Intensivering Erfgoed en monumenten

           

14

Cultuur

98.500

101.400

60.000

25.000

0

0

 

G44 Aanpak laaggeletterdheid

           

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

 

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en hoogbegaafde kinderen

           

1

Primair onderwijs

10.000

16.500

16.500

16.500

16.500

16.500

3

Voortgezet onderwijs

5.000

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

 

G46 Doelmatiger onderwijs

           

1

Primair onderwijs

– 6.666

– 30.664

– 45.663

– 60.996

– 60.996

– 60.996

3

Voortgezet onderwijs

– 5.171

– 23.786

– 35.420

– 47.313

– 47.313

– 47.313

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

– 2.754

– 12.666

– 18.862

– 25.195

– 25.195

– 25.195

6

Hoger beroepsonderwijs

– 1.913

– 8.800

– 13.104

– 17.503

– 17.503

– 17.503

7

Wetenschappelijk onderwijs

– 2.854

– 13.129

– 19.551

– 26.116

– 26.116

– 26.116

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

– 642

– 2.955

– 4.400

– 5.877

– 5.877

– 5.877

 

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

           

91

Nog onverdeeld

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

 

G48 Terugdraaien Taakstelling Groen Onderwijs

           

3

Voortgezet onderwijs

0

3.606

5.075

5.326

4.905

4.501

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0

1.993

2.834

2.989

2.672

2.387

6

Hoger beroepsonderwijs

0

1.088

1.648

1.866

1.789

1.685

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

2.313

3.443

3.819

3.634

3.427

 

G49 Halvering Collegegeld eerstejaars HO

           

6

Hoger beroepsonderwijs

50.602

113.100

112.266

114.527

113.079

114.831

7

Wetenschappelijk onderwijs

19.398

51.900

52.734

55.473

56.921

60.169

Totaal

1.068.500

1.659.670

1.668.145

1.521.120

1.319.120

1.323.160

Verdiepingshoofdstuk per artikel

Uitgaven art.nr. 1 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

10.472.423

10.356.120

10.306.756

10.254.789

10.204.540

 

Mutatie nota van wijziging 20181

131.034

336.036

361.037

345.704

345.704

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

271.310

322.793

317.196

309.539

294.448

 

Nieuwe mutaties

269.298

287.412

256.755

268.709

268.709

 

1.

overboekingen (intern)

620

4.614

2.796

0

0

 

2.

overboekingen met andere departementen

– 1.322

– 1.702

– 1.541

– 1.291

– 1.291

 

3.

kasschuif transitievergoeding

0

14.500

– 14.500

0

0

 

4.

arbeidsvoorwaarden primair onderwijs

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

 

Stand ontwerpbegroting 2019

11.144.065

11.302.361

11.241.744

11.178.741

11.113.401

11.053.470

1

Bedrag is inclusief ISB.

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Dit saldo betreft onder meer een overboeking naar artikel 1 t.b.v. toevoeging vergoeding museumbezoek aan prestatiebox PO 2018–2019 en 2019–2020.

  • 2. Dit saldo betreft onder meer een overboeking vanuit artikel 1 naar het GF voor toezicht en handhaving kwaliteit VVE.

  • 3. Wegens het controversieel verklaren van de wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid zal deze wet niet eerder dan in 2020 in werking treden. Om de korting ook in dat jaar te laten neerslaan, is deze kasschuif nodig.

  • 4. Omdat met de afspraken in de nieuwe cao primair onderwijs aan de gestelde voorwaarden m.b.t. normalisering van de bovenwettelijke uitkeringen wordt voldaan, wordt het door het kabinet vrijgemaakte bedrag voor modernisering van de cao aan artikel 1 toegevoegd.

Ontvangsten art.nr. 1 (Bedragen x € 1 000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

17.661

8.661

8.661

8.661

1.708

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

0

0

0

0

7.000

 

1.

ramingsbijstelling ontvangsten

0

0

0

0

7.000

 

Stand ontwerpbegroting 2019

17.661

8.661

8.661

8.661

8.708

8.708

Toelichting nieuwe mutaties:

Ontvangsten

  • 1. Met deze bijstelling wordt de ontvangstenraming voor 2023 in lijn gebracht met die van voorgaande jaren.

Uitgaven art.nr. 3 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

8.123.146

8.013.229

7.921.263

7.843.593

7.791.761

 

Mutatie nota van wijziging 2018

337.793

306.421

282.025

262.161

260.847

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

254.244

280.875

333.956

342.333

332.989

 

Nieuwe mutaties

– 2.122

11.331

– 10.390

2.295

2.895

 

1.

Kasschuif transitievergoeding

 

12.000

– 12.000

     

2.

Overboekingen (intern)

– 2.122

– 669

1.610

2.295

2.895

 

Stand ontwerpbegroting 2019

8.713.061

8.611.856

8.526.854

8.450.382

8.388.492

8.359.318

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Wegens het controversieel verklaren van de wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid zal deze wet niet eerder dan in 2020 in werking treden. Om de korting ook in dat jaar te laten neerslaan, is deze kasschuif nodig.

Ontvangsten art.nr. 3 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

7.361

7.361

7.361

7.361

7.361

 

Mutatie nota van wijziging 2018

30

30

30

30

30

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

Uitgaven art.nr. 4 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

4.325.690

4.492.572

4.488.665

4.458.412

4.417.403

 

Mutatie nota van wijziging 2018

171.189

151.632

141.225

131.692

126.304

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

129.656

138.979

124.410

104.585

– 125.227

 

Nieuwe mutaties

4.205

– 206.207

– 6.744

3.691

3.614

 

1.

Overboeking Permanent leren

0

– 196.800

0

0

0

 

2.

Kasschuif Permanent leren

0

10.150

– 10.150

0

0

 

3.

Verwerking korting praktijkleren

 

– 19.452

       

4.

Overboekingen (intern)

2.292

2.770

3.406

3.691

3.614

 

5.

Overboekingen met andere departementen

1.913

– 2.875

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2019

4.630.740

4.576.976

4.747.556

4.698.380

4.422.094

4.744.426

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Financiën. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de fiscale aftrekpost voor scholingskosten wordt vervangen door een individuele leerrekening. In 2019 blijft de fiscale scholingsaftrek nog behouden en daarom een is overboeking naar Financiën noodzakelijk.

  • 2. Deze kasschuif is nodig om in 2019 uitvoering te geven aan het beleid voor een leven lang ontwikkelen.

  • 3. Regeling Praktijkleren is incidenteel in 2019 met € 19,5 miljoen verlaagd ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming; zie de toelichting in de Beleidsagenda.

Ontvangsten art.nr. 4 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Uitgaven art.nr. 6 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

3.005.161

2.969.694

2.984.447

3.062.145

3.097.897

 

Mutatie nota van wijziging 2018

135.337

195.998

193.820

194.083

194.744

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

120.531

120.320

126.920

140.123

157.127

 

Nieuwe mutaties

2.034

– 8.270

2.086

– 1.178

– 1.101

 

1.

Halvering collegegeld

2.000

1.000

1.000

1.000

1.000

 

2.

Regeerakkoord 2012 – onderzoek

   

3.071

     

3.

Lumpsumkorting

 

– 7.781

       

4.

Overboekingen (intern)

– 60

– 1.581

– 2.052

– 2.178

– 2.101

 

5.

Overboekingen met andere departementen

94

92

67

     

Stand ontwerpbegroting 2019

3.263.063

3.277.742

3.307.273

3.395.173

3.448.667

3.449.766

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Betreft de uitvoeringskosten uit Regeerakkoord maatregel G49 Halvering collegegeld.

  • 2. Dit betreft de middelen uit het Regeerakkoord 2012 voor onderzoek die middels een kasschuif van 2023 naar 2020 beschikbaar worden gesteld.

  • 3. De Lumpsum is in 2019 incidenteel verlaagd ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming; zie de toelichting in de Beleidsagenda.

Ontvangsten art.nr. 6 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

Uitgaven art.nr. 7 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

4.483.810

4.493.381

4.542.330

4.634.112

4.701.467

 

Mutatie nota van wijziging 2018

212.256

234.911

232.826

232.743

238.715

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

163.084

180.876

189.550

199.946

211.568

 

Nieuwe mutaties

1.218

– 10.439

1.338

1.438

1.438

 

1.

Overboekingen (intern)

– 46

106

212

312

312

 

2.

Overboekingen met andere departementen

138

         

3.

Lumpsumkorting

 

– 11.671

       

4.

HGIS loon- en prijsbijstelling

1.126

1.126

1.126

1.126

1.126

 

Stand ontwerpbegroting 2019

4.860.368

4.898.729

4.966.044

5.068.239

5.153.188

5.209.476

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 3. De Lumpsum is in 2019 incidenteel verlaagd ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming; zie de toelichting in de Beleidsagenda.

Ontvangsten art.nr. 7 (Bedragen x € 1 000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

16

16

16

16

16

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

16

16

16

16

16

16

Uitgaven art.nr. 8 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

11.716

11.028

10.997

10.954

10.964

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

927

782

783

75

75

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Departementale overboekingen.

256

975

375

– 4

– 4

 

Stand ontwerpbegroting 2019

12.899

12.785

12.155

11.025

11.035

11.035

Ontvangsten art.nr. 8 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

99

99

99

99

99

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

99

99

99

99

99

99

Uitgaven art.nr. 9 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

181.159

169.605

166.339

163.263

163.136

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

– 10.359

– 1.050

– 1.004

– 1.084

– 1.072

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Lerarenbeurs

– 15.000

         

2.

Overboekingen (intern)

– 120

         

3.

Overboekingen met andere departementen

– 253

         

Stand ontwerpbegroting 2019

155.427

168.555

165.335

162.179

162.064

160.868

Toelichting nieuwe mutaties

Uitgaven

  • 1. € 15 miljoen onderuitputting 2018 op de lerarenbeurs wordt ingezet ter dekking van de tegenvaller op de leerling- en studentenraming en de studiefinancieringsraming; zie de toelichting in de Beleidsagenda.

Ontvangsten art.nr. 9 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

Uitgaven art.nr. 11 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

5.373.215

5.445.488

5.502.475

5.560.887

5.633.749

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

145.861

159.218

129.672

134.429

139.267

 

Nieuwe mutaties

           

1.

DUO

– 2.465

– 1.980

– 1.986

– 1.986

– 1.986

 

2.

Kasschuif OV contract

850.000

 

– 425.000

– 425.000

   

Stand ontwerpbegroting 2019

6.366.611

5.602.726

5.205.161

5.268.330

5.771.030

5.842.009

Ontvangsten art.nr. 11 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

896.901

944.304

1.007.932

1.080.588

1.159.149

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

– 46.627

– 51.080

– 59.375

– 64.728

– 72.140

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

850.274

893.224

948.557

1.015.860

1.087.009

1.155.007

Uitgaven art.nr. 12 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

89.501

89.198

87.797

86.954

86.012

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

4.200

3.873

3.726

3.810

4.267

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

93.701

93.071

91.523

90.764

90.279

88.579

Ontvangsten art.nr. 12 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

2.415

2.404

2.356

2.328

2.297

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

1.270

1.253

1.224

1.215

1.223

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

3.685

3.657

3.580

3.543

3.520

3.437

Uitgaven art.nr. 13 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

6.555

6.520

6.520

6.517

6.511

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

117

129

125

122

118

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

6.672

6.649

6.645

6.639

6.629

6.614

Ontvangsten art.nr. 13 (Bedragen x € 1 000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

238.269

240.901

243.263

244.315

244.652

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

– 580

– 2.167

– 2.192

– 1.886

– 2.110

 

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

237.689

238.734

241.071

242.429

242.542

240.575

Uitgaven art.nr. 14 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

777.883

838.211

836.392

833.673

833.680

 

Mutatie nota van wijziging 2018

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

76.252

90.986

81.294

56.720

32.169

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Gelden Regeerakkoord G 40 en G43

 

23.270

24.120

24.095

26.120

 

2.

Monumentenaftrek

 

5.000

5.000

5.000

5.000

 

3.

Overig

– 2.254

236

1.804

6.220

570

 

Stand ontwerpbegroting 2019

861.881

967.703

958.610

935.708

907.539

902.288

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. betreft toevoeging van gelden uit het Regeerakkoord, reeksen G40 en G43.

  • 2. betreft verhoging van het budget monumentenaftrek vanwege de groei-effecten in de periode 2016–2018.

Ontvangsten art.nr. 14 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

494

494

494

494

494

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

6.185

         

Nieuwe mutaties

609

         

Stand ontwerpbegroting 2019

7.288

494

494

494

494

494

Uitgaven art.nr. 15 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

989.426

988.512

1.001.409

1.001.629

1.014.879

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

– 11.678

8.217

8.496

6.509

6.489

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Correctie overschrijding budget 2017

– 1.000

         

2.

Lagere raming reclamopbrengsten

 

– 36.000

– 39.600

– 54.700

– 53.800

 

3.

Financiële afwikkeling DAB+ (van EZ)

55

100

       

Stand ontwerpbegroting 2019

976.803

960.829

970.305

953.438

967.568

945.345

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Dit betreft een correctie op de overschrijding van het uitgavenbudget in 2017.

  • 2. De ramingen voor de reclameopbrengsten zijn op basis van een onderzoek van Ernst&Young naar beneden bijgesteld. Dit leidt ook tot een lager uitgavenbudget.

  • 3. Dit betreft een bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken voor de financiële afwikkeling van DAB+-radio.

Ontvangsten art.nr. 15 (Bedragen x € 1 000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

206.500

199.500

206.500

199.500

206.500

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

– 27.175

– 500

– 500

– 500

– 500

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Lagere raming reclamopbrengsten

 

– 36.000

– 39.600

– 54.700

– 53.800

 

Stand ontwerpbegroting 2019

179.325

163.000

166.400

144.300

152.200

125.600

Toelichting nieuwe mutaties:

Ontvangsten

  • 1. De ramingen voor de reclameopbrengsten zijn op basis van een onderzoek van Ernst&Young naar beneden bijgesteld.

Uitgaven art.nr. 16 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

1.009.038

1.005.223

956.606

999.018

1.000.523

 

Mutatie nota van wijziging 2018

– 642

– 2.955

– 4.400

– 5.877

– 5.877

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

197.547

225.803

222.963

223.381

222.181

 

Nieuwe mutaties

           

1.

overboekingen (intern)

668

300

200

     

2.

regeerakkoord- onderzoek

   

47.000

     

Stand ontwerpbegroting 2019

1.206.611

1.228.371

1.222.369

1.216.522

1.216.827

1.216.657

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 2. Dit betreft de middelen uit het vorige Regeerakkoord voor onderzoek 2020, door middel van een kasschuif uit 2023 komen deze middelen beschikbaar in 2020.

Ontvangsten art.nr. 16 (Bedragen x € 1 000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

101

101

101

101

101

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

101

101

101

101

101

101

Uitgaven art.nr. 25 (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

15.444

15.094

15.581

15.581

15.591

 

Mutatie nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie eerste suppletoire begroting 2018

450

786

299

273

274

 

Nieuwe mutaties

           

1.

Overboeking BZK/GF

– 1.073

         

2.

Overboeking Financiën/BTW compensatiefonds

– 12

         

Stand ontwerpbegroting 2019

14.809

15.880

15.880

15.854

15.865

15.865

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. Projecten economische zelfstandigheid (7 gemeenten) en regenboogsteden (39 gemeenten).

  • 2. BTW in projecten genoemd onder 1.

Uitgaven art.nr. 91 Nog onverdeeld (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

– 244.318

– 415.479

– 409.900

– 338.348

– 182.715

 

Mutatie Nota van wijzigingen 2018

514.000

685.000

680.000

608.000

453.000

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

1.

Uitdeling G34 Modernisering cao primair onderwijs

– 270.000

– 270.000

– 270.000

– 270.000

– 270.000

 

2.

Te dekken door tegenvaller ramingen

0

– 163.463

– 114.415

– 140.323

– 156.174

 

3.

Dekking tegenvaller

 

38.904

       

4.

LPO aanvullende post Tranche 2018

9.511

18.297

21.751

22.185

19.156

 

5.

Kasschuiven

– 9.193

106.741

– 21.851

– 21.837

– 19.441

 

Stand ontwerpbegroting 2019

0

0

– 114.415

– 140.323

– 156.174

– 160.921

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 1. «Dit betreft de Regeerakkoordmiddelen van G34 Modernisering CAO primair onderwijs. Deze middelen zijn tot er een cao akkoord was, op artikel 91 geparkeerd. Inmiddels is er een akkoord en zijn de middelen uitgekeerd.

  • 2. De tegenvaller als gevolg van de ramingen is voor 2019 gedekt. Het restant van de tegenvaller is als taakstelling op de leerling- en studentenraming geparkeerd op artikel 91 en zal bij Voorjaarsnota 2019 worden ingevuld.

  • 3. Een korting op artikel 4 regeling praktijkleren en artikel 6 en 7 lumpsum ho wordt ingezet ter dekking van de tegenvaller 2019.

  • 4. Dit betreft de LPO tranche 2018 over een deel van de intensiveringen uit het Regeerakkoord.

  • 5. De LPO tranche 2018 is over een dele van de intensiveringen uit het Regeerakkoord wordt via deze kasschuiven ingezet als dekking voor de tegenvaller van 2019.

Uitgaven art.nr. 95 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

250.133

252.689

257.447

258.044

258.473

 

Mutatie Nota van wijzigingen 2018

2.830

1.830

1.830

1.830

1.830

 

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

20.178

15.444

13.919

14.958

12.226

 

Nieuwe mutaties

– 19.018

– 9.988

– 1.679

– 3.462

– 3.461

 

1.

Overboeking (intern)

3.887

2.033

2.039

2.039

2.039

 

2.

Overboeking met andere departementen

– 1.919

– 23.622

– 2.449

– 2.420

– 2.420

 

3.

Kasschuiven

– 16.901

14.666

1.796

– 81

– 80

 

4.

Beleidsmatige herschikkingen

– 4.085

– 3.065

– 3.065

– 3.000

– 3.000

 

Stand ontwerpbegroting 2019

254.123

259.975

271.517

271.370

269.068

270.233

Toelichting nieuwe mutaties:

Uitgaven

  • 2. Dit betreft voornamelijk de mutatie als gevolg van verder uitstel van 2019 naar 2020 van de omvorming van de fiscale scholingsaftrek naar een uitgavenregeling. Hierdoor wordt in 2019 € 21,2 miljoen teruggeboekt naar Financiën.

  • 3. Als gevolg van vertraging in de implementatie van de nieuwe werkplek OCW wordt € 6,5 miljoen middels een kasschuif doorgeschoven van 2018 naar 2019. Daarnaast wordt de kasschuif van 2019 naar 2018 ad € 7,5 miljoen voor uitvoeringskosten ter voorbereiding van de voorgenomen regeling scholingsvouchers door uitstel teruggeboekt naar 2019.

Ontvangsten art.nr. 95 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (Bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Stand ontwerpbegroting 2018

567

567

567

567

567

 

Mutatie Nota van wijziging 2018

           

Mutatie amendementen 2018

           

Mutatie 1e suppletoire begroting 2018

           

Nieuwe mutaties

           

Stand ontwerpbegroting 2019

567

567

567

567

567

567

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

A. Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Moties Tweede Kamer

DIRECTIE BESTUURSONDERSTEUNING EN ADVIES

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Kamer te informeren over maatregelen die de inspectie genomen heeft, dan wel kan nemen tegen scholen die basiswaarden ondermijnen.

Debat [27-06-2018] – VAO Preventieve radicalisering (AO d.d. 20/6)

Motie-Van Dijk

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

DIRECTIE EMANCIPATIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering nog voor de zomer met een plan van aanpak te komen om de rol én positie van vertrouwenspersonen te versterken.

Debat [22-02-2018] – Plenair debat over seksuele intimidatie op de werkvloer

Motie-Özütok

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer Onderzoek vertrouwenspersonen in arbeidsorganisaties van 14 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende dat de kerndoelen met betrekking tot seksuele diversiteit voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs zijn aangescherpt; constaterende dat volgens de inspectie 14% van de po- en vo-scholen geen aandacht besteedt aan deze kerndoelen) verzoekt de regering, in lijn met de motie 30 950, nr. 113, passende maatregelen te nemen tegen deze scholen.

Debat [19-04-2018] – VAO Emancipatie

Motie-Van Dijk

In de voortgangsrapportage Emancipatie in het voorjaar van 2019 wordt ingegaan op (de mogelijkheden van) het inspectietoezicht. Overigens is die 14% gebaseerd op zelfrapportage van schoolleiders in een representatieve steekproef, niet op een landelijke lijst van alle scholen. De kerndoelonderdelen seksualiteit en seksuele diversiteit worden in de toekomst aangescherpt. Een ontwikkelteam van docenten levert voorjaar 2019 een voorstel daarvoor.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om op school de lhbti-acceptatie nader te bevorderen door het examen- en kwalificatiebesluit op dit punt aan te passen.

Debat [19-04-2018] – VAO Emancipatie

Motie-Van Dijk/Van den Hul

Het examen- en kwalificatiebesluit wordt nog in 2018 aangepast (ministeriële regeling). Implementatie daarvan is in schooljaar 2019/2020. In het aangepaste besluit wordt gesproken over acceptatie van seksuele- en genderdiversiteit en over seksuele diversiteit als basiswaarde in onze samenleving.

De Tweede Kamer verzoekt de regering alle elementen uit het regenboogstembusakkoord zo snel als mogelijk uit te voeren.

Debat [19-04-2018] – VAO Emancipatie

Motie-Sjoerdsma

In de voortgangsrapportage Emancipatie in het voorjaar van 2019 wordt de actuele stand van zaken gegeven bij de uitvoering van het regenboogstembusakkoord.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in het voorjaar aan de Kamer te rapporteren over de voortgang van het emancipatiebeleid, onderbouwd met data, en dit jaarlijks te herhalen.

Debat [19-04-2018] – VAO Emancipatie

Motie-Van den Hul

In het voorjaar van 2019 ontvangt de Tweede Kamer de voortgangsrapportage Emancipatie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering initiatieven te ondersteunen om meer jongens te interesseren voor zorg of het onderwijs.

Debat [19-04-2018] – Plenair debat positie jonge vrouwen op de arbeidsmarkt

Motie-Van den Hul

De motie wordt meegenomen in de voorgangsrapportage Emancipatie in het voorjaar van 2019. De komende vijf jaar ondersteunt OCW de strategische alliantie «Werk en de Toekomst» (van Atria, Emancipator, NVR en VHTO), die tot doel heeft om brede stereotypering in het onderwijs, bij de overheid en op de arbeidsmarkt te slechten. Ook zal er bekeken worden hoe gezamenlijke en gedegen opgezette initiatieven vanuit zowel de pabo’s als het werkveld vanuit OCW ondersteund kunnen worden. Tenslotte wordt er invulling gegeven aan de motie via het op 14 maart 2018 gepresenteerde actieprogramma «Werken in de Zorg» van het Ministerie van VWS, mede namens OCW en SZW. In het najaar van 2018 worden een wervingscampagne en website gelanceerd en wordt de Tweede Kamer geïnformeerd door de Minister van VWS over de voortgang van het actieprogramma.

DIRECTIE ERFGOED EN KUNSTEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met provincies en gemeenten om deze bewegwijzering beter tot haar recht te laten komen, en voor het zomerreces de Kamer hierover te informeren.

Debat [21-11-2016] – Cultuurbegroting

Motie-Van Veen

Het Ministerie van OCW bespreekt de verbetering van de bewegwijzering met de provincies en gemeenten. In het najaar van 2018 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te gaan met de partners van de Agenda, de provincies en de gemeenten om te bezien wat de komende periode nodig is gezien de leegstandsontwikkeling binnen het religieus erfgoed, en de uitkomsten hiervan mee te nemen in de evaluatie van de monumentenzorg die is voorzien voor 2018.

Debat [21-11-2016] – Cultuurbegroting

Motie-Pechtold/Dik-Faber

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Erfgoed Telt van 22 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om het advies van het Fonds Podiumkunsten en de Raad voor Cultuur minimaal twaalf maanden voor de behandeling van de OCW-begroting aan te vragen en in ontvangst te nemen.

Debat [21-11-2016] – Cultuurbegroting

Motie-Van Veen/Vermue

De Tweede Kamer wordt in juni 2019 geïnformeerd over het cultuurbeleid 2021–2024. In deze brief zal de regering ook ingaan op deze motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de besteding: – historische schulden van musea bij het bestemmingsfonds OCW te verevenen; – een aanvullend advies te vragen aan de Raad voor Cultuur over het resterende bedrag, waarbij de te besteden middelen ten goede komen van de museale sector; verzoekt de regering voorts bij de besteding van het resterende bedrag de volgende mogelijkheden mee te nemen: – een bijdrage aan het Mondriaan Fonds ten behoeve van het aankoopfonds; – het buiten de BIS-criteria ondersteunen van twee musea in de regio; – het verhogen van het toegekende bedrag aan musea met een lagere BIS-bijdrage dan 1 miljoen euro.

Debat [21-11-2016] – Cultuurbegroting

Motie-Van Veen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Reactie op aangenomen moties en amendementen bij de begroting OCW van 2017 van 26 april 2017 en de brief aan de Tweede Kamer Uitvoering motie-Van Veen inzake bestemmingsfondsen 2013–2016 musea van 4 september 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering nader te onderzoeken hoe en in welke mate de culturele infrastructuur in stedelijke regio's van invloed is op het algemene vestigingsklimaat van huishoudens en bedrijven; verzoekt de regering voorts, nader te onderzoeken hoe en in welke mate een sturend cultuurbeleid kan bijdragen aan behoud en versterking van het algemene vestigingsklimaat in belangrijke stedelijke regio's buiten de Randstad; verzoekt de regering tevens, de conclusies van dit onderzoek te betrekken bij een herziening van het stelsel van basisinfrastructuur en de fondsen.

Debat [21-11-2016] – Cultuurbegroting

Motie-Grashoff/Pechtold

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer met de aanbieding rapport «Pas de deux? Het ruimtelijk samenspel van cultuur en economie in Nederland: een beleidsverkenning» van 17 oktober 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Raad Voor Cultuur te vragen om in zijn advies naar meer en ander publiek, ook het bevorderen van diversiteit onder mensen werkzaam in de culturele sector mee te nemen; verzoekt de regering tevens de Raad voor Cultuur te vragen dit onderzoek in de loop van 2018 uit te voeren.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Ellemeet/Bergkamp

De Raad voor Cultuur brengt in oktober 2018 het advies uit.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met de sector op korte termijn en in lijn met het advies Passie gewaardeerd van de SER en de Raad voor Cultuur, experimenteerruimte te creëren opdat zzp-ers werkzaam in de culturele en creatieve sector collectief kunnen onderhandelen.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Ellemeet/Asscher

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2018 geïnformeerd over de verkenning naar mogelijke experimenteerruimte.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te inventariseren welke financieringsregelingen voor zelfstandigen ook bedoeld zijn voor zelfstandigen in de culturele sector, maar in de praktijk voor hen niet geschikt zijn, en deze geschikt voor gebruik te maken; verzoekt de regering voorts aan de Raad voor Cultuur expliciet aandacht te vragen voor een effectievere inzet van financieringsregelingen voor zelfstandigen in de culturele sector in zijn advies Financiering van cultuur; verzoekt de regering tevens de Raad voor Cultuur te vragen dit onderzoek in de loop van 2018 uit te voeren.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Ellemeet/Arno Rutte

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2018 schriftelijk geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om onderzoek te doen naar mogelijkheden binnen het wetenschapsbeleid en de Raad voor Cultuur in het kader van het cultuurstelsel 2021–2024 een advies te vragen over de positie van de wetenschapsmusea.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Dik-Faber c.s.

In de adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur over de cultuurperiode 2021–2024 wordt advies gevraagd over de positie van de wetenschapsmusea. De Tweede Kamer ontvangt de adviesaanvraag in december 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de plannen voor de toekomst van monumentale kerken en de inzet van extra middelen voor te bereiden in nauw overleg met de (koepels van) eigenaren van deze monumenten en de Kamer daarover te informeren vóór de zomer van 2018.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Rog/Dik-Faber

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Erfgoed Telt van 22 juni 2018.

De Tweede Kamer (van mening dat meer inzicht in de «niet-bezoeker» voor de culturele partijen zinvol zou zijn om hun publieksbereik te vergroten);verzoekt de Minister middels een onderzoek ook de «niet-bezoeker» in beeld te krijgen.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Bergkamp c.s.

In de cultuurbrief Cultuur in een open samenleving van 12 maart 2018 zegt het kabinet onderzoek te laten verrichten. Inmiddels is het concept eindrapport van de Erasmus Universiteit gereed. Op basis van deze input geeft de Raad voor Cultuur eind 2018 advies over dit onderwerp. De rapportage wordt als bijlage van de najaarsbrief vóór de begrotingsbehandeling Cultuur aan de Tweede Kamer gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de ambitie van muziekonderwijs voor ieder kind voort te zetten; verzoekt de regering tevens, de effecten van de huidige regeling komend jaar te evalueren en daarbij te bekijken hoe scholen met een goed plan voor muziekonderwijs na 2020 ondersteund kunnen worden, daarbij kijkende naar zowel publieke als private middelen, en de Tweede Kamer hierover te informeren.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Asscher/Bergkamp

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Cultuur in een open samenleving van 12 maart 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering op korte termijn met een voorstel te komen om deze secundaire tickethandel aan banden te leggen.

Debat [21-11-2017] – Stemmingen

Cultuurbegroting

Motie-Kwint c.s.

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2018 geïnformeerd over het voorstel.

DIRECTIE FINANCIEEL ECONOMISCHE ZAKEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering te zorgen dat scholen hun jaarverslagen en inspectierapporten op hun website publiceren.

Debat [11-11-2014] – Stemmingen over moties ingediend bij Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2015

Motie-Straus/Ypma

Uit een inventarisatie door de po-raad en de VO-raad naar de naleving van de afspraken in de Branche codes Goed bestuur op het punt van openbaarmaking van jaarverslagen komt naar voren dat – ondanks de aansporingen daartoe – nog steeds niet alle scholen in de sectoren PO en VO hun jaarverslag op de eigen website openbaar maken. Er is weinig zicht en hoop dat een nieuwe aansporing daartoe wel zal leiden tot een 100% score.

OCW werkt daarom thans aan het opnemen van de openbaarmaking in de sectorwetten. Daarna zullen nadere inrichtingsvoorschriften in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs worden opgenomen.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de voor- en nadelen van een aparte noodregeling voor onderwijsinstellingen in de Faillisementswet te onderzoeken, en de Kamer hierover te informeren voor Prinsjesdag 2016.

Debat [31-03-2016] – VAO Governance in het mbo

Motie-Lucas

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar van 2018 een brief aangaande de voor- en nadelen van een aparte noodregeling voor onderwijsinstellingen in de faillissementswet.

De Tweede Kamer verzoekt de regering alle salarissen, ook die van bestuurders, onder te brengen in de onderwijs-cao.

Debat [29-03-2018] – VAO Leraren

Motie-Kwint/Beertema

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer over leraren en het lerarentekort van 24 augustus 2018, kenmerk 1388284.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Stichting van het Onderwijs op te roepen te komen tot een intersectoraal functiewaarderingstraject, waarbij in ieder geval de lesgevende functies in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs worden betrokken.

Debat [29-03-2018] – VAO Leraren

Motie-Rog/Van Meenen

Aan de motie is voldaan met een brief aan de Stichting van het Onderwijs. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in de brief over het lerarentekort van 24 augustus 2018, kenmerk 1388284.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, de bijstellingen niet ten koste te laten gaan van de bekostiging van scholen.

Debat [22-09-2016] – Algemene Politieke Beschouwingen

Motie-Pechtold c.s.

De motie is uitgevoerd met de tweede nota van wijziging 34 775 VIII, nr. 13.

DIRECTIE HOGER ONDERWIJS EN STUDIEFINANCIERING

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Tweede Kamer na invoering van het bursalenstelsel op de hoogte te houden van de effecten van het toelaten van bursalen, waarin aantallen promotieplaatsen van de verschillende vormen opgenomen worden en de beschikbaarheid van universitair docenten.

Debat [26-09-2011] – Strategische agenda Hoger Onderwijs

Motie-Klaver

De AMvB is in januari 2016 in werking getreden. Rijksuniversiteit Groningen en Erasmus Universiteit Rotterdam hebben toestemming gekregen deel te nemen. De AMvB voorziet in tussenevaluatie na circa twee jaar (vierde kwartaal 2018).

De Tweede Kamer verzoekt de regering de inwerkingtreding van het wetsartikel dat collegegelddifferentiatie bij excellente opleidingen regelt pas te effectueren op het moment dat er meer duidelijkheid is over de effecten die een sociaal leenstelsel heeft op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs.

Debat [23-04-2013] – WGO Kwaliteit in Verscheidenheid – 2e termijn

Motie-Mohandis

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Wet accreditatie op maat 34.735 van 15 juni 2018, gepubliceerd op 5 juli 2018 in het Staatsblad 2018, nr. 209. Hierin worden de accreditatieoordelen «goed» en «excellent» van de NVAO geschrapt en blijft alleen nog het oordeel voldoende/onvoldoende over.

De Tweede Kamer verzoekt de regering een verkenning te starten naar de mogelijkheden van extra bekostiging dan wel differentiatie binnen de bekostiging van opleidingen met een excellent keurmerk, in samenhang met het lopende onderzoek naar aanleiding van de motie-Lucas.

Debat [23-04-2013] – WGO Kwaliteit in Verscheidenheid – 2e termijn

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Wet accreditatie op maat 34.735 van 15 juni 2018, gepubliceerd op 5 juli 2018 in het Staatsblad 2018, nr. 209. Hierin worden de accreditatieoordelen «goed» en «excellent» van de NVAO geschrapt en blijft alleen nog het oordeel voldoende/onvoldoende over.

De Tweede Kamer verzoekt de regering het bindend studieadvies bij de komende kwaliteitsafspraken te begrenzen tot het eerste jaar van de bachelor.

Debat [02-07-2015] – VAO prestatieafspraken hoger onderwijs (AO d.d. 24/6)

Motie-Mohandis/Rog

De motie zal gelijktijdig met de evaluatie van het experiment BSA in jaar 2 worden afgedaan in het najaar van 2018.

