Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

6.5 Financiering van de zorguitgaven

Dit hoofdstuk gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Uitgavenplafond Zorg. Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Het overige verloopt via de rijksbegroting. Een uitsplitsing voor het jaar 2023 staat in tabel 15. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 15 Financiering bruto zorguitgaven (bedragen x € 1 miljard)1
 

2023

Zorgverzekeringswet (Zvw)

59,1

w.v. eigen risico

3,3

Wet langdurige zorg (Wlz)

33,5

w.v. eigen bijdragen

2,2

Wmo beschermd wonen

1,5

Overig begrotingsgefinancierd (o.a. Arbeidsmarktbeleid/Caribisch Nederland)

0,7

Bruto zorguitgaven stand ontwerpbegroting 2023

94,9

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS

Het bedrag van de Zvw is € 0,2 miljard hoger dan in eerdere tabellen in dit FBZ, terwijl het bedrag Overig begrotingsgefinancierd juist € 0,2 miljard lager is. Zoals aangegeven in paragraaf 6.3.1.3 (onder IZA transformatiegeld (premie)) wordt in verband met de uitvoering van het IZA uitgegaan van € 280 miljoen uitgaven aan transformatiemiddelen via verzekeraars, waarvan circa € 195 miljoen is gereserveerd op de aanvullende post van het ministerie van Financiën. Deze gereserveerde middelen worden als verwachte uitgaven van verzekeraars meegenomen in deze financieringsparagraaf.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de Zvw- zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor (zorg)opleidingen en de academische zorg. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals voor gespecialiseerde brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende hulp en acute verloskunde. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zvf ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het Zvf. De hoogte daarvan houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van de zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt. Het zorgt voor een gelijk speelveld voor zorgverzekeraars. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het Zvf een vergoeding voor de beheerskosten voor verzekerde kinderen tot 18 jaar in hun bestand. Ter dekking van de coronakosten in 2020 en 2021 ontvangen verzekeraars daarnaast een bijdrage op basis van de catastroferegeling uit het Zvf. In het kader van deze regeling ontvangen verzekeraars bij een pandemie een extra uitkering als de kosten van de pandemie een bepaald niveau te boven gaan.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door het ministerie van VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het Zvf krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars gebruiken deze opslagpremie om de beheerskosten te dekken en reserves op te bouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden en van de VWS-raming afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico- opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het Zvf ontvangt, ter financiering van zijn uitgaven, de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB), de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden, rente en een rijksbijdrage kinderen tot 18 jaar. Deze rijksbijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. Vanuit het Zvf worden zorgverzekeraars gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het Zvf kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het Zvf niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid betaalt de zorgtoeslag aan huishoudens met lage inkomens en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan zorgpremie en eigen risico hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De zorgtoeslag compenseert de lasten die daarboven uitstijgen. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de nominale premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De uitgaven aan zorgtoeslag maken geen onderdeel uit van het Uitgavenplafond Zorg, maar tellen net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle collectieve zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de IAB, het eigen risico en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de IAB als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het Zvf voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage aan de zorgverzekeraars te verlagen.

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het CAK naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrecht). De financiering loopt via het Fonds langdurige zorg (Flz).

Het Flz ontvangt ter financiering van zijn uitgaven de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt door de belastingdienst geheven als percentage over de grondslag van de 1e schijf loon- en inkomstenbelasting tot aan de premiegrens voor de volksverzekeringen, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing (loon- en inkomstenbelasting plus premies volksverzekeringen). Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het Flz ontvangt daarom van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het Flz gecompenseerd voor het drukkend effect op de Wlz- premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het Flz ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid. Tot slot ontvangt het Flz met ingang van 2019 een rijksbijdrage Wlz via de begroting van VWS. Het doel van die rijksbijdrage is dat het Flz een vermogen heeft van nul.

6.5.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2023 worden gedomineerd door de hogere loon- en prijsstijgingen die doorwerken in de zorguitgaven:

• Vanwege de Oekraïne-crisis is de prijsstijging in 2022 en 2023 fors hoger dan in het verleden. Dit werkt door in de zorguitgaven 2023 (en daarmee in de zorgpremies) omdat de zorguitgaven in deze begroting worden aangepast met de thans door het CPB voorziene loon- en prijsstijging 2023 plus de opwaartse bijstelling van de raming van de prijzen 2021 en 2022 en hogere raming van de lonen 2022 ten opzichte van de begroting 2022.

• De Zvw-uitgaven stijgen alleen al vanwege de loon- en prijsstijging met € 4,3 miljard ofwel 8% van 2022 op 2023. Dit werkt ook door in de nominale premie en de IAB. Alleen deze loon- en prijsstijging leidt al tot een stijging van de nominale premie met € 125 (van de totale voorziene premiestijging van € 135). Ter indicatie: in 2021 was het effect van loon- en prijsstijging op de nominale premie circa € 3019. De loon- en prijsstijging heeft een opwaarts effect op de IAB van 0,27 procentpunt.

