Hoeveel tijd kost het om een stichting op te richten?
Dat verschilt per casus. Maar als je kijkt naar de formele stappen, moet je al gauw rekening houden met meer dan 4 maanden:
voor advisering door de minister van Financiën staat een termijn van zes weken, de Algemene Rekenkamer hanteert gelijkwaardige termijnen, vervolgens moet het op de agenda van de Ministerraad komen en is er een voorhang van tenminste 30 dagen. Hierin is niet meegeteld de informele interne afstemming, informele contacten met Financiën en het daadwerkelijk oprichten van de stichting bij een notaris.
Een ministerie verleent een startkapitaal of tijdelijke opstartsubsidie, is er dan sprake van “doen oprichten”?
Ja, mits de stichting niet tot stand zou zijn gekomen zonder startkapitaal of tijdelijke opstartsubsidie vanuit het beleidsverantwoordelijke ministerie.
Kortom er is alleen sprake van “doen oprichten” indien de stichting zonder dit startkapitaal of opstartsubsidie niet had bestaan. Deze financiering moet specifiek zijn toegezegd door het ministerie en dus geen aanvraag zijn van een reeds bestaande stichting voor reeds bestaande subsidieregelingen. Het enkele feit van het aangaan van een subsidierelatie met een stichting kan dus niet altijd bestempeld worden als het "doen oprichten" van een stichting. Echter, het omgekeerde kan ook waar zijn: er kan sprake zijn van doen oprichten zonder dat er een financiële band is tussen het ministerie en de stichting.
Ik twijfel over of er sprake is van “doen oprichten”, wat moet ik doen?
Onder “doen oprichten” wordt verstaan de situatie waarbij het Rijk zodanige specifieke afspraken heeft gemaakt met de oprichters van een stichting, dat mag worden aangenomen dat zonder deze afspraken de oprichting niet tot stand zou komen.
Het Stichtingenkader geeft een meer formele definitie van “doen oprichten” en een uitgebreide toelichting. Maar “doen oprichten” blijft vaak een onderwerp van discussie omdat de omstandigheden van elke stichting weer anders zijn; er is geen checklist. Neem bij twijfel daarom altijd contact op met het ministerie van Financiën (DGRB/BZ/BBE, algemeenBBE@minfin.nl) én de Algemene Rekenkamer.
Wie bepaalt of er sprake is van “doen oprichten”?
Het betrokken ministerie is uiteindelijk verantwoordelijk voor het maken van de afweging of er sprake is van “doen oprichten”.
Als externe controleur van de overheid maakt de Algemene Rekenkamer echter ook een eigenstandige afweging of zij vindt dat er sprake is van doen oprichten. Het is daarom raadzaam om alle gevallen waarbij mogelijk sprake is van “doen oprichten” te bespreken met de Algemene Rekenkamer en het ministerie van Financiën.
Wat gebeurt er als de voorhangprocedure niet wordt doorlopen bij het (doen) oprichten van een overheidsstichting?
Dan is de oprichting in strijd met de Comptabiliteitswet 2016.
Hoe weet ik of de stichting die ik wil oprichten een rechtspersoon met een wettelijke taak (rwt) is?
Een stichting heeft per definitie rechtspersoonlijkheid. Dus als de beoogde stichting een taak uitvoert die in een wet staat beschreven en hiervoor publieke financiering ontvangt is de kans heel groot dat er sprake is van een rwt.
Kort gezegd heeft een rwt drie kenmerken: 1) het heeft rechtspersoonlijkheid, 2) het heeft een wettelijke taak en 3) het wordt gefinancierd met publieke middelen.[1] Hiervoor hoeft de rechtspersoon niet specifiek met naam genoemd te worden in de wet. Bij twijfel, win altijd advies in bij de afdeling juridische zaken van het ministerie, het ministerie van Financiën en/of de Algemene Rekenkamer.
Geldt het Stichtingenkader voor stichtingen die tevens zbo zijn?
Het Stichtingenkader is niet van toepassing op de oprichting van stichtingen die tevens zbo zijn (voorhangen en overleg met de AR blijft nog steeds verplicht).