De Tweede Kamer roept de regering, onderwijsinstellingen, interne en externe belanghebbenden op om maximale impact te bewerkstelligen met de extra investeringsmiddelen naar 2025, met als doel een toekomstbestendig hoger onderwijs, versterking van ontplooiingskansen van studenten en een lerende, internationaal concurrerende economie.

Debat [14-12-2015] – Notaoverleg Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015–2025

Motie-Duisenberg c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Aanbieding sectorakkoorden hogescholen en universiteiten van 9 april 2018.

De Tweede Kamer (overwegende dat leraren professionals zijn die ruimte en zeggenschap verdienen om zelf vorm en inhoud te geven aan hun vak); verzoekt de regering te bevorderen dat: – in de nascholing en professionalisering van leraren gerichte aandacht is voor het omgaan met verschillen, het gebruik van ICT en curriculum-ontwikkeling; – het opleiden van nieuwe generaties leraren binnen opleidingsscholen, een samenwerking van school en lerarenopleiding, wordt geïntensiveerd, zodat theorie en praktijk meer dan nu met elkaar worden verweven; – er overeenstemming komt over het ontwikkelen van brede, vakoverstijgende educatieve bachelors en masters, zowel op hbo- als wo-niveau, die studenten voorbereiden op het moderne beroep van leraar, zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs; – er universitaire opleidingen voor het primair onderwijs worden ontwikkeld; verzoekt de regering te bevorderen dat de lerarenopleidingen, in zowel hbo als wo, hun curriculum aanpassen aan en het lerarenregister rekening houdt met de ontwikkelingen die verder uitgewerkt worden onder onderwijs2032.

Debat [09-03-2016] – Hoofdlijnendebat over het advies van het platform Onderwijs 2032

Motie-Ypma c.s.

De lerarenopleidingen zullen hun curriculum aanpassen op het moment dat de herziene kerndoelen en eindtermen zijn ingevoerd. In het huidige proces van Curriculum.nu leveren ze input en feedback op de tussenproducten van de ontwikkelteams en zijn ze gelieerd aan enkele ontwikkelscholen. Ook zijn er enkele leraren in de ontwikkelteams die zowel lesgeven op een po- of vo-school als daarnaast werken als lerarenopleider.

De Tweede Kamer (van mening dat de openbare uitspraken van de rector van de Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR) niet los gezien kunnen worden van zijn functie; van oordeel dat zijn uitspraken over Koerden, Armeniërs, homoseksuelen, Joden en over het slaan van vrouwen in flagrante strijd zijn met het beginsel van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef) verzoekt de regering uitvoering te geven aan de wet zo gauw die in werking treedt en de accreditatie van de IUR in te trekken.

Debat [28-09-2016]

Stemmingen over amendementen bescherming namen en graden hoger onderwijs

Motie-Beertema

Per 1 januari 2018 zijn de bepalingen omtrent de verplichting van instellingen om het maatschappelijke verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen in werking getreden. Er kan bij de IUR worden ingegrepen wanneer daar een nieuwe aanleiding toe is, bijvoorbeeld bij nieuwe discriminatoire uitingen van de rector.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het recht op bekostigd onderwijs meer in balans kan worden gebracht, ongeacht opleidingsniveau, bijvoorbeeld door middel van een scholingsbeurs of leerrechten, ongeacht de leeftijd waarop men deze gebruikt, en de kosten en opbrengsten van een dergelijk systeem in kaart te brengen.

Debat [02-11-2016] – Begrotingsbehandeling OCW

Debat [03-11-2016] Begroting OCW

Motie-Bruins/Straus

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar 2018 een brief waarin wordt ingegaan op de uitwerking van de motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, in overleg met de universiteiten, hogescholen en studentenorganisaties tot een programma van aanvullende ondersteuning en begeleiding voor «stapelaars» en inbegrepen groepen zoals zij-instromers in het hoger onderwijs te komen, en dit te betrekken bij het begrotingsonderzoek en het actieplan gelijke kansen.

Debat [02-11-2016] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Bruins/Mohandis

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Beantwoording vragen over de begrotingsbehandeling van OCW 2018 (inclusief nagekomen vragen over Media) van 6 december 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de leeftijdsgrens van het levenlanglerenkrediet gelijk mee op te laten lopen met de verhoging van de AOW-leeftijd.

Debat [03-11-2016] Stemmingen punt 19 over aangehouden moties ingediend bij Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2017

Motie-Rog/Van Meenen

In het Algemeen overleg van 13 maart 2018 is als verwacht studiejaar van inwerkingtreding het studiejaar 2020–2021 aangegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met instellingen in het hoger onderwijs, studentenpsychologen en studentenorganisaties over psychische problematiek bij studenten en gezamenlijk tot een actieplan te komen, zodat op iedere instelling goede en laagdrempelige psychische hulpverlening aanwezig is.

Debat [02-02-2017] – VAO HO prestatieafspraken/ voortgang SA en monitoring studievoorschot + AO Wetenschap

Motie-Bruins/Asante

In het voorjaar van 2018 is een werkgroep gevormd met onder andere de koepelorganisaties en studentenbonden om te komen tot een gezamenlijke aanpak, gericht op studentenwelzijn. Deze gezamenlijke aanpak wordt in de komende maanden afgestemd met de hogescholen en universiteiten en besproken met studentendecanen, -psychologen en andere belangenorganisaties.

Voor de begrotingsbehandeling OCW wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de gezamenlijke aanpak rondom studentenwelzijn en daarmee de uitwerking van de motie, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

De Tweede Kamer verzoekt de regering geen toestemming te verlenen aan transnationaal onderwijs waarin de academische vrijheid niet op dezelfde, of vergelijkbare wijze, geborgd is als in Nederland, verzoekt de regering voorts, geen toestemming te verlenen aan transnationaal onderwijs waarin de studenten aan de opleiding verplicht onderwijs moeten krijgen in een bepaalde politieke ideologie, zoals het marxisme, of waar de samenstelling van het curriculum en de inhoud van de vakken gecontroleerd worden door de overheid van het betreffende land.

Debat [23-02-2017] – Stemmingen wetsvoorstel bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met een AMvB, die op 31 mei 2018 in werking is getreden met publicatie in het Staatsblad 2018, nr. 151. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd met de brief Toezeggingen in relatie tot transnationaal onderwijs van 12 juli 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering hbo-instellingen op te roepen het bedrijfsleven nauw te betrekken bij de vormgeving van het onderwijsprogramma van een Ad-opleiding met het oog op het kennen en kunnen van de student; in de door de Minister toegezegde monitor expliciet kwalitatief onderzoek te doen naar de betrokkenheid van het regionale bedrijfsleven bij de vormgeving van het onderwijs binnen de Ad-opleiding.

Debat [29-06-2017] – Associate Degree (AD)

Motie-Van der Molen

In november 2018 wordt de eerste landelijke conferentie Associate degree georganiseerd, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de motie. De Tweede Kamer zal hierover bij de aanbieding van de eerste tussenrapportage van de monitor Associate degree worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om met alle partners in de keten van studentenhuisvesting te komen tot een nieuw convenant en actieplan studentenhuisvestingen en dit actieplan te faciliteren.

Debat [11-10-2017] – Gezamenlijk debat met M.BZK over huisvesting buitenlandse studenten

Motie-Futselaar/Özdil

De motie is door Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in behandeling genomen. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd via de begroting van BZK.

De Tweede Kamer verzoekt de regering: 1. in het nog uit te voeren onderzoek naar de nadere vooropleidingseisen mbo-hbo ook aandacht te besteden aan de mogelijkheid en wenselijkheid van individueel maatwerk en hierover de Kamer te informeren; 2. op korte termijn in overleg te treden met de Vereniging Hogescholen, de MBO Raad, het ISO, de LSVb en de JOB over de ervaren belemmeringen op dit punt en waar nodig de ministeriële regeling rond de vooropleidingseisen met spoed aan te passen.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Kuik c.s.

De Tweede Kamer wordt na het zomerreces 2018 en voor de begrotingsbehandeling geïnformeerd over het eerste deel van de motie, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs. Over het tweede deel van de motie loopt het overleg nog.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken op basis van welke criteria de numerus fixus wordt ingesteld, als het gaat om opleidingen waar een tekort aan arbeidskrachten voor geldt, en hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen.

Debat [31-01-2018] – VAO Selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs (AO d.d. 17/1)

Motie-Tielen/Van der Molen

De Tweede Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 geïnformeerd over de uitwerking van de motie, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de toegankelijkheid van het hoger onderwijs op sectoraal en instellingsniveau te waarborgen door samen met studenten-bonden en koepelorganisaties afspraken te maken over kaders waarbinnen instellingen decentrale selectie in de bachelorfase mogen toepassen op basis van het geplande onderzoek naar de effecten van decentrale selectie.

Debat [31-01-2018] – VAO Selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs (AO d.d. 17/1)

Motie-Van Meenen

De motie is in behandeling genomen. Naar verwachting wordt de Tweede Kamer eind 2018 geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering ervoor te zorgen dat universiteiten en hogescholen de kosten van selectie niet bij de student terecht laten komen, om zo kansengelijkheid te bevorderen.

Debat [31-01-2018] – VAO Selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs (AO d.d. 17/1)

Motie-Van Meenen c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Reactie op motie kosten voor selectie procedures (31.288, nr. 608) van 11 juli 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering: 1.de Kamer feitelijk te informeren over de uitkomst van de selectie bij de opleiding psychologie van de UvA en daarbij te kijken naar de wijze van selectie, het aantal toegelaten Nederlandse studenten en het aantal niet-EER-studenten dat wordt toegelaten tot de bacheloropleiding;2.hierbij in te gaan op de bredere vraag hoe bij Nederlandse universiteiten omgegaan wordt met selectie bij opleidingen waar tegelijkertijd veel Nederlandse en niet-Nederlandse studenten zich inschrijven.

Debat [31-01-2018] – VAO Selectie en toegankelijkheid van het hoger onderwijs (AO d.d. 17/1)

Motie-Van der Molen/Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Internationalisering in evenwicht

van 4 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in het geval dat de huidige gedifferentieerde beoordelingen uit de wet worden geamendeerd, voor de zomer van 2018 te komen met een alternatief voor de gedifferentieerde beoordelingen in een andere vorm waarin ook excellentie tot uitdrukking komt.

Debat [06-02-2018] – Wetsvoorstel Accreditatie

Motie-Tielen

Met de NVAO en de studenten is reeds gesproken over een voorstel. De laatste gesprekken met VSNU en Vereniging Hogescholen ten behoeve van het voorstel zijn reeds ingepland. Voornemen is om het resultaat daarvan onder andere mee te nemen in de aanpassing van het accreditatiekader en hierover in september 2018, tijdens de voorhang van het accreditatiekader, te rapporteren.

De Tweede Kamer verzoekt de regering met de lerarenopleidingen in overleg te treden met als doel dat alle afgestudeerden hebben geleerd hoe zij kindermishandeling herkennen en hoe ze hiermee om moeten gaan.

Debat [13-03-2018] – VSO Monitor Sociale veiligheid in en rond scholen (29 240, nr. 76)

Motie-Westerveld

De motie wordt besproken met de Vereniging Hogescholen en de VSNU.

De Tweede Kamer verzoekt de regering er voor te zorgen dat het voor onderwijsinstellingen niet mogelijk is om meer instellingscollegegeld dan de bekostiging van de opleiding en het tarief ter hoogte van het wettelijk collegegeld te vragen.

Debat [15-03-2018] – VAO Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB)

Motie-Van Meenen/Westerveld

Voor deze motie is wetswijziging noodzakelijk. De eerste voorbereidende werkzaamheden zijn gestart.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Nuffic te vragen om, in overleg met de lerarenopleidingen, het delen van best practices tussen het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs te faciliteren.

Debat [19-04-2018] – VAO Nederlands – Engels in het hoger onderwijs

Motie-Özdil

Aan de motie wordt uitvoering gegeven. De Nuffic is geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering(overwegende, dat het voor de kwaliteit van het onderwijs van groot belang is dat besluiten inzake de voertaal in het hoger onderwijs zorgvuldig worden genomen; overwegende, dat het voor de publieke verantwoording van instellingen wenselijk is een helder overzicht te hebben van de overwegingen die voor instellingen een rol spelen) de inhoud en toepassing van de gedragscodes periodiek in beeld te brengen, conform de oorspronkelijke bedoeling van de wet.

Debat [19-04-2018] – VAO Nederlands – Engels in het hoger onderwijs

Motie-Bisschop/Beertema

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Internationalisering in evenwicht van 4 juni 2018. Hierin is aangegeven dat na herziening van art. 7.2 WHW de Inspectie gevraagd zal worden om periodiek (thematisch) te onderzoeken hoe instellingen omgaan met taalbeleid.

De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat de Algemene Rekenkamer vaststelt dat er onduidelijkheid bestaat over wat wordt verstaan onder «hoofdlijnen van de begroting en overwegende dat dit het goed uitoefenen van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting door de medezeggenschap in de weg staat) in overleg met de studentenbonden en de besturenorganisaties te komen tot voorstellen ter verbetering van deze definitie en dit zo nodig in de wet te verankeren.

Debat [30-05-2018] – Debat voorinvesteringen hoger onderwijs

Motie-Van Meenen/Tielen

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in het kader van de nieuwe kwaliteitsafspraken een plan op te stellen hoe de groep studenten die de dupe zijn geworden van de instellingen waar onvoldoende voorinvestering heeft plaatsgevonden, gecompenseerd kunnen worden en de kamer hier zo spoedig mogelijk over te informeren.

Debat [30-05-2018] – Debat voorinvesteringen hoger onderwijs

Motie-Van der Molen c.s.

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de gehanteerde definitie van de Algemene Rekenkamer te omarmen in een nader onderzoek naar alle onderwijsinstellingen, om vast te stellen in hoeverre de aan de studenten beloofde voorinvesteringen ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd.

Debat [30-05-2018] – Debat voorinvesteringen hoger onderwijs

Motie-Beertema

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer (spreekt uit dat een opleiding van 240 ECTS in dertien maanden geen recht doet aan zowel het stelsel van studiepunten als de complexiteit van het beroep van leraar) verzoekt de regering soortgelijke spoedcursussen naar het leraarschap te inventariseren en hierbij te bezien of die inhoud voldoende opleidt voor het leraarschap.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

Motie-Kwint/Westerveld

Aan de Inspectie van het onderwijs is, in het kader van haar eerstvolgende Jaarwerkplan, gevraagd een inventarisatie te maken van soortgelijke trajecten.

De Tweede Kamer verzoekt de regering vooraf door de NVAO te laten controleren of de kwaliteitsafspraken die op instellingsniveau zijn gemaakt meetbaar zijn én of deze bijdragen aan de kwaliteitsdoelen die de instellingen en hun partners zelf gesteld hebben, zodat tijdige aanpassingen mogelijk zijn.

Debat [28-06-2018] – VAO Sectorakkoorden hogescholen en universiteiten (AO d.d. 20/6)

Motie-Tielen

De NVAO gaat dit controleren tijdens de beoordeling van de planvorming. Deze vinden plaats tussen het najaar van 2018 en uiterlijk 1 april 2020.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met de instellingen, het profilerings-fonds in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) meer bekendheid te geven onder studenten die onvrijwillig studievertraging oplopen en ervoor te zorgen dat studenten ook lopende het studiejaar een beroep kunnen doen op dit fonds.

Debat [28-06-2018] – VAO Sectorakkoorden hogescholen en universiteiten (AO d.d. 20/6)

Motie-Tielen/Bruins

Eind september 2018 wordt de eerder toegezegde monitor profileringsfonds naar de Tweede Kamer verzonden. Bij het aanbieden van de monitor zal nader worden ingegaan op de uitvoering van deze motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de instellingen erop te wijzen dat mantelzorgende studenten onderdeel uitmaken van de Regeling Profileringsfonds; verzoekt de regering tevens om, ervoor zorg te dragen dat in het jaarverslag ook de mantelzorgende studenten worden meegenomen en daartoe in gesprek met de VH en VSNU te gaan voor rapportage van het profileringsfonds op basis van een standaardmodel, waarbij mantelzorgende studenten onder het onderdeel «studenten met overmacht» in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs moeten vallen.

Debat [28-06-2018] – VAO Sectorakkoorden hogescholen en universiteiten (AO d.d. 20/6)

Motie-Van der Molen

Eind september 2018 wordt de eerder toegezegde monitor profileringsfonds naar de Tweede Kamer verzonden. Bij het aanbieden van de monitor zal nader worden ingegaan op de uitvoering van deze motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de uitwerking van de Beleidsregel macrodoelmatigheid de CDHO voor nieuwe opleidingen zowel te laten kijken naar de taalkeuze als naar de naamgeving van de opleiding in relatie tot het arbeidsmarktperspectief, verzoekt de regering tevens om, te onderzoeken of de NVAO in het kader van de kwaliteitsbeoordeling ook een rol kan krijgen in de beoordeling van de taal van de opleidingsnaam van bestaande opleidingen.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Internationalisering

Motie-Westerveld

De motie bestaat uit twee delen.

1e: De Tweede Kamer wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

2e: Dit wordt geagendeerd in het eerstvolgende overleg met de NVAO (20 september 2018).

De Tweede Kamer verzoekt de Minister van OCW, samen met haar collega’s van EZ, BZK en SZW te verkennen op welke wijze een vervolgprogramma gericht op werving en binding van internationaal talent in gang gezet kan worden.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Internationalisering

Motie Özdil/Tielen

In het najaar van 2018 zal een eerste interdepartementaal overleg plaatsvinden.

De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met de VSNU te onderzoeken hoe samenwerking tussen de universiteiten bij de aanmelding en toelating van niet-Nederlandse studenten efficiënter en doelmatiger kan worden vormgegeven, en daarin de mogelijkheid van het creëren van één aanmeldloket voor alle niet-Nederlandse studenten in het hoger onderwijs mee te nemen, en de Kamer hier voor het einde van het jaar over te informeren.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Internationalisering

Motie Tielen

Eerste overleg heeft plaatsgevonden. Verder onderzoek en overleg vindt in het najaar van 2018 plaats.

DIRECTIE INTERNATIONAAL BELEID

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat gebrekkige erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties een van de drempels is voor grenswerkers; overwegende dat grensregio’s (provincies, gemeenten, euregio’s) in samenwerking met ITEM een roadmap aan het opstellen zijn voor kansrijke beroepen voor grensoverschrijdend werken) de uitkomsten van deze roadmap te delen met de Kamer, structureel overleg met de grensinfopunten, euregio’s, provincies, gemeenten, werkgevers, beroepsorganisaties en Duitse partners te organiseren en op korte termijn met concrete oplossingen te komen voor knelpunten in de erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties.

Debat (31-05-2018) – VAO Voortgang grensoverschrijdende samenwerking (AO d.d. 25/04/2018)

Motie-Van der Graaf c.s.

De regering zal de uitkomsten van het project waarnaar de motie verwijst te zijner tijd met de Tweede Kamer delen. De regering voert al regulier overleg met de relevante nationale partijen (provincies, euregio’s) en met buitenlandse autoriteiten en instanties. Het overleg met die buitenlandse partners vindt zowel plaats binnen de Benelux als in bilateraal verband, in het bijzonder met Noordrijn-Westfalen en Niedersachsen en relevante Duitse instanties op Bondsniveau. De complexiteit van de materie zelf alsook de betrokkenheid van vele partijen in Nederland én Duitsland (en in België en Luxemburg) maken dat een snelle en gedegen oplossing van de problematiek in ieder geval op korte termijn niet realistisch is. In het najaar 2018 vinden opnieuw consultaties met alle partijen plaats.

De Kamer wordt hierbij geïnformeerd over de verdere uitkomsten daarvan.

DIRECTIE KENNIS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Onderwijsraad te vragen te onderzoeken hoe we ons onderwijsbestel zo kunnen inrichten, dat gelijke kansen, opstroom, doorstroom en maatwerk weer de norm worden in het Nederlands onderwijsbestel.

Debat [29-10-2015] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Van Meenen c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met het advies De leerling centraal? dat de Onderwijsraad heeft uitgebracht in juli 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met de betrokken organisaties, de VO-raad en alle sectororganisaties in het vervolgonderwijs tot landelijke normen te komen waaraan loopbaanbegeleiding, studievoorlichting en studiekeuzeactiviteiten minimaal moeten voldoen, en de uitwerking hiervan voor het meireces van 2017 met de Kamer te delen.

Debat [02-11-2016] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Duisenberg c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Loopbaanoriëntatie en -begeleiding van 30 november 2017.

DIRECTIE MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering om: 1.in overleg te treden met de ambassade van Duitsland om te kijken hoe het belang van het beheersen van de Duitse taal in Nederland beter onder de aandacht kan worden gebracht;2.het «Mach mit!»-programma bij scholen onder de aandacht te brengen en op die manier studenten te enthousiasmeren voor het vak Duits.

Debat [10-04-2014] – VAO Macrodoelmatigheid en Kwalificatiedossiers (AO d.d. 12/03)

Motie-Straus c.s.

De Tweede Kamer zal naar verwachting in het najaar van 2018 worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering meer ambitie te tonen en zich maximaal in te spannen om de voorgenomen wetswijziging en de daaruit voortvloeiende oplossing in werking te laten treden per studiejaar 2016–2017.

Debat [09-06-2015] – Stemming over motie ingediend bij het VSO over de Nederlandse taaleis aan buitenlandse studenten bij Engelstalige mbo-opleidingen

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Internationalisering in evenwicht van 4 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Kamer jaarlijks te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de cross-overkwalificaties en jaarlijks te bezien of het in generiek beleid omgezet kan worden.

Debat [31-03-2016] – VSO ontwerpbesluit experiment cross-over kwalificaties

Motie-Lucas

De Tweede Kamer ontvangt eind 2018 een brief over de stand van zaken met betrekking tot cross-over kwalificaties.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de escalatieladder duidelijk op te nemen dat de Minister van OCW eindverantwoordelijke is voor het «gezamenlijke» interventieteam en voortaan bij overdracht van een casus van de inspectie aan de Minister van OCW ook de Tweede Kamer te informeren over de ontstane problemen en de stappen die het interventieteam gaat nemen.

Debat [31-03-2016] – VAO Governance in het mbo

Motie-Lucas

Aan de motie is uitvoering gegeven. Naar aanleiding van de motie-Lucas is de escalatieladder aangepast. In de escalatieladder is nu opgenomen dat de Minister eindverantwoordelijk is bij de hoogste trede van de escalatieladder en dat, voor zover nog niet eerder gebeurd, de bewindspersoon de Tweede

Kamer over de ontstane problemen en de stappen die het interventieteam gaat nemen zal informeren.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de macrodoelmatigheidscommissie als kader mee te geven dat bij gelijke kwaliteit van opleidingen kleine roc's hun opleiding kunnen blijven aanbieden.

Debat [17-05-2016] – Stemming punt 14 over aangehouden motie ingediend bij het VAO Governance in het mbo

Motie-Lucas

De Tweede Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling 2019 geïnformeerd over de uitvoering van de motie.

De Tweede Kamer, overwegende dat een bindend studieadvies grote gevolgen kan hebben voor de toekomst van jongeren; verzoekt de regering binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet de Kamer, in samenwerking met de JOB, te rapporteren over het aantal uitgebrachte negatieve bindend studieadviezen, het aantal klachten dat hierover is binnengekomen, en de manier waarop mbo-instellingen omgaan met het toelatingsrecht, het bindend studieadvies en de begeleiding in het eerste jaar.

Debat [07-09-2016] – Debat Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs ter invoering van een vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs (34 457)

Motie-Van Meenen

De Tweede Kamer wordt uiterlijk 1 augustus 2019 geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering samenwerking in praktijkgericht onderzoek tussen de verschillende sectoren binnen het beroepsonderwijs te bevorderen, te stimuleren dat practoraten in het mbo worden doorontwikkeld en van het practoraat een beschermde titel te maken.

Debat [28-09-2016] – re- en dupliek plenaire debat over het wetsvoorstel bescherming van namen en graden

Motie-Rog

Er is subsidie toegekend aan Stichting Ieder MBO een practoraat, om hiermee een verdere invulling te geven aan practoraten.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met de PO-, VO- en MBO-raad om de kennis die is opgedaan over deze negatieve schoolervaringen van laaggeletterden bij hen onder de aandacht te brengen, met het verzoek deze te betrekken bij het beleid dat zij op dit punt voeren en hierover in de eerstvolgende voortgangsrapportage laaggeletterdheid aan de Kamer te rapporteren.

Debat [15-12-2016] – VAO laaggeletterdheid

Motie-Straus

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Reactie op commissiebrief over voortgang actieprogramma Tel mee met Taal van 24 november 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met de VNG, begin 2017 inzichtelijk te maken op welke wijze gerealiseerd kan worden dat vóór 2022 minimaal een derde van de laaggeletterden is bereikt met taalcursussen zodat zij volwaardig kunnen deelnemen in onze maatschappij; verzoekt de regering voorts om de Tweede Kamer jaarlijks over de voortgang te informeren.

Debat [15-12-2016] – VAO laaggeletterdheid

Motie-Asante/Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie op kamerbrief over de voortgang actieprogramma tel mee met taal van 24 november 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering een voorstel te doen om verplichte lessen over lhbti-acceptatie op het mbo in te voeren.

Debat [06-04-2017] van V&J over discriminatie en racisme in Nederland

Motie-Van Dijk

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie op kamerbrief over gebrekkig onderwijs ten aanzien van sexting van 8 september 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de Minister om haar bevoegdheid volgend uit artikel 6.1.3, lid 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs zo spoedig mogelijk aan te wenden en een ministeriële regeling op te stellen waardoor instellingen een vergelijkbare en goed vindbare studiebijsluiter gaan hanteren bij hun voorlichting.

Debat [29-06-2017] – VAO VMBO/MBO Sterk beroepsonderwijs, praktijkleren en passende ondersteuning mbo-studenten

Motie-Wiersma c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de verzamelbrief moties en toezeggingen mbo die op 10 juli 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in het kader van de toegezegde uiteenzetting over de onderwijsovereenkomst in het mbo te onderzoeken in hoeverre de belangen van deelnemers en instellingen gediend zijn met het vervallen van het vereiste dat de overeenkomst schriftelijk moet worden aangegaan en als alternatief te kiezen voor een wettelijk model waaraan deelnemers basale waarborgen kunnen ontlenen.

Debat [29-06-2017] – VAO VMBO/MBO Sterk beroepsonderwijs, praktijkleren en passende ondersteuning mbo-studenten

Motie-Bisschop c.s.

Het onderzoek van het Nederlands Centrum voor Onderwijsrecht (NCOR) over nut en noodzaak van een onderwijsovereenkomst is in de zomer afgerond. In het onderzoek wordt de huidige schriftelijke onderwijsovereenkomst geanalyseerd vanuit het perspectief van de rechtspositie van de student en de administratieve lasten van instellingen, en worden denkbare alternatieven voor deze overeenkomst in beeld gebracht. Naar aanleiding van het rapport gaat de Minister in overleg met studenten, instellingen en hun vertegenwoordigers.

Naar verwachting wordt de Tweede Kamer eind 2018 nader geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering het onderzoek de opdracht te geven aanbevelingen te doen voor het versterken van de rechtspositie van studenten.

Debat [29-06-2017] – VAO VMBO/MBO Sterk beroepsonderwijs, praktijkleren en passende ondersteuning mbo-studenten

Motie- Özdil c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met de stand van zaken over de moties en toezeggingen van 4 december 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om voor zwangere studenten een formeel recht vast te leggen op zwangerschapsverlof en tevens de examencommissies opdracht te geven om in geval van studievertraging ten gevolge van een zwangerschap daarvoor een individueel examenprogramma vast te stellen waarmee de vertraging waar mogelijk kan worden voorkomen; verzoekt de regering tevens om in samenspraak met onder andere de onderwijsinstellingen en studentenvakbonden te bepalen dat zwangerschap en ouderschap meebrengen dat de student aanspraak kan maken op extra ondersteuning vanuit de opleiding en aanpassingen in het onderwijsprogramma, waaronder de stage en de examinering.

Debat [29-06-2017] – VAO VMBO/MBO Sterk beroepsonderwijs, praktijkleren en passende ondersteuning mbo-studenten

Motie-Kwint/Van den Hul

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie over de uitwerking maatregelen ten behoeve van studerende moeders van 22 december 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering een uitvoerig onderzoek te laten uitvoeren naar de redenen dat het aantal bbl-plekken, onder meer in de techniek, zo laag is, en hier in ieder geval een kosten-batenanalyse in op te nemen voor werkgevers en de bekostigingsprikkels van de overheid; verzoekt de regering voorts, dit onderzoek van een kabinetsreactie te voorzien en voor het kerstreces 2017 te versturen naar de Kamer.

Debat [29-06-2017] – VAO VMBO/MBO Sterk beroepsonderwijs, praktijkleren en passende ondersteuning mbo-studenten

Motie-Wiersma c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie op Kamervragen onderzoek naar daling instroom in de BBL van 14 februari 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de brede expertise in het terugdringen van laaggeletterdheid te activeren en in overleg te treden met relevante organisaties, zodat de samenwerking, het bereik en de kwaliteit van de alfabetiseringsactiviteiten toenemen.

Debat [21-11-2017] – Stemmingen over moties ingediend bij Cultuurbegroting

Motie-Rog/Bergkamp

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie op commissiebrief over voortgang actieprogramma Tel mee met Taal van 26 maart 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, in overleg met het mbo en de JOB de urennorm zodanig toe te passen dat er voldoende tijd is voor docenten om hun onderwijs en zichzelf te kunnen ontwikkelen zodat de kwaliteit van het onderwijs wordt gegarandeerd, en de Kamer hierover in het voorjaar te informeren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Van Meenen

Samen met de BVMBO, JOB en de MBO Raad is gewerkt aan de uitvoering van de motie. De Tweede Kamer is geïnformeerd met de brief Lerarentekort van 24 augustus 2018, kenmerk 1388284.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met studentenorganisaties en de MBO Raad een handreiking op te stellen voor de deelnemersraden en ondernemingsraden over hoe zij om kunnen gaan met de verschillende opties voor medezeggenschap bij samenwerkingscolleges.

Debat [18-01-2018] – Wetsvoorstel samenwerkingscollege en unieke beroepsopleidingen (34 691)

Motie-Westerveld/Özdil

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om te onderzoeken hoe publiek-private samenwerking in het mbo vergemakkelijkt kan worden.

Debat [18-01-2018] – Wetsvoorstel samenwerkingscollege en unieke beroepsopleidingen (34 691)

Motie-El Yassini/Van Meenen

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar 2018 voor het algemeen overleg over Leven lang Ontwikkelen een brief waarin wordt ingegaan op de uitwerking van de motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of het subsidieplafond voor zijinstromers in het mbo kan worden verhoogd zonder dat het ten koste gaat van de subsidie voor zijinstromers in het primair en voortgezet onderwijs.

Debat [23-01-2018] Stemmingen over de motie-Westerveld/Özdil over het subsidieplafond voor zijinstromers (31 524, nr. 345)

Motie-Westerveld c.s.

Er wordt onderzocht of het subsidieplafond kan worden verhoogd. De Minister van OCW zal de Tweede Kamer hierover later in 2018 informeren.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met enkele gemeenten en MBO's een proef vorm te geven om studenten na het behalen van een entreeopleiding of mbo niveau 2-opleiding nog twee jaar te laten begeleiden bij hun start op de arbeidsmarkt en hierover in de jaarlijkse brief over voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie voorjaar 2018 over te rapporteren.

Debat [23-01-2018] – Stemmingen na de regeling van werkzaamheden

Motie-Kwint/Özdil

De Tweede Kamer is met de Verzamelbrief toezeggingen mbo van 10 juli 2018 geïnformeerd over de uitvoering van de motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering proactief in samenwerking met gemeenten dit knelpunt (de verschillen in de indeling van de RMC- en arbeidsmarktregio’s) op te lossen en de regio’s zodanig op elkaar af te stemmen dat gemeenten een integraal beleid kunnen voeren.

Debat [15-03-2018] – Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs, wetsvoorstel Voortijdig School Verlaten

Motie-El Yassini c.s.

De Tweede Kamer zal eind 2018 hierover worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de uitwerking van flexibilisering van het mbo-onderwijs voor volwassenen en de toekomst van de aanpak van laaggeletterdheid nadrukkelijk mee te wegen hoe, in aansluiting op alfabetiseringscursussen, de deelname van laaggeletterden aan beroeps-gerichte scholing kan worden bevorderd.

Debat [28-03-2018] – VAO Leven Lang Leren

Motie-Van den Hul

De Tweede Kamer ontvangt de Visie op Toekomst Laaggeletterdheid in het eerste kwartaal van 2019.

De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende dat het in het kader van een leven lang leren belangrijk is om zijinstromers beter te faciliteren en dat er vooral in de zorg en in het onderwijs dringend behoefte is aan zijinstromers; tevens overwegende dat steeds meer organisaties in samenwerking met roc's opleidingstrajecten op maat aanbieden, maar bij de uitvoering, financiering en werving onder zijinstromers aanlopen tegen wettelijke bepalingen die voorschrijven dat een mbo-opleiding altijd drie jaren zou moeten duren, terwijl voor zijinstromers vanwege hun expertise en ervaring een kortere opleiding veelal voldoende is en deze lange studieduur ook vaak zijinstromers afschrikt; voorts overwegende dat het kabinet voornemens is te komen tot flexibilisering in het mbo): 1. voor specifieke doelgroepen die al relevante expertise en werkervaring bezitten, artikel 7.2.4a, lid C en lid D van de Wet op educatie en beroepsonderwijs, voor zover nodig, dusdanig aan te passen dat respectievelijk vakopleidingen korter dan twee studiejaren (lid C) en middenkaderopleidingen korter dan drie studiejaren (lid D) mogelijk worden gemaakt; 2. de Kamer hierover te informeren voor het komende zomerreces.

Debat [03-04-2018] – Stemmingen moties ingediend VAO Leraren

Motie-Van der Molen c.s.

De Tweede Kamer wordt over de uitvoering van de motie eind september 2018 geïnformeerd met de brief over Leven Lang Ontwikkelen.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met Duitsland en België te onderzoeken welke praktische belemmeringen er nu zijn voor mensen met een mbo-diploma en mbo-studenten en hoe deze weggenomen zouden kunnen worden, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren.

