Base description which applies to whole site

VIII Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 48.239,7

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 1.608,0

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 tot en met 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2022 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 2. de begrotingsstaat inzake het agentschap DUO van dit ministerie.

Vanwege de spoedeisende maatregelen zijn verscheidene Incidentele Suppletoire Begrotingen naar de Tweede Kamer verzonden. De behandeling van sommige van die Incidentele Suppletoire Begrotingen in de Eerste- en Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft nog niet plaatsgevonden. Om deze reden is de in de begrotingsstaat opgenomen stand nog niet door beide Kamers bekrachtigd. Vanwege de snelle opeenvolging van begrotingswetsvoorstellen, om het budgetrecht van de Staten Generaal te waarborgen, bevat de kolom ‘vastgestelde begroting’ zowel de vastgestelde stand bij ontwerpbegroting als de mutaties die bij Incidentele Suppletoire Begrotingen zijn opgenomen.

Normaliter wordt nieuw beleid pas in uitvoering genomen nadat de Staten-Generaal de begrotingswet heeft geautoriseerd. De Eerste Suppletoire Begroting bevat enkele maatregelen die niet kunnen wachten tot autorisatie. Het betreft de coalitieakkoordreeksen van het kabinet-Rutte IV, de extra middelen voor de Oekraïense vluchtelingen en de middelen voor de Regeringscommissaris voor de Nationale Aanpak Seksueel Overschrijdend Gedrag. Dit komt doordat de middelen die naar onderwijsinstellingen gaan verplicht moeten worden aan de instelling voor aanvang van het school-/academisch jaar, zodat deze doelmatig kunnen worden uitgegeven. Dit geldt ook voor de middelen voor examens in het voortgezet onderwijs. De uitgaven voor cultuur zijn noodzakelijk voor het herstel van de sector en dienen daarom zo snel mogelijk beschikbaar te worden gesteld aan de instellingen. De uitgaven gerelateerd aan de oorlog in Oekraïne zijn voor een acute noodsituatie. Tot slot, is de Regeringscommissaris Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag inmiddels aan het werk en moet voor de uitvoering van haar taken al financiële verplichtingen aangaan. Daarom zal het kabinet de uitvoering van de maatregelen starten. Met het voorgaande wordt gehandeld conform artikel 2.27, tweede lid, van de Comptabiliteitswet.

De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H. Dijkgraaf

De Minister voor Primair en Voorgezet Onderwijs,

A.D. Wiersma

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 tot en met 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij wet vastgesteld en derhalve ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2022 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.H. Dijkgraaf

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,A.D.Wiersma

A ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 afzonderlijk bij wet vastgesteld en ook gewijzigd. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om voor het jaar 2022 wijzigingen aan te brengen in:

  • 1. de departementale begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • 2. de begrotingsstaat inzake de agentschappen van dit ministerie.

De in de begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en WetenschapR.H. Dijkgraaf

De Minister voor Primair en Voortgezet OnderwijsA.D. Wiersma

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A. Slob

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B. BEGROTINGSTOELICHTING

B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN (SLOTVERSCHILLEN)

Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de begroting van de verplichtingen te verlagen met € 922,2 miljoen. De uitgaven worden verlaagd met € 705,3 miljoen. De ontvangsten worden verlaagd met € 4,9 miljoen.

1 Leeswijzer

In deze Eerste Suppletoire Begroting van OCW zijn de effecten van besluiten van het Kabinet over de Voorjaarsnota verwerkt. Deze suppletoire wet moet dan ook in samenhang worden bezien met de Voorjaarsnota. Allereerst is de begrotingsstaat voor de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgenomen. Hierin wordt inzicht gegeven in de financiële wijzigingen die op (beleids)artikelniveau worden voorgesteld in de begroting voor het jaar 2022.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor Artikel 1 (primair onderwijs), Artikel 3 (voortgezet onderwijs) en Artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid). De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen tussen de Ministers en de Staatssecretaris is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte IV.

Dit onderdeel van de memorie van toelichting bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs deel. Het algemeen deel bevat de belangrijkste suppletoire mutaties op de OCW-begroting (paragraaf 2.1). Ook bevat dit deel (paragraaf 2.2) een overzicht van alle Corona-gerelateerde uitgaven in 2022. Vervolgens wordt per beleidsartikel een overzicht van de wijzigingen gegeven, inclusief toelichting (paragraaf 3). Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Omvang begrotingsartikel

Beleidsmatige mutaties

Technische mutaties

(stand ontwerpbegroting in € miljoen)

(ondergrens in € miljoen)

(ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

De toelichtingen op de uitgaven gelden ook voor de verplichtingen. Alleen indien er sprake is van een groot verschil van de verplichtingenmutaties ten opzichte van de uitgavenmutaties, wordt dit verschil apart toegelicht. Deze verschillen ontstaan bijvoorbeeld doordat er verplichtingen zijn aangegaan die niet tot een uitgavenmutatie leiden (zoals het aangaan van garantieverplichtingen in het kader van schatkistbankieren) of door regelingen waarvoor de verplichtingen dit jaar worden aangegaan terwijl de uitgaven pas volgend jaar (of in de jaren daarna) plaatsvinden.

1 Leeswijzer

In deze Tweede Suppletoire Begroting van het Ministerie van OCW zijn de effecten van besluiten van het kabinet over de Najaarsnota verwerkt. Deze suppletoire wet moet dan ook in samenhang worden bezien met de Najaarsnota.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor Artikel 1 (primair onderwijs), Artikel 3 (voortgezet onderwijs), Artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en Leven Lang Ontwikkelen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen tussen de Ministers en de Staatssecretaris is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte IV.

Dit onderdeel van de memorie van toelichting bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs deel. Het algemeen deel bevat een overzicht van de belangrijkste suppletoire mutaties op de OCW-begroting (paragraaf 2.1) en een overzicht van de coronamaatregelen (paragraaf 2.2). Vervolgens wordt per beleidsartikel een overzicht van de wijzigingen gegeven, inclusief toelichting. Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Tabel 1 Ondergrenzen conform Rijksbegrotingsvoorschriften

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

De toelichtingen op de uitgaven gelden ook voor de verplichtingen. Alleen indien er sprake is van een groot verschil van de verplichtingenmutaties ten opzichte van de uitgavenmutaties, wordt dit verschil apart toegelicht. Deze verschillen ontstaan bijvoorbeeld doordat er verplichtingen zijn aangegaan die niet tot een uitgavenmutatie leiden (zoals het aangaan van garantieverplichtingen in het kader van schatkistbankieren) of door regelingen waarvoor de verplichtingen dit jaar worden aangegaan terwijl de uitgaven pas volgend jaar (of in de jaren daarna) plaatsvinden.

Met het oog op het budgetrecht worden uitvoeringsmutaties zoveel mogelijk in de Tweede Suppletoire Begroting verwerkt. Er doen zich in de laatste maanden van het jaar echter ook nog mutaties voor, bijvoorbeeld in de (garantie)verplichtingen. De Tweede Kamer wordt hierover in een aparte brief geïnformeerd en de mutaties worden bij Slotwet verwerkt.

1 Leeswijzer

De beleidsmatige mutaties en technische mutaties groter of gelijk aan de ondergrenzen in onderstaande staffel worden op het niveau van de financiële instrumenten (en eventueel artikelonderdeel) toegelicht.

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerp-begroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

2 Het beleid

2 Het beleid

2 De beleidsartikelen

2.1 Overzicht belangrijkste uitgaven- en ontvangstenmutaties

In onderstaande tabel worden de belangrijkste suppletoire mutaties ten opzichte van de vastgestelde stand begroting 2022 voor het jaar 2022 weergegeven.

Deze mutaties worden hieronder nader toegelicht.

Tabel 1 Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2022 (Eerste Suppletoire Begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Artikelnr.

Uitgaven 2022

Ontvangsten 2022

Vastgestelde begroting 2022

 

48.810.026

1.607.953

Belangrijkste suppletoire mutaties

   

1

Incidentele Suppletoire Begrotingen

diverse

1.097.540

44.000

2

Coalitieakkoord

diverse

2.027.528

 

3

Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

alle

1.346.710

 

4

Nationaal Groeifonds (NGF)

diverse

58.019

 

5

Oekraïne

diverse

230.882

 

6

Leerlingen- en studentenontwikkeling (inclusief studiefinanciering)

diverse

12.345

‒ 25.595

7

Compensatie vervallen btw-vrijstelling

 

30.000

 

8

Saldo mee- en tegenvallers

diverse

4.724

5.500

9

Overige problematiek en dekking

diverse

4.147

 

10

Kasschuiven

diverse

‒ 11.269

 

11

Niet-kaderrelevante mutaties

11

‒ 245.353

‒ 23.351

12

Desalderingen

14, 15

31.625

31.625

13

Overige mutaties

diverse

144.340

 
 

Stand 1e suppletoire begroting 2022

Totaal

53.541.264

1.640.132

Toelichting

1. Incidentele Suppletoire Begrotingen

Sinds het vaststellen van de begroting zijn er zes Incidentele Suppletoire Begrotingen additioneel gepubliceerd aan de OCW-begroting. Hieronder een kort overzicht van de bijgeboekte bedragen.

Tabel 2 Incidentele Suppletoire Begrotingen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2022

Ontvangsten 2022

14

1e ISB: Verwerven kunstwerk

175.000

44.000

14

2e ISB: Tegemoetkoming musea

5.600

0

3, 14

3e ISB: Examens en steunpakket cultuur

138.949

0

Diverse

4e ISB: Overlopende verplichtingen 2021

282.247

0

4, 11, 14

5e ISB: Maatschappelijke diensttijd, kwijtschelding publieke schulden toeslagengedupeerden en ondersteuning culturele sector

242.177

0

Diverse

6e ISB: NP Onderwijs, ventilatie en suppletieregeling cultuur

253.567

0

 

Totaal

1.097.540

44.000

2. Coalitieakkoordreeksen

Het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV bevat diverse maatregelen op het gebied van OCW. In tabel 3 zijn de bedragen weergegeven die in deze Eerste Suppletoire Begroting worden toegevoegd aan de OCW-begroting alsook een beknopte toelichting per reeks. Voor de reeksen versterken onderwijskwaliteit, vervolgopleidingen en onderzoek, kansengelijkheid, fonds onderoek en wetenschap, cultuur en media, afschaffen leenstelsel en invoering studiebeurs en de tegemoetkoming leenstelsel worden de resterende middelen van de AP op een later moment overgeheveld naar de OCW-begroting.

Tabel 3 Coalitieakkoord reeksen kabinet-Rutte IV (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

Diverse

Leraren/schoolleiders

762.000

838.000

800.000

800.000

800.000

Diverse

Versterken onderwijskwaliteit

455.517

500.000

398.014

389.914

389.914

Diverse

Vervolgopleidingen en onderzoek

248.704

626.594

644.153

646.178

646.025

Diverse

Kansengelijkheid

198.000

202.000

200.000

200.000

200.000

Diverse

Fonds Onderzoek en Wetenschap

205.090

437.755

436.405

433.905

433.905

Diverse

Cultuur en Media

150.000

0

0

0

0

11

Herinvoering basisbeurs

5.000

0

0

0

0

4, 95

Reeksen van andere departementen

3.217

2.000

2.000

2.000

2.000

 

Totaal

2.027.528

2.606.349

2.480.572

2.471.997

2.471.844

Leraren/schoolleiders

In de reeks leraren zijn middelen opgenomen die eraan bij moeten dragen dat er meer en goede leraren komen. Over de maatregelen uit deze reeks zijn afspraken gemaakt met sociale partners in het onderwijsakkoord. Hierover is de Tweede Kamer geïnformeerd op 22 april 2022 in een brief ‘Het onderwijsakkoord: Samen voor het beste onderwijs’ (Kamerstukken 2021/22, 31293 VIII, nr 615). Er komen middelen om de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten door het dichten van de loonkloof tussen primair onderwijs en voortgezet onderwijs en door het verlichten van de werkdruk in het voortgezet onderwijs. Daarnaast komen er structurele middelen beschikbaar voor een arbeidsmarkttoelage voor scholen met relatief veel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand omdat goed personeel juist daar nu hard nodig is. Ook krijgen onderwijsprofessionals meer tijd en middelen voor bij- en nascholing (de professionaliseringsmiddelen). Schoolleiders in het primair onderwijs ontvangen een arbeidsmarkttoelage en voor de schoolleiders in het voortgezet onderwijs komen extra middelen beschikbaar voor hun professionele ontwikkeling. Tot slot worden er middelen ingezet voor het versterken van de regionale aanpak, samen opleiden en om op Caribisch Nederland ook te kunnen werken aan dezelfde doelen als op Europees Nederland. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Leraren/schoolleiders (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 1

424.182

493.103

549.992

541.992

541.992

Artikel 3

328.230

335.309

240.420

248.420

248.420

Artikel 9

4.500

4.500

4.500

4.500

4.500

Artikel 95

5.088

5.088

5.088

5.088

5.088

Totaal

762.000

838.000

800.000

800.000

800.000

Versterken onderwijskwaliteit

Om de onderwijskwaliteit te versterken zijn middelen opgenomen voor een masterplan basisvaardigheden. Onderdeel hiervan zijn een subsidieregeling voor scholen om gericht te werken aan basisvaardigheden, middelen voor extra professionalisering van docenten, middelen voor interventies gericht op het bevorderen van leesmotivatie en leesvaardigheden en ondersteuning voor scholen op het gebied van burgerschap en digitale geletterdheid. Hierover is op 4 maart 2022 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd ‘Veilig en vrij onderwijs’ (Kamerstukken II 2021/22, 31293 VIII, nr. 611) en op 12 mei 2022 ‘Masterplan basisvaardigheden en eindrapportage: analyse en evaluatie referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen’ (Kamerstukken II 2021/22, ... VIII, nr. ...). Ook zijn middelen toegevoegd om de capaciteit van de Inspectie van het Onderwijs te verhogen, zodat zij onder andere meer scholen kunnen bezoeken. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Versterken onderwijskwaliteit (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 1

238.626

278.313

126.500

126.800

126.800

Artikel 3

185.289

202.867

252.946

244.566

244.566

Artikel 4

8.585

8.585

8.585

8.585

8.585

Artikel 14

12.890

0

0

0

0

Artikel 95

10.127

10.235

9.983

9.963

9.963

Totaal

455.517

500.000

398.014

389.914

389.914

Vervolgopleidingen en onderzoek

De middelen uit de reeks vervolgopleidingen en onderzoek worden ingezet voor zowel vo, mbo als hoger onderwijs en onderzoek. In het vo wordt geïnvesteerd in de doorontwikkeling van de techniekhavo (vo). De bekostiging (vooral niveau 2) van het mbo wordt structureel opgehoogd waardoor mbo-instellingen kleinere klassen in kunnen richten en extra begeleiding en nazorg kunnen bieden aan studenten. Er worden ook middelen beschikbaar gesteld om de doorstroom in de beroepsonderwijskolom, vmbo-mbo-hbo te verbeteren. Om de aanpak van voortijdig schoolverlaten (vsv) te versterken wordt de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) uitgebreid naar de leeftijd van 27 jaar zodat jongeren zonder startkwalificatie in beeld blijven en RMC kan schakelen tussen school en gemeente om te voorkomen dat jongeren tussen wal en schip vallen. Er wordt ingezet op verbetering van studiekeuzevoorlichting (LOB) en een experiment gericht op schakelprogramma’s / oriëntatieprogramma’s die studenten effectief gaat helpen de juiste studie te kiezen. Daarnaast wordt er ingezet op het stimuleren van het aanbod van arbeidsmarktrelevante beroepsopleidingen, kleinschalig vakonderwijs en het verbeteren van de digitale veiligheid. Hierover wordt de Tweede Kamer voor de zomer geïnformeerd middels een beleidsbrief over de werkagenda van het middelbaar beroepsonderwijs.

In het hoger onderwijs en onderzoek wordt, in samenhang met de tijdelijke reeks van het fonds voor onderzoek wetenschap, structureel geïnvesteerd in het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek, het versterken van de kwaliteit van hoger onderwijs en wetenschap, het verlagen van de werkdruk en in ruimte voor ongebonden onderzoek, het verbeteren van studentenwelzijn, het stimuleren van arbeidsmarktrelevante beroepsopleidingen en schakelprogramma’s en een betere balans tussen eerste en tweede geldstroom. Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de voorgenomen inzet van instrumenten via de beleidsbrief hoger onderwijs en onderzoek. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Vervolgopleidingen en onderzoek (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 3

0

9.090

9.090

9.090

8.080

Artikel 4

86.257

148.921

156.350

156.350

156.350

Artikel 6

48.000

107.000

115.000

117.000

117.000

Artikel 7

61.000

201.000

201.000

201.060

201.000

Artikel 16

50.130

156.000

157.190

157.190

157.190

Artikel 95

3317

4583

5523

5488

6405

Totaal

248.704

626.594

644.153

646.178

646.025

Kansengelijkheid

Onder de reeks kansengelijkheid investeren we in een schooldag, waarbij scholen zelf bepalen wat zij nodig achten om de kansenongelijkheid te verkleinen doordat kinderen hun talenten kunnen ontwikkelen door middel van bijvoorbeeld sport en cultuur. We beginnen bij de scholen waar de nood het hoogst is. Daarnaast gaan we verder aan de slag met de verbeteraanpak passend onderwijs om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk leerlingen met een ondersteuningsbehoefte de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben en zo veel mogelijk samen naar school kunnen gaan. We bevorderen doorstroom en differentiatie om leerlingen maximale kansen te geven in het onderwijs. Het stagepact en het aanpakken van stage discriminatie worden ook binnen deze reeks aangepakt. De bekostiging voor niveau 2 van mbo is opgehoogd waarmee tegemoet wordt gekomen aan het belangrijkste knelpunt dat is geconstateerd voor het mbo in het onderzoek naar de toereikendheid van de bekostiging van PWC. Tot slot worden middelen toegevoegd voor de versterking van de Maatschappelijke Diensttijd. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Kansengelijkheid (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 1

55.195

55.195

55.295

55.295

55.295

Artikel 3

8.500

8.500

8.400

8.400

8.400

Artikel 4

133.805

137.805

135.805

135.805

135.805

Artikel 95

500

500

500

500

500

Totaal

198.000

202.000

200.000

200.000

200.000

Fonds onderzoek en wetenschap

Met de middelen uit het fonds voor onderzoek en wetenschap wordt de komende tien jaar geïnvesteerd in hoger onderwijs, wetenschap en hoger onderwijs en wetenschapinnovatie. Hierover wordt de Tweede Kamer geïnformeerd middels een beleidsbrief in de tweede helft van juni 2022. Deze middelen geven een krachtige impuls aan onze kennisintensieve samenleving. De opgaven van het fonds, in samenhang met de opgave voor de structurele reeks vervolgopleidingen en onderzoek, zijn het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek, verdere versterking van de onderzoeksinfrastructuur, versterken van de kwaliteit van hoger onderwijs en wetenschap, verlagen van de werkdruk en ruimte voor ongebonden onderzoek. De instrumenten (en bijbehorende middelen) voor onder meer talentontwikkeling, netwerkvorming tussen organisaties en tussen mensen, onderzoeksfaciliteiten en de transitie naar open science/education, adresseren gezamenlijk de genoemde opgaven. Met deze instrumenten wordt ingezet op zowel korte als lange termijn effecten. Het gaat om het aanjagen van veranderingen die ook na tien jaar effect zullen hebben. Vanuit deze pijler zijn ook middelen overgeheveld naar de EZK-begroting. Deze middelen worden ingezet om de Nederlandse deelname aan Europese partnerschappen binnen Horizon Europe, en aanpalende EU onderzoeks-en innovatieprogramma’s te versterken. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Fonds onderzoek en wetenschap (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 6

0

35.000

35.000

35.000

35.000

Artikel 16

199.792

387.492

388.902

386.902

386.902

Artikel 95

5.298

15.263

12.503

12.003

12.003

Totaal

205.090

437.755

436.405

433.905

433.905

Overboeking naar EZK

‒ 16.994

‒ 136.494

‒ 87.994

‒ 135.494

‒ 89.554

Cultuur en Media

In het coalitieakkoord zijn structurele middelen beschikbaar gesteld voor cultuur. In 2022 stelt het kabinet middelen beschikbaar voor het bevorderen van het herstel van de sector, onder andere door investeringen in de verbetering van de arbeidsmarktpositie, jongerencultuur en innovatie. Deze impuls moet bijdragen aan een goede herstart van de culturele- en creatieve sector na de coronacrisis. De extra middelen voor media gaan naar het uitbreiden van het beschikbare budget voor onderzoeksjournalistiek, de versterking van de kwaliteit van de lokale omroepen en de financiering van lokale omroepen via de OCW-begroting. Over de exacte invulling van de intensiveringen wordt de Tweede Kamer geïnformeerd via de hoofdlijnenbrieven van cultuur (voor 1 juni) en media (juni). Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Cultuur en media (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 14

134.920

0

0

0

0

Artikel 15

13.190

0

0

0

0

Artikel 95

1.890

0

0

0

0

Totaal

150.000

0

0

0

0

Herinvoering basisbeurs

Het kabinet kiest ervoor om de basisbeurs in het hoger onderwijs in te voeren. Op 25 maart heeft het kabinet een brief aan de Tweede Kamer over de ‘Hoofdlijnen herinvoering basisbeurs en tegemoetkoming studenten’(Kamerstukken II 2021/22, 24724 VIII, nr. 176) gestuurd. In de brief wordt ingegaan op de mogelijke invulling van de basisbeurs en tegemoetkomingen de keuzes en dilemma’s die daaraan ten grondslag liggen. Op 4 april heeft ook een debat in de Tweede Kamer plaatsgevonden. Inmiddels is een wetsvoorstel in internetconsultatie. Het wetsvoorstel van de herinvoering van de basisbeurs zal na het zomerreces aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Voor het jaar 2022 zijn er reeds kosten op Artikel 11 in het kader van de uitvoering. De middelen voor deze uitvoeringskosten worden naar de OCW-begroting gehaald.

Reeksen van andere departementen

OCW krijgt voor diverse onderwerpen ook middelen uit reeksen van andere departementen. Het gaat om bijvoorbeeld cybersecurity en kennisveiligheid. Er worden ook middelen beschikbaar gesteld voor het mbo in Caribisch Nederland voor de aansluiting onderwijs arbeidsmarkt en arbeidsbemiddeling. Hieronder in tabelvorm een overzicht waar deze middelen op de OCW-begroting landen:

Reeksen van andere departementen (bedragen x € 1.000)

2022

2023

2024

2025

2026

Artikel 4

500

1.000

1.000

1.000

1.000

Artikel 95

2.717

1.000

1.000

1.000

1.000

Totaal

3.217

2.000

2.000

2.000

2.000

3. Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

Het kabinet besluit dit jaar alle loon- en prijsontwikkeling (lpo), exclusief lpo op de coalitieakkoordreeksen, uit te keren over de departementale begrotingen, ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. In tabel 4 is de verdeling van de lpo over de artikelen te zien. De relevante lpo-tranche 2022 die OCW ontvangt bedraagt in 2022 € 1.346,7 miljoen.

Tabel 4 Uitgekeerde relevante loon- en prijsontwikkeling tranche 2022 (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

2027

1

Primair onderwijs

398.559

394.555

391.405

392.366

390.359

388.962

3

Voortgezet onderwijs

286.293

285.580

285.035

283.984

282.578

280.620

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

156.568

170.807

161.459

159.647

158.959

158.397

6

Hoger beroepsonderwijs

130.839

133.834

136.590

139.014

139.828

137.550

7

Wetenschappelijk onderwijs

198.547

202.220

205.657

208.483

210.082

211.019

8

Internationaal beleid

484

484

490

484

483

483

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

6.240

5.639

5.514

5.334

5.308

5.310

11

Studiefinanciering

24.820

77.445

78.237

78.811

78.815

78.612

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

3.440

3.379

3.365

3.369

3.383

3.417

13

Lesgelden

467

469

479

479

512

516

14

Cultuur

41.628

41.193

41.251

41.042

41.168

41.292

15

Media

47.067

47.271

47.433

48.136

48.410

48.669

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

42.097

41.423

41.297

41.175

41.090

41.090

25

Emancipatie

538

595

598

625

628

628

91

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

9.123

9.196

9.275

9.652

9.585

9.620

 

Totaal

1.346.710

1.414.090

1.408.085

1.412.601

1.411.188

1.406.185

4. Nationaal Groeifonds

In april 2022 heeft het kabinet het advies van de adviescommissie van het NGF overgenomen voor wat betreft verschillende toekenningen en omzettingen van investeringsvoorstellen. Hierover is op 14 april 2022 de Tweede Kamer geïnformeerd middels een algemene brief ‘Bekostiging investeringsvoorstellen tweede ronde Nationaal Groeifonds’ (Kamerstukken II 2021/22, 35925 XIX, nr 12). Voor OCW betekent dit een toevoeging van € 58,0 miljoen aan de begroting. Daarnaast zullen er naar verwachting later in het jaar nog middelen naar de OCW-begroting worden overgeheveld waar nu een advies op is gegeven van voorwaardelijke toekenning. Dit betekent dat hier nog aan enkele voorwaarden moet worden voldaan tot kan worden overgegaan op onvoorwaardelijke toekenning. Het gaat om middelen voor het Nationaal Platform Leren en Ontwikkelen. In tabel 5 is de verdeling over de verschillende projecten opgenomen. Kanttekening hierbij is dat de projecten nationale LLO Katalysator en de digitaliseringsimpuls onderwijs NL voor zowel het middelbaar als het hoger beroepsonderwijs bedoeld zijn.

Tabel 5 Nationaal Groeifonds (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

2027

1, 3, 95

Open leermateriaal

1.783

7.125

11.586

0

0

0

1, 3, 95

Ontwikkelkracht

4.197

17.536

27.657

31.367

20.474

0

3, 95

Digitaal onderwijs goed geregeld

599

3.508

5.733

5.583

3.083

3.083

4

Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden

300

3.400

3.900

0

0

0

6

Nationale LLO Katalysator

40.000

127.000

0

0

0

0

6

Digitaliseringsimpuls onderwijs NL

10.000

45.000

45.000

40.000

0

0

16

Biotech booster reeks

1.140

19.720

28.740

0

0

0

 

Totaal

58.019

223.289

122.616

76.950

23.557

3.083

5. Oekraïne

Er wordt € 230,9 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting voor Oekraïense ontheemden. Hierover bent u geïnformeerd in de verzamelbrief van 26 april 2022 over ‘Opvang ontheemden uit Oekraïne’ (Kamerstukken II 2021/22, 19637 VI, nr. 2887). Scholen in zowel het primair als het voortgezet onderwijs waar nieuwkomers uit Oekraïne les krijgen komen in aanmerking voor de nieuwkomersbekostiging. Dit budgettaire beslag geldt voor de periode van 1 maart 2022 tot 16 juli 2022 (einde schooljaar). De subsidie voor de ondersteuningsorganisatie voor het nieuwkomersonderwijs (LOWAN) om scholen te ondersteunen om kinderen uit Oekraïne zo snel mogelijk les te kunnen geven wordt verhoogd. Een aantal van de Oekraïense leerlingen komt nog op reguliere scholen terecht. Deze scholen hebben vaak niet de expertise om een nieuwkomersleerling les te geven zoals een nieuwkomersschool dat wel heeft. Er worden daarom middelen ingezet voor ambulante begeleiding vanuit de nieuwkomersscholen voor deze reguliere scholen, wat ervoor zorgt dat ook reguliere scholen expertise tot hun beschikking hebben. Ook worden gemeenten gesteund in het organiseren van leerlingenvervoer voor nieuwkomersonderwijs. Dit betreft een eenmalige decentralisatie-uitkering voor de periode 1 maart 2022 ‒ 16 juli 2022 (exclusief schoolvakanties). Daarnaast worden gemeenten financieel gesteund bij het regelen van extra onderwijshuisvesting in gevallen waar de bestaande onderwijshuisvesting niet toereikend is om de Oekraïense leerlingen op te vangen. Dit betreft een specifieke uitkering voor de periode 1 maart 2022 ‒ 16 juli 2022 (einde schooljaar). Tot slot wordt aan instellingen een tijdelijke compensatie aan Oekraïense studenten in het studiejaar 2021-2022 in het ho en mbo beschikbaar gesteld. Deze compensatie bedraagt maximaal 1.000 euro (betreft de kosten voor leefgeld en studie, bedrag conform Nibudnorm) per student per maand voor in beginsel drie maanden (maart – mei). In tabel 6 een overzicht van de verschillende maatregelen. 

Tabel 6 Vluchtelingen Oekraïne (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

1, 3

Bekostiging nieuwkomers

79.304

0

0

0

0

1, 3

LOWAN

600

0

0

0

0

1, 3

Ambulante begeleiding

3.000

0

0

0

0

1

Oekraine leerlingvervoer

9.200

0

0

0

0

1, 3

Oekraine huisvesting/noodlocaties

136.278

0

0

0

0

4, 7

Tegemoetkoming voor Oekraïnse studenten

2.500

0

0

0

0

 

Totaal

230.882

0

0

0

0

6. Leerlingen- en studentenontwikkeling (inclusief studiefinanciering)

De Referentieraming is de jaarlijkse raming van leerlingen- en studentenaantallen. Uit de Referentieraming 2022 blijkt dat het aantal leerlingen en studenten tot 2025 iets lager ligt dan in de vorige raming. Vanaf 2026 neemt het aantal leerlingen in het primair onderwijs fors toe ten opzichte van de Referentieraming 2021. Dit komt met name door een toename in het geboortecijfer. Mede als gevolg hiervan ontstaan in het primair onderwijs in de eerste jaren meevallers en vanaf 2026 tegenvallers op de uitgaven. Daarnaast wordt er in het mbo een verschuiving geraamd van de beroepsopleidende leerweg (bol) naar de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) vanwege het werkloosheidseffect. De arbeidsmarkt is momenteel gunstig, waardoor studenten vaker kiezen voor een bbl-opleiding. Doordat de bekostiging van bbl-studenten lager ligt, heeft dit budgettaire consequenties in het mbo, zoals ook is te zien in de tabel.

Uit de ramingen blijkt dat in het hoger onderwijs, met name het hoger beroepsonderwijs, zich minder studenten hebben ingeschreven. Dit wordt met name veroorzaakt door mbo-bolgediplomeerden die vaker uitstromen naar de arbeidsmarkt en havo-gediplomeerden die vaker een tussenjaar nemen. Dit zorgt voor een meevaller vanaf 2023. In het wetenschappelijk onderwijs is de raming van 2022 van niet-EER studenten naar boven bijgesteld. In eerdere jaren was hier sprake van een onderraming, hetgeen nu zorgt voor een meevaller.

Op de raming van de uitgaven voor studiefinanciering doet zich per saldo een tegenvaller voor van € 33,6 miljoen in 2022. Deze per saldo tegenvaller wordt veroorzaakt door hoger geraamde omzettingen in het hoger onderwijs. In de jaren daarna betreft het een meevaller. Dit komt voornamelijk door de lagere raming van studentenaantallen in het ho.

In tabel 7 zijn de mutaties als gevolg van de nieuwe Referentieraming en de studiefinancieringsraming te zien. De bedragen voor de studiefinancieringsraming zijn een saldo van uitgaven en ontvangstenmutaties. Voor 2022 telt de uitgaventegenvaller van € 33,6 miljoen en de ontvangstentegenvaller van € 20,4 miljoen op tot een tegenvaller van € 54,1 miljoen (dit is exclusief de rente).

Tabel 7 Leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

1

Primair onderwijs

‒ 10.400

‒ 7.800

‒ 4.200

‒ 4.200

71.400

3

Voortgezet onderwijs

‒ 11.300

36.300

45.100

44.300

50.700

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

404

‒ 112.896

‒ 78.296

‒ 44.296

‒ 20.496

6

Hoger beroepsonderwijs

0

‒ 91.434

‒ 141.970

‒ 171.605

‒ 191.769

7

Wetenschaps onderwijs

0

‒ 28.948

‒ 39.152

‒ 43.420

‒ 47.815

11, 12

SF (relevant)

54.137

‒ 109.205

‒ 74.669

‒ 78.709

‒ 64.317

 

Totaal

32.841

‒ 313.983

‒ 293.187

‒ 297.930

‒ 202.297

7. Compensatie vervallen btw-vrijstelling

Bij de invoering van het passend onderwijs was de detachering van personeel naar of vanuit het samenwerkingsverband vrijgesteld van btw. Als gevolg van Europese regelgeving (eind 2018) is de btw-regelgeving aangescherpt en is deze btw-vrijstelling niet meer mogelijk. Dit levert extra kosten op voor samenwerkingsverbanden en deze opbrengst vloeit terug naar de schatkist. Met deze middelen worden zij gecompenseerd. Dit heeft betrekking op Artikel 1 van de OCW-begroting.

8. Saldo mee- en tegenvallers

Het saldo aan mee- en tegenvallers binnen de OCW-begroting is € 4,7 miljoen in 2022. De tegenvallers bestaan onder andere uit:

  • diverse contributies voor Europese organisaties die onderzoek doen;

  • de structurele kosten voor het IV-landschap van de RCE.

De hoogste meevaller die hiervoor is ingezet zijn de ontvangsten van het SIVON ter hoogte van € 5,5 miljoen. Het betreft ontvangsten die voor 2021 ingeboekt waren, maar pas in 2022 tot realisatie bleken te komen. Dit werd reeds aangekondigd in de brief van 13 december 2021 over ‘Budgettaire mutaties van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) sinds de Tweede Suppletoire Begroting 2021’ (Kamerstukken II 2021/22, 35925, nr. 142). 

De tegenvallers in de jaren 2023 tot en met 2026 worden gecompenseerd door de meevaller uit de referentieraming en de studiefinancieringsraming.

9. Overige problematiek en dekking

De overige problematiek en dekking op de OCW-begroting bedragen per saldo € 4,1 miljoen in 2022. Er zijn meerdere kleine technische in- en extensiveringen uitgevoerd, maar ook resterende problematiek uit eerdere jaren is opgelost. Het betreft onder andere:

  • Een intensivering voor de regeringscommissaris die is aangesteld voor de Nationale Aanpak Seksueel Overschrijdend Gedrag;

  • De rentemaatstaf: In 2019 werd besloten het Wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs in te trekken. De gederfde generale opbrengsten zijn specifiek gedekt met een taakstelling op de OCW-begroting, oplopend tot structureel € 226,0 miljoen in 2060. Voor deze kabinetsperiode (meerjarenperiode tot en met 2029) is de keuze gemaakt om de taakstelling te verdelen naar rato van de begrotingsomvang van de drie bewindspersonen en in te boeken op de Artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8, 14 en 16 voornamelijk als korting op de bekostiging. De totale taakstelling over deze artikelen is in 2026 structureel € 3,0 miljoen, in 2027 structureel € 7,0 miljoen, in 2028 structureel € 16,0 miljoen en in 2029 structureel € 26,0 miljoen. De oploop na 2029 blijft staan op de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (Artikel 6 & 7);

  • De resterende problematiek uit de voorjaarsbesluitvorming van 2019 die geparkeerd stond op Artikel 7. De dekking vanaf 2026 en verder is in deze Eerste Suppletoire Begroting ingevuld door op de Artikelen 1, 3, 4, 6, 7, 8, 14 en 16 extensiveringen in te boeken naar rato van de begrotingsomvang. Het betreft € 38,0 miljoen in 2026 oplopend naar € 41,3 miljoen in 2030.

10. Kasschuiven

Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme.

11. Niet-kaderrelevante mutaties

De niet-kaderrelevante mutaties hebben betrekking op de studiefinanciering. Het betreft hier enerzijds een bijstelling van € 359,9 miljoen naar beneden vanwege de per saldo tegenvaller in de studiefinancieringsraming. Daarnaast wordt er ook € 114,5 miljoen toegevoegd wegens lpo uitkering op de niet-kaderrelevante budgetten onder deze post.

12. Desalderingen

Dit betreft desalderingen van uitgaven en ontvangsten. De grootste desaldering binnen dit bedrag betreft de dotatie aan de Algemene Mediareserve van € 22,0 miljoen. Hiermee wordt aansluiting gevonden op de geactualiseerde Ster-raming.

13. Overig

Dit saldo bestaat uit verschillende mutaties:

  • Naar aanleiding van de kabinetsreactie op de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag wordt in totaal € 17,3 miljoen beschikbaar gesteld voor het op orde brengen van de informatiehuishouding;

  • In dit saldo zitten overboekingen van de Aanvullende Post, waaronder de reeks van aanpak jeugdwerkloosheid en de kwartiermakers Zeeland;

  • Overboekingen met andere departementen;

  • Technische mutaties en interne overboekingen vallen onder dit saldo;

  • Mutaties met betrekking tot de eindejaarsmarge. In onderstaande alinea wordt hier dieper op ingegaan.

Eindejaarsmarge

De eindejaarsmarge betreft het deel van de OCW-begroting dat in 2021 per saldo niet tot besteding is gekomen en bedraagt € 310,4 miljoen. Dit bedrag wordt in 2022 weer toegevoegd aan de begroting. Van dit bedrag wordt € 110,1 miljoen ingezet voor overlopende verplichtingen die in 2021 waren gepland maar pas in 2022 tot betaling komen. De overige eindejaarsmarge wordt ingezet voor:

  • de per saldo tegenvaller op de OCW-begroting (voornamelijk veroorzaakt door de studiefinancieringsraming);

  • de regeringscommissaris voor Aanpak Seksueel Overschrijdend Gedrag;

  • het aanvullen van het Museaal Aankoopfonds;

  • het uitvoeren van motie Westerveld met betrekking tot het versnellen van de uitvoering verbeteraanpak passend onderwijs (Kamerstukken 2021/22, 35925, nr 54).

De overige € 142,4 miljoen wordt ingezet om de taakstelling op het NP Onderwijs uit het coalitieakkoord te dekken. In tabel 8 is uitgesplitst zichtbaar hoe de eindejaarsmarge is opgedeeld

Tabel 8 Inzet eindejaarsmarge (Bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

2022

91

Coalitieakkoord korting NP Onderwijs

142.447

Diverse

Overlopende verplichtingen

110.149

Diverse

Tegenvallers

32.065

25, 95

Regeringscommissaris voor aanpak seksueel overschrijdend gedrag

3.739

14

Aanvullen Museaal Aankoopfonds

19.000

1

Motie Westerveld

3.000

 

Saldo eindejaarsmarge

310.400

De taakstelling NP Onderwijs is opgenomen in het coalitieakkoord en bedraagt € 230,0 miljoen. Na inzet van de eindejaarsmarge blijft er € 87,6 miljoen over om te dekken. Dit deel wordt gedekt uit de CA-reeksen. Dit betreft € 43,8 miljoen uit de reeks Versterken onderwijskwaliteit, € 41,9 miljoen uit de reeks Vervolgopleidingen en onderzoek en € 1,9 uit de reeks Fonds onderzoek en wetenschap.

2.1 Overzicht belangrijke uitgaven- en ontvangstenmutaties

Tabel 2 Belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties 2022 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Artikelnr.

Uitgaven

Stand vastgestelde begroting 2022

 

48.810.026

Stand 1e suppletoire begroting 2022

 

53.541.264

Belangrijkste suppletoire mutaties:

  

1)

Zevende Incidentele Suppletoire Begroting

diverse

409.381

2)

Saldo mee- en tegenvallers

diverse

‒ 191.159

3)

Covid-19

diverse

‒ 230.748

4)

Overlopende verplichtingen

diverse

‒ 30.666

5)

Kasschuiven

diverse

816.215

6)

Niet-plafondrelevante mutaties

11

‒ 101.886

7)

Kwijtschelding publieke schulden ex-partners toeslagengedupeerden

11

40.000

8)

Desalderingen

1,4,14,95

15.077

9)

Overige mutaties

diverse

‒ 16.403

Stand 2e suppletoire begroting 2022

 

54.251.075

Toelichting

  • 1. 7e Incidentele suppletoire begroting

    Met de 7e Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) inzake Werk aan Uitvoering, Oekraïne en Herdenkingsjaar Slavernijverleden wordt in totaal € 409,4 miljoen aan de OCW-begroting toegevoegd. Voor Werk aan Uitvoering wordt voor het jaar 2022 incidenteel € 23,2 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting. Daarnaast worden de eerdere gecommuniceerde regelingen, zoals de nieuwkomersregelingen en leerlingenvervoer, voor Oekraïense ontheemden verlengd. Daarbij worden ook middelen beschikbaar gesteld voor de examens. Hiertoe wordt € 382,0 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting. Tot slot wordt voor het jaar 2022 € 4,2 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting voor de organisatie van het Herdenkingsjaar slavernijverleden.

  • 2. Saldo mee- en tegenvallers

    Er is per saldo een meevaller op de OCW-begroting van € 191,2 miljoen. Hieronder worden enkele meevallers toegelicht:

    • In het voortgezet onderwijs bedraagt de totale meevaller € 30,6 miljoen. Dit komt met name door minder aanvragen op de regeling zittenblijven en het niet verlengen van de regeling voortijdig schoolverlaten.

    • In het middelbaar beroepsonderwijs bedraagt de per saldo meevaller € 64,3 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door een meevaller van € 65,3 miljoen op de subsidieregeling Maatschappelijke Diensttijd. Deze is niet volledig uitgeput in 2022 en de opschaling van het programma kost meer tijd.

    • Op de studiefinanciering is er een meevaller van € 60,3 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door een bijstelling van de ramingen op basis van de verstrekte gegevens van DUO.

    • Binnen de Apparaatskosten bedraagt de totale meevaller € 15,0 miljoen. Deze wordt veroorzaakt door meerdere kleine meevallers, onder andere op de middelen die voor apparaats- en uitvoeringskosten zijn gereserveerd uit de coalitieakkoord-middelen.

  • 7. Covid-19

    Het kabinet heeft als gevolg van de uitbraak van het coronavirus extra middelen toegevoegd aan de OCW-begroting voor onder andere 2022. Veel van deze regelingen zijn vanwege de urgentie ruim geraamd. Ondertussen is duidelijk geworden dat een deel van deze middelen niet benodigd is. Onder andere de middelen voor de zelftesten zijn niet volledig besteed. Hiervan wordt € 50,0 miljoen doorgeschoven naar 2023, omdat nog onduidelijk is hoe het virus zich verder zal ontwikkelen. Het overige deel van € 73,0 miljoen wordt teruggestort aan Financiën conform de voor corona geldende systematiek. Daarnaast zijn in de 6e ISB middelen beschikbaar gesteld voor ventilatie op scholen. Van dit budget wordt € 46,2 miljoen doorgeschoven naar 2023. Op het budget van het Nationaal Programma Onderwijs wordt € 44,0 miljoen teruggestort aan Financiën. Dit wordt veroorzaakt omdat niet het gehele bedrag dit jaar wordt betaald, maar volgend jaar. Tot slot vindt er op het budget voor de steun aan de culturele sector onderuitputting plaats van € 7,2 miljoen. Ook dit wordt teruggestort aan Financiën.

  • 8. Overlopende verplichtingen

    Op diverse artikelen zijn er verplichtingen die niet meer in 2022 tot uitgaven zullen leiden maar wel in 2023. Deze gaan mee naar volgend jaar als overlopende verplichting. Het gaat hier om in totaal € 30,7 miljoen. Dit saldo bevat een overlopende verplichting van de onderwijshuisvesting Caribisch Nederland en enkele overlopende verplichtingen op Artikel 95 (Apparaatskosten) in verband met vertragingen door corona.

  • 9. Kasschuiven

    Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. Zo is er besloten tot een kasschuif van € 960,0 miljoen op het budget van de reisvoorziening van de openbaarvervoersbedrijven op Artikel 11 (Studiefinanciering). De kasschuif van 2023 naar 2022 wordt vaker verwerkt omdat dit behulpzaam is om het kasritme van de staat te optimaliseren. Daarnaast vindt op de coalitieakkoordmiddelen een kasschuif plaats op de subsidieregeling basisvaardigheden van € 53,9 miljoen voor het creëren van een ingroeipad met meerdere instapmomenten.

  • 10. Niet-plafondrelevante mutaties

    De niet-plafondrelevante mutaties ter hoogte van € 101,9 miljoen hebben betrekking op de studiefinanciering en Oekraïne. De mutatie op studiefinanciering betreft voornamelijk de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet dat naar beneden is bijgesteld op basis van de actuele realisatiecijfers van dit jaar.

  • 11. Kwijtschelding publieke schulden ex-partners toeslagengedupeerden

    Er is sprake van een tegenvaller van € 40,0 miljoen op de middelen voor de kwijtschelding van publieke schulden van de toeslagengedupeerden. Dit wordt veroorzaakt door meer kwijtscheldingen dan voorheen geraamd.

  • 12. Desalderingen

    De desalderingen hebben betrekking op de uitgaven en ontvangsten. De grootste desaldering binnen dit bedrag betreft een onttrekking uit het Museaal Aankoopfonds voor het verwerven van diverse werken.

  • 13. Overige mutaties

    Het saldo van de overige mutaties bestaat uit verschillende mutaties. Hierin zitten overboekingen van de Aanvullende Post, waaronder de totale toegekende loon- en prijsbijstelling op de coalitieakkoord-reeksen die op de OCW-begroting staan. Dit saldo bevat ook de ontvangen middelen voor het NGF voorstel Leeroverzicht van € 6,1 miljoen. Daarnaast wordt in het kader van rechtsherstel box 3 het verzamelinkomen van ouders herzien. Dit heeft ook gevolgen voor de uitgaven aan de aanvullende beurs en de uitgaven aan de WTOS. Tot slot valt hier ook een overboeking met het Ministerie van BZK onder van € 10,0 miljoen ten behoeve van de dekking van de energietoeslag voor studenten.

Tabel 3 Belangrijkste suppletoire ontvangstenmutaties 2022 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Artikelnr.

Ontvangsten

Stand vastgestelde begroting 2022

 

1.607.953

Stand 1e suppletoire begroting 2022

 

1.640.132

Belangrijkste suppletoire mutaties:

  

1)

Covid-19

4, 6, 14

30.432

2)

Saldo mee- en tegenvallers

11, 16

‒ 1.408

3)

Desalderingen

Diverse

15.077

4)

Niet-plafondrelevante mutaties

11

‒ 60.000

Stand 2e suppletoire begroting 2022

 

1.624.233

Toelichting

  • Gedurende het jaar 2022 zijn als gevolg van de uitbraak van het coronavirus extra middelen toegevoegd aan de OCW-begroting. Indien deze niet tot realisatie komen, worden deze teruggestort. Dit bedrag bestaat met name uit een storting vanuit de Rijkscultuurfondsen van € 12,3 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door een lagere vaststelling van de in 2021 als voorschot verstrekte bedragen aan het Fonds Cultuurparticipatie, het Fonds Podiumkunsten en het Mondriaan Fonds. Daarnaast is voor € 7,3 miljoen teruggestort voor de afrekening van de inhaal- en ondersteuningsprogramma’s, onderdeel van het Nationaal Programma Onderwijs.

  • De ontvangen rente wordt met € 5,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Uit de reeds bekende realisatie van DUO blijkt dat de renteontvangsten lager zijn dan geraamd. Deze tegenvaller komt conform de begrotingsregels ten laste van het generale beeld.

  • De desalderingen hebben betrekking op de uitgaven en ontvangsten. De grootste desaldering binnen dit bedrag betreft een onttrekking uit het Museaal Aankoopfonds voor het verwerven van diverse werken.

  • Bij studiefinanciering zijn de niet-plafondrelevante ontvangsten op de terugontvangen hoofdsom met € 60,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Uit de realisatiegegevens van DUO blijkt dat er een lager bedrag is terugbetaald aan leningen.

  • Hogeschool Zeeland heeft in 2022 de volledige restschuld van de boete, als gevolg van ten onrechte uitgekeerde Rijksbijdrage, afbetaald aan OCW. Deze staat in de begroting voor de jaren 2022 tot en met 2024 begroot. Deze meevaller op de ontvangsten wordt doorgeschoven naar 2023, zodat deze ontvangst bij Eerste Suppletoire Begroting in het juiste ritme kan worden gezet.

2.1 Beleidsartikel 1. Primair onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 6,8 miljard verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het verplichtingenbudget op de bekostiging is per saldo met € 6,5 miljard verlaagd. Dit komt met name door een verlaging van € 6,2 miljard op de verplichtingenstand van de hoofdbekostiging van het primair onderwijs. Deze verlaging is een correctie op een eerdere verhoging van de hoofdbekostiging in de Tweede Suppletoire Begroting. Vanaf 2023 is er sprake van kalenderjaar bekostiging en worden de (kas)uitgaven voor het gehele kalenderjaar verplicht in het voorgaande kalenderjaar (in 2022 zijn de (kas)uitgaven voor de gehele bekostiging in 2023 verplicht). De verplichtingenruimte is in de Tweede Suppletoire Begroting met 12/12e verhoogd, terwijl dit 5/12e van het volledige bedrag had moeten zijn. In de Slotwet is dit gecorrigeerd. Tevens is er € 127,8 miljoen minder verplicht op de bekostiging van het primair onderwijs vanwege onderuitputting op dit budget, dit heeft ook grotendeels te maken met de overgang van de schooljaar bekostiging systematiek naar kalenderjaar bekostiging.

Subsidies

Er is per saldo € 29,4 miljoen minder verplicht op subsidies. Dit heeft te maken met een verlaging van € 32,3 miljoen op de verplichtingen van de overige subsidies. Het betreft bijvoorbeeld de subsidies voor onderwijsconsulenten, de aanpak van het lerarentekort en enkele andere kleine regelingen.

Bijdragen aan medeoverheden

Er is per saldo € 292,7 miljoen minder verplicht op het instrument bijdragen aan medeoverheden. Dit wordt grotendeels veroorzaakt doordat er € 276,0 miljoen minder verplicht is op het budget voor huisvesting noodlocaties voor Oekraïense vluchtelingen. De verplichtingenrealisatie valt lager uit dan begroot doordat het aantal aanvragen lager is dan geraamd. Daarnaast is er op het budget voor ventilatie sprake van een overlopende verplichting van € 54,8 miljoen. Dit budget is in de Brief ‘Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2022’ genoemd en zal in 2023 weer aan de begroting van OCW worden toegevoegd. Ten slotte wordt er 35,0 miljoen meer verplicht op het Nationaal Programma Onderwijs. Deze tegenvaller is ontstaan doordat de schooljaren 2021-2022 en 2022-2023 al in 2021 waren verplicht, maar een deel van de beschikkingen pas in 2022 kwamen terwijl hier geen verplichtingenbudget voor was.

Uitgaven

Het budget wordt met € 297,2 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het uitgavenbudget op de bekostiging is met € 78,8 miljoen afgenomen. Dit wordt met name veroorzaakt door een overlopende verplichting op de nieuwkomersbekostiging van € 51,1 miljoen die niet voor het jaar 2022 is bestemd maar voor 2023. Doordat de teldatum van het aantal nieuwkomers op 1 november 2022 ligt, wordt er pas in 2023 uitbetaald. Dit budget is in de Brief ‘Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2022’ genoemd en zal in 2023 weer aan de begroting van OCW worden toegevoegd. Daarnaast is er € 11,1 miljoen minder uitgegeven dan begroot op de nieuwkomersbekostiging voor Oekraïne.

Subsidies

Er is per saldo € 8,4 miljoen minder gerealiseerd op het instrument subsidies. Dit heeft voornamelijk te maken met de overige subsidies. Het betreft bijvoorbeeld de subsidies voor onderwijsconsulenten (€ 2,5 miljoen), de aanpak van het lerarentekort (€ 4,2 miljoen) en enkele andere kleine regelingen.

Opdrachten

Er is per saldo € 13,6 miljoen minder gerealiseerd op het instrument opdrachten. Dit wordt met name veroorzaakt door € 5,7 miljoen onderuitputting op het budget voor zelftesten. Daarnaast vallen de uitgaven op de CA-middelen € 4,9 miljoen lager uit dan begroot als gevolg van minder uitgaven op de budgetten voor het versterken van de onderwijskwaliteit, kansengelijkheid en leraren.

Bijdragen aan medeoverheden

Er is per saldo € 196,1 miljoen minder gerealiseerd op het instrument bijdragen aan medeoverheden. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door een meevaller van € 140,7 miljoen op het budget voor huisvesting noodlocaties voor Oekraïense vluchtelingen. Deze meevaller is ontstaan doordat er minder aanvragen waren dan geraamd. Daarnaast is er op het budget voor ventilatie een overlopende verplichting van € 54,8 miljoen, zoals reeds gemeld in de Brief ‘Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2022’.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 9,3 miljoen verhoogd. De grootste ontvangsten zijn komen door vermindering personele bekostiging (€ 5,0 miljoen) en sancties (€ 1,5 miljoen).

2.2 Overzicht Coronamaatregelen

Ook in het jaar 2022 heeft het kabinet weer diverse (nood)maatregelen genomen om de coronacrisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de spoedeisende maatregelen waarvoor generale middelen beschikbaar zijn gesteld via Incidentele Suppletoire Begrotingen en Nota's van Wijziging.

Tabel 9 Extracomptabele tabel overzicht Coronamaatregelen (bedragen x € 1.000)

Art.

Naam maatregel/regeling

Bedrag verplichtingen 2022

Bedrag uitgaven 2022

Bedrag ontvangsten 2022

Relevante Kamerstukken

diverse

Nationaal Programma Onderwijs

1.388.636

178.317

0

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2), (Kamerstukken 2021/22, 36082 VIII, nr. 2)

3

Examens

51.449

51.449

0

(Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2)

14

Steunpakket cultuur

259.342

259.342

0

(Kamerstukken II 2021/22, 36005 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36024 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36082 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 35925 VIII, nr. 122)

1, 3

Ventilatie

130.000

130.000

0

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2), (Kamerstukken 2021/22, 36082 VIII, nr. 2)

diverse

Zelftesten

183.356

185.755

0

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2)

1. Nationaal Programma Onderwijs maatregelen (€ 178,3 miljoen)

In de 4e Incidentele Suppletoire Begroting zijn diverse mutaties op het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) gedaan. Het betreft hier voornamelijk overlopende verplichtingen om bijvoorbeeld het juiste betaalritme te bewerkstelligen. Of om niet-bestede middelen uit 2021 over te hevelen naar 2022. In de 6e Incidentele Suppletoire Begroting is het tweede deel van het NP Onderwijs dat nog op de Aanvullende Post stond, overgeheveld naar de OCW-begroting. Tevens zijn in die ISB de middelen van Artikel 91 (Onverdeeld) naar de juiste begrotingsartikelen geboekt.

2. Examens (€ 51,4 miljoen)

In de 3e Incidentele Suppletoire Begroting zijn middelen voor de examens toegevoegd aan de OCW-begroting. Dit betreft middelen waarmee aanpassingen kunnen worden gedaan aan het eindexamen.

3. Steunpakket cultuur (€ 259,3 miljoen)

Via diverse Incidentele Suppletoire Begrotingen zijn extra middelen toegevoegd aan de OCW-begroting om de culturele en creatieve sector tegemoet te komen vanwege de gevolgen van de beperkende maatregelen door covid-19.

4. Ventilatie (€ 130,0 miljoen)

In de 4e Incidentele Suppletoire Begroting is € 20,0 miljoen beschikbaar gesteld voor onder andere CO2-meters voor in elk klaslokaal in het funderdend onderwijs. Daarna is in de 6e Incidentele Suppletoire nog eens € 110,0 miljoen beschikbaar gesteld voor 2022 om de bestaande SUViS-regeling die via de begroting van BZK liep, voort te zetten via de begroting van OCW. In diezelfde 6e Incidentele Suppletoire Begroting is voor 2023 € 30,0 miljoen beschikbaar gesteld.

5. Zelftesten (€ 185,8 miljoen)

Met betrekking tot het onderwerp zelftesten zijn er op verschillende momenten in 2021 middelen aan de OCW-begroting toegevoegd. In 2021 bleef budget over. Omdat OCW ook in 2022 door zou gaan met het inzetten van zelftesten in het onderwijs, zijn alle niet uitgeputte middelen op het gebied van zelftesten op de OCW-begroting van 2021 bijgeboekt in 2022.

2.2 Overzicht Coronamaatregelen

Tabel 4 Coronamaatregelen op de OCW-begroting (bedragen x € 1 miljoen)

Artikel

Omschrijving maatregel

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Vindplaats

15

Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening

5.247

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35716, nr. 2)

14

Tweede cultuurpakket

248.406

      

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 400)

14

Extra steun voor de culturele en creatieve sector

24.000

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35735, nr. 2)

14

Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

10.000

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35776, nr. 2)

14

Vierde steunpakket cultuur

69.990

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

14

Boekenvak

20.000

‒ 8.229

     

(Kamerstukken II 2020/21, 35877, nr. 2)

14

Ongeplaceerde evenementen

49.000

      

(Kamerstukken II 2021/22, 35941, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 35964, nr. 2)

11

Compensatie studenten mbo en ho

159.870

      

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

1,3,4

Extra hulp voor de klas

210.000

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 123)

4

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

49.408

22.482

9.646

3.836

   

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2), Kamerstukken II 2021/22, 36120 VIII, nr. 2

6, 7

Coronabanen in het hoger onderwijs1

14.201

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2)

1

Extra apparaten voor onderwijs op afstand po en vo

15.000

      

(Kamerstukken II 2020/21, 35696, nr. 1)

3

Examens vo

45.182

51.449

     

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2)

diverse

NPO maatregelen2

3.025.561

3.754.570

1.294.047

52.473

50.174

40.000

25.000

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185)

4

Projectskills en scholingsmogelijkheden

996

333

     

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

14

Cultuursteun en suppletieregeling

 

250.881

     

(Kamerstukken II 2021/22, 36005 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36014 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36024 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36082 VIII, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 35925 VIII, nr. 122)

1, 3

Ventilatie

 

83.585

76.415

    

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2), (Kamerstukken 2021/22, 36082 VIII, nr. 2)

1,3,4,6,7

Zelftesten

20.914

52.758

50.000

    

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2020/21, 35806, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2)

1

Hiervoor werd initieel € 20,0 miljoen overgemaakt. Uiteindelijk is € 15,2 miljoen uitgeput.

2

Zowel voor po, vo als mbo geldt dat niet het volledige bedrag is uitgegeven op de inhaal- en ondersteuningsprogramma's. Totaal is er € 72,0 miljoen teruggestort naar het Ministerie van Financiën.

2.2 Beleidsartikel 3. Voortgezet onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 1,1 miljard verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is per saldo € 739,7 miljoen minder verplicht op de bekostiging. Dit komt met name doordat er € 679,9 miljoen minder is verplicht op de reguliere bekostiging van voortgezet onderwijs instellingen vanwege minder leerlingen in de definitieve telling in vergelijking met de voorlopige telling. Daarnaast is er € 57,5 miljoen minder verplicht op het Nationaal Programma Onderwijs. Het betreft hier minder bekostiging wat is verstrekt aan scholen ten opzichte van wat geraamd was.

Subsidies

Er is per saldo € 25,7 miljoen minder verplicht aan subsidies. Dit komt met name door een meevaller van € 33,1 miljoen op het Nationaal Programma onderwijs budget regeling brede brugklassen. Deze meevaller wordt veroorzaakt door minder aanvragen dan geraamd. Daarnaast is er op het budget Overige subsidies € 12,9 miljoen minder uitgegeven. Dit is te verklaren door onderbesteding op de ontvangen CA-middelen, zoals techniek havo en burgerschap. Ten slotte is er een tegenvaller van € 33,1 miljoen op het Nationaal Programma Onderwijs budget regeling brede brugklassen. Deze meevaller wordt veroorzaakt door minder aanvragen dan geraamd.

Opdrachten

Er is per saldo € 50,8 miljoen minder verplicht op het instrument opdrachten. Dit wordt met name veroorzaakt door een verlaging van de verplichtingenstand op het budget in- en uitbesteding van € 41,5 miljoen. Deze onderbesteding is te verklaren door de toegekomen CA-middelen, zoals een onderbesteding op basisvaardigheden monitoring, veilig digitaal en burgerschap. Vanwege de korte tijd konden meerdere plannen niet op tijd worden uitgewerkt én uitgevoerd.

Bijdragen aan medeoverheden

Er is per saldo € 256,8 miljoen minder verplicht op het instrument bijdragen aan medeoverheden. Dit wordt met name veroorzaakt doordat er € 221,8 miljoen minder is verplicht op het budget voor huisvesting noodlocaties voor Oekraïense vluchtelingen. De verplichtingenrealisatie valt lager uit dan begroot vanwege onderuitputting op de regeling. Daarnaast is er € 35,0 miljoen minder verplicht op het Nationaal Programma Onderwijs dan geraamd.

Uitgaven

Het budget wordt met € 352,5 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het uitgavenbudget op de bekostiging is met € 35,1 miljoen afgenomen. Dit komt met name doordat er € 20,1 miljoen minder is gerealiseerd op de bekostiging van voortgezet onderwijs instellingen. Dit wordt verklaard door een meevaller op de maatregelen op examens van € 12,0 miljoen en door minder leerlingen in het voortgezet onderwijs in de definitieve telling ten opzichte van de voorlopige telling, wat heeft geresulteerd in een meevaller van € 8,0 miljoen. Daarnaast is er € 11,8 miljoen minder uitgegeven op het Nationaal Programma Onderwijs. Deze meevaller is onder andere ontstaan door het instellen van de duimregeling, waardoor minder leerlingen een herkansing hebben gedaan op de examens. Hierdoor heeft OCW scholen minder hoeven compenseren voor de maatregelen examens 2022.

Subsidies

Er is per saldo € 53,0 miljoen minder gerealiseerd op het instrument subsidies. Dit komt met name door een meevaller van € 33,1 miljoen op het Nationaal Programma Onderwijs budget regeling brede brugklassen. Deze meevaller wordt veroorzaakt door minder aanvragen dan geraamd. Daarnaast is er op het budget Overige subsidies € 16,3 miljoen minder uitgegeven. Dit is te verklaren door onderbesteding op de ontvangen CA-middelen, zoals techniekhavo en burgerschap. Vanwege de korte tijd konden meerdere plannen niet op tijd worden uitgewerkt én uitgevoerd.

Opdrachten

Er is per saldo € 36,4 miljoen minder gerealiseerd op het instrument opdrachten. Dit wordt met name veroorzaakt doordat er € 27,9 miljoen minder is uitgegeven op het budget in- en uitbesteding. Deze onderbesteding is te verklaren door de toegekomen CA-middelen, zoals basisvaardigheden, monitoring, veilig digitaal en burgerschap. Vanwege de korte tijd konden meerdere plannen niet op tijd worden uitgewerkt én uitgevoerd. Daarnaast is er op het budget zelftesten € 8,5 miljoen minder verplicht vanwege twee oorzaken; er was minder budget nodig voor zelftesten omdat corona minder aanwezig was in de samenleving en de facturen van het laatste deel van 2022 waren nog niet binnen.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 1,0 miljoen verhoogd.

2.3 Beleidsartikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 17,6 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

De verplichtingen op het instrument subsidies worden met € 26,1 miljoen verhoogd. Deze overschrijding wordt met name veroorzaakt door een verhoging van het verplichtingenbudget op overige subsidies van € 45,0 miljoen. Zoals eerder gemeld in de veegbrief komt dit doordat de CA-maatregelen voor de jaren 2023 tot en met 2027 in 2022 al meerjarig zijn verplicht. Daarnaast wordt er € 7,6 miljoen minder verplicht op de subsidie praktijkleren omdat er minder subsidie voor leerwerkbanen is aangevraagd. Tevens is er € 7,1 miljoen minder uitgegeven op het budget overige subsidies.

Uitgaven

Het budget wordt met € 84,7 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

De uitgaven op het instrument subsidies worden met € 68,8 miljoen verlaagd. Dit wordt met name veroorzaakt door een verlaging van 52,1 miljoen op het budget Maatschappelijke diensttijd (MDT). Zoals reeds gemeld in de Brief ‘Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2022’ is dit verschil ontstaan doordat er in 2022 subsidieverplichtingen worden aangegaan die niet in 2022, maar pas in latere jaren tot kasgevolgen leiden.

Opdrachten

De uitgaven op het instrument opdrachten worden met € 12,9 miljoen verlaagd. Dit wordt met name veroorzaakt door een meevaller van € 6,6 miljoen op het budget voor zelftesten.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 1,6 miljoen verhoogd.

2.4 Beleidsartikel 6. Hoger beroepsonderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 58,5 miljoen verlaagd. Dit bedrag is hoger dan bij de uitgaven vanwege de garantieverplichtingen. Er is per saldo voor € 7,5 miljoen aan garantieverplichtingen komen te vervallen.

Toelichting per instrument:

Subsidies

Het verplichtingenbudget op subsidies is met € 48,0 miljoen verlaagd. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door projecten uit het Nationaal Groeifonds (NGF). Het betreft onderuitputting van € 39,1 miljoen op het budget van het NGF project Nationale Leven Lang Ontwikkelen (llo) katalysator. Ook op het NGF project Digitaliseringsimpuls onderwijs is € 8,6 miljoen minder is minder gerealiseerd dan geraamd.

Uitgaven

Het budget wordt met € 51,2 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

Het uitgavenbudget op subsidies is met € 48,1 miljoen verlaagd. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door projecten uit het Nationaal Groeifonds (NGF). Het betreft onderuitputting van € 39,1 miljoen op het budget van het NGF project Nationale Leven Lang Ontwikkelen (llo) katalysator. Ook op het NGF project Digitaliseringsimpuls onderwijs is € 8,6 miljoen minder is minder gerealiseerd dan geraamd.

2.5 Beleidsartikel 7. Wetenschappelijk onderwijs

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 30,6 miljoen verlaagd. Dit bedrag is hoger dan bij de uitgaven vanwege de garantieverplichtingen. Per saldo is er voor € 12,7 miljoen aan garantieverplichtingen komen te vervallen.

Uitgaven

Het budget wordt met € 19,1 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Opdrachten

Op het instrument opdrachten is in 2022 € 15,6 miljoen minder gerealiseerd. Dit wordt veroorzaakt door onderuitputting op het budget van de zelftesten van € 14,5 miljoen.

2.6 Beleidsartikel 8. Internationaal beleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 4,7 miljoen verlaagd. Dit komt voornamelijk door een verplichting op het instrument opdrachten die reeds in 2020 is aangegaan voor meerdere jaren, waardoor de verplichtingenruimte in 2022 niet meer nodig bleek.

Uitgaven

Het budget wordt met € 0,4 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

De ontvangsten worden met € 0,9 miljoen verhoogd.

2.7 Beleidsartikel 9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 21,3 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het verplichtingenbudget op de bekostiging is per saldo met € 7,2 miljoen afgenomen. Dit komt met name doordat er minder is verplicht op het budget Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen. Dit valt te verklaren doordat er een lager aantal studenten is opgeleid via Samen Opleiden & Professionliseren dan vooraf geraamd. Daarnaast zijn er minder aspiranten gestart dan beoogd, doordat niet alle aanvragen aan de vereisten voldeden.

Subsidies

Het verplichtingenbudget op de subsidies is per saldo met € 14,0 miljoen afgenomen. Dit komt met name doordat er € 7,5 miljoen minder is verplicht op het budget zij-instroom, vanwege minder aanvragen op de regelingen Korte Scholingstrajecten VO en MBO instructeursbeurs.

Uitgaven

Het budget wordt met € 15,9 miljoen verlaagd.

Subsidies

De uitgaven op de subsidies zijn per saldo met € 9,5 miljoen afgenomen. Dit komt met name doordat er € 5,5 miljoen minder is gerealiseerd op de lerarenbeurs. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat er minder aanvragen zijn ingediend dan vooraf geraamd. Daarnaast is er € 3,1 miljoen minder gerealiseerd op het budget zij-instroom, vanwege minder aanvragen op de regelingen Korte Scholingstrajecten VO en MBO instructeursbeurs.

2.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en uitgaven worden met € 235,0 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdracht

Per saldo wordt op het instrument inkomensoverdracht € 49,9 miljoen minder gerealiseerd dan was begroot. Dit komt met name door de aansluiting bij lagere realisatie. Tevens is er een meevaller van € 16,1 miljoen op het budget voor het kwijtschelden van DUO-schulden voor gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire ontstaan. In het najaar werd een tegenvaller op dit budget verwacht van € 40,0 miljoen, daarom is de begroting van artikel 11 met € 40,0 miljoen verhoogd voor deze uitgaven bij de tweede suppletoire begroting. Deze tegenvaller blijkt lager uit te vallen dan verwacht; hierdoor doet er zich nu een meevaller voor van € 16,1 miljoen.

Leningen

Per saldo wordt op het instrument leningen € 185,2 miljoen minder gerealiseerd. De niet-relevante rentedragende lening is naar beneden bijgesteld met € 52,9 miljoen euro. Dit komt deels omdat uit de realisatiegegevens van DUO blijkt dat er meer is geleend dan was geraamd, maar ook deels omdat er minder prestatiebeurzen zijn omgezet in een lening (€ 6,1 miljoen). De niet-relevante uitgaven op het collegegeldkrediet en leven lang leren krediet zijn naar beneden bijgesteld met respectievelijk € 48,7 en € 6,2 miljoen. Uit de realisatiegegevens van DUO blijkt dat de uitgaven op deze posten lager zijn dan geraamd. De niet-relevante overige uitgaven zijn naar beneden bijgesteld met € 51,0 miljoen euro op basis van realisatiegegevens van DUO.

Ontvangsten

Er is voor € 116,2 miljoen meer gerealiseerd aan ontvangsten dan begroot.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De niet-relevante ontvangsten op de terugontvangen leningen zijn met € 109,3 miljoen euro naar boven bijgesteld. Uit de realisatiegegevens van DUO blijkt dat er een hoger bedrag is terugbetaald aan leningen.

2.9 Beleidsartikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen en uitgaven worden met € 1,9 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,2 miljoen verhoogd.

2.10 Beleidsartikel 13. Lesgeld

Toelichting

Ontvangsten

Het budget wordt met € 3,5 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De lesgeldontvangsten worden op basis van de realisatiegegevens met € 3,5 miljoen omlaag bijgesteld.

2.11 Beleidsartikel 14. Cultuur

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 93,3 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is per saldo € 60,7 miljoen minder aan verplichtingen gerealiseerd op de bekostiging. Dit is met name ontstaan door minder verplichtingen op de bekostiging van de monumentenzorg van € 71,4 miljoen. De registratie van verplichtingen op dit budget verloopt anders dan bij alle andere budgetten en is ingewikkeld door de wijze waarop de SIM (Subsidieregeling Instandhouding Monumenten) wordt gefinancierd. Pas na afloop van het boekjaar ontvangt het departement een definitieve opgave van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op grond waarvan duidelijk wordt hoe hoog de aangegane verplichtingen zijn. Om overschrijdingen te voorkomen wordt de raming ruim aangehouden en daardoor blijft meestal een ruim bedrag over bij Slotwet.

Subsidies

Op het budget subsidies is € 24,5 miljoen minder verplicht dan geraamd. Dit komt met name door het verplaatsen van oude verplichtingen naar het begrotingsinstrument bijdragen aan medeoverheden. Hierdoor is de verplichtingenrealisatie op het budget overige subsidies € 14,8 miljoen lager dan geraamd.

Garanties

Het budget van de garantieverplichtingen is per saldo verlaagd met € 26,5 miljoen. Er is in het laatste kwartaal van 2022 € 66,7 miljoen aan garanties verleend en er is € 93,2 miljoen aan garanties komen te vervallen.

Uitgaven

Het budget wordt met € 13,1 miljoen verlaagd.

Subsidies

Op het budget subsidies is € 15,3 miljoen minder uitgegeven dan geraamd. Dit komt met name door een verlaging van de uitgaven van € 6,1 miljoen op het budget programma leesbevordering. Dit heeft hoofdzakelijk een juridische reden, omdat € 6,1 miljoen niet als subsidie mocht worden uitgevoerd, maar als opdracht moest worden gerealiseerd.

Daarnaast is er € 5,0 miljoen minder gerealiseerd op het Actieplan cultuur op de publieke omroep. Om aan te sluiten op de liquiditeitsbehoefte die blijkt uit de plannen en begroting van de NPO vindt de betaling van dit bedrag plaats in 2023. Uitbetaling in 2022 zou onrechtmatig zijn geweest. Deze meevallers lopen in de eindejaarsmarge. Hiervoor geldt dat er een integrale afweging over de inzet van de eindejaarsmarge plaatsvindt bij de voorjaarsnota.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 2,4 miljoen verhoogd.

2.12 Beleidsartikel 15. Media

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 35,7 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

De verplichtingen op het instrument bekostiging worden verhoogd met € 39,3 miljoen. Het verplichtingenbudget op de Algemene Mediareserve (AMr) is verhoogd met € 38,9 miljoen. De hogere dotatie aan de AMr is voornamelijk het gevolg van hogere reclameopbrengsten van de STER dan geraamd.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 38,2 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

De uitgaven op het instrument bekostiging worden verhoogd met € 39,2 miljoen. Het uitgavenbudget op de Algemene Mediareserve (AMr) is verhoogd met € 38,9 miljoen. De hogere dotatie aan de AMr is voornamelijk het gevolg van hogere reclameopbrengsten van de STER dan geraamd.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 38,9 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Ontvangsten

De reclameopbrengsten van de STER zijn met € 38,9 miljoen verhoogd.

2.13 Beleidsartikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 19,4 miljoen verhoogd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Er is in totaal € 21,0 miljoen meer verplicht op de bekostiging. Dit komt met name door een ophoging van € 22,6 miljoen van het verplichtingenbudget van het NWO. Zoals reeds gemeld in de Brief ‘Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota 2022’ is dit gedaan om te kunnen voldoen aan de aangegane verplichtingen.

Uitgaven

Het budget wordt met € 4,9 miljoen verlaagd.

2.14 Beleidsartikel 25. Emancipatie

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 0,08 miljoen verlaagd.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 0,9 miljoen verlaagd.

Ontvangsten

Het ontvangsten wordt met € 0,4 miljoen verhoogd.

3 De beleidsartikelen

3 De beleidsartikelen

3 De Niet-Beleidsartikelen

3.1 Beleidsartikel 1. Primair onderwijs

Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid art.1 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

12.593.171

1.650.085

14.243.256

1.660.200

15.903.456

1.195.834

1.212.226

1.136.810

1.192.615

     

0

    

Totale uitgaven

13.432.668

1.025.053

14.457.721

1.240.488

15.698.209

1.243.189

1.166.798

1.153.807

1.208.837

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bekostiging

12.607.996

895.534

13.503.530

974.794

14.478.324

1.026.662

1.084.601

1.076.442

1.136.995

Bekostiging po-instellingen

11.480.147

508.400

11.988.547

963.718

12.952.265

957.202

1.017.311

1.009.145

1.069.700

Bekostiging Caribisch Nederland

21.446

4.051

25.497

3.060

28.557

5.478

5.598

5.605

5.605

Prestatiebox

0

0

0

 

0

0

0

0

0

Aanvullende bekostiging

155.536

0

155.536

4.783

160.319

60.783

60.783

60.783

60.781

Aanpak lerarentekort G5

30.696

0

30.696

909

31.605

909

909

909

909

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

920.171

383.083

1.303.254

2.324

1.305.578

2.290

0

0

0

Subsidies (regelingen)

113.785

970

114.755

211.980

326.735

193.709

45.806

44.946

42.921

Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

23.724

0

23.724

749

24.473

749

749

749

749

Nederlands onderwijs buitenland

13.319

170

13.489

420

13.909

420

420

420

420

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

14.408

600

15.008

973

15.981

989

1.006

1.006

1.006

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Rijke schooldag

0

0

0

34.000

34.000

34.000

34.000

34.000

34.000

Basisvaardigheden

0

0

0

168.726

168.726

151.113

0

0

0

Nationaal Groeifonds

0

0

0

0

0

3.988

7.056

6.154

4.085

Overige subsidies

62.334

200

62.534

7.112

69.646

2.450

2.575

2.617

2.661

Opdrachten

28.692

22.582

51.274

3.001

54.275

8.965

9.545

9.639

9.685

Opdrachten

28.692

‒ 6.661

22.031

3.001

25.032

8.965

9.545

9.639

9.685

Zelftesten

0

29.243

29.243

0

29.243

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

32.246

0

32.246

8.500

40.746

2.913

2.010

2.265

2.336

Dienst Uitvoering Onderwijs

32.246

0

32.246

8.500

40.746

2.913

2.010

2.265

2.336

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

7.260

0

7.260

86

7.346

86

86

86

86

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds

4.702

0

4.702

0

4.702

0

0

0

0

UWV

2.558

0

2.558

86

2.644

86

86

86

86

Bijdragen aan medeoverheden

642.536

105.967

748.503

42.122

790.625

16.884

24.380

20.059

16.444

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

521.212

0

521.212

15.125

536.337

15.142

15.150

15.150

15.150

Caribisch Nederland

20.394

0

20.394

‒ 3.041

17.353

1.653

9.141

4.820

1.205

Scholenprogramma Groningen

3.000

0

3.000

89

3.089

89

89

89

89

Nationaal Programma Onderwijs

97.930

‒ 4.033

93.897

0

93.897

0

0

0

0

Ventilatie in scholen

0

110.000

110.000

0

110.000

0

0

0

0

SPUK huisvesting noodlocaties PO

0

0

0

29.949

29.949

0

0

0

0

Bijdragen aan (andere) begrotingshoofdstukken

153

0

153

5

158

‒ 6.030

370

370

370

Brede scholen

0

0

0

0

0

370

370

370

370

BES(t)4kids

153

0

153

5

158

‒ 6.400

0

0

0

     

0

    

Ontvangsten

9.308

0

9.308

5.500

14.808

0

0

0

0

Tabel 11 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

12.593.171

1.650.085

14.243.256

1.660.200

15.903.456

1.195.834

1.212.226

1.136.810

1.192.615

waarvan garantieverplichtingen

    

0

    

waarvan overig

12.593.171

1.650.085

14.243.256

1.660.200

15.903.456

1.195.834

1.212.226

1.136.810

1.192.615

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 1.660,2 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt voornamelijk veroorzaakt door de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 ten behoeve van het bekostigingsjaar 2023 die in het najaar van 2022 al wordt verplicht.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 974,8 miljoen verhoogd. De verhoging wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • de middelen die beschikbaar zijn gekomen in het kader van het coalitieakkoord (€ 500,0 miljoen) en ten behoeve van de po-leerlingen uit Oekraïne (€ 58,7 miljoen);

  • de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 van circa € 380 miljoen;

  • de compensatie voor het vervallen van de btw-vrijstelling bij detachering van personeel naar of vanuit het samenwerkingsverband door aangescherpte Europese regelgeving (structureel € 30,0 miljoen);

  • een in de veegbrief aangekondigde overlopende verplichting van € 17,1 miljoen vanuit 2021 naar 2022 inzake de extra loonruimte van 0,16%.

Zie het algemene deel voor een verdere toelichting op loon- en prijsbijstelling, middelen uit het coalitieakkoord en middelen ten behoeve van de po-leerlingen uit Oekraïne.

Subsidies

Het budget voor het instrument subsidies wordt per saldo met € 212,0 miljoen verhoogd. Dit wordt met name verklaard door de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 2,3 miljoen, de toevoeging van middelen uit het coalitieakkoord van € 203,4 miljoen en de toevoeging van middelen ten behoeve van de po-leerlingen uit Oekraïne van € 1,8 miljoen. Zie het algemene deel voor een verdere toelichting op deze onderwerpen en op de honorering van de voorstellen voor het Nationaal Groeifonds vanaf 2023.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget wordt per saldo met € 42,1 miljoen verhoogd. De verhoging wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • de specifieke uitkering aan gemeenten in het kader van de huisvesting van de po-leerlingen uit Oekraïne (€ 29,9 miljoen; zie het algemene deel);

  • de doorverdeling van de loonbijstelling tranche 2022: € 15,8 miljoen (zie het algemene deel).

3.1 Beleidsartikel 1. Primair onderwijs

Tabel 5 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 1 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

14.243.256

16.119.452

‒ 136.918

13.066.888

29.049.422

       

Uitgaven

14.457.721

15.914.205

‒ 134.438

‒ 48.530

15.731.237

waarvan juridisch verplicht

99,7%

 

99,9%

 

99,9%

       

Bekostiging

13.503.530

14.565.374

‒ 2.808

‒ 18.772

14.543.794

Bekostiging po-instellingen

11.988.547

13.039.315

‒ 2.808

‒ 20.872

13.015.635

Bekostiging Caribisch Nederland

25.497

28.557

0

2.100

30.657

Aanvullende bekostiging

155.536

160.319

0

0

160.319

Aanpak lerarentekort G5

30.696

31.605

0

0

31.605

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

1.303.254

1.305.578

0

0

1.305.578

Subsidies (regelingen)

114.755

326.735

‒ 68.127

‒ 16.706

241.902

Onderwijsvoorziening Jonggehandicapten

23.724

24.473

0

0

24.473

Nederlands onderwijs buitenland

13.489

13.909

0

‒ 1.800

12.109

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

15.008

15.981

0

‒ 1.200

14.781

School en omgeving

0

34.000

0

‒ 13.268

20.732

 

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

0

0

18

18

Basisvaardigheden

0

168.726

‒ 64.231

0

104.495

Overige subsidies

62.534

69.646

‒ 3.896

‒ 456

65.294

Opdrachten

51.274

54.275

‒ 17.315

‒ 7.709

29.251

Opdrachten

22.031

25.032

1.928

‒ 9.671

17.289

 

Opdrachten overig

0

0

0

1.962

1.962

Zelftesten

29.243

29.243

‒ 19.243

0

10.000

Bijdrage aan agentschappen

32.246

40.942

0

0

40.942

Dienst Uitvoering Onderwijs

32.246

40.942

0

0

40.942

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

7.260

11.146

0

2.298

13.444

Stichting Vervangingsfonds en Participatiefonds

4.702

8.502

0

2.298

10.800

UWV

2.558

2.644

0

0

2.644

Bijdrage aan medeoverheden

748.503

915.575

‒ 46.030

‒ 7.641

861.904

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

521.212

536.337

314

0

536.651

Caribisch Nederland

20.394

17.353

71

‒ 7.552

9.872

Scholenprogramma Groningen

3.000

3.089

0

‒ 89

3.000

Nationaal Programma Onderwijs

93.897

93.897

0

0

93.897

Ventilatie in scholen

110.000

110.000

‒ 46.415

0

63.585

SPUK huisvesting noodlocaties PO

0

154.899

0

0

154.899

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

153

158

‒ 158

0

0

BES(t)4kids

153

158

‒ 158

0

0

       

Ontvangsten

9.308

14.808

0

2.298

17.106

Tabel 6 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

14.243.256

16.119.452

‒ 136.918

13.066.888

29.049.422

waarvan garantieverplichtingen

0

0

22.981

2.980

25.961

waarvan overige verplichtingen

14.243.256

16.119.452

‒ 159.899

13.063.908

29.023.461

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 12,9 miljard verhoogd.

Dit wordt veroorzaakt door de vereenvoudiging van de bekostiging het primair onderwijs. Uw Kamer heeft op 18 januari 2021 het wetsvoorstel hiervoor besproken en op 27 januari met algemene stemmen aangenomen. In 2022 wordt er daarmee voor het eerst voor het volledige volgende kalenderjaar (2023) verplicht, waardoor de kasuitgaven op de hoofdbekostiging voor 2023 aanvullend nodig zijn om over 2022 voldoende verplichtingenbudget beschikbaar te hebben. Deze hogere verplichtingenstand is eenmalig noodzakelijk door de veranderende bekostigingssystematiek.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 21,6 miljoen verlaagd.

De verlaging wordt met name veroorzaakt door een decentralisatie-uitkering voor leerlingenvervoer aan Oekraïense leerlingen (€ 12,8 miljoen) en een terugbetaling aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) (€ 7,6 miljoen). Door een dalend aantal plaatsingen in justitiële jeugdinrichtingen dalen ook de kosten voor onderwijs in deze instellingen. Het teveel ontvangen voorschot wordt door het Ministerie van OCW terugbetaald aan DJI.

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 84,8 miljoen verlaagd.

De verlaging wordt met name veroorzaakt door een kasschuif naar 2023 binnen Artikel 1 (Primair Onderwijs) voor het creëren van meerdere instapmomenten (€ 53,9 miljoen) voor de subsidieregeling verbetering basisvaardigheden en een technische mutatie waarmee een deel van de budget voor deze regeling naar het Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) is overgeboekt (€ 10,4 miljoen). Met de technische mutatie wordt het budget voor de po- en vo-sectoren conform de subsidieplafonds verdeeld over de begrotingsartikelen. Daarnaast wordt de verlaging veroorzaakt door een technische mutatie bij de subsidieregeling School en omgeving waarmee een deel van het budget is overgeboekt naar Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) (€ 13,3 miljoen), zodat de uitgaven ten behoeven van vo-scholen onder het betreffende begrotingsartikel vallen.

OpdrachtenHet budget wordt per saldo met € 25,0 miljoen verlaagd.

De verlaging wordt met name veroorzaakt door een meevaller (€ 8,0 miljoen), een kasschuif naar 2023 (€ 10,0 miljoen) en een technische mutatie naar Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) (€ 1,2 miljoen) voor het project zelftesten. Daarnaast wordt de verlaging veroorzaakt door een overboeking aan het ministerie van BZK zodat de dagprogrammering binnen de SPUK regiodeal Nationaal Programma Rotterdam-Zuid tijdelijk verlengd kan worden (€ 3,0 miljoen) en een overboeking aan het ministerie van VWS voor de uitvoering van diverse subsidieregelingen door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (€ 1,4 miljoen).

Bijdrage aan medeoverhedenHet budget wordt per saldo met € 53,7 miljoen verlaagd.

De verlaging wordt met name veroorzaakt door een technische mutatie waarmee een deel van de budgetten voor het verbeteren van de ventilatie in schoolgebouwen met een kasschuif beschikbaar komt in 2023 (€ 46,4 miljoen). Daarnaast wordt de verlaging veroorzaakt door minder uitgaven in 2022 door de vertraging in de uitvoering van de onderwijshuisvestingsplannen in Caribisch Nederland (€ 5,5 miljoen).

Toelichting bijdrage OCW aan scholenprogramma Groningen In 2016 is tussen OCW, Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de betrokken schoolbesturen en gemeenten afgesproken dat in het Groningse aardbevingsgebied 101 scholen aardbevingsbestendig en toekomstbestendig worden gemaakt.

Aan het scholenprogramma dragen, naast de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) (€ 172,5 miljoen), de gemeenten en schoolbesturen (€ 44,5 miljoen), het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (€ 23,5 miljoen) en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (€ 50,0 miljoen; waarvan € 3,0 miljoen per jaar tot en met 2034) bij.

Tot en met 2020 werden de middelen van OCW via een decentralisatie-uitkering (DU) ter beschikking gesteld aan de betreffende gemeenten. De bestuurlijke afspraken in het ondertekende convenant uit 2017 perken de bestedings- en beleidsvrijheid van de ontvangende gemeenten in, wat indruist tegen het idee van een DU. De middelen zijn bij Voorjaarsnota 2021 teruggeboekt naar de OCW-begroting en worden vanaf dat moment met terugwerkende kracht als een specifieke uitkering overgemaakt naar de vier gemeenten ten behoeve van de nieuwbouw of versterking en verduurzaming van schoolgebouwen in het aardbevingsgebied.

Hieronder is een overzicht opgenomen waarin, conform artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingsenwet, de maximaal te ontvangen bedragen per gemeente zijn opgenomen. Voor de bijdrage aan de gemeenten voor het kalenderjaar 2022 zal dit (net als voor kalenderjaar 2021) als wettelijke grondslag gelden op basis van artikel 4.23, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene Wet Bestuursrecht, omdat het nog niet is gelukt om tijdig een andere juridische basis te realiseren voor deze specifieke uitkering. De gemeenten ontvangen van het ministerie van OCW in 2022 een beschikking waarin de voorwaarden bij deze specifieke uitwerking nader zullen worden uitgewerkt.

Gemeente

Bedrag per jaar

Het Hogeland

417.520

Groningen

134.834

Midden-Groningen

896.924

Eemsdelta

1.550.722

Totaal

3.000.000

3.1 Niet-beleidsartikel 91. Nog onverdeeld

Toelichting

Artikel 91 dient als intermediair totdat de exacte verdeling over de betrokken artikelen bekend is. Op dit artikel worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

3.2 Beleidsartikel 3. Voortgezet onderwijs

Tabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

9.092.260

1.080.117

10.172.377

1.550.290

11.722.667

893.247

871.601

868.381

851.528

          

Totale uitgaven

9.665.622

499.330

10.164.952

959.194

11.124.146

890.120

878.527

868.444

851.465

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bekostiging

9.265.929

402.355

9.668.284

691.614

10.359.898

731.149

786.878

785.011

780.828

Bekostiging vo-instellingen

8.846.103

49.374

8.895.477

683.783

9.579.260

723.008

779.592

777.726

773.683

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv aan vo-instellingen

18.057

0

18.057

0

18.057

0

0

0

0

Bekostiging Caribisch Nederland

17.336

3.975

21.311

3.201

24.512

3.246

3.361

3.360

3.360

Prestatiebox

0

0

0

535

535

535

535

535

535

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

109.931

0

109.931

0

109.931

0

0

0

0

Aanvullende regelingen leerlingendaling1

4.540

0

4.540

3.390

7.930

3.390

3.390

3.390

3.250

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

269.962

349.006

618.968

705

619.673

970

   

Subsidies (regelingen)

210.479

200

210.679

131.098

341.777

136.643

52.265

44.553

34.724

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

19.755

0

19.755

2.719

22.474

4.870

7.663

529

529

Pilots lente- en zomerscholen vo

9.000

0

9.000

4.039

13.039

267

267

267

273

Nieuwe leerweg

9.825

0

9.825

‒ 306

9.519

316

0

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Regeling brede brugklas

102.000

0

102.000

‒ 201

101.799

0

0

0

0

Basisvaardigheden

0

0

0

107.874

107.874

96.614

0

0

0

Nationaal Groeifonds

0

0

0

310

310

6.984

15.439

14.027

7.291

Overige subsidies

69.899

200

70.099

16.663

86.762

27.592

28.896

29.730

26.631

Opdrachten

23.080

89.805

112.885

13.310

126.195

15.378

33.521

33.180

30.576

Opdrachten

23.080

‒ 4.060

19.020

13.421

32.441

15.378

33.521

33.180

30.576

Zelftesten

0

93.865

93.865

‒ 111

93.754

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

56.086

9.000

65.086

4.865

69.951

5.520

4.433

4.270

3.907

Dienst Uitvoering Onderwijs

56.086

9.000

65.086

4.865

69.951

5.520

4.433

4.270

3.907

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

47.151

549

47.700

11.968

59.668

1.420

1.420

1.420

1.420

College voor Toetsen en Examens

4.478

289

4.767

10.342

15.109

40

40

40

40

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen

42.673

260

42.933

1.626

44.559

1.380

1.380

1.380

1.380

Bijdragen aan medeoverheden

62.611

‒ 2.579

60.032

106.329

166.361

0

0

0

0

Nationaal Programma Onderwijs

62.611

‒ 2.579

60.032

0

60.032

0

0

0

0

SPUK huisvesting noodlocaties VO

0

0

0

106.329

106.329

0

0

0

0

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

286

0

286

10

296

10

10

10

10

GRAZ (ECML) en PISA

286

0

286

10

296

10

10

10

10

          

Ontvangsten

7.391

0

7.391

0

7.391

0

0

0

0

1

Dit budget is in 2020 ook beschikbaar en maakt onderdeel uit van de regel: 'bekostiging vo-instellingen'

Tabel 13 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

9.092.260

1.080.117

10.172.377

1.550.290

11.722.667

893.247

871.601

868.381

851.528

waarvan garantieverplichtingen

   

‒ 25.814

     

waarvan overig

9.092.260

1.080.117

10.172.377

1.576.104

11.722.667

893.247

360.745

357.905

342.062

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 1.550,3 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt veroorzaakt door een opwaartse bijstelling op de verplichtingenruimte voor het NP Onderwijs van € 295,1 miljoen. Daarnaast wordt de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 ten behoeve van het bekostigingsjaar 2023 in het najaar van 2022 al verplicht. Dit verklaart € 274,8 miljoen van het verschil in de verplichtingen- en uitgavenmutaties.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor het instrument bekostiging wordt per saldo met € 691,6 miljoen verhoogd. Dit is grotendeels het gevolg van de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 279,5 miljoen, de toevoeging van middelen uit het coalitieakkoord van € 381,2 miljoen en middelen voor onderwijs aan leerlingen uit Oekraïne van € 29,8 miljoen. Zie voor een verdere toelichting op loon- en prijsbijstelling, middelen uit het coalitieakkoord en middelen voor onderwijs aan vo-leerlingen uit Oekraïne de toelichting in het algemene deel.

Subsidies

Het budget voor het instrument subsidies wordt per saldo met € 131,1 miljoen verhoogd. Dit wordt verklaard door de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 3,2 miljoen, toevoeging van middelen uit het coalitieakkoord van € 117,2 miljoen en de honorering van voorstellen voor het Nationaal Groeifonds van € 3,7 miljoen. Daarnaast zijn middelen toegevoegd door een overlopende verplichting van € 4,0 miljoen op de regeling onnodig zittenblijven. Zie voor een verdere toelichting op loon- en prijsbijstelling, middelen uit het coalitieakkoord en het Nationaal Groeifonds de toelichting in het algemene deel.

Opdrachten

Het budget voor het instrument opdrachten wordt per saldo met € 13,3 miljoen verhoogd. Dit wordt verklaard door de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 0,2 miljoen, toevoeging van middelen uit het coalitieakkoord van € 23,1 miljoen en de honorering van voorstellen voor het Nationaal Groeifonds van € 1,6 miljoen. Daarnaast is € 7,5 miljoen overgeboekt naar het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voor effectonderzoek en monitoring van het NP Onderwijs. Zie voor een verdere toelichting op middelen uit het coalitieakkoord en het Nationaal Groeifonds de toelichting in het algemene deel.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het budget voor het instrument bijdragen aan ZBO's/RWT's wordt per saldo met € 12,0 miljoen verhoogd. Dit wordt verklaard door overboekingen van Artikel 1 (po) en Artikel 4 (mbo) van € 10,2 miljoen ten behoeve van het werkprogramma van het CvTE. Daarnaast is € 1,5 miljoen toegevoegd voor de loon- en prijsbijstelling.

Bijdrage aan medeoverhedenHet budget voor het instrument bijdragen aan medeoverheden wordt met € 106,3 miljoen verhoogd. Dit is te verklaren door de toevoeging van € 106,3 miljoen voor huisvesting en noodlocaties voor het onderwijs aan leerlingen uit Oekraïne. Zie voor een verdere toelichting op middelen voor onderwijs aan vo-leerlingen uit Oekraïne de toelichting in het algemene deel.

3.2 Beleidsartikel 3. Voortgezet onderwijs

Tabel 7 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 3 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

10.172.377

11.894.320

‒ 32.877

224.105

12.085.548

       

Uitgaven

10.164.952

11.295.799

‒ 69.155

‒ 15.592

11.211.052

waarvan juridisch verplicht

99,9%

99,9%

  

100%

       

Bekostiging

9.668.284

10.404.604

3.217

‒ 11.583

10.396.238

Bekostiging vo-instellingen

8.895.477

9.623.966

3.886

‒ 380.428

9.247.424

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv aan vo-instellingen

18.057

18.057

0

‒ 8.550

9.507

Bekosting Caribisch Nederland

21.311

24.512

0

750

25.262

Prestatiebox

0

535

‒ 535

0

0

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

109.931

109.931

3.256

376.645

489.832

Aanvullende regelingen leerlingendaling1

4.540

7.930

‒ 3.390

0

4.540

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

618.968

619.673

0

0

619.673

Subsidies (regelingen)

210.679

341.777

12.319

‒ 9.697

344.399

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

19.755

22.474

50

1.641

24.165

Pilots lente- en zomerscholen vo

9.000

13.039

0

‒ 10.100

2.939

Nieuwe leerweg

9.825

9.519

0

0

9.519

Nationaal Programma Onderwijs regeling brede brugklas

102.000

101.799

0

0

101.799

Basisvaardigheden

0

107.874

10.381

0

118.255

 

Rijke schooldag

0

0

0

13.268

13.268

 

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

0

0

126

126

Nationaal Groeifonds

0

310

0

0

310

Overige subsidies

70.099

86.762

1.888

‒ 14.632

74.018

Opdrachten

112.885

126.510

‒ 86.662

6.444

46.292

Opdrachten

19.020

32.756

‒ 2.908

6.444

36.292

Sneltesten

93.865

93.754

‒ 83.754

0

10.000

Bijdrage aan agentschappen

65.086

70.283

576

0

70.859

Dienst Uitvoering Onderwijs

65.086

70.283

576

0

70.859

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

47.700

61.018

1.395

‒ 756

61.657

ZBO: College voor Toetsen en Examens

4.767

16.459

978

‒ 1.600

15.837

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/BVE (incl. examens)

42.933

44.559

417

844

45.820

Bijdrage aan medeoverheden

60.032

291.311

0

0

291.311

Nationaal Programma Onderwijs

60.032

60.032

0

0

60.032

SPUK huisvesting noodlocaties VO

0

231.279

0

0

231.279

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

286

296

0

0

296

GRAZ (ECML) en PISA

286

296

0

0

296

       

Ontvangsten

7.391

7.391

0

0

7.391

1

Dit budget is in 2020 ook beschikbaar en maakt onderdeel uit van de regel: 'bekostiging vo-instellingen'

Tabel 8 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

10.172.377

11.894.320

‒ 32.877

224.105

12.085.548

waarvan garantieverplichtingen

0

0

‒ 2.747

‒ 4.063

‒ 6.810

waarvan overig

10.172.377

11.894.320

‒ 30.130

228.168

12.092.358

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden per saldo met € 191,2 miljoen verhoogd. Dit wordt vooral veroorzaakt door het ophogen van de verplichtingenstand voor de aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs). De NP Onderwijs-middelen voor zowel 2022 als 2023 worden in 2022 verplicht in beschikkingen naar scholen. De verplichtingenstand is daarom met € 238,0 miljoen opgehoogd.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 8,4 miljoen verlaagd.

Dit heeft grotendeels te maken met het niet verlengen van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv. Deze regeling is niet verlengd t/m 2023 waardoor het vaste deel voor 2023 van € 8,5 miljoen ook niet wordt uitgekeerd in 2022. Ook is er middels een technische mutatie binnen het bekostigingsinstrument € 376,0 miljoen toegevoegd aan de regeling strategisch personeelsbeleid, omdat middelen voor werkdruk, professionalisering en ventilatie via deze regeling aan scholen worden verstrekt.

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 2,6 miljoen verhoogd.

Dit heeft onder andere te maken met de meevaller van € 10,1 miljoen op de regeling zittenblijven vo, omdat er minder aanvragen zijn geweest dan het beschikbare budget. Hiernaast heeft er een overboeking van € 13,3 miljoen plaatsgevonden van Artikel 1 (Primair Onderwijs) naar Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) in verband met de subsidieregeling School en omgeving. Deze middelen voor School en omgeving waren aanvankelijk alleen op Artikel 1 (Primair Onderwijs) geboekt, dat is met een technische mutatie gecorrigeerd.

Opdrachten

Het budget wordt per saldo met € 80,2 miljoen verlaagd.

Dit heeft grotendeels te maken met de verlaging van € 83,8 miljoen op sneltesten. De kosten voor deze middelen vielen voor 2021 en 2022 lager uit dan verwacht en moeten daarom worden afgeboekt. Met de mutatie is het geraamde bedrag van € 93,2 miljoen gecorrigeerd naar € 10,0 miljoen.

3.2 Niet-beleidsartikel 95. Apparaat Kerndepartement

Toelichting

Verplichtingen en uitgaven

De verplichtingen worden met € 10,2 miljoen verlaagd. Dit komt met name door een meevaller van € 11,3 miljoen op de materiële uitgaven.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 13,8 miljoen verlaagd. Dit komt met name door een meevaller van € 11,3 miljoen op de materiële uitgaven.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 0,4 miljoen verhoogd.

3.3 Beleidsartikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Tabel 14 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

4.936.643

112.971

5.049.614

591.326

5.640.940

448.394

438.669

435.975

417.724

          

Totale uitgaven

5.065.898

117.471

5.183.369

389.094

5.572.463

396.694

406.221

413.338

420.528

waarvan juridisch verplicht (%)

    

99,8%

    
          

Bekostiging

4.477.645

0

4.477.645

242.185

4.719.830

171.757

178.146

210.685

231.020

Bekostiging mbo-instellingen

4.030.302

0

4.030.302

147.573

4.177.875

36.160

154.862

187.450

205.908

Bekostiging Caribisch Nederland

8.616

0

8.616

2.091

10.707

2.282

2.275

2.275

2.275

Bekostiging vavo

69.883

0

69.883

2.278

72.161

2.278

2.278

2.278

2.278

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

252.785

0

252.785

88.362

341.147

215.318

11.919

11.919

11.919

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

0

0

0

0

0

‒ 97.845

3.586

3.586

3.586

Regionaal Investeringsfonds

22.345

0

22.345

139

22.484

1.322

419

370

2.247

Salarismix Randstadregio's

52.664

0

52.664

1.742

54.406

1.742

1.742

1.742

1.742

Regionaal Programma

30.550

0

30.550

0

30.550

0

1.065

1.065

1.065

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

10.500

0

10.500

0

10.500

10.500

0

0

0

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

349.847

98.141

447.988

132.570

580.558

201.264

181.398

156.030

142.795

Praktijkleren

295.358

0

295.358

22.439

317.797

43.187

22.618

1.500

‒ 12.501

Leven lang ontwikkelen

6.782

0

6.782

309

7.091

‒ 226

‒ 290

‒ 290

310

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

15.283

0

15.283

‒ 1.439

13.844

392

371

298

298

Loopbaanoriëntatie

1.809

0

1.809

‒ 542

1.267

33.051

33.044

33.044

33.044

Vakwedstrijden mbo

4.191

0

4.191

136

4.327

136

34

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Zelftesten

0

3.364

3.364

0

3.364

0

0

0

0

Maatschappelijke diensttijd

0

94.677

94.677

105.000

199.677

105.000

105.000

105.000

105.000

Doorstroom beroepskolom

0

0

0

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

NGF Laaggeletterdheid

0

0

0

0

0

3.400

3.900

0

0

Overige subsidies

26.424

100

26.524

‒ 1.333

25.191

8.324

8.721

8.478

8.644

Opdrachten

19.016

19.330

38.346

7.294

45.640

7.318

7.437

7.409

7.412

Opdrachten

19.016

2.800

21.816

7.183

28.999

7.318

7.437

7.409

7.412

Zelftesten

0

16.530

16.530

111

16.641

0

0

0

0

Bijdragen aan agentschappen

20.989

0

20.989

2.764

23.753

682

672

672

703

Dienst Uitvoering Onderwijs

17.439

0

17.439

2.645

20.084

578

568

568

599

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

3.550

0

3.550

119

3.669

104

104

104

104

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

72.938

0

72.938

‒ 4.744

68.194

6.749

4.644

4.618

4.674

College voor Toetsen en Examens

9.638

0

9.638

‒ 9.135

503

198

220

220

220

Wet SLOA

1.127

0

1.127

‒ 863

264

37

37

36

92

SBB

62.173

0

62.173

5.254

67.427

6.514

4.387

4.362

4.362

Bijdragen aan medeoverheden

125.463

0

125.463

9.025

134.488

8.924

33.924

33.924

33.924

RMC's

42.703

0

42.703

1.963

44.666

1.862

26.206

26.206

26.206

Educatie

63.560

0

63.560

7.062

70.622

7.062

7.062

7.062

7.062

Caribisch Nederland

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Regionaal Programma

19.200

0

19.200

0

19.200

0

656

656

656

          

Ontvangsten

4.000

0

4.000

0

4.000

0

0

0

0

Tabel 15 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

4.936.643

112.971

5.049.614

486.326

5.535.940

343.394

333.669

330.975

312.724

waarvan garantieverplichtingen

0

0

 

40.632

40.632

0

0

0

0

waarvan overig

4.936.643

112.971

5.049.614

445.694

5.495.308

343.394

333.669

330.975

312.724

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden in 2022 met € 591,3 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 202,2 miljoen) wordt veroorzaakt door:

  • De garantieverplichtingen die met € 40,6 miljoen worden verhoogd. Dit is het saldo van de tot nu toe in 2022 verleende en vervallen leningen en rekening-courant kredieten aan onderwijsinstellingen via schatkistbankieren;

  • Bijstelling van circa € 160,0 miljoen van de verplichtingenraming omdat bij de instrumenten bekostiging en kwaliteitsafspraken de loon- en prijsbijstelling tranche 2022, budgettair effect van de referentieraming en de intensiveringen uit het coalitieakkoord voor zowel 2022 als 2023 in het jaar 2022 worden verplicht aan de mbo-instellingen.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 242,2 miljoen verhoogd in 2022.

Deze verhoging wordt veroorzaakt door:

  • De doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie ook algemene toelichting), waardoor de bekostiging voor circa € 141,2 miljoen structureel wordt opgehoogd;

  • De budgettaire gevolgen van de referentieraming 2022 ten opzichte van de referentieraming 2021. Vanwege het werkloosheidseffect worden minder bol-studenten t.o.v. bbl-studenten geraamd. Dit betekent dat hoewel per saldo het aantal studenten gelijk blijft, het macrobudget van de bekostiging hierdoor wel vanaf 2023 neerwaarts bijgesteld wordt omdat de bekostiging van bbl-studenten lager ligt (zie ook algemene toelichting);

  • De bekostiging voor niveau 2 in het mbo wordt vanaf 2024 opgehoogd met € 95,0 miljoen structureel vanuit de CA-enveloppes vervolgopleidingen en kansengelijkheid (zie ook algemene toelichting). Hiermee komen we tegemoet aan het belangrijkste knelpunt dat is geconstateerd voor het mbo in het onderzoek naar de toereikendheid van de bekostiging van PWC. In de zomer 2022 zal een integraal besluit worden genomen over de resterende middelen in de enveloppes kansengelijkheid en kwaliteit. De mbo-bekostiging zal voor deze CA-maatregel aangepast moeten worden via wetgeving;

  • De verhoging van het instrument kwaliteitsafspraken investeringsbudget met € 80,0 miljoen in 2022 en € 95,0 miljoen in 2023 voor de ophoging van de bekostiging van niveau 2. Een groot deel van deze middelen worden beschikbaar gesteld uit de CA-enveloppes vervolgopleidingen en kansengelijkheid (zie ook algemene toelichting). Daarnaast vindt in 2023 een incidentele overboeking van € 108,4 miljoen plaats van het resultaatafhankelijk budget naar het investeringsbudget van de kwaliteitsafspraken. Deze overboeking vindt plaats omdat de middelen in 2023 worden uitbetaald via het investeringsbudget in plaats van het resultaatafhankelijk budget;

  • De maatregelen in het kader van de aanpak jeugdwerkloosheid worden in 2023 verlengd met € 25,0 miljoen;

  • De verhoging van de bekostiging Caribisch Nederland met € 0,5 miljoen voor 2022 en vanaf 2023 structureel met € 1,0 miljoen. Deze middelen worden beschikbaar gesteld voor de aansluiting onderwijs arbeidsmarkt en arbeidsbemiddeling uit de CA-enveloppe Caribisch Nederland van BZK (zie ook algemene toelichting);

  • Diverse mutaties om dekking te realiseren voor het programma racisme en discriminatie in 2022 (€ 0,2 miljoen), het terugdraaien van de verhoging van de rentemaatstafmaatregel bij studiefinanciering in 2026 en verder (€ 4,7 miljoen oplopend naar € 7,8 miljoen in 2029) en de problematiek uit het voorjaar van 2019. Zie ook algemene toelichting.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 132,6 miljoen verhoogd in 2022. Deze verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Het instrument maatschappelijke diensttijd wordt vanaf 2022 structureel met € 105,0 miljoen verhoogd. Deze middelen worden gefinancierd uit de CA-enveloppe kansengelijkheid (zie ook algemene toelichting);

  • Uit de CA-enveloppe vervolgopleidingen wordt vanaf 2023 structureel € 33,0 miljoen geïnvesteerd in de intensivering van loopbaanoriëntatie om de studiekeuze van studenten verder te verbeteren in het mbo (zie ook algemene toelichting);

  • De doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie ook algemene toelichting) voor circa € 8,4 miljoen;

  • Een toevoeging van € 13,4 miljoen aan de regeling praktijkleren in 2022. In het kader van de Aanpak Jeugdwerkloosheid en het NP Onderwijs zijn er voor de jaren 2021 en 2022 extra middelen toegevoegd aan de regeling praktijkleren om een vergoeding van € 2.700 (het maximum) per leerwerkplek uit te betalen aan bedrijven. In 2022 is er € 13,4 miljoen extra beschikbaar gesteld om, op basis van de huidige ramingen, het budget voor de subsidieregeling praktijkleren voor 2022 weer naar € 2.700 (het maximum) per leerwerkplek te brengen. Daarnaast vindt er een kasschuif plaats op het budget voor de regeling praktijkleren. Voor de jaren vanaf 2023 is het budget voor de regeling niet toereikend voor € 2.700 per leerwerkplek. Er heeft een kasschuif plaatsgevonden zodat er vanaf 2023 en verder een stabiele vergoeding voor het bedrijfsleven zal ontstaan op basis van de beschikbare middelen. De vergoeding voor alle sectoren over deze jaren is gemiddeld circa € 2.300. Door deze kasschuif worden de beschikbare middelen in relatie gezet met het verwachte aantal leerwerkplekken in de verschillende jaren op basis van de nieuwe referentieraming;

  • Het instrument doorstroom beroepskolom wordt vanaf 2022 structureel met € 8,0 miljoen verhoogd. Het betreft de uitvoering van de maatregel om de doorstroom in de gehele beroepskolom te verbeteren van vmbo t/m hbo uit de CA-enveloppe kansengelijkheid (zie ook algemene toelichting) en een aandeel voor hbo voor doorstroom in de beroepskolom van circa € 20,0 miljoen staat op Artikel 6 uit de enveloppe vervolgopleidingen (zie ook algemene toelichting);

  • Uit de toekenning van middelen uit het Nationaal Groeifonds voor het collectief opleiden van laagopgeleiden en laaggeletterden is in totaal € 7,6 miljoen beschikbaar gekomen in 2023 en 2024. Hiervan is € 7,3 miljoen bestemd als subsidie en staat € 0,3 miljoen bij opdrachten voor de voorbereiding van het traject;

  • Een structureel bedrag van ongeveer € 8,0 miljoen wordt vanaf 2023 gefinancierd uit de CA-enveloppes vervolgopleidingen voor loopbaanoriëntatie en veilig digitaal onderwijs (zie ook algemene toelichting);

  • Tenslotte is er € 0,2 miljoen additioneel toegevoegd voor de tegemoetkoming voor Oekraïense studenten (zie ook algemene toelichting).

