Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

1.2 De Nederlandse economie in 2010

Economisch herstel

Het jaar 2010 stond in het teken van economisch herstel. Waar bij het schrijven van de Miljoenennota 2010 in september 2009 nog werd uitgegaan van een nulgroei in 2010, heeft het CBS uiteindelijk een groei van het bruto binnenlands product (bbp) van 1,8 procent gemeten. De waarde van het bbp kwam daarmee uit op 591,5 miljard euro. Na een krimp van 3,9 procent in 2009 is het volume van het bbp nog lang niet terug op het niveau van voor de recessie (zie figuur 1.6).

Gedurende het verslagjaar 2010 werd veel gediscussieerd over het patroon van de crisis. Het was de vraag of de economie zich volgens een V, een W (double dip) of een L (het Japan-scenario) zou ontwikkelen. Het is te vroeg om hier definitieve uitspraken over te doen, maar tot dusver lijkt het beeld van voorzichtig herstel te domineren, waarbij vooralsnog geen sprake is van inhaalgroei1.

Figuur 1.6 Volume-indexcijfers bbp Nederland (2004 = 100)

Figuur 1.6 Volume-indexcijfers bbp Nederland (2004 = 100)

De groei van 2010 kwam grotendeels voor rekening van het buitenland. De uitvoer van goederen herstelde snel en bevond zich in 2010 op een hoger niveau dan voor de crisis. Ook de invoer – naast binnenlandse consumptie in belangrijke mate gedreven door wederuitvoer – groeide snel, maar bleef vooralsnog onder het niveau van 2008.

Figuur 1.7 Bestedingscomponenten bbp met uitzondering van overheid (volume-indexcijfer, 2004 = 100)

Figuur 1.7 Bestedingscomponenten bbp met uitzondering van overheid (volume-indexcijfer, 2004 = 100)

De consumptie van huishoudens herstelde van de forse krimp van 2,5 procent in 2009, maar nam met 0,4 procent nog in bescheiden mate toe in 2010. De groei van de consumptie bleef daarmee achter bij de groei van het bbp. Private investeringen van bedrijven krompen in de eerste kwartalen van 2010, zij het in een minder hard tempo dan in 2009. Pas in het vierde kwartaal vertoonden investeringen weer een bescheiden groei. Per saldo resulteerde een krimp 1,6 procent van investeringen in productiekapitaal. Dankzij voorraadinvesteringen leverden investeringen per saldo echter wel een positieve bijdrage aan de bbp-ontwikkeling in 2010. Het niveau van de bedrijfsinvesteringen lag aan het einde van het jaar nog circa 20 procent onder het niveau van voor de crisis (zie figuur 1.7). Dat bedrijven en gezinnen voorzichtig zijn met nieuwe uitgaven vlak na een crisis is niet ongewoon. Verloren vermogenswinsten worden veelal eerst goedgemaakt, alvorens geld wordt vrijgemaakt voor nieuwe bestedingen. Bedrijven hebben te maken met relatief lage bezettingsgraden waardoor uitbreidingsinvesteringen minder snel nodig zijn.

De kwartaal-op-kwartaalgroei van het bbp ligt sinds de tweede helft van 2009 gemiddeld rond de 0,6 procent, maar laat wel flinke schommelingen zien (figuur 1.8). Volgens de kwartaalrekeningen van het CBS kende 2010 een goede start met een (historisch) grote groei van 1,0 procent in het tweede kwartaal. Deze werd gevolgd door een magere plus van 0,1 procent in het derde kwartaal en weer een goed laatste kwartaal met 0,6 procent groei.

Figuur 1.8 De volumegroei van het bbp per kwartaal (procentuele verandering ten opzichte van voorafgaand kwartaal)

Figuur 1.8 De volumegroei van het bbp per kwartaal (procentuele verandering ten opzichte van voorafgaand kwartaal)

Gedurende het jaar is de inflatie opgelopen van 0,8 procent in januari naar 1,9 procent in december. Met name de prijzen van brandstoffen zijn in 2010 toegenomen. Gemiddeld kwam de inflatie in 2010 uit op 1,3 procent. De gemiddelde contractloonstijging lag met 1,0 procent iets onder het niveau van de inflatie. Na een forse plus van 1,8 procent in 2009, nam de statische koopkracht in doorsnee af met 0,4 procent in 2010 (mediaan alle huishoudens). Waar bedrijven en de overheid in de eerste fase van de crisis met name de klappen hebben opgevangen, werden de gevolgen van de crisis in 2010 zichtbaar in de koopkrachtontwikkeling.