Debat [31-05-2018] – VAO Voortgang grensoverschrijdende samenwerking (AO d.d. 25/04)

Motie-Özütok/Van der Graaf

OCW neemt deel aan de werkgroep van de Benelux inclusief NRW over diploma erkenning. In deze werkgroep wordt door de deelnemende landen onder andere uitleg gegeven over het systeem van diploma erkenning in het eigen land en worden de belemmeringen geïnventariseerd en naar oplossingen hiervoor gezocht.

De Tweede Kamer verzoekt de regering het behalen van een startkwalificatie voor iedere jongere voorop te stellen en uit te werken hoe werkgevers hieraan invulling kunnen geven, zodat het alsnog behalen van een startkwalificatie gedurende het dienstverband wordt bevorderd.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Laaggeletterdheid

Motie Wiersma c.s.

De Tweede Kamer ontvangt vóór de begrotingsbehandeling van OCW over 2019 een brief over de uitvoering van de motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering alle aanbevelingen van de Rekenkamer mee te nemen bij het invullen van die vervolgaanpak; verzoekt de regering tevens om, bij de vervolgaanpak uit te werken hoe de opbrengsten van leertrajecten in beeld gebracht kunnen worden om zo beter duidelijk te maken wat het effect van het beleid van laaggeletterdheid is.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Laaggeletterdheid

Motie-Wiersma

De Tweede Kamer wordt hierover in het voorjaar van 2019 geïnformeerd via de vervolgaanpak.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de vervolgaanpak die in het voorjaar van 2019 naar de Kamer komt een analyse mee te nemen van de groep «laaggeletterden met Nederlands als moedertaal» en hoe deze groep het beste bereikt kan worden met effectieve programma’s; verzoekt de regering tevens om, in deze vervolgaanpak nadruk te geven aan programma’s waar met name de groep met Nederlands als moedertaal profijt van heeft.

Debat [05-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Laaggeletterdheid

Motie-Kuik

De Tweede Kamer wordt hierover in het voorjaar van 2019 geïnformeerd via de vervolgaanpak.

DIRECTIE MEDIA EN CREATIEVE INDUSTRIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering alle salarissen bij de publieke omroep zo snel mogelijk onder de premiernorm te brengen.

Debat [25-06-2013] – Mediawet (33 426) «Wijziging Mediawet 2008 ivm de verspreiding van televisie- en radio programmakanalen dmv omroepnetwerken en omroepzenders en de vaststelling van de minimale omvang van het standaardpakket televisie- en radioprogrammakanalen

Motie-Van Dijk

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer inzake Goedkeuring herziening Beloningskader Presentatoren in de Publieke Omroep 2017 van 12 oktober 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de tweede fase van wetgeving binnen de concessie van de RPO de verankering van de regionale omroep te borgen door de instelling van beleidscommissies media-aanbod die verbonden zijn aan de regionale redacties en die maximaal plaatsvindt op de schaal van provincies; verzoekt de regering voorts de programmakanalen van de regionale omroepen, inclusief de daarmee samenhangende must-carryverplichting en het recht op etherfrequenties, wettelijk te blijven garanderen.

Debat [08-10-2015] – Mediawet

Motie- Heerma/Segers

De Tweede Kamer is op 2 september 2016 geïnformeerd over de stand van zaken wetsvoorstel modernisering regionale publieke omroep. In deze brief geeft de voormalig Staatssecretaris aan dat het voorliggende wetsvoorstel nu nog niet aan de Kamer wordt voorgelegd. Er is geen voornemen om het wetsvoorstel alsnog in te dienen.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de uitwerking van de toekomst van de regionale omroepen inhoudelijk en financieel recht te doen aan de bijzondere positie van Omrop Fryslân en hierover met de provincie Friesland afspraken te maken.

Debat [08-10-2015] – Mediawet

Motie- Heerma/Segers

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Bestuursafspraken Fries in de Media van 16 december 2016 volgens plaatsing in de Staatscourant, nr. 68855.

De Tweede Kamer, overwegende dat de huidige Archiefwet met onder meer een overbrengingstermijn van twintig jaar niet meer aansluit bij de huidige ontwikkelingen, verzoekt de regering nog dit kalenderjaar uitvoering te geven aan de aanbevelingen van het rapport van de Erfgoedinspectie over de zaak Cees H.; – verzoekt de regering tevens, de huidige Archiefwet aan te passen aan de digitale ontwikkelingen en eisen van transparantie door onder meer de huidige overbrengingstermijnen van overheidsinformatie sterk terug te brengen.

Debat [8 juni 2016] Debat over de Teevendeal (Veiligheid en Justitie)

Motie-Segers c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Aanpassen Archiefwet (Modernisering Archiefwet 1995) en reactie om motie-Segers (34 362, nr. 21) van 11 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de procedure voor het benoemen, herbenoemen en ontslaan van leden van het Commissariaat voor de Media zodanig in te richten dat volstrekte onafhankelijkheid van politieke bemoeienis gewaarborgd is; verzoekt de regering tevens bij de constructie van andere toezichthouders te bezien hoe geleerd kan worden van de procedure voor benoeming, herbenoeming en ontslag van leden van de Autoriteit Persoonsgegevens.

Debat [12-09-2017] – Stemmingen Mediadebatten (moties en amendementen)

Motie-Paternotte/Van der Molen

De Variawet waarin dit wordt geregeld, ligt voor advisering voor aan de Raad van State. In het najaar van 2018 wordt naar verwachting het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, zich in te spannen voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten en om bij de aangekondigde midterm review over de positie van bibliotheken een plan voor te leggen om de ambitie «iedereen heeft toegang tot de bibliotheek» nader vorm te geven.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

Motie-Asscher c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Midterm Review van 22 december 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om, in samenwerking met partijen uit het mediaveld, te pogen om het cross-checkinitiatief uit Frankrijk ook navolging te laten krijgen in Nederland.

Debat [27-11-2017] – Mediabegroting

Motie-Kuzu/Öztürk

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Onderzoek naar de toekomst van onafhankelijke journalistiek in Nederland van 22 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met een coalitie van Mediawijzer, bibliotheken, buurtnetwerken, zorgcentra en gemeenten over goede methoden die mediawijsheid onder senioren vergroten en de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de uitkomsten van deze gesprekken.

Debat [27-11-2017] – Mediabegroting

Motie-Westerveld/Van den Hul

In 2018 wordt de aanpak van mediawijsheid geëvalueerd. «Mediawijzer.net» is gevraagd om per 1 oktober een plan van aanpak in te dienen. De Minister zal vervolgens in de maand november 2018 een reactie op de motie geven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende dat een openbare bibliotheekvoorziening als gevolg van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen dient bij te dragen aan de persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek) bij het verder vormgeven van het levenlanglerenbeleid in Caribisch Nederland te bezien op welke wijze bibliotheken hierbij een prominente rol kunnen vervullen.

Debat [28-03-2018] – VAO Leven Lang Leren

Motie-Diertens

De Tweede Kamer zal naar verwacht in maart 2019 worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer spreekt uit dat de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid onverkort gelden voor eenieder die in Nederland werkt voor media die uit publieke of private middelen gefinancierd worden.

Debat [26-06-2018] – Motie ingediend bij het dertigledendebat over de aanval op de vrijheid van meningsuiting en de vrije pers

Motie-Van der Molen/Yeşilgöz-Zegerius

De motie is ter kennisneming aangenomen.

DIRECTIE ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering om experimenten met innovatieve vormen van ex ante-onderzoeksbeoordeling te stimuleren en te entameren, bijvoorbeeld door de NWO een opdracht te geven om een dergelijk experiment uit te voeren in 2017.

Debat [23-06-2016] – VAO Wetenschapsbeleid (AO was op 20/4)

Motie-Bruins

Op 4 april 2017 heeft de bijeenkomst van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) over aanvraagdruk en beoordelingsprocedure plaatsgevonden. Dit was de nationale bijeenkomst. Eind juni 2017 zal een zelfde bijeenkomst plaatsvinden, maar dan in een internationale setting. Na de zomer van 2017 zal de NWO met een rapport/advies komen inzake de aanvraagdruk naar aanleiding van de uitkomsten van beide bijeenkomsten.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te komen met een plan van aanpak om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek beter toegankelijk te maken voor het mkb, en de Kamer daar uiterlijk in het najaar van 2017 over te informeren.

Debat [02-02-2017] – VAO HO prestatieafspraken/ voortgang SA en monitoring studievoorschot + AO Wetenschap

Motie-Rog

De motie is overgenomen. Daarbij is toegezegd dat er een gesprek komt met MKB-Nederland en dat er in plaats van een apart plan van aanpak in een volgende Voortgangsrapportage over de wetenschapsvisie op de uitvoering van de motie wordt ingegaan. Het gesprek met MKB-Nederland heeft plaatsgevonden.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om vast te houden aan de brede opvatting van valorisatie; verzoekt de regering tevens om te monitoren hoe valorisatie wordt uitgelegd bij het toekennen van NWO-subsidies, en de Kamer daarover jaarlijks te informeren.

Debat [02-02-2017] – VAO HO prestatieafspraken/ voortgang SA en monitoring studievoorschot + AO Wetenschap

Motie-Vos

De motie is overgenomen. Daarbij is toegezegd dat aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt verzocht om in het jaarverslag in te gaan op hoe valorisatie wordt uitgelegd bij het toekennen van subsidies. Dit verzoek is inmiddels gedaan. Tevens is toegezegd dat hier in een volgende Voortgangsrapportage over de wetenschapsvisie op in wordt gegaan.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om een nadere beschouwing en advies te vragen aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap in Nederland een rol spelen, en met aanbevelingen te komen hoe te allen tijde het vrije woord binnen de wetenschappelijke waarheidsvinding de ruimte zou moeten krijgen.

Debat [02-02-2017] – VAO HO prestatieafspraken/ voortgang SA en monitoring studievoorschot + AO Wetenschap

Motie-Straus/Duisenberg

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Reactie op briefadvies KNAW – Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland van 30 maart 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of en in hoeverre banden tussen publiek gefinancierde wetenschap en bedrijfsleven ertoe leiden dat bedrijven minder prikkels hebben om zelf te investeren in research & development.

Debat [07-09-2017] – Plenair debat met M.EZ over de banden tussen de fossiele industrie en universiteiten

Motie-Paternotte c.s.

Onderzoek voor uitvoering van de motie wordt uitgevoerd door de KNAW. Resultaten van het onderzoek worden benut in een geactualiseerde visie op Wetenschapsbeleid die de Minister van OCW in het najaar 2018 uitbrengt.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, de extra middelen voor fundamenteel onderzoek te besteden aan excellent onderzoek, daarbij prioriteit te leggen bij de bèta- en technische wetenschappen en de besteding zo vorm te geven dat tegemoet wordt gekomen aan het probleem van matchingsdruk in de eerste geldstroom, bijvoorbeeld via sectorplannen.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Bruins/Van der Molen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Uitwerking investeringen wetenschap en onderzoek van 9 maart 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenspraak met onderzoekers en kennisinstellingen te bezien of alle individuele dierproeven en de resultaten daarvan kunnen worden geregistreerd en achteraf openbaar gemaakt, om zo onnodige duplicatie van dierproeven tegen te gaan.

Debat [28-06-2018] – VAO Dierproeven

Motie-De Groot c.s.

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat de afbouw van het aantal proeven met apen zorgvuldig gebeurt en niet mag leiden tot het in gevaar komen van de bestrijding van levensbedreigende ziekten en infectieziekten die de volksgezondheid in gevaar brengen.

Debat [03-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Dierproeven

Motie-Tielen

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering alleen proefdieren van Amsterdam en Rotterdam naar Rijswijk te verhuizen indien er sprake is van een breed gedragen plan van de betrokken organisaties met de ministeries van LNV en OCW, waarin rekening gehouden wordt met dierenwelzijn en het in stand houden van medisch en wetenschappelijk onderzoek.

Debat [03-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Dierproeven

Motie-Tielen

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering op korte termijn afspraken te maken met de grootste gebruikers van deze proefdieren om een afname van het aantal «in voorraad» gedode dieren te realiseren.

Debat [03-07-2018] – Moties ingediend bij het VAO Dierproeven

Motie-Von Martels/De Groot

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

DIRECTIE PRIMAIR ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de effecten op de beheersing van de Nederlandse taal op scholen waar gedeeltelijk les in een vreemde taal gegeven wordt, nadrukkelijk te monitoren en de Kamer over de uitkomsten in 2018 te informeren.

Debat [24-03-2015] – Wetsvoorstel Onderwijs in Engelse/Duitse/Franse taal

Motie-Rog

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Reactie op onderzoeksrapport die op 20 december 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de mogelijkheid die de Wet op de expertisecentra nu reeds biedt om af te wijken van de voorgeschreven onderwijstijd ook door te voeren voor leerlingen in het regulier onderwijs en hiervoor een wetsvoorstel voor te bereiden; de bepalingen met betrekking tot bekostiging te versoepelen voor die gevallen waarin de school en het samenwerkingsverband niet zelf in een passend onderwijsaanbod kunnen voorzien, met als voorwaarde dat er geen extra ouderbijdrage voor gevraagd wordt die de toegankelijkheid belemmert.

Debat [29-10-2015] – Begrotingsbehandeling OCW 2e termijn

Motie-Ypma c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de kabinetsreactie inzake motie Vermue en Van Dijk over limiet vrijwillige ouderbijdrage in po en vo die op 7 maart 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de vervolgstappen met betrekking tot de curriculumontwikkeling die verband houden met kleuters, specifieke aandacht te geven aan hun ontwikkelingsfase, bijvoorbeeld door de Werk-/Steungroep Kleuteronderwijs (WSK) daarbij te betrekken.

Debat [09-03-2016] – Hoofdlijnendebat over het advies van het platform Onderwijs 2032

Motie-Rog c.s.

Aan de motie wordt invulling gegeven met een brief die in het voorjaar 2019 zal worden gestuurd naar de Tweede Kamer.

De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de herziening van de kerndoelen recht te doen aan de bijzondere status van het Nederlands als eigen taal, basisscholen vrijheid te laten behouden wanneer zij beginnen met onderwijs in het Engels met inachtneming van een nader te bepalen eindniveau – en meer oog te hebben voor de beheersing van grenstalen; verzoekt de regering tevens onderzoek te laten doen naar manieren om Engels en grenstalen te leren op een manier die bijdraagt aan het versterken van het Nederlands, vooral ook bij leerlingen met een taalontwikkelingsachterstand, en het Ontwerpteam 2032 te verzoeken dit onderzoek te vertalen naar wijzen waarop ook leerlingen met een taalontwikkelingsachterstand in staat gesteld worden het eindniveau voor Nederlands, Engels en de grenstalen te realiseren.

Debat [09-03-2016] – Hoofdlijnendebat over het advies van het platform Onderwijs 2032

Motie-Bisschop c.s.

De resultaten van de ontwikkelfase worden naar verwachting begin 2019 aan de Tweede Kamer verzonden.

De Tweede Kamer (constaterende dat het basisonderwijs tot op heden geen onderdeel is van de rekenagenda en een doorlopende leerlijn zo onvoldoende tot stand kan komen;) verzoekt de regering met de po-raad afspraken te maken hoe zij als ketenpartner gaan aansluiten bij de rekenagenda, en de Tweede Kamer daarover voor 1 april 2017 te informeren.

Debat [08-12-2016] – VAO Stand van zaken rekenen in vo en mbo (AO d.d. 17/11)

Motie-Straus

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer beleidsreactie op de Staat van het Onderwijs 2016–2017 van 11 april 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, met Operatie Regels Ruimen 2.0 te komen, waarmee veel meer scholen en samenwerkingsverbanden kunnen leren van goede voorbeelden van hoe de werkdruk voor docenten kan worden verminderd, en hierbij expliciet aandacht te besteden aan de impact van passend onderwijs.

Debat [10-05-2017] – Werkdruk in het basisonderwijs

Motie-Becker

Aan de motie is uitvoering gegeven met de subsidieregeling werkdrukvermindering in het po gepubliceerd 2 januari 2018 in de Staatscourant 2018, nr. 77. Dit is het vervolg op Operatie Regels Ruimen. De binnengekomen aanvragen zijn gehonoreerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering ervoor te zorgen dat er onafhankelijk toezicht komt bij ieder samenwerkingsverband, zodat het belang van de leerling in het passend onderwijs overal centraal komt te staan.

Debat [27-06-2017] Stemmingen punt 7 over moties ingediend bij het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2016 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2015 en het Onderwijsverslag 2015–2016

Motie-Becker c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te komen met een uitgewerkt plan in samenwerking met onderwijsassistenten, scholen en lerarenopleidingen om de doorstroom van onderwijsassistenten te stimuleren en te vergemakkelijken en daarin voorstellen te doen die rekening houden met de problematiek rondom inkomstenderving en hoge kosten voor het collegegeld.

Debat [29-06-2017] – Plenair debat Lerarentekort in het Basisonderwijs

Motie-Kwint

De Tweede Kamer is geïnformeerd met de brief Lerarentekort van 24 augustus 2018, kenmerk 1388284.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, er bij de sociale partners op aan te dringen dat de afspraken over de functiemix in het basisonderwijs, waarbij veel meer leraren zouden doorgroeien naar een hogere salarisschaal, worden nagekomen.

Debat [29-06-2017] – Plenair debat Lerarentekort in het Basisonderwijs

Motie-Rog/Bruins

Aan de motie is uitvoering gegeven met Kamerbrief over functiemix – realisatiecijfers 1 oktober 2017 die op 4 april 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering zo snel mogelijk en onafhankelijk van besluitvorming over de gewichtenregeling te komen tot een nieuwe beoordelingssystematiek van leerresultaten die meer recht doet aan de situatie waarmee scholen geconfronteerd worden.

Debat [06-07-2017] – VAO Voortgangsrapportage passend onderwijs (AO d.d. 5/7)

Motie-Bisschop/Bruins

De Tweede Kamer is op 11 april geïnformeerd over de pilot. In het najaar van 2018 zal de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de Tweede Kamer namens de Inspectie van het Onderwijs nader informeren over de pilot.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met betrokkenen een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheid en wenselijkheid om op verantwoorde wijze kinderen met een ernstig meervoudige beperking apart te bekostigen, en de Kamer zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor de begrotingsbehandeling, over de uitkomsten hiervan te informeren.

Debat [06-07-2017] – VAO Voortgangsrapportage passend onderwijs (AO d.d. 5/7)

Motie-Van Meenen/Bruins

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de effecten van de regionale verschillen in basisondersteuning voor leerlingen, ouders, leraren en scholen in kaart te brengen en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk bij de voortgangsrapportage in het voorjaar, te informeren.

Debat [06-07-2017] – VAO Voortgangsrapportage passend onderwijs (AO d.d. 5/7)

Motie-Van Meenen/Rog

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat het onafhankelijke toezicht op de samenwerkingsverbanden niet gepaard gaat met extra geld voor overhead en dus geen extra middelen onttrokken worden aan de ondersteuning of zorg aan leerlingen.

Debat [06-07-2017] – VAO Voortgangsrapportage passend onderwijs (AO d.d. 5/7)

Motie-Rog

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om jaarlijks een stand van zaken te geven over de implementatie van de wet over het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer; verzoekt de regering tevens om hierbij de bescherming van persoonsgegevens van alle onderwijsdeelnemers, de ontwikkelingen die op dit vlak hebben plaatsgevonden en hoe de regering hierop inspeelt te betrekken.

Debat [04-10-2017] – Wetsvoorstel pseudonimisering (34 741)

Motie-Westerveld

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2018 over de uitvoering van de motie geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering een dergelijk convenant (zoals het convenant tussen de sectororganisaties en uitgeverijen het Convenant Digitale onderwijsmiddelen en privacy 2.0 hebben afgesloten) ook af te sluiten tussen de VNG en sectororganisaties in het onderwijs, zodat gemeenten via een standaard zo snel mogelijk het anonimiseren en beveiligen van leerlinggegevens op orde hebben, en de Kamer hierover binnen een half jaar te informeren.

Debat [04-10-2017] – Wetsvoorstel pseudonimisering (34 741)

Motie-Becker

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 13 juli 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om met scholen het overleg te voeren met als doel de medezeggenschap in het primair en voortgezet onderwijs te versterken door meer personele ondersteuning, vergoedingen en scholing met de nadruk op financiën en de Kamer hierover te informeren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Westerveld

De Tweede Kamer zal in het najaar van 2018 over de motie worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, in de beleidsreactie op de evaluatie van de eindtoets in te gaan op de wijze waarop de eindtoets recht kan gaan doen aan alle vaardigheden van de Wet referentieniveaus, op een veelzijdiger wijze dan enkel meerkeuzevragen.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Bisschop

De Tweede Kamer zal in het voorjaar 2019 worden geïnformeerd over deze motie.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te verkennen of de vergelijkbaarheid van eindtoetsen op termijn kan worden geborgd door duidelijker kaders te stellen voor evenwichtige inhoud en opbouw van eindtoetsen op basis van de referentieniveaus.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Bisschop/Rog

De regeling Toetsbesluit PO wordt momenteel hierop (verplichting tot opnemen van gezamenlijke set aan ankeropgaven) aangepast. De wijziging van dit Toetsbesluit zal naar verwachting met ingang van 1 augustus 2019 van kracht worden. Dit conform wat is aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer Resultaten eindtoets schooljaar 2016–2017 van 24 november 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de aantrekkelijkheid van een voltijdaanstelling of een grotere deeltijdaanstelling te bevorderen en het schrappen van onderwijsregels die dit lastig of onmogelijk maken, te stimuleren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Bruins c.s.

De Tweede Kamer zal in het najaar van 2018 over de uitvoering van de motie worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de voorlichting over het zijinstromen te verbeteren door bijvoorbeeld een pakkende campagne en gratis persoonlijk advies te geven over de mogelijkheden van potentiele zijinstromers.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Westerveld/Van den Hul

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Tussenrapportage aanpak Lerarentekort van 24 augustus 2018, kenmerk 1388284.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, de obstakels in wet- en regelgeving voor het opzetten van aangepaste klassen voor kinderen met een ernstige beperking binnen een gewone basisschool zoveel mogelijk weg te nemen en de Kamer hierover te informeren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Westerveld c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met Kennisnet, SIVON, PO-Raad en VO-raad om te zien hoe zij sneller kunnen komen tot samenwerking, zodat zo snel mogelijk sectorbreed kan worden geprofiteerd van integrale besparingen in de inkoop van ICT-producten en diensten.

Debat [13-02-2018] – VAO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering (AO 31-01-2018)

Motie-Bruins/Van Meenen

Er worden constructieve gesprekken gevoerd met deze partijen. De Tweede Kamer wordt in het najaar 2018 geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering met leraren en scholen in gesprek te gaan over hoe digitalisering kan helpen om de werkdruk te verminderen en hen te helpen met concrete plannen.

Debat [13-02-2018] – VAO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering (AO 31-01-2018)

Motie-Westerveld

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Verzamelbrief moties en toezeggingen in het primair en voortgezet onderwijs die op 13 juli 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer (constaterende dat scholen in Groningen en Drenthe, die in 2006 via een rijksinvestering zijn aangesloten op het glasvezelnetwerk, hier geen gebruik van maken omdat de abonnementskosten bij Ziggo te duur zijn voor de scholen; van mening dat een snelle veilige internetverbinding een basisbehoefte is voor basisscholen) verzoekt de regering samenwerking tussen de betreffende scholen te faciliteren en ondersteuning te bieden bij de gezamenlijke prijsonderhandelingen over de abonnementskosten bij de leverancier.

Debat [13-02-2018] – VAO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering (AO 31-01-2018)

Motie-Van Meenen

Met de sectorraden is overeenstemming bereikt in het kader van de herijking van de sectorakkoorden over de steun voor Sivon. De uitwerking vindt momenteel plaats.

De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat de bewindspersonen hebben aangekondigd de lerarenbeurs te gaan evalueren; overwegende dat de middelen die beschikbaar zijn voor de lerarenbeurs in de afgelopen jaren regelmatig onderbenut bleven; voorts overwegende dat thans alleen bachelor- en masteropleidingen in aanmerking komen voor gebruik van de lerarenbeurs)bij de evaluatie nadrukkelijk te overwegen om ook geaccrediteerde post-hbo-opleidingen voor vergoeding in aanmerking te laten komen en de Kamer over de uitkomst van die overweging bij de evaluatie te informeren.

Debat [29-03-2018] – VAO Leraren

Motie-Rog

De Tweede Kamer zal over de uitkomst van de evaluatie in oktober 2019 worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de goede voorbeelden van gemeenten om segregatie in het onderwijs te voorkomen te inventariseren en de uitkomsten te gebruiken om ervoor te zorgen dat andere gemeenten, scholen en kinderopvangorganisaties beter weten wat ze moeten doen om segregatie aan te pakken.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

Motie-Westerveld

Over deze motie wordt de Tweede Kamer in het voorjaar van 2019 geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, de toegangssystematiek, de bekostigingssystematiek en de onderwijstrajecten binnen het passend onderwijs meer landelijk te harmoniseren dan nu het geval is om de excessen die zich nu regelmatig voordoen, te voorkomen.

Debat [02-07-2018] – Passend onderwijs

Motie-Beertema

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, het schoolondersteuningsprofiel niet langer verplicht te stellen voor scholen, maar de extra ondersteuningsmogelijk-heden te laten beschrijven in de schoolgids.

Debat [02-07-2018] – Passend onderwijs

Motie-Van Meenen

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering en in het bijzonder de Minister van OCW en de Minister van VWS, in samenwerking met het veld, de positie van het onderwijspersoneel en de verantwoordelijkheden van de school bij medisch handelen te verduidelijken zodat samenwerkingsverbanden het juist kunnen opnemen in de basisvoorziening.

Debat [02-07-2018] – Passend onderwijs

Motie-Van Meenen

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te treden met de samenwerkingsverbanden die het schoolmodel hanteren en slecht samenwerken en een plan op stellen om in de regio samenwerking te bevorderen zodat leerlingen ondersteuning op maat krijgen.

Debat [05-07-2018] – Stemmingen over moties ingediend bij het notaoverleg over passend onderwijs

Motie-Van Meenen

Deze motie is in uitvoering. In juni 2019 zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.

DIRECTIE VOORTGEZET ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer verzoekt de regering niet te aarzelen om scholen, die consequent weigeren aandacht te besteden aan seksuele diversiteit, een financiële sanctie op te leggen dan wel bestuurlijk in te grijpen.

Geen OCW debat. Debat van Veiligheid & Justitie over discriminatie en racisme in Nederland

Motie-Van Dijk

De motie is meegenomen in de antwoord Brief aan de Tweede Kamer over dat seksuele voorlichting op scholen niet voldoet, die op 8 september 2017 is verzonden.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de Onderwijsinspectie een uitdrukkelijke rol te geven bij de beoordeling van de validiteit van de centrale examens en dit aspect voortaan ook aan bod te laten komen in het Onderwijsverslag.

Debat [03-07-2014] – VAO Ontwikkelingen in het onderwijstoezicht

Motie-Jadnanansing

Aan de motie is uitvoering gegeven met een brief aan de Tweede Kamer met d de resultaten van het onderzoek naar de inhoudsvaliditeit van een aantal examens van 6 september 2017.

De Tweede Kamer verzoekt de regering bij toekomstige onderhandelingen over de sectorakkoorden in het onderwijs ook de vertegenwoordigers van schoolleiders en leraren te betrekken.

Debat [10-06-2015] – VAO Financiën funderend onderwijs

Motie-Rog

De uitvoering van de motie wordt meegenomen als er een nieuw sectorakkoord komt. Het is nog niet bekend wanneer er een nieuw sectorakkoord zal worden gesloten.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de voorlopige opbrengst van de pilot regelluwe scholen en een zwartboek over regels die afgeschaft kunnen worden, breder te delen binnen het onderwijs, zodat meer scholen hier hun voordeel mee kunnen doen met betrekking tot de vermindering van werk- en regeldruk; verzoekt de regering voorts om, na de voortgangsrapportage in overweging te nemen om de pilot uit te breiden naar (niet-excellente) scholen die op dit moment nog niet aan de pilot deelnemen, mits zij in ieder geval aan bepaalde kwaliteitsnormen voldoen.

Debat [15-03-2016] – VAO Werkdruk in het Basisonderwijs

Motie-Ypma

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief voortgangsrapportage regelluwe scholen die op 23 januari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten (Wajong) een voorziening te treffen waarbij ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, die op een cluster-3-onderwijs-instelling ingeschreven staan, aanspraak op een Wajong-uitkering kunnen maken.

Debat [12-04-2016] – VAO Passend Onderwijs

Motie-Siderius

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Kabinetsreactie beleidsdoorlichting Wajong van 10 juli 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om naar de onderwijsinstellingen te communiceren dat het afronden van een vak op een hoger niveau geen vereiste kan zijn in het toelatingsbeleid.

Debat [01-06-2016] – VAO Flexibilisering vo / maatwerkdiploma's / effectieve leerwegen (AO 28/4)

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer constaterende dat de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten Nederland (VSNU) en de Vereniging Hogescholen (VH) een experiment willen starten om de toelaatbaarheid van scholieren met een onvolledig diploma te onderzoeken; verzoekt de regering, te inventariseren of de MBO Raad mee wil doen aan een vergelijkbaar experiment waar het de opleidingen binnen het mbo betreft.

Debat [01-06-2016] – VAO Flexibilisering vo / maatwerkdiploma's / effectieve leerwegen (AO 28/4)

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om het gewicht van het vak maatschappijleer bij het examen te versterken.

Debat [23-06-2016] – VAO Examens

Motie-Rog

De Tweede Kamer wordt met de Beleidsreactie curriculum.nu – in voorjaar 2019 geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat alleen gemotiveerd door Cito en het CvTE kan worden afgeweken van de door vakorganisaties van docenten en LAKS aangedragen aanpassingen aan het antwoordmodel.

Debat [23-06-2016] – VAO Examens

Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Toetsing en examinering in het voortgezet onderwijs 2017, die op 20 december 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de vertegenwoordiger van de beroepsgroep (de Onderwijscoöperatie) als kader mee te geven dat de regelgeving rondom het lerarenregister zo wordt ingericht dat geen hindernissen ontstaan voor het werven van zij-instromers, praktijk- en ervaringsdeskundigen en vakmensen, met name in het mbo.

Debat [05-10-2016] – Wetsvoorstel Lerarenregister

Motie-Bruins

De wet- en regelgeving is inmiddels zo ingericht dat deze geen belemmering oplevert voor het werven van zij-instromers, praktijk- en ervaringsdeskundigen en vakmensen. In 2018 besluit de Deelnemersvergadering over het voorstel voor de herregistratiecriteria.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de Onderwijscoöperatie te stimuleren om de vereniging op termijn zo in te richten dat individuele leraren lid kunnen worden van de vereniging, het bestuur door hen gekozen wordt en zij zo direct inspraak krijgen op het beleid van de Onderwijscoöperatie.

Debat [05-10-2016] – Wetsvoorstel Lerarenregister

Motie-Straus c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met een wijziging van de statuten door de Onderwijscoöperatie op 26 januari 2017 om de directe zeggenschap van leraren mogelijk te maken. De beslissingen over de professionele keten, inclusief het lerarenregister, zijn belegd bij de zogeheten Deelnemersvergadering. Alle registreerde leraren hebben zeggenschap in deze Deelnemersvergadering. De directe inspraak is daarmee gerealiseerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met de beroepsgroep ook voor instructeurs en technisch onderwijsassistenten in het po en vo een kwalificatiedossier te ontwikkelen en te onderzoeken hoe zij, indien zij aan de kwalificatie-eisen voldoen, in een aparte kamer in het register kunnen worden opgenomen.

Debat [05-10-2016] – Wetsvoorstel Lerarenregister

Motie-Ypma

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Eerste en Tweede Kamer over betrokkenheid Onderwijscooperatie bij Lerarenregister die op 27 maart 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering bij invoering van het verplichte lerarenregister aan de vertegenwoordiger van de beroepsgroep als kader mee te geven dat de privacy van leraren wordt gewaarborgd, door hierbij aan te sluiten bij de wijze van inrichting van het BIG-register en de doorzoekbare gegevens zodanig te beperken dat de naam van de leraar niet herleidbaar is naar de werkplek.

Debat [11-10-2016] – Stemmingen over moties ingediend bij Wetsvoorstel lerarenregister en het registervoorportaal

Motie-Bruins

De motie is uitgevoerd. De leraar kan zelfstandig kiezen om de naam en locatie gegevens van de school waar deze leraar werkt, niet te tonen.

De introductie van een registratienummer wordt onderzocht en afgestemd met de autoriteit persoonsgegevens.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met alle relevante actoren in het primair- en voortgezet onderwijs: – een limiet te stellen aan de vrijwillige ouderbijdrage; – te zorgen dat ouders op voorhand van het jaar geïnformeerd zijn over het totaalbedrag voor het gehele jaar van de vrijwillige ouderbijdrage.

Debat [30-01-2017] – Notaoverleg Gelijke Kansen en AO Schoolkosten

Motie-Vermue/Van Dijk

Aan de motie is uitvoering gegeven met de kabinetsreactie inzake motie Vermue en Van Dijk over limiet vrijwillige ouderbijdrage in po en vo die op 7 maart 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat vanuit financieel oogpunt nodig is om de regeling subsidie zij-instroom kostendekkend voor scholen te maken en hierover aan de Tweede Kamer te rapporteren.

Debat [22-02-2017] – VAO Leraren, Onderwijsarbeidsmarkt en Lerarenopleidingen

Motie-Bruins c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Lerarentekort die op 28 november 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met het veld vast te stellen welk model van verslaglegging het beste past en dat model als standaard te introduceren voor alle samenwerkingsverbanden.

Debat [21-06-2017] – WGO Wetgevingsoverleg over de Slotwet 2016, het jaarverslag 2016 en het Onderwijsverslag 2015–2016

Motie-Beertema

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering voorstellen te doen waardoor samenwerkingsverbanden beter verantwoorden of de besluiten die zij nemen in het belang van de leerling zijn of dat er primair financiële afwegingen aan ten grondslag liggen.