Tabel 16 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Tabel 16 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)1
 

2021

2022

2023

Groei 2023

Uitgaven ten laste van de macropremielast

    

Zorguitgaven zorgverzekeraars

49,7

51,1

55,9

4,8

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,6

2,8

3,2

0,4

Uitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg

52,3

53,9

59,1

5,3

Beheerskosten/mutatie reserves zorgverzekeraars

2,4

0,4

0,9

0,5

Overige baten Zorgverzekeringsfonds2

0,0

0,0

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

‒ 0,8

1,0

‒ 0,4

‒ 1,3

Te financieren uit premies /eigen betalingen

53,8

55,2

59,6

4,4

     

Financiering

    

Inkomensafhankelijke bijdrage (IAB)

27,1

27,6

29,5

1,8

Nominale premie

20,8

21,6

23,8

2,2

Rijksbijdrage kinderen tot 18 jaar

2,8

2,8

3,1

0,2

Eigen risico

3,1

3,2

3,3

0,2

Totaal

53,8

55,2

59,6

4,4

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 Zowel de reserve-inzet door verzekeraars als het saldo Zorgverzekeringsfonds zijn vertekend door de boeking van de volledige uitkering van de catastroferegeling in 2021 door het Zorginstituut Nederland. Als de uitkering die betrekking heeft op de corona-uitgaven 2020 zou zijn geboekt op 2020, zou de post beheerskosten/reserveafbouw bij verzekeraars in 2021 € 1,3 miljard lager en het resultaat van het Zvf € 1,3 miljard positiever zijn geweest.

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolommen 2021 en 2022 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut. De rechtstreekse uitgaven van het Zvf en de zorguitgaven van zorgverzekeraars zijn gebaseerd op Zorginstituut -informatie van augustus 2022. De opbrengst van de nominale premie is voor 2021 en 2022 bepaald als de gemiddelde nominale premie zoals bepaald door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vermenigvuldigd met het aantal verzekerden uit de opgave van het Zorginstituut. De IAB is voor 2021 en 2022 overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met Zorginstituut -informatie van augustus. De post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden) is een extrapolatie gebaseerd op de augustusraming van het Zorginstituut. De post beheerskosten/mutatie reserves zorgverzekeraars is in 2021 en 2022 het saldo van de opbrengst van nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden in deze post meegenomen).

De Zvw-uitgaven vallend onder het Uitgavenplafond Zorg worden voor 2023 geraamd op € 59,1 miljard; een groei van € 5,3 miljard ten opzichte van de (voor kas-transactie-effecten gecorrigeerde)20 geraamde uitgaven in 2022. Daarvan hangt zoals hiervoor gemeld € 4,3 miljard samen met loon- en prijsstijgingen. De overige ontwikkelingen bij de Zvw-uitgaven zijn hiervoor in paragraaf 6.3.1 in het Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen in totaal (loon/prijs en volume) met € 4,8 miljard van 2022 naar 2023. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zvf (beschikbaarheidbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,4 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveontwikkeling van zorgverzekeraars wordt een stijging van € 0,5 miljard verwacht tussen 2022 en 2023. Dit is vooral het gevolg van de aanname ten aanzien van de reserveafbouw door zorgverzekeraars. Verzekeraars hebben in 2022 naar huidige verwachting € 1 miljard ingezet vanuit hun reserves om de premie te dempen21. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2023 € 0,55 miljard aan reserves inzetten ter verlaging van de premiestijging. Dat is € 0,45 miljard minder dan waar zorgverzekeraars bij de premiestelling 2022 van uitgingen. Dit leidt tot een lastenstijging van € 0,45 miljard ten opzichte van 2022. De beheerskosten zelf stijgen met € 0,1 miljard. De overige baten van het Zvf (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant.

In de begroting 2022 zijn de IAB en de rekenpremie 2022 zodanig bepaald, dat het geraamde positieve vermogen van het Zvf per ultimo 2021 zou worden teruggebracht naar nul per ultimo 2022. Dit verlaagde de te financieren lasten met € 0,3 miljard. In de begroting 2022 werd daarmee per ultimo 2022 een vermogenssaldo van nul voorzien. Naar huidige inschatting zal het Zvf per ultimo 2022 een vermogenssaldo van € 0,4 miljard hebben. Dit € 0,4 miljard positievere saldo resulteert uit:

• een tegenvaller van naar verwachting € 0,9 miljard vanwege de uitkering in het kader van de catastroferegeling.

• een meevaller op basis van de macronacalculatie 2021 van € 0,5 miljard.

• een meevaller op basis van de macronacalculatie 2022 van € 0,6 miljard.

• een tegenvaller van € 0,4 miljard bij de IAB-opbrengsten 2020 en 2021 (deels vanwege wanbetaling op uitgestelde afdrachten)

• een meevaller van € 0,5 miljard bij de IAB-opbrengsten 2022.