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt per saldo met € 7,3 miljoen verhoogd in 2022. Deze verhoging wordt veroorzaakt door:

  • De doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie ook algemene toelichting) voor circa € 0,2 miljoen structureel opgehoogd;

  • Diverse structurele mutaties van ongeveer € 4,7 miljoen voor de financiering van de uitvoeringskosten, oriëntatieprogramma’s, masterplan basisvaardigheden en docenten burgerschap uit de CA-enveloppes vervolgopleidingen, kansengelijkheid en kwaliteit (zie ook algemene toelichting).

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het budget voor bijdragen aan ZBO’s/RWT’s wordt per saldo met € 4,7 miljoen verlaagd in 2022. Deze verlaging wordt veroorzaakt door:

  • De doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie ook algemene toelichting) voor circa € 2,3 miljoen structureel opgehoogd;

  • De verlaging van het budget van College voor Toetsen en Examens met € 9,1 miljoen in 2022. Dit betreft onder andere een overboeking van ruim € 8,0 miljoen van Artikel 4 naar Artikel 3 voor het werkprogramma CvTE 2022;

  • De verhoging van het budget van SBB met € 1,9 miljoen voor 2022, € 4,5 miljoen in 2023 en vanaf 2024 structureel met € 2,5 miljoen. Deze middelen worden beschikbaar gesteld voor de oriëntatieprogramma’s uit de CA-enveloppe vervolgopleidingen en het stagepact en aanpakken stagediscriminatie uit de CA-enveloppe kansengelijkheid (zie ook algemene toelichting).

Bijdragen aan medeoverheden

Het budget voor bijdragen aan medeoverheden wordt per saldo met € 9,0 miljoen verhoogd in 2022. Deze verhoging wordt veroorzaakt door:

  • De doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie ook algemene toelichting) voor circa € 3,9 miljoen structureel opgehoogd;

  • Uit de CA-enveloppes vervolgopleidingen wordt vanaf 2024 na wetswijziging € 25,0 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Het betreft hier de uitvoering van de CA-maatregel dat de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van gemeenten wordt uitgebreid van 23 jaar naar 27 jaar zodat jongeren zonder startkwalificatie in beeld blijven (zie ook algemene toelichting);

  • Het instrument educatie wordt structureel met € 5,0 miljoen verhoogd. Het betreft de uitvoering van de aanpak laaggeletterdheid uit de CA-enveloppe kwaliteit (zie ook algemene toelichting).

3.3 Beleidsartikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 4 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

5.049.614

5.641.222

158.772

‒ 108.681

5.691.313

       

Uitgaven

5.183.369

5.572.745

‒ 13.683

‒ 74.798

5.484.264

waarvan juridisch verplicht

99,7%

99,7%

  

100%

       

Bekostiging

4.477.645

4.719.830

6.421

‒ 2.691

4.723.560

Bekostiging mbo-instellingen

4.030.302

4.177.875

6.421

‒ 1.967

4.182.329

Bekostiging Caribisch Nederland

8.616

10.707

0

‒ 771

9.936

Bekostiging vavo

69.883

72.161

0

0

72.161

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

252.785

341.147

0

0

341.147

Regionaal Investeringfonds

22.345

22.484

0

47

22.531

Salarismix Randstadregio's

52.664

54.406

0

0

54.406

Regionaal Programma

30.550

30.550

0

0

30.550

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

10.500

10.500

0

0

10.500

Subsidies (regelingen)

447.988

580.558

‒ 1.518

‒ 73.304

505.736

Praktijkleren

295.358

317.797

775

‒ 1.215

317.357

Leven Lang Ontwikkelen

6.782

7.091

0

‒ 466

6.625

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

15.283

13.844

0

‒ 123

13.721

Loopbaanoriëntatie

1.809

1.267

0

257

1.524

Vakwedstijden mbo

4.191

4.327

‒ 136

‒ 91

4.100

Maatschappelijk diensttijd

94.677

199.677

0

‒ 69.760

129.917

Doorstroom beroepskolom

0

8.000

‒ 1.550

‒ 6.450

0

NGF Laaggeletterdheid

0

0

300

‒ 300

0

Zelftesten

3.364

3.364

0

0

3.364

Overige subsidies

26.524

25.191

‒ 907

4.844

29.128

Opdrachten

38.346

45.640

‒ 17.971

‒ 2.088

25.581

Opdrachten

21.816

28.999

‒ 8.321

‒ 2.088

18.590

Sneltesten

16.530

16.641

‒ 9.650

0

6.991

Bijdrage aan agentschappen

20.989

23.844

‒ 726

2.216

25.334

Dienst Uitvoering Onderwijs

17.439

20.175

49

2.535

22.759

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

3.550

3.669

‒ 775

‒ 319

2.575

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

72.938

68.385

611

‒ 588

68.408

College voor Toetsen en Examens

9.638

503

0

‒ 503

0

Wet SLOA

1.127

264

‒ 179

‒ 85

0

SBB

62.173

67.618

790

0

68.408

Bijdrage aan medeoverheden

125.463

134.488

‒ 500

1.657

135.645

RMC's

42.703

44.666

‒ 500

500

44.666

Caribisch Nederland

0

0

0

1.157

1.157

Educatie

63.560

70.622

0

0

70.622

Regionaal Programma

19.200

19.200

0

0

19.200

       

Ontvangsten

4.000

4.000

0

8.625

12.625

Tabel 10 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

5.049.614

5.641.222

158.772

‒ 108.681

5.691.313

waarvan garantieverplichtingen

0

40.632

6.917

20.088

67.637

waarvan overige verplichtingen

5.049.614

5.600.590

151.855

‒ 128.769

5.623.676

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden per saldo met € 50,1 miljoen verhoogd. Dit wordt grotendeels verklaard doordat de garantieverplichtingen per saldo met € 27,0 miljoen zijn toegenomen. Het verschil in de garantieverplichtingen wordt veroorzaakt door leningen en rekening-courant kredieten aan onderwijsinstellingen die in 2022 zijn aangegaan of vervallen en waar het Ministerie van OCW garant voor staat.

Uitgaven

De uitgaven worden per saldo met € 88,5 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor het instrument Bekostiging wordt per saldo met € 3,7 miljoen verhoogd in 2022. Deze verhoging wordt grotendeels veroorzaakt door de volgende mutaties:

  • Voor de wachtgelden van het voorbereidend beroepsonderwijs bij de aoc’s wordt er € 8,4 miljoen van het budget Bekostiging mbo-instellingen overgeboekt naar het artikel van het voortgezet onderwijs (Artikel 3).

  • Als dekking voor additionele mbo-maatregelen gericht op onder andere krimpproblematiek in het mbo en comeniusbeurzen/mbo-premie, heeft er een herprioritering binnen de OCW-begroting plaatsgevonden. Hiervoor is er € 6,2 miljoen toegevoegd aan het budget Bekostiging mbo-instellingen vanuit 2023.

  • In het kader van de subsidieregeling Doorstroom beroepskolom worden de middelen vanuit het CA in 2022 eenmalig via het budget Bekostiging mbo-instellingen besteed in plaats van via het subsidiebudget. Hierdoor wordt het budget verhoogd met € 6,5 miljoen. Deze middelen worden verstrekt aan alle mbo-instellingen met de opdracht om samen met partners in vo en hbo een regionale analyse te maken van de opleidingen waarvoor het gewenst is de onderwijsprogramma’s in de drie sectoren in gezamenlijkheid vorm te geven zodat er een doorlopende leerroute ontstaat. Op basis van de analyse kunnen mbo-instellingen dan in 2023, met hun vo en hbo partners deze doorlopende leerroutes gaan vormgeven.

Subsidies (regelingen)

Het budget voor het instrument Subsidies wordt per saldo met € 74,8 miljoen verlaagd in 2022. Deze verlaging wordt grotendeels veroorzaakt door de volgende mutaties:

  • Er zijn enkele mutaties van per saldo ‒ € 69,8 miljoen op het budget Maatschappelijke diensttijd (MDT):

    • Er is een meevaller van € 65,3 miljoen doordat de subsidieregeling (met een subsidieplafond van € 170,0 miljoen) niet volledig uitgeput is in 2022 en de opschaling van het programma meer tijd kost.

    • Er is een overboeking van € 4,5 miljoen naar het instrument Opdrachten. Dit komt omdat enkele activiteiten voor MDT worden gerealiseerd via een opdracht in plaats van een subsidie. Deze middelen zijn afkomstig uit de CA.

  • Een overboeking naar het budget Bekostiging mbo-instellingen van € 6,5 miljoen in het kader van de subsidieregeling Doorstroom beroepskolom (zie toelichting onder Bekostiging).

  • Een overboeking van € 4,2 miljoen naar het budget Overige subsidies in het kader van het masterplan basisvaardigheden. Deze CA-middelen worden ingezet voor een subsidie aan het expertisepuntburgerschap voor 2022 t/m 2025 in plaats van een opdracht.

  • Er is € 0,3 miljoen voor het Nationaal Groeifonds (NGF)-project ‘Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden’ op het instrument Subsidies geboekt. Echter worden deze middelen via het instrument Opdrachten gerealiseerd. Vandaar dat er een overboeking binnen het artikel plaatsvindt om de middelen op het juiste instrument te zetten.

Opdrachten

Het budget voor het instrument Opdrachten wordt per saldo met € 20,1 miljoen verlaagd in 2022. Deze verlaging wordt grotendeels veroorzaakt door de volgende mutaties:

  • Een kasschuif van € 11,5 miljoen uit 2022 naar 2023 (€ 4,5 miljoen) , 2024 (€ 4,5 miljoen) en 2025 (€ 2,5 miljoen) in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs). Deze middelen zijn bestemd voor uitvoering, monitoring, evaluatie en onderzoek naar aanleiding van de verlenging van het programma.

  • Een kasschuif van € 9,7 miljoen naar 2023 op het budget Sneltesten. Deze middelen zijn nodig om de distributie van sneltesten in 2023 te bekostigen.

  • Een overboeking van € 4,5 miljoen van het instrument Subsidies voor het budget MDT (zie toelichting onder Subsidies).

  • Een overboeking van € 4,2 miljoen naar het instrument Subsidies in het kader van het masterplan basisvaardigheden (zie toelichting onder Subsidies).

  • Een overboeking van € 0,3 miljoen van het instrument Subsidies voor het NGF-project ‘Collectief laagopgeleiden en laaggeletterden’ (zie toelichting onder Subsidies).

Ontvangsten

De ontvangsten worden per saldo met € 8,6 miljoen verhoogd. Deze verhoging wordt grotendeels veroorzaakt door de afrekening van de subsidie Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s, onderdeel van het NP Onderwijs (€ 7,3 miljoen).

3.4 Beleidsartikel 6. Hoger onderwijs

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

4.068.668

2.899

4.071.567

260.073

4.331.640

310.108

135.096

518.273

‒ 6.437

          

Totale uitgaven

4.479.775

2.899

4.482.674

226.170

4.708.844

358.530

163.675

538.484

5.216

waarvan juridisch verplicht (%)

    

100,00%

    
          

Bekostiging

4.447.971

0

4.447.971

224.169

4.672.140

353.869

159.074

537.183

3.888

Bekostiging onderwijsdeel1

4.036.677

0

4.036.677

130.283

4.166.960

79.766

37.979

13.945

‒ 6.083

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

89.904

0

89.904

32.950

122.854

52.950

52.949

52.950

52.950

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

314.840

0

314.840

10.330

325.170

10.893

12.326

13.293

8.432

Studievoorschotvouchers

1.228

0

1.228

435

1.663

3.165

‒ 24.238

381.995

‒ 86.411

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

5.322

0

5.322

171

5.493

95

58

  

NGF Katalysator

0

0

0

40.000

40.000

127.000

   

NGF Digitale impuls

0

0

0

10.000

10.000

45.000

45.000

40.000

 

Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

0

0

0

35.000

35.000

35.000

35.000

Subsidies (regelingen)

3.340

2.899

6.239

837

7.076

3.729

3.660

360

360

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

2.556

0

2.556

‒ 1.946

610

82

82

82

82

Zelftesten

0

2.899

2.899

 

2.899

    

Overige subsidies

784

0

784

2.783

3.567

3.647

3.578

278

278

Bijdrage aan agentschappen

13.443

0

13.443

440

13.883

442

450

452

479

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.443

0

13.443

440

13.883

442

450

452

479

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

15.021

0

15.021

724

15.745

490

491

489

489

NWO: Praktijkgericht onderzoek

0

0

0

 

0

    

NWO: Promotiebeurs voor leraren

10.371

0

10.371

334

10.705

334

334

334

334

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.650

0

4.650

390

5.040

156

157

155

155

     

0

    

Ontvangsten

1.213

0

1.213

0

1.213

0

0

0

0

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 17 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

4.068.668

2.899

4.071.567

260.073

4.331.640

310.108

135.096

518.273

‒ 6.437

waarvan garantieverplichtingen

   

‒ 4.790

     

waarvan overig

4.068.668

2.899

4.071.567

264.863

4.331.640

310.108

135.096

518.273

‒ 6.437

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 260,1 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 33,9 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat bij het instrument bekostiging de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 voor zowel 2022 als 2023 in het jaar 2022 verplicht worden;

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat de aanpassing van de studentenaantallen uit de referentieraming 2022 voor 2023 in het jaar 2022 verplicht wordt;

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan hogescholen die in 2022 zijn aangegaan of vervallen en waar OCW garant voor staat (saldo ‒ € 4,8 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 224,2 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van de volgende mutaties:

  • de doorverdeling (€ 129,8 miljoen) van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie het algemeen deel);

  • de toedeling van de middelen (€ 48,0 miljoen) uit het coalitieakkoord ten behoeve van vervolgopleidingen voor de onderdelen mentale gezondheid, onderwijs&arbeidsmarkt en onderzoek (zie het algemeen deel);

  • de toedeling van middelen uit het Nationaal Groeifonds ten behoeve van de Digitaliseringsimpuls onderwijs Nederland (€ 10,0 miljoen) en de Nationale LevenLangOntwikkelen Katalysator (€ 40,0 miljoen) (zie het algemeen deel);

  • diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere beleidsinstrumenten en -artikelen) die het budget per saldo in totaal verlagen met € 3,6 miljoen.

De meerjarige mutatie op de studievoorschotvouchers betreft een kasschuif waardoor oud-studenten, die aanspraak maken op deze in te wisselen vouchers, deze nu als ze daarvoor kiezen in 2025 als bedrag op hun studieschuld in mindering kunnen laten brengen of (deels) contant uitbetaald krijgen als er geen studieschuld meer is.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 0,8 miljoen verhoogd. Het betreft:

  • een verlaging (€ 2,0 miljoen) op de subsidieregeling Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding in verband met het feit dat er minder beroep op de regeling werd gedaan dan geraamd;

  • een verhoging (€ 2,8 miljoen), met name in verband met de toevoeging van middelen ten behoeve van de subsidieregeling Virtuele Internationale Samenwerkingsprojecten en enkele ad-hoc subsidies.

3.4 Beleidsartikel 6. Hoger onderwijs

Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 6 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

4.071.567

4.331.716

16.931

171.972

4.520.619

       

Uitgaven

4.482.674

4.708.920

‒ 2.889

‒ 8.224

4.697.807

waarvan juridisch verplicht

99,99%

   

100%

       

Bekostiging

4.447.971

4.672.140

‒ 327

‒ 57.389

4.614.424

Bekostiging onderwijsdeel1

4.036.677

4.166.960

1.336

‒ 4.889

4.163.407

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

89.904

122.854

0

0

122.854

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

314.840

325.170

0

0

325.170

Studievoorschotvouchers

1.228

1.663

‒ 1.663

0

0

NGF Katalysator

0

40.000

0

‒ 40.000

0

NGF Digitale impuls

0

10.000

0

‒ 10.000

0

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

5.322

5.493

0

‒ 2.500

2.993

Subsidies (regelingen)

6.239

7.076

‒ 2.893

50.301

54.484

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

2.556

610

0

‒ 82

528

Zelftesten

2.899

2.899

‒ 2.893

0

6

NGF Digitale impuls

0

0

0

10.000

10.000

NGF Katalysator

0

0

0

40.000

40.000

Overige subsidies

784

3.567

0

383

3.950

Bijdragen aan agentschappen

13.443

13.959

331

‒ 600

13.690

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.443

13.959

331

‒ 600

13.690

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

15.021

15.745

0

‒ 536

15.209

NWO: Promotiebeurs voor leraren

10.371

10.705

0

0

10.705

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.650

5.040

0

‒ 536

4.504

       

Ontvangsten

1.213

1.213

0

4.757

5.970

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 12 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

4.071.567

4.331.716

16.931

171.972

4.520.619

waarvan garantieverplichtingen

0

0

6.780

47.329

54.109

waarvan overige verplichtingen

4.071.567

4.331.716

10.151

124.643

4.466.510

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 188,9 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 200,0 miljoen) wordt veroorzaakt door:

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan onderwijsinstellingen die in 2021 zijn aangegaan of vervallen en waar het Ministerie van OCW garant voor staat (€ 54,1 miljoen);

  • bijstelling van de verplichtingenraming zonder kaseffecten 2022 als gevolg van aanpassingen ten behoeve van de bekostiging voor het jaar 2023 (€ 145,9 miljoen). De middelen voor het jaar 2023 voortkomend uit het Coalitieakkoord en het Fonds onderzoek en wetenschap zijn anders dan voorzien al in 2022 verplicht en zorgen voor de verhoging van de verplichtingenstand in 2022.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 57,7 miljoen verlaagd. De verlaging is het gevolg van de volgende mutaties:

  • de middelen uit het Nationaal Groeifonds (NGF) voor de projecten Nationale Leven Lang Ontwikkelen (LLO)-katalysator (€ 40,0 miljoen) en Digitaliseringsimpuls onderwijs NL (€ 10,0 miljoen), die in eerste instantie ondergebracht waren bij het instrument bekostiging is overgeheveld naar het instrument subsidies;

  • middelen uit het Coalitieakkoord ten behoeve van vervolgopleidingen/onderzoek worden voor een bedrag van € 3,0 miljoen niet uitgeput;

  • in het coalitieakkoord is besloten tot de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs, hetgeen een andere vormgeving van de studievoorschotvouchers betekent en ook een overheveling van de betreffende middelen naar het Artikel 11 (Studiefinanciering) noodzakelijk maakt (voor 2022 betreft het € 1,7 miljoen);

  • diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere departementen, beleidsinstrumenten en -artikelen) die het budget per saldo in totaal verlagen met € 3,0 miljoen.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 47,4 miljoen verhoogd. Het betreft:

  • de middelen uit het Nationaal Groeifonds (NGF) voor de projecten Nationale Leven Lang Ontwikkelen (LLO)-katalysator (€ 40,0 miljoen) en Digitaliseringsimpuls onderwijs NL (€ 10,0 miljoen), die in 1e instantie ondergebracht waren bij het instrument bekostiging zijn overgeheveld naar het instrument subsidies;

  • de nog resterende subsidiemiddelen (€ 2,9 miljoen) voor het COVID-19 zelftesttraject zijn overgeheveld naar het opdrachtenbudget onder het Artikel 7 (Wetenschappelijk Onderwijs);

  • diverse geringe overige mutaties die het budget per saldo in totaal verhogen met € 0,3 miljoen.

Ontvangsten

Het budget wordt per saldo met € 4,8 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Een vervroegde aflossing door de Hogeschool Zeeland op een schuld van in de periode 2002-2003 ten onrechte uitgekeerde Rijksbijdragen. Bepaald is toen dat de totale schuld in jaarlijkse termijnen van € 1.195.867 zal worden teruggevorderd in de periode 2006 tot en met 2025. De Hogeschool lost op haar verzoek in 2022 de termijnen 2023 t/m 2025 versneld af, in 2022 wordt daardoor € 3,6 miljoen meer ontvangen dan begroot en in de jaren 2023 tot en met 2025 is dat € 1,2 miljoen minder.

  • Ontvangsten op terugvorderingen van in voorgaande jaren verleende subsidies of bekostiging zijn hoger dan geraamd, voor een bedrag van € 0,8 miljoen heeft dit betrekking op de COVID-19 subsidieregelingen coronabanen/hulp voor de klas in het hoger onderwijs en voor € 0,4 miljoen op overige subsidies/bekostiging.

3.5 Beleidsartikel 7. Wetenschappelijk onderwijs

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

5.993.862

36.705

6.030.567

426.502

6.457.069

367.241

359.957

544.550

366.628

          

Totale uitgaven

6.271.242

39.104

6.310.346

260.424

6.570.770

374.123

361.638

547.836

372.503

waarvan juridisch verplicht (%)

    

99,96%

    
          

Bekostiging

6.240.270

0

6.240.270

257.257

6.497.527

374.188

362.632

548.976

374.301

Bekostiging onderwijsdeel1

3.006.191

0

3.006.191

150.036

3.156.227

263.468

255.710

253.429

288.389

Bekostiging onderzoeksdeel

2.284.607

0

2.284.607

75.835

2.360.442

75.776

75.765

75.592

75.578

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

757.944

0

757.944

24.933

782.877

24.967

25.003

25.040

25.079

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

191.511

0

191.511

6.470

197.981

6.827

7.703

8.304

5.333

Studievoorschotvouchers

17

0

17

‒ 17

0

1.703

‒ 2.996

185.164

‒ 21.525

Profilering en zwaartepuntvorming3

0

0

0

0

0

1.447

1.447

1.447

1.447

Subsidies (regelingen)

24.928

1.531

26.459

2.336

28.795

‒ 1.043

‒ 1.972

‒ 1.971

‒ 2.029

Nuffic4

14.507

0

14.507

‒ 1.544

12.963

‒ 2.445

‒ 3.364

‒ 3.364

‒ 3.364

Studiekeuze1234

2.616

0

2.616

1.220

3.836

1.143

1.143

1.143

1.143

Vluchteling Studenten UAF4

2.511

0

2.511

83

2.594

83

83

83

83

Studentenwelzijn (Ecio)4

794

0

794

100

894

100

100

100

42

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)4

271

0

271

63

334

9

69

8

68

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)4

255

0

255

8

263

8

8

8

8

Open en online onderwijs

2.008

0

2.008

66

2.074

68

68

68

68

Zelftesten

0

1.531

1.531

0

1.531

0

0

0

0

Overige subsidies

1.966

0

1.966

2.340

4.306

‒ 9

‒ 79

‒ 17

‒ 77

Opdrachten

3.153

37.573

40.726

770

41.496

917

917

770

170

Opdrachten

3.153

0

3.153

770

3.923

917

917

770

170

Sneltesten

0

37.573

37.573

0

37.573

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.891

0

2.891

61

2.952

61

61

61

61

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.859

0

1.859

61

1.920

61

61

61

61

United Nations University (UNU)

1.032

0

1.032

0

1.032

0

0

0

0

Nuffic, SK123, UAF, Ecio, ISO en LSVb4

0

0

0

0

0

0

0

0

0

          

Ontvangsten

16

0

16

0

16

0

0

0

0

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3

De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

4

Tot en met 2020 opgenomen onder bijdragen aan (inter)nationale organisaties, vanaf 2021 ondergebracht bij het instrument subsidies omdat dit de basis is op grond waarvan de instellingen worden bekostigd.

Tabel 19 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

5.993.862

36.705

6.030.567

426.502

6.457.069

367.241

359.957

544.550

366.628

waarvan garantieverplichtingen

   

95.226

     

waarvan overig

5.993.862

36.705

6.030.567

331.276

6.457.069

367.241

359.957

544.550

366.628

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 426,5 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 166,1 miljoen) wordt met name veroorzaakt door:

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat bij het instrument bekostiging de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 voor zowel 2022 als 2023 in het jaar 2022 verplicht worden;

  • Bijstelling van de verplichtingenraming omdat de aanpassing van de studentenaantallen uit de referentieraming 2022 voor 2023 in het jaar 2022 verplicht wordt;

  • Garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan universiteiten die in 2022 zijn aangegaan of vervallen en waar OCW garant voor staat (saldo +€ 95,2 miljoen).

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 257,3 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van de volgende mutaties:

  • de doorverdeling (€ 197,8 miljoen) van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 (zie het algemeen deel);

  • de toedeling van middelen (€ 60,0 miljoen) uit het coalitieakkoord ten behoeve van vervolgopleidingen voor het onderdeel onderzoek via sectorplannen (zie het algemeen deel);

  • diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere beleidsinstrumenten/-artikelen en andere departementen) die het budget in totaal verlagen met € 0,5 miljoen.

De meerjarige mutatie op de studievoorschotvouchers betreft een kasschuif waardoor oud-studenten, die aanspraak maken op deze in te wisselen vouchers, deze nu als ze daarvoor kiezen in 2025 als bedrag op hun studieschuld in mindering kunnen laten brengen of (deels) contant uitbetaald krijgen als er geen studieschuld meer is.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 2,3 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van de volgende mutaties:

  • een verlaging van het ho-budget (€ 1,6 miljoen) als gevolg van de afbouw van het netwerk van Netherlands Education Support Offices (NESO’s) ten faveure van de inzet op hoger onderwijs en wetenschap via de aanstelling van Onderwijs en Wetenschaps Attachés en lokale medewerkers op posten in de landen die in de Internationale Kennis- en Talentstrategie als prioritair zijn genoemd. De ho-middelen die via Nuffic voor de NESO-kantoren werden gebruikt zullen daarmee op een andere manier via de buitenlandpool van Artikel 8 (Internationaal beleid);

  • de toedeling van middelen (€ 1,0 miljoen) uit het coalitieakkoord ten behoeve van vervolgopleidingen voor het onderdeel onderwijs&arbeidsmarkt aan SK123 (zie het algemeen deel);

  • de door het kabinet beschikbaar gestelde financiële ondersteuning (€ 2,3 miljoen) aan ho-studenten uit Oekraïne, om te voorkomen dat deze terug moeten naar de onveilige situatie in hun eigen land of asiel moeten aanvragen;

  • diverse overige mutaties die het budget in totaal verhogen met € 0,6 miljoen, met name vanwege de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling 2022 (zie het algemeen deel).

3.5 Beleidsartikel 7. Wetenschappelijk onderwijs

Tabel 13 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 7 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

6.030.567

6.457.069

96.835

451.102

7.005.006

       

Uitgaven

6.310.346

6.570.770

99.984

2.880

6.673.634

waarvan juridisch verplicht

99,97%

   

100%

       

Bekostiging

6.240.270

6.497.527

119.674

5.826

6.623.027

Bekostiging onderwijsdeel1

3.006.191

3.156.227

3.333

‒ 58.944

3.100.616

Bekostiging onderzoeksdeel

2.284.607

2.360.442

66.341

60.000

2.486.783

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

757.944

782.877

0

4.770

787.647

Studievoorschotvouchers

17

0

0

0

0

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

191.511

197.981

0

0

197.981

Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

0

50.000

0

50.000

Subsidies (regelingen)

26.459

28.795

‒ 3.966

‒ 2.741

22.088

Nuffic

14.507

12.963

‒ 135

‒ 850

11.978

Studiekeuze123

2.616

3.836

0

‒ 1000

2.836

Vluchteling Studenten UAF

2.511

2.594

0

‒ 511

2.083

Studentenwelzijn (Ecio)

794

894

0

 

894

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

271

334

0

0

334

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

255

263

0

0

263

Open & online onderwijs

2.008

2.074

0

‒ 194

1.880

Zelftesten

1.531

1.531

‒ 1531

0

0

Overige subsidies

1.966

4.306

‒ 2.300

‒ 186

1.820

Opdrachten

40.726

41.496

‒ 15.758

‒ 205

25.533

Opdrachten

3.153

3.923

168

‒ 205

3.886

Zelftesten

37.573

37.573

‒ 15.926

0

21.647

Bijdragen aan (inter-) nationale organisaties

2.891

2.952

34

0

2.986

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.859

1.920

0

0

1.920

United Nations University (UNU)

1.032

1.032

34

0

1.066

       

Ontvangsten

16

16

0

374

390

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 14 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

6.030.567

6.457.069

96.835

451.102

7.005.006

waarvan garantieverplichtingen

0

0

95.226

15.400

110.626

waarvan overige verplichtingen

6.030.567

6.457.069

1.609

435.702

6.894.380

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 547,9 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 445,1 miljoen) wordt veroorzaakt door:

  • garantieverplichtingen/rekening-courant kredieten aan onderwijsinstellingen die in 2022 zijn aangegaan of vervallen en waar het Ministerie van OCW garant voor staat (€ 110,6 miljoen);

  • bijstelling van de verplichtingenraming zonder kaseffecten 2022 als gevolg van aanpassingen ten behoeve van de bekostiging voor het jaar 2023 (€ 334,5 miljoen). De middelen voor het jaar 2023 voortkomend uit het Coalitieakkoord en het Fonds onderzoek en wetenschap zijn anders dan voorzien al in 2022 verplicht en zorgen voor de verhoging van de verplichtingenstand in 2022.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 125,5 miljoen verhoogd. De verhoging is het gevolg van de volgende mutaties:

  • De investering van € 100,0 miljoen voor 2022 in stabiele starters- en stimuleringsbeurzen ter verlichting van de werkdruk, de afhankelijkheid van externe onderzoeksfinanciering en vergroting van de ruimte voor onderzoekers om ongebonden onderzoek te doen;

  • de overheveling naar universiteiten van het restant aan de NWO-onderzoekmiddelen uit de SEO-regeling (€ 16,3 miljoen);

  • Een overboeking van € 4,8 miljoen vanuit het ministerie van VWS voor de zogenaamde OVA-compensatie 2022, zijnde het verschil van de door VWS uitgekeerde Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling in de zorg voor het jaar 2022 (4,42%) en het door OCW van het ministerie van Financiën ontvangen loonpercentage voor de gezondheidssector (3,45%) op de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen die door OCW worden bekostigd;

  • diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere departementen, beleidsinstrumenten en -artikelen) die het budget per saldo in totaal verhogen met € 4,4 miljoen.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 6,7 miljoen verlaagd. Het betreft:

  • middelen uit het Coalitieakkoord ten behoeve van het verbeteren van de studiekeuzeinformatie worden voor een bedrag van € 1,0 miljoen niet uitgeput;

  • de nog resterende subsidiemiddelen (€ 1,5 miljoen) voor het COVID-19 zelftesttraject zijn overgeheveld naar het opdrachtenbudget onder het Artikel 7 (Wetenschappelijk Onderwijs);

  • de € 2,3 miljoen kabinetsbijdrage voor Oekraïne vluchtelingen, die in 1e instantie ondergebracht was bij het instrument subsidies zijn overgeheveld naar het instrument bekostiging onder hbo en wo;

  • de niet-wettelijke taak die Nuffic heeft uitgevoerd ten behoeve van het Alumni-netwerk (een plek waar alumni, studenten, stagiairs, ambassades, organisaties en Nederlandse ho-instellingen elkaar ontmoeten) is per 2022 beëindigt, hierdoor ontstaat een meevaller van € 0,9 miljoen;

  • diverse overige mutaties (met name overboekingen van en naar andere departementen, beleidsinstrumenten en -artikelen) die het budget per saldo in totaal verlagen met € 1,0 miljoen.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt met € 16,0 miljoen verlaagd. Het betreft de middelen voor zelftesten, enerzijds is hiervoor € 4,4 overgeheveld vanuit de subsidies van hbo en wo en anderzijds is een deel van deze middelen dat niet in 2022 wordt uitgeput (zijnde € 20,4 miljoen) afgeboekt in 2022 en opgeboekt in 2023 zodat het beleid indien nodig ook in dat jaar kan worden voortgezet.

3.6 Beleidsartikel 8. Internationaal beleid

Tabel 20 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

14.368

0

14.368

6.115

20.483

4.811

4.784

4.695

4.678

          

Totale uitgaven

14.368

0

14.368

5.890

20.258

4.811

4.784

4.695

4.678

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Subsidies (regelingen)

7.588

0

7.588

512

8.100

403

402

403

386

Stichting Ons Erfdeel

185

0

185

 

185

    

Stichting Nuffic

824

0

824

175

999

175

175

175

175

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.957

0

3.957

132

4.089

132

132

132

132

Internationalisering onderwijs

1.020

0

1.020

42

1.062

42

42

42

42

Duitsland Instituut Amsterdam

760

0

760

86

846

26

26

26

26

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

0

600

25

625

25

24

25

24

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

157

0

157

 

157

    

Overige incidentele subsidies

85

0

85

52

137

3

3

3

‒ 13

Opdrachten

2.801

0

2.801

1.064

3.865

94

101

94

94

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.499

0

3.499

4.314

7.813

4.314

4.281

4.198

4.198

Nederlandse Taalunie

2.941

0

2.941

4.291

7.232

4.291

4.258

4.175

4.175

Stichting Nuffic

 

0

0

 

0

    

Europa College Brugge

31

0

31

1

32

1

1

1

1

Unesco

51

0

51

2

53

2

2

2

2

OESO CERI

88

0

88

4

92

4

4

4

4

Fulbright Commission The Netherlands

368

0

368

15

383

15

15

15

15

EU-programma's en activiteiten

20

0

20

1

21

1

1

1

1

Bijdragen aan (andere) begrotingshoofdstukken

480

0

480

0

480

0

0

0

0

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

480

0

480

 

480

    
   

0

 

0

    

Ontvangsten

99

0

99

0

99

0

0

0

0

Tabel 21 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

14.368

0

14.368

6.115

20.483

4.811

4.784

4.695

4.678

waarvan garantieverplichtingen

         

waarvan overig

14.368

0

14.368

6.115

20.483

4.811

4.784

4.695

4.678

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 6,1 miljoen verhoogd.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 5,9 miljoen verhoogd. Deze verhoging wordt grotendeels verklaard door een ophoging (€ 4,2 miljoen) van de bijdrage aan de Nederlandse Taalunie. In overleg met de ADR is er voor gekozen om de gereserveerde middelen voor de NTU op de Artikelen 6 en 7, 14, 15 en 16 bij voorjaarsnota 2022 structureel over te boeken naar Artikel 8. Daarna is er een ophoging inzake bijdrage van de Artikel 3 voor een bedrag van € 1,0 miljoen aan de Artikel 8 voor de opdracht aan Nuffic voor bevordering internationalisering.

3.6 Beleidsartikel 8. Internationaal beleid

Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 8 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

14.368

20.483

92

‒ 197

20.378

       

Uitgaven

14.368

20.258

92

‒ 197

20.153

waarvan juridisch verplicht

95,9%

    
       

Subsidies (regelingen)

7.588

8.100

69

‒ 183

7.986

Stichting Ons Erfdeel

185

185

0

0

185

Stichting Nuffic

824

999

0

‒ 28

971

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.957

4.089

0

0

4.089

Internationalisering onderwijs

1.020

1.062

0

‒ 62

1.000

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

760

846

0

0

846

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

625

0

0

625

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

157

157

0

‒ 43

114

Overige incidentele subsidies

85

137

69

‒ 50

156

Opdrachten

2.801

3.865

20

1

3.886

Opdrachten

2.801

3.865

20

1

3.886

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

3.499

7.813

3

‒ 15

7.801

Nederlandse Taalunie

2.941

7.232

3

‒ 110

7.125

Europa College Brugge

31

32

0

0

32

Unesco

51

53

0

0

53

OESO CERI

88

92

0

0

92

Fulbright Center

368

383

0

37

420

EU-programma's en activiteiten

20

21

0

0

21

 

Overige bijdragen

0

0

0

58

58

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

480

480

0

0

480

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

480

480

0

0

480

       

Ontvangsten

99

99

0

0

99

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 0,1 miljoen verlaagd. Dit betreft meevallers bij het instrument Subsidies.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 0,1 miljoen verlaagd. Dit betreft meevallers bij het instrument Subsidies.

3.7 Beleidsartikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Tabel 22 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

207.719

‒ 500

207.219

8.942

216.161

7.911

8.514

8.034

8.908

          

Totale uitgaven

205.719

‒ 500

205.219

5.942

211.161

8.911

9.514

9.034

8.908

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bekostiging

49.484

0

49.484

876

50.360

1.827

1.829

1.829

1.829

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

49.484

0

49.484

876

50.360

1.827

1.829

1.829

1.829

Subsidies (regelingen)

149.330

‒ 500

148.830

5.401

154.231

6.824

7.427

6.947

6.816

Lerarenbeurs

76.586

 

76.586

2.295

78.881

1.825

1.784

1.635

1.634

Zij-instroom

49.405

 

49.405

1.519

50.924

1.519

1.432

1.401

1.371

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

2.711

‒ 500

2.211

‒ 14

2.197

‒ 1.136

‒ 405

‒ 705

‒ 805

Aanpak lerarentekort

19.439

0

19.439

580

20.019

4.580

4.580

4.580

4.580

Overige subsidies

1.189

 

1.189

1.021

2.210

36

36

36

36

Opdrachten

3.831

 

3.831

‒ 436

3.395

159

155

155

155

Bijdragen aan agentschappen

3.074

0

3.074

101

3.175

101

103

103

108

Dienst Uitvoering Onderwijs

3.074

 

3.074

101

3.175

101

103

103

108

          

Ontvangsten

6.500

0

6.500

0

6.500

0

0

0

0

Tabel 23 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

207.719

‒ 500

207.219

8.942

216.161

7.911

8.514

8.034

8.908

waarvan garantieverplichtingen

  

0

 

0

    

waarvan overig

207.719

‒ 500

207.219

8.942

216.161

7.911

8.514

8.034

8.908

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 8,9 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties (€ 3,0 miljoen) wordt veroorzaakt door de regeling onderwijsassistenten. Bij deze regeling kan er voor meerdere jaren subsidie worden aangevraagd en dit wordt dan ook direct verplicht.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Subsidies

De subsidies worden met € 5,4 miljoen verhoogd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • de doorverdeling van de loon-en prijsbijstelling op de lerarenbeurs (€ 2,2 miljoen), de zij-instroom (€ 1,3 miljoen) en aanpak lerentekort (€ 0,6 miljoen);

  • een overboeking van bekostiging naar subsidies voor het Platform Samen Opleiden & Professionaliseren (€ 1,1 miljoen).

3.7 Beleidsartikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Tabel 16 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 9 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

207.219

216.176

239

‒ 4.791

211.624

       

Uitgaven

205.219

211.176

340

‒ 12.291

199.225

waarvan juridisch verplicht

50,4%

96,1%

 

99,9%

 
       

Bekostiging

49.484

50.360

0

‒ 349

50.011

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

49.484

50.360

0

‒ 349

50.011

Subsidies (regelingen)

148.830

154.231

500

‒ 12.000

142.731

Lerarenbeurs

76.586

78.881

0

‒ 8.000

70.881

Zij-instroom

49.405

50.924

500

‒ 600

50.824

Wet Beroep Leraar en Lerarenregister

2.211

2.197

0

‒ 2.000

197

Aanpak lerarentekort

19.439

20.019

0

‒ 1.000

19.019

Overige subsidies

1.189

2.210

0

‒ 400

1.810

Opdrachten

3.831

3.395

‒ 160

58

3.293

Opdrachten

3.831

3.395

‒ 160

58

3.293

Bijdrage aan agentschappen

3.074

3.190

0

0

3.190

Dienst Uitvoering Onderwijs

3.074

3.190

0

0

3.190

       

Ontvangsten

6.500

6.500

0

0

6.500

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden per saldo met € 4,6 miljoen verlaagd, met name door een verlaging van het budget voor de lerarenbeurs. Het verschil tussen verplichtingen- en uitgavenmutaties is € 7,5 miljoen. Hiervan wordt € 4,5 miljoen verklaard door de Subsidieregeling Onderwijsassistenten Opleiding tot Leraar, waarbij een subsidie voor vier jaar in een keer wordt verplicht. De overige € 3,0 miljoen wordt verklaard door Samen Opleiden en Professionaliseren waarbij de aanvullende bekostiging voor aspiranten in een keer voor twee jaar wordt verplicht.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 12,0 miljoen verlaagd. Dit komt onder andere door verlaging van subsidieregeling Lerarenbeurs, de Aanpak Lerarentekort en de Wet Beroep Leraar. Bij de subsidieregeling Lerarenbeurs was het aantal aanvragen lager dan vooraf ingeschat en resteert nog een deel van het budget. Van € 8,0 miljoen is al met zekerheid te zeggen dat dit budget dit jaar niet nodig is. Bij de Regeling Aanpak Personeelstekort is er een meevaller van € 1,0 miljoen. Het aantal aanvragen was lager dan vooraf begroot. Door het besluit om het lerarenportfolio af te schaffen is er een meevaller van € 2,0 miljoen op het budget Wet Beroep Leraar.

3.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

4.836.822

131.617

4.968.439

‒ 134.358

4.834.081

‒ 134.267

‒ 60.549

‒ 12.949

42.382

          

Totale uitgaven

4.836.822

131.617

4.968.439

‒ 134.358

4.834.081

‒ 134.267

‒ 60.549

‒ 12.949

42.382

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Inkomensoverdracht

1.328.826

129.517

1.458.343

98.703

1.557.046

‒ 69.076

‒ 24.948

‒ 17.820

6.703

Basisbeurs gift (R)

423.616

0

423.616

80.617

504.233

‒ 25.307

‒ 25.191

‒ 27.365

‒ 28.894

Aanvullende beurs gift (R)

769.726

0

769.726

‒ 22.786

746.940

‒ 35.961

‒ 25.971

‒ 17.818

‒ 11.863

Reisvoorziening gift (R)

‒ 42.705

0

‒ 42.705

‒ 458

‒ 43.163

‒ 5.176

29.131

29.896

47.493

Caribisch Nederland gift (R)

2.894

0

2.894

77

2.971

77

77

77

77

Overige uitgaven (R)

175.295

129.517

304.812

41.253

346.065

‒ 2.709

‒ 2.994

‒ 2.610

‒ 110

Leningen

3.367.673

0

3.367.673

‒ 245.353

3.122.320

‒ 68.836

‒ 39.360

‒ 529

30.385

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

‒ 193.415

0

‒ 193.415

‒ 62.611

‒ 256.026

21.739

31.511

45.854

125.098

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

120.024

0

120.024

20.151

140.175

7.930

9.717

16.348

21.865

Reisvoorziening (NR)

160.180

0

160.180

16.019

176.199

2.365

10.146

17.390

20.787

Rentedragende lening (NR)

2.972.723

0

2.972.723

‒ 230.061

2.742.662

‒ 110.852

‒ 98.311

‒ 85.547

‒ 141.305

Collegegeldkrediet (NR)

254.231

0

254.231

‒ 14.136

240.095

‒ 12.189

‒ 14.625

‒ 16.876

‒ 18.853

Leven lang leren krediet (NR)

25.834

0

25.834

1.549

27.383

‒ 2.860

‒ 2.793

‒ 2.725

‒ 2.725

Overige uitgaven (NR)

28.096

0

28.096

23.736

51.832

25.031

24.995

25.027

25.518

Bijdrage aan agentschappen

140.323

2.100

142.423

12.292

154.715

3.645

3.759

5.400

5.294

Dienst Uitvoering Onderwijs

140.323

2.100

142.423

12.292

154.715

3.645

3.759

5.400

5.294

Ontvangsten

1.211.951

0

1.211.951

‒ 29.635

1.182.316

‒ 32.702

‒ 28.592

‒ 27.157

‒ 28.466

Ontvangsten (R)

73.432

0

73.432

‒ 6.284

67.148

‒ 3.269

‒ 1.970

457

192

Ontvangen rente (R)

52.280

0

52.280

‒ 5.099

47.181

‒ 3.085

‒ 1.786

641

376

Overige ontvangsten (R)

20.932

0

20.932

‒ 1.290

19.642

‒ 289

‒ 289

‒ 289

‒ 289

Ontvangsten Caribisch Nederland (R)

220

0

220

105

325

105

105

105

105

          

Ontvangsten (NR)

1.138.519

0

1.138.519

‒ 23.351

1.115.168

‒ 29.433

‒ 26.622

‒ 27.614

‒ 28.658

Terugontvangen lening (NR)

1.138.519

0

1.138.519

‒ 23.351

1.115.168

‒ 29.433

‒ 26.622

‒ 27.614

‒ 28.658

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Toelichting instrumenten (algemeen):

Het onderscheid relevant en niet-relevant is in onderstaande toelichting als uitgangspunt genomen. Relevant betekent relevant voor het begrotingstekort/EMU-saldo. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en door de omzetting van uitgekeerde prestatiebeurs in gift (na behalen van het diploma binnen 10 jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de betalingen van prestatiebeurzen (zolang die nog niet omgezet zijn in een gift) en verstrekte rentedragende leningen.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op verstrekte studieleningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van rentedragende leningen.

Toelichting mutaties:

Uitgaven

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling op de studiefinancieringsraming beschreven. De totale uitgaven op Artikel 11 worden met € 134,4 miljoen naar beneden bijgesteld. Het betreft een bijstelling van de inkomensoverdrachten naar boven van € 98,7 miljoen, een bijstelling omlaag van de leningen met € 245,4 miljoen en een bijstelling omhoog van het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) met € 12,3 miljoen. Hieronder wordt per instrument toegelicht hoe de bijstellingen tot stand zijn gekomen.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

De relevante uitgaven worden met € 98,7 miljoen verhoogd. Dit bestaat uit de volgende elementen:

  • De uitgaven aan de basisbeurs worden per saldo met € 80,6 miljoen verhoogd. Dit betreft met name de bijstelling omhoog van € 86,9 miljoen op de omzettingen. Het grootste deel van de omzettingen vindt in januari plaats, voor 2022 zijn deze uitgaven al bekend. Daarnaast zijn de uitgaven aan basisbeurs die direct als gift uitgekeerd wordt € 8,8 miljoen lager, als gevolg van een lager dan geraamd aantal studenten in het mbo. Door de loon- en prijsbijstelling wordt het bedrag met € 2,5 miljoen verhoogd;

  • De relevante uitgaven aan de aanvullende beurs worden per saldo met € 22,8 miljoen verlaagd. De uitgaven aan aanvullende beurs die direct als gift wordt uitgekeerd zijn, voornamelijk als gevolg van de lagere referentieraming, omlaag bijgesteld met € 26,8 miljoen. Verder betreft dit lagere omzettingen dan geraamd (€ 4,7 miljoen). Door de loon- en prijsbijstelling wordt het bedrag met € 8,6 miljoen verhoogd;

  • De reisvoorziening wordt per saldo met € 0,5 miljoen verlaagd. Hier liggen de volgende verklaringen aan ten grondslag:

    • Het budget kosten ov-contract is met € 18,4 miljoen verlaagd. Dit is het gevolg van lagere aantallen;

    • De omzettingen van prestatiebeurs in gift zijn per saldo met € 15,4 miljoen omlaag bijgesteld op basis van realisatiegegevens;

    • De bijdrage studerenden aan ov is met € 24,3 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft een tegenboeking waarmee voorkomen wordt dat de waarde van de ov-kaart dubbel geboekt wordt (enerzijds door toekenning aan de student, anderzijds door de betaling aan de ov-bedrijven). Doordat het een tegenboeking betreft, betekent deze positieve mutatie dus eigenlijk een lager bedrag aan toekenningen. Dit wordt veroorzaakt door lager geraamde aantallen in de referentieraming;

    • Door de loon- en prijsbijstelling wordt de reisvoorziening met € 9,1 miljoen omhoog bijgesteld.

  • Het budget voor Caribisch Nederland is met € 0,1 miljoen verhoogd op basis van de loon- en prijsbijstelling;

  • De relevante overige uitgaven worden per saldo met € 41,3 miljoen verhoogd. Het budget wordt met € 44,0 miljoen verhoogd voor middelen ten behoeve van de kwijtschelding van studieschulden van toeslagengedupeerden. Daarnaast worden de overige uitgaven met € 2,7 miljoen naar beneden bijgesteld, dit betreft een bijstelling van de kwijtscheldingen op basis van de realisatiegegevens.

Leningen

De niet-relevante uitgaven worden per saldo met € 245,4 miljoen verlaagd. Dit bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De niet-relevante uitgaven aan de basisbeurs worden met € 62,6 miljoen omlaag bijgesteld. Dit betreft allereerst de toekenningen prestatiebeurs. Deze worden omlaag bijgesteld met € 14,7 miljoen vanwege lagere aantallen studenten. Daarnaast zorgen de tegenboekingen van de omzettingen van prestatiebeurs in gift en lening voor een neerwaartse bijstelling van in totaal € 55,1 miljoen (€ -86,9 miljoen omzetting gift en € 31,8 miljoen omzetting lening). Tot slot is er voor € 7,2 miljoen aan prijsbijstelling voor 2022 toegekend;

  • De niet-relevante uitgaven aanvullende beurs zijn met € 20,2 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft een neerwaartse bijstelling van € 16,7 miljoen op de toekenningen prestatiebeurs, als gevolg van de lagere aantallen studenten. Hiertegenover staat een opwaartse bijstelling van € 16,9 miljoen doordat het aandeel gebruikers van de aanvullende beurs omhoog is bijgesteld. Daarnaast zijn de omzettingen van prestatiebeurs naar gift, die hier tegen geboekt worden, omhoog bijgesteld met € 4,7 miljoen (dit betreffen dus minder omzettingen in gift). De omzettingen naar lening, die hier worden tegen geboekt, zijn omlaag bijgesteld met € 1,0 miljoen. Tot slot is er voor € 16,3 miljoen aan prijsbijstelling voor 2022 toegekend;

  • De niet-relevante uitgaven ov worden met € 16,0 miljoen naar boven bijgesteld. Dit betreft voornamelijk lagere toekenningen prestatiebeurs, € 11,9 miljoen, als gevolg van lagere aantallen studenten. Daarnaast zijn de omzettingen naar gift € 15,4 miljoen hoger. Aangezien de omzettingen op deze post negatief worden tegen geboekt, betekent dit dat er minder reisvoorziening naar gift zal worden omgezet. De omzettingen naar lening zijn met € 12,0 miljoen opwaarts bijgesteld. Tot slot is er voor € 0,5 miljoen aan prijsbijstelling voor 2022 toegekend;

  • De uitgaven op de post rentedragende lening (niet-relevant) zijn per saldo neerwaarts bijgesteld met € 230,1 miljoen. Deze bijstelling wordt allereerst veroorzaakt door lagere aantallen leerlingen (neerwaartse bijstelling van € 44,8 miljoen). Daarnaast is er sprake van een dalende trend in het percentage leners wat zorgt voor lagere uitgaven aan de rentedragende lening (neerwaartse bijstelling van € 218,4 miljoen). Ook is de tegenboeking van de post omzettingen naar lening met € 42,8 miljoen naar beneden bijgesteld. Tot slot is er voor € 75,9 miljoen aan prijsbijstelling voor 2022 toegekend;

  • De uitgaven aan het collegegeldkrediet zijn verlaagd met € 14,1 miljoen. Deze bijstelling komt, evenals bij de rentedragende lening, door de dalende trend in het percentage studenten dat naar verwachting gebruik gaat maken van het krediet (neerwaartse bijstelling van € 27,3 miljoen). Daarnaast is er voor € 13,2 miljoen aan prijscompensatie voor 2022 toegekend;

  • Het budget voor het levenlanglerenkrediet wordt met € 1,5 miljoen opwaarts bijgesteld op basis van realisatiegegevens. Er wordt meer gebruik gemaakt van het krediet dan verwacht (opwaartse bijstelling van € 0,2 miljoen). Daarnaast is er voor € 1,3 miljoen aan prijscompensatie voor 2022 toegekend;

  • De niet-relevante overige uitgaven zijn met € 23,7 miljoen omhoog bijgesteld op basis van realisatiegegevens.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 12,3 miljoen verhoogd. Als gevolg van de lagere volumes uit de referentieraming wordt het budget met € 1,0 miljoen verlaagd. Door de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022 stijgt het budget met € 4,6 miljoen. Daarnaast is het budget met € 5,0 miljoen naar boven bijgesteld voor de uitvoering van het herinvoeren van de basisbeurs. Als laatste wordt dit budget verhoogd met € 3,7 miljoen voor de uitvoeringskosten ten behoeve van het kwijtschelden van studieschulden in verband met de toeslagengedupeerden.

Ontvangsten

De ontvangsten worden met € 29,6 miljoen verlaagd. Dit wordt veroorzaakt door een daling van de relevante ontvangsten van € 6,3 miljoen en een daling van de niet-relevante ontvangsten met € 23,4 miljoen.

  • De relevante ontvangsten worden omlaag bijgesteld met € 6,3 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door:

    • Renteontvangsten: deze post is met € 5,1 miljoen verlaagd. Dit betreft lagere renteontvangsten als gevolg van de lage rente;

    • Overige ontvangsten: deze post is met € 1,2 miljoen verlaagd op basis van realisatiegegevens.

  • De niet-relevante ontvangsten worden gevormd door de terugontvangen lening en worden omlaag bijgesteld met € 23,4 miljoen op basis van realisatiegegevens. Dit is het gevolg van lager dan verwachte extra ontvangsten (ontvangsten bovenop de reguliere termijnontvangsten).

3.8 Beleidsartikel 11. Studiefinanciering

Tabel 17 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 11 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

4.968.439

4.838.831

886.969

‒ 160.367

5.565.433

       

Uitgaven

4.968.439

4.838.831

886.969

‒ 160.367

5.565.433

waarvan juridisch verplicht

100%

    
       

Inkomensoverdracht

1.458.343

1.557.046

889.669

‒ 58.037

2.388.678

Basisbeurs gift (R)

423.616

504.233

0

‒ 5.000

499.233

Aanvullende beurs gift (R)

769.726

746.940

1.006

‒ 15.000

732.946

Reisvoorziening gift (R)

‒ 42.705

‒ 43.163

960.000

‒ 15.000

901.837

Caribisch Nederland gift (R)

2.894

2.971

0

0

2.971

Studievoorschotvouchers (R)

0

0

1.663

‒ 1.500

163

Overige uitgaven (R)

304.812

346.065

‒ 73.000

‒ 21.537

251.528

Leningen

3.367.673

3.122.320

0

‒ 100.000

3.022.320

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

‒ 193.415

‒ 256.026

0

0

‒ 256.026

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

120.024

140.175

0

‒ 5.000

135.175

Reisvoorziening (NR)

160.180

176.199

0

20.000

196.199

Rentedragende lening (NR)

2.972.723

2.742.662

0

‒ 90.000

2.652.662

Collegegeldkrediet (NR)

254.231

240.095

0

‒ 30.000

210.095

Leven lang leren krediet (NR)

25.834

27.383

0

0

27.383

Overige uitgaven (NR)

28.096

51.832

0

5.000

56.832

Bijdrage aan agentschappen

142.423

159.465

‒ 2.700

‒ 2.330

154.435

Dienst Uitvoering Onderwijs

142.423

159.465

‒ 2.700

‒ 2.330

154.435

       

Ontvangsten

1.211.951

1.182.316

0

‒ 65.000

1.117.316

Ontvangsten (R)

73.432

67.148

0

‒ 5.000

62.148

 

Ontvangen rente (R)

52.280

47.181

0

‒ 5.000

42.181

 

Overige ontvangsten (R)

20.932

19.642

0

0

19.642

 

Ontvangsten Caribisch Nederland ®

220

325

0

0

325

Ontvangsten (NR)

1.138.519

1.115.168

0

‒ 60.000

1.055.168

 

Terugontvangen lening (NR)

1.138.519

1.115.168

0

‒ 60.000

1.055.168

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Toelichting instrumenten (algemeen):

Het onderscheid relevant en niet-relevant is in onderstaande toelichting als uitgangspunt genomen. Relevant betekent relevant voor het begrotingstekort/EMU-saldo. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en door de omzetting van uitgekeerde prestatiebeurs in gift (na behalen van het diploma binnen 10 jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de betalingen van prestatiebeurzen (zolang die nog niet omgezet zijn in een gift) en verstrekte rentedragende leningen.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op verstrekte studieleningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van rentedragende leningen.

Uitgaven

De totale uitgaven en verplichtingen op Artikel 11 (Studiefinanciering) worden met € 726,6 miljoen naar boven bijgesteld. De inkomensoverdrachten worden met € 831,6 miljoen naar boven bijgesteld. Het budget voor de leningen wordt met € 100,0 miljoen naar beneden bijgesteld en het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) wordt met € 5,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Hieronder wordt per instrument toegelicht hoe de bijstellingen tot stand zijn gekomen.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdrachten

De relevante uitgaven worden met € 831,6 miljoen naar boven bijgesteld. Op de onderlinge posten zijn er verschillende bijstellingen, die bestaan uit de volgende elementen:

  • De raming van de basisbeurs wordt op basis van realisatiecijers per saldo met € 5,0 miljoen neerwaarts bijgesteld. Dit betreft een bijstelling omlaag van € 10,0 miljoen op de beurs die direct als gift wordt uitgekeerd en een bijstelling omhoog van € 5,0 miljoen op de omzetting van prestatiebeurs naar gift.

  • De raming van de aanvullende beurs wordt op basis van realisatiecijfers met € 14,0 miljoen neerwaarts bijgesteld. Dit betreft een bijstelling van € 14,0 miljoen van de aanvullende beurs die direct als gift wordt uitgekeerd.

  • De reisvoorziening wordt per saldo met € 945,0 miljoen verhoogd. Dit is het gevolg van een kasschuif van 2023 naar 2022 van € 960,0 miljoen, mede op verzoek van de ov-bedrijven. Daarnaast is er sprake van een neerwaartse bijstelling van € 5,0 miljoen op de omzettingen van prestatiebeurs in gift en een neerwaartse bijstelling van € 10,0 miljoen voor de bijdrage studerenden aan ov.

  • De overige uitgaven worden met € 94,5 miljoen verlaagd. Dit komt onder andere doordat de kwijtscheldingen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire per saldo met € 33,0 miljoen naar beneden zijn bijgesteld. Daarnaast zijn op basis van realisatiecijfers de overige uitgaven met € 20,0 miljoen neerwaarts bijgesteld. Ook is er sprake van een neerwaartse bijstelling van € 40,0 miljoen op de uitgaven aan het nationaal programma onderwijs. De betreffende studenten blijven recht houden op deze middelen en dus zijn er in 2023 middelen nodig om aan de reeds aangegane verplichtingen te voldoen. Bij de voorjaarsnota zal worden bezien hoe het benodigde budget voor 2023 gedekt kan worden.

Leningen

De niet-relevante uitgaven worden per saldo met € 100,0 miljoen verlaagd. Dit bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De niet-relevante uitgaven aan de basisbeurs worden per saldo met

    € 0 miljoen bijgesteld. De toekenningen prestatiebeurs worden omlaag bijgesteld met € 15,0 miljoen als gevolg van de reeds bekende realisatie. Tevens bevat deze post de tegenboeking van de relevante omzettingen van prestatiebeurs in gift (€ -5,0 miljoen). Daarnaast is er een bijstelling omhoog op de omzettingen van prestatiebeurs in lening van € 20,0 miljoen. Dit betekent dat er minder basisbeurs prestatiebeurzen in lening zijn omgezet dan geraamd.

  • De niet-relevante uitgaven aanvullende beurs zijn per saldo met € 5,0 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit betreft een neerwaartse bijstelling van € 10,0 miljoen op de toekenningen prestatiebeurs. Daarnaast bevat deze post de bijstelling op de omzettingen van prestatiebeurs in lening van € 5,0 miljoen.

  • De niet-relevante uitgaven aan de reisvoorziening worden per saldo met € 20,0 miljoen naar boven bijgesteld. Het betreft enerzijds een verhoging van de reisvoorziening met € 10,0 miljoen omdat er meer reisvoorziening aan studenten is toegekend dan is geraamd. Deze post bevat anderzijds de tegenboeking van de relevante post omzettingen naar gift van € 5,0 miljoen. Daarnaast is de omzetting naar lening € 5,0 miljoen naar boven bijgesteld. Er wordt minder reisvoorziening naar lening omgezet dan eerder geraamd.

  • De niet-relevante uitgaven op de post rentedragende lening zijn naar beneden bijgesteld met € 90,0 miljoen. Uit de realisatiegegevens tot en met juli 2022 blijkt dat de uitgaven aan de rentedragende lening € 60,0 miljoen lager zijn dan eerder geraamd. Deze post bevat ook de tegenboekingen van de omzettingen van prestatiebeurs naar lening. Er zijn minder prestatiebeurzen naar lening omgezet dan eerder geraamd, dit zorgt voor een bijstelling naar beneden van € 30,0 miljoen.

  • De niet-relevante uitgaven aan het collegegeldkrediet zijn verlaagd met € 30,0 miljoen als gevolg van de reeds bekende realisatie.

  • De niet-relevante overige uitgaven zijn op basis van de realisatie met

    € 5,0 miljoen verhoogd.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 5,0 miljoen verlaagd. Dit komt door een neerwaartse bijstelling van € 2,7 miljoen doordat de uitvoeringskosten voor de kwijtscheldingen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire in 2022 lager uitvallen. Daarnaast vindt een neerwaartse bijstelling van € 0,8 miljoen plaats omdat uit de uitvoeringstoets blijkt dat de kosten voor de herinvoering van de basisbeurs lager uitvallen dan eerder begroot. Als laatste is de bijdrage € 1,4 miljoen neerwaarts bijgesteld vanwege het vrijvallen van een balanspost.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 65,0 miljoen verlaagd.

  • De relevante ontvangsten worden omlaag bijgesteld met € 5,0 miljoen. Dit wordt veroorzaakt door lagere rente ontvangsten op basis van de reeds bekende realisatie.

  • De niet-relevante ontvangsten worden omlaag bijgesteld met € 60,0 miljoen. Op basis van realisatiegegevens blijkt dat er een lager bedrag aan lening is terugbetaald.

3.9 Beleidsartikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Tabel 25 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

67.116

 

67.116

3.590

70.706

7.624

8.538

8.217

8.308

          

Totale uitgaven

67.116

0

67.116

3.590

70.706

7.624

8.538

8.217

8.308

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Inkomensoverdracht

64.578

0

64.578

3.508

68.086

7.541

8.453

8.130

8.217

Minderjarige deelnemers bol (R )

0

 

0

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.641

 

3.641

344

3.985

344

344

344

344

Deeltijd vo (R)

2.001

 

2.001

‒ 165

1.836

‒ 165

‒ 165

‒ 165

‒ 165

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

5.149

 

5.149

607

5.756

810

1.088

1.186

1.188

Meerderjarige scholieren vo (R)

49.999

 

49.999

2.747

52.746

6.572

7.175

6.736

6.831

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.788

 

3.788

‒ 25

3.763

‒ 20

11

29

19

Leningen

14

0

14

0

14

0

0

0

0

STOEB/ALR (NR)

14

 

14

0

14

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

2.524

0

2.524

82

2.606

83

85

87

91

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.524

 

2.524

82

2.606

83

85

87

91

          

Ontvangsten

2.174

0

2.174

‒ 177

1.997

‒ 51

‒ 23

‒ 33

‒ 31

Minderjarige deelnemers bol (R)

0

 

0

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

285

 

285

‒ 96

189

‒ 96

‒ 96

‒ 96

‒ 96

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

1.889

 

1.889

‒ 81

1.808

45

73

63

65

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Uitgaven

De uitgaven aan de WTOS worden per saldo met € 3,6 miljoen verhoogd. Dit betreft een opwaartse bijstelling € 3,5 miljoen op de inkomensoverdrachten en van € 0,1 miljoen op de bijdrage aan agentschappen. Hieronder zal per instrument worden toegelicht wat de oorzaken van de bijstellingen zijn.

Toelichting per instrument:

Inkomensoverdracht

De raming wordt per saldo met € 3,5 miljoen verhoogd. Dat de uitgaven naar boven zijn bijgesteld komt voornamelijk door de toekenning van de prijscompensatie voor 2022 van € 3,4 miljoen. De overige bijstelling (in totaal € 0,1 miljoen) wordt veroorzaakt door de som van enerzijds een hoger aantal WTOS-gerechtigden dan geraamd en anderzijds een bijstelling op basis van realisatiegegevens.

3.9 Beleidsartikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Tabel 18 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 12 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

67.116

70.721

0

0

70.721

       

Uitgaven

67.116

70.721

0

0

70.721

waarvan juridisch verplicht

100%

    
       

Inkomensoverdracht

64.578

68.086

0

0

68.086

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.641

3.985

0

0

3.985

Deeltijd vo (R)

2.001

1.836

0

0

1.836

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

5.149

5.756

0

0

5.756

Meerderjarige scholieren vo (R)

49.999

52.746

‒ 197

0

52.549

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.788

3.763

197

0

3.960

Leningen

14

14

0

0

14

STOEB/ALR (NR)

14

14

0

0

14

Bijdrage aan agentschappen

2.524

2.621

0

0

2.621

Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

2.524

2.621

0

0

2.621

       

Ontvangsten

2.174

1.997

0

0

1.997

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R )

285

189

0

0

189

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R )

1.889

1.808

0

0

1.808

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven.

3.10 Beleidsartikel 13. Lesgeld

Tabel 26 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

14.249

0

14.249

467

14.716

469

479

479

512

          

Totale uitgaven

14.249

0

14.249

467

14.716

469

479

479

512

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bijdrage aan agentschappen

14.249

0

14.249

467

14.716

469

479

479

512

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.249

 

14.249

467

14.716

469

479

479

512

          

Ontvangsten

215.480

 

215.480

‒ 19.134

196.346

‒ 29.169

‒ 19.355

‒ 7.457

2.639

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Uitgaven

Het budget voor de Dienst Uitvoering Onderwijs wordt per saldo met € 0,5 miljoen verhoogd.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 19,1 miljoen verlaagd op basis van de lagere gerealiseerde lesgeldontvangsten in 2021 en een verwachte daling van het aantal mbo-studenten.

3.10 Beleidsartikel 13. Lesgelden

Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 13 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

14.249

14.807

0

0

14.807

       

Uitgaven

14.249

14.807

0

0

14.807

waarvan juridisch verplicht

100%

    
       

Bijdrage aan agentschappen

14.249

14.807

0

0

14.807

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.249

14.807

0

0

14.807

       

Ontvangsten

215.480

196.346

0

0

196.346

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven.

3.11 Beleidsartikel 14. Cultuur

Tabel 27 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

348.266

436.642

784.908

422.208

1.207.116

142.108

685.002

9.165

7.773

          

Totale uitgaven

1.014.937

436.642

1.451.579

211.659

1.663.238

44.559

45.003

41.881

40.367

waarvan juridisch verplicht (%)

97,0%

        
          

Bekostiging

901.624

100.699

1.002.323

37.474

1.039.797

34.577

35.116

34.237

33.107

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

218.040

24.927

242.967

7.575

250.542

7.690

7.696

7.681

5.436

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

229.726

42.975

272.701

10.067

282.768

8.879

8.938

7.967

7.967

Huisvesting erfgoed

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Beheer en onderhoud collecties erfgoed

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Museale instellingen met een wettelijke taak

218.614

28.997

247.611

10.527

258.138

10.527

10.527

10.526

10.529

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

24.092

0

24.092

939

25.031

939

939

939

939

Digitale openbare bibliotheek

16.868

1.500

18.368

3.658

22.026

658

658

658

658

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

12.537

0

12.537

489

13.026

489

489

489

489

Monumentenzorg

146.283

2.300

148.583

3.410

151.993

4.108

4.271

4.736

5.798

Archieven incl. Regionale Historische Centra

29.650

0

29.650

505

30.155

983

983

183

233

Flankerend beleid huisvesting

5.813

0

5.813

304

6.117

304

304

304

304

Cultuureducatie met Kwaliteit

1

0

1

0

1

0

311

754

754

Subsidies (regelingen)

46.502

160.943

207.445

144.455

351.900

1.195

1.207

263

213

Verbreden inzet cultuur

9.331

0

9.331

4.907

14.238

346

404

584

534

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

8.356

0

8.356

1.089

9.445

1.089

1.089

138

138

Programma leesbevordering

3.967

0

3.967

13.041

17.008

131

131

131

131

Creatieve Industrie

1.728

0

1.728

125

1.853

66

66

77

77

Monumentenzorg

0

0

0

 

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

0

 

0

0

0

0

0

Specifiek cultuurbeleid

20.708

160.943

181.651

122.413

304.064

‒ 152

‒ 198

‒ 172

‒ 172

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

2.412

0

2.412

2.880

5.292

‒ 285

‒ 285

‒ 495

‒ 495

Opdrachten

19.416

175.000

194.416

6.614

201.030

6.275

5.834

4.670

4.213

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

2.068

0

2.068

‒ 349

1.719

72

72

72

72

Monumentenzorg

0

 

0

 

0

0

0

0

0

Archeologie

0

0

0

 

0

0

0

0

0

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

10.024

0

10.024

3.371

13.395

5.911

5.581

4.462

4.005

Overige opdrachten

7.324

175.000

182.324

3.592

185.916

292

181

136

136

Bijdragen aan agentschappen

44.438

0

44.438

6.051

50.489

3.568

3.904

3.769

3.892

Nationaal Archief

44.438

0

44.438

6.051

50.489

3.568

3.904

3.769

3.892

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

18.100

18.100

    

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.957

0

2.957

‒ 1.035

1.922

‒ 1.056

‒ 1.058

‒ 1.058

‒ 1.058

     

0

0

0

0

0

Ontvangsten

3.043

44.000

47.043

9.585

56.628

1.494

506

0

0

Tabel 28 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

348.266

436.642

784.908

422.208

1.207.116

142.108

685.002

9.165

7.773

waarvan garantieverplichtingen

0

‒ 147.810

0

45.704

45.704

0

0

0

0

waarvan overig

348.266

584.452

784.908

376.504

1.161.412

142.108

685.002

9.165

7.773

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden per saldo met € 422,2 miljoen verhoogd. Het verschil van € 210,5 miljoen tussen de saldi van de verplichtingen- en uitgavenmutaties wordt grotendeels veroorzaakt door:

  • een verhoging van de garantieverplichtingen met € 45,7 miljoen;

  • een verhoging van € 45,2 miljoen voor de loon- en prijsbijstelling tranche 2022. Dit is nodig omdat de uitkering van de loon- en prijsbijstelling 2022 voor een groot deel van de cultuurbegroting in 2022 ook al wordt verplicht voor de jaren 2023 en 2024;

  • een verhoging van € 116,6 miljoen wegens een administratieve fout in de verplichtingenraming. In de bedrijfsvoeringsparagraaf van het departementale jaarverslag over 2021 is toegelicht dat de verplichtingenramingen voor 2021-2024 door een administratieve fout niet juist waren. Voor de jaren 2022-2024 is dit nu gecorrigeerd.

Uitgaven

Toelichting algemeen: Coalitieakkoordmiddelen

Het kabinet kiest in het coalitieakkoord voor een structurele investering in de culturele- en creatieve sector en stelt dit jaar € 135,0 miljoen beschikbaar. Een belangrijk deel van de maatregelen is dit jaar gericht op het herstel van de culturele- en creatieve sector na de coronacrisis. Over de exacte invulling van de € 135,0 miljoen wordt u voor 1 juni geïnformeerd via de hoofdlijnenbrief cultuur. Aanvullend wordt er vanuit de enveloppe onderwijskwaliteit in 2022 € 12,9 miljoen beschikbaar gesteld voor leesbevordering.

Toelichting per instrument

Bekostiging

Het budget voor de bekostiging wordt per saldo met € 37,5 miljoen verhoogd. Dit saldo bestaat uit diverse mutaties, maar vooral uit de loon- en prijsbijstelling 2022. Uit de coalitieakkoordmiddelen wordt € 4,3 miljoen toegevoegd.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 144,5 miljoen verhoogd. Daarvan is € 122,4 miljoen afkomstig uit de coalitieakkoordmiddelen. Naast loon- en prijsbijstelling en diverse andere kleinere mutaties, bestaat het saldo verder vooral uit een bedrag van € 19,0 miljoen dat bestemd is voor aanvulling van het Museaal Aankoopfonds. Deze aanvulling is gewenst na de inzet van middelen uit het fonds voor de aanschaf van De Vaandeldrager.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt per saldo met € 6,6 miljoen verhoogd. Daarvan bestaat € 3,4 miljoen uit toevoegingen aan het opdrachtenbudget voor de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, afkomstig uit interne overboekingen binnen dit begrotingsartikel. Daarnaast wordt het opdrachtenbudget verhoogd met € 3,0 miljoen uit de coalitieakkoordmiddelen.

Bijdrage aan medeoverheden

Voor bijdragen aan medeoverheden wordt € 18,1 geraamd, dit bedrag is afkomstig uit de coalitieakkoordmiddelen en wordt ingezet ten behoeve van een impuls voor jongerencultuur.

Ontvangsten

De ontvangstenraming wordt per saldo verhoogd met € 9,6 miljoen door drie desalderingen. De eerste (€ 4,9 miljoen) wordt uitgevoerd in verband met herverdeling van middelen voor het archiefstelsel. De tweede (€ 3,2 miljoen) is bedoeld voor toevoeging van middelen aan het Nationaal Archief (uit eerder afgeroomde bedragen) in verband met vertragingen van projecten. De derde (€ 1,5 miljoen) betreft ontvangsten van het ministerie van Buitenlandse Zaken die bestemd zijn voor het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie.

3.11 Beleidsartikel 14. Cultuur

Tabel 20 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 14 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

784.908

1.215.615

‒ 141.289

168.996

1.243.322

       

Uitgaven

1.451.579

1.671.737

555

‒ 10.804

1.661.488

waarvan juridisch verplicht

97,0%

   

97,9%

       

Bekostiging

1.002.323

1.043.427

‒ 4.841

4.024

1.042.610

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

242.967

250.542

660

‒ 4.081

247.121

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

272.701

286.398

783

13.559

300.740

Museale instellingen met een wettelijke taak

247.611

258.138

1

‒ 956

257.183

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

24.092

25.031

180

‒ 312

24.899

Digitale openbare bibliotheek

18.368

22.026

‒ 100

0

21.926

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

12.537

13.026

0

0

13.026

Monumentenzorg

148.583

151.993

‒ 6.365

‒ 2.603

143.025

Archieven incl. Regionale Historische Centra

29.650

30.155

0

‒ 1.583

28.572

Flankerend beleid huisvesting

5.813

6.117

0

0

6.117

Cultuureducatie met Kwaliteit

1

1

0

0

1

Subsidies (regelingen)

207.445

356.120

‒ 2.925

‒ 12.900

340.295

Verbreden inzet cultuur

9.331

14.238

0

983

15.221

Internationaal cultuurbeleid ( incl. HGIS)

8.356

9.445

0

‒ 195

9.250

Programma leesbevordering

3.967

17.008

0

5.959

22.967

Creatieve Industrie

1.728

1.903

 

562

2.465

Specifiek cultuurbeleid

181.651

308.234

‒ 2.925

‒ 22.774

282.535

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

2.412

5.292

0

2.565

7.857

Opdrachten

194.416

201.030

‒ 45

‒ 3.477

197.508

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

2.068

1.719

‒ 45

‒ 240

1.434

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

10.024

13.395

83

‒ 182

13.296

Overige opdrachten

182.324

185.916

‒ 83

‒ 3.055

182.778

Bijdrage aan agentschappen

44.438

51.138

‒ 19

1.130

52.249

Nationaal Archief

44.438

51.138

‒ 19

1.130

52.249

Bijdrage aan medeoverheden

0

18.100

8.385

329

26.814

Bijdragen aan medeoverheden

0

18.100

8.385

329

26.814

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.957

1.922

0

90

2.012

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

2.957

1.922

0

90

2.012

       

Ontvangsten

47.043

56.628

8.229

23.239

88.096

Tabel 21 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

784.908

1.215.615

‒ 141.289

168.996

1.243.322

waarvan garantieverplichtingen

0

45.704

‒ 143.144

112.065

14.625

waarvan overige verplichtingen

418.566

1.161.412

10.354

56.931

1.228.697

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De totale verplichtingenraming wordt verhoogd met € 27,7 miljoen. De garantieverplichtingen worden verlaagd met € 31,1 miljoen. Naast de garantieverplichtingen is de verplichtingenraming, onafhankelijk van de uitgavenraming, verhoogd met € 77,5 miljoen. Het grootste deel van de verhoging is uitgevoerd om zeker te zijn dat er voldoende ruimte is voor het aangaan van de verplichtingen voor de monumentenzorg. Daarnaast is de raming verhoogd omdat uit de extra cultuurmiddelen van het coalitieakkoord enkele verplichtingen meerjarig worden aangegaan.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Subsidies

De uitgavenraming wordt met € 15,8 miljoen verlaagd. Het grootste deel hiervan wordt veroorzaakt door een interne overboeking van € 11,5 miljoen uit de coalitieakkoordmiddelen naar het financiële instrument Bekostiging voor de subsidieregeling Production Incentive High End Series bij het Filmfonds. 

Ontvangsten

De ontvangstenraming wordt verhoogd met € 31,5 miljoen. Deze verhoging bestaat uit extra ontvangsten uit de lagere vaststelling van subsidies in het kader van de steunpakketten voor COVID-19 (€ 22,3 miljoen), desalderingen ten laste van het Museaal aankoopfonds voor de aankoop van kunst (€ 5,2 miljoen) en desaldering van middelen voor het archiefstelsel ten behoeve van transitiekosten voor RHC’s (€ 2,0 miljoen) en leenrechtvergoeding (€ 2,0 miljoen).

3.12 Beleidsartikel 15. Media

Tabel 29 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

1.053.522

0

1.053.522

121.071

1.174.593

50.771

58.160

52.320

48.639

          

Totale uitgaven

1.053.522

0

1.053.522

82.536

1.136.058

47.271

47.433

48.136

48.410

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bekostiging

1.040.773

0

1.040.773

66.801

1.107.574

44.265

46.427

47.130

47.404

Landelijke publieke omroep

824.968

 

824.968

26.672

851.640

25.503

25.628

26.011

26.160

Regionale omroep

153.850

 

153.850

9.020

162.870

8.992

8.992

8.992

8.992

Stichting Omroep Muziek

17.130

 

17.130

1.121

18.251

1.118

1.118

1.118

1.118

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

24.313

 

24.313

1.264

25.577

1.260

1.260

1.260

1.260

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.276

 

2.276

118

2.394

118

118

118

118

Filmfonds van de omroep en Telefilm (CoBO)

3.737

 

3.737

‒ 1.213

2.524

87

87

87

87

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.620

 

1.620

84

1.704

84

84

84

84

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

1.673

 

1.673

87

1.760

87

87

87

87

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

10.395

 

10.395

29.367

39.762

6.974

9.011

9.331

9.456

Overige bekostiging media

811

 

811

281

1.092

42

42

42

42

Subsidies (regelingen)

7.132

0

7.132

10.604

17.736

2.226

226

226

226

Subsidies (regelingen)

7.132

0

7.132

10.604

17.736

2.226

226

226

226

Steunfonds Lokale Informatievoorziening

0

 

0

 

0

    

Opdrachten

649

0

649

4.874

5.523

24

24

24

24

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

4.903

0

4.903

255

5.158

754

754

754

754

Commissariaat voor de Media

4.903

 

4.903

255

5.158

754

754

754

754

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

65

0

65

2

67

2

2

2

2

European Audiovisual Observatory

65

 

65

2

67

2

2

2

2

          

Ontvangsten

146.110

 

146.110

22.040

168.150

0

0

0

0

Tabel 30 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

1.053.522

0

1.053.522

121.071

1.174.593

50.771

58.160

52.320

48.639

waarvan garantieverplichtingen

    

0

    

waarvan overig

1.053.522

0

1.053.522

121.071

1.174.593

50.771

58.160

52.320

48.639

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 121,1 miljoen verhoogd. Deze verhoging wordt veroorzaakt door de hieronder toegelichte uitgavenmutaties (€ 82,5 miljoen). Daarnaast wordt de verplichtingenstand aangesloten op de voorgenomen uitgaven uit de mediabegrotingsbrief.

Uitgaven

Toelichting algemeen: Coalitieakkoordmiddelen

Het kabinet kiest voor een structurele investering in media en stelt dit jaar € 13,4 miljoen (inclusief uitvoeringskosten) beschikbaar. De maatregelen zijn een uitwerking van de opgaves uit het coalitieakkoord, namelijk voor het uitbreiden van het budget voor onderzoeksjournalistiek en voor de overheveling van de financiering van lokale omroepen. Over de exacte invulling hiervan wordt u in juni geïnformeerd via de hoofdlijnenbrief media.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor bekostiging wordt per saldo met € 66,8 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Toevoeging van de loon en prijsbijstelling tranche 2022 (€ 46,5 miljoen, zie het algemene deel);

  • Een overboeking naar subsidies van (- € 2,0 miljoen) voor de verlenging van de pilot NOS / Regio- / Lokale omroepen;

  • Een verhoging van de dotatie aan de Algemene Media reserver (AMr) als gevolg van de geactualiseerde raming van de reclameopbrengsten voor 2022 in de mediabegrotingsbrief 2021 (€ 22,0 miljoen).

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 10,6 miljoen verhoogd. De verhoging wordt veroorzaakt door:

  • Een overboeking uit bekostiging van € 2,0 miljoen voor de verlenging van de pilot NOS / Regio- / Lokale omroepen;

  • Toevoeging van de loon en prijsbijstelling tranche 2022 (€ 0,3 miljoen, zie het algemene deel);

  • Daarnaast wordt het subsidiebudget verhoogd met € 6,0 miljoen uit de coalitieakkoordmiddelen voor investeringen in de verdere versterking van de lokale omroepen vooruitlopend op de overheveling van de financiering van de lokale omroepen van het Gemeentefonds naar de Rijksbegroting en € 2,3 miljoen voor investering in onderzoeksjournalistiek.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt als gevolg van de coalitieakkoordmiddelen voor de voorbereiding van de overheveling van de financiering van de lokale omroepen naar de Rijksoverheid en voor verdere versterking van de lokale journalistiek met € 4,9 miljoen verhoogd.

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

Het budget voor bijdragen aan ZBO's / RWT's wordt als gevolg van de loon en prijsbijstelling tranche 2022 (€ 0,3 miljoen, zie het algemene deel) verhoogd.

Ontvangsten

Het ontvangstenbudget wordt met € 22,0 miljoen verhoogd. Hiermee wordt de raming aangepast aan de raming van de reclameopbrengsten in de mediabegrotingsbrief 2022.

Dotatie Algemene Mediareserve

De AMr wordt op basis van de huidige ramingen eind 2022 gedoteerd met € 39,8 miljoen en mutaties rechtstreeks uit de AMr zijn geraamd op ‒ € 21,5 miljoen.

Tabel 31 Raming ontwikkeling liquiditeit AMr (bedragen x € 1.000)

Saldo AMr per 01-01-2022

89.417

Directe mutaties AMr

‒ 21.485

Mutaties AMr via begroting

39.762

Verwacht saldo AMr per 31-12-2022

107.694

3.12 Beleidsartikel 15. Media

Tabel 22 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 15 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

1.053.522

1.178.410

9.739

48

1.188.197

       

Uitgaven

1.053.522

1.139.875

1.085

48

1.141.008

waarvan juridisch verplicht

98,3%

    
       

Bekostiging

1.040.773

1.107.574

937

315

1.108.826

Landelijke publieke omroep

824.968

851.640

1.000

0

852.640

Regionale Omroep

153.850

162.870

53

‒ 29

162.894

Stichting Omroep Muziek

17.130

18.251

0

‒ 4

18.247

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIGB)

24.313

25.577

0

‒ 5

25.572

Stimuleringsfonds voor Journalistiek

2.276

2.394

0

315

2.709

Filmfonds van de omroep en Telefilm (COBO)

3.737

2.524

0

0

2.524

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.620

1.704

0

11

1.715

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

1.673

1.760

0

0

1.760

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

10.395

39.762

‒ 116

38

39.684

Overige bekostiging media

811

1.092

0

‒ 11

1.081

Subsidies (regelingen)

7.132

21.553

146

3.903

25.602

Subsidies

7.132

17.736

‒ 8.279

2.359

11.816

Werk aan Uitvoering

0

3.817

0

‒ 442

3.375

Onderzoeksjournalistiek

0

0

2.364

‒ 2.364

0

Lokale journalistiek

0

0

6.061

4.350

10.411

Opdrachten

649

5.523

0

‒ 4.350

1.173

Opdrachten

649

5.523

0

‒ 4.350

1.173

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.903

5.158

0

175

5.333

Commissariaat voor de Media

4.903

5.158

0

175

5.333

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

65

67

2

5

74

European Audiovisual Observatory

65

67

2

5

74

       

Ontvangsten

146.110

168.150

0

0

168.150

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 9,8 miljoen verhoogd.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Opdrachten

Het instrument opdrachten wordt per saldo verlaagd met € 4,4 miljoen. De verlaging wordt veroorzaakt door een overboeking naar het instrument subsidies van de coalitieakkoord middelen voor de versterking van de lokale journalistiek. Gepland was om deze te realiseren op het instrument opdrachten. Realisatie zal op het instrument subsidies plaatsvinden.

Ontvangsten

De raming van de Ster-inkomsten wordt zoals gebruikelijk bij de 2e Suppletoire Begroting niet aangepast. Bij Jaarverslag en Slotwet worden de ontvangsten aangepast aan de hand van de definitieve realisatie over het afgelopen jaar. De mediabegrotingsbrief bevat wel een update van de verwachte afdracht.

3.13 Beleidsartikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

Tabel 32 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

1.236.172

0

1.236.172

341.158

1.577.330

621.856

621.243

590.786

590.146

          

Totale uitgaven

1.241.629

0

1.241.629

304.008

1.545.637

621.982

621.363

590.883

590.171

waarvan juridisch verplicht (%)

99,6%

        
          

Bekostiging

1.102.425

0

1.102.425

196.816

1.299.241

214.334

201.662

201.241

199.917

NWO

493.335

 

493.335

39.872

533.207

32.452

31.326

31.238

30.007

KNAW

94.934

 

94.934

3.444

98.378

3.142

3.142

3.131

3.131

KB

50.335

 

50.335

2.296

52.631

1.705

1.705

1.684

1.684

NWO Talentenontwikkeling

169.561

 

169.561

‒ 3.676

165.885

0

0

0

0

NWO TTW

8.177

 

8.177

‒ 177

8.000

0

0

0

0

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

56.608

 

56.608

‒ 1.228

55.380

0

0

0

0

NWO Praktijkgericht Onderzoek

57.278

 

57.278

1.450

58.728

0

0

0

0

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

30.834

 

30.834

8.187

39.021

11.546

0

0

0

Poolonderzoek

3.181

 

3.181

‒ 34

3.147

0

0

0

0

Caribisch Nederland

2.555

 

2.555

‒ 55

2.500

0

0

0

0

NWO NWA

135.627

 

135.627

‒ 2.263

133.364

489

489

188

95

NWO Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

 

0

134.000

134.000

150.000

150.000

150.000

150.000

NWO Praktijkgericht onderzoek Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

 

0

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

Subsidies (regelingen)

27.783

0

27.783

101.744

129.527

320.577

329.597

300.854

300.874

Stichting NLBIF

0

 

0

0

0

0

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

7.230

 

7.230

259

7.489

259

259

259

259

BPRC

10.918

 

10.918

392

11.310

392

392

392

392

NCWT/NEMO

3.534

 

3.534

127

3.661

127

127

127

127

STT

231

 

231

8

239

8

8

8

8

Stichting AAP

1.084

 

1.084

40

1.124

40

40

40

40

Nationale coördinatie

4.786

 

4.786

‒ 222

4.564

31

31

28

48

Subsidie Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

 

0

100.000

100.000

300.000

300.000

300.000

300.000

Nationaal Groeifonds

0

 

0

1.140

1.140

19.720

28.740

0

0

Opdrachten

536

0

536

1.007

1.543

3.512

6.112

4.114

4.106

Opdrachten

536

 

536

215

751

20

1.210

1.212

1.204

Opdrachten Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

 

0

792

792

3.492

4.902

2.902

2.902

Bijdrage aan agentschappen

881

0

881

81

962

75.030

75.030

75.030

75.030

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

881

 

881

81

962

30

30

30

30

RVO Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

 

0

 

0

75.000

75.000

75.000

75.000

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

110.004

0

110.004

4.360

114.364

8.529

8.962

9.644

10.244

EMBC

1264

 

1.264

52

1.316

52

55

39

39

EMBL

5.329

 

5.329

418

5.747

818

1.218

1.818

2.418

ESA

33.387

 

33.387

1.365

34.752

1.365

1.365

1.365

1.365

CERN

51.417

 

51.417

4.502

55.919

8.526

8.524

8.524

8.524

ESO

15.869

 

15.869

649

16.518

394

394

413

413

NTU/INL

2.738

 

2.738

‒ 2.626

112

‒ 2.626

‒ 2.594

‒ 2.515

‒ 2.515

          

Ontvangsten

101

 

101

0

101

0

0

0

0

Tabel 33 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

1.236.172

0

1.236.172

341.158

1.577.330

621.856

621.243

590.786

590.146

waarvan garantieverplichtingen

  

0

 

0

    

waarvan overig

1.236.172

0

1.236.172

341.158

1.577.330

621.856

621.243

590.786

590.146

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 341,2 miljoen verhoogd.

Uitgaven

De uitgaven worden met € 304,0 miljoen verhoogd. Deze verhoging heeft te maken met onderstaande mutaties.

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget voor bekostiging wordt per saldo met € 196,8 miljoen verhoogd. Deze verhoging is een gevolg van onder meer de volgende mutaties:

  • het toevoegen van de loon- en prijsbijstelling (€ 36,5 miljoen). Zie hiervoor de toelichting in het algemene deel;

  • diverse overboekingen ten behoeve van het NRO budget (€ 8,2 miljoen). Het gaat hierbij onder andere om Effectenonderzoek NP Onderwijs (€ 5,8 miljoen) en Monitoringsplan NP Onderwijs (€ 1,7 miljoen);

  • diverse overboekingen ten behoeve van het budget Praktijkgericht Onderzoek (€ 1,5 miljoen);

  • overboekingen in het kader van de coalitieakkoordmiddelen voor het Fonds Onderzoek en Wetenschap. Hiermee wordt de komende tien jaar geïnvesteerd in hoger onderwijs, wetenschap en innovatie. Deze middelen geven een krachtige impuls aan de brede kennisbasis, een kennisintensieve samenleving en de economie. De opgaven van het fonds, in samenhang met de opgave voor de structurele reeks vervolgopleidingen en onderzoek, zijn: het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek, verdere versterking van de onderzoeksinfrastructuur, versterken van de kwaliteit van hoger onderwijs en wetenschap, verlagen van de werkdruk en ruimte voor ongebonden onderzoek. U wordt hierover geïnformeerd in een beleidsbrief in de tweede helft van juni 2022.

Subsidies

Het budget voor subsidies wordt per saldo met € 101,7 miljoen verhoogd. Dit betreft een verhoging voor loon- en prijsbijstellingen (€ 0,8 miljoen) en een verhoging voor Fonds Onderzoek en Wetenschap, zie hiervoor toelichting bij instrument Bekostiging.

Opdrachten

Het budget voor Opdrachten wordt met € 1,0 miljoen verhoogd. Het gaat hier met name om een verhoging voor de uitvoering van de instrumenten die volgen uit het Fonds Onderzoek en Wetenschap.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het budget voor (inter-)nationale organisaties wordt per saldo met € 4,4 miljoen verhoogd.

3.13 Beleidsartikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

Tabel 23 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 16 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

1.236.172

1.577.796

‒ 119.524

190.429

1.648.701

       

Uitgaven

1.241.629

1.546.103

‒ 119.524

16.910

1.443.489

waarvan juridisch verplicht

99,8%

    
       

Bekostiging

1.102.425

1.299.707

‒ 23.163

21.171

1.297.715

NWO

493.335

533.207

‒ 26.360

1.632

508.479

KNAW

94.934

98.844

549

1.449

100.842

KB

50.335

52.631

0

7.908

60.539

NWO Talentenontwikkeling

169.561

165.885

0

0

165.885

NWO TTW

8.177

8.000

0

0

8.000

NWO grootschalige researchinfrastructuur

56.608

55.380

0

0

55.380

NWO Praktijkgericht onderzoek

57.278

58.728

1.814

3.600

64.142

Nationaal Regieorgaan onderwijsonderzoek

30.834

39.021

334

2.717

42.072

Poolonderzoek

3.181

3.147

0

0

3.147

Caribisch Nederland

2.555

2.500

0

0

2.500

NWO NWA

135.627

133.364

0

3.865

137.229

NWO Fonds onderzoek en wetenschap

0

134.000

500

0

134.500

NWO Praktijk onderzoek en wetenschap

0

15.000

0

0

15.000

Subsidies (regelingen)

27.783

129.527

‒ 100.419

166

29.274

Naturalis Biodiversity Center

7.230

7.489

36

0

7.525

BPRC

10.918

11.310

40

0

11.350

NCWT/NEMO

3.534

3.661

0

0

3.661

STT

231

239

0

0

239

Stichting AAP

1.084

1.124

0

0

1.124

Nationale coördinatie

4.786

4.564

‒ 495

166

4.235

Subsidie Fonds onderzoek en wetenschap

0

100.000

‒ 100.000

0

0

Nationaal Groeifonds

0

1.140

0

0

1.140

Opdrachten

536

1.543

3.308

‒ 1.823

3.028

Opdrachten

536

751

1.000

777

2.528

Opdrachten Fonds onderzoek en wetenschap

0

792

2.308

‒ 2.600

500

Bijdrage aan agentschappen

881

962

750

202

1.914

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

881

962

0

202

1.164

RVO Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

750

0

750

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

110.004

114.364

0

‒ 2.806

111.558

EMBC

1.264

1.316

0

‒ 76

1.240

EMBL

5.329

5.747

0

‒ 93

5.654

ESA

33.387

34.752

0

‒ 384

34.368

CERN

51.417

55.919

0

‒ 2.318

53.601

ESO

15.869

16.518

0

177

16.695

NTU/INL

2.738

112

0

‒ 112

0

       

Ontvangsten

101

101

0

4

105

Tabel 24 Uitsplitsing verplichtingen
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

1.236.172

1.577.796

‒ 119.524

190.429

1.648.701

waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

‒ 1.137

‒ 1.137

waarvan overige verplichtingen

1.236.172

1.577.796

‒ 119.524

191.566

1.649.838

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

De verplichtingen worden met € 70,9 miljoen verhoogd. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenmutaties à € 173,5 miljoen wordt veroorzaakt door verplichtingenmutaties zonder kaseffect. Het gaat hierbij met name om:

  • Bijstellen van de verplichting ten behoeve van NWO Fonds Onderzoek en Wetenschap voor € 152,0 miljoen.

  • Bijstellen van de verplichting ten behoeve van NWO Praktijkgericht Onderzoek Fonds Onderzoek en Wetenschap voor € 15,0 miljoen.

  • Bijstellen van de verplichting ten behoeve van KNAW voor € 1,4 miljoen.

  • Bijstellen van de verplichting ten behoeve van Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek voor € 2,0 miljoen.

  • Bijstellen van de verplichting ten behoeve van NWO Praktijkgericht onderzoek voor € 1,8 miljoen.

  • Bijstellen van de verplicng ten behoeve van Nationaal Groeifonds voor € 1,7 miljoen.

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Bekostiging

Het budget wordt per saldo met € 2,0 miljoen verlaagd. Deze verlaging houdt onder andere verband met het herverdelen van SEO middelen (€ 24,5 miljoen) en diverse overboekingen naar Artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) ten behoeve van NWO (€ 12,7 miljoen), KNAW (€ 2,0 miljoen) en KB (€ 7,9 miljoen).

Subsidies

Het budget wordt per saldo met € 100,3 miljoen verlaagd. Deze verlaging is het gevolg van het overboeken van de middelen voor Starters- en Stimuleringsbeurzen naar Artikel 7 (Wetenschappelijk Onderwijs).

3.14 Beleidsartikel 25. Emancipatie

Tabel 34 Budgettaire gevolgen van beleid, beleid art. 25 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

7.099

 

7.099

56.742

63.841

‒ 9.550

‒ 9.547

‒ 9.520

‒ 9.517

          

Uitgaven

14.541

0

14.541

6.017

20.558

595

598

625

628

waarvan juridisch verplicht (%)

         
          

Bekostiging

8.791

0

8.791

‒ 1.677

7.114

1.432

1.432

1.432

1.432

Kennisinfrastructuur: Gender- en LHBTI- gelijkheid

8.791

 

8.791

‒ 1.677

7.114

1.432

1.432

1.432

1.432

Subsidies (regelingen)

3.111

0

3.111

7.037

10.148

218

218

237

236

Vrouwenemancipatie

0

 

0

 

0

    

LHBTI

66

 

66

 

66

    

Gender- en LHBTI- gelijkheid 2017-2022

3.045

 

3.045

7.037

10.082

218

218

237

236

Opdrachten

1.073

 

1.073

1.999

3.072

69

159

372

376

Bijdrage aan medeoverheden

1.566

0

1.566

‒ 1.342

224

‒ 1.124

‒ 1.211

‒ 1.416

‒ 1.416

Gemeentefonds gender- en LHBTI- gelijkheid

1.566

 

1.566

‒ 1.342

224

‒ 1.124

‒ 1.211

‒ 1.416

‒ 1.416

          

Ontvangsten

0

 

0

 

0

0

0

0

0

Tabel 35 Uitsplitsing verplichtingen
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

7.099

 

7.099

56.742

63.841

‒ 9.550

‒ 9.547

‒ 9.520

‒ 9.517

waarvan garantieverplichtingen

  

0

 

0

    

waarvan overig

7.099

 

7.099

56.742

63.841

‒ 9.550

‒ 9.547

‒ 9.520

‒ 9.517

In de kolom «Mutaties 1e suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Bij Voorjaarsnota 2022 zijn de verplichtingen met € 56,7 miljoen verhoogd. De uitgaven zijn met € 6,0 miljoen verhoogd. Daarnaast heeft een budget neutrale herschikking binnen het artikel plaatsgevonden.

Bekostiging

Op basis van de nieuwe regeling gender- en lhbti-gelijkheid 2022-2027 is het voornemen eind 2022, voor een periode van vijf jaar, nieuwe verplichtingen aan te gaan met acht allianties. Daarnaast is het voornemen twee instellingssubsidies te beschikken voor de erfgoed- en archieffunctie. De verplichtingenruimte, € 49,0 miljoen, is hiervoor uit latere jaren naar voren gehaald. De totale uitgaven voor de periode 2023-2027 bedragen € 50,0 miljoen.

De uitgaven zijn per saldo met € 1,7 miljoen verlaagd. Naast de ophoging in het kader van de loon- en prijsbijstelling is sprake van een meevaller van € 2,0 miljoen. De meevaller is ontstaan over alle allianties gezamenlijk doordat in het aanvangsjaar (2017) van de huidige periode er eenmalig een voorschot is verstrekt van in totaal € 2,0 miljoen. Uiteindelijk is dat voorschot ingelopen in het laatste jaar, 2022.

Subsidies

De uitgaven zijn verhoogd met € 7,0 miljoen. Dit betreft de overlopende verplichting van de Tegemoetkomingsregeling «Wet wijziging geregistreerd geslacht 1985-2014».

Opdrachten

De uitgaven zijn verhoogd met € 2,0 miljoen. Dit betreft een intensivering, in 2022, in het kader van het Nationaal Actieplan grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld onder verantwoordelijkheid van de hiervoor benoemde Regeringscommissaris.

Bijdrage aan medeoverheden

De uitgaven zijn met € 1,3 miljoen verlaagd.

Voor actieve gemeenten op het gebied van gender- en LHBTI- emancipatiebeleid wordt via een decentralisatie-uitkering budget overgeheveld naar het Gemeentefonds. De verantwoordelijkheid voor deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf. Een bedrag van € 0,6 miljoen is overgemaakt naar het Gemeentefonds voor het programma ‘Veilige Steden’ dat met 1 jaar is verlengd.

Een bedrag van € 0,8 miljoen is overgeboekt naar de overige instrumenten in het kader van de herschikking binnen het artikel.

3.14 Beleidsartikel 25. Emancipatie

Tabel 25 Budgettaire gevolgen van beleid, beleidsartikel 25 (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

    

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

7.099

63.841

10.136

‒ 4.429

69.548

       

Uitgaven

14.541

20.558

136

‒ 4.429

16.265

waarvan juridisch verplicht

78,5%

    
       

Bekostiging

8.791

7.114

0

330

7.444

Kennisinfrastructuur: Gender- en LHBTI- gelijkheid

8.791

7.114

0

330

7.444

Subsidies (regelingen)

3.111

10.148

‒ 100

‒ 2.849

7.199

Gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022

3.111

10.148

‒ 100

‒ 2.849

7.199

Opdrachten

1.073

3.072

266

‒ 1.716

1.622

Opdrachten

1.073

3.072

266

‒ 1.716

1.622

Bijdrage aan medeoverheden

1.566

224

‒ 30

‒ 194

0

Gemeentefonds gender- en LHBTI-gelijkeid

1.566

224

‒ 30

‒ 194

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

    

0

       

Ontvangsten

0

0

0

0

0

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Verplichtingen

Bij Najaarsnota 2022 zijn de verplichtingen per saldo met € 5,3 miljoen verhoogd. Dit wordt veroorzaakt door een verhoging van de verplichtingen met € 10,0 miljoen bij Miljoenennota in het kader van de nieuwe alliantieperiode 2023-2027.

Uitgaven

De uitgaven zijn per saldo met € 4,3 miljoen verlaagd.

Toelichting per instrument:

Subsidies

De uitgaven zijn per saldo verlaagd met € 2,8 miljoen. In het kader van de Tegemoetkomingsregeling «Wet wijziging geregistreerd geslacht 1985-2014» is sprake van een overlopende verplichting van € 3,1 miljoen. De regeling heeft een looptijd tot oktober 2023.

Opdrachten

De uitgaven zijn verlaagd met € 1,7 miljoen. Een bedrag van € 0,6 miljoen is overgeboekt naar andere departementen ten behoeve van onderzoek dat uitgevoerd wordt als onderdeel van het Nationaal actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (SGGSG).

De geplande publiekscampagne rondom het Nationaal actieprogramma heeft een langere voorbereidingstijd als gevolg van het verplicht te doorlopen CASI-traject waardoor verplichtingen pas in 2023 worden aangegaan. Daarnaast is besloten deze campagne een meerjarig karakter te geven. Hierdoor wordt in 2022 € 1,1 miljoen minder uitgegeven.

Bijdrage Medeoverheden

De uitgaven zijn met € 0,2 miljoen verlaagd. Voor actieve gemeenten op het gebied van gender- en lhbtiq+-emancipatiebeleid wordt via een decentralisatie-uitkering budget overgeheveld naar het Gemeentefonds. De verantwoordelijkheid voor deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf. In het laatste jaar van de programma’s regenboogsteden en veilige steden hebben minder gemeenten aanspraak gemaakt op de bijdrage.

4 De niet-beleidsartikelen

4 De niet-beleidsartikelen

4.1 Niet beleidsartikel 91. Nog onverdeeld

Tabel 36 Budgettaire gevolgen van beleid, niet-beleidsartikel 91 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

585.126

‒ 585.126

0

0

0

230.000

0

0

0

          

Uitgaven

585.126

‒ 585.126

0

0

0

230.000

0

0

0

          

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

  

0

 

0

    

waarvan apparaat

  

0

 

0

    

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

  

0

 

0

    

waarvan apparaat

  

0

 

0

    

Onvoorzien

585.126

‒ 585.126

0

0

0

230.000

0

0

0

          

Ontvangsten

0

 

0

 

0

    

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

4.1 Nog onverdeeld

Tabel 26 Verdeling van begrotingsposten loon- en prijsbijstelling (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

   

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

0

0

0

0

0

       

Uitgaven

0

0

0

0

0

       

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

waarvan programma

     

waarvan apparaat

     

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

waarvan programma

     

waarvan apparaat

     

Onvoorzien

0

0

0

0

0

       

Ontvangsten

0

0

0

0

0

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven.

4.2 Niet-beleidsartikel 95. Apparaat Kerndepartement

Tabel 37 Budgettaire gevolgen van beleid, niet-beleidsartikel 95 (Eerste suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Ontwerpbe-groting 2022 (1)

Mutaties via NvW, amendementen en ISB (2)

Vastgestelde begroting 2022 (3) = (1) + (2)

Mutaties 1e suppletoire begroting (4)

Stand 1e suppletoire begroting (5) = (3) + (4)

Mutatie 2023

Mutatie 2024

Mutatie 2025

Mutatie 2026

Verplichtingen

276.492

1.350

277.842

72.577

350.419

64.466

62.335

63.138

62.096

          

Uitgaven

276.492

1.350

277.842

72.577

350.419

64.466

62.335

63.138

62.096

          

Personele uitgaven

216.309

1.350

217.659

66.434

284.093

60.253

57.998

57.277

57.459

waarvan eigen personeel

206.028

1.350

207.378

65.468

272.846

59.334

57.081

56.360

56.542

waarvan inhuur externen

6.029

 

6.029

840

6.869

793

793

793

793

waarvan overige personele uitgaven

4.252

 

4.252

126

4.378

126

124

124

124

Materiële uitgaven

60.183

0

60.183

6.143

66.326

4.213

4.337

5.861

4.637

waarvan ICT

10.170

 

10.170

3.311

13.481

1.964

1.980

3.074

1.857

waarvan bijdrage aan SSO's

21.155

 

21.155

861

22.016

831

831

831

831

waarvan overige materiële uitgaven

28.858

 

28.858

1.971

30.829

1.418

1.526

1.956

1.949

Begrotingsreserve schatkistbankieren

0

0

0

0

0

0

0

0

0

          

Ontvangsten

567

0

567

0

567

0

0

0

0

In de kolom "Mutaties 1e suppletoire begroting 2022" worden de mutaties ten opzichte van de «Stand vastgestelde begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Toelichting per instrument:

Personele uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 66,4 miljoen verhoogd. De verhoging wordt grotendeels veroorzaakt door:

  • Er wordt € 27,3 miljoen toegevoegd in verband met de uitvoeringskosten van de CA-reeksen die worden overgeboekt naar de begroting van OCW (zie het algemeen deel);

  • diverse interdepartementale overboekingen: naar aanleiding van de kabinetsreactie op de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag is € 14,8 miljoen toegevoegd aan de begroting voor het op orde brengen van de informatiehuishouding; 

  • een aantal interne overboekingen (€ 6,8 miljoen): het betreft hier voornamelijk de kosten van uitvoering van programma’s waarvoor het budget nog niet aan het apparaatsbudget was toegevoegd voor Gelijke Kansen Alliantie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed(RCE);

  • doorverdeling van de loonbijstelling tranche 2022: € 6,4 miljoen (zie het algemeen deel);

  • diverse overlopende verplichtingen (€ 2,6 miljoen): Met name het programma rondom de maatregelen binnen OCW naar aanleiding van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) heeft vorig jaar vertraging opgelopen, deze middelen worden nu aan de begroting toegevoegd;

  • Vanuit het programmabudget NP Onderwijs is € 1,8 miljoen beschikbaar gesteld om invulling te kunnen geven aan de extra werkzaamheden op het departement die vanuit dit programma zijn ontstaan;

  • Van de begroting van VWS zijn de uitvoerings- en de apparaatskosten die samenhangen met Maatschappelijke Diensttijd (MDT) overgeheveld ( € 2,1 miljoen). Daarnaast is € 1,7 miljoen toegevoegd voor de apparaatskosten voor het bureau van de regeringscommissaris grensoverschrijdend gedrag;

  • Diverse kleine overboekingen die per saldo hebben geleid tot een verhoging van het budget van € 3,0 miljoen.

Materiële uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 6,1 miljoen verhoogd. De verhoging wordt grotendeels veroorzaakt door:

  • doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2022: € 2,8 miljoen (zie het algemeen deel);

  • diverse programma’s en projecten die in 2021 vertraging hebben opgelopen door corona en nu in 2022 doorgang zullen vinden (€ 3,3 miljoen).

