Base description which applies to whole site
+Toon begrotingsfasen

3.8 Ontwikkelingen financieel beleid, financiële functie en financieel management

De financiële functie en het financieel management waren in 2012 volop in verandering met als doel de kwaliteit en doelmatigheid verder te vergroten. Belangrijke ontwikkelingen in het financieel beleid zijn de invoering van Verantwoord Begroten en de voorbereidingen voor de wijziging van de Comptabiliteitswet 2001. De veranderingen in de financiële functie en het financieel management worden gekenmerkt door meer samenwerking en coördinatie binnen de rijksoverheid. Daarnaast is er meer aandacht voor de aansturing en bekostiging van agentschappen.

Verantwoord Begroten

De kern van Verantwoord Begroten is dat er een duidelijke tweedeling wordt gemaakt tussen de apparaatsuitgaven en de programma-uitgaven en dat er een meer inzicht wordt geboden in de aard en de omvang van de financiële instrumenten. De relatie tussen de beleidsinzet van een minister en de inzet van de budgetten wordt weergegeven door duidelijk te maken wat de rol en verantwoordelijkheid van de minister is en welke financiële instrumenten daartoe worden ingezet. Deze nieuwe vorm van begrotingspresentatie stelt de Tweede Kamer beter in staat om te bepalen op welke resultaten een minister nu daadwerkelijk aan te spreken is en hoe het geld wordt ingezet.

Beleidswijzigingen als gevolg van evaluaties of voorschrijdend inzicht krijgen verder een expliciete plek in een begrotingsartikel. Tenslotte verschaffen de stukken een beter inzicht in de programmering en uitvoering van beleidsdoorlichtingen, beleidsevaluaties en in verstrekte subsidies.

In 2012 is de nieuwe begrotingspresentatie «Verantwoord Begroten» bij alle begrotingen 2013 geheel doorgevoerd. De begrotingsstukken 2012 bevonden zich nog in een overgangssituatie. De verantwoording over 2013 zal eerst een volledig beeld geven volgens de uitgangspunten van Verantwoord Begroten.

De begrotingen zijn met ingang van 2013 meer financiële documenten geworden. De hoeveelheid financiële informatie is daarom toegenomen en de apparaatsuitgaven worden op een centraal artikel nader gespecificeerd. De in de begrotingen opgenomen beleidsinformatie sluit sterker aan bij de verantwoordelijkheid en rol van de betreffende minister. Deze aansluiting wordt de komende periode nog verbeterd, evenals de verwijzingen naar relevante beleidsdoorlichtingen en evaluaties.

In overleg met de Algemene Rekenkamer en de departementen wordt de uitwerking van Verantwoord Begroten in de komende begrotingen verder verbeterd.

Na de behandeling van de verantwoordingsstukken over 2013 zal vanaf de zomer van 2014 een evaluatie plaatsvinden van de gehele cyclus.

Wijziging van de Comptabiliteitswet 2001

Een belangrijke functie van de Comptabiliteitswet is het waarborgen van het budgetrecht van de Tweede Kamer. In de afgelopen jaren zijn discussies gevoerd over de mogelijkheden van het versterken van het budgetrecht. In de zesde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 – die naar verwachting vóór het komend zomerreces wordt ingediend bij de Tweede Kamer – worden twee voorstellen gedaan om het budgetrecht te versterken. Ten eerste de procedure van de vooruitlopende begrotingsinformatie. Met deze procedure wordt beoogd de Tweede Kamer in spoedeisende situaties zo snel mogelijk te informeren over de budgettaire gevolgen van besluiten welke nog niet in een goedgekeurde begroting zijn voorzien. Ten tweede wordt de zogenoemde voorhangprocedure verbreed. Het gevolg is dat de Tweede Kamer in méér gevallen vooraf betrokken wordt bij vormen van kapitaalsverschaffing aan overheidsdeelnemingen. Deze wijzigingen zijn ook aangekondigd in de kabinetsreactie De Wit II28.

Er wordt daarnaast gewerkt aan een algehele herziening van de Comptabiliteitswet, aangezien de Comptabiliteitswet sinds de grote herziening in 1976 inmiddels 13 keer is gewijzigd. Nieuwe ontwikkelingen zijn steeds via wijzigingen binnen de bestaande structuur verwerkt. Door al deze wijzigingen is de huidige Comptabiliteitswet weliswaar actueel, maar is de toegankelijkheid en leesbaarheid een punt van zorg geworden. De stapeling van wetswijzigingen heeft ook geleid tot een tamelijk gedetailleerde Comptabiliteitswet. In de praktijk heeft dat geleid tot ervaren regel- en controledruk. Dit kwam tot uitdrukking in het IBO Regeldruk en controletoren29). In het kabinetsstandpunt over dat onderzoek heeft de minister van Financiën aangegeven de comptabele regelgeving, inclusief de Comptabiliteitswet, te zullen wijzigen en een slanke controletoren in te richten. Een duidelijke taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen het ambtelijk management, de controller en de auditor is daarbij het uitgangspunt.

De huidige Comptabiliteitswet vormt overigens nog steeds een stabiele basis voor het begrotingsbeheer en het financieel beheer van de rijksdienst, ondanks dat er zowel inhoudelijke als meer wetsystematische redenen zijn voor een algehele wijziging van de Comptabiliteitswet. Sinds de operatie Comptabel Bestel in de jaren 80 van de vorige eeuw is het begrotingsbeheer op een hoog niveau. Uit de Financiële Jaarverslagen van het Rijk van de afgelopen jaren blijkt dat het percentage rechtmatigheid van de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen gemiddeld meer dan 99,7 procent bedraagt (zie paragraaf 3.2).

Vorming Shared Service Centra (SSC’s)

In 2012 zijn verschillende stappen gezet om invulling te geven aan de inzet van het kabinet om de governance van de rijksbrede bedrijfsvoering, en die van SSC’s in het bijzonder, te verstevigen. Zo is in november 2012, als onderdeel van de hervormingsagenda Rijksdienst, het project Governance en sourcing binnen de bedrijfsvoering gestart. Doel van dit project is het formuleren van concrete voorstellen om de governance van de rijksbrede bedrijfsvoering te versterken voor de Haagse departementale onderdelen door deze te vereenvoudigen en te reduceren alsmede verdere mogelijkheden van vormen van sourcing te onderzoeken. Uit de vorming van de ADR (zie later in deze paragraaf) kunnen in dat kader interessante lessen worden getrokken, bijvoorbeeld als het gaat om de samenhang tussen enerzijds budget en bevoegdheden en anderzijds kwaliteitsborging.

In mei 2013 ontvangt de Tweede Kamer de hervormingsagenda Rijksdienst. Daarin zal een nadere toelichting worden gegeven op dit project.

SSC-ICT

In 2012 zijn de voorbereidingen getroffen voor de agentschapsvorming van Shared Service Centrum ICT Den Haag (SSC-ICT Den Haag) per 1 januari 2013. SSC-ICT Den Haag is de Haagse dienstverlener voor de ICT-werkplekdiensten voor de ministeries van IenM, VWS, SZW en BZK. Het voorziet deze ministeries van de juiste ICT-middelen en verricht de daarbij horende ondersteunende werkzaamheden. SSC-ICT Den Haag draagt hiermee bij aan een krachtige, kleine en dienstverlenende Rijksoverheid. In de toekomst treden andere ministeries tot het verzorgingsgebied toe. Dit is in lijn met de doelstellingen van de Compacte Rijksdienst (project 7).

Facilitair

Op facilitair gebied is in 2012 de totstandkoming voorbereid van SSC’s op facilitair gebied, die worden verzorgd door vier landelijke facilitaire concerndienstverleners: FM Haaglanden, Rijkswaterstaat, Dienst Justitiële Inrichtingen en de Belastingdienst.

Inkoop

In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst wordt de Rijksbrede inkoop gebundeld. In 2012 zijn 17 inkooppunten aangewezen. In 2012 is de Haagse inkoopsamenwerking van start gegaan.

Doc-Direkt

De tijdelijke agentschapsstatus van Doc-Direkt is per 1 januari 2013 ingetrokken. Op 1 januari 2013 is de Regeling agentschappen van kracht. Deze regeling stelt als voorwaarde voor het instellen van een nieuw agentschap een verwachte omzet van meer dan 50 miljoen euro op jaarbasis. Voor de instelling van een baten-lastenagentschap geldt de aanvullende voorwaarde dat de voorziene gemiddelde afschrijvingskosten per jaar meer dan 5 procent van de totale lasten bedragen, berekend over een periode van drie jaar. Doc-Direkt voldoet niet aan beide voorwaarden. Dit alles in ogenschouw nemend komen de minister voor Wonen en Rijksdienst en de minister van Financiën tot het oordeel dat het voortzetten van Doc-Direkt als tijdelijke baten-lastendienst niet langer wenselijk is.

Toekomst controlfunctie

De rijksoverheid ziet zich de komende jaren gesteld voor de grote uitdaging om meer te leveren met minder geld. In het streven de overheidsfinanciën op orde te brengen zijn vergaande ombuigingen en taakstellingen aan de orde van de dag. De blijvende noodzaak van budgettaire beheersing noopt bovendien tot een strikte hantering van de begrotingsregels. Tegelijkertijd verwachten burgers en bedrijven onverminderd dat de overheid kwaliteit blijft leveren en waar nodig verbeteringen realiseert.

Vanuit de noodzaak tot bezuinigen worden efficiencybevorderende ontwikkelingen zoals samenwerking in shared service organisaties en clustering van toezichts- en handhavingstaken de komende jaren versterkt doorgezet. Ook zal er de komende jaren veel dynamiek zijn in de relatie tussen Rijk en mede-overheden (decentralisatie) en de modaliteiten van interne en externe verzelfstandiging (agentschappen respectievelijk zelfstandige bestuursorganen).

De bedrijfsvoering binnen de ministeries zal zich moeten aanpassen aan deze en andere ontwikkelingen die in de komende 5 tot 10 jaar kunnen worden verwacht. Dat heeft ook gevolgen voor de faciliterende, kaderstellende en toezichthoudende rollen van de minister van Financiën en de minister voor WenR.

Tegen deze achtergrond onderzoekt het ministerie van Financiën momenteel met de andere ministeries hoe de FEZ-functie (Financieel Economische Zaken) bij de ministeries zich in de komende jaren verder zou moeten ontwikkelen. Specifieke thema’s die binnen het kader van dit project worden meegenomen zijn de samenwerking tussen dan wel de bundeling van de financiële adminstraties, de besturing van de bedrijfsvoering, het toezicht op verzelfstandigde organisaties en de mobiliteit binnen de FEZ-functie (Financieel Economische Zaken) bij de departementen. Het onderzoek wordt in 2013 afgerond.

Vorming Auditdienst Rijk (ADR)

Met de start op 1 mei 2012 van de Auditdienst Rijk (ADR) is de verdere centralisatie van de departementale auditdiensten een feit. De ADR bundelt de krachten van de auditdiensten van de ministeries van BuZa, EZ, I&M, OCW, SZW en de Rijksauditdienst (Financiën, BZK en VWS). In de loop van 2013 gaat ook de auditdienst van het ministerie van Veiligheid en Justitie over naar de ADR en begin 2014 volgt tot slot de auditdienst van het ministerie van Defensie. Door centralisatie van de departementale auditdiensten kan de auditfunctie op de ministeries op een efficiëntere wijze worden vormgegeven en wordt een bijdrage geleverd aan een compacte rijksdienst. Het optimaal bedienen van de opdrachtgevers – de politieke en ambtelijke leiding van de departementen – staat daarbij centraal. Een rijksbrede dienst maakt het bovendien mogelijk om met rijksbrede onderzoeken beter in te spelen op de rijksbrede ontwikkelingen en vraagstukken.

Door de vorming van de ADR is het mogelijk de werkprocessen te stroomlijnen en te harmoniseren. Zo wordt het mogelijk om in onderlinge samenhang risico’s en de daarbij behorende auditbehoeften te presenteren. Vanuit de rol van interne auditor is het streven van de ADR om slagvaardig, flexibel en voortdurend vernieuwend te werken aan een efficiënter controlebestel in de toekomst en maximaal te kunnen bijdragen aan een overheid die kwaliteit levert.

Met de vorming van de ADR is binnen het huidige controlebestel een flinke bestuurlijke en organisatorische stap gezet om gezamenlijk aandacht te besteden aan de verbetering van de interne beheersing van de rijksbrede bedrijfsvoering. Door het toepassen van systeemgerichte controles en risicogericht werken zal de ADR naar verwachting de komende jaren bijdragen aan deze verbetering. De ADR wil zijn expertise en ervaring bovendien inzetten om bij de ministeries de kwaliteit van risicoanalyses, managementinformatie en governance te versterken.

Risicomanagement

De inzet van risicomanagement wordt steeds belangrijker voor de beheersing en de verdere verbetering van de kwaliteit en de efficiency van de bedrijfsvoeringsprocessen en beleids(uitvoerings)processen van de ministeries. Daarnaast speelt risicomanagement door de invoering van de Regeling Audit Committees een steeds belangrijkere rol voor de taakinvulling van de Audit Committees en de efficiënte inzet van de beschikbare auditcapaciteit van de ADR voor de verdere verbetering van de kwaliteit van de interne beheersing en de bedrijfsvoering bij het Rijk.

In 2012 heeft het ministerie van Financiën een rijksbreed onderzoek laten uitvoeren door de ADR naar de totstandkoming en het gebruik van departementsbreed risicomanagement door de ministeries. Uit het rijksbreed onderzoek is gebleken dat bij alle ministeries jaarlijks gestructureerd risicomanagement plaatsvindt voor de bedrijfsvoeringsrisico’s. De beleidsuitvoeringsrisico’s en risico’s die samenhangen met de toezicht- en inspectietaken en uitvoeringsorganisaties worden nog niet door alle ministeries meegenomen in het departementsbrede risicomanagement.

Als vervolg op het rijksbrede onderzoek zullen de geïnventariseerde «practices» rond risicomanagement bij de ministeries interdepartementaal worden besproken om te komen tot «good practices» die breed toepasbaar zijn binnen de rijksoverheid, inclusief de departementale Audit Committees.