Debat [06-07-2017] – VAO Voortgangsrapportage passend onderwijs (AO d.d. 5/7)

Motie-Kwint/Bisschop

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief met stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs die op 5 februari 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenspraak met vmbo-, mbo-scholen en het regionaal bedrijfsleven in de regio's te komen tot een plan voor een gericht vmbo-fonds dat tot doel heeft te komen tot een dekkend aanbod en versterking van de kwaliteit van het techniekonderwijs in het vmbo; verzoekt de regering tevens, een landelijke regie te voeren om dit plan tot een succes te maken.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW Motie-Bruins/Rog

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Samen naar een sterk technisch vmbo die op 5 juni 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om, erop toe te zien dat basisscholen, middelbare scholen en mbo seksuele weerbaarheid, veiligheid en diversiteit in het curriculum gestalte geven.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW Motie-Van den Hul

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Reactie op aangenomen moties bij de begroting OCW 2018 die op 26 maart 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering, in overleg met het voortgezet onderwijs en het LAKS de urennorm zodanig toe te passen dat er voldoende tijd is voor docenten om hun onderwijs en zichzelf te kunnen ontwikkelen zodat de kwaliteit van het onderwijs wordt gegarandeerd, en de Kamer hierover in het voorjaar te informeren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW Motie-Van Meenen

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Toepassing ruimte in wet- en regelgeving onderwijstijd voor reductie van het aantal lesuren in het voortgezet onderwijs die op 16 april 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering de regeling voor lente- en zomerscholen in het voortgezet onderwijs in 2018 en 2019 te continueren en de voor dit doel beschikbare 9 miljoen euro per jaar in te zetten voor de uitvoering van deze specifieke regeling in plaats van deze toe te voegen aan de prestatiebox.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Motie-Rog

Deze met algemene stemmen aangenomen motie is uitgevoerd: ook in 2018 is er een subsidieregeling voor dit doel gepubliceerd. De subsidieregeling wordt eveneens ingesteld voor 2019.

De Tweede Kamer verzoekt de regering met de samenwerkingsverbanden in overleg te treden met als doel dat onderwijs op afstand gestimuleerd wordt wanneer de leerling om medische redenen niet fysiek op school aanwezig kan zijn en de Kamer op de hoogte te houden.

Debat [13-02-2018] – VAO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering (AO 31-01-2018)

Motie-Westerveld

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief aan de Tweede Kamer Voortgangsrapportage passend onderwijs van 25 juni 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de reële ontwikkeling van de vaardigheden van de scholieren in de afgelopen tien jaar, ten minste in de vakken wiskunde en Engels, en naar de mate waarin het gebruik van de N-termen en mogelijke andere factoren het beeld op deze ontwikkeling bevorderen of bemoeilijken, en de Kamer daarover voor 2019 te informeren.

Debat [13-02-2018] – VAO Examens

Motie-Van Meenen c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Jaarverslag College voor Toetsen en Examens 2017 die op 9 april 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering in de aangekondigde algemene maatregel van bestuur aandacht te schenken aan de wijze waarop de lasten voor kleine scholen kunnen worden beperkt, waaronder de keuzemogelijkheid om meetinstrumenten voor sociale veiligheid in te kopen dan wel deze zelf te ontwikkelen.

Debat [13-03-2018] – VSO Monitor Sociale veiligheid in en rond scholen (29 240, nr. 76)

Motie-Bisschop c.s.

Momenteel vindt de ontwerpfase plaats van de AMvB over de keuzemogelijkheden van meetinstrumenten voor sociale veiligheid. De AMvB dient 1 augustus 2019 in werking te treden. Hierbij wordt rekening gehouden met de lasten voor kleine scholen.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre prestatiedruk in het onderwijs ten koste gaat van maatschappelijke betrokkenheid van leerlingen en studenten.

Debat [29-03-2018] – Dertigledendebat burgerschapsonderwijs en maatschappijleer

Motie-Westerveld

Aan de motie is uitvoering gegeven met de verzamelbrief moties en toezeggingen

primair en voortgezet onderwijs van 13 juli 2018.

De Tweede Kamer verzoekt de regering te bevorderen dat op een zo kort mogelijke termijn het bestuur van de Onderwijscoöperatie wordt overgedragen aan een interim-bestuur van leraren die het vertrouwen hebben van de beroepsgroep; verzoekt de regering voorts, dit interim-bestuur alle ruimte te geven de taken en bevoegdheden van de huidige coöperatie die op draagvlak kunnen rekenen te behouden, en de overdracht naar een definitief bestuur voor te bereiden.

Debat [29-03-2018] – VAO Leraren

Motie-Van Meenen/Rog

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief stand van zaken lerarenregister – besluit Onderwijscoöperatie die op 15 mei 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om te verkennen of en hoe onderwijs aan deze kinderen vormgegeven kan worden en welke samenwerking tussen opvanglocaties en het onderwijs daarbij nodig en mogelijk is, teneinde een passend onderwijszorgarrangement te stimuleren; verzoekt de regering voorts, de Kamer voor 1 november 2018 over de mogelijkheden te informeren.

Debat [02-07-2018] – Passend onderwijs

Motie-Van den Hul

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met het onderwijsveld te onderzoeken of het mogelijk is binnen de regels voor vavo maatwerk te bieden en te bevorderen dat alle instellingen voor vavo deelnemen aan een samenwer-kingsverband voor passend onderwijs.

Debat [02-07-2018] – Passend onderwijs

Motie-Rog

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer verzoekt de regering door middel van een steekproef uit te zoeken hoeveel onderwijsgeld besteed wordt aan concurrentie, reclame en marketing tussen vo-scholen, en de Kamer daar voor de begrotingsbehandeling van 2019 over te informeren.

Debat [05-07-2018] – VAO Krimp in het Onderwijs

Motie-Heerema/Rog

De steekproef is in voorbereiding. De Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling van 2019 geïnformeerd

De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij nieuwe wet- en regelgeving te toetsen of dit nadelige gevolgen heeft voor scholen in krimpgebieden; verzoekt de regering, ook om de Kamer op de hoogte te stellen wanneer uit deze «krimpcheck» blijkt dat scholen in krimpgebieden worden benadeeld.

Debat [05-07-2018] – VAO Krimp in het Onderwijs

Motie-Westerveld/Van den Hul

Er wordt onderzocht hoe de krimpcheck vormgegeven kan worden. De Tweede Kamer zal in het voorjaar 2019 worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met het onderwijsveld te onderzoeken op welke wijze een omgekeerde doelmatigheidstoets kan worden ingericht waarbij scholen samen de verantwoordelijkheid krijgen een minimaal dekkend aanbod in de regio in stand te houden en de Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling te informeren.

Debat [05-07-2018] – VAO Krimp in het Onderwijs

Motie-Rog c.s.

De omgekeerde doelmatigheidstoets is een ingrijpend voorstel. Dit idee is meegegeven in opdracht aan de commissie-Dijkgraaf, die voor het eind van het kalenderjaar zal rapporteren aan de Tweede Kamer.

De Tweede Kamer spreekt uit dat het gewenst is dat na het ernstig bestuurlijk falen bij het Limburgs Voortgezet Onderwijs de verantwoordelijke bestuurder daar consequenties aan verbindt met betrekking tot zijn positie.

Debat [05-07-2018] – (onder voorbehoud)VAO Ontwikkelingen rondom examens VMBO Maastricht (AO d.d. 05–07)

Motie-Van Meenen c.s.

De motie is voor kennisgeving aangenomen.

A. Door de Staten-Generaal aanvaarde moties

Moties Eerste Kamer

DIRECTIE HOGER ONDERWIJS EN STUDIEFINANCIERING

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Eerste Kamer, overwegende dat het in wetsvoorstel 33 519 voorgestelde artikel 6.8, vijfde lid het mogelijk maakt dat collegegeld voor door NVAO aangewezen excellente opleidingen maximaal vijf maal het wettelijk collegegeld mag bedragen; overwegende dat een hoog collegegeld voor veel studenten een barrière kan vormen om vorenbedoelde excellente opleidingen te volgen; roept de Minister op om voor de toestemming van een hoger collegegeld als vorenbedoeld niet alleen te toetsen aan de in het voorgestelde artikel 6.8, tweede lid gestelde voorwaarden maar ook aan de voorwaarde dat het instellingsbestuur aannemelijk dient te maken dat de verhoging van het collegegeld noodzakelijk is ter bestrijding van de kosten die zijn of worden gemaakt voor het verkrijgen of behouden van het specifieke eindoordeel excellent.

Debat [09-07-2013] – overleg Wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid

Motie-Essers c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Wet accreditatie op maat 34.735 van 15 juni 2018, gepubliceerd op 5 juli 2018 in het Staatsblad 2018, nr. 209. Hierin worden de accreditatieoordelen «goed» en «excellent» van de NVAO geschrapt en blijft alleen nog het oordeel voldoende/onvoldoende over.

De Eerste Kamer verzoekt de regering de verdeling van het voor deze maatregel beschikbare budget opnieuw te bezien indien bij de evaluatie blijkt dat de compensatie per instelling niet toereikend is en er daarbij naar te streven dat alle instellingen budgetneutraal de halvering van het wettelijk collegegeld kunnen invoeren.

Debat [10-07-2018] – Verlaagd wettelijk collegegeld(Wet halvering collegegeld)Behandeling wetsvoorstel

Motie-Bruijn c.s.

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De Eerste Kamer verzoekt de regering bij de toelichting op toekomstig voor te hangen AMvB’s te streven naar op onderzoek gebaseerde argumentaties.

Debat [10-07-2018] – Verlaagd wettelijk collegegeld(Wet halvering collegegeld)Behandeling wetsvoorstel

Motie-Ganzevoort c.s.

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

DIRECTIE MEDIA EN CREATIEVE INDUSTRIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Eerste Kamer verzoekt de regering daartoe een mediaraad voor Fryslân in te stellen waarin onafhankelijke kennis en deskundigheid worden samengebracht, waarbij deze raad een extra waarborg voor de provincie Fryslân vormt om het belang van de Friese taal, cultuur en identiteit en in het verlengde daarvan de positie van Omrop Fryslân binnen het geheel van de RPO te verzekeren; verzoekt de regering voorts deze mediaraad taken en bevoegdheden te geven die direct verband houden met voornoemde posities en belangen waaronder een instemmingrecht bij het benoemen van de hoofdredacteur van Omrop Fryslân en bij de vaststelling van de jaarplannen van de Omrop en een zwaarwegend advies bij de middelenverstrekking aan Omrop Fryslân voor een volledige en veelzijdige Friestalige programmering op radio, televisie en internet; verzoekt de regering tevens om deze mediaraad een adviesrecht te geven voor de benoeming van de bestuurder van de RPO die het onderwerp Friese taal, cultuur en identiteit in zijn portefeuille heeft; verzoekt de regering verder om de budgetten van Omrop Fryslân, na verwerking van de bezuinigingen, op het zelfde programmatische activiteitenniveau te waarborgen; verzoekt de regering ten slotte op grond van het bovenstaande in samenspraak met de RPO, Omrop Fryslân en de Provincie Fryslân tot een regeling te komen en dit vast te leggen in de Bestuursafspraak Friese taal en cultuur.

Debat [01-03-2016] – voortzetting Mediadebat

Motie-Ten Hoeve c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de Bestuursafspraken Fries in de Media 2016 die op 16 december 2016 zijn gepubliceerd in de Staatscourant, nr. 68855.

DIRECTIE PRIMAIR ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Eerste Kamer verzoekt de regering – ernaar te streven dat scholen het keurmerk vvto aanvragen, gebaseerd op de landelijke standaard vvto, waarmee het benodigde opleidingsni-veau van de leraren wordt verzekerd; – het door EP Nuffic in de «Landelijke Standaard vvto» geadviseerde beheersingsniveau van de vreemde taal door de leraren als richtlijn bij het inspectietoezicht te gebruiken; – onderzoek te laten verrichten naar het taalbeheersingsniveau van de leraren die vroeg vreemdetalenonderwijs doceren om te kunnen vaststellen of aan de door EP Nuffic gestelde niveau wordt voldaan of dat aanvullende maatregelen nodig zijn; – dit onderzoek tegelijk af te ronden met de meerjarige pilot tweetalig primair onderwijs; – de Eerste Kamer over de uitkomsten te informeren.

Debat [29-09-2015] – Stemmingen in Eerste Kamer over:- Aanbieden van onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal voor het primair onderwijs (34 031, I)

Motie- Bruijn c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief Reactie op onderzoeksrapport Zicht op vroeg vreemdetalenonderwijs aan de Eerste Kamer die op 20 december 2017 naar de Eerste Kamer is gestuurd.

De Eerste Kamer verzoekt de regering de effecten van de introductie van meertalig onderwijs met name te monitoren op het vóórkomen van negatieve effecten op de toegankelijkheid van het basisonderwijs in het algemeen voor kwetsbare kinderen, en in het bijzonder voor kinderen met een taalachterstand en/of leermoeilijkheden, op de scholen die tweetalig onderwijs geven, en de Kamer daar uiterlijk voor 1 januari 2018 over te berichten.

Debat [29-09-2015] – Stemmingen in Eerste Kamer over:- Aanbieden van onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal voor het primair onderwijs (34 031, I)

Motie-Nooren c.s.

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief Reactie op onderzoeksrapport zicht op vroeg vreemdetalenonderwijs die op 20 december 2017 naar de Tweede Kamer is gestuurd.

De Eerste Kamer verzoekt de regering om in lijn met het wetsvoorstel met een overbruggingsregeling te komen voor de jaren 2016 en 2017 en voor 1 augustus 2017 met een algemene maatregel van bestuur te komen die conform artikel 50 WPO een structurele bekostiging regelt, zodat voldaan kan worden aan de vraag van ouders om HVO/GVO-onderwijs binnen het openbaar onderwijs.

Debat [07-02-2017] – Behandeling Wetsvoorstel bekostiging levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen

Motie-Bikker c.s.

Bij de aanbieding van AMvB ten behoeve van de voorhangprocedure zijn de Eerste en de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie met de brief van 6 juni 2018,

Besluit tot wijziging van het Besluit

bekostiging WPO en het Besluit bekostiging WEC in verband met de

bekostiging van godsdienstonderwijs

of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen.

De Eerste Kamer verzoekt de regering om te bevorderen dat door de PO-Raad en de VO-raad gezamenlijk een handreiking wordt opgesteld die betrokkenen bij de vorming van de samenwerkingsschool kunnen gebruiken om op een zorgvuldige manier de vraagstukken met betrekking tot het bijzondere en openbare domein van de samenwerkingsschool statutair vast te leggen.

Debat [11-07-2017] – Wetsvoorstel Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool

Motie-Bruijn c.s.

Bij de aanbieding van AMvB ten behoeve van de voorhangprocedure zijn de Eerste en de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie met de brief van 6 juni 2018,

Besluit tot wijziging van het Besluit

bekostiging WPO en het Besluit

bekostiging WEC in verband met de

bekostiging van godsdienstonderwijs

of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen.

B. Door de Staten-Generaal gedane toezeggingen

Toezeggingen Tweede Kamer

DIRECTIE EMANCIPATIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Tweede Kamer ontvangt voor de OCW-begrotingsbehandeling in een separate brief een uitwerking van de aanpak op het gebied van arbeidsmarktparticipatie van specifieke groepen vrouwen.

Debat [05-04-2018] – AO Emancipatie

De brief wordt in overleg met SZW opgesteld en vóór de begrotingsbehandeling 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd.

De Minister zegt toe dat de Tweede Kamer tweejaarlijks in het najaar een monitor emancipatie ontvangt en jaarlijks in het voorjaar een voortgangsrapportage.

Debat [05-04-2018] – AO Emancipatie

De Emancipatiemonitor wordt door SCP en CBS opgesteld en verschijnt najaar 2018. De voortgangsrapportage wordt in het voorjaar van 2019 aan de TK aangeboden.

De Kamer wordt voor Prinsjesdag per brief geïnformeerd over hoe de monitor inzake stereotype beeldvorming in de media precies wordt vormgegeven.

Debat [19-04-2018] – VAO Emancipatie

De Tweede Kamer wordt vóór eind september 2018 geïnformeerd.

DIRECTIE ERFGOED EN KUNSTEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister zegt toe dat zij in de adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur zal verzoeken om aandacht voor het betrekken van publiek en mensen die niet bij de cultuursector zijn betrokken en dat zij de Tweede Kamer daarover zal informeren.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

De Raad voor Cultuur brengt in oktober 2018 een advies uit over het aantrekken van een breed publiek.

De Minister zegt toe dat in de volgende Erfgoedmonitor aandacht besteed wordt aan de kennis en kunde van conservatoren van musea.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

De volgende versie van de Erfgoedbalans verschijnt in 2021. In deze balans zal aandacht besteed worden aan de kennis en kunde van conservatoren van musea.

De indemniteitsregeling wordt in 2019 geëvalueerd. De Tweede Kamer wordt daarover geïnformeerd.

Debat [13-11-2017] – Cultuurbegroting

De Tweede Kamer wordt in 2019 geïnformeerd over de evaluatie van de indemniteitsregeling.

De Tweede Kamer ontvangt deze zomer de monitor cultuureducatie

Debat [30-05-2018] – AO Cultuur

De monitor cultuureducatie wordt in het najaar 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd.

De Tweede Kamer ontvangt ruim voor de begrotingsbehandeling een brief over de besteding van de cultuurmiddelen. Hierin wordt ook ingegaan op:-stimulering van collectief overleg over arbeidsvoorwaarden;- de mogelijke vormgeving van filmeducatie;- de relatie BTW en film;- de ratificatie van het Faro-verdrag.

Debat [30-05-2018] – AO Cultuur

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd met de Najaarsbrief die in oktober 2018 wordt verstuurd

In de reactie op het Raad voor Cultuur-advies over musea wordt ook ingegaan op behoud van expertise, zoals bij conservatoren.

Debat [30-05-2018] – AO Cultuur

Aan de motie wordt uitvoering gegeven met de adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur in december 2018.

In het verre najaar ontvangt de Kamer de adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur inzake de nieuwe cultuurnotaperiode. Hierin wordt uitgebreid ingegaan op de relatie BIS en fondsen.

Debat [30-05-2018] – AO Cultuur

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Na de zomer komt de Minister terug op het Investeringsfonds Popmuziek.

Debat [30-05-2018] – AO Cultuur

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

DIRECTIE FINANCIEEL ECONOMISCHE ZAKEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Bij de nieuwe ronde van jaarverslagen, ontvangt de Tweede Kamer een update van de stand van zaken betreffende openbaarheid van jaarverslagen.

Debat [02-03-2016] – Financiële Situatie in het Onderwijs

Uit een inventarisatie door de PO-raad en de VO-raad naar de naleving van de afspraken in de Branche codes Goed bestuur op het punt van openbaarmaking van jaarverslagen komt naar voren dat – ondanks de aansporingen daartoe – nog steeds niet alle scholen in de sectoren PO en VO hun jaarverslag op de eigen website openbaar maken. Er is weinig zicht en hoop dat een nieuwe aansporing daartoe wel zal leiden tot een 100% score.

OCW werkt daarom thans aan het opnemen van de openbaarmaking in de sectorwetten. Daarna zullen nadere inrichtingsvoorschriften in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs worden opgenomen.

In het vroege najaar ontvangt de Tweede Kamer de verkenning naar de referentieraming en de Studiefinancieringsraming.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

In de brief aan de Kamer van 3 juli 2018 is een beschrijving gegeven van de ramingsmethodiek, de nauwkeurigheid en de budgettaire gevolgen van bijstellingen van de ramingen bij OCW. In overleg met het Ministerie van Financiën is een verkenning gestart naar de systematiek rondom de Referentieraming en de raming van de studiefinanciering. De Kamer wordt vóór de begrotingsbehandeling van de begroting 2019 over de stand van zaken van deze verkenning en de mogelijke oplossingen.

De Minister zegt toe dat zij ernaar zal streven in de komende begroting de verzochte tabellen inzake «ombuigingen en intensiveringen» op te nemen.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

De tabellen inzake ombuigingen en intensiveringen zijn opgenomen in de begroting van 2019.

DIRECTIE HOGER ONDERWIJS EN STUDIEFINANCIERING

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister zal de Tweede Kamer voorzien van een onderzoek naar de effecten van extra financiële bijdragen aan onderwijs (zoals van honoursprogramma's).

Debat [29-10-2015] – Begrotingsbehandeling OCW

Het SCP heeft in de afgelopen periode prioriteit moeten geven aan het onderzoek naar Engelstaligheid en toegankelijkheid. Het SCP kan daardoor het onderzoek later afronden dan gepland. De verwachte publicatiedatum is in het najaar van 2018.

De Minister komt later in brieven over sociale veiligheid of de strategische agenda terug op de effectiviteit van maatregelen die studentenverenigingen/ universiteiten/ hogescholen nemen inzake het tegengaan van seksisme.

Debat [27-10-2016] – AO Emancipatie

De toezegging wordt meegenomen in de eerstvolgende strategische agenda hoger onderwijs die gepland staat voor het tweede kwartaal van 2019.

De wet invoering associate degree-opleiding wordt na vier jaar gemonitord (aangezien de hele cyclus doorlopen moet zijn). De Minister zegt toe dat mochten er echter na twee jaar signalen zijn over een gebrekkige aansluiting van werkgevers of dat het verkeerd gebruikt wordt en de wet niet tot de emancipatie en verheffing leidt, maar juist tot het apart zetten van studenten die misschien wat meer aandacht vragen, dan wordt de balans opgemaakt, wordt de thermometer erin gehouden en worden op dat moment al maatregelen genomen. In de monitoring wordt ook het punt van de stage(begeleiding) meegenomen.

Debat [29-06-2017] – Associate Degree (AD)

De monitor is gegund en wordt de komende jaren uitgevoerd.

Antw. 141: In de Kamerbrief Bekostigingssystematiek hoger onderwijs wordt een onderzoek naar de relatie tussen onderzoekfinanciering en de veroorzakers van kosten van onderzoek aangekondigd. De Tweede Kamer zal over de uitkomsten van dit onderzoek worden geïnformeerd.

Brief [24-10-2017] - Reactie met antwoord op vragen over vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2018

In de brief aan de Tweede Kamer van 19 januari 2018 over de jaarplanning van OCW voor 2018 wordt aangegeven dat, in samenspraak met de VSNU en de Vereniging Hogescholen, een onafhankelijk onderzoek is uitgezet naar de werking van de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs (de verhouding in de tarieven van opleidingen in wo en hbo, en de kostendeterminanten van wetenschappelijk onderzoek). In de brief over de jaarplanning is aangegeven dat het onderzoeksrapport in het derde kwartaal van 2018 naar de Kamer wordt gestuurd. In het vierde kwartaal ontvangt de Kamer een beleidsreactie op het onderzoeksrapport.

De voormalige Minister heeft toegezegd de komende jaren te monitoren wat de aard en de omvang is van de vergoedingen uit het profileringsfonds. Hierover stuurt de Minister in de zomer van 2018 een eerste rapportage. Op basis van deze rapportage neemt zij een besluit over de inzet van deze extra middelen. Zij zal de Tweede Kamer hierover in de zomer gelijktijdig met de eerste rapportage informeren.

Brief [06-12-2017] – Beantwoording vragen over de begrotingsbehandeling van OCW 2018 (inclusief nagekomen vragen over Media)

De monitor is gebaseerd op gegevens over profileringsfondsen uit de jaarverslagen van hogeronderwijsinstellingen. De rapportage over de gegevens uit 2017 zal uiterlijk eind september 2018 aan de Tweede Kamer worden gestuurd. De inzet van de genoemde extra middelen is reeds bekend. In de sectorakkoorden met de VSNU en de Vereniging Hogescholen is afgesproken dat die middelen worden ingezet voor studenten die extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben, zoals voor studenten met een beperking en chronische ziekten, maar ook bijvoorbeeld voor zwangere studenten en studenten met psychische problemen. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd tijdens de behandeling van de Wet verlaagd wettelijk collegegeld (34 911) op dinsdag 24 april 2018.

Inzake uitvoering motie Bruins/Assante actieplan psychische problematiek studenten: na de gesprekken wil de Minister de balans opmaken en zal zij vervolgens de Tweede Kamer voor de zomer 2018 informeren over de uitvoering van deze motie.

Brief [06-12-2017] – Beantwoording vragen over de begrotingsbehandeling van OCW 2018 (inclusief nagekomen vragen over Media)

Voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de gezamenlijke aanpak rondom studentenwelzijn en daarmee de uitwerking van de motie, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

De Minister weet niet zeker of zij al bij de Voorjaarsnota zekerheid kan geven over de bekostiging van het groen onderwijs. Die bekostiging moet haar beslag krijgen per 1 januari 2019. Dat betekent dat de Minister helderheid gaat bieden met Prinsjesdag.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

De Minister van OCW heeft de intentie om het groen onderwijs per 1 januari 2019 op dezelfde wijze per deelnemer te financieren als het door OCW bekostigde onderwijs.

Het onderzoek naar de bekostigingssystematiek hoger onderwijs ontvangt de Tweede Kamer in het 3e kwartaal van 2018, inclusief een beleidsreactie. Hierin wordt ook ingegaan op de situatie van stapelaars.

Debat [17-01-2018] – AO Selectie en toegankelijkheid Hoger Onderwijs

In de brief over de jaarplanning OCW voor 2018 van 19 januari 2018 wordt aangegeven dat, in samenspraak met de VSNU en de Vereniging Hogescholen, een onafhankelijk onderzoek is uitgezet naar de werking van de bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs (de verhouding in de tarieven van opleidingen in wo en hbo, en de kostendeterminanten van wetenschappelijk onderzoek). In de brief over de jaarplanning is aangegeven dat het onderzoeksrapport in het derde kwartaal van 2018 naar de Kamer wordt gestuurd. In het vierde kwartaal ontvangt de Kamer een beleidsreactie op het onderzoeksrapport.

De Tweede Kamer ontvangt in het voorjaar de uitwerking van de motie Assante/Bruins (Kamerstuk 34 550-VIII-116) inzake het actieplan voor studenten met psychische problemen.

Debat [17-01-2018] – AO Selectie en toegankelijkheid Hoger Onderwijs

Voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de gezamenlijke aanpak rondom studentenwelzijn en daarmee de uitwerking van de motie, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

In het kader van de doorstroom mbo/hbo, ontvangt de Tweede Kamer vóór de zomer een brief of meer maatwerk mogelijk is bij de vooropleidingseisen.

Debat [17-01-2018] – AO Selectie en toegankelijkheid Hoger Onderwijs

De Tweede Kamer wordt hierover voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

In de jaarlijkse monitor «Toegankelijkheid» wordt ingegaan op de vraag over het aanmoedigen van stapeling van studies: wat zou dit kosten en wat is de geschatte belangstelling hiervoor?

Debat [06-02-2018] – Wetsvoorstel Accreditatie

De Tweede Kamer wordt na het zomerreces 2018 en voor de begrotingsbehandeling hierover geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

Vóór de zomer van 2018 ontvangt de Tweede Kamer de monitor inzake de uitval in het onderwijs, zo mogelijk met ook aandacht voor verschillen tussen studenten met een westerse en een niet-westerse achtergrond.

Debat [07-03-2018] – Loopbaanoriëntatie en -begeleiding

De Tweede Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 hierover geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

De onderzoeksresultaten van het onderzoek naar de behoeften aan differentiatie en specialisatie binnen de pabo, worden na de zomer voorgelegd aan de Tweede Kamer.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

Na het gehouden onderzoek naar differentiatie in de lerarenopleidingen, wordt de Tweede Kamer in oktober/november 2018 geïnformeerd.

N.a.v. verzoek van het lid Van Meenen om de Kamer via een brief te informeren hoe die aanwijzingsbevoegdheid dan precies in elkaar zit en hoe die zich verhoudt met het recht op informatie van de medezeggenschap: De Minister zal de Kamer nog een keer per brief informeren hoe dat tegenover elkaar staat en wat er met die aanwijzingsbevoegdheid nu precies wel en niet kan.

Debat [30-05-2018] – Debat voorinvesteringen hoger onderwijs

De brief wordt in het najaar 2018 naar de Tweede Kamer verzonden.

De AMvB m.b.t. «het protocol kwaliteitsafspraken» ontvangt de Tweede Kamer in het najaar.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De Tweede Kamer wordt conform de toezegging in het najaar van 2018 geïnformeerd.

De Tweede Kamer ontvangt rond Prinsjesdag een brief over groen onderwijs.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De brief is in voorbereiding.

In de reeds toegezegde wetenschapsbrief zal de Minister ook ingaan op de lectoraten binnen het hbo.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

In het najaar van 2018 wordt de wetenschapsbrief naar de Tweede Kamer verzonden.

In het najaar van 2020 ontvangt de Kamer een landelijk beeld van de plannen inzake besteding Studievoorschot. In het najaar van 2022 ontvangt de Tweede Kamer de voortgang van de plannen. De uiteindelijke evaluatie ontvangt de Tweede Kamer in 2026.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De stand van zaken is precies zoals de toezegging suggereert.

Na de zomer ontvangt de Tweede Kamer de resultaten van de werkgroep Studentenwelzijn. Hierbij zal ook het vijfpuntenplan om de mantelzorgende student te ontlasten, worden betrokken.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De Tweede Kamer wordt hierover na het zomerreces 2018 en voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs. De gezamenlijke aanpak van de werkgroep studentenwelzijn wordt hierin meegenomen.

Voor de begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer een visiebrief over toegankelijkheid en kansengelijkheid in het hoger onderwijs. Hierin wordt ook aandacht bestaand aan de schakeltrajecten hbo-master wo.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De brief is in voorbereiding en de Tweede Kamer ontvangt deze voor de begrotingsbehandeling OCW 2019.

Voor de OCW begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer een brief met voorstellen om zicht te houden op de numerus fixus.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

De Tweede Kamer wordt hierover na het zomerreces 2018 en voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

Voor het eind van 2019 ontvangt de Tweede Kamer een nieuwe Strategische Agenda hoger onderwijs en wetenschap.

Debat [20-06-2018] – AO Sectorakkoorden (HO)

Na de zomer van 2018 wordt gestart met het traject van de Strategische Agenda die voor eind 2019 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.

De inwerkingtreding van de wijziging van de WHW en de WEB gericht op de randvoorwaarden voor Engelstalige opleidingen is voorzien op 1 maart 2020 en zal de Tweede Kamer tijdig bereiken.

Debat [21-06-2018] – AO Internationalisering in het hoger onderwijs

De uitvoering van de toezegging verloopt volgens planning.

De Tweede Kamer ontvangt na de zomer een aanpassing van het accreditatiekader waarin o.a. wordt opgenomen: de beargumentering van de taalkeuze van bestaande en nieuwe opleidingen.

Debat [21-06-2018] – AO Internationalisering in het hoger onderwijs

Eind september 2018 wordt het nieuwe accreditatiekader voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer.

Vóór de OCW-begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer een brief inzake de uitvoeringskosten en een mogelijke invoeringstermijn van een uitkering van het studiekrediet in één keer i.p.v. termijnen voor studenten die gaan studeren in het buitenland.

Debat [21-06-2018] – AO Internationalisering in het hoger onderwijs

Momenteel is er overleg met DUO om de juiste gegevens aan de Tweede Kamer te kunnen aanleveren.

Vóór het eind van 2018 ontvangt de Tweede Kamer de inspectierapportage met een beeld van gedragscodes van instellingen inzake opleidingstaal.

Debat [21-06-2018] – AO Internationalisering in het hoger onderwijs

Inspectie heeft alle gedragscodes opgevraagd en onderzoekt deze nu. Oplevering rapport voorzien eind 2018.

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar het onderzoek naar differentiatie binnen de lerarenopleidingen (jonge/oudere leerling).

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

Het onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.

De Minister zegt toe bij de NVAO nader te informeren naar de achtergrond van de accreditatie van de verkorte lerarenopleiding van de LOI. Zij zal de Kamer daarvan op de hoogte stellen.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

De vraag wordt uitgezet bij de NVAO.

Tegen de begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer een brief over de effecten van selectie in het hoger onderwijs mede met het oog op kansengelijkheid.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

De Tweede Kamer wordt hierover na het zomerreces 2018 en voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 geïnformeerd, als onderdeel van een bredere brief gericht op gelijke kansen in het hoger onderwijs.

DIRECTIE KENNIS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Ook dit najaar ontvangt de Tweede Kamer opnieuw de jaarlijkse arbeidsmarktbrief met de nieuwe ramingen (antw. 19).

Brief [24-10-2017] – Reactie met antwoord op vragen over vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2018

De Voortgangsrapportage Lerarenagenda wordt naar verwachting in november 2018 aan de Tweede Kamer gezonden.

De Minister komt nog terug op het vraagstuk «privacy van leerlingen».

Debat [31-01-2018] – AO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering MOCW + MBVOM

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer zal worden geïnformeerd als er wat te melden valt inzake ontwikkelingen rondom de ICT-coöperatie «Samen inkopen voor onderwijs Nederland» (SIVON).

Debat [31-01-2018] – AO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering MOCW + MBVOM

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De Tweede Kamer ontvangt een update over de uitvoering van de motie Dik-Faber op een geëigend moment.

Debat [31-01-2018] – AO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering MOCW + MBVOM

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Inzake hoe de huidige praktijk van leerlingvolgsystemen zich verhoudt tot de huidige privacy-regels: de Tweede Kamer zal via de geëigende kanalen geïnformeerd worden over de uitkomsten van de gesprekken met LAKS/ouders en sectororganisaties hierover.

Debat [13-02-2018] – VAO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering (AO 31-01-2018)

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De Minister zegt toe de Tweede Kamer t.z.t. nader te informeren over het thema-onderzoek dat de Onderwijsinspectie gaat uitvoeren naar de inzet van leraren op scholen met een uitdagende leerlingpopulatie.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

DIRECTIE MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister zegt toe dat een reactie op het cijfermatig overzicht over de ontwikkeling van de werkgelegenheid in het onderwijs (van Stamos, juli 2013), onderdeel mbo, wordt meegenomen in een van de volgende brieven over het mbo.

Debat [12-03-2014] – Algemeen overleg mbo kwalificatiedossiers gecombineerd met Macrodoelmatigheid in het MBO

OCW is in gesprek met de MBO raad om tot een betere gegevenslevering te komen zodat er een beter beeld ontstaat bij de verschillende functies waaronder leraren, instructeurs, teamleiders, onderwijsondersteunend personeel, onderwijsbeheerspersoneel en directie. U-WEB is hierop aangepast in samenloop wijziging lerarenregister. De aanpassing van U-WEB wordt naar verwachting in 2018 gepubliceerd.

De Minister zegt toe mogelijke verstoringen in het publiek en private aanbod van middelbare beroepsopleidingen te gaan monitoren en de Tweede Kamer bij de evaluatie te informeren.