4.2 Apparaat Kerndepartement

Tabel 27 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (incl. ISB, NvW en amendementen)

Stand 1e suppletoire begroting (incl. ISB, NvW en amendementen) (2)

Mutaties 2e suppletoire begroting (3)

Stand 2e suppletoire begroting (4)=(2+3)

   

Mutaties Miljoenennota

Overige mutaties 2e suppletoire begroting

 

Verplichtingen

277.842

354.140

‒ 12.599

‒ 21.049

320.492

       

Uitgaven

277.842

354.140

‒ 2.599

‒ 31.049

320.492

      

Personele uitgaven

217.659

286.812

‒ 3.158

‒ 30.901

252.753

waarvan eigen personeel

207.378

275.250

‒ 3.921

‒ 30.901

240.428

waarvan inhuur externen

6.029

7.184

763

0

7.947

waarvan overige personele uitgaven

4.252

4.378

0

0

4.378

Materiële uitgaven

 

60.183

67.328

559

‒ 1.723

66.164

waarvan ICT

10.170

14.183

‒ 21

‒ 1.590

12.572

waarvan bijdrage aan SSO's

21.155

22.216

0

‒ 132

22.084

waarvan overige materiële uitgaven

28.858

30.929

580

‒ 1

31.508

Begrotingsreserve schatkistbankieren

0

0

0

1.575

1.575

       

Ontvangsten

567

567

0

1.575

2.142

In de kolom «Mutaties tweede suppletoire begroting 2022» worden de mutaties ten opzichte van de «Stand eerste suppletoire begroting 2022» weergegeven. Hieronder worden de belangrijkste mutaties toegelicht.

Toelichting

Uitgaven

Toelichting per instrument:

Personele uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 34,1 miljoen verlaagd. De verlaging wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • diverse overlopende verplichtingen (€ 13,1 miljoen): enkele programma’s en projecten hebben vertraging opgelopen, onder andere door onzekerheid rond de beschikbare budgetten en door de lange levertijden van meubilair en ICT;

  • een aantal interne overboekingen (€ 5,4 miljoen): het betreft hier voornamelijk overboekingen naar programmageld, zoals de extra middelen voor Kennisveiligheid uit het Coalitieakkoord. Deze waren bij 1e suppletoire begroting geparkeerd op Artikel 95 (Apparaat kerndepartement). Inmiddels is voor 2022 duidelijk welk deel hiervan programma is, en dat is overgeboekt naar Artikel 16 (Onderzoek en Wetenschapsbeleid);

  • onderuitputting (€ 15,0 miljoen): onder andere doordat er door de krappe arbeidsmarkt problemen zijn bij het aantrekken van capaciteit. Hierdoor staan vacatures langer open en dat leidt tot onderuitputting op de apparaatskosten.

Materiële uitgaven

Het budget wordt per saldo met € 1,2 miljoen verlaagd.

Begrotingsreserve schatkistbankieren

Het budget voor Begrotingsreserve schatkistbankieren wordt met € 1,6 miljoen verhoogd.

Het ministerie van OCW staat garant voor onderwijsinstellingen die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Voor het risico dat het ministerie hierdoor loopt, ontvangt het ministerie van OCW een vergoeding (risicopremie). Deze premie wordt (via een desaldering) toegevoegd aan de Begrotingsreserve schatkistbankieren.

Ontvangsten

Het budget wordt met € 1,6 miljoen verhoogd. Zie hiervoor de toelichting bij de Begrotingsreserve schatkistbankieren.

5 Agentschappen

5 Agentschappen

5.1 Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

In deze paragraaf is de Eerste Suppletoire Begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de Rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten, informatievoorziening alsmede diensten gericht op de verbetering van de verbinding tussen beleid en uitvoering. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

Tabel 38 Exploitatieoverzicht DUO (Eerste suppletoire begroting 2022) (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)=(1)+(2) Totaalgeraamd

Baten

   

Omzet moederdepartement

269.766

40.348

310.114

Omzet overige departementen

78.724

0

78.724

Omzet derden

4.930

0

4.930

Rentebaten

0

 

0

Vrijval voorzienigen

0

 

0

Bijzondere baten

0

 

0

Totaal baten

353.420

40.348

393.768

Lasten

   

Apparaatskosten

324.495

40.348

364.843

 

Personele kosten

  

229.208

23.687

252.895

 

waarvan eigen personeel

191.720

9.036

200.756

 

waarvan inhuur externen

30.386

14.413

44.799

 

waarvan overige personele kosten

7.102

238

7.340

 

Materiele kosten

  

95.287

16.661

111.948

 

waarvan apparaat ICT

26.335

885

27.220

 

waarvan bijdrage aan SSO's

24.350

818

25.168

 

waarvan overige materiële kosten

44.602

14.958

59.560

Rentelasten

100

0

100

Afschrijvingskosten

27.225

0

27.225

 

Materieel

  

13.000

0

13.000

 

waarvan apparaat ICT

12.500

0

12.500

 

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

500

0

500

 

Immaterieel

  

14.225

0

14.225

Overige lasten

1.500

0

1.500

 

waarvan dotaties voorzieningen

1.500

0

1.500

 

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

Totaal lasten

353.320

40.348

393.668

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

0

100

Agentschapdeel Vpb lasten

   

100

0

100

Saldo van baten en lasten

0

0

0

Toelichting

De baten van de Eerste Suppletoire Begroting laten een stijging zien van € 40,3 miljoen ten opzichte van oorspronkelijk vastgestelde begroting 2022 (€ 353,4 miljoen).

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement is € 40,3 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De stijging heeft betrekking op de toegekende loon- en prijsbijstelling 2022 (€ 9,0 miljoen), extra incidentele middelen voor de uitvoering van examens (€ 11,0 miljoen), diverse beleidstrajecten waaronder de stimulering van de arbeidsmarktpositie (€ 2,9 miljoen) en bijstellingen in zogenoemde overige taken te weten de digitalisering examens FACET (€ 2,5 miljoen) en de uitvoering eindtoets primair onderwijs (€ 2,4 miljoen). Daarnaast zijn er middelen toegekend ten behoeve van het kwijtschelden van kinderopvangtoeslagschulden (€ 5,7 miljoen) en is het effect als gevolg van de volume afhankelijke bijstelling (€ -1,0 miljoen) meegenomen. Volgend uit het coalitie akkoord zijn er middelen toegekend ten behoeve van het afschaffen van het leenstelsel (€ 5,0 miljoen) en het versterken van de onderwijskwaliteit (€ 0,8 miljoen). In het kader van het NP Onderwijs zijn eveneens middelen toegekend (€ 2,0 miljoen).

Lasten

Apparaatskosten

De kosten van de Eerste Suppletoire Begroting laten een stijging zien van € 40,3 miljoen ten opzichte van oorspronkelijk vastgestelde begroting 2022. De personele begroting laat een stijging zien van € 23,7 miljoen en de materiële begroting een stijging zien van € 16,7 miljoen. In de stijging zijn de toekenning van de eerder genoemde loon- en prijsbijstelling (€ 9,0 miljoen), extra incidentele werkzaamheden voor de uitvoering van examens (€ 11,0 miljoen), het kwijtschelden van kinderopvangtoeslagschulden (€ 5,7 miljoen) en de bijstellingen voor diverse beleidstrajecten (€ 2,9 miljoen), verwerkt. Ook is rekening gehouden met de volume afhankelijke bijstelling (€ -1,0 miljoen), de zogenoemde overige taken (€ 4,9 miljoen), de gevolgen van het coalitieakkoord (€ 5,8 miljoen) en het NP Onderwijs (€ 2,0 miljoen).

Kasstroomoverzicht

Tabel 39 Kasstroomoverzicht DUO (Eerste suppletoire begroting 2022)(bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties 1esuppletoirebegroting

(3)=(1)+(2)Stand1 suppletoirebegroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2020

14.794

 

14.794

 

Totaal ontvangen operationele kasstroom (+)

353.420

40.348

393.768

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 324.495

‒ 40.348

‒ 364.843

2.

Totaal operationele kasstroom

28.925

0

28.925

 

Totaal investeringen (-/-)

‒ 50.800

‒ 20.900

‒ 71.700

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

  

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 50.800

‒ 20.900

‒ 71.700

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

  

0

 

Eenmalig storting van moederdepartement (+)

  

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 14.200

‒ 2.592

‒ 16.792

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

38.800

20.900

59.700

4.

Totaal financieringskasstroom

24.600

18.308

42.908

5.

Rekening courant RHB 31 december 2020 (=1+2+3+4)

17.519

‒ 2.592

14.927

Toelichting

Het kasstroomoverzicht is aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met de eerder genoemde loon- en prijsbijstelling en overige bijstellingen. Daarnaast is verwerkt de aangevraagde leenfaciliteit en daarbij behorende investeringen en zijn de verwachte aflossingen op eerdere leningen aangepast.

5.1 Agentschap DUO

In deze paragraaf is de 2e suppletoire begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de Rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten, informatievoorziening alsmede diensten gericht op de verbetering van de verbinding tussen beleid en uitvoering. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

Tabel 28 Exploitatieoverzicht baten-lastenagentschap DUO (Tweede suppletoire begroting) (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)Mutaties2e suppletoirebegroting

(4)=(1)+(2)+(3) Totaalgeraamd

Baten

    

Omzet moederdepartement

269.766

40.348

25.561

335.675

Omzet overige departementen

78.724

0

‒ 4.393

74.331

Omzet derden

4.930

0

881

5.811

Rentebaten

0

0

 

0

Vrijval voorzieningen

 

0

0

 

0

Bijzondere baten

0

0

 

0

Totaal baten

353.420

40.348

22.049

415.817

     

Lasten

    

Apparaatskosten

324.495

40.348

21.933

386.776

Personele kosten

229.208

23.687

19.459

272.354

 

Waarvan eigen personeel

191.720

9.036

387

201.143

 

Waarvan externe inhuur

30.386

14.413

15.961

60.760

 

Waarvan overige personele kosten

7.102

238

3.111

10.451

Materiële kosten

95.287

16.661

2.474

114.422

 

Waarvan apparaat ICT

26.335

885

8.786

36.006

 

Waarvan bijdrage aan SSO’s

24.350

818

‒ 2.979

22.189

 

Waarvan overige materiële kosten

44.602

14.958

‒ 3.333

56.227

Rentelasten

 

100

0

‒ 16

84

Afschrijvingskosten

27.225

0

82

27.307

Materieel

13.000

0

‒ 1.531

11.469

 

- waarvan apparaat ICT

12.500

0

‒ 1.531

10.969

 

- waarvan overige materiële afschrijvingskosten

500

0

0

500

Immaterieel

14.225

0

1.613

15.838

Overige lasten

1.500

0

0

1.500

Dotaties voorzieningen

1.500

0

0

1.500

Bijzondere lasten

0

0

0

0

Totaal lasten

353.320

40.348

21.999

415.667

      

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

0

50

150

Agentschapdeel Vpb lasten

100

0

0

100

Saldo van baten en lasten

0

0

50

50

Toelichting

Zowel de baten als de lasten van de 2e suppletoire begroting laten een stijging zien van € 22,0 miljoen ten opzichte van de 1e suppletoire begroting. Per saldo wordt een resultaat van nihil verwacht.

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement is € 25,6 miljoen hoger dan de 1e suppletoire begroting. Dit wordt verklaard door de dienstverlening vanuit de Shared Service Organisatie Noord (€ 5,2 miljoen) en de uitvoering van extra werkzaamheden voor de werkplekdienstverlening ten behoeve van het departement verricht voor het moederdepartement en onder haar vallende diensten (€ 2,3 miljoen). Daarnaast betreft het bijstellingen in de (basis)dienstverlening welke per saldo € 2,8 miljoen belopen, zoals de uitvoering van diverse zogenaamde overige taken (zoals digitalisering examens FACET, telefonische bereikbaarheid, uitvoering eindtoets primair onderwijs en de uitvoering van de regeling kwijtschelden schulden gedupeerden kinderopvangtoeslag). Daarnaast is per saldo € 12,8 miljoen extra besteed aan (beleids-)opdrachten en is € 2,5 miljoen besteed in het kader van Werken aan Uitvoering. De genoemde extra omzet van € 25,6 miljoen wordt voor € 7,4 miljoen gedekt vanuit Artikel 95 (Apparaat kerndepartement). Daarnaast is € 12,4 miljoen gedekt vanuit middelen die DUO in eerdere jaren reeds heeft ontvangen maar die niet volledig zijn aangewend in het betreffende jaar (balansposten) en de overige € 5,8 miljoen vanuit middelen die reeds beschikbaar waren op de OCW begroting.

Omzet overige departementen en derden

De omzet overige departementen en derden daalt met € 3,5 miljoen ten opzichte van de 1e suppletoire begroting. Het betreft met name een afname van de omzet ten behoeve van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de Inburgeringstaak (€ 3,5 miljoen) en het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (€ 0,8 miljoen). Tevens is de omzet vanuit detachering van personeel aan andere overheidsinstellingen afgenomen (€ 0,1 miljoen). Hier staat tegenover een toename van dat de omzet Derden met betrekking tot de examenbijdrage van kandidaten voor de staatsexamens (€ 0,9 miljoen).

Lasten

Apparaatskosten

De kosten van de 2e suppletoire begroting laten eveneens een stijging zien van € 22,0 miljoen ten opzichte van de 1e suppletoire begroting 2022. De personele begroting laat een stijging zien van € 19,5 miljoen. Deze stijging wordt deels veroorzaakt door de algemene loonstijging als gevolg van de nieuw afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst. Daarnaast is er sprake van een toename van personele kosten als gevolg van personele inzet op verbetering telefonische bereikbaarheid, uitvoering van het digitaal afnemen van toetsen en examens en de intensivering handhaving studiefinanciering en additionele inzet op (beleids-)opdrachten. De verschuiving tussen eigen personeel en externe inhuur hangt samen met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. De invulling van vacatures blijft achter waardoor de post externe inhuur sneller toeneemt dan intern personeel. De materiële begroting laat een stijging zien van € 2,4 miljoen, samenhangend met de bovengenoemde uitbreiding van de dienstverlening voor zowel het moederdepartement als voor andere ministeries. De afschrijvingen laten een stijging zien van € 0,1 miljoen samenhangend met de oplopende reeks afschrijvingslasten immaterieel vast actief vanuit de vernieuwing van het ICT-landschap. De rentelasten laten een lichte daling zien ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

Kasstroomoverzicht

Tabel 29 Kasstroomoverzicht (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1)Vastgestelde begroting

(2)Mutaties1e suppletoirebegroting

(3)Mutaties2e suppletoirebegroting

(4)=(1)+(2)+(3) Totaalgeraamd

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2021

14.794

  

14.794

 

Totaal ontvangen operationele kasstroom (+)

353.420

40.348

9.649

403.417

 

Totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 324.495

‒ 40.348

‒ 21.933

‒ 386.776

2.

Totaal operationele kasstroom

28.925

0

‒ 12.284

16.641

3a

Totaal investeringen (-/-)

‒ 50.800

‒ 20.900

8.000

‒ 63.700

3b

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

   

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 50.800

‒ 20.900

8.000

‒ 63.700

4a

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

   

0

4b

Eenmalig storting van moederdepartement (+)

   

0

4c

Aflossingen op leningen (-/-)

‒ 14.200

‒ 2.592

0

‒ 16.792

4d

Beroep op leenfaciliteit (+)

38.800

20.900

‒ 8.000

51.700

4.

Totaal financieringskasstroom

24.600

18.308

‒ 8.000

34.908

5.

Rekening courant RHB 31 december 2021 (=1+2+3+4)

17.519

‒ 2.592

‒ 12.284

2.643

Toelichting

Het kasstroomoverzicht is aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke begroting op basis van de nu voorziene additionele omzet en kosten, rekening houdend met via de balans gereserveerde middelen voor in 2022 doorlopende projecten. Uit het kasstroomoverzicht valt ook af te lezen dat van de investeringen in (im)materiële vaste circa activa € 8,0 miljoen doorschuift naar 2023. Het beroep op de leenfaciliteit is hierop aangepast.

B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN

1. Leeswijzer

De departementale begroting 2022 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • beleidsagenda;

  • beleidsartikelen;

  • niet-beleidsartikelen;

  • agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;

  • verdiepingshoofdstuk;

  • bijlagen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2021 zijn, conform de Rijksbegrotingsvoorschriften, de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • in de derde voortgangsrapportage van Inzicht in Kwaliteit is aangegeven dat de eerste kwaliteitsslag van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) in de ontwerpbegroting 2022 gemaakt wordt. Dit komt tot uiting in de beleidsagenda en de evaluatiebijlage. De begrotingen van 2022 en 2023 zullen nog als overgangsperiode naar de SEA gelden;

  • ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstukken II 2011/12, 33000 IV, nr. 28,) brengen departementen reeds langer in kaart welke uitgaven zij doen ten behoeve van Caribisch Nederland, uitgesplitst per beleidsartikel en per instrument. Naar aanleiding van de voorlichting van de Afdeling Advisering van de Raad van State (RvS) en het Interdepartementale Beleidsonderzoek Koninkrijksrelaties (IBO) heeft het kabinet besloten het overzicht Rijksuitgaven (ten behoeve van) Caribisch Nederland uit te breiden (Kamerstukken II 2019/20, 35300 IV, nr. 11). Deze uitgaven zijn opgenomen in bijlage 6.

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft in 2021 vanwege de pandemie geen landenspecifieke aanbevelingen gedaan voor de landen die een plan voor herstel en veerkracht hebben ingediend.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Ministers en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting wordt verwezen naar de website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Figuur 3 geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Figuur 3

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van OCW. Op de website van OCW in cijfers worden onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten gevolgd, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het primair en voortgezet onderwijs. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Daarnaast geeft deze website met de infographic Onderwijsmonitor inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

Samen met de cultuursector verzamelt de Boekmanstichting via de Cultuurmonitor data en analyses over cultuur in Nederland, rapporteert ze over langlopende trends en agendeert ze op actuele ontwikkelingen. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE) maakt de Erfgoedmonitor. Relevant voor het mediabeleid is onder meer de Mediamonitor van het Commissariaat voor de Media.

De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichtshouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs (Kamerstukken II 2020/21, 35570VIII, nr. 175) wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.

Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).

Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB’s worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.

De derde woensdag in mei is Verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van het Ministerie van OCW, en de laatste stand van zaken van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen het Ministerie van OCW wil zetten. Ieder thema dat ingaat op een prioriteit bevat een tabel met indicatoren en streefwaarden. Daarnaast bevat de beleidsagenda een overzicht van de coronamaatregelen. Vervolgens wordt een overzichtstabel getoond waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een tabel met niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming, een tabel met de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) en een overzicht van de risicoregelingen.

Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • algemene doelstelling met een toelichting daarop, met bijbehorende prestatie-indicatoren;

  • rol en verantwoordelijkheid van de Minister;

  • tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten;

  • beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleidsdoorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond;

  • tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budgetflexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven;

  • toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;

  • op artikel 95 (Apparaat kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en de ZBO’s opgenomen.

Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief.

Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2021 en de ontwerpbegroting 2022. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald op basis van onderstaande staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (nota's van wijziging, incidentele suppletoire begrotingen, leerlingen en studentenramingen en studiefinanciering, loonbijstelling, prijsbijstelling en intensiveringen uit het Regeerakkoord).

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • overzicht RWT’s en ZBO’s;

  • verdiepingshoofdstuk;

  • overzicht moties en toezeggingen;

  • subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het Ministerie;

  • uitwerking strategische evaluatie;

  • rijksuitgaven Caribisch Nederland.

2. Beleidsagenda

2.1 Beleidsprioriteiten

Inleiding

Ondanks ieders grote inzet zullen de effecten van de coronacrisis in al onze sectoren ook het komende jaar nog voelbaar zijn. De crisis had en heeft grote gevolgen voor zowel het welzijn als de ontwikkeling van leerlingen en studenten. Ook van docenten, onderwijspersoneel, onderzoekers en de creatieve beroepen is veel gevraagd. We willen iedereen nogmaals danken voor die inzet. In deze beleidsagenda gaan we eerst per sector in op de verschillende herstelplannen. Met het Nationaal Programma Onderwijs hebben we in totaal € 8,5 miljard beschikbaar gesteld om te voorkomen dat leerlingen en studenten blijvende hinder ondervinden. In overleg met de Raad voor Cultuur verkennen we voorstellen voor een herstelplan voor de culturele en creatieve sectoren. Voor alle plannen is 2022 een belangrijk uitvoeringsjaar. Daarna bespreken we kort een aantal belangrijke beleidsontwikkelingen op de begroting van 2022. De indicatoren van deze kabinetsperiode hebben we gebundeld tot één overzicht (vanaf pagina 14).

1. Twee jaar met het coronavirus

1.1. Herstel primair en voortgezet onderwijs

Afgelopen voorjaar is het primair en voortgezet onderwijs na de tweede lockdown weer stapsgewijs geopend. De verwachting is dat scholieren in het schooljaar 2021-2022 hun lessen weer volledig in de klas zullen volgen. Toch zal de komende periode in het teken staan van het inhalen van opgelopen cognitieve of sociaal-emotionele achterstanden. We willen voorkomen dat bestaande verschillen verdiepen en dat achterstanden verder toenemen. De maatregelen en middelen van het Nationaal Programma Onderwijs stellen scholen hiertoe in staat. Komend jaar wordt een belangrijk uitvoeringsjaar. In de eerste plaats ondersteunt het programma scholen bij de uitvoering van hun in de zomer van 2021 vastgestelde schoolprogramma’s. Deze schoolprogramma’s zijn samengesteld naar de problemen en behoeften van de betreffende school en bestaan uit bewezen aannemelijke of effectieve interventies uit de beschikbaar gestelde menukaart. Gemeenten hebben in aanvulling op de schoolprogramma’s eigen maatregelen genomen, die ze in 2022 voortzetten. In datzelfde jaar evalueren scholen de door hen gekozen interventies en stellen zij hun schoolprogramma’s bij op basis van de ontwikkeling van hun leerlingen. In de jaarverslagen verantwoorden scholen zich over het inlopen van de leerachterstanden en over de besteding van de middelen. Zichthouden op de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van kinderen, op hun schoolloopbaan en op het succes en de uitvoering van de gekozen interventies helpt ons bovendien om gericht beleid te formuleren.

Uit het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs blijkt dat leerlingen op het gebied van taal en rekenen in de eerste lockdown in het voorjaar van 2020 vertraging hebben opgelopen. In het Nationaal Programma Onderwijs zullen basisvaardigheden in 2022 daarom hoog op de agenda staan. Ook daarbuiten zullen we streven naar versterking van de basisvaardigheden, bijvoorbeeld door het verbeteren van de lesmethoden. Ook zetten we in 2022 het Leesoffensief voort, zodat scholen samen met bibliotheken en overheden de leesvaardigheid en het leesplezier bij kinderen kunnen bevorderen. De Inspectie van het Onderwijs wil de komende jaren veel aandacht besteden aan basisvaardigheden en zal in 2022 peilingonderzoeken houden in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Deze onderzoeken vinden in het primair onderwijs al plaats om een beter zicht op het stelsel te krijgen. Ten slotte komt in 2022 een evaluatie van het referentiekader taal en rekenen gereed, waarmee de kerndoelen en eindtermen voor deze vakken kunnen worden bijgesteld.

Voor alle onderwijsvormen geldt dat de coronacrisis een enorme impuls aan digitalisering van de lessen heeft gegeven. Dit biedt kansen voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. Zo kunnen leraren dankzij digitalisering meer variatie aanbrengen in het lesmateriaal. Tegelijkertijd dringen zich nieuwe vraagstukken aan ons op, bijvoorbeeld aangaande keuzevrijheid, marktwerking en privacy. In het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs werken we daarom met schoolbesturen en private partijen (uitgevers, distributeurs en softwareleveranciers) aan een afsprakenstelsel dat voor deze vragen randvoorwaarden formuleert voor het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. In 2022 moet een eerste versie van het afsprakenstelsel klaar zijn.

Voor het Nationaal Groeifonds werken onderwijs, bedrijfsleven, onderzoeksinstellingen en overheid samen aan een voorstel. Met gerichte investeringen in digitale leer- en hulpmiddelen en ICT willen we het onderwijs verbeteren en daarmee het verdienvermogen van Nederland structureel vergroten. Vanuit het Nationaal Groeifonds is € 80,0 miljoen voorwaardelijk toegekend voor het Nationaal Onderwijslab in het funderend onderwijs. Onder regie van dit onderwijslab ontwikkelen kennisinstellingen, onderwijsveld, uitgeverijen en ICT-experts gezamenlijk voornemens tot innovatieve toepassingen. Hierbij wordt een brug geslagen tussen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en de concrete productontwikkeling. Samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat werken we aan een aanvullend plan om invulling te geven aan de voorwaarden van het Nationaal Groeifonds. In 2022 is de beoogde implementatie van het Nationaal Onderwijslab voorzien.

1.2. Herstel middelbaar beroepsonderwijs

We zien de samenleving weer opengaan en er komen weer meer stageplekken en leerwerkbanen. Na anderhalf jaar van voornamelijk digitaal onderwijs is het ontzettend fijn dat studenten en docenten in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs vanaf 30 augustus eindelijk weer meer samen kunnen komen voor fysiek onderwijs, al is het nog met mitigerende maatregelen. Zelftesten zijn beschikbaar gesteld aan studenten en personeel. In het middelbaar beroepsonderwijs heeft de coronacrisis geleid tot studievertraging door de beperkte mogelijkheden voor onderwijs op locatie, uitval van stages, praktijkopdrachten en examens. Daarnaast is het mentale welzijn van studenten onder druk komen te staan. Ook is het risico op stagediscriminatie en toename van kansenongelijkheid groter. Vanuit het Nationaal Programma Onderwijs ontvangen de instellingen € 170 miljoen om studenten te begeleiden bij het inlopen van de opgelopen studievertraging en bij hun persoonlijke ontwikkeling. We verlengen de aanpak jeugdwerkloosheid, zodat scholen en gemeenten kwetsbare schoolverlaters kunnen begeleiden naar vervolgonderwijs of werk. Om het ontstane tekort aan stages en leerwerkplekken tegen te gaan, wordt het budget voor de subsidieregeling praktijkleren verhoogd en het actieplan stages en leerbanen met één jaar verlengd. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) besteedt in dit actieplan extra aandacht aan jongeren in een kwetsbare positie zoals studenten met een niet-westerse achtergrond die relatief vaker te maken krijgen met stagediscriminatie. Verder voorziet het programma in een aantal tegemoetkomingen om studenten meer financiële ademruimte te geven. We halveren in het studiejaar 2021-2022 het wettelijk tarief voor les- of cursusgeld. Daarnaast krijgen studenten die hun recht dreigen te verliezen op hun basisbeurs en aanvullende beurs een tegemoetkoming. Voor het middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland sluiten we zoveel mogelijk aan bij de maatregelen in Europees Nederland. Waar nodig passen we de aanpak aan lokale omstandigheden aan.

1.3. Herstel hoger onderwijs

Ook de instellingen in het hoger onderwijs ontvangen middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs om studievertraging en achterstand tegen te gaan. Met circa € 1,0 miljard helpen we hogescholen en universiteiten met het beperken van achterstanden, het bevorderen van het studentenwelzijn en het bestrijden van stagetekorten. Ook zijn er specifiek middelen voor geneeskunde- en lerarenopleidingen waar door de coronamaatregelen studievertraging in het praktijk- en werkplekleren en op stages is ontstaan. Instellingen stemmen de besteding van deze middelen af met de medezeggenschap. Net als in het middelbaar beroepsonderwijs hebben we ingezet op een aantal financiële tegemoetkomingen voor studenten. Zo halveren we in het studiejaar 2021-2022 het wettelijk collegegeld in het hoger onderwijs en we hebben hogescholen en universiteiten gevraagd om ook hun instellingstarieven te verlagen. Instellingen worden voor beide financieel gecompenseerd. Studenten die het recht op hun basis- of aanvullende beurs in studiejaar 2021-2022 of 2022-2023 verliezen, worden apart gecompenseerd. Voor de studenten is bovendien (onder voorwaarden) het reisrecht verruimd.

1.4. Herstel wetenschappelijk onderzoek

Ook de Nederlandse kennissector is door de coronacrisis aangetast. Zowel op universiteiten en hogescholen als bij instituten van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heeft veel onderzoek vertraging opgelopen. Kostbare materialen dreigen zo verloren te gaan, onderzoekslijnen en gegevensverzamelingen worden onderbroken en onderzoeksresultaten raken verloren, ook voor het voeden van het onderwijs. Een belangrijk voorbeeld betreft de universitair medische centra, waar de toegenomen patiëntenzorg natuurlijk alle prioriteit heeft gekregen. Daarnaast komen persoonlijke loopbanen in de knel. Dit laatste raakt met name onderzoekers met een tijdelijke aanstelling. Het Nationaal Programma Onderwijs steunt deze groep daarom in 2022 met nogmaals € 81 miljoen. Daarmee kunnen zij hun onderzoek afronden en kunnen de onderzoeksresultaten worden benut voor wetenschap en onderwijs.

1.5. Herstel cultuursector

De culturele sector is zwaar getroffen door de coronacrisis. Dit vraagt onze aandacht. In overleg met de Raad voor Cultuur en in lijn met de motie Wuite c.s. verkennen we voorstellen voor een herstelplan voor de culturele en creatieve sectoren. We gunnen deze sectoren de tijd, het vertrouwen en de experimenteerruimte waar de raad om vraagt. Ons doel is om de sector weer in de hele breedte te laten draaien, te laten bijdragen aan het maatschappelijk herstel van Nederland en minder kwetsbaar te laten zijn in de toekomst.

2. Aanpak van het lerarentekort

Afgelopen kabinetsperiode hebben we diverse maatregelen genomen om het lerarentekort tegen te gaan. Hoewel er in het primair en voortgezet onderwijs positieve resultaten zijn geboekt, vraagt het lerarentekort ook in de toekomst onze aandacht. Zo blijft in de grote steden voorlopig sprake van een tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs en kampt het voortgezet onderwijs in het hele land met een tekort aan leraren voor de exacte vakken en het vreemdetalenonderwijs. Nog dit jaar wordt een concrete werkagenda opgesteld op basis van de aanbevelingen van Merel van Vroonhoven en de uitwerking daarvan door de sectororganisaties. Met deze agenda zorgen we voor verbetering en flexibilisering van de lerarenopleiding en voor regionale samenwerking om het aantal zijinstromers te verhogen en te werken aan personeelsbehoud.

3. Strategische agenda hoger onderwijs

De Strategische agenda hoger onderwijs heeft laten zien dat het Nederlandse onderwijs en onderzoek kwalitatief hoogstaand en breed toegankelijk is. Tegelijk bleek dat het stelsel onder druk staat, dat de werkdruk hoog is en dat studentenwelzijn meer aandacht vraagt. De investeringen vanuit de kwaliteitsafspraken lopen in 2022 verder op tot € 495 miljoen. Het volgende kabinet zal een besluit nemen over het vervolg na 2024. We zijn voornemens loting weer in te voeren als één van de instrumenten van decentrale selectie. Zo borgen en verbeteren we de toegankelijkheid van opleidingen met een numerus fixus. Daarnaast stellen we in 2022 € 1,5 miljoen beschikbaar voor wisselstroomtrajecten die het studenten mogelijk maken om soepel tussen universiteit en hogeschool te kunnen wisselen. Verder hebben we stappen aangekondigd om voor flexibilisering ruimte te creëren in wet- en regelgeving.

4. Wetenschap van wereldformaat

In 2022 gaan wij verder met het implementeren van de in het kader van kennisveiligheid in 2020 gepresenteerde maatregelen om risico’s binnen onze kennis- en innovatiesystemen te ondervangen. We blijven inzetten op het verhogen van het risicobewustzijn bij instellingen. Ook is 2022 het eerste volledige uitvoeringsjaar van Horizon Europe, het Europese programma voor onderzoek en innovatie. Daarbinnen maken we ons hard voor de belangen van de Nederlandse wetenschap. Dat doen we bijvoorbeeld door aan te dringen op de vernieuwing van de Europese Onderzoeksruimte met ambitieuze en realistische doelen en door het behouden van excellentie en impact als leidende principes binnen het Horizon Europe-programma. Deelname van Nederlandse onderzoekers aan Horizon Europe is van groot belang om internationaal mee te blijven doen met de top van de wetenschap en samen te werken op Europees niveau.

5. Modernisering Archiefwet

We werken aan een wetsvoorstel dat de Archiefwet van 1995 moet moderniseren. De Archiefwet regelt dat overheidsorganisaties hun informatie zorgvuldig beheren, maar is verouderd. Door de wet beter aan te laten sluiten op de vereisten van het digitale tijdperk, borgen we de mogelijkheden om publieke verantwoording af te leggen en stellen we onderzoekers en toekomstige historici in staat hun werk te doen. Ook is goede informatiehuishouding onontbeerlijk voor het uitvoeren van onze eigen taken. Om dezelfde redenen werken we aan het moderniseren van lagere regelgeving, zoals het Archiefbesluit en de Archiefregeling.

6. Nieuwe concessieperiode landelijke publieke omroep

Voor de zomer hebben wij onze beleidsreactie gegeven op het concessiebeleidsplan van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) voor de periode van 2022 tot en met 2026. Samen met de NPO stellen wij op basis van het concessiebeleidsplan voor deze periode een prestatieovereenkomst voor de landelijke publieke omroep op. Daarbij zullen we in elk geval afspraken maken over de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, over de publieksbetrokkenheid en over het publieksbereik. Ook besluiten we welke huidige en nieuwe omroepen we voor de duur van de komende concessieperiode erkennen als onderdeel van het landelijke publieke medialandschap.

7. Vrouwen aan de top

Een belangrijk doel van het emancipatiebeleid is het verbeteren van de gelijkwaardige deelname van vrouwen aan arbeid en van de doorstroom van vrouwen naar topfuncties. Daarvoor ligt ter behandeling bij de Eerste Kamer het wetsvoorstel Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen. Dit wetsvoorstel omvat een quotumbepaling van ten minste een derde man/vrouw voor raden van commissarissen van beursgenoteerde vennootschappen. Daarnaast dienen vennootschappen zelf passende en ambitieuze streefcijfers vast te stellen en deze daadwerkelijk te realiseren en hier transparant over te zijn. Eigenaarschap en transparantie zijn de sleutelwoorden in het wetsvoorstel. Dit volgt hiermee het advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) over het bereiken van meer versnelling in de doorstroom van vrouwen naar de top. De SER ondersteunt vennootschappen door middel van een daartoe ontwikkelde infrastructuur. Na vijf jaar wordt de wetswijziging geëvalueerd.

8. Regenboogstembusakkoord

Het Regenboogstembusakkoord maakt inzichtelijk waar de grootste uitdagingen liggen op lhbti-beleid. Afgelopen kabinetsperiode hebben we alle punten van het akkoord uit 2017 uitgevoerd of bijna uitgevoerd. Op 13 maart 2021 ondertekenden acht politieke partijen het nieuwe Regenboogstembusakkoord van het COC. Andere partijen gaven aan dat ze het akkoord onderschrijven. De punten gaan onder andere in op het tegengaan van discriminerend geweld tegen lhbti-personen en het invoeren van een transitieverlof dat vergelijkbaar is met het zwangerschapsverlof.

9. Verbetering dienstverlening van de overheid

Om het vertrouwen van de burger in de overheid te bevorderen, heeft het kabinet onder andere in zijn reactie op het verslag van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag diverse verbeteracties aangekondigd. Daarbij zijn ook financiële middelen beschikbaar gesteld. We hebben het programma OCW Open ingericht om met ambtenaren in huis en mensen die te maken hebben met ons Ministerie toe te werken naar meer vertrouwen en een overheid die rechtvaardig en open is. Dit vraagt verbetering van de uitvoering, transparantie over de totstandkoming van beleid en regelgeving, én reflectie op de gevolgen van beleid en regelgeving voor de burger en instellingen. We verwachten nog dit jaar de Tweede Kamer te kunnen informeren welke verbeteracties nog meer van toepassing zijn en wat de consequenties daarvan zijn.

De opdracht Werk aan Uitvoering richt zich op de grote vraagstukken en geeft prioriteit aan overheidsbrede dienstverlening en maatwerk, digitalisering, doenlijke en uitvoerbare wet- en regelgeving en samenwerking en besturing tussen en binnen overheidsorganisaties. In de kabinetsreactie hierop is op hoofdlijnen de aanpak beschreven om de dienstverlening van de overheid duurzaam te verbeteren.

Tabel 1 Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van de gemeenten die goab-middelen ontvangen, dat 960 uur voorschoolse educatie aanbiedt aan doelgroeppeuters tussen de 2,5 en 4 jaar1

    

2021

PO

42%

  

100%

Percentage kindercentra met een aanbod van voorschoolse educatie, dat per doelgroeppeuter 10 uur pedagogisch beleidsmedewerker per jaar inzet.2

    

2022

PO

   

n.v.t.

Sociale inclusie van laaggeletterden3

     

MBO

    

Kwalificatiewinst4

 

2012-2013

2018-2019

2019-2020

2020

MBO

82,7%

87,9%

88,4%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes eerstejaars mbo5

 

2012-2013

2018-2019

2019-2020

2020

MBO

82,9%

83,6%

85,1%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes doorstromers in eerste jaar hbo6

 

2012-2013

2017-2018

2018-2019

2020

MBO

78%

79%

85%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aantal nieuwe vsv’ers7

 

2008-2009

2018-2019

2019-2020

2024

VO & MBO

41.800

26.894

22.785

20.000

1

; Meting 1: voortgang, vormgeving en effecten van de invoering van 960 uur voorschoolse educatie, Sardes en Oberon, februari 2020. De uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie is per 1 augustus 2020 in werking getreden. De implementatie wordt vanaf najaar 2019 jaarlijks gemonitord. De rapportage van de 2e meting van het implementatieonderzoek is in september 2021.

2

De extra inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker in de voorschoolse educatie treedt per 1 januari 2022 in werking, daarom is er nog geen streefcijfer.

3

Vanaf 2020 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het meten van het effect van opleidingen basisvaardigheden (de outcome). Gemeenten kiezen hierbij welke indicatoren zij verzamelen. Hierdoor zijn er geen landelijke, uniforme cijfers beschikbaar voor het effect op sociale inclusie. Bijna alle 35 contactgemeenten (Wet educatie beroepsonderwijs) hebben een regionaal programma laaggeletterdheid ingediend, waarin zij aangeven hoe zij het effect van hun lokale en regionale aanpak van laaggeletterdheid op doorlopende basis meten. Het onderzoekbureau ECBO doet een meerjarig onderzoek naar de inhoud en voortgang van deze regionale programma’s laaggeletterdheid. Daarnaast is het Centraal Bureau voor de Statistiek gevraagd om een proef uit te voeren met een aantal gemeenten om het bereik en de deelname aan opleidingen basisvaardigheden inzichtelijk te maken, waarbij achtergrondkenmerken zoals de leeftijd en het geslacht van de deelnemer en de aard van de gevolgde cursus in beeld worden gebracht (de output). In lijn met de motie van de leden Tielen en Kwint (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 28760, nr. 104) is met gemeenten afgesproken om voorlopig slechts een beperkt aantal gegevens landelijk te monitoren.

4

5

Licht gewijzigde definitie met ingang van 2016/17 (zonder entree-opleidingen).

6

Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig. Het cohortjaar is het jaar van het diploma in het mbo. Aan mbo-studenten die voorwaardelijk zijn toegelaten tot het hbo terwijl zij nog een klein gedeelte van hun mbo-opleiding moesten afronden, is uitstel gegeven. Ook is het bindend studie-advies een jaar opgeschort door hogescholen. Aan mbo-studenten die voorwaardelijk zijn toegelaten tot het hbo terwijl zij nog een klein gedeelte van hun mbo-opleiding moesten afronden, is uitstel gegeven. Ook is het bindend studie-advies een jaar opgeschort door hogescholen.

7

Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv'ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of mbo. Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

Tabel 2 Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage van besturen dat aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

  

2018

2019

2020

PO

 

99,22%

99,27%

n.v.t.

Percentage van besturen dat aangeeft dat de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdrukmiddelen1

  

2018

2019

2020

PO

 

98,41%

98,34%

n.v.t.

1

Bron: XBRL Onderwijsportaal, DUO. Er is geen basiswaarde omdat het om nieuw beleid gaat en de procesindicatoren nieuwe eisen betroffen waaraan schoolbesturen eerder niet hoefden te voldoen. Daarnaast is er in het werkdrukakkoord overeengekomen dat er voor deze procesindicatoren het principe van comply or explain geldt en is er geen streefwaarde afgesproken. Voor de percentages in 2019 geldt dat 964 schoolbesturen zijn meegenomen in het totaal.

Tabel 3 Opleiden voor de samenleving van de toekomst

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage leidinggevenden dat (zeer) tevreden is over de kwaliteit van het techniekonderwijs1

 

2017

2017

2020

2024

VO

54%

54%

68%

65%

Percentage vmbo-leerlingen waarbij binnen een straal van 10 km rondom woonadres een techniekvestiging is2

 

2017

2018

2020

2024

VO

95%

94%

94%

90-100%

Aandeel afgestudeerden bètatechniek3

 

2012

2019

2020

2021

HBO

18%

22%

21%

Hoger t.o.v. basiswaarde

WO

21%

28%

28%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aandeel mbo-studenten techniek3

 

2011

2019-2020

2020-2021

2021

MBO

28%

27%

26%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Arbeidsmarktrendement, per opleidingsniveau4

 

Cohort 2012-2013

Cohort 2015-2016

Cohort 2016-2017

2020

MBO

    

Entree

66%

59%

61%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 2

77%

80%

84%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 3

85%

90%

92%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Niv. 4

83%

88%

90%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Percentage gediplomeerden dat aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was5

 

2012-2013

2016-2017

2017-2018

2020

MBO

76%

78%

77%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Percentage leerbedrijven dat over vakkennis oordeel (zeer) goed geeft6

 

2016

2018

2020

2020

MBO

77%

77%

71%

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft7

 

2016

2018

2020

2020

MBO

76%

80%

74%

Vasthouden

Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteit (LLL)8

 

2010

2019

2020

2020

MBO

17,1%

19,5%

18,8%

20%

Percentage hbo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is9

 

Cohort2010-2011

Cohort2015-2016

Cohort2016-2017

2020

HBO

88%

90%

91%

Vasthouden

Percentage wo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is10

WO

88%

90%

92%

Vasthouden

Percentage werkende hbo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding11

 

2010

2019

2020

2021

HBO

79%

80%

79%

Vasthouden

Percentage werkende wo-afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding12

 

2010

2017

2019

2021

WO

n.b.

72%

71%

Vasthouden

1

Bron: Enquête leidinggevenden technisch vmbo, SEO Economisch Onderzoek 2021, gepubliceerd in Sterk Techniek Onderwijs - Eerste fase STO: Monitorgegevens en voortgang in het eerste jaar – ResearchNed Nijmegen 2021. De nulmeting komt uit de enquête 'Vernieuwing vmbo onder leidinggevenden' uitgevoerd door de SEO Economisch Onderzoek (2018).

2

Bron: Onderwijsdata DUO (eigen bewerking ROA), gepubliceerd in Sterk Techniek Onderwijs - Eerste fase STO: Monitorgegevens en voortgang in het eerste jaar – ResearchNed Nijmegen 2021. De nulmeting komt uit het onderzoek in het kader van de Monitor Sterk Techniekonderwijs; de nulmeting.

3

4

Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplomering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober). De cijfers van 2016-2017 zijn definitief.

5

6

De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar. De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

7

De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

8

9

Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde hbo-bachelors ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

10

. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde wo-masters ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

11

.

12

De enquête onder wo-afgestudeerden (Nationale Alumni Enquête) wordt tweejaarlijks gehouden. In 2020 is daardoor geen onderzoek gedaan, data van de NAE voor 2021 wordt in het tweede kwartaal van 2022 bekend.

Tabel 4 Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage open-access gepubliceerde artikelen1

 

2016

2018

2019

2021

OWB

42%

54%

62%

100%

1

De VSNU zal naar verwachting de cijfers over 2020 in de tweede helft van 2021 publiceren.

Tabel 5 Cultuur

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Percentage scholen dat deelneemt aan het programma CMK1

 

2017

2019

2020

2024

Cultuur

42%

59,8%

2

60%

Percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat3

 

2013

2019

2020

2022

Cultuur

87%

83,6%4

84,4%5

84,6%6

1

het percentage geeft de deelnemende scholen in het primair onderwijs weer.

2

Veel projecten hebben door corona vertraging opgelopen en daarom heeft het Fonds voor Cultuurparticipatie, de uitvoerder van het programma, besloten de looptijd van de projecten te verlengen tot 1 juli 2021. Het merendeel van de penvoerders maakt gebruik van deze mogelijkheid. De verantwoordingen over het jaar 2020 tot en met 1 juli 2021 worden uiterlijk 1 oktober 2021 ingediend.

3

4

Toelichting bij realisatie 2019 t.o.v. 2018: Ook in 2019 is de meetmethode verder verbeterd. Als gevolg daarvan lijkt het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2019 lager dan in 2018. Dit komt door een toename van het aantal objecten dat in beeld is. Monumenten bestaan veelal uit meerdere objecten (zoals gebouwen, toegangspoorten, ornamenten en tuinonderdelen) en de onderhoudsstaat van steeds meer objecten wordt in beeld gebracht. Onder de nieuw toegevoegde objecten bevinden zich relatief veel objecten die minder goed toegankelijk zijn en daarom voorheen niet beoordeeld zijn. Deze bevinden zich ook vaker in een relatief minder goede staat van onderhoud. Hierdoor komt het realisatie van het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat op 83,6%. Wanneer de groep monumenten uit 2017 en 2018 vergeleken wordt met de uitkomsten van 2019 dan verkeren 84,3% van de monumenten in redelijk tot goede staat.

5

Het percentage monumenten dat in goede staat verkeert laat een stijgende lijn zien. In 2019 bevond 83,6% van de monumenten zich in een redelijk tot goede staat, in 2020 was dat 84,4%. Dit percentage ligt wel lager dan de basiswaarde van 87% die in 2017 is vastgesteld, maar dat komt doordat de meetmethode in de tussentijd verder is verbeterd. Dit komt door een toename van het aantal objecten dat in beeld is. Monumenten bestaan veelal uit meerdere objecten (zoals gebouwen, toegangspoorten, ornamenten en tuinonderdelen) en de onderhoudsstaat van steeds meer objecten wordt in beeld gebracht. Onder de nieuw toegevoegde objecten bevinden zich relatief veel objecten die minder goed toegankelijk zijn en daarom voorheen niet beoordeeld zijn. Deze bevinden zich ook vaker in een relatief minder goede staat van onderhoud. Gelukkig zien we -ook met de nieuwe meetmethode- een stijgende lijn in het aantal monumenten dat in goede staat verkeert.

6

Via de beleidsbrief Erfgoed telt is extra geïnvesteerd in de restauratie van monumenten. Dit draagt bij aan de staat van de monumenten in Nederland. Het komende jaar wordt via de reguliere middelen geïnvesteerd in het in stand houden van deze staat. Daarom zal ook in 2022 de streefwaarde 84,6% zijn, zoals deze ook in 2021 was.

Tabel 6 Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Alle afspraken uit prestatieovereenkomst worden door NPO nagekomen1

 

2017

2019

2020

2020

Media

33/342

31/343

30/344

34/34

1

Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media.

2

De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd.

3

Een afspraak is niet gerealiseerd, twee van de niet-behaalde afspraken zijn ten dele gerealiseerd.

4

Een van de vier afspraken is net niet gehaald, de andere drie hebben te maken met onvoldoende budget/mogelijkheden door de coronacrisis.

Tabel 7 Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streefwaarde

Acceptatie LHBTI1

 

2010

2016

2018

2022

Emancipatie

90%

93%

94%

≥ 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen in hoge functies2

 

2017

2018

2019

20303

Emancipatie

RvB: 11,0%

12,4%

12,4%

≥ 33%

RvC: 15,4%

18,4%

20,4%

≥ 33%

1

Deze monitor verschijnt tweejaarlijks. De monitor over 2020 verschijnt waarschijnlijk najaar 2021.

2

Het RvB + RvC cijfer 2017 is gecorrigeerd, omdat het definitieve cijfer afwijkt van het eerder gepubliceerde voorlopige midterm cijfer. Het RvC is voor de non-profitsector een gepastere term. De monitor verschijnt om de twee jaar.

3

Dit streefcijfer is indicatief als maat voor diversiteit in rvb en rvc. De wet gaat uit van door bedrijven zelf gekozen, passende en ambitieuze streefcijfers. Dit percentage is als indicatieve toets opgenomen om een beeld te krijgen of de door de wet beoogde versnelling van de toename van het aandeel vrouwen in raden van bestuur en raden van commissarissen wordt bereikt. Het gaat hier niet om streefcijfers van individuele bedrijven.

Overzicht coronamaatregelen

2020 en 2021 zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van het Ministerie van OCW zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfinancien.nl/corona-visual.

Tabel 8 Overzicht coronamaatregelen (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving maatregel

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Vindplaats

14

Eerste cultuurpakket

300.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 353)

15

Programmering landelijke publieke omroep

19.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43)

14

Ondersteuning vrije theaterproducenten

40.000

0

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 193)

15

Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening

18.509

5.491

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35716, nr. 2)

14

Tweede cultuurpakket

0

249.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 400)

14

Extra steun voor de culturele en creatieve sector

0

24.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35735, nr. 2)

14

Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

0

10.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35776, nr. 2)

14

Vierde steunpakket cultuur

0

70.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

14

Boekenvak

0

20.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35877, nr.2)

1,3,4

Ondersteuningsmaatregelen onderwijs

333.730

186.270

11.000

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

11

Compensatie studenten mbo en ho

38.030

161.970

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184)

1,3,4

Extra hulp voor de klas

0

210.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 123)

4

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

4.000

39.644

11.482

110

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2),

6, 7

Coronabanen in het hoger onderwijs1

0

15.241

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2)

1

Extra apparaten voor onderwijs op afstand po en vo

0

15.000

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35696, nr. 1)

1,3,4,6,7

Sneltesten

0

211.200

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2020/21, 35806, nr. 2)

3

Examens vo

0

47.300

0

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2)

diverse

NPO maatregelen2

0

3.168.772

3.652.790

984.623

40.000

40.000

40.0003

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185)

4

Offensief behoud stages en leerwerkbanen

0

3.809

11.427

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 228), (Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 105)

4

Projectskills en scholingsmogelijkheden

0

996

333

0

0

0

0

(Kamerstukken II 2020/21, 35850 VIII, nr. 2)

 

Totaal

753.269

4.438.693

3.687.032

984.733

40.000

40.000

40.000

 
1

Hiervoor werd initieel € 20,0 miljoen overgemaakt. Uiteindelijk is € 15,2 miljoen uitgeput.

2

Zowel voor po, vo als mbo geldt dat niet het volledige bedrag is uitgegeven op de inhaal- en ondersteuningsprogramma's. Totaal is er € 72,0 miljoen teruggestort naar het Ministerie van Financiën.

3

In 2027 gaat het om een bedrag van € 25,0 miljoen.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de Rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 9) als de ontvangsten (tabel 10).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen die dit (demissionaire) kabinet tijdens de regeerperiode 2018 tot en met nu heeft gedaan (tabellen 12 t/m 17).

Tabel 9 Belangrijkste beleidsmatige uitgaven mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand begroting 2021 (inclusief NvW)

 

44.174.553

44.135.757

44.577.448

44.454.231

44.508.924

 

Belangrijkste mutaties

       

1 1e ISB Coronabanen in het hoger onderwijs

diverse

24.470

0

0

0

0

0

2 2e ISB Apparaten op afstand in het po en vo

1

20.500

0

0

0

0

0

3 3e ISB Sneltesten in het vo, mbo en ho

3,4,6,7

144.291

0

0

0

0

0

4 4e ISB Extra steun voor de culturele en creatieve sector

14

24.000

0

0

0

0

0

5 5e ISB Eindexamens vo en pilots voor sneltesten po

1,3

48.200

0

0

0

0

0

6 6e ISB Referentieraming

diverse

‒ 72.135

418.845

562.082

606.813

636.521

644.730

7 7e ISB Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

14

10.000

0

0

0

0

0

8 8e ISB Studieschulden toeslagouders en SF raming

11,12,13

303.975

261.656

278.291

263.009

250.669

251.495

9 9e ISB Zelftesten mbo en ho

diverse

71.500

0

0

0

0

0

10 10e ISB Middelen boekenvak

1,3,14

20.000

0

0

0

0

0

11a Nationaal Programma Onderwijs

diverse

3.165.776

3.571.290

896.390

40.000

40.000

40.000

11b Specifieke dekking op de OCW-begroting

11

0

16.500

88.233

0

0

0

12 Onderuitputting coronamiddelen

diverse

‒ 76.763

0

0

0

0

0

13 Verlenging steunpakket cultuur voor Q3 2021

14

70.000

0

0

0

0

0

14 Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

diverse

879.488

889.472

898.271

894.579

895.571

894.021

15 Saldo mee- en tegenvallers

diverse

‒ 3.594

7.918

‒ 2.237

‒ 1.847

‒ 1.731

‒ 1.731

16 Kasschuiven

diverse

1.010.638

‒ 1.047.107

6.895

6.591

9.333

13.650

17 Maatregelen kabinetsreactie POK

14,95

12.300

0

0

0

0

0

18 Middelen Aanvullende Post

1,16

287

3.743

4.802

50.542

112.717

113.562

19 Niet-kaderrelevante mutaties

11

21.834

‒ 52.518

53.107

53.533

53.859

39.102

20 Desalderingen

diverse

26.006

‒ 11.541

‒ 18.916

‒ 21.991

‒ 30.110

‒ 36.510

21 Lerarenbeurs

9

17.100

29.300

8.900

5.000

0

0

22 Overige mutaties

diverse

51.498

16.411

10.204

4.222

3.984

44.483.047

Stand ontwerpbegroting 2022

 

49.943.924

48.239.726

47.363.470

46.354.682

46.479.737

46.441.366

Tabel 10 Belangrijkste beleidsmatige ontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand begroting 2021 (inclusief NvW)

 

1.444.964

1.512.963

1.563.308

1.629.420

1.688.263

 

Belangrijkste mutaties

       

1 2e ISB apparaten op afstand in het po en vo

1

5.500

0

0

0

0

0

2 6e ISB Nationaal Programma Onderwijs

13

‒ 75.000

‒ 65.000

0

0

0

0

3 8e ISB Studieschulden toeslagouders en SF raming

11,12,13

157.993

174.031

183.976

159.894

139.016

121.672

4 Saldo mee- en tegenvallers

1,9

10.400

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.000

‒ 2.000

‒ 2.000

5 Desalderingen

4,14,15

26.006

‒ 11.541

‒ 18.916

‒ 21.991

‒ 30.110

‒ 36.510

6 Extrapolatie

diversen

0

0

0

0

0

1.756.713

Stand ontwerpbegroting 2022

 

1.569.863

1.607.953

1.725.868

1.765.323

1.795.169

1.839.875

Toelichting uitgaven

1. 1e ISB Coronabanen in het hoger onderwijs

Het kabinet stelde € 20,0 miljoen extra beschikbaar voor de benodigde extra hulp en ondersteuning in het hoger onderwijs. Daarnaast werden drie overlopende verplichtingen geboekt in deze 1e Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) ter waarde van € 4,47 miljoen.

2. 2e ISB Apparaten op afstand in het po en vo

Het kabinet maakte € 15,0 miljoen extra vrij voor apparaten om op afstand onderwijs te volgen (zoals laptops). Scholen betalen een eigen bijdrage van 25%. Om het SIVON in de gelegenheid te stellen de apparaten aan te schaffen, werd er aan hen € 20,5 miljoen beschikbaar gesteld, waarbij de terugbetaling aan het Ministerie van OCW middels een desaldering verwerkt werd op artikel 1 (Primair onderwijs).

3. 3e ISB Sneltesten in het vo, mbo en ho

Het kabinet stelde € 138,8 miljoen extra beschikbaar om te starten met sneltesten in het onderwijs. Daarnaast is in deze 3e ISB € 5,5 miljoen beschikbaar gesteld aan de lokale media via het tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening.

4. 4e ISB Extra steun voor de culturele en creatieve sector

Het kabinet stelde € 15,0 miljoen extra beschikbaar voor de culturele en creatieve sector vanwege investeringen die zijn gedaan en door de coronacrisis niet of nauwelijks terugverdiend konden worden. Vanwege de verlenging van de lockdown werd daarnaast nog eens € 9,0 miljoen beschikbaar gesteld voor de makers in de culturele sector.

5. 5e ISB Eindexamens vo en pilots voor sneltesten po

Het kabinet stelde € 47,3 miljoen extra beschikbaar voor de maatregelen die nodig waren omtrent het centraal eindexamen, om zo het eindexamen te organiseren in tijden van corona en leerlingen meer voorbereidingstijd te geven. Daarnaast werd in deze 5e ISB € 0,9 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de pilots van sneltesten in het po.

6. 6e ISB Referentieraming

Naast het Nationaal Programma Onderwijs (toegelicht onder punt 11) werd er in deze 6e ISB ook structureel € 645,0 miljoen geïnvesteerd in het onderwijs vanwege de grotere instroom van leerlingen en studenten.

7. 7e ISB Opschalen initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen

Het kabinet stelde € 10,0 miljoen extra beschikbaar voor het opschalen van initiatieven voor kunst en cultuur voor kwetsbare groepen. Het Fonds voor Cultuurparticipatie kon hiermee culturele activiteiten organiseren die bij uitstek mensen steunen die door corona in eenzaamheid, gebrek aan zingeving of depressiviteit zijn geraakt.

8. 8e ISB Studieschulden toeslagouders en SF raming

Vanwege de hersteloperatie kinderopvangtoeslag werd besloten om alle op 1 januari 2021 openstaande leningen en schulden van de gedupeerde ouder en zijn/haar eventuele toeslagpartner in beginsel kwijt te schelden. In totaal is er € 225,0 miljoen kwijtgescholden en € 2,5 miljoen aan uitvoeringskosten bij DUO ingeboekt. Daarnaast werden in deze 8e ISB artikel 11 (Studiefinanciering), artikel 12 (Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten) en artikel 13 (Lesgelden) per saldo met € 663,2 miljoen incidenteel en per saldo met € 174,8 miljoen structureel verhoogd. Deze bijstellingen zijn grotendeels het gevolg van de grotere instroom van leerlingen en studenten.

9. 9e ISB Zelftesten mbo en ho

Het kabinet stelde nog eens € 71,5 miljoen extra beschikbaar voor zelftesten in het mbo en ho. Met de inzet van zelftesten in het onderwijs kon een belangrijke bijdrage worden geleverd aan de continuering van (fysiek) onderwijs, wat van belang is om onderwijsachterstanden te voorkomen, voor psychisch welbevinden van leerlingen en studenten, en voor arbeidsparticipatie van ouders. Hiervoor werd een opdracht verleend aan (een) private partij(en) voor testafname.

10. 10e ISB Middelen boekenvak

Naast de technische plafondcorrecties op de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs (toegelicht bij punt 11) heeft het kabinet incidenteel € 20,0 miljoen beschikbaar gesteld in 2021 ten behoeve van de fysieke boekhandel.

11. Nationaal Programma Onderwijs

Het kabinet stelde totaal € 8,5 miljard extra beschikbaar voor het Nationaal Programma Onderwijs. Hiervan werd € 2,2 miljard in de 6e ISB overgeheveld naar de OCW-begroting. In de eerste Suppletoire Begroting werd het tweede deel van het Nationaal Programma Onderwijs toegevoegd. Vervolgens zijn, om een uitvoerbaar betaalritme van de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs voor DUO te realiseren, middelen van 2022 naar 2021 geschoven in de 10e ISB. In totaal is er € 151,2 miljoen aan middelen van 2022 naar 2021 geschoven. Bij Begroting 2022 hebben er nog interne verschuivingen plaatsgevonden en heeft er voor de Aanpak Jeugdwerkloosheid een overboeking plaatsgevonden van € 34,5 miljoen naar het Ministerie van SZW in 2022. In tabel 11 is een overzicht weergegeven van de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs. Er staat nu nog voor € 702,3 miljoen gereserveerd op de Aanvullende Post.

Tabel 11 Nationaal Programma Onderwijs (bedragen x € 1.000)

6e ISB 2021

2021

2022

2023

2024

2025

2026

po/vo

493.526

9.624

    

Uitbreiden IOP-subsidie vve, po en vo

220.700

     

Uitbreiden regeling Extra handen in de klas

158.000

     

Extra nieuwkomersbekostiging po en vo

62.000

     

Ondersteuning/begeleiding examenkandidaten vo

27.376

9.624

    

Capaciteitentest brugklas en tweede klas vo

10.000

     

Scan/monitor per school

10.000

     

Focus op kerncurriculum

150

     

Organisatie, onderzoek, monitoring en uitvoering

5.300

     
       

mbo/ho

1.042.000

650.000

    

Uitbreiden IOP-subsidie mbo

35.000

     

Uitbreiden regeling Extra handen in de klas mbo/ho

82.000

     

Studenten financieel ondersteunen

350.000

650.000

    

Stages en praktijkleren

73.000

     

Verhoogde instroom studiejaar 20/21

489.000

     

Cornona enveloppe (devices mbo)

10.000

     

Onderzoek, monitoring en uitvoering

3.000

     
       

Totaal

1.535.526

659.624

    
       

VJN 2021

2021

2022

2023

2024

2025

2026

po/vo

1.396.053

2.636.083

1.252.335

   

Intensiveringen voor scholen

1.069.637

1.499.737

539.569

   

waarvan op de Aanvullende Post

 

342.583

359.713

   

Intensiveringen voor gemeenten

72.407

161.632

75.459

   

Specifieke doelgroepen (overgang po/vo; nieuwkomers; CN, VSO/PRO)

78.930

229.622

48.282

   

Ondersteuning onderwijspersoneel

144.446

366.773

207.328

   

Organisatie, onderzoek, monitoring en uitvoering

30.633

35.736

21.985

   
       

mbo/ho

309.197

683.166

3.767

40.000

40.000

40.000

Vertraging onderzoek1

81.000

81.000

    

Lerarenopleiding

38.000

38.000

    

Corona enveloppe

173.000

333.000

    

Stages en praktijkleren

6.000

71.000

    

Aanpak jeugdwerkloosheid2

 

15.000

    

Onderzoek, monitoring en uitvoering

4.864

16.000

    

Studenten financieel ondersteunen3

 

116.500

3767

40000

40000

40000

Gelijke kansen alliantie (gemeenten)

6.333

12.666

    
       

Totaal

1.705.250

3.319.249

1.256.102

40.000

40.000

40.000

       

6e ISB 2021 + VJN 2021

2021

2022

2023

2024

2025

2026

po/vo

1.889.579

2.303.124

892.623

   

waarvan op de Aanvullende Post

 

342.583

359.713

   

mbo/ho

1.351.197

1.333.166

3.767

40.000

40.000

40.000

waarvan bij SZW aanpak jeugdwerkloosheid

 

34.500

    

waarvan specifieke dekking op de OCW-begroting4

 

16.500

88.233

   

Totaal

3.240.776

4.029.873

1.344.335

40.000

40.000

40.000

1

Hiervan zit € 3,7 miljoen op artikel 16 (Onderzoek en Wetenschapsbeleid).

2

Van het bedrag van 2022 is een overboeking naar het Ministerie van SZW afgehaald van € 34,5 miljoen.

3

De bovenstaande tabel toont het budget dat is toegevoegd aan de OCW-begroting ten behoeve van het NPO. De verlenging van de OV-kaart en de compensatie SF-recht lopen vanwege hun aard langer door. In 2027 wordt € 25,0 miljoen toegevoegd aan de OCW-begroting. Een deel van deze maatregel is specifiek binnen de OCW-begroting gedekt. Zie ook de toelichting in de eerste Suppletoire Begroting 2021.

4

Dit is het gedeelte van de SF reeks wat specifiek is gedekt binnen de OCW-begroting.

12. Onderuitputting coronamiddelen

Van de middelen die het afgelopen jaar ter beschikking zijn gesteld voor corona maatregelen wordt een deel niet uitgeput. Het betreft hier € 4,8 miljoen van de coronabanen in het hoger onderwijs uit de 1e ISB. En € 72,0 miljoen van de inhaal- en ondersteuningsporgramma's uit het NPO.

13. Verlenging steunpakket cultuur voor Q3 2021

Naar verwachting heeft de culturele en creatieve sector ook in het derde kwartaal van 2021 nog te maken met de (gevolgen van de) beperkende maatregelen. Dit heeft negatieve gevolgen voor het vermogen van de sector om omzet te genereren. Daarom is besloten om voor de culturele en creatieve sector de specifieke steunmaatregelen in het derde kwartaal, in afgebouwde vorm, te verlengen. De kosten hiervan bedragen € 70,0 miljoen.

14. Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling

Het kabinet besluit dit jaar alle loon- en prijsontwikkeling (lpo) uit te keren over de departementale begrotingen, ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. In de verdiepingsbijlage is de verdeling van de lpo over de artikelen te zien. De relevante lpo-tranche 2021 die het Ministerie van OCW uitkeert bedraagt in 2021 € 877,3 miljoen. Daarnaast is er ook nog lpo verkregen op HGIS budgetten wat het totaal aan verkregen lpo € 879,5 miljoen maakt.

15. Saldo mee- en tegenvallers

Het saldo aan mee- en tegenvallers binnen de OCW-begroting op de uitgaven is -/- € 3,6 miljoen.

16. Kasschuiven

Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte bestedingsritme. Zo is er besloten tot een kasschuif van € 1.050,0 miljoen op het budget van de reisvoorziening van de openbaarvervoersbedrijven op artikel 11 (Studiefinanciering). Deze kasschuif van jaar 2022 naar 2021 wordt vaker verwerkt omdat dit in het verleden behulpzaam kon zijn om de plafondstanden te sluiten. Dit jaar is het verzoek voor de kasschuif initieel door de vervoersbedrijven zelf ingediend. Tegelijkertijd is deze kasschuif ook dit jaar behulpzaam bij het sluiten van de plafondstanden en daarmee in het belang van het Rijk.

17. Maatregelen kabinetsreactie Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK)

Het rapport van de POK constateert problemen bij de informatiehuishouding en informatievoorziening binnen de Rijksoverheid. Rijksbreed wil de overheid de achterstand in onze informatiehuishouding sneller gaan inhalen en verbeteren. Het kabinet heeft structureel € 0,8 miljard gereserveerd op de Aanvullende Post voor de maatregelen die in de kabinetsreactie op het POK rapport zijn aangekondigd. Onderdeel van deze maatregelen is een uitbreiding van het takenpakket van het Nationaal Archief (NA) en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IOE). Daarnaast zijn er algemene maatregelen aangekondigd om de informatievoorziening en dienstverlening van het Rijk te verbeteren, die ook voor het Ministerie van OCW gevolgen hebben. Bij Voorjaarsnota is besloten om incidenteel budget op de OCW-begroting te verwerken voor deze maatregelen. De voor het Ministerie van OCW gereserveerde middelen vanaf 2022 zijn nog niet aan de begroting van het Ministerie van OCW toegevoegd, deze zullen in een later stadium aan de begroting worden toegevoegd.

18. Middelen Aanvullende Post

Er zijn diverse middelen van de Aanvullende Post aan de OCW-begroting toegevoegd. Dit betreft onder andere de middelen voor de uitvoering van de Wet Openbare Overheid (WOO) die al bij eerste Suppletoire Begroting zijn toegevoegd. Bij Begroting 2022 zijn ook de laatste werkdrukmiddelen uit het Regeerakkoord toegevoegd.

19. Niet-kaderrelevante mutaties

De niet kaderrelevante mutaties hebben betrekking op de studiefinanciering. Het betreft bijstellingen naar beneden op het instrument Leningen vanwege de maatregel uit het Nationaal Programma Onderwijs halvering van het collegegeld, lpo-uitkering op de niet-kaderrelevante budgetten onder deze post en een bijstelling naar boven vanwege de Nationaal Programma Onderwijs-maatregel verlenging OV kaart met 12 maanden.

20. Desalderingen

Dit betreft diverse desalderingen, waarvan de meesten hebben plaatsgevonden bij eerste Suppletoire Begroting en dus daar zijn toegelicht. Bij Begroting 2022 heeft nog een desaldering plaatsgevonden op artikel 15 (Media). Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster. Deze is lager geraamd en daardoor vindt er een onttrekking aan de Algemene Mediareserve plaats.

21. Overige mutaties

Dit betreft diverse mutaties waaronder:

  • overboekingen van en naar andere departementen;

  • de eindejaarsmarge die in 2021 wordt toegevoegd aan de OCW-begroting;

  • coronamiddelen voor stage offensief, projectskills en scholingsmogelijkheden en jeugdwerkloosheid.

Toelichting ontvangsten

1. 2e ISB Apparaten op afstand in het po en vo

Het kabinet maakte € 15,0 miljoen extra vrij voor apparaten om op afstand onderwijs te volgen (zoals laptops). Scholen betalen een eigen bijdrage van 25%. Om het SIVON in de gelegenheid te stellen de apparaten aan te schaffen, werd er aan hen € 20,5 miljoen beschikbaar gesteld, waarbij de terugbetaling aan het Ministerie van OCW middels een desaldering van € 5,5 miljoen verwerkt werd op artikel 1 (Primair onderwijs).

2. 6e ISB Nationaal Programma Onderwijs

Het kabinet stelde totaal € 8,5 miljard extra beschikbaar voor het Nationaal Programma Onderwijs. Hiervan werd € 2,2 miljard in de 6e ISB overgeheveld naar de OCW-begroting. Een deel hiervan betrof een compensatie voor de lesgeldontvangsten op artikel 13 (Lesgelden).

3. 8e ISB Studieschulden toeslagouders en SF-raming

In deze 8e ISB werd op artikelen 11 (Studiefinanciering), 12 (Tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten) en 13 (Lesgelden) de studiefinancieringsraming verwerkt. Dit betrof structureel € 121,7 miljoen op de ontvangsten. Deze stijging komt voornamelijk door niet-relevante ontvangsten op de terugontvangen lening.

4. Saldo mee- en tegenvallers

Dit betreft in 2021 voornamelijk de meevaller op de ontvangsten van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid van € 12,9 miljoen. De jaren erna betreft dit een tegenvaller op de ontvangsten van de lerarenbeurs.

5. Desalderingen

Dit betreft diverse desalderingen, waarvan de meesten hebben plaatsgevonden bij eerste Suppletoire Begroting en dus daar zijn toegelicht. Bij Begroting 2022 heeft nog een desaldering plaatsgevonden op artikel 15 (Media). Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster. Deze is lager geraamd en daardoor vindt er een onttrekking aan de Algemene Mediareserve plaats.

6. Extrapolatie

Dit betreft de toevoeging van een nieuw jaar (2026) aan de begrotingsreeks.

Tabel 12 geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte III en tabel 13 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 14 geeft een saldo van tabel 12 en 13 weer.

In tabellen 15 t/m 17 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan uitgesplitst per sector weergegeven. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat een deel van de middelen per sector op artikel 95 (Apparaat kerndepartement) belandt.

Tabel 12 Intensiveringen (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

1

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. 20 miljoen euro voor kleine scholen)

1

108.000

297.500

373.604

401.750

381.646

353.500

394.000

450.000

450.000

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

6, 16

25.000

38.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

55.000

0

0

0

0

0

0

0

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

50.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

15

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name nationaal restauratiefonds)

14

98.500

137.000

60.000

25.000

0

0

0

0

0

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

183.000

183.000

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

9.000

13.000

14.000

13.000

12.000

12.000

12.000

12.000

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen)

6, 7

70.000

165.000

165.000

170.000

170.000

175.000

175.000

175.000

175.000

Intensivering Praktijkleren

4

0

0

10.600

10.600

10.600

10.600

10.600

0

0

Aanvullende middelen mediavisiebrief

15

0

43.000

47.500

44.500

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

Beta en Techniek

4, 6, 7

0

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

Investering funderend onderwijs

1, 3

0

300.000

0

0

0

0

0

0

0

Krimpmiddelen

3

0

0

10.000

15.000

0

0

0

0

0

Cultuur paketten

14

0

0

340.000

373.000

0

0

0

0

0

Extra BIS instellingen

14

0

0

0

15.000

15.000

15.000

15.000

0

0

Onderwijsmiddelen (Met o.a. inhaal- en ondersteuningsmiddelen, compensatie studenten)

diverse

0

0

333.730

186.270

11.000

0

0

0

0

Lokale informatievoorziening

15

0

0

18.509

5.491

0

0

0

0

0

Lerarentekort

1, 4, 6, 9

0

0

28.500

31.500

32.000

32.000

32.000

32.000

32.000

Compensatie meerkosten programmering landelijke publieke omroep

15

0

0

19.000

0

0

0

0

0

0

Aanpak jeugdwerkloosheid

4

0

0

4.000

39.644

11.482

110

0

0

0

Continuïteit en extra hulp voor de klas

diverse

0

0

0

210.000

0

0

0

0

0

Coronabanen hoger onderwijs

6,7

0

0

0

15.241

0

0

0

0

0

Devices

1

0

0

0

15.000

0

0

0

0

0

Sneltesten

diverse

0

0

0

211.200

0

0

0

0

0

Examens

3

0

0

0

47.300

0

0

0

0

0

Nationaal Programma Onderwijs1

diverse

0

0

0

3.168.772

3.652.790

984.623

40.000

40.000

40.000

Kwijtschelden studieschulden toeslagaffaire

11

0

0

0

252.500

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 5.000

‒ 5.000

Projectskills en scholingsmogelijkheden

4

0

0

0

996

333

0

0

0

0

Zeeland Delta Kenniscentrum

16

0

0

0

287

0

0

0

0

0

Maatregelen kabinetsreactie POK

diverse

0

0

0

12.300

0

0

0

0

0

Implementatie van de Wet Openbare Overheid

95

0

0

0

0

3.743

4.802

6.095

6.813

7.658

Lerarenbeurs

9

0

0

0

17.100

29.300

8.900

5.000

0

0

Totaal2

 

1.088.500

2.218.500

2.807.443

6.594.451

5.502.894

2.768.535

1.861.695

1.887.813

1.888.658

1

In 2027 staat nog een bedrag van € 25,0 miljoen in de reeks.

2

De bedragen behorend bij de maatregelen die op de begroting van het ministerie van OCW zijn genomen vanwege COVID-19 zijn inclusief onderuitputting.

Tabel 13 Ombuigingen (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

G46 Doelmatiger onderwijs

diverse

‒ 20.000

‒ 92.000

‒ 137.000

‒ 183.000

‒ 183.000

‒ 183.000

‒ 183.000

‒ 183.000

‒ 183.000

Korting Lumpsum mbo

4

0

0

‒ 2.489

‒ 2.489

‒ 2.698

‒ 2.489

‒ 2.489

‒ 2.489

‒ 2.489

Korting Lumpsum ho

6, 7

0

‒ 19.452

‒ 3.143

‒ 3.141

‒ 3.515

‒ 3.142

‒ 3.142

‒ 3.142

‒ 3.142

Subsidietaakstelling

diverse

‒ 34.261

0

0

0

0

0

0

0

0

Subsidietaakstelling onderwijsconvenant

1

0

0

0

0

‒ 10.600

‒ 10.600

‒ 10.600

‒ 10.600

‒ 10.600

Flexstuderen

6

0

0

‒ 5.205

‒ 2.375

‒ 4.878

‒ 7.133

‒ 8.212

‒ 10.000

‒ 10.000

Compensatie Zeeland Delta Kenniscentrum1

diverse

0

0

0

‒ 500

‒ 500

‒ 500

‒ 500

‒ 500

‒ 500

Inboeking bezuiniging ho als gevolg van ingetrokken rentemaatregel Studiefinanciering (Regeerakkoord Rutte III)

6,7

0

0

0

0

0

0

0

0

‒ 3.000

Inboeking bezuiniging bekostiging wo als gevolg van Voorjaarsnota 20192

7

0

0

0

0

0

0

0

0

‒ 37.913

Totaal3

 

‒ 54.261

‒ 111.452

‒ 147.837

‒ 191.505

‒ 205.191

‒ 206.864

‒ 207.943

‒ 209.731

‒ 250.644

1

Middels deze ombuiging draagt het Ministerie van OCW bij aan het compensatiepakket voor Zeeland. Dit leidt onder andere tot een Kenniscentrum in Zeeland.

2

Deze ombuiging is ingezet voor een tegenvaller.

3

Bij VJN is een ombuiging geboekt op artikel 4,6 en 7 ter dekking van NPO SF maatregelen. Deze zijn bij amendement op de VJN 2021 teruggedraaid en daarom niet zichtbaar in deze tabel.

Tabel 14 Saldo intensiveringen en ombuigingen (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Saldo intensiveringen

diverse

1.088.500

2.218.500

2.807.443

6.594.451

5.502.894

2.768.535

1.861.695

1.887.813

1.888.658

Saldo ombuigingen / taakstellingen

diverse

‒ 54.261

‒ 111.452

‒ 147.837

‒ 191.505

‒ 205.191

‒ 206.864

‒ 207.943

‒ 209.731

‒ 250.644

Totaal

 

1.034.239

2.107.048

2.659.606

6.402.946

5.297.703

2.561.671

1.653.752

1.678.082

1.638.014

Tabel 15 Intensiveringen per sector (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Primair onderwijs

1

431.000

867.000

968.639

1.949.462

1.971.416

1.020.055

874.500

930.500

930.500

Voortgezet onderwijs

3

45.000

237.106

252.195

1.263.221

726.112

209.661

118.001

118.001

118.001

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

5.000

6.993

96.679

488.178

353.253

18.097

17.987

7.387

7.387

Hoger beroepsonderwijs

6

63.602

143.188

150.914

707.330

637.117

154.516

151.516

151.516

151.516

Wetenschappelijk onderwijs

7

21.398

82.213

84.177

542.154

441.564

90.596

90.596

90.596

90.596

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

0

4.000

11.800

24.236

36.300

20.900

20.000

15.000

15.000

Studiefinanciering

11

0

0

38.030

414.883

128.000

87.000

35.000

35.000

35.000

Lesgeld

13

0

0

0

75.000

65.000

0

0

0

0

Cultuur

14

123.500

187.000

480.000

493.500

95.000

95.000

95.000

80.000

80.000

Media

15

5.000

48.000

90.009

54.991

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

150.000

228.000

225.000

230.029

231.242

225.000

225.000

225.000

225.000

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

351.467

772.890

802.710

189.095

189.813

190.658

Totaal

 

1.088.500

2.218.500

2.807.443

6.594.451

5.502.894

2.768.535

1.861.695

1.887.813

1.888.658

Tabel 16 Ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Primair onderwijs

1

‒ 19.916

‒ 30.664

‒ 45.663

‒ 61.135

‒ 71.735

‒ 71.735

‒ 71.735

‒ 71.735

‒ 71.735

Voortgezet onderwijs

3

‒ 10.771

‒ 23.786

‒ 35.420

‒ 47.451

‒ 47.451

‒ 47.451

‒ 47.451

‒ 47.451

‒ 47.451

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

‒ 17.065

‒ 12.666

‒ 21.351

‒ 27.684

‒ 27.893

‒ 27.684

‒ 27.684

‒ 27.684

‒ 27.684

Hoger beroepsonderwijs

6

‒ 2.513

‒ 16.581

‒ 20.233

‒ 21.878

‒ 24.613

‒ 26.637

‒ 27.716

‒ 29.504

‒ 30.674

Wetenschappelijk onderwijs

7

‒ 3.354

‒ 24.800

‒ 20.770

‒ 27.450

‒ 27.592

‒ 27.450

‒ 27.450

‒ 27.450

‒ 67.193

Cultuur

14

0

0

0

‒ 30

‒ 30

‒ 30

‒ 30

‒ 30

‒ 30

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

‒ 642

‒ 2.955

‒ 4.400

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

Totaal

 

‒ 54.261

‒ 111.452

‒ 147.837

‒ 191.505

‒ 205.191

‒ 206.864

‒ 207.943

‒ 209.731

‒ 250.644

Tabel 17 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Primair onderwijs

1

411.084

836.336

922.976

1.888.327

1.899.681

948.320

802.765

858.765

858.765

Voortgezet onderwijs

3

34.229

213.320

216.775

1.215.770

678.661

162.210

70.550

70.550

70.550

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

‒ 12.065

‒ 5.673

75.328

460.494

325.360

‒ 9.587

‒ 9.697

‒ 20.297

‒ 20.297

Hoger beroepsonderwijs

6

61.089

126.607

130.681

685.452

612.504

127.879

123.800

122.012

120.842

Wetenschappelijk onderwijs

7

18.044

57.413

63.407

514.704

413.972

63.146

63.146

63.146

23.403

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

0

4.000

11.800

24.236

36.300

20.900

20.000

15.000

15.000

Studiefinanciering

11

0

0

38.030

414.883

128.000

87.000

35.000

35.000

35.000

Lesgeld

13

0

0

0

75.000

65.000

0

0

0

0

Cultuur

14

123.500

187.000

480.000

493.470

94.970

94.970

94.970

79.970

79.970

Media

15

5.000

48.000

90.009

54.991

45.000

45.000

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

149.358

225.045

220.600

224.152

225.365

219.123

219.123

219.123

219.123

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

351.467

772.890

802.710

189.095

189.813

190.658

Totaal

 

1.034.239

2.107.048

2.659.606

6.402.946

5.297.703

2.561.671

1.653.752

1.678.082

1.638.014

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Tabel 18 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x €1.000)

Art

Naam artikel (totale uitgaven artikel)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Primair onderwijs

€ 13.417.892

€ 14.776

Nog nader in te vullen subsidies (€ 12.800)

 

€ 13.432.668

99,89%

0,11%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.949)

3

Voortgezet onderwijs

€ 9.570.667

€ 94.955

Nog nader in te vullen subsidies (€ 74.631)

 

€ 9.665.622

99,02%

0,98%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 20.038)

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

€ 5.043.652

€ 22.246

Nog nader in te vullen subsidies (€ 17.492) en opdrachten (€ 4.754)

 

€ 5.065.898

99,56%

0,44%

 

6

Hoger onderwijs

€ 4.479.683

€ 92

Nog nader in te vullen subsidies

 

€ 4.479.775

100,00%

0,00%

 

7

Wetenschappelijk onderwijs

€ 6.268.948

€ 2.294

Nog nader in te vullen subsidies (€ 666)

 

€ 6.271.242

99,96%

0,04%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.628)

8

Internationaal beleid

13.693

675

Nog nader in te vullen (HGIS)subsidies (€ 260)

 

€ 14.368

95,30%

4,70%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 221)

    

Nog nader in te vullen bijdragen (€ 194)

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

€ 80.387

€ 125.332

Nog nader te verplichten aanvullende bekostiging ( € 25.732)

 

€ 205.719

39,08%

60,92%

Nog nader te verplichten of in te vullen subsidies (€ 97.187)

    

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 2.414)

14

Cultuur

€ 984.154

€ 30.783

Nog nader in te vullen subsidies (€ 17.145) en opdrachten (€ 13.638)

 

€ 1.014.937

97,00%

3,00%

 

15

Media

€ 1.052.062

€ 1.460

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 649)

 

€ 1.053.522

99,86%

0,14%

Nog nader in te vullen overige bekostiging (€ 811)

16

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

€ 1.236.662

€ 4.967

Nog nader in te vullen subsidies (€ 4.353)

 

€ 1.241.629

99,60%

0,40%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 614)

25

Emancipatie

€ 7.779

€ 6.762

Nog nader in te vullen bekostiging en subsidies (€ 4.123)

 

€ 14.541

53,50%

46,50%

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.073)

    

Nog nader in te vullen medeoverheden (€ 1.566)

Totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven

€ 304.341

 

2.4 Strategische Evaluatie Agenda

Binnen het programma Inzicht in Kwaliteit is de Strategische Evaluatieagenda (SEA) een belangrijk middel om evaluaties strategischer te plannen en beter in te bedden in de ontwikkeling van beleid. Deze derde strategische evaluatieagenda van het Ministerie van OCW licht opnieuw een aantal strategische evaluaties uit, dat wil zeggen programma-evaluaties en evaluaties die budgettair of politiek-bestuurlijk van groot belang zijn of grote impact hebben op de ontwikkeling van het veld. Strategische evaluaties die inmiddels zijn afgerond zijn:

  • toereikendheid en doelmatigheid bekostiging primair en voortgezet onderwijs (2020);

  • passend onderwijs (2020);

  • sectorakkoorden primair en voortgezet onderwijs (2020);

  • doorlichting nieuwe stijl hoger onderwijs (2019);

  • doorlichting nieuwe stijl studiefinanciering (2020);

  • toereikendheid bekostiging mbo, hbo en wo&o (2021);

  • werken met Allianties (2021).

Bijlage 5 biedt een overzicht van de strategische evaluatieprogrammering per beleidsdomein: het onderzoek binnen een beleidsdomein geordend langs een aantal voor dat domein strategische lijnen of thema’s. De evaluatieprogrammering laat per beleidsdomein zien welke evaluatieonderzoeken er lopen, hoe die voortkomen uit bepaalde inzichtbehoeften, en hoe wordt bijgedragen aan de ambities binnen de strategische thema’s. Op termijn vormt deze evaluatieprogrammering de basis van de strategische evaluaties die in de SEA worden uitgelicht.

Alle domeinen van het Ministerie van OCW zijn in de SEA en de strategische evaluatieprogrammering vertegenwoordigd. De komende twee jaar wordt gewerkt aan de doorontwikkeling van de strategische evaluatieprogrammeringen en SEA tot een agenda waar binnen elk domein de belangrijkste elementen van dat domein, de beleidsprioriteiten en de uitkomsten aan de orde komen. Op die manier wordt beoogd om over een periode van vijf tot zeven jaar overkoepelende uitspraken te doen over de maatschappelijke impact, de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gehele beleid en budget dat wordt ingezet. De SEA en evaluatieprogrammeringen worden doorlopend geactualiseerd, op basis van een inventarisatie van beleidsontwikkelingen en van lopend en voorgenomen evaluatieonderzoek.

Tabel 19 Strategische Evaluatie Agenda

Thema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Curriculumbijstelling

Ex anteEx duranteEx post

2020-2023

Sinds enkele jaren wordt gewerkt aan het bijstellen van het curriculum in het primair en voortgezet onderwijs. Bij het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) wordt een meerjarig onderzoeksprogramma opgezet om de voortgang en resultaten van de curriculumbijstelling nauwgezet te volgen en te evalueren, evenals de reflectie hierop vanuit de onderwijspraktijk. Het doel hiervan is dat dit periodiek informatie oplevert waarmee het proces kan worden bijgestuurd. Het monitoringsonderzoek levert tevens inzichten op die benut kunnen worden bij de vormgeving van de voorgenomen periodieke herijking van het curriculum.De vraagstelling is meerledig. Wat kunnen we leren van de manier waarop het proces verloopt, met het oog op de invoering en op het vormgeven van processen van curriculumbijstelling in de toekomst? Hoe ontwikkelt het draagvlak zich voor deze herziening? Wat heeft het onderwijsveld nodig om de vernieuwde doelen succesvol in de praktijk te brengen? Ook zal worden onderzocht hoe de bijstelling van de kerndoelen bijdraagt aan overkoepelende doelstellingen van de curriculumbijstelling. De bijstelling van de examenprogramma’s (bovenbouw voortgezet onderwijs) kent een eigen fasering met variabele doorlooptijden per examenprogramma. Daarom zal deze bijstelling beperkt kunnen worden meegenomen in de meerjarige monitoring.De opzet van het onderzoeksprogramma voor de curriculumbijstelling bevat twee lijnen. De eerste lijn is een verkennende studie van implementatiestrategieën van curriculumbijstellingen (do’s en don’ts) met het oog op de invoeringsfase van bijgestelde kerndoelen en eindtermen (overzichtsstudie). De tweede lijn is gericht op monitoring van het verloop en de resultaten van de verschillende fases van het vervolgproces (ontwikkel-, pilots- en implementatiefases) en de wijze waarop vooral leraren en schoolleiders daarbij betrokken zijn.

1 en 3

Lerarenbeleid

Ex anteEx post

2020-2021

Het lerarenbeleid is gericht op de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. De evaluatie is mede gericht op het ontwikkelen van voorstellen voor een volgende kabinetsperiode.De Tweede Kamer is op 15 september 2020 geïnformeerd over het plan van aanpak voor de strategische evaluatie lerarenbeleid. Deze evaluatie bestaat uit twee onderdelen. De centrale vraag van onderdeel één (de beleidsreconstructie) was in hoeverre het beleid en de daarbij gebruikte beleidsinstrumenten, die zijn ingezet in de periode 2013-2020 om meer leraren aan te trekken en/of te behouden en de professionele ontwikkeling van leraren te bevorderen, doelmatig en effectief zijn geweest. Het rapport, dat geschreven is door ResearchNed en SEO, is op 14 juni 2021 naar De Tweede Kamer gestuurd.Voor onderdeel twee van de strategische evaluatie worden drie externe deskundigen gevraagd om advies te geven voor toekomstig lerarenbeleid. Aan hen zijn volgende drie vragen voorgelegd (onder voorbehoud):1. in welke richting zou het lerarenbeleid zich moeten ontwikkelen, gegeven de uitkomsten van de beleidsreconstructie en andere beschikbare analyses en onderzoeken;2. wat zijn veelbelovende sturingsmogelijkheden en/of beleidsinstrumenten;3. op welke wijze kan OCW daar meer samenhang en synergie in aanbrengen?De verwachting is het advies en de beleidsreactie in het najaar naar de Tweede Kamer te sturen.

1, 3, 4, 6 en 7

Wetenschapsbeleid

Ex duranteEx post

2020-2022

In 2021 staat de beleidsdoorlichting van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid gepland. Het onderzoek levert een overkoepelend beeld op van het beleidsterrein en de ontwikkelingen in het beleid sinds de vorige beleidsdoorlichting (het IBO Wetenschapsbeleid 2014). Kernvraag van de evaluatie is op welke wijze OCW-beleid de ontwikkeling, uitvoering en verspreiding van onderzoek in Nederland stuurt, en in hoeverre het instrumentarium en de sturingsfilosofie geschikt is om de doelen en ambities van het wetenschapsbeleid te behalen. Het kijkt daarnaast naar de methoden en maatstaven waarmee het wetenschapsbeleid geëvalueerd wordt en stelt de vraag of deze monitoring voldoende dekkend is om beleidsvragen van dit moment en in de toekomst te kunnen beantwoorden.De uitkomsten van de beleidsdoorlichting, die in de zomer 2021 wordt opgeleverd, zullen worden gebruikt om de domeinen voor de Strategische Evaluatieagenda vanaf 2022 te identificeren.

16

Beleidsdoorlichting cultuur (deel 1 en 2)

Ex anteEx post

2021-2022

In 2021 vindt een beleidsdoorlichting van artikel 14 (Cultuur) van de begroting plaats. De doorlichting bestaat uit twee onderdelen: een onderdeel erfgoed, onder de noemer ‘Behoud, beheer en toegankelijkheid van erfgoed’, en een onderdeel deelname aan cultuur onder de noemer ‘Cultuur van en voor iedereen’. Deze onderdelen omvatten vrijwel het gehele artikel 14.Het onderdeel erfgoed omvat onder meer de evaluatie van de Erfgoedwet. De evaluatie richt zich op de staat van het erfgoed in Nederland en op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de instrumenten.Het onderzoek binnen het onderdeel cultuur van en voor iedereen evalueert de doelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten die worden ingezet voor de toegankelijkheid en het bereik van cultuur in de periode 2001-2020. Er wordt onder meer gekeken naar directe en indirecte subsidies en programma’s en regelingen voor deelname aan cultuur.

14

Beleidsdoorlichting Media

Ex anteEx post

2019-2021

Het kabinet ontwikkelt een visie op het mediastelsel voor de komende concessieperiode (met ingang van 2027). De al geplande doorlichting media zal enerzijds een evaluatie van het mediabeleid zijn vanaf 2014, anderzijds worden benut om de visie verder uit te werken. Daarmee wordt ook vorm gegeven aan een toezegging aan de Eerste Kamer om een onderzoek te doen naar «duurzame versterking van de publieke omroep, zowel wettelijk als financieel, en gelet op het internationale krachtenveld».

15

Evaluatie specifieke corona steunmaatregelen cultuur

Ex anteEx post

2022-2023

In 2020 en 2021 is een aantal specifieke steunpakketten voor de culturele sector uitgevoerd voor een totaalbedrag van bijna een miljard euro. Deze steunpakketten zullen na afloop worden geëvalueerd, zoveel mogelijk aan de hand van reeds beschikbare informatie (verantwoordingsgegevens, CBS statistieken, brancheonderzoeken). Ook zal de relatie worden gelegd met de effecten van de generieke steunmaatregelen voor de sector.

14

Onderwijs- achterstandenbeleid (OAB)

Ex duranteEx post

2018-2025

Het kabinet heeft structureel € 170 miljoen extra uitgetrokken om de kwaliteit en kwantiteit van de voorschoolse educatie (ve) te verhogen: het aanbod voor peuters met een risico op een onderwijsachterstand wordt uitgebreid van 10 naar 16 uur per week. Ook krijgt de kwaliteit van de ve een impuls door de inzet van extra personeel op hbo-niveau vanaf 2022. In totaal ontvangen gemeenten € 510 miljoen voor gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.Daarnaast zijn er middelen voor het basisonderwijs beschikbaar voor het verminderen van onderwijsachterstanden. Scholen krijgen structureel circa € 325 miljoen per jaar. De middelen voor zowel scholen als gemeenten worden vanaf 2019 verdeeld op basis van een nieuwe indicator die door het CBS is ontwikkeld.Er is een breed monitorings- en beleidsevaluatieprogramma opgesteld, om zowel de implementatie van het beleid als de beoogde effecten in de praktijk te onderzoeken. Het programma loopt van 2018 tot 2025 en bestaat uit verschillende onderzoeken.Een belangrijk onderzoek betreft het ‘implementatie- en bestedingsonderzoek gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid’. Het implementatieonderzoek geeft aan de hand van herhaalde metingen een landelijk dekkend beeld van de implementatie van de maatregelen (urenuitbreiding en inzet hbo’er) door gemeenten en houders/kindercentra. Het bestedingsonderzoek brengt tweemaal in beeld hoe gemeenten en aanbieders van kinderopvang de middelen voor onderwijsachterstandenbeleid inzetten. In 2024 zal een evaluatie plaatsvinden van de huidige uitkeringsvorm aan gemeenten (‘specifieke uitkering’).Een tweede belangrijk onderzoek betreft ‘EVENING’, een quasi-experimenteel onderzoek naar de effecten van de hierboven geschetste maatregelen (urenuitbreiding ve en inzet van een hbo-opgeleid personeel). Zien we nu dat daardoor de kwaliteit van ve omhoog gaat en ontwikkelen doelgroeppeuters zich daardoor beter? Oftewel: vergroten de extra investeringen in ve de kansengelijkheid?In 2019 werd de «gewichtenregeling» vervangen door een nieuwe manier om de rijksmiddelen voor onderwijsachterstanden te verdelen onder basisscholen en gemeenten. In de nieuwe werkwijze baseert het Ministerie van OCW zich op de CBS-indicator voor onderwijsachterstanden. Deze indicator wordt in 2025 herijkt.Als laatste maakt een R&D-programma deel uit van het onderzoeksprogramma. Het R&D-programma omvat een kennisdelingscomponent om bestaande en nieuwe kennis over effectief onderwijsachterstandenbeleid beter ingang te doen hebben in de onderwijspraktijk. Daarnaast wordt een onderzoek gedaan naar wat voor beleid scholen voeren om onderwijsachterstanden tegen te gaan, en welke redeneerlijnen daaraan ten grondslag liggen (‘OAB in de school’).

1

Monitoring verbetermaatregelen passend onderwijs

Ex duranteEx post

2021-2026

In 2020 is het passend onderwijsbeleid geëvalueerd en aangescherpt, en is een Verbeteraanpak passend onderwijs opgesteld samen met het onderwijsveld. Naast de uitvoering van de Verbeteraanpak passend onderwijs zal een meerjarig monitoring- en evaluatieprogramma lopen, met als doel de voortgang te volgen, periodiek te evalueren samen met het onderwijsveld, en waar nodig beleid en uitvoering bij te sturen. De hoofdvragen van het meerjarige programma zijn:1. (a) wat is de voortgang op de 7 doelstellingen van passend onderwijs? (b) In hoeverre worden de doelstellingen van de Verbeteraanpak bereikt;2. (a) hoe verloopt de uitvoering van de diverse maatregelen, en (b) in hoeverre zijn de maatregelen effectief? (c) In hoeverre dragen de verbetermaatregelen bij aan het realiseren van de doelstellingen van passend onderwijs;3. in welke mate kan het stelsel voor funderend onderwijs bijdragen aan het komen tot inclusiever onderwijs?Het onderzoek verloopt over drie sporen:1. een jaarlijkse monitor van 2022 tot en met 2026 naar de zeven doelstellingen van passend onderwijs;2. tussentijdse evaluatieve onderzoeken naar de voortgang, werking en doeltreffendheid van de beleidsmaatregelen uit de verbeteraanpak;3. een onafhankelijke evaluatie van de verbeteraanpak in 2027, waarin ook wordt gekeken naar de mate waarin het stelsel voor het funderend onderwijs kan bijdragen aan het komen tot inclusiever onderwijs.

1 en 3

Evaluatie en monitoring Nationaal Programma Onderwijs

Ex duranteEx post

2021-2023

Op 17 februari 2021 is de Tweede Kamer geïnformeerd over het Nationaal Programma Onderwijs. Dit programma bestaat uit maatregelen gericht op het aanpakken van onderwijsachterstanden, extra ondersteuning en inhaalmogelijkheden, en intensivering van de begeleiding van leerlingen en studenten. De ambitie is om eind 2022 de ontstane achterstanden op het gebied van kwalificatie, persoonsvorming en socialisatie, maar ook op het gebied van stages in het mbo en hoger onderwijs, grotendeels te hebben weggewerkt.Primair en voortgezet onderwijsVoor het primair en voortgezet onderwijs worden er drie verschillende monitors opgezet:1) ImplementatiemonitorHet is de bedoeling dat deze monitor inzicht geeft in hoe de implementatie van het NP Onderwijs bij scholen en gemeenten verloopt. Onderzoeksvragen richten zicht op de interventies die gekozen worden, ondersteuningsbehoeften van scholen, uitvoeringsproblematiek, ervaren brede opbrengsten en hoe inzichten die dankzij de corona crisis en het NP Onderwijs worden opgedaan duurzaam kunnen worden geborgd.2) ResultaatmonitorDeze monitor is erop gericht om de aard en de omvang van de achterstanden in kaart te brengen. De monitor richt zich zowel op achterstanden op cognitief als op sociaal emotioneel vlak. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van DUO data, data van de Inspectie en LVS gegevens en daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op gegevens die voor de corona crisis ook al werden verzameld. Het doel is om de deelname aan het Nationaal Cohort Onderzoek (NCO) in het po uit te breiden en in het vo versneld in te voeren. Voor de sociaal-emotionele kant wordt aansluiting gezocht bij al bestaande monitoren van het NJI en Trimbos. Daarnaast wordt er gekeken naar mogelijkheden om een extra module aan het NCO toevoegen voor het in kaart brengen van sociaal emotionele vaardigheden. Aanvullend wordt er nog nagedacht over diepteonderzoek waarmee meer inzicht wordt verkregen in de achterstanden bij leerlingen die voorschoolse educatie volgen.3) EffectmetingScholen kunnen in het kader van het Nationaal Programma bewezen effectieve interventies kiezen vanuit een menukaart. Om de wetenschappelijke onderbouwing van een aantal deze interventies te versterken en meer kennis op te doen over de effecten van de interventies in de Nederlandse situatie, wordt een effectmeting opgezet. De effectmeting heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de meest effectieve interventies. Onderzoeksvragen hierbij zijn onder andere: ‘onder welke omstandigheden wordt het meeste effect bereikt? en ‘welk type leerling is er het meest bij gebaat?’. Het plan is om hiervoor 5-10 kansrijke interventies te kiezen gekozen en via een call bij NRO uit te zetten.Middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijsHet doel van monitoring, onderzoek en evaluatie is het zicht op effectieve interventies bij instellingen vergroten, het ‘van elkaar leren’ bevorderen en landelijk zicht houden op de (mix van) maatregelen die instellingen treffen. Daarbij wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van bestaande instrumenten en structuren voor monitoring en evaluatie gezien ook de beperkte doorlooptijd van het programma. Daar waar nodig zullen aanvullende onderzoeken en monitoring worden ingezet.Monitoring vindt op stelsel- en sectorniveau mede plaats via OCW-in-Cijfers; onderdeel is onder andere een meerjarige monitor om te zien hoe de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de instroom en doorstroom van studenten in het mbo en hoger onderwijs. Daarnaast wordt in overleg met MBO Raad, VH en VSNU een multidisciplinaire onderzoekslijn gestart om de effectiviteit van de maatregelen tussentijds en na afloop te evalueren.Instellingen kunnen van elkaar leren en gezamenlijk lessen voor de toekomst trekken. Instellingen geven daartoe gedurende het programma inzicht in mogelijke interventies en informeren elkaar over de effectieve inzet van de middelen d.m.v. kennisdeling en ‘bench-learning’. Daartoe wordt een zogenoemde ‘kenniscommunity’ opgestart bij het NRO, in samenspraak met de sectororganisaties.Er zullen twee onderzoeken ingesteld worden.1. Een implementatiemonitor; deze monitor volgt halfjaarlijks (van september 2021 tot en met voorzomer 2023) de ontwikkelingen op de instellingen van planvorming, implementatie en eerste opbrengsten tot de evaluatie. Op deze wijze wordt een vinger aan de pols gehouden over de plannen, de betrokkenheid van stakeholders, feitelijke acties die door scholen in gang worden gezet en de studenten die zij bereiken. De rapportage vormt een grondslag voor de voortgangsrapportage en brief die aan de Kamer is toegezegd.2. De macromonitor; om (jaarlijks tot en met schooljaar 2022-23) een beeld te krijgen van de effecten van het programma wordt een semi-experimenteel cohortonderzoek gestart. In dit onderzoek zal een aantal kernindicatoren van pre-corona-cohorten gevolgd worden en worden vergeleken met diezelfde indicatoren van cohorten studenten gedurende corona, waarbij de effecten van het Nationaal Programma Onderwijs dienen te leiden naar een verondersteld herstel van de indicatoren naar (tenminste) pre-corona-waarden. Dit jaar wordt gestart met het ontwikkelen van de cohortestanden en de koppeling van de benodigde gegevens om de indicatoren te berekenen. Vervolgens zal jaarlijks de ontwikkeling in kaart worden gebracht.

1, 3, 4, 6 en 7

NRO-programma Doelmatige leerwegen en kwalificatiestructuur mbo

Ex duranteEx post

2016-2021

Momenteel zijn twee belangrijke beleidsinterventies in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) aan de orde: de inwerkingtreding van de wet ‘Doelmatige leerwegen’ en de herziening van de kwalificatiestructuur. Sinds de wet ‘Doelmatige leerwegen’ is ingegaan zijn onderwijsinstellingen verplicht jongeren direct op het juiste niveau van een mbo-opleiding in te schrijven. Eerder werden jongeren soms gedwongen op een lager opleidingsniveau te starten. Ook worden mbo-opleidingen ingekort. Algemeen doel van de tweede beleidsinterventie, de herziene kwalificatiestructuur, is het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Met deze meerjarige evaluatie worden de voorgang van de implementatie, en de beoogde en onbedoelde effecten in beeld gebracht. Dit gebeurt via drie deelprojecten:1. de implementatiemonitor volgt de implementatie van de beleidsmaatregelen op de verschillende niveaus aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve data;2. de effectevaluatie kijkt vooral naar de kwantitatieve effecten van het beleid (implementatie-effecten en outcome) aan de hand van beschikbare, bestaande databestanden en eigen dataverzameling;3. in de verklarende evaluatie wordt naar een verklaring gezocht voor optredende (gewenste en ongewenste) effecten.

4

Kwaliteitsafspraken mbo

Ex post

2019-2023

Met de Regeling kwaliteitsafspraken 2019-2022 worden mbo-instellingen gestimuleerd de onderwijskwaliteit te verbeteren. Met de opstelling van een kwaliteitsplan komt een instelling in aanmerking voor een deel van het landelijk investeringsbudget. Vanaf 2019 tot en met 2022 kan iedere instelling aan de slag met de eigen (regionale) situatie. Instellingen kunnen bijvoorbeeld werken aan de verbetering van opleidingen en aansluiting bij de arbeidsmarkt, professionalisering van onderwijsteams, en het onderwijsaanbod voor leven lang ontwikkelen. Zij werken hierbij samen met bedrijven, gemeenten, en andere instellingen. De vraag staat of deze wijze van instrumentatie en de specifiek gekozen interventies leiden tot effectieve en doelmatige aanpak van de verdere verbetering van de onderwijskwaliteit, waarbij elk van de instellingen eigen accenten en invulling kan kiezen. Doel van de evaluatie is om inzicht te geven in het functioneren van de aanpak en in de effecten op de kwaliteit van het onderwijs.

4

Wet op het Onderwijstoezicht

Ex post

2022

Op 1 juli 2017 is de wet van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog voor een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht (initiatiefwet Bisschop c.s.) van kracht geworden. Deze wet heeft de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) en de sectorwetten gewijzigd. De initiatiefwet vraagt om een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze initiatiefwet in de praktijk, binnen vijf jaar na inwerkingtreding. Uiterlijk 30 juni 2022 moet de evaluatie bij de Staten-Generaal liggen. De evaluatie heeft betrekking op de beleidsdomeinen primair en voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, en hoger onderwijs.Het doel van de wet is om de pedagogisch-didactische ruimte te beschermen tegen overheidsbemoeienis door duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de inspectie. Onderdelen hiervan zijn een onderscheid tussen oordelen en stimuleren en een verandering in het samenspel tussen ministers, parlement en inspectie. Deze evaluatie richt zich op de praktische uitwerking van de initiatiefwet.De evaluatie kan aanleiding geven voor aanpassing van de WOT, sectorwetten, of aanpassing/verbetering van de uitvoering van de WOT door de inspectie. Onderdeel van de evaluatie is een aantal aanbevelingen op basis van de uitkomsten van de evaluatie, bijvoorbeeld voor betere wetgeving, onderzoekskaders van de inspectie, en voor communicatie richting scholen en besturen over de stimulerende en oordelende aspecten binnen de WOT.

Inspectie van het Onderwijs (1, 3, 4, 6 en 7)

Samenwerken met gemeenten

Ex post

2021-2022

Vanuit de directie Emancipatie wordt zowel op het vlak van lhbti-emancipatie als het terrein van gendergelijkheid de samenwerking met gemeenten gezocht. Op dit moment bestaan er twee grote samenwerkingsverbanden: de Regenboogsteden en Veilige Steden. De samenwerking bestaat uit twee hoofdcomponenten: cofinanciering voor initiatieven en plannen van gemeenten die deelnemen aan de programma’s en ondersteuning door een externe partij. In dit geval Movisie bij Regenboogsteden en Regioplan bij Veilige Steden. Naast één op één ondersteuning voor gemeenten ontwikkelen zij ook handreikingen en organiseren ze workshops en bijeenkomsten voor gemeenten.Gemeenten kunnen geen subsidie aanvragen bij het Rijk en kunnen ook niet in opdracht van de Rijksoverheid werken. De extra middelen voor deze programma’s worden daarom d.m.v. een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds gestort. De overheid mag niet sturen op een decentralisatie-uitkering, mag geen voorwaarden stellen en kan achteraf ook geen middelen terugvorderen in het geval de middelen niet, of anders besteed zijn.De vraag is dus hoe effectief deze manier van samenwerking is. Beide programma’s zijn of worden inhoudelijk geëvalueerd, waarbij gekeken wordt naar de opbrengsten van de programma’s op lokaal niveau. Omdat iedere gemeente de middelen anders besteedt, is het lastig om op basis van die evaluaties op een geaggregeerd niveau iets te zeggen over de effectiviteit en opbrengsten van het programma als geheel. Daar is deze evaluatie voor bedoeld: om op dat hogere niveau te kijken naar de manier waarop de samenwerking met gemeenten momenteel vorm krijgt en of dit een effectieve bijdrage levert aan de emancipatiedoelstellingen.Het gaat hier om de evaluatie van het ‘instrument’. De samenwerking met gemeenten vanuit de directie Emancipatie bestaat uit een aantal vaste onderdelen die hetzelfde zijn bij Regenboogsteden en bij Veilige Steden. Het gaat in deze evaluatie dus niet om de inhoudelijke opbrengsten per gemeente, maar om de effectiviteit en doelmatigheid van de programma’s.Mogelijke vragen:- hoe verhouden de activiteiten die de gemeenten ontwikkelen zich tot de doelstellingen uit het emancipatiebeleid;- geven de middelen een extra impuls aan het beleid op lokaal niveau? In hoeverre worden er nieuwe initiatieven of extra dingen gedaan, die zonder de aansporing vanuit de directie Emancipatie niet waren gebeurd;- in hoeverre zorgt de ondersteuning door een externe partij ervoor dat er initiatieven worden ontwikkeld die bijdragen aan de emancipatiedoelstellingen;- in hoeverre zorgt de ondersteuning voor betere kwaliteit van initiatieven;- in hoeverre biedt de ondersteuning mogelijkheden om indirect te sturen op kwaliteit? En zorgt dit er in voldoende mate voor dat de ‘juiste (die bijdragen aan onze doelstellingen)’ dingen worden gedaan?

25

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel 20 Overzicht verstrekte garantie (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande garanties 2020

Geraamd te verlenen 2021

Geraamd te vervallen 2021

Uitstaande garanties 2021

Geraamd te verlenen 2022

Geraamd te vervallen 2022

Uitstaande garanties 2022

Garantie-plafond

Totaal plafond

7

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

138.503

0

0

138.503

0

0

138.503

176.631

14

Achterborgovereenkomst NRF

350.909

27.385

17.264

361.031

0

0

361.031

380.000

14

Indemniteits-regeling

70.897

140.750

37.053

174.594

0

0

174.594

300.000

Toelichting

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de Achterborg.