• Er dient in 2023 dus een vermogensoverschot in het Zvf van € 0,4 miljard te worden weggewerkt. Vanwege de hiervoor genoemde bijstellingen komt het saldo van het Zvf in 2022 uit op € 1,0 miljard. Van 2022 op 2023 is er daarom een daling van de te financieren lasten van € 1,3 miljard.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2023 € 59,6 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 4,4 miljard meer dan in 2022. Deze € 59,6 miljard wordt door de IAB, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en het eigen risico gefinancierd zoals weergegeven in tabel 16. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Het Zorgverzekeringsfonds (Zvf)

In tabel 17 staan de uitgaven en inkomsten van het Zvf en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 16 en de betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 17 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2021

2022

2023

ZVF

   

Uitgaven

30.705,4

29.488,7

32.898,3

- Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

25.053,7

26.564,1

29.525,5

- Uitkering voor catastroferegeling

2.941,6

0,0

0,0

- Uitkering voor beheerskosten kinderen

134,8

132,8

134,2

- Rechtstreekse uitgaven Zvf

2.575,3

2.791,9

3.238,5

    

Inkomsten

29.878,1

30.483,0

32.547,8

- Inkomensafhankelijke bijdrage (IAB)

27.113,0

27.648,0

29.461,0

- Rijksbijdrage kinderen tot 18 jaar

2.796,5

2.831,9

3.078,2

- Overige baten

‒ 31,4

3,1

8,7

    

Exploitatiesaldo

‒ 827,3

994,3

‒ 350,4

Idem, niet gecorrigeerd voor DBC-dip

420,1

724,3

‒ 350,4

    

Vermogen Zvf

‒ 1.149,1

‒ 424,8

‒ 775,2

Vermogensnorm

‒ 510,7

‒ 780,7

‒ 780,7

Vermogenssaldo Zvf

‒ 638,4

355,9

5,4

    

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

   

Uitgaven

52.049,1

51.461,4

56.762,4

- Zorg (niet corona)

47.994,3

51.085,9

55.903,6

- Zorg (corona)

1.685,7

0,0

0,0

- Beheerskosten/exploitatiesaldi

2.369,1

375,5

858,8

    

Inkomsten

52.049,1

51.461,4

56.762,4

- Uitkering van Zvf voor zorg

25.053,7

26.564,1

29.525,5

- Uitkering voor catastroferegeling

2.941,6

0,0

0,0

- Uitkering van Zvf voor beheerskosten kinderen

134,8

132,8

134,2

- Nominale rekenpremie

20.076,1

21.375,7

23.040,0

- Nominale opslagpremie

765,1

213,9

724,6

- Eigen risico

3.077,9

3.174,9

3.338,1

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS

De grootste uitgavenpost van het Zvf is de vereveningsbijdrage, de bijdrage aan de verzekeraars ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten. Deze bijdrage resulteert uit toepassing van de 50/50-regel. Die regel bepaalt – gegeven de totale lasten en gegeven de ontwikkeling van het eigen risico en de rijksbijdrage – hoe de IAB en de nominale premie zich moeten ontwikkelen. Daaruit volgt voor 2023 een stijging van de opbrengst van de nominale premie met € 2,2 miljard22. Gegeven de geraamde ontwikkeling van de zorguitgaven van verzekeraars, eigen betalingen, beheerskosten en reserve-afbouw van verzekeraars, wordt dit mogelijk via een stijging van de bijdrage uit het Zvf aan de zorgverzekeraars met € 3,0 miljard. Over de jaren 2020 en 2021 hebben verzekeraars recht op een uitkering voor de catastroferegeling. Het Zorginstituut verwerkt de uitkering over beide jaren boekhoudkundig geheel in 2021. De huidige schatting van de uitkering bedraagt € 2,9 miljard. Dit is € 0,1 miljard lager dan de corona-uitgaven van verzekeraars die vallen onder de catastroferegeling (de catastrofekosten) die gemeld zijn in paragraaf 6.3.4 van het Financieel Beeld Zorg. Die € 0,1 miljard dienen verzekeraars zelf te dekken.

De inkomsten van het Zvf bestaan vooral uit de IAB en de rijksbijdrage ter dekking van de fictieve premielast van kinderen tot 18 jaar.

De opbrengst van de IAB stijgt van 2022 naar 2023 met € 1,8 miljard. Dit is het saldo van drie ontwikkelingen. Ten eerste stijgen de totale uit premies te financieren kosten van 2022 op 2023 met € 4,4 miljard. Dit staat gepresenteerd in tabel 16. Hierdoor stijgt de IAB met € 2,2 miljard. Daarnaast is er een daling van € 0,3 miljard als gevolg van een correctie op grond van de 50/50- regel23. Per saldo leidt dit tot de stijging van € 1,8 miljard.