Audit Committees

De Regeling Audit Committees 2012 is op 1 mei 2012 in werking getreden. Doel van deze regeling is om de positie van Audit Committees binnen het Rijk en de rol van de externe (onafhankelijke) leden hierin te versterken, duidelijkheid te verschaffen over de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de Audit Committees en het functioneren van de Audit Committees bij het Rijk te uniformeren. Bovendien bevat de Regeling Audit Committees 2012 bepalingen die aansluiten bij de algemene ontwikkeling naar meer onafhankelijke Audit Committees. Met de regeling is de taakinvulling van de departementale Audit Committees bovendien verruimd met het adviseren van het departementale management op het risicomanagementbeleid en de uitkomsten daarvan. Inmiddels beschikken alle ministeries over een Audit Committee, waarin ten minste twee externe leden zitting moeten hebben. De regeling zal in 2014 worden geëvalueerd om te beoordelen of de gestelde doelstellingen zijn gerealiseerd.

Ontwikkelingen financiële administraties

Om samenwerking tussen de ministeries op het gebied van de financiële administraties efficiënt vorm te kunnen geven is het noodzakelijk om de processen van de ministeries op elkaar af te stemmen. Het ministerie van Financiën heeft hiermee in 2012 een start gemaakt, waardoor op het gebied van de apparaatsuitgaven nu rijksbrede en uniforme definities worden gehanteerd door alle ministeries30.

Daarnaast heeft het samenwerkingsverband 3F in 2012 vastere vorm gekregen. De drie deelnemende ministeries (SZW, VWS en Financiën) hebben nu een vol jaar gebruik gemaakt van het 3F-systeem, zonder noemenswaardige problemen.

Baten-lastendiensten/Agentschappen

De Regeling agentschappen is op 1 januari 2013 formeel van kracht geworden. De oude Regeling baten-lastendiensten is daarmee vervallen. In de nieuwe Regeling agentschappen zijn de aanbevelingen verwerkt die volgden uit de evaluatie van de Regeling baten-lastendiensten (TK 2010–2011, 28 737, nr. 21). In de nieuwe regeling wordt meer nadruk gelegd op de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokken spelers in het sturingsmodel. Verder worden agentschappen voortaan minimaal iedere vijf jaar doorgelicht. In de nieuwe regeling wordt expliciet gesteld dat het kwaliteitsniveau van de financiële functie en het financieel beheer voldoende moet zijn gewaarborgd. Voor nieuwe agentschappen geldt een minimum omvangscriterium van 50 miljoen euro aan ontvangsten op jaarbasis.

Uitgangspunt voor nieuwe agentschappen is dat aangesloten dient te worden bij het reguliere administratieve stelsel binnen de rijksoverheid: het kas-verplichtingenstelsel. Pas bij een percentage afschrijvingskosten van meer dan 5 procent van de totale uitgaven mogen nieuwe agentschappen werken met het baten-lastenstelsel31. Voor bestaande agentschappen is afgesproken dat eerst een brede doorlichting op een natuurlijk moment zal plaatsvinden (bijvoorbeeld aansluitend op een beleidsdoorlichting) door het ministerie van Financiën en de betrokken departementen. Uit deze doorlichting moet blijken of een stelselverandering bijdraagt aan het beter functioneren van de diensten. Als blijkt dat een dienst goed functioneert kan de conclusie ook zijn dat een stelselverandering niet zinvol is, mede gelet op de kosten die een dergelijke verandering met zich meebrengt.

Het is nog te vroeg om algemene conclusies te trekken op basis van de eerste reeks afgeronde doorlichtingen (bij ILT/IVW32, FMHaaglanden33 en CIBG34) en de doorlichtingen die zich in de afrondende fase bevinden (bij DRZ35, LOGIUS36 en JUSTIS37). Inmiddels kan echter al wel worden geconstateerd dat veel aanbevelingen zich richten op de werking van het sturingsmodel, met name op de rolinvulling. De rollen en verantwoordelijkheden tussen de eigenaar, het agentschap en de opdrachtgevers of het opdrachtgevend beraad zijn niet altijd duidelijk.

Uit de doorlichtingen komt ook naar voren dat het moeilijk blijft om, buiten opgelegde taakstellingen om, doelmatigheidswinsten over de jaren heen goed in beeld te krijgen en er vervolgens ook op te sturen. Bij doorlichtingen van agentschappen die slechts beperkt afschrijven is verder de eventuele overstap naar een kas-verplichtingenstelsel momenteel een onderwerp van gesprek (bij bijvoorbeeld ILT, DRZ en JUSTIS). Daarnaast lopen nog discussies over het omvangscriterium van 50 miljoen euro bij agentschappen die hier nu ruim onder vallen maar die tegelijkertijd wel groeipotentieel hebben als rijksbreed ingezet wordt op taakclustering (zoals bij CIBG en JUSTIS).

Voor 2013 staan vooralsnog doorlichtingen van onder meer DPC38, Agentschap Telecom (EZ), BPR39, NEa40, DHC41, IND42 en RIVM43 op de agenda. Het is de bedoeling om de aankomende twee jaar uiteindelijk alle agentschappen doorgelicht te hebben. Daarnaast zullen in 2013 ook de nieuw op te richten agentschappen DGU44 en RVB45 aan de criteria van de Regeling Agentschappen worden getoetst. In bijlage 10 is een tabel opgenomen met de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de doorlichtingen die in 2012 zijn afgerond.

Topinkomens

Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Normering Topinkomens (WNT) van kracht geworden. Hiermee is de Wet uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Wopt) komen te vervallen, waardoor de grondslag voor het opnemen van persoonsgegevens over 2012 in de jaarverslagen is komen te vervallen. In de departementale jaarverslagen 2012 zijn dan ook – in tegenstelling tot voorgaande jaren – geen overzichten Topinkomens opgenomen.

De overzichten gaven inzicht in de medewerkers bij de departementen die in het verslagjaar meer verdiend hebben dan het gemiddelde belastbare loon van de ministers. Voor de rapportage over 2012 ontstaat hierdoor een hiaat in de informatievoorziening over topinkomens in de (semi-) publieke sector.

In het departementale jaarverslag van BZK is wel de volgende passage opgenomen:

«De bezoldiging van alle leden van de topmanagementgroep rijk bleef in 2012 onder de maximum bezoldigingsnorm van € 228.599, zoals die is opgenomen in de op 1 januari 2013 van kracht geworden Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT).»

Vertrouwen en risico georiënteerd werken

Het project «Vertrouwen geven, maar toch in control zijn» heeft zich in 2012 sterk gericht op toepassing in de praktijk. De ontwikkelfase is afgesloten en er is voldoende ervaring opgedaan met het gebruik maken van de vertrouwenscan. Steeds meer organisaties binnen de overheid passen de vertrouwenscan toe en krijgen zo inzicht in de onderliggende factoren die de mate van vertrouwen bepalen (de negen kritische succesfactoren). Dit inzicht maakt het mogelijk deze overheidsorganisatie gericht te laten werken aan meer vertrouwen. Systeemgericht controleren op basis van een goede risicoanalyse vormt een belangrijk onderdeel van de voorgestane aanpak. Voor het punt van vermindering regel- en controledruk door meer vertrouwen is rijksbreed bekendheid gegeven door een congres en een afsluitende publicatie waarin alle ervaringen zijn opgenomen.

GEDRUKTE BIJLAGEN

Bijlage 1

Rijksrekening van uitgaven en ontvangsten 2012

 

Bijlage 2

Saldibalans van het Rijk 2012

 

Bijlage 3

Staatsbalans 2012

 

Bijlage 4

De belasting- en premieontvangsten 2012

 

Bijlage 5

Monitor Financiële Interventies

 

Bijlage 6

Garantieoverzicht 2012

 

Bijlage 7

Beleidsmatige mutaties na de Najaarsnota

 

Bijlage 8

Overzicht geplande beleidsdoorlichtingen 2012

 

Bijlage 9

Normeringsystematiek gemeente- en provinciefonds

 

Bijlage 10

Overzicht Doorlichtingen Agentschappen

 

Bijlage 1 Rijksrekening van uitgaven en ontvangsten 2012

Rijksrekening van de uitgaven van de ministeries en de begrotingsfondsen 2012 (x € 1.000)
 

Rekening van

oorspronkelijk vastgestelde begroting

realisatie

verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

I

Koning

39.495

40.243

748

IIA

Staten-Generaal

141.899

147.213

5.314

IIB

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

111.362

117.162

5.800

III

Algemene Zaken

60.271

56.118

– 4.153

IV

Koninkrijksrelaties

428.129

431.657

3.528

V

Buitenlandse Zaken

11.723.621

10.774.139

– 949.482

VI

Veiligheid en Justitie

11.407.738

11.467.322

59.584

VII

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

4.809.317

5.028.293

218.976

VIII

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

33.694.015

34.169.160

475.145

IXA

Nationale Schuld

45.729.003

60.819.593

15.090.590

IXB

Financiën

12.602.513

11.362.786

– 1.239.727

X

Defensie

7.873.048

8.066.750

193.702

XII

Infrastructuur en Milieu

10.805.896

10.503.658

– 302.238

XIII

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

5.372.754

4.853.753

– 519.001

XV

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

31.066.016

31.897.995

831.979

XVI

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

17.564.976

18.813.779

1.248.803

A

Infrastructuurfonds

7.986.678

7.599.216

– 387.462

B

Gemeentefonds

18.334.127

18.500.791

166.664

C

Provinciefonds

1.116.489

1.686.017

569.528

F

Diergezondheidsfonds

9.700

15.433

5.733

H

BES-fonds

24.903

38.545

13.642

         
 

Totalen

220.901.950

236.389.623

15.487.673

Rijksrekening van de ontvangsten van de ministeries en de begrotingsfondsen 2012 (x € 1.000)
 

Rekening van

oorspronkelijk vastgestelde begroting

realisatie

verschil realisatie en oorspronkelijk vastgestelde begroting

I

Koning

0

409

409

IIA

Staten-Generaal

2.954

6.904

3.950

IIB

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

5.217

6.854

1.637

III

Algemene Zaken

6.745

8.894

2.149

IV

Koninkrijksrelaties

33.354

110.302

76.948

V

Buitenlandse Zaken

740.514

760.800

20.286

VI

Veiligheid en Justitie

1.350.552

1.320.277

– 30.275

VII

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

665.607

701.140

35.533

VIII

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.197.555

1.244.747

47.192

IXA

Nationale Schuld

44.534.851

68.542.485

24.007.634

IXB

Financiën

129.887.160

114.847.902

– 15.039.258

X

Defensie

347.821

433.648

85.827

XII

Infrastructuur en Milieu

57.297

97.719

40.422

XIII

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

12.932.600

12.543.579

– 389.021

XV

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.847.508

2.103.173

255.665

XVI

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

45.839

900.829

854.990

A

Infrastructuurfonds

7.986.678

7.643.344

– 343.334

B

Gemeentefonds

18.334.127

18.500.791

166.664

C

Provinciefonds

1.116.489

1.686.017

569.528

F

Diergezondheidsfonds

9.700

12.561

2.861

H

BES-fonds

24.903

38.545

13.642

         
 

Totalen

221.127.471

231.510.920

10.383.449

Bijlage 2 Saldibalans van het Rijk 2012

SALDIBALANS VAN HET RIJK PER 31 DECEMBER 2012
 

DEBET

       

CREDIT

 

OMSCHRIJVING

€ mln.

   

OMSCHRIJVING

€ mln.

             

1

Uitgaven ten laste van de begroting 2012

236.390

 

12

Ontvangsten ten gunste van de begroting 2012

231.511

             

2

Uitgaven buiten begrotingsverband (intra-comptabele vorderingen)

10.540

 

13

Ontvangsten buiten begrotingsverband

27.110

         

(intra-comptabele schulden)

 
             

3

Liquide Middelen

221

 

14

Saldi begrotingsfondsen

111

             

4

Saldo geldelijk beheer van het Rijk

12.281

 

15

Saldi begrotingsreserves

700

             
 

Totaal intra-comptabele posten

259.432

   

Totaal intra-comptabele posten

259.432

             

5

Openstaande rechten

19.378

 

16

Tegenrekening openstaande rechten

19.378

             

6

Extra-comptabele vorderingen op derden

64.308

 

17

Tegenrekening extra-comptabele vorderingen

64.308

             

7

Tegenrekening extra-comptabele schulden

334.251

 

18

Extra-comptabele schulden aan derden

334.251

             

8

Voorschotten

136.213

 

19

Tegenrekening voorschotten

136.213

             

9

Tegenrekening openstaande verplichtingen

111.349

 

20

Openstaande verplichtingen

111.349

             

10

Deelnemingen

47.452

 

21

Tegenrekening deelnemingen

47.452

             

11

Tegenrekening garanties

263.640

 

22

Garanties

263.640

             
 

Totaal extra-comptabele posten

976.591

   

Totaal extra-comptabele posten

976.591

             
 

TOTAAL-GENERAAL

1.236.023

   

TOTAAL-GENERAAL

1.236.023

Toelichting op de saldibalans van het Rijk.

De saldibalans van het Rijk is een optelling van de goedgekeurde saldibalansen van de afzonderlijke begrotingshoofdstukken, die geconsolideerd wordt met de saldibalans van de centrale administratie van ’s Rijks Schatkist. Door het optellen van de afzonderlijke saldibalansen komen ook onderlinge schuldverhoudingen tussen begrotingshoofdstukken tot uiting in de saldibalans van het Rijk. Voor een nadere toelichting op de cijfers wordt verwezen naar de jaarverslagen van de ministeries of de begrotingsfondsen.

Ad 1) Uitgaven ten laste van de begroting

Onder de post uitgaven ten laste van de begroting worden de gerealiseerde uitgaven van het betreffende begrotingsjaar opgenomen van alle ministeries en begrotingsfondsen.

Ad 2) Uitgaven buiten begrotingsverband (intra-comptabele vorderingen)

Onder uitgaven buiten begrotingsverband worden de uitgaven geboekt die in een later jaar met een ander onderdeel van het Rijk dan wel met een derde worden verrekend. Onder deze post staan alleen de vorderingen waarvan wordt verwacht dat binnen een afzienbare termijn verrekening zal plaatsvinden.

Ad 3) Liquide middelen

De totaalstand van de liquide middelen bestaat uit het saldo bij de banken en de contante gelden.

Ad 4) Saldo geldelijk beheer van het Rijk

De post saldo geldelijk beheer van het Rijk bevat de door Financiën overgenomen uitgaven en ontvangsten binnen begrotingsverband van afgesloten begrotingsjaren. De definitieve afsluiting van een begrotingsjaar vindt plaats nadat de Staten-Generaal de Slotwet hebben aangenomen. Nadat de Staten-Generaal de Slotwet hebben aangenomen worden de eindbedragen voor de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op het afgesloten begrotingsjaar overgeboekt op de post saldo geldelijk beheer van het Rijk.