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

3. Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Primair onderwijs

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 21 Kengetallen

Kengetal

  

2016

2017

2018

2019

2020

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

 

0,08%

0,09%

0,10%

0,12%

0,12%

Aantallen

 

1.197

1.396

1.525

1.771

1.751

2

Aandeel leerlingen dat de referentie niveaus lezen, taal en rekenen haalt2

Lezen3

1F

98%

97%

98%

98%

n.v.t.

 

2F

76%

67%

75%

78%

n.v.t.

Taalverzorging

1F

96%

96%

96%

97%

n.v.t.

 

2F

56%

57%

59%

60%

n.v.t.

Rekenen

1F

92%

93%

93%

94%

n.v.t.

 

1S

44%

48%

49%

47%

n.v.t.

3

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd4

  

78%

81%

80%

87%

87%

4

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt5

  

97%

97%

n.v.t.

1

De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats. De cijfers bestaan uit po en (v)so. Ten opzichte van voorgaande jaren zijn er twee dingen anders in 2020, waardoor de cijfers lastig te vergelijken zijn: Drie gemeenten zijn overgestapt op een ander systeem, die cijfers worden niet meer meegenomen en vanwege COVID-19 zijn de verzuimcijfers anders. Tijdens schoolsluiting in voorjaar waren scholen immers niet verplicht om verzuimmeldingen door te geven aan gemeenten.

2

De opgenomen cijfers betreffen het in de CvTE-rapportage 2016-2017 opgenomen bijgestelde aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015-2016. Dit is het eerste schooljaar met verplichte rapportage. 2017 en 2018: Kamerstukken II 2018/2019, 31293, nr. 422. De opgenomen cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2016-2017 (bijgesteld t.o.v. CvTE-rapportage 2016-2017) en in schooljaar 2017-2018. 2019: DUO. Deze cijfers betreffen schooljaar 2018-2019. De kengetallen op de referentieniveaus worden gebaseerd op de eindtoetsgegevens. De eindtoets is vanwege de scholensluiting door COVID-19 niet afgenomen, dus er zijn geen cijfers voor 2020.

3

De cijfers voor Lezen van 2017 verschillen met eerder gepubliceerde cijfers. Dit is te wijten aan het verschil in bronnen. In eerdere jaren is namelijk alleen naar de Centrale Eindtoets gekeken (die toen nog door het overgrote deel van de leerlingen werd gemaakt) en daarna is gewisseld naar alle eindtoetsen (aangezien inmiddels de helft van de leerlingen een andere eindtoets maakt dan de Centrale Eindtoets).

4

Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd: 1: Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector; 2: Er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar. Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector en daarom iets gewijzigd.

5

Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten, maar de monitor sociale veiligheid heeft in 2020 niet plaatsgevonden in verband met COVID-19 en de schoolsluiting.

Tabel 22 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1.000)1
  

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Leerlingen basisonderwijs

 

1.386,0

1.372,9

1.361,9

1.350,9

1.345,3

1.337,6

1.330,1

Leerlingen trekkende bevolking2

 

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

 

1.386,4

1.373,3

1.362,3

1.351,3

1.345,7

1.338,0

1.330,5

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

 

35,7

35,3

35,0

34,7

34,6

34,4

34,3

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

 

70,2

70,7

71,5

72,4

73,3

74,0

74,5

Totaal PO3

 

1.492,3

1.479,3

1.468,8

1.458,4

1.453,6

1.446,4

1.439,3

1

Bron: Jaarverslag OCW 2019 en Referentieraming 2020

2

Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

3

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 23 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Primair onderwijs1

8,2

9,1

9,1

8,5

8,4

8,4

8,4

Bekostiging2

7,7

8,4

8,6

8,0

8,0

8,0

8,0

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

6,3

7,0

7,2

6,6

6,6

6,6

6,6

1

De totale uitgaven uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO’s/RWT’s, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

2

De bekostiging uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

3

De bekostiging uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel 'Ondersteuningsmiddelen', gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van primair onderwijs (po) worden beschreven bij het onderdeel beleidsprioriteiten.

Daaruit wordt duidelijk dat schooljaar 2021/2022 vooral in het teken staat van het Nationaal Programma Onderwijs en het inhalen van opgelopen cognitieve en sociaal-emotionele achterstanden. Ook het op orde brengen van de ventilatie krijgt in het schooljaar 2021/2022 een impuls. Het kabinet heeft hiervoor € 360,0 miljoen vrijgemaakt (Kamerstukken II 2020-2021 31293, nr. 555), waarvan via de Regeling specifieke uitkering ventilatie in scholen (SUViS) in 2021 reeds € 100,0 miljoen beschikbaar is gesteld. Naar aanleiding van de motie van de Tweede Kamerleden Westerveld-Kuiken van 14 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1368), waarin de regering wordt verzocht urgentie te betrachten in het oplossen van ventilatieproblemen bij scholen en deze zomer hierop al inzet te plegen, wordt in totaal € 100,0 miljoen vanuit de aanvullende post toegevoegd aan de begroting van BZK voor 2021 en 2022. Dit betreft een deel van de middelen die nu nog op de aanvullende post staan voor de aanpak van ventilatie in schoolgebouwen. Met de middelen worden alle tot 1 juli 2021 ingediende aanvragen voor de SUViS gehonoreerd en kan er aanvullend een tweede tijdvak worden opengesteld. Ventilatie is vaak niet het enige wat moet worden aangepakt in een schoolgebouw; het kan nodig zijn om investeringen in de onderwijshuisvesting in samenhang te doen. Mede hierom zijn er ook nog middelen op de aanvullende post gereserveerd voor 2022 en 2023 (in totaal € 160,0 miljoen) voor een vervolgregeling, waarin de ervaringen met de SUViS en de uitkomsten van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Onderwijshuisvesting worden meegenomen (Kamerstukken II 2020-2021 35570, nr. 213).

Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

12.603.439

14.808.736

12.593.171

12.291.817

12.229.038

12.253.785

12.188.466

Totale uitgaven

12.226.291

13.480.987

13.432.668

12.423.101

12.196.591

12.227.393

12.162.162

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,89%

    
        

Bekostiging

11.432.864

12.394.074

12.607.996

11.636.331

11.488.797

11.512.676

11.443.260

Bekostiging po-instellingen

11.076.356

11.450.793

11.480.147

11.353.183

11.282.951

11.306.616

11.237.250

Bekostiging Caribisch Nederland

19.959

23.953

21.446

19.604

19.614

19.828

19.828

Prestatiebox

295.031

194.246

0

0

0

0

0

Aanvullende bekostiging

14.856

76.567

155.536

155.536

155.536

155.536

155.486

Aanpak lerarentekort G5

26.662

30.696

30.696

30.696

30.696

30.696

30.696

Aanvullende bekostiging NP Onderwijs

0

617.819

920.171

77.312

0

0

0

Subsidies (regelingen)

214.053

404.448

113.785

113.135

113.322

114.684

116.123

Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

21.237

23.723

23.724

23.724

23.724

23.724

23.724

Nederlands onderwijs buitenland

12.239

13.319

13.319

13.319

13.319

13.319

13.319

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

13.102

13.879

14.408

14.936

15.465

15.465

15.465

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

115.835

80.360

0

0

0

0

 

Extra hulp voor de klas

0

204.000

0

0

0

0

0

Overige subsidies

51.640

69.167

62.334

61.156

60.814

62.176

63.615

Opdrachten

7.772

53.204

28.692

24.843

11.652

12.715

13.837

Opdrachten

7.772

21.804

28.692

24.843

11.652

12.715

13.837

Sneltesten

0

31.400

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

39.448

36.697

32.246

31.703

32.403

32.559

34.703

Dienst Uitvoering Onderwijs

39.448

36.697

32.246

31.703

32.403

32.559

34.703

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

17.375

7.260

7.260

7.260

7.260

7.260

7.260

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds

15.975

4.702

4.702

4.702

4.702

4.702

4.702

UWV

1.400

2.558

2.558

2.558

2.558

2.558

2.558

Bijdrage aan medeoverheden

514.779

585.304

642.536

590.591

530.672

535.014

534.494

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

509.159

520.713

521.212

521.213

521.212

521.212

521.212

Caribisch Nederland

5.620

17.753

20.394

20.348

6.460

10.802

10.282

Scholenprogramma Groningen

0

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Nationaal Programma Onderwijs

0

43.838

97.930

46.030

0

0

0

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

153

19.238

12.485

12.485

12.485

Brede scholen

0

0

0

12.485

12.485

12.485

12.485

BES(t)4kids

0

0

153

6.753

0

0

0

Ontvangsten

26.681

28.861

9.308

9.208

9.208

9.208

9.208

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

12.603.439

14.808.736

12.593.171

12.291.817

12.229.038

12.253.785

12.188.466

waarvan garantieverplichtingen

4.389

3.047

     

waarvan overig

12.599.050

14.805.689

12.593.171

12.291.817

12.229.038

12.253.785

12.188.466

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 1 is voor 2022 99,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget in 2022 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben onder meer betrekking op de lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de regelingen personele bekostiging en materiële instandhouding. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het (school)jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2022 is voor 88,8 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2022 is voor 88,3 procent juridisch verplicht. Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2022 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget in 2022 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2022 is 99,8 procent juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht.

Bekostiging

Bekostiging po-instellingen

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen. Daarnaast wordt via de groeibekostiging en de directie- en de kleine scholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school. Met de groeibekostiging is circa € 72,0 miljoen gemoeid, met de directietoeslag circa € 220,0 miljoen en met de kleine scholentoeslag circa € 140,0 miljoen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid ((speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) waar circa € 380,0 miljoen mee is gemoeid.

Voor de aanpak van werkdruk is in schooljaar 2022/2023 € 380,0 miljoen beschikbaar, waarvan € 48,3 miljoen uit de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs. Ook is er vanuit het Nationaal Programma Onderwijs voor kalenderjaar 2022 € 58,0 miljoen voor nieuwkomersbekostiging beschikbaar en € 17,7 miljoen voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) die vertraging hebben opgelopen.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en deels middelen die rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van passend onderwijs besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

De tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

Tabel 25 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2022

2023

2024

2025

2026

Lichte ondersteuning - Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

430

425

420

415

415

Zware ondersteuning - cluster 1 en 2

300

300

300

300

300

Zware ondersteuning - samenwerkingsverbanden primair onderwijs

645

635

630

630

625

Zware ondersteuning - samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs1

645

635

630

630

625

Lichte en zware ondersteuning - Totaal artikel 1

2.020

1.995

1.980

1.975

1.965

1

Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan en is inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd voor onderwijs in gesloten jeugdzorg en justitiële inrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. Voor schooljaar 2022/2023 is in totaal € 155,5 miljoen aan aanvullende bekostiging beschikbaar. Daarvan is € 14,0 miljoen voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs po en vo om een onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen (verder) te ontwikkelen. Verder is € 137,6 miljoen specifiek beschikbaar voor de verdere professionalisering van het personeel en de begeleiding van startende leraren en schoolleiders.

Aanpak tekorten G5

Naast de aanvullende bekostiging ontvangen de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere middelen voor de aanpak van het lerarentekort.

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

Alle scholen ontvangen aanvullende bekostiging voor de inzet van gekozen bewezen effectieve interventies om de door corona opgelopen vertragingen te herstellen. Ook zijn er middelen beschikbaar voor een arbeidsmarkttoelage. De scholen met de hoogste achterstanden op basis van de CBS-indicator achterstanden en de cumi-indicator komen in aanmerking voor deze arbeidsmarkttoelage.

Subsidies

Om verschillende beleidsdoelstellingen te behalen, worden subsidies verstrekt (zie de subsidiebijlage voor het totaaloverzicht). De grootste subsidies zijn de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten (€ 23,7 miljoen), de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland (€ 13,3 miljoen) en de Regeling subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (€ 14,4 miljoen). De Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten voorziet in diverse hulpmiddelen zodat deze leerlingen met goed gevolg onderwijs (van basis- tot en met hoger onderwijs) kunnen volgen.

Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor bewegingsonderwijs, voor onderwijs aan zieke leerlingen en voor het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de uitvoeringskosten van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel. In 2022 worden overboekingen uitgevoerd naar artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) van uitgaven voor onderzoeken uitgevoerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voor passend onderwijs, onderwijsachterstanden, vve en werkplaatsonderzoeken en naar DUO voor de uitvoeringskosten in relatie tot de (adaptieve) eindtoets.

Bijdrage aan agentschappen

DUO is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatie-voorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor begrotingsartikel 1.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

De stichtingen Vervangingsfonds (VF) en Participatiefonds (PF) ontvangen als privaatrechtelijke ZBO’s middelen voor het beheren en verevenen van respectievelijk de vervangings- en werkloosheidsuitgaven van schoolbesturen in het primair onderwijs. De kosten die het VF en PF vergoeden worden nagenoeg geheel gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het Ministerie van OCW verstrekt een (vaste) bijdrage in de kosten van het ondersteunende bureau van de fondsen.

Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder vve, schakelklassen en zomerscholen.

Tabel 26 Overzicht Specifieke Uitkering (bedragen x € 1.000)
  

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1.

Ontvangende partij(en)

      
 

Diverse gemeenten1

520.713

521.212

521.213

521.212

521.212

521.212

 

Korte omschrijving uitkering

      
 

Het betreft de specifieke uitkeringen op onderwijsachterstandenbeleid.

 

Vindplaats regelgeving

 
 

Besluit specifieke uitkering gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

2.

Ontvangende partij(en)

      
 

Alle gemeenten2

43.838

97.930

46.030

0

0

0

 

Korte omschrijving uitkering

      
 

Het betreft de specifieke uitkeringen voor het Nationaal Programma Onderwijs.

 

Vindplaats regelgeving

 
 

n.n.b.

3.

Ontvangende partij(en)

      
 

Diverse gemeenten3

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

Korte omschrijving uitkering

      
 

Het betreft de specifieke uitkeringen voor het scholenprogramma Groningen.

 
 

Vindplaats regelgeving

 
 

n.n.b.

 
1

Gemeenten met ten minste één achterstandskind dat binnen de 15% doelgroep onderwijsachterstandenbeleid valt.

2

Alle gemeenten, waarbij gemeenten met meer leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand meer middelen ontvangen.

3

Het Hogeland, Groningen, Midden-Groningen en Eemsdelta.

Caribisch Nederland

Naast de GOAB-middelen voor gemeenten bevat dit financiële instrument middelen die worden ingezet voor het OCW-beleid in Caribisch Nederland. Dat behelst onder meer het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. In 2022 gaat het om een bedrag van € 20,5 miljoen aflopend naar € 10,4 miljoen in 2026.

Scholenprogramma Groningen

Voor het scholenprogramma Groningen is er tot en met 2034 vanuit het Ministerie van OCW jaarlijks € 3,0 miljoen beschikbaar om 101 scholen aardbevingsbestendig en toekomstbestendig te maken.

Nationaal Programma Onderwijs

Gemeenten ontvangen in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs middelen voor aanvullende interventies voor leerlingen. Gemeenten nemen een centrale rol in bij het bevorderen van het samenwerken of het bieden van ondersteuning op scholen. Denk hierbij aan terreinen waar de gemeente nu al een verantwoordelijkheid heeft: de bestrijding van onderwijsachterstanden, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp, sociaal werk of de vve.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Brede scholen

Er worden aan het Gemeentefonds structureel middelen (€ 11,8 miljoen) ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatie-functies». Voor 2020 tot en met 2022 zijn deze middelen reeds overgeboekt. Vanuit artikel 14 (Cultuur) wordt ook een bijdrage geleverd van € 1,0 miljoen; dit maakt de totale bijdrage van het Ministerie van OCW € 12,8 miljoen. Het doel van deze impuls is om onder andere sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen te versterken.

BES(t) 4 kids

Zoals beschreven bij het onderdeel «bijdrage aan medeoverheden», ontvangen gemeenten in Europees Nederland middelen via een specifieke uitkering voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Het Ministerie van OCW levert via het programma «BES(t) 4 kids» via een jaarlijkse bijdrage van € 6,6 miljoen ook op Caribisch Nederland een bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, alvorens de kinderen op school komen. De middelen tot en met 2022 zijn reeds overgeboekt. Het programma «BES(t) 4 kids» is een samenwerking tussen de Ministeries van SZW, VWS, BZK en OCW en gericht op het versterken van de kinderopvang (inclusief voorschoolse educatie) en de buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland.

3.2 Artikel 3. Voortgezet onderwijs

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 27 Kengetallen

Kengetal

 

2016

2017

2018

2019

2020

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

0,19%

0,19%

0,18%

0,19%

0,18%

Aantallen

1.873

1.853

1.828

1.912

1.755

2

Aandeel zittenblijvers2

 

5,15%

5,40%

5,71%

5,91%

3,32%

3

Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren3

 

95,20%

95,70%

95,90%

96,00%

 

4

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd4

 

93%

90%

86%

86%

89%

5

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt5

 

95%

97%

n.v.t.

6

Aantal vsv’ers6

 

22.953

23.744

25.666

26.894

22.785

7

Meer leerlingen doen eindexamen in vakken op hoger niveau7

 

0,96%

1,20%

1,54%

1,80%

 
1

Het betreft het aantal leerlingen dat 3 of meer maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan. De cijfers bestaan uit het vo en zijn exclusief voortgezet speciaal onderwijs (vso). De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats. Ten opzichte van voorgaande jaren zijn er twee dingen anders in 2020 waardoor de cijfers lastig te vergelijken zijn. Drie gemeenten zijn overgestapt op een ander systeem, die cijfers worden niet meer meegenomen en vanwege COVID-19 zijn de verzuimcijfers anders. Tijdens de schoolsluiting in het voorjaar waren scholen immers niet verplicht om verzuimmeldingen door te geven aan gemeenten.

2

Bron: DUO. Er zijn minder zittenblijvers in 2020 dan in voorgaande jaren omdat veel scholen soepel zijn omgegaan met de overgangsregeling vanwege corona. Ook heeft er een correctie in de berekening van het aantal zittenblijvers plaatsgevonden. De doorstroom naar een niet-bekostigde mbo instelling wordt nu namelijk ook gerekend tot de categorie ‘naar mbo’. Hierdoor wijken de percentages zittenblijvers in deze begroting iets af van de percentages in eerdere versies. Verder zijn nieuwkomers, net als in 2019, niet meegenomen in de berekening van het aantal zittenblijvers.

3

: vakken en bevoegdheden in het vo, peildatum 1 oktober 2019, CenterData, december 2020.

4

Begeleiding van beginnende leraren, 2020. Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd. Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector en er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar. Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector.

5

Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten, maar de monitor sociale veiligheid heeft in 2020 niet plaatsgevonden in verband met COVID-19 en de schoolsluiting.

6

Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv’ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

7

Dit kengetal heette voorheen 'Meer studenten volgen vakken op hoger niveau'. In 2020 is de Examenmonitor aangepast vanwege het schrappen van de eindexamens en ontbreekt informatie over het aantal leerlingen dat eindexamen doet in vakken op een hoger niveau.

Tabel 28 Leerlingen voortgezet onderwijs (aantallen x 1.000)1
  

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1

Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000). Nader te verdelen in:

937,2

935,7

934,7

936,8

932,3

923,7

915,4

 

vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-2

372,3

375,8

376,4

375,7

370,3

361,6

359,4

 

vmbo leerjaar 3-4

190,5

184,3

182,2

183,5

184,0

183,9

181,2

 

havo/vwo leerjaar 3

93,5

93,6

94,6

95,4

94,6

94,5

91,9

 

havo/vwo vanaf leerjaar 4

248,2

246,5

245,2

245,8

246,9

247,2

246,6

 

pro alle jaren

29,8

30,0

30,3

30,6

30,6

30,6

30,4

 

vavo vo

2,9

5,6

5,9

5,9

5,9

5,9

6,0

2

Totaal aantal scholen

648

648

648

648

648

648

648

3

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1446

1444

1442

1446

1439

1425

1413

1

Bron: Referentieraming 2020

Tabel 29 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1. 000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Voortgezet onderwijs1

9,6

10,7

10,4

9,7

9,6

9,7

9,7

Bekostiging2

9,4

10,1

10,2

9,5

9,5

9,6

9,6

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

8,7

9,3

9,4

8,7

8,8

8,8

8,8

1

De totale uitgaven uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO’s/RWT’s, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingaantallen.

2

De bekostiging uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingenaantallen.

3

De bekostiging uit tabel budgettaire gevolgen van beleid, minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel ondersteuningsmiddelen, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel leerlingaantallen.

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van het voortgezet onderwijs zijn beschreven in de beleidsagenda.

In het kader van het Nationaal Programma Onderwijs breidt de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) haar activiteiten uit. In de 50 gemeenten waar reeds een GKA-agenda is, wordt deze uitgebreid en in 50 nieuwe gemeenten wordt een agenda opgesteld. Daarnaast maakt de GKA met gemeenten die dat willen afspraken over een uitbreiding van de agenda voor het tegengaan van segregatie, dit in het kader van de Beleidsagenda segregatie.

Tabel 30 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

9.265.679

11.040.053

9.092.260

9.089.949

9.093.754

9.056.685

9.015.753

Totale uitgaven

9.135.685

10.219.137

9.665.622

9.157.468

9.092.894

9.059.337

9.014.085

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,0%

    
        

Bekostiging

8.837.248

9.646.879

9.265.929

8.903.923

8.895.530

8.861.543

8.811.976

Bekostiging vo-instellingen

8.477.175

8.813.970

8.846.103

8.720.996

8.745.743

8.711.758

8.666.941

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv aan vo-instellingen

18.157

17.648

18.057

18.057

18.057

18.057

18.057

Bekostiging Caribisch Nederland

18.211

20.358

17.336

17.654

17.259

17.257

17.257

Prestatiebox

323.705

0

0

0

0

0

0

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

0

109.931

109.931

109.931

109.931

109.931

109.721

Aanvullende regelingen leerlingendaling1

0

4.540

4.540

4.540

4.540

4.540

0

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

0

680.432

269.962

32.745

0

0

0

Subsidies (regelingen)

180.305

295.238

210.479

106.035

86.711

86.778

87.167

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

19.240

21.358

19.755

19.755

16.088

16.088

16.088

Pilots lente- en zomerscholen vo

6.933

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.209

Nieuwe leerweg

9.337

8.988

9.825

9.925

0

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

94.146

69.871

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

112.000

0

0

0

0

0

Regeling brede brugklas

0

0

102.000

0

0

0

0

Overige subsidies

50.649

74.021

69.899

67.355

61.623

61.690

61.870

Opdrachten

7.630

123.784

23.080

14.995

6.386

6.707

7.043

Opdrachten

7.630

25.234

23.080

14.995

6.386

6.707

7.043

Sneltesten

0

98.550

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

56.180

68.699

56.086

55.624

56.805

56.847

60.437

Dienst Uitvoering Onderwijs

56.180

68.699

56.086

55.624

56.805

56.847

60.437

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

54.103

56.224

47.151

47.176

47.176

47.176

47.176

College voor Toetsen en Examens

10.541

12.260

4.478

4.478

4.478

4.478

4.478

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen

43.562

43.964

42.673

42.698

42.698

42.698

42.698

Bijdrage aan medeoverheden

0

28.027

62.611

29.429

0

0

0

Nationaal Programma Onderwijs

0

28.027

62.611

29.429

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

219

286

286

286

286

286

286

GRAZ (ECML) en PISA

219

286

286

286

286

286

286

Ontvangsten

6.507

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

1

Dit budget is in 2020 ook beschikbaar en maakt onderdeel uit van de regel: 'bekostiging vo-instellingen'

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

9.265.679

11.040.053

9.092.260

9.089.949

9.093.754

9.056.685

9.015.753

waarvan garantieverplichtingen

40.312

29.727

     

waarvan overig

9.225.367

11.010.326

9.092.260

9.089.949

9.093.754

9.056.685

9.015.753

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 3 is in 2022 99,0 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2022 64,5 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden beschikt. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2022 is 13,2 procent juridisch verplicht. Hier valt onder meer de regionale begeleiding sterk techniekonderwijs onder. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van onvoldoende en (zeer) zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het komende jaar verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de specifieke uitkering naar gemeenten in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2022 is nog niet juridisch verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget snel juridisch wordt verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

Bekostiging

Bekostiging vo-instellingen

Vanaf 1 januari 2022 wordt de nieuwe vereenvoudigde bekostiging in het voortgezet onderwijs van kracht. Schoolbesturen in het voortgezet onderwijs (vo) ontvangen van de rijksoverheid een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. Vanaf 2022 is de basisbekostiging gebaseerd op het aantal vestigingen en het aantal leerlingen. Naast de basisbekostiging zijn er drie nieuwe aanvullende regelingen. Er zijn extra bijdragen voor leerlingen in de gemengde leerweg van het vmbo, voor vestigingen met een breed onderwijsaanbod en voor geïsoleerde vestigingen. Daarnaast wordt in de bekostiging rekening gehouden met bepaalde groepen leerlingen (leerplus, eerste opvang nieuwkomers en Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO)) en de regeling functiemix VO Randstadregio’s vanwege randstedelijke problematiek. Met het leerplusarrangement is € 52,1 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers € 96,3 miljoen, met de functiemix VO Randstad-regio’s € 68,8 miljoen en met IGVO € 7,4 miljoen. Voor de regeling sterk techniekonderwijs wordt in 2022 € 86,5 miljoen verstrekt.

Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In de onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

Tabel 31 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
   

2022

2023

2024

2025

2026

Lichte ondersteuning lwoo/pro

  

633

633

634

631

625

Regionale ondersteuning

  

99

98

99

98

97

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

  

732

731

733

729

722

Daarnaast is in het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat het groen onderwijs wordt overgeheveld naar het Ministerie van OCW. Met ingang van 2018 wordt het groen (voortgezet) onderwijs via artikel 3 bekostigd.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ook het deel voor het Nationaal Programma Onderwijs voor zowel vo als mbo is geraamd onder deze regel.

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

Scholen in het vo ontvangen middelen voor het verbeteren van strategisch personeelsbeleid, de begeleiding van startende leraren en schoolleiders, en het aanpakken van verzuim.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

VO-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging tot en met het schooljaar 2021/2022 op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie).

Aanvullende regeling leerlingendaling

Scholen ontvangen middelen om een meerjarig plan voor het toekomstbestendig maken van het onderwijsaanbod in de regio uit te voeren.

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

Alle scholen ontvangen aanvullende bekostiging voor de inzet van gekozen bewezen effectieve interventies om de door corona opgelopen vertragingen te herstellen. Ook zijn er middelen beschikbaar voor een arbeidsmarkttoelage. De scholen met de hoogste achterstanden op basis van de CBS-indicator achterstanden komen in aanmerking voor deze arbeidsmarkttoelage.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de bijlage subsidies). Hier vallen subsidieregelingen onder voor inhaal- en ondersteuningsprogramma's, extra hulp voor de klas en een regeling om brede brugklassen te stimuleren. Daarnaast zijn er subsidies voor stichting Kennisnet en kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT (€ 19,8 miljoen). De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma’s po-vo en doorstroomprogramma’s vmbo-havo en vmbo-mbo (€ 28,0 miljoen). Daarnaast is er een subsidie beschikbaar voor het Laks en krijgt de stichting School en Veiligheid ook een subsidie.

Opdrachten

Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het ondersteuningsprogramma voor onvoldoende en (zeer) zwakke scholen en regionale begeleiding sterk techniekonderwijs in het vmbo.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatie-voorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere vo, het mbo en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het vo en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname. De bijdragen van artikel 1 (Primair onderwijs) en artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het CvTE worden zoals gebruikelijk bij Voorjaarsnota naar artikel 3 (Voorgezet onderwijs) overgeboekt.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. De hoogte van de subsidie voor Cito en SLO voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling voor 2022 is nog onbekend.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Onder deze post vallen bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA-project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

Official Development Assistence (ODA) toerekening

Onderstaande tabel is opgenomen naar aanleiding van een toezegging van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstukken II 2015/16, 34300, nr. 58).

Tabel 32 ODA-toerekening Begroting primair en voortgezet onderwijs in het kader van onderwijskosten voor asielzoekers uit DAC-landen (bedragen x € 1.000)
 

2022

Bijdrage primair onderwijs

28.924

Bijdrage voortgezet onderwijs

9.316

Totaal

38.240

3.3. Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 33 Kengetallen

Kengetal

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

37%

38%

37%

37%

  

2

Studenttevredenheid2

      
  

Cijfer opleiding

7

7,1

  
       

6,73

 
  

Cijfer instelling

6,6

6,7

  
       

6,54

 
  

Percentage tevreden over school en studie5

  

62%

 

 
1

Cijfers over 2020 worden najaar 2021 verwacht.

2

Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

3

Vanwege een andere antwoordmogelijkheid bij de vragen zijn de cijfers niet vergelijkbaar met eerdere jaren

4

Vanwege een andere antwoordmogelijkheid bij de vragen zijn de cijfers niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

5

Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en worden deze eerdere jaren niet getoond. Vanaf 2020 wordt deze vraag niet meer gesteld.

Tabel 34 Studenten middelbaar beroepsonderwijs (aantallen x 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Aantal mbo-studenten (exclusief vavo)2

506,1

500,2

491,6

482,1

475,4

472,2

470,7

Bol

379,0

377,9

399,8

386,4

378,1

374,6

373,0

Bbl

127,1

122,3

91,9

95,7

97,2

97,6

97,7

Vavo

6,4

6,7

7,2

7,3

7,3

7,3

7,3

1

Bron: Referentieraming 2020

2

(Sub)totalen kunnen een kleine afwijking hebben door het afronden van de aantallen.

Tabel 35 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.000)1

8,4

9,42

9,0

9,6

9,2

9,1

9,1

1

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo) uit de referentieraming 2021.

2

In 2021 is eenmalig de extra aanvraag subsidieregelingen uit het Nationaal Programma Onderwijs toegevoegd aan de berekening. De onderwijsuitgaven per student zijn in 2021 berekend door de middelen voor het instrument bekostiging plus de subsidieregelingen Inhaal- en ondersteuningsprogramma's (€ 104.000) en Extra hulp voor de klas (€ 35.000) te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo) uit de referentieraming 2021. Dit is gedaan omdat beide regelingen in 2022 onderdeel uitmaken van de bekostiging en daarmee wordt de vergelijkbaarheid van de onderwijsuitgaven per student over de jaren heen vergroot.

Toelichting

Vanuit het Nationaal Programma Onderwijs zijn er voor 2021 en 2022 middelen toegevoegd aan de bekostiging waardoor de onderwijsuitgaven per student in deze jaren zijn gestegen. Echter, dit is in tabel 35 niet terug te zien doordat er een kasschuif heeft plaatsgevonden. Het resultaatafhankelijk budget voor 2022 van € 210,0 miljoen is doorgeschoven naar 2023. Dit is conform de afspraken in het Bestuursakkoord mbo 2018–2022. Uitbetaling van het resultaatafhankelijk budget kan pas plaatsvinden in 2023 na de eindbeoordeling van de Kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022 door de onafhankelijke adviescommissie kwaliteitsafspraken.

Zonder deze kasschuif van € 210,0 miljoen zou de gemiddelde onderwijsuitgaven per student in 2022 en 2023 respectievelijk € 9.400 en € 9.200 zijn. Dit betekent dat er zonder kasschuif voor de jaren 2021 en 2022 € 9.400 per student beschikbaar is vanwege het Nationaal Programma Onderwijs.

In het onderdeel beleidsprioriteiten staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van beroeps- en volwasseneneducatie beschreven. Aanvullend zijn nog de onderstaande punten over het Bestuursakkoord te melden.

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018–2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het bestuursakkoord bevat de gezamenlijke ambities voor het mbo. Hierin staan onderwerpen als Leven Lang Ontwikkelen, jongeren in een kwetsbare positie ondersteunen en regionale innovatie beschreven. Voortbouwend op de uitgangpunten uit het bestuursakkoord hebben alle mbo-instellingen eind 2018 een kwaliteitsagenda ingediend die moet leiden tot een duidelijke verbetering voor studenten en de regionale partners van de instelling. In het najaar van 2021 vindt de tussentijdse beoordeling van de voortgang plaats over de periode 2019-2020.

Tabel 36 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

4.993.746

5.679.090

4.936.643

5.043.480

4.925.426

4.770.701

4.768.406

Totale uitgaven

4.864.049

5.352.973

5.065.898

5.172.041

4.889.292

4.834.392

4.813.672

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,6%

    
        

Bekostiging

4.330.200

4.612.074

4.477.645

4.720.554

4.436.148

4.388.999

4.366.849

Bekostiging mbo-instellingen

3.704.028

3.947.671

4.030.302

3.837.553

3.765.422

3.722.760

3.704.335

Bekostiging Caribisch Nederland

5.744

9.683

8.616

8.544

8.441

8.441

8.441

Bekostiging vavo

67.365

69.383

69.883

68.883

68.883

68.883

68.883

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

440.000

247.215

252.785

360.304

360.304

360.304

360.304

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

0

210.652

0

319.054

108.399

108.399

108.399

Regionaal Investeringsfonds

21.010

20.071

22.345

43.002

39.859

35.372

31.647

Salarismix Randstadregio's

51.503

52.664

52.664

52.664

52.664

52.664

52.664

Tegemoetkoming schoolkosten mbo

10.000

0

0

0

0

0

0

Regionaal Programma

30.550

30.550

30.550

30.550

32.176

32.176

32.176

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

0

24.185

10.500

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

322.155

500.002

349.847

234.109

236.237

229.341

228.034

Praktijkleren

213.500

306.194

295.358

196.905

204.038

200.369

200.369

Leven Lang Ontwikkelen

3.895

6.916

6.782

2.285

313

318

318

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

16.031

20.487

15.283

15.181

14.517

12.268

12.268

Loopbaanoriëntatie

3.275

1.976

1.809

1.579

1.329

1.329

1.329

Vakwedstrijden mbo

3.200

4.191

4.191

4.191

1.048

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

69.745

33.465

0

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

104.000

0

0

0

0

0

Zelftesten

0

3.900

0

0

0

0

0

Overige subsidies

12.509

18.873

26.424

13.968

14.992

15.057

13.750

Opdrachten

5.039

33.021

19.016

5.159

4.326

3.449

3.534

Opdrachten

5.039

13.721

19.016

5.159

4.326

3.449

3.534

Zelftesten

0

19.300

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

21.868

20.640

20.989

20.781

20.473

20.495

21.443

Dienst Uitvoering Onderwijs

19.758

18.008

17.439

17.639

17.331

17.353

18.301

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.110

2.632

3.550

3.142

3.142

3.142

3.142

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

61.156

62.173

72.938

70.475

71.145

71.145

72.849

College voor Toetsen en Examens

0

985

9.638

11.958

12.628

12.628

12.628

Wet SLOA

0

268

1.127

1.127

1.127

1.127

2.831

SBB

61.156

60.920

62.173

57.390

57.390

57.390

57.390

Bijdrage aan medeoverheden

123.631

125.063

125.463

120.963

120.963

120.963

120.963

RMC's

40.951

42.303

42.703

38.203

37.183

37.183

37.183

Educatie

62.174

63.560

63.560

63.560

63.560

63.560

63.560

Caribisch Nederland

1.306

0

0

0

0

0

0

Regionaal Programma

19.200

19.200

19.200

19.200

20.220

20.220

20.220

Ontvangsten

5.082

5.200

4.000

4.000

4.000

4.000

4000

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

4.993.746

5.679.090

4.936.643

5.043.480

4.925.426

4.770.701

4.768.406

waarvan garantieverplichtingen

107.437

1.224

0

0

0

0

0

waarvan overig

4.886.309

5.677.866

0

0

0

0

0

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2022 99,6 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2022 95,0 procent juridisch verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2022 75,0 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2022 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO) en het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2022 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de gemeenten en worden in de vorm van specifieke uitkeringen verstrekt voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie, het educatiebudget en het regionaal programma.

Bekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 tot en met 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de mbo-instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 tot en met 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarin een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (beroeps begeleidende leerweg (bbl) of beroeps opleidende leerweg (bol)) en de opleiding (de prijsfactor van de opleiding). Per 1 januari 2019 is de cascadebekostiging afgeschaft, dat betekent dat de verblijfsduur van een student niet meer meetelt bij de verdeling van het budget hetgeen de kansengelijkheid bevordert. Door het afschaffen van de cascadebekostiging heeft een herverdeling van de rijksbijdrage plaatsgevonden. Om instellingen de gelegenheid te geven toe te groeien naar de nieuwe situatie is voorzien in een overgangsbekostiging van drie jaar. Vanaf 2022 zal er dus geen overgangsbekostiging meer zijn.

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld voor het verzorgen van middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. De onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland ontvangen hiervoor lumpsumbekostiging. Ook de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt in Caribisch Nederland wordt vanuit deze middelen bekostigd.

Bekostiging voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Voor de verdeling van de beschikbare middelen voor het vavo wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s.

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

De mbo-instellingen hebben over de periode 2019–2022 afspraken gemaakt met de Minister van OCW om de onderwijskwaliteit van de instelling te verhogen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de kwaliteitsagenda van de mbo-instelling. Mbo-instellingen hebben daarbij veel ruimte om eigen doelen te bepalen en daarbij concreet aan de slag te gaan met hun eigen specifieke regionale situatie. Daarnaast zijn er drie landelijke speerpunten: jongeren in kwetsbare positie, gelijke kansen en opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. De onafhankelijke commissie kwaliteitsafspraken mbo heeft de kwaliteitsafspraken beoordeeld en alle agenda’s goedgekeurd. Alle instellingen ontvangen daardoor geld uit het investeringsdeel van het budget voor de kwaliteitsafspraken voor de financiering van de maatregelen uit de kwaliteitsagenda’s.

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

Het resultaatafhankelijk deel van het budget voor de kwaliteitsafspraken wordt verdeeld onder de instellingen die de gestelde doelen in de kwaliteitsagenda in voldoende mate hebben gehaald. In 2021 heeft een tussentijdse beoordeling plaatsgevonden van de voortgang in de jaren 2019 en 2020. Daarbij is rekening gehouden met de impact van de coronacrisis op de gestelde doelen. In de 2023 vindt een eindbeoordeling plaats over de gehele periode 2019–2022.

Regionaal Investeringsfonds

Met het Regionaal Investeringsfonds worden middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) van beroepsonderwijs, bedrijfsleven en regionale overheden. Mbo-instellingen kunnen een aanvraag doen voor bekostiging van een samenwerkingstraject dat leidt tot verbetering van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. De samenwerkingspartners dragen financieel voor 50 tot 67 procent bij. In totaal was er voor de periode 2019-2022 € 100,0 miljoen beschikbaar, waarvan € 22,3 miljoen resteert voor projecten die een aanvraag doen in 2022, het laatste jaar van de huidige regeling.

Salarismix Randstadregio's

In het actieplan Leerkracht van Nederland zijn afspraken vastgelegd om de aantrekkelijkheid van het beroep leraar te vergroten. Dat is belangrijk, onder andere in het kader van de personeelstekorten in het onderwijs. Een van de gemaakte afspraken is dat extra middelen ter beschikking worden gesteld aan instellingen in de Randstadregio’s om hun salarismix te versterken. De arbeidsmarktproblematiek, beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector en (een optelsom van) grootstedelijke problemen waar instellingen en docenten mee te maken krijgen, liggen hieraan ten grondslag. Aan de hand van behaalde competenties zijn docenten benoemd in een hogere schaal. De middelen vormen een aanvulling op de lumpsum.

Regionaal Programma

In het studiejaar 2020-2021 zijn scholen en gemeenten gestart met het nieuwe vierjarige regionaal programma om voortijdig schooluitval te voorkomen en tegen te gaan. In het regionaal programma stelt de regio een streefcijfer vast waarmee de landelijke ambitie van jaarlijks maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2024 wordt behaald. Ook nemen regio’s maatregelen om het aantal voortijdig schoolverlaters dat terug naar school dan wel aan het werk gaat, te vergroten.

Voor de uitvoering van het regionaal programma zijn middelen beschikbaar. In 2022 gaat het om in totaal € 49,8 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,6 miljoen) en deels via de contactgemeente (zie bijdrage aan medeoverheden, € 19,2 miljoen).

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

Met de subsidieregeling extra begeleiding en nazorg mbo 2021-2022 is in 2021 € 24,5 miljoen ter beschikking gesteld aan mbo-instellingen voor het bieden van extra begeleiding aan laatstejaars mbo-studenten en nazorg aan mbo-gediplomeerden. Concreet zetten mbo-instellingen de subsidiemiddelen in om aan laatstejaars mbo-studenten extra begeleiding te geven en hen na diplomering te blijven ondersteunen (nazorg). Daarbij kan gedacht worden aan verdiepende trainingen voor sollicitatievaardigheden in het laatste jaar, een uitstroomgesprek bij diplomering en waar nodig coaching (in samenwerking met de gemeente) als nazorg. De middelen die beschikbaar zijn op basis van deze subsidieregeling worden over de instellingen verdeeld op basis van het aantal studenten met een grote kans op werkloosheid dat aan de instelling studeert. Van de beschikbare € 24,5 miljoen is € 24,2 miljoen aangevraagd en toegekend.

Bij het verlengen van de regeling extra begeleiding en nazorg mbo in 2022 is het bieden van extra begeleiding aan laatstejaars mbo-studenten in de ‘corona-enveloppe’ opgegaan. Het onderdeel nazorg door mbo-instellingen van de aanpak jeugdwerkloosheid is geen wettelijke taak en blijft daarom in de regeling en vormt geen onderdeel van de opslag op de bekostiging. Voor dit onderdeel kunnen instellingen naar verwachting in het najaar 2021 deze subsidie aanvragen voor 2022. Hiervoor wordt € 10,5 miljoen beschikbaar gesteld.

Subsidies

Praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. De subsidieregeling praktijkleren is in 2019 tot en met 2023 verlengd. Aan de subsidieregeling is voor de studiejaren 2019-2020 tot en met 2023-2024 € 10,6 miljoen per jaar toegevoegd om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in de scholing van werknemers (motie Heerma). Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming in de begeleidingskosten voor bbl-stageplekken. Daarnaast verhoogt het kabinet de subsidieregeling praktijkleren voor de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 met € 10,6 miljoen per jaar voor conjunctuur- en contactgevoelige bedrijfssectoren, die geraakt worden door de coronacrisis. Via het Nationaal Programma Onderwijs is het budget voor de basissubsidie bovendien opgehoogd voor de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022, zodat per leerwerkplek, op basis van de huidige ramingen, weer € 2.700 per jaar beschikbaar is.

Leven Lang Ontwikkelen

Het Ministerie van OCW werkt met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. Het kabinet is voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven vanaf 2022 om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling, het STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarktpositie). DUO ontwikkelt en beheert het scholingsregister, dat voor de uitvoering van de STAP-regeling noodzakelijk is. In 2022 is in de OCW-begroting € 6,8 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. Het Ministerie van OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo en een landelijk scholingsportaal met een overzicht van scholingsmogelijkheden en publieke en private financieringsmogelijkheden.

Actieplan laaggeletterdheid/Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2022 middelen, € 15,2 miljoen, beschikbaar gesteld als bijdrage aan het landelijke programma «Tel mee met Taal» dat door de Ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK wordt uitgevoerd en gefinancierd. Op 18 maart 2019 heeft de Tweede Kamer een brief (Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 84) ontvangen waarin het kabinet maatregelen aankondigt om de aanpak van laaggeletterdheid in de periode 2020–2024 een extra impuls te geven. Met het programma «Tel mee met Taal» worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd.

Loopbaanoriëntatie (lob)

De lob-middelen worden ingezet om de loopbaanbegeleiding en de studiekeuze- en arbeidsmarktvoorlichting van (aankomende) mbo-studenten te verbeteren via onder meer het Expertisepunt lob en de portal «Kies MBO» door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Deze middelen zullen ook ingezet worden ten behoeve van een betere voorbereiding en doorstroom van mbo naar hbo.

Vakwedstrijden

Voor het organiseren van de jaarlijkse vmbo- en mbo-vakwedstrijden is de subsidieregeling vakwedstrijden vmbo en mbo opgesteld. De subsidie voor het organiseren van de nationale vakwedstrijden mbo en het begeleiden van Team Netherlands naar de internationale finales is voor de periode 2020-2023 verleend aan WorldSkills Netherlands.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals de Gelijke Kansen Alliantie, technieknetwerken, het netwerk burgerschap, macrodoelmatigheid en digitalisering mbo.

Opdrachten

Dit betreffen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten van Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I). Daarnaast staan er op dit budget middelen in het kader van onderzoek, monitoring en uitvoering voor het Nationaal Programma Onderwijs.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Wet SLOA

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting CITO, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

Regionale Meld- en Coördinatiefunctie

Er is in 2022 € 42,7 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC-functie) van 40 RMC-regio’s. De RMC-functie heeft de taak om jongeren tot 23 jaar die niet naar school gaan en nog geen startkwalificatie hebben behaald te monitoren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. De RMC-functie zorgt er samen met andere betrokken partijen in de regio voor dat jongeren die zijn uitgevallen of dreigen uit te vallen worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering.

Educatie

Gemeenten ontvangen budget om cursussen taal, rekenen en digitale vaardigheden aan te bieden aan hun laaggeletterde volwassen inwoners. De doelgroep betreft volwassenen die Nederlands als eerste taal of tweede taal hebben, maar niet inburgeringsplichtig zijn. Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). Gemeenten hebben voor de besteding van dit budget inkoopvrijheid. Zij kiezen zelf aanbieders op basis van de vraag en behoefte van hun doelgroepen.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,6 miljoen, zie instrument bekostiging) en deels via de 40 RMC-contactgemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 37 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2020

2021

2022

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

238

253

23

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Overzicht specifieke uitkeringen

Tabel 38 Overzicht specifieke uitkeringen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1.

Ontvangende partij(en)

42,3

38,2

38,2

37,2

37,2

37,2

 

Gemeenten

      
 

Korte omschrijving uitkering

      
 

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 40 RMC-regio’s. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

 
 

Vindplaats regelgeving

      
 

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

 

2.

Ontvangende partij(en)

63,6

63,6

63,6

63,6

63,6

63,6

 

Gemeenten

      
 

Korte omschrijving uitkering

      
 

De middelen voor educatie worden per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een regio educatie arbeidsmarktregio (via de contactgemeente). De verdeelsleutel is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit WEB.

 
 

Vindplaats regelgeving

      
 

Artikel 2.3.1 van de Wet educatie en begroepsonderwijs

 

3.

Ontvangende partij(en)

19,2

19,2

19,2

20,2

20,2

20,2

 

Gemeenten

      
 

Korte omschrijving uitkering

      
 

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

 
 

Vindplaats regelgeving

      
 

Artikel 8.3.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

 

3.4 Artikel 6 en 7. Hoger onderwijs

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren

De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

Kengetallen
Tabel 39 Kengetallen

Kengetal

     

2020/21

1

Studenttevredenheid

Hbo

    

66,4%1

Wo

    

78,6%1

   

2016

2017

2018

2019

2020

2

Percentage 25-64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

18,8%

19,1%

19,1%

19,5%

18,8%

  

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

3

Uitval 1e jaar3

Hbo

15,0%

16,0%

15,5%

11,5%

 

Wo

6,0%

6,7%

7,0%

5,3%

 

4

Bachelor rendement (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar3

Hbo

67,7%

68,1%

69,0%

69,6%

 

Wo

81,1%

80,7%

81,2%

81,1%

 
1

Door aanpassing van de vragenlijst van de Nationale Studenten Enquête in 2020 zijn de recente resultaten niet te vergelijken met die uit voorgaande jaren en wordt 2020/21 als basisjaar voor toekomstige metingen genomen.

2

3

Tabel 40 Studenten hoger onderwijs 1

1.

Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

  

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

2024/25

2025/26

2026/27

 

hbo voltijd associate degree

11,2

12,9

14,4

15,4

16,1

16,5

16,7

 

hbo voltijd bachelor

415,5

422,2

424,3

424,7

421,2

415,5

409,6

 

hbo voltijd master

6,0

6,2

6,2

6,3

6,5

6,7

6,9

 

hbo deeltijd associate degree

6,4

6,9

7,4

7,7

7,8

8,0

8,0

 

hbo deeltijd bachelor

41,6

43,5

45,1

46,3

47,0

47,5

47,7

 

hbo deeltijd master

7,8

7,4

7,2

7,0

6,7

6,5

6,1

 

Totaal hbo

488,5

499,1

504,6

507,4

505,3

500,7

495,0

         
 

wo voltijd bachelor

205,3

212,1

218,4

222,4

225,6

228,4

231,4

 

wo voltijd master

118,9

127,1

132,8

138,7

144,4

149,8

154,3

 

wo deeltijd bachelor

1,6

1,5

1,4

1,4

1,4

1,3

1,2

 

wo deeltijd master

3,2

3,3

3,3

3,3

3,3

3,2

3,2

 

Totaal wo

329,0

344,0

355,9

365,8

374,7

382,7

390,1

         

2.

Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

  

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

 

hbo voltijd associate degree

2,1

2,2

2,5

2,7

2,8

2,9

2,9

 

hbo voltijd bachelor

61,6

62,1

63,1

64,6

67,4

67,8

67,2

 

hbo voltijd master

2,0

2,2

2,3

2,3

2,3

2,3

2,4

 

hbo deeltijd associate degree

1,1

1,2

1,2

1,3

1,3

1,3

1,3

 

hbo deeltijd bachelor

5,8

6,0

6,2

6,3

6,4

6,5

6,5

 

hbo deeltijd master

2,1

2,0

1,9

1,9

1,8

1,8

1,7

 

Totaal hbo

74,7

75,7

77,2

79,1

82,0

82,6

82,0

         
 

wo voltijd bachelor

37,4

38,6

39,8

41,7

42,4

42,5

42,8

 

wo voltijd master

45,0

47,4

50,2

52,1

53,8

55,3

56,7

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

 

wo deeltijd master

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

 

Totaal wo

83,6

87,2

91,2

95,0

97,3

98,9

100,6

1

Bron: Referentieraming 2020

Tabel 41 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)

1.

Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)1

 

2022

2023

2024

2025

 

hbo

 

8,4

8,4

8,4

8,5

 

wo

 

8,3

8,3

8,4

8,4

2.

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

    

2021/22

      

2.168

1

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2021 (overeenkomstig tabel 40, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot.

Voor de belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van hoger en wetenschappelijk onderwijs wordt verwezen naar het onderdeel beleidsprioriteiten. Aanvullend kan daarop nog worden gemeld dat via een subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten mogelijk worden gemaakt. Op deze wijze krijgen studenten toegang tot de verschillende mogelijkheden die bijdragen aan hun interculturele competenties en hun internationale oriëntatie.

Tabel 42 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.773.125

5.062.801

4.068.668

4.112.480

4.197.137

4.250.180

4.248.514

Totale uitgaven

3.511.341

4.312.874

4.479.775

4.082.888

4.166.997

4.240.849

4.265.700

waarvan juridisch verplicht (%)

  

100,00%

    
        

Bekostiging

3.420.261

4.194.277

4.447.971

4.051.561

4.135.378

4.209.227

4.233.254

Bekostiging onderwijsdeel1

3.179.930

3.844.604

4.036.677

3.622.545

3.643.008

3.645.144

3.614.535

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

87.836

89.866

89.904

89.904

89.904

89.904

89.904

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

144.911

251.645

314.840

331.986

375.611

405.024

433.740

Studievoorschotvouchers

0

250

1.228

4.181

25.045

69.155

95.075

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

7.584

7.912

5.322

2.945

1.810

0

0

Subsidies (regelingen)

1.062

31.694

3.340

2.632

2.632

2.632

2.632

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

0

379

2.556

2.556

2.556

2.556

2.556

Sneltesten

0

3.600

0

0

0

0

0

Overige subsidies

1.062

27.715

784

76

76

76

76

Bijdrage aan agentschappen

14.722

13.055

13.443

13.471

13.739

13.799

14.623

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.722

13.055

13.443

13.471

13.739

13.799

14.623

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

75.296

73.848

15.021

15.224

15.248

15.191

15.191

NWO: Praktijkgericht onderzoek3

60.515

58.875

0

0

0

0

0

NWO: Promotiebeurs voor leraren

10.144

10.371

10.371

10.371

10.371

10.371

10.371

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.637

4.602

4.650

4.853

4.877

4.820

4.820

Ontvangsten

2.211

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

16

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3

Vanaf 2022 ondergebracht bij artikel 16 (Onderzoek- en wetenschapsbeleid).

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.773.125

5.062.801

4.068.668

4.112.480

4.197.137

4.250.180

4.248.514

waarvan garantieverplichtingen

‒ 2.703

3.920

0

0

0

0

0

waarvan overig

3.775.828

5.058.881

0

0

0

0

0

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Tabel 43 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

5.730.555

6.879.302

5.993.862

6.075.577

6.215.402

6.299.046

6.311.807

waarvan garantieverplichtingen

‒ 17.983

‒ 5.274

     

waarvan overig

5.748.538

6.884.576

     

Totale uitgaven

5.418.229

6.128.507

6.271.242

6.030.404

6.133.576

6.218.746

6.267.608

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,96%

    
        

Bekostiging

5.386.198

6.032.559

6.240.270

5.999.808

6.103.287

6.188.370

6.237.275

Bekostiging onderwijsdeel1

2.397.433

2.843.213

3.006.191

2.785.254

2.858.207

2.917.599

2.933.673

Bekostiging onderzoeksdeel

2.194.075

2.280.045

2.284.607

2.244.535

2.244.576

2.239.868

2.239.877

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

706.319

755.869

757.944

724.853

726.319

727.763

729.188

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

88.371

153.432

191.511

202.210

228.233

246.055

263.483

Studievoorschotvouchers

0

0

17

103

3.099

14.232

28.201

Profilering en zwaartepuntvorming3

0

0

0

42.853

42.853

42.853

42.853

Subsidies (regelingen)

3.659

47.174

24.928

24.903

24.596

24.596

24.553

Nuffic4

0

14.235

14.507

14.456

14.456

14.456

14.456

Studiekeuze1234

0

2.559

2.616

2.559

2.559

2.559

2.559

Vluchteling Studenten UAF4

0

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Studentenwelzijn (Ecio)4

0

835

794

794

794

794

751

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)4

0

265

271

271

271

255

255

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)4

0

255

255

255

255

255

255

Open en online onderwijs

1.844

2.001

2.008

2.044

2.044

2.044

2.044

Sneltesten

0

3.000

0

0

0

0

0

Overige subsidies

1.815

21.513

1.966

2.013

1.706

1.722

1.722

Opdrachten

3.105

45.904

3.153

2.802

2.802

2.889

2.889

Opdrachten

3.105

4.204

3.153

2.802

2.802

2.889

2.889

Sneltesten

0

41.700

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

25.267

2.870

2.891

2.891

2.891

2.891

2.891

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.641

1.838

1.859

1.859

1.859

1.859

1.859

United Nations University (UNU)

1.010

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

1.032

Nuffic, SK123, UAF, H&S, ISO en LSVb4

22.616

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

15

16

16

16

16

16

16

1

Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2

90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3

De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

4

Tot en met 2020 opgenomen onder bijdragen aan (inter)nationale organisaties, vanaf 2021 ondergebracht bij het instrument subsidies omdat dit de basis is op grond waarvan de instellingen worden bekostigd.

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

5.730.555

6.879.302

5.993.862

6.075.577

6.215.402

6.299.046

6.311.807

waarvan garantieverplichtingen

‒ 17.983

‒ 5.274

0

0

0

0

0

waarvan overig

5.748.538

6.884.576

0

0

0

0

0

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Het totale budget voor artikel 6 is in 2022 100 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen, inclusief die voortvloeiend uit het Nationaal Programma Onderwijs voor het jaar 2022, hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp en ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen ligt een afzonderlijke regeling ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2022 is voor 97,3 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling tweede lerarenopleiding en een verplichting voor instroom in de Pabo.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Van het totale budget voor artikel 7 is in 2022 99,96 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen, inclusief die voortvloeiend uit het Nationaal Programma Onderwijs voor het jaar 2022, hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2022 is voor 97,4 procent juridisch verplicht. Dit betreft enerzijds de bijdragen voor Nuffic, Studiekeuze123, Vluchteling-Studenten UAF, Handicap en Studie, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Anderzijds betreft het de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs, de afstudeerregeling en de ondersteunende activiteiten voor het project Integraal Veiligheid HO.

Opdrachten

Het beschikbare budget voor 2022 is voor 48,4 procent juridisch verplicht op grond van in 2021 of eerder gesloten overeenkomsten. De ervaring leert dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget wordt verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de verdragsrechtelijke bijdragen aan de United Nations University (UNU) en het Europees Universitair Instituut Florence (EUI). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Bekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp en ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend. Daarnaast ontvangen de instellingen middelen voor kwaliteitsafspraken en vouchers welke beschikbaar zijn gekomen door de invoering van het studievoorschot en middelen voor profilering en zwaartepuntvorming.

Het experiment vraagfinanciering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen wordt afzonderlijk bekostigd.

Het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs heeft financiële gevolgen voor de Rijksbegroting en daarmee een effect op het houdbaarheidssaldo. De kosten voor het jaar 2025 (€ 1 miljoen) zijn generaal gedekt, die voor 2026 (€ 3,0 miljoen) oplopend tot structureel € 226,0 miljoen zijn technisch ingeboekt ten laste van de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (artikel 6 & 7). Daarnaast is in de Eerste Suppletoire Begroting 2019 de ICT problematiek bij DUO incidenteel gedekt van 2019 tot en met 2024. Het jaar 2025 is vorig jaar generaal gedekt, de dekking voor 2026 (€ 37,9 miljoen) en verder tot en met 2033 (€ 41,3 miljoen) is technisch ingeboekt op artikel 7 (onderwijsbekostiging wetenschappelijk onderwijs).

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top);

  • b. een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen;

  • c. een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden;

  • b. een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten;

  • c. een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht;

  • d. een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Studievoorschot kwaliteitsafspraken (hbo en wo)

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Sinds het voorjaar 2019 zijn alle instellingen van start gegaan om samen met de medezeggenschap te komen tot een plan voor de kwaliteitsafspraken. Begin november 2019 is een stand van zaken kwaliteitsafspraken (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 792) naar de Tweede Kamer gezonden.

De plannen van de instellingen beslaan de periode van 2019 tot en met 2024 en worden beoordeeld door de NVAO. Aan de hand van het advies van de NVAO wordt door de Minister besloten of het plan van een instelling voldoende is en of de instelling haar studievoorschotmiddelen krijgt toegekend voor de periode 2021 tot en met 2024. Als dat niet het geval is, volgt een herkansing. De instelling heeft dan tot een jaar na het besluit de tijd om een nieuw plan in te dienen. De toekenning van de middelen was in eerste instantie voorzien vanaf 2021, omdat de NVAO de plannen zou beoordelen in 2019 en 2020. De beoordeling en besluitvorming levert vanwege de COVID-19-maatregelen echter vertraging op. Om er voor te zorgen dat instellingen niet in financiële onzekerheid zitten en de instellingen kunnen blijven investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs is besloten de kwaliteitsbekostiging ook voor 2021 toe te kennen met de reguliere rijksbijdrage, net als is gebeurd voor 2019 en 2020. Instellingen die in de eerste ronde geen positief besluit hebben ontvangen, dienen alsnog een nieuwe aanvraag in en de NVAO zal de Minister adviseren over die aanvraag. Daarbij gelden dezelfde criteria als in de eerste ronde. Om de kwaliteitsbekostiging vanaf 2022 in plaats van in 2021 in te laten gaan, is het Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs aangepast. De verwachting is dat alle instellingen in 2021 een tweede besluit hebben ontvangen. Na het aantreden van een nieuw bewindspersoon zal er ook een besluit moeten worden genomen over de toekomst van de kwaliteitsafspraken na 2024.

Vouchers studievoorschot (hbo en wo)

Bij het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de eerste vier cohorten studenten die zijn ingestroomd sinds de afschaffing van de basisbeurs bij afstuderen (hbo-bachelor of wo-master) een voucher ontvangen ter waarde van 2.000 euro, als tegemoetkoming vanwege het feit dat zij in mindere mate profiteren van de herinvestering van middelen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Deze afgestudeerden kunnen de vouchers 5 tot 10 jaar na afstuderen inzetten voor deelname aan (delen van) geaccrediteerde opleidingen hoger onderwijs, bij zowel bekostigde als niet-bekostigde instellingen. Op basis van de motie Van der Molen c.s. (Kamerstukken II 2019/2020, 24724, nr. 172) is wederom verkend of een kasschuif mogelijk is waardoor studenten die al aanspraak konden maken op een voucher in plaats daarvan vijf jaar na afstuderen hun schuld verminderd zien en er, indien oud-studenten geen schuld hebben, wordt overgegaan tot contante uitbetaling. Binnen de OCW begroting is er geen ruimte om deze middelen naar voren te halen zonder dat daarbij de bekostiging van de hoger onderwijsinstellingen wordt geraakt. De kasschuif voor de jaren 2022, 2023 en 2024 is niet rijksbreed in te passen onder het uitgavenplafond. Bovendien moeten voor deze kasschuif middelen van buiten de meerjarenperiode naar voren worden gehaald. Dit staan de begrotingsregels van het kabinet niet toe1. Daarmee is deze motie niet uitvoerbaar.

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Het doel van het experiment vraagfinanciering is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duaal onderwijs. In het experiment maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 is er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Naar aanleiding van de tussenevaluatie (Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 721) is in april 2019 besloten om de instroom van nieuwe studenten aan het experiment niet te verlengen per september 2019. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (2024) aanspraak blijven maken op vouchers. De evaluatie van het experiment vraagfinanciering vindt eind 2021 plaats.

Profilering en zwaartepuntvorming (wo)

In de sectorakkoorden is onder meer afgesproken dat de 2%- middelen voor profilering en zwaartepuntvorming door hogescholen blijvend ingezet kunnen worden voor het vormgeven van (verdere) profilering en zwaartepuntvorming van de instelling, bijvoorbeeld door middel van Centres of Expertise. De universiteiten kunnen de 2%-middelen tijdelijk (in ieder geval tot en met 2022) inzetten voor de sectorplannen bèta-/technisch onderzoek en sociale-/geestwetenschappen. De middelen voor de hogescholen zijn structureel ondergebracht onder het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging en voor de universiteiten tot en met 2022.

Subsidies

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (hbo)

De subsidieregeling tweede lerarenopleiding maakt het voor leraren financieel aantrekkelijker om een tweede lerarenopleiding (bachelor of master) te volgen die opleidt tot een bevoegdheid en waarvoor instellingscollegegeld moet worden betaald, indien zij geen aanspraak mogen en kunnen maken op een andere subsidieregeling. Voor de subsidie komen bijvoorbeeld leraren in aanmerking die na een eerdere opleiding moeizaam een baan kunnen vinden en die geen aanspraak mogen en kunnen maken op een regeling zoals de Lerarenbeurs, of de subsidie voor zijinstromers. De subsidie tweede lerarenopleiding is vanaf het studiejaar 2020/2021 aan te vragen. Vanaf 2021/2022 wordt de subsidieregeling aangepast in de hoogte van de tegemoetkoming en wordt het mogelijk om voor twee in plaats van één jaar een tegemoetkoming aan te vragen.

Nuffic (wo)

Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. De afgelopen jaren heeft er een heroverweging plaatsgevonden van de subsidie aan Nuffic voor wat betreft de grondslag van de subsidie en de sturingsrelatie van het Ministerie van OCW richting Nuffic. Met het wetsvoorstel Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs wordt een aantal taken van Nuffic in het kader van diplomawaardering, bevordering van de internationalisering en de advisering rondom beursverlening wettelijk geborgd. Door middel van het wetsvoorstel wordt de Wet SLOA aangepast, op grond waarvan subsidie aan Nuffic kan worden verstrekt voor haar wettelijke taken. Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Raad van State. Beoogd is om het wetsvoorstel per 1 januari 2022 in werking te laten treden.

Een aantal niet-wettelijke taken dat Nuffic op dit moment nog uitvoert (Neso-kantorennetwerk, Alumni-netwerk en de besluitvorming rondom beursverlening) wordt vanaf 2022 verlegd, afgebouwd of beëindigd.

Daarnaast is een deel van de taken aanbesteed. Dit betreft de dienstverlening voor primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. Nuffic heeft deze aanbesteding gewonnen en voert deze activiteiten vanaf 2021 uit op grond van een opdrachtverlening (zie het beleidsartikel 8 (Internationaal Beleid)).

Studiekeuze 123 (wo)

De stichting Studiekeuze123 is door de Minister aangewezen als partij om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en te verspreiden en tevens onderzoek te doen naar studenttevredenheid en –betrokkenheid. Voor dit laatste organiseert de stichting jaarlijks de Nationale Studentenenquête.

Vluchteling Studenten UAF (wo)

UAF begeleidt en ondersteunt vluchtelingen die zich voorbereiden op een studie in het hoger onderwijs met als doel dat de aspirant-student kan starten met een passende studie die opleidt tot een diploma.

Studentenwelzijn Ecio (wo)

Het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (Ecio) bouwt aan inclusief onderwijs op tactisch, operationeel en strategisch niveau voor verdere professionalisering en verduurzaming van inclusief onderwijs en het versterken van het zelfvertrouwen van studenten met een ondersteuningsvraag. Onder andere, adviseert en ondersteunt Ecio universiteiten, hogescholen en het mbo om belemmeringen voor studenten met een functiebeperking en met een ondersteuningsbehoefte weg te nemen en hen succesvol te laten studeren en doorstromen naar de arbeidsmarkt. Ecio coördineert daarnaast bijvoorbeeld ook de bijeenkomsten van het Landelijk Netwerk en de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) (wo)

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van een tweetal organisaties die beleidsmatig activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten.

Open en online hoger onderwijs (wo)

De subsidieregeling open en online 2018-2022 is bedoeld om instellingen passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Dit heeft twee doelen: het versterken van open en online onderwijs, en het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity’s. Aan beide doelstellingen wordt veel aandacht besteed.

SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de projectteams tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2021 14 projecten gestart: 11 voor de pijler online onderwijs en 3 voor de pijler open leermaterialen (in 2020 waren dit er respectievelijk 10 en 5). De instellingen matchen de aan hun toegekende subsidie met ten minste hetzelfde bedrag. De projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling en de subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs.

Opdrachten 

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor diverse beleidsgerichte activiteiten/ onderzoeken en de communicatie rondom het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen 

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s 

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO. Het praktijkgericht onderzoek in het hbo is inmiddels structureel ingebed in het onderzoeks- en wetenschapsbeleid en wordt daarom vanaf het jaar 2022 volledig overgeheveld naar het beleidsartikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid).

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar reguliere taken en voor haar aanvullende taken zoals in het kader van de kwaliteitsafspraken.

Het Comité van Ministers heeft de opdracht aan de Nederlandse en Vlaamse departementen verstrekt (Kamerstukken 2020-2021, 31288, nr. 908) om een toekomstbestendig organisatiemodel voor de NVAO uit te werken dat een grotere zelfstandigheid bevat voor Nederland en Vlaanderen, zonder de bestaande meerwaarde voor samenwerking en de goede reputatie van de NVAO te verliezen. In dit najaar wordt de Tweede Kamer over de voortgang van dit traject geïnformeerd.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en United Nations University (UNU)

Het betreft hier de (structurele) bijdrage aan een tweetal internationale organisaties die taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Artikel 8. Internationaal beleid

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

Stimuleren

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere – vaak daarbij aangesloten – organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etcetera. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, Neth-ER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale – ondersteunende – maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op Onderwijs in Cijfers.

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

Tabel 44 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

21.359

15.838

14.368

14.370

14.203

14.003

14.003

Totale uitgaven

12.810

15.748

14.368

14.368

14.571

14.371

14.371

waarvan juridisch verplicht (%)

  

95,3%

    
        

Subsidies (regelingen)

4.949

7.702

7.588

7.588

7.588

7.588

7.588

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

Stichting Nuffic

 

824

824

824

824

824

824

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.154

3.957

3.957

3.957

3.957

3.957

3.957

Internationalisering onderwijs

‒ 1

1.020

1.020

1.020

1.020

1.020

1.020

Duitsland Instituut Amsterdam

803

820

760

760

760

760

760

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

613

600

600

600

600

600

Incidentele HGIS subsidies

134

107

157

157

157

157

157

Overige incidentele subsidies

74

176

85

85

85

85

85

Opdrachten

123

3.666

2.801

2.801

3.002

2.802

2.802

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

7.232

3.900

3.499

3.499

3.501

3.501

3.501

Nederlandse Taalunie

2.850

3.342

2.941

2.941

2.943

2.943

2.943

Stichting Nuffic

3.901

      

Europa College Brugge

30

31

31

31

31

31

31

Unesco

0

51

51

51

51

51

51

OESO CERI

83

88

88

88

88

88

88

Fulbright Commission The Netherlands

368

368

368

368

368

368

368

EU-programma's en activiteiten

 

20

20

20

20

20

20

Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken

506

480

480

480

480

480

480

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

506

480

480

480

480

480

480

Ontvangsten

10

99

99

99

99

99

99

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van 2021 is de indeling van deze budgettabel gewijzigd. Er heeft een heroverweging plaatsgevonden van de instrumentkeuze bij de instellingen Stichting Ons Erfdeel, Stichting Nuffic, Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training, het Duitsland Instituut Amsterdam en Netherlands house for Education and Research (Neth-ER).

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2022 95,3 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 96,6 procent juridisch verplicht. Het niet verplichte deel bestaat uit gereserveerde (Homogene Groep Internationale Samenwerking)middelen voor incidentele subsides.

Opdrachten

Van het budget voor opdrachten is 92,1 procent juridisch verplicht. Het betreft hier een aanbesteding internationalisering en de uitvoeringskosten van de regeling Internationalisering Funderend Onderwijs.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 94,5 procent juridisch verplicht. Een deel is verplicht op basis van internationale verdragen. Dit geldt voor de Nederlandse Taalunie en het Fulbright Center.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100 procent juridisch verplicht. De subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Subsidies

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen, onder meer met behulp van de Nederlandstalige website de-lage-landen.com, de Engelstalige website the-low-countries.com en de Franstalige website les-pays-bas.com. Ook proberen ze dit te bereiken door middel van het driemaandelijks uitgeven van het tijdschrift Ons Erfdeel, en het Franstalige tijdschrift Septentrion.

Stichting Nuffic

De Stichting Nuffic zet zich samen met nationale en internationale partners in voor de versterking van het onderwijs en Nederland als kennisland.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Agentschap is belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+ op het gebied van onderwijs en training. Stichting Nuffic is aangewezen als het Nederlandse Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training voor Erasmus+ 2021-2027.

Internationalisering onderwijs

Dit budget wordt ingezet ten behoeve van de introductie, verankering en verdere ontwikkeling van internationalisering in het instellingsbeleid van scholen in het primair en voortgezet onderwijs middels de subsidieregeling internationalisering funderend onderwijs.

Duitsland Instituut Amsterdam

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) genereert en verspreidt kennis in Nederland over Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)).

Neth-ER

Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie (onder andere TNO, KNAW, VSNU, MBO-raad, NWO). Hun gezamenlijke doel is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma’s te vergroten.

Incidentele HGIS subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten in het kader van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Overige incidentele subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur of wetenschap.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlandse Taalunie

De Nederlandse Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Nederlandse Taalunie kennis en informatie over het Nederlands, met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker. Verder stimuleert de Taalunie de optimale benutting van de hedendaagse (digitale) infrastructuur voor het Nederlands.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een postuniversitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door de EU en EU-Lidstaten.

Unesco

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van Unesco.

OESO CERI

OESO CERI betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Commission The Netherlands

De Fulbright Commission The Netherlands verzorgt voorlichtingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma’s voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Incidentele EU-programma’s en activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma’s, welke bij het opstellen van de begroting nog niet concreet zijn.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie waar ruimte is voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Tabel 45 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

54.299

55.519

55.519

55.519

55.519

55.519

55.519

Internationaal beleid (artikel 8)

817

772

822

822

822

822

822

Cultuur (artikel 14)

4.617

6.017

6.017

6.017

6.017

4.617

4.617

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

454

Apparaat kerndepartement (artikel 95)

148

409

409

409

151

151

151

Totaal1

63.208

66.044

66.094

66.094

65.836

64.436

64.436

1

Deze reeks is exclusief de ODA middelen op artikel 1 en 3. Die staan onder artikel 3 apart in een tabel.

Toelichting

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling van de HGIS middelen van het Ministerie van OCW per artikel.

3.6 Artikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren

De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit gebeurt via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van de versterking van de leraar (Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 345), naar een aantrekkelijke onderwijsarbeidsmarkt (Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 369), de aanpak van het lerarentekort (Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 381, Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 382 en Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 417) en het op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenant.

Regisseren

De Minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken wordt een bijdrage geleverd aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Dit gebeurt door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren/kengetallen voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in het beleidsverslag en op OCW in Cijfers.

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren worden toegelicht in het onderdeel beleidsprioriteiten. Dit betreft onder andere het vervolg op de aanbevelingen van Merel van Vroonhoven.

Tabel 46 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

173.761

193.330

207.719

183.597

179.563

174.578

174.727

Totale uitgaven

155.273

190.340

205.719

185.597

181.563

175.578

174.727

waarvan juridisch verplicht (%)

  

39,1%

    
        

Bekostiging

38.305

40.755

49.484

44.794

44.864

44.864

44.864

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

38.305

40.755

49.484

44.794

44.864

44.864

44.864

Subsidies (regelingen)

111.566

140.573

149.330

133.836

129.780

123.780

122.780

Lerarenbeurs

50.094

65.000

76.586

60.892

59.550

54.550

54.550

Zijinstroom

40.901

48.926

49.405

49.405

46.591

45.591

44.591

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

1.499

1.561

2.711

2.911

3.011

3.011

3.011

Aanpak lerarentekort

17.779

18.540

19.439

19.439

19.439

19.439

19.439

Overige subsidies

1.293

6.546

1.189

1.189

1.189

1.189

1.189

Opdrachten

2.901

6.235

3.831

3.888

3.788

3.788

3.788

Bijdrage aan agentschappen

2.501

2.777

3.074

3.079

3.131

3.146

3.295

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.501

2.777

3.074

3.079

3.131

3.146

3.295

Ontvangsten

6.409

6.510

6.500

6.500

7.000

7.000

7.000

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

173.761

193.330

207.719

183.597

179.563

174.578

174.727

waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

waarvan overig

173.761

193.330

207.719

183.597

179.563

174.578

174.727

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 9 is in 2022 39,1 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is voor 48,0 procent juridisch verplicht, ten gevolge van beschikkingen aan samenwerkingsverbanden op grond van de gepubliceerde bekostigingsregeling Tegemoetkoming Kosten Opleidingsscholen (TKO-regeling) 2021-2022. Het resterende beschikbare budget voor 2022 wordt op dezelfde wijze verplicht in de zomer van 2022 (TKO-regeling 2022-2023).

SubsidiesVan het beschikbare budget voor 2022 is 34,9 procent juridisch verplicht, waarvan het grootste deel van het juridisch verplichte budget voor de lerarenbeurs bestemd is. Verder betreft dit subsidies die worden verstrekt op grond van gepubliceerde subsidieregelingen en individuele subsidies die voorafgaand aan het jaar worden verleend.

OpdrachtenVan het beschikbare budget voor 2022 is 37,0 procent juridisch verplicht op grond van in 2021 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeids-markt. Het resterende deel is niet-juridisch verplicht budget bestemd om beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van leraren (professiona-lisering onderwijspersoneel en aansluiting onderwijs op behoefte arbeidsmarkt) verder te ondersteunen.

Bijdrage aan agentschappenHet budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisatie Dienst Uitvoering Onderwijs voor dat jaar.

Bekostiging

Aanvullende bekostiging

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen op het gebied van opleiden en professionaliseren te verbeteren zijn er opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo), middenbaar beroepsonderwijs (mbo)) erkend. Zij ontvangen jaarlijks bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden. Het beschikbare bedrag voor 2022 is € 49,5 miljoen.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2022 is er € 65 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling lerarenbeurs. Hierin is het amendement van het lid Nijboer verwerkt (35850-VIII-7). De subsidie – voor zowel studiekosten als studieverlof – kan worden aangevraagd door leraren in het po, vo, mbo en hoger beroepsonderwijs (hbo) voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding.

Zij-instroom

Onder dit budget vallen vier verschillende subsidieregelingen:

  • 1. de regeling zi-jinstroom: voor 2022 is € 39,2 miljoen beschikbaar voor een subsidie voor de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject zij-instroom in het beroep;

  • 2. de regeling korte scholingstrajecten vo: een (toekomstig) leraar in het vo heeft de mogelijkheid om de juiste bevoegdheid te behalen om les te mogen geven in het vo;

  • 3. de regeling MBO-instructeursbeurs: de subsidie – voor zowel studiekosten als studieverlof – kan worden aangevraagd door instructeurs in het mbo voor het volgen van een associate degree of een bacheloropleiding;

  • 4. de regeling Onderwijsassistenten: de subsidieregeling heeft als doel om het lerarentekort te verminderen door te bevorderen dat meer onderwijsassistenten de opleiding tot leraar gaan doen.

Regionale aanpak personeelstekort

Voor 2022 is € 19,4 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort. Deze subsidieregeling kan worden gebruikt om partijen in de regio te ondersteunen om het lerarentekort in het po, vo en mbo gezamenlijk aan te pakken.

Wet Beroep Leraar en lerarenregister

Voor 2022 is € 2,7 miljoen beschikbaar voor het versterken van het beroep leraar. Dit budget wordt ingezet voor onder meer Leraar24, de ondersteuning van beroepsgroepvorming, de implementatie van het professioneel statuut van de leraar en een monitor op de Wet Beroep Leraar.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise ingehuurd op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informa-tievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 47 Normbedragen studiefinanciering 2021 per maand in euro's1
 

Normbedragen ho

 

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

 

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 308,60

€ 110,84

n.v.t.

 

€ 285,15

€ 87,37

Aanvullende beurs

€ 295,53

€ 272,41

€ 413,78

 

€ 382,29

€ 359,23

Maximaal leenbedrag

€ 317,04

€ 317,04

€ 507,39

 

€ 190,34

€ 190,34

Collegegeldkrediet

€ 180,67

€ 180,67

€ 180,67

 

n.v.t

n.v.t.

Totaal

€ 1.101,84

€ 880,96

€ 1.101,84

 

€ 857,78

€ 636,94

1

Peildatum 1 september 2021

Vanwege de coronamaatregelen en de hersteloperatie toeslagen heeft een aantal beleidswijzigingen plaatsgevonden op artikel 11. Allereerst hebben studenten die tot en met studiejaar 2022/2023 uit hun recht op basisbeurs of aanvullende beurs lopen recht op een tegemoetkoming. Ook is voor veel studenten het reisrecht verlengd. Verder worden als onderdeel van de hersteloperatie toeslagen de publieke schulden van de gedupeerden kwijtgescholden. Op artikel 11 betreft dit de kwijtschelding van studieschulden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

Tabel 48 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)1
  

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

5.171.220

6.182.899

4.836.822

6.042.469

6.031.685

6.058.753

6.075.991

Totale uitgaven

5.171.220

6.182.899

4.836.822

6.042.469

6.031.685

6.058.753

6.075.991

waarvan juridisch verplicht (%)

 

100%

     
         

Inkomensoverdracht

2.328.241

2.961.441

1.328.826

2.323.300

2.321.670

2.366.175

2.382.996

Basisbeurs gift (R)

865.335

643.864

423.616

386.866

378.527

373.221

356.691

Aanvullende beurs gift (R)

692.622

730.654

769.726

796.567

805.985

814.819

820.985

Reisvoorziening gift (R)

666.540

1.055.892

‒ 42.705

965.472

1.008.151

1.043.712

1.071.598

Caribisch Nederland gift (R)

2.852

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

Overige uitgaven (R)

100.892

528.137

175.295

171.501

126.113

131.529

130.828

Leningen

2.717.821

3.073.748

3.367.673

3.576.573

3.563.952

3.550.331

3.553.988

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

‒ 622.580

‒ 408.097

‒ 193.415

‒ 159.807

‒ 180.362

‒ 184.232

‒ 159.568

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

122.378

134.006

120.024

109.591

84.383

61.675

45.874

Reisvoorziening (NR)

161.344

169.105

160.180

145.629

118.062

102.368

80.525

Rentedragende lening (NR)

2.645.105

2.845.884

2.972.723

3.048.467

3.096.658

3.114.916

3.125.965

Collegegeldkrediet (NR)

303.414

279.243

254.231

364.769

373.536

380.321

386.099

Leven lang leren krediet (NR)

29.551

28.795

25.834

37.871

39.909

41.947

41.947

Overige uitgaven (NR)

78.609

24.812

28.096

30.053

31.766

33.336

33.146

Bijdrage aan agentschappen

125.158

147.710

140.323

142.596

146.063

142.247

139.007

Dienst Uitvoering Onderwijs

125.158

147.710

140.323

142.596

146.063

142.247

139.007

Ontvangsten

1.051.508

1.147.989

1.211.951

1.266.065

1.308.869

1.355.191

1.403.705

Ontvangsten (R)

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

 

Ontvangen rente (R)

63.342

56.271

52.280

55.718

60.906

69.271

79.478

 

Overige ontvangsten (R)

33.824

26.961

20.932

18.919

18.907

18.895

18.883

 

Ontvangsten Caribisch Nederland (R )

220

220

220

220

220

220

220

Ontvangsten (NR)

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

 

Terugontvangen lening (NR)

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Tabel 49 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en Niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

relevante uitgaven:

2.453.399

3.109.151

1.469.149

2.465.896

2.467.733

2.508.422

2.522.003

niet relevante uitgaven:

2.717.821

3.073.748

3.367.673

3.576.573

3.563.952

3.550.331

3.553.988

relevante ontvangsten:

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

niet relevante ontvangsten:

954.122

1.064.537

1.138.519

1.191.208

1.228.836

1.266.805

1.305.124

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2022 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven DUO zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs (ho) het studievoorschot. De basisbeurs in het ho is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) is de basisbeurs onveranderd gebleven. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 50 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Studenten met basisbeurs

222.092

223.800

232.400

239.500

231.500

225.300

221.500

bol

216.315

221.200

231.100

238.900

231.500

225.300

221.500

hbo

5.218

2.300

1.200

600

0

0

0

wo

559

300

100

0

0

0

0

Studenten zonder basisbeurs

585.572

619.800

637.100

647.200

652.500

653.900

653.700

bol

20.030

20.500

21.400

22.100

21.400

20.900

20.500

hbo

345.123

360.900

366.300

367.900

367.600

363.600

358.500

wo

220.419

238.400

249.400

257.200

263.500

269.400

274.700

Totaal

807.664

843.600

869.500

886.700

884.000

879.200

875.200

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vond een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 51 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde basisbeurs gift

84.597

89.701

92.998

98.339

93.612

90.040

87.793

bol

82.278

88.501

92.124

98.339

93.612

90.040

87.793

hbo

1.355

693

576

0

0

0

0

wo

963

507

298

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

780.738

554.163

330.618

288.527

284.915

283.181

268.898

bol

211.376

209.306

206.060

214.858

220.946

229.012

234.729

hbo

315.070

164.630

56.245

38.533

33.683

28.783

18.783

wo

254.292

180.227

68.313

35.136

30.286

25.386

15.386

Totaal

865.335

643.864

423.616

386.866

378.527

373.221

356.691

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 51 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs wordt jaarlijks bijgesteld en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime. In het ho krijgen studenten de eerste 5 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 52 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

bol

108.264

112.900

117.900

121.700

117.600

114.200

112.200

hbo

89.602

94.400

95.600

95.900

95.600

94.600

93.200

wo

31.493

33.600

35.000

36.100

37.100

37.900

38.600

Totaal

229.359

240.900

248.500

253.700

250.300

246.700

244.000

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Tabel 52 laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo.

Tabel 53 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

289.739

311.073

322.781

330.580

319.436

310.382

304.977

bol

231.259

248.897

259.473

266.690

255.312

246.407

241.355

hbo

45.783

48.386

48.948

49.082

48.938

48.442

47.777

wo

12.697

13.790

14.360

14.808

15.186

15.533

15.845

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

402.884

419.581

446.945

465.987

486.549

504.437

516.008

bol

141.841

140.264

140.365

140.292

143.672

148.955

152.289

hbo

191.368

205.554

224.843

239.496

251.938

260.235

265.295

wo

69.675

73.763

81.737

86.199

90.939

95.247

98.424

Totaal

692.622

730.654

769.726

796.567

805.985

814.819

820.985

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In de tabel 53 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs wordt jaarlijks bijgesteld. Voor studenten in het ho die niet onder het studievoorschot vallen, is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 272,41 of € 295,53 per maand. Dit geldt ook voor het bol, daar bedraagt de aanvullende beurs maximaal respectievelijk € 359,12 of € 382,29 per maand (zie tabel 47).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 413,78 per maand. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 54 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2020 afgeronde raming)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Aantal gebruikers van het reisrecht

817.573

867.700

892.300

906.300

901.700

898.600

884.500

bol minderjarig

112.599

111.300

109.300

107.300

104.900

105.600

107.000

bol

218.779

223.800

233.700

241.600

234.100

227.900

224.100

ho

486.195

532.600

549.300

557.400

562.700

565.100

553.400

Aantal RBS

11.497

15.300

15.800

16.100

16.200

16.300

16.300

bol

1.378

2.000

2.100

2.200

2.100

2.100

2.000

ho

10.119

13.300

13.700

13.900

14.100

14.200

14.300

Totaal

829.070

883.000

908.100

922.400

917.900

914.900

900.800

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden (RBS)).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. In het Nationaal Programma Onderwijs is het reisrecht voor veel ho-studenten verlengd met een extra jaar: studenten die in de periode maart t/m december 2020 een opleiding volgden aan een hogeschool of universiteit én op dat moment minimaal een maand recht hadden op studiefinanciering, krijgen in totaal 12 maanden extra reisrecht erbij, aansluitend op het reguliere reisrecht van de nominale studieduur plus één jaar.

Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Sinds 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 55 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde reisvoorziening gift

92.663

95.460

99.706

103.469

103.248

104.139

105.855

bol

81.448

83.189

86.735

89.887

89.103

89.467

90.675

ho

11.215

12.270

12.971

13.582

14.145

14.672

15.181

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

688.227

727.859

774.825

817.203

853.756

885.079

909.194

bol

210.598

246.745

260.853

277.242

288.474

295.741

301.143

ho

477.629

481.114

513.972

539.961

565.282

589.338

608.051

Bijdrage studerenden aan OV-contract

‒ 972.684

‒ 1.026.830

‒ 1.089.548

‒ 1.127.049

‒ 1.141.773

‒ 1.158.255

‒ 1.162.202

bol

‒ 394.983

‒ 402.974

‒ 420.891

‒ 436.794

‒ 432.885

‒ 434.249

‒ 439.746

ho

‒ 577.701

‒ 623.856

‒ 668.658

‒ 690.255

‒ 708.888

‒ 724.006

‒ 722.456

Kosten contract OV-bedrijven

858.334

1.259.403

172.312

1.171.850

1.192.920

1.212.749

1.218.751

Totaal reisvoorziening

666.540

1.055.892

‒ 42.705

965.472

1.008.151

1.043.712

1.071.598

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract OV-bedrijven zijn de jaarlijkse uitgaven wat lastiger met elkaar te vergelijken. Dit heeft te maken met verschillende kasschuiven. Het betreft allereerst een kasschuif van € 425,0 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast zijn er twee kasschuiven van € 200,0 miljoen van 2021 naar 2020. Ook is er een kasschuif van € 1.050,0 miljoen van 2022 naar 2021, mede op verzoek van de OV-bedrijven. Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen. In 2021 zijn de overige uitgaven fors hoger dan andere jaren. Dat komt enerzijds omdat de kosten voor de tegemoetkoming studenten mbo en ho als gevolg van de coronamaatregelen zijn opgenomen onder deze post. Daarnaast worden de kwijtscheldingen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire ook onder deze post geboekt.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet-relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het ho het studievoorschot.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde basisbeurs

256.278

263.866

270.403

277.320

268.552

262.949

259.330

bol

234.960

248.835

260.084

269.525

263.314

257.743

254.173

hbo

19.108

13.153

9.064

6.954

4.561

4.514

4.451

wo

2.210

1.878

1.255

841

677

692

706

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 780.738

‒ 554.163

‒ 330.618

‒ 288.527

‒ 284.914

‒ 283.181

‒ 268.898

bol

‒ 211.376

‒ 209.307

‒ 206.061

‒ 214.858

‒ 220.945

‒ 229.012

‒ 234.729

hbo

‒ 315.070

‒ 164.630

‒ 56.245

‒ 38.533

‒ 33.683

‒ 28.783

‒ 18.783

wo

‒ 254.292

‒ 180.226

‒ 68.312

‒ 35.136

‒ 30.286

‒ 25.386

‒ 15.386

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 98.120

‒ 117.800

‒ 133.200

‒ 148.600

‒ 164.000

‒ 164.000

‒ 150.000

bol

‒ 15.484

‒ 17.000

‒ 18.000

‒ 19.000

‒ 20.000

‒ 20.000

‒ 20.000

hbo

‒ 60.976

‒ 70.000

‒ 80.000

‒ 90.000

‒ 100.000

‒ 100.000

‒ 90.000

wo

‒ 21.660

‒ 30.800

‒ 35.200

‒ 39.600

‒ 44.000

‒ 44.000

‒ 40.000

Totaal

‒ 622.580

‒ 408.097

‒ 193.415

‒ 159.807

‒ 180.362

‒ 184.232

‒ 159.568

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalde het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 57 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde aanvullende beurs

559.371

594.087

609.968

621.078

618.932

614.613

610.383

bol

165.389

172.494

180.306

186.874

182.518

178.610

176.104

hbo

286.532

305.459

308.648

309.361

308.327

305.029

300.708

wo

107.451

116.134

121.014

124.843

128.087

130.974

133.571

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 402.884

‒ 419.581

‒ 446.944

‒ 465.987

‒ 486.549

‒ 504.438

‒ 516.009

bol

‒ 141.841

‒ 140.264

‒ 140.365

‒ 140.292

‒ 143.672

‒ 148.955

‒ 152.289

hbo

‒ 191.368

‒ 205.554

‒ 224.842

‒ 239.496

‒ 251.938

‒ 260.236

‒ 265.296

wo

‒ 69.675

‒ 73.763

‒ 81.737

‒ 86.199

‒ 90.939

‒ 95.247

‒ 98.424

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 34.110

‒ 40.500

‒ 43.000

‒ 45.500

‒ 48.000

‒ 48.500

‒ 48.500

bol

‒ 9.192

‒ 12.000

‒ 13.000

‒ 14.000

‒ 15.000

‒ 15.000

‒ 15.000

hbo

‒ 19.109

‒ 22.000

‒ 23.000

‒ 24.000

‒ 25.000

‒ 25.000

‒ 25.000

wo

‒ 5.809

‒ 6.500

‒ 7.000

‒ 7.500

‒ 8.000

‒ 8.500

‒ 8.500

Totaal

122.378

134.006

120.024

109.591

84.383

61.675

45.874

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 57 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Voor het verloop van deze uitgaven gelden dezelfde factoren als voor de relevante uitgaven aan de aanvullende beurs.

Reisvoorziening

Tabel 58 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Uitbetaalde reisvoorziening

894.126

946.964

992.005

1.025.832

1.040.817

1.056.447

1.058.719

bol

315.311

320.372

334.780

347.565

344.432

345.428

349.719

ho

578.815

626.592

657.225

678.267

696.385

711.019

709.000

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 688.227

‒ 727.859

‒ 774.825

‒ 817.203

‒ 853.755

‒ 885.079

‒ 909.194

bol

‒ 210.598

‒ 246.745

‒ 260.853

‒ 277.242

‒ 288.473

‒ 295.741

‒ 301.143

ho

‒ 477.629

‒ 481.114

‒ 513.972

‒ 539.961

‒ 565.282

‒ 589.338

‒ 608.051

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 44.555

‒ 50.000

‒ 57.000

‒ 63.000

‒ 69.000

‒ 69.000

‒ 69.000

bol

‒ 8.082

‒ 10.000

‒ 12.000

‒ 13.000

‒ 14.000

‒ 14.000

‒ 14.000

ho

‒ 36.473

‒ 40.000

‒ 45.000

‒ 50.000

‒ 55.000

‒ 55.000

‒ 55.000

Totaal reisvoorziening

161.344

169.105

160.180

145.629

118.062

102.368

80.525

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 59 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Rentedragende lening

2.645.105

2.845.884

2.972.723

3.048.467

3.096.658

3.114.916

3.125.965

Collegegeldkrediet

303.414

279.243

254.231

364.769

373.536

380.321

386.099

Leven lang leren krediet

29.551

28.795

25.834

37.871

39.909

41.947

41.947

Totaal

2.978.070

3.153.922

3.252.788

3.451.107

3.510.103

3.537.184

3.554.011

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen. De verwachte uitgaven aan het collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet lopen in 2021 en 2022 iets terug vanwege de halvering van het collegegeld. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet voor studenten die het wettelijk collegegeld betalen is in collegejaar 2021-2022 gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen.

Tabel 60 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Ontvangen rente

63.342

56.271

52.280

55.718

60.906

69.271

79.478

Overige ontvangsten

33.824

26.961

20.932

18.919

18.907

18.895

18.883

Renteloos voorschot en relevante

1.034

1.003

974

961

949

937

925

rentedragende lening

Kortlopende vorderingen

32.790

25.958

19.958

17.958

17.958

17.958

17.958

Ontvangsten Caribisch Nederland

220

220

220

220

220

220

220

Totaal relevante ontvangsten

97.386

83.452

73.432

74.857

80.033

88.386

98.581

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit ontvangsten op de kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer en vaker is geleend.

3.8 Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage Schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naar Onderwijs in Cijfers

Tabel 61 Normbedragen WTOS in euro's (per maand, tenzij anders vermeld)1
  

Schoolkosten

Les- of cursusgeld

Basistoelage thuiswonend

Basistoelage uitwonend

Leerlingen in het vo vanaf 18 jaar

    
 

vo onderbouw

84,81

   
 

niet bekostigd vo onderbouw

116,12

101,33

120,28

280,45

 

vo bovenbouw

92,85

 

120,28

280,45

 

niet bekostigd vo bovenbouw

124,20

101,33

120,28

280,45

 

vso

56,33

 

120,28

280,45

 

vavo

124,20

101,33

120,28

280,45

Tegemoetkoming studenten 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd2

    
 

bij 540 of meer lesminuten per week

334,28

384,00

  
 

tussen 270 en 540 minuten per week

225,21

256,00

  

Lerarenopleidingen2

781,25

567,23

  
1

Peildatum schooljaar 2021/2022

2

Bedragen per schooljaar

Toelichting

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de vo bovenbouw gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

Tabel 62 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (bedragen x € 1.000)1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

69.366

67.394

67.116

65.960

65.687

65.785

66.107

Totale uitgaven

69.366

67.394

67.116

65.960

65.687

65.785

66.107

waarvan juridisch verplicht (%)

 

100%

     
        

Inkomensoverdracht

66.781

64.893

64.578

63.407

63.082

63.132

63.311

Minderjarige deelnemers bol (R )

10

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.568

3.641

3.641

3.641

3.641

3.641

3.641

Deeltijd vo (R)

1.953

2.001

2.001

2.001

2.001

2.001

2.001

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

5.132

4.469

5.149

5.386

5.394

5.393

5.402

Meerderjarige scholieren vo (R)

52.417

50.890

49.999

48.641

48.322

48.402

48.520

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.701

3.892

3.788

3.738

3.724

3.695

3.747

Leningen

14

14

14

14

14

14

14

STOEB/ALR (NR)

14

14

14

14

14

14

14

Bijdrage aan agentschappen

2.571

2.487

2.524

2.539

2.591

2.639

2.782

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.571

2.487

2.524

2.539

2.591

2.639

2.782

Ontvangsten

2.353

2.183

2.174

2.137

2.127

2.129

2.135

Minderjarige deelnemers bol (R)

66

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

285

285

285

285

285

285

285

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

2.002

1.898

1.889

1.852

1.842

1.844

1.850

1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2022 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoerings Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie deze bedoeld is.

Tabel 63 Aantal gebruikers per regeling 1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Aantal gebruikers tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo en vavo

6.064

6.100

6.100

6.100

6.100

6.100

6.100

Aantal meerderjarige gebruikers v(s)o en vavo

32.118

29.900

29.600

28.900

28.800

28.800

28.900

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Lening

Het bedrag dat onder het instrument lening is geboekt betreffen uitgaven aan de rentedragende lening op de WTOS.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.9 Artikel 13. Lesgelden

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

Financieren

De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling.

Tabel 64 Lesgeldbedrag (bedragen x € 1)
 

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

2024/25

2025/26

2026/27

Lesgeld

1.202

1.216

1.216

1.216

1.216

1.216

1.216

Voor het collegejaar 2021/22 geldt dat het lesgeld gehalveerd wordt voor alle studenten. Hierdoor zijn de ontvangsten lager voor de jaren 2021 en 2022.

Tabel 65 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

13.664

13.932

14.249

14.350

14.621

14.637

15.654

Totale uitgaven

13.664

13.932

14.249

14.350

14.621

14.637

15.654

waarvan juridisch verplicht (%)

 

100%

     
        

Bijdrage aan agentschappen

13.664

13.932

14.249

14.350

14.621

14.637

15.654

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.664

13.932

14.249

14.350

14.621

14.637

15.654

Ontvangsten

252.994

188.743

215.480

291.293

286.029

282.170

281.453

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2022 100 procent juridisch verplicht. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

Bijdrage aan agentschappen

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, studiefinanciering en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

Tabel 66 Aantal lesgeldplichtigen 1
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

bol/vo

219.566

224.600

234.600

242.400

234.900

228.700

224.900

1

Bron 2020: realisatiegegevens DUO; Bron 2021 – 2026: ramingsmodel SF

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de deelnemers/leerlingen.

3.10 Artikel 14. Cultuur

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt. De Minister is ook verantwoordelijk voor de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet.

Financieren

De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma's en regelingen op de terreinen erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken.

Stimuleren

De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma’s als cultuureducatie, leesbevordering, cultuurparticipatie, ondernemerschap, historisch-democratisch bewustzijn en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren

De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen
Tabel 67 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

1

Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht1

 

89%

 

89%

 

2

Percentage bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht1

 

59%

 

63%

 

3

Percentage kinderen en jongeren tussen 6 en 19 jaar dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht2

 

99% (6-11 jaar) 99% (12-19 jaar)

 

98%(6-11 jaar) 100% (12-19 jaar)

 
1

Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd.

2

Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd. De Vrijetijdsomnibus (VTO) is een tweejaarlijks onderzoek naar cultuur- en sportparticipatie van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) wordt eens in de twee jaar uitgevoerd. De gegevens over 2018 zijn de meest recente. De VTO2018 peiling verschilde van de eerdere peilingen. Voortschrijdend inzicht bij het CBS leidde tot een andere ‘waarnemingsstrategie’. Dit is echter niet zonder consequenties voor de vergelijkbaarheid met eerdere jaren. Er is voor gekozen om de data van eerdere VTO’s met terugwerkende kracht te herwegen, zodat het net is of destijds ook al de 2018 gehanteerde waarnemingsstrategie was gebruikt. De vergelijkbaarheid van 2018 is hersteld met de eerdere jaren, en heeft als consequentie dat de cijfers over die eerdere jaren wat anders kunnen uitvallen dan eerder is gepubliceerd. In de regel leidde dit overigens niet tot grote verschillen.

Toelichting

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven inzicht in het cultuurbereik en zijn daarmee in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur.In 2018 bezochten negen op de tien mensen van 6 jaar en ouder jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling, evenement of culturele instelling.Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 63 procent van de mensen bezocht. Op basis van deze gegevens blijkt dat bijna alle kinderen en jongeren tot en met 19 jaar in 2018 minstens één keer een voorstelling, een museum of bibliotheek bezochten. De cijfers over 2016 verschillen van wat eerder is gepubliceerd als gevolg van een methodologische wijziging die met terugwerkende kracht is doorgevoerd. In de regel leidde dit overigens niet tot grote verschillen. Meer kengetallen en indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd in OCW in cijfers.

Op 7 december 2020 is het rapport van de commissie Kohnstamm verschenen met aanbevelingen om het restitutiebeleid te versterken. Deze aanbevelingen betreffen onder andere het hervatten van grootschalig herkomstonderzoek en verbetering van de informatievoorziening aan potentiële rechthebbenden. De aanbevelingen leiden tot een meerjarig effect op de begroting. Het kabinet neemt alle aanbevelingen over. De Tweede Kamer is hier bij brief van 25 juni 2021 over geïnformeerd.

Tabel 68 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

2.864.257

882.722

348.266

343.169

2.036.316

473.156

475.456

Totale uitgaven

1.356.245

1.418.848

1.014.937

1.007.043

1.012.542

1.007.818

1.010.217

waarvan juridisch verplicht (%)

 

96,1%

97,0%

    
        

Bekostiging

1.110.322

1.196.469

901.624

895.788

904.884

904.397

904.496

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

359.633

269.609

218.040

218.081

218.249

217.887

217.887

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

312.645

364.586

229.726

229.831

231.131

214.661

214.661

Huisvesting erfgoed

88.524

0

0

0

0

0

0

Beheer en onderhoud collecties erfgoed

43.055

0

0

0

0

0

0

Museale instellingen met een wettelijke taak

0

290.889

218.614

218.614

218.614

218.564

218.663

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

23.100

23.867

24.092

24.092

24.092

24.092

24.092

Digitale openbare bibliotheek

14.674

19.118

16.868

16.868

16.868

16.868

16.868

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

12.011

12.537

12.537

12.537

12.537

12.537

12.537

Monumentenzorg

213.403

181.661

146.283

140.238

137.367

138.792

138.792

Archieven incl. Regionale Historische Centra

26.359

29.111

29.650

29.713

29.713

29.713

29.713

Flankerend beleid huisvesting

6.700

5.091

5.813

5.813

5.813

5.813

5.813

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

0

1

1

10.500

25.470

25.470

Subsidies (regelingen)

179.056

151.641

46.502

46.904

47.202

44.640

44.640

Verbreden inzet cultuur

17.117

7.620

9.331

10.374

11.878

13.986

13.986

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

8.337

8.356

8.356

8.356

8.356

8.213

8.213

Programma leesbevordering

3.900

4.215

3.967

3.418

3.418

3.418

3.418

Creatieve Industrie

2.161

1.437

1.728

1.728

1.728

2.015

2.015

Monumentenzorg

4.443

137

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

36

0

0

0

0

0

 

Specifiek cultuurbeleid

143.062

125.180

20.708

21.012

19.806

15.642

15.642

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

0

4.696

2.412

2.016

2.016

1.366

1.366

Opdrachten

17.972

24.884

19.416

17.857

14.746

12.895

12.895

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

1.342

1.634

2.068

1.940

1.940

1.940

1.940

Monumentenzorg

8.275

0

0

0

0

0

0

Archeologie

3.031

0

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

301

0

0

0

0

0

0

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

0

13.059

10.024

8.040

7.939

7.289

7.289

Overige opdrachten

5.023

10.191

7.324

7.877

4.867

3.666

3.666

Bijdrage aan agentschappen

45.971

42.878

44.438

43.537

42.779

42.955

45.255

Nationaal Archief

45.971

42.878

44.438

43.537

42.779

42.955

45.255

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.924

2.976

2.957

2.957

2.931

2.931

2.931

Ontvangsten

5.447

15.990

3.043

3.043

3.043

494

494

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

2.864.257

882.722

348.266

343.169

2.036.316

473.156

475.456

waarvan garantieverplichtingen

‒ 114.750

111.709

0

0

0

0

0

waarvan overig

2.979.007

771.013

348.266

343.169

2.036.316

473.156

475.456

De garantieverplichtingen hebben betrekking op leningen/rekening-courantkredieten aan diverse musea. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Daarnaast betreft het garantstellingen in het kader van de indemniteitsregeling en de achterborgovereenkomst. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van 2021 wijzigt de indeling van deze budgettabel.

Het nieuwe budget ‘Museale instellingen met een wettelijke taak’ bestaat uit de budgetten die voorheen waren vermeld bij de regels ‘huisvesting’ en ‘beheer en onderhoud collecties’ plus het budget voor de publieksactiviteiten van musea, dat voorheen onderdeel was van de regel ‘vierjaarlijkse instellingen’. Hiermee wordt inzichtelijker hoeveel in totaal wordt uitgegeven aan de museale instellingen met een wettelijke taak.

Met de nieuwe budgetten ‘Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)’ en ‘Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’ worden de uitgaven gebundeld, aan respectievelijk subsidies en opdrachten, die via de RCE verlopen. Voorheen waren deze uitgaven onderdeel van verschillende budgetten binnen de instrumenten subsidies en opdrachten. Met deze wijziging wordt inzichtelijker hoeveel programmabudget wordt uitgegeven door de RCE.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 14 is voor 2022 97,0 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op betalingen aan culturele instellingen, cultuurfondsen en monumenteneigenaren. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en onderliggende besluiten en regelingen. Het moment van juridisch verplichten gaat vooraf aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

SubsidiesVan het beschikbare budget is 63,1 procent juridisch verplicht. Dit betreft het deel van de subsidies waarvoor al voor de start van 2022 een beschikking is verstuurd.

OpdrachtenVan het beschikbare budget is 29,8 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan agentschappenDit betreft de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisatiesDit betreft de contributies voor (inter)nationale verdragen en lidmaatschappen. Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken. Het budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

In de culturele basisinfrastructuur worden instellingen voor een periode van vier jaar bekostigd. De Regeling op het specifiek cultuurbeleid regelt welke instellingen voor de periode 2021–2024 in aanmerking komen voor deze bekostiging. De Raad voor Cultuur heeft op 4 juni 2020 advies uitgebracht over de aanvragen voor de periode 2021–2024 en de besluiten zijn opgenomen in (de bijlagen bij) de Kamerbrief Nieuwe visie cultuurbeleid (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383). De culturele basisinfrastructuur bestaat vanaf 2021 uit instellingen op het gebied van podiumkunsten (theater, dans, muziek en muziektheater, festivals en jeugdpodiumkunsten), regionale musea en sectorcollecties, beeldende kunst (presentatie-instellingen en postacademische instellingen), film (festivals en ondersteunende instelling), letteren (festival en ondersteunende instellingen), ontwerp (ondersteunende instelling, future lab design en technologie, festivals), ontwikkelinstellingen en een aantal bovensectorale ondersteunende instellingen.

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

Naast de vierjaarlijkse instellingen zijn er zes cultuurfondsen, die sectoraal zijn georganiseerd. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel. Door middel van flexibele en kortlopende subsidieregelingen kunnen zij de dynamiek en de vernieuwing in de sector op de voet volgen en zijn zij in staat snel op sectorale ontwikkelingen te reageren.De begrote uitgaven zijn inclusief de bekostiging van het Fonds Cultuurparticipatie voor het programma Cultuureducatie met Kwaliteit, dat een vervolg krijgt in de periode 2021-2024. Daarbij is er meer ruimte om in te spelen op lokale wensen, zoals aandacht voor het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs, gelijke kansen, aansluiting bij curriculum.nu en de relatie binnenschools-buitenschools. Het bedrag dat andere gemeenten dan de G9 ontvangen is verhoogd: het Ministerie van OCW stelt voor alle gemeenten het bedrag beschikbaar dat de G9 eerder al ontvingen, namelijk € 0,79 per leerling. Cultuureducatie met kwaliteit is in de periode 2021-2024 ook toegankelijk voor aanvragers in Caribisch Nederland.Vanaf 2022 wordt de jaarlijkse OCW-bijdrage van voor speelfilms geoormerkte middelen voor het Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) verstrekt aan het Filmfonds. De middelen zijn overgeheveld van het begrotingsartikel Media.

Museale instellingen met een wettelijke taak

Op basis van de Erfgoedwet zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak worden op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting. Daarnaast ontvangen museale instellingen, op grond van dezelfde regeling, middelen voor hun publieksactiviteiten.

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen, digitale openbare bibliotheek en bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

De Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen, waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshandicap. Activiteiten richten zich in 2022 op de aandachtspunten uit de evaluatie van de Wsob, waaronder de afschaffing van de jeugdcontributie, de rol van de openbare bibliotheek bij het Leesoffensief, de doorontwikkeling van de digitale openbare bibliotheek, met name voor de jeugd, en in vervolg op de Motie van het lid Asscher c.s. de spreiding en bereikbaarheid van de fysieke bibliotheek. Speciale aandacht heeft het herstel van de bibliotheeksector van de gevolgen van de coronacrisis.

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is het juridisch kader voor de financiering van de monumentenzorg. In dit kader vindt onder andere de financiering ten behoeve van het behoud van rijksmonumenten plaats. Daarbij is ook aandacht voor de verbindende waarde van erfgoed en de verduurzaming van rijksmonumenten. Ten slotte wordt er ook in 2022 in monumentenzorg geïnvesteerd via onder andere de Subsidieregeling instandhouding monumenten en de Woonhuisregeling.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra

Het Ministerie van OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Een wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 11 juni 2018, zal naar verwachting in 2022 door de Tweede Kamer kunnen worden behandeld.

Flankerend beleid huisvesting

Deze middelen zijn gereserveerd voor het Garantiefonds rijksmusea. Ze zijn bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet.

Cultuureducatie met kwaliteit

Voor het jaar 2022 zijn geen uitgaven ten laste van dit budget geraamd. Dit heeft twee oorzaken. De middelen voor het programma Cultuureducatie met kwaliteit zijn met ingang van 2021 onderdeel geworden van de bekostiging Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen, omdat de uitgaven plaatsvinden via de bekostiging van het Fonds Cultuurparticipatie. Daarnaast zijn de middelen voor cultuureducatie en museumbezoek in het primair onderwijs inmiddels tot en met het schooljaar 2023-2024 overgeboekt naar artikel 1 (Primair onderwijs).