In sommige gevallen, zoals wanneer een stichting een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) is, wordt de betrokkenheid van het parlement geborgd doordat een ministerie een instellingswet moet indienen. Verder is er een Kaderwet zelfstandige bestuursorganen die vele aspecten van zbo’s reguleert en binnen het zicht van het parlement haalt. Daarmee wordt het parlement dus op de hoogte gebracht van het bestaan van, en de relatie met, de stichting die tevens een zbo is. De wettelijke instelling van een zbo is een zwaardere procedure dan hetgeen beschreven in het Stichtingenkader, met meer gelegenheden voor inspraak vanuit het parlement.
Geldt het Stichtingenkader ook voor stichtingen die niet naar Nederlands recht worden opgericht?
Tot privaatrechtelijke rechtspersonen, bedoeld in dit onderdeel, worden ook rechtspersonen gerekend die niet naar Nederlands recht worden opgericht’’.
Zo stelt Artikel 4.7 lid 1 onder a CW en de Memorie van Toelichting. Dit betekent dat de voorhangprocedure moet worden gevolgd, indien de staat betrokken is bij het oprichten, het mede-oprichten dan wel het doen oprichten van een rechtspersoon naar niet-Nederlands recht, tenzij niet voldaan wordt aan de criteria op grond waarvan kan worden vastgesteld of sprake is van oprichten, mede-oprichten of doen oprichten door de staat.
Geldt het Stichtingenkader voor BV’s en NV’s?
Besloten en naamloze vennootschappen zijn privaatrechtelijke rechtspersonen. Oprichting van de BV’s en NV’s door de Rijksoverheid vallen daarom onder artikel 4.7 van de Comptabiliteitswet 2016 en niet onder het Stichtingenkader.
Betrokkenheid van Rijkswege bij deelnemingen vereist andere afwegingen dan bij stichtingen en verenigingen. Daarom is er een apart beleidskader voor deelnemingen: de Nota Deelnemingenbeleid (2022] Wel kan de relatie tussen de Rijksoverheid en deelnemingen een inspiratie zijn voor de relatie tussen een ministerie en een (nog op te richten) stichting. Het ministerie van Financiën heeft een aantal handboeken gepubliceerd over benoemingen, strategie, evalueren en maatschappelijk verantwoord ondernemen bij deelnemingen.
Wanneer is de Wet open overheid (Woo) van toepassing op een overheidsstichting?
Volgens Wet open overheid (artikel 2 .2 en 4.1, eerste lid) in samenhang met de Awb is de wet van toepassing op stichtingen 1) die zijn bekleed met openbaar gezag (een b-orgaan in de zin van de Awb, dus in feite een privaatrechtelijk zbo) en 2) een stichting die werkt “onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan”.
Wat wordt bedoeld met “werkt onder de verantwoordelijkheid” is uitgewerkt in jurisprudentie. Kort gezegd is dat afhankelijk van de mate waarin het bestuursorgaan opdrachten of aanwijzingen kan geven aan de instelling, de dienst of het bedrijf en/of in hoeverre de instelling, de dienst of het bedrijf zich dient te richten naar de opdrachten of aanwijzingen van het bestuursorgaan. Dat kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld de statuten of de gesloten overeenkomst.
Waarom heeft een stichting de voorkeur boven een vereniging?
Als er dus een rechtspersoon moet worden opgericht, is de stichtingsvorm beter beheersbaar omdat er betere waarborgen zijn voor de uitvoering van het publieke taak.
Een vereniging heeft leden, deze leden kiezen het bestuur. De Algemene Ledenvergadering heeft het uiteindelijk voor het zeggen in een vereniging en kan ook de statuten aanpassen. Een stichting heeft geen leden, daar beslist het bestuur dat volgens de statuten is benoemd. In de meeste gevallen kan alleen het bestuur de statuten aanpassen. Dit betekent dat wanneer er echt noodzaak is tot het oprichten van een rechtspersoon (de “nee, tenzij”-regel”), een stichting beter geschikt is. Om deze reden heeft, als er een nieuwe rechtspersoon moet komen, een stichting de voorkeur boven een vereniging.