Nederlandse arbeidsmarkt

De Nederlandse arbeidsmarkt bleef in 2010 verrassen in positieve zin. In 2009 viel op dat de krimp van de werkgelegenheid in personen beduidend achter bleef bij de krimp van de productie. De werkloosheid liep veel minder snel op dan het CPB verwachtte. 2010 was het jaar van de ommekeer van een stijgende naar een dalende werkloosheidsontwikkeling. De werkloosheid bereikte in februari de top van 5,8 procent en nam vervolgens maandelijks af tot 5,1 procent in december (nationale definitie). In aantallen personen nam de werkloosheid over dezelfde periode – gecorrigeerd voor seizoensinvloeden – met ruim 50 duizend personen af (van 452 duizend in februari tot 401 duizend in december 2010). Hiermee is het niveau van de werkloosheid weer gedaald tot het niveau van september 2009 (zie figuur 1.9). Hoewel dit hoger is dan het niveau van de werkloosheid in de hoogconjunctuur van voor de crisis, is het ruim onder het niveau van de werkloosheid in 2004/2005 en nog maar iets boven het gemiddelde van de jaren nul. Ook het aantal vacatures liep na een forse afname in 2008 en 2009 weer op in 2010 (van 114,5 duizend in het eerste kwartaal naar 129,8 duizend in het vierde kwartaal).

Figuur 1.9 Werkloze beroepsbevolking (duizenden personen (15 – 65 jaar), seizoensgecorrigeerde cijfers)

Figuur 1.9 Werkloze beroepsbevolking (duizenden personen (15 – 65 jaar), seizoensgecorrigeerde cijfers)

Het is vooralsnog in zekere mate een puzzel waarom de werkloosheid in deze recessie minder opliep dan bij voorgaande recessies, en veel minder dan op grond van de productiekrimp verwacht zou mogen worden. Hiervoor worden verschillende redenen genoemd. Ten eerste geldt dat in deze recessie de schok van de crisis meer dan voorheen wordt opgevangen via het aantal gewerkte uren (onder meer via het gebruik van de deeltijd-WW). Het feit dat in de jaren voor de crisis de Nederlandse arbeidsmarkt erg krap was en ook structureel krapte op de arbeidsmarkt wordt verwacht kan hebben bijgedragen aan zogenaamde «labour hoarding» door werkgevers: omdat op een krappe arbeidsmarkt het vinden van goede vakkrachten lastig is, geven bedrijven er de voorkeur aan om personeel te behouden. Een tweede verklaring kan zijn dat de zogenaamde «flexibele schil» in Nederland relevanter is geworden. Hiermee wordt de groeiende groep van zelfstandig ondernemers bedoeld, die de eerste klappen van de crisis op de arbeidsmarkt hebben opgevangen. Een derde vaak genoemde verklaring is het zogenaamde «discouraged worker»-effect: werkzoekenden zijn ontmoedigd en bieden zich niet meer aan op de arbeidsmarkt. Jongeren blijven bijvoorbeeld langer op school. Maar er kunnen ook andere verklaringen zijn, zoals de invloed van moderne – meer activerende – arbeidsmarktinstituties. Er is nog weinig bekend over de relatieve groottes van bovengenoemde effecten. Het CPB verricht op dit moment onderzoek naar de achtergrond van de werkloosheidsdynamiek tijdens deze laagconjunctuur.

Ondernemend Nederland

Hoewel het aantal faillissementen in 2010 nog hoog lag, had ook het bedrijfsleven te maken met verbeterde omstandigheden. De bezettingsgraad van de industrie nam toe van 74,6 procent in januari 2010 tot ruim 80,1 procent in januari 2011. Het producentvertrouwen verbeterde en kwam in augustus weer in positief vaarwater terecht met onder de geënquêteerden meer optimisten die een omzetgroei verwachten dan pessimisten die rekenen op krimp. Ook de winstgevendheid van bedrijven verbeterde. Het aantal ondernemingen dat aangaf meer winst te maken dan in het voorgaande kwartaal oversteeg in het vierde kwartaal voor het eerst sinds het uitbreken van de crisis het aantal bedrijven dat aangaf minder winst te maken. De zakelijke kredietgroei van Nederlandse financiële instellingen aan bedrijven bleef geheel 2010 constant op zo’n 3 procent op jaarbasis. Acceptatiecriteria werden tegen het einde van het jaar gemiddeld genomen soepeler en de vraag naar krediet vertoonde in 2010 voorzichtig herstel.

In 2010 liet de Nederlandse financiële sector tekenen van herstel zien. Meer financiële instellingen kwamen in zwarte cijfers terecht, meer instellingen rapporteerden winstgroei en meer instellingen vulden kapitaalbuffers aan. Enkele instellingen losten tevens ontvangen overheidssteun af. Zo betaalde Aegon in het najaar bijvoorbeeld 500 miljoen euro van hun resterende 2 miljard euro steun terug. Van de totale overheidssteun aan de financiële sector vanuit de kapitaalverstrekkingsfaciliteit van 13,8 miljard euro is daardoor inmiddels 8,1 miljard euro terugbetaald (zie de Monitor financiële interventies voor meer informatie, bijlage 5).

Licence