Ad 5 en 16) Openstaande rechten

Onder openstaande rechten wordt verstaan: vorderingen die niet voortvloeien uit met derden te verrekenen begrotingsuitgaven, maar op andere wijze ontstaan. Rechten kunnen ontstaan doordat conform wettelijke regelingen vastgestelde aanslagen aan derden worden opgelegd (bijvoorbeeld belastingen, college- en schoolgelden) of op grond van doorberekening van de kosten van verleende diensten of geleverde goederen. Rechten zijn een voorfase van de ontvangsten.

Ad 6 en 17) Extra-comptabele vorderingen op derden

Extra-comptabele vorderingen zijn vorderingen die zijn voortgevloeid uit uitgaven ten laste van de begroting. Het gaat dan om reeds verrichte uitgaven welke binnen begrotingsverband zijn geboekt en waarvoor op termijn nog een verrekening met derden dan wel met een ander onderdeel van het Rijk zal plaatsvinden. Tevens zijn hierin begrepen uitgaven die in eerste instantie op derdenrekeningen zijn geboekt, maar waarvan de verrekening met derden dan wel een ander onderdeel van het Rijk niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, terwijl verrekening wel mogelijk is.

Inbegrepen in deze post is een vordering van € 222 mln die Defensie heeft op Financiën voor de verkoop van strategische goederen.

Ad 7 en 18) Extra-comptabele schulden op derden

Extra-comptabele schulden zijn schulden die zijn voortgevloeid uit ontvangsten ten gunste van de begroting. Net als bij extra-comptabele vorderingen gaat het om reeds verrichte ontvangsten welke geboekt zijn binnen begrotingsverband en waarvoor nog op termijn een verrekening plaats zal vinden. Ook uitgegeven leningen worden onder de post extra-comptabele schulden opgenomen.

Inbegrepen in deze post is een schuld van € 222 mln die Financiën heeft op Defensie voor de verkoop van strategische goederen.

Ad 8 en 19) Voorschotten

Onder de post voorschotten worden de bedragen opgenomen die aan derden zijn betaald vooruitlopend op een later definitief vast te stellen c.q. af te rekenen bedrag.

Ad 9 en 20) Openstaande verplichtingen

De post openstaande verplichtingen vormt een saldo van aangegane verplichtingen en hierop verrichte betalingen. Het saldo heeft zowel betrekking op de binnen als buiten begrotingsverband geboekte verplichtingen.

Ad 10 en 21) Deelnemingen

Onder de post deelnemingen worden alle deelnemingen in besloten en naamloze vennootschappen en internationale instellingen opgenomen. De waardering van de deelnemingen geschiedt op basis van de oorspronkelijke aankoopprijs. In enkele gevallen geschiedt de waardering tegen de nominale waarde van het aandeel in het gestort en opgevraagd kapitaal.

Ad 11 en 22) Garanties

Onder de post garanties worden de bedragen opgenomen die de hoofdsommen vormen van de garanties. Een afgegeven garantie wordt gezien als een verplichting en moet ook op dezelfde manier in de administratie worden verwerkt. Er is dus geen verschil in de registratie van garantieverplichtingen en andersoortige verplichtingen. Een verschil tussen een garantie en een andere verplichting is wel dat de hoofdsom van een garantie veelal niet of slechts gedeeltelijk tot uitbetaling zal leiden.

Ad 12) Ontvangsten ten gunste van de begroting

Onder de post ontvangsten ten gunste van de begroting worden de gerealiseerde ontvangsten van het betreffende begrotingsjaar opgenomen van alle ministeries en begrotingsfondsen.

Ad 13) Ontvangsten buiten begrotingsverband (intra-comptabele schulden)

Onder ontvangsten buiten begrotingsverband worden de ontvangsten geboekt die in een later jaar met een ander onderdeel van het Rijk dan wel met een derde worden verrekend.

Ad 14) Saldi begrotingsfondsen

Onder saldi begrotingsfondsen worden de voordelige beginsaldi van het betreffende begrotingsjaar opgenomen. Het betreft de voordelige beginsaldi van het Infrastructuurfonds en het Diergezondheidsfonds. Het Spaarfonds AOW is per 1 januari 2012 formeel opgeheven. Het saldo van dit fonds is in het boekjaar 2012 overgeheveld naar de post saldo geldelijk beheer van het Rijk.

Ad 15) Saldi begrotingsreserve

Onder de saldi begrotingsreserve worden de interne reserves van de ministeries opgenomen. Het gaat hier om de volgende reserves:

  • Museaal Aankoopfonds en de risicopremie garantstelling (OCW);

  • Diverse ELI;

  • Garantiefaciliteit Opkomende Markten (Financiën);

  • SENO faciliteit (Financiën);

  • Garantstelling EON (Financiën);

  • Nationale Hypotheekgarantie en Asiel (BZK).

Bijlage 3 Staatsbalans 2012

1.1. Inleiding Staatsbalans

De bijlage Staatsbalans omvat de balans van de Staat der Nederlanden ultimo 2012, die is afgezet tegen de balans ultimo 2011, zoals gepubliceerd in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) 2011.

Met de Staatsbalans kan inzicht worden verkregen in:

  • omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat;

  • de wijzigingen in de vermogensbestanddelen in het afgelopen jaar;

  • de oorzaken van deze wijzigingen.

Als waarderingsstelsel wordt het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen gebruikt (ESR 1995), dat op grond van Europese vereisten ook wordt gebruikt voor de vaststelling van EMU-saldo en EMU-schuld. De staatsbalans beperkt zich tot de bezittingen, vorderingen en schulden van het Rijk.

De staatsbalans is geen instrument waarmee informatie over toekomstige ontwikkelingen van de overheidsfinanciën kan worden gegeven. Hiervoor worden andere documenten beschikbaar gesteld.

In paragraaf 2.6 van het Financieel jaarverslag van het Rijk is in 2012 een overzicht gegeven van de documenten die het meest belangrijk zijn voor het kunnen beoordelen van de overheidsfinanciën. Samengevat is hier het volgende vermeld:

De Staatsbalans in relatie tot andere documenten

In hoofdstuk 2 van het FJR zijn de ontwikkelingen weergegeven in uitgaven en ontvangsten en in het EMU-saldo en de EMU-schuld, die hiervan een resultante zijn. De EMU-schuld geeft de bruto schuld van de overheid weer, maar biedt daarmee geen volledig inzicht in de financiële positie van de overheid; hiervoor moeten ook de bezittingen in ogenschouw worden genomen. De Staatsbalans geeft een overzicht van de omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat en daarmee van de bezittingen én schulden. Meer specifiek is in de Monitor Financiële Interventies, die bij iedere budgettaire nota wordt uitgebracht, informatie opgenomen (waar onder relevante balansposten) die betrekking hebben op de maatregelen, genomen naar aanleiding van de kredietcrisis.

Enkele beperkingen van de Staatsbalans zijn, dat de reikwijdte slechts de rijksoverheid bestaat en dat toekomstige rechten en verplichtingen (bijvoorbeeld belastingopbrengsten, uitgaven voor vergrijzing) niet op de balans zijn opgenomen. De reikwijdte van de Overheidsbalans, die het CBS bij de Nationale Rekeningen uitbrengt, strekt zich uit tot de gehele overheid en geeft dus een vollediger beeld. Zowel de overheids- als de staatsbalans geven een momentopname van het netto-vermogen van de overheid.

Garanties zijn niet opgenomen op de balans, maar worden gepresenteerd in het Garantieoverzicht bij de Miljoenennota en het FJR.

Voor analyses over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ligt de focus op de toekomstige ontwikkeling van overheidsfinanciën. Dat betekent dat een inschatting nodig is van toekomstige uitgaven- en inkomstenstromen, gegeven de huidige budgettaire positie. Dit zijn geen balansgrootheden. Houdbaarheid wordt vervolgens geanalyseerd aan de hand van een houdbaar schuldniveau op lange termijn. Het CPB gebruikt daarbij de methode van generational accounting en brengt eens in de vier jaar een vergrijzingsstudie uit Voor de middellange termijn brengt het CPB Economische Verkenningen uit, met aandacht voor overheidsfinanciën bij ongewijzigd beleid.

Naast de publicatie van de staatsbalans met alle bezittingen en schulden van de overheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jaarlijks de overheidsbalans in de Nationale Rekeningen. De overheidsbalans geet een overzicht van de bezittingen en schulden van de hele overheid. Tot 2014 publiceert het CBS de overheidsbalans op experimentele basis. Nu het CBS besloten heeft om de publicatie van de overheidsbalans jaarlijks te blijven doen, is de noodzaak voor de staatsbalans verdwenen. Om die reden zal de staatsbalans dit jaar voor het laatst gepubliceerd worden.

1.2. Staatsbalans per 31 december 2012

De ontwikkeling van het staatsvermogen

Het staatsvermogen is afgenomen van 1 miljard euro negatief in 2011 tot 24,4 miljard negatief in 2012. In 2012 is de staatschuld verder toegenomen tot 71,2 procent bbp, de ontwikkeling van het staatsvermogen laat ook een afname zien. Ten opzichte van 2011 is het totaal van niet-financiële activa licht gedaald, de totale vorderingen zijn gestegen en de totale schulden zijn sterk toegenomen (ca. 33 miljard euro).

De grootste mutaties betreffen de volgende posten. De winstrechten minerale reserves zijn afgenomen in 2012 met 10,3 miljard euro als gevolg van verkoop voorraad aardgas in 2012 en een veel kleinere herwaardering van het aardgas in 2012. De waarde van de aandelen, securities en overige deelnemingen zijn gestegen als gevolg van volumeveranderingen, mutaties in de reserves en mutaties in het eigen vermogen. Ook de waarde van de staatsobligaties is sterk gestegen (41,2 miljard euro) als gevolg van volumemutaties (32,9 miljard euro) en prijsmutaties (8,3 miljard euro). Voor een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijke balansposten zij verwezen naar hoofdstuk 2 van deze staatsbalans.

Figuur 1. Ontwikkeling Staatsvermogen

Figuur 1. Ontwikkeling Staatsvermogen

In Tabel 1 is de ontwikkeling van het vermogen van de Staat weergegeven, uitgesplitst naar de drie verklarende factoren: de mutatie van het EMU-saldo van het Rijk, de mutatie als gevolg van herwaardering van balansposten en de mutatie in netto financiële transacties.

Tabel 1 Ontwikkeling staatsvermogen

(x € miljard)

 
   

1. Staatsvermogen ultimo 2011

– 1,0

 

2. Mutatie door EMU-saldo Rijk

– 19,0

   

3. Mutatie door herwaarderingen

2,3

   

4. Mutatie door netto financiële transacties en overig

– 6,7

   

5. Staatsvermogen ultimo 2012 (5= 1+2+3+4)

– 24,4

Het EMU-saldo van de overheid in 2012 bedroeg – 4,1 procent van het bbp, circa 24,4 miljard euro negatief. Het rijksdeel van het EMU-saldo liet over 2012 een negatief saldo van 19 miljard euro zien.

Samenstelling van het staatsvermogen

Tabel 2 Overzicht van activa en passiva (x € miljoen)
 

2011

2012

A Niet-financiële activa

219.665

213.570

A1 Winstrechten minerale reserves

133.800

123.500

A2 Overige niet-financiële activa

85.865

90.070

     

B Vorderingen

182.310

198.235

B1 Chartaal geld en deposito's

651

229

B2 Langlopende effecten

10.845

8.286

B3 Financiële derivaten

9.260

13.114

B4 Verstrekte kortlopende leningen

19.682

27.821

B5 Verstrekte langlopende leningen

30.249

32.069

B6 Aandelen en overige deelnemingen

77.218

82.165

B7 Handelskredieten en transitorische posten

34.406

34.552

     

C Schulden

402.963

436.170

C1 Chartaal geld en deposito's

835

1.282

C2 Kort lopende waardepapieren

43.387

32.979

C3 Staatsobligaties

297.088

338.324

C4 Kortlopende leningen

22.811

32.730

C5 Langlopende leningen

19.570

12.428

C6 Handelskredieten en transitorische posten

19.272

18.427

     

D Staatsvermogen (A+B–C)

– 989

– 24.365

De afzonderlijke balansposten worden toegelicht in hoofdstuk 2 van de staatsbalans. Meer in het algemeen springt de toename van de staatsobligaties, de toename van de kortlopende leningen en de afname van de kortlopende waardepapieren en de afname van de winstrechten minerale reserves in het oog. De Garantieregeling voor bancaire leningen van 200 miljard euro is niet geactiveerd op de balans. Garanties hebben het karakter van een contingent liability (voorwaardelijke verplichting) en mogen volgens ESR 1995 regelgeving als zodanig niet geactiveerd worden op de balans. In bijlage 6 van het FJR is een overzicht van alle garantieregelingen opgenomen.

Segmentering van het vermogen

Onder segmentering van het staatsvermogen wordt verstaan in hoeverre het vermogen van de staat als het ware al een specifieke bestemming heeft gekregen in de vorm van positieve saldi van de fondsen van de rijksbegroting, zoals het Infrastructuurfonds, het Waddenfonds en het Diergezondheidsfonds. Positieve saldi van begrotingsfondsen kunnen beschouwd worden als een soort van geoormerkt staatsvermogen. Bij een negatief staatsvermogen, zoals in 2012 het geval is, geeft segmentering inzicht hoeveel negatief het niet-vastliggende staatsvermogen bedraagt. Ultimo 2012 bedroeg het saldo van de begrotingsfondsen 149 miljoen euro positief. Tabel 3 bevat een overzicht van de opbouw van dit saldo. Gegeven het negatief vermogen ultimo 2012 van 24,4 miljard euro, bedraagt het niet-vastliggend staatsvermogen 24,6 miljard euro negatief.

Tabel 3. Saldi van begrotingsfondsen van de rijksbegroting per 31 december 2012 per fonds

(x € miljoen)

 

Naam Begrotingsfonds

Saldo

Infrastructuurfonds

144

BTW-Compensatiefonds

0

Gemeentefonds

0

Provinciefonds

0

Diergezondheidsfonds

5

BES-fonds

0

   

Totaal ultimo 2012

149

De ontvangsten van de begrotingsfondsen met het vermogen nul worden ieder jaar gelijk gesteld aan de uitgaven van deze begrotingsfondsen. Het vastliggen van vermogen in begrotingsfondsen blijkt met een omvang van bijna 0,2 miljard euro beperkt van omvang te zijn.