De rijksbijdrage voor kinderen tot 18 jaar stijgt € 0,2 miljard. Deze volgt de ontwikkeling van het aantal kinderen en de ontwikkeling van de geraamde opbrengst nominale premie plus eigen betalingen. Zorgverzekeraars ontvangen uit het Zvf een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen die afhankelijk is van het aantal verzekerde kinderen. Via het Zvf lopen ook de overige baten (rentebaten, premievervangende bijdragen verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en kosten en opbrengsten onverzekerden). Deze worden bij de inkomsten geboekt omdat ze niet relevant zijn voor het Uitgavenplafond Zorg.

Het vermogenssaldo (het saldo van het feitelijk vermogen en het normvermogen)24 van het Zvf komt in 2022 naar huidige inschatting € 0,3 miljard hoger uit dan het geraamde niveau uit de begroting 2022. De oorzaak van de meevaller is hiervoor toegelicht. Het vermogenssaldo komt naar verwachting uit op een overschot van € 0,4 miljard. Dit overschot dient in 2023 te worden weggewerkt.

De individuele verzekeraars

De uitgaven van de zorgverzekeraars bestaan uit de uitgaven aan zorg en de beheerskosten/reserveontwikkeling. De ontwikkeling hiervan is hiervoor toegelicht. Dat geldt ook voor de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen uit het Zvf ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten die zij moeten betalen. Zorgverzekeraars ontvangen ook het eigen risico van hun verzekerden. De opbrengst van het eigen risico stijgt van 2022 op 2023 beperkt.

De totale geraamde opbrengst van de nominale premie stijgt van 2022 op 2023 met € 2,2 miljard. Deze stijging betreft een stijging van € 1,7 miljard bij de rekenpremie en een stijging van € 0,5 miljard bij de opslagpremie25.

De nominale premies en inkomensafhankelijke bijdragen

Hiervoor is toegelicht hoe de uitgaven en inkomsten zich op macroniveau naar huidig inzicht ontwikkelen tussen 2022 en 2023. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige inzichten voor 2022. Die waren nog niet bekend toen de premies 2022 werden vastgesteld. Bij het verklaren van de premiestijging van 2022 naar 2023 op microniveau moet het huidige beeld 2023 worden vergeleken met het beeld 2022 ten tijde van de premievaststelling 2022. Dat is bij de rekenpremie en de IAB de begroting 2022 en bij de opslagpremie de premiestelling door verzekeraars in het najaar van 2021. De opslagpremie is door de verzekeraars € 8 lager vastgesteld dan geraamd in de VWS-begroting 2022. Dit gebeurde omdat verzekeraars uitgingen van iets lagere lasten en een iets grotere reserve-afbouw dan verondersteld in de VWS-begroting 2022.

De IAB komt in 2023 uit op 6,68%; 0,07 procentpunt lager dan in 2022. Bij de nominale premie wordt een stijging geraamd van € 135; van gemiddeld € 1.514 in 2022 naar gemiddeld € 1.649 in 2023. Voor deze bijstellingen is een aantal oorzaken te benoemen. De belangrijkste oorzaak betreft de loon- en prijsstijging van de zorguitgaven.

Tabel 18 Oorzaken premieontwikkeling 2023 (in euro’s (nominale premie) en procentpunten (IAB))
 

IAB

Reken-premie

Opslag- premie

Nominale premie

Premies in 2022

6,75%

1.499

15

1.514

a. Groei zorguitgaven

0,27%

125

0

125

b. Volume-ontwikkeling uitgaven/grondslag

‒ 0,20%

‒ 1

‒ 1

‒ 2

c. Saldo Zorgverzekeringsfonds

‒ 0,01%

‒ 2

0

‒ 2

d. Reserveontwikkeling verzekeraars

0,05%

‒ 16

32

16

e. Rechttrekken 50/50-verhouding

‒ 0,03%

‒ 12

15

3

f. Grondslag IAB 2022

‒ 0,13%

   

g. Overig en afronding

‒ 0,02%

6

‒ 11

‒ 5

Totaal

‒ 0,07%

100

35

135

Premies in 2023

6,68%

1.599

50

1.649

a. Loon- en prijsstijging

De zorguitgaven komen in 2023 € 4,3 miljard hoger uit dan in 2022 vanwege loon- en prijsstijgingen. Dit leidt tot een stijging van de nominale premie met € 149. Omdat vanwege de hogere loon- en prijsstijging ook de rijksbijdrage kinderen en het eigen risico meer opleveren, komt de stijging van de nominale premie per saldo uit op € 125. Die komt geheel terecht in de rekenpremie. De IAB komt door de uitgavenstijging in eerste instantie 0,51 procentpunt hoger uit. Vanwege de loonstijging wordt ook de grondslag waarover de IAB wordt geheven hoger. Hiervoor gecorrigeerd stijgt de IAB met 0,27 procentpunt.

b. Volumeontwikkeling uitgaven/grondslag

De nominale premie komt vanwege volumeontwikkelingen € 2 lager uit dan in 2022 als saldo van de volgende ontwikkelingen:

• De zorguitgaven in 2023 komen vanwege volumestijgingen naar huidige inschatting € 0,5 miljard hoger uit dan volgens de raming 2022 van verzekeraars toen zij de premie 2022 bepaalden. Deze uitgavenstijging leidt tot een premiestijging van € 19.