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

In de periode 2021-2024 stimuleert het Ministerie van OCW toegankelijkheid met een programma cultuurparticipatie. Dit programma wordt uitgevoerd door het Fonds voor Cultuurparticipatie en heeft als doel de cultuurdeelname van zoveel mogelijk verschillende groepen te bevorderen. Het programma verbindt zorg en sociaal werk met professionele culturele instellingen, amateur- en erfgoedverenigingen en kunstenaarsinitiatieven. Het gaat om actieve participatie: zelf dansen, filmen, vloggen, toneel spelen, schrijven of verhalen vertellen.Daarnaast stimuleert het Ministerie van OCW de digitale transformatie van de culturele en creatieve sector en daarmee het innovatieve vermogen van deze sectoren. DEN, kennisinstituut voor cultuur en digitale transformatie, voert projecten uit om de sector met expertise en kennisdelen te ondersteunen. Met de uitvoering van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed door het Netwerk Digitaal Erfgoed wordt de digitale toegankelijkheid en het gebruik van erfgoed, archieven en collecties vergroot.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief Homogene Groep Internationale Samenwerking)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van de Ministeries van OCW en Buitenlandse Zaken. In de periode 2021-2024 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelen:

  • 1. een sterke positie van de Nederlandse culturele sector in het buitenland door zichtbaarheid, uitwisseling en duurzame samenwerking;

  • 2. het met Nederlandse cultuuruitingen ondersteunen van de bilaterale relaties met andere landen;

  • 3. het benutten van de kracht van de culturele sector en creatieve industrie voor de Sustainable Development Goals (SDG’s), met name in de verbinding met de Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS)-agenda in de focusregio’s.

Voor de verwezenlijking van zojuist genoemde doelen wordt gekozen voor een meerjarige strategische inzet op 23 landen. Per land worden nadere afspraken gemaakt tussen betrokken spelers (o.a. diplomatieke posten, fondsen en Dutch Culture) over samenwerking en uitvoering. Door maatwerk per land worden cultuur en buitenlandprioriteiten met elkaar verbonden.

Programma leesbevordering

Het Leesoffensief is eind 2019 gestart met als ambitie om meer leesplezier en verbeterde leesvaardigheid bij kinderen en jongeren te bewerkstelligen door middel van een duurzame verbetering van het leesonderwijs en de leescultuur. Het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen is onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2020–2024 en draagt bij aan de doelstellingen van het Leesoffensief. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak samen met de Ministeries van SZW, BZK en VWS om laaggeletterdheid te voorkomen en tegen te gaan. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 18 maart 2019 is aangekondigd, is het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen de afgelopen jaren bewezen effectief geweest en wordt het daarom voortgezet.

Creatieve industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan ten behoeve van de Creatieve Industrie. Dit gebeurt in samenwerking met het Ministerie van EZK. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor de ontwerpdisciplines zoals architectuur, vormgeving en digitale cultuur. In samenwerking met het Ministerie van BZK wordt een architectuurprogramma gefinancierd.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen, die grotendeels besteed worden aan projectsubsidies op basis van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De middelen voor 2022 zijn bestemd voor diverse onderwerpen, zoals de arbeidsmarktagenda, beleidsinnovatie bibliotheken, de specifieke uitkering ‘Verbreding en vernieuwing’ ter versterking van de regionale culturele infrastructuur, het Revolverend Productiefonds bij Cultuur+Ondernemen, archeologie, erfgoed en fysieke leefomgeving, mobiel erfgoed, het Holocaustmuseum en de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.

Subsidies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor subsidies voor ondersteuning van het erfgoedveld in de domeinen archeologie, gebouwd erfgoed, roerend erfgoed, cultuurlandschap en leefomgeving. Er wordt geïnvesteerd in kennis- en onderzoeksprogramma’s, de ondersteuning en infrastructuur voor erfgoed en informatie- en communicatietechniek.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring van versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Opdrachten Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor dezelfde onderwerpen als vermeld onder de kop ‘Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’, maar dan voor uitgaven aan opdrachten. Ook is budget beschikbaar voor monumenten in het aardbevingsgebied in Groningen.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor opdrachten die verbonden zijn aan diverse beleidsterreinen. De grootste geplande uitgave in 2022 is aan de Cultuurkaart. Het huidige contract voor de Cultuurkaart voor het voortgezet onderwijs, inclusief het voortgezet speciaal onderwijs, loopt nog tot en met het schooljaar 2023-2024.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuurverdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages) en de Nederlandse Taalunie.

Ontvangsten

Er zijn ontvangsten geraamd als gevolg van het definitief vaststellen van subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3 

  • BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 69 Fiscale regelingen 2020-2022, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2020

2021

2022

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

708

708

942

1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Artikel 15. Media

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol vooral ook een regisserende rol.

Financieren

De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan Nationale Publieke Omroep (NPO) 2022-2026 (Kamerstukken II 2021/22, 32827, nr. 202) sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereenkomst met de publieke omroep.

Stimuleren

Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma's, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Mediawijzer.net).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen voor audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

Kengetallen
Tabel 70 Kengetal

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1

Integraal bereik NPO (radio, tv, internet; Nederlanders 13+)1

87%

86%

85%

84%

84%

86%

1

Bron: NPO, o.b.v. GfK / CMI

Op 8 december 2020 is de Eerste Kamer akkoord gegaan met het wetsvoorstel Versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep. In dit wetsvoorstel is een groot deel van de maatregelen uit de visiebrief vertaald. Die maatregelen hebben hiermee hun effect voor de nieuwe concessie- en erkenningsperiode die ingaat per 1 januari 2022. In de beleidsagenda wordt nader ingegaan op de stappen die horen bij het ingaan van een nieuwe concessieperiode.

Bij een nieuwe concessieperiode hoort op basis van de Mediawet 2008 ook het vaststellen van een nieuw minimumbudget voor de landelijke publieke omroep voor die periode. Het minimumbudget wordt voor 2022 vastgesteld op € 827,0 miljoen.

De Ster heeft voor de nieuwe concessie- en erkenningsduur een nieuwe raming afdracht Ster-inkomsten afgegeven, gebaseerd op het aangepaste reclamebeleid waarbij in de komende vijf jaar de wettelijk beschikbare zendtijd voor reclameboodschappen op de lineaire aanbodkanalen wordt gehalveerd. Met ingang van 2021 was al afgesproken dat er geen reclame te zien zou zijn online en rond kinderprogrammering. De afdracht aan de mediabegroting op basis van deze raming is opgenomen in de begroting.

Tabel 71 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.115.495

1.065.163

1.053.522

1.045.245

1.049.775

1.053.209

1.056.576

Totale uitgaven

1.084.670

1.065.161

1.053.522

1.045.245

1.049.775

1.053.209

1.056.576

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,9%

    
        

Bekostiging

1.038.133

1.042.741

1.040.773

1.033.557

1.038.087

1.041.521

1.044.888

Landelijke publieke omroep

807.438

806.592

824.968

828.523

831.898

842.242

846.277

Regionale omroep

150.067

153.106

153.850

153.308

153.308

153.308

153.308

Stichting Omroep Muziek

16.708

17.047

17.130

17.069

17.069

17.069

17.069

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

23.715

24.195

24.313

24.227

24.227

24.227

24.227

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.220

2.265

2.276

2.268

2.268

2.268

2.268

Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

8.596

8.674

3.737

3.737

2.437

2.437

2.437

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.580

1.612

1.620

1.614

1.614

1.614

1.614

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

1.633

1.664

1.673

1.667

1.667

1.667

1.667

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

25.742

26.578

10.395

336

2.791

‒ 4.119

‒ 4.787

Overige bekostiging media

434

1.008

811

808

808

808

808

Subsidies (regelingen)

41.042

16.822

7.132

6.088

6.088

6.088

6.088

Subsidies (regelingen)

12.874

9.631

7.132

6.088

6.088

6.088

6.088

Steunfonds Lokale Informatievoorziening

28.168

7.191

0

0

0

0

0

Opdrachten

651

649

649

649

649

649

649

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.782

4.879

4.903

4.886

4.886

4.886

4.886

Commissariaat voor de Media

4.782

4.879

4.903

4.886

4.886

4.886

4.886

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

62

70

65

65

65

65

65

European Audiovisual Observatory

62

70

65

65

65

65

65

Ontvangsten

156.886

165.000

146.110

134.235

135.660

125.590

123.690

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 15 is in 2022 99,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is 99,9 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 89,8 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op journalistiek en de regionale, lokale en streekomroepen. Hieraan ten grondslag liggen het Regeerakkoord en de visiebrief.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is nul procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Het beschikbare budget voor 2022 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdrage aan internationale organisaties

Het beschikbare budget voor 2022 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt het Ministerie van OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep.

Op basis van de Mediawet 2008 is voor 2022 het minimumbudget voor de landelijke publieke omroep vastgesteld op € 827,0 miljoen.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroep-orkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in de samenleving.

Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

De Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO), ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten in de vorm van een financiële bijdrage aan publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. De meeste coproducties waar CoBO een bijdrage aan levert, vinden plaats tussen een publieke omroepinstelling en een onafhankelijke filmproducent. Daarnaast wordt door CoBO bijgedragen aan coproducties tussen een publieke omroepinstelling en een instelling op het gebied van de podiumkunsten. Iedere filmproducent, instelling op het gebied van de podiumkunsten, de Vlaamse publieke omroep (VRT), of Duitse publieke omroep, kan één of meer landelijke publieke omroepinstellingen benaderen, teneinde te komen tot een coproductie. CoBO ontvangt OCW-middelen en verkrijgt daarnaast vergoedingen van buitenlandse kabelaars (België, Duitsland en Luxemburg) voor de doorgifte van de zenders van de Nederlandse publieke omroep.

Vanaf 2022 zijn de voor speelfilms geoormerkte CoBO middelen (jaarlijks € 6,3 miljoen) conform de kamerbrief trajecten krachtenbundeling en buitenproducenten bestemd voor het Filmfonds, dat wordt gefinancierd via artikel 14 (Cultuur). Voor 2022 en 2023 zal hiervan nog € 1,3 miljoen per jaar aan de NPO worden betaald via artikel 15 (Media). Het bedrag van € 1,3 miljoen in 2022 en 2023 maakt geen deel uit van het minimumbudget voor de landelijke publieke omroep.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

Op basis van de verwachte uitgaven op de mediabegroting en de verwachte reclameopbrengsten van de Ster worden middelen toegevoegd of onttrokken aan de Algemene Mediareserve (AMr). De AMr kan op grond van de Mediawet worden gebruikt voor de opvang van dalende Ster-inkomsten, bijdragen aan de bekostiging van reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en voor de financiering van de door het CvdM aan te houden rekening-courantverhouding voor betalingen aan instellingen.

Overige bekostiging Media

Te laste van dit budget wordt onder meer het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer.

Subsidies

Ten laste van dit budget wordt de jaarlijkse subsidie aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten betaald. Daarnaast worden nog incidentele subsidies op het gebied van de media betaald.

Onderdeel van subsidies zijn de Regeerakkoordmiddelen voor onderzoeksjournalistiek. Deze worden ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen. Voor 2022 is het budget € 5,4 miljoen.

Daarnaast is voor 2019 tot en met 2021 € 15,0 miljoen voor de regionale, lokale en streekomroepen uit de visiebrief onder de subsidies toegevoegd. Van dit budget wordt € 1,0 miljoen voor het samenwerkingsproject tussen de NOS en lokale (NLPO) en regionale (RPO) omroepen niet in 2021 maar in 2022 besteed.

Opdrachten

Te laste van dit budget worden onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald. Daarnaast worden nog incidentele opdrachten op het gebied van Media betaald.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

De kerntaak van het Commissariaat voor de Media (CvdM) bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instellingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Daarnaast houdt het CvdM toezicht op zelfregulering door in Nederland gevestigde videoplatformdiensten en is het CvdM tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het NICAM. Daarnaast heeft het CvdM tot taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders.

Ontvangsten

Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster.

3.12 Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

Financieren

De Minister bekostigt het onderzoeks- en wetenschapsbestel.

Stimuleren

De Minister stimuleert in het wetenschappelijk onderzoek:

  • kwaliteit en excellentie;

  • zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord;

  • samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het innovatiebeleid, waarvoor de Minister van EZK verantwoordelijk is, is hiervoor de missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid ontwikkeld.

Regisseren

De Minister schept voorwaarden voor:

  • een klimaat voor universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;

  • de borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;

  • het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;

  • de Nederlandse en internationale onderzoeksfaciliteiten;

  • de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Kengetallen
Tabel 72 Kengetallen

Kengetal

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1

Top 5-positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

6

6

6

6

6

 

2

Publieke investering in R&D als % bbp2

0,70

0,67

0,71

0,69

0,74

 

3

R&D personeel (FTE) als‰ van de totale beroepsbevolking3

16,5

17,1

17

17,1

  
1

Bron: Cijfers op basis van Horizon 2020 contracten- en voorstellendatabase, releasedatum 2 februari 2021, bewerking Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2

bbp-cijfers 2019 tot en met 2021 betreffen nominale cijfers van het CPB uit de Kerngegevenstabel CEP 2021, maart 2021

3

Cijfers over 2020 zijn in november 2021 beschikbaar.

In het onderdeel beleidsprioriteiten zijn de belangrijkste beleidswijzigingen over 2022 opgenomen. Aanvullend zal de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) naar aanleiding van de inzet van de Commissie Weckhuysen aangeven in welke mate programma’s ongebonden en strategische elementen bevatten.

In 2022 vindt de eerste herijking van de in 2015 gepubliceerde Nationale Wetenschapsagenda (NWA) plaats, gezamenlijk met de NWA-routetrekkers, onderzoekers, burgers en andere betrokkenen. De conclusies van de in 2021 uit te voeren evaluatie van het NWA-programma bij NWO worden hierin meegenomen. Op deze manier blijft de NWA ook na 2022 actueel en relevant.

Het Ministerie van OCW steunt daarbij ook de transitie in ‘erkennen en waarderen’. Dit betreft diverse initiatieven van kennisinstellingen in Nederland die gericht zijn op het realiseren van een verandering in de manier van erkennen en waarderen, waarbij naast publicaties ook onderwijs, leiderschap, maatschappelijke impact en team science centraal staan.

Tabel 73 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.211.339

1.264.583

1.236.172

1.214.435

1.208.722

1.207.084

1.204.501

Totale uitgaven

1.149.725

1.181.459

1.241.629

1.214.448

1.210.726

1.207.084

1.204.501

waarvan juridisch verplicht (%)

  

99,6%

    
        

Bekostiging

1.024.396

1.048.983

1.102.425

1.085.577

1.081.855

1.078.233

1.075.309

NWO

458.976

492.747

493.335

489.845

489.744

490.727

490.386

KNAW

94.764

95.128

94.934

93.904

93.904

93.583

93.583

KB

51.595

50.899

50.335

50.980

50.980

50.354

50.354

NWO Talentenontwikkeling

165.885

169.561

169.561

169.561

169.561

169.561

169.561

NWO TTW

8.000

8.177

8.177

8.177

8.177

8.177

8.177

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

55.380

56.608

56.608

56.608

56.608

56.608

56.608

NWO Praktijkgericht Onderzoek

0

0

57.278

55.229

55.229

53.229

53.229

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

33.869

33.392

30.834

21.375

20.354

18.922

16.439

Poolonderzoek

3.147

3.217

3.181

1.534

1.534

1.534

1.534

Caribisch Nederland

2.500

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

NWO NWA

150.280

136.699

135.627

135.809

133.209

132.983

132.883

Subsidies (regelingen)

23.575

26.816

27.783

28.026

28.026

27.969

28.499

Stichting NLBIF

566

566

0

0

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

6.513

6.664

7.230

7.230

7.230

7.230

7.230

BPRC

11.406

10.918

10.918

10.918

10.918

10.918

10.918

NCWT/NEMO

3.460

3.534

3.534

3.534

3.534

3.534

3.534

STT

221

231

231

231

231

231

231

Stichting AAP

1.032

1.084

1.084

1.084

1.084

1.084

1.084

Nationale coördinatie

377

3.819

4.786

5.029

5.029

4.972

5.502

Opdrachten

524

785

536

498

498

536

347

Bijdrage aan agentschappen

1.317

986

881

881

881

881

881

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

1317

986

881

881

881

881

881

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

99.913

103.889

110.004

99.466

99.466

99.465

99.465

EMBC

1228

1357

1264

1265

1342

959

959

EMBL

5.241

5.329

5.329

5.329

5.329

5.329

5.329

ESA

31.146

33.387

33.387

33.387

33.387

33.387

33.387

CERN

50.531

51.636

51.417

47.116

47.072

47.072

47.072

ESO

9.081

9.442

15.869

9.631

9.631

10.096

10.096

NTU/INL

2.686

2.738

2.738

2.738

2.705

2.622

2.622

Ontvangsten

154

101

101

101

101

101

101

Uitsplitsing verplichtingen
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

1.211.339

1.264.583

1.236.172

1.214.435

1.208.722

1.207.084

1.204.501

waarvan garantieverplichtingen

‒ 1.030

0

0

0

0

0

0

waarvan overig

1.212.369

1.264.583

1.236.172

1.214.435

1.208.722

1.207.084

1.204.501

De garantieverplichtingen hebben betrekking op een lening aan hetBiomedical Primate Research Centre. Het Ministerie van OCW staat voor deze lening garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 16 is in 2022 99,6 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan de nationale onderzoeksinstellingen Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en Koninklijke Bibliotheek (KB) alsmede bijdragen aan Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek, Poolonderzoek en Caribisch Nederland. De wettelijke grondslag van de bekostiging is vastgelegd in de NWO wetten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2022 is 84,5 procent juridisch verplicht. Het betreft hier subsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur zoals Naturalis Biodiversity Center, Biomedical Primate Research Centre (BPRC) en Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie/NEMO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2022 is 33,3 procent juridisch verplicht op grond van een in 2015 aangegane overeenkomst.

Bijdrage aan agentschappen

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB. Hiermee stelt de Minister deze organisaties in staat om binnen de wettelijke kaders en in lijn met de vierjaarlijkse strategische agenda en strategische plannen van de instellingen hun missie en doelstellingen te realiseren. Die zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin.

Het Ministerie van OCW draagt met een structureel karakter bij aan:

  • NWO voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige researchinfrastructuur. Met de inzet van deze middelen worden Nederlandse onderzoekers in de gelegenheid gesteld om te kunnen werken met onderzoeksfaciliteiten van wereldniveau;

  • NWO voor het uitvoeren van een integraal persoonsgebonden talentprogramma waarin naast de «Vernieuwingsimpuls» ook de voormalige middelen voor de specifieke doelgroepen zijn opgegaan. Doelen zijn om via competitie op basis van wetenschappelijke kwaliteit voldoende ruimte te geven aan (jonge) veel belovende onderzoekers, excellentie in het onderzoek te bevorderen, en te zorgen voor een adequate in- en doorstroom van onderzoekers zodat er verbetering optreedt in hun loopbaanperspectieven;

  • aanvullende bekostiging voor NWO in het kader van praktijkgericht onderzoek. Doel van deze bekostiging is het met wetenschappelijk onderzoek vervullen van een centrale rol binnen de Nederlandse en Internationale kennisinfrastructuur door hogescholen en universiteiten;

  • aanvullende bekostiging voor NWO voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijs Onderzoek;

  • aanvullende bekostiging voor NWO voor een onderzoeksprogramma ‘Wetenschap op de Cariben’;

  • NWO-programma voor het uitvoeren van vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek via de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De NWA is gericht op wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken. Belangrijk daarbij is de breedte, de multidisciplinaire aanpak en samenwerking tussen de kennisketen en maatschappelijke partners uit publieke en semipublieke sectoren en uit het bedrijfsleven.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstellingen van het Onderzoek en wetenschapsbeleid worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onder andere om bijdragen aan:

  • Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar de biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;

  • BPRC voor primatenonderzoek en de huisvestiging van primaten, en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;

  • Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijke festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebeid van wetenschaps- en technologiecommunicatie en –educatie.

Opdrachten

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor het beleidsgericht onderzoek en evaluaties.

Bijdrage aan agentschappen

Opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijk Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie ‘Horizon Europe’.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Contributies aan grote internationale onderzoeksorganisaties Engineering in Medicine and Biology Society (EMBC), Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie (EMBL), European Space agency (ESA), Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN), European Southern Observatory (ESO) en Nederlandse Taalunie (NTU/INL). Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen de Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van Nederlands nationale onderzoeksbestel.

3.13 Artikel 25. Emancipatie

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslacht in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en lhbti-gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en intersekse personen) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarnaast heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren

De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en lhbti-gelijkheid en het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren

Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022 die vanaf 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidies aan acht strategische partnerschappen voor de realisering van de doelstellingen op gender- en lhbti-gelijkheid, die lopen van 2018 tot en met 2022. Daarnaast verstrekt de Minister projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en lhbti-gelijkheid. Samen met gemeenten is in een intentieverklaring vastgelegd wat de aandachtspunten van het lhbti-beleid zijn. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen over gender- en lhbti-gelijkheid. Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Kengetallen
Tabel 74 Kengetallen

Kengetal

2016

2017

2018

2019

1

Economische zelfstandigheid van vrouwen

59,3%

60,7%

62,5%

63,8%1

2

Financiële onafhankelijkheid van vrouwen

48,5%

50,0%

51,6%

52,9%1

1

Dit is een voorlopig cijfer. Nieuwe cijfers komen in najaar 2021.

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van emancipatie worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten. Het Ministerie van OCW zet zich in op drie samenhangende thema’s waarop zich stevige knelpunten voordoen: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit en gelijke behandeling. Het bestaande beleid daarop wordt voortgezet.

Arbeid

De resultaten voor meer diversiteit in de top blijven onomstotelijk en structureel achter bij het gestelde doel. Om daar verandering in te brengen wordt uitvoering gegeven aan het SER-advies ‘Diversiteit in de top Tijd voor versnelling’, door:

  • het Wetsvoorstel meer vrouwen in de top van bedrijfsleven;

  • ontwikkeling door de SER van ondersteunende infrastructuur om monitoring en transparantie te waarborgen;

  • uitvoering advies Adviesgroep Vinkenburg voor vergelijkbare regelingen (semi)publieke sector.

Om bedrijven te ondersteunen bij hun diversiteitsbeleid ontwikkelt de SER een ondersteunende infrastructuur om monitoring en transparantie te waarborgen.

Om tot vergelijkbare regelingen te komen voor de (semi)publieke sector worden er voorbereidingen getroffen om uitvoering te geven aan het advies van de Adviesgroep Vinkenburg. Interdepartementaal worden er daarom met verschillende semipublieke organisaties verkennende gesprekken gevoerd over de stand van zaken en bestaand beleid gericht op genderdiversiteit in de top. Daarnaast wordt er een inventarisatie monitoringsonderzoek uitgevoerd naar de v/-verhoudingen in de top van de (semi)publieke sector, bestaande monitors gericht op genderdiversiteit en het bestaan- en de kwaliteit van governance codes.

Tabel 75 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

3.764

13.435

7.099

15.227

15.981

16.706

16.823

Uitgaven

12.014

22.112

14.541

16.046

16.159

16.888

17.005

waarvan juridisch verplicht (%)

  

53,5%

    
        

Bekostiging

8.447

8.685

8.791

8.895

8.895

8.895

8.895

Kennisinfrastructuur: Gender- en lhbti- gelijkheid

8.447

8.685

8.791

8.895

8.895

8.895

8.895

Subsidies (regelingen)

2.333

3.361

3.111

3.114

3.134

3.645

3.645

Vrouwenemancipatie

0

0

0

0

0

0

 

Lhbti

93

68

66

63

63

74

74

Gender- en lhbti- gelijkheid 2017-2022

2.240

3.293

3.045

3.051

3.071

3.571

3.571

Opdrachten

1.234

879

1.073

1.104

1.107

1.112

1.229

Bijdrage aan medeoverheden

0

687

1.566

2.933

3.023

3.236

3.236

Gemeentefonds gender- en lhbti- gelijkheid

0

687

1.566

2.933

3.023

3.236

3.236

Bijdrage aan andere begr. Hst

0

8.500

0

0

0

0

0

Ontvangsten

35

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 25 is in 2022 53,2 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2022 is voor 96,9 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2022 is voor 41,3 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022 zijn in 2017 acht allianties voor vijf jaar verplicht. De acht strategisch partners (Kamerstukken II 2016/17, 30420, nr. 258) zijn merendeel allianties; in totaal vijftien organisaties. Het doel is om met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend gender- en lhbti-gelijkheid te realiseren. Lhbti staat voor lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender- en intersekse personen.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022.

Bi+ Nederland zet zich in voor een bi-inclusievere samenleving. Bi+ start een onderzoek naar risicofactoren, seksueel geweld en bi+ inclusie van lhbti interventies.

Om stereotypen in het onderwijs te doorbreken gaat Stichting School en Veiligheid een verkenning doen naar gendergelijkheid in het onderwijs.

Al jarenlang blijft het percentage van vrouwen die te maken krijgen met discriminatie vanwege hun zwangerschap op hetzelfde hoge niveau. Er wordt daarom ingezet op bewustwording en het ontwikkelen van handelingsperspectieven voor werkgevers én werknemers.

Het blijkt dat de zeer beperkte kennis in de maatschappij over het thema intersekse een belemmering vormt voor de sociale acceptatie van intersekse personen. Er wordt daarom ingezet op bewustwording in de samenleving.

De overheid zal onverminderd inzetten op het verminderen van onnodige sekseregistratie. In 2021 wordt een pilot hiervoor uitgevoerd bij DUO.

Het Ministerie van OCW heeft samen met het Ministerie van BZ een coördinerende rol in het bepalen van de Nederlandse positie op het terrein van gendergelijkheid en gelijke rechten voor lhbti personen in Europees en VN verband. Zo neemt de bewindspersoon van OCW deel aan de jaarlijkse sessies van de VN Commission on the Status of Women (CSW) in New York en coördineert het Ministerie van OCW samen met het Ministerie van BZ de inzet van Nederland ten aanzien van de zorgwekkende ontwikkelingen in o.a. Oost-Europese lidstaten ten aanzien van gendergelijkheid, SRGR en gelijke rechten voor lhbti personen.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als lhbti-gelijkheid worden besteed aan onderzoeken en symposia.

Zo wordt eind 2021 een internationaal congres over transfobie en het tegengaan van geweld tegen de transgendergemeenschap in en buiten Nederland georganiseerd. Aan bod komen bewustwording, kennisuitwisseling en deskundigheidsbevordering.

Samen met de Ministeries van SZW, BZK, EZK en BZ zet de Minister zich in voor meer aandacht voor diversiteit en inclusie bij inkoop door de overheid. Het Ministerie van OCW neemt deel aan het Nationaal Maatschappelijk Verantwoord Inkopen plan 2021-2025 om Diversiteit & Inclusie in de inkoopstrategieën van het Rijk en medeoverheden te behartigen.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten die actief zijn op het gebied van gender- en lhbti-gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

Met Regenboogsteden en Movisie wordt gewerkt aan meer veiligheid van lhbti-personen in de wijken. Ook wordt gezocht naar effectieve interventies hierbij (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 90).

Regenboogprovincies kunnen in navolging van regenboogsteden een beroep doen op inhoudelijke ondersteuning door Movisie. Daarnaast wordt bezien wat de effecten van het netwerk van Regenboogprovincies zijn.

Bijdrage andere begrotingshoofdstukken

De middelen zijn bestemd voor de kosten samenhangend met de tegemoetkomingsregeling Transgenderwet. De regeling valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van JenV.

4. Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 91 Nog Onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • loonbijstelling;

  • prijsbijstelling;

  • onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

D. Budgettaire gevolgen

Tabel 76 Budgettaire gevolgen art. 91 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

0

0

585.126

614.383

0

0

0

Uitgaven

0

0

585.126

614.383

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

585.126

614.383

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Op het onderdeel Onvoorzien staan onder andere middelen die een budgettair effect hebben op meer dan één beleidsartikel en waarvan de verdeling over deze artikelen nog niet bekend is.

4.2 Artikel 95 Apparaat Kerndepartement

D. Budgettaire gevolgen

Tabel 77 Budgettaire gevolgen art. 95 (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Verplichtingen

280.987

291.553

276.492

277.659

278.003

284.897

282.990

Uitgaven

280.933

291.553

276.492

277.659

278.003

284.897

282.990

        

Personele uitgaven

209.866

232.251

216.309

216.381

214.364

213.565

212.129

waarvan eigen personeel

202.862

221.214

206.028

206.101

204.147

203.339

201.903

waarvan externe inhuur

4.185

6.769

6.029

6.029

6.029

6.029

6.029

waarvan overige personele uitgaven

2.819

4.268

4.252

4.251

4.188

4.197

4.197

Materiële uitgaven

69.661

59.302

60.183

61.278

63.639

71.332

70.861

waarvan ICT

12.414

10.281

10.170

10.330

10.620

10.518

10.185

waarvan bijdrage aan SSO's

22.553

21.442

21.155

21.156

21.156

21.157

21.157

waarvan overige materiële uitgaven

34.694

27.579

28.858

29.792

31.863

39.657

39.519

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.406

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

3.192

567

567

567

567

567

567

Toelichting

Op het artikel Apparaat Kerndepartement staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de adviesraden van het Ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan Shared Service Organisaties (SSO's) geraamd.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schatkistbankieren geraamd. Het Ministerie van OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 (Apparaat kerndepartement). De ontvangen premies van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van OCW overgemaakt en dit wordt in de begroting en in de saldibalans in het jaarverslag (toevoeging premie aan gegroeide reserve) verwerkt.

In tabel 78 zijn de apparaatsuitgaven van het Ministerie van OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en Zelfstandigen Bestuursorganen (ZBO’s) weergegeven.

Tabel 78 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's (bedragen x € 1.000)
 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Totaal apparaatsuitgaven ministerie1

280.933

291.553

276.411

277.659

278.003

284.897

282.990

Kerndepartement2

158.367

177.112

165.092

166.097

166.047

168.055

167.371

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

41.745

37.421

36.006

35.970

35.954

38.198

38.181

Inspectie van het Onderwijs

69.700

68.246

67.141

67.456

67.953

70.598

69.395

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

3.630

2.669

2.796

2.792

2.792

2.791

2.790

Onderwijsraad

2.460

2.542

2.485

2.484

2.482

2.482

2.481

Raad voor Cultuur

3.659

2.206

2.308

2.277

2.193

2.192

2.191

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1.372

1.357

583

583

582

581

581

        

Totaal apparaatskosten agentschappen3

366.354

337.516

368.266

362.820

360.842

352.057

354.705

Dients Uitvoering Onderwijs

323.959

295.358

324.495

319.799

318.520

309.425

309.773

Nationaal Archief

42.395

42.158

43.771

43.021

42.322

42.632

44.932

        

Totaal apparaatskosten zbo's

391.471

387.698

371.069

366.926

365.477

361.475

361.475

Stichting Nederlans Fonds voor Podiumkunsten+

7.124

5.704

5.704

5.704

5.704

5.704

5.704

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

5.613

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

4.912

4.750

4.750

4.750

4.750

4.750

4.750

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

2.809

2.770

2.770

2.770

2.770

2.770

2.770

Stichting Mondriaan Fonds

3.535

4.337

4.337

4.337

4.337

4.337

4.337

Stichting Nederlands Letterenfonds

3.188

3.302

3.302

3.302

3.302

3.302

3.302

Bureau Architectentregister

1.125

1.125

1.125

1.125

1.125

1.125

1.125

Commissariaat voor de Media

5.076

5.159

5.166

5.166

5.166

5.166

5.166

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie

4.637

4.602

4.650

4.853

4.877

4.820

4.820

Koninklijke Bibliotheek

55.921

52.365

52.500

53.859

53.859

53.859

53.859

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

214.450

213.520

198.366

194.044

193.965

191.381

191.381

Stichting Participatiefonds (PF)

1.972

1.972

1.972

1.972

1.972

1.972

1.972

Stichting Vervangingsfonds (VF)

2.730

2.730

2.730

2.730

2.730

2.730

2.730

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

700

700

700

700

700

700

700

College voor Toetsen en Examens

6.047

6.144

5.982

5.843

5.840

5.838

5.836

Nederlandse Publieke Omroep

2.500

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

Regionale Publieke Omroep

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

52.732

61.710

60.045

58.662

57.268

55.907

55.907

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

1

De cijfers in de tabel zijn niet met elkaar te consolideren aangezien het zowel uitgaven als kosten betreft.

2

Het personeel van het CvTE bestaat uit rijksambtenaren, de apparaatskosten van het CvTE zijn dan ook opgenomen in het apparaatsuitgaven van het kerndepartement.

3

De apparaatskosten bij de baten-lastendiensten betreffen naast de apparaatskosten in verband met werkzaamheden voor OCW ook de kosten die verband houden met werkzaamheden die voor tweeden en derden worden uigevoerd.

Toelichting

In tabel 78 zijn rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) waarbij een individuele uitvraag in het veld nodig is, niet opgenomen. Dit betreft ondermeer alle onderwijsinstellingen, academische ziekenhuizen en musea. ZBO's waarbij de gegevens met betrekking tot de apparaatsuitgaven uit hoofde van reguliere bestaande informatiestromen beschikbaar zijn, zijn wel opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement weergegeven zoals deze direct toe te rekenen zijn aan de verschillende beleidsterreinen.

Tabel 79 Overzicht apparaatsuitgaven per beleidsartikel budgettaire gevolgen (bedragen x € 1.000)

Beleidsartikel

2022

Totaal apparaat beleidsartikelen

51.589

Primair onderwijs

8.554

Voortgezet onderwijs

7.594

Kansengelijkheid & Onderwijsondersteuning

2.288

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

6.622

Hoger onderwijs en Studiefinanciering

7.398

Internationaal beleid

3.299

Cultuur

10.021

Onderzoek en wetenschapsbeleid

3.405

Emancipatie

2.408

5. Begroting agentschappen

5.1 Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

In deze paragraaf is de begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO is een agentschap van het Ministerie van OCW, dat ook voor enkele andere ministeries werkt. Voor het Ministerie van OCW voert DUO een groot aantal onderwijswetten en -regelingen uit. Daarnaast vervult DUO voor het Ministerie van SZW taken voor de Wet Inburgering, en beheert het twee registers op het gebied van kinderopvang. Voor het Ministerie van Financiën voert DUO werkzaamheden uit op het gebied van examens voor de Wet op het financieel toezicht (Wft). Verder voert de organisatie taken uit voor het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), in opdracht van het Ministerie van JenV. Tot slot verzorgt de Shared Service Organisatie (SSO) Noord, sinds 1 januari 2019 onderdeel van DUO, voor diverse opdrachtgevers taken op het gebied van inkoop in het Inkoop Uitvoeringscentrum (IUC), en housing en hosting in het Overheids Datacenter (ODC). DUO is gevestigd in Groningen (hoofdkantoor) en in Den Haag, en heeft dertien servicekantoren en balies en zes toetslocaties verspreid over het land.

Uitgangs- en markeringspunten van belang voor exploitatie DUO

In de voorliggende begroting zijn de effecten van de Parlementaire Onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK), Werken aan Uitvoering (WAU) en de effecten volgend uit de nieuwe manier van werk als uitvloeisel van de coronacrisis nog niet meegenomen. De verwachting is dat het capaciteitsbeslag van deze programma’s aanzienlijk zal zijn voor o.a. de digitale systemen, informatiehuishouding, implementatie klantvolgsystemen, maatwerkorganisatie, huisvesting, ambtelijk vakmanschap e.d. In het eindrapport Kwantificering Werk aan Uitvoering van 16 april 2021 is een onderzoek opgeleverd, waarin voor DUO, als één van de vier grote uitvoeringsorganisaties, reeds inzichten staan. Deze benoemen wat de consequenties zijn van de acties en handelingsperspectieven. De uitwerking hiervan en de specifieke implementatie van de POK maatregelen worden de komende tijd nader uitgewerkt. Hierover wordt aan een volgend kabinet besluitvorming voorgelegd en wordt de Tweede Kamer in volgende begrotingen nader geïnformeerd.

In de onderstaande tabel is een meerjarige raming van de baten en lasten voor de DUO-begroting opgenomen.

Tabel 80 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2022 (bedragen x € 1.000)
 

Slotwet 2020

Vast-gestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

       

Omzet

349.524

318.935

353.420

354.511

359.299

355.271

360.719

waarvan omzet moederdepartement

280.853

242.776

269.766

270.857

275.645

271.617

277.065

waarvan omzet overige departementen

63.695

70.302

78.724

78.724

78.724

78.724

78.724

waarvan omzet derden

4.976

5.857

4.930

4.930

4.930

4.930

4.930

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

35

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

349.559

318.935

353.420

354.511

359.299

355.271

360.719

          

Lasten

       

Apparaatskosten

323.959

295.358

324.495

319.799

318.520

309.425

309.773

Personele kosten

223.258

204.358

229.208

224.608

223.539

217.062

217.410

waarvan eigen personeel

178.031

170.583

191.720

190.956

189.851

183.457

183.639

waarvan inhuur externen

37.953

26.775

30.386

26.550

26.582

26.497

26.664

waarvan overige personele kosten

7.274

7.000

7.102

7.103

7.105

7.108

7.108

Materiële kosten

100.701

91.000

95.287

95.191

94.981

92.362

92.362

waarvan apparaat ICT

27.461

23.000

26.335

26.338

26.346

23.354

23.354

waarvan bijdrage aan SSO's

25.629

24.000

24.350

24.353

24.361

24.370

24.370

waarvan overige materiële kosten

47.611

44.000

44.602

44.500

44.273

44.638

44.638

Rentelasten

84

700

100

100

100

100

100

Afschrijvingskosten

21.263

21.277

27.225

33.012

39.079

44.146

49.246

Materieel

11.887

12.000

13.000

13.000

13.000

12.000

12.000

waarvan apparaat ICT

11.450

11.500

12.500

12.500

12.500

11.500

11.500

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

437

500

500

500

500

500

500

Immaterieel

9.376

9.277

14.225

20.012

26.079

32.146

37.246

Overige lasten

1.464

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

waarvan dotaties voorzieningen

1.464

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

346.770

318.835

353.320

354.411

359.199

355.171

360.619

          

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

2.789

100

100

100

100

100

100

Agentschapsdeel Vpb-lasten

84

100

100

100

100

100

100

Totaal saldo van baten en lasten

2.705

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De opbrengst moederdepartement (€ 269,8 miljoen) betreft de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan de opdrachtgever OCW. Van de omzet moederdepartement 2022 is € 192,3 miljoen gerelateerd aan de vijf hoofdproducten, te weten Bekostiging (€ 36,3 miljoen, zijnde 19 procent), Studiefinanciering (€ 92,6 miljoen, zijnde 48 procent), Examens (€ 24,8 miljoen, zijnde 13 procent), Registers (€ 29,1 miljoen, zijnde 15 procent) en Informatiediensten (€ 9,5 miljoen, zijnde 5 procent). Daarnaast zijn middelen toegewezen ten behoeve van de vervangingen van het systeemlandschap (€ 39,1 miljoen). Tevens is in de begroting € 8,9 miljoen opgenomen voor de implementatie van beleidswijzigingen en € 29,5 miljoen voor nieuwe taken welke nog geen onderdeel zijn van de lumpsum financiering van het basiscontract.

Omzet overige departementen

De omzet Overige Departementen (€ 78,7 miljoen) betreft opbrengsten in verband met uitvoering inburgeringstaken (€ 38,3 miljoen) en uitvoering landelijk register kinderopvang (€ 7,9 miljoen) voor het Ministerie van SZW, werkzaamheden ten behoeve van het examen Wet financieel toezicht (€ 2,4 miljoen) in opdracht van het Ministerie van Financiën, print- en couverteerwerkzaamheden ten behoeve van het CJIB van het Ministerie van VenJ (€ 1,2 miljoen) en compensatie van loonkosten voor gedetacheerde medewerkers (€ 0,8 miljoen). Daarnaast is € 23,3 miljoen aan omzet opgenomen in verband met werkzaamheden uitgevoerd binnen de SSO welke onder DUO valt. Het betreft hier werkzaamheden voor de Ministeries van JenV (€ 8,9 miljoen), IenW (€ 0,5 miljoen), EZK (€ 2,6 miljoen), BZK (€ 8,4 miljoen), VWS (€ 2,7 miljoen) en Financiën (€ 0,2 miljoen). Daarnaast is onder de omzet tweeden voor € 4,9 miljoen aan omzet opgenomen voor werkzaamheden ten behoeve van het Bestuursdepartement OCW, Inspectie van het Onderwijs, Nationaal Archief en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Omzet derden

Bij omzet derden (€ 4,9 miljoen) gaat het met name om te innen leges voor OCW examens (€ 2,9 miljoen), leges voortvloeiende uit diverse overige OCW taken (€ 0,9 miljoen) en opbrengsten voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de SSO Noord (€ 1,0 miljoen) en overige opbrengsten (€ 0,1 miljoen).

Tabel 81 Omzet moederdepartement (bedragen x € 1 miljoen)

Omzet moederdepartement (x € 1 miljoen)

269,8

waarvan direct gerelateerd aan geleverde producten/diensten

269,8

 

waarvan productgroep/dienstengroep Bekostiging

36,3

 

waarvan productgroep/dienstengroep Studiefinanciering

92,6

 

waarvan productgroep/dienstengroep Examendiensten

24,8

 

waarvan productgroep/dienstengroep Basisregister

29,1

 

waarvan productgroep/dienstengroep Informatiediensten

9,5

 

waarvan productgroep/dienstengroep Overige taken

29,5

 

waarvan productgroep/dienstengroep Opdrachten

48,0

Lasten

Personele kosten

De personele kosten betreffen de kosten van eigen personeel (€ 192,0 miljoen) op basis van de gemiddelde loonkosten, de begrote kosten voor externe inhuur (€ 30,4 miljoen) en een reële inschatting van de overige personele kosten zoals opleidingsbudget en reiskosten (€ 7,1 miljoen). DUO is bezig met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende meer eigen kennisopbouw en kostenreductie te realiseren. Vanwege, onder andere, de schaarste van ICT-personeel op de arbeidsmarkt, het moeilijker werven door corona en de toename van het werkpakket bij DUO, is de verwachting dat dit minder succesvol zal zijn dan in voorgaande jaren en dat de post externen inhuur beperkt tot niet zal afnemen.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit vaste lasten, zoals kosten informatievoorziening en automatisering (€ 26,3 miljoen), externe diensten (zoals deurwaarderskosten, detachering en vergoeding examinatoren en surveillanten) en drukwerk (€ 44,6 miljoen) en de bijdrage aan SSO’s (€ 24,4 miljoen) welke met name betrekking heeft op de huisvestingskosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen materiële en immateriële vaste activa. De stijging in 2022 en verder hangt samen met de geplande investeringen in immateriële vaste activa (vervanging ICT-landschap) voor de komende jaren.

Tabel 82 Kasstroomoverzicht over het jaar 2022 (bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

Slotwet 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

1.

Rekening-courant RHB 1 januari + depositorekeningen

14.626

14.194

14.794

17.519

20.231

22.910

24.657

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

382.993

322.076

353.420

354.511

359.299

355.271

360.719

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 352.743

‒ 303.175

‒ 324.495

‒ 319.799

‒ 318.520

‒ 309.425

‒ 309.773

2.

Totaal operationele kasstroom

30.250

18.700

28.925

34.712

40.779

45.846

50.946

 

-/- totaal investeringen

‒ 34.693

‒ 45.200

‒ 50.800

‒ 52.700

‒ 52.700

‒ 52.700

‒ 52.700

 

+/+totaal boekwaarde desinvesteringen

241

      
 

Totaal investeringskasstroom

‒ 34.452

‒ 39.500

‒ 50.800

‒ 52.700

‒ 52.700

‒ 52.700

‒ 52.700

3.

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

 
 

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 6.480

‒ 9.300

‒ 14.200

‒ 20.000

‒ 26.100

‒ 32.100

‒ 37.200

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

28.000

33.200

38.800

40.700

40.700

40.700

40.700

4.

Totaal financieringskasstroom

21.520

21.400

24.600

20.700

14.600

8.600

3.500

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (+1+2+3+4)

31.944

14.794

17.519

20.231

22.910

24.657

26.403

Toelichting

De operationele kasstroom is het saldo ontvangsten moederdepartement, overige departementen en derden waar uitgaven tegen overstaan aan crediteuren en personeel. Het totaal van investeringen (onder andere apparatuur voor het rekencentrum: aanschaf servers en storageapparatuur en investeringen in immateriële vaste activa) is gelijk aan de zogenoemde vervangingsinvesteringen voor de materiële vaste activa en uitbreidingsinvesteringen voor het ICT-landschap. De investering in immateriële vaste activa is gedekt middels een beroep op de leenfaciliteit. Onder de «aflossingen op leningen» is de aflossing opgenomen voor de leningen welke ten behoeve van de vervanging van het systeemlandschap zijn opgenomen. De stijging van het beroep op de leenfaciliteit hangt samen met de investeringen in het ICT-landschap. Voor 2021 is in de Voorjaarsnota 2021 de leenfaciliteit uitgebreid met € 45,0 miljoen naar € 78,2 miljoen. Hiervan is € 49,3 miljoen ten behoeve van de investeringen in zelfontwikkelde software ten behoeve van het ICT-landschap en de overige € 28,9 miljoen ten behoeve van aangekochte computerhardware en -software en overige inventaris.

Kapitaaluitgaven

Tabel 83 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap DUO 2022 (bedragen x € 1.000)

Investeringen gebouw

0

Kantoormeubilair

0

Kantoormachines

0

Automatiseringsapparatuur

12.000

Depotinrichting

0

App. conservering & restauratie

0

Inrichting studiezaal

0

Zelfontwikkelde software

38.800

Totaal investeringen

50.800

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

Aflossing op leningen

14.200

Beroep op leenfaciliteit

 

Totaal financieringskasstroom

14.200

Kapitaaluitgaven

65.000

Doelmatigheid

Basisindicatoren zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. DUO stuurt op gelijkblijvende kosten bij een verbeterde dienstverlening. Zoals blijkt uit de tabel streeft DUO voor de komende jaren naar gelijkblijvende prijzen bij een verbeterde dienstverlening. De kwaliteitsverbetering zal onder andere ontstaan door de investeringen in het ICT-landschap. Daarnaast heeft de invoering van de LCM-systematiek binnen DUO geleid tot een situatie waarin van grote eenmalige project investeringen naar structurele investeringen is gegaan die over langere tijd wordt afgeschreven. Dit is zichtbaar in de post «vervangingskosten», zijnde de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen en de post «immateriële vaste activa» welke de omvang van het ICT-landschap weerspiegelt

DUO wil doelmatig zijn in het gebruik van ICT-systemen, door te sturen op een stabilisering en uiteindelijke daling van de omvang van haar ICT-landschap. Dit wil DUO bereiken door «slim» te vervangen en daarmee te komen tot een onder architectuur ontwikkeld modern, simpel en kleiner ICT-landschap. DUO stuurt op stabilisering van de kosten van onderhoud. Onder onderhoud wordt verstaan datgene wat nodig is voor instandhouding van de geautomatiseerde uitvoeringsprocessen. DUO wil dit gaan bereiken door (verouderde) systemen tijdig te vervangen. Daarnaast stuurt DUO op doelmatigheid bij overheadkosten. Daar waar in het verleden een percentage van boven de 20% is gerealiseerd wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

DUO zal op basis van de uitwerking van de Parlementaire Onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) en Werken aan Uitvoering (WAU) haar doelmatigheidsparagraaf herzien.

Tabel 84 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Slotwet 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Omschrijving Generiek Deel

       

Omzet Bekostiging Instellingen1

19%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Studiefinanciering1

51%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Examendiensten1

9%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Basisregisters1

16%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Informatiediensten1

5%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Totaal basiscontract excl. LCM1

 

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

        

Vervangingskosten2

14,9

100,0

117,1

122,9

122,9

122,9

122,9

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer2

30,9

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Immateriële vaste activa (x1 mln)

€ 46,1

€ 88,4

€ 113,0

€ 133,6

€ 148,2

€ 156,7

€ 160,2

        

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

23%

20%

20%

20%

20%

20%

20%

        

FTE

       

FTE-ARAR

2.459

2.544

2.681

2.682

2.668

2.586

2.588

FTE-Extern

397

198

217

195

195

195

196

        

Tarieven/uur

       

ICT gerelateerd

€ 115,00

€ 115,00

€ 118,00

€ 118,00

€ 118,00

€ 118,00

€ 118,00

Overige uren

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

        

Saldo baten en lasten (%)

108,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

        

Kwaliteitsindicatoren

       

Klantcontact digitaal

7,3

6,5

6,5

6,5

6,5

6,5

6,5

Klantcontact traditioneel

7,4

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

1

Index 2021 is gelijk aan 100

2

Werkelijke vervangingskosten en beheerkosten zijn uit de slotwet 2020 opgenomen

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Omzet/kostprijs per product: DUO aggregeert haar werkzaamheden in de going concern (basiscontract) naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten. Zoals blijkt uit de tabel streeft DUO voor de komende jaren naar gelijkblijvende prijzen bij een verbeterde dienstverlening en uiteindelijk tevens een kwaliteitsverbetering door de investeringen in het ICT-landschap.

Daarnaast heeft DUO de effecten van Life Cycle Management inzichtelijk gemaakt door de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen (vervangingskosten) van de immateriële vaste activa op te nemen. Ook is in de tabel de balanspost «immateriële vaste activa» opgenomen om de omvang van het ICT-landschap weer te geven. Doelmatigheid wordt bereikt door de omvang van het ICT-landschap uiteindelijk af te vlakken en te stabiliseren en de onderhouds- en beheerkosten niet verder te laten stijgen. In 2023 zit DUO op het gewenste investeringsniveau per jaar waarbij na 2027 de afschrijvingslasten gelijk zijn aan het investeringsniveau en de balanspost immateriële vaste activa niet verder toeneemt.

Immateriële vaste activa: Om de omvang van het ICT-landschap te meten wordt de balanspost immateriële vaste activa opgenomen als indicator. Hierin zijn alle zelf ontwikkelde en aangekochte software opgenomen. Deze post zal de eerste jaren een stijging laten zien en vanaf 2027 een vlakke lijn waarbij de autonome groei van het systeemlandschap is ondervangen en deze post zal stabiliseren rond de € 161,0 miljoen exclusief uitbreidingsinvesteringen als gevolg van nieuw beleid of afwaardering van bestaande systemen. Ook moet deze post worden gezien in relatie tot de indicator kosten met betrekking tot onderhoud en beheer.

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer: Door het tijdig en slim vervangen van het systeemlandschap streeft DUO naar een gelijkblijvend onderhoud en beheer wat zichtbaar is in het gelijkblijvende indexgetal van 100 .

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%): De nieuwe indicator drukt de overhead uit als percentage van de totale kosten. Daar waar in het verleden een percentage van boven de 20% is gerealiseerd wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

FTE totaal: De stijging van het personeel ten opzichte van 2021 hangt enerzijds samen met de toekenning van de structurele middelen voor onderhoud en vervanging van het systeemlandschap en uitbreiding van de basisdienstverlening en werkzaamheden voor overige departementen. Daarnaast is de verwachting dat, vanwege de schaarste van ICT personeel, het moeilijker werven door corona en de toename van het werkpakket bij DUO, de verambtelijking van externen minder succesvol zal zijn.

In de gepresenteerde FTE’s is ook dat deel van de bezetting opgenomen wat werkzaam is ten behoeve van de ontwikkeling van software in eigen beheer, welke financieel gezien worden aangemerkt als een investering in immateriële vaste activa. Eventuele uitbreiding als gevolg van de POK en WAU zijn nog niet in de cijfers begrepen. 

Tarieven: Projecttarief per uur: Het projecttarief per uur (€ 118,00) is een gemiddeld uurtarief ten behoeve van systeem- en procesaanpassingen. Meerwerktarief per uur: Voor niet ICT-gerelateerde inzet geldt een lager tarief van € 78,50 per uur. De tarieven laten een stijging zien ten opzichte van het voorgaande jaar passend in de loon- en prijsontwikkeling.

Indicatoren Klanttevredenheid Klantcontact digitaal norm 6,5 en Klanttevredenheid klantcontact traditioneel norm 7,0. Het betreft hier respectievelijk de tevredenheid van individuele klanten op de kanalen Mijn DUO en de website (digitaal) en tevredenheid op de kanalen telefonie, email en balie (traditioneel), op een schaal van 1 tot en met 10. Deze indicator is gelijk gebleven aan voorgaand jaar.

5.2 Agentschap Nationaal Archief (NA)

5.2.1. Algemene toelichting

Het Nationaal Archief beheert de archieven van de Rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto’s.

De missie van het Nationaal Archief is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaardering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra

Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de Minister van OCW een specifieke verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC’s). De RHC’s zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. Deze begroting handelt alleen om de baten en lasten van het Nationaal Archief. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC’s zijn onderdeel van artikel 14 (Cultuur) van de begroting van het Ministerie van OCW.

Tabel 85 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2022 (bedragen x € 1.000)
 

Stand Slotwet 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Baten

       

Omzet

46.243

44.221

45.739

44.838

44.080

44.256

46.556

waarvan omzet moederdepartement

45.016

42.920

44.438

43.537

42.779

42.955

45.255

waarvan omzet overige departementen

505

400

400

400

400

400

400

waarvan omzet derden

722

901

901

901

901

901

901

Vrijval voorzieningen

72

0

0

0

0

0

0

Mutatie projectgelden

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

46.315

44.221

45.739

44.838

44.080

44.256

46.556

        

Lasten

       

Apparaatskosten

42.395

42.158

43.771

43.021

42.322

42.632

44.932

Personele kosten

19.845

19.988

21.583

21.658

21.733

21.733

21.733

waarvan eigen personeel

17.209

17.470

19.068

19.068

19.068

19.068

19.068

waarvan inhuur externen

2.102

1.411

1.311

1.386

1.461

1.461

1.461

waarvan overige personele kosten

534

1.107

1.204

1.204

1.204

1.204

1.204

Materiële kosten

22.550

22.170

22.188

21.363

20.589

20.899

23.199

waarvan apparaat ICT

1.255

1.140

1.142

1.142

1.142

1.142

1.142

waarvan bijdrage aan SSO's

6.126

6.128

6.080

6.484

6.484

6.447

6.447

waarvan overige materiële kosten

15.169

14.902

14.966

13.737

12.963

13.310

15.610

Afschrijvingskosten

1.775

2.058

1.965

1.815

1.757

1.623

1.623

Materieel

1.775

2.058

1.965

1.815

1.757

1.623

1.623

waarvan apparaat ICT

105

104

148

129

4

0

0

Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Dotaties voorzieningen

4

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

5

5

3

2

1

1

1

Totaal lasten

44.179

44.221

45.739

44.838

44.080

44.256

46.556

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

2.136

0

0

0

0

0

0

Agentschapsdeel Vpb-lasten

       

Saldo van baten en lasten

2.136

0

0

0

0

0

0

Toelichting:

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet van het moederdepartement betreft de inkomsten van het Nationaal Archief voor de geleverde producten en diensten. Deze bestaat uit structurele middelen voor de primaire activiteiten (1e geldstroom) en incidentele middelen voor projectmatige activiteiten (2e geldstroom). 

Tabel 86 Omzet moederdepartement per productgroep/dienstgroep (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Fysiek archief

8.500

9.800

10.200

10.000

9.800

9.800

10.400

Digitaal archief

9.600

10.800

11.200

11.000

10.800

10.900

11.400

Publiek

9.500

9.700

9.900

9.700

9.600

9.700

10.200

Digitalisering

8.900

8.000

8.300

8.100

8.000

8.000

8.500

Kennis en advies

6.300

4.600

4.800

4.700

4.600

4.600

4.800

Totaal

42.800

42.900

44.400

43.500

42.800

43.000

45.300

De bijdrage 2022 van het moederdepartement is ten opzichte van 2021 gestegen vanwege vooral de loon- en prijscompensatie en een nieuwe systematiek voor de bijdragen aan projectkosten en -investeringen. Tot 2021 werden investeringsbijdragen in de balans opgenomen. Vanaf 2021 zijn de investeringsbijdragen vervangen door leningen en worden de bijdragen voor de afschrijvingen op investeringen via de omzet ontvangen. Het gaat met name om de bijdragen voor het programma Digitale Taken Rijksarchieven (DTR) en het masterplan Concentratie Archiefdepot.

Omzet overige departementen

Het Nationaal Archief fungeert als rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Zuid-Holland en ontvangt daarvoor een jaarlijkse bijdrage.

Omzet derden

De omzet derden bestaat hoofdzakelijk uit inkomsten van derde partijen voor specifieke producten en diensten.

Mutatie projectgelden

Vanaf 2021 zijn, in lijn met de Rijksbegrotingsvoorschriften, de bijdragen voor investeringen en projectgelden in de omzet opgenomen. Daardoor staan er geen mutatie projectgelden meer in de begroting.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten zijn gebaseerd op een formatie van circa 200–210 FTE. In 2022 tot en met 2026 blijft de personele inzet stabiel op een niveau waarop het Nationaal Archief met voldoende kwaliteit diensten en producten kan leveren.

Materiële kosten

Dit betreffen onder andere de huisvestingskosten zoals de huurkosten en servicekosten samenhangend met de huisvesting en kantoorautomatisering. Tevens zijn onder deze post de materiële uitgaven verantwoord die worden gedaan in het primaire proces, zoals voor het fysieke depot, de digitale taken rijksarchieven, tentoonstellingen, dienstverlening en in de projecten.

Afschrijvingskosten

Forse nieuwe investeringen in het fysieke depot en e-Depot zijn de komende jaren niet te verwachten, omdat deze investeringen recent zijn gedaan en er geen investeringen verwacht worden op basis van de huidige prognose van de datagroei. Er zijn wel vervangingsinvesteringen in met name de ICT hardware gepland in de periode 2022–2026.

Rentelasten

De rentelasten dalen de komende jaren vanwege de aflossing op bestaande leningen. Over de nieuwe leningen is als gevolg van de zeer lage rentestanden een rente van 0.0 procent verschuldigd.

Tabel 87 Kasstroomoverzicht over het jaar 2022 (bedragen x € 1.000)
  

Stand Slotwet 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

28.794

19.960

15.692

16.311

15.861

15.631

16.215

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

45.057

44.221

45.739

44.838

44.080

44.256

46.556

 

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

‒ 42.686

‒ 42.162

‒ 43.771

‒ 43.021

‒ 42.322

‒ 42.632

‒ 44.932

2.

Totaal operationele kasstroom

2.371

2.059

1.968

1.817

1.758

1.624

1.624

 

-/- totaal investeringen

‒ 428

‒ 1.232

‒ 900

‒ 1.468

‒ 1.142

‒ 800

‒ 1.500

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

 

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 428

‒ 1.232

‒ 900

‒ 1.468

‒ 1.142

‒ 800

‒ 1.500

 

-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

‒ 95

‒ 13.606

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

-/- aflossingen op leningen

‒ 160

‒ 2.889

‒ 1.349

‒ 2.299

‒ 1.946

‒ 1.040

‒ 1.040

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

 

11.400

900

1.500

1.100

800

1.500

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 255

‒ 5.095

‒ 449

‒ 799

‒ 846

‒ 240

460

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

30.482

15.692

16.311

15.861

15.631

16.215

16.799

Toelichting

De operationele kasstroom in 2022 is positief vanwege de bijdrage van het moederdepartement voor de afschrijving van nieuwe investeringen en bestaande activa die voorheen met investeringsbijdragen van het Ministerie van OCW waren gefinancierd.

Onder de financieringskasstroom staan investeringen. Voor deze investeringen wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën. De financieringskasstroom betreft verder de aflossing op leningen die zijn aangegaan ten behoeve financiering van de verbouwing van de publieke ruimte, het fysieke depot en investeringen in ICT.

Kapitaaluitgaven

Tabel 88 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap NA 2022 (bedragen x € 1.000)

Specificatie kapitaaluitgaven agentschap NA 2022 (bedragen x € 1.000)

Investeringen gebouw

50

Kantoormeubilair

60

Kantoormachines

0

Automatiseringsapparatuur

600

Depotinrichting

100

App. conservering & restauratie

90

Inrichting studiezaal

0

Totaal investeringen

900

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

Aflossing op leningen

1.349

Totaal financieringskasstroom

1.349

Kapitaaluitgaven

2.249

Tabel 89 Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

Stand Slotwet 2020

Vastgestelde begroting 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Omschrijving Generiek Deel

       

Gemiddeld gewogen kostprijs per productgroep:

       

- de (gem) prijs per km fysiek archief (capaciteit)1

18

20

20

20

20

20

20

- de (gem) prijs per Terabyte digitaal archief (capaciteit)1

1.514

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

1.300

Gemiddeld gewogen uurtarief intern personeel: primaire taken - activiteiten2

61

55

55

55

55

55

55

Aantal FTE:formatie op lumpsum en projecten

198

200-210

200-210

200-210

200-210

200-210

200-210

Saldo van baten en lasten

       

Ontwikkeling aantallen bezoekers:

       

- bezoekers

5.486

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

- onderwijs

2.427

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

- studiezaal - bezoekers

6.690

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

- studiezaal - raadplegingen archiefstukken

83.480

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

- Website Nationaal Archief

1.921.441

1.500.000

1.500.000

1.500.000

1.500.000

1.500.000

1.500.000

Cijfer bezoeker tevredenheid:3

7,5

 

7,5

 

7,5

 

7,5

Voldoen aan webrichtlijnen Rijk:(1-2-3- sterren)4

***

***

***

***

***

***

***

Beschikbaarheid - bereikbaarheidorganisatie:

       

- fysieke dienstverlening; geopend:

       

- informatiecentrum en studiezaal

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

- tentoonstelling

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

- ontvangst schoolgroepen

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

- Digitale dienstverlening eDepot(basisdienstverlening):

       

- helpdesk openingstijden opwerkdagen

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

8:30-17:00

1

Uitgaande van de kosten / beschikbare capaciteit.

2

Op basis van verantwoording uurtarieven jaarrekening 2017.

3

Per twee jaar wordt een landelijk onderzoek gedaan door de branchevereniging archiefveld naar de kwaliteit van de dienstverlening.

4

Betreft de toekenning van het drempelvrij keurmerk; toekenning op basis van een jaarlijks onderzoek; toekenning in de vorm van een jaarlijks certificaat met waardering in aantal sterren (1-2-3- sterren).

Toelichting

De consequenties van de uitbreiding van de depotcapaciteit door de nieuwe opslaglocatie in Emmen zijn vanaf 2021 meegenomen in de kostprijs berekening voor papieren archieven.

Het Nationaal Archief biedt een landelijke infrastructuur aan voor producten en diensten voor digitale archivering aan de RHC’s, departementen en andere instellingen met een publieke taak. Aan de dienstverlening is een kostprijsmodel verbonden dat inzichtelijk maakt tegen welke kosten producten en diensten kunnen worden afgenomen. De in de tabel benoemde kostprijzen zijn gebaseerd op het kostprijsmodel van digitale archieven uit 2020.

6. Bijlagen

Bijlage 1: Rechtspersonen met een Wettelijk Taak en Zelfstandige Bestuursorganen

Tabel 90 Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

RWT/ZBO

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitgevoerde evaluatie zbo onder Kaderwet

Volgende evaluatie ZBO

Stichting Nederlans Fonds voor Podiumkunsten+

ZBO

14

66.668,0

2018 (visitatierapport)

2022

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

ZBO

14

39.592,2

2018 (visitatierapport)

2022

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

ZBO

14

60.881,4

2019 (visitatierapport)

2022

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

ZBO

14

19.688,7

2018 (visitatierapport)

2022

Stichting Mondriaan Fonds

ZBO

14

34.132,7

2018 (visitatierapport)

2022

Stichting Nederlands Letterenfonds

ZBO

14

13.395,9

2018 (visitatierapport)

2022

Bureau Architectentregister

ZBO

14

 

2019 (evaluatierapport)

nog niet bekend

Commissariaat voor de Media

ZBO

15

4.903,0

  

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie

ZBO

6

4.650,0

 

2022

Koninklijke Bibliotheek

ZBO

14, 16

103.832,0

Visitatierapport 2019

2024

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

ZBO

6, 16

965.027,0

Visitatierapport 2020

2025

Stichting Participatiefonds (PF)

ZBO

1

1.971,8

Voorzien na modernisering1

 

Stichting Vervangingsfonds (VF)

ZBO

1

2.730,2

Geen

 

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

ZBO

15

2.276,0

2017 (Visitatierapport)

 

College voor Toetsen en Examens

ZBO

1, 3, 4

4.478,0

2020 (Visitatierapport)

2025

Nederlandse Publieke Omroep

ZBO

15

687,6

2018 (visitatierapport)

2023

Regionale Publieke Omroep

ZBO

15

153,0

Geen, vanwege bestaan sinds juni 2016

 

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

ZBO

16

94.934,0

Visitatierapport 2020

2025

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

ZBO

4

62.173,0

2020

2025

Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

RWT

14

221.462,1

  

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

RWT

1

12.607.996,0

  

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs

RWT

3

9.520.956,0

  

Regionale opleidingscentra (roc’s), agrarische opleidingscentra (aoc's) en vakinstellingen

RWT

4

4.030.302,0

  

Instellingsbesturen hogescholen

RWT

6

4.447.971,0

  

Instellingsbesturen universiteiten

RWT

7

5.482.326,0

  

Academische Ziekenhuizen

RWT

7

757.944,0

  

Stichting Cito

RWT

1, 3,4

31.604,0

Evaluatie Wet SLOA 2013 | Rapport | Rijksoverheid.nl

2026

Stichting SLO

RWT

3

11.092,0

Evaluatie Wet SLOA 2013 | Rapport | Rijksoverheid.nl

2026

Nationaal Agentschap Erasmus+

ZBO

8

3.957,0

 

2024

1

Momenteel is de wetswijziging beëindiging Vervangingsfonds (Vf) en modernisering Participatiefonds (Pf) aanhangig bij de Tweede Kamer (TK 35400). In het licht van het voornemen tot beëindiging van de wettelijke taak van het Vf wordt geen evaluatie meer uitgevoerd. Ingevolge het wetsvoorstel behoudt het Pf de status van privaatrechtelijke zbo-status, maar de wettelijke taken van dit fonds worden gemoderniseerd. De modernisering, waarvan de inwerkingtreding vanwege COVID-19 vertraging heeft opgelopen, leidt tot een meer activerend beleid om in het primair onderwijs de instroom in werkloosheid te beperken en uitstroom daaruit te bevorderen. In de toelichting van dit wetsvoorstel wordt aangegeven dat het gemoderniseerde Pf binnen 3 jaar wordt geëvalueerd.

Toelichting op de in de tabel opgenomen RWT's en ZBO's:

CultuurfondsenIn 2021 worden bijdragen verstrekt aan de volgende fondsen:

Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+Het fonds ondersteunt alle vormen van professionele podiumkunsten in Nederland: muziek, theater, muziektheater en dans. Het stimuleren van innovatie in de keten van scheppen, productie, distributie en afname is een speciale taak van het fonds.

Stichting Fonds voor CultuurparticipatieHet fonds stimuleert de actieve deelname aan het culturele leven van inwoners van Nederland, in al hun diversiteit, ongeacht leeftijd, herkomst, opleiding en woonplaats op het gebied van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur.

Stichting Nederlands Fonds voor de FilmHet fonds stimuleert de filmproductie in Nederland, met de nadruk op kwaliteit en diversiteit en bevordert een goed klimaat voor de Nederlandse filmcultuur.

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve IndustrieHet fonds voert verschillende subsidieregelingen uit die zijn gericht op kennisontwikkeling en kennisuitwisseling van de ontwerpende disciplines en het vergroten van de belangstelling voor architectuur, vormgeving en e-culture.

Stichting MondriaanfondsHet fonds bevordert bijzondere en vernieuwende projecten en activiteiten van beeldend kunstenaars, bemiddelaars en instellingen die van belang zijn voor de beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland. Het doel is hiermee de betekenisvolle ontwikkeling en zichtbaarheid van beeldende kunst en cultureel erfgoed in Nederland te stimuleren daar waar de markt dit niet of nog niet mogelijk maakt.

Stichting Nederlands LetterenfondsHet fonds bevordert de kwaliteit, diversiteit, productie en de vertaling van de Nederlandse- en Friestalige literatuur. Ook verzorgt het Letterenfonds de promotie en zichtbaarheid van de Nederlandse en Friese literatuur in het buitenland.

Bureau Architectenregister (BA)BA is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan dat uitvoering geeft aan de Wet op de architectentitel, zorg draagt voor het beheer van het architectenregister en bevoegd is om op te treden tegen onrechtmatig titelgebruik. Daarnaast is BA de bevoegde autoriteit in Nederland voor de uitvoering van de Europese richtlijn voor de erkenning van professionele kwalificaties van de onder haar vallende beroepen.

Commissariaat voor de MediaHet Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving van de Mediawet en de Wet op de vaste boekenprijs. Het toezicht betreft radio, televisie, ‘videodiensten op aanvraag’ en Nederlandse boekuitgaven.

Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)De NVAO borgt de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Zij beoordeelt op onafhankelijke wijze de kwaliteit van de opleidingen, verleent accreditatie, toetst nieuwe opleidingen en toetst de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast levert de NVAO een bijdrage aan het vergroten van het kwaliteitsbewustzijn en bevordert zij de internationale samenwerking om tot afstemming en samenhang binnen de Europese hoger onderwijsruimte te komen.

Koninklijke Bibliotheek (KB)De KB is de nationale bibliotheek van Nederland en al eeuwenlang een bron van inspiratie en ontwikkeling. De KB kent een lange traditie van verzamelen, bewaren en delen van publicaties van en over Nederland. Daarnaast bewaren ze ook een selectie van publicaties op het web.

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)NWO is een zelfstandig bestuursorgaan met wettelijk vastgelegde taken. De NWO-domeinen, onderzoeksinstituten en regieorganen voeren de kerntaak van NWO uit: het bevorderen van kwaliteit en vernieuwing in de wetenschap.

Stichting Participatiefonds (PF) Het PF is verantwoordelijk voor het beheren, verevenen en terugdringen van de wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsuitgaven in het primair onderwijs. Het PF betaalt de uitkeringskosten van ontslagen personeel aan het betreffende schoolbestuur indien het ontslag voldoet aan de voorwaarden die het PF hieraan stelt in het reglement. Daarnaast ondersteunt het PF schoolbesturen bij inspanningen om te voorkomen dat onderwijspersoneel instroomt in een uitkering. Eveneens bevordert het PF dat individuele medewerkers die werkloos zijn en dientengevolge een uitkering ontvangen, weer zo snel mogelijk betaald werk hervatten. De behandeling van het wetsvoorstel modernisering loopt vertraging op door COVID-19.

Stichting Vervangingsfonds (VF) Het VF betaalt, wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden uit het Vf-reglement, nog geheel of gedeeltelijk de kosten voor vervangers van ziek personeel aan schoolbesturen die hiervoor nog premie afdragen. Meer dan de helft van de schoolbesturen met 80 procent van het personeel in de sector po draagt inmiddels volledig zelf de risico’s van deze vervangingskosten, al dan niet via samenwerking met andere besturen. Deze ontwikkeling zet zich door. Met sociale partners is daarom in 2018 afgesproken dat de vereveningstaak van het VF op een nog te bepalen moment wordt beëindigd. De behandeling van het wetsvoorstel beëindiging wettelijke taak loopt vertraging op door COVID-19.

Stimuleringsfonds voor de JournalistiekHet Stimuleringsfonds voor de Journalistiek stimuleert de kwaliteit, diversiteit en onafhankelijkheid van de journalistiek door met geld, kennis en onderzoek de vernieuwing van de journalistieke infrastructuur in Nederland te bevorderen. Dit gebeurt onder meer door subsidieregelingen, en door het op het gebied van innovatie, onderzoeksjournalistiek en regionale en lokale journalistiek. Daarnaast deelt het Fonds via de op de website de meest recente ontwikkelingen in de journalistieke sector.

College voor Toetsen en Examens (CvTE)Het College is verantwoordelijk voor de centrale examens en staats-examens in het voortgezet onderwijs, de examens rekenen en taal in het (middelbaar) beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal.

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)De NPO vervult een essentiële rol in de verrijking en verbinding van de Nederlandse samenleving met informerende, inspirerende en impactvolle programma’s. Als open en diverse publieke omroep geeft de NPO zoveel mogelijk mensen en meningen in onze veelkleurige maatschappij de ruimte.

Regionale Publieke Omroep (RPO)De RPO is op basis van de Mediawet het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau. De regionale publieke omroepen brengen onderscheidende regionale journalistiek.

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)De KNAW brengt vanuit haar onafhankelijke positie mensen en middelen bij elkaar om met kennis en creativiteit bij te dragen aan de ontwikkeling van onze samenleving. Ze bevordert de kwaliteit en de integriteit van de wetenschapsbeoefening. Haar instituten moeten staan voor excellente kwaliteit en dienen te fungeren als magneten voor onderzoekstalent.

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen

Het betreft 29 instellingen, waaronder de musea, die onder de Erfgoedwet (Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen) vallen.

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs

Het betreft 925 bevoegde gezagsorganen van 6652 instellingen. Voor zover het onderwijsinstellingen betreft waar de gemeente het bevoegd gezag is, zijn deze instellingen niet aan te merken als RWT.

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijsHet betreft 328 bevoegde gezagsorganen van 650 onderwijsinstellingen. Binnen deze aantallen zitten ook gemeentelijke bevoegde gezagen/onderwijsinstellingen die eigenlijk niet aan te merken zijn als RWT.

Regionale opleidingscentra (roc’s), agrarische opleidingscentra (aoc's) en vakinstellingen

Het betreft middelen die rechtstreeks aan 62 bekostigde mbo-instellingen beschikbaar worden gesteld.

Instellingsbesturen hogescholen

Het betreft middelen die rechtstreeks aan 36 bekostigde hogescholen beschikbaar worden gesteld.

Instellingsbesturen universiteiten

Het betreft middelen die rechtstreeks aan 18 bekostigde universiteiten beschikbaar worden gesteld.

Academische Ziekenhuizen

Het betreft middelen voor de 8 ziekenhuizen die verbonden zijn aan een universiteit ten behoeve van de opleiding van artsen en ten behoeve van onderzoek.

Stichting Cito Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiering van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO.Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling heeft tot taak:het ontwikkelen van de centrale eindtoets in het primair onderwijs;het ontwikkelen van de centrale examens in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs.

Stichting SLOOp 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiering van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO.

Nationaal Agentschap Erasmus+Erasmus+ ondersteunt de educatieve, professionele en persoonlijke ontwikkeling van deelnemers in onderwijs, training, jeugd en sport, in Europa en daarbuiten. Hierdoor draagt het programma bij aan duurzame groei, werkgelegenheid, sociale cohesie en de versterking van de Europese identiteit.

Tabel 91 Overzicht Rechtspersonen met een Wettelijke Taak en Zelfstandige Bestuursorganen (vallend onder andere ministeries) (bedragen x € 1.000)

Naam organisatie

Ministerie

ZBO/RWT

Begrotingsartikel

Begrotingsramingen

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

SZW

ZBO

1

2.558

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage

Algemeen

In dit hoofdstuk worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2021 en de stand ontwerpbegroting 2022. Daarbij worden mutaties groter of gelijk aan onderstaande staffel toegelicht:

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

De mutaties uit de eerste suppletoire begroting en de reeks incidentele suppletoire begrotingen zijn reeds toegelicht in de memorie van toelichting op de eerste suppletoire begroting 2021 en de memorie van toelichting op de incidentele suppletoire begrotingen 2021. Deze mutaties worden daarom niet in dit verdiepingshoofdstuk toegelicht. Voor de uitgaven en ontvangsten geldt dat de tabellen met de specificatie van de nieuwe mutaties alleen zijn opgenomen als er mutaties hebben plaatsgevonden.

Mutaties die op meer dan één beleidsartikel betrekking hebben worden hieronder toegelicht. Het betreft de budgettaire verwerking van de:

  • 1. leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinancieringsuitgaven;

  • 2. loon- en prijsbijstelling (lpo);

  • 3. Regeerakkoordmaatregelen.

1. Leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinancieringsuitgaven

Onderstaande tabel geeft de verdeling van de mutaties als gevolg van de raming van de leerlingen- en studentenontwikkeling en de studiefinanciering weer. Zie de tabel belangrijkste beleidsmatige mutaties in de beleidsagenda voor een toelichting.

Tabel 92 Leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1

Primair onderwijs

‒ 10.402

‒ 35.523

‒ 50.489

‒ 70.750

‒ 91.910

‒ 150.897

3

Voortgezet onderwijs

‒ 63.033

‒ 34.176

‒ 29.081

‒ 13.934

‒ 11.532

7.135

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

1.300

89.421

105.621

56.264

22.199

7.392

6

Hoger beroepsonderwijs

0

243.350

325.429

384.671

431.011

458.164

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

155.773

210.602

250.562

286.753

322.936

11,12,13

Studiefinanciering (relevant)

55.086

107.038

84.308

98.807

120.802

140.926

Totaal leerlingen- en studentenontwikkeling en studiefinanciering

‒ 17.049

525.883

646.390

705.620

757.323

785.656

2. Loon- en prijsbijstelling (lpo)

De loon- en prijsbijstelling(lpo) 2021 is uitgekeerd aan de departementen. In onderstaande tabellen wordt de uitgekeerde loonbijstelling en prijsbijstelling per begrotingsartikel weergegeven.

Tabel 93 Uitgekeerde relevante loonontwikkeling tranche 2021 (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1

Primair onderwijs

248.231

246.591

244.833

244.321

244.108

243.112

3

Voortgezet onderwijs

175.956

174.949

174.816

174.782

174.064

172.012

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

84.075

79.089

86.161

81.957

81.782

81.507

6

Hoger beroepsonderwijs

65.643

66.462

66.373

66.790

67.246

67.199

7

Wetenschappelijk onderwijs

85.057

86.452

87.311

88.274

88.992

89.151

8

Internationaal beleid

121

113

113

113

113

113

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

3.522

3.683

3.611

3.681

3.681

3.682

11

Studiefinanciering

1.668

1.591

1.618

1.665

1.732

1.734

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

32

32

32

33

33

33

13

Lesgelden

176

179

179

183

183

192

14

Cultuur

10.506

10.678

11.001

10.960

10.921

10.921

15

Media

170

102

102

102

102

102

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16.995

16.905

16.866

16.856

16.854

16.854

25

Emancipatie

223

231

250

251

261

261

91

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

4.976

4.946

4.953

4.903

4.895

4.885

Totaal1

697.351

692.003

698.219

694.871

694.967

691.758

1

Hierbij is de ontvangen loon- en prijsbijstelling op de HGIS-middelen vanuit het Ministerie van BZ niet meegenomen. Het totaal aan ontvangen loon- en prijsbijstelling over de jaren bedraagt respectievelijk 2.140, 2.056, 2.012, 1.990, 1.990 en 1.990 (€ x 1.000).

Tabel 94 Uitgekeerde relevante prijsontwikkeling tranche 2021 (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2021

2022

2023

2024

2025

2026

1

Primair onderwijs

27.564

27.384

27.177

27.127

27.124

27.792

3

Voortgezet onderwijs

26.831

26.675

26.663

26.637

26.546

27.024

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

24.769

23.304

25.397

24.160

24.108

24.030

6

Hoger beroepsonderwijs

17.506

17.724

17.703

17.813

17.936

17.925

7

Wetenschappelijk onderwijs

34.773

35.357

35.712

36.105

36.400

36.460

8

Internationaal beleid

119

113

113

113

113

113

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

230

229

234

230

230

231

11

Studiefinanciering

9.273

26.400

26.912

27.376

27.819

28.163

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

1.318

1.292

1.260

1.239

1.225

1.221

13

Lesgelden

105

106

107

109

109

115

14

Cultuur

12.168

11.210

11.063

11.053

10.996

11.095

15

Media

16.174

16.553

16.637

16.718

16.965

17.061

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

7.867

7.837

7.827

7.824

7.821

7.821

25

Emancipatie

70

72

79

79

85

85

91

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

1.222

1.149

1.148

1.132

1.134

1.134

Totaal1

179.989

195.405

198.032

197.715

198.611

200.270

1

Hierbij is de ontvangen loon- en prijsbijstelling op de HGIS-middelen vanuit het Ministerie van BZ niet meegenomen. Het totaal aan ontvangen loon- en prijsbijstelling over de jaren bedraagt respectievelijk 2.140, 2.056, 2.012, 1.990, 1.990 en 1.990 (€ x 1.000).

3. Regeerakkoordmaatregelen

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de budgettaire verwerking op de OCW-begroting van de diverse maatregelen uit het Regeerakkoord. Alle maatregelen zijn al in eerdere begrotingen verwerkt. In deze begroting is nog de laatste mutatie op de middelen voor werkdruk doorgevoerd.

Tabel 95 RA maatregelen per maatregel en sector (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

 

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

         

1

Primair onderwijs

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

 

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. € 20 miljoen voor kleine scholen)

         

1

Primair onderwijs

108.000

297.500

373.604

401.750

381.646

353.500

394.000

450.000

450.000

 

G34 Modernisering cao primair onderwijs

         

1

Primair onderwijs

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

 

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

         

3

Voortgezet onderwijs

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

100.000

100.000

100.000

 

G36 Fundamenteel onderzoek OCW

         

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

 

G37 Toegepast onderzoek

         

6

Hoger beroepsonderwijs

15.000

20.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

10.000

18.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

 

G38 Onderzoeksinfrastructuur

         

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

45.000

55.000

0

0

0

0

0

0

0

 

G40 Cultuur en Historisch Democratisch bewustzijn

         

14

Cultuur

25.000

50.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

 

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

         

1

Primair onderwijs

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

 

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

         

15

Media

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

 

G43 RA Intensivering Erfgoed en monumenten

         

14

Cultuur

98.500

137.000

60.000

25.000

0

0

0

0

0

 

G44 Aanpak laaggeletterdheid

         

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

 

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en hoogbegaafde

         

1

Primair onderwijs

10.000

16.500

16.500

16.500

16.500

16.500

16.500

16.500

16.500

3

Voortgezet onderwijs

5.000

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

 

G46 Doelmatiger onderwijs

         

1

Primair onderwijs

‒ 6.666

‒ 30.664

‒ 45.663

‒ 60.996

‒ 60.996

‒ 60.996

‒ 60.996

‒ 60.996

‒ 60.996

3

Voortgezet onderwijs

‒ 5.171

‒ 23.786

‒ 35.420

‒ 47.313

‒ 47.313

‒ 47.313

‒ 47.313

‒ 47.313

‒ 47.313

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

‒ 2.754

‒ 12.666

‒ 18.862

‒ 25.195

‒ 25.195

‒ 25.195

‒ 25.195

‒ 25.195

‒ 25.195

6

Hoger beroepsonderwijs

‒ 1.913

‒ 8.800

‒ 13.104

‒ 17.503

‒ 17.503

‒ 17.503

‒ 17.503

‒ 17.503

‒ 17.503

7

Wetenschappelijk onderwijs

‒ 2.854

‒ 13.129

‒ 19.551

‒ 26.116

‒ 26.116

‒ 26.116

‒ 26.116

‒ 26.116

‒ 26.116

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

‒ 642

‒ 2.955

‒ 4.400

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

‒ 5.877

 

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

         

91

Nominaal en Onvoorzien

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

183.000

183.000

 

G48 Terugdraaien Taakstelling Groen Onderwijs

         

3

Voortgezet onderwijs

0

3.606

5.075

5.326

4.905

4.501

4.501

4.501

4.501

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

0

1.993

2.834

2.989

2.672

2.387

2.387

2.387

2.387

6

Hoger beroepsonderwijs

0

1.088

1.648

1.866

1.789

1.685

1.685

1.685

1.685

7

Wetenschappelijk onderwijs

0

2.313

3.443

3.819

3.634

3.427

3.427

3.427

3.427

 

G49 Halvering Collegegeld eerstejaars hoger onderwijs

         

6

Hoger beroepsonderwijs

48.602

112.100

111.266

113.527

112.079

114.831

114.831

114.831

114.831

7

Wetenschappelijk onderwijs

21.398

52.900

53.734

56.473

57.921

60.169

60.169

60.169

60.169

Totaal

1.068.500

1.742.500

1.817.604

1.698.750

1.477.646

1.453.500

1.494.000

1.550.000

1.550.000

Tabel 96 Uitgaven artikel 1 Primair onderwijs (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

12.142.752

12.059.996

11.972.475

11.946.944

11.937.519

 

Mutatie 3e Nota van wijziging 2021

102.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e incidentele suppletoire begroting 2021

250

0

0

0

0

 

Mutatie 2e incidentele suppletoire begroting 2021

20.500

0

0

0

0

 

Mutatie 5e incidentele suppletoire begroting 2021

900

0

0

0

0

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

259.848

‒ 35.523

‒ 50.489

‒ 70.750

‒ 91.910

 

Mutatie 9e incidentele suppletoire begroting 2021

30.500

0

0

0

0

 

Mutatie 10e incidentele suppletoire begroting 2021

1.682

‒ 1.682

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

963.909

1.374.906

463.222

263.019

277.478

 

Nieuwe mutaties

‒ 41.354

34.971

37.893

57.378

104.306

 

1. Overheveling werkdrukmiddelen vanuit de Aanvullende Post

0

0

0

40.500

96.500

 

2. Overig

‒ 41.354

34.971

37.893

16.878

7.806

 

Stand ontwerpbegroting 2022

13.480.987

13.432.668

12.423.101

12.196.591

12.227.393

12.162.162

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. Overheveling derde tranche van de werkdrukmiddelen vanuit de Aanvullende Post;

  • 2. De onderuitputting in 2021 op de coronamiddelen uit het Nationaal Programma Onderwijs voor Inhaal- en Ondersteuningsprogramma's.

Tabel 97 Ontvangsten artikel 1 Primair onderwijs (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

10.461

9.308

9.208

9.208

9.208

 

Mutatie 2e incidentele suppletoire begroting 2021

5.500

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

12.900

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

28.861

9.308

9.208

9.208

9.208

9.208

Tabel 98 Uitgaven artikel 3 Voortgezet onderwijs (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

8.970.169

8.917.863

8.910.930

8.908.074

8.872.493

 

Mutatie 3e Nota van wijziging 2021

56.000

0

0

0

0

 

Mutatie amendement 2021

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e incidentele suppletoire begroting 2021

250

0

0

0

0

 

Mutatie 3e incidentele suppletoire begroting 2021

129.800

0

0

0

0

 

Mutatie 5e incidentele suppletoire begroting 2021

47.300

0

0

0

0

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

169.367

‒ 34.176

‒ 29.081

‒ 13.934

‒ 11.532

 

Mutatie 9e incidentele suppletoire begroting 2021

‒ 31.250

0

0

0

0

 

Mutatie 10e incidentele suppletoire begroting 2021

149.493

‒ 149.493

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

755.871

968.635

290.486

200.069

199.413

 

Nieuwe mutaties

‒ 27.863

‒ 37.207

‒ 14.867

‒ 1.315

‒ 1.037

 

Stand ontwerpbegroting 2022

10.219.137

9.665.622

9.157.468

9.092.894

9.059.337

9.014.085

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. De mutatie van € 27,9 miljoen in 2021 wordt voor een groot deel veroorzaakt door de onderuitputting op de middelen voor de inhaal- en ondersteuningsprogramma's van € 24 miljoen en door de overboeking naar PO voor de arbeidsmarkttoelage ter hoogte van € 10 miljoen.

  • 2. De mutatie van € 37,2 miljoen in 2022 wordt voor een groot deel verklaard door een overboeking naar artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor de werkzaamheden van de gelijke kansen alliantie in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs (€ 12,7 miljoen) en door de overboeking voor de arbeidsmarkttoelage naar artikel 1 (Primair Onderwijs) (€ 24,5 miljoen).

  • 3. De mutatie van € 14,9 miljoen in 2023 wordt voor een groot deel veroorzaakt door een overboeking naar artikel 1 (Primair Onderwijs) voor de arbeidsmarkttoelage (€ 14,3 miljoen).

Tabel 99 Ontvangsten artikel 3 Voortgezet onderwijs (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

 

Stand ontwerpbegroting 2022

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

Tabel 100 Uitgaven artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

4.838.265

4.551.759

4.958.146

4.716.547

4.706.546

 

Mutatie 2e Nota van wijziging 2021

11.500

0

0

0

0

 

Mutatie 3e Nota van wijziging 2021

52.000

0

0

0

0

 

Mutatie 3e incidentele suppletoire begroting 2021

3.000

0

0

0

0

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

282.109

119.421

105.621

56.264

22.199

 

Mutatie 9e incidentele suppletoire begroting 2021

23.200

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

147.785

420.405

104.869

106.922

95.977

 

Nieuwe mutaties

‒ 4.886

‒ 25.687

3.405

9.559

9.670

 

1. Overboeking aanpak jeugdwerkloosheid aan SZW

0

‒ 34.500

0

0

0

 

2. Gelijke Kansen Alliantie

0

12.666

0

0

0

 

3. Overig

‒ 4.886

‒ 3.853

3.405

9.559

9.670

 

Stand ontwerpbegroting 2022

5.352.973

5.065.898

5.172.041

4.889.292

4.834.392

4.813.672

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. middelen voor de verlenging van de aanpak jeugdwerkloosheid in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs. Deze middelen worden overgeheveld naar SZW-begroting;

  • 2. een intensivering van de Gelijke Kansen Alliantie in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs. Deze middelen zijn van artikel 3 (Voortgezet onderwijs) overgeboekt naar artikel 4 (Beroepsonderwijs en volwasseneducatie).

Tabel 101 Ontvangsten artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

 

Nieuwe mutaties

1.200

0

0

0

0

 

1. Terugbetaling Edudelta

1.200

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

5.200

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Toelichting op nieuwe mutaties

Ontvangsten

1. Door sterk teruglopende leerlingen- en studentenaantallen kwam de continuïteit van onderwijs bij Edudelta in het geding. Een toekomstbestendige oplossing werd gevonden in de overdracht van onderwijsactiviteiten aan verschillende instellingen uit de regio. Het Ministerie van OCW heeft circa € 2,5 miljoen aan transitiekosten betaald om een soepele overgang van leerlingen, studenten en docenten naar de scholen in de regio te faciliteren. Deze kosten zijn vooraf in 2018 ten laste gekomen van bekostiging van alle onderwijsinstellingen aangezien hier geen dekking voor was op de OCW-begroting. Tevens is ook afgesproken dat de middelen die overbleven na de liquidatie van Edudelta weer achteraf worden toegevoegd aan de bekostiging van de onderwijsinstellingen. Het eigen vermogen van Edudelta komt uit op € 1,2 miljoen en wordt in 2021 terugbetaald aan het Ministerie van OCW.

Tabel 102 Uitgaven artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

3.688.678

3.734.684

3.729.825

3.753.303

3.778.843

 

Mutatie 1e incidentele suppletoire begroting 2021

 

11.317

0

0

0

0

 

Mutatie 3e incidentele suppletoire begroting 2021

 

3.000

0

0

0

0

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

 

410.000

559.350

325.429

384.671

431.011

 

Mutatie 9e incidentele suppletoire begroting 2021

 

3.600

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

202.523

243.068

81.529

70.727

71.306

 

Nieuwe mutaties

‒ 6.244

‒ 57.327

‒ 53.895

‒ 41.704

‒ 40.311

 

1.

Overheveling praktijkgericht onderzoek

0

‒ 57.278

‒ 55.229

‒ 55.229

‒ 53.229

 

2.

Overig

‒ 6.244

‒ 49

1.334

13.525

12.918

 

Stand ontwerpbegroting 2022

4.312.874

4.479.775

4.082.888

4.166.997

4.240.849

4.265.700

Toelichting op nieuw mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. inbedding van het praktijkgericht onderzoek hbo in het onderzoeks- en wetenschapsbeleid en de daaraan gekoppelde overheveling van het budget van artikel 6 (Hoger beroepsonderwijs) naar artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid).

Tabel 103 Ontvangsten artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

 

Stand ontwerpbegroting 2022

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

16

Tabel 104 Uitgaven artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

5.552.647

5.643.236

5.699.250

5.762.008

5.809.080

 

Mutatie amendementen 2021

‒ 400

0

0

0

0

 

Mutatie 1e incidentele suppletoire begroting 2021

 

8.683

0

0

0

0

 

Mutatie 3e incidentele suppletoire begroting 2021

 

3.000

0

0

0

0

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

 

280.000

394.773

210.602

250.562

286.753

 

Mutatie 9e incidentele suppletoire begroting 2021

 

44.700

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

237.373

232.077

118.046

99.494

100.734

 

Nieuwe mutaties

2.504

1.156

2.506

21.512

22.179

 

Stand ontwerpbegroting 2022

6.128.507

6.271.242

6.030.404

6.133.576

6.218.746

6.267.608

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

  • 1. Betreft aanvulling op de naar universiteiten overgehevelde NWO-onderzoekmiddelen uit de SEO-regeling en de sectorplannen bèta en techniek.

Tabel 105 Ontvangsten artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

16

16

16

16

16

 

Stand ontwerpbegroting 2022

16

16

16

16

16

16

Tabel 106 Uitgaven artikel 8 Internationaal beleid (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

11.855

11.212

11.212

11.215

11.215

 

Mutatie amendement 2021

400

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

3493

2556

2556

2756

2556

 

Nieuwe mutaties

0

600

600

600

600

 

Stand ontwerpbegroting 2022

15.748

14.368

14.368

14.571

14.371

14.371

Tabel 107 Ontvangsten artikel 8 Internationaal beleid (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

99

99

99

99

99

 

Stand ontwerpbegroting 2022

99

99

99

99

99

99

Tabel 108 Uitgaven artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

163.803

170.723

167.926

170.735

170.735

 

6e incidentele suppletoire begroting 2021

500

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

10.990

5.762

8.845

5.911

4.911

 

Nieuwe mutaties

15.047

29.234

8.826

4.917

‒ 68

 

Stand ontwerpbegroting 2022

190.340

205.719

185.597

181.563

175.578

174.727

Tabel 109 Ontvangsten artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.500

‒ 2.000

‒ 2.000

 

Nieuwe mutaties

10

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

6.510

6.500

6.500

7.000

7.000

7.000

Tabel 110 Uitgaven artikel 11 Studiefinanciering (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

4.767.938

5.501.405

5.575.672

5.631.684

5.680.018

 

Mutatie 2e Nota van wijziging 2021

5.500

0

0

0

0

 

Mutatie amendement 2021

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e incidentele suppletoire begroting 2021

3.970

0

0

0

0

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

310.258

266.733

282.699

266.527

253.385

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

7.585

103.106

173.011

121.987

122.788

 

Nieuwe mutaties

1.087.648

‒ 1.034.422

11.087

11.487

2.562

 

1. Nationaal Programma Onderwijs niet-relevant

25.000

5.000

0

0

0

 

2. OV-kasschuif

1.050.000

‒ 1.050.000

0

0

0

 

3. Overige mutaties

12.648

10.578

11.087

11.487

2.562

 

Stand ontwerpbegroting 2022

6.182.899

4.836.822

6.042.469

6.031.685

6.058.753

6.074.591

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. de niet-relevante boeking van de SF maatregelen in het Nationaal Programma Onderwijs;

  • 2. een kasschuif op verzoek van de openbaarvervoerbedrijven als gevolg van de door corona onder druk staande liquiditeitspositie van deze bedrijven.

Tabel 111 Ontvangsten artikel 11 Studiefinanciering (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

1.005.737

1.062.958

1.112.207

1.168.825

1.227.432

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

142.252

148.993

153.858

140.044

127.759

 

Stand ontwerpbegroting 2022

1.147.989

1.211.951

1.266.065

1.308.869

1.355.191

1.403.705

Tabel 112 Uitgaven artikel 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

72.432

71.040

69.323

68.153

67.401

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

‒ 6.324

‒ 5.194

‒ 4.593

‒ 3.669

‒ 2.818

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

1.350

1.325

1.292

1.272

1.258

 

Nieuwe mutaties

‒ 64

‒ 54

‒ 62

‒ 69

‒ 56

 

Stand ontwerpbegroting 2022

67.394

67.116

65.960

65.687

65.785

66.107

Tabel 113 Ontvangsten artikel 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

3.167

3.103

3.025

2.971

2.938

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

‒ 984

‒ 929

‒ 888

‒ 844

‒ 809

 

Stand ontwerpbegroting 2022

2.183

2.174

2.137

2.127

2.129

2.135

Tabel 114 Uitgaven artikel 13 Lesgelden (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

13.997

14.149

14.221

14.562

14.556

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

41

117

185

151

102

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

281

285

286

292

292

 

Nieuwe mutaties

‒ 387

‒ 302

‒ 342

‒ 384

‒ 313

 

Stand ontwerpbegroting 2022

13.932

14.249

14.350

14.621

14.637

15.654

Tabel 115 Ontvangsten artikel 13 Lesgelden (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

247.018

254.513

260.287

265.335

270.104

 

Mutatie 6e incidentele suppletoire begroting 2021

‒ 75.000

‒ 65.000

0

0

0

 

Mutatie 8e incidentele suppletoire begroting 2021

16.725

25.967

31.006

20.694

12.066

 

Stand ontwerpbegroting 2022

188.743

215.480

291.293

286.029

282.170

281.453

Tabel 116 Uitgaven artikel 14 Cultuur (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

1.001.772

973.450

982.955

980.442

975.877

 

Mutatie 2e Nota van wijziging 2021

264.000

15.000

15.000

15.000

0

 

Mutatie 4e incidentele suppletoire begroting 2021

24.000

0

0

0

0

 

Mutatie 7e incidentele suppletoire begroting 2021

10.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

95.220

25.518

24.804

23.992

23.052

 

Mutatie 10e incidentele suppletoire begroting 2021

20.000

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

3.856

969

‒ 15.716

‒ 6.892

8.889

 

Stand ontwerpbegroting 2022

1.418.848

1.014.937

1.007.043

1.012.542

1.007.818

1.010.217

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Het bedrag van de nieuwe mutaties bestaat grotendeels uit:

  • een overboeking naar artikel 1 (Primair onderwijs) van de middelen voor cultuureducatie en museumbezoek in het primair onderwijs tot en met het schooljaar 2023-2024 (2022: € 10,8 miljoen, 2023 € 25,5 miljoen en 2024 € 15,0 miljoen);

  • een overboeking van voor speelfilms geoormerkte middelen voor het Filmfonds vanuit artikel 15 (Media) (€ 5,0 miljoen in 2022 en 2023, daarna structureel € 6,3 miljoen), zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 15 (Media);

  • een overboeking van het Ministerie van BZK van middelen uit de bestuurlijke afspraken voor het aardbevingsgebied Groningen (Kamerstukken II 2020/21, 33529, nr. 830), bestemd voor het behoud en onderhoud van erfgoedpanden in dat gebied (€ 2 miljoen in 2021, € 5 miljoen in 2022 en € 3 miljoen in 2023);

  • een desaldering uit het Museaal Aankoopfonds naar aanleiding van de moties van het lid Geluk-Poortvliet c.s.(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 360) over toevoeging van het Scapino Ballet aan de culturele basisinfrastructuur 2021-2024 (jaarlijks € 1,9 miljoen) en van het lid Belhaj c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 359) over financiële ondersteuning van Eurosonic Noorderslag in de periode 2021-2024 (jaarlijks € 0,6 miljoen).

Tabel 117 Ontvangsten artikel 14 Cultuur (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

494

494

494

494

494

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

12.814

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

2.682

2.549

2.549

2.549

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

15.990

3.043

3.043

3.043

494

494

Toelichting op nieuwe mutatiesOntvangstenDe belangrijkste mutatie betreft de desaldering uit het Museaal Aankoopfonds, zoals toegelicht bij de uitgavenmutaties (jaarlijks € 2,5 miljoen in de periode 2021-2024).

Tabel 118 Uitgaven artikel 15 Media (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

1.033.170

1.054.914

1.054.973

1.063.797

1.072.554

 

Mutatie 3e incidentele suppletoire begroting 2021

5.491

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

26.500

17.700

16.739

16.820

17.067

 

Nieuwe mutaties

0

‒ 19.092

‒ 26.467

‒ 30.842

‒ 36.412

 

Stand ontwerpbegroting 2022

1.065.161

1.053.522

1.045.245

1.049.775

1.053.209

1.056.576

Tabel 119 Ontvangsten artikel 15 Media (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

155.700

160.200

155.700

160.200

155.700

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

9.300

0

0

0

0

 

Nieuwe mutaties

0

‒ 14.090

‒ 21.465

‒ 24.540

‒ 30.110

 

Stand ontwerpbegroting 2022

165.000

146.110

134.235

135.660

125.590

123.690

Toelichting op nieuwe mutaties

Ontvangsten

De ontvangsten van de STER worden aangepast voor de nieuwe erkenningsperiode. Hiervoor heeft de STER een nieuwe raming ingediend voor de periode 2022 tot en met 2026.

Tabel 120 Uitgaven artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

1.134.749

1.129.340

1.126.994

1.126.365

1.126.200

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

43.951

49.574

29.190

27.907

26475

 

Nieuwe mutaties

2.759

62.715

58.264

56.454

54.409

 

1. Overheveling Praktijkgericht onderzoek

0

57.278

55.229

55.229

53.229

 

2. Overig

2.759

5.437

3.035

1.225

1180

 

Stand ontwerpbegroting 2022

1.181.459

1.241.629

1.214.448

1.210.726

1.207.084

1.204.501

Toelichting op nieuw mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO. Het praktijkgericht onderzoek in het hbo is inmiddels structureel ingebed in het onderzoeks- en wetenschapsbeleid en wordt daarom vanaf het jaar 2022 volledig overgeheveld naar artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid).

Tabel 121 Ontvangsten artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

101

101

101

101

101

 

Stand ontwerpbegroting 2022

101

101

101

101

101

101

Tabel 122 Uitgaven artikel 25 Emancipatie (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

14.147

14.610

15.862

15.951

16.659

17.005

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

8.019

‒ 23

204

208

229

 

Mutatie begroting 2021

‒ 54

‒ 46

‒ 20

0

0

 

Bijdrage Alliantie Werk en Gezin

‒ 34

‒ 46

‒ 20

0

0

 

Ophoging instellingssubsidie SSV

‒ 50

0

0

0

0

 

Bijdrage Theater aan Zet

30

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

22.112

14.541

16.046

16.159

16.888

17.005

Tabel 123 Ontvangsten artikel 25 Emancipatie (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2020

0

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

0

Tabel 124 Uitgaven artikel 91 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

0

585.126

614.383

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

0

585.126

614.383

0

0

0

Tabel 125 Ontvangsten artikel 91 Nog onverdeeld (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

0

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

0

0

0

0

0

0

Tabel 126 Uitgaven artikel 95 Apparaat kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

277.179

272.376

272.684

269.451

269.228

 

Mutatie 9e suppletoire begroting 2021

750

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2021

25.789

11.214

11.810

12.755

13.114

 

Nieuwe mutaties

‒ 12.165

‒ 7.179

‒ 6.835

‒ 4.203

2.555

 

1. Overboekingen (intern)

‒ 6.722

‒ 6.769

‒ 6.927

‒ 6.928

93

 

2. Overboekingen met andere departementen

323

‒ 171

‒ 187

‒ 218

‒ 321

 

3. Kasschuiven

‒ 5.766

‒ 239

279

2.943

2.783

 

Stand ontwerpbegroting 2022

291.553

276.411

277.659

278.003

284.897

282.990

Toelichting op nieuwe mutaties

Uitgaven

Dit saldo betreft onder meer:

  • 1. een interne overboeking van het budget dat gereserveerd stond voor beheer en onderhoud van de OCW VDI-werkplek dat nu structureel overgeboekt wordt naar het DUO artikel;

  • 2. mede als gevolg van de coronacrisis lopen diverse programma’s en projecten vertraging op. Daarnaast wordt jaarlijks gereserveerd voor vervanging van hardware. Deze middelen worden middels een kasschuif naar het jaar geschoven waar de kosten worden verwacht. Tevens wordt het kasritme van de middelen voor het Lerarenportfolio aangepast, zodat deze in lijn komen met de uitgaven.

Tabel 127 Ontvangsten artikel 95 Apparaat kerndepartement (bedragen x € 1000)
 

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Stand ontwerpbegroting 2021

567

567

567

567

567

 

Nieuwe mutaties

0

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2022

567

567

567

567

567

567

Bijlage 3: Moties en toezeggingen

Tabel 128 Door de Staten-Generaal aanvaarde moties die zijn afgerond

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

Motie van de leden El Yassini/Jasper van Dijk; De Tweede Kamer verzoekt de regering om kort na de publicatie van de EU-lhbti-strategie de Kamer te informeren welke concrete stappen zij gaan zetten, op basis van de lhbti-strategie, om de inspanningen van de Europese Commissie te ondersteunen om een einde te maken aan discriminatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en interseksepersonen binnen de Europese Unie.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 343).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 22112, nr. 3002).

Motie van het lid Jasper van Dijk c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat circa 15% van de scholen geen aandacht besteedt aan seksuele diversiteit) voor het eind van het jaar concrete maatregelen te treffen tegen scholen die zich hieraan onttrekken.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 345).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 357).

De motie van het lid Bergkamp c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering de belemmeringen voor transgenderpersonen op de arbeidsmarkt in kaart te brengen, te kijken in hoeverre er een knelpunt is met bestaande verlofregelingen en mogelijkheden te onderzoeken om de arbeidsmarktpositie van deze groep te verbeteren.

(Kamerstukken II 218/19, 30420, nr. 307).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 357).

Motie van het lid van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering te borgen dat abortuszorg in Nederland beschikbaar blijft voor vrouwen uit het buitenland die in Nederland op een veilige manier de zwangerschap willen beëindigen.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 347).

Is staand beleid. De motie wordt uitgevoerd door de huidige praktijk voor te zetten.

Motie van de leden El Yassini en Regterschot; De Tweede Kamer verzoekt de regering om nog voor het kerstreces 2020 de uitwerking van de eerdere motie af te ronden en in samenwerking met Nederlandse gemeentes een plan van aanpak te maken zodat dak- en thuisloze lhbti-jongeren op een veilige opvanglocatie kunnen rekenen, zodat ze in ieder geval met de kerst niet buiten staan.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 342).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 357).

De motie van het lid Sjoerdsma; De Tweede Kamer verzoekt de regering alle elementen uit het regenboogstembusakkoord zo snel als mogelijk uit te voeren.

(Kamerstukken II 2017/18, 30420, nr. 275).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 357).

De motie van het lid Özütok c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering, inzichtelijk te maken hoe de kwaliteitseis «gender» in het integraal afwegingskader wordt toegepast en hoe dit leidt tot inzicht in gendereffecten, en de Kamer hierover te informeren bij de eerstvolgende Voortgangsrapportage Emancipatie.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 126).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 29 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 352).

Motie van het lid Bergkamp c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering voor 1 juni 2021 de aanbevelingen van de adviesgroep, zoals een streefcijferregeling, verder uit te werken zodat een volgend kabinet hier uitvoering aan kan geven.

(Kamerstukken II 2020/21, 35628, nr. 10).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 360).

Motie van de leden Van den Hul en Bergkamp; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in dat verbeterplan in te gaan op de volgende adviezen van Movisie, waaronder: •zorg voor voldoende veilige kleinschalige (crisis)opvangplekken voor lhbti-jongeren die ook toegankelijk zijn voor jongeren onder de 18 jaar, met een passend individueel begeleidingstraject; •verbind binnen de Regenboogsteden deze thematiek aan het lokale Regenboogprogramma en stem deze af met uitvoeringsorganisaties; •zorg voor bekendheid van de problematiek van dakloze lhbti-jongeren bij de relevante regionale hulpinstanties, bijvoorbeeld in de jeugdhulp en maatschappelijke opvang.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 351).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 357).

De motie van de leden Bergkamp en Yesilgöz-Zegerius; De Tweede Kamer verzoekt de regering zich bij een passende volgende gelegenheid in de EU uit te spreken over het naleven van het Coman-arrest in alle EU-lidstaten en daarover verslag te doen aan de Kamer.

(Kamerstukken II 2018/19, 30420, nr. 309).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 30420, nr. 337).

De motie van het lid Geluk-Poortvliet c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken hoe de structurele ondersteuning van amateurkunstverenigingen kan worden versterkt, en de Kamer daarover vóór de zomer van 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 96).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 396).

Motie van het lid Van Strien c.s.; De Tweede Kamer de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap om op korte termijn in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg (IPO), en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Veiligheidsregio’s om het belang te benadrukken dat er flexibel en ruimhartig omgegaan moet worden met de vergunningverlening voor culturele ondernemers, zodat door hen snel ingespeeld kan worden op nieuwe mogelijkheden die verdere stappen binnen het openingsplan bieden en de Kamer te informeren over de uitkomst van dit gesprek.

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 423).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 423).

De motie van de leden Laan-Geselschap en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering meer bekendheid te geven aan gerestaureerd erfgoed en de Pieter van Vollenhovenprijs te continueren.

(Kamerstukken II 2017/18, 32820, nr. 253).

Aan de motie is uitvoering gegeven met het instellingenbesluit van de Commissie herbestemming Monumenten van 30 november 2018 (Stcrt. 2018-67031).

De motie van de leden Ellemeet en Asscher; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken hoe het gesteld is met de toegankelijkheid van cultuurinstellingen en wat mogelijke belemmeringen zijn voor mensen met een beperking.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 94).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 6 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 391).