1.3. Opstelling Staatsbalans volgens ESR 1995

De Staatsbalans wordt opgesteld volgens het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 1995). Aangezien de Staatsbalans is gebaseerd op het ESR 1995 kunnen de waarderings- en afbakeningsvraagstukken worden opgelost volgens een internationaal aanvaarde methodologie. De consolidatiekring is beperkt tot de Staat der Nederlanden. De omschrijving van de overheid is in het ESR 1995 ruimer dan de rechtspersoon van de Staat der Nederlanden; ofwel de gemeenten, provincies en overige decentrale overheden blijven in de staatsbalans buiten beschouwing. In het ESR 1995 is een economische invalshoek gekozen.

Wat betreft de waarderingsgrondslag is in het ESR 1995 gekozen voor een waardering op basis van de marktwaarde in plaats van een waardering op basis van de nominale of historische waarde en voor lineaire afschrijvingen. Waar geen marktwaarde voorhanden is, wordt deze geraamd. In voorkomende gevallen wordt dit toegelicht bij de betreffende balanspost.

Consolidatiekring

De financiële gegevens van de Centrale administratie van 's Rijks schatkist (CAR) en van de ministeries, de begrotingsfondsen en de baten-lastendiensten zijn integraal geconsolideerd. De interne schuldverhoudingen zijn in de consolidatie geëlimineerd.

Toelichtingen in internetbijlage

In de gedrukte versie van het FJR is van de bijlage Staatsbalans uitsluitend het algemene deel opgenomen (paragrafen 1.1 tot en met 1.3). Het volledige document, inclusief de toelichting op de afzonderlijke balansposten, is opgenomen als internetbijlage 6 bij het FJR.

Bijlage 4 De belasting- en premieontvangsten in 2012

De belasting- en premieontvangsten in 2012
 

Ontwerpbegroting MN 2012

Realisatie FJR 2012

Verschil

Kostprijsverhogende belastingen op kasbasis

70.901

67.953

– 2.948

Invoerrechten

2.427

2.262

– 165

Omzetbelasting

42.301

42.071

– 230

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.068

1.495

– 573

Accijnzen

11.517

11.176

– 341

– Accijns van lichte olie

4.174

3.983

– 191

– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.834

3.687

– 147

– Tabaksaccijns

2.574

2.502

– 72

– Alcoholaccijns

285

319

34

– Bieraccijns

377

382

5

– Wijnaccijns

273

302

29

Belastingen van rechtsverkeer

3.693

2.243

– 1.450

– Overdrachtsbelasting

2.553

1.124

– 1.429

– Assurantiebelasting

1.141

1.119

– 22

Motorrijtuigenbelasting

3.599

3.592

– 8

Belastingen op een milieugrondslag

4.394

4.013

– 381

– Grondwaterbelasting

0

0

0

– Afvalstoffenbelasting

0

0

0

– Energiebelasting

4.271

3.880

– 391

– Waterbelasting

126

129

2

– Brandstoffenheffingen

1

1

0

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en andere producten

155

157

1

Belasting op zware motorrijtuigen

149

131

– 18

Verpakkingenbelasting

302

278

– 25

Bankenbelasting

300

536

236

       

Belastingen op inkomen, winst en vermogen op kasbasis

68.638

59.781

– 8.857

Inkomstenbelasting kas

– 185

– 902

– 717

Loonbelasting kas

48.279

44.491

– 3.788

Dividendbelasting

2.536

2.481

– 55

Kansspelbelasting

474

474

– 1

Vennootschapsbelasting

15.868

11.854

– 4.014

Vermogensbelasting

23

2

– 22

Successierechten

1.643

1.382

– 261

       

Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten

100

126

26

       

Belastingen op kasbasis

139.640

127.861

– 11.779

KTV Belastingen (aansluiting naar EMU-basis)

583

– 278

– 861

       

Premies volksverzekeringen op kasbasis

39.192

40.333

1.141

KTV premies vvz (aansluiting naar EMU-basis)

183

– 58

– 241

       

Premies werknemersverzekeringen (op EMU-basis)

52.313

52.669

355

       

Totaal belastingen en premies op EMU-basis

231.911

220.526

– 11.385

Bijlage 5 Monitor Financiële Interventies

Tabel 1a: Budgettair overzicht interventies kredietcrisis (in mln. €)

Stand per: FJR 2012

2008 2010

2011

2012

Verwijzing

         

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

       
 

1. ABN AMRO Group – ASR Verzekeringen – RFS Holdings (incl. Z-share en residual N-share)

27.971

27.971

27.955

Saldibalans

 

2. Overbruggingskrediet (voormalig) Fortis

4.575

3.750

3.750

Saldibalans

 

3. Aflossingen overbruggingskredieten Fortis

 

– 825

0

IX-A, artikel 1

 

4. Renteontvangsten overbruggingskredieten Fortis

– 1.374

– 169

– 152

IX-A, artikel 1

 

5. Dividend ABN Amro Group

0

– 200

– 50

IX-B, artikel 3

 

6. Dividend ASR Verzekeringen

0

0

– 71

IX-B, artikel 3

 

7. Dividend RFS Holdings

– 6

– 16

0

IX-B, artikel 3

           
 

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

       
 

8. Garantieverlening (geëffectueerd)

32.611

IX-B, artikel 3

 

9. Afname voorwaardelijke verplichting

– 32.611

IX-B, artikel 3

 

10. Premieontvangsten Capital Relief Instrument

– 193

0

0

IX-B, artikel 3

           
 

Counter Indemnity ABN-AMRO (garantie)

       
 

11. Garantieverlening (geëffectueerd)

950

IX-B, artikel 3

 

12. Premieontvangsten counter indemnity

– 26

– 26

– 26

IX-B, artikel 3

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (3 t/m 7+10+12)

30.844

– 1.236

– 299

 
           

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

       
 

13. Verstrekt kapitaal ING

10.000

   

IX-B, artikel 3

 

14. Verstrekt kapitaal Aegon

3.000

   

IX-B, artikel 3

 

15. Verstrekt kapitaal SNS Reaal

750

   

IX-B, artikel 3

 

16. Aflossing ING

– 5.000

– 2.000

– 750

IX-B, artikel 3

 

17. Aflossing Aegon

– 1.500

– 1.500

 

IX-B, artikel 3

 

18. Aflossing SNS Reaal

– 185

   

IX-B, artikel 3

 

19. Afboeking securities SNS Reaal

   

– 565

Saldibalans

 

20. Couponrente ING

– 684

 

– 34

IX-B, artikel 3

 

21. Couponrente Aegon

– 177

   

IX-B, artikel 3

 

22. Couponrente SNS Reaal

– 39

   

IX-B, artikel 3

 

23. Repurchase fee ING

– 347

– 1.000

– 341

IX-B, artikel 3

 

24. Repurchase fee Aegon

– 160

– 750

 

IX-B, artikel 3

 

25. Repurchase fee SNS Reaal

0

   

IX-B, artikel 3

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (13 t/m 18 + 20 t/m 25)

5.659

– 5.250

– 1.125

 
           

C. Back-up faciliteit ING

 

1,29

1,32

EUR/USD

 

26. Funding fee (rente + aflossing)

8.248

3.242

2.644

IX-B, artikel 3

 

27. Management fee

106

39

33

IX-B, artikel 3

 

28. Portefeuille ontvangsten (rente + aflossing)

– 7.877

– 3.012

– 2.434

IX-B, artikel 3

 

29. Garantiefee

– 232

– 85

– 73

IX-B, artikel 3

 

30. Additionele garantiefee

– 154

– 128

– 110

IX-B, artikel 3

 

31. Additionele fee

– 91

– 55

– 46

IX-B, artikel 3

 

32. Verhandelbaarheidsfee

– 15

IX-B, artikel 3

 

33. Saldo Back-up faciliteit

0

0

0

IX-B, artikel 3

 

34. Meerjarenverplichting aan ING

13.084

10.264

7.655

Saldibalans

 

35. Alt-A portefeuille

16.376

13.934

11.140

Saldibalans

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (33)

0

0

0

 
           

D. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

       
 

36. Garantieverlening (geëffectueerd)

50.275

   

IX-B, artikel 2

 

37. Afname voorwaardelijke verplichting

– 11.277

– 5.823

– 15.933

IX-B, artikel 2

 

38. Stand openstaande garanties (cumulatief 36–37)

38.998

33.175

17.242

IX-B, artikel 2

 

39. Premieontvangsten garanties bancaire leningen (gesaldeerd)

– 523

– 361

– 230

IX-B, artikel 2

 

40. Schade-uitkeringen

0

0

0

IX-B, artikel 2

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (39+40)

– 523

– 361

– 230

 
           

E. IJsland

       
 

41. Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave

1.428

   

IX-B, artikel 2

 

42. Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB

7

   

IX-B, artikel 2

 

43. Vordering op IJsland

1.329

919

649

Saldibalans

 

Tussenrekening «recovery oude topping up»

 

33

21

Saldibalans

 

44. Opbouw rente op vordering

51

42

27

Saldibalans

 

Totale vordering (cumulatief)

1.380

1.012

770

Saldibalans

 

45. Ontvangsten lening IJsland (i.) aflossing

0

– 443

– 291

IX-B, artikel 2

 

46. Ontvangsten lening IJsland (ii.) rente

0

0

0

IX-B, artikel 2

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (41+42+45+46)

1.435

– 443

– 291

 
           
 

∆ Staatsschuldeffect (excl. rentelasten)

37.414

– 7.290

– 1.945

 
 

Staatsschuldeffect cumulatief (excl. rentelasten

37.414

30.124

28.180

 
 

Berekende rente over gemiddelde staatsschuld

3.960

1.213

1.040

 

Door afronding op gehele getallen kan de som der delen afwijken van het totaal. Een toelichting op de mutaties is terug te vinden in het departementaal jaarverslag, begrotingshoofdstuk IXA en IXB.

Per maatregel wordt het partieel staatsschuldeffect weergegeven. De samenstelling van het partieel staatsschuldeffect wordt voor 2012 weergegeven via de nummering van relevante posten (tussen haakjes).

Tabel 1b: Budgettair overzicht interventies Europa (in mln. €)

Stand per: FJR 2012

2008 2010

2011

2012

Verwijzing

           

F. Griekenland

       
 

47. Lening Griekenland

1.248

1.946

5

IX-B, artikel 4

 

48. Vordering op Griekenland

1.248

3.194

3.199

Saldibalans

 

49. Ontvangsten lening Griekenland

(i.) aflossing

0

0

0

IX-B, artikel 4

 

50. Ontvangsten lening Griekenland

(ii.) premie incl. servicefee

– 30

– 115

– 41

IX-B, artikel 4

 

51. Rentevergoeding Griekenland

   

13

IX-B, artikel 4

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (47+49+50+51)

1.218

1.831

– 23

 
           

G. Europese instrumenten

       
 

52. Garantieverlening NL-aandeel EU-begroting

2.946

– 120

6

IX-B, artikel 4

 

53. Garantieverlening NL-aandeel EFSF

25.872

71.910

 

IX-B, artikel 4

 

54. Garantieverlening NL-aandeel ESM

   

35.445

IX-B, artikel 4

 

55. Garantieverlening aan DNB

 

13.610

 

IX-B, artikel 4

 

56. Stand garanties (cumulatief 52 t/m 55)

28.818

114.218

149.669

IX-B, artikel 4

 

57. Stortingen EFSF

1

1

IX-B, artikel 4

 

58. Stortingen ESM

   

1.829

IX-B, artikel 4

           
 

∆ Staatsschuldeffect 2012 (57+58)

1

1

1.829

 
           
 

       
 

∆ Staatsschuldeffect (excl. rentelasten)

1.219

1.832

1.806

 
 

Staatsschuldeffect cumulatief (excl. rentelasten)

1.219

3.052

4.858

 
 

Berekende rente over gemiddelde staatsschuld

19

67

120

 

Door afronding op gehele getallen kan de som der delen afwijken van het totaal. Een toelichting op de mutaties is terug te vinden in het departementaal jaarverslag, begrotingshoofdstuk IXB.

Per maatregel wordt het partieel staatsschuldeffect weergegeven. De samenstelling van het partieel staatsschuldeffect wordt voor 2012 weergegeven via de nummering van relevante posten (tussen haakjes).

Tabel 2: balans interventies kredietcrisis en Europa (in mln. €)

Omschrijving:

2011

2012

Omschrijving:

2011

2012

A. Verwerving ABN AMRO, ASR, RFS

   

Financiering staatsschuld (excl. rentelasten)

33.176

– 138

33.038

ABN AMRO Group N.V. – ASR Nederland N.V. – RFS Holdings B.V. (incl. Z-share en residual N-share)

27.971

– 16

27.955

Financiering uit resultaat (tabel 3)

915

– 746

169

               
       

Uitvoeringskosten

41

1

42

               

Overbruggingskrediet Fortis

3.750

 

3.750

Toerekenbare rentelasten cumulatief

5.259

1.160

6.419

               

B. Kapitaalverstrekkings faciliteit (€ 20 mld.)

   

C. Back-up faciliteit ING

   

Uitstaand kapitaal ING

3.000

– 750

2.250

Meerjarenverplichting aan ING

10.264

– 2.609

7.655

               

Uitstaand kapitaal SNS Reaal

565

– 565

0

Voorziening, incl. onverdeeld resultaat en transitorische posten

3.670

– 185

3.485

               

C. Back-up faciliteit ING

           

Alt-A portefeuille

13.934

– 2.794

11.140

       
               

F. Europa

           

Deelneming EFSF/ESM

2

1.829

1.831

       
               

E1. IJsland

           

Oorspronkelijike vordering op IJsland

1.329

1.329

       

Opgebouwde rente op vordering

93

27

120

       

Ontvangsten lening IJsland

– 443

– 291

– 734

       

Recovery topping up

33

21

54

       

Totale vordering op IJsland

1.012

– 242

770

       
               

E2. Griekenland

   

Technische correcties

   

Vordering op Griekenland

3.194

5

3.199

Aansluiting incl. afronding

103

– 16

87

               
               

Totaal uitstaande activa:

53.428

– 2.533

50.895

Totaal uitstaande passiva:

53.428

– 2.533

50.895

Door afronding op gehele getallen kan de som der delen afwijken van het totaal. Een toelichting op de mutaties is terug te vinden in het departementaal jaarverslag, begrotingshoofdstuk IXA en IXB.

