Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

2.3 Ontwikkeling van de EMU-schuld

EMU-schuld in 2012: 71,2 procent bbp)

De EMU-schuld is in 2012 uitgekomen op 71,2 procent bbp. Dit is een verslechtering van 5,8 procentpunt ten opzichte van de Miljoenennota 2012, want in de Miljoenennota werd nog uitgegaan van een EMU-schuld van 65,3 procent bbp. Tabel 2.3.1 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuld ten opzichte van de verwachting in de Miljoenennota 2012 – de zogenaamde verticale ontwikkeling.

Tabel 2.3.1 Ontwikkeling EMU-schuld (in procenten bpp)1
 

2012

EMU-schuld Miljoenennota 2012

65,3

Aanpassing schuld ultimo 2011

0,5

Mutatie EMU-saldo

1,1

Noemereffect

2,4

Financiële transacties en overig

 

w.v. Aflossing ING

0,6

w.v. EFSF

1,2

w.v. ESM

0,3

w.v. lening Griekenland

– 0,2

w.v. overig

0,0

EMU-schuld Financieel Jaarverslag Rijk 2012

71,2

1

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

De verslechtering van de EMU-schuld sinds de Miljoenennota wordt veroorzaakt door verschillende factoren. De realisatie van de EMU-schuld 2011 is hoger uitgekomen dan waar in de Miljoenennota 2012 rekening mee werd gehouden. Het hoger dan verwachte tekort heeft in 2012 een verhogend effect op de EMU-schuld: ten tijde van de Miljoenennota 2012 werd rekening gehouden met een EMU-tekort van 2,9 procent van het bbp terwijl het EMU-tekort 2012 is uitgekomen 4,1 procent van het bbp. Ook de lager dan verwachte groei heeft een opwaarts effect op de schuldquote, aangezien deze is uitgedrukt in het percentage bbp. Dit is het zogenaamde noemeffect; dit effect wordt toegelicht in de onderstaande box 2.3.1. De bijstelling van de aflossing van de kapitaalsteun van ING heeft de schuld ten opzichte van de Miljoenennota 2012 met 0,6 procentpunt van het bbp verslechterd. De interventies in Europa hebben per saldo ook een schuldverslechterend effect van 1,3 procentpunt van het bbp. Al de bovenstaande genoemde effecten leveren gecombineerd een bijdrage aan hogere EMU-schuld dan voorzien was ten tijd van de Miljoenennota 2012. Voor een toelichting op de verschillende financiële interventies wordt verwezen naar bijlage 5.

Box 2.3.1 Noemereffect

De EMU-schuld wordt vaak uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp): de schuldquote. Een stijging van de schuldquote kan daardoor twee oorzaken hebben. Ten eerste kan de overheidsschuld, oftewel de teller, stijgen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de overheid een begrotingstekort heeft. Het begrotingstekort wordt gefinancierd door meer te lenen, waardoor de overheidsschuld stijgt. Hierdoor loopt bij een gelijkblijvend bbp ook de schuldquote op. Ten tweede kan het bbp, oftewel de noemer, dalen. Dit kan het gevolg zijn van economische krimp of, zoals in het Financieel Jaarverslag van het Rijk, van lager dan bij de Miljoenennota verwachtte economische groei. Een lager dan geraamde economische groei betekent ook een lager dan geraamd bbp. Een gelijkblijvende overheidsschuld uitgedrukt als percentage van een lagere bbp resulteert in een hogere schuldquote. Dit heet het noemereffect. Het noemereffect kan er zelfs toe leiden dat de schuldquote stijgt, terwijl de overheidsschuld daalt. Dit is het geval als de economie sterker krimpt dan de daling van de overheidsschuld. Het noemereffect is onder andere te zien in de tabellen 2.2.2 en 2.3.1 van dit Financieel Jaarverslag.

Licence