Debat [15-12-2014] – Wetgevingsoverleg Wetsvoorstel Macrodoelmatigheid mbo

In 2019 vindt de evaluatie Macrodoelmatigheid plaats. Daarbij zal ook gekeken worden naar mogelijke verstoringen in het publiek en private aanbod van middelbare beroepsopleidingen. Daarna zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.

De Minister geeft aan dat zij verschillende mogelijkheden ziet voor een stagebeurs voor mbo-docenten, zodat er meer kennis over de beroepspraktijk in het klaslokaal komt, via de lerarenbeurs en de scholingsmiddelen uit de cao's. Zij zal hierover niet in een aparte brief rapporteren aan de Tweede Kamer, maar samen met andere initiatieven.

Debat [29-10-2015] – Begrotingsbehandeling

Het onderzoek door de MBO Raad vindt momenteel plaats. Verwachting is dat dit eind 2017/begin 2018 zal worden afgerond. De Tweede Kamer zal in het najaar 2018 worden geïnformeerd.

De Minister zegt toe de MBO Raad te verzoeken de samenstelling van besturen van ROC's in kaart te brengen, mede gericht op diversiteit.

Debat [18-02-2016] – AO Governance

OCW is in overleg met de MBO Raad over de samenstelling van besturen van ROC's.

Later dit najaar komt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met een brief met welke scenario's denkbaar zijn.

Debat [05-10-2016] – Wetsvoorstel Lerarenregister

De toezegging wordt meegenomen in de herbezinning die wordt gedaan op het lerarenregister naar aanleiding van de brief aan de Tweede Kamer Vervolg implementatie Wet beroep leraar en lerarenregister van 11 juni 2018.

Het wetsvoorstel «differentiatie exameneisen taal en rekenen» zal in het voorjaar van 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd worden.

Brief [03-11-2016] – Antwoorden vragen begrotingsbehandeling onderwijs en wetenschap 2017

In het najaar 2018 wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd.

De Minister zegt in antwoord op mevrouw Kuik en mevrouw Van den Hul toe dat zij met haar collega's van Sociale Zaken en VWS in gesprek gaat over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid na 2018 en over het beleid rondom een leven lang leren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

De Tweede Kamer wordt over de uitvoering van de toezegging geïnformeerd in september 2018 in een brief over leven lang ontwikkelen en in het voorjaar van 2019 in een brief over de vervolgaanpak laaggeletterdheid.

De Minister zegt toe dat in de experimenteer-AMvB, gericht op het creëren van regelruimte voor experimenten met kwalificatiedossiers, óók ruimte wordt gemaakt voor opleidingen die al willen starten met het examineren van keuzedelen.

Debat [13-12-2017] – MBO

De experimenteer-AMvB is in februari 2018 aangeboden voor internetconsultatie en is dit voorjaar voorgehangen in beide Kamers. Er wordt gestreefd naar inwerkingtreding van het besluit met ingang van 1 januari

2019.

De Tweede Kamer wordt na afronding van inspectieonderzoek geïnformeerd over de afspraken van verbetering inzake de verzuimregistratie op vijf opleidingen binnen ROC Zadkine.

Debat [13-12-2017] – MBO

Het herstelonderzoek door de Inspectie is uitgevoerd. De resultaten waren in april 2018 bekend en zijn openbaar. In het najaar 2018 ontvangt de Kamer hierover een brief.

De Tweede Kamer ontvangt jaarlijks, voorafgaand aan de begrotingsbehandeling, de voortgangsrapportage over de invoering en examinering van keuzedelen.

Debat [13-12-2017] – MBO

Naar verwachting ontvangt de Tweede Kamer voor de begrotingsbehandeling OCW 2019 de voortgangsrapportage over de ingang van de slaag-zakregeling keuzedelen, uitgevoerd door SBB en de MBO Raad. De inwerkingtreding van deze regeling is bij KB uitgesteld tot 1 augustus 2020 (Stb. 2018, 93).

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar een rapportage over medezeggenschap in het mbo, waarbij de JOB-monitor een rol speelt.

Debat [18-01-2018] – VAO MBO (n.a.v. AO 13/12/2017)

Er wordt momenteel overleg gevoerd met de JOB en MBO Raad over een handreiking voor de vormgeving van medezeggenschap bij samenwerkingscolleges. De Tweede Kamer zal in het najaar 2018 over de uitkomsten van dit overleg geïnformeerd worden.

Vóór de zomer van 2019 ontvangt de Tweede Kamer de voortgangsrapportage over de LOB-agenda’s.

Debat [07-03-2018] – Loopbaanoriëntatie en -begeleiding

Het Expertisepunt heeft de nulmeting van de lob monitor vo-mbo gestart. Deze bevat een kwantitatieve (vragenlijsten) en kwalitatieve (ronde tafels) meting.

Zoals eerder toegezegd ontvangt de Tweede Kamer voor de zomer van 2018 een brief met een uitwerking van de individuele leerrekening en de randvoorwaarden voor een leven lang leren. Daarin wordt ook aandacht besteed aan: het taalniveau van het digitaal overzicht van het scholingsaanbod; het onder de aandacht breven de individuele leerrekening bij ww-ers.

Debat [13-03-2018] – AO Leven Lang Leren

De Tweede Kamer wordt in september 2018 geïnformeerd met de brief Leven lang ontwikkelen.

Er vindt een gesprek plaats met VAVO-instellingen of reiskosten een belemmering zijn voor zijinstromers en volwassenen.

Debat [13-03-2018] – AO Leven Lang Leren

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De AMvB die het «in mindering brengen van scholing op de transitievergoeding» regelt wordt meegenomen in het pakket «vast versus flex» en ontvangt de Tweede Kamer in het derde kwartaal van 2018.

Debat [13-03-2018] – AO Leven Lang Leren

Gezien de relatie met de Wet Arbeidsmarkt in Balans ligt uitvoering van deze toezegging op het terrein van de Minister van SZW. Het opstellen van de AMvB zal binnenkort worden afgerond en wordt, na afstemming met de Regiegroep, uitgezet voor Internetconsultatie. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2020.

Voor de zomer ontvangt de Tweede Kamer een brief over het verlengen van de kwalificatieplicht.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

In het najaar 2018 ontvangt de Tweede Kamer meer informatie over de pilot met het verlengen van de kwalificatieplicht.

Begin 2019 ontvangt de Tweede Kamer de evaluatie van de coördinerende rol van de gemeenten bij VSV, die zowel organisatorisch als financieel gericht is. Hierbij is ook aandacht voor de termijn van het melden van veelvuldig ziekteverzuim aan gemeenten.

Debat [15-03-2018] – Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs, wetsvoorstel Voortijdig School Verlaten

De Tweede Kamer ontvangt begin 2019 de uitkomsten van de evaluatie en de reactie van de Minister daarop.

Begin 2019 ontvangt de Tweede Kamer de AMvB inzake de aanlevering van gegevens voor de informatievoorziening VSO.

Debat [15-03-2018] – Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs, wetsvoorstel Voortijdig School Verlaten

Met de RMC wet die 13 juni 2018 door de Eerste Kamer is aangenomen en inwerking treedt per 1 september 2019, is de wettelijke grondslag voor de gegevenslevering geregeld.

De feitelijke gegevenslevering moet echter worden vastgelegd in de Wet Register Onderwijsdeelnemers en een daaronder hangende AMvB. De Raad van State heeft dit voorjaar advies uitgebracht. Na de zomer komt het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer.

De AmvB is in voorbereiding.

In het voorjaar van 2019 ontvangt de Tweede Kamer de vervolgaanpak laaggeletterdheid en de resultaten van het programma «Tel mee met taal». In de vervolgaanpak zal ook aandacht worden besteed aan internationaal effectonderzoek naar laaggeletterdheid.

Debat [26-06-2018] – Voortzetting AO Laaggeletterdheid, 28-6-2018

In het voorjaar 2019 wordt het vervolgaanpak naar de Tweede Kamer gestuurd.

Voor de OCW-begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer een brief met een weergave van de resultaten van de «dialoogdagen» met betrokken partijen. Ook bevat deze brief informatie over de wijze waarop meer bekendheid wordt gegeven aan mogelijkheden van het opnemen van «vakbekwaamheid bij de erkenning van verworden competenties.

Debat [26-06-2018] – Voortzetting AO Laaggeletterdheid, 28-6-2018

Vóór de begrotingsbehandeling van OCW 2019 wordt het verslag van de dialoogdagen naar de Tweede Kamer gestuurd.

DIRECTIE MEDIA EN CREATIEVE INDUSTRIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Rond de zomer ontvangt de Tweede Kamer wetsvoorstel fase 2 inzake regionale omroepen met ook de positie van omroep Friesland.

Debat [15-06-2016] – Plenaire behandeling Mediawet

De Tweede Kamer is op 2 september 2016 geïnformeerd over de stand van zaken wetsvoorstel modernisering regionale publieke omroep. In deze brief geeft de voormalig Staatssecretaris aan dat het voorliggende wetsvoorstel nu nog niet aan de Kamer wordt voorgelegd. Er is nu geen voornemen om het wetsvoorstel alsnog in te dienen.

De Staatssecretaris zegt toe dat hij een gesprek zal initiëren tussen betrokken partijen inzake bereikbaarheid van Omroep Fryslân.

Debat [28-06-2017] – Media

Na bemiddeling van OCW is het probleem opgelost. Met ingang van 1 juli 2018 geeft KPN Omrop Fryslân weer landelijk door. Deze toezegging is daarmee nagekomen en OCW beschouwd de toezegging hiermee als afgedaan.

De Staatssecretaris zal het Commissariaat voor de Media verzoeken te rapporteren over hun toetsprincipe inzake reclame-inkomsten, en de Tweede Kamer daarover informeren.

Debat [28-06-2017] – Media

De Tweede Kamer wordt over de toezegging geïnformeerd met de brief Mediabegroting 2019 in november 2019.

De Minister zal de Tweede Kamer in het voorjaar van 2018, in de terugblik, informeren over de externe producenten.

Debat [27-11-2017] – Mediabegroting

De terugblik van de NPO wordt als bijlage meegestuurd met de Mediabegrotingsbrief die in november 2018 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

De Staatssecretaris van BZK zegt toe dat hij voor het zomerreces van 2018 de voortgang met betrekking tot de bibliotheek op Bonaire schriftelijk aan de Tweede Kamer zal melden.

[Debat 17-05-2018] – Verzamel Algemeen Overleg Koninkrijksrelaties – BZK

De Tweede Kamer wordt naar verwachting in maart 2019 door de Minister van OCW geïnformeerd over de toezegging.

De Tweede Kamer ontvangt de Verantwoording van de NPO over de prestatieovereenkomst in het najaar.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

DIRECTIE ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Bij alle stappen die het kabinet zet, zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden over de Einstein telescoop (onderzoeksfaciliteiten van wereldformaat).

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De Staatssecretaris EZK komt met een brief over de digitale strategie.

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Er komt een brief inzake de uitvoering van de motie van het lid Rog inzake open science.

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Het rapport Verkenning bekostiging hoger onderwijs en wetenschap ontvangt de Tweede Kamer na de zomer.

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Later dit jaar ontvangt de Tweede Kamer de Wetenschapsbrief.

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

Na de zomer kan de Tweede Kamer de nieuwe gedragscode over onafhankelijk onderzoek ontvangen.

Debat [06-06-2018] – AO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

De Minister zal in haar visie op praktijkgericht onderzoek ook aandacht besteden aan kwaliteitsbewaking.

Debat [13-06-2018] – VAO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

In de Wetenschapsbrief zal de Minister ook aandacht besteden aan de investeringen in digitale onderwerpen

Debat [13-06-2018] – VAO Wetenschapsbeleid

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

DIRECTIE PRIMAIR ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De evaluatie van deze wet zal plaatsvinden in het kader van het Onderwijsverslag 2015.

Debat [14-03-2012] – Wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra in verband met de kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (32 812)

De evaluatie loopt door tot 2020. Over de (tussen)resultaten wordt aan de Tweede Kamer gerapporteerd in de (halfjaarlijkse juni/december) voortgangsrapportages passend onderwijs.

De Staatssecretaris zegt toe dat hij bij de nadere uitwerking van het wetsvoorstel «Onderwijs op andere locatie», dat binnen een jaar naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, zal meenemen:- de partnerschapsschool;- de frequentie van de toetsing;- in hoeverre internationale onderwijsprogramma's interfereren met de landelijke examens.

Debat [22-03-2016] – VAO Onderwijs op een andere locatie

In het eerste kwartaal van 2020 wordt de wetswijziging die thuisonderwijs mogelijk maakt aangeboden aan de Tweede Kamer. De Tweede Kamer zal dan over de toezegging worden geïnformeerd.

In 2020 volgt de evaluatie van de Wet overheveling buitenonderhoud po.

Debat [19-04-2016] – VAO Onderwijshuisvesting PO/VO

De Tweede Kamer ontvangt in 2020 de evaluatie van de Wet overheveling buitenonderhoud.

De Staatssecretaris gaat om de tafel zitten met de sociale partners en de inspectie om te bekijken of de huidige systematiek van de verklaringen omtrent het gedrag kan worden verbeterd, ook in het licht van een aantal zaken die recentelijk hebben gespeeld.

Debat [05-10-2016] – Wetsvoorstel Lerarenregister

De Tweede Kamer is eerder over de voortgang van de toezegging geïnformeerd met de brief Stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs van 5 februari 2018. In het najaar 2018 zal de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media gesprekken voeren over dit onderwerp met de bewindslieden van Justitie en Veiligheid, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Aan het einde van het jaar is het wetsvoorstel gereed om samenwerkingsverbanden te verplichten een doorzettingsmacht te regelen.

Debat [05-07-2017] – Voortgangsrapportage Passend Onderwijs

De Tweede Kamer zal in het najaar van 2018 worden geïnformeerd.

Eind volgend jaar ontvangt de Tweede Kamer de evaluatie van de eindtoets.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

De evaluatie van de Wet Eindtoetsing PO loopt tot einde 2018.

Begin 2019 zal de rapportage van de eindevaluatie met een beleidsreactie naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

De Minister hoopt, na overleg met VWS, voor de zomer oplossingsrichtingen inzake de financiering van zorg en onderwijs voor leerlingen met ernstige meervoudige beperkingen met de Tweede Kamer te kunnen delen.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

De Tweede Kamer wordt over de toezegging geïnformeerd door de Minister van VWS met een brief over Financiering van zorg en onderwijs in het najaar 2018.

Eind van het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de eerste resultaten van de invoering van de wet pseudonimisering.

Debat [31-01-2018] – AO ICT in het onderwijs en Leermiddelen (marktordening) – Digitalisering

De Tweede Kamer zal in November 2018 worden geïnformeerd.

De Minister zegt toe dat in de voortgangsrapportage lerarentekort (na de zomer) ook de rol van uitzendbureaus zal worden belicht.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

De Tweede Kamer wordt eind 2018 geïnformeerd over de toezegging.

Inzake het werkdrukakkoord: we zullen uiteraard de Tweede Kamer daarover rapporteren als de afspraken zijn gemaakt.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

De Tweede Kamer wordt eind 2018 geïnformeerd over de toezegging.

Vóór de zomer van 2018 ontvangt de Tweede Kamer de uitwerking van de motie Bruins c.s. inzake de bevordering van voltijdaanstelling en grotere deeltijdaanstelling.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

De Tweede Kamer zal in het najaar 2018 worden geïnformeerd.

De Tweede Kamer ontvangt vóór het zomerreces de opzet voor de monitor «Inzet middelen werkdrukakkoord».

Debat [18-04-2018] – AO Groepsgrootte in het basisonderwijs en de Werkdruk in het Primair Onderwijs

De Tweede Kamer zal najaar 2018 worden geïnformeerd.

In het definitieve voorstel voor de nieuwe verdeling van middelen voor onderwijskansenbeleid, wordt de Tweede Kamer ook geïnformeerd over de opzet van de monitoring en evaluatie hiervan, en de suggesties in het AO gedaan worden daarbij in overweging genomen

Debat [17-05-2018] – AO Onderwijskansenbeleid

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de toezegging in de brief monitoring en evaluatie die in het najaar 2018 zal worden verstuurd.

De Minister stuurt de Tweede Kamer na de zomer een brief over ouderbetrokkenheid.

Debat [20-06-2018] – Debat over Werkdruk en Salarissen van Leraren in het Basisonderwijs

De Minister informeert de Tweede Kamer in het najaar 2018 met een brief.

De Tweede Kamer ontvangt vóór het eind van de zomer de evaluatie die de PO-raad heeft opgesteld van Vensters voor verantwoording.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

De Tweede Kamer ontvangt eind september 2018 de evaluatie.

De voorhang AMvB over eindtoetsen basisonderwijs (n.a.v. uitwerking motie) ontvangt de Tweede Kamer in november 2018.

Debat [25-06-2018] – Wetgevingsoverleg slotwet / jaarverslag en Staat van het Onderwijs (MOCW en MBVOM)

De Tweede Kamer zal in november 2018 worden geïnformeerd over eindtoetsen basisonderwijs.

DIRECTIE VOORTGEZET ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Begin 2017 ontvangt de Tweede Kamer een overzicht (een tussenstand) van de werkelijke omzetting naar de nieuwe profielen door de vmbo-scholen die daar in 2016 toe zijn overgegaan. Een volledig beeld komt begin 2018.

Debat [03-11-2016] – Begroting OCW

De Tweede Kamer wordt in het najaar 2018 hierover geïnformeerd.

Na de jaarwisseling ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel «Meer ruimte voor nieuwe scholen».

Debat [03-11-2016] – Begroting OCW

Naar verwachting is in het najaar 2018 het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.

In de loop van 2018 zal de Minister een nieuw voorstel inzake de rekentoets in samenspraak met de Vereniging van Wiskundeleraren presenteren.

Debat [06-12-2017] – Begrotingsbehandeling OCW

Minister Slob informeert De Tweede Kamer in het najaar 2018 over de verdere invulling van deze tussenoplossing. Op 7 maart 2018 is de Kamer over de toezegging geïnformeerd met brief over het nieuwe perspectief voor de rekentoets.

De Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO (de «Dans en Muziek-regeling») wordt op dit moment geëvalueerd. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie bekijkt de Minister of de regeling moet worden gewijzigd. Deze eventuele wijzigingen zouden in dat geval per 1 augustus 2018 in werking treden.

Brief [06-12-2017] – Beantwoording vragen over de begrotingsbehandeling van OCW 2018 (inclusief nagekomen vragen over Media)

De Evaluatie Beleidsregel verstrekking DAMU-licentie VO is afgerond door Oberon. De startnota over de wijzigingen in de beleidsregel is momenteel in voorbereiding. Naar verwachting treedt de aangepaste beleidsregel per 1 januari 2019 in werking.

Inzake uitwerking verwachten voor het recht op maatwerk en het maatwerkdiploma: over deze beide trajecten zal de Minister de Tweede Kamer voor de kerst van 2018 informeren.

Brief [06-12-2017] – Beantwoording vragen over de begrotingsbehandeling van OCW 2018 (inclusief nagekomen vragen over Media)

Inzake uitwerking verwachten voor het recht op maatwerk en het maatwerkdiploma: over deze beide trajecten zal de Minister de Tweede Kamer voor het einde van 2018 informeren.

De Tweede Kamer wordt zoveel mogelijk in samenhang geïnformeerd over de volgende onderzoeken en projectresultaten inzake flexibilisering examens, waaronder: Pilot «Recht op maatwerk» (met 30 scholen); Onderwijsverslag, onderdeel toetsen, april 2018; Onderwijsraadadvies over toetsen, vóór zomer 2018; Curriculum.nu, begin 2019.

Debat [07-02-2018] – AO Examens in het VO

Begin 2019 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de projectresultaten inzake flexibilisering examens.

De Minister zegt toe dat hij in gesprek gaat met de verenigde groep «Leerlingen met een chronische beperking» over mogelijkheden van deelexamens.

Debat [07-02-2018] – AO Examens in het VO

De Tweede Kamer wordt in het najaar 2018 geïnformeerd over leerlingen met een chronische beperking over mogelijkheden van deelexamens.

Eind 2018 ontvangt de Tweede Kamer het onderzoek in het kader van de Impuls Tekortvakkenregeling. Hierin wordt ook aandacht besteed aan de zijinstromers.

Debat [14-03-2018] – AO Leraren

De Tweede Kamer wordt eind 2018 geïnformeerd over de toezegging.

De Tweede Kamer ontvangt binnen een maand een brief met de adviesaanvraag voor de adviescommissie «Aanpak leerlingdaling Voortgezet Onderwijs» onder leiding van de heer Dijkgraaf.

Debat [27-06-2018] – Krimp in het onderwijs

De Tweede Kamer ontvangt naar verwachting in september 2018 een brief met adviesaanvraag voor de adviescommissie «Aanpak leerlingdaling Voortgezet Onderwijs».

De Tweede Kamer ontvangt een brief met een schriftelijke beantwoording van de vragen die in dit AO nog niet zijn beantwoord.

Debat [27-06-2018] – Krimp in het onderwijs

Aan de toezegging wordt in het najaar van 2018 schriftelijke voldaan.

In de brief die de Tweede Kamer rond het zomerreces ontvangt wordt ingegaan op de toedeling van de «verhoging van de kleine scholentoeslag».

Debat [27-06-2018] – Krimp in het onderwijs

De Tweede Kamer ontvangt in september 2018 de brief Verhoging van de kleine scholentoeslag.

Naar verwachting ontvangt de Tweede Kamer voor het eind van 2018 het advies van de adviescommissie «Aanpak leerlingdaling Voortgezet Onderwijs».

Debat [27-06-2018] – Krimp in het onderwijs

De Tweede Kamer ontvangt voor het eind van het jaar 2018 een advies van de commissie over «aanpak leerlingdaling Voortgezet Onderwijs».

DIRECTIE WETGEVING EN JURIDISCHE ZAKEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

In de tweede helft van 2016 ontvangt de Tweede Kamer een verkennende studie over faillissement van scholen.

Debat [07-12-2015] – Notaoverleg over de initiatiefnota van het lid Straus: Krimp in het voortgezet onderwijs – van kramp naar kans

Op 22 juni 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen beantwoord in de zaak van FNV tegen Smallsteps B.V. (ECLI:EU:C:2017:489). De beantwoording van deze vragen heeft grote consequenties voor het antwoord op de vraag wanneer sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in de richtlijn 2001/23 (geïmplementeerd in titel 10, afdeling 8, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek). De beantwoording van het Hof strekt ertoe dat ook sprake is van overgang van een onderneming als de onderneming wordt overgedragen binnen een faillissementsprocedure niet hoofdzakelijk is gericht op de liquidatie van de onderneming, maar juist op de voortzetting daarvan (zoals bijvoorbeeld bij het geval is bij een faillissement dat met een «pre-pack» is voorbereid).

Deze ontwikkelingen hebben genoopt tot een heroverweging van nut en noodzaak van het voorstel van wet tot wijziging van onderwijswetten voor het vergroten van de mogelijkheden voor een doorstart van onderwijsinstellingen bij faillissementen van rechtspersonen die onderwijsinstellingen in stand houden. Deze heroverweging is thans nog gaande en zal naar verwachting in de eerste helft van 2019 worden afgerond. De Tweede Kamer wordt alsdan geïnformeerd.

Het wetsvoorstel inzake het openbaar maken van jaarverslagen van scholen (van scholen voor primair en voortgezet onderwijs) kan de Tweede Kamer begin 2018 verwachten.

Debat [21-06-2017] – WGO Wetgevingsoverleg over de Slotwet 2016, het jaarverslag 2016 en het Onderwijsverslag 2015–2016

Dit onderwerp maakt deel uit van het wetsvoorstel actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs dat binnenkort voor advies zal worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het vierde kwartaal van 2018 ingediend bij de Tweede Kamer.

Voor het eind van 2018 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel waarin de burgerschapsopdracht wordt aangescherpt.

Debat [29-03-2018] – Dertigledendebat burgerschapsonderwijs en maatschappijleer

Voor het eind van 2018 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel waarin de burgerschapsopdracht wordt aangescherpt.

Voor het einde van 2018 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel waarin instemmingsrecht wordt geregeld op hoofdlijnen van de begroting van een school. Daarin wordt óók het adviesrecht geregeld op beleid m.b.t. groepsgrootte.

Debat [18-04-2018] – AO Groepsgrootte in het basisonderwijs en de Werkdruk in het Primair Onderwijs

In het najaar van 2018 ontvangt de Tweede Kamer eerst een beleidsreactie op de veldconsulatie naar een instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad op de financiën in het funderend onderwijs.

B. Door de Staten-Generaal gedane toezeggingen

Toezeggingen Eerste Kamer

DIRECTIE ERFGOED EN KUNSTEN

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een motie van het lid Gerkens (SP), toe de wet formeel na vijf jaar te evalueren, maar als er signalen zijn, die signalen er binnen drie jaar uit te lichten om de Kamer er apart over te informeren.

Debat [08-12-2015] – Erfgoedwet

De Erfgoedwet trad op 1 juli 2016 in werking. Het Ministerie van OCW evalueert de wet 5 jaar na de inwerkingtreding. Op dit moment zijn er geen signalen bekend die aanleiding geven tot maatregelen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schnabel (D66), toe rapporten van deskundigencommissies met betrekking tot de vervreemding van cultuurgoederen door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan gemeenten, provincies en Rijk in principe openbaar te maken als die aan haar toegezonden zijn.

Debat [08-12-2015] – Erfgoedwet

De Erfgoedwet trad op 1 juli 2016 in werking. Er zijn nog geen rapportages door deskundigencommissies uitgebracht.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Atsma (CDA) en Schnabel (D66), toe om samen met de Museumvereniging en de musea te evalueren of de gekozen aanpak voldoende recht doet aan de bekostiging van de collectie. Indien nodig kan de bekostiging per 2021 worden aangepast. De ervaringen uit 2017–2020 worden daarbij betrokken.

Debat [08-12-2015] – Erfgoedwet

Uitkomsten van een onderzoek naar de kostenstructuur van de museale exploitatie betrekt het Ministerie van OCW bij de planvorming van de periode 2021–2024.

DIRECTIE HOGER ONDERWIJS EN STUDIEFINANCIERING

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Koole (PvdA) en Ganzevoort (GL), toe dat het comprimeren van deeltijdstudies niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en dat dit aan de onderwijsinstellingen wordt gecommuniceerd.

Debat [17-04-2012] – Mondeling overleg met de Staatssecretaris inzake de uitvoering van de motie Ganzevoort c.s.

Met het terugdraaien van de langstudeerdersmaatregel is de noodzaak tot het comprimeren van deeltijdstudies komen te vervallen. Dit is een doorlopende toezegging.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Essers (CDA) en Engels (D66), toe over twee studiejaren te bezien of de voorlichting en communicatie over de gelijkschakeling van titulatuur voor hbo en wo helder genoeg zijn. Tevens zegt zij toe over dit onderwerp te praten met andere partijen, waaronder werkgevers, teneinde verwarring te voorkomen.

Debat [09-07-2013] – overleg Wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid

Op 18 januari 2017 is de brief inzake uitstel evaluatie titulatuur aan de Eerste Kamer verzonden waarin is aangegeven dat de evaluatie twee jaar is uitgesteld.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ganzevoort (GroenLinks), toe te borgen dat de extra investeringen inhoudelijk gestuurd worden en dat de studenten daarin een belangrijke stem hebben. De relevante concept-AMvB wordt, na overleg met VSNU, de Vereniging Hogescholen en de studentenorganisaties, naar beide Kamers gestuurd.

Debat [20-01-2015] – Plenair debat over de Wet studievoorschot hoger onderwijs (34 035)

Op 9 april 2018 zijn door de Minister van OCW met de VH, VSNU, ISO en LSVb afspraken gemaakt over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd. De concept-AMvB wordt in oktober 2018 voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe een ex ante raming van de macro-economische effecten van het wetsvoorstel en de effecten van de maatregelen op arbeid mee te nemen bij de wetsevaluatie.

Debat [20-01-2015] – Plenair debat over de Wet studievoorschot hoger onderwijs (34 035)

De effecten worden onderzocht bij de evaluatie van de wet Studievoorschot. Wanneer de wetsevaluatie plaatsvindt is nog niet bekend. Dit is een doorlopende toezegging.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe dat in 2020/2021 een evaluatie zal plaatsvinden waarin in ieder geval worden meegenomen de praktische uitwerking van het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs en Examenregeling (OER) en hoe dit recht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen waaronder die van de faculteitsraad, tot het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo en tot het collegegeldvrij besturen.

Debat [07-06-2016] – behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

Naar verwachting wordt eind 2020 de evaluatie in gang gezet.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Bruijn (VVD), Martens (CDA) en Rinnooy Kan (D66), toe na afloop van het studiejaar 2017/2018 een momentopname te maken inzake de vraag of er reden is tot zorg, bijstelling, extra uitleg of voorlichting, facilitering en ondersteuning van de opleidingscommissies.

Debat [07-06-2016] – behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

Eind 2018 wordt conform toezegging een momentopname gemaakt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rinnooy Kan (D66), toe bij de evaluatie van de prestatieafspraken terug te komen op het evenwicht tussen het horizontale en het verticale verantwoordingbeleid en de horizontale en verticale verantwoordingslasten.

Debat [07-06-2016] – behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

Op 9 april 2018 heeft de Minister van OCW afspraken gemaakt met Vereniging Hogescholen, VSNU, ISO en LSVb over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken hoger onderwijs. De betreffende concept-AMvB wordt in oktober 2018 bij de Eerste Kamer voorgehangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Rinnooy Kan (D66) en Nooren (PvdA), toe om in 2020 in een onderzoek te kijken of zich problemen hebben voorgedaan met de positionering van hogescholen, met de nadruk op de internationale omgeving. Daarbij wordt ook gekeken naar de titel van lector in internationale context. Dit onderzoek zal gecombineerd worden met de toezegging (T01763) die tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid is gedaan.

Debat [21-02-2017] – debat bescherming Namen en Graden HO 21 februari

Op 18 januari 2017 is de brief inzake uitstel evaluatie titulatuur aan de Eerste Kamer verzonden, waarin is aangegeven dat de evaluatie twee jaar is uitgesteld.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Bikker (ChristenUnie), toe te bekijken hoe de publieksvriendelijkheid van het CROHO kan worden verbeterd en de Eerste Kamer hierover te informeren.

Debat [21-02-2017] – debat bescherming Namen en Graden HO 21 februari

Op dit moment is OCW bezig met een traject om het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho) te moderniseren. In dat kader beziet OCW samen met de instellingen hoe Croho publieksvriendelijker kan worden gemaakt. Besluitvorming daarover heeft medio 2018 plaatsgevonden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Bruijn (VVD), Rinnooy Kan (D66) en Nooren (PvdA), toe om een kabinetsreactie (waarbij mogelijk de WRR betrokken wordt) aan de Eerste Kamer te sturen inzake het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef en het al dan niet omgaan met discriminatoire uitingen ten opzichte van andere grondrechten in een brede (onderwijs-overstijgende) context.

Debat [21-02-2017] – debat bescherming Namen en Graden HO 21 februari

Het Ministerie van OCW zal het thema interdepartementaal agenderen en bespreken hoe eventueel onderzoek om aan deze toezegging te kunnen voldoen kan worden uitgezet.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de leden Bruijn, Nooren en Gerkens toe de uitkomsten van het accreditatieonderzoek van de NVAO inzake de Geneeskundeopleidingen en daarbij in het bijzonder naar de positie van coschappen van geneeskundestudenten t.o.v. stages van andere studenten aan de Eerste Kamer te sturen.

Debat [21-02-2017] – Klein mondeling overleg geneeskundenstudenten en co-schappen

In de brief aan de Kamer van 19 april 2017 over «Nadere toelichting n.a.v. mondeling overleg d.d. 21 februari over geneeskundestudenten in hun coschapfase» wordt aangegeven dat eind 2018 aan de toezegging kan worden voldaan, omdat dan de accreditatie-uitkomsten beschikbaar komen.

DIRECTIE KENNIS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Ganzevoort (GroenLinks), toe dat zowel het rapport van de inspectie over de deugdelijkheidseisen als het rapport over de bevindingen (het stimulerende deel) openbare stukken zijn.

Debat [01-03-2016] – Initiatiefvoorstel-Bisschop, Van Meenen en Rog: Doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht

De toezegging heeft betrekking op elk onderzoek dat de inspectie doet op een school, opleiding of bestuur, en dat normaal gesproken openbaar zou zijn. Aan de toezegging wordt permanent uitvoering gegeven.

DIRECTIE MIDDELBAAR BEROEPSONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Backer (D66) en Linthorst (PvdA), toe de aantallen inschrijvingen bij de entreeopleidingen te monitoren en te bezien of herijking van het budget noodzakelijk is.

Debat [18-06-2013] – Wetsvoorstel Doelmatige Leerwegen (33 187)

De uitwerking van de toezegging wordt jaarlijks toegepast door elk jaar na te gaan hoeveel deelnemers in de entreeopleiding staan ingeschreven en op basis daarvan wordt het beschikbare budget daarop aangepast. In de regel wordt dit in september gedaan voor het budget voor het volgende jaar. In september 2018 wordt het budget voor 2019 vastgesteld op basis van deelnemers per 1 oktober 2017.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe de algemene maatregel van bestuur over de hoofdlijnen van de begroting voor het mbo te zijner tijd bij de Eerste Kamer voor te hangen.

Debat [07-06-2016] – EK behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

De Aob is van mening dat er een wettelijke uitwerking dient te komen van het begrip hoofdlijnen van de begroting en heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over haar standpunt. Voorhang bij de Eerste Kamer is in deze fase nog niet aan de orde. MBO Raad, JOB en het Platform medezeggenschap MBO hebben op 20 april 2017 een brief over een gezamenlijke handreiking gestuurd aan de Vaste Kamercommissie. De handreiking wordt geëvalueerd.

De Minister van Algemene Zaken zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Barth (PvdA), toe de eindrapportage van het programma Tel mee met Taal over laaggeletterdheid ook naar de Eerste Kamer te sturen.

Debat [04-12-2017] – Algemene Politieke Beschouwingen

Het programma Tel mee met Taal loopt tot en met 2018. De eindrapportage verschijnt begin 2019. Deze wordt dan zowel naar de Tweede Kamer als naar de Eerste Kamer gestuurd.

DIRECTIE MEDIA EN CREATIEVE INDUSTRIE

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe deze erkenningsperiode van 2016–2020 geen verdere wijzigingen in het publieke mediabestel door te voeren.