• De uitgavenstijging hangt deels samen met het groeiende aantal verzekerden. Omdat de premie kan worden gedragen door een groter aantal verzekerden komt de premie € 17 lager uit26.

• Een deel van de uitgavenstijging wordt opgevangen door een hogere rijksbijdrage en gaat samen met een hogere opbrengst uit eigen risico. Dit drukt de premie met € 3.

Het IAB-percentage komt vanwege volumeontwikkelingen 0,20 procentpunt lager uit als saldo van twee ontwikkelingen:

• De volumestijging van de uitgaven leidt ook tot een stijging van de noodzakelijke IAB-opbrengsten. Hierdoor stijgt het percentage met 0,06 procentpunt.

• De grondslag waarover de IAB wordt geheven groeit tussen 2022 en 2023 echter ook vanwege volumeontwikkelingen. Hierdoor daalt het percentage met 0,26 procentpunt.

c. Saldo Zorgverzekeringsfonds

Voor 2023 wordt gerekend met een beoogd saldo van ‒ € 0,4 miljard. Bij de premiestelling 2022 is gerekend met een saldo van ‒ € 0,3 miljard. De ontwikkeling van het saldo van het Zvf leidt daarom tot een daling van de nominale premie (met € 2) en een daling van de IAB (met 0,01 procentpunt).

d. Reserveontwikkeling verzekeraars

Voor 2023 wordt gerekend met een afbouw van reserves van € 0,55 miljard. Dit is € 0,45 miljard minder dan de reserveafbouw waarvan verzekeraars uitgingen bij hun premiestelling 2022. De lagere reserveafbouw dan in 2022 werkt volledig door in lagere opslagpremies, die daardoor stijgen met € 32. Omdat de reserveopbouw deel uitmaakt van de totale uit premies te financieren lasten, dient de lagere reserveafbouw voor de helft neer te slaan in een hogere IAB en voor de helft in een hogere nominale premie. Dat gebeurt door de rekenpremie te verhogen (met € 16), waardoor de bijdrage aan verzekeraars daalt en een stijging van de IAB met 0,05 procentpunt nodig is. De totale nominale premie stijgt daarom met € 16 als gevolg van de reserveontwikkeling (€ 32 ‒ € 16).

e. Rechttrekken 50/50-verhouding

De verzekeraars hebben de premie 2022 gemiddeld € 8 lager vastgesteld dan de raming in de VWS-begroting 2022 (macro € 0,1 miljard) omdat zij beperkt lagere lasten voorzagen. Die lagere lasten zijn volledig verwerkt in de nominale premies. De doorwerking naar 2023 wordt 50/50 verdeeld. Daarom dient de nominale premie € 4 te stijgen. Er dient in 2023 ook een «fout» uit het verleden in vier jaar gecompenseerd te worden. De mate waarin dat gebeurt is lager dan in 2022, wat leidt tot een premiedaling van € 1. Per saldo resulteert er daardoor uit het rechttrekken van de 50/50-verhouding een stijging van de nominale premie met € 3 en een daling van de IAB met 0,03 procentpunt27.

f. Grondslag IAB 2022

Omdat de loonstijging en de werkgelegenheid zich in 2022 anders ontwikkelen dan geraamd in september 2021 is de grondslag waarover de IAB wordt geheven in 2022 hoger uitgekomen. Dat werkt door naar een hogere grondslag 2023. Hierdoor kan het IAB-percentage dalen met 0,13 procentpunt.

g. Overige posten en afronding

De ontwikkelingen bij de overige posten (beheerskosten en overige lasten verzekeraars en overige baten van het fonds) plus afrondingsverschillen leiden per saldo tot kleine bijstellingen van de nominale premie en de IAB.

Tabel 19 Premieoverzicht Zvw1
 

2021

2022

2023

Inkomensafhankelijke bijdrage normaal (in %)

7,00%

6,75%

6,68%

Inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd (in %) 2

5,75%

5,50%

5,43%

Nominale rekenpremie

1.417

1.499

1.599

Nominale opslagpremie (gemiddeld)3

54

15

50

Nominale premie totaal (gemiddeld)3

1.471

1.514

1.649

Nominale premie totaal 18-

0

0

0

Verplicht eigen risico

385

385

385

Standaardpremie3

1.705

1.749

1.881

Maximale zorgtoeslag eenpersoonshuishouden3

1.287

1.336

1.850

Maximale zorgtoeslag meerpersoonshuishouden3

2.487

2.553

3.166

1 Afgezien van de IAB betreft dit jaarbedragen in euro.

2 Zelfstandigen en gepensioneerden betalen de verlaagde IAB.

3 Het cijfer 2023 betreft een raming

Bron: VWS

6.5.3.2 Wet langdurige zorg (Wlz)

De uitgaven in het kader van de Wlz worden gefinancierd uit het Fonds Langdurige Zorg (Flz). Tabel 20 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten van dit fonds. De uitgaven in deze tabel komen overeen met de Wlz-uitgaven uit tabel 9.