Motie van het lid Van den Berge c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met de taskforce culturele en creatieve sector, Platform Aanvang!, vertegenwoordigers van individuele makers, andere betrokken organisaties en instellingen die aanvullende steun ontvangen, om te komen tot maximale afspraken om ervoor te zorgen dat noodsteun ook bij individuele makers – inclusief zzp’ers en freelancers – terechtkomt.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 102).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 155).

De motie van het lid El Yassini c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of het initiatief van NNN in samenhang met de initiatieven die in Eindhoven bestaan en in ontwikkeling zijn, te verbinden is aan rijkssteun in het kader van het cultuurbeleid, en over de uitkomst daarvan de Kamer voor de begrotingsbehandeling dit najaar te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 355).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383).

De motie van het lid Dik-Faber; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij gemeenten aan te dringen op het betrekken van kerkinterieurs bij de op te stellen kerkenvisies; verzoekt de regering tevens een beperkt aanwijzingsprogramma op te stellen waarmee een aantal Rijksmonumentale kerkgebouwen in samenhang met hun interieur, aangewezen wordt tot interieurensembles, zoals de Erfgoedwet mogelijk maakt.

(Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 277).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

Motie van de leden Van den Hul en Belhaj; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te onderzoeken hoe de richtlijnen van de NOW kunnen worden aangepast zodat steun niet met de NOW wordt verrekend.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 136).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 155).

Motie van het lid Geluk-Poortvliet c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om binnen de cultuurbegroting ruimte te maken om Scapino Ballet op te nemen in de basisinfrastructuur 2021–2024 voor 1,764 miljoen euro per jaar (peil 2018) en hiervoor de ruimte binnen het aankoopfonds musea te gebruiken.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 360).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383).

De motie van de leden Ellemeet en Asscher; De Tweede Kamer verzoekt de Minister om een alomvattend onderzoek te doen naar de inkomenspositie van zzp’ers in de culturele en creatieve sector sinds de coronacrisis.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 356).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

Motie van het lid van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om eventuele onderuitputting in het tweede steunpakket met prioriteit in te zetten voor talentontwikkeling en cultuurparticipatie.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 101).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 155).

Motie van de leden Kwint en Ellemeet; De Tweede Kamer verzoekt de regering op weg naar de komende begroting in kaart te brengen of het aantal plekken voor jonge makers door het nieuwe kabinetsbeleid stijgt en niet afneemt, en hierin specifiek, maar niet alleen, de gevolgen van de budgetverschuiving van het Fonds Podiumkunsten naar de BIS en de beoordeling van instellingen als Frascati mee te nemen.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 360).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

De motie van het lid Asscher c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering te verkennen of het één dag per maand gratis openstellen van rijksmusea bijdraagt aan het bereiken van nieuwe bezoekers.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 101).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

Motie van het lid Hermans c.s.; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet met betrokken sectoren, veiligheidsregio’s en gemeenten gezamenlijk vormgeeft aan het testen op veilige toegang tot het sociale leven; verzoekt de regering om samen met genoemde partijen begin april een aantal pilots te starten, zodat voor een goede invoering van deze vorm van testen breed inzicht verzameld wordt; verzoekt de regering de Tweede Kamer binnen twee weken te informeren over welke pilots gestart zullen worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1066).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 6 april 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1178).

De motie van het lid Belhaj c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om binnen de OCW-begroting ruimte te maken voor financiële ondersteuning van Noorderslag voor een periode van vier jaar van circa 0,6 miljoen euro per jaar (peildatum 2018) en hiervoor de ruimte binnen het aankoopfonds musea te gebruiken.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 359).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383).

De motie van de leden Asscher en Belhaj; De Tweede Kamer verzoekt de regering erop toe te zien dat fair practice het uitgangspunt blijft.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 365).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383).

Motie van het lid Paternotte c.s.; 'De Tweede Kamer (overwegende dat de kunstcollecties onder auspiciën van de koninklijke familie en de door leden van de familie beheerde stichtingen in een periode van eeuwen zijn gegroeid, en doorgaans niet is geregistreerd of cultuurbezit uit hoofde van het ambt of op persoonlijke gronden is verworven) verzoekt de regering in overleg met de koninklijke familie en de Commissie Collectie Nederland te verkennen hoe dit in kaart gebracht kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 108).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 155).

De motie van de leden Ellemeet en Belhaj; De Tweede Kamer (constaterende dat het behoud en beheer de verantwoordelijkheid is van eigenaren en constaterende dat we zicht hebben op de staat van de rijkscollectie, maar niet op publieke collecties die daarbuiten vallen) verzoekt de regering de staat van deze publieke collecties, in samenspraak met hun eigenaren, te verkennen en de resultaten hiervan mee te nemen in de gesprekken met de stedelijke cultuurregio’s; verzoekt de regering tevens, de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 95).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

De motie van het lid El Yassini; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen wat de verhouding bij culturele en creatieve mbo-opleidingen is tussen de kans op een stageplaats en de kansen op de arbeidsmarkt, en de Kamer hierover voor 1 januari 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 343).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

De motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met organisaties als het Joods Cultureel Kwartier, het CIDI en de Stichting Antisemitisme Preventie te onderzoeken hoe scholen actief kunnen worden gestimuleerd en ondersteund om gebruik te maken van de mogelijkheden om leerlingen kennis te laten maken met de Joodse gemeenschap en haar geschiedenis.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 104).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020. (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

Motie van het lid Geluk-Poortvliet; De Tweede Kamer verzoekt de Minister het gesprek aan te gaan met beide partijen om ze te bewegen er met elkaar uit te komen en als terugvalmogelijkheid te verkennen om de subsidie van circa € 205.000 voor CODART voortaan via een andere instelling in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld het Rijksmuseum, te laten lopen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 104).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021. (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 155).

Motie van de leden Paternotte en Geluk-Poortvliet ; (constaterende dat de Raad voor Cultuur positief heeft geadviseerd over de aanvraag van Frascati en PLAN Brabant voor de BIS-periode 2021–2024) ; verzoekt de regering in gesprek te gaan met beide instellingen om te onderzoeken of het mogelijk is om een oplossing te vinden voor de stimulering van de groep jonge theatermakers, die specifiek door deze instellingen een kans krijgen om hun talenten te ontwikkelen, en de Kamer hierover voor de stemmingen over de cultuurbegroting te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 109).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 december 2020, (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 401).

Motie van de leden Paternotte en El Yassini ; De Tweede Kamer verzoekt de regering met voorstellen te komen hoe het aanschaffen van kunst van individuele kunstenaars aantrekkelijker wordt, en de Kamer daarover voor het meireces 2021 te rapporteren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 107).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 253).

Motie van het lid Van der Berg c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering de aanvullende tegemoetkoming evenementen te verlengen tot 3 september.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1364).

Deze motie is afgedaan met de brief ‘Nadere uitwerking aanvullende steun voor evenementen’ van 28 juli 2021 met Kamernummer 2021Z14028 van het ministerie van EZK.

De motie van het lid Lucas; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de voor- en nadelen van een aparte noodregeling voor onderwijsinstellingen in de Faillisementswet te onderzoeken, en de Kamer hierover te informeren voor Prinsjesdag 2016.

(Kamerstukken II 2015/16, 31524, nr. 281).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 33495, nr. 120).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer van mening dat het niet te verdedigen is dat er nog altijd een verschil in beloning bestaat tussen primair onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs enerzijds en voortgezet onderwijs anderzijds; spreekt uit de loonkloof te willen dichten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 164).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 204).

De motie van de leden Rog en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering de ondersteuning van aankomende pabostudenten te intensiveren door het zelfstudiemateriaal op de site «Goed voorbereid naar de pabo» te verrijken, zodat elke aankomende pabostudent zich zelfstandig kan voorbereiden op instroom in de pabo; verzoekt de regering tevens, om de stoomcursussen ter voorbereiding op de toelatingstoetsen voor de pabo open te stellen voor alle havo-afgestudeerden die naar de pabo willen en voor alle mbo-afgestudeerden die het keuzedeel «instroom pabo» niet hebben gevolgd.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 53).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

De motie van het lid Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering hbo-instellingen op te roepen het bedrijfsleven nauw te betrekken bij de vormgeving van het onderwijsprogramma van een Ad-opleiding met het oog op het kennen en kunnen van de student; in de door de Minister toegezegde monitor expliciet kwalitatief onderzoek te doen naar de betrokkenheid van het regionale bedrijfsleven bij de vormgeving van het onderwijs binnen de Ad-opleiding.

(Kamerstukken II 2016/17, 34678, nr. 16).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de Onderwijsraad om advies te vragen over hoe het hoger onderwijs inclusiever kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 227).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de leeftijdsgrens van het levenlanglerenkrediet gelijk mee op te laten lopen met de verhoging van de AOW-leeftijd.

(Kamerstukken II 2016/17, 34550 VIII, nr. 23).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

Motie van de leden Van der Molen en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat de instellingen maatwerk toe kunnen passen in de toelating en indien nodig desbetreffende wet- en regelgeving daarvoor aan te passen; verzoekt de regering tevens, om de Kamer voor de beantwoording over het wetsvoorstel Variawet hoger onderwijs hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 57).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 30 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 57).

Motie van het lid Rudmer Heerema; De Tweede Kamer (constaterende dat de Kamer op 10 oktober 2019 heeft gevraagd om een deel van de toelatingseisen voor de pabo te versoepelen, zodat ook zeer gemotiveerde aankomende studenten een kans maken; constaterende dat niet elke pabo-instelling zich aan deze regels houdt) verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de toelatingseisen voor alle pabo-instellingen gelijk zijn zodat elke gemotiveerde student de kans krijgt om docent te worden in het primair onderwijs; verzoekt de regering om ook elders verworven competenties en bewezen werk- en denkniveau meegewogen te laten worden in de toelating voor de pabo, en de Kamer te informeren over de uitwerking hiervan.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 115).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 16 december 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 387). en met de brief van 12 oktober 2020 (Kamerstukken 2020/21, 27923, nr. 412).

De motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de opdracht mee te nemen dat het onderzoek redelijke normen moet opleveren voor de staf-studentratio in verschillende opleidingsdomeinen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 806).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 maart 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 903).

De motie van de leden Bruins en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te verkennen of en hoe, naast het stimuleren van de regionale overlegstructuur, een landelijke overlegstructuur kan worden ingericht tussen het hoger beroepsonderwijs en het georganiseerde bedrijfsleven waar niet-vrijblijvende afspraken gemaakt worden over de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt, naar voorbeeld van of middels aansluiting bij de overlegtafels van SBB.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 831).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 896).

Motie van de leden Paternotte en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de betrokkenheid van de medezeggenschap bij deze keuze te bevestigen richting de hogescholen en universiteiten; verzoekt de regering tevens, te inventariseren welke instellingen onderwijsactiviteiten in de avond en het weekend hebben georganiseerd, en de Kamer voor de volgende begrotingsbehandeling daarover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 852).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

Motie van de leden Paternotte en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering naast maximale inzet om studievertraging te voorkomen, de Kamer te informeren over onvermijdelijke vertraging en waar nodig studenten te ondersteunen die hierdoor in de problemen komen en specifiek te bezien of de ov-jaarkaart opnieuw verlengd moet worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 71).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

Motie Van der Molen c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in het kader van Prinsjesdag 2020 opnieuw de mogelijkheid te verkennen dat studenten die al aanspraak konden maken op een voucher geen voucher ontvangen, maar dat in plaats daarvan vijf jaar na afstuderen hun schuld verminderd wordt met € 1.835 en er, indien oud-studenten geen schuld van € 1.835 hebben, wordt overgegaan tot contante uitbetaling.

(Kamerstukken II 2019/20, 24724, nr. 172).

Aan de motie is geen uitvoering gegeven omdat deze onuitvoerbaar is. Dit heeft de minister van OCW tijdens de begrotingsbehandeling 2020 met de Tweede Kamer gecommuniceerd. De motie wordt daarmee als «afgedaan» beschouwd.

De motie van de leden Paternotte en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering een voorstel te doen om studenten en docenten in opleidingscommissies te laten meebeslissen over de invulling van de studiekeuzecheck.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 823).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

Motie van het lid Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering onderwijsinstellingen te vragen rekening te houden met studenten die op een van de weekenddagen om religieuze reden een rustdag eerbiedigen, zodat onderwijsinstellingen coulant omgaan met een eventuele aanwezigheidsplicht.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 867).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de Minister in gesprek met onderwijsinstellingen te garanderen dat opleidingen altijd alternatieve toetsvormen beschikbaar stellen en het bestaan hiervan breed onder de aandacht brengen bij studenten.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 423).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

Motie van de leden Futselaar en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende dat de politieke verhoudingen omtrent het leenstelsel zijn verschoven; van mening dat het fundamenteel oneerlijk zou zijn indien een specifieke generatie studenten als enige is uitgesloten van de voordelen van een vorm van beurs), te onderzoeken wat de technische en financiële mogelijkheden zijn voor compensatie, hiervoor een aantal scenario’s te ontwikkelen en deze uiterlijk in april 2021 naar de Kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 65).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 april 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 66).

De motie van de Paternotte en Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regeringom het Nibud versneld advies te vragen over de wegingsfactor van studieleningen bij hypotheken waarbij de aannames rond de rentestanden worden heroverwogen en – wanneer dit advies er aanleiding toe geeft – de huidige wegingsfactor voor studieschulden op een verantwoorde manier te verlagen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 87).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32847, nr. 676).

De motie van het lid Bruins c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering zo snel mogelijk in kaart te brengen in welke mate laagdrempelige psychische hulpverlening aanwezig is in alle mbo-, hbo en wo-instellingen, en op basis daarvan een actieplan te ontwikkelen om best practices te delen en een landelijk dekkend aanbod van laagdrem-pelige psychische hulpverlening op mbo-, hbo- en wo-instellingen te realiseren.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 75).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

De motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in het onderzoek naar de toereikendheid van het macrobudget de student-docentratio per discipline in kaart te brengen; verzoekt de regering tevens, te onderzoeken hoe een daling in deze ratio binnen een nieuwe bekostigingssystematiek kan worden voorkomen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 754).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 903).

De motie van de leden Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering bekostigde hogescholen en universiteiten aan te sporen om, binnen de voorwaarden die daar voor gelden, samenwerking met bedrijfsscholen op te zoeken, zowel binnen als buiten het experiment leeruitkomsten en om bedrijfsscholen aan te sporen samenwerking op te zoeken met private instellingen die opleidingen in het hoger onderwijs verzorgen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van het STAP-budget en de Kamer hierover voor de zomer van 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 830).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 896).

   

Motie van de leden Van der Molen en Paternotte; De Tweede Kamer (overwegende dat de doorstroomnorm kan helpen door studenten die onvoldoende studievoortgang bereikt hebben met goede begeleiding en duidelijke afspraken voor het tweede jaar, extra tijd te geven om te kijken of ze toch op de goede plek zitten) verzoekt de regering om de interesse onder instellingen te peilen om hieraan mee te doen, te inventariseren wat hiervoor nodig is, en de Kamer voor 1 juli 2021 hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 56).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van het lid Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een landelijke website op te (laten) zetten – met audiodescriptie en in begrijpelijk taal omwille van de toegankelijkheid – met alle informatie over waar deze studenten allemaal recht op hebben en welke voorzieningen er allemaal voor hen beschikbaar zijn.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 426).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van de leden Wiersma en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de Minister, van Onderwijs in samenwerking met de Minister van Economische Zaken en Klimaat beleid te formuleren waarbij met name op grond van macrodoelmatigheid en ons toekomstig verdienvermogen regie wordt gevoerd op een gewenste instroom van buitenlandse studenten en onderzoekers, waaronder sturingsinstrumenten voor instroom.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 83).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 893).

Motie van het lid Wiersma en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering om mogelijk te maken dat instellingen binnen de huidige goedgekeurde kwaliteitsafspraken schuiven binnen de kwaliteits-middelen, om zo op instellingsniveau meer financiële ruimte mogelijk te maken om de kwaliteit van onlineonderwijs te verbeteren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 44).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

Motie van de leden Van der Molen en Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering in lijn met het rapport Kennis in het vizier te komen tot nieuwe afwegingskaders, heldere procedures en duidelijke afspraken om maatschappelijk verantwoord vorm te geven aan kennisontwikkeling die raakt aan defensie en veiligheid; verzoekt de regering tevens, te onderzoeken of China dient te worden toegevoegd aan de lijst met landen waar de taskforce toezicht studenten en onderzoekers risicolanden zich over buigt.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 858).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 27 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 894).

De motie van de leden Tielen en van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering hogescholen en universiteiten met bèta- en technische opleidingen te stimuleren om gezamenlijk op te trekken jegens scholieren om hen te helpen de best bij hun capaciteiten passende studiekeuze te maken.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 771).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 april 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32637, nr. 448).

Motievan het lid Bouali c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering zich in te zetten om in bilateraal of EU-verband met het VK te bekijken op welke wijze, in navolging van het Erasmusprogramma, de uitwisseling van studenten aan beide zijden van het Kanaal kan worden bestendigd.

(Kamerstukken II 2020/21, 35393, nr. 27).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 21501-34, nr. 351).

De motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om op korte termijn bij instellingen binnen het mbo, hbo en wo erop aan te dringen om te komen tot een risico-inventarisatie rond de cyberveiligheid met zo nodig het borgen van een systeemtest, en de Kamer voor het voorjaarsreces 2020 over de respons te informeren; verzoekt de regering tevens, om onderwijsinstellingen en studentenorganisaties tot afspraken te laten komen met betrekking tot veiligheidsstandaarden, en hierover de Kamer voor de zomer van 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 113).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 872).

De motie van de leden Wiersma en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering het onderdeel talent als standaardonderdeel mee te nemen in handelsmissies, waar mogelijk speciale talentmissies op te zetten waarin op basis van wederkerigheid afspraken worden gemaakt over uitwisseling, samenwerking bedrijfsleven, diploma-erkenning, borging van veiligheid, en de Kamer over deze strategie én de uitwerking ervan te informeren in het voorjaar.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 35).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 893).

De motie van de leden Van der Molen en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in de beleidsdoorlichting 2020 in kaart te brengen wat het totaalbedrag aan studieschuld is, het niet-inbare gedeelte daarvan en de prognoses voor de komende jaren.

(Kamerstukken II 218/19, 35007, nr. 19).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31511, nr. 43).

Motie van het lid Futselaar; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met de onderwijsinstellingen in het najaar met een inventarisatie van de totale studievertraging te komen en indien nodig met een voorstel te komen voor eventuele vervolgstappen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 861).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

De motie van de leden El Yassini en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de Minister van OCW om in gesprek te gaan met onderwijsinstellingen over hoe zij hun verantwoordelijkheden vormgeven om studenten met een beperking in het mbo en hoger onderwijs te begeleiden, zodat de studenten gereed zijn om de arbeidsmarkt te betreden, en de Kamer hierover voor het einde van 2019 te informeren.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 424).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

De motie van de leden Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering de onderwijsinstellingen te laten borgen, daar waar een inspanningsverplichting onvoldoende wordt gepleegd, een plan van aanpak op te stellen om de Engelse taalvaardigheid van docenten te verhogen, en de Kamer hier voor de zomer van 2020 over te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 65).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 30 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 886).

De motie van het lid Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de algemene maatregel van bestuur waarin het niveau van het Nederlands uitgewerkt wordt uiterlijk 1 juni 2020 naar de Kamer wordt gestuurd.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 43).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 15 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 897).

De motie van de leden Bruins en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering kabinet, om niet te wachten op de uitkomsten van de commissie Onderwijsbevoegdheden met het doorvoeren van een aantal maatregelen die de lerarenopleidingen flexibeler maken en daarmee aantrekkelijker voor studenten en zijinstromers, zonder aan kwaliteit in te boeten.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 402).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

Motie Klaver c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering zo spoedig mogelijk ook het hbo- en wo-onderwijs weer de ruimte te geven voor anderhalvemeteronderwijs, waarbij het

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1006).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1006).

streven is dat iedere student een dagdeel per week naar de onderwijsinstelling kan.

  

De motie van de leden Paternotte en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering een actieplan te ontwikkelen om de stay rate van internationale studenten in Nederland na afstuderen te verhogen, en hierover de Kamer voor het tweede kwartaal van 2020 te rapporteren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 30).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 893).

De motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Neso’s te evalueren, en deze evaluatie tevens mee te nemen in de uitvoering van de aanstaande internationale kennisstrategie.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 64).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 11 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 876).

Motie van de leden Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met de VSNU en de VH en samen met universiteiten en hogescholen ondernemerschaps-vaardigheden mee te nemen in het in de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek genoemde leertraject brede vaardigheden en het mbo hierbij te betrekken, en de Kamer hierover in de voortgangsrapportage over de strategische agenda te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 43).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

De motie van het lid Özdil; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een grootschalig kwantitatief onderzoek te verrichten om de problematiek onder studenten van hogescholen en universiteiten in kaart te brengen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 716).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

Motie van de leden Kerstens en Van den Hul; De Tweede Kamer (constaterende dat het studentenwelzijn heeft te lijden onder de coronacrisis en de daaruit voortvloeiende maatregelen, die grote impact hebben op studenten; overwegende dat de capaciteit van studiebegeleiding en psychologische ondersteuning onder druk staan) verzoekt de regering om in overleg met instellingen en studentenorganisaties te onderzoeken wat instellingen nodig hebben om daarin te voorzien.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 121).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

De motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om alternatieve instrumenten te onderzoeken die de kansenongelijkheid niet aanwakkeren, zoals een loting, en de uitkomsten van dit onderzoek niet alleen met de Kamer maar ook met instellingen te delen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 42).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de samenhang tussen het bindend studieadvies en de (bekostiging van) switch te onderzoeken.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 759).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om het bindend studieadvies te vervangen door een advies dat enkel adviserend is.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 48).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

De motie van de leden Kuik en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te verkennen hoe de WEB en de WHW aangepast kunnen worden zodat studenten met een functiebeperking, een chronische ziekte of een mantelzorgtaak via de OER geïnformeerd moeten worden over aangepaste mogelijkheden voor zowel het onderwijsprogramma, de examens als het ondersteuningsaanbod.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 425).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

Motie van het lid Bruins c.s.; De Tweede Kamer roept de regering op, om studenten die op het mbo en h.o. in de avond praktijklessen moeten volgen uit te zonderen van de regels omtrent de avondklok.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 173).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 20 april 2021 (Kamerstukken II 2020/2021, 25295, nr. 1135).

Motie van de leden Jetten en Segers; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek met het hoger onderwijs te gaan over maatregelen die veilig fysiek onderwijs mogelijk kunnen maken en te bezien of hiermee ook het hoger onderwijs zo snel als mogelijk gedeeltelijk geopend kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1004).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 8 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1032).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de inspectie studentenwelzijn mee te nemen in de Staat van het Onderwijs.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 429).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

De motie van de leden van Hul en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering, overwegende dat voor studenten met een beperking bij de overgang van middelbare school naar vervolgopleiding veel kennis en maatwerk verloren gaat;

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 427).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

met een voorstel te komen hoe de warme overdracht kan worden bevorderd vanuit vooropleidingen, met inachtneming van de privacy van deze studenten.

  

Motie van het lid Futselaar; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de Vereniging Hogescholen en de VSNU om online proctoring af te schalen en erop toe te zien dat online proctoring echt alleen gebruikt kan worden als er geen enkele alternatieve toetsingsvorm mogelijk is, conform de aanbevelingen van de Autoriteit Persoonsgegevens.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 115).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

De motie van de leden Van der Molen en Futselaar; De Tweede Kamer verzoekt de regering voor de zomer van 2020 definitieve duidelijkheid over de uitkomsten van Beter Benutten te schetsen.

(Kamerstukken II 2019/20, 25268, nr. 179).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31511, nr. 39).

De motie van het lid Futselaar; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met de Vereniging Hogescholen en de VSNU in gesprek te gaan om afspraken te maken om het actief werven van internationale studenten te beperken.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 38).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 898).

De motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om voor de zomer te komen tot een plan van aanpak voor een leerbanenoffensief in het hbo, met daarin concrete ambities aan te bieden duale-opleidingen, alsmede ook lange termijn doelen, en verzoekt zo ook te komen tot een overlegtafel tussen het hoger onderwijs en het georganiseerde landelijke bedrijfsleven.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 828).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 896).

De motie van de leden Van Meenen en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering verzoekt de regering, zo snel mogelijk na afronding van de pilot ombuds-persoon en voor het herfstreces een voorstel over de vormgeving van een ombudspersoon bij hogescholen en universiteiten naar de Kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 114).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 240).

De motie van de leden Tielen en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering onderzoek te doen naar de hoofdoorzaken van switch en uitval in de verschillende onderwijsdomeinen, hoeveel switch en uitval jaarlijks kosten en wat verhoging van het studiesucces oplevert en de Kamer hierover in het voorjaar van 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 770).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

Motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het reeds aangekondigde gesprek met onder-wijsinstellingen over het bindend studieadvies te verbreden naar een gesprek over adequate sturingsinstrumenten voor onderwijsinstellingen op toelating en selectie voor en tijdens de opleiding.

(Kamerstukken II 2020/21, 35582, nr. 15).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

Motie van het lid Pouw-Verweij; De Tweede Kamer roept het kabinet op, om te onderzoeken of er coronaproof studieplekken kunnen worden gecreëerd waar studenten kunnen studeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1154).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 23 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1063).

Motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in de uitwerking van de plannen rondom de brede ontwikkeling van studenten, hun sociale en persoonlijke ontwikkeling en hun mentaal welbevinden, actief de samenwerking te zoeken met studie- en studentenverenigingen, verzoekt de regering eveneens om samen met studie- en studentenverenigingen scenario’s uit te werken om bij eventuele gedeeltelijke opening van het hoger onderwijs ook te kijken naar op welke manier activiteiten van studie- en studentenverenigingen weer mogelijk zijn.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 193).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 493).

De motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met de stuurgroep Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT binnen het lopende plan van aanpak expliciete doelen te stellen voor het beschikbaar stellen van colleges en open onlinecursussen; verzoekt de regering tevens, om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om reeds beschikbare onlinecursussen open te stellen voor iedere Nederlander, en de uitkomsten hiervan met de Kamer te delen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 817).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

De motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met de VSNU en Vereniging Hogescholen teneinde een goede overdracht tussen onderwijsinstellingen voor studenten met een functiebeperking te faciliteren en bestaande belemmeringen weg te nemen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 431).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

Motie van de leden Kuik en Van Meenen ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met de instellingen in gesprek te gaan hoe actief het sociale aspect van de opleiding gefaciliteerd kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 117).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 493).

Motie van het lid Veldman c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg te treden met het Veiligheidsberaad om te bezien of studentenverenigingen op dezelfde manier als studie- en sportverenigingen veilig de kans kunnen krijgen om informatieve wervings- en introductieactiviteiten te organiseren, mits uiteraard binnen de gestelde maatregelen en met goedkeuring van hogeronderwijsinstellingen, veiligheidsregio en gemeente.

(Kamerstukken II 2019/20, 25295, nr. 490).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 augustus 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 25295, nr. 504).

De motie van de leden Wiersma en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, om tevens, samen met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, te komen tot een zowel offensieve als concurrerende internationale talentstrategie voor het Nederlandse hoger onderwijs, waarin ook de verbetering van de procedures, de blijfkans, de faciliteiten rond onderwijs en huisvesting alsook concrete economische perspectieven aan bod komen, en de Kamer hierover te informeren in het voorjaar van 2020.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 34).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 893).

De motie van het lid Özütok; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij instellingen en vertegenwoordigers aan te dringen op maatregelen die zowel de bekendheid als de vindbaarheid van de vertrouwenspersonen op onderwijsinstellingen verhogen, en de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 111).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 240).

De motie van de leden Özütok en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering met instellingen en vertegenwoordigers in gesprek te gaan over versterking van de onafhankelijkheid van vertrouwenspersonen, en de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 110).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 240).

De motie van het lid Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering parallel aan de verkenning naar informele scholing, te bezien of en hoe de Inspectie van het Onderwijs een toezichthoudende rol kan krijgen op die elementen van het onderwijs die worden georganiseerd door bedrijven.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 71).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29614, nr. 157).

De motie van de leden Westerveld c.s; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat, conform de initiatiefwet-Bisschop c.s., de onderwijsinspectie toezicht houdt op de wettelijke deugdelijkheidseisen en een stimulerende rol heeft ten aanzien van eigen aspecten van kwaliteit van de besturen en scholen zelf; overwegende dat in de inspectiekaders een onderscheid wordt gemaakt tussen deze rollen, maar dat dit niet altijd gebeurt in de rapportages; overwegende dat onder meer voorkomen moet worden dat anderen dan de beroepsgroep zelf het pedagogisch-didactisch handelen van de leraar gaan beoordelen) ook in de rapportages duidelijk onderscheid te maken tussen de twee rollen van de onderwijsinspectie.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 142).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 2 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 209).

Motie van het lid Futselaar c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de verdere uitwerking van het nationaal plan specifiek ruimte vrij te maken voor thuiszitters.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 202).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 21 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 220).

Motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te treden met het onderwijs om te benadrukken dat tolken altijd toegang moeten krijgen tot het onderwijs en te verzekeren dat doven en slechthorenden niet benadeeld worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 163).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Klaver c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het onderwijs te ondersteunen in het realiseren van meer brede brugklassen en late selectie; verzoekt de regering, tevens om met het onderwijsveld en gemeenten een landelijk plan van aanpak op te stellen om kansenongelijkheid tegen te gaan.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 880).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

Motie van het lid van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering de samenwerkingsverbanden op te dragen maximale coulance toe te passen bij de herindicatie van toelaatbaarheids-verklaringen voor komend schooljaar, waardoor scholen niet verplicht zijn de aanvraagprocedure te doorlopen en zelf een inschatting kunnen maken over de toelatingsprocedures voor het schooljaar 2020–2021.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 111).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

Motie van het lid Van den Hul c.s. ; De Tweede Kamer (constaterende dat het lerarentekort in het speciaal onderwijs nog nijpender vormen aanneemt dan in andere onderwijssectoren en daardoor bijvoorbeeld leerlingen op een school voor voortgezet speciaal onderwijs in Groningen nu al tien weken niet meer dan vier dagen in de week les krijgen en er in Amsterdam halverwege dit schooljaar nog zeker 30 vacatures zijn op de 27 scholen voor speciaal onderwijs) verzoekt de regering, om in kaart te brengen om hoeveel scholen dit gaat en verzoekt de Minister, om in gesprek te gaan met sociale partners om juist voor het onderwijs aan deze kwetsbare leerlingen een oplossing te zoeken.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 290).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 20 februari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 355).

Motie van het lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met de actiegroep Van VSO naar GVO, vakbonden en werkgevers in gesprek te gaan en afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, contracten en een betere beloning van leerkrachten.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 560).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

De motie van de leden Rudmer Heerema en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de evaluatie passend onderwijs in kaart te brengen hoe effectief samenwerkingsverbanden opereren, welke verschillen er tussen samenwerkingsverbanden zijn, onder meer wat betreft aanbod en organisatievorm, en hoe de vereveningsopgave eruitziet ten opzichte van de reserveposities; verzoekt de regering tevens, om daarbij op basis van de evaluatieonderzoeken en de ervaringen met samenwerkingsverbanden te onderzoeken welke verschillende organisatiemogelijkheden er zijn om passend onderwijs zo goed mogelijk vorm te kunnen geven.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 314).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De motie van de leden Rudmer Heerema en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering samenwerkingsverbanden en scholen op te roepen per direct te stoppen met het vragen van een (verplichte) eigen bijdrage aan ouders van hoogbegaafde kinderen, tevens aan samenwerkingsver-banden en scholen aan te geven welke middelen beschikbaar zijn voor de ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen en dat zij moeten voorzien in de ondersteuning van deze leerlingen, en de resultaten hiervan met de Kamer voor het komende voorjaarsreces te delen.

(Kamerstukken II 201/20, 31497, nr. 339).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van de leden Jetten en Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering met het onderwijs tot een plan en afspraken te komen om de ontstane achterstanden en ongelijkheid ongedaan te maken; verzoekt de regering, de kosten en baten van ongewijzigd beleid en van dit plan in beeld te brengen, de besteding van de al beschikbaar gestelde middelen daarbij te betrekken, en bij de voorjaarsbesluitvorming afspraken te maken over eventuele aanvullende financiering.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 879).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

Motie lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer (constaterende dat de Minister de samenwerkingsverbanden de tijd wil geven om bovenmatige reserve af te bouwen en hierop pas wil handhaven vanaf 2024, over het boekjaar 2023) verzoekt de regering, om vanaf 2022 al te handhaven, over het boekjaar 2021, zodat dit geld komend jaar wordt uitgegeven waarvoor het bedoeld is, namelijk passend onderwijs voor kinderen, betere ondersteuning van leraren en het verkleinen van het aantal thuiszittende kinderen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 49).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om vso-leerlingen de garantie te geven dat zij hun huidige opleiding mogen afmaken, ook als zij ouder zijn dan 18 of 20 jaar.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 170).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 24 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 209).

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een specifiek plan te maken in overleg met ouderorganisaties om ook thuiszitters mee te nemen in het Nationaal Plan Onderwijs, bijvoorbeeld door het nog beter inzetten van afstandsonderwijs voor deze groep, zoals ook voorgesteld in de verbeterplannen passend onderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 191).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 21 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 220).

Motie van het lid Van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onderzoek te doen naar hoeveel leerlingen de entreeopleiding via het praktijkonderwijs willen volgen, maar dit vanwege financiële redenen niet doen, en tevens te onderzoeken op welke manier het geregeld kan worden dat deze leerlingen ook een ov-kaart krijgen en hoeveel dit zou kosten.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 448).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 24 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 474).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of een vertegenwoordiging van ouders met kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte standaard meegenomen kan worden in de kwaliteitsbeoordeling van de onderwijsinspectie.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 343).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 573).

De motie van het lid kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering de huidige wettelijke belemmeringen en inperkingen voor het oprichten van scholen voor speciaal onderwijs weg te nemen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 86).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van de leden Van Meenen en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering nog dit jaar afspraken te maken met de samenwerkingsverbanden over het zo snel mogelijk inzetten van reserves

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr.326).

Aan de motie is uitvoering gegeven per brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat goed onderwijs jongeren voorbereidt op hun verdere leven; overwegende dat er vooral in de gesloten jeugdzorg geen passend onderwijsaanbod is) te regelen dat ook jongeren die verblijven in een jeugdzorginstelling onderwijs krijgen dat bij hen past.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 XVI, nr. 81).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 21 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 393).

De motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in het afwegingskader dat samen met cliëntenorganisaties wordt ontwikkeld op te nemen dat een beschikking om een kind met een handicap naar het regulier onderwijs te laten gaan voor een langere tijd afgegeven kan worden dat voor een half jaar.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 357).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 573).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenspraak met de sector te bezien hoe het toezicht op het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs beter kan aansluiten bij de praktijk op de scholen.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 224).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

Motie van het lid Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt kabinet, om, samen met het onderwijsveld en andere betrokken organisaties, te komen met een definitie van de doelgroep van passend onderwijs, de te behalen doelen en de langetermijnontwikkeling, en daaropvolgend te starten met de ontwikkeling van een monitor om te zien of de besteding van de middelen doeltreffend en efficiënt is; verzoekt het kabinet tevens de Kamer daarover te informeren voor 1 april aanstaande, zodat dit kan worden meegenomen in de kabinetsformatie.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 388).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 395).

Motie van het lid Van der Staaij; De Tweede Kamer verzoekt de regering als uitgangspunt te hanteren dat de scholen voor speciaal onderwijs open zijn, tenzij scholen zelf redenen zien om hiervan met het oog op het personeel of de leerlingen af te wijken.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 929).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief 21 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de leeftijdsgrenzen te versoepelen zodat alle leerlingen in het vso en pro tenminste een jaar langer mogen blijven ongeacht hun leeftijd.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 190).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 24 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 209).

Motie van het lid van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de reserves van de samenwerkingsverbanden per direct terug te vorderen en deze in overleg met de Kamer opnieuw ten behoeve van de ondersteuning van kinderen en hun leraren te bestemmen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 67).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 573).

De motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om passende financiële of andere sancties in te stellen voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden die eigen bijdrages vragen omdat kinderen hoogbegaafd zijn; verzoekt de regering tevens, nogmaals alle schoolbesturen en samenwerkingsverbanden nadrukkelijk te informeren dat het verboden is om eigen bijdrages te vragen voor het passend onderwijs aan hoogbegaafde kinderen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 41).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om initiatieven als Samen naar School-klassen officieel te erkennen als onderwijsprogramma’s, zodat ouders niet langer een leerplichtontheffing moeten aanvragen en Samen naar School-klassen onderdeel kunnen uitmaken van een samenwerkingsverband en zodoende ook deels door onderwijsgeld bekostigd kunnen worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 348).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in kaart te brengen of sociaaleconomische factoren en het opleidingsniveau van de ouders een rol spelen in de mate waarin een kind ondersteuning krijgt.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 347).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

De motie van de leden Van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering bindende afspraken te maken met alle betrokken partijen over het terugdringen van het aantal thuiszittende leerlingen inclusief jaarlijks te behalen doelen, en de Kamer daarover voor de zomer te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 351).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 134).

De motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met ouderorganisaties, samenwerkingsverbanden en leraren te komen tot een formulering van een landelijke norm voor basisondersteuning per schoollocatie en deze gelijk met de evaluatie passend onderwijs voor te leggen aan de Kamer.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 328).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering een sanctiebeleid op te stellen voor scholen die, ondanks de aangenomen moties, nog steeds een eigen bijdrage vragen aan ouders van hoogbegaafde kinderen, en deze met de Kamer te delen voor het voorjaarsreces van 2020.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 341).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De Tweede Kamer verzoekt de regering de lesuitval en de geschatte effecten op de kansenongelijkheid te monitoren, en de Kamer hierover te informeren voor het einde van het kalenderjaar.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 225).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 december (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 566).

De motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering de huidige thuiszittersproblematiek regionaal in kaart te brengen en te categoriseren naar redenen van thuiszitten en ondersteuningsvraag; verzoekt de regering tevens ervoor zorg te dragen dat in samenspraak met betrokken partijen alle dossiers van thuiszitters opnieuw bekeken worden, met als doel het in gezamenlijkheid vinden van een passende plek in ons onderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 350).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 24 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 134).

Motie van het lid Ploumen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een nationaal plan onderwijs op te stellen waarin in ieder geval leerachterstanden zo veel mogelijk worden voorkomen en ingehaald, de ventilatie in scholen op orde wordt gebracht, crisisbanen worden ingezet om leraren te ontlasten, ouders meer worden ondersteund bij het geven van thuisonderwijs door middel van corona-verlof en de voorbereidingen worden getroffen om scholen wanneer veilig te heropenen mede door de inzet van sneltesten, en de Kamer hier zo spoedig mogelijk over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 884).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII nr. 185 ).

De Tweede Kamer verzoekt de regering de belangenvertegenwoordiging van de leerlingen van het vso te ondersteunen en deze een plek te geven aan alle relevante tafels.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 217).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 573)

De motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met het onderwijsveld en uitvoeringsorganisaties over hoe de professional centraal wordt gesteld, zodat bij de aanvraag voor extra ondersteuning een verklaring van de docent of schoolleider waar mogelijk voldoende is.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 294).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De motie van de leden Beertema en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering verzoekt de regering met een actieplan te komen om nog voor het einde van de regeerperiode het aantal thuiszitters in ieder geval ten minste te halveren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 346).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 134).

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de Minister, de Kamer te informeren met welk concreet voorstel hij gaat komen om dit soort Veilig Thuismeldingen bij geschillen over passend onderwijs te voorkomen, met daarbij een tijdsplan qua implementatie.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 383).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 576).

De motie van de leden Meenen en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering tegelijk met de evaluatie van de Wpo ook een inventarisatie van de behoefte aan speciaal onderwijs op de BES-eilanden te maken, en deze aan de Kamer te doen toekomen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 145).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 208).

De motie van het lid Van den Hul c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om erop toe te zien dat kinderen met een speciale zorgbehoefte zo veel als redelijkerwijs mogelijk een onderwijsaanbod kunnen krijgen binnen redelijke afstand van huis.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 325).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

Motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen in hoeverre een regio-overstijgende specialistische school zoals het Hoenderloo College een bijdrage kan leveren aan het wegwerken van deze wachtlijsten; verzoekt de regering tevens, in overleg met de gemeente Apeldoorn en diverse aanbieders van speciaal onderwijs ervoor zorg te dragen dat de speciale functie van het huidige Hoenderloo College bewaard blijft in de vorm van een school voor speciaal onderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 114).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een brede coalitie op te bouwen in ieder geval bestaande uit leraren, schoolleiders, ouders, leerlingen, besturen, gemeenten, kinderopvang en (jeugd)zorg om tot inclusief en goed onderwijs voor ieder kind te komen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 327).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de twee keer 20 miljoen euro in te zetten om kinderen te helpen die nu thuiszitten, bijvoorbeeld door hen van middelen en begeleiding te voorzien.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 47).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 134).

De motie van de leden Rudmer Heerema en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met de desbetreffende samenwerkingsverbanden, scholen, ouders en eventuele andere betrokkenen te werken aan een passend onderwijsaanbod specifiek voor hoogbegaafde kinderen dat aansluit op de behoefte van deze kinderen, en hierover de Kamer voor de zomer van 2020 en daarna periodiek te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 340).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van de leden Westerveld en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen wat de kosten van samenwerkingsverbanden zijn.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 318).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De Tweede Kamer verzoekt de regering om, in samenwerking met gemeentes, leerlingen met leerachterstanden te identificeren en te onderzoeken hoe deze kwetsbare jongeren kwalitatief onderwijs (in kleine groepen) op locatie kunnen blijven volgen om leerachterstanden weg te werken en eventuele verdere leerachterstanden te voorkomen, rekening houdend met de coronamaatregelen.

(Kamerstukken II 2021/21, 25295, nr. 861).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat de regering het voornemen heeft om in twee regio’s pilots op te zetten en daarmee ruimte te bieden om de collectieve financiering van zorg in onderwijs in de praktijk vorm te geven), elke regio die verzoekt om een pilot en de daarbij horende regelruimte die gelegenheid te geven, en de mogelijkheid daartoe actief bekend te maken.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 353).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 juni 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 361).

Motie van de leden Tielen en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering opnieuw in gesprek te gaan met gemeenten en gezamenlijk de overbodige bureaucratie uit de plannen tegen laaggeletterdheid te snijden, en de Kamer voor het einde van dit kalenderjaar hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 28760, nr. 104).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Kwint en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om er zorg voor te dragen dat docenten en studenten via de medezeggenschap betrokken worden bij het besluit van colleges van bestuur bij het schrappen of samenvoegen van opleidingen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 453).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Westerveld en Özdil; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met studentenorganisaties en de MBO Raad een handreiking op te stellen voor de deelnemersraden en ondernemingsraden over hoe zij om kunnen gaan met de verschillende opties voor medezeggenschap bij samenwerkingscolleges.

(Kamerstukken II 2017/18, 34691, nr. 11).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Kuik en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in kaart te brengen wat er, zowel financieel als juridisch, nodig is om meesteropleidingen te introduceren in het bekostigde onderwijsstelsel, dit met branches en de MBO Raad te bespreken en voor de zomer van 2020 aan de Kamer voor te leggen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 57).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 478).

Motie van de leden Kuiken en Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in kaart te brengen welke knelpunten er zijn en welke oplossingen er gevonden kunnen worden voor het volgen van keuzedelen bij een andere instelling, en de Kamer hier voor het zomerreces over te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 452).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 2 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 495).

De motie van het lid Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering om weerbaarheidslessen als het gaat om drugs en ondermijning onderdeel te laten zijn van de strategie om het ronselen van jongeren te voorkomen.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 116).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 30 juni 2020 (Kamerstukken II 2019/2020, 29240, nr. 120).

De motie van het lid Smals c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenwerking met de MBO Raad beleid te ontwikkelen om ouderbetrokkenheid te stimuleren om zo voortijdig schoolverlaten te verminderen, en de Kamer voor de zomer van 2020 daarover te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 26695, nr. 129).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1019).

De motie van de leden Kwint en Özdil; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met enkele gemeenten en MBO's een proef vorm te geven om studenten na het behalen van een entreeopleiding of mbo niveau 2-opleiding nog twee jaar te laten begeleiden bij hun start op de arbeidsmarkt en hierover in de jaarlijkse brief over voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie voorjaar 2018 over te rapporteren.

(Kamerstukken II 2017/18, 34775 VIII, nr. 120).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 133).

De motie van de leden Van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met Dedicon hun taak uit te breiden en toestemming te geven om de bestemmingsreserve aan te wenden voor de benodigde middelen.

(Kamerstukken II 2018/19, 34638, nr. 5).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 389).

De motie van de leden Özdil en Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering om instellingen te stimuleren om ongebruikte onderwijsbenodigdheden van studenten terug te nemen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 409).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/2021, 31524, nr. 498).

De motie van de leden El Yassini en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om scholen te verplichten lesmaterialen of boeken die niet ter ondersteuning van de les zijn gebruikt, terug te kopen van studenten.

(Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 413).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 Kamerstukken II 2020/2021, 31524, nr. 498).

De motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering op korte termijn in gesprek te gaan met onderwijs-instellingen en werkgeversorganisaties en hen op te roepen meer passende stageplekken te creëren voor mbo-studenten en daarover de Kamer te informeren voor de zomer van 2020.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 450).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, nr. 1009).

De motie van de leden Wiersma en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een onderzoek te doen naar meerwaarde van internationalisering bij specifiek mbo-instellingen in grensregio’s, met daarin specifiek meegenomen hoe we meer Duitse mbo-studenten kunnen stimuleren om te studeren in Nederland en andersom, en hierover de Tweede Kamer te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 36).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

Motie van het lid Bruins c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de subsidie voor het Meld- en expertisepunt specialistisch vakmanschap te continueren voor de jaren 2021 en 2022 met € 200.000 per jaar en de dekking hiervoor te zoeken op artikel 4 van de begroting (middelbaar beroepsonderwijs).

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 77).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 30012, nr. 135).

Mptie van het lid Van der Molen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de MBO Card in stand te houden en deze middelen niet toe te voegen aan de koepelregeling cultuureducatie.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 88).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen wat de aard is van deze extra activiteiten en wat de gevolgen zouden zijn van het afschaffen van de vrijwillige bijdrage in het mbo, en de Kamer hier in het voorjaar van 2020 over te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 452).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 498).

De motie van het lid Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de evaluatie van het «servicedocument schoolkosten» expliciet de aanbeveling van de JOB mee te nemen in hoeverre het mogelijk is om mbo-studenten de mogelijkheid te bieden om per onderwijsperiode materialen aan te schaffen in plaats van voor het gehele jaar.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 198)

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/2021, 31524, nr. 498).

De motie van de leden Paternotte en Tielen; De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met Codam te onderzoeken op welke wijze jongeren in het eerste deel van het Codamonderwijsprogramma een volwaardige startkwalificatie kunnen behalen, en met Codam, werkgevers en de VNG een alternatieve tegemoetkoming in het levensonderhoud voor jongeren te verkennen.

(Kamerstukken II 2019/20, 32637, nr. 398).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 20 augustus 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 32637, nr. 425).

Motie van het lid Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering voor de begrotingsbehandeling 2021 de Kamer te informeren over de bestuurlijke afspraken met de gemeenten waarbij expliciet wordt gemaakt hoe de middelen voor laaggeletterdheid ingezet worden en hoe daarbij met name de NT1-groep bereikt kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 103).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

Motie van de leden Van den Hul en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te waarborgen dat mbo-instellingen deze mbo-studenten ook tijdens de stages ten minste basisondersteuning bieden.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 374).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 389).

De motie van de leden Kuik en Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering om voor de zomer van 2020 het wetsvoorstel verlengde kwalificatieplicht naar de Kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2019/20, 26695, nr. 128).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2020 (Kamerstukken

De motie van het lid El Yassini; De Tweede Kamer verzoekt de regering proactief in samenwerking met gemeenten dit knelpunt (de verschillen in de indeling van de RMC- en arbeidsmarktregio’s) op te lossen en de regio’s zodanig op elkaar af te stemmen dat gemeenten een integraal beleid kunnen voeren.

(Kamerstukken II 2017/18, 34812, nr. 10).

Aan de motie in uitvoering gegeven met de regeling van 2 april 2020 over voortijdig schoolverlaten (Stcrt-2020-20218).

De motie van de leden Van den Hul en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering het Rijkstraineeshipprogramma te herzien en daarbij in kaart te brengen wat er nodig zou zijn om deze middels een uitbreiding ook toegankelijk te maken voor studenten in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 448).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Kuik en Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een strategie «kansopleidingen» op te stellen waarin geschetst wordt wat er nodig is om opleidingen aantrekkelijker te maken; verzoekt de regering tevens, om deze strategie voor de zomer van 2020 naar de Kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 454).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Amhaouch en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in kaart te brengen welke drempels bedrijven ervaren wanneer zij een bijdrage willen leveren aan het techniekonderwijs, en hoe deze kunnen worden weggenomen.

(Kamerstukken II 2019/20, 32637, nr. 392).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 27 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32637, nr. 438).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering met scholen, politie en het Openbaar Ministerie in gesprek te gaan om het doen van aangifte zo laagdrempelig mogelijk te maken; verzoekt de regering, te bewerkstelligen dat bij door SBB geconstateerde discriminatie het slachtoffer maximaal wordt ondersteund zodat – wanneer het slachtoffer dit wil – er door het slachtoffer aangifte wordt gedaan en een klacht wordt ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 205).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Van Meenen en Jasper van Dijk; De Tweede Kamer constaterende dat, anders dan in het primair- en voortgezet onderwijs, er geen instemmingsrecht is van de medezeggenschap op fusies in het middelbaar beroepsonderwijs; verzoekt de regering, een voorstel uit te werken voor een wettelijk instemmingsrecht op fusies voor medezeggenschapsraden in het mbo.

(Kamerstukken II 2013/14, 31288, nr. 380).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van het lid Straus c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om:1.in overleg te treden met de ambassade van Duitsland om te kijken hoe het belang van het beheersen van de Duitse taal in Nederland beter onder de aandacht kan worden gebracht;2.het «Mach mit!»-programma bij scholen onder de aandacht te brengen en op die manier studenten te enthousiasmeren voor het vak Duits.

(Kamerstukken II 2013/14, 31524, nr. 203).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

Motie van de leden Klaver en Jetten; De Tweede Kamer verzoekt de regering om voor het eind van januari sneltestlocaties op te zetten op mbo-, hbo-, en wo-instellingen die dit willen, met als doel het frequent testen van studenten en docenten, wat meer ruimte kan bieden voor regulier onderwijs en het fysiek doorgang vinden van de tentamenweken.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 781).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief t van 23 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 995).

Motie van de leden Futselaar en Van den Berge; Tweede Kamer verzoekt de regering , in gesprek te gaan met JOB, MBO Raad en SBB om ervoor zorg te dragen dat de kosten voor de aanvraag van een vog niet voor de rekening van de mbo-student komen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 453).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 498).

De motie van de leden Berge en Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering SBB in samenwerking met mbo-studenten een app te laten ontwikkelen waar studenten op laagdrempelige wijze melding kunnen doen van (vermoede) stagediscriminatie en deze app te koppelen aan het meldpunt bij SBB, zodat een goed beeld kan ontstaan van aard en omvang van stagediscriminatie bij mbo-studenten.

(Kamerstukken II 2019/20, 35252, nr. 15).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 2 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 477).

De motie van het lid Van den Berge; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met JOB, SBB en MBO Raad te komen tot kaders voor een keuzedeel waarbinnen zeggenschap een specifiek aandachtsgebied is.

(Kamerstukken II 2019/20, 35252, nr. 16).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

De motie van de leden Renkema en Hijnk; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met MBO Raad, Samenwerkings-organisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en mbo-studenten in gesprek te gaan over de vraag hoe het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) beter onder de aandacht van mbo-studenten gebracht kan worden; verzoekt de regering tevens of de klachten over zorgstages betrokken kunnen worden bij vernieuwing van de accreditatie en de Tweede Kamer hierover voor de zomer te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 29282, nr. 404).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29282, nr. 420).

Motie van de leden Jetten en Dijkhoff; De Tweede Kamer verzoekt de regering om een garantiefonds voor grote evenementen en festivals in te richten dat erop gericht is onverzekerbare risico’s af te dekken, en dit besluit te nemen voor 1 februari 2021.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 878).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 19 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/2021, 35420, nr. 309).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met de publieke omroep te komen tot een afspraak waarin artiesten gewoon fatsoenlijk betaald worden voor hun diensten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 132).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32827, nr. 214).

Motie van het lid Van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering erop toe te zien dat rechthebbenden worden betrokken in de gesprekken op basis van het bibliothekenconvenant, zodat concrete afspraken gemaakt kunnen worden over het afdragen van leenrechtvergoedingen bij uitleningen vanuit de Bibliotheek op school, met als doel dat rechthebbenden ten minste vanaf 1 januari 2021 vergoedingen zullen ontvangen.

(Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 61).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer constaterende dat mbo-studenten lang niet altijd dezelfde korting op hun studiemateriaal kunnen ontvangen als studenten in het hoger en wetenschappelijk onderwijs; overwegende dat dit oneerlijk is,

(Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 65).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 april 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 66).

verzoekt de regering de knelpunten die dit veroorzaken in kaart te brengen en met aanbieders van studiemateriaal in gesprek te gaan om dit te verbeteren.

  

Motie van het lid Yesilgöz-Zegerius c.s., De Tweede Kamer verzoekt de regering uiterlijk begin februari 2021, onder andere samen met PersVeilig en nieuwsorganisaties/uitgeverijen te onderzoeken hoe freelancejournalisten (financieel) ondersteund kunnen worden bij het nemen van benodigde voorzorgsmaatregelen en/of beveiligingsmaatregelen na bedreiging, bijvoorbeeld door het samen met betrokken partijen realiseren van een voorziening in beheer van PersVeilig en hieraan een relevante bijdrage te leveren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VI, nr. 34).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 31 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VI, nr. 104).

Motie van het lid Ellemeet c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verschillende betrokken organisaties de opdracht te geven om tot één gezamenlijk programma leesbevordering te komen waarin ook aansluiting is met Cultuureducatie met kwaliteit.

(Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 310).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 13 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 105).

Motie van de leden El Yassini en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering tevens ervoor zorg te dragen dat de btw-verlaging op digitale publicaties ook daadwerkelijk tot een prijsverlaging van publicaties leidt door in gesprek te gaan met uitgevers, ze duidelijk te maken dat de btw-verlaging is bedoeld voor de consument en hierbij het middel naming-and-shaming niet te schuwen; verzoekt de regering tevens, om de eventuele financiële ruimte die binnen de begrotingen van bibliotheken zou ontstaan door de prijsdalingen, in te zetten voor de verhoging van het aanbod van content jeugd binnen e-books voor de openbare bibliotheek naar 75%.

(Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 60).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 5 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 407).

Motie Jasper van Dijk; De Tweede Kamer verzoekt de regering sponsoring van en sluikreclame in op kinderen gerichte video’s op videoplatforms aan banden te leggen met bijvoorbeeld sancties.

(Kamerstukken II 2019/20, 32827, nr. 188).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 20 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35361, nr. 25).

Motie van de leden Kwint en El Yassini ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met spoed in gesprek te gaan met de betrokken branches, zoals die zich verenigd hebben in de campagne Bewaar je ticket, om zo spoedig mogelijk in kaart te brengen wat nut, noodzaak en geschatte kosten van een zogenaamde voucherbank, zoals ook ingericht voor de reisbranche, zouden kunnen zijn.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 105).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 184).

Motie El Yassini; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te inventariseren hoe vaak online-influencers reclame maken voor onvrije landen zonder dat dit inzichtelijk wordt gemaakt voor hun volgers, en hierover de Kamer te rapporteren.

(Kamerstukken II 2019/20, 32827, nr. 190).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 20 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35361, nr. 25).

Motie van het lid Geluk-Poortvliet ; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat er nodig is om de toekomst van de bladmuziekcollectie van de Stichting Omroep Muziek en de toegang daartoe veilig te stellen, en de Kamer daarover voor 1 februari 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 103).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32827, nr. 214).

Motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering via het Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep of anderszins ervoor zorg te dragen dat niemand die voor de publieke omroep werkt, of dit nu in dienstverband of in opdracht is, meer geld betaald krijgt voor zijn werkzaamheden voor de publieke omroep dan de WNT-norm.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 130).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32827, nr. 214).

Motie van het lid Van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering de bestaande uitzondering in artikel 45d, tweede lid, Auteurswet op een proportionele en billijke vergoeding voor video on demand weg te nemen, zodat de verplichte collectieve uitoefening van de vergoedingsaanspraak voor filmmakers en -acteurs mogelijk wordt als filmproducenten toestemming hebben gegeven aan aanbieders van video on demand-diensten voor het beschikbaar stellen voor het publiek van hun filmwerken via die diensten

(Kamerstukken II 2020/21, 35454, nr. 9).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 19 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35554, nr. 28).

Motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering met journalisten, fotografen, vakbonden en andere betrokkenen te bespreken hoe minimum tarieven in de journalistieke sector zo spoedig mogelijk overeen kunnen worden gekomen en de Kamer voor de zomer van 2020 over de uitkomsten te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300VIII, nr. 133).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 19 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35554, nr. 28).

Motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de beïnvloeding de derde geldstroom op wetenschappelijk onderzoek én een historisch overzicht betreffende de omvang van de derde geldstroom op te stellen, en vervolgens de resultaten van dit onderzoek voor 1 januari 2021 met de Kamer te delen.

(Kamerstukken II 201/20, 31288, nr. 805).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 16 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 891).

Motie van het lid Rog c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om diversiteit van de onderzoeksgroep niet mee te laten wegen als kwaliteitsaspect bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen, uitgezonderd programma’s die expliciet gericht zijn op specifieke doelgroepen.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 235).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van het lid Wiersman c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om binnen het Nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie geen cijfers c.q. barometer bij te houden met betrekking tot de etnische of migratieachtergrond van studenten en medewerkers; verzoekt de regering, eveneens het adviestraject aan het Rathenau Instituut met betrekking tot het verzamelen van dit soort data te staken.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 230).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering af te zien van beleidsinzet op het stimuleren van diversiteitsofficieren in het hoger onderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 233).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering zo spoedig mogelijk met relevante stakeholders in gesprek te gaan over de vraag hoe de aanbeveling van de commissie-Weckhuysen te implementeren, om te zorgen voor een betere balans tussen middelen voor ongebonden onderzoek en strategisch onderzoek bij NWO, en de uitkomsten van dit overleg met de Kamer te delen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 866).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

Motie van de leden Van den Berge en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de kenniscoalitie om te onderzoeken hoe in de toekomst aan de 3%-norm voldaan kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 51).

Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 14 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 889).

Motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Kamer te informeren over welke maatregelen zij overweegt als de streefcijfers niet worden gehaald en daarbij ook de Westerdijk Talentimpuls te betrekken.

(Kamerstukken II 2018/19, 29338, nr. 196).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 1 september 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 29338, nr. 220).

Motie van het lid Van den Hul c.s.; De Tweede Kamer (constaterende dat er een gat van circa €82 miljoen euro is om de vertraging van onderzoekers te dekken, hetgeen betekent dat een derde van hen geen steun ontvangt;) verzoekt de regering te onderzoeken hoe zij dit gat kan dichten zonder dit ten koste te laten gaan van de onderwijskwaliteit door bezuinigingen van instellingen of contracten die niet verlengd worden waardoor kostbaar onderzoek verloren gaat.

(Kamerstukken II 2020/21, 35750 VIII, nr. 195).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 21 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35740, nr. 2).

Motie Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering in haar toezichtkader te borgen dat de toegankelijkheid en de kwaliteit en het aanbod van het onderwijs niet mogen afhangen van het wel of niet afstaan van het intellectueel eigendom, en de Kamer voor de zomer 2020 te informeren op welke manier de regering dit gaat vormgeven; verzoekt de regering tevens, in overleg met de VSNU en DutchSE de eenduidige richtlijn al per september 2020 te borgen en daarnaast te overleggen op welke wijze studentondernemers onafhankelijk juridisch advies kan worden geboden over de beste manier waarop zij met hun eigendomsrecht kunnen omgaan, en hierover de Kamer in september 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 842).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 23 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 877).

Motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering actief en expliciet te toetsen en te waarborgen dat de inzet op diversiteit geen afbreuk doet aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 234).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van de leden Paternotte en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met NWO te onderzoeken of het tweejaarlijks uitzetten van de aanvraagronde voor onderzoek door consortia in de NWA bijdraagt aan de verbetering van de honoreringspercentages.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 66).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 25 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 249).

De motie van het lid Vos; De Tweede Kamer verzoekt de regering om vast te houden aan de brede opvatting van valorisatie;

(Kamerstukken II 2016/17, 34550 VIII, nr. 122).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 247).

verzoekt de regering tevens om te monitoren hoe valorisatie wordt uitgelegd bij het toekennen van NWO-subsidies, en de Kamer daarover jaarlijks te informeren.

  

Motie van de leden Wiersma en El Yassini; De Tweede Kamer(constaterende dat het oprichten van een nationaal kenniscentrum voor diversiteit onderdeel is van het Nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek) verzoekt de regering, om de invulling, uitrol en instelling van een dergelijk kenniscentrum op te schorten; verzoekt de regering, eveneens om over de vervolgstappen binnen het proces van het nationaal actieplan eerst de Kamer vooraf te informeren, alvorens er volgende stappen worden gezet.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 238).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van de leden Westerveld en Paternotte; De Tweede Kamer, (van mening dat de alfa-, gamma- en medische wetenschappen een weergaloze bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving;) verzoekt de regering in de verkenning van het aangekondigde investeringsfonds deze wetenschapsgebieden expliciet mee te nemen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 85).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35300, nr. 83).

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met de sector de wenselijkheid en de mogelijkheid te onderzoeken van een herverdeling van de over te hevelen sectormiddelen voor bèta/techniek richting algemene universiteiten.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 757).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 september 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 784).

Motie van de leden Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering de VSNU te vragen om bij de uitvoering van haar valorisatieagenda met relevante partijen een eenduidige richtlijn op te stellen voor studenten die met intellectueel eigendom van hen of de universiteit een bedrijf willen starten, waarin het uitgangspunt moet zijn «maximale slagingskans van het op te starten bedrijf»; verzoekt de regering tevens, te rapporteren hoe de middelen voor kennisbenutting ondernemerschap door de gehonoreerde consortia van de NWA ingezet worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 43).

Aan de motie is uitvoering geven met de brief van 25 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 249).

De motie van het lid De Groot; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in gesprek te gaan met medische tijdschriften met als doel om de transitie naar proefdiervrije innovatie te bevorderen en drempels voor de publicatie op basis van alternatieve methodes weg te nemen, door meer transparantie te genereren over de keuze voor de methodiek (met of zonder dierproeven) en de onderliggende data.

(Kamerstukken II 2018/19, 32336, nr. 102).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32336, nr. 108).

Motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering de problematiek van het lerarentekort in de praktijk in kaart te brengen door landelijk te gaan registreren.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 192).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brieven van 16 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 387). en 14 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 418).

Motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om inzichtelijk te maken hoeveel geld schoolbesturen nu uitgeven aan personeel dat niet in loondienst is en dit uit te splitsen naar personeel en bestuurders zoals interim--managers.

(Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 324).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

Motie van de leden Van Meenen en Van Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering in te zetten op stimulering van brede brugklassen, dubbele schooladviezen en latere selectie, zodat we alle kinderen de kans bieden terecht te komen op het juiste niveau.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 559).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 576).

Motie Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat het kabinet ondanks een aangenomen motie nog altijd niet de actuele omvang van het lerarentekort registreert;) nu eindelijk het actuele tekort, en de manier waarop scholen dit oplossen, op een website te registreren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 165).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 14 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 418).

Motie Marijnissen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in nauw overleg met de onderwijssector, gedurende de schoolsluiting veilige alternatieven te ontwikkelen waardoor kinderen weer naar school kunnen op een manier die veilig is voor leerling en docent, en hierin mogelijkheden mee te nemen zoals sneltesten, 1,5 meter afstand, een mondkapjesplicht wanneer leerlingen niet op hun stoel zitten en bijvoorbeeld halve klassen in het lokaal terwijl de andere helft thuis de les volgt.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 882).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Van der Staaij; De Tweede Kamer verzoekt de regering om, voor het geval dat gehele heropening op 25 januari niet verantwoord zou zijn, scenario’s voor te bereiden zodat gekozen kan worden voor in ieder geval gedeeltelijke heropening, dan wel opening met aanvullende maatregelen om de veiligheid op school te waarborgen.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 889).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van de leden Kwint en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de mogelijkheden te verkennen om de klassen op de scholen met de 10% meeste achterstandsleerlingen te verkleinen tot 23 leerlingen per klas, en de Kamer hierover voor de Tweede Kamerverkiezingen te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 62).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 27923 nr. 416).

Motie van de leden Van den Hul en Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering nog voor 12 februari een uitwerking van de aanbevelingen van de aanjager aanpak lerarentekort naar de Kamer te zenden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 161).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 april (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 417).

Motie van de leden Asscher en Pieter Heerma; De Tweede Kamer overwegende dat onderzoek uitwijst dat de leerachterstand van veel kinderen in gezinnen met laagopgeleide ouders fors is toegenomen; verzoekt de regering de Kamer zo snel mogelijk een concreet voorstel te zenden hoe deze kinderen begeleid kunnen worden en onderwijsachterstand kan worden voorkomen.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 699).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

Motie van het lid Rudmer Heerema c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om conform de subsidieregeling voor dans- en muziekopleiding in het voortgezet onderwijs, een subsidieregeling in te stellen voor leerlingen in de basisschoolleeftijd, zodat zij een tegemoetkoming in de reiskosten kunnen ontvangen, en dit te dekken uit artikel I «overige subsidies».

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 538).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 569).

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering met voorstellen te komen om scholen te ondersteunen bij een effectieve inzet van onderwijsassistenten.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 375).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 14 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 418).

Motie van de leden Van der Graaf en Dik-Faber; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de uitwerking van de steunmaatregelen voor de cultuursector en in samenwerking met de provincie Fryslân te borgen dat conform de afspraken uit de Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer en de motie-Dik-Faber c.s. aan de zorgplicht voor de Friese taal en cultuur wordt voldaan.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VII, nr. 79).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van de leden Paternotte en Van den Berge; De Tweede Kamer verzoekt de regering, te onderzoeken of de basisscholen van asielzoekers-centra een vast zomerprogramma aan asielkinderen kunnen bieden tijdens zomervakanties.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 XV, nr. 16).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 19 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 577).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de Minister, in overleg met de onderwijsinspectie te komen tot een uitvoerbaar en hanteerbaar toetsingskader voor de deugdelijkheid van onderwijskundige concepten, en de Kamer hierover voor de volgende begrotingsbehandeling te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35102, nr. 17).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 183).

Motie van het lid Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering voorrang te verlenen aan vitale sectoren ook in de verdeling van de sneltestcapaciteit.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 73).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de sneltesten, zodra ze gevalideerd zijn, onmiddellijk effectief en verantwoord in te zetten op scholen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 558).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

De motie van het lid Kuzu; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in het primair onderwijs een doel te stellen om te komen tot een evenwichtige man-vrouwverhouding bij leerkrachten en de Kamer daarover in het voorjaar van 2020 te informeren, tezamen met voorstellen hoe deze doelen bereikt gaan worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 89).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 3 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 30420, nr. 337).

Motie van het lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met het COA te zorgen voor een stabiele wifiverbinding en voldoende devices, zodat ook vluchtelingenkinderen onderwijs kunnen volgen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 171).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering om mee te helpen het sponsorconvenant aan te scherpen met als doel kindermarketing buiten de deur te houden en actief toe te zien op de naleving, niet alleen bij scholen maar ook bij de aanbieders van de lespakketten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 80).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

Motie van het lid Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het sponsorconvenant uit te breiden met een verbod op sponsoring uit onvrije landen of instanties uit onvrije landen en bij de definitie van ‘onvrij land’ aan te sluiten bij bijvoorbeeld het rapport ‘Freedom in the World’ van de Amerikaanse organisatie ‘Freedom House’, waarbij het gaat om landen die onze kernwaarden of vrijheden afwijzen, zoals godsdienstvrijheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 230).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 576).

Motie van de leden Van den Hul en Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de presentatie van de plannen in februari reeds een schets te geven van de (structurele) financiering van de plannen en de Kamer hiervan op de hoogte te houden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 160).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

Motie van de leden Bruins en Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om met ‘Studenten helpen Scholieren’, VSNU, VH, de universitaire lerarenopleidingen en de Pabo’s tot een plan te komen om studenten die naast hun studie in het onderwijs willen werken te bereiken en te begeleiden, ondersteunen en/of helpen naar een (bij)baan in het basis- en voortgezet onderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 197).

Aan de motie is uitvoering gegeven per brief van 14 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 418).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de middelen voor onderwijs en voor ondersteuning en zorg in onderwijs te ontschotten.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 352).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 18 juni 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 361).

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat in de nieuwe opzet van de prestatiebox middelen alleen kunnen worden besteed aan het doel waarvoor zij zijn bestemd behoudens middelen die bestemd zijn voor vrije besteding zoals de werkdrukmiddelen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 536).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 549).

De motie van het lid Van der Molen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, te onderzoeken of een dergelijk project als Sterk in je werk ook kan worden opgezet voor het onderwijs, en de Kamer daarover voor de zomer te berichten.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 403).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van de leden Asscher en Klaver; De Tweede Kamer verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de ventilatiesystemen van alle scholen worden gecontroleerd en dat waar nodig in overleg met de GGD aanvullende maatregelen worden genomen.

(Kamerstukken II 2019/20, 25295, nr. 473).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 augustus 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 552).

Motie van het lid Van den Hul; De Tweede Kamer (constaterende dat er nog steeds signalen zijn van leraren die worden gedwongen fysiek aanwezig te zijn op school ondanks het feit dat zijzelf of iemand in hun huishouden in de risicogroep valt voor het coronavirus; overwegende dat problemen rondom gedwongen fysieke aanwezigheid op schoolniveau moeten worden opgelost, maar idealiter zich überhaupt nooit zouden voordoen) verzoekt de regering hierover in overleg te treden met werkgevers- en werknemersorganisaties en hun te verzoeken gedwongen fysieke aanwezigheid van leraren te voorkomen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 562).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer, overwegende dat er scholen zijn die de toelating van kinderen afhankelijk maken van een verklaring waarin de ouders moeten tekenen dat ze homoseksualiteit afwijzen; verzoekt het Kabinet een eind te maken aan dit soort verklaringen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 33 ).

Aan de motie is uitvoering gegeven de brief van 18 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 572).

Motie van het lid Bruins c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de Kamer voor 1 maart aanstaande te informeren over de opzet van het nationaal programma onderwijs na corona en de ondersteuning en financiering waarop scholen voor de langere termijn kunnen rekenen, en bij uitwerking te borgen dat schoolteams de ruimte krijgen om op schoolniveau te bepalen welke interventies en maatregelen het beste werken voor hun leerlingen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 158).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met scholen en aanbieders van afstandsonderwijs te kijken wat nodig is om ieder kind dat tijdelijk niet naar school kan toch kosteloos afstandsonderwijs te laten volgen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 226).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27020, nr. 118).

Motie van de leden Kwint en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met de vijf grote steden om in kaart te brengen in hoeveel van de noodplannen docenten in het basisonderwijs wel extra geld krijgen, maar die in het vso niet en samen met deze gemeenten deze omissie te verhelpen.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 113).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer (constaterende dat de Minister ruimte biedt aan scholen met een lerarentekort in de G5 om maximaal 22 uur in de maand onbevoegden in te zetten; constaterende dat deze maximaal 22 uur per maand als onderwijstijd wordt gezien; constaterende dat de eis dat deze onbevoegden een onderwijsopleiding volgen, wordt losgelaten; overwegende dat dit het beroep van leraar devalueert door les gegeven door onbevoegden ook onderwijs te noemen) verzoekt de regering om deze maximaal 22 uur niet als onderwijs te zien.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 112).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van de leden Van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering een adequaat sanctiebeleid op te stellen om deze besturen alsnog te dwingen tot deelname aan de regionale samenwerking ter bestrijding van het lerarentekort.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 380).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 16 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 387).

Motie van de leden Kwint en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in het onderzoek naar de toereikendheid van de onderwijsfinanciering ook de mogelijke effecten van een minimumper-centage van de lumpsum dat in het primair en voortgezet onderwijs aan onderwijzend personeel en ondersteuning wordt uitgegeven in kaart te brengen.

(Kamerstukken II 2018/19, 31293, nr. 437).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 548).

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering zo spoedig mogelijk de uitkomsten van de inventarisatie over de luchtkwaliteit op scholen te delen met alle gemeenten, en hen nogmaals te wijzen op de beschikbare subsidie van 30% door het Rijk en er zowel bij gemeenten als bij schoolbesturen op aan te dringen de noodzakelijke verbeteringen van de ventilatie op scholen onverwijld door te voeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 563).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 21 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 579).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering voor- en nadelen in kaart te brengen van verschillende schaalgrootten in het onderwijs en hierbij rekening te houden met de menselijke maat, goed bestuur en regionale factoren.

(Kamerstukken II 2018/19, 35104, nr. 16).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 1 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 565).

Motie van de leden Van Meenen en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het deel van de prestatieboxmiddelen dat niet is aangewend voor de daartoe bestemde doelen in overleg met werknemers en werkgevers in te zetten voor het bestrijden van het lerarentekort, bijvoorbeeld door het verder verhogen van de salarissen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 537).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 549).

Motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering in een aangepaste versie van de coronakaart of anderszins inzicht te verschaffen in onder welke omstandigheden het sluiten van de scholen of andere onderwijsmaatregelen overwogen zullen worden; verzoekt de regering, tevens duidelijkheid te verschaffen over de rol die GGD’s hebben bij het besluit om scholen al dan niet te sluiten.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 561).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van de leden Kwint en Van Meenen; De Tweede Kamer (constaterende dat het door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gegunde Data Protection Impact Assessment – voor intimi ook wel: DPIA – oftewel gegevensbeschermingseffectbeoordeling, zich enkel richt op Google en niet op toepassingen die in het onderwijs gebruikt kunnen worden) verzoekt de regering op korte termijn zo’n DPIA uit te voeren op alle internationale technologiebedrijven, toegespitst op toepassingen die in het Nederlandse onderwijs gebruikt worden, en de Kamer hier periodiek over te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 32034, nr. 34).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 1 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 32034, nr. 39).

Motie van de leden Van Meenen en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer en inhoudelijk experts met urgentie een concrete uitwerking van de gemeenschappelijke kern voor scholen te ontwikkelen, inclusief tijdpad, waarbij het verbeteren van de burgerschapsopdracht centraal staat, en de Kamer hierover voor maart 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352 nr. 22).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier de medezeggenschap meer te zeggen krijgt over de selectieprocedure van toezichthouders.

(Kamerstukken II 2018/19, 30079, nr. 95).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 maart 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35240, nr. 4).

Motie van de leden Rudmer Heerema en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering te borgen dat ook buitenlandse initiatiefnemers die in Nederland een nieuwe school of een nieuwe dependance willen openen, vooraf worden getoetst op hun plan hoe zij het burgerschapsonderwijs willen vormgeven.

(Kamerstukken II 2019/20, 35050, nr. 32).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Van Meenen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering deelcertificaatkandidaten in vso en vavo minimaal 2 jaar toegang te geven tot de duimregeling.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 187).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 208).

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, om meer samenwerking tussen het speciaal onderwijs en het regulier onderwijs te stimuleren en daartoe knelpunten weg te halen, zodat meer hybride vormen van samenwerking kunnen ontstaan tussen speciaal en regulier onderwijs, zoals klassen voor kinderen uit het speciaal onderwijs binnen het reguliere onderwijs, en de Kamer hierover voor 1 april 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 386).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 576).

Motie van het lid Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering de eindtermen voor het bètacurriculum op het vmbo met prioriteit op te pakken.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 534).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 585).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een onderzoek te doen naar het direct bekostigen van scholen in het basis- en voortgezet onderwijs en coöperatieve vormen van samenwerking, waarbij wordt betrokken hoe dit kan bijdragen aan een versterkte positie van schoolleiders en een betere verantwoording over het onderwijsgeld, en de Kamer hierover voor het eind van 2018 te informeren.

(Kamerstukken II 2017/18, 34950 VIII, nr. 10).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering te bevorderen dat deze leerlingen blijvend kunnen beschikken over het aan hen ter beschikking gestelde device en de bijbehorende internetaansluiting.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 169).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of goede voorbeelden uit andere sectoren, zoals het puntenstelsel, ook ingevoerd kunnen worden in het onderwijs.

(Kamerstukken II 2018/19, 30079, nr. 96).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 548).

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om duidelijk naar de vervoerssector te communi-ceren dat leerlingen in het leerlingenvervoer vanaf 1 juli geen mondkapje meer hoeven te dragen en dus niet geweigerd kunnen worden; verzoekt de regering tevens, er ook op toe te zien dat er voldoende beschermingsmiddelen en -materialen zijn voor bestuurders en begeleiders in het leerlingenvervoer.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 193).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van het ministerie van VWS (2020D37666) van 28 september 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 210).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg met docenten, lokale bestuurders, scholen en ouders te komen tot een aanvullend, samenhangend plan met concrete maatregelen die tot doel hebben om dit soort intimidatie tegen te gaan, moeilijke onderwerpen bespreekbaar te houden en de veiligheid van docenten zo veel als mogelijk te garanderen.

(Kamerstukken II 2020/21, 29754, nr. 577).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII nr. 152).

Gewijzigde motie van de leden Van Meenen en Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overeenstemming met de vakbonden, LBVSO en andere belanghebbenden te komen tot aangepaste examens, waarbij onder andere wordt gekeken naar het bieden van extra herkansingen en het toepassen van maatwerk per leerling bij het al dan niet afleggen van mondelinge examens en presentaties, en hier voor het verkiezingsreces de Kamer over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 179).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 februari 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 442).

Motie van de leden Bruins en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het onderwijs structureel te faciliteren in het professionaliseren, opleiden en ondersteunen van leraren binnen het domein burgerschapsonderwijs, en de profielorganisaties daarbij te betrekken; verzoekt de regering tevens om in dit kader het bestaande aanbod extra onder de aandacht te brengen bij leraren en in overleg met het onder-wijsveld te bezien of dit aanbod afdoende is, zodat leraren optimaal ondersteund worden om omstreden onderwerpen te blijven behandelen in de klas.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 19).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 152).

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de inspectie in het funderend onderwijs meer onaangekondigde bezoeken te laten afleggen.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 226).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering geïndiceerde toptalenten op reguliere scholen meer ondersteuning te bieden door de faciliteiten behorende bij de beleidsregel LOOT open te stellen voor die reguliere scholen waar individuele geïndiceerde topsporttalenten onder toezicht van de stichting LOOT samen met de betreffende bereidwillige school een contract kunnen afsluiten, waardoor zowel school als topsporttalent samen werken aan een zo optimaal mogelijke ondersteuning in de combinatie onderwijs en topsport. Verzoekt tevens de stichting LOOT te vragen om als expertisecentrum op te treden voor die scholen waar individuele geïndiceerde topsporttalenten een contract mee afsluiten.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 82).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van de leden Jetten en Asscher; De Tweede Kamer verzoekt de regering het kabinet, begin januari te beoordelen of het basisonderwijs en kinderopvang eerder dan 18 januari weer fysiek opengesteld kunnen worden, bijvoorbeeld maandag 11 januari.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 809).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

De motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering na oplevering van de definitieve cijfers te laten onderzoeken of het mogelijk te veel aan de kwartiermaker betaalde salaris bij de kwartiermaker teruggevorderd kan worden.

(Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 364).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Van Brenk; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met het voortgezet onderwijs om scholen en docenten te ondersteunen bij gevoelige onderwerpen.

(Kamerstukken II 2020/21, 29754, nr. 568).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 152).

De motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om alles in het werk te stellen en elke mogelijkheid te verkennen om de zorgelijke situatie op het Cornelius Haga Lyceum te beëindigen en tot die tijd de school intensief te volgen.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 129).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 29614, nr. 156).

De motie van het lid Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering alsnog de mentor of vertrouwenspersoon bij het mondeling examen in het voortgezet speciaal onderwijs toe te staan om examenvragen te herhalen en/of een verhelderende opmerking te maken, waarbij de examinator als deskundige de integriteit van het examen bewaakt.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 456).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om aan het begin van het nieuwe schooljaar in kaart te brengen hoeveel schoolbesturen niet zelf kunnen voorzien in devices verzoekt de regering tevens, om bij de volgende Schoolkostenmonitor te onderzoeken hoe veel ouders bijdragen aan ICT-benodigdheden en devices, waar het verschil tussen kosten gerapporteerd door ouders en scholen vandaan komt, en hierbij specifiek in te gaan op de situatie van leerlingen in het VSO en thuiszitters.

(Kamerstukken II 2019/20, 32034, nr. 37).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27020, nr. 118).

De motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering met voortvarendheid onderzoek te laten verrichten naar de reikwijdte en een wettelijke uitwerking van het toezicht op de openbare orde in het onderwijs, zowel voor bekostigde als niet-bekostigde scholen.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 127).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van de leden Rog en Bruin; De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met het onderwijsveld en de Inspectie van het Onderwijs een duidelijk kader op te stellen waaruit de reikwijdte van het inspectietoezicht met betrekking tot de burgerschapsopdracht moet blijken, en de Tweede Kamer hierover voor de Voorjaarsnota te berichten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 21).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 24 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 474).

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer spreekt uit dat naast de brede burgerschapsopdracht van het onderwijs, de kenniscomponent over democratie en rechtsstaat een sterkere positie moet krijgen in het voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld door het vak geschiedenis en staatsinrichting en/of maatschappijleer/maatschappij-kunde over meerdere schooljaren, meerdere uren per week te verplichten, waarbij deze lessen door gekwalificeerde leraren worden gegeven en in ieder geval het thema «democratie en rechtstaat» voor alle leerlingen een volwaardig onderdeel van het examen zal worden; verzoekt de regering, hierover zo spoedig mogelijk met betrokken partijen in overleg te treden en de Kamer uiterlijk 1 april 2021 over de opbrengsten van dat overleg te informeren, zodat de opbrengst kan worden betrokken bij de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 20).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 8 maart 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31332, nr. 105).

De motie van de leden Meenen en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Wet sociale veiligheid te verbreden naar leraren en onderwijsondersteunend personeel.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 115).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met het CvTE te kijken naar de beschikbaarheid van examinatoren en de mogelijkheden om voor de leerlingen voor wie het behalen van de certificaten noodzaak is vanwege vervolgopleiding of leeftijd, wel een herkansing te bieden.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 192).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De motie van het lid Westerveld c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met het CvTE te kijken naar de beschikbaarheid van examinatoren en de mogelijkheden om voor de leerlingen voor wie het behalen van de certificaten noodzaak is vanwege vervolgopleiding of leeftijd, wel een herkansing te bieden.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 192).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een wekelijks OMT-advies te vragen over de mogelijkheid om meer onderwijs op school te geven, gebruikmakend van onder andere de laatste wetenschappelijke inzichten, internationale vergelijkingen en de inzet van alle beschikbare middelen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 167).

Aan de motie is uitvoering gegeven met brief van 7 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie Kwint c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met de mbo-raad afspraken te maken dat in het geval een leerling of student afhaakt in de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding zij altijd gegarandeerd zijn van een passende plek op een vmbo, entree-opleiding of mbo niveau 2 plek.

(Kamerstukken II 2019/20, 35336, nr. 20).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 484).

Motie van het lid Van Meenen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering deelcertificaatkandidaten in vso en op de vavo de aankomende twee jaar twee herkansingen te bieden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 188).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 208).

Motie van het lid Futselaar c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de verdere uitwerking van het nationaal plan extra waarborgen in te bouwen om te voorkomen dat onderwijsgeld weglekt naar particuliere bureaus.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 201).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 219).

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, om de tijdelijke wetenschappelijke curriculumcommissie de opdracht te geven: –de opbrengsten van de ontwikkelteams technisch en inhoudelijk op bruikbaarheid te beoordelen; –te adviseren over de werkopdracht aan de curriculumexperts; –de op te leveren conceptonderwijsdoelen te beoordelen en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan het terugdringen van overladenheid en het bevorderen van kansengelijkheid; –hierbij richtinggevende aanbevelingen voor verbetering te doen aan de Tweede Kamer en het kabinet; –de Tweede Kamer en het kabinet te adviseren over de opdracht aan de permanente curriculumcommissie.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 527).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 4 februari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 574).

Motie van de leden Van Meenen en De Hoop; verzoekt de regering, bij de verdeling van de NPO-gelden de werkdrukmiddelensystematiek onverkort toe te passen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 231).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 25 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 255).

De motie van het lid Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken hoe de schoolbesturen in rechte kunnen opkomen tegen een ander oordeel dan «zeer zwak» en daarbij mee te nemen op welke wijze de inspectie gemotiveerd dient te reageren op de zienswijze van het schoolbestuur, en de Kamer hierover binnen zes maanden te berichten.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 222).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de centrale examens Nederlands en moderne vreemde talen in overleg met in ieder geval de Vereniging van Leraren in Levende Talen, de Raad voor de Neerlandistiek en het Meesterschapsteam Nederlands te hernieuwen en dit los te behandelen van de curriculum-herziening.

(Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 109).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 9 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 585).

Motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te gaan met docenten, hun beroepsorganisaties en vakbonden om te kijken hoe de positie van docenten ten opzichte van hun werkgever versterkt kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 65).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 januari 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

Motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering, om binnen de gefaciliteerde trainingen op het gebied van burgerschap expliciet aandacht te besteden aan handvatten hoe leraren om dienen te gaan met radicalisering binnen hun klas;

(Kamerstukken II 2020/21, 35353, nr. 23).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 152).

verzoekt de regering, eveneens om de bekendheid bij leraren, schoolleiders en schoolbesturen te vergroten op welke manier zij het beste kunnen handelen wanneer ze te maken krijgen met gevaarlijk en geradicaliseerd gedachtegoed binnen hun lessen en op hun school.

  

De motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met betrokken partijen te onderzoeken wat nodig is in het primair en voortgezet onderwijs om kinderen met achterstanden maatwerk te bieden, en de Kamer hierover uiterlijk 1 juli 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 170).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 10 juli 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

De Tweede Kamer verzoekt de Regering voor 1 oktober aanstaande met voorstellen te komen om de aanvragen alsnog toe te kennen en de 2.400 afgewezen leraren daarover te informeren, zoals bijvoorbeeld een kasschuif waarbij een deel van de middelen voor de lerarenbeurs van volgend jaar naar voren wordt gehaald.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 215).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 22 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31511, nr. 43).

Motie van de leden Asscher en Van Weyenberg; De Tweede Kamer verzoekt de regering een concreet actieplan te maken over de wijze waarop de scholen op een veilige manier open kunnen zijn, met daarin richtlijnen waarin wordt opgenomen hoe sneltesten in het onderwijs kunnen worden ingezet, een stappenplan bij welke besmettingsgraad welke maatregelen moeten worden genomen om het onderwijs door te laten gaan en hoe onderwijsachterstanden en andere schade bij kinderen zo veel mogelijk kan worden beperkt.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 669).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 16 november 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 154).

Motie van de leden Van der Molen en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de Minister, bij het herijkingsmoment tevens duidelijk aan te geven waarom hij al dan niet heeft besloten een extra herkansingsmogelijkheid mogelijk te maken bovenop de aanvullende waartoe de Minister al had besloten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 172).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 12 februari 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 442).

Motie van de leden Van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer (constaterende dat er 282 miljoen extra is vrijgemaakt voor het voorkomen en bestrijden van achterstanden die zijn ontstaan door de coronacrisis; overwegende dat het van belang is dat deze middelen preventief ingezet kunnen worden, dus om achterstanden te voorkomen; overwegende dat het tevens van belang is dat deze middelen niet besteed hoeven te worden aan bureaucratische verantwoording maar aan onderwijs;) verzoekt de regering, de verantwoording over deze middelen te vereenvoudigen en de mogelijkheid open te stellen om de middelen ook preventief in te zetten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 68).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 17 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 151).

Motie van de leden Van den Hul en Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de verdeling van de gelden die elke school vanaf komend schooljaar geld krijgt om leerlingen gericht te helpen specifiek scholen met veel achterstanden, tevens recht te doen aan verschillen in de mate waarin het lerarentekort het laten inlopen van opgelopen achterstanden bemoeilijkt; verzoekt de regering verzoekt de regering tevens de Kamer zo snel mogelijk te informeren over hoe dit nader uitgewerkt en gemonitord wordt.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 196).

Aan de motie is uitvoering gegeven met de brief van 21 mei 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 220).

De motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende dat de overheid niet mag bepalen hóé scholen werken aan burgerschap en integratie, maar dat zij er wel op moet toezien dát scholen dat doen; constaterende dat het bevoegd gezag evident handelt in strijd met de wettelijke plicht om in enige mate gestalte te geven aan burgerschap en integratie wanneer activiteiten in de school gericht zijn tegen integratie; voorts overwegende dat het niet aannemelijk geacht mag worden dat het bevoegd gezag voldoet aan de zorgplicht voor psychische en sociale veiligheid op school wanneer jihadisten of terroristen invloed op de school kunnen uitoefenen), op basis van de huidige onderwijswetgeving inzake burgerschap en veiligheid bekostigingssancties te treffen wanneer de genoemde situaties zich voordoen.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 126).

Aan de motie is uitvoering gegeven door de indiening van het wetsvoorstel tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs op 28 november 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 35352, nr. 1).

Motie van de leden Van der Molen en Wiersma; De Tweede Kamer (constaterende dat Nederland en Vlaanderen binnen de Taalunie samen-werken om de studie van het Nederlands buiten het eigen taalgebied te promoten. constaterende dat in Europees perspectief Nederland en België extreem weinig hierin investeren en deze investering steeds minder wordt, overwegende dat met het amendement «middelen voor de internationale Neerlandistiek infrastructuur» een eenmalige additionele investering voorgesteld wordt voor de internationale neerlandistiek) verzoekt de Minister, om met haar Vlaamse collega’s in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat ook Vlaanderen haar bijdrage levert en de Kamer voor het zomerreces hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 146).

Aan deze motie is uitvoering gegeven doordat de Tweede Kamer hierover op 8 juli 2021 mondeling is geïnformeerd tijdens het tweeminutendebat Reactie op aangenomen moties en amendementen van de afgelopen begrotingsbehandeling, het cultuurbegrotingsdebat en het mediabegrotingsdebat (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 247).

Tabel 129 Door de Staten-Generaal aanvaarde moties die nog niet zijn afgerond

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

De motie van het lid Beertema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij onderwijsinstellingen indringend onder de aandacht te brengen om bij incidenten waarbij geweld, wapens en drugs betrokken zijn, altijd aangifte te doen en de rol van aangever van het slachtoffer over te nemen, met dien verstande dat het slachtoffer zelf het laatste woord heeft over wel of niet aangifte doen.

(Kamerstukken II 2019/20, 29240, nr. 117).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd met de beleidsreactie op de Monitor Sociale Veiligheid.

De motie van de leden Bergkamp en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken in welke mate niet medisch noodzakelijke ingrepen plaatsvinden bij jonge interseksekinderen en de Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling in 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2018/19, 35300 VIII, nr. 131).

Naar verwachting zal het onderzoek prevalentie genitale operaties starten in het najaar van 2021 en uiterlijk in de zomer 2022 gereed zijn. Er komt een tussentijdse rapportage richting Tweede Kamer.

De motie van het lid Van den Hul c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering een genderspecifiek onderzoek te doen naar het verband tussen financiële afhankelijkheid, partnergeweld en eergerelateerd geweld, en hoe de positie van kwetsbare vrouwen en kinderen bij de aanpak van dergelijk geweld kan worden verbeterd.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 130).

Het tweede deel van het onderzoek wordt momenteel afgerond. De verwachting is dat dit in het najaar 2021 aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Motie van het lid Van den Hul en Diks; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de aankomende tussenevaluatie van de Beijing-agenda inzichtelijk te maken wat de kabinetsbrede genderstrategie is om de verplichtingen die voortvloeien uit het Beijing Platform for Action daadwerkelijk te realiseren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 XVII, nr. 39).

Bij het opstellen van de komende emancipatienota (die de kabinetsbrede genderstrategie vormt) en na het aantreden van het nieuwe kabinet, zal rekening worden gehouden met de internationale verplichtingen inclusief de Beijing Platform for Action en de Sustainable Development Goals (SDG). Zo sluiten de gekozen emancipatie onderwerpen beter aan bij de internationale verplichtingen.

Motie van het lid Van den Berge c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met organisaties die sociale, psychologische en economische ondersteuning bieden aan eenoudergezinnen en met voorstellen te komen om deze ondersteuning aan alleenstaande ouders te versterken.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 348).

Het bestuursoverleg heeft plaatsgevonden. Als vervolg hierop wordt met gemeenten gesproken om verder te verkennen welke behoefte er is aan een landelijk (digitaal) platform voor alleenstaande moeders in combinatie met lokaal aanbod en informatie voor deze doelgroep vrouwen.

Motie van het lid Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering de sociaaleconomische Raad te vragen de mogelijk-heden te verkennen van een verlofregeling voor slachtoffers van geweld achter de voordeur van maximaal tien dagen.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 350).

In overleg met SZW is afgesproken om de motie breder in te vullen, in lijn met het artikel uit het ILO Verdrag 190, over de rol van werkgevers bij huiselijk geweld. Het idee is om een onderzoeks- en adviesvraag uit te zetten, waarbij tevens gekeken wordt naar de optie van verlof.

Motie Geluk-Poortvliet/Bergkamp; De Tweede Kamer verzoekt de regering de effecten op emancipatie en gelijke behandeling te betrekken in het bredere onderzoek naar toepassing van algoritmen door het Ministerie van BZK.

(Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 340).

OCW levert momenteel bij (de start van) verschillende onderzoeken input op het onderwerp gendergelijkheid en zorgt ervoor dat dit op de agenda staat.

De motie van het lid Beckerman c.s. ; De Tweede Kamer constaterende dat zowel de Raad voor Cultuur als de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed knelpunten signaleren in de uitvoering van de Erfgoedwet waaronder: • 1.Gemeenten die hun taken nu niet goed of niet goed genoeg (kunnen) uitvoeren terwijl zij er met de Omgevingswet nieuwe taken bij krijgen. • 2.Het onder druk staan van de kwaliteit van archeologisch onderzoek bij bedrijven. • 3.Te grote onzichtbaarheid van archeologie bij een breed publiek; overwegende dat de Erfgoedwet in 2021 geëvalueerd moet worden en de Minister reeds enkele onderzoeken heeft aangekondigd; verzoekt de regering de Erfgoedwet met de sector en betrokkenen breed te evalueren met aandacht voor onder andere bovenstaande knelpunten en een internationale vergelijking te maken om te leren van andere landen; verzoekt de regering voorts, de Kamer bij deze evaluatie te betrekken en voorafgaand het plan van aanpak van de evaluatie naar de Kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 293).

Op 29 juni 2021 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de aangepaste planning van de evaluatie Erfgoedwet, beleidsdoorlichting cultuur en Erfgoedbalans. (Kamerstukken II, 2020/21, 32820, nr. 437). De uitkomst van deze onderzoeken worden in 2022 gedeeld met de Tweede Kamer.

Motie van de leden Van den Hul en Belhaj ; (overwegende dat vanuit de cultuursector het initiatief is ontstaan om met een aanvullende routekaart te komen, waarin mogelijkheden komen om op een veilige manier meer publiek toe te laten bij concerten en voorstellingen) verzoekt het kabinet, in gesprek te gaan met de initiatiefnemers over hoe de voorstellen van deze aanvullende routekaart van de culturele sector aan kunnen sluiten op de huidige routekaart.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 110).

De Tweede Kamer wordt in september 2021 door het ministerie van VWS geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.

Motie lid Beckerman c.s. De Tweede Kamer verzoekt het kabinet het belang van de popsector te onderschrijven; –in overleg met gemeenten en provincies te komen tot een gedeelde visie op wat nodig is voor een levendige popcultuur; –tevens in overleg met de sector in kaart te brengen of en hoe binnen het generiek cultuurbeleid een breder investeringsfonds, versterking van de popkoepels, een richtsnoer voor honoraria en uitbreiding van de programma’s die bedoeld zijn om muziekinstrumenten beschikbaar te stellen, de popketen kunnen versterken.

(Kamerstukken II 2020/21, 35813, nr. 3).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Aukje de Vries c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering vóór 13 augustus aanstaande op basis van de lessen vanuit de fieldlabs de afgelopen weken en de gesprekken met de evenementensector zo snel mogelijk testen voor toegang mogelijk te maken voor evenementen en festivals, zodat deze veilig georganiseerd kunnen worden; verzoekt de regering, dit voorstel te voorzien van een OMT-advies.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1361).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Van Raan c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de Sociaal Creatieve Raad en te bespreken hoe de Sociaal Creatieve Raad bij vraagstukken van maatschappelijk belang betrokken kan worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 368).

Naar aanleiding van de motie heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Het gesprek heeft ertoe geleid dat er nu op ambtelijk niveau gesprekken met SCR plaatsvinden. Hierin wordt met SCR gespard over de rol van de SCR en hoe zij deze kunnen vormgeven. En daarnaast leveren deze gesprekken waardevolle input op voor beleidsontwikkeling op het gebied van de inzet van creatieve industrie voor maatschappelijke vraagstukken. De Tweede Kamer zal in het najaar 2021 hierover geïnformeerd worden.

De motie van het lid Wuite c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenwerking met de culturele en creatieve sector en lokale overheden voorstellen te verkennen voor herstel om de sector sterker uit de crisis te laten komen, waarbij in ieder geval aandacht is voor een verbeterde arbeidsmarktpositie voor makers en zzp’ers, inclusief het naleven van de Fair Practice Code, het verstevigen van de sector in maatschappelijke vraagstukken en cultuureducatie, en het vergroten van het verdienvermogen met een financieel gezonde infrastructuur; verzoekt de regering tevens, de Kamer over de stand van zaken vóór de begrotingsbehan-deling cultuur 2022 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 424).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Ploumen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering te verkennen of de cultuursubsidieperiode eenmalig verlengd kan worden met een periode van twee jaar en deze tijd te benutten om het bestel te evalueren, en de Kamer hier voor de begrotings-behandeling cultuur over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 419).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie het lid Werner c.s. De Tweede Kamer verzoekt de regering de mogelijkheden te verkennen van een langjarige verhoging van het indemniteitsplafond als onderdeel van de algemene verkenning naar het herstel van de culturele en creatieve sector.

(Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 422).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Kops en Beertema; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat een voltijdbonus van 5% per kwartaal kost, oplevert en hoe dit uitgevoerd zou kunnen worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 33).

Bij brief van 9 december 2020 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken (Kamerstukken II 2020/2021, 27923, nr. 413). Adviesaanvraag over o.a. de voltijdsbonus is in samenwerking met VWS verstuurd aan het College voor de Rechten van de Mens. Het advies wordt verwacht in het najaar van 2021 en dan zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden.

De motie van de leden Straus en Ypma; De Tweede Kamer verzoekt de regering te zorgen dat scholen hun jaarverslagen en inspectierapporten op hun website publiceren.

(Kamerstukken II 2014/15, 34000 VIII, nr. 56).

Het wetsvoorstel is aangenomen en is op 1 januari 2021 in werking getreden. In het najaar van 2021 wordt de Regeling Jaarverslaggeving onderwijs hierop aangepast voor het verslagjaar 2021 en verder.

De motie van het lid Bruins c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering te verkennen hoe ook voor kleine scholen meer maatwerk in de regelgeving kan worden aangebracht als het gaat om verantwoording en medezeggenschap.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 74).

De Tweede Kamer wordt einde van 2021 op basis van de uitkomsten van de pilot en de verwerkingsresultaten over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Peters en Van der Woude; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de rapportage aan de Kamer de voortgang van de individuele instellingen en de financiële voortgang hierin mee te nemen indien de jaarverslagen daartoe aanleiding geven.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 273).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Molen en Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onderzoek te doen hoe niet-bekostigd onderwijs van grotere meerwaarde kan zijn voor studenten; verzoekt de regering, bij de verduidelijking in de WHW over het verzorgen van onderwijs aan de doelgroep (werkende) volwassenen door instellingen in het hoger onderwijs voldoende waarborgen op te nemen om een gelijk speelveld tussen bekostigde en niet-bekostigde onderwijsinstellingen te garanderen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 810).

Bij de (mogelijke) verduidelijking in de WHW zal worden ingegaan op het speelveld van bekostigde en niet-bekostigde instellingen. Dit wordt overgelaten aan een nieuw kabinet.

De motie van het lid Rudmer Heerema c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering per direct een plan van aanpak te maken om een gespecialiseerde pabo gericht op het jongere en oudere kind te creëren en per zomer 2020 een experiment te starten waarbij pabo-instellingen op vrijwillige basis kunnen deelnemen aan een pilot voor een gespecialiseerde pabo gericht op het jongere en oudere kind, en de eventuele toelatingseisen en bevoegd gezag daarop aan te passen; verzoekt de regering tevens, om per collegejaar 2021–2022 de gespeciali-seerde pabo gericht op het jongere en oudere kind voor alle pabo-instellingen mogelijk te maken, en de Kamer voor 1 januari 2021 te informeren over de voortgang hierop.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 401).

Over de uitvoering van deze motie is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief d.d. 17 maart 2020 (Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 409). Over de voortgang in de brief lerarenbeleid en onderwijsarbeidsmarkt d.d. 9 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 417). Uitvoering pilots eerste jaar wordt geëvalueerd, en lopen door in studiejaar 2021-2022.

Motie van het lid El Yassini; De Tweede Kamer vraagt de regering te onderzoeken of de aanpak zoals die plaatsvindt in het Toptraject van Saxion aanknopingspunten biedt voor trajecten gericht op doorstroom naar het hoger onderwijs wo, naar de associate degree, en wat voor die samenwerking, ook bestuurlijk, dan eventueel geregeld moet worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35606, nr. 26).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Rog en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de instellingen te vragen om bij de inschrijving van studenten een vraag op te nemen over het opleidingsniveau van de ouders.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 236).

De privacy impact analyse staat uit voor een reactie bij de Vereniging Hogescholen en de VSNU. Er is een uitvoeringstoets gevraagd aan Studielink. In het najaar 2021 wordt een reactie naar de Tweede Kamer gestuurd.

Motie van de leden Peters en Van der Woude; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te onderzoeken hoe voor instellingen die een opleiding aanbieden in het buitenland middels de 25%-mogelijkheid wettelijk verplicht kan worden dat studenten 25% van het onderwijs fysiek in Nederland volgen, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 21).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Paternotte en Van der Woude; De Tweede Kamer verzoekt de regering de hogescholen en universiteiten actief te ondersteunen om studentenuitwisselingen zo veel mogelijk doorgang te laten vinden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 9).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Van Meenen en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering er voor te zorgen dat het voor onderwijsinstellingen niet mogelijk is om meer instellingscollegegeld dan de bekostiging van de opleiding en het tarief ter hoogte van het wettelijk collegegeld te vragen.

(Kamerstukken II 2017/18, 315524, nr. 357).

Motie in uitvoering via maximering instellingscollegegeld. Invoering afhankelijk van voortgang WTT.

Motie van het lid van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering de bekendheid van het levenlanglerenkrediet en de STAP-regeling te vergroten voor bovenstaande categorieën personen die niet in loondienst zijn – bijvoorbeeld door het inzetten van ambassadeurs – en de Kamer hier voor het einde van het jaar over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 30012, nr. 131).

De Tweede Kamer is bij brief van 13 november 2020 (Kamerstukken II 22/21, 30012, nr. 135). geïnformeerd over de aanpak. In voorbereiding is een campagne in 2021 met communicatie-activiteiten rond leven lang ontwikkeld waaronder aandacht voor het levenlanglerenkrediet en groepen die minder gebruik maken van scholing.

Motie van het lid Van der Molen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om voor de mbo’ers die doorstromen naar het hbo de 1 februari-regeling aan te passen naar een 1 september-regeling en dit wetsvoorstel zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen, waarbij de extra kosten gedekt worden uit de lumpsum van het hoger beroepsonderwijs (artikel 6).

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 55).

Het wetsvoorstel wordt uitgewerkt en is in de zomer 2021 in internetconsultatie gegaan. De Tweede Kamer wordt naar verwachting met het wetsvoorstel rond het kerstreces geïnformeerd.

Motie van het lid Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te verkennen hoe de onderzoeksbekostiging voor hogescholen met wo-opleidingen in de toekomst mogelijk gemaakt kan worden, en de Kamer daar voor de zomer van 2021 over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35582, nr. 14).

Momenteel worden gesprekken gevoerd met de betrokken instellingen en de koepelorganisaties. In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer per brief geïnformeerd.

De motie van het lid Van Meenen c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in het najaar met voorstellen te komen die eisen stellen aan de onderbouwing van gehanteerde selectiecriteria, gericht op kansengelijkheid en de kwantiteit van selectiecriteria te maximeren.

(Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 713).

De Tweede Kamer is geïnformeerd over de stand van zaken bij brief van 8 oktober 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

De motie van het lid Wiersma c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met studentenorganisaties en instel-lingen, te komen tot een nadere aanpak voor het profileringsfonds en daarin mee te nemen hoe de bekendheid wordt vergroot, hoe additionele ontmoedigende eisen worden voorkomen, hoe toereikendheid decentraal wordt geborgd en dat eventuele concurrentie tussen categorieën overmacht en niet-overmacht wordt geïnventariseerd en de Kamer over deze aanpak te informeren voor de zomer van 2020.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 45).

De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

Motie van de leden Wiersma en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering de pilot Flexstuderen zo snel als mogelijk wettelijk te verankeren, zodat in ieder geval uiterlijk per 1 september 2023 het betalen per studiepunt structureel mogelijk wordt bij alle opleidingen en instellingen; verzoekt de regering tevens, om op basis van de tussenevaluatie van de pilot Flexstuderen het wetsvoorstel voor het wettelijk verankeren van de pilot voor te bereiden en als nodig de eindevaluatie te vervroegen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 841).

Het onderzoek van Berenschot over wat voor gevolgen flexstuderen heeft op de organisatie, administratie en financiën van flexstuderen is in februari 2021 opgeleverd. De eindevaluatie wordt naar verwachting begin oktober afgerond en medio oktober 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met wetenschappers, docenten en studenten in gesprek te gaan met het oog op modernisering van de wetgeving.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 87).

Per 1 februari is een evaluatie naar de Wet versterking bestuurskracht gestart. In dat kader worden ook verdere gesprekken gevoerd met studenten, docenten en onderzoekers over de modernisering van wetgeving. De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over de uitvoering van de motie inzake modernisering van wet- en regelgeving.

Motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om verschillende scenario’s uit te werken om sneller in te kunnen grijpen in het geval van discriminatoire uitspraken binnen het hoger onderwijs, door zowel te kijken naar mogelijkheden om de procedure binnen de Wet bescherming graden en namen hoger onderwijs te verbeteren, alsook naar andere wettelijke mogelijkheden, en de Kamer hierover te informeren in het voorjaar van 2021.

(Kamerstukken II 2020/21, 35582, nr. 20).

In het kader van het onderzoek naar andere wettelijke mogelijkheden wordt overleg gepleegd met het ministerie van Justitie en Veiligheid, teneinde de mogelijkheid van direct beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verkennen om zo de procedure tot ingrijpen te versnellen. De Tweede Kamer wordt hierover na de zomer 2021 geïnformeerd.

Motie van het lid Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de Vereniging Hogescholen en de VSNU met als doel de omvang van het schaduwonderwijs terug te dringen;verzoekt het kabinet, om ervoor zorg te dragen dat studenten kwalitatief goede begeleiding ontvangen indien zij dit nodig hebben, zodat zij geen gebruik hoeven maken van schaduwonderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 16).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Paternotte en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering aan hogescholen en universiteiten te vragen om voor studenten die hun Engelse taalvaardigheid willen verbeteren, facultatieve activiteiten te ontwikkelen en het bestaande aanbod te inventariseren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 31).

Momenteel zijn er gesprekken gaande met de koepels voor inventarisatie hoe invulling gegeven kan worden aan deze motie. De Tweede Kamer wordt voor het eind van het jaar 2021 hierover geïnformeerd.

De motie van de leden Van der Molen en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering, in gesprek te gaan met de NVAO en de Inspectie van het Onderwijs om een beeld op te halen wat instellingen en opleidingen doen op het vlak van persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, en de Kamer over dit beeld te informeren voor 1 december 2020.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 812).

Zodra de Inspectie van het Onderwijs en de NVAO hun onderzoek hebben afgerond wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd. Naar verwachting zal dat in het najaar van 2021 zijn.

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met de NVAO te bezien of de accreditatiekaders passend zijn waar het gaat om studenten met een functiebeperking en die waar nodig aan te scherpen.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 855).

Over de mogelijke wijzigingen in het accreditatiekader zal de Tweede Kamer in het voorjaar 2022 worden geïnformeerd.

Motie van de leden Wiersma en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met onderwijsinstellingen, zowel universiteiten en hogescholen als mbo-instellingen, en studenten- en studieverenigingen een strategie te ontwikkelen om het gebruik van initiatieven als Studie Actief Certificaten te intensiveren en de bekendheid bij werkgevers hierover te vergroten; verzoekt de regering tevens, om de beste praktijken voor erkenning van extracurriculaire activiteiten, als Studie Actief Certificaten, binnen overleggen met de VSNU, de VH en de MBO Raad te delen en te inventariseren, en over de voortgang hiervan de Kamer periodiek te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 45).