Debat [02-02-2016] – Plenair overleg Wetsvoorstel Media

In het Regeerakkoord is opgenomen dat er de komende periode geen wijzigingen in het bestel zullen plaatsvinden. Voor de huidige kabinetsperiode kan worden verondersteld dat daarmee de toezegging gestand is gedaan.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Atsma (CDA), toe dat er per provincie minimaal één regionale omroep blijft bestaan en dat het mogelijk blijft dat er in de provincie Zuid-Holland twee regionale omroepen zijn.

Debat [01-03-2016] – voortzetting Mediadebat

Op 15 mei 2018 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met maximering van het aantal regionale publieke media-instellingen (34 872) door de Eerste Kamer aangenomen. Het wetsvoorstel regelt dat er per provincie maximaal één regionale omroep kan worden aangewezen, met uitzondering van de provincie Zuid-Holland waar maximaal twee regionale omroepen kunnen worden aangewezen. Naar verwachting verandert de huidige situatie in de komende x-aantal jaren niet.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Sent (PvdA) en Lintmeijer (GroenLinks), toe de redactionele onafhankelijkheid in de regio in het regiowetsvoorstel wettelijk vast te leggen.

Debat [01-03-2016] – voortzetting Mediadebat

De Eerste Kamer is op 2 september 2016 geïnformeerd over de stand van zaken wetsvoorstel modernisering regionale publieke omroep. In deze brief geeft de voormalig Staatssecretaris aan dat het voorliggende wetsvoorstel nu nog niet aan de Kamer wordt voorgelegd. Er is geen voornemen om het wetsvoorstel alsnog in te dienen.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Sent (PvdA), Lintmeijer (GroenLinks) en Bikker (ChristenUnie) toe de afspraken in de gezamenlijke brief van de NPO en een groot deel van de omroeporganisaties van 28 februari 2016 over openstelling van het omroepbestel in relatie tot artikel 2.88 Mediawet volledig te onderschrijven. De brief wordt onderdeel van het wettelijk verplichte coördinatiereglement. De Staatssecretaris doet zijn uiterste best om de omroepen die de brief niet hebben getekend te betrekken bij de afspraken.

Debat [01-03-2016] – voortzetting Mediadebat Eerste Kamer

De Kamer wordt over de toezegging geïnformeerd met de brief Mediabegroting 2019 in november 2018.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt het lid Ten Hoeve toe de inhoudelijke strekking van de motie Ten Hoeve c.s. (34 264, K) over te nemen indien hij een doorbraak over het wetsvoorstel met de dertien regionale omroepen bereikt.

Debat [11-10-2016] – Wetsvoorstel 34 459 aanvullingen bij toekomstbestendig maken van de landelijke publieke mediadienst

De Eerste Kamer is op 2 september 2016 geïnformeerd over de stand van zaken wetsvoorstel modernisering regionale publieke omroep. In deze brief geeft de voormalig Staatssecretaris aan dat het voorliggende wetsvoorstel nog niet aan de Kamer wordt voorgelegd. Er is nu geen voornemen om het wetsvoorstel alsnog in te dienen.

DIRECTIE ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Martens (CDA), Bruijn (VVD) en Nooren (PvdA), toe over twee jaar met de VSNU en het Rectoren College te overleggen over de uitbreiding van het ius promovendi, over vijf jaar de wetswijziging te evalueren en die mee te nemen bij de Balans van de wetenschap in 2022. De naleving van de handreiking, het transnationale aspect, het toenemende aantal Engelstalige masteropleidingen en de aansluiting van die opleidingen op de beroepspraktijk worden daarbij betrokken.

Debat [06-06-2017] – Debat bevordering Internationalisering in het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

DIRECTIE PRIMAIR ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Ganzevoort (GroenLinks) en Backer (D66), toe de centrale eindtoets op zorgvuldige wijze in te voeren in het speciaal basisonderwijs, ná invoering van het passend onderwijs en pas als een adaptieve toets beschikbaar is.

Debat [03-12-2013] – Plenair debat 33 157 Wetvoorstel centrale eindtoets en leerling- en onderwijsvolgsysteem primair onderwijs

Inmiddels is gebleken dat de digitale adaptieve Centrale Eindtoets in 2018 nog niet voor alle leerlingen in het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs geschikt zal zijn en heeft de Minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media om die reden besloten een verplichte eindtoets in het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs op te schorten. De Eerste Kamer zal in augustus 2019 geïnformeerd worden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een opmerking van het lid Pijlman (D66, toe de motie-Pijlman c.s. (34 031, I) mee te nemen als onderdeel van de beleidsreactie op het definitieve advies van het Platform Onderwijs 2032.

Debat [22-09-2015] – Wetsvoorstel Aanbieden van Onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse Taal voor het Primair Onderwijs

De beleidsreactie wordt voorjaar 2019 naar de Eerste en Tweede Kamer verzonden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Bijsterveld (CDA) en Kops (PVV), toe het percentage onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal pas te wijzigen na discussie met de Kamers over de resultaten van de evaluaties.

Debat [22-09-2015] – Wetsvoorstel Aanbieden van Onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse Taal voor het Primair Onderwijs

De pilot Tweetalig Primair Onderwijs (TPO) loopt tot en met schooljaar 2018–2019. De Eerste Kamer ontvangt de resultaten van de evaluaties nadat de evaluatierapporten zijn opgeleverd. Aan de toezegging wordt opvolging gegeven indien een wijziging van het genoemde percentage eventueel in de toekomst aan de orde komt.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Pijlman (D66), aan de Eerste Kamer toe de systematiek van de indexering die het Ministerie van OCW in de regel ontvangt van het Ministerie van Financiën door te berekenen aan het dienstencentrum.

Debat [07-02-2017] – Behandeling Wetsvoorstel bekostiging levensbeschouwelijk onderwijs en godsdienstonderwijs op openbare scholen

De Eerste Kamer is op 6 juni 2018 geïnformeerd met de voorhangbrief Besluit tot wijziging van het Besluit bekostiging WPO en het Besluit bekostiging WEC in verband met de bekostiging van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen. Naar verwachting ontvangt de Eerste Kamer in september 2018 een verdere reactie.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Bruijn (VVD), Schalk (SGP) en Sent (PvdA), toe de evaluatie van de wet ook naar de Eerste Kamer te sturen. In de evaluatie wordt mede ingegaan op de additionele mogelijkheden om kleine scholen in stand te houden en op het aantal scholen dat gebruikmaakt van de mogelijkheid om een samenwerkingsschool te vormen. Daarbij wordt tevens aangegeven welk deel daarvan onder een bijzonder bestuur komt te vallen en welk deel onder een openbaar bestuur.

Debat [11-07-2017] – Wetsvoorstel Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool

De evaluatie wordt in 2020 naar de Eerste Kamer verstuurd.

DIRECTIE VOORTGEZET ONDERWIJS

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Flierman (CDA), Ganzevoort (GroenLinks), Kuiper (ChristenUnie) en de Lange (OSF) toe om (1) het ECPO te verzoeken de tijdens het debat genoemde wensen van de Eerste Kamer – waaronder het invoeringstraject – mee te nemen in het evaluatiekader, (2) het evaluatiekader aan de Kamer te sturen, (3) het passend onderwijs te evalueren en een halfjaarlijkse monitor aan de Kamer te zenden, alsmede (4) de wetgeving aan te passen indien dit nodig blijkt uit de evaluatie en/of monitoring.

Debat [02-10-2012] – Passend Onderwijs (32 812)

De Eerste Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsrapportage Passend Onderwijs. De evaluatie wordt in 2020 uitgevoerd. De Kamer wordt uiterlijk eind 2020 over de evaluatie geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt toe, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Sent (PvdA), voorafgaand aan de start van de tweede periode voor herregistratie, waarin rechtsgevolg verbonden wordt aan niet-herregistratie (de laatste fase) opnieuw een debat te voeren met de Eerste Kamer om te bezien hoe de arbeidsrechtelijke consequenties zich hebben ontwikkeld.

Debat [14-02-2017] – Wetsvoorstel Invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal

Dit debat zal eind 2022 / begin 2023 moeten worden ingepland. De laatste fase staat namelijk gepland om op 1/8/2023 in werking te treden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van het lid Bruijn (VVD), de Eerste Kamer toe in de evaluatie van de wet in 2022 bekijken of er met het «one man, one vote»-systeem wordt gewerkt.

Debat [14-02-2017] – Wetsvoorstel Invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal

Het punt wordt meegenomen in de evaluatie van de wet, die is voorzien voor 2022.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Bruijn (VVD), De Vries-Leggedoor (CDA) en Sent (PvdA) toe de Eerste Kamer te informeren over het proces van invoering van het lerarenregister en dit mee te nemen in de evaluatie.

Debat [14-02-2017] – Wetsvoorstel Invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal

In het najaar van 2018 zal er een update over het proces van de invoering van het lerarenregister aan de Eerste Kamer verzonden worden.

De evaluatie van de wet is voorzien binnen zes jaar na inwerkingtreding van de wet, dat wil zeggen in 2022.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Pijlman (D66) en Sent (PvdA), de Eerste Kamer toe in de evaluatie van de wet in 2022 te bekijken of en hoe de beroepsgroep informeel leren en teamleren een plek in het register heeft gegeven.

Debat [14-02-2017] – Wetsvoorstel Invoering van het lerarenregister en het registervoorportaal

De Eerste Kamer wordt geïnformeerd met een brief over evaluatie van de wet, die is voorzien voor 2022.

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

Tabel Subsidies art.nr. 1 Primair onderwijs (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (jaartal van de regeling)

Regeling Onderwijsvoorzieningen jongeren met een handicap (UWV) 1

23.191

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

geen

2019

20182

Regeling Onderwijs in het buitenland (Stichting NOB)

10.724

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

13.394

geen

2019

20182

WOOS: Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

11.510

11.630

12.130

12.630

13.130

13.630

13.630

geen

2023

2023

WOOS: Basis voor Presteren («School aan Zet» en «Bèta en Techniek»)

1.519

           

2015

geen3

2017

WPO: Academische ziekenhuizen en SBD’s voor onderwijs aan zieke leerlingen 4

6.920

6.920

6.920

6.920

6.920

6.920

6.920

geen

2019

20182

WOOS: Arbeids- en kennisactiviteiten PO

2.020

           

geen

geen5

2017

WOOS: aanpassen lesmaterialen ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen (Dedicon)

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

3.100

geen

2019

20182

WOOS: Techniekpact

2.275

1.825

1.375

       

geen

2019

2019

WOOS: FODOK

60

35

         

2014

2019

2018

WOOS: Goed Worden, Goed Blijven (PO-Raad)

3.089

           

geen5

2019

2018

SLOA/WOOS: Nederlands Gebarencentrum

487

487

487

487

487

487

487

geen

2019

2018

WOOS: Ouderorganisatie

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

2014

2019

2018

WOOS: PO-Raad diversen

3.671

           

geen

geen3

2017

WOOS: Stichting Gedragswerk

640

640

640

640

640

640

640

2015

2020

2018

WOOS: Vensters PO

 

330

         

2014

geen

2018

WOOS: Onderwijsconsulenten (Stichting Ondersteuning Scholen en ouders)

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

geen

2019

2018

WOOS: Q voor besturen (PO Raad)

2.245

           

geen6

2018

2018

Regeling lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom

0

0

6.000

12.000

13.000

21.000

21.000

2015

2021

2021

Kaderregeling Subsidiëring onderzoek en wetenschap: Pre COOL-onderzoek (NWO)

375

375

375

375

     

2015

2019

2020

WOOS: Regeling Cultuurbegeleider

1.000

1.000

1.000

1.000

     

geen

2020

2020

Overige beschikkingen op basis van WOOS/SLOA

12.551

24.198

27.783

29.381

31.870

31.870

31.870

divers

divers

divers

Totaal subsidie(regelingen)

88.877

90.434

99.704

106.427

109.041

117.541

117.541

     
1

Wettelijke grondslag op basis van de Wet op het primair onderwijs.

2

De regeling wordt jaarlijks getoetst en opnieuw toegekend.

3

Betreffen kortlopende subsidies. Zijn inmiddels beëindigd.

4

Dit betreft de bekostiging van academische ziekenhuizen.

5

Geen volgende evaluatie. Vanaf 2018 in lumpsum.

6

Evaluatie via monitor bestuursakkoord PO 2017.

Tabel Subsidies art.nr. 3 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Basissubsidie Stichting Kennisnet

12.280

12.260

12.240

12.240

12.240

12.240

12.240

2015

2020

jaarlijks1

ICT projecten (incl. transparantie)

6.172

4.749

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

2017

2020

jaarlijks2

Pilot zomerscholen

8.276

8.150

9.000

2018

 

2019

Overig totaal

27.745

47.072

62.543

63.766

64.761

64.626

64.796

     

Bestaande uit:

                   

WOOS:

                   

Stichting school en Veiligheid

1.835

1.625

1.096

1.096

1.096

1.096

1.096

2017

 

Jaarlijks1

Europees Platform

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

2014

2020

Jaarlijks2

Kansengelijkheid

11.500

17.436

31.000

31.000

31.000

31.000

31.000

geen

2018

2020

VMBO-techniek3

3.500

5.000

2.800

1.000

1.000

1.000

     

Overige subsidies4

13.310

23.411

24.347

27.770

30.565

30.430

30.600

divers

divers

divers

Totaal subsidieregelingen

54.473

72.231

88.783

81.006

82.001

81.866

82.036

     
1

Regeling wordt jaarlijks verlengd (betreft jaarlijkse instellingssubsidie op basis van een bestuurlijke verplichting)

2

Subsidie wordt jaarlijks getoetst en verlengd.

3

Er wordt subsidie verschaft voor het bijscholen van technische docenten, het verbeteren van het vmbo-imago en vakwedstrijden en ter ondersteuning en uitvoering van de regionale aanpak. De besteding wordt geëvalueerd door middel van de jaarverantwoording.

4

Onder meer subsidies voor excellente en zwakke scholen, loopbaanoriëntatie en -begeleiding, lerarenregister en het lerarenontwikkelfonds

Tabel Subsidies art.nr. 4 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (regeling) (jaartal)

Subsidieregeling praktijkleren

196.500

201.524

185.048

202.500

196.500

191.500

175.500

geen

2018

2019

Permanent leren

7.250

186.650

196.800

196.800

196.800

geen

nnb

nnb

Subsidieregeling Tel mee met Taal

14.072

22.795

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

2017

2018

2021

Loopbaanorientatie

1.462

2.753

2.253

1.275

1.275

1.300

1.300

2016

2020

2019

ROC Leiden

7.017

525

         

geen

nnb

2018

                     

Overig totaal bestaande uit:

16.257

20.610

14.442

7.822

12.560

12.560

12.560

divers

divers

divers

Beoordeling kwaliteitsplannen/exellentieplannen

2.000

2.000

1.021

       

2017

2019

2019

Overig

14.257

18.610

13.421

7.822

12.560

12.560

12.560

     

Totaal subsidieregelingen

235.308

248.207

220.993

410.247

419.135

414.160

398.160

     
Tabel Subsidies art.nr. 6 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Regeling: Stimulering Bèta/techniek

3.143

           

2017

n.v.t.

2018

WOOS: Overige subsidies ≤ € 1 miljoen1

1.858

1.909

408

355

153

153

153

divers

divers

divers

Totaal subsidieregelingen

5.001

1.909

408

355

153

153

153

     
1

In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de subsidies van het betreffende begrotingsartikel verstrekt onder de WOOS doorgelicht.

Tabel Subsidies art.nr. 7 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Regeling: Open en online onderwijs

988

1.576

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Geen

2020

2022

WOOS: Overige subsidies ≤ € 1 miljoen1

1.565

2.501

2.641

2.566

2.493

2.288

2.288

divers

divers

divers

                     

Totaal subsidieregelingen

2.553

4.077

4.641

4.566

4.493

4.288

4.288

     
1

In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de subsidies van het betreffende begrotingsartikel verstrekt onder de WOOS doorgelicht.

Tabel Subsidies art.nr. 8 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Subsidiebeschikking (WOOS) Neth-ER

600

600

         

2013

 

2018

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

186

196

196

196

196

196

196

Geen evaluatie voorzien

Gezien aard regeling geen evaluatie voorzien1

2023

DutchCulture

                 

2017

Stichting Lezen en Schrijven

                 

2018

Overige incidentele subsidies

70

115

125

125

60

60

70

Geen evaluatie voorzien

Gezien aard regeling geen evaluatie voorzien1

2022

Docentenuitwisseling Fulbright Center

                 

2018

NWS

                 

2019

Totaal subsidieregelingen

856

911

321

321

256

266

266

     
1

Vanwege het algemene, kaderstellende karakter van de WOOS en Kaderregeling heeft deze geen einddatum en is een evaluatie van doelmatigheid en doeltreffendheid als zodanig niet mogelijk. Evaluatie van verstrekte subsidies op basis van de regeling kan deel uitmaken van beleidsevaluaties. In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de subsidies van het betreffende begrotingsartikel verstrekt onder de WOOS doorgelicht: de planning beleidsdoorlichtingen is te vinden in de Beleidsagenda.

Tabel Subsidies art.nr. 9 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Regeling Lerarenbeurs

109.945

97.078

104.300

104.300

104.300

104.300

104.300

2017

2021

1-4-2022

Regeling zij-instroom

   

8.000

4.000

4.000

4.000

4.000

2017

 

1-1-2022

Regeling korte scholingstrajecten

   

6.500

6.500

6.500

6.500

6.500

geen1

2019

1-1-2020

WOOS: Impuls Lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

2.625

1.609

         

geen2

 

2018

WOOS: Onderwijscoöperatie

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

geen3

   

WOOS: Promotiebeurs voor leraren (via NWO)

3.251

           

geen3

 

2017

WOOS: Projecten professionalisering

3.899

2.000

         

geen3

   

WOOS: Overige projecten

2.674

5.794

4.976

3.584

3.584

3.019

3.019

geen3

   

Totaal subsidieregelingen

125.339

109.426

126.721

121.329

121.329

120.764

120.764

     
1

De regeling is pas in 2017 in werking getreden.

2

Resultaten zijn nog niet beschikbaar.

3

Verantwoording vindt plaats via de jaarrekening of het jaarverslag van de subsidieontvangers.

Tabel Subsidies art.nr. 14 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Wet Specifiek Cultuurbeleid:

                   

Verbreden inzet cultuur

8.991

13.968

16.516

16.566

14.491

17.516

17.516

2013–2016

2018

jaarlijks

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

6.327

9.172

9.005

9.005

8.052

8.052

8.052

2016

2018

jaarlijks

Programma leesbevordering

3.437

3.413

3.350

3.350

3.350

3.350

3.350

2017

2019

2019

Creatieve Industrie

1.823

7.566

7.475

1.975

1.975

1.975

1.975

*1

*1

*1

Monumentenzorg

0

1.939

0

0

0

0

0

*1

*1

*1

Programma Erfgoed en ruimte

2.667

3.848

0

0

0

0

0

20162

ntb3

20183

Programma Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

3.000

2.250

2.450

2.750

2.750

n.v.t.

Ntb3

2025

Specifiek cultuurbeleid

22.284

43.747

38.017

31.293

17.586

13.864

13.864

*1

*1

*1

Totaal subsidieregelingen

45.529

83.653

77.363

64.439

47.904

47.507

47.507

     
1

Bovenstaande subsidies zijn veelal programma’s en activiteiten, die niet het karakter hebben van een subsidieregeling. Om die reden is niets ingevuld onder «laatste evaluatie», «volgende evaluatie» en onder «einddatum subsidie (regeling)». De middelen worden beschikt en verantwoord door het Ministerie van OCW op basis van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid. De verantwoording bevat een activiteitenverslag of bestuursverslag en een financieel verslag of jaarrekening die voorzien is van een accountantsverklaring. Naast evaluatie is ook monitoring toegevoegd, omdat dit ook inzicht biedt in de voortgang en effectiviteit van beleid. In 2022 vindt tevens een beleidsdoorlichting plaats.

2

Interne Midtermreview door de ADR

3

Vervolgprogramma op Erfgoed en ruimte, Erfgoed en fysieke leefomgeving, wordt nader ingevuld, inclusief evaluatie Erfgoed en ruimte.

Tabel Subsidies art.nr. 15 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Regeling op het Specifiek Cultuurbeleid

311

649

894

894

894

894

894

Geen1

   

Totaal subsidieregelingen

311

649

894

894

894

894

894

     
1

Bovenstaande subsidie bevat programma’s en activiteiten die niet het karakter hebben van een subsidieregeling. Om die reden is niets ingevuld onder «laatste evaluatie», «volgende evaluatie» en onder «einddatum subsidie (regeling)». De middelen worden beschikt en verantwoord door het Ministerie van OCW op basis van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid en de Mediawet 2008. De verantwoording bevat een activiteitenverslag of bestuursverslag en een financieel verslag of jaarrekening die voorzien is van een accountantsverklaring.

Tabel Subsidies art.nr. 16 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Subsidieregeling Stichting AAP

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

Geen

Geen1

20331

WOOS:

                   

Stichting NLBIF

0

550

550

550

550

550

550

20142

2021

jaarlijks3

Naturalis Biodiversity Center

6.265

6.265

6.265

6.265

6.266

6.266

6.266

20142

2021

jaarlijks3

BPRC

9.608

9.608

9.608

9.608

9.609

9.609

9.609

20142

2021

jaarlijks3

NCWT/NEMO

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

3.366

20142

2021

jaarlijks3

STT

221

221

221

221

221

221

221

20142

2021

jaarlijks3

Nationale Coördinatie

1.254

4.189

5.195

5.803

6.252

6.252

6.252

20142

2021

jaarlijks3

Totaal subsidieregelingen

21.746

25.231

26.237

26.845

27.296

27.296

27.296

     
1

Looptijd subsidie tot en met 2033 is vastgelegd in de subsidieregeling Stichting AAP.

2

Deze instellingen zijn onderdeel van het Nederlandse wetenschapsstelsel en zijn vanuit die rol meegenomen in het IBO wetenschappelijk onderzoek.

3

Subsidie wordt jaarlijks getoetst en verlengd.

Tabel Subsidies art.nr. 25 (Bedragen x € 1.000)

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Laatste evaluatie (jaartal met hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie (-regeling)(jaartal)

Subsidieregeling emancipatie 2011

4.266

1.623

786

78

     

20181

 

2017

Subsidieregeling gender- en lhbti-gelijkheid 2017–2022

697

2.340

2.645

3.353

3.406

3.416

3.416

 

20221

 

Totaal subsidieregelingen

4.963

3.963

3.431

3.431

3.406

3.416

3.416

     
1

Evaluatie van verstrekte subsidies op basis van de regeling kan deel uitmaken van beleidsevaluaties.

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek

Art.nr. 1 Primair onderwijs
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Primair onderwijs

2022

2022

 

1b.

Ander ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Pre-cool onderzoek (NRO)

2009

2020

   

Evaluatie Wet centrale eindtoets en verplicht leerlingvolgsysteem

2014

2019

   

Effectstudie Pilot Tweetalig PO

2015

2020

   

Bewegingsonderwijs: relatie sport, bewegen en leerprestaties (NRO)

2015

2020

   

Lange termijnevaluatie passend onderwijs (NRO)

2015

2020

   

Onderzoek VVE innovatiecentra

2017

2020

   

Kwaliteit van sturing in het po (NRO)

2017

2019

   

Pilot werkplaatsen Onderwijsonderzoek po (NRO)

2018

2019

   

Beleidsonderzoek naar werkdruk t.b.v. tussenevaluatie werkdrukakkoord (uitvoerende nog niet bekend)

2019

2020

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Monitor Techniekpact

2012

2020

Art.nr. 3 Voortgezet onderwijs
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Voortgezet onderwijs

2022

2022

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Lange termijnevaluatie passend onderwijs (NRO)

2015

2020

   

Evaluatie nieuwe profielen vmbo

2015

2021

   

Monitoring en evaluatie technisch vmbo

2018

2023

   

Kansengelijkheid

2017

2018

   

Evaluatie wet veiligheid op school

2019

2019

   

Evaluatie SLOA 2013

2019

2019

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Monitoring experiment regelluwe scholen PO en VO

2015

2021

   

Jaarlijks onderzoek groepsgrootte in het VO

2013

2021

   

Monitor experimenten doorlopende leerlijnen Vakmanschapsroute en Technologieroute

2014

2022

   

Schaduwonderwijs

2019

2019

Art.nr. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Art. 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

2019

2019

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Analyse effectrapportage RMC

Jaarlijks

In april

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Positie schoolverlaters op de arbeidsmarkt (CBS)

Jaarlijks

September

   

Monitor experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014–2021

2014

2021

   

Ontwikkeling/monitoring toetsen taal en rekenen

Jaarlijks

Voorjaar

   

Evaluatie Kwaliteitsafspraken Nieuwe stijl

2018

2022

   

NRO kennisrotonde (jaarlijkse bijdrage)

2017

2020

   

Onderzoek NLFQ

2017

2017

   

De Toekomst van Volwasseneneducatie; Evaluatie wijziging Wet educatie en Beroepsonderwijs

2017

2017

   

NRO evaluatie 2 beleidsinterventies in het mbo:

* herziening kwalificatiestructuur

2017

2020

   

* doelmatigheid

2017

2021

   

Monitoring en evaluatie «Ruimte in de kwalificatiestructuur/Cross-overs/Certificaten»

2018

2025

   

Monitor Tel mee met taal

2016

2018

   

NRO onderzoek t.b.v. Programma Tel mee met taal

2016

2018

   

Monitor Keuzedelen

2018

2021

   

Evaluatie regeling Praktijkleren

2018

2018

   

Evaluatie commissie Macro Doelmatigheid-MBO

2018

2018

   

Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE)/beleidsdoorlichting artikel 4

2018

2019

   

NRO Onderzoek Prognoses Onderwijs-Arbeidsmarkt

2018

2021

   

Academische Werkplaats Burgerschap

2018

2020

   

Academische Werkplaats ICT

2018

2020

   

Adult Learning Lab

2018

2018

   

Burgerschaps-lab

2018

2019

   

Onderzoek tevredenheid werkgeversonderzoek (motie Straus)

2018

2018

   

Verkenning Horizontale verantwoording

2018

2019

   

Evaluatie van de Wet op het toelatingsrecht

2018

2020

Art.nr. 6 Hoger beroepsonderwijs
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Artikel 6 en 7 (hbo en wo)

2018

2019

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N. v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Studentenmonitor (jaarlijks) (artikel 6, 7 en 11)

2018

2019

   

Monitor beleidsmaatregelen (jaarlijks) ((artikel 6, 7 en 11)

2018

2019

   

Medezeggenschapsmonitor (artikel 6 en 7)

2015

2018

   

Monitoring en evaluatie experiment vraagfinanciering en pilots flexibilisering (artikel 6 en 7)

2016

2021

   

Evaluatie experiment Flexstuderen (artikel 6 en 7)

2017

2022

   

Evaluatie nadere vooropleidingseisen mbo – hbo opleidingsroutes (artikel 6)

2017

2021

   

Monitoring implementatie wet Invoering associate degree-opleiding (artikel 6)

2017

2022

   

Onderzoek bekostigingssystematiek (artikel 6 en 7)

2017

2018

Art.nr. 7 Wetenschappelijk onderwijs
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Zie bij artikel 6

   
 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Zie bij artikel 6

   
Art.nr. 8 Internationaal beleid
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

N.v.t.

   
 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

N.v.t.

   
Art.nr. 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Onderzoek doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

2021

2021

 

1b.

Ander onderzoek doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Arbeidsmarktbarometer

2016

2019

   

Loopbaanmonitor

2016

2019

   

Integrale Personeelstelling VO (IPTO)

2016

2018

   

Verdiepende analyse op DUO-bestanden en ontwerp monitor en nulmeting

2018

2019

   

Verdiepend onderzoek naar belangrijke oorzaken van werkdruk en good practices

2019

2020

   

Evaluatie subsidieregeling vermindering werkdruk 2018

2018

2019

   

Anders organiseren

2018

2019

   

Differentiëren lerarenopleidingen

2018

2019

   

Nudgeproject om instroom in lerarenopleidingen te bevorderen in relatie tot twee jaar halvering collegegeld

2018

2019

   

Lerarenregister: nulmeting

2018

2019

   

Lerarenregister: customer journey

2018

2019

   

Strategisch HRM en professionalisering

2018

2019

   

Bevoegdheden

2019

2019

   

Onderzoek naar bijzondere nadere vooropleidingseisen

2019

2019

   

Onderzoek naar pilot mbo-pabo

2019

2019

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

TALIS Teaching and Learning International Survey

2016

2019

Art.nr. 11 Studiefinanciering
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

2019

2020

   

Studievoorschot hoger onderwijs

   
 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Monitoring studievoorschot hoger onderwijs

2015

2019

Art.nr. 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

N.v.t.

   
 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

N.v.t.

   
Art.nr. 13 Lesgeld
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

N.v.t.

   
 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

N.v.t.

   
Art.nr. 14 Cultuur
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Beleidsdoorlichting Artikel 14

2021

2021

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Eerste evaluatie Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

2019

2019

   

Derde evaluatie Wet vaste boekenprijs

2018

2019

   

Effecten Geefwet op cultuur

2018

2019

   

Evaluatie «muziek in de klas»

2018

2020

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Onderzoek cultuurparticipatie (VTO) en mediagebruik (MediaTijd) SCP

Doorlopend

 
   

CBS Cultuurstatistiek/Maatwerk

Doorlopend

 
   

Monitor Cultuureducatie PO/Cultuureducatie met Kwaliteit 2017–2020

2017

2021

Art.nr. 15 Media
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Art. 15 media

2019

2020

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Klanttevredenheid aanbod tv-pakketten (deel mediamonitor)

2019

2019

   

Diversiteit aanbod tv-pakketten (deel mediamonitor)

2019

2019

   

Evaluatie van de gemeentelijke bekostiging lokale publieke media-instellingen 2015–2018

2019

2019

Art.nr. 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Onderzoek en wetenschapsbeleid

2021

2021

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

Evaluatie NWO

2020

2020

   

Evaluatie KB

2019

2019

   

Evaluatie KNAW

2019

2020

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

n.v.t

   

3.

Overig onderzoek

   
   

N.v.t.

   
Art.nr. 25 Emancipatie
   

Titel/onderwerp

Start

Afronding

1.

Ex post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
 

1a.

Beleidsdoorlichtingen

   
   

Het bevorderen van emancipatie

2018

2018

 

1b.

Ander ex-post onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   

2.

Ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid

   
 

2a.

MKBA’s

   
   

N.v.t.

   
 

2b.

Ander ex ante onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid

   
   

N.v.t.

   

3.

Overig onderzoek

   
   

Emancipatiemonitor

Doorlopend

 
   

LHBTI-monitor

Doorlopend

 
   

Bedrijvenmonitor

2018

2019

   

Economische zelfstandigheid: Aansluiting onderwijs- en arbeidsmarkt jongeren

2016

2018

ART. NR. 1 PRIMAIR ONDERWIJS

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 1 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

11.302.400

0

11.302.400

411.927

11.714.327

425.023

431.700

440.049

439.342

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

1.707

1.707

Uitgaven

11.302.361

0

11.302.361

353.826

11.656.187

425.417

431.700

440.049

439.342

Waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,8%

99,9%

Bekostiging

10.675.549

0

10.675.549

367.457

11.043.006

424.025

429.005

434.861

433.118

Hoofdbekostiging

10.375.315

0

10.375.315

339.173

10.714.488

395.920

400.900

406.993

405.250

Bekostiging Primair Onderwijs

10.360.985

10.360.985

335.518

10.696.503

392.269

397.251

403.347

401.606

Bekostiging Caribisch Nederland

14.330

14.330

3.655

17.985

3.651

3.649

3.646

3.644

Prestatiebox

272.234

0

272.234

27.453

299.687

27.453

27.453

27.453

27.453

Aanvullende bekostiging

28.000

0

28.000

831

28.831

652

652

415

415

Overig

28.000

28.000

831

28.831

652

652

415

415

Subsidies

99.704

0

99.704

‒ 2.038

97.666

85

0

0

0

Regeling Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.000

23.000

0

23.000

0

0

0

0

Nederlands onderwijs buitenland

13.394

13.394

0

13.394

0

0

0

0

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

12.130

12.130

0

12.130

0

0

0

0

Overig

51.180

51.180

‒ 2.038

49.142

85

0

0

0

Opdrachten

14.511

0

14.511

‒ 10.721

3.790

‒ 3.853

‒ 3.186

‒ 1.034

‒ 200

Bijdrage aan agentschappen

30.852

0

30.852

10.811

41.663

5.160

5.881

6.222

6.424

Dienst Uitvoering Onderwijs

30.852

30.852

10.811

41.663

5.160

5.881

6.222

6.424

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7.734

0

7.734

0

7.734

0

0

0

0

Stichting Vervangingsfonds en Participatiefonds

5.231

5.231

0

5.231

0

0

0

0

UWV

2.503

2.503

0

2.503

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

462.328

0

462.328

0

462.328

0

0

0

0

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

462.328

462.328

0

462.328

0

0

0

0

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

11.387

0

11.387

‒ 11.387

0

296

296

296

296

Brede Scholen

11.387

11.387

‒ 11.387

0

296

296

296

296

Bijdrage aan sociale fondsen

296

0

296

‒ 296

0

‒ 296

‒ 296

‒ 296

‒ 296

Brede Scholen

296

296

‒ 296

0

‒ 296

‒ 296

‒ 296

‒ 296

Ontvangsten

8.661

0

8.661

3.600

12.261

18.300

1.800

600

500

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 411,9 miljoen verhoogd. Het verschil van € 58,1 miljoen tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt veroorzaakt doordat een deel van de stijging van de uitgaven in 2020 en verder al wordt verplicht in 2019.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 367,5 miljoen verhoogd. Deze verhoging is onder andere een gevolg van:

  • De toevoeging van de loon- en prijsbijstelling 2019 (€ 312,0 miljoen); zie de toelichting in paragraaf 2.1.

  • De kasschuif nieuw vrijgekomen middelen van de Aanvullende Post voor de Aanpak werkdruk primair onderwijs (€ 40,5 miljoen in 2019); zie de toelichting in paragraaf 2.1.

  • Het budgettaire effect van de referentieraming 2019 (€ 14,6 miljoen); zie de toelichting in paragraaf 2.1.