Tabel 20 Exploitatie en premiestelling Wlz (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2021

2022

2023

FONDS LANGDURIGE ZORG

   

Uitgaven

28.185,3

30.463,5

33.519,2

- Zorguitgaven

27.915,1

30.171,8

33.208,5

- Beheerskosten

270,2

291,7

310,8

    

Inkomsten

29.095,3

30.730,6

33.446,8

- Procentuele premie

15.452,0

15.433,0

16.008,0

- Eigen bijdragen

1.991,6

2.113,6

2.155,5

- Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

4.101,7

4.234,0

4.883,3

- Rijksbijdrage Wlz

7.550,0

8.950,0

10.400,0

    

Exploitatiesaldo

910,0

267,1

‒ 72,4

    

Vermogen Fonds Langdurige Zorg

‒ 277,4

‒ 10,4

‒ 82,8

    

Procentuele premie (in %)

9,65%

9,65%

9,65%

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Bron: VWS

De inkomsten van het Flz worden gevormd door de premie-inkomsten, de eigen bijdragen, de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) en de rijksbijdrage Wlz. Afgesproken is om de Wlz-premie constant te houden op 9,65%. Geraamde tekorten in het Flz worden vanaf 2019 voorkomen via de rijksbijdrage Wlz.

Naar huidige inschatting komt het vermogen van het Flz per ultimo 2021 uit op ‒ € 277,4 miljoen. Dit is € 0,3 miljard lager dan geraamd in de begroting 2022, vooral vanwege hogere uitgaven in 2020. Dit tekort dient in 2022 te worden weggewerkt. Omdat zich in 2022 een meevaller bij de Wlz-premie-inkomsten van € 0,6 miljard voordoet, kan de rijksbijdrage Wlz neerwaarts worden bijgesteld met € 0,35 miljard ten opzichte van de begroting 2022.

De rijksbijdrage Wlz is voor 2023 zodanig bepaald dat het vermogen van het Flz naar verwachting ultimo 2023 op nul uitkomt. Er is sprake van een stijging van € 1,5 miljard ten opzichte van 2022. Dit is nodig omdat de Wlz-premies, de iegen bijdragen en de BIKK samen circa € 1,8 miljard minder groeien dan de Wlz-uitgaven (€ 1,3 miljard versus € 3,1 miljard) en omdat het saldo in van het Flz € 0,3 miljard lager is. In tabel 20 is het vermogen nog niet precies nul, omdat in de Wlz-uitgaven nog loon- en prijsstijging en volumegroei voor Wmo beschermd wonen geparkeerd staat (samen € 0,08 miljard). Van deze posten wordt jaarlijks een bedrag overgeheveld naar het gemeentefonds.

Tabel 21 Verdeling van de zorglasten (bedragen x € 1 miljard)1
 

2021

2022

2023

Burgers (Nominale premie Zvw, Wlz-premie, eigen betalingen, deel IAB)

49,0

49,9

53,7

Compensatie burgers door zorgtoeslag

‒ 5,5

‒ 5,8

‒ 8,3

Burgers totaal

43,5

44,1

45,4

Werkgevers (IAB)

19,5

20,1

21,0

Burgers en bedrijven (uit belastingen)

21,9

23,9

29,1

Totaal

84,9

88,0

95,5

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal. De cijfers in tabel 21 zijn overgenomen uit de (onderbouwing) tabellen 17 en 21 en figuur 10.

Bron: VWS, CPB.

Burgers betalen de nominale premie en het eigen risico Zvw, de premie en de eigen bijdragen Wlz, en gepensioneerden en zelfstandigen betalen de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB). Voor burgers staat tegenover de nominale premie Zvw de compensatie door de zorgtoeslag. Werkgevers betalen de IAB voor hun werknemers.

De Wmo-uitgaven voor beschermd wonen, de uitgaven op de VWS- begroting, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag worden gedekt uit belastingen. Daarvan valt niet op voorhand te zeggen of het lasten van burgers of werkgevers betreft.

Figuur 10 laat zien dat een volwassene in Nederland in 2022 en 2023 op basis van de ramingen in deze begroting gemiddeld € 6.205 respectievelijk € 6.601 betaalt aan collectief gefinancierde zorg.