Tabel 3: toerekenbare kosten en opbrengsten interventies kredietcrisis en Europa (in mln. €)

(toerekenbare) Kosten

(toerekenbare) Opbrengsten

   

Omschrijving:

2008 2011

2012

Omschrijving:

2008 2011

2012

           

Toerekenbare rentelasten

5.259

1.160

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

w.v. 1a. kredietcrisis

5.173

1.040

Renteontvangsten Fortis

1.543

152

w.v. 1b. eurocrisis

86

120

Dividend RFS

22

 
     

Premieontvangsten Capital Relief Instrument

193

E. IJsland

   

Premieontvangsten counter indemnity

52

26

Kosten i.v.m. topping up

73

– 21

Dividend ABN Amro Group N.V./ASR Nederland N.V.

200

121

           

F. Griekenland

         

Rentevergoeding Griekenland

 

13

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

   
     

Ontvangen couponrente

900

34

Overige

   

Ontvangen repurchase fees

2.257

341

           

Uitvoeringskosten

41

1

C. Back-up faciliteit ING

   
     

Resultaat IABF

(na vorming voorziening)

0

0

           

B. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld)

 

D. Garantiefaciliteit bancaire leningen

 

Afboeking SNS Reaal securities

 

565

Premieontvangsten garanties bancaire leningen (saldo)

884

230

           
     

E. IJsland

   
     

Opbouw rente op vordering

93

27

           
     

F. Griekenland

   
     

Ontvangsten lening Griekenland (premie & servicefee)

145

41

           
           

Totale kosten:

5.373

1.718

Totale opbrengsten:

6.289

972

           

Resultaat: 1

915

– 746

     

Door afronding op gehele getallen kan de som der delen afwijken van het totaal. Een toelichting op de mutaties is terug te vinden in het departementaal jaarverslag, begrotingshoofdstuk IXA en IXB.

1

Het resultaat over 2012 is inclusief de recente afboeking van de core-tier-1 securities van SNS Reaal N.V. ter waarde van EUR 565 mln., welke plaatsvond in het kader van de nationalisatie. In het departementaal jaarverslag (IXB) wordt deze afboeking – uit hoofde van inzicht – alvast verantwoord in 2012, ofschoon de feitelijke handeling pas in 2013 plaatsvond en ook voor dat jaar saldorelevant is.

Tabel 4: openstaande garanties vanwege interventies kredietcrisis en Europa (in mln. €)

Omschrijving:

2011

2012

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

     

Counter indemnity

950

950

       

D. Garantiefaciliteit bancaire leningen

     

Uistaand onder het garantieloket

33.175

– 15.933

17.242

       

G. Europa

     

Garantie EU-begroting

2.826

6

2.832

Garantie EFSF

97.782

97.782

w.v. benut voor Ierland (schuldrelevant)

498

– 229

269

w.v. benut voor Portugal (schuldrelevant)

495

197

692

w.v. benut voor Griekenland (schuldrelevant)

0

6.624

6.624

Totaal benut:

993

6.592

7.585

       

Garantie ESM

35.445

35.445

Garantie aan DNB

13.610

13.610

Saldo openstaande garanties:

148.343

19.518

167.861

Door afronding op gehele getallen kan de som der delen afwijken van het totaal. Een toelichting op de mutaties is terug te vinden in het departementaal jaarverslag, begrotingshoofdstuk IXB.

Bijlage 6 Garantieoverzicht van het Rijk 2012

Garanties

Een garantie wordt omschreven als een voorwaardelijke financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden doorgaans als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Tabel 6.1 bevat de garantieregelingen van het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico groter dan 100 miljoen euro zijn uitgesplitst weergegeven, en alle regelingen met een uitstaand risico kleiner dan 100 miljoen euro zijn samengevat in de posten «overig». Het overzicht bevat alle garanties met stand ultimo 2012. Ontwikkelingen daarna zijn nog niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het garantieoverzicht bij de Miljoenennota 2014.

Er zijn verschillende soorten garanties:

  • Kredietgarantie: garantie op rente- en aflossingsverplichtingen (risico gemaximeerd voor totaalbedrag);

  • Garantie voor deelnemingen: garantie op vol- of bijstorten aandelenkapitaal (risico gemaximeerd voor totaalbedrag);

  • (Her-)verzekering: garantie op moeilijk/niet te verzekeren risico’s (risico gemaximeerd per gebeurtenis);

  • Overig, exploitatiegarantie: garantie op minimum van exploitatieniveau (risico gemaximeerd per jaar);

  • Overig, liquiditeitsgarantie: garantie op minimum van liquiditeitsniveau (risico gemaximeerd voor totaalbedrag).

Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, dus een plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan risico worden verleend) of een totaalplafond (er mag nooit meer risico verleend worden dan het plafond). In tabel 6.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Het bedrag dat daadwerkelijk als risico is verleend, heet in de tabel geëffectueerd risico. Onder het geëffectueerde risico vallen ook de garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. Bij internationale garanties is gekozen het garantieplafond gelijk te stellen aan het geëffectueerde risico, ook al is de ruimte onder het plafond niet volledig benut. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM, ESM) en de garanties van een aantal internationale financiële instellingen. Bij het EFSF is tot nu toe minder dan de helft van het plafond belegd, bij het ESM nog niets.

In tabel 6.2 komen de bijbehorende uitgaven en ontvangsten aan de orde. De in de tabel getoonde uitgaven betreffen de schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies of provisies en dergelijke, als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen wordt het Rijk ook indirect blootgesteld aan risico’s uit achterborgstellingen. In dit geval wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk, maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk zal pas worden aangesproken wanneer de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden dergelijke achterborgstellingen niet als verplichting opgenomen (zolang er geen schade ontstaat vanuit de achterborgstelling). De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 6.3. Bij de kwantificering van de achterborgstellingen wordt aangesloten bij de cijfers uit goedgekeurde jaarverslagen van de betreffende tussenpersoon.

Voor precieze details over garantieregelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar de begrotingen en jaarverslagen van de betreffende vakdepartementen (in de tabellen is aangegeven op welke begroting en op welk begrotingsartikel de verschillende regelingen zijn opgenomen).

Tot slot wordt gemeld dat het risico uit de achterborgstellingen (uit tabel 6.3) niet één op één te vergelijken is met het risico uit de garantieregelingen (uit tabel 6.1). Bij achterborgstellingen wordt deze soms gedeeld met gemeenten (bij WEW voor verplichtingen die zijn aangegaan tot en met eind 2010, en het WSW voor de gehele positie). Daarbij bezitten de fondsen een bufferkapitaal waarmee de eerste schade gedekt wordt alvorens de achterborg wordt aangesproken (zie kolom bufferkapitaal). Bij WSW is een extra verschil dat het Rijk (pas) aangesproken wordt nadat de bestaande obligo’s op de woningcorporaties zijn opgevraagd. Daarbij kan het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV) sanerings- en projectsteun verlenen om een aanspraak op het WSW te voorkomen.

Tabel 6.1 Door het Rijk verleende garanties (in miljoenen euro)

b

a

omschrijving

Geëffectueerd risico 2011

Verleende garanties 2012

Vervallen garanties 2012

Geëffectueerd risico 2012

Garantieplafond 2012

Totaal plafond

                 

Garantie op kredieten

V

24

Garanties IS-NIO

295,9

 

39,5

256,4

 

256,4

VI

23

Veiligheidsregio's en Politie

1.861,9

 

47,0

1.814,9

 

1.814,9

VIII

14

Achterborgovereenkomst NRF

177,2

32,5

10,2

199,5

 

680,0

IXB

2

Garantie interbancaire leningen

33.174,8

 

15.932,5

17.242,3

 

17.242,3

IXB

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten

2.355,0

5,0

 

2.360,0

 

2.360,0

IXB

4

EFSM

2.826,0

6,0

 

2.832,0

 

2.832,0

IXB

4

EFSF

97.782,2

   

97.782,2

 

97.782,2

IXB

4

ESM

 

35.445,4

 

35.445,4

 

35.445,4

XIII

13

GO

835,3

179,3

173,4

841,1

377,7

 

XIII

13

BMKB

2.567,8

485,6

603,9

2.449,4

706,3

 

XIII

13

Scheepsnieuwbouw garantieregeling

       

1.000,0

 

XIII

13

Groeifinancieringsfaciliteit

68,4

14,5

12,2

70,7

170,0

 

XIII

16

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

468,1

43,4

72,5

439,0

130,0

 

XIII

18

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

463,6

 

14,6

449,1

 

449,1

XVI

42

Inrichtingen voor de gezondheidszorg

631,8

 

61,2

570,6

 

570,6

XVI

42

Voorzieningen voor gehandicapten

185,3

 

16,1

169,2

 

169,2

   

overig

297,9

135,8

154,5

279,2

123,7

337,1

 
   

Totaal

143.991,2

36.347,3

17.137,6

163.201,0

2.507,6

159.939,2

                 

Garantie op deelnemingen

           

V

24

Garanties IS-Raad van Europa

119,3

57,4

 

176,7

 

176,7

V

24

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

1.735,2

216,7

 

1.951,8

 

1.951,8

IXB

3

Garantie en vrijwaring inzake verkoop van deelnemingen

981,4

 

13,0

968,4

 

986,4

IXB

4

Wereldbank

3.105,4

120,1

 

3.225,6

 

3.225,6

IXB

4

EBRD

589,1

   

589,1

 

589,1

IXB

4

DNB – deelneming in kapitaal IMF

47.311,0

 

825,8

46.485,2

 

46.485,2

IXB

4

EIB

9.895,5

   

9.895,5

 

9.895,5

   

overig

27,5

 

2,1

25,4

 

25,4

 
   

Totaal

63.764,6

394,2

840,9

63.317,9

 

63.335,9

                 

Garantie op moeilijk/niet te verzekeren risico's

           

VIII

14

Indemniteitsregeling

295,0

575,0

576,0

294,0

 

300,0

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

14.023,0

   

14.023,0

 

14.023,0

IXB

3

Deelneming ABN AMRO

950,0

   

950,0

 

950,0

IXB

5

Exportkredietverzekering

14.538,7

12.644,5

9.759,3

17.423,8

10.000,0

 

IXB

5

Regeling Investeringen

194,0

13,8

34,3

173,6

453,8

 
   

overig

124,0

11,1

2,0

133,1

196,8

101,0

 
   

Totaal

30.124,7

13.244,4

10.371,6

32.997,5

10.650,6

15.374,0

                 

Overige garanties (o.a. liquiditeits- of exploitatiegarantie)

VIII

7

Bouwleningen academische ziekenhuizen

281,3

 

14,0

267,3

 

267,3

   

overig

38,5

0,2

2,3

36,4

0,4

36,2

     

       
   

Totaal

319,9

0,2

16,3

303,8

0,4

303,5

                 
   

Totaal generaal

238.200,3

49.986,2

28.366,3

259.820,2

13.158,6

238.952,6

                 
   

Totaal generaal (% bbp)

39,6%

8,3%

4,7%

43,3%

2,2%

39,8%

Tabel 9.2 Uitgaven en ontvangsten op door het Rijk verleende garanties (x 1.000 euro)

Hoofdstuk

Departement

Uitgaven 2011

Ontvangsten 2011

Uitgaven 2012

Ontvangsten 2012

IV

Koninkrijksrelaties

       

V

Buitenlandse Zaken

1.782

 

1.504

502

VI

Veiligheid en Justitie

773

 

719

 

VII

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

       

VIII

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

       

IXB

Financiën

28.283

540.305

74.405

405.156

XII

Infrastructuur en Milieu

       

XIII

Economische Zaken

89.567

48.624

123.158

40.772

XV

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

387

100

1.005

4

XVI

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

       

A

Infrastructuurfonds

       
 
 

Totaal generaal

120.792

589.029

200.791

446.434

Tabel 6.3 Achterborgstellingen van het Rijk (in miljoenen euro)

Hoofdstuk

Artikel

Omschrijving

Geborgd vermogen 2011

Geborgd vermogen 2012

Bufferkapitaal 2012

XVI

42

Achterborgstelling Stichting Waarborgfonds Zorg

8.671,7

8.915,2

512,7

VII

3

Achterborgstelling WEW (NHG)

136.206,8

149.000,01

782,01

VII

3

Achterborgstelling WSW

86.314,1

88.000,01

526,01

           
   

Totaal Achterborgstellingen

231.192,6

245.915,21

1.820,71

1

Bij het te perse gaan van het FJR 2012 waren de jaarverslagen van het WEW en WSW niet beschikbaar. In deze tabel zijn daarom de voorlopige realisaties opgenomen.

Bijlage 7 Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota

De tweede suppletoire wetten zijn in principe de laatste mogelijkheid om voor het lopende begrotingsjaar nog mutaties goedgekeurd te krijgen voor de Tweede Kamer, Wanneer ministers na de Najaarsnota nog beleidsmatige uitgaven willen doen, dan dienen zij dit per brief aan de Tweede Kamer voor te leggen. Op deze wijze wordt recht gedaan aan het budgetrecht van de Tweede Kamer.

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste beleidsmatige mutaties na Najaarsnota opgenomen. Naar aanleiding van het debat over de Najaarsnota 2012 en de Startnota is de ondergrens ten opzichte van vorig jaar verlaagd naar 2 mln. De Tweede Kamer heeft derhalve meer inzicht in de belangrijkste beleidsmatige mutaties die zich na Najaarsnota hebben voortgedaan. Waar de mutaties per brief aan de Tweede Kamer zijn voorgelegd, is de verwijzing naar het betreffende Kamerstuknummer opgenomen. Ten opzichte van vorig jaar is het aantal en de hoogte van de mutaties zonder brief afgenomen.

Begrotingshoofdstuk

Artikelnummer

Omschrijving

Bedrag (in mln.)

Kamerstuk

IV. Koninkrijksrelaties

2.2

Zeekabel

2,9

V. Buitenlandse Zaken

1.2

Bescherming van de rechten van de mens

3,0

33 401 nr. 4

 

2.6

Effectieve humanitaire hulp

9,5

33 401 nr. 4

 

5.3

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

3,0

33 401 nr. 4

VIII. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

14.1

Frictiekosten cultuur

5,7

 

15.1

Frictiekosten Wereldomroep

3,0

33 401 nr. 4

C. Provinciefonds

1.4

Natuur

308,4

33 400B nr. 8

Zeekabel

Het betreft hier de tranche 2013 van werkzaamheden aan de zeekabel, die al in 2012 is betaald en daarom tot extra uitgaven heeft geleid. De zeekabel moet leiden tot betere internetvoorzieningen op Saba en Sint Eustatius. De werkzaamheden aan de zeekabel worden uitgevoerd door de Rijksdienst Caribisch Nederland.