  • Een meevaller op de gewichtenregeling 2019 (€18 miljoen), doordat met ingang van 1 augustus 2019 een nieuwe toewijzingsregeling van kracht wordt. Daartegenover zijn er meerkosten (- € 15 miljoen) als gevolg van een groter beroep op de regeling eerste opvang vreemdelingen.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt per saldo met € 10,7 miljoen verlaagd. Deze verlaging is een gevolg van dertien interne en twee externe overboekingen voor gezamenlijk gefinancierde opdrachten die vanaf andere artikelen worden betaald.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen wordt met € 10,8 miljoen verhoogd. Deze mutatie wordt onder andere veroorzaakt door een herverdeling van de DUO-budgetten over de OCW-begroting. De toelichting op de herverdeling van de DUO-budgetten over de OCW-begroting wordt in paragraaf 2.1 gegeven.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken wordt met € 11,4 miljoen verlaagd. Dit betreft de bijdrage van OCW aan de Brede Regeling Combinatiefuncties.

ART. NR. 3 VOORTGEZET ONDERWIJS

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 3 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

8.681.647

0

8.681.647

484.957

9.166.604

214.495

200.324

197.614

201.887

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

17.145

17.145

Uitgaven

8.611.856

0

8.611.856

254.772

8.866.628

216.559

201.969

198.395

202.378

Waarvan juridisch verplicht

99,2%

99,2%

99,9%

Bekostiging

8.438.702

0

8.438.702

225.985

8.664.687

200.968

185.037

180.692

183.983

Hoofdbekostiging

8.123.369

0

8.123.369

209.041

8.332.410

183.698

167.735

163.390

166.681

Bekostiging voorgezet onderwijs lumpsum

8.108.177

8.108.177

208.043

8.316.220

182.703

166.839

162.494

165.813

Bekostiging lichte ondersteuning lwoo/pro

0

0

0

Bekostiging Caribisch Nederland

15.192

15.192

998

16.190

995

896

896

868

Prestatiebox

298.233

0

298.233

16.944

315.177

17.270

17.302

17.302

17.302

Regeling prestatiebox voortgezet onderwijs

298.233

298.233

16.944

315.177

17.270

17.302

17.302

17.302

Aanvullende bekostiging

17.100

0

17.100

0

17.100

0

0

0

0

Regeling IGVO (Internationaal Georganiseerd Voortgezet Onderwijs)

0

0

0

Regeling leerplusarrangement en eerste opvang nieuwkomers

0

0

0

Regeling bekostiging kenniscentra voor leerwerktrajecten vmbo

0

0

0

Regeling functiemix VO Randstadregio's

0

0

0

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor vo-scholen

17.100

17.100

17.100

Subsidies

88.783

0

88.783

‒ 1.212

87.571

‒ 6.557

‒ 6.482

‒ 6.432

‒ 6.472

Stichting Kennisnet (basissubsidie) PO, VO, MBO

12.240

12.240

12.240

ICT-projecten (incl. transparantie)

5.000

5.000

‒ 5.000

0

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 5.000

Pilots zomerscholen

9.000

9.000

9.000

Overige projecten

62.543

62.543

3.788

66.331

‒ 1.557

‒ 1.482

‒ 1.432

‒ 1.472

Opdrachten

7.425

0

7.425

‒ 1.533

5.892

‒ 565

‒ 565

‒ 465

‒ 300

In- en uitbesteding

7.425

7.425

‒ 1.533

5.892

‒ 565

‒ 565

‒ 465

‒ 300

Bijdrage aan agentschappen

29.967

0

29.967

22.805

52.772

23.972

25.405

26.026

26.426

Dienst Uitvoering Onderwijs

29.967

29.967

22.805

52.772

23.972

25.405

26.026

26.426

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

46.784

0

46.784

8.727

55.511

‒ 1.259

‒ 1.426

‒ 1.426

‒ 1.259

ZBO: College voor Toetsen en Examens

4.546

4.546

7.159

11.705

‒ 166

‒ 166

‒ 166

‒ 166

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

42.238

42.238

1.568

43.806

‒ 1.093

‒ 1.260

‒ 1.260

‒ 1.093

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

195

0

195

0

195

0

0

0

0

GRAZ (ECML) en PISA

195

195

195

Ontvangsten

7.391

0

7.391

7.391

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 485 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 230 miljoen) wordt veroorzaakt doordat een groot deel van de stijging van de uitgaven in 2020 wordt verplicht in 2019.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 226 miljoen verhoogd. Dit wordt met name veroorzaakt door het toevoegen van de loonbijstelling van € 224,7 miljoen over de bekostiging (zie hiervoor de toelichting in paragraaf 2.1). Daarnaast zijn er meerkosten van € 7,6 miljoen als gevolg van een groter beroep op de bekostiging aan nieuwkomers. Daartegenover is er een meevaller op de Referentieraming 2019 van € 8,9 miljoen (zie de toelichting in paragraaf 2.1).

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor bijdrage aan agentschappen wordt per saldo met € 22,8 miljoen verhoogd. Deze mutatie wordt met name veroorzaakt door een herverdeling van de DUO-budgetten over de OCW-begroting. Voor artikel 3 gaat dit om een per saldo verhoging van € 15,7 miljoen. De toelichting op de herverdeling van de DUO-budgetten over de OCW-begroting wordt in paragraaf 2.1 gegeven. Verder wordt de mutatie verklaard door een overboeking van € 3,2 miljoen voor de uitvoer van diverse projecten zoals Facet, Komex, fusiecompensatieregeling en de bevoegdhedenscan. Tot slot wordt het budget verhoogd met € 3,5 miljoen als gevolg van structurele DUO-problematiek (zie hiervoor paragraaf 2.1).

ART. NR. 4 BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 4 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

4.519.526

19.500

4.539.026

725.134

5.264.160

‒ 98.631

111.375

149.075

71.027

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

‒ 7.294

‒ 7.294

Uitgaven

4.576.976

19.500

4.596.476

80.399

4.676.875

110.446

97.905

125.167

183.620

Waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,7%

99,7%

Bekostiging

4.134.041

0

4.134.041

90.361

4.224.402

102.366

92.544

111.677

174.378

Hoofdbekostiging

3.585.802

0

3.585.802

103.605

3.689.407

106.282

91.690

106.093

140.981

Bekostiging mbo-instellingen

3.514.492

3.514.492

102.695

3.617.187

105.122

90.483

104.886

139.744

Bekostiging Caribisch Nederland

7.408

7.408

‒ 588

6.820

‒ 338

‒ 291

‒ 291

‒ 261

Bekostiging vavo

63.902

63.902

1.498

65.400

1.498

1.498

1.498

1.498

Kwaliteitsafspraken

417.260

0

417.260

540

417.800

10.000

10.000

10.000

10.213

Investeringsbudget

380.760

380.760

540

381.300

10.000

10.000

10.000

10.213

Resultaatafhankelijk budget

36.500

36.500

36.500

0

0

0

0

Aanvullende bekostiging

130.979

0

130.979

‒ 13.784

117.195

‒ 13.916

‒ 9.146

‒ 4.416

23.184

Regeling Investeringsfonds

42.063

42.063

‒ 19.985

22.078

‒ 15.200

‒ 10.430

‒ 5.700

21.900

Salarismix Randstadregio's

48.528

48.528

1

48.529

1.284

1.284

1.284

1.284

Regionaal Programma

30.400

30.400

0

30.400

0

0

0

0

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

9.988

9.988

0

9.988

0

0

0

0

Gelijke kansen

0

0

6.200

6.200

0

0

0

0

Schoolmaatschappelijk werk in het mbo

0

0

0

0

0

0

0

0

Subsidies

220.993

19.500

240.493

4.908

245.401

6.414

3.366

1.844

1.800

Subsidieregeling praktijkleren

185.048

19.500

204.548

‒ 500

204.048

‒ 500

‒ 500

‒ 500

‒ 500

Permanent leren

7.250

7.250

0

7.250

0

0

0

0

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

12.000

12.000

2.500

14.500

2.000

2.000

2.000

2.000

Loopbaanoriëntatie

2.253

2.253

0

2.253

0

0

0

0

ROC Leiden

0

0

0

0

0

0

0

0

Overige subsidies

14.442

14.442

2.908

17.350

4.914

1.866

344

300

Opdrachten

4.363

0

4.363

‒ 985

3.378

‒ 255

‒ 125

‒ 547

1.300

In- en uitbesteding

4.363

4.363

‒ 985

3.378

‒ 255

‒ 125

‒ 547

1.300

Caribisch Nederland

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

21.690

0

21.690

‒ 2.771

18.919

‒ 1.765

‒ 1.528

‒ 1.358

‒ 1.349

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.190

19.190

‒ 3.271

15.919

‒ 2.265

‒ 2.028

‒ 1.858

‒ 1.849

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.500

2.500

500

3.000

500

500

500

500

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

64.295

0

64.295

‒ 5.278

59.017

2.836

2.500

2.500

2.500

College voor Toetsen en Examens

4.467

4.467

‒ 1.967

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Wet SLOA

3.784

3.784

‒ 2.078

1.706

0

0

0

0

SBB

56.044

56.044

‒ 1.233

54.811

336

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

131.594

0

131.594

‒ 5.836

125.758

850

1.148

11.051

4.991

RMC's

35.309

35.309

0

35.309

0

0

0

0

Educatie

60.356

60.356

0

60.356

0

0

0

0

Caribisch Nederland

16.729

16.729

‒ 5.094

11.635

850

1.148

11.051

4.991

Regionaal Programma

19.200

19.200

‒ 742

18.458

0

0

0

0

Ontvangsten

3.000

0

3.000

1.000

4.000

1.000

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 725,1 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt met name veroorzaakt door:

  • Bijstelling van de verplichtingenraming bij het instrument bekostiging omdat de loonbijstelling (circa € 190 miljoen) tranche 2019 voor zowel de jaren 2019 en 2020 in het jaar 2019 worden verplicht (zie paragraaf 2.1).

  • Bijstelling (€ 111 miljoen) van de verplichtingenraming bij het instrument bekostiging omdat de middelen voor de wachtgelden 2019 pas in 2019 verplicht konden worden als gevolg van de administratieve werkzaamheden rond de afschaffing van de cascadebekostiging.

  • De verplichtingen van het investeringsdeel kwaliteitsafspraken zijn bijgesteld (in 2019 met € 412 miljoen) conform verwachte verplichtingenritme.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 90,4 miljoen verhoogd. De verhoging is onder andere het gevolg van de volgende mutaties:

  • De doorverdeling (€ 94,9 miljoen) van de loonbijstelling tranche 2019 (zie algemene toelichting voor het niet uitkeren van de prijsbijstelling tranche 2019).

  • De jaarlijkse meerjarige doorrekening van de referentieraming 2019 ten opzichte van de referentieraming 2018. Het macrobudget wordt vanaf 2020 opwaarts bijgesteld (zie ook paragraaf 2.1).

  • Het Regionaal Investeringsfonds wordt voor de periode 2019-2022 voortgezet. Om de beschikbare middelen in overeenstemming te brengen met het (verwachte) betalingsritme is een meerjarige kasschuif in 2019 en verder noodzakelijk.

  • Bij het onderdeel gelijke kansen doorstroom mbo-hbo is totaal € 6,2 miljoen toegevoegd. Hiervan is € 2,8 miljoen bestemd voor het betalen van subsidies die al in 2018 zijn toegekend en € 3,4 miljoen voor een nieuwe tranche subsidies in 2019.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 4,9 miljoen verhoogd. Deze verhoging wordt grotendeels verklaard door de volgende mutaties:

  • Het budget voor Tel mee met Taal is met € 2,5 miljoen verhoogd. Dit komt door een overboeking van het ministerie van Binnenlandse Zaken van € 0,5 miljoen in 2019 oplopend naar structureel € 2 miljoen vanaf 2020. Daarnaast is er een incidentele overboeking in 2019 van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 2 miljoen) ten behoeve van het programma Tel mee met Taal. De structurele overboeking wordt verwerkt in de begroting 2020.

  • Een verhoging van het budget bij het onderdeel overige subsidies ten behoeve van gelijke kansen in 2019 met € 3,4 miljoen. In het Regeerakkoord 2017-2021 is het bestrijden van kansenongelijkheid als een van de voornaamste ambities van dit Kabinet genoemd. De bewindslieden hebben in de beleidsreactie op de Staat van het Onderwijs 2016- 2017 aan de TK toegezegd om - naast investering in diverse beleidsmaatregelen - ook te investeren in het vervolg van de Gelijke Kansen Alliantie (GKA). Om invulling te kunnen geven aan deze toezegging zijn hiervoor meerjarig (2019-2021) middelen beschikbaar gesteld.

  • Diverse overige mutaties (met name interne overboekingen naar andere beleidsartikelen).

Bijdrage aan agentschappen

Het budget wordt per saldo met € 2,8 miljoen verlaagd. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de herverdeling van de DUO-budgetten over de artikelen en een bijdrage voor de problematiek bij DUO in onderhoud en vervanging van ICT (zie ook paragraaf 2.1).

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor bijdrage aan ZBO’s/RWT’s wordt per saldo met € 5,3 miljoen verlaagd. Deze verlaging is met name het gevolg van de volgende mutaties:

  • Voor het College voor Toetsen en Examens (CvTE) wordt het budget met € 2,5 miljoen opgehoogd in verband met de gewijzigde opzet van de Staatsexamens NT2. Tevens wordt ten behoeve het werkprogramma CvTE 2019 een bedrag van € 6 miljoen overgeboekt naar artikel 3 (Voortgezet Onderwijs).

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor bijdrage aan medeoverheden wordt per saldo met € 5,8 miljoen verlaagd. Deze verlaging is met name het gevolg van de volgende mutaties:

  • Door een vertraging in het masterplan onderwijshuisvesting kunnen betalingen pas later plaatsvinden dan eerder voorzien. I.v.m. overlopende verplichtingen wordt 6 miljoen verschoven van 2018 naar 2019. Ook is aan het bestedingsplan van Caribisch Nederland € 6 miljoen toegevoegd vanuit 2018 naar 2019 (zie paragraaf 2.1). Ook zijn de budgetten via een meerjarige kasschuif in de juiste jaren geplaatst.

  • Daarnaast is voor de periode 2020-2023 voor het masterplan onderwijshuisvesting € 12,9 miljoen extra budget toegevoegd als gevolg van een actualisering van de kostenramingen voor de bouw en renovatie van schoolgebouwen.

Ontvangsten

De ontvangsten wordt per saldo in 2019 en 2020 incidenteel met € 1 miljoen opgehoogd als gevolg van onder andere afrekeningen die betrekking hebben op subsidies en regelingen.

ART. NR. 6 HOGER BEROEPSONDERWIJS

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 6 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

3.258.567

0

3.258.567

225.629

3.484.196

86.964

66.734

49.158

37.672

Waarvan garantieverplichtingen

4.194

Uitgaven

3.277.742

0

3.277.742

113.859

3.391.601

101.344

89.007

69.147

50.228

Waarvan juridisch verplicht

99,99%

99,99%

99,99%

Bekostiging

3.199.939

0

3.199.939

114.373

3.314.312

100.897

87.915

69.931

51.414

Hoofdbekostiging

3.082.719

0

3.082.719

111.627

3.194.346

97.677

82.436

63.075

44.185

Onderwijsdeel hbo

2.981.838

2.981.838

109.722

3.091.560

95.721

80.479

61.117

42.227

Deel ontwerp en ontwikkeling

81.751

81.751

1.919

83.670

1.956

1.957

1.958

1.958

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

19.130

19.130

‒ 14

19.116

0

0

0

0

Prestatiebox

117.220

0

117.220

2.746

119.966

3.220

5.479

6.856

7.229

Studievoorschotmiddelen

117.220

117.220

2.746

119.966

3.220

5.479

6.856

7.229

Subsidies

408

0

408

603

1.011

622

727

692

0

Overig

408

408

603

1.011

622

727

692

0

Bijdrage aan agentschappen

15.987

0

15.987

‒ 2.810

13.177

‒ 2.318

‒ 2.028

‒ 1.887

‒ 1.796

Dienst Uitvoering Onderwijs

15.987

15.987

‒ 2.810

13.177

‒ 2.318

‒ 2.028

‒ 1.887

‒ 1.796

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

61.408

0

61.408

1.693

63.101

2.143

2.393

411

610

NWO: Praktijkgericht onderzoek hbo

48.513

48.513

450

48.963

1.250

2.000

0

0

NWO: Promotiebeurs voor leraren

9.292

9.292

0

9.292

0

0

0

0

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

3.603

3.603

1.243

4.846

893

393

411

610

Ontvangsten

1.213

0

1.213

1.700

2.913

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 225,6 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 111,8 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat bij het instrument bekostiging de loonbijstelling tranche 2019 en de aanpassing van de studentenaantallen uit de referentieraming 2019 voor zowel 2019 als 2020 in het jaar 2019 verplicht worden.

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan hogescholen die in 2019 zijn aangegaan of vervallen en waar OCW garant voor staat (saldo € 4,2 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 114,4 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van:

  • Een aanpassing op basis van de nieuwe raming van de studentenaantallen: € 31,7 miljoen uit de referentieraming 2019 (zie paragraaf 2.1).

  • De doorverdeling (€ 75,0 miljoen) van de loonbijstelling tranche 2019 (zie paragraaf 2.1).

  • De generaal beschikbaar gestelde intensiveringsmiddelen (€ 10,0 miljoen) voor de bekostiging van bèta/techniek-opleidingen in het hoger beroepsonderwijs (zie paragraaf 2.1).

  • Diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere beleidsartikelen en departementen) die het budget in totaal verlagen met € 2,3 miljoen.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget voor bijdragen aan agentschappen (DUO) wordt per saldo met € 2,8 miljoen verlaagd. Enerzijds betreft het een verlaging (€ 3,8 miljoen) veroorzaakt door de herverdeling van de DUO-budgetten over de artikelen (zie paragraaf 2.1). Anderzijds betreft het een verhoging (€ 0,8 miljoen) voor investeringen onderhoud en vervanging ICT-systemen bij DUO (zie eveneens paragraaf 2.1) en de doorverdeling van de loonbijstelling tranche 2019 (€ 0,2 miljoen).

Ontvangsten

Het budget wordt per saldo met € 1,7 miljoen verhoogd. De verhoging wordt met name veroorzaakt door inhoudingen op de rijksbijdrage van hogescholen van in voorgaande jaren ten onrechte ontvangen bekostiging.

ART. NR. 7 WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 7 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

4.928.814

0

4.928.814

371.654

5.300.468

218.436

228.241

233.713

233.624

Waarvan garantieverplichtingen

‒ 5.274

‒ 5.274

Uitgaven

4.898.729

0

4.898.729

228.987

5.127.716

206.294

219.942

230.532

232.455

Waarvan juridisch verplicht

99,97%

99,97%

99,97%

Bekostiging

4.868.771

0

4.868.771

228.256

5.097.027

205.943

219.334

230.240

232.362

Hoofdbekostiging

4.797.809

0

4.797.809

226.806

5.024.615

204.223

216.378

226.550

227.652

Onderwijsdeel wo

2.161.085

2.161.085

116.329

2.277.414

88.239

100.715

108.847

111.441

Onderzoeksdeel wo

1.964.932

1.964.932

95.786

2.060.718

101.255

100.899

101.438

101.447

Deel ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

671.792

671.792

14.691

686.483

14.729

14.764

16.265

14.764

Prestatiebox

70.962

0

70.962

1.450

72.412

1.720

2.956

3.690

4.710

Studievoorschotmiddelen

70.962

70.962

1.450

72.412

1.720

2.956

3.690

3.896

Profilering en zwaartepuntvorming

0

0

0

0

0

0

0

814

Subsidies

4.641

0

4.641

‒ 469

4.172

‒ 62

364

48

‒ 151

Open en online onderwijs

2.000

2.000

‒ 30

1.970

0

0

0

0

Overig

2.641

2.641

‒ 439

2.202

‒ 62

364

48

‒ 151

Opdrachten

2.024

0

2.024

‒ 75

1.949

0

0

0

0

Uitbesteding

2.024

2.024

‒ 75

1.949

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

23.293

0

23.293

1.275

24.568

413

244

244

244

Organisaties conform tabel 6.5

23.293

23.293

1.275

24.568

413

244

244

244

Ontvangsten

16

0

16

0

16

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 371,7 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 142,7 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat bij het instrument bekostiging de loonbijstelling tranche 2019 en de aanpassing van de studentenaantallen uit de referentieraming 2019 voor zowel 2019 als 2020 in het jaar 2019 verplicht worden.

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan universiteiten die in 2019 zijn aangegaan of vervallen en waar OCW garant voor staat (saldo ‒ € 5,3 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 228,3 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van:

  • Een aanpassing op basis van de nieuwe raming van de studentenaantallen: € 47,2 miljoen uit de referentieraming 2019 (zie paragraaf 2.1).

  • De doorverdeling (€ 100,5 miljoen) van de loonbijstelling tranche 2019 (zie paragraaf 2.1).

  • De doorverdeling (€ 55,0 miljoen) van de extra onderzoeksmiddelen uit het regeerakkoord voor de sectorplannen Bèta/Techniek en Social Sciences Humanities.

  • De generaal beschikbaar gestelde intensiveringsmiddelen (€ 27,0 miljoen) voor de bekostiging van bèta/techniek-opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs (zie paragraaf 2.1).

  • Diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere beleidsartikelen en departementen) die het budget in totaal verlagen met € 1,4 miljoen.

ART. NR. 8 INTERNATIONAAL BELEID

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 8 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

12.785

0

12.785

590

13.375

55

134

134

136

Uitgaven

12.785

0

12.785

120

12.905

75

134

134

134

Waarvan juridisch verplicht

96,3%

96,3%

96,4%

Subsidies

321

0

321

‒ 47

274

‒ 80

‒ 80

‒ 80

‒ 80

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

0

0

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

0

0

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

196

196

‒ 80

116

‒ 80

‒ 80

‒ 80

‒ 80

Overige incidentele subsidies

125

125

33

158

Opdrachten

207

0

207

15

222

0

0

0

0

Beleidsonderzoek en benchmarking

100

100

100

Incidentele Internationale activiteiten

107

107

15

122

EU-voorzitterschap

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

11.831

0

11.831

57

11.888

60

119

119

119

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

800

800

800

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

0

0

Stichting Nuffic

3.858

3.858

3.858

Nederlandse Taalunie

2.799

2.799

2.799

Europa College Brugge

30

30

30

Unesco

20

20

20

OESO CERI

77

77

77

Fullbright Center

368

368

368

DCICC

0

0

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

3.074

3.074

57

3.131

60

119

119

119

EU-prgramma's en activiteiten

20

20

20

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

600

600

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

426

0

426

95

521

95

95

95

95

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (hoofdstuk 5 (BuZa)

426

426

95

521

95

95

95

95

Ontvangsten

99

0

99

99

ART. NR. 9 ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 9 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

168.559

0

168.559

3.657

172.216

‒ 1.816

‒ 1.860

‒ 1.583

‒ 1.600

Uitgaven

168.555

0

168.555

3.657

172.212

‒ 1.816

‒ 1.860

‒ 1.583

‒ 1.600

Waarvan juridisch verplicht

55,3%

55,3%

96,14%

Bekostiging

32.894

0

32.894

‒ 802

32.092

821

722

971

935

Aanvullende bekostiging

32.894

0

32.894

‒ 802

32.092

821

722

971

935

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

32.894

32.894

‒ 802

32.092

821

722

971

935

Subsidies

126.721

0

126.721

6.158

132.879

0

0

0

0

Lerarenbeurs

104.300

‒ 22.240

82.060

0

82.060

‒ 52.480

‒ 52.480

‒ 52.480

‒ 52.480

Zij-instroom

16.348

9.240

25.588

4.000

29.588

26.480

26.480

26.480

26.480

Impuls lerarentekorten vo en wetenschap en techniek pabo

0

0

Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

0

0

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

2.945

2.945

2.945

Promotiebeurs voor leraren

0

0

Projecten professionalisering

0

0

Overige projecten

3.128

13.000

16.128

2.158

18.286

26.000

26.000

26.000

26.000

Opdrachten

3.368

0

3.368

288

3.656

‒ 3

‒ 3

‒ 3

‒ 3

Onderzoek, ramingen en communicatie

3.368

3.368

288

3.656

‒ 3

‒ 3

‒ 3

‒ 3

Leraren- en schoolleidersregister

0

0

Bijdrage aan agentschappen

5.572

0

5.572

‒ 1.987

3.585

‒ 2.634

‒ 2.579

‒ 2.551

‒ 2.532

Dienst Uitvoering Onderwijs

5.572

5.572

‒ 1.987

3.585

‒ 2.634

‒ 2.579

‒ 2.551

‒ 2.532

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

0

0

0

0

Ontvangsten

9.000

0

9.000

9.000

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 3,7 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging op het instrument subsidies en dan voornamelijk bij de zijinstroom en op overige projecten (zie hieronder).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 6,2 miljoen verhoogd. Op overige projecten is er in 2019 € 2,2 miljoen aan budget bijgekomen vanuit de eindejaarsmarge. Verder is € 4 miljoen aan het budget voor zijinstroom toegevoegd specifiek voor bèta en techniek onderwijs in het mbo. Dit is afkomstig uit de € 41 miljoen die voor bèta en techniek onderwijs beschikbaar zijn gesteld (zie de toelichting in paragraaf 2.1). Verder heeft er met het amendement Rog (35000 VIII, nr. 38) een aantal verschuivingen binnen het instrument subsidie voorgedaan.

ART. NR. 11 STUDIEFINANCIERING

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 11 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

5.602.726

‒ 19.500

5.583.226

‒ 35.531

5.547.695

‒ 184.119

‒ 126.084

‒ 102.623

‒ 88.714

Uitgaven

5.602.726

‒ 19.500

5.583.226

‒ 35.531

5.547.695

‒ 184.119

‒ 126.084

‒ 102.623

‒ 88.714

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

100%

Inkomensoverdrachten

2.220.767

‒ 19.500

2.201.267

‒ 29.786

2.171.481

‒ 159.506

‒ 100.546

‒ 67.000

‒ 48.527

Basisbeurs

380.511

0

380.511

‒ 88.633

291.878

‒ 112.675

‒ 127.268

‒ 135.961

‒ 145.286

-

Gift ( R)

1.085.819

1.085.819

‒ 1.211

1.084.608

‒ 15.937

‒ 16.774

‒ 17.639

‒ 19.045

-

Prestatiebeurs (NR)

‒ 705.308

‒ 705.308

‒ 87.422

‒ 792.730

‒ 96.738

‒ 110.494

‒ 118.322

‒ 126.241

Aanvullende beurs

834.064

0

834.064

‒ 23.565

810.499

‒ 45.024

‒ 52.284

‒ 50.849

‒ 49.942

-

Gift ( R)

661.126

661.126

3.456

664.582

‒ 6.592

‒ 6.689

‒ 2.748

46

-

Prestatiebeurs (NR)

172.938

172.938

‒ 27.021

145.917

‒ 38.432

‒ 45.595

‒ 48.101

‒ 49.988

Reisvoorziening

977.121

‒ 19.500

957.621

‒ 25.419

932.202

‒ 117.783

‒ 71.876

‒ 70.571

‒ 79.146

-

Gift ( R)

741.716

741.716

‒ 8.633

733.083

‒ 2.985

‒ 2.627

3.434

7.105

-

Prestatiebeurs (NR)

150.076

150.076

‒ 31.630

118.446

‒ 41.062

‒ 47.271

‒ 55.886

‒ 62.265

-

Bijdrage studerenden aan OV-contract ( R)

‒ 866.639

‒ 866.639

‒ 10.084

‒ 876.723

‒ 12.458

‒ 12.769

‒ 16.362

‒ 19.765

-

Kosten contract OV-bedrijven ( R)

951.968

‒ 19.500

932.468

24.928

957.396

‒ 61.278

‒ 9.209

‒ 1.757

‒ 4.221

Overige uitgaven

29.071

0

29.071

107.831

136.902

115.976

150.882

190.381

225.847

-

Overige uitgaven relevant ( R)

90.082

90.082

8.069

98.151

‒ 15.199

‒ 15.699

‒ 15.599

‒ 15.399

-

Caribisch Nederland ( R)

3.860

3.860

‒ 650

3.210

‒ 849

‒ 1.058

‒ 1.278

‒ 1.509

-

Overige uitgaven niet-relevant (NR)

‒ 64.871

‒ 64.871

100.412

35.541

132.024

167.639

207.258

242.755

Leningen

3.284.173

0

3.284.173

‒ 29.744

3.254.429

‒ 41.930

‒ 44.393

‒ 54.950

‒ 60.646

-

Rentedragende lening (NR)

2.900.819

2.900.819

‒ 9.753

2.891.066

‒ 25.205

‒ 31.359

‒ 41.304

‒ 46.715

-

Collegegeldkrediet (NR)

383.354

383.354

‒ 19.991

363.363

‒ 16.725

‒ 13.034

‒ 13.646

‒ 13.931

Bijdrage aan agentschappen

97.786

0

97.786

23.999

121.785

17.317

18.855

19.327

20.459

-

Dienst Uitvoering Onderwijs ( R)

97.786

97.786

23.999

121.785

17.317

18.855

19.327

20.459

Ontvangsten

893.224

0

893.224

‒ 7.976

885.248

‒ 12.408

‒ 10.085

‒ 10.115

‒ 3.438

-

Ontvangen rente en relevant hoofdsom ( R)

91.550

91.550

‒ 2.623

88.927

‒ 5.996

‒ 3.433

‒ 1.110

5.045

-

Kortlopende vorderingen ( R)

81.045

81.045

‒ 26.949

54.096

‒ 31.549

‒ 36.149

‒ 39.749

‒ 42.269

-

Terugontvangen hoofdsom (NR)

720.629

720.629

21.596

742.225

25.137

29.497

30.744

33.786

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting instrumenten (algemeen):

DUO start dit jaar met een meer persoonsgerichte manier van het innen van schulden. Dat gaat DUO doen door zelf proactief contact te zoeken met studenten en oud-studenten die een substantiële betalingsachterstand hebben of dreigen te krijgen. Medewerkers van DUO zoeken samen met de student en oud-student naar een oplossing voor de ontstane problemen en kunnen een betalingsregeling op maat voorstellen. DUO heeft in 2018 succesvol geëxperimenteerd met persoonsgericht innen. Studenten en oud-studenten die op deze manier zijn geholpen gaven aan weer vat op hun situatie te hebben gekregen. Door betalingsregelingen te treffen zijn minder studenten en oud-studenten met betalingsachterstanden overgedragen aan de deurwaarder. DUO zet personeel in om debiteuren persoonlijk te benaderen. Deze kosten worden terugverdiend door de meeropbrengsten van deze aanpak, hiermee is deze maatregel budgetneutraal.

Het onderscheid relevant en niet-relevant is in onderstaande toelichting als uitgangspunt genomen. Relevant betekent relevant voor het begrotingstekort/EMU-saldo. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en door de omzetting van uitgekeerde prestatiebeurs in gift (na behalen van het diploma binnen 10 jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de betalingen van prestatiebeurzen (zolang die nog niet omgezet zijn in een gift) en verstrekte rentedragende leningen.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op verstrekte studieleningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van rentedragende leningen.

Een noemenswaardige wijziging ten opzichte van de begroting is de omzetting van prestatiebeurs naar lening. Dit vond voorheen plaats op de post Overige Uitgaven (NR). Vòòr PVS werden debiteuren overgedragen naar het innen systeem. Nu er sprake is van een geïntegreerd systeem worden debiteuren niet meer overgedragen naar een ander systeem. Hierdoor vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op de niet-relevante posten van de basisbeurs, aanvullende beurs en de reisvoorziening plaats.

Toelichting mutaties:

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

De uitgaven worden met €29,8 miljoen verlaagd. Dit wordt verklaard door:

  • De basisbeurs wordt per saldo met € 88,6 miljoen verlaagd. Dit bestaat uit enerzijds een verlaging van de relevante uitgaven met € 1,2 miljoen en anderzijds een verlaging van de niet-relevante uitgaven met € 87,4 miljoen.

    • Relevante uitgaven: dit betreft met name de bijstelling op de omzettingen. In het mbo zijn de omzettingen € 15,3 miljoen lager dan geraamd, in het hbo € 2,5 miljoen hoger en in het wo € 6,2 miljoen hoger dan geraamd. Daarnaast zijn de uitgaven aan basisbeurs gift in het mbo € 5,5 miljoen hoger, als gevolg van de realisatiegegevens.

    • De niet-relevante uitgaven: de omzetting naar lening is met € 78,4 miljoen verlaagd als gevolg van de gewijzigde boekingsgang (zie algemene toelichting artikel 11). De toekenningen in het mbo zijn verlaagd met € 9,9 miljoen. Dit komt door lagere aantallen als gevolg van de lagere referentieraming en door lagere realisatiegegevens.

  • De aanvullende beurs wordt per saldo met € 23,6 miljoen verlaagd. Dit bestaat uit een ophoging van de relevante uitgaven met € 3,5 miljoen en een verlaging van de niet-relevante uitgaven met € 27,0 miljoen.

    • De relevante uitgaven: dit betreft voornamelijk de bijstelling op de omzettingen in het mbo (€ 7,8 miljoen naar beneden bijgesteld). Daarnaast zijn de uitgaven aan aanvullende beurs gift in het mbo hoger (€ 4,9 miljoen). In het hbo zijn de uitgaven hoger dan geraamd. Allereerst door hogere omzettingen (€ 3,9 miljoen), maar ook door hogere uitgaven aan aanvullende beurs in gift (€ 1,8 miljoen; de eerste 5 maanden is de aanvullende beurs in het hoger onderwijs gift).

    • De niet-relevante uitgaven: de omzetting naar lening is met € 25,0 miljoen verlaagd. Dit betreft een wijziging in boekingsgang (zie algemene toelichting artikel 11). Verder zijn er lagere toekenningen in het mbo (€ 5,3 miljoen) als gevolg van zowel lagere realisatiegegevens als lagere aantallen in de referentieraming.

  • De reisvoorziening wordt per saldo met € 25,4 miljoen verlaagd.

    • De reisvoorziening gift (R) is met 8,6 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit komst grotendeels door lagere omzettingen in zowel het mbo (€ 19,6 miljoen lager) als het ho (€3,6 miljoen lager). Als gevolg van hogere realisatie gegevens zijn de toekenningen gift met € 12,9 miljoen naar boven bijgesteld.