De bijdrage van de burgers betreft niet alleen de nominale premie en de eigen betalingen (eigen risico en eigen bijdragen Wlz). Een Nederlander betaalt gemiddeld ook een fors bedrag aan Wlz-premie. De IAB wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald (gepensioneerden en zelfstandigen) en voor het grootste deel door werkgevers. Dat laatste deel beïnvloedt de loonruimte en is daarom meegenomen in figuur 10. Via de zorgtoeslag ontvangt een deel van de Nederlandse huishoudens een bedrag ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. Als laatste is het bedrag meegenomen dat via belastingen gemiddeld wordt opgebracht ter dekking van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag.

Het bedrag dat een Nederlander gemiddeld betaalt aan de zorg stijgt van 2022 op 2023 met 6,4 procent.

De bedragen in de figuur zijn een gemiddelde per volwassene. Sommige mensen betalen meer en anderen betalen minder. Hoeveel iemand precies betaalt is afhankelijk van zijn inkomen (en bij recht op zorgtoeslag ook van het inkomen van zijn partner). Huishoudens met een laag inkomen betalen minder dan € 6.601 per persoon en huishoudens met een hoger inkomen meer, omdat de meeste posten inkomensafhankelijk zijn. Dat is het geval bij de inkomensafhankelijke Wlz-premies, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB), de inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wlz en de belastingen. Omdat huishoudens met een laag of middeninkomen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag ontvangen ter compensatie van de nominale premie en het eigen risico, geldt ook bij de nominale premies en het eigen risico dat de nettolast hiervan in samenhang met de zorgtoeslag toeneemt met het inkomen.

In het koopkrachtbeeld dat wordt gepresenteerd in de begroting van SZW zijn de stijgingen van de zorgpremies meegenomen.

Figuur 10: Lasten per volwassene aan zorg in 2022 en 2023 (in euro’s per jaar)

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit Financieel Beeld Zorg geraamde zorguitgaven, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op het beleidsterrein van de zorg. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de regeling die in onderstaande tabel is opgenomen, is er ook een aantal BTW-vrijstellingen voor medische zorg, alsmede regelingen voor teruggaaf van BPM en vrijstelling van MRB die ook voor de zorg van belang zijn. Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota ‘Toelichting op de fiscale regelingen’.

Tabel 22 Fiscale regelingen 2021-2023, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2021

2022

2023

BTW Laag tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.585

1.674

1.725

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten1

16

17

18

1 MRB = Motorrijtuigenbelasting

19

Er is niet vergeleken met 2022 omdatin dat jaar beleidsmatig is besloten tot een extraverhoging van de overheidsbijdrage in de arbeidskosten (ova).

20

Een flink aantal cijfers in deze paragraaf wordt vertekend door een kas/trans-hobbel. In 2022 vindt er een boekhoudkundige verandering plaats bij de grensoverschrijdende Zorg (GOZ) . Verzekeraars dienen de kosten van GOZ die in 2022 wordt geleverd te verantwoorden in 2022. Daarnaast worden in 2022 ook de declaraties verantwoord van zorg geleverd in eerdere jaren. Zonder de boekhoudkundige overstap op kasbasis zouden deze zijn verantwoord in het jaar dat ze zouden binnenkomen. Dat leidt voor verzekeraars in 2022 tot een eenmalig hogere schade. Het betreft echter geen echte hogere schade, maar een boekhoudkundige schadelastverschuiving. Daarom zijn kas/transactie-hobbels (waaronder ook het effect van de introductie of afschaffing van dbc’s) niet relevant voor de toetsing aan het Uitgavenplafond Zorg en voor het EMU-saldo. Omdat ze wel van invloed zijn op het feitelijke vermogen van verzekeraars wordt hun nadeel gecompenseerd via een hogere vereveningsbijdrage. Het effect van de hogere vereveningsbijdrage op het vermogen van het Zvf, wordt via een bijstelling van het normvermogen geneutraliseerd. Hierdoor ontstaat er geen premie-effect. Om een zuiver zicht te krijgen op de echte ontwikkelingen is in de tabellen 16, 17 en 18 gecorrigeerd voor kas/transactie-dips en -hobbels.

21

Voor 2021 en 2022 is de reserveontwikkeling bij verzekeraars technisch bepaald als het saldo van de in deze begroting geraamde inkomsten van verzekeraars uit nominale premie, eigen betalingen en de vereveningsbijdrage enerzijds en de in deze begroting geraamde uitgaven van verzekeraars anderzijds.

