Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

1.1 De Nederlandse overheidsfinanciën in 2010

De Nederlandse overheidsfinanciën bevonden zich in 2010, evenals in 2009, in zwaar weer. Het EMU-saldo in 2010 is uitgekomen op – 5,4 procent bbp (32,0 miljard euro), en de EMU-schuld op 62,7 procent bbp (371,0 miljard euro). Dit zijn voor Nederland zeer forse cijfers. Zowel het saldo als de schuld voldoen hiermee niet aan de Europese criteria uit het Stabiliteits- en Groeipact van respectievelijk – 3 procent en 60 procent bbp.

Figuur 1.1 Historische ontwikkeling EMU-saldo (in procenten bbp)

Figuur 1.1 Historische ontwikkeling EMU-saldo (in procenten bbp)

EMU-saldo

Hoewel het EMU-saldo van 2010 ongeveer gelijk is aan het saldo in 2009, is dit beter dan aanvankelijk werd gedacht. Wanneer het saldo namelijk vergeleken wordt met de verwachting die was opgenomen in de Miljoenennota 2010, wordt een verbetering van 0,9 procentpunt zichtbaar. In het voorjaar van 2010 was er nog geen sprake van betere vooruitzichten, bij Voorjaarsnota werd het saldo zelfs nog naar beneden bijgesteld (van – 6,3 procent naar – 6,6 procent bbp). Deze negatieve bijstelling had voornamelijk te maken met tegenvallers in de zorguitgaven en een lagere inschatting van de inkomsten. Door tevens in het voorjaar een groot deel van de uitvoeringsproblematiek op te lossen, heeft het kabinet erger kunnen voorkomen en zijn de uitgaven onder de afgesproken uitgavenkaders gebleven. Derhalve heeft de saldoverbetering zich echter pas na de Voorjaarsnota geopenbaard.

Figuur 1.2 Ontwikkeling van de saldoverwachting in 2010 (in procenten bbp)

Figuur 1.2 Ontwikkeling van de saldoverwachting in 2010 (in procenten bbp)

De samenstelling van de verbetering van het saldo wordt geïllustreerd in figuur 1.3. De verbetering van het saldo wordt voor grotendeels veroorzaakt door hogere belasting- en premieontvangsten (0,7 procentpunt van de 0,9 procentpunt saldoverbetering, ongeveer 4 miljard euro). De hogere inkomsten zijn in lijn met een gunstigere economische ontwikkeling dan ten tijde van de Miljoenennota 2010 werd verwacht. De belasting- en premieontvangsten laten vrijwel over de hele linie meevallers zien, waarbij de grootste posten (loon- en inkomstenheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting) tevens de grootste absolute meevallers vertonen.

Het overige deel van de saldoverbetering wordt veroorzaakt door lagere uitgaven ruim (0,2 procentpunt van de 0,9 procentpunt saldoverbetering). De meevaller in de uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere EU-afdrachten, lagere werkloosheidsuitgaven, hoger dividend van staatsdeelnemingen en lagere rentebetalingen. Zie hoofdstuk 2 voor een uitgebreide toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven en de inkomsten.

Daarnaast was op diverse begrotingen sprake van forse uitvoeringsproblematiek (ongeveer 2 miljard euro, 0,4 procent bbp). Deze uitvoeringsproblematiek is tijdens het voorjaar volledig onder het uitgavenkader opgelost. Hiervoor zijn enkele generieke maatregelen genomen, waaronder bijvoorbeeld het deels inhouden van de loon- en prijsbijstelling – zie hiertoe de verschillende kadertoetsen in paragraaf 2.3.

Figuur 1.3 Oorzaken saldoverbetering FJR 2010 ten opzichte van MN 2010

Figuur 1.3 Oorzaken saldoverbetering FJR 2010 ten opzichte van MN 2010

EMU-schuld

De EMU-schuld is in 2010 gegroeid met 2 procentpunt ten opzichte van de stand per eind 2009. Daarmee bedraagt de totale EMU-schuld per eind 2010 62,7 procent bbp (371 miljard euro). De stijging in de schuld komt in de eerste plaats door het negatieve saldo in 2010 (voor een tekort moet immers worden geleend). De groei van de schuld is echter minder groot dan de groei van het tekort. Dit komt omdat de overheid ook zogenoemde financiële transacties doet die wel meetellen voor de schuld, maar niet voor het saldo. Zo heeft de Staat bijvoorbeeld aflossingen ontvangen op de aan de financiële sector verstrekte participaties van in totaal 6,5 miljard euro. Het saldo en de financiële transacties vormen samen het verschil in de schuld ten opzichte van 2009.

Wanneer we de schuld vergelijken met de verwachting uit de Miljoenennota 2010, dan komt deze iets beter uit. Op Prinsjesdag in 2009 werd nog verwacht dat de schuld in 2010 uit zou komen op 65,7 procent bbp. De EMU-schuld valt ten opzichte van de Miljoenennota 3 procentpunt lager uit. Ten eerste komt dat doordat het EMU-saldo zich beter heeft ontwikkeld dan aanvankelijk gedacht. Ten tweede was een deel van de ontvangen aflossingen nog niet opgenomen in de Miljoenennota 2010.

Figuur 1.4 Historische ontwikkeling EMU-schuld (in procenten bbp)

Figuur 1.4 Historische ontwikkeling EMU-schuld (in procenten bbp)

Internationale vergelijking

Met een EMU-saldo van – 5,4 procent en een EMU-schuld van 62,7 procent doet Nederland het beter dan gemiddeld in de Eurozone. Figuur 1.5 biedt een vergelijking van het EMU-saldo en de EMU-schuld 2010 binnen Europa. Hieruit kan geconcludeerd worden dat Nederland in relatieve zin goed gepresteerd heeft in 2010, maar laat onverlet dat het saldo en de schuld voor Nederlandse begrippen zeer fors uitvallen. In absolute zin zijn dit slechte rapportcijfers voor Nederland, waarmee we niet voldoen aan de criteria uit het Stabiliteits- en Groeipact. Het pact schrijft immers een maximaal EMU-tekort van 3 procent bbp en een maximale EMU-schuld van 60 procent bbp voor.

Figuur 1.5 Vergelijking EMU-saldo en EMU-schuld 2010 binnen de Eurozone (in procenten bbp)

Figuur 1.5 Vergelijking EMU-saldo en EMU-schuld 2010 binnen de Eurozone (in procenten bbp)
Licence