Bescherming van de rechten van de mens

Uit dit artikel wordt 3 mln. overgeheveld naar het ministerie van OCW ten behoeve van de tegemoetkoming in de frictiekosten reorganisatie Radio Nederland Wereldomroep. Dekking vindt plaats uit artikel 2.5 (veiligheid, goed bestuur en rechtsorde).

Effectieve humanitaire hulp

Op dit artikel wordt 9,5 mln. meer uitgegeven vanwege bijdragen aan noodhulp in Mali (via UNHCR), Niger (via het World Food Programme), Oost-Congo (via UNHCR) en Haïti (vanwege de orkaan Sandy, via het Nederlandse Rode Kruis).

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

Dit artikel wordt verhoogd met 3 mln. vanwege een extra Algemene Vrijwillige Bijdrage aan UNWOMEN van 2 mln. en een bijdrage van 1 mln. aan het VN Trust Fund in Support of Actions to Eliminate Violence Against Women.

Frictiekosten cultuur

In het kader van de nieuwe basisinfrastructuur 2013–2016 zijn veel subsidierelaties beëindigd of verlaagd. Deze mutaties betreffen vervroegde betalingen van frictiekosten voor culturele instellingen die per 1-1-2013 ophielden te bestaan of inkrimpen en derhalve nu al bezig zijn met het geheel of gedeeltelijk ontmantelen van hun organisatie. Deze mutaties zijn het gevolg van besprekingen tussen OCW en de culturele instellingen.

Frictiekosten Wereldomroep

Dit betreft een bijdrage van het ministerie van OCW ten behoeve van de tegemoetkoming in de frictiekosten reorganisatie Radio Nederland Wereldomroep.

Natuur

Op 20 september 2011 hebben Rijk en Interprovinciaal Overleg het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur gesloten. Op grond hiervan wordt de verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid en het landelijk gebied, met inachtneming van de afspraken uit het akkoord, overgedragen van Rijk aan provincies. Op 23 november 2012 hebben het Rijk en de afzonderlijke provincies de afrondingsovereenkomst Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) ondertekend. Hiermee zijn de twaalf afzonderlijke ILG-bestuursovereenkomsten komen te vervallen en zijn de inzet en de beschikbare middelen voor het resterende oorspronkelijke ILG-tijdvak tot en met 2013 vastgesteld.

Bijlage 8 Beleidsdoorlichtingen

Voor 2012 geplande beleidsdoorlichtingen, met stand van zaken per 31 maart 2013

Begroting

Artikel

Titel/Onderwerp

Afgerond

Afronding in 2013

Niet gestart

Onderdeel van IBO

Vindplaats

Buitenlandse Zaken

2

De Nederlandse inzet t.b.v. een effectiever en meer politiek functioneren van de NAVO (artikel 2.1)

x

     

28 676, nr 169

 

2

Energievoorzienings-zekerheid (artikel 2.4)

x

     

31 271, nr 7

 

3

OS-beleid van de Unie 1 (artikel 3.2)

 

x

     
 

3

Versterking Europese samenwerking en Nederlandse positie 2

 

x

     
 

4

Begrotingssteun (artikel 4.2)

x

     

31 271, nr 6

 

4

Private sector ontwikkeling 3

 

x

     
 

5

Duurzame toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen (artikel 6.2)

x

     

31 271, nr 5

Koninkrijksrelaties

1

Waarborgfunctie

x

     

33 189, nr 1

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1

Bestuurlijke en financiële verhoudingen: Bestuurskrachtige gemeenten en provincies, die op basis van goede, interbestuurlijke, financiële en informatieverhoudingen, hun taken zo goed mogelijk kunnen uitvoeren (artikel 1.1)

 

x

   

30 985, nr 7

 

4

Energie en bouwkwaliteit (artikel 4.1) 4

   

x

   
 

5

Integratie en maatschappelijke samenhang 5

   

x

   
 

6

Burgerschap (artikel 6.4)

x

       
 

7

Overheid als werkgever (artikel 7.1)

 

x

     

Defensie

4

Strategische luchttransport capaciteit

x

     

31 516, nr 2

 

5

Mensenhandel/mensensmokkel

x

     

31 516, nr 3

 

6

Actieplan werving en behoud

x

     

31 516, nr 4

Economische Zaken

 

7

         

Financiën

3

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de staat

     

x

 
 

7

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa (roerende zaken) van/voor het Rijk

 

x

     

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

9

Actieplan leerkrachten

x

     

31 511, nr 10

 

16

Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel

 

x

     

Infrastructuur en Milieu 8

14

Leefomgeving Hoofdwegen en Spoorwegen

x

     

32 861, nr 3

 

16

Spoor 9

   

x

   
 

18

Zeehavens

x

     

32 861, nr 2

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

44

Verantwoordelijk werken

x

     

25 883, nr 209

 

45

Pensioenbeleid

 

x

     
 

49

Algemene Nabestaandenwet 10

x

     

30 982, nr 9

Veiligheid en Justitie

13

Preventieve maatregelen (artikel 13.1)

 

x

     
 

14

Interlandelijke adoptie en internationale kinderontvoering (artikel 14.1) 10

x

     

33 199, nr 1

 

23

Nationale politie (voorheen veiligheidsregio’s) (artikel 23.1 tm 23.4)

 

x

     
 

25

Veiligheid (ICT) (artikel 25.2)

 

x

     
 

25

Veiligheid en bestuur (artikel 25.1)

 

x

     

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

41

De vermijdbare ziektelast neemt af door een goede bescherming tegen infectieziekten en chronische ziekten (Screeningbeleid) (artikel 41.3)

 

x

     
 

41

Het bevorderen van ethisch verantwoord handelen in de gezondheidszorg en bij het medisch wetenschappelijk onderzoek11 (artikel 41.4)

   

x

   
 

42

Zorgaanbieders worden gestimuleerd het door de burger gewenste zorgaanbod te realiseren (artikel 42.2)

     

x

33 278, nr 1

 

43

De zorg is effectief en veilig en wordt door de cliënt positief ervaren (artikel 43.3)

 

x

     

Toelichting:

Het betreft geplande beleidsdoorlichtingen volgens de begroting 2012, tenzij anders aangegeven. Afgeronde beleidsdoorlichtingen zijn in 2012 of begin 2013 (peildatum 31 maart 2013) naar de Tweede Kamer gestuurd. Een enkele beleidsdoorlichting is onderdeel geworden van een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO).

1

De beleidsdoorlichting is in maart 2013 afgerond en wordt nog aan de Tweede Kamer verstuurd.

2

In de begroting 2013 is aangekondigd dat deze beleidsdoorlichting in 2013 wordt afgerond.

3

Zie noot 2.

4

In verband met het nieuw bouwbesluit start deze beleidsdoorlichting in 2014.

5

Bij de start van het nieuwe kabinet is de verantwoordelijkheid voor het dossier overgegaan naar het ministerie van SZW.

6

Dit betreft een defensiebrede/beleidsartikelbrede beleidsdoorlichting.

7

Geen geplande beleidsdoorlichtingen voor 2012. In de begroting 2012 is een meerjarige planning vanaf 2013 opgenomen, waarin alle artikelen aan bod komen.

8

In de begroting 2012 heeft IenM elf beleidsdoorlichtingen opgenomen, in de loop van 2012 is de planning aangepast omdat dit niet goed werkbaar bleek. Daarom is de begroting 2013 als uitgangspunt genomen in plaats van de begroting 2012.

9

De kabinetsreactie op het parlementair onderzoek onderhoud en innovatie spoor, 32 707, nr 16, was in de begroting 2013 ten onrechte een beleidsdoorlichting genoemd.

10

Extra beleidsdoorlichting ten opzichte van de planning in begroting 2012.

11

De beleidsdoorlichting is niet gestart. In plaats van de beleidsdoorlichting zijn twee losse evaluaties gepubliceerd in 2012: ZonMw, 2012, Tweede Evaluatie van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen en ZonMw, 2012,Evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Zie 29 963, nr 5 en 31 086, nr 6.

Bijlage 9 Normeringssystematiek gemeente- en provinciefonds

Berekening accres

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het gemeente- en provinciefonds. De jaarlijkse ontwikkeling van de omvang van het gemeente- en provinciefonds wordt sinds 1995 bepaald door de normeringssystematiek, waarbij de fondsen gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van de uitgaven van het Rijk, de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben direct invloed op de omvang van de fondsen («samen de trap op, samen de trap af»). De jaarlijkse toe- en afname van het gemeente- en provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de rijksuitgaven, wordt het accres genoemd.

Tabellen 9.1–9.3 geven weer hoe de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven uiteindelijk resulteert in het accres. Bij de bepaling van de omvang van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven (NGRU) vormen de netto rijksuitgaven het startpunt. Op de netto uitgaven (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten. Het saldo geeft de netto gecorrigeerde rijksuitgaven, de basis voor de accresberekening (C).

Tabel 9.1: Ontwikkeling van netto gecorrigeerde rijksuitgaven: van begroting naar accrespercentage
 

2011

2012

1 De Koning

39

40

2A Staten-Generaal

139

140

2B Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

115

110

3 Algemene Zaken

53

47

4 Koninkrijksrelaties

182

73

5 Buitenlandse Zaken

10.132

10.019

6 Veiligheid en Justitie

10.317

10.147

7 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

4.028

4.136

8 Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

31.326

31.421

9A Nationale Schuld (Transactiebasis)

9.303

9.215

9B Financiën

1.846

1.288

10 Defensie

7.615

7.552

12 Infrastructuur & Milieu

11.017

10.463

13 Economische Zaken, Landbouw & Innovatie

5.564

4.525

15 Sociale Zaken en Werkgelegenheid

19.901

19.608

16 Volksgezondheid, Welzijn en Sport

6.085

5.634

50 Gemeentefonds

18.576

18.501

51 Provinciefonds

1.268

1.686

Aanvullende posten

277

– 6

(A) Totaal netto uitgaven

137.784

134.597

     

(B) Totaal correcties

– 45.952

– 45.119

     

(C)Totaal NGRU (=A+B)

91.832

89.479

     

Accres (%) = (Ct – Ct–1)/Ct–1)

 

– 2,56%

De correcties op de netto rijksuitgaven (tabel 9.2) kunnen in drie categorieën ingedeeld worden.

  • Uitgaven die wel relevant zijn voor de uitgavenkaders, maar niet voor de basis van de accresberekening, de NGRU. Het gaat om uitgaven die relatief gevoelig zijn voor macro-economische ontwikkelingen en waarop het Rijk geen invloed heeft, bijvoorbeeld de afdrachten aan de EU. Door de rijksuitgaven voor deze uitgavenposten te corrigeren, wordt de accresraming minder afhankelijk van macro-economische ontwikkelingen, wat de stabiliteit van de accresontwikkeling ten goede komt.

  • Uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenkader, maar wel voor de NGRU, bijvoorbeeld studieleningen.

  • Financieringsverschuivingen. Financieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar in de normeringssystematiek wel effect hebben op het accres doordat het schuiven zijn tussen NGRU-relevante uitgaven en niet-NGRU-relevante uitgaven. De rijksuitgaven worden voor deze posten gecorrigeerd omdat per saldo geen sprake is van meer of minder uitgaven, er is alleen sprake van een andere financieringsbron. Het gaat bij deze correcties bijvoorbeeld om overhevelingen van departementale begrotingen naar het gemeente- en provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen het Rijk en de sociale zekerheidsfondsen.

Tabel 9.2: Totaal correcties
 

2011

2012

Rente 9A

– 9.303

– 9.215

EU-afdrachten (inclusief landbouwheffingen)

– 6.168

– 6.102

HGIS

– 5.097

– 4.840

WWB

– 4.297

– 5.082

GF/PF

– 18.389

– 18.675

WMO en opleidingsfonds

– 3.277

– 3.384

Studieleningen en radiofrequenties

1.446

1.502

Overboekingen RBG-eng – GF/PF

201

1.222

Overige financieringsverschuivingen

– 1.068

– 545

Totaal correcties

– 45.952

– 45.119

Tabel 9.3: Accres
 

2012

1. Accrespercentage (nominaal)

– 2,56%

2. Grondslag normeringssystematiek

18.389

3. Accres (= 1 * 2)

– 471

   

4. Accres 2012 stand FJR 2012

– 471

   

wv. Gemeentefonds

– 435

wv. Provinciefonds

– 36

Ontwikkeling accres 2012

Tabel 9.4 Aansluiting accres stand Miljoenennota 2012 naar stand FJR 2012
 

2012

Accrespercentage 2012, stand MN 2012

– 0,52%

Accres 2012, stand MN 2012

– 95

   

Mutatie sinds MN 2012

– 377

   

Accres 2012, stand FJR 2012

– 471

Accrespercentage 2012, stand FJR 2012

– 2,56%

Het accres 2012 is ten opzichte van de stand Miljoenennota 2012 neerwaarts bijgesteld. Deze bijstelling kent een aantal oorzaken. Ten eerste heeft de in het begrotingsakkoord 2013 afgesproken nullijn voor ambtenaren in 2012 een negatief effect op het accres. Daarnaast is sprake van onderuitputting op departementale begrotingen, waardoor het accrespercentage nog verder naar beneden is bijgesteld, tot – 2,56 procent, – 471 miljoen euro.

Bijlage 10 Belangrijkste conclusies & aanbevelingen doorlichtingen agentschappen

Afgerond in 2012 Agentschap

Conclusies & aanbevelingen Sturing

Doelmatigheid

Admin. stelsel

50 mln omvangscriterium

Kern aanbevelingen

FMHaaglanden

Tussen de opdrachtgevers bestaan nog verschillende beelden over hun eigen rolinvulling als opdrachtgevend beraad en over de taakinvulling van FMH. Hierdoor ontstaat spanning tussen de eisen aan de kwaliteit en service enerzijds en de wens tot standaardisatie anderzijds

Doelmatigheidstaakstelling op personeel (25%) en inkoop (5%) gehaald. Opdrachtnemer en -gevers zien de te ontwikkelen benchmarks als een belangrijk instrument om op doelmatigheid te sturen.

Geen aandachtspunt gezien afschrijvingen van 5%.

Geen aandachtspunt gezien omvang +/- EUR 90 mln.

