Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.2 Lessen voor verdere verbetering van de verantwoording

In het experiment werd in de begrotingen en in de jaarverslagen de beleidsinformatie gekoppeld aan beleidsprioriteiten; de informatie was daardoor niet meer terug te vinden bij de beleidsartikelen en de daaraan gekoppelde budgetten. Uit de evaluatie kwam naar voren dat dit ten koste is gegaan van de samenhang van de informatie en dat het heeft geleid tot ongewenst informatieverlies voor de Tweede Kamer.

Uit de evaluatie is ook naar voren gekomen dat de Verantwoordingsbrief van de minister-president en zijn aanwezigheid in de Tweede Kamer bij het debat hebben bijgedragen aan de kwaliteit en de relevantie van het Verantwoordingsdebat. Wij menen dat een verantwoordingsbrief waarin beleidsconclusies staan, belangrijke toegevoegde waarde kan hebben en kan bijdragen aan de gewenste scherpte in het verantwoordingsdebat. Het heeft onze sterke voorkeur dat de informatie in de brief voortkomt uit de reguliere (en door de auditdienst gecontroleerde) verantwoordingsinformatie.

Wij vinden dat er een directe samenhang moet zijn tussen enerzijds het budget dat aan de begrotingsartikelen is gekoppeld, en anderzijds de beleidsinformatie op artikelniveau. Dit stelt immers de Tweede Kamer in staat haar budgetrecht en haar controlerende taak optimaal uit te oefenen. Volgens ons zou iedere minister per beleidsartikel expliciet moeten maken of en zo ja hoe er (en zo nee, waarom er geen) sprake is van een causaal verband tussen prestatie en effect. Op die manier krijgt de Tweede Kamer de mogelijkheid de minister aan te spreken op de wenselijkheid en toegevoegde waarde van het betreffende beleid en de uitgaven die daarvoor (moeten) worden gedaan. In de begroting zou aannemelijk moeten worden gemaakt dat de beleidsinzet van de minister bijdraagt aan de realisatie van het beleidsdoel (plausibiliteitsbeginsel).

Wij vinden het voorts belangrijk dat iedere minister aangeeft welke prestaties hij voor de realisatie van het beleidsdoel gaat leveren.

Wij hebben geconstateerd dat de minister van Financiën in zijn brief van 22 maart 2011, waarin hij de Tweede Kamer informeert over een aanpassing van de opzet van de begrotingen en verantwoordingen, voortbouwt op het goede van de VBTB-begrotingen en probeert de VBTB-systematiek op onderdelen te versterken (Financiën, 2011b).

Wij ondersteunen deze gedachte en zien goede mogelijkheden om de informatiewaarde van de nieuwe begrotingspresentatie te vergroten.

De herijking van VBTB houdt wat de minister betreft ook in dat de drie W- en H-vragen (zie het kader «VBTB» in § 3.1) anders worden geformuleerd. Hij stelt voor om bij de herijking van VBTB de specifieke verantwoordelijkheid van de minister voor de te bereiken resultaten en de hem beschikbare financiële instrumenten centraal te stellen. Zijn streven is om met minder informatie toe te kunnen en te snijden in de «wollige beleidsverhalen».

Wij kunnen ons vinden in dit streven. Tegelijkertijd zijn we van mening dat iedere minister zich, in het belang van de informatiewaarde van de begroting en verantwoording voor de Tweede Kamer, maximaal zou moeten inspannen om de relatie tussen zijn handelen en de realisatie van de beleidsdoelen aannemelijk te maken.

Verder plaatsen wij een kanttekening bij het feit dat de minister in de W-vragen niet meer ingaat op de door ministers te leveren prestaties. De minister spreekt alleen nog van instrumenten. Waar de inzet van instrumenten leidt tot concrete door de overheid geleverde prestaties, zou deze informatie volgens ons in begroting en jaarverslag moeten worden opgenomen.

Licence