22

De stijging van de nominale premie wordt bepaald door vier factoren. 1) Vanwege de stijging van de totale te financieren lasten met € 4,4 miljard dienen de nominale premie en de IAB beide met € 2,2 miljard te stijgen. 2) De verzekeraars hebben hun premie 2022 € 9 lager dan de raming in de begroting 2022 vastgesteld. Hierdoor komt de nominale premie € 0,1 miljard lager uit dan de raming in de begroting 2022. De actuele raming van de IAB-inkomsten in 2022 is € 0,5 miljard hoger dan in de begroting 2022. Die IAB-inkomsten zijn daardoor € 0,6 miljard hoger uitgekomen dan de 50/50-verdeling. Om in 2023 weer op een 50/50-verdeling uit te komen dient de nominale premie € 0,3 miljard te stijgen en de IAB € 0,3 miljard te dalen. 3) Over de jaren 2006 tot en met 2022 heeft de IAB naar huidige inschatting € 2,9 miljard meer opgeleverd dan de nominale inkomsten. Deze € 2,9 miljard dient in vier jaar te worden gecorrigeerd. Daarom wordt de IAB in 2023 € 0,75 miljard lager vastgesteld dan de raming van de nominale inkomsten. In de begroting 2022 werd ook met een correctie van € 0,75 miljard gerekend. Van 2022 op 2023 leidt het corrigeren van de «fout» in de 50/50-verdeling over oude jaren tot een marginaal neerwaarts effect op de nominale premie en een marginaal opwaarts effect op de IAB. 4) Omdat de opbrengst van het eigen risico en de rijksbijdrage in 2023 € 0,4 miljard oploopt, hoeft de nominale premie € 0,4 miljard minder te stijgen. Per saldo dient de nominale premie hierdoor € 2,2 miljard te stijgen (€ 2,2 miljard + € 0,3 miljard ‒ € 0,0 miljard ‒ € 0,4 miljard).

23

Zie voetnoot 3.

24

De hoogte van het normvermogen resulteert uit het cumulatieve effect van de zogenoemde kas/transactie-hobbels en -dips. Dit betreft het gevolg van de introductie van DBC’s in de ggz in 2008 (-€ 1.637 miljoen), de introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (- € 83 miljoen), het afschaffen van DBC’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+ € 346 miljoen), de DBC-duurverkorting in de MSZ in 2015 (+ € 685 miljoen), de afschaffing van de DBC’s in de ggz in 2021 (+ € 1.247 miljoen) en de kas/transactiehobbel bij de grensoverschrijdende zorg (- € 270 miljoen). Daarnaast wordt het normvermogen vanaf 2020 verlaagd in verband met de uitgestelde IAB-afdrachten. Werkgevers konden in de coronacrisis hun belasting- en premieafdrachten uitstellen. Dit leidde kasmatig tot lagere ontvangsten in 2020 en 2021. In het jaarverslag van het Zvf is geen rekening gehouden met alsnog te ontvangen bedragen. Het lijkt redelijk dat wel te doen bij de premiestelling, om stevige fluctuaties in de premie te voorkomen. Daarom is het normvermogen in 2020 verlaagd met € 1.070 miljoen. In latere jaren zal dit bedrag worden tegengeboekt als bekend is dat de uitgestelde IAB is ontvangen. Voor 2021 en 2022 is de IAB-raming van het CPB overgenomen waarin al is gecorrigeerd voor dit effect. Cumulatief heeft dit een effect van ‒ € 511 miljoen in 2021 en ‒ € 781 miljoen in 2022 en 2023 op het normvermogen.

25

De stijging van de opslagpremie met € 0,5 miljard is het saldo van een veronderstelde lagere reserve-afbouw bij verzekeraars (€ 0,45 miljard), en veronderstelde hogere beheerskosten bij verzekeraars (€ 0,05 miljard). De stijging van de rekenpremie is het saldo van de stijging van de nominale premie (€ 1,9 miljard) en de stijging van de opslagpremie (€ 0,5 miljard).

26

De opslagpremie daalt met € 1 vanwege de groei van het aantal verzekerden.

27

De verzekeraars gingen bij de premiestelling 2022 uit van € 0,2 miljard lagere zorguitgaven, een € 0,1 miljard hogere reserveafbouw en € 0,2 miljard hogere beheerskosten in brede zin. De lagere zorguitgaven, de hogere inzet van reserves en de lagere beheerskosten hebben een afwijkend effect op reken- en opslagpremie. Als de hogere inzet van reserves en de hogere beheerskosten in 2022 waren verwerkt in de begroting 2022, dan zou dit net als nu is gebeurd voor 100% zijn neergeslagen in de opslagpremie. Er zou dan echter ook een marginaal lagere rekenpremie zijn vastgesteld (die de bijdrage aan verzekeraars zou laten stijgen in combinatie met een stijging van de IAB). De lagere rekenpremie moet nu nog worden verwerkt. Als de lagere zorguitgaven al in de begroting 2022 verwerkt zou zijn, dan zou deze hebben geleid tot een daling van de rekenpremie en de IAB, maar niet tot een effect op de opslagpremie. De meevaller is nu juist volledig verwerkt in een lagere opslagpremie. Via een hogere opslagpremie en een lagere rekenpremie wordt dit effect nu gecorrigeerd. De 50/50-correctie voor de fout in oude jaren werkt alleen door in de rekenpremie. Per saldo leidt de 50/50-correctie dus tot een lagere rekenpremie en een hogere opslagpremie.

Licence