Rolverdeling (opdrachtgevers, opdrachtnemer en eigenaar) moet helder vastgelegd worden. Het kostprijsmodel dient verder vereenvoudigd te worden tbv transparantie naar de opdrachtgevers en om effectiever te kunnen sturen op efficiency en doelmatigheid.

           

CIBG

Er bestaat onvrede tussen de partijen in de driehoek opdrachtgever-opdrachtnemer-eigenaar. Samengevat hangt dit samen met een in sommige gevallen onzuivere en soms niet voldoende zakelijke rolinvulling, een gebrek aan transparantie en communicatie en het elkaar plaatsen voor voldongen feiten in bepaalde situaties.

Het vele maatwerk op productniveau zorgt ervoor dat het moeilijk is om doelmatigheidswinst CIBG-breed te realiseren. Doelmatigheidswinst daardoor vooral op productniveau behaald.

Geen aandachtspunt gezien afschrijvingen van 7%.

Is een issue gezien omvang van +/- EUR 38 mln. Zie aanbeveling.

Maak een keuze tussen:

– uithuizen taken die niet binnen de focus als registerautoriteit vallen; of

– het CIBG wordt dé uitvoerder van VWS.

           

IVW/ILT

Werking van het sturingsmodel kan worden verbeterd. Kern is een verdere verduidelijking van rollen en verantwoordelijk-heden op basis van:

– gelijkwaardigheid tussen Inspectie en BeleidsDG

– de noodzaak rolvastheid te creëren voor Inspectie, BeleidsDG en SG vanuit verschillende rollen en verantwoordelijkheden.

Onvoldoende mogelijk op basis van de huidige sturingsgegevens een goede relatie te leggen tussen middelen en productie. Zodoende weinig zicht doelmatigheid. De reeds ingezette uniformering van de processen is een belangrijke aanzet hiervoor ter verbetering.

Geen uitspraak:

over 2 jaar toetsing aan agentschaps-criteria.

Geen uitspraak:

over 2 jaar toetsing aan agentschapscriteria.

Noodzakelijk elkaar aan te spreken op de invulling van rollen en verantwoordelijkheden. Meer zakelijkheid en elkaar aanspreken op doelmatigheid en effectiviteit. Meer transparantie nodig om scherp inzicht te krijgen in waar de inspectie staat dan wel moet staan op het gebied van doelmatigheid en effectiviteit. Afgesproken dat IVW/ILT over 2 jaar opnieuw wordt getoetst aan agentschapscriteria.

Lopende doorlichtingen

LOGIUS, DRZ, JUSTIS

   
           

Geplande doorlichtingen 2013

Agentschap Telecom, DPC, RIVM, NEa, DHC, BPR, IND

   

Voorzien na 2013

Resterende agentschappen

   

Lijst van gebruikte termen en hun betekenis

Apparaatsuitgaven

Het totaal van de personeelsuitgaven en materiële uitgaven.

Automatische stabilisatie

Conjuncturele schommelingen in de collectieve inkomsten (en uitgaven) resulteren niet in een beleidsreactie, maar lopen in het begrotingssaldo. Bij versnelling van de conjunctuur nemen de belasting- en premie-inkomsten toe en de uitgaven voor werkloosheid af. Hierdoor verbetert het begrotingssaldo. Bij vertraging van de conjunctuur treedt het omgekeerde op. Automatische stabilisatoren hebben daarmee een dempende invloed op de intensiteit van de conjuncturele uitslagen.

Batenlastendienst/Agentschap

Een batenlastendienst/agentschap is een onderdeel van een ministerie waarvoor een afgezonderd en afwijkend beheer wordt gevoerd, met als doel een doelmatiger beheer te realiseren. Agentschappen die een batenlastenstelsel voeren hebben een eigen begroting en staan los van de begrotingsadministratie van het moederministerie. Een agentschap dateen batenlastenstelsel voert valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

Batenlastenstelsel

In een batenlastenstelsel worden uitgaven en ontvangsten toegerekend aan het tijdvak waarin het verbruik van goederen en diensten plaatsvindt en de baten ontstaan. Dit stelsel maakt het mogelijk om de kosten en opbrengsten af te leiden uit de administratie.

Bedrijfsvoering

De sturing en beheersing van bedrijfsprocessen binnen een ministerie om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Het betreft de sturing en beheersing van zowel de primaire processen als van de processen die hiervoor faciliterend zijn (de zogenaamde ondersteunende processen). Wat de ondersteunde processen betreft, kan hierbij ten minste worden gedacht aan personeel, informatisering, organisatie, financiën, automatisering en huisvesting.

Belastinguitgaven

Overheidsuitgaven in de vorm van derving of uitstel van belastingontvangsten, voortvloeiend uit een voorziening in de wet voorzover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet.

Beleidsdoorlichting

Een beleidsdoorlichting is een synthese onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van al het beleid van een geheel beleidsartikel of een substantieel onderdeel daarvan. De beleidsdoorlichtingen worden (na behandeling in de Ministerraad) naar de Tweede Kamer gestuurd, samen met het oordeel van een onafhankelijke deskundige over de kwaliteit van de beleidsdoorlichting.

Beleidsinformatie

De informatie betreffende het beleid en de bedrijfsvoering, die is opgenomen in de begrotingen en de jaarverslagen van het Rijk en die is ontleend aan:

  • a. departementale systemen voor het verzamelen, genereren en veredelen van beleidsinformatie (monitorsystemen);

  • b. informatiebronnen van derden;

  • c. evaluatieonderzoeken en bedrijfsvoeringsonderzoeken

Bruto Binnenlands Product (bbp)

De som van de beloningen van de productiefactoren in het Nederlandse productieproces, plus het saldo van de indirecte belastingen en kostprijsverlagende subsidies.

Bruto Nationaal Product (bnp)

Het bnp is de som van alle bruto toegevoegde waarde voortgebracht door alle sectoren in een land in een jaar tijd. Ook is rekening gehouden met het saldo van de primaire inkomens ontvangen en betaald aan het buitenland.

Collectieve lastendruk

Het totaal van belasting- en premieontvangsten, vermeerderd met enkele niet-belastingontvangsten, uitgedrukt in procenten van het Bruto Binnenlands Product.

Collectieve uitgaven

Het totaal van de relevante uitgaven van het Rijk (inclusief debudgetteringen en de uitgaven van de agentschappen), de overige publiekrechtelijke lichamen (OPL) en de sociale fondsen. Onderlinge betalingen worden geconsolideerd.

Contractloon

Het looninkomen per werknemer als direct gevolg van de afgesloten collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO) in de private sector en van arbeidsvoorwaardenafspraken met overheidspersoneel.

Economische en Monetaire Unie (EMU)

De in het Verdrag van Maastricht geregelde unie tussen EU-lidstaten. De derde fase die op 1 januari 1999 van start is gegaan, kenmerkt zich door onherroepelijk vastgelegde wissel koersen, volledig vrij kapitaalverkeer en girale invoering van de gemeenschappelijke munt, de euro. De euro is per 1 januari 2002 ook chartaal ingevoerd. In de EMU is de Europese Centrale Bank verantwoordelijk voor het gemeenschappelijke monetaire beleid dat wordt gevoerd door het Europees Stelsel van Centrale Banken. Tevens vindt binnen de EMU coördinatie van het economisch beleid plaats.

EMU-saldo

Het EMU-saldo heeft betrekking op het vorderingensaldo van de sector Overheid op trans actie basis. Het vorderingensaldo geeft de mutatie in het saldo van de financiële activa en passiva van de collectieve sector weer. Omdat het EMU-saldo betrekking heeft op de totale collectieve sector, is niet alleen het vorderingensaldo van het Rijk van belang, maar ook de vorderingensaldi van de sociale fondsen en de lokale overheid.

EMU-schuld(-quote)

Het totaal van de uitstaande leningen ten laste van de gehele collectieve sector. Dit is de optelsom van de uitstaande leningen ten laste van het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheid, minus de onderlinge schuldverhoudingen van deze drie subsectoren. De EMU-schuld is een bruto-schuldbegrip. Bij bepaling van de EMU-schuldquote wordt de EMU-schuld uitgedrukt in procenten van het bbp.

Financieel beheer

Het geheel van beslissingen, handelingen en regels die zijn bedoeld voor de sturing en beheersing van, alsmede de verantwoording over, de financiële transacties en de saldi waarvoor de minister (mede)verantwoordelijkheid draagt. De administraties, die ten behoeve van het financieel beheer worden bijgehouden, worden eveneens tot het financieel beheer gerekend.

Financiële Functie

De financiële functie omvat zowel de centrale controlfunctie (directies Financieel Economische Zaken bij de ministeries) als de decentrale contolfunctie en de auditfunctie (Auditdienst Rijk en de departementale auditdiensten)

Financieringssaldo

Het saldo van de uitgaven en ontvangsten op kasbasis, minus de mutatie van de derdenrekeningen.

Geharmoniseerd bbp

Definitie van het bbp zoals door alle EU landen wordt gehanteerd.

Gemeentefonds

Fonds waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de gemeenten, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, wordt het accres genoemd.

Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)

De middelen voor het buitenlandse beleid worden verantwoord op verschillende begrotingen. Om de samenhang van het buitenlandse beleid te versterken, zijn de financiële middelen hiertoe gebundeld onder de HGIS. Op deze manier wordt de omvang van de beschikbare middelen duidelijk gemaakt en kan een integrale afweging plaatsvinden omtrent de inzet van deze middelen.

Infrastructuurfonds

Fonds waarin de middelen die voorheen op de begrotingen van (het toenmalige) Verkeer en Waterstaat, het Rijkswegenfonds en het Mobiliteitsfonds beschikbaar waren voor de uitgaven aan de weg-, water- en railinfrastructuur, zijn samengevoegd.

Inkomstenindicator

Elke wijziging in bestaand overheidsbeleid die effect heeft op de voor het EMU-saldo relevante collectieve inkomsten.

Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO)

De evaluatie van beleidsterreinen en ontwikkeling van beleidsvarianten volgens een door de regering vastgestelde interdepartementale procedure. Deze procedure voorziet onder meer in de totstandkoming van openbare rapportages.

In- en (uit)verdieneffecten

Besparingen (verliezen) die in de uitgaven van een bepaalde regeling kunnen optreden ten gevolge van beleidsintensiveringen (ombuigingen) in een andere regeling. Bijvoorbeeld: het intensiveren ven de arbeidsmarktmaatregelen kan leiden tot grotere uitstroom of minder instroom in de werkeloosheidsregelingen.

Kasschuif

Het intertemporeel schuiven van budget. Dit komt voor wanneer beleid dat gepland stond voor een bepaald jaar op een ander tijdstip wordt uitgevoerd.

Kas- transverschillen

De verschillen die ontstaan door toepassing van zowel het kas- als het transactiebegrip.

Lastenverlichting (en -verzwaring)

Een verlaging (verhoging) van belastingtarieven dan wel verruiming (beperking) van fiscale aftrekmogelijkheden of een verlaging (verhoging) van de tarieven van de socialenverzekeringspremies.

Loonbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van ministeries ten gevolge van loonstijgingen. Deze middelen worden gereserveerd op de aanvullende post.

Materieel beheer

De zorg voor niet-geldelijke zaken vanaf het moment van ontvangst tot aan het moment van afstoting. Onder de niet-geldelijke zaken worden zaken verstaan, niet zijnde geld of geldswaardige papieren, die benodigd zijn voor het functioneren van de rijksdienst, dan wel die door het Rijk in bewaring zijn genomen.

Najaarsnota

Tussentijds overzicht van de lopende begrotingsuitvoering, waarin wordt aangegeven welke wijzigingen optreden ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. De Najaarsnota moet uiterlijk op 1 december van het lopende begrotingsjaar bij de Staten-Generaal worden ingediend.

Nationale Rekeningen

De Nationale Rekeningen is het statistische systeem waarmee de Nederlandse economie in kaart wordt gebracht. Ook wel de Nationale Boekhouding genoemd.

Netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin

Relevante uitgaven en niet-belastingontvangsten van de Rijksbegroting exclusief de uitgaven en niet-belastingontvangsten van de Rijksbegroting die tot de sector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid of tot de sector Zorg worden gerekend. Tevens worden de relevante uitgaven gecorrigeerd voor enkele incidentele posten.

Netto-uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

De budgetdisciplinesector Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid omvat de sociale zekerheid op de Rijksbegroting, alsmede de uitgaven van de sociale fondsen. Voor de sociale fondsen is het totaal van uitkeringen en administratiekosten relevant. Het bovenwettelijke gedeelte blijft buiten beschouwing.

Netto-uitgaven Zorgsector

De uitgaven die tot het Budgettair Kader Zorg (BKZ) worden gerekend. Het BKZ omvat de via de AWBZ, ZVW en particuliere verzekeraars (voorzover betrekking hebbend op de particulier verzekerde voorzieningen die ook in het ZVW-verzekerde pakket zijn opgenomen) gefinancierde netto-uitgaven. Bij het collectief gefinancierde deel van het BKZ worden de via de particuliere verzekeraars gefinancierde uitgaven niet meegenomen, met uitzondering van de via de omslagbijdrage WTZ gefinancierde uitgaven.

Niet-belastingontvangsten

Alle begrotingsontvangsten van het Rijk die niet tot de belastingen- en premieontvangsten worden gerekend. Het betreft een zeer heterogene groep. Het gaat daarbij vooral om ontvangsten die samenhangen met verleende overheidsdiensten en kredietverlening door het Rijk, sommige ontvangsten die als collectieve lasten worden aangemerkt, de delfstofbaten en bijvoorbeeld incidentele ontvangsten uit de verkoop van staatsdeelnemingen.

Onderuitputting

De netto gerealiseerde uitgaven zijn lager dan begroot.

Prijsbijstelling

Tegemoetkoming voor de extra uitgaven van ministeries ten gevolge van prijsstijgingen. Deze middelen worden gereserveerd op de aanvullende post.

Provinciefonds

Fonds waaruit jaarlijks (algemene) uitkeringen worden gedaan aan de provincies, ter dekking van een deel van hun uitgaven. De jaarlijkse groei van het fonds op basis van de ontwikkeling van de netto- gecorrigeerde rijksuitgaven, wordt het accres genoemd.

Rechtmatigheid

Onder rechtmatigheid wordt verstaan comptabele rechtmatigheid. Comptabele rechtmatigheid houdt in dat een financiële transactie waarvan de uitkomst in het departementale jaarverslag dient te worden verantwoord in overeenstemming is met de begrotingswetten en met de in de Europese regelgeving, de Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriele regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van die financiële transactie beïnvloeden.