De Tweede Kamer zal na de zomer van 2021 over de voortgang worden geïnformeerd.

De motie van het lid Tielen; De Tweede Kamer verzoekt de regering vooraf door de NVAO te laten controleren of de kwaliteitsafspraken die op instellingsniveau zijn gemaakt meetbaar zijn én of deze bijdragen aan de kwaliteitsdoelen die de instellingen en hun partners zelf gesteld hebben, zodat tijdige aanpassingen mogelijk zijn.

(Kamerstukken II 2017/18, 31288, nr. 643).

In de voortgangsrapportage van de strategische agenda is ingegaan op het landelijk beeld van de NVAO. In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over alle instellingen die dan voor de 2e keer zijn beoordeeld.

De motie van de leden Paternotte en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een voorstel te doen voor het toevoegen van loting aan het instrumentarium voor selectie dat instellingen kunnen toepassen bij capaciteitsfixi.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 822).

Het wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer en is controversieel verklaard.

Motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met hogescholen en universiteiten afspraken te maken met het doel dat er geen reclame wordt gemaakt voor private aanbieders van schaduw-onderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 17).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Bruins c.s. ; De Eerste Kamer verzoekt de regering de verdeling van het voor deze maatregel beschikbare budget opnieuw te bezien indien bij de evaluatie blijkt dat de compensatie per instelling niet toereikend is en er daarbij naar te streven dat alle instellingen budgetneutraal de halvering van het wettelijk collegegeld kunnen invoeren.

(Kamerstukken I 2017/18, 34911, nr. H).

Het onderzoek wordt momenteel uitgevoerd door Berenschot. Naar verwachting is de evaluatie gereed in het najaar van 2021.

De motie van het lid Ganzenvoort c.s. ; De Eerste Kamer verzoekt de regering bij de toelichting op toekomstig voor te hangen AMvB’s te streven naar op onderzoek gebaseerde argumentaties.

(Kamerstukken I 2017/18, 34911, nr. G).

Bij elke voorgehangen AMvB wordt dit zoveel mogelijk betrokken.

De Tweede Kamer verzoekt de regering zolang studievoorschotvouchers blijven bestaan en het STAP-budget algemeen beschikbaar wordt gesteld, ervoor te zorgen dat deze oud-studenten naast hun voucher ook aanspraak kunnen maken op het STAP-budget.

(Kamerstukken II 2019/20, 25268, nr. 180).

Geregeld in de (concept) STAP-regeling. Deze regeling is eind maart 2021 voor voorhang naar de Tweede Kamer gestuurd. Op het moment dat deze regeling in werking treedt, is aan deze motie uitvoering gegeven.

De motie van het lid Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het criterium meerwaarde concreet uit te werken en hierbij te onderbouwen hoe deze voldoende kritisch is om hiermee onnodige verengelsing tegen kan worden gegaan en dit uiterlijk 1 juni 2020 naar de kamer te sturen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 62).

Uitgewerkt in AMvB uitdrukkingsvaardigheid en meerwaarde, hangt thans voor bij de Tweede Kamer. Is controversieel verklaard door de Tweede Kamer.

De motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om studenten die aanspraak maken op het profileringsfonds uit te zonderen in de rendementscijfers zoals de categorie «bachelorrendement» die hogescholen en universiteiten moeten aanleveren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 813).

De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

De motie van de leden Wiersma en Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering actief op zoek te gaan naar gelijkgestemde landen, om in Europa mogelijkheden te verkennen om tot nadere afspraken rond studentmobiliteit te komen, en de Europese Commissie aan te sporen om tot voorstellen te komen, en hierover in het voorjaar van 2020 een terugkoppeling te geven aan de Tweede Kamer.

(Kamerstukken II 2019/20, 35282, nr. 32).

De Tweede Kamer ontvangt in het najaar van 2021 een brief over de uitvoering van deze motie.

Motie van de leden Rudmer Heerema en Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met de Stichting Landelijk Netwerk Hoogbegaafd in het Hoger Onderwijs (HB-BO), de VSNU, de VH, de PO-Raad en de VO-raad te onderzoeken of hoogbegaafde leerlingen uit het primair en voortgezet onderwijs die meer uitdaging nodig hebben gebruik kunnen maken van onderdelen van of structurele dagdelen in het hoger onderwijs; verzoekt de regering eveneens, met dezelfde gesprekpartners te onder-zoeken op welke manieren «een zachte landing» bewerkstelligd kan worden voor hoogbegaafde leerlingen die doorstromen naar het hoger onderwijs, en de resultaten hiervan te delen met de Kamer.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 368).

De Tweede Kamer wordt naar verwachting in het najaar van 2021 over de uitvoering van deze motie met een brief geïnformeerd.

De motie van het lid Ypma c.s. ; De Tweede Kamer (overwegende dat leraren professionals zijn die ruimte en zeggenschap verdienen om zelf vorm en inhoud te geven aan hun vak); verzoekt de regering te bevorderen dat: - in de nascholing en professionalisering van leraren gerichte aandacht is voor het omgaan met verschillen, het gebruik van ICT en curriculum-ontwikkeling; - het opleiden van nieuwe generaties leraren binnen opleidingsscholen, een samenwerking van school en lerarenopleiding, wordt geïntensiveerd, zodat theorie en praktijk meer dan nu met elkaar worden verweven; - er overeenstemming komt over het ontwikkelen van brede, vakoverstijgende educatieve bachelors en masters, zowel op hbo- als wo-niveau, die studenten voorbereiden op het moderne beroep van leraar, zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs; - er universitaire opleidingen voor het primair onderwijs worden ontwikkeld; verzoekt de regering te bevorderen dat de lerarenopleidingen, in zowel hbo als wo, hun curriculum aanpassen aan en het lerarenregister rekening houdt met de ontwikkelingen die verder uitgewerkt worden onder onderwijs2032.

(Kamerstukken II 2015/16, 31293, nr. 289).

Onderwijs2032 heeft inmiddels plaatsgemaakt voor curriculum.nu Lerarenopleidingen zijn betrokken bij de ontwikkeling vernieuwing curriculum funderend onderwijs. De programma’s van de opleidingen zullen worden aangepast aan de nieuw te ontwikkelen kerndoelen en eindtermen.

De motie van de leden Rog en Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de uitwerking van de afspraak in het regeerakkoord over de differentiatie op de pabo, het per volgend studiejaar mogelijk te maken dat studenten naast de huidige pabo ook kunnen kiezen voor een gespecialiseerde pabo gericht op het jonge kind of een gespecialiseerde pabo gericht op het oudere kind en de eventuele toelatingseisen en bevoegdheidseisen daarop aan te passen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 55).

In het plenaire debat over het lerarenbeleid op 19 februari 2020 heeft de Tweede Kamer haar wensen ten aanzien van differentiatie op de pabo aangescherpt in de hiermee samenhangende motie met identieke stand van zaken: Over de uitvoering van deze motie is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief d.d. 17 maart 2020 (Kamerstukken II 2019/2020, 27923, nr. 409). en over de voortgang in de brief lerarenbeleid en onderwijsarbeidsmarkt d.d. 9 december 2020 (Kamerstukken II 2020/2021, 27923, nr. 417). Uitvoering pilots eerste jaar wordt geëvalueerd, en lopen door in studiejaar 2021-2022.

Motie van het lid Sazias; De Tweede Kamer verzoekt de regering voorlichting over het levenlanglerenkrediet te intensiveren en het levenlanglerenkrediet ook optimaal toegankelijk te maken voor lager opgeleiden.

(Kamerstukken II 2020/21, 30012, nr. 132).

De Tweede Kamer is bij brief van 13 november 2020 (Kamerstukken 2020/2021, 30012, nr. 135). geïnformeerd over de aanpak. In voorbereiding is een campagne die zal starten in de tweede helft van 2021 met communicatie-activiteiten rond leven lang ontwikkelen waaronder aandacht voor het levenlanglerenkrediet en groepen die minder gebruik maken van scholing.

Motie van de leden Wörsdörfer en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg te gaan met verschillende betrokken partijen, zoals het Landelijk Opleidingsoverleg en de verschillende opleidingen, maar ook beroepsverenigingen en het platform van lectoren, leernetwerken en kenniskringen, om structurele aandacht te vragen voor deze thema’s in de curricula van deze opleidingen

(Kamerstukken II 2020/21, 31015, nr. 205).

In samenwerking met de koepelorganisaties is bij de betreffende partijen aandacht gevraagd voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in de betreffende curricula. In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Motie van de leden Wassenberg en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering , in kaart te brengen welke ondersteuning de onderwijsinstellingen nodig hebben om, in het geval de anderhalvemetermaatregel na de zomer niet zou worden losgelaten, onderwijs en tentamens toch zo veel mogelijk fysiek te organiseren en zo min mogelijk gebruik te maken van online proctoring.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 268).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Özdil; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Nuffic te vragen om, in overleg met de lerarenopleidingen, het delen van best practices tussen het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs te faciliteren.

(Kamerstukken II 2017/18, 31288, nr. 622).

Aan de motie wordt in het najaar van 2021 uitvoering gegeven.

Motie van het lid Van der Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering kaders op te stellen om de communicatie van hogeronderwijsinstellingen buiten onderwijstijd primair in het Nederlands te laten zijn, met uitzonderingen als een andere taal doelmatiger blijkt te zijn zonder dat belangen van derden daardoor geschaad worden.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288,nr. 857).

Volgens de Algemene bestuurswet is dit aan Hoger onderwijsinstellingen zelf. Er staan gesprekken gepland over mogelijke invulling van de uitvoering van de motie.

De motie van de leden Kwint en Van de Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen wat er voor nodig is om zwangerschapsverlof in het hoger onderwijs mogelijk te maken, en de Kamer dit voor de zomer te laten weten.

(Kamerstukken II 2019/20, 35252, nr. 19).

De kamerbrief over de positie van zwangere studenten in het hoger onderwijs zal in het najaar van 2021 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Motie van de leden Paternotte en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering om op korte termijn het CPB te vragen de effecten van investeringen in kennis in kaart te brengen, dan wel het initiatief te nemen om de effecten beter in de kaart te brengen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 89).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

De motie van de leden Westerveld en kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met scholen afspraken te maken met het doel dat er geen reclame wordt gemaakt voor private aanbieders van schaduwonderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 507).

Doordat het draaiende houden van het onderwijs nu prioriteit heeft, wordt de uitvoering van de motie uitgesteld tot na de coronacrisis.

Motie van de leden Van Meenen en Van Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het bestaande aanbod van entreeopleidingen in het praktijkonderwijs wettelijk te verankeren en ervoor zorg te dragen dat er geen negatieve neveneffecten ontstaan voor pr.o.-leerlingen op het gebied van examinering en branchecertificering en zonder dat er kansenongelijkheid kan ontstaan voor leerlingen in verschillende delen van het land.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 447).

Deze motie wordt meegenomen in het traject rondom het verbeteren van de samenwerking tussen praktijkonderwijs en het mbo. De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

De motie van de leden Van Meenen en Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering ook voor passend onderwijs inzichtelijk te maken wat de belangrijkste regels zijn voor administratie en verantwoording en welke ruimte de wet- en regelgeving biedt.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 292).

De Tweede Kamer wordt in het najaar 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie Van den Hul c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om ervaringsdeskundige ouders en landelijke en regionale ouderorganisaties bij de organisatie en invulling te betrekken en hiervoor te faciliteren en deze steunpunten op het niveau van een samenwerkingsverband te laten aansluiten op bestaande (regionale) initiatieven.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 375).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie lid Rog c.s.; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, te monitoren dat het geld voor ondersteuning ook daadwerkelijk doeltreffend wordt besteed aan de ondersteuning van leerlingen en leraren en dat de leraren hier, net als bij de werkdrukmiddelen, voldoende inspraak op hebben.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 387).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van de leden Nijboer en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de SER te vragen een nader verkenning te doen naar hoe (ongelijke) kansen zich opstapelen, welke effecten dit heeft op een succesvolle loopbaan en de mogelijkheden tot een leven lang ontwik-kelen, en daarbij voort te borduren op eerdere hieraan gerelateerde SER-adviezen en met betrokkenheid van het SER-jongerenplatform.

(Kamerstukken II 2018/19, 35162, nr. 8).

De Tweede Kamer wordt in het najaar 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om vóór de zomer van 2020 een concreet wetsvoorstel rondom de verplichting van samenwerkingsverbanden om een doorzettingsmacht te regelen ter consultatie aan te bieden en voor 1 oktober 2020 naar de Kamer te sturen; verzoekt de regering tevens, een overzicht te geven van de concrete resultaten van de aangekondigde versnellingsaanpakken om het aantal thuiszitters te verminderen, en de Kamer hierover voor het zomerreces 2020 te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 31497, nr. 354).

De Internetconsultatie is reeds gestart. De Tweede Kamer wordt hier in het najaar van 2021 over geïnformeerd.

Motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer (overwegende dat er reeds lange tijd een politieke wens bestaat om initiatieven voor thuiszitters, waar men poogt zorg en onderwijs te combineren, beter mogelijk te maken; constaterende dat het kabinet pas in 2023 wil beginnen met een experiment om te kijken wat er gebeurt wanneer bepaalde wet- en regelgeving niet van toepassing wordt verklaard;) verzoekt de regering niet nog drie jaar hiermee te wachten en zo snel als mogelijk dit experiment te laten starten en hierbij zo veel mogelijk aan te sluiten bij reeds bestaande initiatieven die nu in de knel zitten.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 376).

Deze motie wordt meegenomen met het experiment onderwijszorgarrangementen dat in augustus 2022 van start gaat. De Tweede Kamer wordt hier ter zijner tijd over geïnformeerd.

Motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering per direct de wachtlijsten in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs te gaan monitoren en deze cijfers te delen met de Kamer; verzoekt de regering, tevens in overleg met samenwerkingsverbanden en schoolbesturen oplossingen te zoeken voor leerlingen die op een wachtlijst staan, zodat zij zo snel als mogelijk naar school kunnen, en in de toekomst wachtlijsten te voorkomen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 377).

De Tweede Kamer wordt voor het kerstreces 2021 over deze motie geïnformeerd.

De motie van de leden Rudmer Heerema en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering een pilot te starten waarbij een aantal schoolbesturen met zowel primair als voortgezet onderwijs binnen hun bestuur de vrijheid krijgen om zo flexibel mogelijk om te kunnen gaan met de instroom in het primair onderwijs en de doorstroom naar het voortgezet onderwijs, rekening houdend met het individuele niveau en snelheid van de leerling.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 38).

Wegens de corona omstandigheden is oplevering van dit eindrapport vertraagd. Naar verwachting wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2021 geïnformeerd.

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om breder onderzoek te doen naar wat stijgende druk op kinderen en hun stressniveau doet en wat de samenhang hiertussen is en het gebruik van aanvullend schaduwonderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 506).

De uitvoering van deze motie wordt meegenomen in het vervolgonderzoek over aanvullend onderwijs dat dit jaar zal plaatsvinden. De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar 2021 geïnformeerd.

Motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onafhankelijk toezicht op samenwerkingsverbanden te realiseren door onafhankelijke personen, met een zwaarwegende stem voor ouders en leraren in de invulling van het toezicht.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 373).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Bischop en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering een vergelijking op te stellen van het niveau van basisondersteuning van de samenwerkingsverbanden, de verdeling en de bereikbaarheid van specialistische voorzieningen in samenwerkingsver-banden en de doorlooptijd als het gaat om extra ondersteuningsaanvragen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 380).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de verbeteraanpak te bezien in welke situaties de verrekening bij grensverkeer tot onrechtvaardige situaties leidt en te zoeken naar concrete oplossingen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 381).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering concrete doelstellingen te formuleren over hoe, waarmee en door wie de kansenongelijkheid zal worden aangepakt; verzoekt de regering, tevens om achterstanden in kaart te brengen en te monitoren welke effecten de interventies gericht op de bestrijding van kansenongelijkheid hebben in de praktijk.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 178).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Van den Hul c.s.; De Tweede Kamer (overwegende dat een waarschijnlijk grote groep leerlingen is ondergeadviseerd als resultaat van het afgelasten van de eindtoets vanwege covid-19 en deze onderadvisering de kansenongelijkheid nog verder vergroot;)

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 194).

De eerste monitoringsrapportage is op 10 december 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr.568). naar de Tweede Kamer verzonden. De volgende rapportage volgt in het najaar van 2021.

verzoekt de regering de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over hoe deze groep Ieerlingen in beeld komt en biijft, welke maatregelen worden genomen zodat deze groep leerlingen alsnog de kans krijgen die zij verdienen en hoe de voortgang wordt gemonitord.

  

De motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de Minister, om in overleg te treden met de lerarenopleidingen over hoe passend onderwijs beter geborgd kan worden in het curriculum.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 324).

Deze motie wordt meegenomen in de integrale evaluatie en toekomst/verbeteragenda passend onderwijs. De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

De motie van de leden Van den Hul en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met de onderwijssector er zorg voor te dragen dat op alle onderwijsinstellingen op korte termijn een aanspreekpunt voor leerlingen en studenten met zorgbehoeften aanwezig is.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 305).

De Tweede Kamer in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering onderzoek te doen naar de positie van dit soort (boven)regionale voorzieningen wat betreft financiën, bureaucratische en bestuurlijke complexiteiten, en de wijze waarop een landelijk dekkend aanbod van deze voorzieningen gegarandeerd kan worden, en de Kamer hierover voorafgaand aan het debat over de evaluatie van passend onderwijs te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 110).

In de beantwoording van het Schriftelijk Overleg inzake de beleidsinventarisatie en een herbezinning betreffende het residentieel onderwijs (verzonden 9 juli 2021, (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 393). is aangegeven dat er na de zomer regioregisseurs aan de slag zullen gaan om in de zeven JeugdzorgPlus-regio’s het gesprek te voeren over de organisatie van residentieel onderwijs. De wijze waarop het onderwijs bij bovenregionale voorzieningen is georganiseerd is onderdeel van dit gesprek. Per regio zal er een plan worden opgesteld voor mogelijke herinrichting van het residentieel onderwijs.

Motie Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om direct werk te maken van de ondersteuning van Samen naar Schoolklassen door ruimte te scheppen via experimenteerbepalingen met het doel dat deze initiatieven zich verder kunnen ontwikkelen met voldoende innovatie- en onderwijsgelden, en worden gefaciliteerd en ondersteund; verzoekt de regering, tevens de Kamer voor 1 januari te infomeren over hoe dit geregeld gaat worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 382).

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer over deze motie geïnformeerd.

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om erop toe te zien dat de Tyltylschool De Maasgouw met de ouders tot overeenstemming komt over het ontwikkelingsperspectief van hun kind, en afspraken maakt over de zorgondersteuning (inhoudelijk en qua middelen) voor de aanvang van het nieuwe schooljaar.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 410).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering, het schoolondersteuningsprofiel niet langer verplicht te stellen voor scholen, maar de extra ondersteuningsmogelijk-heden te laten beschrijven in de schoolgids.

(Kamerstukken II 2017/18, 31497, nr. 267).

De Tweede Kamer in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van het lid Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met het onderwijsveld te onderzoeken of het mogelijk is binnen de regels voor vavo maatwerk te bieden en te bevorderen dat alle instellingen voor vavo deelnemen aan een samenwer-kingsverband voor passend onderwijs.

(Kamerstukken II 2017/18, 31497, nr. 275).

Deze motie is gedeeltelijk uitgevoerd. Per 1 januari 2019 moeten mbo-instellingen (waar het vavo onder valt) verplicht deelnemen aan het op overeenstemmingsgericht overleg (oogo) met de samenwerkingsverbanden en de gemeenten. Het NJi ontwikkelt een handreiking die dit gesprek ondersteunt. Voor het overige deel wordt voor deze motie nog bezien hoe dit verder uitgewerkt gaat worden en ter zijner tijd wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd.

De motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenwerking met de VO-raad scholen actief te ontmoedigen om in hun school gebruik te maken van particuliere instituten voor betaald aanvullend onderwijs; verzoekt de regering tevens, om daarnaast scholen juist aan te moedigen zelf – of in samenwerking met andere scholen – indien nodig gratis aanvullend onderwijs aan te bieden.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 505).

Doordat het draaiende houden van het onderwijs nu prioriteit heeft, wordt de uitvoering van de motie uitgesteld tot na de coronacrisis.

Motie Rudmer Heerema c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de ondersteuning bij hoogbegaafdheid te borgen in de landelijke basisnorm en zo te borgen dat iedere school voor hoogbegaafde leerlingen een ondersteuningsaanbod heeft, zonder dat daarvoor extra kosten in rekening worden gebracht of andere drempels voor worden opgeworpen, waarbij bijvoorbeeld particulier onderwijs uiteindelijk ook de best passende plek kan zijn.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 379).

In de volgende voortgangsrapportage Passend Onderwijs (voorjaar 2022) wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang.

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om vast te leggen dat voor een wijziging in de tlv of een verlaging van de categorie van de tlv een aanpassing van het ontwikkelingsperspectief en overeenstemming met ouders nodig is.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 411).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Kwint en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om scenario’s uit te werken voor ophoging van de landelijke basisnorm, onder meer met betrekking tot de ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen, en de Kamer daarover voor het voorjaars-reces te informeren; verzoekt de regering, eveneens het kenniscentrum begaafdheid de opdracht te geven onderzoek te doen waarom het samenwerkingsverbanden en scholen nog onvoldoende lukt om onderwijsmiddelen ter ondersteuning aan hoogbegaafde leerlingen goed in zetten en het kenniscentrum de opdracht te geven om scholen meerjarig te onder-steunen in het efficiënt en effectiever inzetten van de beschikbare middelen zodat hier een goed aanbod tot stand komt voor hoogbegaafde leerlingen, zonder dat hiervoor een bijdrage van ouders wordt gevraagd.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 378).

In de volgende voortgangsrapportage Passend Onderwijs (voorjaar 2022) wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang.

Motie van de leden Kwint en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met onderwijs, ouders en deskundigen de knelpunten in de financiering van onderwijs voor zorgleerlingen in relatie tot de toelaatbaarheidsverklaringen in kaart te brengen, en verbeteringen voor te stellen, met als uitgangspunt dat de schoolgang van een kind nooit mag betekenen dat het minder zorg kan krijgen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 409).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer (overwegende dat onderwijsaanbod op een zorgboerderij soms dreigt te verdwijnen, omdat schoolbesturen in de regio niet over willen gaan tot de ondersteuning van deze initiatieven) verzoekt de regering om ter bescherming van dit soort initiatieven doorzettingsmacht bij de onderwijsinspectie te beleggen, teneinde een schoolbestuur een aanwijzing te kunnen geven om de samenwerking met een initiatief dat onderwijs buiten school aanbiedt aan te gaan.

(Kamerstukken II 2018/19, 31497, nr. 300).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering het LBVSO officieel te erkennen als onafhankelijke vereniging met eigen bestuur en hen structureel te betrekken bij besluitvorming, net als andere leerlingenvertegenwoordigingen als LAKS en JOB.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 169).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van het lid Van den Hul c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in kaart te brengen hoe de verhouding tussen informeel en formeel aanbod voor laaggeletterden er momenteel uitziet, en daarbij inzichtelijk te maken bij hoeveel roc’s laaggeletterden nog terechtkunnen.

(Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 93).

De uitvoering van deze motie loopt. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd in de eerstvolgende voortgangsrapportage over de uitvoering van het actieprogramma Tel mee met Taal.

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering een heldere toelichting te maken bij ieder wetsvoorstel.

(Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 85).

Verwachting is dat er voor het herfstreces 2021 duidelijkheid is over hoe deze motie uit te voeren.

Motie van het lid Van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenwerking met het onderwijs te bewerkstelligen dat iedere leerling op de hoogte wordt gebracht van het bestaan van het meldpunt en het nut van melden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 13).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Van der Woude en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering instellingen uitdrukkelijk mee te geven om binnen hun argumentatie om af te wijken van de keuzelijst te onderbouwen op welke manier de afwijkende actie zich in de praktijk heeft bewezen, de effectiviteit zeer voor de hand ligt of wetenschappelijk is onderbouwd en dit ter instemming voor te leggen aan de medezeggenschapsraad en de onderbouwing bij de afwijking vast te leggen in het jaarverslag.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 266).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Wiersma en Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering binnen de aanpak voor werkgevers specifieke aandacht te bieden aan het ondersteunen van het mkb, bijvoorbeeld via de taalakkoorden die met individuele werkgevers en branches worden gesloten.

(Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 88).

De uitvoering van deze motie loopt. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd in de eerstvolgende voortgangsrapportage over de uitvoering van het actieprogramma Tel mee met Taal.

De motie Kwint en Wassenberg; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, in overleg met studenten, mbo-scholen, hogescholen en universiteiten te formuleren onder welke uitzonderlijke voorwaarden online proctoring wel kan worden ingezet, conform de motie-Futselaar.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 263).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Kwint c.s.; De Tweede Kamer verzoekt het kabinet, in gesprek te gaan met de MBO Raad, Vereniging Hogescholen en VSNU om ervoor te zorgen dat fysiek onderwijs de norm is, en behoudens dwingende omstandigheden alleen bij hoge uitzondering en met instemming van studenten en docenten tot afstandsonderwijs mag worden overgegaan.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 262).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering samenwerking in praktijkgericht onderzoek tussen de verschillende sectoren binnen het beroepsonderwijs te bevorderen, te stimuleren dat practoraten in het mbo worden doorontwikkeld en van het practoraat een beschermde titel te maken.

(Kamerstukken II 2016/17, 34412, nr. 21).

Er is subsidie toegekend aan Stichting Ieder MBO een practoraat, om hiermee een verdere invulling te geven aan practoraten.

Motie van het lid Peters en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering om maximaal drie jaar na inwerkingtreding van de wet de Kamer te voorzien van een evaluatie in hoeverre de regel dat alleen één vo-school en één mbo-instelling een verticale scholen-gemeenschap kunnen vormen, een beperking is voor het vormen van verticale scholengemeenschappen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35606, nr. 25).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer, overwegende dat een bindend studieadvies grote gevolgen kan hebben voor de toekomst van jongeren; verzoekt de regering binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet de Kamer, in samenwerking met de JOB, te rapporteren over het aantal uitgebrachte negatieve bindend studieadviezen, het aantal klachten dat hierover is binnengekomen, en de manier waarop mbo-instellingen omgaan met het toelatingsrecht, het bindend studieadvies en de begeleiding in het eerste jaar.

(Kamerstukken II 2015/16, 34457, nr. 22).

Het Rapport monitor Toelatingsrecht met uitkomsten BSA wordt voor het herfstreces 2021 verwacht.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering de bekendheid van de gelijke positie van de student te vergroten door organisaties als de VNG, MKB-Nederland, VNO-NCW, VH, VSNU en andere daarover actief te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35252, nr. 18).

De Tweede Kamer wordt voor het herfstreces 2021 geïnformeerd.

Motie van de leden Kuik en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te gaan met de mbo-sector hoe recht gedaan kan worden aan de positie van jongeren onder de 18 in het mbo en hun in ieder geval voorrang te geven bij het krijgen van het fysieke onderwijs vanaf september.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 197).

Over de uitvoering van de motie wordt gerapporteerd voor de begrotingsbehandeling in oktober 2021.

De Tweede Kamer (constaterende dat de subsidie voor onderwijsvoorzieningen voor personen met een handicap, zoals de inzet van een gebarentolk, alleen kan worden toegekend aan personen jonger dan 30 jaar; overwegende dat bij het wegnemen van de belemmeringen die personen ondervinden bij het volgen van onderwijs als gevolg van ziekte of gebrek, een leeftijdgrens geen rol mag spelen) verzoekt de regering, artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies te herzien op dit punt, of een aparte regeling te treffen voor personen die nu geen aanspraak kunnen maken op deze voorziening.

(Kamerstukken II 2020/21, 34562, nr. 12).

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd voor het kerstreces 2021.

Motie van het lid Van den Berge; De Tweede Kamer verzoekt de regering , in gesprek te gaan met de MBO Raad en JOB met als doel in dit door corona getekende studiejaar het BSA niet onverkort toe te passen, maar om recht te doen aan de buitengewone omstandigheden en een niet bindend advies toe te passen, en de Kamer uiterlijk 1 april over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 449).

De Tweede Kamer wordt voor het herfstreces 2021 geïnformeerd.

De motie Peters en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering de mogelijkheden van één gemeenschappelijk wettelijk kader voor het gehele voortgezet onderwijs en het mbo te onderzoeken dat tegemoetkomt aan de wensen en de onderscheiden posities van de verschillende geledingen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35606, nr. 27).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Paternotte en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering een inventarisatie te maken welke bewezen effectieve maatregelen onderwijsinstellingen kunnen nemen ter bevordering van het studentenwelzijn en ervoor te zorgen dat de instellingen hiervan gebruik kunnen maken.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 260).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Peters en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met het onderwijsveld te onderzoeken op welke wijze ervoor gezorgd kan worden dat scholen samen de verantwoordelijkheid krijgen een minimaal dekkend aanbod in de regio in stand te houden, hier de omgekeerde doelmatigheidstoets in mee te nemen, en de Kamer daarover voor de begrotingsbehandeling te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35606, nr. 24).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Kuik en Wiersma; De Tweede Kamer, constaterende dat uit onderzoek blijkt dat tussen de 34% en de 40% van de werknemers in de schoonmaak, bouw, industrie, productie, landbouw en keuken nauwelijks kan lezen en schrijven, verzoekt de regering om allereerst met deze sectoren in gesprek te gaan om doelstellingen te formuleren om de laaggeletterdheid in die sectoren terug te dringen.

(Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 89).

De uitvoering van deze motie loopt. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd in de eerstvolgende voortgangsrapportage over de uitvoering van het actieprogramma Tel mee met Taal.

Motie van de leden Van den Berge en Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering alles op alles te zetten om meer stages te creëren in de publieke sector, inclusief stages bij decentrale overheden, uitvoeringsorganisaties en zelfstandige bestuursorganen (zbo’s), en de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 137).

Op dit moment wordt bekeken hoe deze motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te bewerkstelligen dat ieder stagebedrijf dat erkend wordt een hand-out krijgt met informatie over hoe discriminatie tijdens de selectie herkend en voorkomen kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 12).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering met centrumgemeenten concrete, en meetbare, afspraken te maken over onder andere het aanbieden van actieve hulp aan het gemeenteloket, de begeleiding en doorverwijzing naar taalhuizen en het succesvol geholpen aantal mensen.

(Kamerstukken II 2018/19, 28760, nr. 95).

De uitvoering van deze motie loopt. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd in de eerstvolgende voortgangsrapportage over de uitvoering van het actieprogramma Tel mee met Taal.

Motie Kuik en Smals; De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met de maatschappelijk partners binnen het mbo te onderzoeken wat een reële richtlijn is om effectief burgerschapsonderwijs vorm te geven, en daarbij expliciet te maken welke inzet de mbo-instelling minimaal moet leveren om effectief burgerschapsonderwijs te geven.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 466).

Op dit moment loopt er onderzoek naar een richtinggevend kwaliteitskader voor Burgerschap en LOB. Deze motie wordt in dit onderzoek meegenomen.

Motie van de leden Bruins en Van den Berge; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met ondernemers, onderwijsinstellingen en bestaande aanbieders van excellentietrajecten, en met voorstellen te komen om de mogelijkheden voor het afleggen van excellentietrajecten uit te breiden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 78).

De Tweede Kamer wordt voor het einde van 2021 geïnformeerd.

Motie van de leden Kerstens en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenwerking met onderwijs, werkgevers en regionale actoren mogelijkheden te verkennen om het stagetekort te verkleinen, bijvoorbeeld door versnelde certificering van leerwerkbedrijven, duostages of kennisdeling.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 119).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Wiersma en Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de uitwerking van de plannen binnen het Nationaal Programma Onderwijs ook het plan van een ‘opleidingsfonds’ mee te nemen, waarbij ondernemers in de meest getroffen sectoren gedurende de looptijd van een leerbaan extra hulp kunnen krijgen, met als doel om het aantal praktijkplekken juist in de herstelfase aan te jagen en te borgen, en de Kamer over deze uitwerking te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 192).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Westerveld en Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de doelgroep en cliënten-organisaties te inventariseren wat er nodig is om een passend onderwijs-aanbod te bieden aan mensen met een handicap en/of neurodivergente personen en wat daarvoor nodig is qua ondersteuning, lesmiddelen en andere voorwaarden; verzoekt de regering tevens, om aan de hand van deze aanbevelingen afspraken te maken met het vervolgonderwijs, met het doel dat er meer mogelijkheden komen voor mensen met een handicap of neurodivergente mensen om een vervolgopleiding of delen daarvan te volgen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 18).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Lucas; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Kamer jaarlijks te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de cross-overkwalificaties en jaarlijks te bezien of het in generiek beleid omgezet kan worden.

(Kamerstukken II 2015/16, 31524, nr. 284).

De Tweede Kamer is op 16 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 483).

De motie van de leden Westerveld en Van den Berge; De Tweede Kamer verzoekt de regering onderzoek te doen naar de beweegredenen van technisch geschoolden om voor een niet-technische baan te kiezen, en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 32637, nr. 395).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Van den Berge en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in het kader van de evaluatie van de Burgerschapsagenda mbo 2017–2021 specifiek aandacht te besteden aan: •de kwaliteit en professionalisering van docenten burgerschap; •de aansluiting tussen de leerdoelen van burgerschapsonderwijs in het mbo en de leerdoelen van maatschappijleer in het vmbo.

(Kamerstukken II 2019/20, 35336, nr. 16).

Op dit moment loopt er een onderzoek naar een richtinggevend kwaliteitskader voor Burgerschap en LOB. Deze motie wordt in dit onderzoek meegenomen. In het kader van de curriculumherziening in het voortgezet onderwijs wordt gekeken naar de leerdoelen maatschappijleer; de aansluiting met de kwalificatie-eisen in het mbo is daarbij een aandachtspunt.

Motie Smals en Kuik; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken hoe de burgerschapsopdracht binnen het mbo meer uniform ingevuld kan worden, zodat het burgerschapsonderwijs resulteert in meer kennis en kunde over de democratische rechtsstaat in Nederland, en dit mee te nemen in de evaluatie van de burgerschapsagenda.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 468).

Op dit moment loopt er een onderzoek naar een richtinggevend kwaliteitskader voor Burgerschap en LOB waarin deze motie wordt meegenomen.

Motie van de leden Van den Berge en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering een deskundig team op te richten, bestaande uit experts en ervaringsdeskundigen, dat mbo-instellingen en leerwerkbedrijven kan ondersteunen in de aanpak van stagediscriminatie, en dat tevens kabinet en Kamer kan adviseren over maatregelen om stagediscriminatie aan te pakken.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 50).

Op dit moment wordt bekeken hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Beertema; De Tweede Kamer verzoekt de regering het mogelijk te maken om pr.o.-docenten zelf entree-examens tot het mbo te laten afnemen, alsmede de ruimte te bieden om als assessor entree-examens af te nemen bij andere pr.o.-scholen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 450).

De Tweede Kamer wordt voor het einde van 2021 geïnformeerd.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met JOB en de MBO Raad afspraken te maken over de facilitering van studentenraden, bijvoorbeeld met landelijke urennormen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35000 VIII, nr. 62).

De Tweede Kamer zal in het najaar van 2021 nader geïnformeerd worden.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat het effect is van de diplomabe-kostiging als rendementsprikkel op het toelatingsrecht, de doorstroming en het BSA.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 445).

De Tweede Kamer zal voor het herfstreces 2021 worden geïnformeerd.

Motie Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek met de sector te bevorderen dat in het onderwijs over basiswaarden, zoals mensenrechten, aandacht wordt geschonken aan de Grondwet én de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; verzoekt de regering tevens, te bezien of de onderwijsinspectie beter toezicht kan houden op de structurele inbedding van mensenrechten in het burgerschapsonderwijs.

(Kamerstukken II 2019/20, 31524, nr. 467).

Op dit moment worden ambtelijke gesprekken gevoerd met het College voor de Rechten van de Mens, de MBO Raad en de Inspectie van het Onderwijs over de invulling van deze motie.

Motie van de leden Westerveld en Wassenberg; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in aanvulling op het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar stagediscriminatie specifiek stagediscriminatie bij studenten met een functiebeperking in beeld te brengen.

(Kamerstukken II 2020-21, 35570 VIII, nr. 271).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenwerking met de SBB te bezien of een aanscherping of expliciet vermelden van het tegengaan van discriminatie in de voorwaarden voor erkenning van een stagebedrijf kan bijdragen aan de bestrijding van stagediscriminatie.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 11).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering , om een langetermijnvisie te ontwikkelen voor het vervolgonderwijs waarin meer waardering is voor het beroepsonderwijs en praktische vaardigheden; verzoekt de regering, tevens om met het onderwijsveld, leerlingen en ouders tot een gezamenlijke aanpak te komen om deze schreefgroei tegen te gaan, en de Kamer op de hoogte te houden.

(Kamerstukken II, 2020/21, 35830 VIII, nr. 19).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Sneller, El Yassini, Molen en Van der Graaf; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de Mediabegrotingsbrief van najaar 2021 een eerste schets van deze aanvullende criteria voor het aantonen van maatschappelijke binding van omroepen op te nemen, inclusief een systeem voor controle daarvan; verzoekt de regering, voorts te zorgen dat in de komende concessieperiode de stand van zaken ten opzichte van deze criteria al inzichtelijk wordt gemaakt door omroepen; verzoekt de regering, ten slotte te zorgen dat deze aanvullende criteria voor de concessieperiode die aanvangt in 2027 kunnen worden gehanteerd en ruim daarvoor in de Mediawet zijn verankerd.

(Kamerstukken II 2020/21, nr. 35554, nr. 15).

De Tweede Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

Motie van de leden Van den Berge, Snels en Renkema; De Tweede Kamer verzoekt de regering verzoekt de regering in gesprek te gaan met fotografenverenigingen over het voorlichten van gebruikers van fotomateriaal op internet en over het hanteren van billijke tarieven en procedures in gevallen waar sprake is van onopzettelijke inbreuk op het auteursrecht.

(Kamerstukken II 2020/21, 35454, nr. 10).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om een compact resultatenoverzicht te maken, met daarin: –de concrete, meetbare doelstellingen voor leesvaardigheid voor zowel p.o., vo als volwassenen; –de samenhang tussen alle op zichzelf staande leesinitiatieven; –op welke wijze en met welke resultaatverplichting deze initiatieven bijdragen aan de doelstellingen om de leesvaardigheid van de diverse leeftijdsgroepen te verbeteren; en de Kamer voor de zomer van 2021 hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 108).

Met de brief van 20 mei 2021 is de Tweede Kamer over de voortgang van de actieagenda voor het Leesoffensief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 112).

De Tweede Kamer verzoekt de regering deelname aan de Regeling Letterhoeke voort te zetten.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VII, nr. 76).

De Tweede Kamer is over deze motie geïnformeerd bij de beantwoording van Kamervragen, Aanhangsel van de Handelingen 2019-2020, nr. 3298.

Motie van de leden Van der Molen en Aartsen; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij een volgende wijziging van de Mediawet mee te nemen dat volstrekt helder wordt gemaakt dat de kosten van signaaldoorgifte van NLPO/lokale omroepen beperkt zijn tot de doorgiftekosten aan de Mediahub.

(Kamerstukken II 2018/19, 35000 VIII, nr. 126).

De indieners van deze motie hebben een amendement over dit onderwerp opgesteld (Kamerstukken II 2018/19, 35042, nr. 9). dat op 9 april 2019 met algemene stemmen is aangenomen (Handelingen II 2018-2019, nr. 72, item 20, p. 1). Indien wetsvoorstel 35042 ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen, is het doel van de motie bereikt.

Motie van het lid Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken of het mogelijk is de voordelen van samenwerking te delen maar de eigen identiteit van de omroepen beter te borgen door het hanteren van een erkenningenhouder in plaats van een erkenninghouder, en de Kamer hier zo snel mogelijk over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35554, nr. 21).

De Tweede Kamer wordt over deze motie geïnformeerd bij de jaarlijkse Mediabegrotingsbrief medio november van 2021.

Motie van de leden Geluk-Poortvliet en Belhaj; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat er nodig is om de toekomst van de collectie van Muziekweb en de toegang ertoe veilig te stellen, en de Kamer daarover voor 1 februari 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 33846, nr. 64).

Met de partijen bij het bibliotheekconvenant is afgesproken dat Muziekweb/CDR de gelegenheid krijg een plan op te stellen. De KB heeft dit plan op 1 juni 2021 ingediend bij Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In oktober 2021 komt de minister met een reactie op deze brief.

Motie van het lid Bruins c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Rinnooy Kan in ieder geval uitgebreid in te gaan op hoe in de tweede geldstroom meer ruimte kan worden gecreëerd voor vrij en ongebonden onderzoek en hoe dat samengaat met een sterkere coördine-rende rol voor NWO binnen de wetenschap.

(Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 859).

De Tweede Kamer wordt aan het einde van de zomer van 2021 geïnformeerd middels een Kamerbrief met de beleidsreactie evaluatie NWO.

Motie van de leden Kerstens en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg te treden met vakbonden en werkgevers om te onderzoeken hoe tot een aanpak van de hoge werkdruk en het structurele overwerk gekomen kan worden.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 120).

De Tweede Kamer wordt in de tweede helft van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onderzoek te doen naar de uitval van zwangere vrouwen in de wetenschap.

(Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 228).

De Tweede Kamer is over deze motie geïnformeerd met de brief van 9 juli 2021 Voortgang nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 250).

Motie van de leden Westerveld en Kuiken; De Tweede Kamer constaterende dat de regering 360 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld om ventilatie aan te pakken, waarvan 260 miljoen pas inzetbaar is in 2022 en 2023;) verzoekt de regering, om de 260 miljoen al beschikbaar te maken voor dit jaar; verzoekt de regering, tevens om urgentie te betrachten in het oplossen van ventilatieproblemen bij scholen en deze zomer hierop al extra inzet te plegen.

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1368).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van de leden Kwint en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering in te zetten op alleen wetenschappelijk bewezen leesmethodes.

(Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 110).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Bruins en Van den Molen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in gesprek te gaan met de PO-Raad om te zorgen dat het onderscheid tussen «lio als werknemer» en «lio als stagiair» opgeheven wordt en dat alle lio’s een passende beloning ontvangen.

(Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 399).

Er is met de PO-Raad gesproken en afgesproken dat dit thema bij de volgende herziening van de cao wordt meegenomen. Daarbij blijft waarschijnlijk wel het onderscheid tussen een lio-medewerker (die volledig zelfstandig voor de klas staat en onderwijs verzorgt) en de lio-stagiair (die vanuit zijn studie nog een stage moet lopen op een school en daarin ook begeleiding ontvangt, en niet zelfstandig voor de klas staat).

Motie van het lid Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering te verkennen of zij een voortvarende uitbreiding van het aantal jongerenrechtbanken mogelijk kan maken, en de Tweede Kamer hier zo snel mogelijk over te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 28).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Wilders; De Tweede Kamer verzoekt de regering per ommegaande van ventilatie topprioriteit te maken en de juiste ventilatie te verlangen in de horeca, scholen, bedrijven en winkels, en goede adviezen te geven voor ventilatie thuis

(Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 1362).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Bisschop c.s. De Tweede Kamer verzoekt de regering samen met de vereniging van leerplichtambtenaren (Ingrado) en de vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) te werken aan betere informatievoorziening over de positie van ouders en kinderen bij de vrijstelling wegens gewetensbezwaren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 88).

De Tweede Kamer heeft het onderwerp thuisonderwijs controversieel verklaard.

Motie van de leden Rudmer Heerema en Van Nispen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en hen actief te wijzen op de naderende wettelijke verplichting conform het amendement-Rudmer Heerema/Van Nispen (35 102, nr. 23) met betrekking tot het geven van twee uur bewegingsonderwijs per week, te laten inventariseren wat er beschikbaar is, wat er nodig is en wat er ontbreekt aan accommodaties om te kunnen voldoen aan de wettelijke verplichting van twee uur bewegingsonderwijs, en hen te wijzen op de gemeentelijke verantwoordelijkheid in het bieden van voldoende sportaccommodaties om dit mogelijk te maken.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 272).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om de invoering van digitale hulpmiddelen nadrukkelijk te monitoren op kansengelijkheid.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 243).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Bisschop c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering bij de herziening van de kerndoelen recht te doen aan de bijzondere status van het Nederlands als eigen taal, basisscholen vrijheid te laten behouden wanneer zij beginnen met onderwijs in het Engels met inachtneming van een nader te bepalen eindniveau - en meer oog te hebben voor de beheersing van grenstalen; verzoekt de regering tevens onderzoek te laten doen naar manieren om Engels en grenstalen te leren op een manier die bijdraagt aan het versterken van het Nederlands, vooral ook bij leerlingen met een taalontwikkelingsachterstand, en het Ontwerpteam 2032 te verzoeken dit onderzoek te vertalen naar wijzen waarop ook leerlingen met een taalontwikkelingsachterstand in staat gesteld worden het eindniveau voor Nederlands, Engels en de grenstalen te realiseren.

(Kamerstukken II 2015/16, 31293, nr. 302).

Op 9 juli 2021 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de huidige stand van zaken (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 585). Op het moment dat er gestart wordt met de ontwikkeling van kerndoelen, dan wordt deze motie daarbij betrokken.

De gewijzigde motie van het lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet Gratis schoolboeken specifiek in te gaan op de mogelijkheid om devices zoals laptops en tablets onder de Wet Gratis Schoolboeken te scharen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 176).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze evaluatie geïnformeerd.

Motie van het lid Van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om te bewerkstelligen dat er aanvullende maatregelen worden genomen tegen en dat er meer bewustwording komt over het probleem van onderadvisering van leerlingen met een migratieachtergrond en een lagere sociaaleconomische status en hiertoe tevens bestaande maatregelen te intensiveren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 242).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om met werkgevers en werknemers in gesprek te gaan om gezamenlijk tot afspraken te komen om meer vaste aanstellingen te realiseren en het aantal kleine banen terug te brengen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 234).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van het lid Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering mede op basis van ervaringen van de huidige experimenteerscholen te verkennen in hoeverre met het oog op het bieden van passend onderwijs een wettelijke ontheffing van het verplichte aantal schooldagen en vakantieweken nodig en mogelijk is die met kwalitatieve waarborgen is omgeven.

(Kamerstukken II 2018/19, 31293, nr. 467).

Op 1 augustus 2020 is het Experiment Ruimte in Onderwijstijd gestart waarbinnen 20 basisscholen mogen afwijken van onder andere de vijfdaagse schoolweek en de vakantieregeling. Geëvalueerd wordt of deze afwijkingen een positief effect hebben op de onderwijskwaliteit. Na afloop van het experiment (in 2025) zal worden bekeken of de wet- en regelgeving wordt aangepast.

Motie van het lid Van Raan; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de behoefte van leraren omtrent kennis en lesmaterialen rondom duurzaamheid; verzoekt de regering tevens, de samenwerkende non-profitorganisaties voor duurzaam onderwijs te betrekken bij dit onderzoek.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 529).

Deze motie wordt meegenomen in monitoringsonderzoek NRO voor de bijstelling van het curriculum .

Motie van het lid Kwint; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken wat de effecten zijn van het geheel uit de lumpsum halen van de docent en de resultaten hiervan voor de zomer van 2021 met de Kamer te delen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 556).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Peters en Paul; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenspraak met het onderwijsveld op korte termijn te komen tot heldere meetbare doelen voor de inzet van de middelen van het NPO en een laagdrempelige vorm van verantwoording van de inzet van de middelen zoals door de ARK bedoeld, om tussentijds te monitoren of scholen aan deze verantwoording voldoen en met welk effect de middelen worden ingezet en om scholen nadrukkelijk te bevragen op het behalen van de doelen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 233).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden De Hoop en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering concreet te maken op welke wijze en met welke bijbehorende middelen de kansengelijkheid die verband houdt met de leesvaardigheid zal worden verbeterd, en de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 111).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om pabostudenten als deel van het Nationaal Programma Onderwijs de mogelijkheid te bieden om als keuzevak of extra curriculaire activiteit kinderen te tutoren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 230).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering een fonds in te richten waarmee het huidige budget voor bewegingsonderwijs vanuit de prestatiebox, eerst voor twee jaar, beschikbaar komt voor innovatieve plannen van scholen in samenwerking met alo’s om de wettelijke verplichting van twee uur bewegingsonderwijs te halen en het bewegen in brede zin steviger op school te verankeren, en de Kamer periodiek te informeren over de voortgang hiervan en gaat over tot de orde van de dag.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 42).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 op de hoogte gehouden over de nadere uitwerking van de monitoring over de besteding van de gelden.

Motie van de leden Paul en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken welke van de zogenaamde best practices als het gaat om de monitoring binnen het Nationaal Programma Onderwijs, zoals bijvoorbeeld resultaatmonitor of de rapportage van scholen over de schoolscan, een meer blijvend karakter kan krijgen binnen het onderwijs, zodat dit meer inzicht geeft op belangrijke aspecten van het onderwijsstelsel zonder dat dit zorgt voor extra bureaucratie of werkdruk voor leraren, en hierover de Kamer te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35830 VIII, nr. 10).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

De motie van leden Bisschop en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken hoe op korte termijn meer maatwerk kan worden geboden ten aanzien van bevoegdheden voor het werken met het jonge kind.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 75).

De Tweede Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de internetconsultatatie van het wetsvoorstel bevoegdheden schoolonderwijs aan het jonge kind en aan het oudere kind,

Motie van het lid Wiersma; De Tweede Kamer verzoekt de regering. met de Autoriteit Persoonsgegevens in gesprek te gaan om te inventariseren welke digitale leermiddelen er momenteel door scholen worden gebruikt en of deze volledig voldoen aan de strenge Europese regels die gelden voor de privacy van leerlingen en hierover de Kamer te informeren voor 1 maart 2021.

(Kamerstukken II 2019/20, 32024, nr. 38).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd met een brede brief over privacy.

Motie van het lid Peters c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering proactief de plannen en begrotingen van scholen met het grootste negatieve herverdeeleffect te volgen, deze scholen indien nodig te adviseren en zo vrijwel uit te sluiten dat de effecten binnen drie jaar niet zouden kunnen worden opgevangen; verzoekt het kabinet, te onderzoeken of het nodig en mogelijk is om te komen met een coulanceregeling voor de enkele scholen die ook na het vierde jaar na invoering van de wet nog last hebben van het negatieve herverdeeleffect, mits zij kunnen aantonen dat zij er alles aan hebben gedaan om deze effecten zo goed mogelijk op te vangen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35605, nr. 10).

De motie wordt meegenomen in de evaluatie van de Wet vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs.

Motie van het lid Segers c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de minister, een onderzoeksnetwerk op te zetten van onderwijsinstellingen, -professionals en wetenschappers met als doel kennis en goede praktijken aan te reiken en actief toe te passen en kennisdeling te bevorderen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 250).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid Beertema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om pr.o. als instroomniveau expliciet op te nemen in alle adviezen en scholen indringend te adviseren daar niet van af te wijken.

(Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 451).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Kwint en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering te bevorderen dat internationale technologiebedrijven die actief zijn in het Nederlandse onderwijs zonder voorbehoud het privacyconvenant ondertekenen, en indien nodig ondertekening te verplichten.

(Kamerstukken II 2019/20, 32034, nr. 33).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd met een brede brief over privacy.

Motie van het lid Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering in beeld te brengen of kleine geïsoleerde scholen door onbedoelde effecten van de vereenvoudigde bekostiging in zware problemen komen en deze scholen indien nodig te ondersteunen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35605, nr. 11).

De motie wordt meegenomen in de evaluatie van de Wet vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs.

Motie van de leden Van Meenen en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering indien de inspectie van het onderwijs gehinderd en of bedreigd wordt in de uitoefening van de functie, direct tot alle wettelijk mogelijke sancties over te gaan.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 122).

De Tweede Kamer wordt in de eerstvolgende verzamelbrief over deze motie geïnformeerd.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering met voorstellen te komen om in alle onderwijssectoren een wet voor maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef in te voeren.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 121).

Aan deze motie wordt uitvoering gegeven door middel van het wetsvoorstel uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium. De indiening van het wetsvoorstel vindt plaats in september 2021.

De motie van de leden Kuik en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering (overwegende, dat het in het kader van het vergroten van kansen voor leerlingen belangrijk is dat leerlingen die na het officiële keuzemoment voor een extra vak alsnog willen doorstromen van vmbo naar havo of van havo naar vwo ook ondersteund worden in de overstap van de ene schoolsoort naar de andere) bij scholen onder de aandacht te brengen dat er voor deze groep leerlingen altijd de mogelijkheid kan worden geboden tot het aanbieden van een doorstroomprogramma, waarbij scholen dat niet allemaal afzonderlijk hoeven aan te bieden, maar het ook in gezamenlijkheid kunnen regelen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35195, nr. 21).

De Tweede Kamer wordt voor einde van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Kwint en Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering te kijken of pabostudenten, maar eventueel ook studenten die sociaal werk of een andere mogelijk relevante opleiding doen, hun stage kunnen doen bij kinderen die dit nodig hebben, en waar nodig ook betaald studenten te vragen om kinderen te helpen met thuisonderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 166).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van het lid Van Baarle; De Tweede Kamer verzoekt de regering om nadrukkelijker te borgen dat leerlingen betrokken worden bij de totstandkoming van de herstelplannen van scholen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 241).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van het lid van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat er een toeslag komt voor brede scholengemeenschappen op één locatie om kansengelijkheid en tegengaan van segregatie te bevorderen) om brede scholengemeenschappen met twee locaties binnen een beperkte straal gelijk te stellen aan brede scholengemeenschappen op één locatie en hun ook deze toeslag uit te keren.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 446).

De motie is in uitvoering, de Tweede Kamer wordt hier in de eerstvolgende veegbrief over geïnformeerd.

Motie van het lid Michon-Derkzen c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering een verkenning uit te voeren in samenwerking met het Rode Kruis en verschillende onderwijspartijen, zoals de VO-raad en docentenvakgroepen, om te bezien op welke manier EHBO-kennis en vaardigheden op korte termijn het beste overgebracht kan worden binnen het voortgezet onderwijs en de Kamer hierover voor de zomer van 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35565, nr. 3).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

De motie van het lid Rog; De Kamer verzoekt de regering bij toekomstige onderhandelingen over de sectorakkoorden in het onderwijs ook de vertegenwoordigers van schoolleiders en leraren te betrekken.

(Kamerstukken II 2014/15, 31289, nr. 241).

Deze motie blijft ‘on hold’ tot er een nieuw regeerakkoord is.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering om in samenwerking met leerlingen, leraren, ouders, schoolleiders en besturen uit beide sectoren te komen tot een omschrijving van de hoofdlijnen van de begroting met ten minste het onderwijsgevend en onderwijsondersteunend personeel, de allocatie van middelen binnen het bestuur, de inzet van reserves en materiële lasten.

(Kamerstukken II 2018/19, 31293, nr. 448).

Afgesproken is dat het wetsvoorstel medio 2022 afgerond wordt. De Tweede Kamer wordt hierna zo snel mogelijk geïnformeerd.

De motie van het lid Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in samenwerking met gemeenten meer regie te voeren op een divers aanbod van verschillende typen brugklassen.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 194).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Paternotte en Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om proactief, in overleg met scholen, vervolgopleidingen en jongeren, concrete voorstellen op te stellen voor specifieke maatwerkroutes van het voortgezet onderwijs naar het hoger onderwijs.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 72).

Ondanks de aandacht die nodig is om het onderwijs dit jaar goed vorm te geven i.v.m. de coronacrisis, is het gesprek in 2021 met de sectorraden over de maatwerkroutes inmiddels begonnen. Informatie over vervolggesprekken is nog niet beschikbaar.

Motie van de leden Westerveld en Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om het maximum van € 600.000 toeslag voor een kleine geïsoleerde brede scholengemeenschap te verhogen tot het toegezegde maximum van € 800.000 door het bedrag per leerling te verhogen.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 445).

De motie is uitgevoerd, de Tweede Kamer wordt hier in het najaar van 2021 over geïnformeerd.

Motie van het lid Bisschop c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de aangekondigde algemene maatregel van bestuur aandacht te schenken aan de wijze waarop de lasten voor kleine scholen kunnen worden beperkt, waaronder de keuzemogelijkheid om meetinstrumenten voor sociale veiligheid in te kopen dan wel deze zelf te ontwikkelen.

(Kamerstukken II 2017/18, 29240, nr. 79).

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer over deze motie geïnformeerd.

De motie van het lid Rog c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering verzoekt het kabinet, op de kortst mogelijke termijn te bezien of de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Onderwijs uitgebreid kan worden voor alle onderwijssectoren met «maatschappelijke verantwoor-delijkheid», antidemocratische gedragingen of antidemocratisch gedach-tegoed en het schorsen van bestuurders, en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te berichten.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 118).

Aan deze moties wordt, uitvoering gegeven met het wetsvoorstel uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium. De indiening van het wetsvoorstel zal in september 2021 plaatsvinden.

Motie van de leden Jasper van Dijk en Kuiken; De Tweede Kamer verzoekt de regering indien de inspectie de toegang tot een school wordt ontzegd, niet te aarzelen om in te grijpen door middel van financiële sancties dan wel over te gaan tot sluiting van de school.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 125).

De Tweede Kamer wordt in de eerstvolgende verzamelbrief over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Segers en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering , in het voorjaar van 2022 de Kamer te informeren over de voortgang van de besteding van de NPO-middelen en dan te bezien of scholen de ruimte moet worden geboden de besteding van de NPO-middelen in drie schooljaren te doen.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 236).

De Tweede Kamer is op 25 juni 2021 per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Hierin is aangegeven dat in het voorjaar van 2022 verder gekeken wordt naar deze motie (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 255). De Tweede Kamer wordt hierover voor het zomerreces van 2022 geïnformeerd.

Motie van de leden Peters en Bisschop; De Tweede Kamer verzoekt de regering de periode waarbinnen de middelen van het Nationaal Programma Onderwijs moeten worden besteed met twee schooljaren te verlengen als dat tussentijds nodig blijkt.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 232).

De Tweede Kamer is op 25 juni 2021 per brief geïnformeerd over de stand van zaken. Hierin is aangegeven dat in het voorjaar van 2022 verder gekeken wordt naar deze motie (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 255). De Tweede Kamer wordt hierover voor het zomerreces van 2022 geïnformeerd.

Motie van de leden Van Meenen en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de verbetering van het curriculum eerste en hoogste prioriteit te geven aan de basiskennis en -vaardigheden Neder-lands, rekenen/wiskunde, Engels en burgerschap.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 522).

Aan de motie wordt invulling gegeven met het bijstellen van examenprogramma’s Nederlands, wiskunde, Engels en maatschappijleer voor vmbo, havo en vwo. Hierover is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31332, nr. 105).

Motie van het lid Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om samen met de pabo’s ervoor te zorgen dat het curriculum van de pabo tijdens de curriculumherziening van het funderend onderwijs wordt aangepast en herzien op basis van de tussentijdse uitkomsten, en dat het curriculum van de pabo meer in lijn loopt met het proces van de curriculumherziening; verzoekt de regering tevens, dit proces te monitoren, en periodiek de Kamer hierover te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 41).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Bisschop en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek het aandeel Nederlands onderzoek in de menukaart te versterken, in ieder geval voor wat betreft de leesbevordering.

(Kamerstukken II 2020-21, 35570 VIII, nr. 238).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Motie van de leden Rog en Van Meenen; De Tweede Kamer verzoekt de regering in overleg met de onderwijssector en de inspectie, te verkennen hoe voorkomen kan worden dat de indicator «onderbouwren-dement» kansenbelemmerend en risicomijdend gedrag bij scholen onbedoeld versterkt en op dit punt toe te werken naar een nieuwe vorm van toezicht, en de Kamer daarover te informeren voor de Voorjaarsnota.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 53).

De Tweede Kamer wordt in september 2021 geïnformeerd over deze motie.

Motie van de leden Westerveld en Van den Hul; De Tweede Kamer verzoekt de regering te zorgen dat leraren en scholen bij het ontwikkelen van nieuwe kerndoelen en eindtermen stevig betrokken blijven, en daarvoor de benodigde ondersteuning en middelen beschikbaar te stellen; verzoekt de regering tevens, om heldere afspraken te maken met de vertegenwoordigers van leraren en vakverenigingen over hun betrokkenheid bij het proces en bij de wetenschappelijke curriculumcommissie.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 523).

Leraren, schoolleiders, vakverenigingen en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij het proces en de voortgang van de wetenschappelijke curriculumcommissie. Ook zullen zij actief worden betrokken bij de ontwikkeling van concept kerndoelen en de bijstelling van examenprogramma’s.

Motie van het lid Van den Hul c.s. ; De Tweede Kamer verzoekt de regering om bij de nadere uitwerking van de kerndoelen voor po en vo ook voorstellen op te nemen over hoe racisme, discriminatie, antisemitisme, koloniaal verleden en migratiegeschiedenis stevig verankerd worden in het curriculum.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 540).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering om na invoering van de wet te blijven monitoren wat dit vereenvoudigde bekostigingsmodel voor gevolgen heeft voor brede schoolgemeenschappen en segregatie, en de Kamer jaarlijks te informeren.

(Kamerstukken II 2019/20, 35354, nr. 15).

De Tweede Kamer wordt met de Staat van het Onderwijs 2022 (over het jaar 2021) opnieuw geïnformeerd over de stand van zaken omtrent segregatie. De Staat van het Onderwijs verschijnt in maart/april 2022. Er wordt op dit moment een segregatie-onderzoek aanbesteed, waar een jaarlijkse monitor deel van uitmaakt. De eerste monitor zal verschijnen in het voorjaar van 2023.

Motie van het lid Beertema; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onderwijsinterventies waarvan de effectiviteit niet bewezen is of die niet zeer aannemelijk is, uit te sluiten van financiële toerusting in het kader van het Nationaal Programma en gaat over tot de orde van de dag.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 186).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre prestatiedruk in het onderwijs ten koste gaat van maatschappelijke betrokkenheid van leerlingen en studenten.

(Kamerstukken II 2017/18, 31289, nr. 365).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over deze motie.

De motie van de leden Jasper van Dijk en Rudmer Heerema; De Tweede Kamer verzoekt de regering (van mening dat de Minister van OCW onderwijsbestuurders moet kunnen ontslaan indien door leidinggevenden antidemocratische en anti-integratieve opvattingen worden verspreid), een voorstel te doen om bestuurders op deze gronden te kunnen ontslaan.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 124).

Aan deze motie wordt uitvoering gegeven met het wetsvoorstel uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium. De indiening van het wetsvoorstel zal in september 2021 plaatsvinden.

De motie van het lid Van Dijk; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat de Minister, ondanks ernstige misstanden op het Cornelius Haga Lyceum, de school niet kan sluiten) het mogelijk te maken dat een school bij dergelijk wanbeleid kan worden gesloten.

(Kamerstukken II 2018/19, 29614, nr. 123).

Aan deze motie wordt uitvoering gegeven met het wetsvoorstel uitbreiding van het bestuurlijk handhavingsinstrumentarium. De indiening van het wetsvoorstel zal in september 2021 plaatsvinden.

De motie van het lid Westerveld; De Tweede Kamer verzoekt de regering met scholen afspraken te maken over het registreren van incidenten die van invloed zijn op de (sociale) veiligheid van leerlingen; verzoekt de regering tevens, in de monitor sociale veiligheid een beeld te geven van het aantal incidenten op scholen en de aard hiervan.

(Kamerstukken II 2018/19, 29240, nr. 105).

In verband met corona is de monitor in 2020 uiteindelijk niet doorgevoerd. De Tweede Kamer zal in december 2021 worden geïnformeerd over de uitkomsten van de monitor 2021.

Motie van het lid Bruins; De Tweede Kamer verzoekt de regering (constaterende dat het traject Curriculum.nu bouwstenen heeft opgeleverd die bruikbaar zijn voor een vervolg, maar dat er nog wel vragen zijn te stellen over samenhang en overladenheid;) ook in het vervolgtraject vakverenigingen sterk te betrekken.

(Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 535).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

De motie van de leden Kuiken en Paternotte; De Tweede Kamer verzoekt de regering de Gwendoline van Puttenschool concrete voorstellen te doen gericht op een passende aansluiting op het hbo in Nederland op basis van de vigerende praktijk op de school.

(Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 146).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 geïnformeerd over de AMvB Saba comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES.

De motie van de leden Kuik en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering in de nog op te stellen AMvB geen wettelijke doorstroomvoorwaarde voor de overstap van havo naar vwo op te nemen, zodat dit een vrijwillige keuze wordt, maar wel deelname van de leerling aan een doorstroomprogramma in de zomer verplicht te maken.

(Kamerstukken II 2019/20, 35195, nr. 15).

De Tweede Kamer is op 5 juni 2020 geïnformeerd in het AMvB Staatsblad 2020, 171. Ook is er in de brief van 15 september 2020 ingegaan op deze motie (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

Motie van de leden Heerema en Rog; De Tweede Kamer verzoekt de regering, om de burgerschapsopdracht ook op B4-scholen van toepassing te verklaren, op een wijze die past bij het bijzondere karakter van deze scholen, nieuwe B4-scholen op dit punt vooraf te toetsen en dit in de Regeling aanwijzing internationale en buitenlandse scholen vast te leggen, en hierover de Kamer in het voorjaar van 2021 te informeren.

(Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 25).

In het najaar van 2021 ontvangt de Tweede Kamer een beleidsreactie op het rapport Toezicht b4-scholen.

Motie van het lid Westerveld c.s.; De Tweede Kamer verzoekt de regering om onafhankelijk onderzoek te doen naar de manier waarop examens in het vso worden afgenomen en daarin te kijken naar de inhoud van de examens, de manier van afnemen, het proces eromheen en of de examens wel passen bij de belevingswereld van de vso-leerling.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 430).

In de brief van 12 februari 2021 ‘Staatsexamen vo’ (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 443). is de Tweede Kamer op de hoogte gebracht van de stand van zaken van deze motie. De Tweede Kamer zal in het najaar van 2021 verder worden geïnformeerd.

Motie van het lid De Hoop; De Tweede Kamer verzoekt de regering om beter recht te doen aan de verscheidenheid binnen de groep staatsexamenkandidaten, en de Kamer te informeren over hoe zij dit invult.

(Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 458).

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze motie geïnformeerd.

Motie van de leden Bisschop en Peters; De Tweede Kamer verzoekt de regering, interventies waar scholen en ouders direct samenwerken, een duidelijker eigenstandige positie te geven in de menukaart.

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 236).

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de motie kan worden vormgegeven.

Tabel 130 Door bewindslieden gedane toezeggingen die zijn afgerond

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

tz_OCW_2020_61 De minister zal de Tweede Kamer nader informeren over de verdere uitvoering van de motie om te onderzoeken wat nodig is in primair en voortgezet onderwijs om maatwerk te bieden voor die kinderen met achterstanden.

Parlementair agendapunt [17-06-2020] - Debat Onderwijs en Corona II in het primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 17 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185).

T02913 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vragen van de leden Ganzevoort (GroenLinks) en Van Apeldoorn (SP), toe de mogelijkheden te verkennen om de naleving en uitvoering van de Lokale Educatieve Agenda (LEA) beter afdwingbaar te maken. De Kamer wordt hierover nog dit kalenderjaar geïnformeerd.

Parlementair agendapunt [12-05-2020] - WGO Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen (Eerste Kamer)

De Eerste Kamer is op 18 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31293, nr. 571).

T02461 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Bruijn (VVD), Schalk (SGP) en Sent (PvdA), toe de evaluatie van de wet ook naar de Eerste Kamer te sturen. In de evaluatie wordt mede ingegaan op de additionele mogelijkheden om kleine scholen in stand te houden en op het aantal scholen dat gebruikmaakt van de mogelijkheid om een samenwerkingsschool te vormen. Daarbij wordt tevens aangegeven welk deel daarvan onder een bijzonder bestuur komt te vallen en welk deel onder een openbaar bestuur.

Parlementair agendapunt [11-07-2017] - Wetsvoorstel Wet samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool

De Eerste Kamer is op 17 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 35570 VIII, nr. A).

tz_OCW_2020_65 In het kader van het noodplan lerarentekorten G5 ontvangt de Tweede Kamer informatie over hoeveel gebruik wordt gemaakt van de G5-middelen en geboden mogelijkheden.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 09 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

tz_OCW_2020_71 De minister zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de resultaten van de inventarisatie ‘Landelijk Coördinatieteam Ventilatie’

Parlementair agendapunt [03-09-2020] - Onderwijs en corona V Primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 1 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 555).

tz_OCW_2018_178 In 2020 ontvangt de Tweede Kamer de evaluatie van de sectorakkoorden.

Parlementair agendapunt [01-11-2018] - Begrotingsbehandeling (OCW) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vervolg. Eerste termijn regering en tweede termijn Tweede Kamer

De Tweede Kamer is op 12 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 549).

T02941 De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs zegt de Eerste Kamer ongevraagd toe haar het door de Tweede Kamer bij motie verzochte onderzoek over schaalgrootte in het onderwijs toe te sturen.

Parlementair agendapunt [09-06-2020] - Afschaffen van de Fusietoets in het Funderend Onderwijs + Wet Meer Ruimte voor nieuwe Scholen het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet medezeggenschap op scholen in verband met het afschaffen van de fusietoets in het funderend onderwijs (35104).

De Eerste Kamer is op 1 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31293, nr. 565).

tz_OCW_2019_28 Inzake de huisvesting en problemen over de normering: De minister zegt toe dat hij bij het eerstvolgende overleg met de commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs van de VNG, dit onderwerp zal bespreken. Als daar iets uitkomt wat met Tweede Kamer gedeeld moet worden, zal hij dat zeker doen.

Parlementair agendapunt [12-02-2019] - VAO Passend onderwijs

De Tweede Kamer is op 5 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen 1571).

tz_OCW_2020_86 De minister BVOM zegt toe de Tweede Kamer voor de kerst een brief te sturen over de verantwoording van de onderwijsbekostiging.

Parlementair agendapunt [08-10-2020] - AO Toereikendheid en doelmatigheid onderwijsbekostiging (McKinsey Rapport)

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII nr. 175).

T02911 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Ganzevoort (GroenLinks) toe een integrale beleidsagenda segregatie op te stellen.Toezegging brede agenda tegen segregatie. De Minister is bereid om een negatieve zienswijze inzake segregatie extra gewicht te geven en waar nodig nieuwe scholen aanwijzingen te geven dat ze hun plan inclusiever moeten maken. Om antisegregatiebeleid in de educatieve agenda afdwingbaar te maken en daarin de inspectie een zwaardere rol geven. De bereidheid is er om een integrale aanpak van segregatie te initiëren en daarover met de Kamers in gesprek te gaan.

Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen 35 050Behandeling Verslag Eerste Kamer 2019/2020, nr. 26, item 6.

De Eerste Kamer is op 18 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 571).

tz_OCW_2019_45 De minister zegt toe dat hij bij de evaluatie van de sectorakkoorden ook een kader zal schetsen van mogelijke prioritaire onderwerpen die voor een doelfinanciering in aanmerking zouden kunnen komen. Hij zegt tevens toe dat de besturenorganisaties en vakbonden worden betrokken bij het overleg hierover.

Parlementair agendapunt [06-03-2019] - Lumpsum bekostiging in het funderend onderwijs

De Tweede Kamer is op 12 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293 nr. 549).

tz_OCW-2020-66 De minister zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk informeren over zijn overleg met Amsterdam over inzet van de G5-middelen voor VSO-docenten.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

tz_OCW_2020_7 De Tweede Kamer ontvangt een brief over de resultaten van een gesprek met de inspectie over het benodigde wettelijk instrumentarium om onderwijsconcepten te kunnen beoordelen.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - Wet actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (35102)

De Tweede Kamer is op 15 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 183).

tz_OCW_2019_213 Inzake het LerarenOntwikkelfonds: Als uit de evaluatie (eerste kwartaal 2020) blijkt dat het echt een succes is en dat er meer geld nodig is, ga ik een inspanningsverplichting aan om te kijken of we dat in het lopende jaar kunnen regelen.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

tz_OCW_2020_74 De minister komt nog terug op de wijze waarop de € 500 mln. wordt besteed en de mogelijk resterende € 56 mln.

Parlementair agendapunt [03-09-2020] - Onderwijs en corona V Primair en voortgezet onderwijs

In het Algemeen overleg van 3 september 2020 en het VAO van 10 september 2020 over Onderwijs en corona (primair en voortgezet onderwijs) is de Tweede Kamer mondeling geïnformeerd.

tz_OCW_2020_9 De eerstvolgende periodieke evaluatie van de deugdelijkheidseisen vindt voor de zomer plaats.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - Wet actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (35102)

De Tweede Kamer is op 15 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 183).

tz_OCW_2019_92 Het onderzoek naar de mogelijkheid voor het afleggen van examens op verschillende niveaus (conform passage regeerakkoord) is eind 2019 gereed en bereikt de Tweede Kamer met beleidsreactie in het voorjaar van 2020.

Parlementair agendapunt [12-06-2019] - ExamensToetsing en examinering in het voortgezet onderwijs.

De Tweede Kamer is op 3 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 426).

tz_OCW_2019_188 De ministers hebben inmiddels een commissie ingesteld die nog voor de zomer van 2020 met voorstellen voor een heel nieuw bevoegdhedenstelsel moet komen, met als doel, het beroep van leraar aantrekkelijker te maken.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 1 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 415).

tz_OCW_2020_32 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer voor de zomer 2020 te informeren over een eerste schets van het advies van de Commissie Onderwijsbevoegdheden.

Parlementair agendapunt [19-02-2020] - Plenair debat leraren

De Tweede Kamer is op 1 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 415).

tz_OCW_2019_43 In het voorjaar van 2020 ontvangt de Tweede Kamer het onafhankelijk onderzoek naar doelmatigheid en toereikendheid van de lumpsumbekostiging (waaronder de materiële bekostiging). Ook de motie van het lid Van Meenen inzake bekostiging per school wordt hierin meegenomen.

Parlementair agendapunt [06-03-2019] - Lumpsum bekostiging in het funderend onderwijs

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

T02696 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD) toe met de VO-raad en de MBO Raad in gesprek te gaan over de wenselijkheid en mogelijkheid van verwerking van doorstroomgegevens.

Parlementair agendapunt [19-02-2019] - Bundeling en aanpassing van regels over de registers mbt onderwijsdeelnemers (Wet register onderwijsdeelnemers) in de Eerste Kamer(kamerstuk 34878)

Op 23 september 2020 heeft de Commissie OCW Eerste Kamer bevestigd dat deze toezegging is nagekomen.

tz_OCW_2019_162 Voor de zomer van 2020 ontvangt de Tweede Kamer een eerste rapportage over het bevoegdhedenstelsel, waaronder de specialisatie Jonge kind binnen de pabo.

Parlementair agendapunt [09-10-2019] - AO Leraren

De Tweede Kamer is op 1 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 415).

Inzake de motie van het lid Rog (35000-VIII, nr. 50): de minister zal aan de VO-raad vragen of zij willen inventariseren bij hun leden wat gesprekken over de werkdruk opleveren en wat dat voor beeld geeft. Hij zal dat bij zijn bestuurlijk overleg met hen aan de orde stellen en vervolgens de Tweede Kamer informeren over de uitkomsten daarvan.

Parlementair agendapunt [01-11-2018] - Begrotingsbehandeling (OCW) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Vervolg. Eerste termijn regering en tweede termijn Tweede Kamer

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 573).

tz_OCW_2020_63 De minister informeert de Tweede Kamer over de casus Magister en de redenen voor de prijsverhoging.

Parlementair agendapunt [17-06-2020] - Debat Onderwijs en Corona II in het primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

T02942 De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe de aanbevelingen van de commissie-Dijkgraaf nog dit jaar op te pakken en uit te werken.

Parlementair agendapunt [09-06-2020] - Afschaffen van de Fusietoets in het Funderend Onderwijs + Wet Meer Ruimte voor nieuwe Scholen het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisehet wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet medezeggenschap op scholen in verband met het afschaffen van de fusietoets in het funderend onderwijs (35104).

De Eerste Kamer is op 8 juni 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31289, nr. 468).

tz_OCW_2018_197 Betreffende de LOB-agenda's in het voortgezet onderwijs (VO) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo): In het najaar van 2019 zal OCW de Tweede Kamer informeren over de stand van zaken, of we goed op koers zijn en/of aanvullende maatregelen nodig zijn om de ambities waar te maken.

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden inzake OCW-begroting 2019 (35 000 - VIII, nr. 15)

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

tz_OCW_2020_69 Na de zomer ontvangt de Tweede Kamer een overzicht van het exacte aantal geslaagden voor de examens vo.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 13 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 432).

tz_OCW_2020_98 De minister voor BVOM zegt toe in gesprek te gaan met de betrokkenen van recente casussen en met hen en vertegenwoordigers te bekijken of datgene wat er nu al ligt ook echt afdoende is en of er meer nodig is met betrekking tot veiligheid van docenten, en de Tweede Kamer daarover voor het kerstreces te informeren.

Parlementair agendapunt [09-11-2020] - Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs

De Tweede Kamer is op 17 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 152).

tz_OCW_2019_116 De onderzoeken naar ontwikkelingen binnen het havo, zoals brede uitstroom en de daarvoor benodigde ondersteuning van docenten, zijn eind 2019 gereed en bereiken de Tweede Kamer begin 2020. Daarin wordt ook het afnemend onderwijsveld betrokken.

Parlementair agendapunt [17-06-2019] - Staat van het Onderwijs

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

tz_OCW_2019_125 De Tweede Kamer ontvangt in het najaar een terugkoppeling van gesprekken met o.a. de VTOI over de kwaliteit van intern toezicht en de bekostiging daarvan.

Parlementair agendapunt [19-06-2019] - Algemeen overleg Inspectie van het Onderwijs in het Funderend Onderwijs

De Tweede Kamer is op 15 september 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 548).

tz_OCW-2020_68 De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over het verloop inzake de herstelopdrachten die de onderwijsinspectie aan het bestuur van Cheider heeft gegeven.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2020_70 Na de zomer ontvangt de Tweede Kamer het onderzoek met een geactualiseerd beeld van het toelatingsbeleid voortgezet onderwijs in de grote steden.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 18 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 572).

tz_OCW_2019_124 De eerder toegezegde resultaten van de gesprekken over het onderwijsresultatenmodel komen einde van het jaar (2019) naar de Tweede Kamer.

Parlementair agendapunt [19-06-2019] - Algemeen overleg Inspectie van het Onderwijs in het Funderend Onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2021_21 Voor de zomer ontvangt de Tweede Kamer nadere informatie over de functiemix vo

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2020_75 De minister zegt toe te gaan monitoren hoeveel leerlingen thuis zitten vanwege corona, of er achterstanden zijn en zo ja, hoe groot deze zijn.

Parlementair agendapunt [03-09-2020] - Onderwijs en corona V Primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2020_62 De minister zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk rapporteren over de gesprekken met ouderorganisaties over de ervaringen van ouders (met onderwijstijd) in de afgelopen periode en de wijze waarop de school daar navraag naar heeft gedaan.

Parlementair agendapunt [17-06-2020] - Debat Onderwijs en Corona II in het primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2019_139 De Tweede Kamer ontvangt in het najaar de brede inventarisatie naar open en gesloten jeugdzorg. Daarin wordt ook het inspectieonderzoek naar residentieel onderwijs meegenomen.

Parlementair agendapunt [26-06-2019] - AO Passend Onderwijs; Voortgang en evaluatie

De Tweede Kamer is op 21 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 393).

In de dertiende voortgangsrapportage komt een analyse van de instroom in het speciaal onderwijs.

Parlementair agendapunt [31-01-2019] - Passend onderwijs

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2020_19 De Tweede Kamer ontvangt nadere informatie over de bezoeken van «Veilig thuis» en het aandeel van conflicten over wel of geen Passend onderwijs.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2020_13 De minister zal onderzoeken of het mogelijk is (en de Tweede Kamer hierover) rapporteren of een vertegenwoordiging van ouders met kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte standaard meegenomen kan worden in de kwaliteitsbeoordeling van de onderwijsinspectie (reactie op motie Kamerstuk 31497, nr. 343 van het lid Westerveld).

Parlementair agendapunt [28-01-2020] - VSO Ondersteuning van zeer makkelijk lerende of (hoog)begaafde kinderen in het onderwijs (31 497, nr. 336)

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2019_24 Er komt een Onderwijsraadadvies over passend onderwijs.

Parlementair agendapunt [31-01-2019] - Passend onderwijs

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

De evaluatie van deze wet zal plaatsvinden in het kader van het Onderwijsverslag 2015.

Parlementair agendapunt [14-03-2012] - Wijziging van onder meer de Wet op de expertisecentra in verband met de kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (32 812)

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2020_11 De Tweede Kamer ontvangt een brief met informatie n.a.v. het gesprek met "boze ouders"(manifest).

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - Wet actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (35102)

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

T01570 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Flierman (CDA), Ganzevoort (GroenLinks), Kuiper (ChristenUnie) en de Lange (OSF) toe om (1) het ECPO te verzoeken de tijdens het debat genoemde wensen van de Eerste Kamer - waaronder het invoeringstraject - mee te nemen in het evaluatiekader, (2) het evaluatiekader aan de Kamer te sturen, (3) het passend onderwijs te evalueren en een halfjaarlijkse monitor aan de Kamer te zenden, alsmede (4) de wetgeving aan te passen indien dit nodig blijkt uit de evaluatie en/of monitoring.

Parlementair agendapunt [02-10-2012] - Passend OnderwijsHerziening organisatie en financiering in het funderend onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs (passend onderwijs) onder nummer 33.106 + Kwaliteitsverbetering van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs onder nummer 32.812.

De Eerste Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2020_14 In de eindevaluatie Passend onderwijs, die de Tweede Kamer in juni ontvangt, zal ook een reactie worden meegenomen op het Onderwijsraadadvies uit maart, het inspectierapport uit april en het NRO-onderzoek uit mei.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW-2019_136 De Tweede Kamer ontvangt het onderzoek naar het leerrecht en de beleidsreactie daarop op niet al te lange termijn.

Parlementair agendapunt [04-07-2019] - VAO Passend Onderwijs

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2020_102 De minister zegt toe schriftelijk te rapporteren over de resultaten van de gesprekken inzake het VSO, onder andere inzake LBVSO en VSO naar GVO.

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2019_198 Betreffende wachtlijsten in het speciaal onderwijs: De minister zal in de decemberbrief, de lerarenbrief, de Tweede Kamer daar verder over rapporteren.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2020_20 Bij de volgende rapportage wordt de Kamer geïnformeerd over de gesprekken met LEKSO en de PO-Raad over de wachtlijsten in het speciaal onderwijs.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2020_100 De minister zegt toe dat hij, voor het kerstreces, schriftelijk zal reageren op de vraag hoe de prestatieboxmiddelen kunnen worden ingezet voor thuiszitters.

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2020_64 De Tweede Kamer ontvangt voor het debat over de evaluatie Passend onderwijs een brief van de ministeries van OCW en VWS over het raakvlak onderwijs-zorg en de stelselverantwoordelijkheid. Hierin wordt ook aandacht besteed aan de verdere ontwikkelingen rond de Hoenderloo Groep, de opvang van de leerlingen en de behoefte aan een voortzetting of doorstart van de school in de regio.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

De Tweede Kamer is op 10 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 372).

tz_OCW_2019_180 Inzake de vraag is de minister bereid om ondersteuning voor zorgleerlingen direct toe te kennen, de docent hierin te vertrouwen en pas achteraf te controleren: In de eerdere overleggen met de Tweede Kamer over passend onderwijs hebben de ministers laten weten dat ze dit soort vraagstukken meenemen in de evaluatie van het passend onderwijsbeleid dat in het voorjaar van 2020 beschikbaar komt. In dat kader zijn zij bezig met een veldtraject waar alle partijen betrokken zijn. Op basis van de onderzoeksresultaten en het veldtraject worden er conclusies getrokken en wordt bepaald hoe zij in de komende jaren verder gaan met passend onderwijs. Begin juni 2020 wordt dit aan de Tweede Kamer aangeboden.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2019_174 Inzake samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp in de regio verbeteren: de inspiratieregio's doen ervaring op met de verschillende aanpakken van de knelpunten, waarbij de meest succesvolle landelijk kunnen worden overgenomen. Uiterlijk in het voorjaar van 2020 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 10 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 372).

tz_OCW_2020_105 De Tweede Kamer ontvangt een schriftelijke reactie op de vraag over de rol van de onderwijsinspectie bij individuele gevallen/casussen.

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31293, nr. 576).

tz_OCW_2019_38 De minister informeert de Tweede Kamer vóór de zomer van 2019 over de achtergronden bij de CBS-cijfers over uitstroom uit het (voortgezet) speciaal onderwijs (uitstroom naar profiel «dagbesteding» in plaats van verdergaan met onderwijs).

Parlementair agendapunt [21-02-2019] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 212).

TZ_OCW_2019_182 Inzake tijdpad SER advies gelijke kansen:in de adviesaanvraag aan de SER vragen de ministers advies in het voorjaar van 2020 uit te brengen.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 26 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 442).

tz_OCW_2020_28 De minister BVOM zegt toe voor de zomer van 2020 de Tweede Kamer extra voorstellen over thuiszitters toe te sturen.

Parlementair agendapunt [19-02-2020] - VAO Onderwijs en zorg

De Tweede Kamer is op 24 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 26695, nr. 134).

tz_OCW_2020_15 De Kamer ontvangt in februari de uitwerking van het regeerakkoord inzake het leerrecht.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2020_16 In de volgende rapportage Passend onderwijs wordt een overzicht opgenomen van de ondersteunende functionarissen in en rond het passend onderwijs.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2019_137 De minister zal de Tweede Kamer schriftelijk informeren over de resultaten van de gesprekken met bestuurders van samenwerkingsverbanden die bovenmatig hoge reserves hebben en wat de juridische mogelijkheden zijn om in te grijpen.

Parlementair agendapunt [26-06-2019] - AO Passend Onderwijs; Voortgang en evaluatie

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 371).

tz_OCW_2019_17 De minister komt met voorstellen voor een nieuw bekostigingsmodel lwoo-pro.

Parlementair agendapunt [31-01-2019] - Passend onderwijs

De Tweede Kamer is op 5 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31497, nr. 413).

tz_OCW_2020_72 De minister houdt de Tweede Kamer op de hoogte van de ontwikkelingen rond de herkansingen in het VSO en van de vertegenwoordiging van VSO-leerlingen in het overleg met het ministerie.

Parlementair agendapunt [03-09-2020] - Onderwijs en corona V Primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2020_73 De minister zegt toe het probleem van mondkapjes van bepaalde groepen leerlingen in het leerlingenvervoer aan de orde te laten komen in het overleg met de vervoerders.

Parlementair agendapunt [03-09-2020] - Onderwijs en corona V Primair en voortgezet onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276).

tz_OCW_2020_35 De minister OCW zegt toe in gesprek te gaan met VNG, vertegenwoordigers van podia en vertegenwoordigers van gezelschappen over het beeld met betrekking tot diversiteit in de programmering op podia en een eventuele negatieve financiële prikkel met betrekking tot de programmering van rijksgesubsidieerde gezelschappen.

Parlementair agendapunt [04-03-2020] - AO Toepassing «Fair practice Code»

De Tweede Kamer is op 13 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 155).

tz_OCW_2020_34 De minister OCW zegt toe voor de begrotingsbehandeling 2021 het onderzoek over diversiteit in het aanbod van podia naar de Kamer te sturen en ook een eerdere versie van dit onderzoek spoedig aan de Tweede Kamer te doen toekomen.

Parlementair agendapunt [04-03-2020] - AO Toepassing «Fair practice Code»

De Eerste Kamer is op 13 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2019/20, 35300 VIII, nr. 155).

tz_OCW_2019_107 De minister zegt toe dat er in het beleid rond beladen erfgoed en roofkunst geen onomkeerbare stappen zullen worden gezet (verkoop, teruggave et cetera) voordat de respectieve beleidskaders hierover met de Tweede Kamer zijn besproken. Zij sprak een mogelijk voorbehoud uit voor urgente kwesties, al zal de Kamer ook daarbij worden meegenomen.

Parlementair agendapunt [05-06-2019] - AO inzake Erfgoed en monumenten

De Tweede Kamer is op 4 maart 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 390). Daarnaast is op 29 januari 2021 de Beleidsvisie Collecties uit een koloniale context aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 405).

T02714 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Backer (D66), toe dat de subsidiëring van groene monumenten ook via de subsidieregeling voor de particuliere woonhuiseigenaren kan lopen, waarbij het groen er integraal bij gerekend wordt.

Parlementair agendapunt [11-12-2018] - Belastingplan met o.a. de behandeling van de Wet fiscale maatregel rijksmonumenten (34.556)

Op 22 september 2020 heeft de Eerste Kamer via de Korte aantekeningen vergadering commissie OCW laten weten dat wat haar betreft deze toezegging is nagekomen ( Korte aantekeningen 22 september 2020) ).

tz_OCW_2019_206 De Kamer wordt nader geïnformeerd over de mogelijkheden rond gratis opening van musea op één dag per maand en welke initiatieven er in gemeenten al zijn.

Parlementair agendapunt [18-11-2019] - wetgevingsoverleg begrotingsonderdeel Cultuur

De Tweede Kamer is op 13 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 155).

tz_OCW_2019_204 De Kamer ontvangt voor de zomer van 2020 een brief met de resultaten van het onderzoek naar de stand van zaken van de popsector.

Parlementair agendapunt [18-11-2019] - wetgevingsoverleg begrotingsonderdeel Cultuur

De Tweede Kamer is op 18 december 2020 per brie geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 404).

tz_OCW_2019_215 De Kamer ontvangt een brief over de voortgang van de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in medialand, de ‘ faire practice code’ en de casus rond de CAO van cameramensen.

Parlementair agendapunt [25-11-2019] - Wetgevingsoverleg Begrotingsbehandeling , onderdeel Media

De Tweede Kamer is op 19 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35554, nr. 28).

Tz_2020_ ....De minister van BZK zegt toe samen met de minister van Basis- Voortgezet Onderwijs en Media in gesprek te gaan met de NPO over het vertolken van verkiezingsdebatten

Plenair debat Voorstel van wet van de leden Kuiken, Dik-Faber en Van Eijs ter erkenning van de Nederlandse gebarentaal (Wet erkenning Nederlandse gebarentaal (34 562) d.d. 8 september 2020 (Handelingen II 2020/21, nr. 98, item 28)

De Tweede Kamer is op 12 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/2021, nr. 35165, nr. 32).

tz_OCW_2020_110 De minister BVOM zegt toe in gesprek te gaan met betrokken partijen over de arbeidsmarktontwikkelingen in de mediasector en de Tweede Kamer daarover in het voorjaar, nog voor de verkiezingen, te informeren

Parlementair agendapunt [30-11-2020] - Wetgevingsoverleg Begroting onderdeel Media

De Tweede Kamer is op 19 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35554, nr. 28).

tz_OCW_2020_111 De minister BVOM zegt toe de Tweede Kamer een brief te sturen over de mogelijkheden die er zijn om de geschreven pers te ondersteunen en daarin tenminste in te gaan op een verlaging van het btw-tarief, de distributieheffing en de mededingingsregels en daarbij ook in te gaan op de uitvoerbaarheid van deze mogelijkheden.

Parlementair agendapunt [30-11-2020] - Wetgevingsoverleg Begroting onderdeel Media

De Tweede Kamer is op 20 april 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32827, nr. 112).

tz_OCW_2020_79 De minister van OCW zegt toe in gesprek te gaan over waarom er voor consumenten van digitale publicaties nog geen prijsdaling heeft plaatsgevonden ondanks de verlaging van de BTW op digitale publicaties en de Tweede Kamer daarom te informeren voor 1 februari 2021.

Parlementair agendapunt [23-09-2020] - VSO Evaluatie Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en advies Raad voor Cultuur (33 846, nr. 59)

De Tweede Kamer is op 10 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1644).

tz_OCW_2020_106 Het onderzoek naar de invloed van de Corona-crisis op de cultuursector (zoals de daling van de omzet, werkgelegenheid, betaling in zzp-ers) is in het voorjaar van 2021 gereed en zal aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

Parlementair agendapunt [23-11-2020] - Wetgevingsoverleg Begroting OCW, onderdeel Cultuur

De Tweede Kamer is op 7 juni 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 418).

tz_OCW_2018_208 De minister laat, in overleg met de minister van Economische Zaken, een extern onderzoek uitvoeren naar de effecten van het prijsbeleid (wordt ook internationaal gekeken). De minister hoopt de Tweede Kamer in het voorjaar van 2019 hierover te informeren.

Parlementair agendapunt [03-12-2018] - Media (Begrotingsonderdeel)

De Tweede Kamer is op 10 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 32728, nr. 198).

tz_OCW_2019_217 De minister zegt toe dat tezamen met het wetsvoorstel i.v.m. implementatie van de ‘ audiovisuele mediadienstenrichtlijn’ de Tweede Kamer een brief ontvangt over de vormgeving van de bescherming van minderjarigen voor online reclame.

Parlementair agendapunt [25-11-2019] - Wetgevingsoverleg Begrotingsbehandeling , onderdeel Media

De Tweede Kamer is op 20 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35361, nr. 25).

T03057 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Blécourt-Wouterse (VVD), toe de mogelijkheid van een protocol voor het genrebeleid open te zullen houden.

Parlementair agendapunt [08-12-2020] - Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (Antwoord regering en re- en dupliek)

De Eerste Kamer is op 8 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 35554, nr. G).

T03059 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Pijlman (D66), toe om de wijziging om aandacht te besteden aan de regio op de nationale zenders te evalueren en deze evaluatie naar de Eerste Kamer te sturen.

Parlementair agendapunt [08-12-2020] - Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (Antwoord regering en re- en dupliek)

De Eerste Kamer is op 8 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 35554, nr. G).

tz_OCW_2020_80 De minister van OCW zegt toe voor het WGO Cultuur over de uitvoering van de motie zoals ingediend door het lid van den Berge c.s. te rapporteren (naar verwachting in een verzamelbrief).

Parlementair agendapunt [23-09-2020] - VSO Evaluatie Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en advies Raad voor Cultuur (33 846, nr. 59)

De Tweede Kamer is op 13 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 396).

tz_OCW_2020_91 De minister volgt scherp de gevolgen van de crisis voor de studenten: welzijn, studievertraging, werkdruk, onderwijskwaliteit en de financiële positie van de instellingen. De inspectie monitort dat en de Tweede Kamer wordt hierover in november geïnformeerd.

Parlementair agendapunt [15-10-2020] - Begrotingsbehandeling, onderdeel Onderwijs, (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII)

De Tweede Kamer is op 24 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

tz_OCW_2019_183 Inzake specifieke koopkrachtberekeningen voor studenten: de uitkomsten van de beleidsdoorlichting (art. 11 studiefinanciering) kunnen worden gebruikt om te bezien hoe vervolgonderzoek het beste kan worden vormgegeven, of dat middels het studentenonderzoek of op een andere manier moet worden gedaan.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 17 februari 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35300 XV, nr. 94).

tz_OCW_2020_95 KNAW en VSNU zijn nu aan het kijken hoe ze het rolling-grantfonds kunnen uitrollen. De voorstellen zal de minister ook aan de Tweede Kamer doen toekomen.

Parlementair agendapunt [15-10-2020] - Begrotingsbehandeling, onderdeel Onderwijs, (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII)

De Tweede Kamer is op 12 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 225).

tz_OCW_2017_32 De wet invoering associate degree-opleiding wordt na vier jaar gemonitord (aangezien de hele cyclus doorlopen moet zijn). De Minister zegt toe dat mochten er echter na twee jaar signalen zijn over een gebrekkige aansluiting van werkgevers of dat het verkeerd gebruikt wordt en de wet niet tot de emancipatie en verheffing leidt, maar juist tot het apart zetten van studenten die misschien wat meer aandacht vragen, dan wordt de balans opgemaakt, wordt de thermometer erin gehouden en worden op dat moment al maatregelen genomen. In de monitoring wordt ook het punt van de stage(begeleiding) meegenomen.

Parlementair agendapunt [29-06-2017] - Associate Degree (AD)

De Tweede Kamer is op 22 juni 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 914).

tz_OCW_2020_45 De minister OCW zegt toe een beeld van het aantal studenten dat uit beeld is geraakt door de coronacrisis aan de Tweede Kamer te doen toekomen in de zomer of in het najaar.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Onderwijs en Corona IV Hoger onderwijs

De Tweede Kamer is op 24 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

tz_OCW_2019_83 De Tweede Kamer wordt per brief nader geïnformeerd over bij motie (34735-15) verzochte gedifferentieerde beoordeling, die de kwaliteit van de instelling inzichtelijk maakt voor studenten

Parlementair agendapunt [15-05-2019] - Voorinvesteringen Hoger Onderwijs

De Tweede Kamer is op 11 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 901).

tz_OCW_2019_176 In het eerste kwartaal van 2020 komt de beleidsreactie op het KNAW-briefadvies Neerlandistiek en het plan van aanpak van het Platform voor de Talen. De lerarenopleidingen zullen hierin worden meegenomen.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 1 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 871).

tz_OCW_2020_26 Eind 2020 ontvangt de Kamer een stand van zaken betreffende de Strategische Agenda en in het najaar komen de voorstellen voor bekostiging van hoger onderwijs. Daarin wordt ook ingegaan op het punt van het lid Futselaar inzake krimp bij hoge scholen in de toekomst.

Parlementair agendapunt [10-02-2020] - Notaoverleg Strategische Agenda hoger onderwijs

De Tweede Kamer is op 5 maart 2021 en op 22 maart 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 903) en (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

tz_OCW_2018_83 In het najaar van 2020 ontvangt de Kamer een landelijk beeld van de plannen inzake besteding Studievoorschot. In het najaar van 2022 ontvangt de Tweede Kamer de voortgang van de plannen. De uiteindelijke evaluatie ontvangt de Tweede Kamer in 2026.

Parlementair agendapunt [20-06-2018] - AO Sectorakkoorden (HO)

De Tweede Kamer is op 22 maart 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 904).

tz_OCW_2020_4 Voor de zomer ontvangt de Kamer het inspectieonderzoek naar de voorzieningen rond cyberveiligheid binnen de Universiteit Maastricht. Begin februari wordt de Kamer voorzien van de informatie die dan voorhanden is inzake de casus Maastricht.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - AO Sociale Veiligheid in het onderwijs

De Tweede Kamer is op 3 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 426).

T02722 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Rinnooy Kan (D66), toe haar te informeren over de stand van zaken van de kwaliteitsafspraken en de mate van betrokkenheid van de medezeggenschap bij de hoger onderwijsinstellingen.

Behandeling Eerste Kamer van de Wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs (35.007)28-5-2019

De Tweede Kamer is op 22 maart 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 894).

tz_OCW_2020_81 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer later dit jaar te informeren over het stagetekort in het hoger onderwijs en in deze brief mee te nemen hoe het stagetekort zich ontwikkelt en de mogelijke aanpak.

Parlementair agendapunt [07-10-2020] - Debat over Onderwijs en Corona mbo / ho incl. Stages

De Tweede Kamer is op 24 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 479).

T02622 Naar aanleiding van een vraag van het lid Bruin (VVD), is toegezegd om de instroom van eerstejaars in alle sectoren in de gaten te houden en mee te nemen in de Monitor Beleidsmaatregelen.

Parlementair agendapunt [10-07-2018] - Verlaagd wettelijk collegegeld (Wet halvering collegegeld) Behandeling wetsvoorstel

De Eerste Kamer is op 19 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31288, nr. K).

tz_OCW_2020_23 Vóór het zomerreces ontvangt de Kamer de brede brief over selectie in het hoger onderwijs. Daarin wordt ook het instrument «loting» meegenomen, waarvoor instellingen zelf kunnen kiezen.

Parlementair agendapunt [10-02-2020] - Notaoverleg Strategische Agenda hoger onderwijs

De Tweede Kamer is op 19 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken I 2020/21, 31288, nr. K).

De Minister zal de Tweede Kamer voorzien van een onderzoek naar de effecten van extra financiële bijdragen aan onderwijs (zoals van honoursprogramma's).

Parlementair agendapunt [29-10-2015] - Begrotingsbehandeling OCW 2e termijn

De Tweede Kamer is op 19 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 883).

tz_OCW_2020_44 De minister OCW zegt toe te onderzoeken voor welke tekortsectoren, naast onderwijs en zorg, een financiële tegemoetkoming in de kosten voor studenten eventueel mogelijk zou kunnen worden gemaakt en de Tweede Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Onderwijs en Corona IV Hoger onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 35).

tz_OCW_2020_1 Rond de zomer ontvangt de Kamer de evaluatie van de pilots van de Ombudsfuncties in de wetenschap. Daarin wordt o.a. ingegaan op de toegang van studenten.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - AO Sociale Veiligheid in het onderwijs

De Tweede Kamer is op 17 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 240).

tz_OCW_2020_93 De minister zal met studentenorganisaties en onderwijsinstellingen bespreken of eerstejaars die afgelopen zomer niet mee konden doen aan de introductie, wellicht komend jaar wel mee kunnen doen als introducties dan weer mogelijk zijn.

Parlementair agendapunt [15-10-2020] - Begrotingsbehandeling, onderdeel Onderwijs, (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII)

De Tweede Kamer is op 22 juni 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 493).

tz_OCW_2020_77 De minister van OCW zegt toe voor de begrotingsbehandeling van OCW de Tweede Kamer te informeren over de stappen die worden gezet richting nieuwe bestuurlijke afspraken met gemeenten over de aanpak van laaggeletterdheid.

Parlementair agendapunt [23-09-2020] - VSO Voortgang uitwerking vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020-2024 (28760-102)

De Tweede Kamer is op 15 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

tz_OCW_2019_225 In het eerste kwartaal ontvangt de Kamer schriftelijke informatie over de voortgang van het wetsvoorstel inzake de verlengde kwalificatieplicht.

Parlementair agendapunt [11-12-2019] - VAO VSV en Jongeren met afstand tot arbeidsmarkt

De Tweede Kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2019/20, 29544, nr. 1019).

De Minister zegt toe dat in de experimenteer-AMvB, gericht op het creëren van regelruimte voor experimenten met kwalificatiedossiers, óók ruimte wordt gemaakt voor opleidingen die al willen starten met het examineren van keuzedelen.

Parlementair agendapunt [13-12-2017] - MBO

De Tweede Kamer is geïnformeerd met de toezending van het besluit van 18 december 2018, houdende bepalingen voor een experiment met beroepsopleidingen en kwalificaties met een regionale specialisatie in het middelbaar beroepsonderwijs (Staatsblad, 2019, 2).

tz_OCW_2019_90 Minister Koolmees zegt toe dat in de Uitvoeringstoets die het UWV opstelt, er nadrukkelijk aandacht zal zijn voor de fraude risico's.

Parlementair agendapunt [11-06-2019] - Leven lang ontwikkelen

De Tweede op 11 november 2019 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2019/20, 30012, nr. 123).

tz_OCW_2018_22 Vóór de zomer van 2019 ontvangt de Tweede Kamer de voortgangsrapportage over de LOB-agenda’s.

Parlementair agendapunt [07-03-2018] - Loopbaanoriëntatie en -begeleiding

De Tweede Kamer is op 26 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 489).

TZ_OCW_2019_167 In de brede evaluatie van het Techniekpact, die de Tweede Kamer voor eind 2019 ontvangt, wordt ook ingegaan op de verschillen van de instroom- en uitstroomcijfers tussen de mbo-niveaus 1 en 4.

Parlementair agendapunt [30-10-2019] - WGO Begrotingsonderzoek

De Tweede Kamer is op 27 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32637, nr. 438).

tz_OCW_2020_53 Voor de OCW-begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer inzicht in de ontwikkelingen in de stagemarkt; hoeveel plekken er via het actieplan zijn gerealiseerd, en hoe de tekorten zich ontwikkelen. De minister zegt toe de ontwikkeling van ‘stages bij het Rijk’ met andere ministeries te bespreken.

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

De Tweede Kamer is op 2 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2020/21, 31524, nr. 477).

tz_OCW_2015_170 De Minister geeft aan dat zij verschillende mogelijkheden ziet voor een stagebeurs voor mbo-docenten, zodat er meer kennis over de beroepspraktijk in het klaslokaal komt, via de lerarenbeurs en de scholingsmiddelen uit de cao's. Zij zal hierover niet in een aparte brief rapporteren aan de Tweede Kamer, maar samen met andere initiatieven.

Parlementair agendapunt [29-10-2015] - Begrotingsbehandeling OCW 2e termijn

De Tweede Kamer is op 9 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

tz_OCW_2019_201 Inzake de meesterroute voor specialistisch vakmanschap: De minister zal bij gesprekken over een dergelijke verkenning gelijk ook de vakscholen betrekken.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 5 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 478).

In 2020 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel over afschaffing van de onderwijsovereenkomst en versterking van de positie van de mbo-student in de wet.

Parlementair agendapunt [24-04-2019] - AO Studenten met een beperking in mbo en ho

De Tweede Kamer is op 4 november 2020 geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35625 nr. 1).

tz_OCW_2019_219 In het voorjaar van 2020 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van het overleg met de VNG over een dekkend aanbod van vavo.

Parlementair agendapunt [14-11-2019] - AO Leven Lang Leren samen met MSZW

De Tweede Kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1019).

tz_OCW_2020_83 De minister OCW zegt toe in november een bredere update aan de Tweede Kamer te zenden inzake corona en het mbo en ho, en daarin in ieder geval de ventilatie van gebouwen in mee te nemen.

Parlementair agendapunt [07-10-2020] - Debat over Onderwijs en Corona mbo / ho incl. Stages

De Tweede Kamer is op 24 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 479).

tz_OCW_2020_56 De minister zal de Tweede Kamer zo vroeg mogelijk in het najaar informeren over haar overleg met de MBO Raad over een pilot ter voorkoming van stagediscriminatie en mbo-instellingen verantwoordelijk te maken voor sollicitatieprocedures voor de eerste leerplekken en stages tijdens de opleiding. In deze brief zal de minister ook ingaan op de motie Van den Hul inzake omzetting stagegarantie in leveringsplicht (31524-411). Evenals op de motie motie van de leden Van den Berge en Kuik over een app voor laagdrempelige melding van stagediscriminatie (35252-15).

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

De tweede kamer is 2 oktober 2020 op per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 477).

TZ_OCW_2019_171 Vóór de zomer van 2020 ontvangt de Kamer het CBS-onderzoek inzake de uitstroom van jongeren naar de arbeidsmarkt, met specifiek aandacht voor groenpluk, mulitproblematiek en migratieachtergrond.

Parlementair agendapunt [31-10-2019] - AO Voortijdig schoolverlaten en Jongeren met afstand tot de arbeidsmarkt

De Tweede kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1019).

tz_OCW_2019_211 Inzake circulariteit (o.m. kringlooplandbouw, red.) in de kwalificatiestructuur: bij een volgende voortgangsrapportage over het mbo, als er een logisch moment is om het over de kwalificatiestructuren te hebben, zal de minister de Tweede Kamer melden hoe de sector daartegen aankijkt.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 23 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 129).

tz_OCW_2019_153 Inzake de vergoede en onvergoede stages in mbo en ho wordt de Kamer nader geïnformeerd over de mogelijke achtergronden van de verschillen binnen de verschillende sectoren.

Parlementair agendapunt [25-09-2019] - AO Middelbaar beroepsonderwijs

De tweede Kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1019).

TZ_OCW_2020_57 De Tweede Kamer ontvangt in het najaar de evaluatie van de versterking van de salarismix voor leraren in de Randstadregio's.

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

De Tweede kamer is op 15 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

tz_OCW_2019_194 De minister gaat het CBS vragen om te kijken hoe groot die groenpluk is en op welke plekken er ook een vrijwillige overstap gezien wordt.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede Kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1019).

tz_OCW_2019_210 De evaluatie van de functiemix in het mbo vindt in 2020 plaats (voor de begroting).

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

De Tweede kamer is op 15 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

tz_OCW_2019_224 Vóór de zomer ontvangt de Kamer informatie over de functiemix.

Parlementair agendapunt [11-12-2019] - VAO MBO

De Tweede Kamer is op 15 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 481).

tz_OCW_2020_55 De minister komt in het najaar terug op de suggestie om in de lob (loopbaanoriëntatie en -begeleiding) meer aandacht te besteden aan kansberoepen.

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

De Tweede Kamer is op 26 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 489).

tz_OCW_2019_222 Vóór de zomer ontvangt de Kamer een update over de stagevergoeding.

Parlementair agendapunt [11-12-2019] - VAO MBO

De Tweede Kamer is op 8 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29544, 1019).

tz_OCW_2020_84 De minister OCW zegt toe in november het vernieuwde servicedocument aan de Tweede Kamer te sturen.

Parlementair agendapunt [07-10-2020] - Debat over Onderwijs en Corona mbo / ho incl. Stages

De Tweede Kamer is op 24 november 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 479).

tz_OCW_2019_157 De Kamer ontvangt medio 2020 de evaluatie van het servicedocument (in relatie tot het niet gebruiken van studiematerialen) en de noodzaak voor verdere regelgeving.

Parlementair agendapunt [25-09-2019] - AO Middelbaar beroepsonderwijs

De Tweede Kamer is op 8 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 498).

tz_OCW_2019_223 Vóór de zomer ontvangt de Kamer een rapportage over het terugnemen van niet gebruikte schoolboeken.