    • De prestatiebeurs (NR) is met € 31,6 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft deels de omzetting naar lening die is verlaagd. Dit betreft een wijziging in boekingsgang (algemene toelichting artikel 11). Daarnaast zijn de toekenningen prestatiebeurs omlaag bijgesteld.

    • De bijdrage studerenden aan het ov-contract (R) is met € 10,1 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft een tegenboeking waarmee voorkomen wordt dat de waarde van de ov-kaart dubbel geboekt wordt (enerzijds door toekenning aan de student, anderzijds door de betaling aan de ov-bedrijven). Doordat het een tegenboeking betreft, betekent deze negatieve mutatie dus eigenlijk een hoger bedrag aan toekenningen. Deze toename komt vooral door hogere gift toekenningen in zowel het mbo als het ho.

    • Het budget kosten contract ov-bedrijven is daarnaast met € 24,9 miljoen opgehoogd. Er vindt dit jaar een kasschuif plaats van 2020 naar 2019 ter waarde van € 50,0 miljoen (ter optimalisering van de kasritmes van de staat over de jaren heen). Tot slot worden de uitgaven verlaagd met € 25,1 miljoen door een lager aandeel ho-studenten dat de reisvoorziening activeert in de realisatie (waarschijnlijk als gevolg van een hoger aandeel internationale studenten). Ook is er een afname van boete-opbrengsten als gevolg van nieuwe maatregelen.

  • De overige uitgaven worden per saldo met € 107,8 miljoen verhoogd.

    • Relevante overige uitgaven: de relevante overige uitgaven zijn met € 8,1 miljoen omhoog bijgesteld. Dit betreffen met name technische bijstellingen. Hieronder vallen onder andere kwijtscheldingen (na verloop van de 15-jaarstermijn bijvoorbeeld) die hoger uitvallen dan verwacht. Door het investeringsvoorstel persoonsgericht innen zullen er minder kwijtscheldingen zijn (- € 2,9 miljoen).

    • Niet-relevante overige uitgaven: de niet-relevante overige uitgaven zijn met € 100,4 miljoen omhoog bijgesteld vanwege een wijziging in de boekingsgang (zie algemene toelichting artikel 11).

    • Caribisch Nederland: de uitgaven zijn met € 0,7 miljoen naar beneden bijgesteld.

Leningen

Er wordt per saldo naar verwachting € 29,7 miljoen minder uitgegeven aan leningen dan geraamd:

  • De uitgaven aan de rentedragende lening (NR) zijn verlaagd met € 9,8 miljoen. Dit is met name het gevolg van lagere gerealiseerde leningen.

  • De uitgaven aan het collegegeldkrediet zijn verlaagd met € 20,0 miljoen. Deze bijstelling komt door lagere realisatiegegevens.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 24,0 miljoen verhoogd. Dit wordt voor een deel veroorzaakt door de herverdeling van de DUO-budgetten over de artikelen (verhoging € 6,0 miljoen). Daarnaast is het budget verhoogd vanwege de DUO problematiek (€ 14,6 miljoen). Ook is door het investeringsvoorstel persoonsgericht innen het budget verhoogd (€ 3,1 miljoen).

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 8,0 miljoen verlaagd.

  • Ontvangen rente en relevante hoofdsom: deze post is met € 2,7 miljoen verlaagd. Dit betreft deels de lagere rente ontvangsten als gevolg van de lage rente (- € 3,8 miljoen). Daarnaast zijn er door het investeringsvoorstel persoonsgericht innen meer renteontvangsten en relevante ontvangsten op de hoofdsom (€ 1,2 miljoen).

  • Kortlopende vorderingen: deze post is met € 26,9 miljoen verlaagd. Vanwege het nieuwe PVS systeem zal er een stuk minder achterstallig lager recht (ALR) zijn. Ook zijn ontvangsten op het ov naar beneden bijgesteld, als gevolg van de maatregelen om het aantal ov-boetes terug te dringen.

  • Terugontvangen hoofdsom (niet relevant): deze post is met €21,6 miljoen naar boven bijgesteld. Hiervan is € 19,5 miljoen het gevolg van hogere realisaties in 2018. Daarnaast zijn er op deze post € 2,1 miljoen meer ontvangsten door het investeringsvoorstel persoonsgericht innen.

ART. NR. 12 TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 12 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 )1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

93.071

0

93.071

‒ 12.690

80.381

‒ 14.084

‒ 14.957

‒ 15.565

‒ 15.384

Uitgaven

93.071

0

93.071

‒ 12.690

80.381

‒ 14.084

‒ 14.957

‒ 15.565

‒ 15.384

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

100%

Inkomensoverdrachten

77.180

0

77.180

872

78.052

‒ 622

‒ 1.559

‒ 2.203

‒ 2.065

TS 17-

0

0

0

0

0

0

0

0

0

-

Minderjarige deelnemers bol ( R)

0

0

0

0

0

0

0

0

TS 18+

5.968

0

5.968

‒ 119

5.849

‒ 119

‒ 119

‒ 119

‒ 119

-

Tegemoetkoming lerarenopleding (tlo) ( R)

3.741

3.741

‒ 130

3.611

‒ 130

‒ 130

‒ 130

‒ 130

-

Deeltijd vo ( R)

2.227

2.227

11

2.238

11

11

11

11

VO 18+

71.212

0

71.212

991

72.203

‒ 503

‒ 1.440

‒ 2.084

‒ 1.946

-

Volwassenenonderwijs (vavo) ( R)

6.459

6.459

‒ 139

6.320

‒ 265

‒ 418

‒ 563

‒ 639

-

Meerderjarige scholieren vo ( R)

59.664

59.664

‒ 501

59.163

‒ 1.858

‒ 2.734

‒ 3.357

‒ 3.215

-

Meerderjarige scholieren vso ( R)

4.057

4.057

‒ 362

3.695

‒ 373

‒ 281

‒ 157

‒ 85

-

STOEB/ALR (NR)

1.032

1.032

1.993

3.025

1.993

1.993

1.993

1.993

Bijdrage aan agentschappen

15.891

0

15.891

‒ 13.562

2.329

‒ 13.462

‒ 13.398

‒ 13.362

‒ 13.319

-

Dienst Uitvoering Onderwijs ( R)

15.891

15.891

‒ 13.562

2.329

‒ 13.462

‒ 13.398

‒ 13.362

‒ 13.319

Ontvangsten

3.657

0

3.657

386

4.043

292

234

194

192

-

TS 17- ( R)

0

0

0

0

0

0

0

0

-

TS 18+ ( R)

158

158

57

215

57

57

57

57

-

VO 18+ ( R)

3.499

3.499

329

3.828

235

177

137

135

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven.

Toelichting mutaties:

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdracht

De raming wordt per saldo met € 0,9 miljoen verhoogd. Dit is op basis van realisatiegegevens.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 13,6 miljoen verlaagd. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de herverdeling van de DUO-budgetten (- € 13,9 miljoen) over de artikelen.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 0,4 miljoen verhoogd. Dit is op basis van realisatiegegevens.

ART. NR. 13 LESGELD

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 13 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

6.649

0

6.649

6.182

12.831

6.771

7.116

7.291

7.414

Uitgaven

6.649

0

6.649

6.182

12.831

6.771

7.116

7.291

7.414

Waarvan juridisch verplicht

100%

100%

100%

Bijdrage aan agentschappen

6.649

0

6.649

6.182

12.831

6.771

7.116

7.291

7.414

-

Dienst Uitvoering Onderwijs

6.649

6.649

6.182

12.831

6.771

7.116

7.291

7.414

Ontvangsten

238.734

0

238.734

‒ 6.868

231.866

‒ 14.443

‒ 11.091

‒ 3.642

3.621

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven.

Toelichting mutaties:

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 6,2 miljoen verhoogd. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de herverdeling van de DUO-budgetten ( € 5,1 miljoen) over de artikelen.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 6,9 miljoen verlaagd. Het aantal mbo studenten in de referentieraming is gedaald waardoor de ontvangsten op het lesgeld ook dalen. De daling wordt gedempt door de gestegen CPI. Een hogere prijsontwikkeling zorgt namelijk voor hogere ontvangsten dan eerder geraamd.

ART. NR. 14 CULTUUR

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 14 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerp-begroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

589.734

0

589.734

‒ 125.475

464.259

48.062

49.071

53.190

53.077

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

‒ 125.510

‒ 125.510

Uitgaven

967.703

0

967.703

35

967.738

48.062

49.071

53.190

53.077

Waarvan juridisch verplicht

93,0%

93,0%

97,7%

Bekostiging

832.394

0

832.394

‒ 1.552

830.842

25.132

47.709

50.881

50.771

Culturele basisinfrastructuur

445.012

0

445.012

22.850

467.862

27.869

49.621

49.858

49.748

Vierjaarlijkse instellingen

248.365

248.365

22.850

271.215

22.319

49.621

49.858

49.748

Vierjaarlijkse fondsen

196.647

196.647

0

196.647

5.550

0

0

0

Erfgoedwet

124.182

0

124.182

5.500

129.682

0

0

0

0

Huisvesting

83.025

83.025

0

83.025

0

0

0

0

Beheer en onderhoud collecties

41.157

41.157

5.500

46.657

0

0

0

0

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorziening

48.004

0

48.004

‒ 48.004

0

0

0

0

0

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

24.534

24.534

‒ 24.534

0

‒ 942

‒ 942

‒ 942

‒ 942

Digitale openbare bibliotheek

12.200

12.200

‒ 12.200

0

435

435

435

435

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

11.270

11.270

‒ 11.270

0

507

507

507

507

Monumentenzorg

173.119

173.119

18.102

191.221

‒ 3.038

‒ 2.635

300

300

Archieven incl. Regionale Historische Centra

25.286

25.286

0

25.286

0

0

0

0

Flankerend beleid huisvesting

6.573

6.573

0

6.573

0

0

0

0

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

10.218

0

10.218

301

723

723

723

Subsidies

77.363

0

77.363

‒ 3.716

73.647

21.757

316

895

895

Verbreden inzet cultuur

16.516

16.516

‒ 1.850

14.666

‒ 750

0

0

0

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

9.005

9.005

0

9.005

0

0

0

0

Programma leesbevordering

3.350

3.350

0

3.350

0

0

0

0

Creatieve Industrie

7.475

7.475

‒ 5.523

1.952

0

0

0

0

Monumentenzorg

0

0

3.516

3.516

138

135

0

0

Erfgoed en ruimte

0

0

0

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

3.000

3.000

230

3.230

0

Specifiek cultuurbeleid

38.017

38.017

‒ 89

37.928

22.369

181

895

895

Opdrachten

14.516

0

14.516

3.400

17.916

‒ 376

‒ 69

299

292

Beleidsonderzoek evaluaties en kennisbasis

2.101

2.101

‒ 227

1.874

0

0

0

0

Monumentenzorg

3.717

3.717

4.610

8.327

‒ 300

0

0

0

Archeologie

4.893

4.893

874

5.767

‒ 388

‒ 388

0

0

Erfgoed en ruimte

0

0

0

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

2.500

2.500

‒ 2.055

445

0

0

0

0

Overige opdrachten

1.305

1.305

198

1.503

312

319

299

292

Bijdrage aan agentschappen

40.646

0

40.646

1.838

42.484

1.484

1.050

1.050

1.054

Nationaal Archief

26.981

26.981

803

27.784

476

782

782

786

Nationaal Archief Programma

13.665

13.665

1.035

14.700

1.008

268

268

268

Bijdrage aan (inter)organisaties

2.784

0

2.784

65

2.849

65

65

65

65

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.784

2.784

65

2.849

65

65

65

65

Ontvangsten

494

0

494

0

494

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 125,5 miljoen verlaagd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt vooral veroorzaakt door een verlaging van de garantieverplichtingen. De belangrijkste oorzaak zijn de garanties in het kader van de indemniteitsregeling; er zijn voor € 129 miljoen meer garanties vervallen dan verleend in het eerste kwartaal van 2019.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de culturele basisinfrastructuur groeit vanaf 2019 met ongeveer € 23 miljoen, als gevolg van de toevoeging van middelen voor loon- en prijsbijstelling. Vanaf 2021 stijgt de groei per saldo naar bijna € 50 miljoen. Dat komt vooral doordat vanaf 2021, als de volgende vierjaarlijkse periode van de culturele basisinfrastructuur start, middelen uit het Regeerakkoord aan dit budget worden toegevoegd (jaarlijks circa € 28 miljoen).

Het budget voor de Erfgoedwet wordt met € 5,5 miljoen verhoogd voor een uitgave via de Erfgoedwet aan Het Nieuwe Instituut, die eerder was geraamd op het instrument subsidies en nu wordt overgeboekt.

Het budget voor de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorziening wordt op dit begrotingsartikel met € 48 miljoen verlaagd. De middelen zijn bestemd voor de Koninklijke Bibliotheek (KB) en worden overgeboekt naar begrotingsartikel 16 (Onderzoek en Wetenschapsbeleid), omdat de KB via dat begrotingsartikel wordt gesubsidieerd.

Het budget voor monumentenzorg wordt per saldo met ruim € 18 miljoen verhoogd. Dit saldo bestaat uit de toevoeging van Regeerakkoordmiddelen voor grote monumenten (€ 35,6 miljoen) en diverse overboekingen aan het Gemeentefonds (voor de ontwikkeling van kerkenvisies), aan het Provinciefonds (voor monumenten in het aardbevingsgebied en voor Schokland) en aan het opdrachten- en subsidiebudget van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Subsidies

Het budget voor creatieve industrie wordt verlaagd met € 5,5 miljoen als gevolg van een overboeking naar het financiële instrument bekostiging (zie ook toelichting bij bekostiging).

ART. NR. 15 MEDIA

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 15 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

960.829

40.000

1.000.829

12.605

1.013.434

5.191

22.413

20.658

42.361

Uitgaven

960.829

40.000

1.000.829

12.605

1.013.434

5.191

22.413

20.658

42.361

Waarvan juridisch verplicht

99,8%

99,9%

99,9%

Bekostiging

954.836

40.000

994.836

9.449

1.004.285

4.945

22.167

20.412

42.136

Publieke Omroep (omroepinstellingen)

876.476

0

876.476

11.912

888.388

12.898

3.495

3.495

3.495

Landelijke publieke omroep

731.821

731.821

0

731.821

Regionale omroep

144.655

144.655

11.912

156.567

12.898

3.495

3.495

3.495

Beheerstaken landelijke publieke omroep

39.298

0

39.298

1.014

40.312

933

933

933

933

Stichting Omroep Muziek

16.348

16.348

418

16.766

386

386

386

386

Uitzenden en uitzendgereedmaken

0

0

0

0

0

0

0

0

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

22.950

22.950

596

23.546

547

547

547

547

Dotaties, bijdragen publieke omroep

13.568

0

13.568

2.134

15.702

5.024

5.024

5.024

5.024

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.139

2.139

55

2.194

51

51

51

51

Onderzoeksjournalistiek (RA-middelen)

0

0

2.000

2.000

4.900

4.900

4.900

4.900

Filmfonds van de omroep en Telfilm (CoBo)

8.335

8.335

8.335

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.522

1.522

39

1.561

36

36

36

36

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

1.572

1.572

40

1.612

37

37

37

37

Dotaties/ontrekking Algemene Mediareserve

25.174

40.000

65.174

‒ 6.360

58.814

‒ 14.479

12.146

10.391

32.115

Overige bekostiging media (uit rente AMR)

320

320

749

1.069

569

569

569

569

Subsidies

894

0

894

2.917

3.811

17

17

17

17

Subsidies

894

894

2.917

3.811

17

17

17

17

Opdrachten

430

0

430

12

442

12

12

12

12

Opdrachten

430

430

12

442

12

12

12

12

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.609

0

4.609

226

4.835

216

216

216

195

Commissariaat voor de Media

4.609

4.609

226

4.835

216

216

216

195

Bijdrage aan (inter)organisaties

60

0

60

1

61

1

1

1

1

European Audiovisual Observatory

60

60

1

61

1

1

1

1

Ontvangsten

163.000

0

163.000

‒ 13.146

149.854

‒ 18.546

‒ 1.446

‒ 3.346

18.254

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 12,6 miljoen verhoogd. Deze verhoging hangt samen met de hieronder toegelichte uitgavenmutaties.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor bekostiging wordt per saldo met € 9,4 miljoen verhoogd. 

  • Een hogere onttrekking aan de Algemene Mediareserve (AMr) als gevolg van de lagere, aangepaste raming van de reclameopbrengsten in de mediabegrotingsbrief 2019 (- € 13,1 miljoen).

  • Toevoeging uit Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek (€ 4,9 miljoen).

  • Overboeking van de post dotatie/onttrekking AMr (- € 7,9 miljoen) naar de Regionale Omroep voor Samenwerkingsprojecten Regionale Omroepen.

  • Verhoging van het budget voor de Regionale Omroep voor Samenwerkingsprojecten Regionale Omroepen ( € 7,9 miljoen) ten laste van de post dotatie/onttrekking AMr.

  • Overboeking van de Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek van bekostiging naar subsidies (- € 2,9 miljoen).

  • Toevoeging van prijsbijstelling 2019 (€ 18,6 miljoen) (zie paragraaf 2.1).

  • Niet bestede middelen 2018 die worden toegevoegd aan de AMr vanuit de eindejaarsmarge (€ 2,0) (zie paragraaf 2.1).

  • Overige mutaties ( ‒ € 0,2 miljoen).

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 2,9 miljoen verhoogd door een overboeking van de Regeerakkoordmiddelen onderzoeksjournalistiek van bekostiging naar subsidies.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het budget voor bijdragen aan ZBO’s en RWT’s wordt per saldo met € 0,2 miljoen verhoogd als gevolg van prijsbijstelling 2019.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 13,1 miljoen verlaagd. De reden hiervan is de gedaalde raming van de reclameopbrengsten.

ART. NR. 16 ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 16 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

1.179.678

0

1.179.678

9.542

1.189.220

‒ 50.148

‒ 53.912

‒ 55.927

‒ 57.004

Uitgaven

1.228.371

0

1.228.371

7.183

1.235.554

‒ 50.103

‒ 52.702

‒ 56.618

‒ 57.004

Waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,7%

99,9%

Bekostiging

1.106.383

0

1.106.383

4.612

1.110.995

‒ 50.724

‒ 53.323

‒ 57.239

‒ 57.625

Hoofdbekosting

707.581

0

707.581

‒ 3.265

704.316

‒ 56.888

‒ 57.388

‒ 59.056

‒ 58.125

NWO-wet en WHW

NWO

571.192

0

571.192

‒ 51.894

519.298

‒ 56.888

‒ 57.388

‒ 59.056

‒ 58.125

KNAW

89.216

0

89.216

0

89.216

0

0

0

0

KB

47.173

0

47.173

48.629

95.802

0

0

0

0

Aanvullende bekostiging

398.802

0

398.802

7.877

406.679

6.164

4.065

1.817

500

NWO Talentenontwikkeling

170.885

0

170.885

0

170.885

0

0

0

0

NWO TTW

8.000

0

8.000

0

8.000

0

0

0

0

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

85.380

0

85.380

0

85.380

0

0

0

0

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

20.890

0

20.890

7.877

28.767

6.164

4.065

1.817

500

Poolonderzoek

3.147

0

3.147

0

3.147

0

0

0

0

Caribisch Nederland

2.500

0

2.500

0

2.500

0

0

0

0

NWO NWA

108.000

0

108.000

0

108.000

0

0

0

0

Subsidies

26.237

0

26.237

1.226

27.463

‒ 645

‒ 645

‒ 645

‒ 645

Stichting NLBIF

550

0

550

0

550

0

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

6.265

0

6.265

0

6.265

0

0

0

0

BPRC

9.608

0

9.608

0

9.608

0

0

0

0

NCWT/NEMO

3.366

0

3.366

0

3.366

0

0

0

0

STT

221

0

221

0

221

0

0

0

0

Stichting AAP

1.032

0

1.032

0

1.032

0

0

0

0

Nationale coördinatie

5.195

0

5.195

1.226

6.421

‒ 645

‒ 645

‒ 645

‒ 645

Opdrachten

300

0

300

0

300

0

0

0

0

Opdrachten

300

0

300

0

300

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

944

0

944

‒ 23

921

‒ 102

‒ 102

‒ 102

‒ 102

Dienst Uitvoering Onderwijs

280

280

‒ 280

0

‒ 280

‒ 280

‒ 280

‒ 280

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

664

0

664

257

921

178

178

178

178

Bijdrage aan (inter)organisaties

94.507

0

94.507

1.368

95.875

1.368

1.368

1.368

1.368

EMBC

853

0

853

88

941

88

88

88

88

EMBL

5.198

0

5.198

29

5.227

29

29

29

29

ESA

31.065

0

31.065

0

31.065

0

0

0

0

CERN

44.800

0

44.800

1.368

46.168

1.368

1.368

1.368

1.368

ESO

10.019

0

10.019

‒ 148

9.871

‒ 117

‒ 117

‒ 117

‒ 117

NTU/INL

2.572

0

2.572

31

2.603

0

0

0

0

Ontvangsten

101

0

101

0

101

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 9,5 miljoen verhoogd. Deze verhoging hangt samen met de hieronder toegelichte uitgavenmutaties.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 4,6 miljoen verhoogd. Deze verhoging is een gevolg van onder meer de volgende mutaties:

  • Interne overboeking van € 55 miljoen naar artikel 7 (Hoger onderwijs) inzake de doorverdeling van de extra onderzoeksmiddelen voor de sectorplannen Bèta/Techniek en Social Science Humanities.

  • Interne overboeking van het budget ad € 48,6 miljoen voor de WSOB van artikel 14 (Cultuur) ten behoeve van de Koninklijke Bibliotheek.

  • De toevoeging van de loon- en prijsbijstelling (€ 1,8 miljoen); zie de toelichting in paragraaf 2.1.

  • Diverse interne en externe overboekingen van andere beleidsartikelen die het budget totaal verhogen met € 9,2 miljoen.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor wordt per saldo met € 1,4 miljoen verhoogd in verband met de toevoeging van de prijsbijstelling 2019; zie de toelichting in paragraaf 2.1.

ART. NR. 25 EMANCIPATIE

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, Beleidsartikel 25 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

6.643

0

6.643

‒ 847

5.796

‒ 546

152

196

439

Uitgaven

15.880

0

15.880

927

16.807

670

519

509

439

Waarvan juridisch verplicht

72,4%

72,4%

81,7%

Bekostiging

8.270

0

8.270

177

8.447

177

177

177

177

Kennisinfrasctrutuur

8.270

0

8.270

177

8.447

177

177

177

177

Vrouwenemancipatie

0

0

LHBTI

0

0

Gender- en LHBTI-gelijkheid

8.270

8.270

177

8.447

177

177

177

177

Subsidies

3.431

0

3.431

635

4.066

386

235

225

155

Subsidieregeling emancipatie

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Vrouwenemancipatie

0

0

LHBTI

0

0

Subsidieregeling emancipatie 2011

786

0

786

53

839

0

0

0

0

Vrouwenemancipatie

786

786

‒ 392

394

LHBTI

0

445

445

Subsidieregeling Gender- en LHBTI-geljkheid 2017-2022

2.645

2.645

582

3.227

386

235

225

155

Opdrachten

1.043

0

1.043

31

1.074

23

23

23

23

Vrouwenemancipatie

0

0

LHBTI

0

0

Gender- en LHBTI-gelijkheid

1.043

1.043

31

1.074

23

23

23

23

Bijdrage aan agentschappen

136

0

136

3

139

3

3

3

3

DUS-I

136

136

3

139

3

3

3

3

Bijdrage aan medeoverheden

3.000

0

3.000

81

3.081

81

81

81

81

Gemeentefonds BZK

3.000

0

3.000

81

3.081

81

81

81

81

Vrouwenemancipatie

0

0

LHBTI

0

0

Gender- en LHBTI-gelijkheid

3.000

3.000

81

3.081

81

81

81

81

Bijdrage aan (inter)organisaties

0

0

0

0

0

0

0

0

0

LHBTI

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

2.3. De niet-beleidsartikelen

ART. NR. 91 NOG ONVERDEELD

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, artikel 91 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, motie en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

0

0

0

0

0

155.415

179.558

192.968

198.598

Uitgaven

0

0

0

0

0

155.415

179.558

192.968

198.598

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

-

waarvan programma

-

waarvan apparaat

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

-

waarvan programma

-

waarvan apparaat

Onvoorzien

0

0

0

0

155.415

179.558

192.968

198.598

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Verdeling loon- en prijsbijstelling (Eerste suppletoire begroting 2019) (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Loonbijstelling

Prijsbijstelling

1

Primair onderwijs

293.157

19.265

3

Voortgezet onderwijs

225.112

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

95.227

6

Hoger onderwijs

75.183

7

Wetenschappelijk onderwijs

100.510

3

8

Internationaal beleid

100

42

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

1.041

29

11

Studiefinanciering

1.258

28.305

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

205

1.774

13

Lesgelden

86

14

Cultuur

14.797

10.927

15

Media

19

18.568

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

1.779

1.368

25

Emancipatie

381

59

95

Apparaat Kerndepartement

5.879

Niet-verplichte LPO

-

Totaal niet-verplichte LPO

62.049

83.234

Totaal

876.783

163.574

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Loonbijstelling

Het budget voor 2019 blijft per saldo ongewijzigd. De toegevoegde loonbijstelling tranche 2019 die verplicht is, is direct structureel verdeeld over de artikelen. De niet-verplichte loonbijstelling is ingezet voor de openstaande taakstelling op artikel 91 (Nog onverdeeld).

Prijsbijstelling

Het budget voor 2019 blijft per saldo ongewijzigd. De toegevoegde prijsbijstelling tranche 2019 die verplicht is, is direct structureel verdeeld over de artikelen. De niet-verplichte prijsbijstelling is ingezet voor de openstaande taakstelling op artikel 91 (Nog onverdeeld).

Onvoorzien

Het budget voor de post Nader te verdelen wordt vanaf 2020 per saldo verhoogd met € 155,4 miljoen in 2020 oplopend naar € 198,6 miljoen in 2023. De belangrijkste verklaringen hiervoor zijn:

  • een verhoging van € 41 miljoen structureel voor het stimuleren van bèta- en techniekopleidingen in het ho. Deze staat tijdelijk op artikel 91; mede op basis van de uitkomsten van de commissie Van Rijn zullen deze middelen worden verdeeld over de betreffende beleidsartikelen.

  • een verhoging van € 114,4 miljoen in 2020 oplopend tot € 148,3 miljoen in 2023 door de inzet van niet verplichte loon- en prijsbijstelling voor de openstaande taakstelling op dit artikel en de tegenvaller DUO (zie ook paragraaf 2.1).

ART. NR. 95 APPARAATSUITGAVEN KERNDEPARTEMENT

Budgettaire gevolgen van beleid

Budgettaire gevolgen van beleid, artikel 95 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Ontwerpbegroting 2019 (1)

Mutaties via NvW, moties en amendementen (2)

Vastgestelde begroting 2019 (3)=(1+2)

Mutaties 1e suppletoire begroting 2019 (4)

Stand 1e suppletoire begroting 2019 (5)=(3+4)

Mutatie 2020

Mutatie 2021

Mutatie 2022

Mutatie 2023

Verplichtingen

259.975

0

259.975

8.527

268.502

15.639

16.254

16.811

16.302

Uitgaven

259.975

0

259.975

8.527

268.502

15.639

16.254

16.811

16.302

Personele uitgaven

192.869

0

192.869

3.390

196.259

9.990

10.611

11.167

10.986

Waarvan

-

eigen personeel

183.336

183.336

2.876

186.212

9.566

10.487

11.167

10.986

-

inhuur externen

5.751

5.751

514

6.265

424

124

0

0

-

overige personele uitgaven

3.782

3.782

0

3.782

0

0

0

0

Materiële uitgaven

67.106

0

67.106

5.137

72.243

5.649

5.643

5.644

5.316

Waarvan

-

ICT

24.198

24.198

4.875

29.073

5.085

5.085

5.085

4.737

-

bijdrage aan SSO's

25.385

25.385

‒ 823

24.562

‒ 73

‒ 73

‒ 73

‒ 55

-

overige materiële uitgaven

17.523

17.523

1.085

18.608

637

631

632

634

Begrotingsreserve schatkistbankieren

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

567

0

567

0

567

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2019" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2019» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting mutaties:

Personele uitgaven

Het budget voor personele uitgaven wordt per saldo met € 3,4 miljoen verhoogd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • Een verhoging van het budget met € 5,9 miljoen door toevoeging van de loonbijstelling tranche 2019.

  • Een verhoging van het budget met € 2,6 miljoen o.a. als gevolg van inzet van de eindejaarsmarge 2018 en de dekking van het aandeel van OCW in Rijksbrede ICT-problematiek (doorbelasting van de kosten voor rijksbrede IT-ontwikkelingen).

  • Een verhoging van het budget met 0,7 miljoen door diverse interdepartementale overboekingen, waaronder de bijdragen van verschillende departementen aan het Rijksprogramma Duurzaam Digitale Informatiehuishouding.

  • Een verlaging van het budget met € 5,5 miljoen door enkele kasschuiven van 2019 naar latere jaren voor het lerarenregister en het project Gelijke Kansen Alliantie.

Materiële uitgaven

Het budget voor materiële uitgaven wordt per saldo met € 5,1 miljoen verhoogd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • Een verhoging van het budget met € 5,0 miljoen voor de dekking van het aandeel van OCW in Rijksbrede ICT-problematiek. Deze kosten zullen door BZK aan de departementen worden doorbelast voor rijksbrede IT-ontwikkelingen.

2.4. AGENTSCHAP DIENST UITVOERING ONDERWIJS (DUO)

In deze paragraaf is de 1e suppletoire begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO is de uitvoeringsorganisatie van de rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

Exploitatieoverzicht Baten-lastenagentschap DUO Suppletoire begroting 2019 (Eerste suppletoire begroting) (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)=(1)+(2) Totaalgeraamd

Baten

Omzet moederdepartement

218.863

42.322

261.185

Omzet overige departementen

57.300

0

57.300

Omzet derden

5.200

0

5.200

Rentebaten

0

Vrijval voorzienigen

0

Bijzondere baten

0

Totaal baten

281.363

42.322

323.685

Lasten

Apparaatskosten

271.563

36.522

308.085

-

Personele kosten

184.563

32.972

217.535

-

Waarvan eigen personeel

146.960

18.489

165.449

-

Warvan inhuur externen

31.603

12.983

44.586

-

Waarvan overige personele kosten

6.000

1.500

7.500

-

Materiele kosten

87.000

3.550

90.550

-

Waarvan apparaat ICT

22.000

2.000

24.000

-

Waarvan bijdrage aan SSO's

22.000

1.000

23.000

-

Waarvan overige materiële kosten

43.000

550

43.550

Rentelasten

0

0

0

Afschrijvingskosten

9.700

5.800

15.500

-

Materieel

7.700

3.900

11.600

-

Waarvan apparaat ICT

7.400

3.000

10.400

-

Waarvan overige materiële afschrijvingskosten

300

900

1.200

-

Immaterieel

2.000

1.900

3.900

Overige lasten

0

0

0

-

Dotaties voorzieningen

0

0

0

-

Bijzondere lasten

0

0

0

Totaal lasten

281.263

42.322

323.585

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

0

100

Agentschapdeel Vpb lasten

100

100

Saldo van baten en lasten

0

0

0

Toelichting:

De baten van de 1e suppletoire begroting laten een stijging zien van € 42,3 miljoen ten opzichte van oorspronkelijk vastgestelde begroting 2019 (€ 281,4 miljoen).

Baten

Omzet moederdepartement

De stijging heeft betrekking op de werkzaamheden voor het noodzakelijk onderhoud en vervanging van de ICT-systemen (€ 16,0 miljoen). Verder zijn middelen toegekend voor verbetering bereikbaarheid (€ 6,5 miljoen) en voor de uitvoering van persoonsgericht innen (€ 3,1 miljoen). Tevens zijn middelen toegekend voor de uitvoering van het digitaal afnemen van toetsen en examens inclusief de eindtoets Primair Onderwijs (€ 4,6 miljoen), compensatie meerkosten DigiD (€ 1,6 miljoen), compensatie niet gerealiseerde deregulering (€ 2,6 miljoen) en extra middelen voor overige diverse uitvoeringskosten (€ 4,9 miljoen). Daarnaast is € 3,0 miljoen toegekend voor de gestegen kosten voor de loon- en prijsontwikkeling 2019.

Lasten

Apparaatskosten

De kosten van de 1e suppletoire begroting laten een stijging zien van € 42,3 miljoen ten opzichte van oorspronkelijk vastgestelde begroting 2019. De personele begroting laat een stijging zien van € 33,0 miljoen. De materiële begroting een stijging zien van € 3,5 miljoen en de afschrijvingen laten een stijging zien van € 5,8 miljoen. Deze mutaties hebben een verband met het eerder genoemde noodzakelijk onderhoud en vervangingen van de ICT-systemen, extra kosten bereikbaarheid, uitvoering persoonsgericht innen, de uitvoering van het digitaal afnemen van toetsen en examens, compensatie meerkosten DigiD, compensatie niet gerealiseerde deregulering, overige diverse uitvoeringskosten en de gestegen kosten voor loon- en prijsontwikkeling 2019.

Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties 1esuppletoirebegroting

(3)=(1)+(2)Stand1 suppletoirebegroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2019

14.040

14.040

Totaal ontvangen operationele kasstroom (+)

281.363

42.322

323.685

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 271.663

‒ 42.322

‒ 313.985

2.

Totaal operationele kasstroom

9.700

0

9.700

Totaal investeringen (-/-)

‒ 9.858

‒ 37.842

‒ 47.700

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 9.858

‒ 37.842

‒ 47.700

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

Eenmalig storting van moederdepartement (+)

0

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 936

‒ 2.096

‒ 3.032

Beroep op leenfaciliteit (+)

1.248

47.700

48.948

4.

Totaal financieringskasstroom

312

45.604

45.916

5.

Rekening courant RHB 31 december 2019 (=1+2+3+4)

14.194

7.762

21.956

Het kasstroomoverzicht is aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met de eerder genoemde additionele middelen. Daarnaast is de aangevraagde leenfaciliteit verwerkt en daarbij behorende investeringen in vervangingen van de ICT-systemen. Als gevolg van het volledig afdekken van de nu geplande investeringen laat de rekening courant een stijging zien van € 7,8 miljoen.

Licence