Rechtspersoon met een Wettelijke Taak (RWT)

Rechtspersonen met een Wettelijke Taak worden geheel of gedeeltelijk met publiek geld bekostigd en oefenen een wettelijke taak uit. RWT's kunnen tevens zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) zijn, maar er bestaan ook RWT's die geen ZBO zijn en ZBO's die geen RWT zijn.

Ruilvoetontwikkeling

De ruilvoet is het verschil tussen enerzijds het niveau van prijs nationale bestedingen (pNB) (waarmee het uitgavenkader wordt aangepast), en anderzijds het loon- en prijsniveau waarmee de onderliggende uitgaven daadwerkelijk muteren.

Sociale fondsen

Fondsen waaruit uitkeringen en voorzieningen worden verstrekt krachtens socialeverzekerings wetten. De financiering vindt voor het overgrote deel plaats via sociale premies en rijksbijdragen.

Staatsbalans

Een balans waarin de grootte en de samenstelling van het staatsvermogen wordt weergegeven.

Stabiliteits- en Groeipact

Samenstel van Europese afspraken, waarin de lidstaten van de Europese Unie zich verplichten om op middellange termijn te streven naar een begroting die nabij evenwicht is of een overschot vertoont. In dit kader stellen de lidstaten elk jaar een stabiliteitsprogramma op – een rapportage over de stand van zaken en verwachtingen voor de economie en overheidsfinanciën.

Uitgavenkader

Een jaarlijks uitgavenplafond, waarin de netto-uitgaven (uitgaven minus de niet-belastingontvangsten) voor de kabinetsperiode zijn vastgelegd. Het totaalkader is onderverdeeld in drie deelkaders: Rijksbegroting in enge zin, Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt en het Budgettair Kader Zorg.

Verticale Toelichting

Een verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van alle veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds een vorig rapportagemoment.

Voorjaarsnota

Tussentijds overzicht van de lopende begrotingsuitvoering, waarin wordt aangegeven welke wijzigingen optreden ten opzichte van de Ontwerpbegroting. De Voorjaarsnota moet uiterlijk op 1 juni van het lopende begrotingsjaar bij de Staten-Generaal worden ingediend.

Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO)

Orgaan waaraan de uitoefening van een wettelijke taak is opgedragen, zonder dat er sprake is van (volledige) ondergeschiktheid aan de minister, en die voor de uitoefening van de taak uit collectieve middelen (rijksbijdragen en heffingen) worden gefinancierd.

Lijst van gebruikte afkortingen

AC

Audit Committee

ADR

Auditdienst Rijk

AOW

Algemene Ouderdomswet

AR

Algemene Rekenkamer

ARIV

Algemene Rijksinkoopvoorwaarden

AWBZ

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

AZ

Algemene Zaken

BBP

Bruto Binnenlands Product

BES

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BIR

Baseline Informatiebeveiliging Rijk

BKZ

Budgettair Kader Zorg

BMKB

Besluit Borgstelling MKB Kredieten

BNI

Bruto Nationaal Inkomen

BPM

Belasting op personenauto’s en motorrijwielen

BPR

Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten

BTW

Belasting Toegevoegde Waarde

BZK

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CBS

Centraal Bureau voor de Statistiek

CEP

Centraal Economisch Plan

CIBG

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

CPB

Centraal Planbureau

CRI

Capital Relief Instrument

CRR

Commissie Risicoregelingen

CVZ

College voor zorgverzekeringen

CW

Comptabiliteitswet

DGS

Depositogarantiestelsel

DHC

Dienst Huurcommissie

DNB

De Nederlandsche Bank

DPC

Dienst Publiek en Communicatie

DRZ

Dienst Roerende Zaken

EBF

Elektronisch Bestellen en Factureren

EBRD

European Bank for Reconstruction and Development

ECB

Europese Centrale Bank

EFSF

European Financial Stability Facility

EFSM

European Financial Stability Mechanism

EIB

European Investment Bank

EMU

Economische en Monetaire Unie

ESM

European Stability Mechanism

ESR

Europees Stelsel van Rekeningen

EU

Europese Unie

EL&I

Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

EZ

Economische Zaken

FES

Fonds voor Economische Structuurversterking

FJR

Financieel Jaarverslag van het Rijk

GF

Gemeentefonds

GGZ

Geestelijke Gezondheids- en verslavingszorg

GO

Garantie Ondernemingsfinanciering

HGIS

Homogene groep Internationale Samenwerking

HIS

Haagse Inkoopsamenwerking

IB

Inkomstenbelasting

IBO

Interdepartementaal Beleidsonderzoek

ICBR

Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijksdienst

ILO

International Labour Organization

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

IMF

Internationaal Monetair Fonds

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

IPO

Interprovinciaal Overleg

IUC

Inkoopuitvoeringscentrum

IVW

Inspectie Verkeer en Waterstaat

J&G

Jeugd en Gezin

KTV

Kastransactieverschillen

LNG

Liquified Natural Gas

LNV

Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit

LTRF

Long Term Refinancing Operation

LTRO

Longer-term Refinancing Operations

MCN

Mandatory Convertible Note

MEP

Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie

MEV

Macro-Economische Verkenningen

MLT

Middellangetermijnverkenning

MN

Miljoenennota

MRO

Main Refinancing Operations

NEa

Nederlandse Emissieautoriteit

NHG

Nationale Hypotheek Garantie

NJN

Najaarsnota

Nza

Nederlandse Zorgautoriteit

OESO

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OMT

Outright Monetary Transactions

OCNL

Octrooicentrum Nederland

OCW

Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OSU

Onderhoudsrapportage Specifieke Uitkeringen

PBL

Planbureau voor de Leefomgeving

PF

Provinciefonds

PGB

Persoonsgebonden budget

PSI

Private Sector Involvement

RBV

Rijksbegrotingsvoorschriften

RGB-eng

Rijksbegroting in enge zin

RPE

Regeling Periodiek Evalutieonderzoek

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

SGP

Stabiliteits- en Groeipact

SMP

Securities Market Programme

SPV

Special Purpose Vehicle

SSO

Shared Service Organisatie

SZA

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

SZW

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TK

Tweede Kamer

TTF

Title Transfer Facility

UWV

Uitvoeringsinstituut voor Werknemersverzekeringen

V&W

Verkeer en Waterstaat

VJN

Voorjaarsnota

Vpb

Vennootschapsbelasting

VROM

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VVZ

Volksverzekeringen

VWS

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WAO

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering

WAKO

Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen

WE

Waarborgfonds Eigen Woningen

WenR

Wonen en Rijksdienst

WGA

Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten

WNVZ

Werknemersverzekeringen

WNT

Wet Normering Topinkomens

Wopt

Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens

WW

Werkloosheidswet

WWB

Wet werk en bijstand

WWI

Wonen, Wijken en Integratie

ZBC

Zelfstandig Behandelcentrum

Trefwoordenlijst

ABN Amro 50, 51, 103, 107

Achterborgstelling 43, 44, 46, 47, 48, 49, 110, 112

Agentschap 7, 67, 70, 72, 74, 83, 85, 87, 88, 89, 90, 120, 121, 122, 123

Algemene Rekenkamer 43, 63, 68, 69, 70, 78, 79, 80, 81, 83, 128

Algemene Zaken 91, 92, 117, 128

AOW 43, 45, 57, 61, 95, 128

Arbeidsmarkt 5, 19, 20, 25, 31, 36, 125, 126, 127, 129

Audit Committees 66, 72, 73, 74, 86, 87

Auditdienst 65, 66, 68, 74, 78, 86, 124, 128

Automatische stabilisatie 122

Automatisering 122

AWBZ 37, 126, 128

AZ 36, 89, 128

Batenlastendienst 122

BBP 18, 40, 41, 128

Bedrijfsvoering 7, 9, 65, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 84, 86, 87, 122, 123, 129

Bedrijfsvoeringsparagraaf 69

Belastingdienst 70, 85

Beleidsdoorlichting 7, 81, 82, 83, 88, 90, 115, 116, 122, 123

Beleidsevaluatie 80, 81, 83

Beleidsinformatie 7, 65, 69, 80, 83, 123

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 5, 34, 71, 91, 92, 111, 115, 117, 128

Budgettair Kader Zorg 25, 31, 37, 126, 127, 128

BZK 58, 65, 67, 71, 72, 73, 77, 79, 80, 85, 86, 88, 89, 96, 128

CBS 15, 16, 19, 20, 28, 29, 42, 56, 57, 58, 97, 98, 128

Comptabiliteitswet 72, 73, 78, 81, 83, 84, 128

Consumptie 10, 16, 40, 41

De Nederlandsche Bank 13, 33, 46, 47, 51, 53, 128

Deelnemingen 33, 44, 50, 55, 56, 57, 82, 84, 93, 95, 98, 100, 109, 111, 126

Defensie 5, 34, 70, 80, 86, 87, 91, 92, 94, 95, 115, 116, 117

Dividend 5, 33, 41, 42, 55, 56, 102, 103, 107

Economische crisis 16, 43, 44

Economische groei 14, 15, 16, 17, 18, 19, 25, 26, 30, 37, 45, 59, 61, 64

Economische Zaken 5, 34, 65, 71, 86, 91, 92, 111, 115, 117, 124, 128

EFSF 11, 12, 30, 47, 49, 50, 52, 105, 106, 108, 109, 110, 128

EFSM 11, 109, 110, 128

EMU-saldo 5, 7, 8, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 97, 99, 123, 124

EMU-schuld 7, 8, 20, 21, 22, 25, 28, 29, 30, 97, 124

EMU-tekort 20, 21, 30

ESR 1995 97, 100, 101

EU-fonds 68

Eurogebied 14, 17, 21, 22

Europese aanbestedingsregels 68, 69, 70, 71, 74, 77

Europese Unie 10, 12, 127, 128

Experiment 57, 98

Export 10, 34, 47, 60, 111

EZ 71, 80, 86, 89, 128

Financieel beheer 9, 65, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 76, 77, 79, 84, 88, 124

Financiële crisis 54

Financiële functie 7, 65, 66, 71, 73, 74, 75, 76, 83, 88, 124

Fortis 50, 103, 106, 107, 108

Garantie 7, 14, 33, 43, 44, 46, 47, 48, 49, 51, 52, 53, 54, 55, 57, 58, 64, 90, 93, 95, 97, 100, 103, 104, 105, 107, 108, 109, 110, 111, 128, 129

Gemeente- en provinciefonds 7, 58, 90, 117, 118

Groei 10, 11, 12, 14, 16, 17, 18, 20, 21, 29, 30, 40, 41, 54, 59, 61, 62, 63, 65, 75, 88, 110, 124, 126, 127, 129

Informatiebeveiliging 70, 71, 76, 79, 128

Infrastructuur en Milieu 5, 71, 91, 92, 111, 116

Infrastructuur 34, 63, 91, 92, 95, 100, 101, 111, 114, 117, 124

Inkomsten 4, 5, 7, 10, 25, 26, 27, 32, 37, 38, 39, 42, 45, 59, 98, 102, 117, 122, 124, 129

Inkoopbeheer 70, 76, 77

I&M 71, 80, 86

Koning 91, 92, 117

Kredietcrisis 13, 66, 97, 103, 106, 107, 108

Materieelbeheer 65, 69, 70, 71, 72

MEP 129

Nationale Hypotheekgarantie 47, 49, 96

Nationale Schuld 91, 92, 117

OCW 58, 67, 70, 80, 86, 95, 113, 114, 129

Omzetbelasting 5, 39, 40, 41, 102

Onderuitputting 32, 35, 119, 126

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 5, 34, 70, 91, 92, 111, 113, 115, 117, 129

Onderwijs 34, 67, 70, 82

Openstaande rechten 93, 94

Overdrachtsbelasting 23, 38, 39, 40, 41, 102

Overheidsbalans 50, 56, 57, 97, 98

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten 91, 92, 117

Overschrijding 31, 35, 36, 37, 66, 67, 68

P-Direkt 76, 77

Rechtmatigheid 7, 10, 65, 66, 67, 68, 69, 71, 84, 126

Regeldruk 73, 84

Rente 5, 26, 31, 33, 35, 51, 58, 59, 103, 104, 105, 106, 107, 109, 118

Rijksbrede bedrijfsvoering 7, 65, 68, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 84, 86

Risicomanagement 59, 86, 87

Saldi begrotingsfondsen 93, 95

Saldi begrotingsreserve 93, 95

Securities 14, 50, 52, 98, 103, 107, 129

Shared Service Centra 84

Shared Service Organisaties 74

SiSa 67, 78, 79

Sociale Zaken en Werkgelegenheid 19, 71, 91, 92, 111, 116, 117, 129

Sociale Zekerheid 5, 25, 31, 118, 125, 126, 127, 129

Staatsbalans 7, 8, 50, 56, 57, 90, 97, 98, 100, 101, 127

Staten-Generaal 91, 92, 94, 117, 125, 127

Subsidiebeheer 70, 71, 76, 77

Subsidies 77, 78, 83, 123

SZW 58, 66, 67, 69, 71, 80, 85, 86, 87, 115, 116, 129

Toezicht 11, 12, 54, 58, 66, 70, 71, 73, 74, 75, 76, 79, 85, 86, 87

Toleranties 65, 66, 68

Uitgavenkaders 35, 45, 59, 118

Uitkering 27, 34, 35, 36, 42, 45, 51, 58, 59, 67, 71, 76, 78, 79, 104, 109, 117, 124, 126, 127, 129

Verantwoord Begroten 65, 80, 81, 83

Volksgezondheid, Welzijn en Sport 70, 91, 92, 111, 116, 117, 130

Voorhangprocedure 84

Voorschotten 67, 69, 70, 74, 93, 95

VWS 58, 67, 70, 77, 80, 85, 86, 87, 88, 89, 120, 130

WAO 36, 130

Werkgelegenheid 12, 19, 39, 40

Werkloosheid 26, 36, 130

Wonen en Rijksdienst 65, 66, 72, 73, 74, 85, 130

WW 36, 45, 118, 130

Zorg 5, 11, 20, 23, 25, 29, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 41, 42, 43, 45, 48, 59, 61, 62, 65, 71, 73, 74, 75, 82, 84, 85, 88, 110, 112, 116, 120, 125, 126, 128, 129

Zorguitgaven 27, 37, 45, 61, 62

Licence