Parlementair agendapunt [11-12-2019] - VAO MBO

De Tweede Kamer is op 8 juli 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 498).

De minister BVOM zegt toe de Kamer in het voorjaar een brief te sturen over de voor- en nadelen van het beschikbaar maken van het studentenreisproduct en daarin ook de gevolgen voor DUO mee te nemen.

Parlementair agendapunt [13-01-2021] - AO mbo (+ praktijkonderwijs)

De Tweede Kamer is op 24 juni 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31289, nr. 474).

tz_OCW_2021_4 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer voor de zomer een brief te sturen over flexibilisering bij kwalificatie.

Parlementair agendapunt [13-01-2021] - AO mbo (+ praktijkonderwijs)

Het CDA heeft in het debat gevraagd of keuzedelen bij een andere instelling gevolgd kunnen worden. Dit heeft het CDA in het VAO omgezet in een motie. Aan deze motie is uitvoering gegeven met de brief van 2 juli 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 31524, nr. 495).

tz_OCW_2020_48 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer in september te informeren over de vorm en verankering van de ombudsfunctie op universiteiten.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 17 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 240).

tz_OCW_2020_49 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer nog voor de zomer een brief te sturen over digitale dreigingen voor kennisinstellingen en de afspraken die hierover in samenwerking met het veld worden gemaakt.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 3 juli 2020 per brief (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 872).

tz_OCW_2020_2 In het voorjaar van 2020 ontvangt de Tweede Kamer het actieplan meer diversiteit in de wetenschap.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - AO Sociale Veiligheid in het onderwijs

De Tweede Kamer is op 1 september 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 29338, nr. 220).

tz_OCW_2020_51 De minister OCW zegt toe voor de begrotingsbehandeling een brief aan de Tweede Kamer te doen toekomen over de knelpunten met betrekking tot de toetreding tot coalition/plan S.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 9 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 881).

tz_OCW_2020_50 De minister OCW zegt toe in het najaar de Tweede Kamer te informeren over een eenduidige visie of kader met betrekking tot de lectoraten.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 18 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 892).

tz_OCW_2020_47 De minister OCW zegt toe in het najaar het nationaal actieplan diversiteit en inclusie aan de Tweede Kamer te doen toekomen en daarin ook aandacht te schenken aan sociale veiligheid.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 1 september 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 220).

tz_OCW_2020_46 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer nader te informeren over de financiële situatie van universiteiten in het licht van uitgesteld wetenschappelijk onderzoek.

Parlementair agendapunt [24-06-2020] - AO Wetenschapsbeleid

De Tweede Kamer is op 7 oktober 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 29338, nr. 223).

tz_OCW_2020_87 In het voorjaar van 2021 ontvangt de Tweede Kamer het advies van adviesgroep Vinkenburg over hoe het SER-advies ‘Meer vrouwen aan de top’ vertaald kan worden naar de (semi-) publieke sector, daarbij gaat het kabinet ook in op de vervolgstappen die zij voor zich ziet.

Parlementair agendapunt [02-11-2020] - Wetgevingsoverleg Emancipatie

De Tweede Kamer is op 11 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 30420, nr. 354).

T02700 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Lintmeijer (GroenLinks) en Meijer (SP), toe aan de verantwoordelijke bewindslieden het verzoek over te brengen om de Eerste Kamer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen rondom het tegengaan van onnodige geslachtsregistratie.

https://www.eerstekamer.nl/toezegging/onnodige_geslachtsregistratie_34

De Eerste Kamer is op 3 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 27859, nr. 145).

tz_OCW_2019_54 De Tweede Kamer ontvangt een brief met een reactie van de minister op de aanbevelingen van de rapporteur mensenhandel.

Parlementair agendapunt [27-03-2019] - Sociale veiligheid in het onderwijs

De Tweede Kamer is op 1 juli 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 28638, nr. 183).

tz_OCW_2019_44 Naar aanleiding van het onderzoeken van de toepasbaarheid van de aanpassing van de langdurige afschrijftermijnen binnen de reserveringen, rapporteert de minister in het najaar over de uitkomsten van de gesprekken hierover met de Raad voor de jaarverslaglegging en accountants.

Parlementair agendapunt [06-03-2019] - Lumpsum bekostiging in het funderend onderwijs

De Tweede Kamer is op 22 januari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 175).

Opnieuw wordt toegezegd dat de Tweede Kamer bij de volgende voortgangsrapportage geïnformeerd wordt over hoe greep te krijgen is op de omvang van het personeel dat niet in loondienst is.

Parlementair agendapunt [11-10-2018] - AO Leraren

De Tweede Kamer is op 9 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

tz_OCW_2020_30 De minister BVOM zegt toe de Kamer voor de zomer van 2020 te informeren over nieuwe cijfers over contractsoorten van leraren.

Parlementair agendapunt [19-02-2020] - Plenair debat leraren

De Tweede Kamer is op 9 december 2020 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 413).

tz_OCW_2019_113 De reactie op het TIAS-onderzoek over sturing van het onderwijs in ons onderwijsbestel wordt meegenomen in de beleidsreactie op het Onderwijsraadadvies over de educatieve infrastructuur. De Onderwijsraad werkt nu aan dat advies, dat naar verwachting in het najaar door de Onderwijsraad wordt gepubliceerd.

Parlementair agendapunt [17-06-2019] - Staat van het Onderwijs

De Tweede Kamer is op 5 februari 2021 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 31288, nr. 899).

Tabel 131 Door bewindslieden gedane toezeggingen die nog niet zijn afgerond

Omschrijving

Vindplaats

Stand van zaken

tz_OCW_2016_92 In 2020 volgt de evaluatie van de Wet overheveling buitenonderhoud po.

Parlementair agendapunt [19-04-2016] - VAO Onderwijshuisvesting PO/VO

De evaluatie is uitgesteld in verband met Corona en IBO-huisvesting.

tz_OCW_2016_159 De Staatssecretaris gaat om de tafel zitten met de sociale partners en de inspectie om te bekijken of de huidige systematiek van de verklaringen omtrent het gedrag kan worden verbeterd, ook in het licht van een aantal zaken die recentelijk hebben gespeeld.

Parlementair agendapunt [05-10-2016] - Wetsvoorstel Lerarenregister

Het onderzoek bevindt zich in de afrondende fase, het rapport en de beleidsreactie worden zo spoedig mogelijk aan de Tweede Kamer gezonden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Van Bijsterveld (CDA) en Kops (PVV), toe het percentage onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse taal pas te wijzigen na discussie met de Kamers over de resultaten van de evaluaties.

Parlementair agendapunt [22-09-2015] - Wetsvoorstel Aanbieden van Onderwijstijd in de Engelse, Duitse of Franse Taal voor het Primair Onderwijs

De Eerste Kamer zal begin 2023 worden geïnformeerd.

tz_OCW_2019_11 De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over mogelijk onbedoelde effecten van de doordecentralisatie van huisvesting op de financiële reserves.

Parlementair agendapunt [24-01-2019] - AO Leraren

De evaluatie is uitgesteld in verband met Corona en IBO-huisvesting.

tz_OCW_2019_160 De minister zal een onderzoek laten doen naar een eventuele alternatieve inrichting van de klachtenregeling. De uitgangspunten die daarbij worden genoemd zijn: eenduidige jurisprudentie, eenduidige werkwijze, professionele klachtbehandeling en onafhankelijkheid van commissies.

Parlementair agendapunt [25-09-2019] - VSO Overzicht van klachtbehandeling en -afhandeling in de verschillende onderwijssectoren en evaluatie klachtenregeling in het funderend onderwijs (35 000 VIII, nr. 213)

Op dit moment is de offerteaanvraag in de afrondende fase. Het streven is om de offerteaanvraag uiterlijk in september uit te sturen zodat in het najaar van 2021 het onderzoek kan worden gestart.

tz_OCW_2019_185 Er is een wetsvoorstel in voorbereiding waarmee, op basis van het regeerakkoord, duidelijke eisen worden gesteld aan het beroep op de vrijstelling voor thuisonderwijs.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

Het dossier thuisonderwijs is door de Tweede Kamer controversieel verklaard.

tz_OCW_2019_197 Inzake Europese scholen: in 2020 zal uiteindelijk de definitieve locatiekeuze plaatsvinden.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

Het besluit over de locatie ligt in december 2021 voor bij de Board of Governors. Hierna zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.

tz_OCW_2020_43 De minister zegt toe aan de Tweede Kamer een inventarisatie of analyse te doen toekomen van welke digitale platforms er door scholen worden gebruikt en of deze veilig zijn.

Parlementair agendapunt [16-06-2020] - VSO Evaluatie problemen toegang tot digitale leermiddelen bij de start van het schooljaar in VO en MBO (32 034, nr 32)

De Tweede Kamer wordt na het zomerreces 2021 geïnformeerd met een brede brief over privacy.

tz_OCW_2020_85 De minister BVOM zegt toe de Tweede Kamer een brief te zenden met daarin een overzicht van mogelijkheden van niveaudifferentiatie in het funderend onderwijs.

Parlementair agendapunt [08-10-2020] - AO Toereikendheid en doelmatigheid onderwijsbekostiging (McKinsey Rapport)

De Tweede Kamer zal in de eerstvolgende veegbrief geïnformeerd worden over deze toezegging.

tz_OCW_2021_20 De indicator lerarentekort is beschikbaar voor de Tweede Kamer in het najaar

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

Over de voortgang van het ontwikkelen van de indicator wordt de Tweede Kamer in de brief over onderwijsarbeidsmarkt in december 2021 geïnformeerd.

tz_OCW_2021_24 De minister blijft de Tweede Kamer op de hoogte houden van de uitvoering inzake een website met een overzicht van de lerarentekorten

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

De Tweede Kamer is in juni over deze toezegging geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 27923, nr. 418). De volgende stand van zaken komt in de brief over de onderwijsarbeidsmarkt in december.

tz_OCW_2017_10 Het wetsvoorstel, waarin medezeggenschapsraden een grotere rol krijgen bij advies en instemming, zal voor het zomerreces bij de Kamer worden ingediend.

Parlementair agendapunt [10-05-2017] - Werkdruk in het basisonderwijs

De Tweede Kamer wordt medio 2022 nader geïnformeerd over deze toezegging.

Voor het einde van 2018 ontvangt de Tweede Kamer het wetsvoorstel waarin instemmingsrecht wordt geregeld op hoofdlijnen van de begroting van een school. Daarin wordt óók het adviesrecht geregeld op beleid m.b.t. groepsgrootte.

Parlementair agendapunt [18-04-2018] - AO Groepsgrootte in het basisonderwijs en de Werkdruk in het Primair Onderwijs

De Tweede Kamer wordt medio 2022 geïnformeerd over deze toezegging.

tz_OCW_2020_5 In de volgende brief aan de Kamer over sociale veiligheid zal de minister verslag doen van zijn overleg met de Po- en Vo-raad over het tegengaan van online pesten van lhbt'ers.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - AO Sociale Veiligheid in het onderwijs

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 over deze toezegging geïnformeerd met de beleidsreactie bij de evaluatie van de Wet veiligheid op school.

tz_OCW_2020_67 De Tweede Kamer kan het wetsvoorstel inzake uitbreiding bestuurlijk instrumentarium eind januari 2021 tegemoet zien.

Parlementair agendapunt [01-07-2020] - AO Onderwijsachterstanden, lerarentekort en Kwetsbare leerlingen

Dit wetsvoorstel wordt in het najaar van 2021 ingediend.

tz_OCW_2020_96 De minister voor BVOM zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de evaluatie van de werking van de onafhankelijke commissie die uitlatingen door sleutelfiguren onderzoekt in het hoger onderwijs en de mogelijkheid van een dergelijke commissie voor het funderend onderwijs en zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de evaluatie van de werking van de onafhankelijke commissie die uitlatingen door sleutelfiguren onderzoekt in het hoger onderwijs en de mogelijkheid van een dergelijke commissie voor het funderend onderwijs.

Parlementair agendapunt [09-11-2020] - Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs

De Tweede Kamer wordt geïnformeerd wanneer er een nieuw kabinet is.

tz_OCW_2021-13 Betreffende het leesoffensief: de ministers komen dit najaar bij de Tweede Kamer met een uitgewerkt actieplan zien hoe dat offensief precies vormgegeven wordt.

Parlementair agendapunt [13-04-2021] - VSO Stand van Zaken Leesoffensief

Met de brief van 20 mei 2021 is de Tweede Kamer over de voortgang van de actieagenda voor het Leesoffensief geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 112).

tz_OCW_2017_38 Aan het einde van het jaar is het wetsvoorstel gereed om samenwerkingsverbanden te verplichten een doorzettingsmacht te regelen.

Parlementair agendapunt [05-07-2017] - Voortgangsrapportage Passend Onderwijs

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het najaar van 2022 aan de Tweede Kamer voorgelegd. In de voortgangsrapportage over passend onderwijs in het najaar van 2021 ontvangt de Tweede Kamer een update van de stand van zaken.

tz_OCW_2020_21 De Kamer ontvangt het wetsvoorstel inzake de doorzettingsmacht.

Parlementair agendapunt [05-02-2020] - AO Onderwijs en Zorg

Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in het najaar van 2022 aan de Tweede Kamer voorgelegd. In de voortgangsrapportage over passend onderwijs in het najaar van 2021 ontvangt de Tweede Kamer een update van de stand van zaken.

tz_OCW_2020_99 Voor de zomer van 2021 ontvangt de Kamer de uitwerking van de norm voor basisondersteuning.

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgangsrapportage over passend onderwijs.

tz_OCW_2020_101 De routekaart Inclusief onderwijs is in de eerste helft van 2021 gereed en wordt aan de Kamer gestuurd

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgangsrapportage over passend onderwijs.

tz_OCW_2020_103 De Kamer ontvangt de uitwerking van een directe bekostiging van het praktijkonderwijs (voor de (kabinets)formatie)

Parlementair agendapunt [16-11-2020] - Passend onderwijs notaoverleg Evaluatie onderzoek

Naar verwachting wordt het onderzoek naar directe bekostiging praktijkonderwijs in het najaar van 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd.

tz_OCW_2021_22 Na de zomer ontvangt de Tweede Kamer de regulier voortgangsrapportage Passend onderwijs (inclusief de voortgang van de routekaart)

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgangsrapportage over passend onderwijs.

tz_OCW_2021_23 De Tweede Kamer wordt op de hoogte gehouden over de school de Monnikskap te Nijmegen

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

Momenteel wordt bezien hoe de uitwerking van de toezegging kan worden vormgegeven.

tz_OCW_2021_25 De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de gemene deler van de plannen van de samenwerkingsverbanden i.v.m. de afbouw van de reserves

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021geïnformeerd over deze toezegging.

tz_OCW_2021_9 De minister zal vóór de zomer 2021 de Tweede Kamer informeren over de mogelijk nieuwe AMvB voor de zak/slaag regeling van volgend jaar, waarin de motie van het lid Van Meenen c.s. wordt meegenomen.

Parlementair agendapunt [13-04-2021] - Tweeminutendebat Besluit EindExamens + kabinetsreactie moties examens voortgezet speciaal onderwijs

De Tweede Kamer is op 7 juli 2021 per brief geïnformeerd over het proces van integrale besluitvorming over de examens 2022 dat dit najaar plaatsvindt (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 276). De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 verder geïnformeerd.

tz_OCW_2014_20 De Minister zegt toe dat een reactie op het cijfermatig overzicht over de ontwikkeling van de werkgelegenheid in het onderwijs (van Stamos, juli 2013), onderdeel mbo, wordt meegenomen in een van de volgende brieven over het mbo.

Parlementair agendapunt [12-03-2014] - Algemeen overleg mbo kwalificatiedossiers gecombineerd met Macrodoelmatigheid in het MBO

De Tweede Kamer wordt in het najaar van 2021 via de arbeidsmarktbrief geïnformeerd.

T02334 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe de algemene maatregel van bestuur over de hoofdlijnen van de begroting voor het mbo te zijner tijd bij de Eerste Kamer voor te hangen.

Parlementair agendapunt [07-06-2016] - EK behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

De Eerste Kamer wordt in het derde kwartaal van 2021 geïnformeerd.

tz_OCW_2019_192 De Kamer wordt nader geïnformeerd over het profileringsfonds.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

Er wordt uitvoering gegeven aan de toezegging, onderliggend wetsvoorstel treedt in 2022 in werking.

tz_OCW2020_39 De minister OCW zegt toe voor het nieuwe studiejaar de Tweede Kamer te informeren over de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Kuik en Westerveld over de aanpassing van WJW en de WEB voor studenten met een functiebeperking of chronische ziekte.

Parlementair agendapunt [03-03-2020] - Wetsvoorstel Versterking in het MBO

De minister van OCW heeft in haar brief van 5 oktober 2020 (Kamerstukken II, 2020/2021, 31497, 389) de Tweede Kamer geïnformeerd dat eind 2020 een onderzoek afgerond is hoe de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) aangepast kunnen worden.Dit onderzoek heeft mede door corona vertraging opgelopen. Afronding van het onderzoek is nu voorzien in het vierde kwartaal van 2021.

tz_OCW_2020_36 De minister OCW zegt toe een ja na inwerkingtreding van de wet de Tweede Kamer te informeren over de ervaringen met de werking van de mbo-verklaring.

Parlementair agendapunt [03-03-2020] - Wetsvoorstel Versterking in het MBO

De Tweede Kamer wordt in augustus 2022, een jaar na inwerkingtreding van de wet, geïnformeerd over de ervaringen met de werking van de mbo-verklaring.

tz_OCW_2020_40 De minister OCW zegt toe bij de evaluatie van het mbo-studentenfonds in ieder geval de verdeling van de middelen en of deze op de juiste plek terecht komen mee te nemen.

Parlementair agendapunt [03-03-2020] - Wetsvoorstel Versterking in het MBO

De Tweede Kamer wordt voor eind 2022 geïnformeerd.

tz_OCW_2020_54 De minister komt in het najaar terug op de mogelijkheid van een soort richtlijn voor de kwaliteit waaraan de stagebegeleiding vanuit de onderwijsinstellingen minimaal moet voldoen.

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

De Tweede Kamer wordt na de zomer van 2021 geïnformeerd.

tz_OCW_2020_58 De minister komt in het najaar terug op de mogelijkheid van ‘een erkenning’ voor een inclusieve leer-werkplek.

Parlementair agendapunt [18-06-2020] - AO Onderwijs en corona III Mbo

OCW heeft van SBB een advies over inclusief leerbedrijf ontvangen. Dit advies wordt betrokken in de verbeteragenda passend onderwijs mbo. In de voortgangsrapportage van deze agenda, voorzien in het voorjaar van 2022, zal hierop nader worden ingegaan.

tz_OCW_2020_82 De minister OCW zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de besteding van de achterstandsmiddelen in het mbo.

Parlementair agendapunt [07-10-2020] - Debat over Onderwijs en Corona mbo / ho incl. Stages

De middelen voor het inhaal- en ondersteuningsonderwijs zijn in 2021 verlengd in het NPO. De Tweede Kamer wordt voor eind 2021 geïnformeerd over de resultaten.

tz_OCW_2020_78 De minister van OCW zegt toe de Tweede Kamer later dit jaar te informeren over de effecten van de uitbraak van COVID-19 op het aanbod oor laaggeletterden in gemeenten.

Parlementair agendapunt [23-09-2020] - VSO Voortgang uitwerking vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020-2024 (28760-102)

De Tweede Kamer zal in de eerstvolgende voortgangsrapportage over de uitvoering van het actieprogramma Tel mee met Taal geïnformeerd worden over de effecten van de uitbrak van COVID-19 op het aanbod voor laaggeletterden in gemeenten. Naar verwachting wordt de voortgangsrapportage in het najaar van 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd.

tz_OCW_2021_18 In het najaar ontvangt de Tweede Kamer het landelijk beeld inzake de voortgang van het omlaag brengen van het aantal laaggeletterden

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021_14 De Minister zegt toe een verkenning te starten naar de verschillende medezeggenschapsregimes in het po/vo, mbo en ho.

Parlementair agendapunt [16-06-2021] - Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs (35606)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021 Voor de begrotingsbehandeling ontvangt de Tweede Kamer het vervolgadvies inzake macrodoelmatigheid, voorzien van beleidsreactie.

Parlementair agendapunt [16-06-2021] - Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs (35606)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021_17 Voor de zomer ontvangt de Tweede Kamer een brief met de stand van zaken M-jaar

Parlementair agendapunt [16-06-2021] - Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs (35606)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021_8 De minister BVOM zegt toe een brief te sturen over de mogelijkheid van mbo leraren als examinatoren.

Parlementair agendapunt [13-01-2021] - AO mbo (+ praktijkonderwijs)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021_6 De minister BVOM zegt toe een reactie aan de Tweede Kamer te sturen op het advies van Van Schoonhoven in samenhang met het wettelijke traject versterking samenwerking praktijkonderwijs en mbo.

Parlementair agendapunt [13-01-2021] - AO mbo (+ praktijkonderwijs)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

tz_OCW_2021_3 De minister van OCW zegt toe de Tweede Kamer te informeren over de salarismix mbo buiten de Randstad en na de cao-onderhandelingen de Kamer een appreciatie te sturen van de uitkomsten.

Parlementair agendapunt [13-01-2021] - AO mbo (+ praktijkonderwijs)

Momenteel wordt bekeken op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan deze toezegging.

T02067 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe een ex ante raming van de macro-economische effecten van het wetsvoorstel en de effecten van de maatregelen op arbeid mee te nemen bij de wetsevaluatie.

Parlementair agendapunt [20-01-2015] - Plenair debat over de Wet studievoorschot hoger onderwijs (34 035)

In de beleidsdoorlichting studiefinanciering is hier kort op ingegaan. Gezien de complexiteit van deze vraag en de mogelijkheid dat het leenstelsel in een volgend kabinet aangepast zou kunnen worden, wordt na het nieuwe Regeerakkoord bezien welke verdere acties in gang gezet moeten worden met betrekking tot dit onderzoek.

T02330 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toe dat in 2020/2021 een evaluatie zal plaatsvinden waarin in ieder geval worden meegenomen de praktische uitwerking van het instemmingsrecht van de opleidingscommissie op de Onderwijs en Examenregeling (OER) en hoe dit recht zich verhoudt tot de rechten van andere medezeggenschapsorganen waaronder die van de faculteitsraad, tot het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting in het mbo en tot het collegegeldvrij besturen.

Parlementair agendapunt [07-06-2016] - EK behandeling Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

Het onderzoek is gestart in februari 2021 en zal in juli 2021 worden opgeleverd. De Eerste Kamer zal hierover na de zomer 2021 worden geïnformeerd.

T02419 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Bruijn (VVD), Rinnooy Kan (D66) en Nooren (PvdA), toe om een kabinetsreactie (waarbij mogelijk de WRR betrokken wordt) aan de Eerste Kamer te sturen inzake het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef en het al dan niet omgaan met discriminatoire uitingen ten opzichte van andere grondrechten in een brede (onderwijs-overstijgende) context.

Parlementair agendapunt [21-02-2017] - EK debat bescherming Namen en Graden HO 21 februari

De uitvoering van deze toezegging zal worden meegenomen in de beleidsreactie van de minister van OCW op de lopende verkenning van de Inspectie van het Onderwijs naar maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef in het hoger onderwijs. Die verkenning zal naar verwachting na de zomer naar de Eerste en Tweede Kamer worden gezonden.

De inwerkingtreding van de wijziging van de WHW en de WEB gericht op de randvoorwaarden voor Engelstalige opleidingen is voorzien op 1 maart 2020 en zal de Tweede Kamer tijdig bereiken.

Parlementair agendapunt [21-06-2018] - AO Internationalisering in het hoger onderwijs

AMvB uitdrukkingsvaardigheid en meerwaarde ingediend. De Tweede Kamer heeft deze AMvB controversieel verklaard.

T02623 Toezegging Eerste Kamer aan lid prof. dr. J.A. Bruijn (VVD) over compensatie instellingen (Verlaagd wettelijk collegegeld. 34.911) Naar aanleiding van een vraag van het lid Bruijn (VVD), toezegging aan de Eerste Kamer gedaan om bij de compensatie via de studentgebonden financiering in de gaten te houden of er grote verschillen optreden tussen de instellingen.

Parlementair agendapunt [10-07-2018] - Verlaagd wettelijk collegegeld (Wet halvering collegegeld) Behandeling wetsvoorstel

Deze toezegging is onderdeel van het onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd door Berenschot. Naar verwachting is de evaluatie gereed in het najaar van 2021.

T02723 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Nooren (PvdA), Martens (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Rinnooy Kan (D66) en Bikker (ChristenUnie), toe een grootschaliger vervolgonderzoek over de psychische problematiek onder studenten uit te laten voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de specifieke vereisten van het kwantitatief bevragen van deze doelgroep.

Behandeling Eerste Kamer van de Wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs (35.007)

Een eerste landelijke kwantitatieve meting naar de mentale gezondheid van studenten in het hoger onderwijs vindt plaats in maart/april 2021. De resultaten volgen in november 2021. Vanaf 2023 geven OCW en VWS gezamenlijk een opdracht voor een langlopende monitor mentale gezondheid en middelengebruik. Er wordt vervolgens elke twee jaar een monitor uitgevoerd.

tz_OCW_2019_191 De resultaten van het onderzoek door het RIVM naar de mentale gezondheid van studenten wordt rond de zomer van 2020 verwacht.

Parlementair agendapunt [06-11-2019] - Begrotingsbehandeling OCW, onderdeel onderwijs

Het onderzoek is vanwege Corona uitgesteld. De resultaten worden november 2021 opgeleverd en naar de Tweede Kamer verzonden.

tz_OCW_2019_228 De Kamer ontvangt de conceptregeling over de beoordelingskaders voor de capaciteitsfixus vóór de vaststelling van de desbetreffende ministeriële regeling.

Parlementair agendapunt [11-12-2019] - WGO Wet Taal en Toegankelijkheid

Op dit moment ligt het Wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid bij de Eerste Kamer en is controversieel verklaard. Ook het werk aan de conceptregeling ligt daarom op dit moment stil.

tz_OCW_2020_24 In het kader van flexibilisering van het hoger onderwijs ontvangt de Kamer voor eind 2020: een wettelijke verankering van het experiment 'leeruitkomsten'; in een variawet wetgeving om belemmeringen weg te nemen voor flexibilisering van het onderwijs aan specifieke doelgroepen.

Parlementair agendapunt [10-02-2020] - Notaoverleg Strategische Agenda hoger onderwijs

Eindevaluatie leeruitkomsten is in mei 2021 opgeleverd en naar de Tweede Kamer gestuurd. Het Wetsvoorstel is in de fase van internetconsultatie.

tz_OCW_2020_25 De Kamer ontvangt een brief over de uitwerking van het plan van hbo-instellingen inzake beroepsmasters in het hbo.

Parlementair agendapunt [10-02-2020] - Notaoverleg Strategische Agenda hoger onderwijs

De Tweede Kamer zal, nadat de Vereniging Hogescholen haar plannen heeft afgerond, in het najaar van 2021, hierover worden geïnformeerd.

tz_OCW_2020_97 De minister voor BVOM zegt toe de minister van OCW te vragen de Tweede Kamer op de hoogte te stellen van de voortgang van het opnemen van kennis en vaardigheden op het gebied van burgerschap en sociale veiligheid in het curriculum van lerarenopleidingen.

Parlementair agendapunt [09-11-2020] - Burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs

Na de zomer 2021 wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

tz_OCW_2020_92 Begin voorjaar 2021 zal het wetsvoorstel Loting bij de Tweede Kamer worden ingediend

Parlementair agendapunt [15-10-2020] - Begrotingsbehandeling, onderdeel Onderwijs, (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII)

Het wetsvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer en controversieel verklaard.

tz_OCW_2020_94 Het Nibud zegt t.a.v. het Nibud-studentenonderzoek echt de tijd nodig te hebben tot het najaar 2021. De minister zal hun nog een keer vragen of er misschien eerder al deelresultaten zijn op te leveren. De minister zal dat gesprek nog een keer met hen voeren.

Parlementair agendapunt [15-10-2020] - Begrotingsbehandeling, onderdeel Onderwijs, (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII)

In het najaar van 2021 verschijnt het deelonderzoek naar studenten uit het hoger onderwijs, en naar mbo-studenten. De Tweede Kamer zal hierover op dat moment worden geïnformeerd.

tz_OCW_2021_19 De eerste stand van zaken betreffende de uitvoering van DUO ontvangt de Tweede Kamer in januari 2022

Parlementair agendapunt [17-06-2021] - WGO Verantwoordingsdebat Slotwet 2020, Jaarverslag OCW 2020 en Staat van het Onderwijs

Momenteel wordt bezien hoe de uitvoering van de toezegging kan worden vormgegeven.

T02448 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Martens (CDA), Bruijn (VVD) en Nooren (PvdA), toe over twee jaar met de VSNU en het Rectoren College te overleggen over de uitbreiding van het ius promovendi, over vijf jaar de wetswijziging te evalueren en die mee te nemen bij de Balans van de wetenschap in 2022. De naleving van de handreiking, het transnationale aspect, het toenemende aantal Engelstalige masteropleidingen en de aansluiting van die opleidingen op de beroepspraktijk worden daarbij betrokken.

Parlementair agendapunt [06-06-2017] - Debat bevordering Internationalisering in het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Er is vertraging bij de oplevering van het rapport dat als basis fungeert voor het gesprek met het Rectoren College. Na het gesprek met het Rectoren College gaat het rapport (met de bevindingen) richting de Eerste Kamer.

tz_OCW_2019_75 De minister zegt toe dat zij de mogelijkheid onderzoekt een advies in te winnen over «de waarde van wetenschap» bij WRR of KNAW en/of andere adviesorganen.

Parlementair agendapunt [14-05-2019] - Wetenschapsbeleid

Planning is om in december 2021 een advies naar Tweede Kamer te sturen.

tz_OCW_2020_89 Het prevalentie-onderzoek (ZONMW) naar intersekse kinderen ontvangt de Tweede Kamer in de tweede helft van 2021.

Parlementair agendapunt [02-11-2020] - Wetgevingsoverleg Emancipatie

Het prevalentieonderzoek wordt pas opgeleverd in de zomer van 2022 en de Tweede Kamer wordt tussentijds geïnformeerd over de bevindingen.

T02200 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een motie van het lid Gerkens (SP), toe de wet formeel na vijf jaar te evalueren, maar als er signalen zijn, die signalen er binnen drie jaar uit te lichten om de Kamer er apart over te informeren.

Parlementair agendapunt [08-12-2015] - Erfgoedwet (definitief)

De Eerste Kamer is op 29 juni 2021 per brief geïnformeerd over de gewijzigde Planning evaluatie Erfgoedwet, beleidsdoorlichting cultuur en Erfgoedbalans (Kamerstukken I 2020/21, 34109, nr. K).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schnabel (D66), toe rapporten van deskundigencommissies met betrekking tot de vervreemding van cultuurgoederen door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan gemeenten, provincies en Rijk in principe openbaar te maken als die aan haar toegezonden zijn.

Parlementair agendapunt [08-12-2015] - Erfgoedwet (definitief)

De minister heeft de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Schnabel (D66), toegezegd rapporten van deskundigencommissies met betrekking tot de vervreemding van cultuurgoederen door andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan gemeenten, provincies en Rijk in principe openbaar te maken als die aan haar toegezonden zijn. De Erfgoedwet trad op 1 juli 2016 in werking. Er zijn sindsdien nog geen rapportages door deskundigencommissies uitgebracht. Indien er in de toekomst rapportages zullen worden uitgebracht worden deze op de website van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed gepubliceerd.

tz_OCW_2017_59 De Minister zegt toe dat in de volgende Erfgoedmonitor aandacht besteed wordt aan de kennis en kunde van conservatoren van musea.

Parlementair agendapunt [13-11-2017] - Wetgevingsoverleg (WGO) Cultuur

De minister heeft aan de Tweede Kamer toegezegd dat in de Erfgoedmonitor aandacht besteed wordt aan de kennis en kunde van conservatoren van musea. In de volgende versie van de Erfgoedbalans zal aandacht besteed worden aan de kennis en kunde van conservatoren van musea. De Tweede Kamer is op 29 juni 2021 per brief geïnformeerd over de gewijzigde Planning evaluatie Erfgoedwet, beleidsdoorlichting cultuur en Erfgoedbalans (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 437).

tz_OCW_2019_105 De minister blijft de kwaliteit van archeologisch onderzoek bewaken, onder andere op het gebied van de effecten van het certificeringsstelsel, het niveau van specialistische kennis bij universiteiten en de ondersteuning voor kleine gemeenten. In samenwerking met het Convent van Gemeentelijke Archeologen wordt de toezichthoudende rol van de provincies op het gebied van erfgoed geïnventariseerd. Bij de evaluatie van de Erfgoedwet in 2021 zal de Tweede Kamer over een en ander worden geïnformeerd.

Parlementair agendapunt [05-06-2019] - AO inzake Erfgoed en monumenten

Op 10 februari 2021 is hierover een brief naar de Tweede Kamer gegaan (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 406). Hierin is opgenomen dat de Tweede Kamer eind 2021 een reactie kan verwachten. Dit zal 1 mei 2022 worden.

tz_OCW_2020_109 De Kamer ontvangt in het voorjaar van 2021 een brief met de resultaten van de gesprekken inzake het proces over het herontwerp van het stelsel, waaronder met de Sociaal Creatieve Raad

Parlementair agendapunt [23-11-2020] - Wetgevingsoverleg Begroting OCW, onderdeel Cultuur

In de cultuursector zijn gesprekken over het cultuurstelsel voorzichtig op gang gekomen. De situatie rond Corona speelt hier uiteraard doorheen. In het debat kwam ook ter sprake de huidige situatie eerst even te laten ‘uittrillen’. Ook is de Raad voor Cultuur gevraagd welke lessen we kunnen trekken voor de toekomst. Over de stand van deze reflecties wordt de Kamer in het najaar van 2021 geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Bikker (ChristenUnie), toe deze erkenningsperiode van 2016-2020 geen verdere wijzigingen in het publieke mediabestel door te voeren.

Parlementair agendapunt [02-02-2016] - Plenair overleg Wetsvoorstel Media

In het Regeerakkoord is opgenomen dat er de komende periode geen wijzigingen in het bestel zullen plaatsvinden. Voor de huidige kabinetsperiode kan worden verondersteld dat daarmee de toezegging gestand is gedaan.

tz_OCW_2020_108 Het feit dat «kwijtschelding van gemeentelijke huur niet meetelt voor de omzetbepaling van de NOW-regeling» wordt meegenomen in het controleprotocol voor accountants. Indien er relevante signalen zijn dat dit eerder wèl is meegeteld, en er bezwaren zijn ingediend, zal de minister de Kamer informeren of hierop wordt geacteerd

Parlementair agendapunt [23-11-2020] - Wetgevingsoverleg Begroting OCW, onderdeel Cultuur

SZW heeft op basis van de vaststellingen die bij het UWV zijn ingediend, geconcludeerd dat er geen vaststellingen zijn ontvangen waarin de huurkwijtschelding alsnog als omzet is meegeteld. Ook zijn er tot op heden geen gevallen gebleken waarin een werkgever in bezwaar is gegaan vanwege een onterecht meegenomen huurverlaging.

T03061 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks), toe haar het onderzoek naar due prominence toe te zullen sturen.

Parlementair agendapunt [08-12-2020] - Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (Antwoord regering en re- en dupliek)

Zoals in de Mediabegrotingbrief 2021 aangekondigd, is dit onderzoek eind 2020 opgestart. De Eerste Kamer wordt in het najaar over dit onderzoek geïnformeerd.

T03062 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Pijlman (D66) en Bikker (ChristenUnie), toe de proeve van een nieuwe omroepstelsel ook naar de Eerste Kamer te sturen en daarin aandacht te besteden aan objectiveerbare criteria.

Parlementair agendapunt [08-12-2020] - Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (Antwoord regering en re- en dupliek)

De Eerste Kamer wordt hierover in het najaar van 2021 geïnformeerd.

T03078 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks), toe om de termijnen en doorlooptijden van een aanvraag voor een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal in de aangepaste dienstenprocedure te monitoren en de Kamer hierover te informeren.

Parlementair agendapunt [02-02-2021] - Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (35042)

Deze toezegging wordt meegenomen in de gestarte procedure (april 2021) rond de wijzigingsaanvraag van NPO Gemist/Start. De Eerste Kamer zal hier tijdig over worden geïnformeerd.

T03079 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP), toe om bij het monitoren van de werkwijze van de ACM ook de nieuwe taak van de ACM in de dienstenprocedure te monitoren, te weten het uitvoeren van een markteffectanalyse bij de aanvraag van een nieuw aanbodkanaal, in het bijzonder ten aanzien van de Wet openbaarheid van bestuur. De Eerste Kamer wordt hierover geïnformeerd.

Parlementair agendapunt [02-02-2021] - Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (35042)

Deze toezegging wordt meegenomen in de gestarte procedure (april 2021) rond de wijzigingsaanvraag van NPO Gemist/Start. De Eerste Kamer zal hier tijdig over worden geïnformeerd.

T03080 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Pijlman (D66), toe om het onderzoek naar de veiligheid van journalisten uit te breiden met een onderzoek naar nepnieuws en desinformatie bij de publieke omroep.

Parlementair agendapunt [02-02-2021] - Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (35042)

Aan de toezegging is uitvoering gegeven met de brief van 30 juni 2021 (Kamerstukken II 2020/21, 28684, nr. 213). en de brief van 8 juli 2021 (Kamerstukken II 2021/21, 32827, nr. 214). over de bedreiging van journalisten en het rapport van PersVeilig.

T03081 De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid De Blécourt-Wouterse (VVD), toe om bij elke aanvraag van een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal de ACM te verzoeken om de zienswijze van belanghebbenden (o.a. commerciële partijen) te betrekken en hierop terug te komen in het advies.

Parlementair agendapunt [02-02-2021] - Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (35042)

Deze toezegging wordt meegenomen in de gestarte procedure (april 2021) rond de wijzigingsaanvraag van NPO Gemist/Start. De Eerste Kamer zal hier tijdig over geïnformeerd worden.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media zegt de Eerste Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Veldhoen (GroenLinks), toe om de Eerste Kamer op de hoogte te brengen indien blijkt dat niet alle inkomsten bij de publieke omroep worden meegenomen in het onderzoek naar de financiering van de publieke omroep.

Parlementair agendapunt [02-02-2021] - Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (35042)

Het toegezegde onderzoek wordt meegenomen in de beleidsdoorlichting van artikel 15 in 2021.

tz-OCW_2021_12 Inzake jeugdcontributie: de Verzamelwet OCW zal na de zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend.

Parlementair agendapunt [13-04-2021] - VSO Stand van Zaken Leesoffensief

Met de brief van 20 mei 2021 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de actieagenda voor het Leesoffensief (Kamerstukken II 2020/21, 28760, nr. 112 ).

tz_OCW_2016_43 Bij de nieuwe ronde van jaarverslagen, ontvangt de Tweede Kamer een update van de stand van zaken betreffende openbaarheid van jaarverslagen.

Parlementair agendapunt [02-03-2016] - Financiële Situatie in het Onderwijs

Het wetsvoorstel is aangenomen en is op 1 januari 2021 in werking getreden. In het najaar van 2021 wordt de Regeling Jaarverslaggeving onderwijs hierop aangepast voor verslagjaar 2021 en verder.

tz_OCW_2020_3 De Kamer ontvangt een brief over de resultaten van het overleg van de minister met de inspecteurs-generaal van OCW en SZW over de samenwerking en rolverdeling.

Parlementair agendapunt [22-01-2020] - AO Sociale Veiligheid in het onderwijs

In het najaar van 2021 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de beleidsreactie bij de Wet veiligheid op school (po/vo).

tz_OCW_2015_218 In de tweede helft van 2016 ontvangt de Tweede Kamer een verkennende studie over faillissement van scholen.

Parlementair agendapunt [07-12-2015] - Notaoverleg over de initiatiefnota van het lid Straus: Krimp in het voortgezet onderwijs - van kramp naar kans

De beantwoording van prejudiciële vragen het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak FNV tegen Smallsteps B.V. (ECLI:EU:C:2017:489) heeft consequenties gehad over toelaatbaarheid de doorstart naar faillissement (ook wel pre-pack genoemd). Het wetsvoorstel Continuïteit ondernemingen I (waarin o.a. de pre-pack een wettelijke basis zou krijgen) is om deze reden aangehouden bij de Eerste Kamer in afwachting van het wetsvoorstel Overgang van onderneming in faillissement (WOVOF). De Eerste Kamer heeft vervolgens de behandeling van de WCO I aangehouden in afwachting van dit wetsvoorstel. Inmiddels is de voortgang betreffende de WOVOF aangehouden omdat de Hoge Raad een prejudiciële procedure aanhangig heeft gemaakt bij het HvJEU in de zaak Heiploeg waarvan de uitkomst van belang kan zijn voor het vraagstuk van de positie van werknemers in een faillissement. Om een zorgvuldige heroverweging te maken over of aanpassing van onderwijswetgeving nodig is op het gebied van faillissementen in het onderwijs is het van belang de ontwikkelingen met betrekking tot bovengenoemde wetsvoorstellen over de pre-pack af te wachten.

Het wetvoorstel inzake zwangerschapsverlof voor mbo-studenten ontvangt de Tweede Kamer begin 2019.

Parlementair agendapunt [07-03-2018] - Loopbaanoriëntatie en -begeleiding

Het zwangerschapsverlof voor mbo-studenten is opgenomen in de Wet versterken positie mbo-studenten. Deze wet is reeds gepubliceerd (Stb. 2020, 234) en op 1 augustus 2020 zijn de maatregelen voor zwangere mbo-studenten, de maatregelen met betrekking tot de doorstroomregeling en de terminologiewijziging van ‘deelnemer’ naar ‘student’ in werking getreden (Stb. 2020, 276). De onderdelen die betrekking hebben op het mbo-studentenfonds en de mbo-verklaring treden per 1 augustus 2021 in werking.

Bijlage 4: Subsidieoverzicht

Tabel 132 Subsidies artikel 1 (bedragen x € 1.000)

Art. 1

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Regeling onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap

21.237

23.723

23.724

23.724

23.724

23.724

23.724

geen

2022

20221

 

Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2019–2023

12.239

13.319

13.319

13.319

13.319

13.319

13.319

geen

2023

2023

 

Regeling subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen2

13.102

13.879

14.408

14.936

15.465

15.465

15.465

geen

2023

2023

 

Academische ziekenhuizen en SBD's voor onderwijs aan zieke leerlingen2

6.239

7.628

7.876

7.876

7.876

7.876

7.876

2018

2022

2022

 

Aanpassen lesmateriaal voor visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen(Dedicon)

4.154

4.154

4.154

4.154

4.154

4.154

4.154

geen

2022

2021

 

Techniekpact

1.290

364

     

geen

geen

2021

 

Woord en gebaar

35

35

35

35

35

35

35

2014

2022

2021

 

Goed worden, goed blijven (PO-Raad)

2.739

2.592

2.592

1.194

   

20203

2022

2023

 

Nederlands Gebarencentrum

487

487

487

487

487

487

487

geen

2022

2021

 

Ouderorganisatie

1.072

1.064

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

2014

2022

2021

 

Stichting gedragswerk

566

750

750

750

750

750

750

2015

2022

2021

 

Onderwijsconsulenten (Stichting Ondersteuning scholen en ouders)

5.495

5.570

5.236

2.438

2.500

2.500

2.500

geen

2023

2023

 

Ondersteuning aanpak lerarentekort

549

250

10.650

10.650

10.650

10.650

10.650

2015

2026

2026

 

Kaderregeling Subsidiëring onderzoek en wetenschap: Pre COOL-onderzoek (NWO)

450

      

2015

geen

2020

 

Subsidieregeling cultuurbegeleider primair en speciaal onderwijs

93

      

geen

geen

2020

 

Subsidieregeling andere eindtoetsen PO

3.552

3.636

5.800

5.800

5.800

5.800

5.800

2019

2023

2023

 

Subsidieregeling inhaal- en ondersteunings-programma’s onderwijs 2020–2021

115.835

80.360

     

nvt

2022

2021

 

Regeling extra hulp voor de klas

 

204.000

        
 

Nationaal Onderwijsmuseum

550

550

550

550

550

550

550

geen

2022

2021

 

Landelijke Geschillencommissie

1.035

1.368

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

2017

2022

2021

 

Versterking ICT en externe connectiviteit (SIVON)

1.212

2.335

2.807

3.803

   

geen

2023

2023

 

Extra ondersteuning kwetsbare leerlingen (SIVON)

9.300

20.500

     

geen

2022

2021

 

Subsidieregeling post-initiële leergang bewegingsonderwijs

1.853

3.333

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

geen

2023

2023

 

Ondersteuning nieuwkomers (PO-Raad)

287

346

333

83

   

geen

2022

2021

 

Curriculum.nu (Stichting Leerplanontwikkeling)

3.200

4.436

4.806

1.046

   

geen

2022

2021

 

Overige beschikkingen op basis Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS en SLOA

7.482

9.769

6.058

12.090

17.812

19.174

20.613

divers

divers

divers

 

Totaal subsidie(regelingen)

214.053

404.448

113.785

113.135

113.322

114.684

116.123

   
1

De regelingen/verleningen worden jaarlijks getoetst en opnieuw toegekend.

2

Wettelijke grondslag op basis van de Wet op het primair onderwijs.

3

Evaluatie via monitor bestuursakkoord PO 2017.

Tabel 133 Subsidies artikel 3 (bedragen x € 1.000)

Art. 3

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Instellingssubsidie Kennisnet

19.240

21.358

19.755

19.755

16.088

16.088

16.088

2018

2021

20211

 

Instellingssubsidie stichting School en Veiligheid

2.224

2.246

1.411

1.411

1.411

1.411

1.411

2020

nnb

20211

 

Instellingssubsidie INGRADO

1.710

1.710

550

550

550

550

550

2020

nnb

20211

 

Instellingssubsidie Combo/Laks

356

369

369

369

369

369

369

 

2021

20211

 

Instellingssubsidie Nuffic

1.100

50

50

50

50

50

50

2019

nnb

20211

 

Instellingssubsidie stichting Lowan

409

331

331

331

331

331

331

2020

nnb

20211

 

(Instellings)subsidie continuering en doorontwikkeling Boris (vso/pro)

932

634

634

634

634

634

634

 

2021

20211

 

Instellingssubsidie Erkennen leerwerktrajecten vmbo

350

524

524

524

524

524

524

2020

nnb

20211

 

Subsidie activiteitenplan Stichting Platforms vmbo

942

1.175

1.175

1.175

1.175

1.175

1.175

2020

nnb

20211

 

Subsidie Platform Beta en Techniek (Tecwijzer)

800

797

500

500

500

500

500

2020

nnb

20211

 

Voortgezet Leren (vo-raad)

6.547

3.300

3.000

2.696

3.000

3.000

3.000

2020

nnb

20211

 

Bundelbeschikking vo-raad (burgerschap, professionaliseren leraren, regionale samenwerking)

2.662

1.352

1.352

1.352

1.352

1.352

1.352

2020

nnb

20211

 

Steunpunt Passend onderwijs (vo-raad)

650

745

753

753

753

753

753

2020

nnb

20211

 

Schoolleidersregister SRVO

1.338

1.029

700

500

500

0

0

2020

nnb

20211

 

Regeling vrijroosteren leraren fase 2 & 3

2.913

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

2019

2022

2022

 

Regeling doorstroom po-vo

9.862

13.932

14.500

14.500

14.500

14.500

14.500

geen

2023

2023

 

Regeling doorstroom VMBO-HAVO/MBO

10.876

6.752

13.500

13.500

13.500

13.500

13.500

geen

2023

2023

 

Subsidieregeling structureel voorkomen onnodig zittenblijven vo 2021 ‒ 2023

6.933

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.209

geen

nnb

2023

 

Subsidieregeling reiskosten DAMU-leerlingen VO

191

200

200

200

200

200

200

nvt

2023

2023

 

Subsidie pilots Nieuwe leerweg

9.337

8.988

9.825

9.925

0

0

0

nvt

nnb

2023

 

Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021

94.146

69.871

0

0

0

0

0

nvt

nnb

2021

 

Regeling vakwedstrijden vmbo en mbo

680

680

680

680

680

680

680

nvt

2024

2024

 

Subsidieregeling extra hulp voor de klas

0

112.000

0

0

0

0

0

nvt

nnb

2021

 

Capaciteitentoets vo

 

10.000

10.000

5.833

   

nvt

nnb

2023

 

Regeling Brede Brugklassen

0

0

102.000

0

0

0

0

   
 

Overige beschikkingen op basis van de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

6.107

25.195

16.670

18.797

18.594

19.161

19.341

divers

divers

divers

 

Totaal subsidie(regelingen)

180.305

295.238

210.479

106.035

86.711

86.778

87.167

   
1

De regelingen/verleningen worden jaarlijks getoetst en opnieuw toegekend.

Tabel 134 Subsidies artikel 4 (bedragen x € 1.000)

Art. 4

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Praktijkleren

213.500

306.194

295.358

196.905

204.038

200.369

200.369

2018

2022

2022

 

Leven Lang Ontwikkelen:

3.895

6.916

6.782

2.285

313

318

318

   
 

1. Subsidieregeling Flexibilisering MBO

3.737

6.620

5.680

1.920

0

0

0

nvt

nnb

2024

 

2. Overig

158

296

1.102

365

313

318

318

divers

divers

divers

 

Actieplan Laaggeletterdheid/Subsidieregeling Tel mee met Taal

16.031

20.487

15.283

15.181

14.517

12.268

12.268

2019

2024

2024

 

Loopbaanorientatie

3.275

1.976

1.809

1.579

1.329

1.329

1.329

2020

nnb

2022

 

Vakwedstrijden MBO

3.200

4.191

4.191

4.191

1.048

0

0

nvt

nnb

2024

 

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

69.745

33.465

0

0

0

0

0

nvt

nnb

2021

 

Extra hulp voor de klas

0

104.000

0

0

0

0

0

nvt

nnb

2022

 

Zelftesten

0

3.900

0

0

0

0

0

nvt

nnb

2022

 

Overige subsidies:

12.509

18.873

26.424

13.968

14.992

15.057

13.750

   
 

1. Gelijke Kansen Alliantie

4.167

8.183

12.666

0

0

0

0

nvt

nnb

2022

 

2. Overig

8.342

10.690

13.758

13.968

14.992

15.057

13.750

divers

divers

divers

 

Totaal subsidie(regelingen)

322.155

500.002

349.847

234.109

236.237

229.341

228.034

   
Tabel 135 Subsidies artikel 6 (bedragen x € 1.000)

Art. 6

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (Stcrt. 2020, 10893)

 

379

2.556

2.556

2.556

2.556

2.556

Geen

Gezien aard regeling geen evaluatie voorzien

2026

 

Subsidieregeling coronabanen in het hoger onderwijs (Stcrt. 2021, 109)

 

7.845

     

Geen

Geen

2022

 

Subsidieregeling extra hulp voor de klas (Stcrt. 2021, 21730)

 

18.000

     

Geen

2022

2022

 

Sneltesten (Stcrt. Nog te publiceren)

 

3.600

     

Geen

nnb

2021

 

Subsidieregeling stimuleren virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs (Stcrt. 2021, 32823)

 

1.050

pm1

pm1

pm1

  

Geen

2026

2026

 

Overige subsidies ≤ € 1 miljoen2

1.062

820

784

76

76

76

76

divers

divers

divers

 

Totaal subsidie(regelingen)

1.062

31.694

3.340

2.632

2.632

2.632

2.632

   
1

Hoogte subsidieplafond wordt jaarlijks bekend gemaakt in de Staatscourant

2

In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de overige subsidies van het betreffende begrotingsartikel doorgelicht.

Tabel 136 Subsidies artikel 7 (bedragen x € 1.000)

Art. 7

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Regeling open en online onderwijs (Stcrt. 2017, 43113)

1.844

2.001

2.008

2.044

2.044

2.044

2.044

Geen

2022

2022

 

Subsidieregeling coronabanen in het hoger onderwijs (Stcrt. 2021, 109)

 

7.396

     

Geen

Geen

2022

 

Subsidieregeling extra hulp voor de klas (Stcrt. 2021, 21730)

 

12.000

     

Geen

2022

2022

 

Sneltesten (Stcrt. Nog te publiceren)

 

3.000

     

Geen

nnb

2021

 

Instellingssubsidie stichting Nuffic1

 

14.235

14.507

14.456

14.456

14.456

14.456

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Instellingssubsidie stichting Studiekeuze123

 

2.559

2.616

2.559

2.559

2.559

2.559

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Instellingssubsidie stichting Vluchteling Studenten UAF

 

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Instellingssubsidie Studentenwelzijn (Ecio)

 

835

794

794

794

794

751

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Instellingssubsidie Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

 

265

271

271

271

255

255

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Instellingssubsidie Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

 

255

255

255

255

255

255

Geen

Geen evaluatie voorzien

loopt meerjarig door

 

Overige subsidies ≤ € 1 miljoen2

1.815

2.117

1.966

2.013

1.706

1.722

1.722

divers

divers

divers

 

Totaal subsidie(regelingen)

3.659

47.174

24.928

24.903

24.596

24.596

24.553

   
1

Inclusief aantal niet-wettelijke taken die vanaf 2022 worden verlegd, afgebouwd of beeindigd.

2

In de reguliere beleidsdoorlichtingen van de verschillende begrotingsartikelen worden ook de overige subsidies van het betreffende begrotingsartikel doorgelicht.

Tabel 137 Subsidies artikel 8 (bedragen x € 1.000)

Art. 8

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

 

2023

loopt meerjarig door

 

Stichting Nuffic

0

824

824

824

824

824

824

 

2025

loopt meerjarig door

 

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.154

3.957

3.957

3.957

3.957

3.957

3.957

2020

2024

loopt meerjarig door

 

Internationalisering onderwijs

‒ 1

1.020

1.020

1.020

1.020

1.020

1.020

 

2024

loopt meerjarig door

 

Duitsland Instituut Amsterdam

803

820

760

760

760

760

760

2020

2025

loopt meerjarig door

 

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

613

600

600

600

600

600

2013

2025

loopt meerjarig door

 

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

134

107

157

157

157

157

157

 

Gezien aard regeling geen evaluatie voorzien

 
 

Overige incidentele subsidies

74

176

85

85

85

85

85

 

Gezien aard regeling geen evaluatie voorzien

 
 

Totaal subsidie(regelingen)

4949

7702

7588

7588

7588

7588

7588

   
Tabel 138 Subsidies artikel 9 (bedragen x € 1.000)

Art. 9

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

            
 

Regeling Lerarenbeurs

50.094

65.000

76.586

60.892

59.550

54.550

54.550

2015

2021

 
 

Regeling zijinstroom

35.540

39.740

39.240

39.240

39.240

39.240

39.240

2017

2021

 
 

Onderwijsassistenten

2.750

2.750

2.750

2.750

     

2023

 

Regeling korte scholingstrajecten vo

1.882

2.400

2.400

2.400

2.400

2.400

2.400

   
 

Regionale aanpak personeelstekort

17.779

18.540

19.439

19.439

19.439

19.439

19.439

 

2021

 
 

LOF en MBO pioniers

824

568

     

2019

 

2021

 

MBO instructeursbeurs

351

1.841

1.841

1.841

1.841

1.841

1.841

   
 

pilot doorlopende begeleiding startende leraren 2021

 

256

256

256

    

2022

2023

 

Bijzondere leerstoel onderwijsarbeidsmarkt

285

285

285

71

      
 

Regeling Schoolkracht

 

5.000

      

2022

2022

 

Overige beschikkingen op basis van de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (https://wetten.overheid.nl/BWBR0037603/2021-01-19)

2.061

4.193

6.533

6.947

7.310

6.310

5.310

   
 

Totaal subsidie(regelingen)

111.566

140.573

149.330

133.836

129.780

123.780

122.780

   
Tabel 139 Subsidies artikel 14 (bedragen x € 1.000)

Art. 14

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Verbreden inzet cultuur

17.117

7.620

9.331

10.374

11.878

13.986

13.986

nvt

2024

2024

 

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

8.337

8.356

8.356

8.356

8.356

8.213

8.213

2019

2021

2024

 

Programma leesbevordering

3.900

4.215

3.967

3.418

3.418

3.418

3.418

2019

2022

2024

 

Creatieve Industrie

2.161

1.437

1.728

1.728

1.728

2.015

2.015

1

  
 

Monumentenzorg

4.443

137

0

0

0

0

0

   
 

Erfgoed en fysieke leefomgeving

36

0

0

0

0

0

0

2

 

2022

 

Specifiek cultuurbeleid

143.062

125.180

20.708

21.012

19.806

15.642

15.642

   
 

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

0

4.696

2.412

2.016

2.016

1.366

1.366

   
 

Totaal subsidie(regelingen)

179.056

151.641

46.502

46.904

47.202

44.640

44.640

   
1

Deze subsidies zijn veelal programma’s en activiteiten, die niet het karakter hebben van een subsidieregeling. Om die reden is niets ingevuld onder «laatste evaluatie», «volgende evaluatie» en onder «einddatum subsidie (regeling)». De middelen worden beschikt en verantwoord door het Ministerie van OCW op basis van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid. De verantwoording bevat een activiteitenverslag of bestuursverslag en een financieel verslag of jaarrekening die voorzien is van een accountantsverklaring. Naast evaluatie is ook monitoring toegevoegd, omdat dit ook inzicht biedt in de voortgang en effectiviteit van beleid. In 2021 vindt tevens een beleidsdoorlichting plaats.

2

Onder de noemer erfgoed en fysieke leefomgeving worden diverse maatregelen ingezet die tot doel hebben de positie van erfgoed in de fysieke leefomgeving te versterken. De evaluatie van deze maatregelen vindt plaats in de erfgoedbalans (2022). De maatregelen borduren voort op het programma Erfgoed en Ruimte dat in 2019 is geëvalueerd.

Tabel 140 Subsidies artikel 15 (bedragen x € 1.000)

Art. 15

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Regeling op het Specifiek Cultuurbeleid

360

724

727

728

728

728

728

Geen

  
 

R.A. onderzoeksjournalistiek

1.822

5.359

5.360

5.360

5.360

5.360

5.360

Geen

2023

 
 

lokale journalistiek en versterking v/d samenwerking tussen RPO en lokaal

0

3.548

1.045

0

0

0

0

Geen

  
 

RPO en Lokale publieke omroep (motie Sneller)

1.040

0

0

0

0

0

0

Geen

  
 

Subsidieregeling innovatie en samenwerking regionale publieke media-instellingen

9.652

0

0

0

0

0

0

Geen

  
 

Steunfonds lokale informatievoorziening

28.168

7.191

0

0

0

0

0

   
 

Totaal subsidie(regelingen)

41.042

16.822

7.132

6.088

6.088

6.088

6.088

   
Tabel 141 Subsidies artikel 16 (bedragen x € 1.000)

Art. 16

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

 

Stichting NLBIF

566

566

0

0

0

0

0

2014

2021

Jaarlijks

 

Naturalis Biodiversity Center

6.513

6.664

7.230

7.230

7.230

7.230

7.230

2014

2021

Jaarlijks

 

BPRC

11.406

10.918

10.918

10.918

10.918

10.918

10.918

2014

2021

Jaarlijks

 

NEMO/NCWT

3.460

3.534

3.534

3.534

3.534

3.534

3.534

2014

2021

Jaarlijks

 

STT

221

231

231

231

231

231

231

2014

2021

Jaarlijks

 

Subsidieregeling Stichting AAP

1.032

1.084

1.084

1.084

1.084

1.084

1.084

Geen

Geen

2033

 

LNVH

0

150

150

150

150

150

0

Geen

Geen

2025

 

Nationale Coördinatie

377

3.669

4.636

4.879

4.879

4.822

5.502

2014

2021

Jaarlijks

 

Totaal subsidie(regelingen)

23.575

26.816

27.783

28.026

28.026

27.969

28.499

   
Tabel 142 Subsidies artikel 25 (bedragen x € 1.000)

Art. 25

Naam subsidie(regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

 

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Laatste evaluatie (jaartal + hyperlink naar vindplaats)

Volgende evaluatie (jaartal)

Einddatum subsidie-(regeling) (jaartal)

          

2018 Beleidsdoorlichting 2014-2018

  
 

Subsidieregeling emancipatie 2011

 

93

0

0

0

0

0

0

   
 

Subsidie-regeling gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022

instellingssubsidies

8.447

8.685

8.791

8.895

8.895

8.895

0

   
  

projectsubsidies

2.240

3.361

3.111

3.114

3.134

3.645

0

   
 

Totaal subsidie(regelingen)

 

10.780

12.046

11.902

12.009

12.029

12.540

0

   

Bijlage 5: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda

Tabel 143 Uitwerking Strategische evaluatieagenda Primair onderwijs en Voortgezet onderwijs

Thema

Subthema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Leraar als aantrekkelijk beroep

Experiment teambevoegdheid 10-14 scholen

ex duranteex post

2024

Met dit experiment wordt mogelijk gemaakt dat leraren die betrokken zijn bij 10-14-initiatieven, kunnen werken met een zogenoemde teambevoegdheid. Het doel van het experiment is bij de deelnemende scholen te onderzoeken:a. welke effecten de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke voorschriften genoemd in artikel 2 onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de organisatorische en onderwijskundige inrichting van 10-14-onderwijs, de samenwerking tussen de verschillende leraren en de kwaliteit van het 10-14-onderwijs;b. welke randvoorwaarden nodig zijn om positieve effecten te verkrijgen; enc. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

1

Experiment Ruimte in Onderwijstijd

ex duranteex post

2025

Basisscholen die meedoen met het experiment mogen flexibeler omgaan met de lesuren. De scholen mogen tijdens het experiment afwijken van de normale vakanties en de schoolweek van 5 dagen. Ook mogen andere professionals onder voorwaarden maximaal 100 uur per jaar les geven.Het doel van het experiment is om bij maximaal 20 scholen te onderzoeken:a. wat het afwijken van de regels over de invulling en organisatie van de onderwijstijd voor effecten heeft op het onderwijs van de deelnemende scholen;b. welke randvoorwaarden voorwaardelijk waren om positieve effecten te verkrijgen; enc. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving en onder welke voorwaarden.

1

Monitoring en evaluatie Convenanten lerarentekort po G5

ex durante

2024

Naar aanleiding van de noodplannen is per stad een zogeheten convenant opgesteld voor het aanpakken van het lerarentekort. Hierin zijn afspraken gemaakt over de maatregelen, de middelen, de beoogde resultaten, monitoring en evaluatie. Met subsidie kunnen de maatregelen uit de convenanten worden uitgevoerd. Hiermee wordt gezorgd voor continuïteit, kwaliteit en kansengelijkheid van het onderwijs. Er wordt een tussentijdse evaluatie afgenomen. Op basis van de resultaten kan de uitvoering van de convenanten worden bijgesteld. De kennis die wordt opgedaan en de behaalde resultaten zullen worden vertaald, zodat ook de rest van het land gebruik kan maken van deze werkwijzen.

1

Monitoring en evaluatie Experiment andere dag- en weekindeling G5 a.g.v. lerarentekort

ex duranteex post

2024

Het doel van het experiment is om bij de deelnemende scholen te onderzoeken:a. welke impact de mogelijkheid om bij een tekort in de formatie van een school af te wijken van de wettelijke voorschriften, onder de aldaar genoemde voorwaarden, heeft op de omgang met de personeelstekorten, kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen; enb. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving.

1

Loopbaanmonitor 2020-2022 (afgestudeerden lerarenopleiding en zij-instromers)

monitor

2022

De Loopbaanmonitor onderwijs onderzoekt de ontwikkeling van de arbeidsmarktpositie van recent afgestudeerde leraren en de dynamiek daaromtrent. Het onderzoek kent twee onderdelen: secundaire analyses op CBS-microdata en een enquête onder pas afgestudeerden van de lerarenopleidingen. Met de Loopbaanmonitor wordt gekeken naar de arbeidsmarktpositie van pas afgestudeerden, beroepsrendement van de lerarenopleidingen naar achtergrondkenmerken en baan- en contractkenmerken.

9

Arbeidsmarkt-barometer 2020-2022 (Online vacatures)

monitor

2022

Het doel van de Arbeidsmarktbarometer po, vo en mbo is om ontwikkelingen in de vraag naar leraren, ondersteunend personeel en directieleden in kaart te brengen voor het po, vo en mbo en om knelpunten op deze arbeidsmarkt te identificeren.

9

Subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort (po, vo, mbo)

ex post

2024

De RAP-regeling is een vervolg op de regionale aanpak lerarentekort uit 2019. Schoolbesturen kunnen samen met één of meer lerarenopleidingen een plan van aanpak indienen. Hierin staat beschreven wat zij in hun regio gedurende de schooljaren 2020-2021 en 2021-2022 gaan doen om het lerarentekort aan te pakken. Deze RAP-regeling wordt gemonitord.

9

Integrale personeelstelling onderwijs (IPTO)

monitor

2024

Met de Integrale Personeelstelling Onderwijs (IPTO) worden jaarlijks voor al het lesgevend personeel op scholen in het voortgezet onderwijs gegevens verzameld over de lesuren die men geeft en meer recent, ook de bevoegdheidssituatie die bij deze lesuren hoort.

9

Monitorings- en evaluatieonderzoek subsidieregeling ‘Extra hulp voor de klas’

ex post

2022

Deze regeling is bedoeld om het po, vo, mbo en hbo hulp en ondersteuning te bieden met behulp van extra personeel. De subsidie draagt hiermee bij aan het continueren van het onderwijs in tijden van de coronacrisis. Dit is noodzakelijk om achterstanden zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen.Het doel van dit onderzoek is om te beoordelen in hoeverre de subsidieregeling ‘Extra hulp voor de klas’ heeft bijgedragen aan het doel hiervan.

9

NRO programma lerarenagenda (o.a. TALIS 2024)

ex duranteex post

2025

Voor de komende vijf jaar (2021 ‒ 2025) wordt een onderzoeksprogramma ingericht bij het NRO. De afspraak is om de beschikbare middelen in te zetten voor drie doeleinden, te weten:1) de kosten voor het nationale onderzoek van TALIS 2024;2) de monitoring van de Taskforce/ programmabureau onderwijsarbeidsmarkt;3) onderzoek voortkomend uit de strategische evaluatie lerarenbeleid en daarmee samenhangende wensen van een nieuw kabinet .

9

Mirror 2019-2023 (arbeidsmarktramingen)

monitor

2023

Centerdata stelt jaarlijks arbeidsmarktramingen op voor het po, vo en het mbo. De arbeidsmarktramingen geven onder meer inzicht in vraag en aanbod van leraren, directie en ondersteunend personeel in de betreffende onderwijssectoren over een periode van 10 tot 15 jaar.

9

Iedereen gelijke kansen

NRO programma Onderwijsachterstandenbeleid

ex duranteex post

2025

Zie hoofdtekst SEA.

1 en 3

Onderzoek doorstroom onderbouw vo na wegvallen eindtoets 2020

monitor

2023

In verband met de scholensluiting als gevolg van de coronamaatregelen is in schooljaar 2019-2020 de eindtoets niet doorgegaan, waardoor ook de kans op eventuele bijstelling van het advies verviel. Het is daarom belangrijk om de komende jaren extra scherp in de gaten te houden of de huidige brugklasleerlingen onderwijs volgen op het niveau dat past bij hun capaciteiten en mogelijkheden. De monitoring van de effecten van het wegvallen van de eindtoets wordt uitgevoerd door DUO. DUO blijft de effecten drie jaar lang monitoren, om inzicht te krijgen in hoe het de leerlingen vergaat.

1 en 3

Monitoring Verbeteraanpak Passend Onderwijs

ex duranteex post

2027

Zie hoofdtekst SEA.

1 en 3

Monitoring Nationaal Programma Onderwijs

ex duranteex post

2023

Zie hoofdtekst SEA.

1 en 3

Monitoring segregatie

monitor

2022

Om de ontwikkelingen binnen segregatie in het onderwijs zowel landelijk als regionaal in beeld te brengen, ontwikkelt het Ministerie van OCW een vierjarige monitor. Het ministerie volgt daarin welke maatregelen het beste werken om segregatie tegen te gaan en scholen gemengder te maken. Dit sluit aan bij de Beleidsagenda tegen segregatie in het funderend onderwijs.

1 en 3

Up-to-date curriculum met inzet van eigentijdse middelen

Effectstudie pilot tweetalig PO - vervolg

experiment

2022

Sinds schooljaar 2014/15 loopt een pilot tweetalig primair onderwijs (tpo), waarin 19 basisscholen experimenteren met het lesgeven van 30% tot 50% van de onderwijstijd in het Engels. Tijdens deze pilot wordt onderzoek gedaan naar leerresultaten van deelnemende leerlingen op het gebied van Engels, maar ook Nederlands en rekenen. De resultaten worden vergeleken met controlegroepen zonder tpo. De derde tussenmeting is eind 2020 gepubliceerd. De laatste meting in de pilot tpo vindt plaats in 2022.

1

Evaluatie experiment DAMU-PO

experiment

2022

Het doel van het experiment is om te onderzoeken of het invoegen in de wet van een artikel conform artikel 25 van de Wet op het voortgezet onderwijs en het op basis daarvan toekennen van DAMU-licenties (voor dans- en muziek) ook voor het primair onderwijs zinvol kan zijn. Het doel van deze uitbreiding is om een doorlopende leerlijn voor dans- en muziekleerlingen te kunnen vormgeven die de gehele onderwijskolom beslaat, zodat zij hun talenten optimaal ontwikkelen in combinatie met onderwijs. De basisscholen met een DAMU-licentie kunnen op basis van dit experiment meer maatwerk bieden aan hun leerlingen als het gaat om onderwijstijd, inzet van personeel en de inhoud van het curriculum. Het experiment loopt van januari 2021 t/m 31 juli 2023. De evaluatie vindt eind 2022 plaats.

1

Monitor subsidie hoogbegaafdheid (incl effect)

monitor

2023

Tussen 2019 en 2023 stelt OCW subsidie beschikbaar om het po en vo te stimuleren een passend onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor (hoog)begaafde leerlingen in te richten. De meerderheid van de samenwerkingsverbanden in het po en vo heeft een plan ingediend om aanspraak te maken op de subsidie. Het monitoronderzoek geeft een breed en landelijk beeld van de inhoud van deze plannen, de realisatie van de plannen en de borging op lange termijn. Ook kijkt het monitoronderzoek naar de mate waarin scholen en samenwerkingsverbanden ervaren dat de subsidie bijdraagt aan de drie subsidiedoelen:(1) het vergroten en verspreiden van kennis over (hoog)begaafdheid;(2) het realiseren van een passend aanbod voor deze leerlingen;(3) het versterken van de samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, scholen en zorg binnen de regio.

1 en 3

Evaluatie curriculumbijstelling

ex anteex duranteex post

2023

Zie hoofdtekst SEA.

1 en 3

Monitor en evaluatie van de intensivering technisch vmbo 2018-2024

ex post

2024

In dit monitor- en evaluatieonderzoek wordt de invulling en de werking van het landelijke programma ‘intensivering technisch vmbo' (regeling Sterk Techniekonderwijs 2020-2023) in beeld gebracht en gevolgd. Nagegaan wordt welke regionale plannen vmbo-locaties in samenwerking met hun (keten)partners ontwikkelen, hoe in die plannen de begrippen dekkend, duurzaam en kwalitatief goed technisch vmbo-aanbod worden ingevuld, hoe vervolgens de transitie in de praktijk verloopt én tot welke, regionale en landelijke, resultaten dat leidt. De onderzoekers kijken daarbij expliciet naar wat werkt, voor wie, onder welke omstandigheden, en hoe, om tot maximale leereffecten en projectresultaten te komen.

3

Evaluatie vernieuwing vmbo / sterk techniek onderwijs

ex duranteex post

2024

Vmbo-vestigingen met beroepsgerichte leerwegen dienen samen met het mbo en partners uit het bedrijfsleven plannen te ontwikkelen om tot een duurzaam, dekkend en kwalitatief hoogstaand technisch aanbod in de regio te komen. Vmbo-locaties bepalen zelf wat hun regio is en werken samen met regionale partners aan verduurzaming en een kwaliteitsimpuls van het techniekaanbod. In dit monitor- en evaluatieonderzoek wordt de invulling en de werking van het STO-programma in beeld gebracht en gevolgd. De aandacht is hierbij expliciet gericht op wat werkt, voor wie, onder welke omstandigheden, en hoe, om tot maximale leereffecten en projectresultaten te komen.

3

Monitor pilot brugklas pro-vmbo

monitor

2022

Tot september 2022 wordt de pilot onderbouwklas pro-vmbo gemonitord en geëvalueerd. De pilot maakt het tijdelijk en formeel mogelijk voor pro- en vmbo-scholen om samen onderwijs te verzorgen voor leerlingen waarover twijfel bestaat wat de juiste plek voor hen is: pro of vmbo met leerwegondersteuning (lwoo). Doel van de monitor en evaluatie is om in kaart te brengen hoe de pilot wordt vormgegeven en na te gaan of deze vorm van maatwerk leidt tot een betere plek en meer kansen voor leerlingen op het snijvlak pro/vmbo.

3

Domein Primair onderwijs en Voortgezet onderwijs (DGPV)

Het domein DGPV behelst de sectoren primair en voortgezet (speciaal) onderwijs, en omvat ook de beleidsterreinen passend onderwijs, kansengelijkheid en onderwijsondersteuning. Binnen elk van deze gebieden spelen uitdagingen en kennisvragen waarbij de beschreven experimenten, monitoring en evaluaties richting bieden voor de ambities en het huidige beleid. De thema's dienen daarnaast als eerste richtsnoer voor het strategisch uitzetten van beleidsonderzoek en het inventariseren en effectief gebruiken van kennis uit onderzoek.

Thema Leraar als aantrekkelijk beroep

Dit thema behelst onderzoek wat bijdraagt aan het vergroten van de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar. Subthema's zijn o.a. werkdruk, salaris, lerarentekort, leven lang ontwikkelen, en samen opleiden en professionaliseren. Er ligt een inzichtbehoefte wat betreft wat bepaalde beleidsmaatregelen betekenen voor de vaardigheden van leraren, als ook bij de vraag hoe regionale samenwerking kan worden gestimuleerd.

Thema Iedereen gelijke kansen

Dit thema richt zich op hoe beleid kan bijdragen aan gelijke kansen voor iedereen, en behelst subthema's als selectie, onderwijsachterstandenbeleid, IKC's, passend onderwijs, en onderwijs-zorg arrangementen. Er ligt een inzichtbehoefte op het gebied van regionalisering en verbeterde samenwerking, kansengelijkheid als indicator voor het onderwijsstelsel, het tot stand brengen van implementatie van beleid en innovatie in het onderwijs, en effectieve strategieën voor publiek-private samenwerking.

Thema Up-to-date curriculum met inzet van eigentijdse middelen

Dit thema richt zich o.a. op de lopende curriculumbijstelling, de strategie en impact van digitalisering, doorlopende leerlijnen, en nieuwe leerwegen binnen het vmbo. Kennisvragen die spelen zijn bijvoorbeeld hoe beleid en innovatie zo goed mogelijk kunnen worden geïmplementeerd, hoe regionale samenwerking kan worden gestimuleerd, en effectieve strategieën voor publiek-private samenwerking.

Tabel 144 Uitwerking Strategische evaluatieagenda Beroepsonderwijs en volwasseneducatie

Thema

Subthema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Innovatie mbo

Tussenevaluatie Regionaal investeringsfonds mbo

ex durante

2021

De tussenevaluatie dient om zowel inzicht te verkrijgen in de effectiviteit van de subsidieregeling, als in de kwaliteit van de ondersteuning rondom aanvraag en uitvoer van subsidieprojecten. De resultaten kunnen input zijn voor een eventuele derde RIF-regeling die in 2023 in zou kunnen gaan.

4

 

Evaluatie Doelmatige leerwegen/Herziening van de Kwalificatiestructuur

ex duranteex post

2021

Zie hoofdtekst SEA.

4

 

Experiment Ruime in de regio

ex duranteex post

2026

Het onderzoek naar de mbo-certificaten moet zicht geven op effecten van de invoering van certificaten. Leidt de invoering van certificaten inderdaad tot een groter aantal werkenden en werkzoekenden dat deelneemt aan het mbo? Zijn er verschillen tussen arbeidsmarktsectoren, en tussen mbo-instellingen? Zijn er ook andere effecten? Het onderzoek richt zich op het onderwijsaanbod en de studentdeelname. De monitoring vindt periodiek plaats en bestaat uit:• een eerste meting/monitoring in 2019;• tussentijdse monitoring en evaluatie in 2021;• laatste meting in 2025, alsook eindevaluatie.

 
 

Pilots met mbo-certificaten

ex duranteex post

2026

Uit de drie (tussentijdse) evaluaties van het experiment cross-overs zal duidelijk worden of er een behoefte bestaat voor cross-over kwalificaties en of het mogelijk is om deze structureel te regelen. Er worden in 2022, 2023 en 2024 tussenrapportages opgeleverd, en in 2025 de eindevaluatie.

 
 

Monitoring en evaluatie «Experiment Ruimte in de regio, experiment Cross-overs en pilots met mbo-certificaten»

ex duranteex post

2026

Het experiment Ruimte in de Regio wordt aan de hand van de volgende hoofdvragen gemonitord en geëvalueerd:of en in hoeverre draagt het experiment Ruimte voor de regio bij aan:- verbetering van de aansluiting van de opleidingen op de regionale arbeidsmarkt;- vergroting van het eigenaarschap van docenten en werkgevers met betrekking tot de inhoud van het onderwijs;- versterking van kwaliteit en innovatiekracht van het onderwijs?

4

 

Werkplaats ICT en Werkplaats Burgerschap

ex duranteex post

2022

Doel Werkplaats Burgerschap is antwoord geven op:1. wat is de manier waarop mbo-scholen een visie op burgerschap ontwikkelen en vervolgens uitwerken? (Kan dit beter, en hoe?);2. wat is de manier waarop scholen hun burgerschapsvisie in de praktijk brengen en realiseren, en worden de gestelde doelen gehaald?Doel Werkplaats ICT:De Werkplaats ICT heeft het gebruik van ICT voor meer maatwerk en activerend leren in het mbo-onderwijs als doel. In de Werkplaats ICT wordt onderzoek gedaan naar onderwerpen als het onderzoeken van de effecten van gepersonaliseerd leren met ict op motivatie, prestaties en uitval, de relatie tussen technologie, didactiek en pedagogiek en de effectiviteit van de inzet van verschillende ict-mogelijkheden voor verschillende doelgroepen (wat werkt wel/niet voor welke doelgroep en op welke wijze?).

 

Gelijke kansen

Evaluatie Wet Doelmatige leerwegen en Herziening van de Kwalificatiestructuur

ex duranteex post

2021

Zie hoofdtekst SEA.

4

 

Evaluatie Pilots Nazorg van mbo-gediplomeerden, en onderzoek naar de pilot nieuwe vorm van praktijkleren

Ex durante

2021

Het beleid gericht op jongeren in een kwetsbare positie is enerzijds gericht op het voorkomen van en terugdringen van voortijdige schooluitval en anderzijds op het bieden van een zo goed mogelijk perspectief op duurzame inzetbaarheid voor jongeren die geen startkwalificatie kunnen halen. In het kader van dit beleid zijn twee pilots gestart: pilot mbo-verklaring en pilot praktijkleren met de praktijkverklaring. In het onderzoek worden beide pilots onderzocht. Resultaten moeten inzichten geven in belemmerende en succesfactoren. Daarnaast zijn onderzoeksvragen ook gericht op verkrijgen inzicht in de effecten van de pilots. De onderzoeksresultaten dienen ter ondersteuning van de besluitvorming over vervolgstappen.

4

 

Experiment gecombineerde leerwegen bol-bbl

ex duranteex post

2021

Het doel van het experiment is onderzoeken of de kwaliteit en toegankelijkheid van het beroepsonderwijs en de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt kunnen worden verbeterd. Met het experiment krijgen studenten in het eerste leerjaar onderwijs in de bol en in het laatste leerjaar in de bbl. Het is aan de instelling of de mogelijk tussenliggende leerjaren worden gevolgd in de bol dan wel de bbl. De inzichtbehoefte komt voort uit het Techniekpact. Om de effecten van een gecombineerde leerweg goed in kaart te brengen is gekozen voor een meerjarige evaluatie.

4

 

Evaluatie interventies onderwijs-arbeidsmarkt

ex durante

2022

Het onderzoeksprogramma «Gelijke kansen richting de toekomst» betreft een samenwerking tussen de Ministeries van SZW en OCW. Het is een vorm van participerend en evaluerend onderzoek.Essentie van het onderzoeksproject is het ontwikkelen en uitvoeren van interventies om studenten met een niet-westerse achtergrond een betere positie te geven voor toegang tot voldoende kwalitatief goede stageplekken en leer-werkplekken, en uiteindelijk ook op de arbeidsmarkt, en zo gelijke kansen te bevorderen. Tevens worden de betreffende interventies op effectiviteit beoordeeld en geëvalueerd.

4

 

Pilot mbo-school verantwoordelijk voor plaatsing studenten bij leerbedrijf

ex duranteex post

2023

Tijdens het AO over mbo en corona (juni 2020) heeft D66 (lid Van Meenen) het voorstel gedaan om mbo-instellingen verantwoordelijk te maken voor sollicitatieprocedures, in ieder geval ten minste voor de eerste leerplekken en stages tijdens de opleiding. Uitwerking van de pilot is beoogd als onderdeel van het lopende onderzoek Gelijke kansen richting de toekomst. In vergelijkend onderzoek zullen bestaande werkwijzen rond de verdeling/matching van stageplekken worden vergeleken. Daarbij zal worden onderzocht of de werkwijzen bijdraagt aan gelijke kansen naar de arbeidsmarkt en het verminderen van stagediscriminatie. De loopduur zal zijn van 2021-2023.

4

Leven-lang-ontwikkelen

Evaluatie Wet Doelmatige leerwegen en Herziening van de Kwalificatiestructuur

ex duranteex post

2021

Zie hoofdtekst SEA.

4

 

Pilot mbo-school verantwoordelijk voor plaatsing studenten bij leerbedrijf

ex duranteex post

2026

Zie hoofdtekst SEA.

 
 

Experiment Ruimte in de regio

ex duranteex post

2026

Zie hoofdtekst SEA.

 
 

Monitoring en evaluatie «Experiment Ruimte in de regio, Experiment Cross-overs en Pilot mbo-certificaten»

ex duranteex post

2026

Zie hoofdtekst SEA.

4

 

Beleidsmonitor Leven Lang Ontwikkelen (LLO)

ex durante

2022

Het doel van het onderzoeksprogramma is het in beeld brengen van de ontwikkeling van de leercultuur en de ontwikkeling van de eigen regie ten behoeve van de deelname aan leven lang ontwikkelen. Hierin wordt ook de bijdrage van overheidsbeleid t.o.v. andere invloeden op de leercultuur betrokken.Sommige beleidsmaatregelen voor LLO worden afzonderlijk gemonitord maar er ontbreekt een overkoepelende, integrale monitor om de doeltreffendheid van de totale set aan beleidsinstrumenten te monitoren en te evalueren. De effecten van beleid zijn daarnaast vaak niet meteen zichtbaar, daarom is het belangrijk om over een langere periode (meerjarig) te monitoren.De uitkomsten van het onderzoek worden gebruikt als input voor het huidige en toekomstige beleid rond LLO. Het gaat daarbij minder om beleidsaanbevelingen, maar eerder om de werkende mechanismen in de interactie tussen eigen regie en leercultuur.

4

Domein mbo

Grondslag van de gekozen strategische thema’s is een gemeenschappelijke visie op de positie die het beroepsonderwijs in de Nederlandse samenleving inneemt en de richting waarin het mbo zich, gelet op zijn maatschappelijke uitdagingen, zou moeten ontwikkelen.

Thema Innovatie mbo

Mbo-scholen innoveren hun onderwijs voortdurend en dragen op die manier meer bij aan de innovatie van hun werkgebied of aan de ontwikkelingen in hun branches. Hoogwaardig vakmanschap draagt bij aan innovaties. Maatschappelijke ontwikkelingen vragen om mbo-afgestudeerden die vakvaardigheden en zogenoemde 21e eeuwse vaardigheden (zoals samenwerken, communicatie, flexibiliteit) op hoog niveau beheersen. Er wordt daarom gemonitord in hoeverre dit wordt teruggezien in het mbo.

Thema Kansengelijkheid mbo

Mbo-scholen bieden gelijke kansen aan alle jongeren om hun persoonlijk talent en burgerschap te ontwikkelen, door te stromen naar een goede positie op de arbeidsmarkt en naar vervolgopleidingen in het mbo en hbo. Het mbo is daarmee de eerste keus voor aanstaande vakmensen en biedt optimale toegang naar de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs.

Het mbo is de onderwijssector die voor jongeren met uiteenlopende talenten het verschil kan maken, ook voor jongeren met een relatief trage start in het onderwijs: juist deze jongeren gaan veelal van het primair onderwijs naar het vmbo om vervolgens door te stromen naar het mbo. In het mbo hebben zij vervolgens de mogelijkheid om op te klimmen naar mbo-niveaus met betere arbeidsmarktperspectieven en na mbo-4 eventueel door te stromen naar het hbo. Het mogelijk maken van deze emancipatie is een kernfunctie van het mbo en verdient blijvende aandacht, net als doorstroom van het mbo naar de arbeidsmarkt. Ook de kansengelijkheid in overgangsmomenten, bijvoorbeeld van vmbo naar mbo, biedt mogelijkheden voor intensievere (regionale) samenwerking.

Thema Leven Lang Ontwikkelen

Het mbo-onderwijs voor volwassenen gaat qua omvang toenemen, gebruikmakend van de publieke onderwijsinfrastructuur. De arbeidsmarkt verandert steeds sneller onder invloed van onder andere verduurzaming van de economie, robotisering en digitalisering.

Ondernemers en werknemers geven zelf richting aan deze trends, maar werknemers zullen zich ook aan deze veranderingen moeten aanpassen. Voor volwassenen is permanent leren de nieuwe vorm van zekerheid om grip te krijgen op hun loopbaan en hun eigen ontwikkeling. De regie ligt bij de volwassenen en hun werkgevers, ondersteund door een overheid, die faciliteert en stimuleert met extra inzet op kwetsbare, achterblijvende groepen. Het is nodig dat mensen toegerust zijn om met veranderingen om te gaan, zodat zij volwaardig mee kunnen doen aan de maatschappij en duurzaam kunnen bijdragen aan de economische ontwikkeling. Het belang van permanent leren en ontwikkelen neemt naar verwachting in de toekomst alleen maar toe. Een doorbraak op dit terrein is noodzakelijk.

Tabel 145 Uitwerking Strategische evaluatieagenda Hoger Onderwijs & Studiefinanciering

Thema

Subthema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Toegankelijkheid

Nieuw aanbod en aanbieders: voorlichting en inrichting

Verkenning

2022

In de Staat van het Onderwijs wordt gewezen op een toenemende complexiteit van het hoger onderwijs. Voor studenten is het niet altijd eenvoudig wijs te worden uit het aanbod en de rechten en plichten die daarbij horen. Gegeven die complexiteit is het van groot belang dat opleidingen en instellingen op de juiste manier zijn geregistreerd en voldoen aan de wettelijke vereisten (bijvoorbeeld als het gaat om graadverlening) en dat regelgeving bekend is en herkend wordt.

6 en 7

Aansluitende schoolloopbanen(vo/mbo/ho) (Inspectieonderzoek)

Verkenning

2023

De aansluiting tussen de verschillende sectoren is niet altijd optimaal (Staat van het Onderwijs, 2019). In het onderwijsveld ontstaan diverse initiatieven om tot een betere aansluiting tussen de sectoren te komen. De Inspectie van het Onderwijs wil bijdragen aan betere aansluiting, zodat er sprake is van een daadwerkelijk doorlopende leerlijn. Daarom onderzoekt de Inspectie in 2021 welke knelpunten en oplossingsrichtingen er zijn.In 2021 richt de Inspectie zich daarbij in de eerste fase van dit programma op de doorstroom van vo-leerlingen en mbo-studenten naar het hbo.

6 en 7

Monitor beleidsmaatregelen 2020-2021

Monitor

2022

Het volgen van de belangrijkste ontwikkelingen in het hoger onderwijs - waaronder toegankelijkheid, studievoortgang en het gebruik van het Studievoorschot – en het waar mogelijk leggen van verbanden met beleidsmaatregelen.

6 en 7

Selectiecriteria

Themaonderzoek

2022

Maximering selectiecriteria. In reactie op de motie van Meenen, Futselaar en van der Molen (Kamerstukken II, 2018/2019, 31 288, nr. 713) heeft de Minister aan de Inspectie gevraagd hoe instellingen in de praktijk omgaan met selectiecriteria en welke lessen hieruit op landelijk niveau getrokken kunnen worden.

6 en 7

Kwaliteit

Eindevaluatie subsidieregeling Open en Online

Evaluatie

2022

Het experiment Open en Online maakt het mogelijk voor instellingen om te experimenteren met online onderwijs en open leermaterialen. De subisdieregeling zal per 2022 aflopen. Om te onderzoeken of het experiment voldoende effect heeft gehad, zal er een eindevaluatie plaatsvinden.

6 en 7

Doelmatigheid

Overzichtsstudies naar urgente vragen voor het hoger onderwijs(beleid)

Divers

2022/2023

Voor het beantwoorden van urgente vragen, en/of het in kaart brengen van bestaande kennis ter onderbouwing van actuele discussies, reserveert de programmacommissie € 300.000 per jaar, te besteden aan 6-8 kortlopende studies.

6 en 7

Onderwijsaanbod: Ad

Evaluatie

2022

Sinds enige tijd zijn associate degrees zelfstandige ho-opleidingen. Deze opleidingen voorzien gezien de groei in aantallen en inschrijvingen in een behoefte en vormen een mooie entree in het hoger onderwijs. In toenemende mate ontstaan daarbij samenwerkingen tussen mbo en ho, gericht op de optimale aansluiting voor studenten. In 2021 worden gegevens over de aantallen Ad’s en de doelgroep gepresenteerd en wordt onderzocht welke vormen de samenwerking krijgt, waar kansen liggen en mogelijke knelpunten in de huidige wet- en regelgeving.

6 en 7

Domein Hoger Onderwijs & Studiefinanciering

De Nederlandse overheid streeft naar een toegankelijk en kwalitatief hoogwaardig hoger onderwijsstelsel. Het belang van goed hoger onderwijs en onderzoek voor Nederland is groot. Voor een veerkrachtige en democratische samenleving, het toekomstige verdienvermogen en de aanpak van maatschappelijke uitdagingen zijn goed opgeleide mensen en excellent onderzoek nodig. Het gaat daarbij om het ontwikkelen en overdragen van (wetenschappelijke) kennis, inzicht en vaardigheden, maar ook om persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.

Het overzicht van evaluatieonderzoek is gebaseerd op de drie grote stelseldoelen van het hoger onderwijsbeleid: toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid.

Stelseldoel toegankelijkheid

Iedereen die de capaciteit heeft om te studeren, moet de mogelijkheid hebben om te studeren. De achtergrond en de persoonlijke omstandigheden van studenten zouden zo min mogelijk invloed moeten hebben op de onderwijsuitkomsten. Dat betekent dat de studentenpopulatie die in het hoger onderwijs instroomt, aan het hoger onderwijs deelneemt en succesvol afrondt, zoveel mogelijk een afspiegeling zou moeten zijn van de diversiteit in het toeleverend onderwijs. Ondervertegenwoordiging in het hoger onderwijs van specifieke groepen kan duiden op ongelijke kansen.

Stelseldoel kwaliteit

Aangezien ‘onderwijskwaliteit’ een relatief begrip is en uiteenlopende benaderingen niet tot een eenduidige definitie leiden, is hier gekozen voor een pragmatische aanpak. Onderwijskwaliteit kan in kaart worden gebracht door te kijken naar ‘ingezette mensen en middelen’, het ‘leerproces’ zelf en ten slotte de ‘leeropbrengsten en –uitkomsten’.

Stelseldoel doelmatigheid

Beleid is doelmatig als het gewenste effect tegen zo min mogelijk kosten wordt bereikt, ofwel: met dezelfde middelen worden de grootst mogelijke effecten bereikt. De volgende aspecten van doelmatigheid worden onderscheiden: doelmatige inrichting van het onderwijsaanbod, doelmatigheid van de studieloopbanen en uitgaven aan hoger onderwijs.

Tabel 146 Uitwerking Strategische evaluatieagenda Cultuur en Media

Thema

Subthema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Mediastelsel

Algemeen/overkoepelend

Beleidsdoorlichting media

2021

De beleidsdoorlichting media zal enerzijds een evaluatie van het mediabeleid zijn vanaf 2014, anderzijds worden benut om de visie verder uit te werken. Daarmee wordt ook vorm gegeven aan een toezegging aan de Eerste Kamer om een onderzoek te doen naar «duurzame versterking van de publieke omroep, zowel wettelijk als financieel, en gelet op het internationale krachtenveld».

15

Landelijk, regionaal en lokaal mediastelsel

Onderzoek erkenningscriteria omroepen

2021

In antwoord op een verzoek van de Tweede Kamer en mede naar aanleiding van adviezen van de Raad voor Cultuur en het Commissariaat voor de Media

15

 

Onderzoek diversiteit en tevredenheid tv-pakketten 2021 en 2023

2023

Periodiek onderzoek door het Commissariaat voor de Media

15

 

Evaluatie nieuwe governance Commissariaat voor de Media

2022

 

15

 

ZBO evaluatie Commissariaat voor de Media

2023

 

15

 

Evaluatie Nederlands Instituut voor beeld en geluid (NIBG)

2021

 

15

 

Evaluatie must-carry-verplichting

2023

 

15

 

Evaluatie corona steunmaatregelen mediabedrijven

2022

 

15

Journalistiek

Evaluatie Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2022

 

15

 

Evaluatie Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

2023

 

15

 

Evaluatie extra middellen onderzoeksjournalistiek

2023

 

15

Mediawijsheid

Evaluatie Netwerk Mediawijsheid 2019-2023

2024

 

15

 

Evaluatie NICAM (kijkwijzer)

2025

 

15

 

Evaluatie verlaagd btw tarief digitale uitgaven

2023

 

15

Cultuur

Algemeen/ overkoepelend

Beleidsdoorlichting cultuur (onderdeel cultuurdeelname)

2022

 

14

Basis Infrastructuur Cultuur (BIS)

Evaluatie/voorbereiding BIS 2025-2028

2023

 

14

 

Evaluatie gemeentelijke regio's cultuurbeleid

2022

 

14

 

Visitatie rijkscultuurfondsen

2022

 

14

Bibliotheken

Evaluatie WSOB

2024

 

14

 

Evaluatie convenant e-lending

2021

 

14

 

Evaluatie Implementatiewet toegankelijkheidsrichtlijn

2026

 

14

 

Evaluatie specifieke corona steunmaatregelen cultuur

2023

 

14

Letteren

Evaluatie vaste boekenprijs

2023

 

14

Arbeidsmarkt

Beleidsevaluatie arbeidsmarktagenda

2023

 

14

Auteursrecht

   

14

Creatieve industrie (topsector)

   

14

Architecten

ZBO evaluatie bureau architectenregister

2025

 

14

Digitalisering

Beleidsevaluatie instrumentarium digitalisering cultuur en erfgoed

2022

 

14

Internationaal Cultuurbeleid (ICB)

Evaluatie Internationaal Cultuurbeleid (ICB) 2017-2020

2021

 

14

Erfgoed

Algemeen/ overkoepelend

Evaluatie Erfgoedwet 2016-2020

2022

Onderdeel van de beleidsdoorlichting erfgoed

14

 

Beleidsdoorlichting behoud, beheer en toegankelijkheid erfgoed

2022

 

14

Musea

Evaluatie huisvesting rijksmusea en RHC’s

2021

 

14

 

Evaluatie aanpak advies Commissie Collectie Nederland

2022

 

14

Monumenten

Evaluatie herbestemmingsregeling

2021

 

14

 

Evaluatie Stimuleringsregeling Instandhouding Monumenten (SIM)

2021

 

14

 

Evaluatie Stichting Restauratiekwaliteit Monumenten (ERM)

2021

 

14

Archeologie

Evaluatie Archeologiebeleid

2021

Onderdeel van de beleidsdoorlichting erfgoed

14

Immaterieel erfgoed

   

14

Cultuur-educatie

Cultuuronderwijs

Evaluatie regeling cultuurbegeleider

2021

 

14

 

Evaluatie Muziek in de Klas

2022

 

14

 

Evaluatie Cultuureducatie met Kwaliteit 2021-2024

2024

 

14

Cultuurparticipatie

Evaluatie Programma cultuurparticipatie 2021-2024

2024

 

14

Leesbevordering

Evaluatie programme leesbevordering (onderdeel Tel mee met Taal)

2022

Opdrachtgever Tel mee met Taal is Directie MBO (eindevaluatie 2024)

 
 

Evaluatie Leesoffensief

 

Programma is nog in ontwikkeling, evaluatie wordt nog bepaald

14

Archieven

 

Evaluatie archiefwet

2026

N.t.b.

14

 

Uitvoeringstoetsen van het Archiefbesluit en de Archiefregeling

2022

 

14

Domein Cultuur en Media

Het domein omvat het gehele cultuur- en mediabeleid: Artikel 14 (Cultuur) en Artikel 15 (Media). Het cultuur en mediabeleid is opgedeeld in vijf beleidsinhoudelijk samenhangende thema’s. Ze zijn zo gekozen dat de beste garantie bestaat voor langjarige aansluiting op de beleidspraktijk en daarmee herkenbaarheid voor beleidsmakers en politiek. Specifieke actuele thema’s, bijvoorbeeld op basis van de regeerakkoord, kunnen hier ondergebracht worden. De evaluaties zijn zo ingepland dat zij passen bij de kennisbehoefte en bij reeds bekende beslismomenten in de beleidscyclus. Het kan dus zo zijn dat er op een subthema op dit moment nog geen beleidsevaluatie gepland staat in de komende periode. Dit is geen hiaat, maar een keuze die past bij het strategisch plannen van evaluaties met oog voor de verbinding met de beleidspraktijk. Met de jaarlijkse actualisatie van de Strategische Evaluatie Agenda wordt opnieuw naar de evaluatie van deze subthema's gekeken. Deze Strategische Evaluatie Agenda is nog in ontwikkeling.

Tabel 147 Uitwerking Strategische evaluatieagenda Emancipatie

Thema

Subthema

Type onderzoek

Afronding

Toelichting onderzoek

Art.

Arbeid

Doelgroep man/vrouw

Topvrouwen: CPB evaluatie effecten invoering quotum

2024

Onderzoek naar de effecten van de invoering van het diversiteitsquotum

25

 

Topvrouwen: Inventarisatie monitors en governance codes genderdiversiteit in de (sub)top van de (semi)publieke sector en update Dashboard

2021

Een vooronderzoek voor een overkoepelende monitor voor de (semi)publieke sector, waarin de  governance codes en de v/m-verhoudingen in de (semi)publieke sector periodiek worden bijgehouden, zodat trends kunnen worden waargenomen en beleid hierop kan worden aangepast.

25

Doelgroep lhbti

    

Sociale veiligheid

Doelgroep man/vrouw

Evaluatie Veilige Steden

2021

Ex-post evaluatie van het programma Veilige Steden, gericht op de inhoudelijke opbrengsten van het programma

25

Doelgroep lhbti

Evaluatie Regenboogsteden

2021

Ex-post evaluatie van het programma regenboogsteden, gericht op de inhoudelijke opbrengsten van het programma

25

Genderdiversiteit en gelijke behandeling

Doelgroep man/vrouw

Representatiemonitor

2022

Monitoringsonderzoek naar de representatie van vrouwen in de media

25

Doelgroep lhbti

    

Algemeen

Doelgroep man/vrouw

Emancipatiemonitor

2022

Tweejaarlijkse monitor over stand van zaken emancipatie in Nederland

25

Doelgroep lhbti

LHBT-monitor

2022

Tweejaarlijkse monitor over stand van zaken acceptatie LHBT in Nederland

25

Overig

Strategische evaluatie «werken met gemeenten»

2022

Zie hoofdtekst SEA voor informatie over strategische evaluatie

25

Domein Emancipatie

De algemene doelstelling van het emancipatiebeleid is het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslachtskenmerken in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

Uitgangspunt van het emancipatiebeleid van dit kabinet is dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is en iedereen de vrijheid heeft om te houden van wie je wilt en om zichtbaar je zelf te kunnen zijn. Om dit te bereiken zetten we ons in voor gender- en lhbti-gelijkheid en het voorkomen van discriminatie van en geweld tegen deze groepen

De directie Emancipatie gaat over zowel m/v-emancipatie, ofwel gendergelijkheid, als over lhbti-emancipatie. De directie Emancipatie heeft, in tegenstelling tot de meeste directies, geen eigen wet- en regelgeving, of stelsel waarvoor het verantwoordelijk is, maar is actief op een breed scala aan onderwerpen dat voor een groot deel onder de verantwoordelijkheid van andere departementen valt. De directie heeft hierbij vooral een agenderende, coördinerende en aanjagende rol. Daarbij wordt nauw samen gewerkt met maatschappelijke organisaties, andere overheden en andere departementen. Dit heeft impact op de manier waarop van werken en daarmee ook op de manier waarop geëvalueerd kan worden.

De directie werkt aan verschillende dossiers, die ondergebracht zijn in drie hoofdthema’s: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit en gelijke behandeling. Op de belangrijkste dossiers van de directie bestaan soms raakvlakken en overlap tussen onderwerpen op het gebied van gendergelijkheid en lhbti-emancipatie. Het komt echter ook voor dat dossiers exclusief over de positie van vrouwen of lbhti-personen gaan.

Thema Arbeid

Elke vrouw moet financieel onafhankelijk zijn en haar kwaliteiten op de arbeidsmarkt waar kunnen maken.

Het beleid van de directie emancipatie richt zich zowel op de ‘bovenkant’ als de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt. Met andere woorden, de inzet is gericht op het bevorderen van de doorstroom van vrouwen naar topposities, maar ook op het bevorderen van arbeidsparticipatie en financiële onafhankelijkheid van vrouwen. Het beleid richt zich onder andere op het creëren van betere omstandigheden op de arbeidsmarkt zoals het tegengaan stereotypering, bevorderen gelijk loon, en het faciliteren van de combinatie van arbeid en zorg.

Uit bovenstaand schema wordt duidelijk dat er veel gebeurt op het vlak van topvrouwen. Dat is logisch. Er wordt momenteel gewerkt aan wet- en regelgeving en het is belangrijk een en ander goed te evalueren en monitoren.

Thema Sociale Veiligheid

Alle mensen voelen zich (sociaal) veilig.

Het beleid van de directie Emancipatie richt zich op het bevorderen van sociale veiligheid van vrouwen en lhbti-personen. Hierbij is aandacht voor specifieke groepen in de samenleving die veel te maken krijgen met onveiligheid of geweld.

Beide grote programma’s die vanuit Sociale Veiligheid, Regenboogsteden en Veilige Steden, zullen dit jaar inhoudelijk worden geëvalueerd. Het betreft hier de inhoudelijke opbrengsten van het Veilige Steden programma en van de Regenboogsteden. Dit is een ander type evaluatie dan de strategische evaluatie «werken met gemeenten». Het gaat daarbij om het hoe, en niet om de inhoud. De strategische evaluatie kijkt naar het instrument, de manier van werken, de vormgeving van de samenwerking.

Genderdiversiteit & gelijke behandeling

Alle mensen zijn vrij om hun identiteit vorm te geven.

Het beleid van de directie Emancipatie richt zich op het bevorderen van gelijke behandeling, de acceptatie van genderdiversiteit en het tegengaan van stereotypering. Er wordt op het vlak van wet- en regelgeving veel samengewerkt met andere departementen.

Komend jaar zal opnieuw worden gekeken naar de representatie van vrouwen in de media.

Thema Algemeen

Tenslotte is eind 2020 de emancipatiemonitor verschenen en verwachten we dit jaar de lhbt-monitor van het SCP. Het SCP is momenteel bezig met een intern proces waarbij ze hun werkzaamheden aan het herzien zijn. Dit heeft gevolgen voor de monitors. Omdat beide monitors voor de evaluatie van het beleid onmisbaar zijn, wordt geprobeerd deze elders onder te brengen. De uitkomst van dit proces is nog onzeker, maar dat tweejaarlijks gemonitord blijft worden, staat buiten discussie.

Wanneer je een en ander schematisch probeert weer te geven, kom je tot bovenstaand schema, waarin lhbti-emancipatie en m/v-emancipatie door de andere thema’s heen snijden. Bijna alle dossiers zijn hierin onder te brengen. Voor de algemene onderwerpen die door alle thema’s heen snijden is de categorie overig toegevoegd. Hierin vallen bijvoorbeeld de emancipatie- en de lhbt-monitor die rapporteren over alle domeinen.

Bijlage 6: Rijksuitgaven Caribisch Nederland

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (Kamerstuk 33 000 IV, nr. 28,) brengen departementen reeds langer in kaart welke uitgaven zij doen ten behoeve van Caribisch Nederland (CN), uitgesplitst per beleidsartikel en per instrument. Voor zover die uitgavenreeksen de € 1 miljoen te boven gaan, maken de departementen deze in een aparte regel (regeling onder een instrument) expliciet zichtbaar in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en de bijbehorende toelichting. Bedragen onder de € 1 miljoen hoeven niet apart zichtbaar te worden gemaakt in de budgettaire tabel, hierbij volstaat een toelichting. Naar aanleiding van de voorlichting van de Afdeling Advisering van de Raad van State (RvS) en het Interdepartementale Beleidsonderzoek Koninkrijksrelaties (IBO) heeft het kabinet besloten het overzicht Rijksuitgaven (ten behoeve van) Caribisch Nederland uit te breiden (Kamerstuk 35 300 IV, nr. 11). Ter uitvoering hiervan dient deze bijlage waarin alle uitgavenreeksen van het Ministerie van OCW ten behoeve van Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba ofwel BES-eilanden) worden opgenomen, ongeacht de hoogte van de uitgaven. Uitgaven aan de landen Curaçao, Sint Maarten en Aruba worden hierin niet opgenomen.

Tabel 148 Overzicht rijksuitgaven Caribisch Nederland (bedragen x € 1.000)

Artikel/ instrument

Taak1

Bijdrage2

Realisatie

Ontwerpbegroting 2022

   

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

Totaal uitgaven

  

58.978

71.141

74.352

69.089

54.662

59.275

58.756

          

Artikel 1 Primair onderwijs

26.932

37.539

40.963

37.392

23.463

28.078

27.559

Subsidies (regelingen)

R

S

1.713

0

0

0

0

0

0

Bekostiging

R

S

19.959

22.271

23.128

19.604

19.614

19.828

19.828

Opdrachten

R

I

815

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

E

I

4.445

15.268

17.835

17.788

3.849

8.250

7.731

Artikel 3 Voortgezet onderwijs

19.594

18.420

19.274

17.654

17.259

17.257

17.257

Subsidies (regelingen)

R

I

1.383

0

0

0

0

0

0

Bekostiging

R

S

18.211

18.420

19.274

17.654

17.259

17.257

17.257

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

7.050

9.683

8.616

8.544

8.441

8.441

8.441

Subsidies (regelingen)

R

I

454

0

0

0

0

0

0

Bekostiging

R

S

5.744

9.683

8.616

8.544

8.441

8.441

8.441

Bijdrage aan medeoverheden

E

I

1.306

0

0

0

0

0

0

Artikel 11 Studiefinanciering

2.852

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

Inkomensoverdrachten

R

S

2.852

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

2.894

Artikel 14 Cultuur

50

50

50

50

50

50

50

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

2.500

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

Bekostiging

R

S

2.500

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

1

R = Rijk, E = eilandelijk

2

S = structureel, I = incidenteel

Toelichting

Artikel 1 Primair onderwijs

Bekostiging

Het Rijk verstrekt aan de schoolbesturen in CN lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Bijdrage aan medeoverheden

Deze middelen worden ingezet voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in CN tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Middelen voor onderwijshuisvesting zijn incidenteel en lopen in 2026 af.

Artikel 3 Voortgezet Onderwijs

Bekostiging

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen in CN voor de personele kosten en materiële instandhouding. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneducatie

Bekostiging

Deze middelen zijn bedoeld voor het verzorgen van middelbaar beroepsonderwijs in CN. De onderwijsinstellingen in CN ontvangen hiervoor lumpsumbekostiging. Ook de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt in CN wordt vanuit deze middelen bekostigd.

Artikel 11 Studiefinanciering

Inkomensoverdrachten

Deze middelen zijn bedoeld voor het toekennen van studiefinanciering in CN op grond van de Wet studiefinanciering BES. Deze wet regelt de studiefinanciering BES en de opstarttoelage en is van toepassing op studenten die voldoen aan de voorwaarden.

Artikel 14 Cultuur

Subsidies (regelingen)

Deze middelen zijn structureel beschikbaar voor losse projecten in verband met het cultuur en erfgoed, zoals archiefbeheer en behoud op CN, voor de implementatie van archeologie wetgeving en beleid en voor cultuureducatie (muziek in de klas).

Artikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

Bekostiging

Deze middelen worden structureel aangewend voor het uitvoeren van het onderzoeksprogramma op en over de Cariben. De middelen maken geoormerkt deel uit van de rijksbijdrage Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Deels worden deze middelen via Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) ingezet voor het instandhouden van het Caribean Netherlands Science Institute (CNSI) op Sint Eustatius. Het merendeel van het bedrag wordt via calls van NWO ingezet voor onderzoeksprojecten in het teken van de Cariben.

Licence